Chapter 3

Het is nog niet uitgemaakt, wie het eerst de Lente proclameert: de zanglijster, de sneeuwklokjes of de hazelaar. Het eene jaar komt de vogel het eerst met ’t nieuwtje, het andere jaar de heester of de bloem, maar in ieder geval weten zij het altijd eerder dan de menschen, die op den kalender afgaan, en meenen, dat de Lente den eenentwintigsten Maart haar intocht doet.Mij dunkt, ik hoor die zanglijster al lachen! „21 Maart, begin van de Lente? Maar dan zitten wij al lang in de zorgen! Neen hoor, de ware pret begint al, wanneer de dagen weer langer worden, zoo in het begin van Januari. Hoor maar eens, wat de andere vogels er van zeggen”.En waarlijk, daar gaat hij zitten in den hoogsten top van zijn geliefkoosden abeel of iep en roept ze alle op. Want de zanglijster is alle talen machtig en ’t kost hem niet de minste moeite, om in éen adem koolmees en pimpelmees, roodborst en huismusch, wulp en spreeuw toe te spreken, ieder in zijn eigen dialect.Uit pure vreugd enbaldadigheidgooit hij daar nog allerlei geluiden tusschen in van eigen vinding: mooie loopjes en melodieën en afschuwelijke krijsch- en sisgeluiden, net als een kwajongen, die al tamelijk goed viool kan spelen, maar ’t niet kan laten, om zijn instrument van tijd tot tijd te gebruiken als speelgoed.Dag aan dag zit hij in denzelfden boom, dikwijls op denzelfden tak zijn blijdschap uit te galmen, eerst alleen in de morgenuren bij dooiweer, dan ook tegen zonsondergang en eindelijk heele dagen lang, onverschillig wat weer het is. Al hagelt, regent en sneeuwt het tegelijk, het hindert hem niet. Alleen wanneer er onverwacht weer eens een winterweekje komt en de grond hard bevriest, zoodat hij niets anders te eten kan vinden dan wat bevroren hulstbessen of onrijpe klimopvruchten, dan verstomt zijn lied en dan kan hij in een paar dagen geweldig afvallen, zoodat hij ten slotte niet meer is dan vel over been.Doch zoodra de thermometer boven nul staat, begint de vreugd opnieuw. Deze[6]afwisseling van bitteren strijd en uitgelaten vreugde maken de eerste lenteweken tot den heerlijksten tijd van het jaar, vol pit, fermheid en blijdschap.Den eenen dag verdringen de musschen zich hongerig en haveloos om het voederbakje, den volgenden zitten ze onbezorgd en voldaan gezellig te sjielpen in de kale boomen. Wat ze elkander daar te verhalen hebben is een raadsel, maar zeker is het, dat de zon erbij betrokken is, want ieder straaltje vangen ze op tusschen de half opgerichte grijze veeren. En als de zon op ’t punt is onder te gaan, dan is hun gezelschap ’t grootst en het gesjielp op zijn luidruchtigst.Blijft het zonnige weer aanhouden, dan sleepen de musschen dra met vezels en strootjes en dat beteekent nesten bouwen. Die vogels hebben het onder de bescherming van onze huizen en daken al zoover gebracht, dat zij den winter soms totaal negeeren en kale jongen hebben met Nieuwejaar. Maar dat lijkt ons een afdwaling der natuur veroorzaakt door het stadsleven.Doch in Februari, dat is wat anders. Dan gaat de zanglijster ook al bouwen en de meezen ontbinden gaandeweg hun groote winterlegers en trekken bij kleine troepjes, ten slotte zelfs bij paren door het land.Wie de meezen voert met spekzwoord of soepbeentjes, vet in een notendop of een kokosnoot—alles opgehangen in de boomen—kan dat gemakkelijk waarnemen. In den winter komen heele troepen op ’t voer af. Niet, dat ze alle tegelijk eten, o neen, dat gaat bij beurten: de sterkste het eerst en dan wippen de andere ongeduldig door het hout onder het uiten van hun klokjesheldere loktonen. Het zijn meest koolmeezen, met zwarten kop en zwarte middenstreep over zwavelgele borst, maar ook komen er prachtige pimpelmeesjes bij met lichtblauwen schedel en donkerblauwen halskraag.En als nu de lente komt, dan worden de troepen in de boomen minder talrijk, maar er zitten er meer op het voeder; dikwijls twee op dezelfde kokosnoot of hetzelfde varkensribbetje. De een is wat grooter en mooier en forscher geteekend dan de andere, ’t is een mannetje, dat zijn wijfje vergunt mee te eten en dat van tijd tot tijd woedend opvliegt naar een derden vogel, die boven aan het touwtje zit te rukken. Bijna alle jonge vogelhuishoudens hebben last van zoo’n derde, zoo’n indringer, en ’t kost het mannetje heel wat ongerustheid en strijd, om hem ten slotte van de baan te krijgen.De pimpelmeesjes verschijnen eerder gepaard dan de koolmeezen. Dat hangt misschien samen met de omstandigheid, dat zij op ietwat vertrouwelijker voet staan met de menschen, want in den omgekeerden bloempot of de nestkastjes, die gij ter beschikking van de vogels stelt, zullen zich veel eerder pimpelmeesjes dan koolmeezen vestigen. Toch zijn er nog altijd drie kansen tegen één, dat er in plaats van pimpeltjes ringmusschen of spreeuwen in komen en de kansen voor roodstaartjes staan zoowat gelijk.[7]Die meesjes beginnen nu ook hun lentelied te zingen, dat veel liever en vroolijker is, dan hun winterzang. Zoo gaat het ook met roodborst en winterkoning. Die hebben den heelen winter door gezongen, vorst of geen vorst, maar nu het lente wordt, zingen zij eens zoo mooi en eens zoo lang, het roodborstje hoog en fijn en aandoenlijk, de winterkoning dartel en blij met geraas en geschetter en trillers zonder eind.Hij is nog doller dan de zanglijster, want die zit ten minste nog stil op zijn tak.De winterkoning echter houdt het nergens langer uit dan een minuut, telkens verandert hij van plaats, altijd door zingend, zoodat hij eindelijk met zijn korte snorrende vleugeltjes gaat gelijken op een soort van muzikaal balspel. Ten slotte schijnt hij uitgeraasd te zijn, en dan sluipt de bruine dwerg tusschen de boomstronken door, om voedsel te zoeken of om bouwstoffen te vergaren voor een van de vele nesten, die hij onderhanden heeft.Daar ontmoet hij den zwarten lijster, die ook al met lentegedachten rondloopt en daardoor minder verdraagzaam is, dan een maand geleden, zoodat hij dat gedraai en gesnuffel van zoo’n winterkoning in zijn nabijheid niet hebben kan. Hij springt dus met zoo’n paar deftige lijstersprongetjes op den kleinen indringer los, deze slaat op de vlucht en begint in zijn agitatie natuurlijk weer van voren af aan te zingen. Want elke sterke gemoedsaandoening, al is het ook een onaangename, is voor hem en voor vele andere vogels de aanleiding tot een lied.De zwarte lijster koelt nu zijn woede op een arme aardworm, die hij onder de dorre bladeren gehoord had en laat de zucht hooren, waarvan de lijsters het monopolie hebben en dat eigenlijk een armzalig dun gefluit is. Waarom zou hij zuchten, die mooie zwartgerokte, goudgesnavelde merel? Wel, verleden week vochten drie bruine merelwijfjes om hèm, en nu moet hij weer dag aan dag met andere merelmannen vechten om de eene van de drie, die toen de baas en daardoor zijn wijfje geworden is.Dat veroorzaakt in de merelwereld al dat gejaag en geraas en geroep, al die onrust en onwaardige vechtpartijen, die men niet verwachten zou van een zoo edelen zanger. Hoe rein en rustig klinkt zijn lied ’s avonds uit de hooge boomen!Als de merel zingt, dan is het ook tijd, om naar bloemen uit te zien. Wel is waar hebben den heelen winter door madeliefje en kruiskruid, vogelmuur en paarse doovenetel hun bloempjes vertoond tusschen ijs en sneeuw, maar dat was toch[8]niet het ware. Die bloempjes bleven klein en dicht bij den grond, weinig in aantal en zonder geur of fleur.Maar nu wordt het anders. De vogelmuur groeit uit en vertakt zich en waar met Kerstmis zich niet meer vertoonde dan een enkel bloempje tusschen een paar groene blaadjes, daar spreiden zich nu kussens uit van dicht sappig groen en als de zon schijnt, dan wordt dat groen overdekt en verborgen door duizenden bij duizenden tienpuntige sterretjes van het reinste wit, zoodat het plekje grond bedekt lijkt met een ijle sneeuwlaag. En de madeliefjes verheffen zich op hooger stelen. In den winter zijn ze altijd eenvoudig wit met geel, flets geel en slap wit. Maar nu ’t lente wordt, hebben ze warmer tinten van noode, het geel wordt dieper en nadert tot oranje en de randbloempjes krijgen een tipje rood. Hoe helderder voorjaarsweer, des te meer madeliefjes met roode randjes.Op dezelfde plaatsen als de vogelmuur bloeit het kruiskruid, het gemeene kruiskruid, zooals het in de boeken heet. Dat woordje gemeen heeft in de plantkunde een andere beteekenis dan in het dagelijksch leven, het is eigenlijk een afkorting van „algemeen” en er zit dus heelemaal geen kwaad bij. In dit geval echter kunnen wij haast niet nalaten, met eenige minachting aan het plantje te denken, het is zoo gewoon en zoo min, het staat altijd op verwaarloosde plekjes en heeft in vorm en kleur en levenswijs weinig, dat bij den oppervlakkigen beschouwer bewondering wekt of aandacht trekt. Een echt versmaad, nederig onkruid.Even nederig en bijna altijd over het hoofd gezien is een ander bloempje, dat dikwijls reeds in November bloeit, den heelen winter zonder schade door alle wisseling van vorst en dooi blijft groeien en nu in de lachende voorjaarszon zijn gansche levenskracht ontwikkelt. Het is het hongerbloempje, een nietig plantje, bestaande uit een rozetje van groene blaadjes vlak op den grond, waaruit een dunne vertakte bloemstengel verrijst. De bloempjes zijn kleine kruisbloempjes met gespleten kroonblaadjes, zoodat er in plaats van vier acht schijnen te zijn.Maar op de zandgronden en in sommige parken en tuinen groeien deze kleine plantjes dicht opeen bij honderden en duizenden. In den voormiddag gaan bij zonnig weer de bloempjes wijd open. De dunne steeltjes, die ze dragen, zijn nauwelijks zichtbaar en zoo schijnt er dan een witte sluier te zweven boven de groenende duinhelling.Het hongerbloempje heet ook wel voorjaarsvroegeling en dat is eigenlijk een veel aardiger naam. Want dit dappere plantje wekt maar zelden gedachte aan honger en gebrek. Integendeel, de bloempjes bevatten flink ontwikkelde honingklieren en verschaffen overvloedig voedsel aan vliegen en bijen en vroege voorjaarsvlinders.Zanglijster.Zanglijster.Zanglijster.Koolmees.Koolmees.Koolmees.Pimpelmees.Pimpelmees.Pimpelmees.Musschen.Musschen.Musschen.Winterkoninkje.Winterkoninkje.Winterkoninkje.Vink.Vink.Vink.Klein Hoefblad met kleine Vos.Klein Hoefblad met kleine Vos.Klein Hoefblad met kleine Vos.Gewoon Kruiskruid.Gewoon Kruiskruid.Gewoon Kruiskruid.Voorjaarsvroegeling.Voorjaarsvroegeling.Voorjaarsvroegeling.Waterwilg.Waterwilg.Waterwilg.Bladmossen.Bladmossen.Bladmossen.Korstmossen.Korstmossen.Korstmossen.Er zijn ook vlinders van den winter, vreemde, geheimzinnige dieren, maar de echte vlinder van het voorjaar is het bont gekleurde Kleine Vosje. Die heeft ook een fijn lentegevoel en komt uit zijn schuilhoek wel te voorschijn, nog voor de zanglijster[9]zingt. Dikwijls moet hij dan smadelijk den terugtocht blazen, maar als de merel gaat zingen, dan staan zijn kansen al beter en dan is hij er ook zeker van, dat hij op de bloemen van het Klein Hoefblad smakelijk zijn bekomst kan eten.Met het Sneeuwklokje is het Klein Hoefblad eigenlijk de eerste echte voorjaarsbloem, want vogelmuur, madelief, kruiskruid, doovenetel en voorjaarsvroegeling zijn te beschouwen als overwinteraars.Het sneeuwklokje komt ook wel reeds in December uit den grond kijken, maar houdt zijn blaadjes en bloemen nog lang in de beschermende scheede besloten. Eind Januari of in ’t begin van Februari komt op zonnige plekjes een enkel bloempje uit het hulsel te voorschijn, maar het opent zich nog niet. Als een groote, bevroren witte droppel blijft het hangen en eerst na eenige dagen spreiden in de warme Februari-zon de buitenste dekblaadjes zich uit en de groengestreepte binnenste bloemblaadjes bieden aan de hongerige bijen hun honingvoorraad aan.Weken lang duren die bloempjes. Als ze zich openen, ligt het ijs nog in de slooten en is de zanglijster nauwelijks begonnen te zingen. Wanneer zij verwelken, heeft de kieviet al eieren en zien wij de komst van de zwaluwen tegemoet. Al dien tijd staan ze frisch en ongeschonden te bloeien, ongedeerd door storm of vorst, onaangeroerd door de vraatzieke slakken of door het nog vraatzuchtiger konijn. Geen wonder, dat deze plant de lieveling is van allen en dat is wel de oorzaak ervan, dat we ze zoo weinig in ’t wild vinden.Overal waar ze groeien, worden ze uitgegraven en meegenomen naar tuintjes en parken en daar komen ze ieder jaar in steeds toenemend aantal weer te voorschijn. Daarbij moeten ze zich het gezelschap laten welgevallen van uitheemsche sneeuwklokjes-soorten en, wat erger is, van „dubbele” sneeuwklokjes.Zooeven noemde ik tegelijk met het sneeuwklokje het Klein Hoefblad als eerste voorjaarsplant. Dit groeit in en om steden en langs de wegen overvloedig genoeg, maar in sommige streken van ons land komt het weinig of niet voor, en ’t is dus geen wonder, dat enkele menschen het niet kennen.Nu dan, een goede kennis van me, een echt liefhebber van bloemen en vogels, maar volstrekt geen plantkundige, kwam op een mooien Februari-dag opgetogen thuis met zijn kleeren vol slik en zijn handen vol bloed en een sigarenkistje, dat hij bij wildvreemde menschen geleend had, vol pollen van een alleraardigst bloempje, die hij met groote zorg en liefde in zijn tuin plantte. Het was het kleine hoefblad.Nu is dat werkelijk een heel mooi bloempje. Het hoofdje zit op den dikken, beschubden stengel en als de zon schijnt, dan gaan de fijne straalbloempjes wijd uitstaan, als de stralen van een zonnetje, het gele hartje komt dan te zien en zelfs een volkomen oningewijde kan dan merken, dat het bestaat uit een aantal bekervormige kleine bloempjes. Het blijkt ook, dat ieder straaltje van het zonnetje een bloempje is met een echten stamper er in, die later een mooi gepluimd vruchtje oplevert.[10]Bij koud en donker weer gaan de hoofdjes dicht, maar als de zon straalt, dan straalt het kleinehoefbladook, dan lijkt het zich uit te rekken in de lekkere warmte en vlinders en bijen komen zich verlustigen op de mooie bloem.Mijn vriend was er wat mee in zijn schik en zijn vrouw ook en ze waren zoo edelmoedig, aan een belangstellend buurman ook een paar polletjes cadeau te doen.Na eenige weken raakten de bloempjes uitgebloeid, en de pluizige vruchthoofdjes verwaaiden. Ook kwamen er mooie witte hoefvormige blaadjes te voorschijn, die in ’t eerst volstrekt niet in den tuin misstonden. Maar in den loop van den zomer werden ze toch wel wat groot en grof. En op andere plekken in den tuin kwamen ook al van die blaadjes te voorschijn. In alle perken vertoonden zich bovendien kleine kiemplantjes, die ook al spoedig hoefvormige blaadjes vormden en moeilijk te wieden waren. Eindelijk werd het een heele misère, het mooie plantje bleek een allerlastigst, bijna onverdelgbaar onkruid te zijn, dat uiterst snel en gemakkelijk opkomt uit zaad en zich even gemakkelijk voortplant door onderaardsche uitloopers, zoodat het omhoog en omlaag bestreden moet worden.Voor den tuin is het dus niet geschikt, op den akker is het te vreezen, maar langs dijken en wegen en op braakliggend terrein is het een welkome lentebode, een prachtig plantje, een toevlucht voor vlinders, vliegen en bijen. Maar in depoëzieheeft het zich geen plaats naast het sneeuwklokje weten te verwerven.Men plant de sneeuwklokjes meestal in het gras, maar eigenlijk behooren ze thuis in ’t kreupelhout en mooier, rijker lentetafereel is er wel niet denkbaar dan bloeiende sneeuwklokjes onder bloeiende hazelaars.De afgevallen hazelaarbladeren, die gedurende den winter de opkomende spruitjes van het sneeuwklokje bedekten, vergaan in het voorjaar spoedig tot zwarte boschaarde, zoodat de witte sneeuwklokjes bij het ontluiken een mooien donkeren achtergrond hebben, een bodem, die door de zon gemakkelijk verwarmd wordt. Ook de lenige twijgen van den hazelaar zelf zijn donker van tint, opgevroolijkt door tallooze lichte stipjes.En nu ontplooien zich tegelijk met de sneeuwklokjes aan die donkere takken de teere zwavelgele bloeikatjes. Den heelen winter door waren ze als stijve cilindertjes reeds aan de takken te zien, maar nu rekken ze zich tot fijne franje, die roerloos neerhangt op windstille plekken onder beschutting van het hooge duin of de dichte bosschen. Duizenden bij duizenden hangen er aan de twijgen en waar deze zich aan hoogopgeschoten stammen horizontaal vertakken, loopt ge onder een troonhemel van goud.Ook ontbreekt het koninklijk purpur niet. Overal tusschen de bungelende katjes vertoonen zich groene knoppen vlak op den tak en vele daarvan dragen een prachtig purperen pluimpje. Dat zijn de stamperbloemen; in den herfst worden dat de mooie vruchten, de groenachtig bruine hazelnoten in hun krulkraag van wazig groen. Weken lang duurt deze bloesempraal, schooner dan de bloei van menigeen van de uitheemsche[11]heesters, die onzen hazelaar uit parken en tuinen hebben verdrongen.Als eenmaal de hazelaar zijn katjes laat bungelen, dan volgen snel andere heesters en boomen. Het eerst komt de els, de watervriend. Zijn meeldraadkatjes zijn langer dan die van den hazelaar en dieper geel, soms rossig en bruin. Ze zijn ook talrijker en hangen dichter opeen, zoodat de bloeiende els door zijn bloesem geheel verborgen wordt.Er zijn sommige streken in ons land, waar bijna niets dan elzen groeien, en daar zijn in Maart wegzoom en waterkant en weidebosch omlijst en bedekt met warmgele sluiers. De stamperbloemen zitten aan dezelfde takjes als de meeldraadbloemen, maar ze zijn kleiner en vallen minder in ’t oog, al blijken ze ook bij nader toezien uitgerust te zijn met mooie donkerroode stempels en stijlen.En heel donker rosachtig bruin wordt het elzenbosch waar het gekapt is. De versch afgekapte stronken staan fel gekleurd tusschen het uitgebleekte wintergras.Voor ons openbaart de lente zich niet alleen in vogelzang, bloemenschoon en vlinderpraal, maar ook in de hernieuwde werkzaamheid van den mensch in veld en bosch, van mestrijden af tot houtkappen toe. Het lijkt een alleraardigste bezigheid, dat houtkappen en ’t is geen wonder, dat de houthakker al van ouds een van de lievelingsfiguren uit de poëzie is geweest. Wel is waar maakt de vertelling hem wel altijd arm, maar in negen van de tien gevallen is hij toch gelukkig en tevreden en in het tiende geval beleven op het minst zijn kinderen nog altijd hoogst merkwaardige en pleizierige dingen.Flinke handenarbeid in de open lucht, nu eens in een vroolijk zonnetje, dan weer onder een stemmigen sneeuwhemel is werkelijk een kostelijk iets. Het dichte kreupelhout geeft een goede beschutting tegen den wind. En alle vogels uit de buurt komen kijken naar den blauwkiel en zingen hem toe, als wilden ze hem danken voor de prachtige takkeboshoopen, die hij opwerpt en waartusschen zij zich zoo heerlijk kunnen verschuilen.De winterkoning kan niet wachten en kruipt nu al tusschen de takken door en de roodborst komt vlak bij den arbeider trippelen en als deze op een takkebos gaat zitten, om uit zijn bonten stukkezak de ferme boterhammen te eten, dan zet de roodborst zich op den bijlsteel en zingt het Fransche liedje dat Madame Michelet hem geleerd heeft: „Je suis le compagnon du pauvre bûcheron”.Dan gaat de man weer aan ’t werk en onder zijn bijl komen weer te voorschijn de roodbruine stompen van de elzen, de geelachtige van eik en beuk, de meelwitte van de esschen. De meidoorns en abeelen laat hij staan, de eerste, omdat er toch geen behoorlijke paaltjes en takkebossen van gemaakt kunnen worden, de laatste omdat ze snel kunnen opgroeien tot groote dikke boomen. Ze beginnen nu ook al in bloei te komen.De abeel hangt zich vol met gele en roode katjes van grover bouw. Ze moeten wat kunnen verdragen, want deze mooie boom, die nog veel te weinig gewaardeerd[12]wordt, groeit dapper en wel zelfs op westhellingen van de duinen, waar hij de hevigste aanvallen van den boomverdelgenden zeewind te doorstaan heeft.Des te meer verheugt de waterwilg zich in de gunst en belangstelling der voorjaarswandelaars. Den heelen winter prijkt hij reeds met dikke knoppen, die vroeg in ’t jaar openbarsten en den gladden zilveren katjes een kijkje naar buiten gunnen. Maar dat is nog geen bloei. Dagen lang is er geen verandering te bespeuren, maar dan gaan die katjes zwellen en groeien; gele helmknopjes of bleekgroene stempellobben worden zichtbaar tusschen het zilveren pluis.Dan strekken zich opeens de meeldraden en nu is ieder katje een stralende bol van wit en goud. De stamperkatjes zijn niet zoo schitterend, maar ook heel mooi; meer groen dan geel, maar toch nog wel zoo helder van tint, dat een bloeiende vrouwelijke waterwilg nog wel een kilometer ver te zien is. Hoe heerlijk is het, op een duin te staan en in alle valleien die gouden en groene heesters te zien schitteren, of de lange versierde twijgen te zien wuiven langs de raampjes van den voorbijsnellenden spoortrein.Maar beter nog is het, er vlak bij te staan en het lenteleven aan die bloesems te bewonderen. De lucht is blauw en de zon straalt, zooals zij dat alleen in ’t voorjaar doen kan. De grond is merkbaar warmer dan de lucht, op vochtige plekken stijgen dampwolken omhoog, een zichtbare getuigenis van de krachtige werking der zonnestralen. En ’t is, of je den grond ziet leven, overal komen kiemplantjes en groeipieken te voorschijn en ’t wriemelt overal van klein gedierte, van vliegjes en mugjes met parelmoeren vleugels, torren in brons en goud en kleine wantsjes met kleurige harlekijnpakjes.In de katjes van de wilgen is het een onophoudelijk gegons en gebrom van insecten, die er komen om honing en stuifmeel. ’t Zijn meest de gewone kleine bruine honigbijen, maar ook groote kleurige hommels: aardhommels, zwart met wit met twee gele strepen, tuinhommels met drie gele strepen, steenhommels met rood achterlijf, akkerhommels met bruin fluweelen borststuk, allemaal groote beesten, die driftig neerbonzen op de bloemen, vlug hun bekomst nemen en dan luid gonzend verder vliegen.Die honigbijen hebben den winter doorgebracht in de warme korven of kasten, maar waar hebben die mooie hommels gezeten?Het antwoord op deze vraag vindt ge door op een zonnigen Februarimorgen de bloembedden in den tuin af te dekken. Reeds worden de vochtige dorre bladeren omhoog getild door hyacinthen en narcissen die uit den grond opschieten en crocusjes en tulpen boren er met spitse pieken doorheen.Ook in het bosch kunt ge deze beide manieren bewonderen, waarop de voorjaarsplanten zich bevrijden van de dekkende bladerlaag. Sommige beuren met vereende krachten dikke plakken bladeren omhoog, zoodat de voorjaarswind er onder kan komen, om ze op te drogen en weg te vegen, andere boren met scherpe punten er door heen, bijten er wellicht gaten in, en ontplooien dan hun bladeren en bloemen. Tot de eerste groep behooren de leverbloempjes, de winter-aconietjes en de bosch-anemonen, tot de[13]tweede de helmbloem en de aäronskelk. Ook zijn er, die ’t op beide manieren probeeren, zooals de vogelmelk.Hazelaarkatjes.Hazelaarkatjes.Hazelaarkatjes.Elzekatjes.Elzekatjes.Elzekatjes.Abeelkatjes.Abeelkatjes.Abeelkatjes.Hyacinthen.Hyacinthen.Hyacinthen.Leverbloempje.Leverbloempje.Leverbloempje.Tulpen.Tulpen.Tulpen.Hondsdraf met Steenhommel.Hondsdraf met Steenhommel.Hondsdraf met Steenhommel.Paarse Doovenetel met Aardhommel.Paarse Doovenetel met Aardhommel.Paarse Doovenetel met Aardhommel.Hondsviooltje.Hondsviooltje.Hondsviooltje.Paardebloem.Paardebloem.Paardebloem.Koekoeksbloem met Witje.Koekoeksbloem met Witje.Koekoeksbloem met Witje.Madeliefje.Madeliefje.Madeliefje.De leverbloempjes, aconieten en anemoontjes leggen dat zeer listig aan. Zij komen gebukt uit den grond, de hoofdjes, het bloempje met beschuttende blaadjes eromheen, neergebogen, zoodat die den bladerlast niet onmiddellijk te dragen krijgen. Eerst als de vrijheid gewonnen is, dan strekken zij zich uit, richten zich op en openen de mooie bloempjes, hemelsblauw, goudgeel of spierwit.Het eerst komen de aconietjes te voorschijn, tegelijk met de sneeuwklokjes. Ge zoudt ze eerst voor boterbloemen houden, maar aan de breede groene franjekraag om de bloem en de mooie, groene honigbekertjes erin zijn ze dadelijk te onderscheiden. Ze behooren in alle heesterperken en boschjes aangeplant te worden evenals de leverbloempjes of hepatica’s, waarvan de prachtige hemelsblauwe bloempjes een aardige afwisseling geven met het geel en wit, dat de meeste voorjaarsbloemen kenmerkt.En de anemoontjes! Gelukkig groeien zij nog in het wild in menig bosch en park van ons land en dat zal er niet minder op worden, nu tegen dom en onnadenkend plukken en uitgraven van mooie wilde bloemen in school en huis even sterk wordt opgetreden als tegen het verstoren van vogelnesten en het onnoodig vangen van insecten.Het is in ’t laatst van Maart, wanneer de anemoontjes goed beginnen te bloeien en dat is dan het glanspunt van de vroege lente. Sneeuwklokjes, hazelaar, helmbloem en gele sleutelbloemen bloeien nog en daarbij komen nu de anemonen en de bosch-klaverzuring, de gevoeligste van alle boschplantjes, een echte veeleischende schoone.Is het te koud of te warm, te droog of te nat, te licht of te duister, dicht gaan de klaverblaadjes en omlaag gaan de fijne bloemkelkjes. Maar als het weer zoo juist van pas is, zoo, dat iedereen roept over den heerlijken lentedag, dan worden de mooie frissche groene blaadjes uitgespreid en op lange, malsche steeltjes komen de witte, roodgeaderde bloempjes in groot aantal te voorschijn.Wat een liefelijke kleuren en vormen sieren dan den boschbodem! Hier het frissche groen en het teer rose aan de klaverzuring, ginds de sierlijk ingesneden donkergroene blaadjes van de anemonen met de witte bloempjes wijd open of de jongere nog half dicht, zoodat het wijnrood van de achterzijde der kelkblaadjes u tegenblinkt. En overal het dichte mostapijt, grillige vormen van grijze korstmossen en blaadjes en takjes en boompjes van bladmossen met urntjes en doosjes van allerlei vorm en stand op lange stelen en korte stelen, hier in rijen en colonnes dicht opeen, daar in groepen van vijf of zes, ontspringend uit het midden van een enkel bladrozet. De mosblaadjes zelve, nu eens fijn verdeeld als de fijnste kant, dan weer kort en stug en dicht opeen als takjes van een thujaboom, of breed en groot met spitse punten en doorschijnende kanten.Mos op den bodem en mos tegen de stammen, tegen de eiken, die nog niets van de lente willen weten en hun bruine knoppen dicht gesloten houden, maar ook[14]tegen de larixen, die volop meedoen aan het voorjaarsfeest en hun dunne twijgen versierd hebben met risten van de allerschoonste purperen en gouden bloesems.De larix is wel de sierlijkste naaldboom, die in ons land groeit. Eigenlijk is hij geen inlander, hij is aangeplant. De boschkweekers zijn niet al te best over hem te spreken, omdat hij nog al eens last heeft van insectenvraat en zwamziekte, maar dat mag ons er toch niet van weerhouden, om hem als sierboom overal aan te planten.Hij vereenigt het statige van den spar met het bevallige van den berk: langs den trotschen kegelvormigen kroon hangen lange fijne twijgen luchtigjes neer. In het najaar vallen alle naalden af en zoo staat de boom dan ’s winters kaal, alleen met blauwig grijs korstmos langs de takken en over de dikke knoppen. Deze bersten vroeg in ’t voorjaar open, dan is de heele boom fijn bespikkeld met groen en daartusschen komen dan de heerlijke bloesems te voorschijn.Op de zonnige zandpaden koesteren zich de bonte vlinders: het gele citroentje, een enkele atalanta met haar rood ordelint, de dagpauwoog met zijn vier bonte vlekken en de koningsmantel, donkerpurper met goud gezoomd. Den heelen winter door hebben ze verborgen gezeten in hoeken en gaten, verstijfd, verdoofd en die prachtige schoenlappers leken toen niet meer dan lapjes vuil, want ze zitten met de vleugels opgeklapt, zoodat alleen de dof gekleurde onderzijde en niet de bonte bovenkant te zien is. Maar nu is alle leed geleden, en zooals ze nu zitten in de zonneplekken op den boschgrond, lijken ze een nieuw soort van zeer bijzondere lentebloemen.Allerlei gedierte komt nu uit den grond te voorschijn. Je kunt geen moskluit optillen, geen bladerhoop wegruimen, of daar zit een nog loome wespen- of hommelkoningin, een dikke rups of een heel klompje kevers, die ondanks hun koude bloed toch bij elkaar gekropen zijn, om het gedurende den winter niet al te koud te krijgen. En dat alles wordt nu wakker, rekt zich en poetst zich en gaat aan den arbeid: nesten bouwen, honig zamelen, eieren leggen, jongen verzorgen, bladeren beknagen, prooi verdelgen en elkander bekampen, waar ze elkaar in den weg zijn.Maar in de eerste dagen loopen ze niet te hard van stapel, want nog iederen dag kan de winter weerkomen en de zon, die opkomt met vogelzang en ’s morgens nog bloemenkleuren, bloemengeur, vlinders en vliegen te voorschijn roept, kan ’s avonds bloedrood ondergaan achter het besneeuwde dennenbosch. Doch ieder keer, als de zoelte weer overwonnen heeft en het sneeuwkleed is verdwenen, dan blijken de krachten in den grond hun werk niet te hebben gestaakt en er zijn weer nieuwe dingen te voorschijn gekomen.Hier zijn het dicht opeen de groeipieken van de lelietjes van dalen, ginds de donkerder en dikker spitsen van de aronskelk, elders spiraalvormig gekromde varenveeren, dikke punten van salomonszegel of die merkwaardige voorjaarspaddestoelen, de heerlijke morieljes. Op korten dikken steel dragen ze een kop zoo groot als een vuist of grooter nog en die is versierd met vakjes en richeltjes zoodat hij doet denken aan lekkere wafeltjes, waarvan hij ook den warm bruinen tint vertoont.[15]En als dan een dikke wijngaardslak, die ook pas het winterdeksel van zijn schelp heeft afgewipt, met welbehagen aan dat broze goedje zit te knabbelen, dan is dat een stilleventje van een smulpartij, dat bij al het lentemoois volkomen op zijn plaats is.De vogelzang wordt hoe langer hoe indrukwekkender. De zanglijster zingt nu den heelen dag, nu eens hoog in de boomen, dan weer op den grond, ja soms zingt hij onder het loopen, zoo blij is hij. Ook de winterkoning weet zich niet te bergen van de pret, hij huppelt en danst over stronken en palen en snort schetterend van den eenen tak op den anderen. De meezen schetteren en schateren, klingelen en fluiten, roepen en tieren. En boven, alles uit klinkt de krachtige vinkenslag, het helderste, sterkste, vroolijkste geluid van de vroege lente.Van alle montere vogels is de vink wel de meest opgewekte. Wij zien hem met welgevallen om zijn lustigen slag, zijn opgewekten lokroep, zijn prachtig mooie kleuren, zijn aardige bewegingen, hetzij hij in dansende vlucht door de lucht schokt, of met vlugge passen trippelt over den boschbodem, zoekend naar de laatste nog niet ontkiemde beukenootjes.Wanneer hij die niet vinden kan, dan gaat hij naar den akker en pikt daar allerhande zaad op, of hij brengt een bezoek aan de bessentuinen en vreet al de lekkere dikke knoppen van de bessenboompjes.Hoog in de toppen van de boomen zit de groene specht te schreeuwen; ’t is een luide, ruwe schaterlach, dien hij laat hooren. Wanneer hij van standplaats verwisselt, vliegt hij door de lucht in groote bogen, telkens met snelle wiekslagen eventjes rijzend en met beweginglooze vleugels omlaag zwevend. Alle spechten vliegen zoo.Ofschoon deze groene specht in zijn lentevreugd klimt tot in de hoogste twijgen van eeuwenoude eiken, is toch de grond zijn arbeidsveld, want hij houdt zich voornamelijk bezig met de mierenjacht en zoo staat hij dan wel eens midden in de wei de grazige mierenheuvels uiteen te hakken, om de lekkere poppen, de miereneieren, te bemachtigen.De bonte specht komt weinig op den grond. Die klautert altijd tegen de stammen, tikkend en borend en hakkend of hij plukt zich een dennenappel, zet hem vast in een takvork en klooft de schubben, om de geurige harsige zaden te krijgen. Dag in dag uit werkt hij op hetzelfde plekje; de grond onder den boom is bezaaid met afgekloven pijnappels.Hij roept of lacht nooit, die bonte specht, maar als hij plezier in zijn leven heeft of opgewonden raakt, dan slaat hij aan het trommelen. Hij zoekt aan een boom een[16]dorren tak van een bepaalde dikte en grootte en ratelt daartegen met zijn stevigen snavel, tot de tak gaat meetrillen en een luiden roffeltoon voortbrengt, die ver in ’t rond gehoord wordt. Zoo heeft dan het bosch-orkest ook zijn trommelman.Maar de dolste pretmaker, dat is toch eigenlijk de boomklever of blauwspecht, een vreemd gevormd vogeltje met een veel te langen snavel en een veel te zwakke staart. Doch dat deert hem niet, hij loopt evengoed of nog beter dan de spechten tegen de boomen op. Hij kan zelfs langs de stammen naar omlaag loopen en dat niet angstig voetje voor voetje, maar in razende vaart en langs de grilligste wegen. Daarbij schreeuwt hij zonder ophouden; nu eens luid en schel: „piet, piet, piet, o piet” dan weer „waddele watsj wobbelewop, twatj, twatj, twatj” en allerlei van die geluiden, die herinneren aan ’t blazen van zeepsop of het borrelen en bruisen van een klein watervalletje.De stedeling krijgt van het lente-ontwaken in het bosch niet veel te zien, hij moet zich vergenoegen met het park en daar valt ook werkelijk genoeg te genieten.Of is het niet heerlijk, reeds op de eerste warme Februari-dagen de kleine heestertjes bespikkeld te zien met groene knopjes, die dagelijks grooter worden? En terwijl het ijs nog in de vijvers ligt, bloeien de elzen reeds langs den oeverzoom. In gazons en bedden komen de winteraconietjes, de blauwe scilla’s en de bonte crocussen te voorschijn en in de warme middagzon werken daarin de alomtegenwoordige honigbijen.Al die bloempjes, scilla, crocus, aconiet zijn op hun mooist, juist voòr ze opengaan, vooral de crocussen komen dan zoo heerlijk frisch uit de lichte vliezige bloeischeden te voorschijn, hier zuiver wit, ginds donkerblauw, daar paarsgestreept, en vooral ook niet te vergeten de vroege gele, die een aparte soort vormen.Jammer, dat de musschen in te groot aantal de steden bewonen en daardoor voor hun onderhoud zelfs hun toevlucht moeten nemen tot de malsche voorjaarsbloemen; ze vreten heele randen en perken van crocusjes in een dag kaal.Nog voor de crocus bloeit, is de kornoelje begonnen, een heestertje, dat in onze bosschen zelden in ’t wild voorkomt, maar gelukkig des te meer in parken en plantsoenen wordt aangeplant. De gele bloemknoppen, paarsgewijs aan de dunne twijgjes gezeten, waren reeds midden in den winter gemakkelijk te herkennen. Nu gaan ze zwellen, en uitzetten, eindelijk openen ze zich en dan komt er een groepje goudgele bloempjes te voorschijn, zoo zuiver en fijn, dat ze in de barre Maartsche vlagen in ’t geheel niet op hun plaats lijken.Toch kunnen ze die vlagen heel goed doorstaan, ze sluiten de gouden bloempjes, halen, als ’t nog kan, de gele schutblaadjes er weer om heen en dulden zoo den storm, tot weer de warme zon gaat schijnen. En dan is ook in eens het heestertje weer van boven tot beneden met blinkende sterretjes besprenkeld.Als eenmaal de kornoelje begonnen is, dan volgen snel achter elkaar de andere heesters, die uit alle oorden van de wereld hier vereenigd zijn: de vroege pruimpjes, met bruinroode knoppen en zuiver witte bloempjes, de amandels met prachtig rose[17]bloempjes, de groote op tulpen gelijkende bloemen van de magnolia en de geurige, kleurige trossen van de ribes, door frisch groene blaadjes beveiligd. Maar dan is ’t haast Mei.Winterkoren.Winterkoren.Winterkoren.Vogelmuur.Vogelmuur.Vogelmuur.Crocusjes.Crocusjes.Crocusjes.Sneeuwklokjes.Sneeuwklokjes.Sneeuwklokjes.Winter-aconietjes.Winter-aconietjes.Winter-aconietjes.Bosch-anemoontjes.Bosch-anemoontjes.Bosch-anemoontjes.Zwarte Lijster.Zwarte Lijster.Zwarte Lijster.Meeuwen.Meeuwen.Meeuwen.Roekennesten.Roekennesten.Roekennesten.Kieviet.Kieviet.Kieviet.Grutto.Grutto.Grutto.Kemphaantjes.Kemphaantjes.Kemphaantjes.De boom van de vroege stadslente is de iep. Midden in den winter zijn de groote ronde bloemknoppen al duidelijk te onderscheiden van de kleine spitse bladknopjes. In Februari gaan die bloemknoppen zwellen. Dan steken de iepetakken lang zoo fijn niet meer tegen de lucht af als in December, de lijntjes zijn dikker en spikkelig geworden en vloeien ten laatste tot doezelige massa’s ineen.Wanneer dan de knoppen zich openen, komen ontelbare bloempjes te voorschijn, ieder op zichzelf nietig en lichtpaars met bruin, maar met elkander geven ze aan de iepenkroon een heerlijke wijnroode kleur, waardoor een Amsterdamsche gracht in de lentezon even mooi wordt als een larixlaan of een beukenallée.Wat de vogelwereld betreft, zijn de eerste lenteweken in de stad gekenmerkt door een eigenaardige wisseling van wit en zwart. De zwarte roeken komen van hun zwerftochten terug en betrekken gaandeweg met veel misbaar hun nestkolonies in de hooge iepen. De witte meeuwen verlaten de grachten, waar ze overwinterd hebben. Ze zwerven nog wat rond op de weilanden, bezoeken het bouwland, om achter de ploeg larven en wormen uit den grond te pikken en betrekken eindelijk hun broedplaatsen in de zilte moerassen aan den zeekant. De zwarte roeken krijgen in dien tijd hoe langer hoe grooter witte plekken aan de mondhoeken, de witte meeuwen hebben achter het oog een donkerbruine vlek, die al grooter en grooter wordt en eindelijk aanwast tot een donker kapje, dat den heelen schedel bedekt.Zanglijsters en zwarte lijsters beginnen ook al vroeg hun nesten te bouwen in de coniferen en sommige paren slagen er werkelijk in, om hun jongen groot te brengen, ondanks de felle vervolging door de straatbengels. Nestjes zoeken is een heerlijk werk en voor mijn part mogen alle kinderen het doen, zooveel zij willen, mits ze de nesten en eieren met rust laten en de vogels geen schrik aanjagen.De vlijtigste nestenbouwers zijn natuurlijk de musschen, die plakken in den laatsten tijd de hooge pyramide-populieren vol met slordige nesten en de vezels daarvoor trekken ze vaak van de lindetakken, die ze daardoor heelemaal van schors ontbloten. De tak gaat daardoor dood: een euveldaad te meer voor den bruinen diksnavel.Nu komen ook vogels in ’t park, die ’s winters weinig of niet gezien werden, en wel het eerst de goedmoedige groenvink. Zijn snavel is nog dikker dan die van de musch en rozerood van kleur, zijn veertjes groengrijs met mooi heldergeel op de vleugels en de staart is pikzwart.Op mooie heldere Maartsche dagen, als er geen wolkje aan de lucht is, zitten die groenvinken in de hoogste toppen der boomen te blêren. Het geluid moet een lokroep verbeelden, of een vreugdekreet of zoo iets, maar de menschen, die aan hun eigen traditioneele muziek gewend zijn, vinden het niet mooi.[18]Toch is het wel aardig, als een stuk of tien van die groenvinkentegelijkaan den gang zijn en als ze willen, dan zingen ze een ander, veel mooier liedje met zachte fluittonen en mollige trillertjes, die ons gewone muzikaal gevoel uiterst weldadig aandoen.Ze worden hoe langer hoe makker, die groenvinken, ze maken hun nest zelfs in laurieren en stamfuchsia’s, die in potten langs de wandelpaden staan: een vertrouwelijkheid, die zelfs den meest fellen nesten-vernieler moest ontwapenen.De groenvink is wel een trekvogel, maar er zwerven er hier ook wel rond gedurende den winter. De eerste vogel, die in de lente uit „het warme Zuiden” naar de stadsparken trekt, is de kleine tjiftjaf.’t Is een klein, groenachtig bruin vogeltje, weinig grooter dan het winterkoninkje, maar veel slanker. Omstreeks midden Maart wordt zijn eenvoudig, helder liedje gehoord, niet meer dan een herhaling van twee toontjes, die weinig in hoogte verschillen, maar waarvan de eene altijd duidelijk den klemtoon heeft. Soms maakt hij er een drieslag van en dan komt het accent op de middelste toon. Het gewone lied kan men weergeven door: „tjìf-tjef, tjìf-tjef, tjìf-tjef”; het andere door„te-tjìf-tjef, te-tjìf-tjef, te-tjìf-tjef”enz.Van den vroegen morgen tot den laten avond klinkt dat liedje door het hout en het kost volstrekt geen moeite, den kleinen zanger zelf te zien, want hij trippelt en fladdert door boomen en struiken van den hoogsten top tot vlak bij den grond en schuw is hij in het geheel niet. Zijn nest gaat hij pas bouwen over eenige weken, als er wat meer jong groen is uitgekomen, want hij verbergt het op den grond of in lage struiken en het is een kunstwerk van den eersten rang.Een dag of tien na den tjiftjaf komt zijn dubbelganger, de fitis, ook een echt parkvogeltje, maar tegelijk een veelvuldige verschijning in bosch en duin. Voor mij is het beeld van de fitis onafscheidelijk verbonden aan die heerlijke berkeboschjes in de duinen, waar omstreeks Paschen de blauwe hondsviooltjes bloeien tusschen ’t dorre gras en waar dat groengrijze vogeltje fladdert tusschen de zilveren berkestammen spelend met de geurige bloesemkatjes, die bij honderden aan de dunne twijgen hangen.Hij is mooier dan de tjiftjaf, geler van tint, het lichte streepje boven het oog is veel duidelijker en het liedje dat hij zingt, is zoo zuiver en rein en aandoenlijk, dat gevoelige menschen het plaatsen naast of zelfs boven den zang van den nachtegaal.Dit vogeltje is zeer algemeen, maar bijna niemand kent het. Buiten vogelkundige werken vindt men er nooit gewag van gemaakt en de Europeesche dichters, die zoo druk gezongen hebben van nachtegaal en leeuwerik, het vroolijk vinkje en den zwarten merelaar, negeeren de fitis volkomen.Daarom is het hoog noodig, dat ieder, die van de lente houdt, niet ruste voor hij den liefelijken zanger heeft leeren kennen. Hij toeft in de parken gaarne, waar dicht aan ’t water boschjes staan van berken en elzen, met allerlei klein goed er tusschen.Heel graag zit hij ook in den Noorschen ahorn. Dat is de boom, die in den bloeitijd[19]zoo dicht met bloesem bedekt is, alsof hij reeds zijn bladerkroon droeg, en waarvan de bladknoppen bij het ontplooien zoo kleurig en mooi zijn, alsof het bloemen waren.In het begin van April puilen de gele bloemtrossen uit de dikke knoppen, eenige weken lang lokken zij met geur en kleur en zoeten honig bonte vlinders en bijtjes van allerlei soort en wanneer daarna de bloemen gaan verwelken, dan openen zich de bladknoppen met gele en purperen schubben.In dien tijd zijn de ahornlanen en ahorngroepen letterlijk de glanspunten van het park. De meeste boomen zijn nog bladerloos en vormen nu een prachtigen donkeren achtergrond voor de heldere kleurenmassa’s van dezen mooien boom.Het duurt dan nog wel een week, voordat dit kleurenspel gestaakt wordt en dan begint de boom er eindelijk uit te zien zooals wij dat van een boom gewoon zijn: hij krijgt een kroon van mooie groene bladeren en als je goed toekijkt, dan zie je daartusschen de aardig gevormde groene vleugelvruchtjes.De bladeren zelf zijn sierlijk van vorm, met hun vijf uitstekende punten en het regelmatige adernet. Ze zijn van allerlei grootte; aan denzelfden tak zitten groote en kleine, langgesteelde en kortgesteelde. Door deze verscheidenheid is het mogelijk, dat ieder blad een plaatsje kan vinden, waar het ongehinderd door de zonnestralen bereikt kan worden.De gewone ahorn heeft ook een prachtige knopontluiking met allerlei tinten van groen en rood en bruin, maar hij kan toch den Noorschen niet evenaren. Toch is het de moeite waard, de ontwikkeling ervan na te gaan van ’t oogenblik af, dat de groene knoppen beginnen te zwellen, totdat de lange groene bloemtrossen neerhangen onder de wijd uitgespreide vingerblaren.En dan de wilde kastanje! Hoe glimmen eerst de groote donkerbruine knoppen in het Maartsche zonnetje. De bruine was ligt er dik op en de bijen komen ervan inzamelen, om ze te gebruiken voor de eerste reparaties aan hun woningen. Iederen dag worden de knoppen grooter, eindelijk barsten ze aan hun top, de schubben worden teruggeslagen en dan komt de donzig bruine tak te zien met de bladparen als saamgevouwen handjes en misschien een bloemtros er midden in.Hoe die handjes worden uitgespreid, hoe de blaadjes eerst slap hangen en hoe later bij warmer weer en grooter werkzaamheid der wortels het trotsche kastanjeblad wordt uitgespreid en de bloesemkaars ontstoken wordt, dat zien we jaar op jaar met dezelfde belangstelling en bewondering, en met denzelfden weemoed, want het ontsteken van die kaarsen beteekent het einde van de lente.Maar zoover zijn we nog lang niet. Voordat de kastanje bloeit, kunnen we nog weken zwerven in wei en bosch, door de duinen en langs den waterkant.In de wei hebben den heelen winter enkele madeliefjes staan te kleumen en op[20]de natte plekken kon je wat planten zien met donkergroene, bruin aangeloopen bladeren met knoppen van dezelfde kleur, zoo groot als een erwt.Als nu de lente komt, dan beginnen die planten zich te strekken en groener te worden, en hier en daar opent zich een enkele knop tot een mooie groote gele bloem. Dag aan dag openen er zich meer en eindelijk is het natte weiland een en al geel van de dotterbloemen.De dotterbloem is voor de wei, wat het sneeuwklokje en de anemoontjes voor het bosch zijn: de eerste bloem, die zich in overweldigend groot aantal vertoont, zoodat iedereen er wel op letten moet. Heele troepen kinderen tijgen dan ook uit, om ze te plukken en bij bossen worden ze naar huis gebracht, meestal om te verwelken.Dat behoeft anders niet. Bij een goede behandeling kan men dagen lang genoegen hebben van de afgeplukte dotterbloemen. Het komt er maar op aan, het onderste stuk van den stengel, dat bij het naar huis dragen ineengeschrompeld is, onder water er af te snijden. Dan komen er iederen dag knoppen uit en ge kunt iederen morgen de honigdroppels zien glinsteren tusschen de groote, platte, groene stampers.Bezorgde menschen willen dit plukken tegengaan, uit vrees dat de dotterbloemen zullen worden uitgeroeid, maar hun angst is ongegrond. Er is geen enkele reden, waarom de kinderen deze mooie bloemen niet zouden mogen plukken, de plant schiet ieder jaar opnieuw op uit zijn wortels. Bovendien zouden de boeren er niet rouwig om zijn, als er wat minder dotterbloemen in het hooiland stonden.Plukt maar bloemen, zooveel ge wilt, kinderen. Zorgt alleen, dat ge bij het plukken de planten zelf niet uit den grond, de takken niet van de boomen rukt. Knijpt de stengels af tusschen vinger en duimnagel of snijdt ze af met een scherp mesje. Neemt uw buit mee naar huis, om ze daar te verzorgen en vergeet vooral niet, al de heerlijke bijzonderheden van den bouw en ontwikkeling der bloemen na te gaan.Iedere bloem heeft werk te verrichten en moet beschermd worden tegen schadelijke invloeden van wind en weder, en tegen de aanvallen van allerlei dieren. Zij moet vrienden lokken, vijanden weren.De hoofdzaak is, dat stuifmeel uit de helmknoppen terecht komt op de stampers. Dat is gemakkelijk genoeg, wanneer meeldraden en stampers gunstig geplaatst zijn in dezelfde bloem en tegelijk rijp zijn. Maar in negen van de tien gevallen is het anders en dan moet de wind er aan te pas komen, om het stuifmeel over te brengen, of insecten belasten zich met die taak.De laatste worden gelokt door geur en kleur, door overvloed van voedzaam stuifmeel en lekkeren honing. De eene bloem richt zich voornamelijk tot de vliegen een andere tot de vlinders een derde tot hommels en bijen of tot alle.

Het is nog niet uitgemaakt, wie het eerst de Lente proclameert: de zanglijster, de sneeuwklokjes of de hazelaar. Het eene jaar komt de vogel het eerst met ’t nieuwtje, het andere jaar de heester of de bloem, maar in ieder geval weten zij het altijd eerder dan de menschen, die op den kalender afgaan, en meenen, dat de Lente den eenentwintigsten Maart haar intocht doet.Mij dunkt, ik hoor die zanglijster al lachen! „21 Maart, begin van de Lente? Maar dan zitten wij al lang in de zorgen! Neen hoor, de ware pret begint al, wanneer de dagen weer langer worden, zoo in het begin van Januari. Hoor maar eens, wat de andere vogels er van zeggen”.En waarlijk, daar gaat hij zitten in den hoogsten top van zijn geliefkoosden abeel of iep en roept ze alle op. Want de zanglijster is alle talen machtig en ’t kost hem niet de minste moeite, om in éen adem koolmees en pimpelmees, roodborst en huismusch, wulp en spreeuw toe te spreken, ieder in zijn eigen dialect.Uit pure vreugd enbaldadigheidgooit hij daar nog allerlei geluiden tusschen in van eigen vinding: mooie loopjes en melodieën en afschuwelijke krijsch- en sisgeluiden, net als een kwajongen, die al tamelijk goed viool kan spelen, maar ’t niet kan laten, om zijn instrument van tijd tot tijd te gebruiken als speelgoed.Dag aan dag zit hij in denzelfden boom, dikwijls op denzelfden tak zijn blijdschap uit te galmen, eerst alleen in de morgenuren bij dooiweer, dan ook tegen zonsondergang en eindelijk heele dagen lang, onverschillig wat weer het is. Al hagelt, regent en sneeuwt het tegelijk, het hindert hem niet. Alleen wanneer er onverwacht weer eens een winterweekje komt en de grond hard bevriest, zoodat hij niets anders te eten kan vinden dan wat bevroren hulstbessen of onrijpe klimopvruchten, dan verstomt zijn lied en dan kan hij in een paar dagen geweldig afvallen, zoodat hij ten slotte niet meer is dan vel over been.Doch zoodra de thermometer boven nul staat, begint de vreugd opnieuw. Deze[6]afwisseling van bitteren strijd en uitgelaten vreugde maken de eerste lenteweken tot den heerlijksten tijd van het jaar, vol pit, fermheid en blijdschap.Den eenen dag verdringen de musschen zich hongerig en haveloos om het voederbakje, den volgenden zitten ze onbezorgd en voldaan gezellig te sjielpen in de kale boomen. Wat ze elkander daar te verhalen hebben is een raadsel, maar zeker is het, dat de zon erbij betrokken is, want ieder straaltje vangen ze op tusschen de half opgerichte grijze veeren. En als de zon op ’t punt is onder te gaan, dan is hun gezelschap ’t grootst en het gesjielp op zijn luidruchtigst.Blijft het zonnige weer aanhouden, dan sleepen de musschen dra met vezels en strootjes en dat beteekent nesten bouwen. Die vogels hebben het onder de bescherming van onze huizen en daken al zoover gebracht, dat zij den winter soms totaal negeeren en kale jongen hebben met Nieuwejaar. Maar dat lijkt ons een afdwaling der natuur veroorzaakt door het stadsleven.Doch in Februari, dat is wat anders. Dan gaat de zanglijster ook al bouwen en de meezen ontbinden gaandeweg hun groote winterlegers en trekken bij kleine troepjes, ten slotte zelfs bij paren door het land.Wie de meezen voert met spekzwoord of soepbeentjes, vet in een notendop of een kokosnoot—alles opgehangen in de boomen—kan dat gemakkelijk waarnemen. In den winter komen heele troepen op ’t voer af. Niet, dat ze alle tegelijk eten, o neen, dat gaat bij beurten: de sterkste het eerst en dan wippen de andere ongeduldig door het hout onder het uiten van hun klokjesheldere loktonen. Het zijn meest koolmeezen, met zwarten kop en zwarte middenstreep over zwavelgele borst, maar ook komen er prachtige pimpelmeesjes bij met lichtblauwen schedel en donkerblauwen halskraag.En als nu de lente komt, dan worden de troepen in de boomen minder talrijk, maar er zitten er meer op het voeder; dikwijls twee op dezelfde kokosnoot of hetzelfde varkensribbetje. De een is wat grooter en mooier en forscher geteekend dan de andere, ’t is een mannetje, dat zijn wijfje vergunt mee te eten en dat van tijd tot tijd woedend opvliegt naar een derden vogel, die boven aan het touwtje zit te rukken. Bijna alle jonge vogelhuishoudens hebben last van zoo’n derde, zoo’n indringer, en ’t kost het mannetje heel wat ongerustheid en strijd, om hem ten slotte van de baan te krijgen.De pimpelmeesjes verschijnen eerder gepaard dan de koolmeezen. Dat hangt misschien samen met de omstandigheid, dat zij op ietwat vertrouwelijker voet staan met de menschen, want in den omgekeerden bloempot of de nestkastjes, die gij ter beschikking van de vogels stelt, zullen zich veel eerder pimpelmeesjes dan koolmeezen vestigen. Toch zijn er nog altijd drie kansen tegen één, dat er in plaats van pimpeltjes ringmusschen of spreeuwen in komen en de kansen voor roodstaartjes staan zoowat gelijk.[7]Die meesjes beginnen nu ook hun lentelied te zingen, dat veel liever en vroolijker is, dan hun winterzang. Zoo gaat het ook met roodborst en winterkoning. Die hebben den heelen winter door gezongen, vorst of geen vorst, maar nu het lente wordt, zingen zij eens zoo mooi en eens zoo lang, het roodborstje hoog en fijn en aandoenlijk, de winterkoning dartel en blij met geraas en geschetter en trillers zonder eind.Hij is nog doller dan de zanglijster, want die zit ten minste nog stil op zijn tak.De winterkoning echter houdt het nergens langer uit dan een minuut, telkens verandert hij van plaats, altijd door zingend, zoodat hij eindelijk met zijn korte snorrende vleugeltjes gaat gelijken op een soort van muzikaal balspel. Ten slotte schijnt hij uitgeraasd te zijn, en dan sluipt de bruine dwerg tusschen de boomstronken door, om voedsel te zoeken of om bouwstoffen te vergaren voor een van de vele nesten, die hij onderhanden heeft.Daar ontmoet hij den zwarten lijster, die ook al met lentegedachten rondloopt en daardoor minder verdraagzaam is, dan een maand geleden, zoodat hij dat gedraai en gesnuffel van zoo’n winterkoning in zijn nabijheid niet hebben kan. Hij springt dus met zoo’n paar deftige lijstersprongetjes op den kleinen indringer los, deze slaat op de vlucht en begint in zijn agitatie natuurlijk weer van voren af aan te zingen. Want elke sterke gemoedsaandoening, al is het ook een onaangename, is voor hem en voor vele andere vogels de aanleiding tot een lied.De zwarte lijster koelt nu zijn woede op een arme aardworm, die hij onder de dorre bladeren gehoord had en laat de zucht hooren, waarvan de lijsters het monopolie hebben en dat eigenlijk een armzalig dun gefluit is. Waarom zou hij zuchten, die mooie zwartgerokte, goudgesnavelde merel? Wel, verleden week vochten drie bruine merelwijfjes om hèm, en nu moet hij weer dag aan dag met andere merelmannen vechten om de eene van de drie, die toen de baas en daardoor zijn wijfje geworden is.Dat veroorzaakt in de merelwereld al dat gejaag en geraas en geroep, al die onrust en onwaardige vechtpartijen, die men niet verwachten zou van een zoo edelen zanger. Hoe rein en rustig klinkt zijn lied ’s avonds uit de hooge boomen!Als de merel zingt, dan is het ook tijd, om naar bloemen uit te zien. Wel is waar hebben den heelen winter door madeliefje en kruiskruid, vogelmuur en paarse doovenetel hun bloempjes vertoond tusschen ijs en sneeuw, maar dat was toch[8]niet het ware. Die bloempjes bleven klein en dicht bij den grond, weinig in aantal en zonder geur of fleur.Maar nu wordt het anders. De vogelmuur groeit uit en vertakt zich en waar met Kerstmis zich niet meer vertoonde dan een enkel bloempje tusschen een paar groene blaadjes, daar spreiden zich nu kussens uit van dicht sappig groen en als de zon schijnt, dan wordt dat groen overdekt en verborgen door duizenden bij duizenden tienpuntige sterretjes van het reinste wit, zoodat het plekje grond bedekt lijkt met een ijle sneeuwlaag. En de madeliefjes verheffen zich op hooger stelen. In den winter zijn ze altijd eenvoudig wit met geel, flets geel en slap wit. Maar nu ’t lente wordt, hebben ze warmer tinten van noode, het geel wordt dieper en nadert tot oranje en de randbloempjes krijgen een tipje rood. Hoe helderder voorjaarsweer, des te meer madeliefjes met roode randjes.Op dezelfde plaatsen als de vogelmuur bloeit het kruiskruid, het gemeene kruiskruid, zooals het in de boeken heet. Dat woordje gemeen heeft in de plantkunde een andere beteekenis dan in het dagelijksch leven, het is eigenlijk een afkorting van „algemeen” en er zit dus heelemaal geen kwaad bij. In dit geval echter kunnen wij haast niet nalaten, met eenige minachting aan het plantje te denken, het is zoo gewoon en zoo min, het staat altijd op verwaarloosde plekjes en heeft in vorm en kleur en levenswijs weinig, dat bij den oppervlakkigen beschouwer bewondering wekt of aandacht trekt. Een echt versmaad, nederig onkruid.Even nederig en bijna altijd over het hoofd gezien is een ander bloempje, dat dikwijls reeds in November bloeit, den heelen winter zonder schade door alle wisseling van vorst en dooi blijft groeien en nu in de lachende voorjaarszon zijn gansche levenskracht ontwikkelt. Het is het hongerbloempje, een nietig plantje, bestaande uit een rozetje van groene blaadjes vlak op den grond, waaruit een dunne vertakte bloemstengel verrijst. De bloempjes zijn kleine kruisbloempjes met gespleten kroonblaadjes, zoodat er in plaats van vier acht schijnen te zijn.Maar op de zandgronden en in sommige parken en tuinen groeien deze kleine plantjes dicht opeen bij honderden en duizenden. In den voormiddag gaan bij zonnig weer de bloempjes wijd open. De dunne steeltjes, die ze dragen, zijn nauwelijks zichtbaar en zoo schijnt er dan een witte sluier te zweven boven de groenende duinhelling.Het hongerbloempje heet ook wel voorjaarsvroegeling en dat is eigenlijk een veel aardiger naam. Want dit dappere plantje wekt maar zelden gedachte aan honger en gebrek. Integendeel, de bloempjes bevatten flink ontwikkelde honingklieren en verschaffen overvloedig voedsel aan vliegen en bijen en vroege voorjaarsvlinders.Zanglijster.Zanglijster.Zanglijster.Koolmees.Koolmees.Koolmees.Pimpelmees.Pimpelmees.Pimpelmees.Musschen.Musschen.Musschen.Winterkoninkje.Winterkoninkje.Winterkoninkje.Vink.Vink.Vink.Klein Hoefblad met kleine Vos.Klein Hoefblad met kleine Vos.Klein Hoefblad met kleine Vos.Gewoon Kruiskruid.Gewoon Kruiskruid.Gewoon Kruiskruid.Voorjaarsvroegeling.Voorjaarsvroegeling.Voorjaarsvroegeling.Waterwilg.Waterwilg.Waterwilg.Bladmossen.Bladmossen.Bladmossen.Korstmossen.Korstmossen.Korstmossen.Er zijn ook vlinders van den winter, vreemde, geheimzinnige dieren, maar de echte vlinder van het voorjaar is het bont gekleurde Kleine Vosje. Die heeft ook een fijn lentegevoel en komt uit zijn schuilhoek wel te voorschijn, nog voor de zanglijster[9]zingt. Dikwijls moet hij dan smadelijk den terugtocht blazen, maar als de merel gaat zingen, dan staan zijn kansen al beter en dan is hij er ook zeker van, dat hij op de bloemen van het Klein Hoefblad smakelijk zijn bekomst kan eten.Met het Sneeuwklokje is het Klein Hoefblad eigenlijk de eerste echte voorjaarsbloem, want vogelmuur, madelief, kruiskruid, doovenetel en voorjaarsvroegeling zijn te beschouwen als overwinteraars.Het sneeuwklokje komt ook wel reeds in December uit den grond kijken, maar houdt zijn blaadjes en bloemen nog lang in de beschermende scheede besloten. Eind Januari of in ’t begin van Februari komt op zonnige plekjes een enkel bloempje uit het hulsel te voorschijn, maar het opent zich nog niet. Als een groote, bevroren witte droppel blijft het hangen en eerst na eenige dagen spreiden in de warme Februari-zon de buitenste dekblaadjes zich uit en de groengestreepte binnenste bloemblaadjes bieden aan de hongerige bijen hun honingvoorraad aan.Weken lang duren die bloempjes. Als ze zich openen, ligt het ijs nog in de slooten en is de zanglijster nauwelijks begonnen te zingen. Wanneer zij verwelken, heeft de kieviet al eieren en zien wij de komst van de zwaluwen tegemoet. Al dien tijd staan ze frisch en ongeschonden te bloeien, ongedeerd door storm of vorst, onaangeroerd door de vraatzieke slakken of door het nog vraatzuchtiger konijn. Geen wonder, dat deze plant de lieveling is van allen en dat is wel de oorzaak ervan, dat we ze zoo weinig in ’t wild vinden.Overal waar ze groeien, worden ze uitgegraven en meegenomen naar tuintjes en parken en daar komen ze ieder jaar in steeds toenemend aantal weer te voorschijn. Daarbij moeten ze zich het gezelschap laten welgevallen van uitheemsche sneeuwklokjes-soorten en, wat erger is, van „dubbele” sneeuwklokjes.Zooeven noemde ik tegelijk met het sneeuwklokje het Klein Hoefblad als eerste voorjaarsplant. Dit groeit in en om steden en langs de wegen overvloedig genoeg, maar in sommige streken van ons land komt het weinig of niet voor, en ’t is dus geen wonder, dat enkele menschen het niet kennen.Nu dan, een goede kennis van me, een echt liefhebber van bloemen en vogels, maar volstrekt geen plantkundige, kwam op een mooien Februari-dag opgetogen thuis met zijn kleeren vol slik en zijn handen vol bloed en een sigarenkistje, dat hij bij wildvreemde menschen geleend had, vol pollen van een alleraardigst bloempje, die hij met groote zorg en liefde in zijn tuin plantte. Het was het kleine hoefblad.Nu is dat werkelijk een heel mooi bloempje. Het hoofdje zit op den dikken, beschubden stengel en als de zon schijnt, dan gaan de fijne straalbloempjes wijd uitstaan, als de stralen van een zonnetje, het gele hartje komt dan te zien en zelfs een volkomen oningewijde kan dan merken, dat het bestaat uit een aantal bekervormige kleine bloempjes. Het blijkt ook, dat ieder straaltje van het zonnetje een bloempje is met een echten stamper er in, die later een mooi gepluimd vruchtje oplevert.[10]Bij koud en donker weer gaan de hoofdjes dicht, maar als de zon straalt, dan straalt het kleinehoefbladook, dan lijkt het zich uit te rekken in de lekkere warmte en vlinders en bijen komen zich verlustigen op de mooie bloem.Mijn vriend was er wat mee in zijn schik en zijn vrouw ook en ze waren zoo edelmoedig, aan een belangstellend buurman ook een paar polletjes cadeau te doen.Na eenige weken raakten de bloempjes uitgebloeid, en de pluizige vruchthoofdjes verwaaiden. Ook kwamen er mooie witte hoefvormige blaadjes te voorschijn, die in ’t eerst volstrekt niet in den tuin misstonden. Maar in den loop van den zomer werden ze toch wel wat groot en grof. En op andere plekken in den tuin kwamen ook al van die blaadjes te voorschijn. In alle perken vertoonden zich bovendien kleine kiemplantjes, die ook al spoedig hoefvormige blaadjes vormden en moeilijk te wieden waren. Eindelijk werd het een heele misère, het mooie plantje bleek een allerlastigst, bijna onverdelgbaar onkruid te zijn, dat uiterst snel en gemakkelijk opkomt uit zaad en zich even gemakkelijk voortplant door onderaardsche uitloopers, zoodat het omhoog en omlaag bestreden moet worden.Voor den tuin is het dus niet geschikt, op den akker is het te vreezen, maar langs dijken en wegen en op braakliggend terrein is het een welkome lentebode, een prachtig plantje, een toevlucht voor vlinders, vliegen en bijen. Maar in depoëzieheeft het zich geen plaats naast het sneeuwklokje weten te verwerven.Men plant de sneeuwklokjes meestal in het gras, maar eigenlijk behooren ze thuis in ’t kreupelhout en mooier, rijker lentetafereel is er wel niet denkbaar dan bloeiende sneeuwklokjes onder bloeiende hazelaars.De afgevallen hazelaarbladeren, die gedurende den winter de opkomende spruitjes van het sneeuwklokje bedekten, vergaan in het voorjaar spoedig tot zwarte boschaarde, zoodat de witte sneeuwklokjes bij het ontluiken een mooien donkeren achtergrond hebben, een bodem, die door de zon gemakkelijk verwarmd wordt. Ook de lenige twijgen van den hazelaar zelf zijn donker van tint, opgevroolijkt door tallooze lichte stipjes.En nu ontplooien zich tegelijk met de sneeuwklokjes aan die donkere takken de teere zwavelgele bloeikatjes. Den heelen winter door waren ze als stijve cilindertjes reeds aan de takken te zien, maar nu rekken ze zich tot fijne franje, die roerloos neerhangt op windstille plekken onder beschutting van het hooge duin of de dichte bosschen. Duizenden bij duizenden hangen er aan de twijgen en waar deze zich aan hoogopgeschoten stammen horizontaal vertakken, loopt ge onder een troonhemel van goud.Ook ontbreekt het koninklijk purpur niet. Overal tusschen de bungelende katjes vertoonen zich groene knoppen vlak op den tak en vele daarvan dragen een prachtig purperen pluimpje. Dat zijn de stamperbloemen; in den herfst worden dat de mooie vruchten, de groenachtig bruine hazelnoten in hun krulkraag van wazig groen. Weken lang duurt deze bloesempraal, schooner dan de bloei van menigeen van de uitheemsche[11]heesters, die onzen hazelaar uit parken en tuinen hebben verdrongen.Als eenmaal de hazelaar zijn katjes laat bungelen, dan volgen snel andere heesters en boomen. Het eerst komt de els, de watervriend. Zijn meeldraadkatjes zijn langer dan die van den hazelaar en dieper geel, soms rossig en bruin. Ze zijn ook talrijker en hangen dichter opeen, zoodat de bloeiende els door zijn bloesem geheel verborgen wordt.Er zijn sommige streken in ons land, waar bijna niets dan elzen groeien, en daar zijn in Maart wegzoom en waterkant en weidebosch omlijst en bedekt met warmgele sluiers. De stamperbloemen zitten aan dezelfde takjes als de meeldraadbloemen, maar ze zijn kleiner en vallen minder in ’t oog, al blijken ze ook bij nader toezien uitgerust te zijn met mooie donkerroode stempels en stijlen.En heel donker rosachtig bruin wordt het elzenbosch waar het gekapt is. De versch afgekapte stronken staan fel gekleurd tusschen het uitgebleekte wintergras.Voor ons openbaart de lente zich niet alleen in vogelzang, bloemenschoon en vlinderpraal, maar ook in de hernieuwde werkzaamheid van den mensch in veld en bosch, van mestrijden af tot houtkappen toe. Het lijkt een alleraardigste bezigheid, dat houtkappen en ’t is geen wonder, dat de houthakker al van ouds een van de lievelingsfiguren uit de poëzie is geweest. Wel is waar maakt de vertelling hem wel altijd arm, maar in negen van de tien gevallen is hij toch gelukkig en tevreden en in het tiende geval beleven op het minst zijn kinderen nog altijd hoogst merkwaardige en pleizierige dingen.Flinke handenarbeid in de open lucht, nu eens in een vroolijk zonnetje, dan weer onder een stemmigen sneeuwhemel is werkelijk een kostelijk iets. Het dichte kreupelhout geeft een goede beschutting tegen den wind. En alle vogels uit de buurt komen kijken naar den blauwkiel en zingen hem toe, als wilden ze hem danken voor de prachtige takkeboshoopen, die hij opwerpt en waartusschen zij zich zoo heerlijk kunnen verschuilen.De winterkoning kan niet wachten en kruipt nu al tusschen de takken door en de roodborst komt vlak bij den arbeider trippelen en als deze op een takkebos gaat zitten, om uit zijn bonten stukkezak de ferme boterhammen te eten, dan zet de roodborst zich op den bijlsteel en zingt het Fransche liedje dat Madame Michelet hem geleerd heeft: „Je suis le compagnon du pauvre bûcheron”.Dan gaat de man weer aan ’t werk en onder zijn bijl komen weer te voorschijn de roodbruine stompen van de elzen, de geelachtige van eik en beuk, de meelwitte van de esschen. De meidoorns en abeelen laat hij staan, de eerste, omdat er toch geen behoorlijke paaltjes en takkebossen van gemaakt kunnen worden, de laatste omdat ze snel kunnen opgroeien tot groote dikke boomen. Ze beginnen nu ook al in bloei te komen.De abeel hangt zich vol met gele en roode katjes van grover bouw. Ze moeten wat kunnen verdragen, want deze mooie boom, die nog veel te weinig gewaardeerd[12]wordt, groeit dapper en wel zelfs op westhellingen van de duinen, waar hij de hevigste aanvallen van den boomverdelgenden zeewind te doorstaan heeft.Des te meer verheugt de waterwilg zich in de gunst en belangstelling der voorjaarswandelaars. Den heelen winter prijkt hij reeds met dikke knoppen, die vroeg in ’t jaar openbarsten en den gladden zilveren katjes een kijkje naar buiten gunnen. Maar dat is nog geen bloei. Dagen lang is er geen verandering te bespeuren, maar dan gaan die katjes zwellen en groeien; gele helmknopjes of bleekgroene stempellobben worden zichtbaar tusschen het zilveren pluis.Dan strekken zich opeens de meeldraden en nu is ieder katje een stralende bol van wit en goud. De stamperkatjes zijn niet zoo schitterend, maar ook heel mooi; meer groen dan geel, maar toch nog wel zoo helder van tint, dat een bloeiende vrouwelijke waterwilg nog wel een kilometer ver te zien is. Hoe heerlijk is het, op een duin te staan en in alle valleien die gouden en groene heesters te zien schitteren, of de lange versierde twijgen te zien wuiven langs de raampjes van den voorbijsnellenden spoortrein.Maar beter nog is het, er vlak bij te staan en het lenteleven aan die bloesems te bewonderen. De lucht is blauw en de zon straalt, zooals zij dat alleen in ’t voorjaar doen kan. De grond is merkbaar warmer dan de lucht, op vochtige plekken stijgen dampwolken omhoog, een zichtbare getuigenis van de krachtige werking der zonnestralen. En ’t is, of je den grond ziet leven, overal komen kiemplantjes en groeipieken te voorschijn en ’t wriemelt overal van klein gedierte, van vliegjes en mugjes met parelmoeren vleugels, torren in brons en goud en kleine wantsjes met kleurige harlekijnpakjes.In de katjes van de wilgen is het een onophoudelijk gegons en gebrom van insecten, die er komen om honing en stuifmeel. ’t Zijn meest de gewone kleine bruine honigbijen, maar ook groote kleurige hommels: aardhommels, zwart met wit met twee gele strepen, tuinhommels met drie gele strepen, steenhommels met rood achterlijf, akkerhommels met bruin fluweelen borststuk, allemaal groote beesten, die driftig neerbonzen op de bloemen, vlug hun bekomst nemen en dan luid gonzend verder vliegen.Die honigbijen hebben den winter doorgebracht in de warme korven of kasten, maar waar hebben die mooie hommels gezeten?Het antwoord op deze vraag vindt ge door op een zonnigen Februarimorgen de bloembedden in den tuin af te dekken. Reeds worden de vochtige dorre bladeren omhoog getild door hyacinthen en narcissen die uit den grond opschieten en crocusjes en tulpen boren er met spitse pieken doorheen.Ook in het bosch kunt ge deze beide manieren bewonderen, waarop de voorjaarsplanten zich bevrijden van de dekkende bladerlaag. Sommige beuren met vereende krachten dikke plakken bladeren omhoog, zoodat de voorjaarswind er onder kan komen, om ze op te drogen en weg te vegen, andere boren met scherpe punten er door heen, bijten er wellicht gaten in, en ontplooien dan hun bladeren en bloemen. Tot de eerste groep behooren de leverbloempjes, de winter-aconietjes en de bosch-anemonen, tot de[13]tweede de helmbloem en de aäronskelk. Ook zijn er, die ’t op beide manieren probeeren, zooals de vogelmelk.Hazelaarkatjes.Hazelaarkatjes.Hazelaarkatjes.Elzekatjes.Elzekatjes.Elzekatjes.Abeelkatjes.Abeelkatjes.Abeelkatjes.Hyacinthen.Hyacinthen.Hyacinthen.Leverbloempje.Leverbloempje.Leverbloempje.Tulpen.Tulpen.Tulpen.Hondsdraf met Steenhommel.Hondsdraf met Steenhommel.Hondsdraf met Steenhommel.Paarse Doovenetel met Aardhommel.Paarse Doovenetel met Aardhommel.Paarse Doovenetel met Aardhommel.Hondsviooltje.Hondsviooltje.Hondsviooltje.Paardebloem.Paardebloem.Paardebloem.Koekoeksbloem met Witje.Koekoeksbloem met Witje.Koekoeksbloem met Witje.Madeliefje.Madeliefje.Madeliefje.De leverbloempjes, aconieten en anemoontjes leggen dat zeer listig aan. Zij komen gebukt uit den grond, de hoofdjes, het bloempje met beschuttende blaadjes eromheen, neergebogen, zoodat die den bladerlast niet onmiddellijk te dragen krijgen. Eerst als de vrijheid gewonnen is, dan strekken zij zich uit, richten zich op en openen de mooie bloempjes, hemelsblauw, goudgeel of spierwit.Het eerst komen de aconietjes te voorschijn, tegelijk met de sneeuwklokjes. Ge zoudt ze eerst voor boterbloemen houden, maar aan de breede groene franjekraag om de bloem en de mooie, groene honigbekertjes erin zijn ze dadelijk te onderscheiden. Ze behooren in alle heesterperken en boschjes aangeplant te worden evenals de leverbloempjes of hepatica’s, waarvan de prachtige hemelsblauwe bloempjes een aardige afwisseling geven met het geel en wit, dat de meeste voorjaarsbloemen kenmerkt.En de anemoontjes! Gelukkig groeien zij nog in het wild in menig bosch en park van ons land en dat zal er niet minder op worden, nu tegen dom en onnadenkend plukken en uitgraven van mooie wilde bloemen in school en huis even sterk wordt opgetreden als tegen het verstoren van vogelnesten en het onnoodig vangen van insecten.Het is in ’t laatst van Maart, wanneer de anemoontjes goed beginnen te bloeien en dat is dan het glanspunt van de vroege lente. Sneeuwklokjes, hazelaar, helmbloem en gele sleutelbloemen bloeien nog en daarbij komen nu de anemonen en de bosch-klaverzuring, de gevoeligste van alle boschplantjes, een echte veeleischende schoone.Is het te koud of te warm, te droog of te nat, te licht of te duister, dicht gaan de klaverblaadjes en omlaag gaan de fijne bloemkelkjes. Maar als het weer zoo juist van pas is, zoo, dat iedereen roept over den heerlijken lentedag, dan worden de mooie frissche groene blaadjes uitgespreid en op lange, malsche steeltjes komen de witte, roodgeaderde bloempjes in groot aantal te voorschijn.Wat een liefelijke kleuren en vormen sieren dan den boschbodem! Hier het frissche groen en het teer rose aan de klaverzuring, ginds de sierlijk ingesneden donkergroene blaadjes van de anemonen met de witte bloempjes wijd open of de jongere nog half dicht, zoodat het wijnrood van de achterzijde der kelkblaadjes u tegenblinkt. En overal het dichte mostapijt, grillige vormen van grijze korstmossen en blaadjes en takjes en boompjes van bladmossen met urntjes en doosjes van allerlei vorm en stand op lange stelen en korte stelen, hier in rijen en colonnes dicht opeen, daar in groepen van vijf of zes, ontspringend uit het midden van een enkel bladrozet. De mosblaadjes zelve, nu eens fijn verdeeld als de fijnste kant, dan weer kort en stug en dicht opeen als takjes van een thujaboom, of breed en groot met spitse punten en doorschijnende kanten.Mos op den bodem en mos tegen de stammen, tegen de eiken, die nog niets van de lente willen weten en hun bruine knoppen dicht gesloten houden, maar ook[14]tegen de larixen, die volop meedoen aan het voorjaarsfeest en hun dunne twijgen versierd hebben met risten van de allerschoonste purperen en gouden bloesems.De larix is wel de sierlijkste naaldboom, die in ons land groeit. Eigenlijk is hij geen inlander, hij is aangeplant. De boschkweekers zijn niet al te best over hem te spreken, omdat hij nog al eens last heeft van insectenvraat en zwamziekte, maar dat mag ons er toch niet van weerhouden, om hem als sierboom overal aan te planten.Hij vereenigt het statige van den spar met het bevallige van den berk: langs den trotschen kegelvormigen kroon hangen lange fijne twijgen luchtigjes neer. In het najaar vallen alle naalden af en zoo staat de boom dan ’s winters kaal, alleen met blauwig grijs korstmos langs de takken en over de dikke knoppen. Deze bersten vroeg in ’t voorjaar open, dan is de heele boom fijn bespikkeld met groen en daartusschen komen dan de heerlijke bloesems te voorschijn.Op de zonnige zandpaden koesteren zich de bonte vlinders: het gele citroentje, een enkele atalanta met haar rood ordelint, de dagpauwoog met zijn vier bonte vlekken en de koningsmantel, donkerpurper met goud gezoomd. Den heelen winter door hebben ze verborgen gezeten in hoeken en gaten, verstijfd, verdoofd en die prachtige schoenlappers leken toen niet meer dan lapjes vuil, want ze zitten met de vleugels opgeklapt, zoodat alleen de dof gekleurde onderzijde en niet de bonte bovenkant te zien is. Maar nu is alle leed geleden, en zooals ze nu zitten in de zonneplekken op den boschgrond, lijken ze een nieuw soort van zeer bijzondere lentebloemen.Allerlei gedierte komt nu uit den grond te voorschijn. Je kunt geen moskluit optillen, geen bladerhoop wegruimen, of daar zit een nog loome wespen- of hommelkoningin, een dikke rups of een heel klompje kevers, die ondanks hun koude bloed toch bij elkaar gekropen zijn, om het gedurende den winter niet al te koud te krijgen. En dat alles wordt nu wakker, rekt zich en poetst zich en gaat aan den arbeid: nesten bouwen, honig zamelen, eieren leggen, jongen verzorgen, bladeren beknagen, prooi verdelgen en elkander bekampen, waar ze elkaar in den weg zijn.Maar in de eerste dagen loopen ze niet te hard van stapel, want nog iederen dag kan de winter weerkomen en de zon, die opkomt met vogelzang en ’s morgens nog bloemenkleuren, bloemengeur, vlinders en vliegen te voorschijn roept, kan ’s avonds bloedrood ondergaan achter het besneeuwde dennenbosch. Doch ieder keer, als de zoelte weer overwonnen heeft en het sneeuwkleed is verdwenen, dan blijken de krachten in den grond hun werk niet te hebben gestaakt en er zijn weer nieuwe dingen te voorschijn gekomen.Hier zijn het dicht opeen de groeipieken van de lelietjes van dalen, ginds de donkerder en dikker spitsen van de aronskelk, elders spiraalvormig gekromde varenveeren, dikke punten van salomonszegel of die merkwaardige voorjaarspaddestoelen, de heerlijke morieljes. Op korten dikken steel dragen ze een kop zoo groot als een vuist of grooter nog en die is versierd met vakjes en richeltjes zoodat hij doet denken aan lekkere wafeltjes, waarvan hij ook den warm bruinen tint vertoont.[15]En als dan een dikke wijngaardslak, die ook pas het winterdeksel van zijn schelp heeft afgewipt, met welbehagen aan dat broze goedje zit te knabbelen, dan is dat een stilleventje van een smulpartij, dat bij al het lentemoois volkomen op zijn plaats is.De vogelzang wordt hoe langer hoe indrukwekkender. De zanglijster zingt nu den heelen dag, nu eens hoog in de boomen, dan weer op den grond, ja soms zingt hij onder het loopen, zoo blij is hij. Ook de winterkoning weet zich niet te bergen van de pret, hij huppelt en danst over stronken en palen en snort schetterend van den eenen tak op den anderen. De meezen schetteren en schateren, klingelen en fluiten, roepen en tieren. En boven, alles uit klinkt de krachtige vinkenslag, het helderste, sterkste, vroolijkste geluid van de vroege lente.Van alle montere vogels is de vink wel de meest opgewekte. Wij zien hem met welgevallen om zijn lustigen slag, zijn opgewekten lokroep, zijn prachtig mooie kleuren, zijn aardige bewegingen, hetzij hij in dansende vlucht door de lucht schokt, of met vlugge passen trippelt over den boschbodem, zoekend naar de laatste nog niet ontkiemde beukenootjes.Wanneer hij die niet vinden kan, dan gaat hij naar den akker en pikt daar allerhande zaad op, of hij brengt een bezoek aan de bessentuinen en vreet al de lekkere dikke knoppen van de bessenboompjes.Hoog in de toppen van de boomen zit de groene specht te schreeuwen; ’t is een luide, ruwe schaterlach, dien hij laat hooren. Wanneer hij van standplaats verwisselt, vliegt hij door de lucht in groote bogen, telkens met snelle wiekslagen eventjes rijzend en met beweginglooze vleugels omlaag zwevend. Alle spechten vliegen zoo.Ofschoon deze groene specht in zijn lentevreugd klimt tot in de hoogste twijgen van eeuwenoude eiken, is toch de grond zijn arbeidsveld, want hij houdt zich voornamelijk bezig met de mierenjacht en zoo staat hij dan wel eens midden in de wei de grazige mierenheuvels uiteen te hakken, om de lekkere poppen, de miereneieren, te bemachtigen.De bonte specht komt weinig op den grond. Die klautert altijd tegen de stammen, tikkend en borend en hakkend of hij plukt zich een dennenappel, zet hem vast in een takvork en klooft de schubben, om de geurige harsige zaden te krijgen. Dag in dag uit werkt hij op hetzelfde plekje; de grond onder den boom is bezaaid met afgekloven pijnappels.Hij roept of lacht nooit, die bonte specht, maar als hij plezier in zijn leven heeft of opgewonden raakt, dan slaat hij aan het trommelen. Hij zoekt aan een boom een[16]dorren tak van een bepaalde dikte en grootte en ratelt daartegen met zijn stevigen snavel, tot de tak gaat meetrillen en een luiden roffeltoon voortbrengt, die ver in ’t rond gehoord wordt. Zoo heeft dan het bosch-orkest ook zijn trommelman.Maar de dolste pretmaker, dat is toch eigenlijk de boomklever of blauwspecht, een vreemd gevormd vogeltje met een veel te langen snavel en een veel te zwakke staart. Doch dat deert hem niet, hij loopt evengoed of nog beter dan de spechten tegen de boomen op. Hij kan zelfs langs de stammen naar omlaag loopen en dat niet angstig voetje voor voetje, maar in razende vaart en langs de grilligste wegen. Daarbij schreeuwt hij zonder ophouden; nu eens luid en schel: „piet, piet, piet, o piet” dan weer „waddele watsj wobbelewop, twatj, twatj, twatj” en allerlei van die geluiden, die herinneren aan ’t blazen van zeepsop of het borrelen en bruisen van een klein watervalletje.De stedeling krijgt van het lente-ontwaken in het bosch niet veel te zien, hij moet zich vergenoegen met het park en daar valt ook werkelijk genoeg te genieten.Of is het niet heerlijk, reeds op de eerste warme Februari-dagen de kleine heestertjes bespikkeld te zien met groene knopjes, die dagelijks grooter worden? En terwijl het ijs nog in de vijvers ligt, bloeien de elzen reeds langs den oeverzoom. In gazons en bedden komen de winteraconietjes, de blauwe scilla’s en de bonte crocussen te voorschijn en in de warme middagzon werken daarin de alomtegenwoordige honigbijen.Al die bloempjes, scilla, crocus, aconiet zijn op hun mooist, juist voòr ze opengaan, vooral de crocussen komen dan zoo heerlijk frisch uit de lichte vliezige bloeischeden te voorschijn, hier zuiver wit, ginds donkerblauw, daar paarsgestreept, en vooral ook niet te vergeten de vroege gele, die een aparte soort vormen.Jammer, dat de musschen in te groot aantal de steden bewonen en daardoor voor hun onderhoud zelfs hun toevlucht moeten nemen tot de malsche voorjaarsbloemen; ze vreten heele randen en perken van crocusjes in een dag kaal.Nog voor de crocus bloeit, is de kornoelje begonnen, een heestertje, dat in onze bosschen zelden in ’t wild voorkomt, maar gelukkig des te meer in parken en plantsoenen wordt aangeplant. De gele bloemknoppen, paarsgewijs aan de dunne twijgjes gezeten, waren reeds midden in den winter gemakkelijk te herkennen. Nu gaan ze zwellen, en uitzetten, eindelijk openen ze zich en dan komt er een groepje goudgele bloempjes te voorschijn, zoo zuiver en fijn, dat ze in de barre Maartsche vlagen in ’t geheel niet op hun plaats lijken.Toch kunnen ze die vlagen heel goed doorstaan, ze sluiten de gouden bloempjes, halen, als ’t nog kan, de gele schutblaadjes er weer om heen en dulden zoo den storm, tot weer de warme zon gaat schijnen. En dan is ook in eens het heestertje weer van boven tot beneden met blinkende sterretjes besprenkeld.Als eenmaal de kornoelje begonnen is, dan volgen snel achter elkaar de andere heesters, die uit alle oorden van de wereld hier vereenigd zijn: de vroege pruimpjes, met bruinroode knoppen en zuiver witte bloempjes, de amandels met prachtig rose[17]bloempjes, de groote op tulpen gelijkende bloemen van de magnolia en de geurige, kleurige trossen van de ribes, door frisch groene blaadjes beveiligd. Maar dan is ’t haast Mei.Winterkoren.Winterkoren.Winterkoren.Vogelmuur.Vogelmuur.Vogelmuur.Crocusjes.Crocusjes.Crocusjes.Sneeuwklokjes.Sneeuwklokjes.Sneeuwklokjes.Winter-aconietjes.Winter-aconietjes.Winter-aconietjes.Bosch-anemoontjes.Bosch-anemoontjes.Bosch-anemoontjes.Zwarte Lijster.Zwarte Lijster.Zwarte Lijster.Meeuwen.Meeuwen.Meeuwen.Roekennesten.Roekennesten.Roekennesten.Kieviet.Kieviet.Kieviet.Grutto.Grutto.Grutto.Kemphaantjes.Kemphaantjes.Kemphaantjes.De boom van de vroege stadslente is de iep. Midden in den winter zijn de groote ronde bloemknoppen al duidelijk te onderscheiden van de kleine spitse bladknopjes. In Februari gaan die bloemknoppen zwellen. Dan steken de iepetakken lang zoo fijn niet meer tegen de lucht af als in December, de lijntjes zijn dikker en spikkelig geworden en vloeien ten laatste tot doezelige massa’s ineen.Wanneer dan de knoppen zich openen, komen ontelbare bloempjes te voorschijn, ieder op zichzelf nietig en lichtpaars met bruin, maar met elkander geven ze aan de iepenkroon een heerlijke wijnroode kleur, waardoor een Amsterdamsche gracht in de lentezon even mooi wordt als een larixlaan of een beukenallée.Wat de vogelwereld betreft, zijn de eerste lenteweken in de stad gekenmerkt door een eigenaardige wisseling van wit en zwart. De zwarte roeken komen van hun zwerftochten terug en betrekken gaandeweg met veel misbaar hun nestkolonies in de hooge iepen. De witte meeuwen verlaten de grachten, waar ze overwinterd hebben. Ze zwerven nog wat rond op de weilanden, bezoeken het bouwland, om achter de ploeg larven en wormen uit den grond te pikken en betrekken eindelijk hun broedplaatsen in de zilte moerassen aan den zeekant. De zwarte roeken krijgen in dien tijd hoe langer hoe grooter witte plekken aan de mondhoeken, de witte meeuwen hebben achter het oog een donkerbruine vlek, die al grooter en grooter wordt en eindelijk aanwast tot een donker kapje, dat den heelen schedel bedekt.Zanglijsters en zwarte lijsters beginnen ook al vroeg hun nesten te bouwen in de coniferen en sommige paren slagen er werkelijk in, om hun jongen groot te brengen, ondanks de felle vervolging door de straatbengels. Nestjes zoeken is een heerlijk werk en voor mijn part mogen alle kinderen het doen, zooveel zij willen, mits ze de nesten en eieren met rust laten en de vogels geen schrik aanjagen.De vlijtigste nestenbouwers zijn natuurlijk de musschen, die plakken in den laatsten tijd de hooge pyramide-populieren vol met slordige nesten en de vezels daarvoor trekken ze vaak van de lindetakken, die ze daardoor heelemaal van schors ontbloten. De tak gaat daardoor dood: een euveldaad te meer voor den bruinen diksnavel.Nu komen ook vogels in ’t park, die ’s winters weinig of niet gezien werden, en wel het eerst de goedmoedige groenvink. Zijn snavel is nog dikker dan die van de musch en rozerood van kleur, zijn veertjes groengrijs met mooi heldergeel op de vleugels en de staart is pikzwart.Op mooie heldere Maartsche dagen, als er geen wolkje aan de lucht is, zitten die groenvinken in de hoogste toppen der boomen te blêren. Het geluid moet een lokroep verbeelden, of een vreugdekreet of zoo iets, maar de menschen, die aan hun eigen traditioneele muziek gewend zijn, vinden het niet mooi.[18]Toch is het wel aardig, als een stuk of tien van die groenvinkentegelijkaan den gang zijn en als ze willen, dan zingen ze een ander, veel mooier liedje met zachte fluittonen en mollige trillertjes, die ons gewone muzikaal gevoel uiterst weldadig aandoen.Ze worden hoe langer hoe makker, die groenvinken, ze maken hun nest zelfs in laurieren en stamfuchsia’s, die in potten langs de wandelpaden staan: een vertrouwelijkheid, die zelfs den meest fellen nesten-vernieler moest ontwapenen.De groenvink is wel een trekvogel, maar er zwerven er hier ook wel rond gedurende den winter. De eerste vogel, die in de lente uit „het warme Zuiden” naar de stadsparken trekt, is de kleine tjiftjaf.’t Is een klein, groenachtig bruin vogeltje, weinig grooter dan het winterkoninkje, maar veel slanker. Omstreeks midden Maart wordt zijn eenvoudig, helder liedje gehoord, niet meer dan een herhaling van twee toontjes, die weinig in hoogte verschillen, maar waarvan de eene altijd duidelijk den klemtoon heeft. Soms maakt hij er een drieslag van en dan komt het accent op de middelste toon. Het gewone lied kan men weergeven door: „tjìf-tjef, tjìf-tjef, tjìf-tjef”; het andere door„te-tjìf-tjef, te-tjìf-tjef, te-tjìf-tjef”enz.Van den vroegen morgen tot den laten avond klinkt dat liedje door het hout en het kost volstrekt geen moeite, den kleinen zanger zelf te zien, want hij trippelt en fladdert door boomen en struiken van den hoogsten top tot vlak bij den grond en schuw is hij in het geheel niet. Zijn nest gaat hij pas bouwen over eenige weken, als er wat meer jong groen is uitgekomen, want hij verbergt het op den grond of in lage struiken en het is een kunstwerk van den eersten rang.Een dag of tien na den tjiftjaf komt zijn dubbelganger, de fitis, ook een echt parkvogeltje, maar tegelijk een veelvuldige verschijning in bosch en duin. Voor mij is het beeld van de fitis onafscheidelijk verbonden aan die heerlijke berkeboschjes in de duinen, waar omstreeks Paschen de blauwe hondsviooltjes bloeien tusschen ’t dorre gras en waar dat groengrijze vogeltje fladdert tusschen de zilveren berkestammen spelend met de geurige bloesemkatjes, die bij honderden aan de dunne twijgen hangen.Hij is mooier dan de tjiftjaf, geler van tint, het lichte streepje boven het oog is veel duidelijker en het liedje dat hij zingt, is zoo zuiver en rein en aandoenlijk, dat gevoelige menschen het plaatsen naast of zelfs boven den zang van den nachtegaal.Dit vogeltje is zeer algemeen, maar bijna niemand kent het. Buiten vogelkundige werken vindt men er nooit gewag van gemaakt en de Europeesche dichters, die zoo druk gezongen hebben van nachtegaal en leeuwerik, het vroolijk vinkje en den zwarten merelaar, negeeren de fitis volkomen.Daarom is het hoog noodig, dat ieder, die van de lente houdt, niet ruste voor hij den liefelijken zanger heeft leeren kennen. Hij toeft in de parken gaarne, waar dicht aan ’t water boschjes staan van berken en elzen, met allerlei klein goed er tusschen.Heel graag zit hij ook in den Noorschen ahorn. Dat is de boom, die in den bloeitijd[19]zoo dicht met bloesem bedekt is, alsof hij reeds zijn bladerkroon droeg, en waarvan de bladknoppen bij het ontplooien zoo kleurig en mooi zijn, alsof het bloemen waren.In het begin van April puilen de gele bloemtrossen uit de dikke knoppen, eenige weken lang lokken zij met geur en kleur en zoeten honig bonte vlinders en bijtjes van allerlei soort en wanneer daarna de bloemen gaan verwelken, dan openen zich de bladknoppen met gele en purperen schubben.In dien tijd zijn de ahornlanen en ahorngroepen letterlijk de glanspunten van het park. De meeste boomen zijn nog bladerloos en vormen nu een prachtigen donkeren achtergrond voor de heldere kleurenmassa’s van dezen mooien boom.Het duurt dan nog wel een week, voordat dit kleurenspel gestaakt wordt en dan begint de boom er eindelijk uit te zien zooals wij dat van een boom gewoon zijn: hij krijgt een kroon van mooie groene bladeren en als je goed toekijkt, dan zie je daartusschen de aardig gevormde groene vleugelvruchtjes.De bladeren zelf zijn sierlijk van vorm, met hun vijf uitstekende punten en het regelmatige adernet. Ze zijn van allerlei grootte; aan denzelfden tak zitten groote en kleine, langgesteelde en kortgesteelde. Door deze verscheidenheid is het mogelijk, dat ieder blad een plaatsje kan vinden, waar het ongehinderd door de zonnestralen bereikt kan worden.De gewone ahorn heeft ook een prachtige knopontluiking met allerlei tinten van groen en rood en bruin, maar hij kan toch den Noorschen niet evenaren. Toch is het de moeite waard, de ontwikkeling ervan na te gaan van ’t oogenblik af, dat de groene knoppen beginnen te zwellen, totdat de lange groene bloemtrossen neerhangen onder de wijd uitgespreide vingerblaren.En dan de wilde kastanje! Hoe glimmen eerst de groote donkerbruine knoppen in het Maartsche zonnetje. De bruine was ligt er dik op en de bijen komen ervan inzamelen, om ze te gebruiken voor de eerste reparaties aan hun woningen. Iederen dag worden de knoppen grooter, eindelijk barsten ze aan hun top, de schubben worden teruggeslagen en dan komt de donzig bruine tak te zien met de bladparen als saamgevouwen handjes en misschien een bloemtros er midden in.Hoe die handjes worden uitgespreid, hoe de blaadjes eerst slap hangen en hoe later bij warmer weer en grooter werkzaamheid der wortels het trotsche kastanjeblad wordt uitgespreid en de bloesemkaars ontstoken wordt, dat zien we jaar op jaar met dezelfde belangstelling en bewondering, en met denzelfden weemoed, want het ontsteken van die kaarsen beteekent het einde van de lente.Maar zoover zijn we nog lang niet. Voordat de kastanje bloeit, kunnen we nog weken zwerven in wei en bosch, door de duinen en langs den waterkant.In de wei hebben den heelen winter enkele madeliefjes staan te kleumen en op[20]de natte plekken kon je wat planten zien met donkergroene, bruin aangeloopen bladeren met knoppen van dezelfde kleur, zoo groot als een erwt.Als nu de lente komt, dan beginnen die planten zich te strekken en groener te worden, en hier en daar opent zich een enkele knop tot een mooie groote gele bloem. Dag aan dag openen er zich meer en eindelijk is het natte weiland een en al geel van de dotterbloemen.De dotterbloem is voor de wei, wat het sneeuwklokje en de anemoontjes voor het bosch zijn: de eerste bloem, die zich in overweldigend groot aantal vertoont, zoodat iedereen er wel op letten moet. Heele troepen kinderen tijgen dan ook uit, om ze te plukken en bij bossen worden ze naar huis gebracht, meestal om te verwelken.Dat behoeft anders niet. Bij een goede behandeling kan men dagen lang genoegen hebben van de afgeplukte dotterbloemen. Het komt er maar op aan, het onderste stuk van den stengel, dat bij het naar huis dragen ineengeschrompeld is, onder water er af te snijden. Dan komen er iederen dag knoppen uit en ge kunt iederen morgen de honigdroppels zien glinsteren tusschen de groote, platte, groene stampers.Bezorgde menschen willen dit plukken tegengaan, uit vrees dat de dotterbloemen zullen worden uitgeroeid, maar hun angst is ongegrond. Er is geen enkele reden, waarom de kinderen deze mooie bloemen niet zouden mogen plukken, de plant schiet ieder jaar opnieuw op uit zijn wortels. Bovendien zouden de boeren er niet rouwig om zijn, als er wat minder dotterbloemen in het hooiland stonden.Plukt maar bloemen, zooveel ge wilt, kinderen. Zorgt alleen, dat ge bij het plukken de planten zelf niet uit den grond, de takken niet van de boomen rukt. Knijpt de stengels af tusschen vinger en duimnagel of snijdt ze af met een scherp mesje. Neemt uw buit mee naar huis, om ze daar te verzorgen en vergeet vooral niet, al de heerlijke bijzonderheden van den bouw en ontwikkeling der bloemen na te gaan.Iedere bloem heeft werk te verrichten en moet beschermd worden tegen schadelijke invloeden van wind en weder, en tegen de aanvallen van allerlei dieren. Zij moet vrienden lokken, vijanden weren.De hoofdzaak is, dat stuifmeel uit de helmknoppen terecht komt op de stampers. Dat is gemakkelijk genoeg, wanneer meeldraden en stampers gunstig geplaatst zijn in dezelfde bloem en tegelijk rijp zijn. Maar in negen van de tien gevallen is het anders en dan moet de wind er aan te pas komen, om het stuifmeel over te brengen, of insecten belasten zich met die taak.De laatste worden gelokt door geur en kleur, door overvloed van voedzaam stuifmeel en lekkeren honing. De eene bloem richt zich voornamelijk tot de vliegen een andere tot de vlinders een derde tot hommels en bijen of tot alle.

Het is nog niet uitgemaakt, wie het eerst de Lente proclameert: de zanglijster, de sneeuwklokjes of de hazelaar. Het eene jaar komt de vogel het eerst met ’t nieuwtje, het andere jaar de heester of de bloem, maar in ieder geval weten zij het altijd eerder dan de menschen, die op den kalender afgaan, en meenen, dat de Lente den eenentwintigsten Maart haar intocht doet.Mij dunkt, ik hoor die zanglijster al lachen! „21 Maart, begin van de Lente? Maar dan zitten wij al lang in de zorgen! Neen hoor, de ware pret begint al, wanneer de dagen weer langer worden, zoo in het begin van Januari. Hoor maar eens, wat de andere vogels er van zeggen”.En waarlijk, daar gaat hij zitten in den hoogsten top van zijn geliefkoosden abeel of iep en roept ze alle op. Want de zanglijster is alle talen machtig en ’t kost hem niet de minste moeite, om in éen adem koolmees en pimpelmees, roodborst en huismusch, wulp en spreeuw toe te spreken, ieder in zijn eigen dialect.Uit pure vreugd enbaldadigheidgooit hij daar nog allerlei geluiden tusschen in van eigen vinding: mooie loopjes en melodieën en afschuwelijke krijsch- en sisgeluiden, net als een kwajongen, die al tamelijk goed viool kan spelen, maar ’t niet kan laten, om zijn instrument van tijd tot tijd te gebruiken als speelgoed.Dag aan dag zit hij in denzelfden boom, dikwijls op denzelfden tak zijn blijdschap uit te galmen, eerst alleen in de morgenuren bij dooiweer, dan ook tegen zonsondergang en eindelijk heele dagen lang, onverschillig wat weer het is. Al hagelt, regent en sneeuwt het tegelijk, het hindert hem niet. Alleen wanneer er onverwacht weer eens een winterweekje komt en de grond hard bevriest, zoodat hij niets anders te eten kan vinden dan wat bevroren hulstbessen of onrijpe klimopvruchten, dan verstomt zijn lied en dan kan hij in een paar dagen geweldig afvallen, zoodat hij ten slotte niet meer is dan vel over been.Doch zoodra de thermometer boven nul staat, begint de vreugd opnieuw. Deze[6]afwisseling van bitteren strijd en uitgelaten vreugde maken de eerste lenteweken tot den heerlijksten tijd van het jaar, vol pit, fermheid en blijdschap.Den eenen dag verdringen de musschen zich hongerig en haveloos om het voederbakje, den volgenden zitten ze onbezorgd en voldaan gezellig te sjielpen in de kale boomen. Wat ze elkander daar te verhalen hebben is een raadsel, maar zeker is het, dat de zon erbij betrokken is, want ieder straaltje vangen ze op tusschen de half opgerichte grijze veeren. En als de zon op ’t punt is onder te gaan, dan is hun gezelschap ’t grootst en het gesjielp op zijn luidruchtigst.Blijft het zonnige weer aanhouden, dan sleepen de musschen dra met vezels en strootjes en dat beteekent nesten bouwen. Die vogels hebben het onder de bescherming van onze huizen en daken al zoover gebracht, dat zij den winter soms totaal negeeren en kale jongen hebben met Nieuwejaar. Maar dat lijkt ons een afdwaling der natuur veroorzaakt door het stadsleven.Doch in Februari, dat is wat anders. Dan gaat de zanglijster ook al bouwen en de meezen ontbinden gaandeweg hun groote winterlegers en trekken bij kleine troepjes, ten slotte zelfs bij paren door het land.Wie de meezen voert met spekzwoord of soepbeentjes, vet in een notendop of een kokosnoot—alles opgehangen in de boomen—kan dat gemakkelijk waarnemen. In den winter komen heele troepen op ’t voer af. Niet, dat ze alle tegelijk eten, o neen, dat gaat bij beurten: de sterkste het eerst en dan wippen de andere ongeduldig door het hout onder het uiten van hun klokjesheldere loktonen. Het zijn meest koolmeezen, met zwarten kop en zwarte middenstreep over zwavelgele borst, maar ook komen er prachtige pimpelmeesjes bij met lichtblauwen schedel en donkerblauwen halskraag.En als nu de lente komt, dan worden de troepen in de boomen minder talrijk, maar er zitten er meer op het voeder; dikwijls twee op dezelfde kokosnoot of hetzelfde varkensribbetje. De een is wat grooter en mooier en forscher geteekend dan de andere, ’t is een mannetje, dat zijn wijfje vergunt mee te eten en dat van tijd tot tijd woedend opvliegt naar een derden vogel, die boven aan het touwtje zit te rukken. Bijna alle jonge vogelhuishoudens hebben last van zoo’n derde, zoo’n indringer, en ’t kost het mannetje heel wat ongerustheid en strijd, om hem ten slotte van de baan te krijgen.De pimpelmeesjes verschijnen eerder gepaard dan de koolmeezen. Dat hangt misschien samen met de omstandigheid, dat zij op ietwat vertrouwelijker voet staan met de menschen, want in den omgekeerden bloempot of de nestkastjes, die gij ter beschikking van de vogels stelt, zullen zich veel eerder pimpelmeesjes dan koolmeezen vestigen. Toch zijn er nog altijd drie kansen tegen één, dat er in plaats van pimpeltjes ringmusschen of spreeuwen in komen en de kansen voor roodstaartjes staan zoowat gelijk.[7]Die meesjes beginnen nu ook hun lentelied te zingen, dat veel liever en vroolijker is, dan hun winterzang. Zoo gaat het ook met roodborst en winterkoning. Die hebben den heelen winter door gezongen, vorst of geen vorst, maar nu het lente wordt, zingen zij eens zoo mooi en eens zoo lang, het roodborstje hoog en fijn en aandoenlijk, de winterkoning dartel en blij met geraas en geschetter en trillers zonder eind.Hij is nog doller dan de zanglijster, want die zit ten minste nog stil op zijn tak.De winterkoning echter houdt het nergens langer uit dan een minuut, telkens verandert hij van plaats, altijd door zingend, zoodat hij eindelijk met zijn korte snorrende vleugeltjes gaat gelijken op een soort van muzikaal balspel. Ten slotte schijnt hij uitgeraasd te zijn, en dan sluipt de bruine dwerg tusschen de boomstronken door, om voedsel te zoeken of om bouwstoffen te vergaren voor een van de vele nesten, die hij onderhanden heeft.Daar ontmoet hij den zwarten lijster, die ook al met lentegedachten rondloopt en daardoor minder verdraagzaam is, dan een maand geleden, zoodat hij dat gedraai en gesnuffel van zoo’n winterkoning in zijn nabijheid niet hebben kan. Hij springt dus met zoo’n paar deftige lijstersprongetjes op den kleinen indringer los, deze slaat op de vlucht en begint in zijn agitatie natuurlijk weer van voren af aan te zingen. Want elke sterke gemoedsaandoening, al is het ook een onaangename, is voor hem en voor vele andere vogels de aanleiding tot een lied.De zwarte lijster koelt nu zijn woede op een arme aardworm, die hij onder de dorre bladeren gehoord had en laat de zucht hooren, waarvan de lijsters het monopolie hebben en dat eigenlijk een armzalig dun gefluit is. Waarom zou hij zuchten, die mooie zwartgerokte, goudgesnavelde merel? Wel, verleden week vochten drie bruine merelwijfjes om hèm, en nu moet hij weer dag aan dag met andere merelmannen vechten om de eene van de drie, die toen de baas en daardoor zijn wijfje geworden is.Dat veroorzaakt in de merelwereld al dat gejaag en geraas en geroep, al die onrust en onwaardige vechtpartijen, die men niet verwachten zou van een zoo edelen zanger. Hoe rein en rustig klinkt zijn lied ’s avonds uit de hooge boomen!Als de merel zingt, dan is het ook tijd, om naar bloemen uit te zien. Wel is waar hebben den heelen winter door madeliefje en kruiskruid, vogelmuur en paarse doovenetel hun bloempjes vertoond tusschen ijs en sneeuw, maar dat was toch[8]niet het ware. Die bloempjes bleven klein en dicht bij den grond, weinig in aantal en zonder geur of fleur.Maar nu wordt het anders. De vogelmuur groeit uit en vertakt zich en waar met Kerstmis zich niet meer vertoonde dan een enkel bloempje tusschen een paar groene blaadjes, daar spreiden zich nu kussens uit van dicht sappig groen en als de zon schijnt, dan wordt dat groen overdekt en verborgen door duizenden bij duizenden tienpuntige sterretjes van het reinste wit, zoodat het plekje grond bedekt lijkt met een ijle sneeuwlaag. En de madeliefjes verheffen zich op hooger stelen. In den winter zijn ze altijd eenvoudig wit met geel, flets geel en slap wit. Maar nu ’t lente wordt, hebben ze warmer tinten van noode, het geel wordt dieper en nadert tot oranje en de randbloempjes krijgen een tipje rood. Hoe helderder voorjaarsweer, des te meer madeliefjes met roode randjes.Op dezelfde plaatsen als de vogelmuur bloeit het kruiskruid, het gemeene kruiskruid, zooals het in de boeken heet. Dat woordje gemeen heeft in de plantkunde een andere beteekenis dan in het dagelijksch leven, het is eigenlijk een afkorting van „algemeen” en er zit dus heelemaal geen kwaad bij. In dit geval echter kunnen wij haast niet nalaten, met eenige minachting aan het plantje te denken, het is zoo gewoon en zoo min, het staat altijd op verwaarloosde plekjes en heeft in vorm en kleur en levenswijs weinig, dat bij den oppervlakkigen beschouwer bewondering wekt of aandacht trekt. Een echt versmaad, nederig onkruid.Even nederig en bijna altijd over het hoofd gezien is een ander bloempje, dat dikwijls reeds in November bloeit, den heelen winter zonder schade door alle wisseling van vorst en dooi blijft groeien en nu in de lachende voorjaarszon zijn gansche levenskracht ontwikkelt. Het is het hongerbloempje, een nietig plantje, bestaande uit een rozetje van groene blaadjes vlak op den grond, waaruit een dunne vertakte bloemstengel verrijst. De bloempjes zijn kleine kruisbloempjes met gespleten kroonblaadjes, zoodat er in plaats van vier acht schijnen te zijn.Maar op de zandgronden en in sommige parken en tuinen groeien deze kleine plantjes dicht opeen bij honderden en duizenden. In den voormiddag gaan bij zonnig weer de bloempjes wijd open. De dunne steeltjes, die ze dragen, zijn nauwelijks zichtbaar en zoo schijnt er dan een witte sluier te zweven boven de groenende duinhelling.Het hongerbloempje heet ook wel voorjaarsvroegeling en dat is eigenlijk een veel aardiger naam. Want dit dappere plantje wekt maar zelden gedachte aan honger en gebrek. Integendeel, de bloempjes bevatten flink ontwikkelde honingklieren en verschaffen overvloedig voedsel aan vliegen en bijen en vroege voorjaarsvlinders.Zanglijster.Zanglijster.Zanglijster.Koolmees.Koolmees.Koolmees.Pimpelmees.Pimpelmees.Pimpelmees.Musschen.Musschen.Musschen.Winterkoninkje.Winterkoninkje.Winterkoninkje.Vink.Vink.Vink.Klein Hoefblad met kleine Vos.Klein Hoefblad met kleine Vos.Klein Hoefblad met kleine Vos.Gewoon Kruiskruid.Gewoon Kruiskruid.Gewoon Kruiskruid.Voorjaarsvroegeling.Voorjaarsvroegeling.Voorjaarsvroegeling.Waterwilg.Waterwilg.Waterwilg.Bladmossen.Bladmossen.Bladmossen.Korstmossen.Korstmossen.Korstmossen.Er zijn ook vlinders van den winter, vreemde, geheimzinnige dieren, maar de echte vlinder van het voorjaar is het bont gekleurde Kleine Vosje. Die heeft ook een fijn lentegevoel en komt uit zijn schuilhoek wel te voorschijn, nog voor de zanglijster[9]zingt. Dikwijls moet hij dan smadelijk den terugtocht blazen, maar als de merel gaat zingen, dan staan zijn kansen al beter en dan is hij er ook zeker van, dat hij op de bloemen van het Klein Hoefblad smakelijk zijn bekomst kan eten.Met het Sneeuwklokje is het Klein Hoefblad eigenlijk de eerste echte voorjaarsbloem, want vogelmuur, madelief, kruiskruid, doovenetel en voorjaarsvroegeling zijn te beschouwen als overwinteraars.Het sneeuwklokje komt ook wel reeds in December uit den grond kijken, maar houdt zijn blaadjes en bloemen nog lang in de beschermende scheede besloten. Eind Januari of in ’t begin van Februari komt op zonnige plekjes een enkel bloempje uit het hulsel te voorschijn, maar het opent zich nog niet. Als een groote, bevroren witte droppel blijft het hangen en eerst na eenige dagen spreiden in de warme Februari-zon de buitenste dekblaadjes zich uit en de groengestreepte binnenste bloemblaadjes bieden aan de hongerige bijen hun honingvoorraad aan.Weken lang duren die bloempjes. Als ze zich openen, ligt het ijs nog in de slooten en is de zanglijster nauwelijks begonnen te zingen. Wanneer zij verwelken, heeft de kieviet al eieren en zien wij de komst van de zwaluwen tegemoet. Al dien tijd staan ze frisch en ongeschonden te bloeien, ongedeerd door storm of vorst, onaangeroerd door de vraatzieke slakken of door het nog vraatzuchtiger konijn. Geen wonder, dat deze plant de lieveling is van allen en dat is wel de oorzaak ervan, dat we ze zoo weinig in ’t wild vinden.Overal waar ze groeien, worden ze uitgegraven en meegenomen naar tuintjes en parken en daar komen ze ieder jaar in steeds toenemend aantal weer te voorschijn. Daarbij moeten ze zich het gezelschap laten welgevallen van uitheemsche sneeuwklokjes-soorten en, wat erger is, van „dubbele” sneeuwklokjes.Zooeven noemde ik tegelijk met het sneeuwklokje het Klein Hoefblad als eerste voorjaarsplant. Dit groeit in en om steden en langs de wegen overvloedig genoeg, maar in sommige streken van ons land komt het weinig of niet voor, en ’t is dus geen wonder, dat enkele menschen het niet kennen.Nu dan, een goede kennis van me, een echt liefhebber van bloemen en vogels, maar volstrekt geen plantkundige, kwam op een mooien Februari-dag opgetogen thuis met zijn kleeren vol slik en zijn handen vol bloed en een sigarenkistje, dat hij bij wildvreemde menschen geleend had, vol pollen van een alleraardigst bloempje, die hij met groote zorg en liefde in zijn tuin plantte. Het was het kleine hoefblad.Nu is dat werkelijk een heel mooi bloempje. Het hoofdje zit op den dikken, beschubden stengel en als de zon schijnt, dan gaan de fijne straalbloempjes wijd uitstaan, als de stralen van een zonnetje, het gele hartje komt dan te zien en zelfs een volkomen oningewijde kan dan merken, dat het bestaat uit een aantal bekervormige kleine bloempjes. Het blijkt ook, dat ieder straaltje van het zonnetje een bloempje is met een echten stamper er in, die later een mooi gepluimd vruchtje oplevert.[10]Bij koud en donker weer gaan de hoofdjes dicht, maar als de zon straalt, dan straalt het kleinehoefbladook, dan lijkt het zich uit te rekken in de lekkere warmte en vlinders en bijen komen zich verlustigen op de mooie bloem.Mijn vriend was er wat mee in zijn schik en zijn vrouw ook en ze waren zoo edelmoedig, aan een belangstellend buurman ook een paar polletjes cadeau te doen.Na eenige weken raakten de bloempjes uitgebloeid, en de pluizige vruchthoofdjes verwaaiden. Ook kwamen er mooie witte hoefvormige blaadjes te voorschijn, die in ’t eerst volstrekt niet in den tuin misstonden. Maar in den loop van den zomer werden ze toch wel wat groot en grof. En op andere plekken in den tuin kwamen ook al van die blaadjes te voorschijn. In alle perken vertoonden zich bovendien kleine kiemplantjes, die ook al spoedig hoefvormige blaadjes vormden en moeilijk te wieden waren. Eindelijk werd het een heele misère, het mooie plantje bleek een allerlastigst, bijna onverdelgbaar onkruid te zijn, dat uiterst snel en gemakkelijk opkomt uit zaad en zich even gemakkelijk voortplant door onderaardsche uitloopers, zoodat het omhoog en omlaag bestreden moet worden.Voor den tuin is het dus niet geschikt, op den akker is het te vreezen, maar langs dijken en wegen en op braakliggend terrein is het een welkome lentebode, een prachtig plantje, een toevlucht voor vlinders, vliegen en bijen. Maar in depoëzieheeft het zich geen plaats naast het sneeuwklokje weten te verwerven.Men plant de sneeuwklokjes meestal in het gras, maar eigenlijk behooren ze thuis in ’t kreupelhout en mooier, rijker lentetafereel is er wel niet denkbaar dan bloeiende sneeuwklokjes onder bloeiende hazelaars.De afgevallen hazelaarbladeren, die gedurende den winter de opkomende spruitjes van het sneeuwklokje bedekten, vergaan in het voorjaar spoedig tot zwarte boschaarde, zoodat de witte sneeuwklokjes bij het ontluiken een mooien donkeren achtergrond hebben, een bodem, die door de zon gemakkelijk verwarmd wordt. Ook de lenige twijgen van den hazelaar zelf zijn donker van tint, opgevroolijkt door tallooze lichte stipjes.En nu ontplooien zich tegelijk met de sneeuwklokjes aan die donkere takken de teere zwavelgele bloeikatjes. Den heelen winter door waren ze als stijve cilindertjes reeds aan de takken te zien, maar nu rekken ze zich tot fijne franje, die roerloos neerhangt op windstille plekken onder beschutting van het hooge duin of de dichte bosschen. Duizenden bij duizenden hangen er aan de twijgen en waar deze zich aan hoogopgeschoten stammen horizontaal vertakken, loopt ge onder een troonhemel van goud.Ook ontbreekt het koninklijk purpur niet. Overal tusschen de bungelende katjes vertoonen zich groene knoppen vlak op den tak en vele daarvan dragen een prachtig purperen pluimpje. Dat zijn de stamperbloemen; in den herfst worden dat de mooie vruchten, de groenachtig bruine hazelnoten in hun krulkraag van wazig groen. Weken lang duurt deze bloesempraal, schooner dan de bloei van menigeen van de uitheemsche[11]heesters, die onzen hazelaar uit parken en tuinen hebben verdrongen.Als eenmaal de hazelaar zijn katjes laat bungelen, dan volgen snel andere heesters en boomen. Het eerst komt de els, de watervriend. Zijn meeldraadkatjes zijn langer dan die van den hazelaar en dieper geel, soms rossig en bruin. Ze zijn ook talrijker en hangen dichter opeen, zoodat de bloeiende els door zijn bloesem geheel verborgen wordt.Er zijn sommige streken in ons land, waar bijna niets dan elzen groeien, en daar zijn in Maart wegzoom en waterkant en weidebosch omlijst en bedekt met warmgele sluiers. De stamperbloemen zitten aan dezelfde takjes als de meeldraadbloemen, maar ze zijn kleiner en vallen minder in ’t oog, al blijken ze ook bij nader toezien uitgerust te zijn met mooie donkerroode stempels en stijlen.En heel donker rosachtig bruin wordt het elzenbosch waar het gekapt is. De versch afgekapte stronken staan fel gekleurd tusschen het uitgebleekte wintergras.Voor ons openbaart de lente zich niet alleen in vogelzang, bloemenschoon en vlinderpraal, maar ook in de hernieuwde werkzaamheid van den mensch in veld en bosch, van mestrijden af tot houtkappen toe. Het lijkt een alleraardigste bezigheid, dat houtkappen en ’t is geen wonder, dat de houthakker al van ouds een van de lievelingsfiguren uit de poëzie is geweest. Wel is waar maakt de vertelling hem wel altijd arm, maar in negen van de tien gevallen is hij toch gelukkig en tevreden en in het tiende geval beleven op het minst zijn kinderen nog altijd hoogst merkwaardige en pleizierige dingen.Flinke handenarbeid in de open lucht, nu eens in een vroolijk zonnetje, dan weer onder een stemmigen sneeuwhemel is werkelijk een kostelijk iets. Het dichte kreupelhout geeft een goede beschutting tegen den wind. En alle vogels uit de buurt komen kijken naar den blauwkiel en zingen hem toe, als wilden ze hem danken voor de prachtige takkeboshoopen, die hij opwerpt en waartusschen zij zich zoo heerlijk kunnen verschuilen.De winterkoning kan niet wachten en kruipt nu al tusschen de takken door en de roodborst komt vlak bij den arbeider trippelen en als deze op een takkebos gaat zitten, om uit zijn bonten stukkezak de ferme boterhammen te eten, dan zet de roodborst zich op den bijlsteel en zingt het Fransche liedje dat Madame Michelet hem geleerd heeft: „Je suis le compagnon du pauvre bûcheron”.Dan gaat de man weer aan ’t werk en onder zijn bijl komen weer te voorschijn de roodbruine stompen van de elzen, de geelachtige van eik en beuk, de meelwitte van de esschen. De meidoorns en abeelen laat hij staan, de eerste, omdat er toch geen behoorlijke paaltjes en takkebossen van gemaakt kunnen worden, de laatste omdat ze snel kunnen opgroeien tot groote dikke boomen. Ze beginnen nu ook al in bloei te komen.De abeel hangt zich vol met gele en roode katjes van grover bouw. Ze moeten wat kunnen verdragen, want deze mooie boom, die nog veel te weinig gewaardeerd[12]wordt, groeit dapper en wel zelfs op westhellingen van de duinen, waar hij de hevigste aanvallen van den boomverdelgenden zeewind te doorstaan heeft.Des te meer verheugt de waterwilg zich in de gunst en belangstelling der voorjaarswandelaars. Den heelen winter prijkt hij reeds met dikke knoppen, die vroeg in ’t jaar openbarsten en den gladden zilveren katjes een kijkje naar buiten gunnen. Maar dat is nog geen bloei. Dagen lang is er geen verandering te bespeuren, maar dan gaan die katjes zwellen en groeien; gele helmknopjes of bleekgroene stempellobben worden zichtbaar tusschen het zilveren pluis.Dan strekken zich opeens de meeldraden en nu is ieder katje een stralende bol van wit en goud. De stamperkatjes zijn niet zoo schitterend, maar ook heel mooi; meer groen dan geel, maar toch nog wel zoo helder van tint, dat een bloeiende vrouwelijke waterwilg nog wel een kilometer ver te zien is. Hoe heerlijk is het, op een duin te staan en in alle valleien die gouden en groene heesters te zien schitteren, of de lange versierde twijgen te zien wuiven langs de raampjes van den voorbijsnellenden spoortrein.Maar beter nog is het, er vlak bij te staan en het lenteleven aan die bloesems te bewonderen. De lucht is blauw en de zon straalt, zooals zij dat alleen in ’t voorjaar doen kan. De grond is merkbaar warmer dan de lucht, op vochtige plekken stijgen dampwolken omhoog, een zichtbare getuigenis van de krachtige werking der zonnestralen. En ’t is, of je den grond ziet leven, overal komen kiemplantjes en groeipieken te voorschijn en ’t wriemelt overal van klein gedierte, van vliegjes en mugjes met parelmoeren vleugels, torren in brons en goud en kleine wantsjes met kleurige harlekijnpakjes.In de katjes van de wilgen is het een onophoudelijk gegons en gebrom van insecten, die er komen om honing en stuifmeel. ’t Zijn meest de gewone kleine bruine honigbijen, maar ook groote kleurige hommels: aardhommels, zwart met wit met twee gele strepen, tuinhommels met drie gele strepen, steenhommels met rood achterlijf, akkerhommels met bruin fluweelen borststuk, allemaal groote beesten, die driftig neerbonzen op de bloemen, vlug hun bekomst nemen en dan luid gonzend verder vliegen.Die honigbijen hebben den winter doorgebracht in de warme korven of kasten, maar waar hebben die mooie hommels gezeten?Het antwoord op deze vraag vindt ge door op een zonnigen Februarimorgen de bloembedden in den tuin af te dekken. Reeds worden de vochtige dorre bladeren omhoog getild door hyacinthen en narcissen die uit den grond opschieten en crocusjes en tulpen boren er met spitse pieken doorheen.Ook in het bosch kunt ge deze beide manieren bewonderen, waarop de voorjaarsplanten zich bevrijden van de dekkende bladerlaag. Sommige beuren met vereende krachten dikke plakken bladeren omhoog, zoodat de voorjaarswind er onder kan komen, om ze op te drogen en weg te vegen, andere boren met scherpe punten er door heen, bijten er wellicht gaten in, en ontplooien dan hun bladeren en bloemen. Tot de eerste groep behooren de leverbloempjes, de winter-aconietjes en de bosch-anemonen, tot de[13]tweede de helmbloem en de aäronskelk. Ook zijn er, die ’t op beide manieren probeeren, zooals de vogelmelk.Hazelaarkatjes.Hazelaarkatjes.Hazelaarkatjes.Elzekatjes.Elzekatjes.Elzekatjes.Abeelkatjes.Abeelkatjes.Abeelkatjes.Hyacinthen.Hyacinthen.Hyacinthen.Leverbloempje.Leverbloempje.Leverbloempje.Tulpen.Tulpen.Tulpen.Hondsdraf met Steenhommel.Hondsdraf met Steenhommel.Hondsdraf met Steenhommel.Paarse Doovenetel met Aardhommel.Paarse Doovenetel met Aardhommel.Paarse Doovenetel met Aardhommel.Hondsviooltje.Hondsviooltje.Hondsviooltje.Paardebloem.Paardebloem.Paardebloem.Koekoeksbloem met Witje.Koekoeksbloem met Witje.Koekoeksbloem met Witje.Madeliefje.Madeliefje.Madeliefje.De leverbloempjes, aconieten en anemoontjes leggen dat zeer listig aan. Zij komen gebukt uit den grond, de hoofdjes, het bloempje met beschuttende blaadjes eromheen, neergebogen, zoodat die den bladerlast niet onmiddellijk te dragen krijgen. Eerst als de vrijheid gewonnen is, dan strekken zij zich uit, richten zich op en openen de mooie bloempjes, hemelsblauw, goudgeel of spierwit.Het eerst komen de aconietjes te voorschijn, tegelijk met de sneeuwklokjes. Ge zoudt ze eerst voor boterbloemen houden, maar aan de breede groene franjekraag om de bloem en de mooie, groene honigbekertjes erin zijn ze dadelijk te onderscheiden. Ze behooren in alle heesterperken en boschjes aangeplant te worden evenals de leverbloempjes of hepatica’s, waarvan de prachtige hemelsblauwe bloempjes een aardige afwisseling geven met het geel en wit, dat de meeste voorjaarsbloemen kenmerkt.En de anemoontjes! Gelukkig groeien zij nog in het wild in menig bosch en park van ons land en dat zal er niet minder op worden, nu tegen dom en onnadenkend plukken en uitgraven van mooie wilde bloemen in school en huis even sterk wordt opgetreden als tegen het verstoren van vogelnesten en het onnoodig vangen van insecten.Het is in ’t laatst van Maart, wanneer de anemoontjes goed beginnen te bloeien en dat is dan het glanspunt van de vroege lente. Sneeuwklokjes, hazelaar, helmbloem en gele sleutelbloemen bloeien nog en daarbij komen nu de anemonen en de bosch-klaverzuring, de gevoeligste van alle boschplantjes, een echte veeleischende schoone.Is het te koud of te warm, te droog of te nat, te licht of te duister, dicht gaan de klaverblaadjes en omlaag gaan de fijne bloemkelkjes. Maar als het weer zoo juist van pas is, zoo, dat iedereen roept over den heerlijken lentedag, dan worden de mooie frissche groene blaadjes uitgespreid en op lange, malsche steeltjes komen de witte, roodgeaderde bloempjes in groot aantal te voorschijn.Wat een liefelijke kleuren en vormen sieren dan den boschbodem! Hier het frissche groen en het teer rose aan de klaverzuring, ginds de sierlijk ingesneden donkergroene blaadjes van de anemonen met de witte bloempjes wijd open of de jongere nog half dicht, zoodat het wijnrood van de achterzijde der kelkblaadjes u tegenblinkt. En overal het dichte mostapijt, grillige vormen van grijze korstmossen en blaadjes en takjes en boompjes van bladmossen met urntjes en doosjes van allerlei vorm en stand op lange stelen en korte stelen, hier in rijen en colonnes dicht opeen, daar in groepen van vijf of zes, ontspringend uit het midden van een enkel bladrozet. De mosblaadjes zelve, nu eens fijn verdeeld als de fijnste kant, dan weer kort en stug en dicht opeen als takjes van een thujaboom, of breed en groot met spitse punten en doorschijnende kanten.Mos op den bodem en mos tegen de stammen, tegen de eiken, die nog niets van de lente willen weten en hun bruine knoppen dicht gesloten houden, maar ook[14]tegen de larixen, die volop meedoen aan het voorjaarsfeest en hun dunne twijgen versierd hebben met risten van de allerschoonste purperen en gouden bloesems.De larix is wel de sierlijkste naaldboom, die in ons land groeit. Eigenlijk is hij geen inlander, hij is aangeplant. De boschkweekers zijn niet al te best over hem te spreken, omdat hij nog al eens last heeft van insectenvraat en zwamziekte, maar dat mag ons er toch niet van weerhouden, om hem als sierboom overal aan te planten.Hij vereenigt het statige van den spar met het bevallige van den berk: langs den trotschen kegelvormigen kroon hangen lange fijne twijgen luchtigjes neer. In het najaar vallen alle naalden af en zoo staat de boom dan ’s winters kaal, alleen met blauwig grijs korstmos langs de takken en over de dikke knoppen. Deze bersten vroeg in ’t voorjaar open, dan is de heele boom fijn bespikkeld met groen en daartusschen komen dan de heerlijke bloesems te voorschijn.Op de zonnige zandpaden koesteren zich de bonte vlinders: het gele citroentje, een enkele atalanta met haar rood ordelint, de dagpauwoog met zijn vier bonte vlekken en de koningsmantel, donkerpurper met goud gezoomd. Den heelen winter door hebben ze verborgen gezeten in hoeken en gaten, verstijfd, verdoofd en die prachtige schoenlappers leken toen niet meer dan lapjes vuil, want ze zitten met de vleugels opgeklapt, zoodat alleen de dof gekleurde onderzijde en niet de bonte bovenkant te zien is. Maar nu is alle leed geleden, en zooals ze nu zitten in de zonneplekken op den boschgrond, lijken ze een nieuw soort van zeer bijzondere lentebloemen.Allerlei gedierte komt nu uit den grond te voorschijn. Je kunt geen moskluit optillen, geen bladerhoop wegruimen, of daar zit een nog loome wespen- of hommelkoningin, een dikke rups of een heel klompje kevers, die ondanks hun koude bloed toch bij elkaar gekropen zijn, om het gedurende den winter niet al te koud te krijgen. En dat alles wordt nu wakker, rekt zich en poetst zich en gaat aan den arbeid: nesten bouwen, honig zamelen, eieren leggen, jongen verzorgen, bladeren beknagen, prooi verdelgen en elkander bekampen, waar ze elkaar in den weg zijn.Maar in de eerste dagen loopen ze niet te hard van stapel, want nog iederen dag kan de winter weerkomen en de zon, die opkomt met vogelzang en ’s morgens nog bloemenkleuren, bloemengeur, vlinders en vliegen te voorschijn roept, kan ’s avonds bloedrood ondergaan achter het besneeuwde dennenbosch. Doch ieder keer, als de zoelte weer overwonnen heeft en het sneeuwkleed is verdwenen, dan blijken de krachten in den grond hun werk niet te hebben gestaakt en er zijn weer nieuwe dingen te voorschijn gekomen.Hier zijn het dicht opeen de groeipieken van de lelietjes van dalen, ginds de donkerder en dikker spitsen van de aronskelk, elders spiraalvormig gekromde varenveeren, dikke punten van salomonszegel of die merkwaardige voorjaarspaddestoelen, de heerlijke morieljes. Op korten dikken steel dragen ze een kop zoo groot als een vuist of grooter nog en die is versierd met vakjes en richeltjes zoodat hij doet denken aan lekkere wafeltjes, waarvan hij ook den warm bruinen tint vertoont.[15]En als dan een dikke wijngaardslak, die ook pas het winterdeksel van zijn schelp heeft afgewipt, met welbehagen aan dat broze goedje zit te knabbelen, dan is dat een stilleventje van een smulpartij, dat bij al het lentemoois volkomen op zijn plaats is.De vogelzang wordt hoe langer hoe indrukwekkender. De zanglijster zingt nu den heelen dag, nu eens hoog in de boomen, dan weer op den grond, ja soms zingt hij onder het loopen, zoo blij is hij. Ook de winterkoning weet zich niet te bergen van de pret, hij huppelt en danst over stronken en palen en snort schetterend van den eenen tak op den anderen. De meezen schetteren en schateren, klingelen en fluiten, roepen en tieren. En boven, alles uit klinkt de krachtige vinkenslag, het helderste, sterkste, vroolijkste geluid van de vroege lente.Van alle montere vogels is de vink wel de meest opgewekte. Wij zien hem met welgevallen om zijn lustigen slag, zijn opgewekten lokroep, zijn prachtig mooie kleuren, zijn aardige bewegingen, hetzij hij in dansende vlucht door de lucht schokt, of met vlugge passen trippelt over den boschbodem, zoekend naar de laatste nog niet ontkiemde beukenootjes.Wanneer hij die niet vinden kan, dan gaat hij naar den akker en pikt daar allerhande zaad op, of hij brengt een bezoek aan de bessentuinen en vreet al de lekkere dikke knoppen van de bessenboompjes.Hoog in de toppen van de boomen zit de groene specht te schreeuwen; ’t is een luide, ruwe schaterlach, dien hij laat hooren. Wanneer hij van standplaats verwisselt, vliegt hij door de lucht in groote bogen, telkens met snelle wiekslagen eventjes rijzend en met beweginglooze vleugels omlaag zwevend. Alle spechten vliegen zoo.Ofschoon deze groene specht in zijn lentevreugd klimt tot in de hoogste twijgen van eeuwenoude eiken, is toch de grond zijn arbeidsveld, want hij houdt zich voornamelijk bezig met de mierenjacht en zoo staat hij dan wel eens midden in de wei de grazige mierenheuvels uiteen te hakken, om de lekkere poppen, de miereneieren, te bemachtigen.De bonte specht komt weinig op den grond. Die klautert altijd tegen de stammen, tikkend en borend en hakkend of hij plukt zich een dennenappel, zet hem vast in een takvork en klooft de schubben, om de geurige harsige zaden te krijgen. Dag in dag uit werkt hij op hetzelfde plekje; de grond onder den boom is bezaaid met afgekloven pijnappels.Hij roept of lacht nooit, die bonte specht, maar als hij plezier in zijn leven heeft of opgewonden raakt, dan slaat hij aan het trommelen. Hij zoekt aan een boom een[16]dorren tak van een bepaalde dikte en grootte en ratelt daartegen met zijn stevigen snavel, tot de tak gaat meetrillen en een luiden roffeltoon voortbrengt, die ver in ’t rond gehoord wordt. Zoo heeft dan het bosch-orkest ook zijn trommelman.Maar de dolste pretmaker, dat is toch eigenlijk de boomklever of blauwspecht, een vreemd gevormd vogeltje met een veel te langen snavel en een veel te zwakke staart. Doch dat deert hem niet, hij loopt evengoed of nog beter dan de spechten tegen de boomen op. Hij kan zelfs langs de stammen naar omlaag loopen en dat niet angstig voetje voor voetje, maar in razende vaart en langs de grilligste wegen. Daarbij schreeuwt hij zonder ophouden; nu eens luid en schel: „piet, piet, piet, o piet” dan weer „waddele watsj wobbelewop, twatj, twatj, twatj” en allerlei van die geluiden, die herinneren aan ’t blazen van zeepsop of het borrelen en bruisen van een klein watervalletje.De stedeling krijgt van het lente-ontwaken in het bosch niet veel te zien, hij moet zich vergenoegen met het park en daar valt ook werkelijk genoeg te genieten.Of is het niet heerlijk, reeds op de eerste warme Februari-dagen de kleine heestertjes bespikkeld te zien met groene knopjes, die dagelijks grooter worden? En terwijl het ijs nog in de vijvers ligt, bloeien de elzen reeds langs den oeverzoom. In gazons en bedden komen de winteraconietjes, de blauwe scilla’s en de bonte crocussen te voorschijn en in de warme middagzon werken daarin de alomtegenwoordige honigbijen.Al die bloempjes, scilla, crocus, aconiet zijn op hun mooist, juist voòr ze opengaan, vooral de crocussen komen dan zoo heerlijk frisch uit de lichte vliezige bloeischeden te voorschijn, hier zuiver wit, ginds donkerblauw, daar paarsgestreept, en vooral ook niet te vergeten de vroege gele, die een aparte soort vormen.Jammer, dat de musschen in te groot aantal de steden bewonen en daardoor voor hun onderhoud zelfs hun toevlucht moeten nemen tot de malsche voorjaarsbloemen; ze vreten heele randen en perken van crocusjes in een dag kaal.Nog voor de crocus bloeit, is de kornoelje begonnen, een heestertje, dat in onze bosschen zelden in ’t wild voorkomt, maar gelukkig des te meer in parken en plantsoenen wordt aangeplant. De gele bloemknoppen, paarsgewijs aan de dunne twijgjes gezeten, waren reeds midden in den winter gemakkelijk te herkennen. Nu gaan ze zwellen, en uitzetten, eindelijk openen ze zich en dan komt er een groepje goudgele bloempjes te voorschijn, zoo zuiver en fijn, dat ze in de barre Maartsche vlagen in ’t geheel niet op hun plaats lijken.Toch kunnen ze die vlagen heel goed doorstaan, ze sluiten de gouden bloempjes, halen, als ’t nog kan, de gele schutblaadjes er weer om heen en dulden zoo den storm, tot weer de warme zon gaat schijnen. En dan is ook in eens het heestertje weer van boven tot beneden met blinkende sterretjes besprenkeld.Als eenmaal de kornoelje begonnen is, dan volgen snel achter elkaar de andere heesters, die uit alle oorden van de wereld hier vereenigd zijn: de vroege pruimpjes, met bruinroode knoppen en zuiver witte bloempjes, de amandels met prachtig rose[17]bloempjes, de groote op tulpen gelijkende bloemen van de magnolia en de geurige, kleurige trossen van de ribes, door frisch groene blaadjes beveiligd. Maar dan is ’t haast Mei.Winterkoren.Winterkoren.Winterkoren.Vogelmuur.Vogelmuur.Vogelmuur.Crocusjes.Crocusjes.Crocusjes.Sneeuwklokjes.Sneeuwklokjes.Sneeuwklokjes.Winter-aconietjes.Winter-aconietjes.Winter-aconietjes.Bosch-anemoontjes.Bosch-anemoontjes.Bosch-anemoontjes.Zwarte Lijster.Zwarte Lijster.Zwarte Lijster.Meeuwen.Meeuwen.Meeuwen.Roekennesten.Roekennesten.Roekennesten.Kieviet.Kieviet.Kieviet.Grutto.Grutto.Grutto.Kemphaantjes.Kemphaantjes.Kemphaantjes.De boom van de vroege stadslente is de iep. Midden in den winter zijn de groote ronde bloemknoppen al duidelijk te onderscheiden van de kleine spitse bladknopjes. In Februari gaan die bloemknoppen zwellen. Dan steken de iepetakken lang zoo fijn niet meer tegen de lucht af als in December, de lijntjes zijn dikker en spikkelig geworden en vloeien ten laatste tot doezelige massa’s ineen.Wanneer dan de knoppen zich openen, komen ontelbare bloempjes te voorschijn, ieder op zichzelf nietig en lichtpaars met bruin, maar met elkander geven ze aan de iepenkroon een heerlijke wijnroode kleur, waardoor een Amsterdamsche gracht in de lentezon even mooi wordt als een larixlaan of een beukenallée.Wat de vogelwereld betreft, zijn de eerste lenteweken in de stad gekenmerkt door een eigenaardige wisseling van wit en zwart. De zwarte roeken komen van hun zwerftochten terug en betrekken gaandeweg met veel misbaar hun nestkolonies in de hooge iepen. De witte meeuwen verlaten de grachten, waar ze overwinterd hebben. Ze zwerven nog wat rond op de weilanden, bezoeken het bouwland, om achter de ploeg larven en wormen uit den grond te pikken en betrekken eindelijk hun broedplaatsen in de zilte moerassen aan den zeekant. De zwarte roeken krijgen in dien tijd hoe langer hoe grooter witte plekken aan de mondhoeken, de witte meeuwen hebben achter het oog een donkerbruine vlek, die al grooter en grooter wordt en eindelijk aanwast tot een donker kapje, dat den heelen schedel bedekt.Zanglijsters en zwarte lijsters beginnen ook al vroeg hun nesten te bouwen in de coniferen en sommige paren slagen er werkelijk in, om hun jongen groot te brengen, ondanks de felle vervolging door de straatbengels. Nestjes zoeken is een heerlijk werk en voor mijn part mogen alle kinderen het doen, zooveel zij willen, mits ze de nesten en eieren met rust laten en de vogels geen schrik aanjagen.De vlijtigste nestenbouwers zijn natuurlijk de musschen, die plakken in den laatsten tijd de hooge pyramide-populieren vol met slordige nesten en de vezels daarvoor trekken ze vaak van de lindetakken, die ze daardoor heelemaal van schors ontbloten. De tak gaat daardoor dood: een euveldaad te meer voor den bruinen diksnavel.Nu komen ook vogels in ’t park, die ’s winters weinig of niet gezien werden, en wel het eerst de goedmoedige groenvink. Zijn snavel is nog dikker dan die van de musch en rozerood van kleur, zijn veertjes groengrijs met mooi heldergeel op de vleugels en de staart is pikzwart.Op mooie heldere Maartsche dagen, als er geen wolkje aan de lucht is, zitten die groenvinken in de hoogste toppen der boomen te blêren. Het geluid moet een lokroep verbeelden, of een vreugdekreet of zoo iets, maar de menschen, die aan hun eigen traditioneele muziek gewend zijn, vinden het niet mooi.[18]Toch is het wel aardig, als een stuk of tien van die groenvinkentegelijkaan den gang zijn en als ze willen, dan zingen ze een ander, veel mooier liedje met zachte fluittonen en mollige trillertjes, die ons gewone muzikaal gevoel uiterst weldadig aandoen.Ze worden hoe langer hoe makker, die groenvinken, ze maken hun nest zelfs in laurieren en stamfuchsia’s, die in potten langs de wandelpaden staan: een vertrouwelijkheid, die zelfs den meest fellen nesten-vernieler moest ontwapenen.De groenvink is wel een trekvogel, maar er zwerven er hier ook wel rond gedurende den winter. De eerste vogel, die in de lente uit „het warme Zuiden” naar de stadsparken trekt, is de kleine tjiftjaf.’t Is een klein, groenachtig bruin vogeltje, weinig grooter dan het winterkoninkje, maar veel slanker. Omstreeks midden Maart wordt zijn eenvoudig, helder liedje gehoord, niet meer dan een herhaling van twee toontjes, die weinig in hoogte verschillen, maar waarvan de eene altijd duidelijk den klemtoon heeft. Soms maakt hij er een drieslag van en dan komt het accent op de middelste toon. Het gewone lied kan men weergeven door: „tjìf-tjef, tjìf-tjef, tjìf-tjef”; het andere door„te-tjìf-tjef, te-tjìf-tjef, te-tjìf-tjef”enz.Van den vroegen morgen tot den laten avond klinkt dat liedje door het hout en het kost volstrekt geen moeite, den kleinen zanger zelf te zien, want hij trippelt en fladdert door boomen en struiken van den hoogsten top tot vlak bij den grond en schuw is hij in het geheel niet. Zijn nest gaat hij pas bouwen over eenige weken, als er wat meer jong groen is uitgekomen, want hij verbergt het op den grond of in lage struiken en het is een kunstwerk van den eersten rang.Een dag of tien na den tjiftjaf komt zijn dubbelganger, de fitis, ook een echt parkvogeltje, maar tegelijk een veelvuldige verschijning in bosch en duin. Voor mij is het beeld van de fitis onafscheidelijk verbonden aan die heerlijke berkeboschjes in de duinen, waar omstreeks Paschen de blauwe hondsviooltjes bloeien tusschen ’t dorre gras en waar dat groengrijze vogeltje fladdert tusschen de zilveren berkestammen spelend met de geurige bloesemkatjes, die bij honderden aan de dunne twijgen hangen.Hij is mooier dan de tjiftjaf, geler van tint, het lichte streepje boven het oog is veel duidelijker en het liedje dat hij zingt, is zoo zuiver en rein en aandoenlijk, dat gevoelige menschen het plaatsen naast of zelfs boven den zang van den nachtegaal.Dit vogeltje is zeer algemeen, maar bijna niemand kent het. Buiten vogelkundige werken vindt men er nooit gewag van gemaakt en de Europeesche dichters, die zoo druk gezongen hebben van nachtegaal en leeuwerik, het vroolijk vinkje en den zwarten merelaar, negeeren de fitis volkomen.Daarom is het hoog noodig, dat ieder, die van de lente houdt, niet ruste voor hij den liefelijken zanger heeft leeren kennen. Hij toeft in de parken gaarne, waar dicht aan ’t water boschjes staan van berken en elzen, met allerlei klein goed er tusschen.Heel graag zit hij ook in den Noorschen ahorn. Dat is de boom, die in den bloeitijd[19]zoo dicht met bloesem bedekt is, alsof hij reeds zijn bladerkroon droeg, en waarvan de bladknoppen bij het ontplooien zoo kleurig en mooi zijn, alsof het bloemen waren.In het begin van April puilen de gele bloemtrossen uit de dikke knoppen, eenige weken lang lokken zij met geur en kleur en zoeten honig bonte vlinders en bijtjes van allerlei soort en wanneer daarna de bloemen gaan verwelken, dan openen zich de bladknoppen met gele en purperen schubben.In dien tijd zijn de ahornlanen en ahorngroepen letterlijk de glanspunten van het park. De meeste boomen zijn nog bladerloos en vormen nu een prachtigen donkeren achtergrond voor de heldere kleurenmassa’s van dezen mooien boom.Het duurt dan nog wel een week, voordat dit kleurenspel gestaakt wordt en dan begint de boom er eindelijk uit te zien zooals wij dat van een boom gewoon zijn: hij krijgt een kroon van mooie groene bladeren en als je goed toekijkt, dan zie je daartusschen de aardig gevormde groene vleugelvruchtjes.De bladeren zelf zijn sierlijk van vorm, met hun vijf uitstekende punten en het regelmatige adernet. Ze zijn van allerlei grootte; aan denzelfden tak zitten groote en kleine, langgesteelde en kortgesteelde. Door deze verscheidenheid is het mogelijk, dat ieder blad een plaatsje kan vinden, waar het ongehinderd door de zonnestralen bereikt kan worden.De gewone ahorn heeft ook een prachtige knopontluiking met allerlei tinten van groen en rood en bruin, maar hij kan toch den Noorschen niet evenaren. Toch is het de moeite waard, de ontwikkeling ervan na te gaan van ’t oogenblik af, dat de groene knoppen beginnen te zwellen, totdat de lange groene bloemtrossen neerhangen onder de wijd uitgespreide vingerblaren.En dan de wilde kastanje! Hoe glimmen eerst de groote donkerbruine knoppen in het Maartsche zonnetje. De bruine was ligt er dik op en de bijen komen ervan inzamelen, om ze te gebruiken voor de eerste reparaties aan hun woningen. Iederen dag worden de knoppen grooter, eindelijk barsten ze aan hun top, de schubben worden teruggeslagen en dan komt de donzig bruine tak te zien met de bladparen als saamgevouwen handjes en misschien een bloemtros er midden in.Hoe die handjes worden uitgespreid, hoe de blaadjes eerst slap hangen en hoe later bij warmer weer en grooter werkzaamheid der wortels het trotsche kastanjeblad wordt uitgespreid en de bloesemkaars ontstoken wordt, dat zien we jaar op jaar met dezelfde belangstelling en bewondering, en met denzelfden weemoed, want het ontsteken van die kaarsen beteekent het einde van de lente.Maar zoover zijn we nog lang niet. Voordat de kastanje bloeit, kunnen we nog weken zwerven in wei en bosch, door de duinen en langs den waterkant.In de wei hebben den heelen winter enkele madeliefjes staan te kleumen en op[20]de natte plekken kon je wat planten zien met donkergroene, bruin aangeloopen bladeren met knoppen van dezelfde kleur, zoo groot als een erwt.Als nu de lente komt, dan beginnen die planten zich te strekken en groener te worden, en hier en daar opent zich een enkele knop tot een mooie groote gele bloem. Dag aan dag openen er zich meer en eindelijk is het natte weiland een en al geel van de dotterbloemen.De dotterbloem is voor de wei, wat het sneeuwklokje en de anemoontjes voor het bosch zijn: de eerste bloem, die zich in overweldigend groot aantal vertoont, zoodat iedereen er wel op letten moet. Heele troepen kinderen tijgen dan ook uit, om ze te plukken en bij bossen worden ze naar huis gebracht, meestal om te verwelken.Dat behoeft anders niet. Bij een goede behandeling kan men dagen lang genoegen hebben van de afgeplukte dotterbloemen. Het komt er maar op aan, het onderste stuk van den stengel, dat bij het naar huis dragen ineengeschrompeld is, onder water er af te snijden. Dan komen er iederen dag knoppen uit en ge kunt iederen morgen de honigdroppels zien glinsteren tusschen de groote, platte, groene stampers.Bezorgde menschen willen dit plukken tegengaan, uit vrees dat de dotterbloemen zullen worden uitgeroeid, maar hun angst is ongegrond. Er is geen enkele reden, waarom de kinderen deze mooie bloemen niet zouden mogen plukken, de plant schiet ieder jaar opnieuw op uit zijn wortels. Bovendien zouden de boeren er niet rouwig om zijn, als er wat minder dotterbloemen in het hooiland stonden.Plukt maar bloemen, zooveel ge wilt, kinderen. Zorgt alleen, dat ge bij het plukken de planten zelf niet uit den grond, de takken niet van de boomen rukt. Knijpt de stengels af tusschen vinger en duimnagel of snijdt ze af met een scherp mesje. Neemt uw buit mee naar huis, om ze daar te verzorgen en vergeet vooral niet, al de heerlijke bijzonderheden van den bouw en ontwikkeling der bloemen na te gaan.Iedere bloem heeft werk te verrichten en moet beschermd worden tegen schadelijke invloeden van wind en weder, en tegen de aanvallen van allerlei dieren. Zij moet vrienden lokken, vijanden weren.De hoofdzaak is, dat stuifmeel uit de helmknoppen terecht komt op de stampers. Dat is gemakkelijk genoeg, wanneer meeldraden en stampers gunstig geplaatst zijn in dezelfde bloem en tegelijk rijp zijn. Maar in negen van de tien gevallen is het anders en dan moet de wind er aan te pas komen, om het stuifmeel over te brengen, of insecten belasten zich met die taak.De laatste worden gelokt door geur en kleur, door overvloed van voedzaam stuifmeel en lekkeren honing. De eene bloem richt zich voornamelijk tot de vliegen een andere tot de vlinders een derde tot hommels en bijen of tot alle.

Het is nog niet uitgemaakt, wie het eerst de Lente proclameert: de zanglijster, de sneeuwklokjes of de hazelaar. Het eene jaar komt de vogel het eerst met ’t nieuwtje, het andere jaar de heester of de bloem, maar in ieder geval weten zij het altijd eerder dan de menschen, die op den kalender afgaan, en meenen, dat de Lente den eenentwintigsten Maart haar intocht doet.

Mij dunkt, ik hoor die zanglijster al lachen! „21 Maart, begin van de Lente? Maar dan zitten wij al lang in de zorgen! Neen hoor, de ware pret begint al, wanneer de dagen weer langer worden, zoo in het begin van Januari. Hoor maar eens, wat de andere vogels er van zeggen”.

En waarlijk, daar gaat hij zitten in den hoogsten top van zijn geliefkoosden abeel of iep en roept ze alle op. Want de zanglijster is alle talen machtig en ’t kost hem niet de minste moeite, om in éen adem koolmees en pimpelmees, roodborst en huismusch, wulp en spreeuw toe te spreken, ieder in zijn eigen dialect.

Uit pure vreugd enbaldadigheidgooit hij daar nog allerlei geluiden tusschen in van eigen vinding: mooie loopjes en melodieën en afschuwelijke krijsch- en sisgeluiden, net als een kwajongen, die al tamelijk goed viool kan spelen, maar ’t niet kan laten, om zijn instrument van tijd tot tijd te gebruiken als speelgoed.

Dag aan dag zit hij in denzelfden boom, dikwijls op denzelfden tak zijn blijdschap uit te galmen, eerst alleen in de morgenuren bij dooiweer, dan ook tegen zonsondergang en eindelijk heele dagen lang, onverschillig wat weer het is. Al hagelt, regent en sneeuwt het tegelijk, het hindert hem niet. Alleen wanneer er onverwacht weer eens een winterweekje komt en de grond hard bevriest, zoodat hij niets anders te eten kan vinden dan wat bevroren hulstbessen of onrijpe klimopvruchten, dan verstomt zijn lied en dan kan hij in een paar dagen geweldig afvallen, zoodat hij ten slotte niet meer is dan vel over been.

Doch zoodra de thermometer boven nul staat, begint de vreugd opnieuw. Deze[6]afwisseling van bitteren strijd en uitgelaten vreugde maken de eerste lenteweken tot den heerlijksten tijd van het jaar, vol pit, fermheid en blijdschap.

Den eenen dag verdringen de musschen zich hongerig en haveloos om het voederbakje, den volgenden zitten ze onbezorgd en voldaan gezellig te sjielpen in de kale boomen. Wat ze elkander daar te verhalen hebben is een raadsel, maar zeker is het, dat de zon erbij betrokken is, want ieder straaltje vangen ze op tusschen de half opgerichte grijze veeren. En als de zon op ’t punt is onder te gaan, dan is hun gezelschap ’t grootst en het gesjielp op zijn luidruchtigst.

Blijft het zonnige weer aanhouden, dan sleepen de musschen dra met vezels en strootjes en dat beteekent nesten bouwen. Die vogels hebben het onder de bescherming van onze huizen en daken al zoover gebracht, dat zij den winter soms totaal negeeren en kale jongen hebben met Nieuwejaar. Maar dat lijkt ons een afdwaling der natuur veroorzaakt door het stadsleven.

Doch in Februari, dat is wat anders. Dan gaat de zanglijster ook al bouwen en de meezen ontbinden gaandeweg hun groote winterlegers en trekken bij kleine troepjes, ten slotte zelfs bij paren door het land.

Wie de meezen voert met spekzwoord of soepbeentjes, vet in een notendop of een kokosnoot—alles opgehangen in de boomen—kan dat gemakkelijk waarnemen. In den winter komen heele troepen op ’t voer af. Niet, dat ze alle tegelijk eten, o neen, dat gaat bij beurten: de sterkste het eerst en dan wippen de andere ongeduldig door het hout onder het uiten van hun klokjesheldere loktonen. Het zijn meest koolmeezen, met zwarten kop en zwarte middenstreep over zwavelgele borst, maar ook komen er prachtige pimpelmeesjes bij met lichtblauwen schedel en donkerblauwen halskraag.

En als nu de lente komt, dan worden de troepen in de boomen minder talrijk, maar er zitten er meer op het voeder; dikwijls twee op dezelfde kokosnoot of hetzelfde varkensribbetje. De een is wat grooter en mooier en forscher geteekend dan de andere, ’t is een mannetje, dat zijn wijfje vergunt mee te eten en dat van tijd tot tijd woedend opvliegt naar een derden vogel, die boven aan het touwtje zit te rukken. Bijna alle jonge vogelhuishoudens hebben last van zoo’n derde, zoo’n indringer, en ’t kost het mannetje heel wat ongerustheid en strijd, om hem ten slotte van de baan te krijgen.

De pimpelmeesjes verschijnen eerder gepaard dan de koolmeezen. Dat hangt misschien samen met de omstandigheid, dat zij op ietwat vertrouwelijker voet staan met de menschen, want in den omgekeerden bloempot of de nestkastjes, die gij ter beschikking van de vogels stelt, zullen zich veel eerder pimpelmeesjes dan koolmeezen vestigen. Toch zijn er nog altijd drie kansen tegen één, dat er in plaats van pimpeltjes ringmusschen of spreeuwen in komen en de kansen voor roodstaartjes staan zoowat gelijk.[7]

Die meesjes beginnen nu ook hun lentelied te zingen, dat veel liever en vroolijker is, dan hun winterzang. Zoo gaat het ook met roodborst en winterkoning. Die hebben den heelen winter door gezongen, vorst of geen vorst, maar nu het lente wordt, zingen zij eens zoo mooi en eens zoo lang, het roodborstje hoog en fijn en aandoenlijk, de winterkoning dartel en blij met geraas en geschetter en trillers zonder eind.

Hij is nog doller dan de zanglijster, want die zit ten minste nog stil op zijn tak.

De winterkoning echter houdt het nergens langer uit dan een minuut, telkens verandert hij van plaats, altijd door zingend, zoodat hij eindelijk met zijn korte snorrende vleugeltjes gaat gelijken op een soort van muzikaal balspel. Ten slotte schijnt hij uitgeraasd te zijn, en dan sluipt de bruine dwerg tusschen de boomstronken door, om voedsel te zoeken of om bouwstoffen te vergaren voor een van de vele nesten, die hij onderhanden heeft.

Daar ontmoet hij den zwarten lijster, die ook al met lentegedachten rondloopt en daardoor minder verdraagzaam is, dan een maand geleden, zoodat hij dat gedraai en gesnuffel van zoo’n winterkoning in zijn nabijheid niet hebben kan. Hij springt dus met zoo’n paar deftige lijstersprongetjes op den kleinen indringer los, deze slaat op de vlucht en begint in zijn agitatie natuurlijk weer van voren af aan te zingen. Want elke sterke gemoedsaandoening, al is het ook een onaangename, is voor hem en voor vele andere vogels de aanleiding tot een lied.

De zwarte lijster koelt nu zijn woede op een arme aardworm, die hij onder de dorre bladeren gehoord had en laat de zucht hooren, waarvan de lijsters het monopolie hebben en dat eigenlijk een armzalig dun gefluit is. Waarom zou hij zuchten, die mooie zwartgerokte, goudgesnavelde merel? Wel, verleden week vochten drie bruine merelwijfjes om hèm, en nu moet hij weer dag aan dag met andere merelmannen vechten om de eene van de drie, die toen de baas en daardoor zijn wijfje geworden is.

Dat veroorzaakt in de merelwereld al dat gejaag en geraas en geroep, al die onrust en onwaardige vechtpartijen, die men niet verwachten zou van een zoo edelen zanger. Hoe rein en rustig klinkt zijn lied ’s avonds uit de hooge boomen!

Als de merel zingt, dan is het ook tijd, om naar bloemen uit te zien. Wel is waar hebben den heelen winter door madeliefje en kruiskruid, vogelmuur en paarse doovenetel hun bloempjes vertoond tusschen ijs en sneeuw, maar dat was toch[8]niet het ware. Die bloempjes bleven klein en dicht bij den grond, weinig in aantal en zonder geur of fleur.

Maar nu wordt het anders. De vogelmuur groeit uit en vertakt zich en waar met Kerstmis zich niet meer vertoonde dan een enkel bloempje tusschen een paar groene blaadjes, daar spreiden zich nu kussens uit van dicht sappig groen en als de zon schijnt, dan wordt dat groen overdekt en verborgen door duizenden bij duizenden tienpuntige sterretjes van het reinste wit, zoodat het plekje grond bedekt lijkt met een ijle sneeuwlaag. En de madeliefjes verheffen zich op hooger stelen. In den winter zijn ze altijd eenvoudig wit met geel, flets geel en slap wit. Maar nu ’t lente wordt, hebben ze warmer tinten van noode, het geel wordt dieper en nadert tot oranje en de randbloempjes krijgen een tipje rood. Hoe helderder voorjaarsweer, des te meer madeliefjes met roode randjes.

Op dezelfde plaatsen als de vogelmuur bloeit het kruiskruid, het gemeene kruiskruid, zooals het in de boeken heet. Dat woordje gemeen heeft in de plantkunde een andere beteekenis dan in het dagelijksch leven, het is eigenlijk een afkorting van „algemeen” en er zit dus heelemaal geen kwaad bij. In dit geval echter kunnen wij haast niet nalaten, met eenige minachting aan het plantje te denken, het is zoo gewoon en zoo min, het staat altijd op verwaarloosde plekjes en heeft in vorm en kleur en levenswijs weinig, dat bij den oppervlakkigen beschouwer bewondering wekt of aandacht trekt. Een echt versmaad, nederig onkruid.

Even nederig en bijna altijd over het hoofd gezien is een ander bloempje, dat dikwijls reeds in November bloeit, den heelen winter zonder schade door alle wisseling van vorst en dooi blijft groeien en nu in de lachende voorjaarszon zijn gansche levenskracht ontwikkelt. Het is het hongerbloempje, een nietig plantje, bestaande uit een rozetje van groene blaadjes vlak op den grond, waaruit een dunne vertakte bloemstengel verrijst. De bloempjes zijn kleine kruisbloempjes met gespleten kroonblaadjes, zoodat er in plaats van vier acht schijnen te zijn.

Maar op de zandgronden en in sommige parken en tuinen groeien deze kleine plantjes dicht opeen bij honderden en duizenden. In den voormiddag gaan bij zonnig weer de bloempjes wijd open. De dunne steeltjes, die ze dragen, zijn nauwelijks zichtbaar en zoo schijnt er dan een witte sluier te zweven boven de groenende duinhelling.

Het hongerbloempje heet ook wel voorjaarsvroegeling en dat is eigenlijk een veel aardiger naam. Want dit dappere plantje wekt maar zelden gedachte aan honger en gebrek. Integendeel, de bloempjes bevatten flink ontwikkelde honingklieren en verschaffen overvloedig voedsel aan vliegen en bijen en vroege voorjaarsvlinders.

Zanglijster.Zanglijster.Zanglijster.Koolmees.Koolmees.Koolmees.Pimpelmees.Pimpelmees.Pimpelmees.Musschen.Musschen.Musschen.Winterkoninkje.Winterkoninkje.Winterkoninkje.Vink.Vink.Vink.

Zanglijster.Zanglijster.Zanglijster.

Zanglijster.Zanglijster.

Zanglijster.

Koolmees.Koolmees.Koolmees.

Koolmees.Koolmees.

Koolmees.

Pimpelmees.Pimpelmees.Pimpelmees.

Pimpelmees.Pimpelmees.

Pimpelmees.

Musschen.Musschen.Musschen.

Musschen.Musschen.

Musschen.

Winterkoninkje.Winterkoninkje.Winterkoninkje.

Winterkoninkje.Winterkoninkje.

Winterkoninkje.

Vink.Vink.Vink.

Vink.Vink.

Vink.

Klein Hoefblad met kleine Vos.Klein Hoefblad met kleine Vos.Klein Hoefblad met kleine Vos.Gewoon Kruiskruid.Gewoon Kruiskruid.Gewoon Kruiskruid.Voorjaarsvroegeling.Voorjaarsvroegeling.Voorjaarsvroegeling.Waterwilg.Waterwilg.Waterwilg.Bladmossen.Bladmossen.Bladmossen.Korstmossen.Korstmossen.Korstmossen.

Klein Hoefblad met kleine Vos.Klein Hoefblad met kleine Vos.Klein Hoefblad met kleine Vos.

Klein Hoefblad met kleine Vos.Klein Hoefblad met kleine Vos.

Klein Hoefblad met kleine Vos.

Gewoon Kruiskruid.Gewoon Kruiskruid.Gewoon Kruiskruid.

Gewoon Kruiskruid.Gewoon Kruiskruid.

Gewoon Kruiskruid.

Voorjaarsvroegeling.Voorjaarsvroegeling.Voorjaarsvroegeling.

Voorjaarsvroegeling.Voorjaarsvroegeling.

Voorjaarsvroegeling.

Waterwilg.Waterwilg.Waterwilg.

Waterwilg.Waterwilg.

Waterwilg.

Bladmossen.Bladmossen.Bladmossen.

Bladmossen.Bladmossen.

Bladmossen.

Korstmossen.Korstmossen.Korstmossen.

Korstmossen.Korstmossen.

Korstmossen.

Er zijn ook vlinders van den winter, vreemde, geheimzinnige dieren, maar de echte vlinder van het voorjaar is het bont gekleurde Kleine Vosje. Die heeft ook een fijn lentegevoel en komt uit zijn schuilhoek wel te voorschijn, nog voor de zanglijster[9]zingt. Dikwijls moet hij dan smadelijk den terugtocht blazen, maar als de merel gaat zingen, dan staan zijn kansen al beter en dan is hij er ook zeker van, dat hij op de bloemen van het Klein Hoefblad smakelijk zijn bekomst kan eten.

Met het Sneeuwklokje is het Klein Hoefblad eigenlijk de eerste echte voorjaarsbloem, want vogelmuur, madelief, kruiskruid, doovenetel en voorjaarsvroegeling zijn te beschouwen als overwinteraars.

Het sneeuwklokje komt ook wel reeds in December uit den grond kijken, maar houdt zijn blaadjes en bloemen nog lang in de beschermende scheede besloten. Eind Januari of in ’t begin van Februari komt op zonnige plekjes een enkel bloempje uit het hulsel te voorschijn, maar het opent zich nog niet. Als een groote, bevroren witte droppel blijft het hangen en eerst na eenige dagen spreiden in de warme Februari-zon de buitenste dekblaadjes zich uit en de groengestreepte binnenste bloemblaadjes bieden aan de hongerige bijen hun honingvoorraad aan.

Weken lang duren die bloempjes. Als ze zich openen, ligt het ijs nog in de slooten en is de zanglijster nauwelijks begonnen te zingen. Wanneer zij verwelken, heeft de kieviet al eieren en zien wij de komst van de zwaluwen tegemoet. Al dien tijd staan ze frisch en ongeschonden te bloeien, ongedeerd door storm of vorst, onaangeroerd door de vraatzieke slakken of door het nog vraatzuchtiger konijn. Geen wonder, dat deze plant de lieveling is van allen en dat is wel de oorzaak ervan, dat we ze zoo weinig in ’t wild vinden.

Overal waar ze groeien, worden ze uitgegraven en meegenomen naar tuintjes en parken en daar komen ze ieder jaar in steeds toenemend aantal weer te voorschijn. Daarbij moeten ze zich het gezelschap laten welgevallen van uitheemsche sneeuwklokjes-soorten en, wat erger is, van „dubbele” sneeuwklokjes.

Zooeven noemde ik tegelijk met het sneeuwklokje het Klein Hoefblad als eerste voorjaarsplant. Dit groeit in en om steden en langs de wegen overvloedig genoeg, maar in sommige streken van ons land komt het weinig of niet voor, en ’t is dus geen wonder, dat enkele menschen het niet kennen.

Nu dan, een goede kennis van me, een echt liefhebber van bloemen en vogels, maar volstrekt geen plantkundige, kwam op een mooien Februari-dag opgetogen thuis met zijn kleeren vol slik en zijn handen vol bloed en een sigarenkistje, dat hij bij wildvreemde menschen geleend had, vol pollen van een alleraardigst bloempje, die hij met groote zorg en liefde in zijn tuin plantte. Het was het kleine hoefblad.

Nu is dat werkelijk een heel mooi bloempje. Het hoofdje zit op den dikken, beschubden stengel en als de zon schijnt, dan gaan de fijne straalbloempjes wijd uitstaan, als de stralen van een zonnetje, het gele hartje komt dan te zien en zelfs een volkomen oningewijde kan dan merken, dat het bestaat uit een aantal bekervormige kleine bloempjes. Het blijkt ook, dat ieder straaltje van het zonnetje een bloempje is met een echten stamper er in, die later een mooi gepluimd vruchtje oplevert.[10]

Bij koud en donker weer gaan de hoofdjes dicht, maar als de zon straalt, dan straalt het kleinehoefbladook, dan lijkt het zich uit te rekken in de lekkere warmte en vlinders en bijen komen zich verlustigen op de mooie bloem.

Mijn vriend was er wat mee in zijn schik en zijn vrouw ook en ze waren zoo edelmoedig, aan een belangstellend buurman ook een paar polletjes cadeau te doen.

Na eenige weken raakten de bloempjes uitgebloeid, en de pluizige vruchthoofdjes verwaaiden. Ook kwamen er mooie witte hoefvormige blaadjes te voorschijn, die in ’t eerst volstrekt niet in den tuin misstonden. Maar in den loop van den zomer werden ze toch wel wat groot en grof. En op andere plekken in den tuin kwamen ook al van die blaadjes te voorschijn. In alle perken vertoonden zich bovendien kleine kiemplantjes, die ook al spoedig hoefvormige blaadjes vormden en moeilijk te wieden waren. Eindelijk werd het een heele misère, het mooie plantje bleek een allerlastigst, bijna onverdelgbaar onkruid te zijn, dat uiterst snel en gemakkelijk opkomt uit zaad en zich even gemakkelijk voortplant door onderaardsche uitloopers, zoodat het omhoog en omlaag bestreden moet worden.

Voor den tuin is het dus niet geschikt, op den akker is het te vreezen, maar langs dijken en wegen en op braakliggend terrein is het een welkome lentebode, een prachtig plantje, een toevlucht voor vlinders, vliegen en bijen. Maar in depoëzieheeft het zich geen plaats naast het sneeuwklokje weten te verwerven.

Men plant de sneeuwklokjes meestal in het gras, maar eigenlijk behooren ze thuis in ’t kreupelhout en mooier, rijker lentetafereel is er wel niet denkbaar dan bloeiende sneeuwklokjes onder bloeiende hazelaars.

De afgevallen hazelaarbladeren, die gedurende den winter de opkomende spruitjes van het sneeuwklokje bedekten, vergaan in het voorjaar spoedig tot zwarte boschaarde, zoodat de witte sneeuwklokjes bij het ontluiken een mooien donkeren achtergrond hebben, een bodem, die door de zon gemakkelijk verwarmd wordt. Ook de lenige twijgen van den hazelaar zelf zijn donker van tint, opgevroolijkt door tallooze lichte stipjes.

En nu ontplooien zich tegelijk met de sneeuwklokjes aan die donkere takken de teere zwavelgele bloeikatjes. Den heelen winter door waren ze als stijve cilindertjes reeds aan de takken te zien, maar nu rekken ze zich tot fijne franje, die roerloos neerhangt op windstille plekken onder beschutting van het hooge duin of de dichte bosschen. Duizenden bij duizenden hangen er aan de twijgen en waar deze zich aan hoogopgeschoten stammen horizontaal vertakken, loopt ge onder een troonhemel van goud.

Ook ontbreekt het koninklijk purpur niet. Overal tusschen de bungelende katjes vertoonen zich groene knoppen vlak op den tak en vele daarvan dragen een prachtig purperen pluimpje. Dat zijn de stamperbloemen; in den herfst worden dat de mooie vruchten, de groenachtig bruine hazelnoten in hun krulkraag van wazig groen. Weken lang duurt deze bloesempraal, schooner dan de bloei van menigeen van de uitheemsche[11]heesters, die onzen hazelaar uit parken en tuinen hebben verdrongen.

Als eenmaal de hazelaar zijn katjes laat bungelen, dan volgen snel andere heesters en boomen. Het eerst komt de els, de watervriend. Zijn meeldraadkatjes zijn langer dan die van den hazelaar en dieper geel, soms rossig en bruin. Ze zijn ook talrijker en hangen dichter opeen, zoodat de bloeiende els door zijn bloesem geheel verborgen wordt.

Er zijn sommige streken in ons land, waar bijna niets dan elzen groeien, en daar zijn in Maart wegzoom en waterkant en weidebosch omlijst en bedekt met warmgele sluiers. De stamperbloemen zitten aan dezelfde takjes als de meeldraadbloemen, maar ze zijn kleiner en vallen minder in ’t oog, al blijken ze ook bij nader toezien uitgerust te zijn met mooie donkerroode stempels en stijlen.

En heel donker rosachtig bruin wordt het elzenbosch waar het gekapt is. De versch afgekapte stronken staan fel gekleurd tusschen het uitgebleekte wintergras.

Voor ons openbaart de lente zich niet alleen in vogelzang, bloemenschoon en vlinderpraal, maar ook in de hernieuwde werkzaamheid van den mensch in veld en bosch, van mestrijden af tot houtkappen toe. Het lijkt een alleraardigste bezigheid, dat houtkappen en ’t is geen wonder, dat de houthakker al van ouds een van de lievelingsfiguren uit de poëzie is geweest. Wel is waar maakt de vertelling hem wel altijd arm, maar in negen van de tien gevallen is hij toch gelukkig en tevreden en in het tiende geval beleven op het minst zijn kinderen nog altijd hoogst merkwaardige en pleizierige dingen.

Flinke handenarbeid in de open lucht, nu eens in een vroolijk zonnetje, dan weer onder een stemmigen sneeuwhemel is werkelijk een kostelijk iets. Het dichte kreupelhout geeft een goede beschutting tegen den wind. En alle vogels uit de buurt komen kijken naar den blauwkiel en zingen hem toe, als wilden ze hem danken voor de prachtige takkeboshoopen, die hij opwerpt en waartusschen zij zich zoo heerlijk kunnen verschuilen.

De winterkoning kan niet wachten en kruipt nu al tusschen de takken door en de roodborst komt vlak bij den arbeider trippelen en als deze op een takkebos gaat zitten, om uit zijn bonten stukkezak de ferme boterhammen te eten, dan zet de roodborst zich op den bijlsteel en zingt het Fransche liedje dat Madame Michelet hem geleerd heeft: „Je suis le compagnon du pauvre bûcheron”.

Dan gaat de man weer aan ’t werk en onder zijn bijl komen weer te voorschijn de roodbruine stompen van de elzen, de geelachtige van eik en beuk, de meelwitte van de esschen. De meidoorns en abeelen laat hij staan, de eerste, omdat er toch geen behoorlijke paaltjes en takkebossen van gemaakt kunnen worden, de laatste omdat ze snel kunnen opgroeien tot groote dikke boomen. Ze beginnen nu ook al in bloei te komen.

De abeel hangt zich vol met gele en roode katjes van grover bouw. Ze moeten wat kunnen verdragen, want deze mooie boom, die nog veel te weinig gewaardeerd[12]wordt, groeit dapper en wel zelfs op westhellingen van de duinen, waar hij de hevigste aanvallen van den boomverdelgenden zeewind te doorstaan heeft.

Des te meer verheugt de waterwilg zich in de gunst en belangstelling der voorjaarswandelaars. Den heelen winter prijkt hij reeds met dikke knoppen, die vroeg in ’t jaar openbarsten en den gladden zilveren katjes een kijkje naar buiten gunnen. Maar dat is nog geen bloei. Dagen lang is er geen verandering te bespeuren, maar dan gaan die katjes zwellen en groeien; gele helmknopjes of bleekgroene stempellobben worden zichtbaar tusschen het zilveren pluis.

Dan strekken zich opeens de meeldraden en nu is ieder katje een stralende bol van wit en goud. De stamperkatjes zijn niet zoo schitterend, maar ook heel mooi; meer groen dan geel, maar toch nog wel zoo helder van tint, dat een bloeiende vrouwelijke waterwilg nog wel een kilometer ver te zien is. Hoe heerlijk is het, op een duin te staan en in alle valleien die gouden en groene heesters te zien schitteren, of de lange versierde twijgen te zien wuiven langs de raampjes van den voorbijsnellenden spoortrein.

Maar beter nog is het, er vlak bij te staan en het lenteleven aan die bloesems te bewonderen. De lucht is blauw en de zon straalt, zooals zij dat alleen in ’t voorjaar doen kan. De grond is merkbaar warmer dan de lucht, op vochtige plekken stijgen dampwolken omhoog, een zichtbare getuigenis van de krachtige werking der zonnestralen. En ’t is, of je den grond ziet leven, overal komen kiemplantjes en groeipieken te voorschijn en ’t wriemelt overal van klein gedierte, van vliegjes en mugjes met parelmoeren vleugels, torren in brons en goud en kleine wantsjes met kleurige harlekijnpakjes.

In de katjes van de wilgen is het een onophoudelijk gegons en gebrom van insecten, die er komen om honing en stuifmeel. ’t Zijn meest de gewone kleine bruine honigbijen, maar ook groote kleurige hommels: aardhommels, zwart met wit met twee gele strepen, tuinhommels met drie gele strepen, steenhommels met rood achterlijf, akkerhommels met bruin fluweelen borststuk, allemaal groote beesten, die driftig neerbonzen op de bloemen, vlug hun bekomst nemen en dan luid gonzend verder vliegen.

Die honigbijen hebben den winter doorgebracht in de warme korven of kasten, maar waar hebben die mooie hommels gezeten?

Het antwoord op deze vraag vindt ge door op een zonnigen Februarimorgen de bloembedden in den tuin af te dekken. Reeds worden de vochtige dorre bladeren omhoog getild door hyacinthen en narcissen die uit den grond opschieten en crocusjes en tulpen boren er met spitse pieken doorheen.

Ook in het bosch kunt ge deze beide manieren bewonderen, waarop de voorjaarsplanten zich bevrijden van de dekkende bladerlaag. Sommige beuren met vereende krachten dikke plakken bladeren omhoog, zoodat de voorjaarswind er onder kan komen, om ze op te drogen en weg te vegen, andere boren met scherpe punten er door heen, bijten er wellicht gaten in, en ontplooien dan hun bladeren en bloemen. Tot de eerste groep behooren de leverbloempjes, de winter-aconietjes en de bosch-anemonen, tot de[13]tweede de helmbloem en de aäronskelk. Ook zijn er, die ’t op beide manieren probeeren, zooals de vogelmelk.

Hazelaarkatjes.Hazelaarkatjes.Hazelaarkatjes.Elzekatjes.Elzekatjes.Elzekatjes.Abeelkatjes.Abeelkatjes.Abeelkatjes.Hyacinthen.Hyacinthen.Hyacinthen.Leverbloempje.Leverbloempje.Leverbloempje.Tulpen.Tulpen.Tulpen.

Hazelaarkatjes.Hazelaarkatjes.Hazelaarkatjes.

Hazelaarkatjes.Hazelaarkatjes.

Hazelaarkatjes.

Elzekatjes.Elzekatjes.Elzekatjes.

Elzekatjes.Elzekatjes.

Elzekatjes.

Abeelkatjes.Abeelkatjes.Abeelkatjes.

Abeelkatjes.Abeelkatjes.

Abeelkatjes.

Hyacinthen.Hyacinthen.Hyacinthen.

Hyacinthen.Hyacinthen.

Hyacinthen.

Leverbloempje.Leverbloempje.Leverbloempje.

Leverbloempje.Leverbloempje.

Leverbloempje.

Tulpen.Tulpen.Tulpen.

Tulpen.Tulpen.

Tulpen.

Hondsdraf met Steenhommel.Hondsdraf met Steenhommel.Hondsdraf met Steenhommel.Paarse Doovenetel met Aardhommel.Paarse Doovenetel met Aardhommel.Paarse Doovenetel met Aardhommel.Hondsviooltje.Hondsviooltje.Hondsviooltje.Paardebloem.Paardebloem.Paardebloem.Koekoeksbloem met Witje.Koekoeksbloem met Witje.Koekoeksbloem met Witje.Madeliefje.Madeliefje.Madeliefje.

Hondsdraf met Steenhommel.Hondsdraf met Steenhommel.Hondsdraf met Steenhommel.

Hondsdraf met Steenhommel.Hondsdraf met Steenhommel.

Hondsdraf met Steenhommel.

Paarse Doovenetel met Aardhommel.Paarse Doovenetel met Aardhommel.Paarse Doovenetel met Aardhommel.

Paarse Doovenetel met Aardhommel.Paarse Doovenetel met Aardhommel.

Paarse Doovenetel met Aardhommel.

Hondsviooltje.Hondsviooltje.Hondsviooltje.

Hondsviooltje.Hondsviooltje.

Hondsviooltje.

Paardebloem.Paardebloem.Paardebloem.

Paardebloem.Paardebloem.

Paardebloem.

Koekoeksbloem met Witje.Koekoeksbloem met Witje.Koekoeksbloem met Witje.

Koekoeksbloem met Witje.Koekoeksbloem met Witje.

Koekoeksbloem met Witje.

Madeliefje.Madeliefje.Madeliefje.

Madeliefje.Madeliefje.

Madeliefje.

De leverbloempjes, aconieten en anemoontjes leggen dat zeer listig aan. Zij komen gebukt uit den grond, de hoofdjes, het bloempje met beschuttende blaadjes eromheen, neergebogen, zoodat die den bladerlast niet onmiddellijk te dragen krijgen. Eerst als de vrijheid gewonnen is, dan strekken zij zich uit, richten zich op en openen de mooie bloempjes, hemelsblauw, goudgeel of spierwit.

Het eerst komen de aconietjes te voorschijn, tegelijk met de sneeuwklokjes. Ge zoudt ze eerst voor boterbloemen houden, maar aan de breede groene franjekraag om de bloem en de mooie, groene honigbekertjes erin zijn ze dadelijk te onderscheiden. Ze behooren in alle heesterperken en boschjes aangeplant te worden evenals de leverbloempjes of hepatica’s, waarvan de prachtige hemelsblauwe bloempjes een aardige afwisseling geven met het geel en wit, dat de meeste voorjaarsbloemen kenmerkt.

En de anemoontjes! Gelukkig groeien zij nog in het wild in menig bosch en park van ons land en dat zal er niet minder op worden, nu tegen dom en onnadenkend plukken en uitgraven van mooie wilde bloemen in school en huis even sterk wordt opgetreden als tegen het verstoren van vogelnesten en het onnoodig vangen van insecten.

Het is in ’t laatst van Maart, wanneer de anemoontjes goed beginnen te bloeien en dat is dan het glanspunt van de vroege lente. Sneeuwklokjes, hazelaar, helmbloem en gele sleutelbloemen bloeien nog en daarbij komen nu de anemonen en de bosch-klaverzuring, de gevoeligste van alle boschplantjes, een echte veeleischende schoone.

Is het te koud of te warm, te droog of te nat, te licht of te duister, dicht gaan de klaverblaadjes en omlaag gaan de fijne bloemkelkjes. Maar als het weer zoo juist van pas is, zoo, dat iedereen roept over den heerlijken lentedag, dan worden de mooie frissche groene blaadjes uitgespreid en op lange, malsche steeltjes komen de witte, roodgeaderde bloempjes in groot aantal te voorschijn.

Wat een liefelijke kleuren en vormen sieren dan den boschbodem! Hier het frissche groen en het teer rose aan de klaverzuring, ginds de sierlijk ingesneden donkergroene blaadjes van de anemonen met de witte bloempjes wijd open of de jongere nog half dicht, zoodat het wijnrood van de achterzijde der kelkblaadjes u tegenblinkt. En overal het dichte mostapijt, grillige vormen van grijze korstmossen en blaadjes en takjes en boompjes van bladmossen met urntjes en doosjes van allerlei vorm en stand op lange stelen en korte stelen, hier in rijen en colonnes dicht opeen, daar in groepen van vijf of zes, ontspringend uit het midden van een enkel bladrozet. De mosblaadjes zelve, nu eens fijn verdeeld als de fijnste kant, dan weer kort en stug en dicht opeen als takjes van een thujaboom, of breed en groot met spitse punten en doorschijnende kanten.

Mos op den bodem en mos tegen de stammen, tegen de eiken, die nog niets van de lente willen weten en hun bruine knoppen dicht gesloten houden, maar ook[14]tegen de larixen, die volop meedoen aan het voorjaarsfeest en hun dunne twijgen versierd hebben met risten van de allerschoonste purperen en gouden bloesems.

De larix is wel de sierlijkste naaldboom, die in ons land groeit. Eigenlijk is hij geen inlander, hij is aangeplant. De boschkweekers zijn niet al te best over hem te spreken, omdat hij nog al eens last heeft van insectenvraat en zwamziekte, maar dat mag ons er toch niet van weerhouden, om hem als sierboom overal aan te planten.

Hij vereenigt het statige van den spar met het bevallige van den berk: langs den trotschen kegelvormigen kroon hangen lange fijne twijgen luchtigjes neer. In het najaar vallen alle naalden af en zoo staat de boom dan ’s winters kaal, alleen met blauwig grijs korstmos langs de takken en over de dikke knoppen. Deze bersten vroeg in ’t voorjaar open, dan is de heele boom fijn bespikkeld met groen en daartusschen komen dan de heerlijke bloesems te voorschijn.

Op de zonnige zandpaden koesteren zich de bonte vlinders: het gele citroentje, een enkele atalanta met haar rood ordelint, de dagpauwoog met zijn vier bonte vlekken en de koningsmantel, donkerpurper met goud gezoomd. Den heelen winter door hebben ze verborgen gezeten in hoeken en gaten, verstijfd, verdoofd en die prachtige schoenlappers leken toen niet meer dan lapjes vuil, want ze zitten met de vleugels opgeklapt, zoodat alleen de dof gekleurde onderzijde en niet de bonte bovenkant te zien is. Maar nu is alle leed geleden, en zooals ze nu zitten in de zonneplekken op den boschgrond, lijken ze een nieuw soort van zeer bijzondere lentebloemen.

Allerlei gedierte komt nu uit den grond te voorschijn. Je kunt geen moskluit optillen, geen bladerhoop wegruimen, of daar zit een nog loome wespen- of hommelkoningin, een dikke rups of een heel klompje kevers, die ondanks hun koude bloed toch bij elkaar gekropen zijn, om het gedurende den winter niet al te koud te krijgen. En dat alles wordt nu wakker, rekt zich en poetst zich en gaat aan den arbeid: nesten bouwen, honig zamelen, eieren leggen, jongen verzorgen, bladeren beknagen, prooi verdelgen en elkander bekampen, waar ze elkaar in den weg zijn.

Maar in de eerste dagen loopen ze niet te hard van stapel, want nog iederen dag kan de winter weerkomen en de zon, die opkomt met vogelzang en ’s morgens nog bloemenkleuren, bloemengeur, vlinders en vliegen te voorschijn roept, kan ’s avonds bloedrood ondergaan achter het besneeuwde dennenbosch. Doch ieder keer, als de zoelte weer overwonnen heeft en het sneeuwkleed is verdwenen, dan blijken de krachten in den grond hun werk niet te hebben gestaakt en er zijn weer nieuwe dingen te voorschijn gekomen.

Hier zijn het dicht opeen de groeipieken van de lelietjes van dalen, ginds de donkerder en dikker spitsen van de aronskelk, elders spiraalvormig gekromde varenveeren, dikke punten van salomonszegel of die merkwaardige voorjaarspaddestoelen, de heerlijke morieljes. Op korten dikken steel dragen ze een kop zoo groot als een vuist of grooter nog en die is versierd met vakjes en richeltjes zoodat hij doet denken aan lekkere wafeltjes, waarvan hij ook den warm bruinen tint vertoont.[15]

En als dan een dikke wijngaardslak, die ook pas het winterdeksel van zijn schelp heeft afgewipt, met welbehagen aan dat broze goedje zit te knabbelen, dan is dat een stilleventje van een smulpartij, dat bij al het lentemoois volkomen op zijn plaats is.

De vogelzang wordt hoe langer hoe indrukwekkender. De zanglijster zingt nu den heelen dag, nu eens hoog in de boomen, dan weer op den grond, ja soms zingt hij onder het loopen, zoo blij is hij. Ook de winterkoning weet zich niet te bergen van de pret, hij huppelt en danst over stronken en palen en snort schetterend van den eenen tak op den anderen. De meezen schetteren en schateren, klingelen en fluiten, roepen en tieren. En boven, alles uit klinkt de krachtige vinkenslag, het helderste, sterkste, vroolijkste geluid van de vroege lente.

Van alle montere vogels is de vink wel de meest opgewekte. Wij zien hem met welgevallen om zijn lustigen slag, zijn opgewekten lokroep, zijn prachtig mooie kleuren, zijn aardige bewegingen, hetzij hij in dansende vlucht door de lucht schokt, of met vlugge passen trippelt over den boschbodem, zoekend naar de laatste nog niet ontkiemde beukenootjes.

Wanneer hij die niet vinden kan, dan gaat hij naar den akker en pikt daar allerhande zaad op, of hij brengt een bezoek aan de bessentuinen en vreet al de lekkere dikke knoppen van de bessenboompjes.

Hoog in de toppen van de boomen zit de groene specht te schreeuwen; ’t is een luide, ruwe schaterlach, dien hij laat hooren. Wanneer hij van standplaats verwisselt, vliegt hij door de lucht in groote bogen, telkens met snelle wiekslagen eventjes rijzend en met beweginglooze vleugels omlaag zwevend. Alle spechten vliegen zoo.

Ofschoon deze groene specht in zijn lentevreugd klimt tot in de hoogste twijgen van eeuwenoude eiken, is toch de grond zijn arbeidsveld, want hij houdt zich voornamelijk bezig met de mierenjacht en zoo staat hij dan wel eens midden in de wei de grazige mierenheuvels uiteen te hakken, om de lekkere poppen, de miereneieren, te bemachtigen.

De bonte specht komt weinig op den grond. Die klautert altijd tegen de stammen, tikkend en borend en hakkend of hij plukt zich een dennenappel, zet hem vast in een takvork en klooft de schubben, om de geurige harsige zaden te krijgen. Dag in dag uit werkt hij op hetzelfde plekje; de grond onder den boom is bezaaid met afgekloven pijnappels.

Hij roept of lacht nooit, die bonte specht, maar als hij plezier in zijn leven heeft of opgewonden raakt, dan slaat hij aan het trommelen. Hij zoekt aan een boom een[16]dorren tak van een bepaalde dikte en grootte en ratelt daartegen met zijn stevigen snavel, tot de tak gaat meetrillen en een luiden roffeltoon voortbrengt, die ver in ’t rond gehoord wordt. Zoo heeft dan het bosch-orkest ook zijn trommelman.

Maar de dolste pretmaker, dat is toch eigenlijk de boomklever of blauwspecht, een vreemd gevormd vogeltje met een veel te langen snavel en een veel te zwakke staart. Doch dat deert hem niet, hij loopt evengoed of nog beter dan de spechten tegen de boomen op. Hij kan zelfs langs de stammen naar omlaag loopen en dat niet angstig voetje voor voetje, maar in razende vaart en langs de grilligste wegen. Daarbij schreeuwt hij zonder ophouden; nu eens luid en schel: „piet, piet, piet, o piet” dan weer „waddele watsj wobbelewop, twatj, twatj, twatj” en allerlei van die geluiden, die herinneren aan ’t blazen van zeepsop of het borrelen en bruisen van een klein watervalletje.

De stedeling krijgt van het lente-ontwaken in het bosch niet veel te zien, hij moet zich vergenoegen met het park en daar valt ook werkelijk genoeg te genieten.

Of is het niet heerlijk, reeds op de eerste warme Februari-dagen de kleine heestertjes bespikkeld te zien met groene knopjes, die dagelijks grooter worden? En terwijl het ijs nog in de vijvers ligt, bloeien de elzen reeds langs den oeverzoom. In gazons en bedden komen de winteraconietjes, de blauwe scilla’s en de bonte crocussen te voorschijn en in de warme middagzon werken daarin de alomtegenwoordige honigbijen.

Al die bloempjes, scilla, crocus, aconiet zijn op hun mooist, juist voòr ze opengaan, vooral de crocussen komen dan zoo heerlijk frisch uit de lichte vliezige bloeischeden te voorschijn, hier zuiver wit, ginds donkerblauw, daar paarsgestreept, en vooral ook niet te vergeten de vroege gele, die een aparte soort vormen.

Jammer, dat de musschen in te groot aantal de steden bewonen en daardoor voor hun onderhoud zelfs hun toevlucht moeten nemen tot de malsche voorjaarsbloemen; ze vreten heele randen en perken van crocusjes in een dag kaal.

Nog voor de crocus bloeit, is de kornoelje begonnen, een heestertje, dat in onze bosschen zelden in ’t wild voorkomt, maar gelukkig des te meer in parken en plantsoenen wordt aangeplant. De gele bloemknoppen, paarsgewijs aan de dunne twijgjes gezeten, waren reeds midden in den winter gemakkelijk te herkennen. Nu gaan ze zwellen, en uitzetten, eindelijk openen ze zich en dan komt er een groepje goudgele bloempjes te voorschijn, zoo zuiver en fijn, dat ze in de barre Maartsche vlagen in ’t geheel niet op hun plaats lijken.

Toch kunnen ze die vlagen heel goed doorstaan, ze sluiten de gouden bloempjes, halen, als ’t nog kan, de gele schutblaadjes er weer om heen en dulden zoo den storm, tot weer de warme zon gaat schijnen. En dan is ook in eens het heestertje weer van boven tot beneden met blinkende sterretjes besprenkeld.

Als eenmaal de kornoelje begonnen is, dan volgen snel achter elkaar de andere heesters, die uit alle oorden van de wereld hier vereenigd zijn: de vroege pruimpjes, met bruinroode knoppen en zuiver witte bloempjes, de amandels met prachtig rose[17]bloempjes, de groote op tulpen gelijkende bloemen van de magnolia en de geurige, kleurige trossen van de ribes, door frisch groene blaadjes beveiligd. Maar dan is ’t haast Mei.

Winterkoren.Winterkoren.Winterkoren.Vogelmuur.Vogelmuur.Vogelmuur.Crocusjes.Crocusjes.Crocusjes.Sneeuwklokjes.Sneeuwklokjes.Sneeuwklokjes.Winter-aconietjes.Winter-aconietjes.Winter-aconietjes.Bosch-anemoontjes.Bosch-anemoontjes.Bosch-anemoontjes.

Winterkoren.Winterkoren.Winterkoren.

Winterkoren.Winterkoren.

Winterkoren.

Vogelmuur.Vogelmuur.Vogelmuur.

Vogelmuur.Vogelmuur.

Vogelmuur.

Crocusjes.Crocusjes.Crocusjes.

Crocusjes.Crocusjes.

Crocusjes.

Sneeuwklokjes.Sneeuwklokjes.Sneeuwklokjes.

Sneeuwklokjes.Sneeuwklokjes.

Sneeuwklokjes.

Winter-aconietjes.Winter-aconietjes.Winter-aconietjes.

Winter-aconietjes.Winter-aconietjes.

Winter-aconietjes.

Bosch-anemoontjes.Bosch-anemoontjes.Bosch-anemoontjes.

Bosch-anemoontjes.Bosch-anemoontjes.

Bosch-anemoontjes.

Zwarte Lijster.Zwarte Lijster.Zwarte Lijster.Meeuwen.Meeuwen.Meeuwen.Roekennesten.Roekennesten.Roekennesten.Kieviet.Kieviet.Kieviet.Grutto.Grutto.Grutto.Kemphaantjes.Kemphaantjes.Kemphaantjes.

Zwarte Lijster.Zwarte Lijster.Zwarte Lijster.

Zwarte Lijster.Zwarte Lijster.

Zwarte Lijster.

Meeuwen.Meeuwen.Meeuwen.

Meeuwen.Meeuwen.

Meeuwen.

Roekennesten.Roekennesten.Roekennesten.

Roekennesten.Roekennesten.

Roekennesten.

Kieviet.Kieviet.Kieviet.

Kieviet.Kieviet.

Kieviet.

Grutto.Grutto.Grutto.

Grutto.Grutto.

Grutto.

Kemphaantjes.Kemphaantjes.Kemphaantjes.

Kemphaantjes.Kemphaantjes.

Kemphaantjes.

De boom van de vroege stadslente is de iep. Midden in den winter zijn de groote ronde bloemknoppen al duidelijk te onderscheiden van de kleine spitse bladknopjes. In Februari gaan die bloemknoppen zwellen. Dan steken de iepetakken lang zoo fijn niet meer tegen de lucht af als in December, de lijntjes zijn dikker en spikkelig geworden en vloeien ten laatste tot doezelige massa’s ineen.

Wanneer dan de knoppen zich openen, komen ontelbare bloempjes te voorschijn, ieder op zichzelf nietig en lichtpaars met bruin, maar met elkander geven ze aan de iepenkroon een heerlijke wijnroode kleur, waardoor een Amsterdamsche gracht in de lentezon even mooi wordt als een larixlaan of een beukenallée.

Wat de vogelwereld betreft, zijn de eerste lenteweken in de stad gekenmerkt door een eigenaardige wisseling van wit en zwart. De zwarte roeken komen van hun zwerftochten terug en betrekken gaandeweg met veel misbaar hun nestkolonies in de hooge iepen. De witte meeuwen verlaten de grachten, waar ze overwinterd hebben. Ze zwerven nog wat rond op de weilanden, bezoeken het bouwland, om achter de ploeg larven en wormen uit den grond te pikken en betrekken eindelijk hun broedplaatsen in de zilte moerassen aan den zeekant. De zwarte roeken krijgen in dien tijd hoe langer hoe grooter witte plekken aan de mondhoeken, de witte meeuwen hebben achter het oog een donkerbruine vlek, die al grooter en grooter wordt en eindelijk aanwast tot een donker kapje, dat den heelen schedel bedekt.

Zanglijsters en zwarte lijsters beginnen ook al vroeg hun nesten te bouwen in de coniferen en sommige paren slagen er werkelijk in, om hun jongen groot te brengen, ondanks de felle vervolging door de straatbengels. Nestjes zoeken is een heerlijk werk en voor mijn part mogen alle kinderen het doen, zooveel zij willen, mits ze de nesten en eieren met rust laten en de vogels geen schrik aanjagen.

De vlijtigste nestenbouwers zijn natuurlijk de musschen, die plakken in den laatsten tijd de hooge pyramide-populieren vol met slordige nesten en de vezels daarvoor trekken ze vaak van de lindetakken, die ze daardoor heelemaal van schors ontbloten. De tak gaat daardoor dood: een euveldaad te meer voor den bruinen diksnavel.

Nu komen ook vogels in ’t park, die ’s winters weinig of niet gezien werden, en wel het eerst de goedmoedige groenvink. Zijn snavel is nog dikker dan die van de musch en rozerood van kleur, zijn veertjes groengrijs met mooi heldergeel op de vleugels en de staart is pikzwart.

Op mooie heldere Maartsche dagen, als er geen wolkje aan de lucht is, zitten die groenvinken in de hoogste toppen der boomen te blêren. Het geluid moet een lokroep verbeelden, of een vreugdekreet of zoo iets, maar de menschen, die aan hun eigen traditioneele muziek gewend zijn, vinden het niet mooi.[18]

Toch is het wel aardig, als een stuk of tien van die groenvinkentegelijkaan den gang zijn en als ze willen, dan zingen ze een ander, veel mooier liedje met zachte fluittonen en mollige trillertjes, die ons gewone muzikaal gevoel uiterst weldadig aandoen.

Ze worden hoe langer hoe makker, die groenvinken, ze maken hun nest zelfs in laurieren en stamfuchsia’s, die in potten langs de wandelpaden staan: een vertrouwelijkheid, die zelfs den meest fellen nesten-vernieler moest ontwapenen.

De groenvink is wel een trekvogel, maar er zwerven er hier ook wel rond gedurende den winter. De eerste vogel, die in de lente uit „het warme Zuiden” naar de stadsparken trekt, is de kleine tjiftjaf.

’t Is een klein, groenachtig bruin vogeltje, weinig grooter dan het winterkoninkje, maar veel slanker. Omstreeks midden Maart wordt zijn eenvoudig, helder liedje gehoord, niet meer dan een herhaling van twee toontjes, die weinig in hoogte verschillen, maar waarvan de eene altijd duidelijk den klemtoon heeft. Soms maakt hij er een drieslag van en dan komt het accent op de middelste toon. Het gewone lied kan men weergeven door: „tjìf-tjef, tjìf-tjef, tjìf-tjef”; het andere door„te-tjìf-tjef, te-tjìf-tjef, te-tjìf-tjef”enz.

Van den vroegen morgen tot den laten avond klinkt dat liedje door het hout en het kost volstrekt geen moeite, den kleinen zanger zelf te zien, want hij trippelt en fladdert door boomen en struiken van den hoogsten top tot vlak bij den grond en schuw is hij in het geheel niet. Zijn nest gaat hij pas bouwen over eenige weken, als er wat meer jong groen is uitgekomen, want hij verbergt het op den grond of in lage struiken en het is een kunstwerk van den eersten rang.

Een dag of tien na den tjiftjaf komt zijn dubbelganger, de fitis, ook een echt parkvogeltje, maar tegelijk een veelvuldige verschijning in bosch en duin. Voor mij is het beeld van de fitis onafscheidelijk verbonden aan die heerlijke berkeboschjes in de duinen, waar omstreeks Paschen de blauwe hondsviooltjes bloeien tusschen ’t dorre gras en waar dat groengrijze vogeltje fladdert tusschen de zilveren berkestammen spelend met de geurige bloesemkatjes, die bij honderden aan de dunne twijgen hangen.

Hij is mooier dan de tjiftjaf, geler van tint, het lichte streepje boven het oog is veel duidelijker en het liedje dat hij zingt, is zoo zuiver en rein en aandoenlijk, dat gevoelige menschen het plaatsen naast of zelfs boven den zang van den nachtegaal.

Dit vogeltje is zeer algemeen, maar bijna niemand kent het. Buiten vogelkundige werken vindt men er nooit gewag van gemaakt en de Europeesche dichters, die zoo druk gezongen hebben van nachtegaal en leeuwerik, het vroolijk vinkje en den zwarten merelaar, negeeren de fitis volkomen.

Daarom is het hoog noodig, dat ieder, die van de lente houdt, niet ruste voor hij den liefelijken zanger heeft leeren kennen. Hij toeft in de parken gaarne, waar dicht aan ’t water boschjes staan van berken en elzen, met allerlei klein goed er tusschen.

Heel graag zit hij ook in den Noorschen ahorn. Dat is de boom, die in den bloeitijd[19]zoo dicht met bloesem bedekt is, alsof hij reeds zijn bladerkroon droeg, en waarvan de bladknoppen bij het ontplooien zoo kleurig en mooi zijn, alsof het bloemen waren.

In het begin van April puilen de gele bloemtrossen uit de dikke knoppen, eenige weken lang lokken zij met geur en kleur en zoeten honig bonte vlinders en bijtjes van allerlei soort en wanneer daarna de bloemen gaan verwelken, dan openen zich de bladknoppen met gele en purperen schubben.

In dien tijd zijn de ahornlanen en ahorngroepen letterlijk de glanspunten van het park. De meeste boomen zijn nog bladerloos en vormen nu een prachtigen donkeren achtergrond voor de heldere kleurenmassa’s van dezen mooien boom.

Het duurt dan nog wel een week, voordat dit kleurenspel gestaakt wordt en dan begint de boom er eindelijk uit te zien zooals wij dat van een boom gewoon zijn: hij krijgt een kroon van mooie groene bladeren en als je goed toekijkt, dan zie je daartusschen de aardig gevormde groene vleugelvruchtjes.

De bladeren zelf zijn sierlijk van vorm, met hun vijf uitstekende punten en het regelmatige adernet. Ze zijn van allerlei grootte; aan denzelfden tak zitten groote en kleine, langgesteelde en kortgesteelde. Door deze verscheidenheid is het mogelijk, dat ieder blad een plaatsje kan vinden, waar het ongehinderd door de zonnestralen bereikt kan worden.

De gewone ahorn heeft ook een prachtige knopontluiking met allerlei tinten van groen en rood en bruin, maar hij kan toch den Noorschen niet evenaren. Toch is het de moeite waard, de ontwikkeling ervan na te gaan van ’t oogenblik af, dat de groene knoppen beginnen te zwellen, totdat de lange groene bloemtrossen neerhangen onder de wijd uitgespreide vingerblaren.

En dan de wilde kastanje! Hoe glimmen eerst de groote donkerbruine knoppen in het Maartsche zonnetje. De bruine was ligt er dik op en de bijen komen ervan inzamelen, om ze te gebruiken voor de eerste reparaties aan hun woningen. Iederen dag worden de knoppen grooter, eindelijk barsten ze aan hun top, de schubben worden teruggeslagen en dan komt de donzig bruine tak te zien met de bladparen als saamgevouwen handjes en misschien een bloemtros er midden in.

Hoe die handjes worden uitgespreid, hoe de blaadjes eerst slap hangen en hoe later bij warmer weer en grooter werkzaamheid der wortels het trotsche kastanjeblad wordt uitgespreid en de bloesemkaars ontstoken wordt, dat zien we jaar op jaar met dezelfde belangstelling en bewondering, en met denzelfden weemoed, want het ontsteken van die kaarsen beteekent het einde van de lente.

Maar zoover zijn we nog lang niet. Voordat de kastanje bloeit, kunnen we nog weken zwerven in wei en bosch, door de duinen en langs den waterkant.

In de wei hebben den heelen winter enkele madeliefjes staan te kleumen en op[20]de natte plekken kon je wat planten zien met donkergroene, bruin aangeloopen bladeren met knoppen van dezelfde kleur, zoo groot als een erwt.

Als nu de lente komt, dan beginnen die planten zich te strekken en groener te worden, en hier en daar opent zich een enkele knop tot een mooie groote gele bloem. Dag aan dag openen er zich meer en eindelijk is het natte weiland een en al geel van de dotterbloemen.

De dotterbloem is voor de wei, wat het sneeuwklokje en de anemoontjes voor het bosch zijn: de eerste bloem, die zich in overweldigend groot aantal vertoont, zoodat iedereen er wel op letten moet. Heele troepen kinderen tijgen dan ook uit, om ze te plukken en bij bossen worden ze naar huis gebracht, meestal om te verwelken.

Dat behoeft anders niet. Bij een goede behandeling kan men dagen lang genoegen hebben van de afgeplukte dotterbloemen. Het komt er maar op aan, het onderste stuk van den stengel, dat bij het naar huis dragen ineengeschrompeld is, onder water er af te snijden. Dan komen er iederen dag knoppen uit en ge kunt iederen morgen de honigdroppels zien glinsteren tusschen de groote, platte, groene stampers.

Bezorgde menschen willen dit plukken tegengaan, uit vrees dat de dotterbloemen zullen worden uitgeroeid, maar hun angst is ongegrond. Er is geen enkele reden, waarom de kinderen deze mooie bloemen niet zouden mogen plukken, de plant schiet ieder jaar opnieuw op uit zijn wortels. Bovendien zouden de boeren er niet rouwig om zijn, als er wat minder dotterbloemen in het hooiland stonden.

Plukt maar bloemen, zooveel ge wilt, kinderen. Zorgt alleen, dat ge bij het plukken de planten zelf niet uit den grond, de takken niet van de boomen rukt. Knijpt de stengels af tusschen vinger en duimnagel of snijdt ze af met een scherp mesje. Neemt uw buit mee naar huis, om ze daar te verzorgen en vergeet vooral niet, al de heerlijke bijzonderheden van den bouw en ontwikkeling der bloemen na te gaan.

Iedere bloem heeft werk te verrichten en moet beschermd worden tegen schadelijke invloeden van wind en weder, en tegen de aanvallen van allerlei dieren. Zij moet vrienden lokken, vijanden weren.

De hoofdzaak is, dat stuifmeel uit de helmknoppen terecht komt op de stampers. Dat is gemakkelijk genoeg, wanneer meeldraden en stampers gunstig geplaatst zijn in dezelfde bloem en tegelijk rijp zijn. Maar in negen van de tien gevallen is het anders en dan moet de wind er aan te pas komen, om het stuifmeel over te brengen, of insecten belasten zich met die taak.

De laatste worden gelokt door geur en kleur, door overvloed van voedzaam stuifmeel en lekkeren honing. De eene bloem richt zich voornamelijk tot de vliegen een andere tot de vlinders een derde tot hommels en bijen of tot alle.


Back to IndexNext