Chapter 5

Herderstaschje.Herderstaschje.Herderstaschje.Witte Doovenetel.Witte Doovenetel.Witte Doovenetel.Driekleurig Viooltje met Parelmoervlinder.Driekleurig Viooltje met Parelmoervlinder.Driekleurig Viooltje met Parelmoervlinder.Pijpkruid.Pijpkruid.Pijpkruid.Kers in bloei.Kers in bloei.Kers in bloei.Peer in bloei.Peer in bloei.Peer in bloei.Magnolia.Magnolia.Magnolia.Pinksterbloem.Pinksterbloem.Pinksterbloem.Smeerwortel.Smeerwortel.Smeerwortel.Vuurvlindertje.Vuurvlindertje.Vuurvlindertje.Atalanta.Atalanta.Atalanta.Lelietje van Dalen.Lelietje van Dalen.Lelietje van Dalen.[33]Nu laten ook de knopschubben van den beuk los en uit de knoppen komt een harig slap takje, bezet met keurig gevouwen en geplooide blaadjes, ieder nog eerst tusschen twee rose steunblaadjes besloten. Maar spoedig laten die los en nu is eenige dagen lang de boschbodem bedekt met de fijne rose schubjes. De blaadjes ontplooien zich en maken van iederen beuketak een grooten heldergroenen waaier.Aan sommige takken hangen vele fijne langgesteelde kwastjes, dat zijn de meeldraadbloemen en met eenig zoeken vindt ge ook de vrouwelijke bloemen, die later de lekkere beukenootjes zullen opleveren en nu ruige groene knopjes zijn met een paar dikke, gekronkelde stijlen en stempels.Als de beuken eenmaal het voorbeeld gegeven hebben, dan volgen ook de eiken. Die houden hun dikke bruine knoppen al heel lang dicht, maar als de zoele dagen komen, dan komt ook in ongeloofelijk korten tijd hun groen te voorschijn, de welbekende bochtig ingesneden eikeblaren en daartusschen een overvloed van sierlijke slanke meeldraadkatjes in bosjes bij elkaar.De vrouwelijke bloempjes, die eikels moeten worden, zijn kleine groene knopjes, die bij twee of drie op een steeltje aan den top van de jonge twijgen zitten, juist waar ook de nieuwe bladeren het dichtst bijeen staan. Maar ze vallen heel niet in ’t oog, de meeldraadkatjes echter zijn zoo lang, zoo talrijk, zoo licht van kleur, dat ze zelf den meest oppervlakkige niet ontgaan. Ze vormen een cascade van groen, een ragfijnen sluier om de knoestige stammen en bochtige takken van den „reus der wouden”, die zich tusschen twee haakjes heel dikwijls voordoet als een kleine vroolijke boschnymph, die ge ieder voorjaar in ’t kreupelhout kunt ontmoeten.Nauwelijks zijn de groene eikeblaadjes ontplooid, of allerlei gedierte probeert den boom van zijn frisschen tooi te berooven. Bij duizenden komen de dikke meikevers uit den grond, vliegen met dof gegons in de eiken en vreten dag en nacht van het jonge groen. Millioenen kleine kevertjes helpen mee en als deze ontbreken, dan zijn er altijd nog de kleine rupsjes, die het blad ineenrollen en zich zoodoende schuilplaats en voedsel tegelijk verzekeren.Aan de toppen der takken ontstaan groote gezwellen, die op aardappels lijken en waarin dozijnen kleine wespenlarfjes hun voedsel vinden en ook in ieder glanzig groen bolletje aan blad of bloesem huist zoo’n vraatzuchtige galwesp-larve. Waar de eik een wondje in zijn schors heeft, daar vloeit het zoete voedingssap mild uit en daar komen den heelen dag zwierige vlinders, groote rosse en gele wespen en groote kevers van snoepen. Het aantal dieren, die voedsel halen bij den eik is legio.En het mooiste is, dat al dat gevreet en gezuig en geboor den boom in ’t minst niet schijnt te schaden. Zoo gauw de kevers en rupsen de bladeren wegvreten, groeien er ook weer nieuwe aan. Alleen wanneer bij uitzondering het aantal der belagers van duizenden toeneemt tot millioenen en billioenen, dan staat hier en daar een eikeboschje een paar weken bladerloos.[34]Nog eerder zou dat gebeuren, indien niet tegelijk met de vraatzuchtige insecten ook hun verdelgers in ’t land kwamen.Tjiftjaf en fitis scharrelen den heelen dag door het geboomte, om de kleine rupsjes te bemachtigen, bijgestaan door allerlei mooie en aardige helpers, die in April uit het Zuiden hierheen komen.Daar is in de eerste plaats het roodstaartje, dat prachtige vogeltje met de roode borst, zwarte keel, wit voorhoofd en blauwen schedel en nek. Die blauwe kap heeft hem ook den naam van blauwpaapje bezorgd, maar die trekt toch niet zoozeer de aandacht als het roode staartje, dat ieder keer, als de vogel opvliegt, als een klein vlammetje achter hem aan komt en nog een poosje op en neer blijft trillen, als het dier zich op een hek of twijgje heeft neergezet.Het wijfje is grauwachtig bruin van kleur, met mooie vlekjes en streepjes, maar het vertoont toch ook de roode staart en ook hebben beiden, mannetje en wijfje, de groote, schitterende oogen, die een kenmerk zijn voor alle leden van de nachtegalenfamilie, waartoe de roodstaart evenals de roodborst de eer heeft te behooren.Die prachtige roodstaart zingt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. In de vogelwereld beteekent dat van een uur voor zonsopgang tot het einde van de avondschemering.Alleen zijn zij het er niet over eens, wanneer de avondschemering eigenlijk eindigt. Daar het roodstaartje gaarne in holen nestelt of in dichte klimplanten, kunt ge meestal wel zijn huishoudinkje vlak bij het uwe hebben en het is een groot genot, na te gaan, hoe die dieren hun nest bouwen, hun jongen groot brengen en daarbij nog altijd gelegenheid vinden, om zich te amuseeren door aardige vliegkunsten en lustig gezang. Dat ze daarbij uit pure dartelheid den zang nabootsen van schildvink en winterkoning en daardoor vooral den laatste tot koddige boosheid prikkelen, zal natuurlijk niemand hun kwalijk nemen, veeleer het hun aanrekenen als een verdienste. Waar zou het heen moeten, als je nooit eens iemand plagen mocht?Een andere plaaggeest is de spotvogel, die komt weer iets later dan het roodstaartje en behoort niet tot de nachtegalengroep, maar tot de verwantschap van tjiftjaf en fitis. Hij vertoont dezelfde kleuren: groengrijs en geelgrijs, maar hij is wat grooter van stuk en dadelijk aan zijn zang te herkennen.De tjiftjaf zingt bij herhaling zijn twee- of drietal vaste toontjes, de fitis kweelt zijn half blijde, half weemoedige melodie, de spotvogel galmt den heelen dag een opgewonden lied met snelle loopjes, telkens herhaald en hooge, scherpe, haast snerpende tonen, die door geen enkelen anderen vogel zoo worden voortgebracht. En daartusschen door vlecht hij al de geluiden, die hij in zijn leven gehoord heeft van nachtegalenzang tot scharensliepgekras.Wanneer hij pas is aangekomen, kunt ge hem makkelijk zien, want dan zijn de boomen nog niet dicht in blad. Soms zit hij in den hoogsten top, dan weer een meter of zoo lager, maar altijd ferm en brutaal rechtop, met zijn kop in den wind[35]en als hij in zangdrift den bek wijd openspert, kunt ge de oranje tong en het oranje verhemelte zien.Er komen wel Engelschen van over de zee, om dezen zanger te zien en te hooren.Het is wel merkwaardig, dat deze vogel, die ieder jaar de reis heen en terug naar Centraal Afrika doet en in Frankrijk, België en Holland in overvloed nestelt, er niet aan denkt, om eventjes het Kanaal of het Nauw van Calais over te steken, om zich te vestigen in het gastvrije Albion, waar ze in ’t eerst wel altijd zijn nestjes zouden uithalen, maar hem overigens met open armen ontvangen.Het nestje van den spotvogel is dan ook een van de mooiste dingen ter wereld: zoo mooi komvormig afgewerkt, zoo fijn bekleed van buiten met korstmos en spinrag, van binnen met vezels en pluisjes en dons. En daar liggen dan vier, vijf of zes eitjes in van het liefelijkst rozerood, gespikkeld met bruinroode stippen, heerlijk om naar te kijken, maar je moet ze eigenlijk niet aanraken.Een bloeiende sering, jasmijn of vlier met een nest van een spotvogel er in is wel het mooist denkbare sieraad van tuin of park. In esschen en kastanjes of hulsten willen zij ook wel komen, maar ik geloof toch, dat zoo’n gewone vlier hun nog het liefst is.Soms zit uren achtereen nabij of in den top van lage boomen of hooge heesters een andere vogel te orgelen en te vedelen, die als musicus den spotvogel wel overtreft, maar door zijn grauwe kleur en verborgen levenswijze weinig wordt opgemerkt.’t Is de tuinfluiter, bruingrijs van boven, lichter aan de onderzij en met blauwachtige pootjes. Hij maakt een mooi ijl nestje in de lage struiken en zingt een mooi lied dat door volheid van toon dikwijls herinnert aan den merelzang. Maar hij zingt veel langduriger en vlugger dan de merel en verdient gerust evenzeer geprezen te worden als de veel bewonderde goudsnavel.Nog mooier zingt in parken en tuinen de zwartkop-grasmusch, die we maar liever het zwartkopje zullen noemen, want zoo’n rare onhandelbare naam is nog altijd voor een goed zanger een leelijke sta-in-den-weg. Zwartkopje komt soms al vroeg, maar het is pas in ’t laatst van April, dat zijn heerlijk lied en aardige vliegtoeren de aandacht beginnen te trekken.Het satijnig zwarte kopje, de spierwitte keel, de mooie bruingrijze tint van den rug maken dit vogeltje tot een zeer bijzondere verschijning. Zijn nest ligt meestal[36]in lage heesters, maar hij houdt er van, in de hooge boomen heen en weer te vliegen in mooie bochtige lijnen van tak op tak. Ons volk kent hem weinig; bij de Franschen, Duitschers en Engelschen schijnt hij zich meer in de gunst van het publiek te verheugen.Des te meer hebben wij met de zwaluwen op. De ooievaar, de zwaluwen en de koekoek, dat zijn bij ons de echte vogels van de lente. En de zwaluw bij uitnemendheid is wel de boerenzwaluw, de mooie staalblauwe vogel met het roodbruine voorhoofd, de roodbruine keel en de enorm lange buitenste staartveeren.Als die weer eenmaal in en uitvliegt in stal en schuur en door het openstaande zolderluik, dan is de lente in ’t land. Dat is meestal in de eerste week van April, soms komen ze reeds in Maart en een enkele maal, vertoonen de zwaluwen zich reeds vóór de tjiftjaf, maar dan vinden wij toch, dat ze in de war zijn. De Paaschvacantie, dat is de goede tijd.Aan de zekerheid, waarmee ze de gebouwen binnen vliegen, kunt ge merken, dat het weer de zelfde vogels van het vorig jaar zijn. Hoe spoedig hebben zij het oude nest weergevonden en na een paar dagen rondvliegen en zingen beginnen ze opnieuw te bouwen. Als blinkende messen schieten ze door de lucht met onbegrijpelijke snelheid. Bij tientallen verdringen zij zich om de vette modderranden van plassen en het is een merkwaardig gezicht, deze vogels, die we ons haast niet anders dan vliegend kunnen voorstellen, daar te zien rondploeteren in den modder, zoekend naar geschikte specie voor den opbouw van hun nest.De meeste vogels werken alleen in de morgenuren van vieren tot negenen, maar de zwaluwen zijn bij gunstige omstandigheden den ganschen dag bezig met bouwen en bouwstof te verzamelen. En ook zijn ze den heelen dag aan ’t zingen; de boerenzwaluw is een van de vlijtigste zangvogels en laat zijn gekweel en gekwetter den heelen dag hooren. Zelfs het wijfje zingt mee.De huiszwaluw is minder zangrijk. Hij laat onder het vliegen wel aardige geluidjes en monter geroep hooren, maar een werkelijk aaneengeschakeld gezang brengt hij niet ten gehoore. ’t Is anders een aardig diertje, wel mooier dan de boerenzwaluw, al heeft zijn staart ook niet zoo’n stouten zwier. Zijn veertjes blinken in helderder blauw en een plek op den rug bij ’t begin van den staart is blinkend wit, evenals de geheele onderzijde van het lichaam.Aan die witte stuitvlek is de huiszwaluw al heel in de verte te herkennen en als een gezelschap huiszwaluwen op de muggenjacht is aan een waterkant met donkeren elzenzoom, dan lijkt het wel of kleine witte vlindertjes daar heen en weer zweven.Huiszwaluwen houden ervan, om gezellig op jacht te gaan, nu eens laag langs den waterkant, dan weer honderden meters hoog in de lucht en dan kunnen ze daar zoo lustig zwenken en draaien en zoo vroolijk elkaar aanroepen, dat het meer een spel lijkt dan een inspanning, om aan den kost te komen.Fitis.Fitis.Fitis.Nachtegaal.Nachtegaal.Nachtegaal.Tuinfluiter.Tuinfluiter.Tuinfluiter.Zwartkop.Zwartkop.Zwartkop.Boompieper.Boompieper.Boompieper.Spotvogel.Spotvogel.Spotvogel.Eereprijs.Eereprijs.Eereprijs.Narcissen.Narcissen.Narcissen.Spar.Spar.Spar.Klaverzuring, wakker.Klaverzuring, wakker.Klaverzuring, wakker.Klaverzuring, slapend.Klaverzuring, slapend.Klaverzuring, slapend.Den.Den.Den.Bij het modder zoeken loopen ze vaak tusschen de boerenzwaluwen in, maar[37]hun nesten bouwen ze meestal op andere plaatsen en altijd op een andere manier. Ze houden er niet van, om binnenshuis te wonen en maken niet zooals de boerenzwaluwen een ondiep komvormig nest, dat op een onderlaag steunt, maar een half bolvormige woning tegen een muur met geen andere beschutting dan een daklijst of dakgoot.Onder bruggen huizen soms boerenzwaluwen en huiszwaluwen bij elkander en samen hebben ze er plezier in, om koekoeken en roofvogels te achtervolgen en uit te schelden. Maar zelf hebben ze geweldig veel last van de huismusschen en ringmusschen, die ze berooven van hun nesten. Men heeft zelfs wel gemeend, dat de mooie huiszwaluwtjes gaandeweg door de brutale musschen verdreven worden.Metselaars en aardwerkers zijn die zwaluwen. Aan steile zandhellingen, dijkglooiingen, slootkanten, aardafgravingen werken nu de oeverzwaluwtjes, kleine grijze vogeltjes zonder glans of gloed, maar in vaalbruin pakje zooals dat voor aardwerkers het beste is. In den vroegen morgen, als nog de ochtendnevel over de velden hangt, zijn ze al bezig aan ’t pikken en graven, zoodat de helling wriemelt van bedrijvige arbeiders.Onvermoeid met snavel en pooten boren zij in den grond en maken zij horizontale gangen van éen tot twee meter lang. Aan het eind der gang komt een nestje van veertjes en daarop de eitjes, spierwit en zoo klein en teer, dat ge ze haast niet kunt aanvatten, zonder ze te breken.Deze oeverzwaluwen jagen bijna uitsluitend langs het water, vlak langs de oppervlakte en als op gure dagen de boerenzwaluwen en de huiszwaluwen daar ook om voedsel komen, dan maken de grauwe aardgravers te midden van de in staalblauw schitterende bouwheeren een vrij armoedige vertooning.Nog een andere langvleugelige insectenvanger voegt zich bij hen: de groote zwarte gierzwaluw of torenzwaluw, die de langste vleugels, de stoutste vlucht en den wijdsten bek van alle heeft. In mooi zonnig weer jaagt hij hoog in de lucht, torenhoog, maar als Mei nog van die gure dagen geeft, dan wordt ook hij genoodzaakt, zijn toevlucht te nemen tot den waterkant, waar altijd nog het meest te vinden is.Zijn eigenlijk te huis is de stad, waar hij zijn woning heeft aan de huizen. Hij is noch aardwerker, noch metselaar, maar bouwt evenals de musschen een tamelijk slordig nest onder dakpannen en in hoeken en gaten van muren. Ja, hij is mans genoeg, om de musschen uit hun bouwsels te verjagen en zoo krijgen die dan de vergelding voor het leed en den overlast, die zij den huiszwaluwen aandoen.Veel bekoorlijks heeft die torenzwaluw niet. Hij vliegt mooi en gemakkelijk en ’s avonds gieren zij in troepen met woest gekrijsch door de lucht. De mannetjes jagen de wijfjes naar huis en gaan zelf zich dan nog een poosje amuseeren. Vaak komen zij den heelen nacht niet thuis; men meent te weten, dat zij dan hoog in de lucht boven de wolken blijven rondzwieren en daar misschien nog slapen ook.[38]Hun woestheid en gekrijsch is velen onaangenaam. Er is een andere stadsvogel, die in de lente ook in troepen vliegt en drukte maakt, maar alles veel sierlijker en prettiger doet dan die torenzwaluw. Ik bedoel het kerkkauwtje, de kleinste en beminlijkste van onze kraaiachtige vogels. In troepen van tien tot honderd spelen zij krijgertje om de torenspitsen, vlug en sierlijk glijden de zwarte gestalten door de lucht met rustig gestrekte vleugels en fraai gespreide staart. Daarbij roepen ze elkander onophoudelijk aan met een soort van kort, melodieus gekef.Ze zijn niet grooter dan duiven, en er ligt ook iets zachtzinnigs over hun wezen. Maar het is met die zachtzinnigheid als met den witten satijnglans die over nek en wangen ligt, het is maar schijn, de zwartheid, het wreede en verderfelijke, ligt er onder en uit het witte oog spreekt niet alleen verstand en list, maar ook sluwe moordzucht. Want dit kerkkauwtje is al een even felle roover en moordenaar als zijn familiegenooten de raven, kraaien, eksters en gaaien.In de stad kunnen zij niet veel kwaad doen, maar in het bosch maken zij slachtoffers bij de vleet. In sommige streken is hun kwade invloed duidelijk merkbaar, in andere lijkt het wel, alsof ondanks roof en moord de vogelbevolking maar altijd toeneemt. Daar heeft iedere holle popel zijn kauwennest of zelfs meer dan één op één stam, maar in de meidoorns brengen tal van houtduiven hun jongen groot en tortels bouwen er in de dichte sparren of in het fijne berkenhout.Slag op slag rooven de kauwtjes de witte eieren van het nest, maar onverdroten leggen de duiven voort, verhuizen desnoods, maar rusten niet, voordat een leelijk jongenpaar lodderig zit te kijken op het ijle platform van hun takkennest. Den heelen dag klinkt het gekir door ’t hout, ’t vaag en onbepaald eentonige „toer-toer”, van den tortel en het duidelijke nabootsbare toer-toertoer-toer-toeretoer-toer-toer-toer-toeretoer-toer-toer-toer van de houtduif of ringduif.En ook deze is met zingen alleen niet tevreden, maar voert in lentevreugd een stouten luchtdans uit, die men van zoo’n traditioneel kalm dier als een duif niet verwachten zou. Met klepperend geraas vliegt hij op uit zijn takkenhuis, stijgt in snelle vlucht hoog omhoog naar den blauwen hemel, klapt met een harden slag de vleugels tegen elkaar en daalt dan met roerloos uitgespreide vleugels in een groote bocht vijftig, zestig meter neer, om dan weer van voren af aan te beginnen.Ook de tortel maakt aardige bewegingen, maar die worden minder gezien. Hij heeft er nog al slag van, om zich schuil te houden, zoodat er weken voorbij kunnen gaan eer ge hem te zien krijgt, ofschoon zijn gekir den heelen dag het bosch vervult.Maar wie luistert er naar het makke duivengekir, nu de nachtegaal is teruggekomen? De nachtegaal, die ieder jaar het teeken schijnt te geven voor het rijkst ontplooien van de lentepracht, voor de sterkste uitingen van lentevreugd. Al wat er gebeurt, voordat de nachtegaal zijn intree doet, is slechts het voorspel; eerst wanneer zijn machtige stem zich verheft, beginnen beuken en eiken, sparren en[39]dennen bloesem en blad te ontplooien, komen er aren en pluimen in ’t gras, tooit de boschbodem zich met kleuriger en geuriger bloemen dan de sneeuwklokjes van Januari of de anemoontjes van Maart.Zie den mooien bruinen vogel zitten in de blinkende takjes van het eiken kreupelhout. De witte veertjes van de keel gaan op en neer bij de felle jubelkreten, het fijne bekje blijft roerloos open bij de lang uitgehaalde fluittonen. Geen vogel is er, die zulk een afwisseling brengt in zijn zang. Nu eens lijkt hij te gebieden, te vermanen, te toornen, dan weer vervalt hij in een roerend smeekgebed of geeft in lang glashelder geluid uiting aan de reinste vreugde.Ieder weet, dat de nachtegaal het allermooist zingt ’s nachts tusschentweeënen vieren, maar dat neemt niet weg, dat hij bij gunstig weer zich ook den heelen dag laat hooren, tot zelfs gedurende het eigenlijke rustuur van alle vogels, dat ergens valt tusschen twee en vier uur in den namiddag. Hoe meer nachtegalen er in een bepaalde streek zijn, des te meer wordt er gezongen, soms zelfs zoo vlijtig, dat het sommigen menschen te druk wordt.Komen er gure dagen, dan houdt het zingen op, maar dat de nachtegalen er nog zijn, kunt ge merken, wanneer ge door de eikenboschjes loopt om bloemen te zoeken. Van tijd tot tijd klinkt dan een geluid, dat doet denken aan een kikvorsch „korr, korr, korr”. Het wordt al vaker en vaker herhaald en nu hoort ge ook nog helder en luid, maar een weinig angstig en vragend, „pièt; pièt”.Pas nu op, want het zou kunnen gebeuren, dat ge u dicht bevindt bij het pas begonnen nest en daar ligt misschien reeds een glanzig koffiebruin eitje in. Het nest ligt zoo verborgen tusschen de dorre eikeblaren, dat ge het moeilijk opmerkt en ge zoudt erin kunnen trappen, eer ge ’t wist en dat zou heel jammer zijn. Verlaat daarom de plaatsen, waar ge die angst- en waarschuwingskreten verneemt. Wellicht wordt ge beloond door een heerlijken vreugdezang op het oogenblik, dat de vogel het gevaar geweken acht.De mogelijkheid van onverwacht een vogelnest aan te treffen, maakt het zoeken naar voorjaarsbloemen in het bosch tot een dubbel interessante bezigheid. Ge ziet aan den boschzoom een donkergroene plek met glimmende blaadjes van de maagdepalm. De prachtige blauwe bloemen hebben zich geopend in de voorjaarszon en worden vlijtig bezocht door mooie roodbruine glimmende metselbijtjes, die ergens hun nest in dorre braamstengels hebben. We gaan er even bij zitten, om af te wachten, of er ook soms parelmoervlindertjes op de bloemen komen en we zitten[40]nog geen vijf minuten, of een roodborst komt bij ons op een tak en zingt het hoogste lied.Hij verraadt zijn geheim, want we letten nu goed op en vinden al gauw onder de ranken van de maagdepalm het roodborstjesnest met gespikkelde eitjes. Even kijken en dan maar gauw verder, anders wordt het nest misschien verlaten en voor de maagdepalm, die we nu in den steek laten, vinden we in het rijke tooverbosch nog andere bloemen in eindeloozen overvloed als schadeloosstelling.Hier bloeien de vogelkersen: lange hangende trossen van witte bloemen te midden van frisch groen loover. Kevers en vliegen wemelen op de sneeuwwitte honigrijke bloemen en waar de laagste takken schuil gaan in het hoog opgeschoten pijpkruid, daar heeft een slimme tuinfluiter een doorzichtig nestje gebouwd, dat we nooit gevonden zouden hebben, als hij zelf niet zoo geraasd en getierd had, toen we even bij den heester stilstonden.Dat pijpkruid heeft met een dikken wortel overwinterd na eerst in ’t najaar nog gauw zooveel mogelijk voedsel verzameld te hebben. Heel vroeg in ’t voorjaar maakte het dikke proppen van fijnverdeeld groen loover en nu de nachtegaal er is, schieten de mooi gegroefde groene stengels omhoog, die de sneeuwwitte bloemschermen dragen.Wij kennen het kunstje wel, om die stengels te versnijden tot liefelijk klinkende toeters en menig huisvader, die rust wou hebben, heeft dit „fluitekruid” naar het andere eind van de wereld gewenscht, wanneer zijn kroost met de buurjongetjes te zamen een symphonie uitvoerden op dit natuurlijk blaasinstrument.Maar iets zangerigs zit er toch in de plant, de kleine zangvogeltjes bouwen graag hun nest op den grond tusschen de pijpkruidstengels, zelfs de nachtegaal slaat menigwerf zijn tenten er onder op en heeft zoo de plant geholpen aan den genoegelijken naam van nachtegalenkruid.Het ware te wenschen, dat waar deze plant groeit, ook nachtegalen nestelden, maar dat scheelt nog veel en dat kan ook niet, want deze boschplant groeit al, waar maar drie boompjes bij elkander staan of op plekken, waar jaren geleden eens een bosch prijkte. Er zijn meer van die weggeloopen boschplanten, de meest bekende is wel het speenkruid. De mooie, blauwe hondsdraf is er ook een.Het speenkruid hoort eigenlijk thuis in ’t kreupelhout en daar blinkt het ook ieder voorjaar met zijn mooie groene blaadjes en goudgele sterrebloempjes. Het groeit daar weelderig en overvloedig, met flinke lange stengels, die schuin opstijgen boven den lossen boschgrond. Evenals de meeste vroege boschbloemen zijn ook deze zeer gevoelig voor de warmte, zoodat ze letterlijk door de zon te voorschijn worden geroepen.Geelgerande Watertor.Geelgerande Watertor.Geelgerande Watertor.Bootsmannetje.Bootsmannetje.Bootsmannetje.Watersalamanders.Watersalamanders.Watersalamanders.Pikzwarte Watertor.Pikzwarte Watertor.Pikzwarte Watertor.Draaikevertjes en Kokerjuffers.Draaikevertjes en Kokerjuffers.Draaikevertjes en Kokerjuffers.Waterspin.Waterspin.Waterspin.Meikever.Meikever.Meikever.Gouden Loopkevers.Gouden Loopkevers.Gouden Loopkevers.Zandloopkevers.Zandloopkevers.Zandloopkevers.Mesttor.Mesttor.Mesttor.Oliekever.Oliekever.Oliekever.Huisjesslakken.Huisjesslakken.Huisjesslakken.Waar nu het speenkruid groeit buiten het bosch, daar wordt het meteen anders. Het is, of het zijn bescherming mist, zich niet meer veilig voelt en zoo maakt het dan zijn stengels en steeltjes veel korter, zijn bladeren kleiner en stugger, dicht op elkaar vlak tegen den grond.Maar de bloemen blijven even mooi en talrijk en[41]de lieve jeugd krijgt ieder jaar op school zijn speenkruid-les en kan heele verhalen doen over de wortelknolletjes en okselknolletjes en over het feit, dat deze plant met al zijn mooie bloempjes toch zoo weinig rijp zaad voortbrengt.Ge kunt ervan opaan, dat ze na het speenkruid de witte doovenetel „krijgen”. Dat is ook zoo’n mooie duidelijke bloem, die overal gemakkelijk te vinden is en altijd in groote troepen bijeen groeit en lang niet altijd tusschen de echte brandende brandnetels, zooals weleens beweerd wordt. Hoe mooi staan die kransen van groote roomwitte bloemen om de vierkante stengels, krans boven krans en alle bloemen even mooi.De jeugdige natuurbewonderaar beziet deze bloem ook van den practischen kant en rangschikt haar onder de rubriek „levensmiddelen”. In den morgen zitten de bloemkroonbuisjes vol met lekkeren honing, in den namiddag is het minder, want de bloem kan het niet bijhouden, zoo gauw als de hommels en bijen den voorraad opruimen.Maar wij moeten nog even naar het bosch terug.Hier en daar zijn tusschen het eikenhout heele plekken wit van groote stervormige bloemen. Nu wij ons goed herinneren, was de grond in hetzelfde boschje in het vroege voorjaar groen van tallooze dikke spruiten, die het dorre blad op zij drongen. Die groene bladeren zijn nu reeds bijna alle geheel verwelkt en hun plaats wordt thans ingenomen door de bloemen, aan lange stelen of trossen vereenigd.Dit is de schermdragende vogelmelk, een aardig bolgewasje en die bloem is een echte zonne- en lichtvriend. Zij is er nog juist bijtijds bij, om te bloeien, voordat de eikjes dicht in blad raken. In den morgenstond lijkt er op die plaats geen enkele bloem te staan, want dan zijn ze nog dicht en daar de achterkant der bloemblaadjes groen is, vallen ze in het geheel niet in ’t oog.Maar als de zon aan den hemel rijst en warmte teruggekaatst wordt door den mullen boschgrond, dan gaan die bloempjes vrij snel open en binnen een half uur schitteren honderd witte sterren, waar zooeven niets anders dan groene knoppen te zien waren.Er groeit nog een andere vogelmelk in ’t bosch, maar die heeft bladeren en bloementegelijk; dat is de knikkende vogelmelk. Zijn bloemen zijn grooter dan die van de schermdragende, aan de binnenzijde niet zoo schitterend wit, maar van buiten heel mooi grijsgroen. Ze zijn kortgesteeld en staan meestal zijwaarts gericht. De Engelschen noemen deze mooie bloemen „Ster vanBethlehem”.Plukt ge deze bloemen, dan blijken stengels en bladeren een dik slijmerig vocht te bevatten, wat trouwens bij meer lelieachtige planten het geval is.Waar het bosch nog niet te veel door roekelooze plukkers en gravers is aangerand, daar komen nu ook te voorschijn die heerlijke lievelingen van alle bloemenvrienden: de lelietjes van dalen en de wildehyacinthen.Op het eerste gezicht zijn de wilde hyacinthjes wel het mooist. Waar ze groeien, daar staan ze in groot aantal bij elkander, hangende blauwe klokjes in rijen van[42]zes tot tien aan zacht gebogen stengeltjes. Er is juist groen genoeg tusschen, om dichtbij eenige afwisseling te brengen in de kleurenmassa, maar op eenige meters afstands is van dit groen niets meer te zien en dekt een gelijkmatig blauw kleed de ruimte tusschen de groen bemoste stammen.Hier en daar vertoonen zich witte hyacinthjes tusschen de blauwe en ik heb wel een bosch gekend, waar evenveel witte als blauwe hyacinthjes groeiden en daar stonden ook veel rooskleurige onder. Ieder jaar deed ik kort voor Pinksteren een bedevaart naar dat bosch. Maar de boer, wien het toebehoorde, meende dat zoo’n overvloed van planten op den grond schadelijk was voor den boomgroei en die heeft er toen een paar zomers achtereen zijn kippen in gejaagd, om den grond eens goed om te laten woelen en die plantenboel te vernielen. Hij is er uitmuntend in geslaagd en nu groeien daar niets meer dan brandnetels.Gelukkig groeien ze langs den duinkant nog bij duizenden en als de plukgrage jeugd zich nu maar vergenoegt met plukken en de plant niet uitgraaft, dan kunnen wij daar nog lang plezier van hebben.Zoo is het ook met de lelietjes van dalen. In menig bosch hebben ze dapper stand gehouden tot op dezen dag en op afgesloten buitenplaatsen groeien ze bij millioenen en vermenigvuldigen zij zich tot in het oneindige.In Maart steken de blauwachtig grijze groeipieken in ontelbare menigte door het dorre blad. Een paar warme April-regentjes jagen de bladeren uit de scheeden en als de nachtegaal op zijn schoonst zingt, dan worden de groene bloemtrossen wit en de heerlijke kelkjes verspreiden den liefelijksten geur van het voorjaar. Ja, het is wel heerlijk, de groote groene bladeren op zij te buigen, om daartusschen de flinke, malsche bloeistengels te vinden, bezet met wel twintig of meer bloempjes. Maar heerlijker nog is het, dag aan dag een poosje te liggen aan den rand van ’t bosch, de witte bloempjes te zien schitteren overal langs den groenen boschbodem en den frisschen geur in te ademen onder het gezang van nachtegaal, merel, zanglijster, tuinfluiter, fitis en roodborst.En als ik nu eens geen boschrand kan vinden met lelietjes van dalen, dan stel ik mij tevreden met salomonszegeltjes, die zijn toch ook van de familie en heusch niet minder mooi of minder geurig. De bloempjes zijn zelfs grooter dan die van het lelietje en aangenamer van vorm. Alleen staan ze niet in trossen bij elkander, maar bij paren of afzonderlijk bij den oorsprong der bladeren. Die bladeren zelf staan in twee rijen flink omhoog gericht, zoodat het lijkt of het heele plantje een soort van nieuwerwetsche vliegmachine is en zoo meteen weg zal zweven door de schemering van ’t bosch.Door dien stand van de bladeren zijn de bloemen zelf in hun geheel te zien. Zooals ze daar in rijen hangen aan de onderzijde der stengels lijken het risten van groote witte parelen of een versiering van guirlande’s van porceleinen potjes of …[43]maar ze zijn in ieder geval mooier dan iedere vergelijking, die ge kunt bedenken.Intusschen nadert de tijd, dat het nederig schoon van maagdepalm en hyacinth, vogelmelk, salomonszegel en lelietje van dalen overdekt en overschaduwd wordt door de grootere en grovere boschplanten, die alle ruimte voor zich alleen begeeren. Hier spreiden grove klitten hun groote bladeren, ginds steekt de brandnetel zijn zaagpuntige blaadjes op en waar het fijnverdeelde groen en de witte bloemenzee van het pijpkruid of nachtegaalskruid een plaatsje vrij laat, daar groeit de roode koekoeksbloem in dichte bossen bijeen.Nachtegaalskruid en koekoeksbloem beginnen te heerschen in ’t bosch, juist in den tijd dat de zang van den nachtegaal en het geroep van den koekoek alle andere vogelgeluiden overstemmen. De nachtegaal houdt er van, zijn nest tusschen deze planten te bouwen en de koekoek weet het dikwijls maar al te goed te vinden.Tegelijk komen die vogels ook aan, in de derde week van April en de nachtegaaltjes hebben al menig koekoeksjong groot gebracht, al is het ook waar, dat de kwikstaartjes en de graspiepers het meest bezocht worden door dien mooien grooten vogel, die zelf geen nest kan bouwen, zijn eigen eieren niet kan uitbroeden.Zijn naam is in ieders mond en iedereen kent zijn griezelige ontwikkelingsgeschiedenis; het ei, gelegd in een vreemd nest, het vraatzuchtig jong, dat zijn pleegbroertjes en zusjes uit ’t nest gooit, nog voor dat het zelf zien kan, en zijn pleegouders zoo in beslag neemt, dat zijzelf vaak van honger en uitputting sterven. Iedere koekoek kost het leven van vijf of zes kleine zangvogeltjes.Maar zijn lenteroep is een van de heerlijkste geluiden van de natuur en wekt voorstellingen van warme lucht en bloemengeur, van witte wolken, hoog zwevend in den blauwen hemel, van hagen bedekt met bloesemsneeuw. Tal van bloemen van bosch en weide zijn naar hem genoemd; een roode anjerachtige bloem geniet de onderscheiding, officieel den naam van koekoeksbloem te mogen voeren, maar de plattelandsbevolking kent nog een groot aantal andere.Als de koekoek over ’t veld vliegt, dan lijkt hij net een roofvogel; de dwarse streepen op zijn borst herinneren aan den sperwer. Er zijn dan ook nog een groote menigte menschen, die gelooven dat de koekoek des winters in een sperwer en de sperwer des zomers in een koekoek verandert. Intusschen zou een koekoek nooit een vogeltje kunnen grijpen of dooden, daarvoor zijn zijn pooten veel te zwak en[44]deugt zijn snavel ook niet. Hij vergenoegt zich met insecten te eten en neemt de harige rupsen, waarvan bijna alle andere vogels een afschuw hebben.Men noemt daarom den koekoek nuttig voor den boschbouw en dat is stellig waar, maar in ons land vliegt hij ook zeer veel over weiden en akkers en dikwijls heb ik hem ontmoet aan den waterkant, waar hij tusschen de hooge oeverplanten zijn voedsel zocht.Het is zoo goed, in ’t voorjaar te zitten aan den waterkant. Het water is dan veel helderder dan in den zomer, het wier heeft nog niet de geheele oppervlakte bedekt en er zweven nog niet zooveel kleine levende wezentjes of overblijfselen er van in rond als in den heeten zomertijd. Lucht en wolken worden erin weerkaatst met groote zuiverheid en de bodem is zoo duidelijk te zien, dat zelfs de bewegingen van kleine zandkorreltjes merkbaar zijn.Licht en zwierig schieten waterplanten uit den bodem op, hun fijne blaadjes strekkend naar alle kanten, waterpest en hoornblad, vederkruid en waterranonkel. Het gegroefde kroos vormt dichte massa’s van driekante groene blaadjes, klein kroos drijft in cirkelronde schijfjes aan de oppervlakte en de groote bruine bladeren van de waterlelie komen ineengerold naar boven, om zich aan de oppervlakte uit te spreiden en in de warme zon aan de bovenzijde een groene tint aan te nemen. Langzaam volgen groote groene knoppen, maar de witte bloem zelve is een bloem van den zomer en als er zich een opent vroeg in Mei, dan brengt dat feit den groenen kikvorsch in een toestand van de allergrootste verbazing.Het ontwaken van de kikvorschen valt samen met den terugkeer der vogels, de bruine kikvorsch komt tegelijk met de kieviet, de groene met den nachtegaal, wiens naam hij voeren mag. O, wat worden die „boerennachtegalen” gesmaad en gehoond, maar wat doet het den natuurvriend goed, wanneer hij na den langen winter hun tevreden of uitgelaten gekwaak weer hooren mag.En dan komen die wonderlijke massa’s kikkerdril in de slooten, de zwarte kikkereitjes, omgeven door een dikke geleilaag, waar de kleine vischjes tevergeefs in happen en die de eieren voor tal vanschadelijkeinvloeden beschermt. Prompt op tijd verschijnen de kleine kikkerlarven, eerst klein, met gesloten bek en wapperende kieuwtjes aan weerszij van den kop, dan grooter, met achterpooten, dan met voorpooten en eindelijk verliezen ze hun platte zwemstaart en worden heusche, kleine speelgoedkikkertjes.Maar al te dikwerf speelgoed! Speelgoed voor kleine onnadenkende wreedaards, speelgoed voor jongelui, die al graag den natuuronderzoeker uithangen en nog niet voldoende beseffen, dat het leed, door hen het dier aangedaan, lang niet vergoed wordt, door de luttele aanwinst van hun kennis. Het kluchtige dier met zijn menschachtige maniertjes verdient werkelijk een betere behandeling. Hij heeft het toch al hard genoeg te verantwoorden door al zijn behaarde, gevederde en geschubde belagers, waaronder otter en ooievaar, ringslang en snoek de meest geduchte zijn.

Herderstaschje.Herderstaschje.Herderstaschje.Witte Doovenetel.Witte Doovenetel.Witte Doovenetel.Driekleurig Viooltje met Parelmoervlinder.Driekleurig Viooltje met Parelmoervlinder.Driekleurig Viooltje met Parelmoervlinder.Pijpkruid.Pijpkruid.Pijpkruid.Kers in bloei.Kers in bloei.Kers in bloei.Peer in bloei.Peer in bloei.Peer in bloei.Magnolia.Magnolia.Magnolia.Pinksterbloem.Pinksterbloem.Pinksterbloem.Smeerwortel.Smeerwortel.Smeerwortel.Vuurvlindertje.Vuurvlindertje.Vuurvlindertje.Atalanta.Atalanta.Atalanta.Lelietje van Dalen.Lelietje van Dalen.Lelietje van Dalen.[33]Nu laten ook de knopschubben van den beuk los en uit de knoppen komt een harig slap takje, bezet met keurig gevouwen en geplooide blaadjes, ieder nog eerst tusschen twee rose steunblaadjes besloten. Maar spoedig laten die los en nu is eenige dagen lang de boschbodem bedekt met de fijne rose schubjes. De blaadjes ontplooien zich en maken van iederen beuketak een grooten heldergroenen waaier.Aan sommige takken hangen vele fijne langgesteelde kwastjes, dat zijn de meeldraadbloemen en met eenig zoeken vindt ge ook de vrouwelijke bloemen, die later de lekkere beukenootjes zullen opleveren en nu ruige groene knopjes zijn met een paar dikke, gekronkelde stijlen en stempels.Als de beuken eenmaal het voorbeeld gegeven hebben, dan volgen ook de eiken. Die houden hun dikke bruine knoppen al heel lang dicht, maar als de zoele dagen komen, dan komt ook in ongeloofelijk korten tijd hun groen te voorschijn, de welbekende bochtig ingesneden eikeblaren en daartusschen een overvloed van sierlijke slanke meeldraadkatjes in bosjes bij elkaar.De vrouwelijke bloempjes, die eikels moeten worden, zijn kleine groene knopjes, die bij twee of drie op een steeltje aan den top van de jonge twijgen zitten, juist waar ook de nieuwe bladeren het dichtst bijeen staan. Maar ze vallen heel niet in ’t oog, de meeldraadkatjes echter zijn zoo lang, zoo talrijk, zoo licht van kleur, dat ze zelf den meest oppervlakkige niet ontgaan. Ze vormen een cascade van groen, een ragfijnen sluier om de knoestige stammen en bochtige takken van den „reus der wouden”, die zich tusschen twee haakjes heel dikwijls voordoet als een kleine vroolijke boschnymph, die ge ieder voorjaar in ’t kreupelhout kunt ontmoeten.Nauwelijks zijn de groene eikeblaadjes ontplooid, of allerlei gedierte probeert den boom van zijn frisschen tooi te berooven. Bij duizenden komen de dikke meikevers uit den grond, vliegen met dof gegons in de eiken en vreten dag en nacht van het jonge groen. Millioenen kleine kevertjes helpen mee en als deze ontbreken, dan zijn er altijd nog de kleine rupsjes, die het blad ineenrollen en zich zoodoende schuilplaats en voedsel tegelijk verzekeren.Aan de toppen der takken ontstaan groote gezwellen, die op aardappels lijken en waarin dozijnen kleine wespenlarfjes hun voedsel vinden en ook in ieder glanzig groen bolletje aan blad of bloesem huist zoo’n vraatzuchtige galwesp-larve. Waar de eik een wondje in zijn schors heeft, daar vloeit het zoete voedingssap mild uit en daar komen den heelen dag zwierige vlinders, groote rosse en gele wespen en groote kevers van snoepen. Het aantal dieren, die voedsel halen bij den eik is legio.En het mooiste is, dat al dat gevreet en gezuig en geboor den boom in ’t minst niet schijnt te schaden. Zoo gauw de kevers en rupsen de bladeren wegvreten, groeien er ook weer nieuwe aan. Alleen wanneer bij uitzondering het aantal der belagers van duizenden toeneemt tot millioenen en billioenen, dan staat hier en daar een eikeboschje een paar weken bladerloos.[34]Nog eerder zou dat gebeuren, indien niet tegelijk met de vraatzuchtige insecten ook hun verdelgers in ’t land kwamen.Tjiftjaf en fitis scharrelen den heelen dag door het geboomte, om de kleine rupsjes te bemachtigen, bijgestaan door allerlei mooie en aardige helpers, die in April uit het Zuiden hierheen komen.Daar is in de eerste plaats het roodstaartje, dat prachtige vogeltje met de roode borst, zwarte keel, wit voorhoofd en blauwen schedel en nek. Die blauwe kap heeft hem ook den naam van blauwpaapje bezorgd, maar die trekt toch niet zoozeer de aandacht als het roode staartje, dat ieder keer, als de vogel opvliegt, als een klein vlammetje achter hem aan komt en nog een poosje op en neer blijft trillen, als het dier zich op een hek of twijgje heeft neergezet.Het wijfje is grauwachtig bruin van kleur, met mooie vlekjes en streepjes, maar het vertoont toch ook de roode staart en ook hebben beiden, mannetje en wijfje, de groote, schitterende oogen, die een kenmerk zijn voor alle leden van de nachtegalenfamilie, waartoe de roodstaart evenals de roodborst de eer heeft te behooren.Die prachtige roodstaart zingt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. In de vogelwereld beteekent dat van een uur voor zonsopgang tot het einde van de avondschemering.Alleen zijn zij het er niet over eens, wanneer de avondschemering eigenlijk eindigt. Daar het roodstaartje gaarne in holen nestelt of in dichte klimplanten, kunt ge meestal wel zijn huishoudinkje vlak bij het uwe hebben en het is een groot genot, na te gaan, hoe die dieren hun nest bouwen, hun jongen groot brengen en daarbij nog altijd gelegenheid vinden, om zich te amuseeren door aardige vliegkunsten en lustig gezang. Dat ze daarbij uit pure dartelheid den zang nabootsen van schildvink en winterkoning en daardoor vooral den laatste tot koddige boosheid prikkelen, zal natuurlijk niemand hun kwalijk nemen, veeleer het hun aanrekenen als een verdienste. Waar zou het heen moeten, als je nooit eens iemand plagen mocht?Een andere plaaggeest is de spotvogel, die komt weer iets later dan het roodstaartje en behoort niet tot de nachtegalengroep, maar tot de verwantschap van tjiftjaf en fitis. Hij vertoont dezelfde kleuren: groengrijs en geelgrijs, maar hij is wat grooter van stuk en dadelijk aan zijn zang te herkennen.De tjiftjaf zingt bij herhaling zijn twee- of drietal vaste toontjes, de fitis kweelt zijn half blijde, half weemoedige melodie, de spotvogel galmt den heelen dag een opgewonden lied met snelle loopjes, telkens herhaald en hooge, scherpe, haast snerpende tonen, die door geen enkelen anderen vogel zoo worden voortgebracht. En daartusschen door vlecht hij al de geluiden, die hij in zijn leven gehoord heeft van nachtegalenzang tot scharensliepgekras.Wanneer hij pas is aangekomen, kunt ge hem makkelijk zien, want dan zijn de boomen nog niet dicht in blad. Soms zit hij in den hoogsten top, dan weer een meter of zoo lager, maar altijd ferm en brutaal rechtop, met zijn kop in den wind[35]en als hij in zangdrift den bek wijd openspert, kunt ge de oranje tong en het oranje verhemelte zien.Er komen wel Engelschen van over de zee, om dezen zanger te zien en te hooren.Het is wel merkwaardig, dat deze vogel, die ieder jaar de reis heen en terug naar Centraal Afrika doet en in Frankrijk, België en Holland in overvloed nestelt, er niet aan denkt, om eventjes het Kanaal of het Nauw van Calais over te steken, om zich te vestigen in het gastvrije Albion, waar ze in ’t eerst wel altijd zijn nestjes zouden uithalen, maar hem overigens met open armen ontvangen.Het nestje van den spotvogel is dan ook een van de mooiste dingen ter wereld: zoo mooi komvormig afgewerkt, zoo fijn bekleed van buiten met korstmos en spinrag, van binnen met vezels en pluisjes en dons. En daar liggen dan vier, vijf of zes eitjes in van het liefelijkst rozerood, gespikkeld met bruinroode stippen, heerlijk om naar te kijken, maar je moet ze eigenlijk niet aanraken.Een bloeiende sering, jasmijn of vlier met een nest van een spotvogel er in is wel het mooist denkbare sieraad van tuin of park. In esschen en kastanjes of hulsten willen zij ook wel komen, maar ik geloof toch, dat zoo’n gewone vlier hun nog het liefst is.Soms zit uren achtereen nabij of in den top van lage boomen of hooge heesters een andere vogel te orgelen en te vedelen, die als musicus den spotvogel wel overtreft, maar door zijn grauwe kleur en verborgen levenswijze weinig wordt opgemerkt.’t Is de tuinfluiter, bruingrijs van boven, lichter aan de onderzij en met blauwachtige pootjes. Hij maakt een mooi ijl nestje in de lage struiken en zingt een mooi lied dat door volheid van toon dikwijls herinnert aan den merelzang. Maar hij zingt veel langduriger en vlugger dan de merel en verdient gerust evenzeer geprezen te worden als de veel bewonderde goudsnavel.Nog mooier zingt in parken en tuinen de zwartkop-grasmusch, die we maar liever het zwartkopje zullen noemen, want zoo’n rare onhandelbare naam is nog altijd voor een goed zanger een leelijke sta-in-den-weg. Zwartkopje komt soms al vroeg, maar het is pas in ’t laatst van April, dat zijn heerlijk lied en aardige vliegtoeren de aandacht beginnen te trekken.Het satijnig zwarte kopje, de spierwitte keel, de mooie bruingrijze tint van den rug maken dit vogeltje tot een zeer bijzondere verschijning. Zijn nest ligt meestal[36]in lage heesters, maar hij houdt er van, in de hooge boomen heen en weer te vliegen in mooie bochtige lijnen van tak op tak. Ons volk kent hem weinig; bij de Franschen, Duitschers en Engelschen schijnt hij zich meer in de gunst van het publiek te verheugen.Des te meer hebben wij met de zwaluwen op. De ooievaar, de zwaluwen en de koekoek, dat zijn bij ons de echte vogels van de lente. En de zwaluw bij uitnemendheid is wel de boerenzwaluw, de mooie staalblauwe vogel met het roodbruine voorhoofd, de roodbruine keel en de enorm lange buitenste staartveeren.Als die weer eenmaal in en uitvliegt in stal en schuur en door het openstaande zolderluik, dan is de lente in ’t land. Dat is meestal in de eerste week van April, soms komen ze reeds in Maart en een enkele maal, vertoonen de zwaluwen zich reeds vóór de tjiftjaf, maar dan vinden wij toch, dat ze in de war zijn. De Paaschvacantie, dat is de goede tijd.Aan de zekerheid, waarmee ze de gebouwen binnen vliegen, kunt ge merken, dat het weer de zelfde vogels van het vorig jaar zijn. Hoe spoedig hebben zij het oude nest weergevonden en na een paar dagen rondvliegen en zingen beginnen ze opnieuw te bouwen. Als blinkende messen schieten ze door de lucht met onbegrijpelijke snelheid. Bij tientallen verdringen zij zich om de vette modderranden van plassen en het is een merkwaardig gezicht, deze vogels, die we ons haast niet anders dan vliegend kunnen voorstellen, daar te zien rondploeteren in den modder, zoekend naar geschikte specie voor den opbouw van hun nest.De meeste vogels werken alleen in de morgenuren van vieren tot negenen, maar de zwaluwen zijn bij gunstige omstandigheden den ganschen dag bezig met bouwen en bouwstof te verzamelen. En ook zijn ze den heelen dag aan ’t zingen; de boerenzwaluw is een van de vlijtigste zangvogels en laat zijn gekweel en gekwetter den heelen dag hooren. Zelfs het wijfje zingt mee.De huiszwaluw is minder zangrijk. Hij laat onder het vliegen wel aardige geluidjes en monter geroep hooren, maar een werkelijk aaneengeschakeld gezang brengt hij niet ten gehoore. ’t Is anders een aardig diertje, wel mooier dan de boerenzwaluw, al heeft zijn staart ook niet zoo’n stouten zwier. Zijn veertjes blinken in helderder blauw en een plek op den rug bij ’t begin van den staart is blinkend wit, evenals de geheele onderzijde van het lichaam.Aan die witte stuitvlek is de huiszwaluw al heel in de verte te herkennen en als een gezelschap huiszwaluwen op de muggenjacht is aan een waterkant met donkeren elzenzoom, dan lijkt het wel of kleine witte vlindertjes daar heen en weer zweven.Huiszwaluwen houden ervan, om gezellig op jacht te gaan, nu eens laag langs den waterkant, dan weer honderden meters hoog in de lucht en dan kunnen ze daar zoo lustig zwenken en draaien en zoo vroolijk elkaar aanroepen, dat het meer een spel lijkt dan een inspanning, om aan den kost te komen.Fitis.Fitis.Fitis.Nachtegaal.Nachtegaal.Nachtegaal.Tuinfluiter.Tuinfluiter.Tuinfluiter.Zwartkop.Zwartkop.Zwartkop.Boompieper.Boompieper.Boompieper.Spotvogel.Spotvogel.Spotvogel.Eereprijs.Eereprijs.Eereprijs.Narcissen.Narcissen.Narcissen.Spar.Spar.Spar.Klaverzuring, wakker.Klaverzuring, wakker.Klaverzuring, wakker.Klaverzuring, slapend.Klaverzuring, slapend.Klaverzuring, slapend.Den.Den.Den.Bij het modder zoeken loopen ze vaak tusschen de boerenzwaluwen in, maar[37]hun nesten bouwen ze meestal op andere plaatsen en altijd op een andere manier. Ze houden er niet van, om binnenshuis te wonen en maken niet zooals de boerenzwaluwen een ondiep komvormig nest, dat op een onderlaag steunt, maar een half bolvormige woning tegen een muur met geen andere beschutting dan een daklijst of dakgoot.Onder bruggen huizen soms boerenzwaluwen en huiszwaluwen bij elkander en samen hebben ze er plezier in, om koekoeken en roofvogels te achtervolgen en uit te schelden. Maar zelf hebben ze geweldig veel last van de huismusschen en ringmusschen, die ze berooven van hun nesten. Men heeft zelfs wel gemeend, dat de mooie huiszwaluwtjes gaandeweg door de brutale musschen verdreven worden.Metselaars en aardwerkers zijn die zwaluwen. Aan steile zandhellingen, dijkglooiingen, slootkanten, aardafgravingen werken nu de oeverzwaluwtjes, kleine grijze vogeltjes zonder glans of gloed, maar in vaalbruin pakje zooals dat voor aardwerkers het beste is. In den vroegen morgen, als nog de ochtendnevel over de velden hangt, zijn ze al bezig aan ’t pikken en graven, zoodat de helling wriemelt van bedrijvige arbeiders.Onvermoeid met snavel en pooten boren zij in den grond en maken zij horizontale gangen van éen tot twee meter lang. Aan het eind der gang komt een nestje van veertjes en daarop de eitjes, spierwit en zoo klein en teer, dat ge ze haast niet kunt aanvatten, zonder ze te breken.Deze oeverzwaluwen jagen bijna uitsluitend langs het water, vlak langs de oppervlakte en als op gure dagen de boerenzwaluwen en de huiszwaluwen daar ook om voedsel komen, dan maken de grauwe aardgravers te midden van de in staalblauw schitterende bouwheeren een vrij armoedige vertooning.Nog een andere langvleugelige insectenvanger voegt zich bij hen: de groote zwarte gierzwaluw of torenzwaluw, die de langste vleugels, de stoutste vlucht en den wijdsten bek van alle heeft. In mooi zonnig weer jaagt hij hoog in de lucht, torenhoog, maar als Mei nog van die gure dagen geeft, dan wordt ook hij genoodzaakt, zijn toevlucht te nemen tot den waterkant, waar altijd nog het meest te vinden is.Zijn eigenlijk te huis is de stad, waar hij zijn woning heeft aan de huizen. Hij is noch aardwerker, noch metselaar, maar bouwt evenals de musschen een tamelijk slordig nest onder dakpannen en in hoeken en gaten van muren. Ja, hij is mans genoeg, om de musschen uit hun bouwsels te verjagen en zoo krijgen die dan de vergelding voor het leed en den overlast, die zij den huiszwaluwen aandoen.Veel bekoorlijks heeft die torenzwaluw niet. Hij vliegt mooi en gemakkelijk en ’s avonds gieren zij in troepen met woest gekrijsch door de lucht. De mannetjes jagen de wijfjes naar huis en gaan zelf zich dan nog een poosje amuseeren. Vaak komen zij den heelen nacht niet thuis; men meent te weten, dat zij dan hoog in de lucht boven de wolken blijven rondzwieren en daar misschien nog slapen ook.[38]Hun woestheid en gekrijsch is velen onaangenaam. Er is een andere stadsvogel, die in de lente ook in troepen vliegt en drukte maakt, maar alles veel sierlijker en prettiger doet dan die torenzwaluw. Ik bedoel het kerkkauwtje, de kleinste en beminlijkste van onze kraaiachtige vogels. In troepen van tien tot honderd spelen zij krijgertje om de torenspitsen, vlug en sierlijk glijden de zwarte gestalten door de lucht met rustig gestrekte vleugels en fraai gespreide staart. Daarbij roepen ze elkander onophoudelijk aan met een soort van kort, melodieus gekef.Ze zijn niet grooter dan duiven, en er ligt ook iets zachtzinnigs over hun wezen. Maar het is met die zachtzinnigheid als met den witten satijnglans die over nek en wangen ligt, het is maar schijn, de zwartheid, het wreede en verderfelijke, ligt er onder en uit het witte oog spreekt niet alleen verstand en list, maar ook sluwe moordzucht. Want dit kerkkauwtje is al een even felle roover en moordenaar als zijn familiegenooten de raven, kraaien, eksters en gaaien.In de stad kunnen zij niet veel kwaad doen, maar in het bosch maken zij slachtoffers bij de vleet. In sommige streken is hun kwade invloed duidelijk merkbaar, in andere lijkt het wel, alsof ondanks roof en moord de vogelbevolking maar altijd toeneemt. Daar heeft iedere holle popel zijn kauwennest of zelfs meer dan één op één stam, maar in de meidoorns brengen tal van houtduiven hun jongen groot en tortels bouwen er in de dichte sparren of in het fijne berkenhout.Slag op slag rooven de kauwtjes de witte eieren van het nest, maar onverdroten leggen de duiven voort, verhuizen desnoods, maar rusten niet, voordat een leelijk jongenpaar lodderig zit te kijken op het ijle platform van hun takkennest. Den heelen dag klinkt het gekir door ’t hout, ’t vaag en onbepaald eentonige „toer-toer”, van den tortel en het duidelijke nabootsbare toer-toertoer-toer-toeretoer-toer-toer-toer-toeretoer-toer-toer-toer van de houtduif of ringduif.En ook deze is met zingen alleen niet tevreden, maar voert in lentevreugd een stouten luchtdans uit, die men van zoo’n traditioneel kalm dier als een duif niet verwachten zou. Met klepperend geraas vliegt hij op uit zijn takkenhuis, stijgt in snelle vlucht hoog omhoog naar den blauwen hemel, klapt met een harden slag de vleugels tegen elkaar en daalt dan met roerloos uitgespreide vleugels in een groote bocht vijftig, zestig meter neer, om dan weer van voren af aan te beginnen.Ook de tortel maakt aardige bewegingen, maar die worden minder gezien. Hij heeft er nog al slag van, om zich schuil te houden, zoodat er weken voorbij kunnen gaan eer ge hem te zien krijgt, ofschoon zijn gekir den heelen dag het bosch vervult.Maar wie luistert er naar het makke duivengekir, nu de nachtegaal is teruggekomen? De nachtegaal, die ieder jaar het teeken schijnt te geven voor het rijkst ontplooien van de lentepracht, voor de sterkste uitingen van lentevreugd. Al wat er gebeurt, voordat de nachtegaal zijn intree doet, is slechts het voorspel; eerst wanneer zijn machtige stem zich verheft, beginnen beuken en eiken, sparren en[39]dennen bloesem en blad te ontplooien, komen er aren en pluimen in ’t gras, tooit de boschbodem zich met kleuriger en geuriger bloemen dan de sneeuwklokjes van Januari of de anemoontjes van Maart.Zie den mooien bruinen vogel zitten in de blinkende takjes van het eiken kreupelhout. De witte veertjes van de keel gaan op en neer bij de felle jubelkreten, het fijne bekje blijft roerloos open bij de lang uitgehaalde fluittonen. Geen vogel is er, die zulk een afwisseling brengt in zijn zang. Nu eens lijkt hij te gebieden, te vermanen, te toornen, dan weer vervalt hij in een roerend smeekgebed of geeft in lang glashelder geluid uiting aan de reinste vreugde.Ieder weet, dat de nachtegaal het allermooist zingt ’s nachts tusschentweeënen vieren, maar dat neemt niet weg, dat hij bij gunstig weer zich ook den heelen dag laat hooren, tot zelfs gedurende het eigenlijke rustuur van alle vogels, dat ergens valt tusschen twee en vier uur in den namiddag. Hoe meer nachtegalen er in een bepaalde streek zijn, des te meer wordt er gezongen, soms zelfs zoo vlijtig, dat het sommigen menschen te druk wordt.Komen er gure dagen, dan houdt het zingen op, maar dat de nachtegalen er nog zijn, kunt ge merken, wanneer ge door de eikenboschjes loopt om bloemen te zoeken. Van tijd tot tijd klinkt dan een geluid, dat doet denken aan een kikvorsch „korr, korr, korr”. Het wordt al vaker en vaker herhaald en nu hoort ge ook nog helder en luid, maar een weinig angstig en vragend, „pièt; pièt”.Pas nu op, want het zou kunnen gebeuren, dat ge u dicht bevindt bij het pas begonnen nest en daar ligt misschien reeds een glanzig koffiebruin eitje in. Het nest ligt zoo verborgen tusschen de dorre eikeblaren, dat ge het moeilijk opmerkt en ge zoudt erin kunnen trappen, eer ge ’t wist en dat zou heel jammer zijn. Verlaat daarom de plaatsen, waar ge die angst- en waarschuwingskreten verneemt. Wellicht wordt ge beloond door een heerlijken vreugdezang op het oogenblik, dat de vogel het gevaar geweken acht.De mogelijkheid van onverwacht een vogelnest aan te treffen, maakt het zoeken naar voorjaarsbloemen in het bosch tot een dubbel interessante bezigheid. Ge ziet aan den boschzoom een donkergroene plek met glimmende blaadjes van de maagdepalm. De prachtige blauwe bloemen hebben zich geopend in de voorjaarszon en worden vlijtig bezocht door mooie roodbruine glimmende metselbijtjes, die ergens hun nest in dorre braamstengels hebben. We gaan er even bij zitten, om af te wachten, of er ook soms parelmoervlindertjes op de bloemen komen en we zitten[40]nog geen vijf minuten, of een roodborst komt bij ons op een tak en zingt het hoogste lied.Hij verraadt zijn geheim, want we letten nu goed op en vinden al gauw onder de ranken van de maagdepalm het roodborstjesnest met gespikkelde eitjes. Even kijken en dan maar gauw verder, anders wordt het nest misschien verlaten en voor de maagdepalm, die we nu in den steek laten, vinden we in het rijke tooverbosch nog andere bloemen in eindeloozen overvloed als schadeloosstelling.Hier bloeien de vogelkersen: lange hangende trossen van witte bloemen te midden van frisch groen loover. Kevers en vliegen wemelen op de sneeuwwitte honigrijke bloemen en waar de laagste takken schuil gaan in het hoog opgeschoten pijpkruid, daar heeft een slimme tuinfluiter een doorzichtig nestje gebouwd, dat we nooit gevonden zouden hebben, als hij zelf niet zoo geraasd en getierd had, toen we even bij den heester stilstonden.Dat pijpkruid heeft met een dikken wortel overwinterd na eerst in ’t najaar nog gauw zooveel mogelijk voedsel verzameld te hebben. Heel vroeg in ’t voorjaar maakte het dikke proppen van fijnverdeeld groen loover en nu de nachtegaal er is, schieten de mooi gegroefde groene stengels omhoog, die de sneeuwwitte bloemschermen dragen.Wij kennen het kunstje wel, om die stengels te versnijden tot liefelijk klinkende toeters en menig huisvader, die rust wou hebben, heeft dit „fluitekruid” naar het andere eind van de wereld gewenscht, wanneer zijn kroost met de buurjongetjes te zamen een symphonie uitvoerden op dit natuurlijk blaasinstrument.Maar iets zangerigs zit er toch in de plant, de kleine zangvogeltjes bouwen graag hun nest op den grond tusschen de pijpkruidstengels, zelfs de nachtegaal slaat menigwerf zijn tenten er onder op en heeft zoo de plant geholpen aan den genoegelijken naam van nachtegalenkruid.Het ware te wenschen, dat waar deze plant groeit, ook nachtegalen nestelden, maar dat scheelt nog veel en dat kan ook niet, want deze boschplant groeit al, waar maar drie boompjes bij elkander staan of op plekken, waar jaren geleden eens een bosch prijkte. Er zijn meer van die weggeloopen boschplanten, de meest bekende is wel het speenkruid. De mooie, blauwe hondsdraf is er ook een.Het speenkruid hoort eigenlijk thuis in ’t kreupelhout en daar blinkt het ook ieder voorjaar met zijn mooie groene blaadjes en goudgele sterrebloempjes. Het groeit daar weelderig en overvloedig, met flinke lange stengels, die schuin opstijgen boven den lossen boschgrond. Evenals de meeste vroege boschbloemen zijn ook deze zeer gevoelig voor de warmte, zoodat ze letterlijk door de zon te voorschijn worden geroepen.Geelgerande Watertor.Geelgerande Watertor.Geelgerande Watertor.Bootsmannetje.Bootsmannetje.Bootsmannetje.Watersalamanders.Watersalamanders.Watersalamanders.Pikzwarte Watertor.Pikzwarte Watertor.Pikzwarte Watertor.Draaikevertjes en Kokerjuffers.Draaikevertjes en Kokerjuffers.Draaikevertjes en Kokerjuffers.Waterspin.Waterspin.Waterspin.Meikever.Meikever.Meikever.Gouden Loopkevers.Gouden Loopkevers.Gouden Loopkevers.Zandloopkevers.Zandloopkevers.Zandloopkevers.Mesttor.Mesttor.Mesttor.Oliekever.Oliekever.Oliekever.Huisjesslakken.Huisjesslakken.Huisjesslakken.Waar nu het speenkruid groeit buiten het bosch, daar wordt het meteen anders. Het is, of het zijn bescherming mist, zich niet meer veilig voelt en zoo maakt het dan zijn stengels en steeltjes veel korter, zijn bladeren kleiner en stugger, dicht op elkaar vlak tegen den grond.Maar de bloemen blijven even mooi en talrijk en[41]de lieve jeugd krijgt ieder jaar op school zijn speenkruid-les en kan heele verhalen doen over de wortelknolletjes en okselknolletjes en over het feit, dat deze plant met al zijn mooie bloempjes toch zoo weinig rijp zaad voortbrengt.Ge kunt ervan opaan, dat ze na het speenkruid de witte doovenetel „krijgen”. Dat is ook zoo’n mooie duidelijke bloem, die overal gemakkelijk te vinden is en altijd in groote troepen bijeen groeit en lang niet altijd tusschen de echte brandende brandnetels, zooals weleens beweerd wordt. Hoe mooi staan die kransen van groote roomwitte bloemen om de vierkante stengels, krans boven krans en alle bloemen even mooi.De jeugdige natuurbewonderaar beziet deze bloem ook van den practischen kant en rangschikt haar onder de rubriek „levensmiddelen”. In den morgen zitten de bloemkroonbuisjes vol met lekkeren honing, in den namiddag is het minder, want de bloem kan het niet bijhouden, zoo gauw als de hommels en bijen den voorraad opruimen.Maar wij moeten nog even naar het bosch terug.Hier en daar zijn tusschen het eikenhout heele plekken wit van groote stervormige bloemen. Nu wij ons goed herinneren, was de grond in hetzelfde boschje in het vroege voorjaar groen van tallooze dikke spruiten, die het dorre blad op zij drongen. Die groene bladeren zijn nu reeds bijna alle geheel verwelkt en hun plaats wordt thans ingenomen door de bloemen, aan lange stelen of trossen vereenigd.Dit is de schermdragende vogelmelk, een aardig bolgewasje en die bloem is een echte zonne- en lichtvriend. Zij is er nog juist bijtijds bij, om te bloeien, voordat de eikjes dicht in blad raken. In den morgenstond lijkt er op die plaats geen enkele bloem te staan, want dan zijn ze nog dicht en daar de achterkant der bloemblaadjes groen is, vallen ze in het geheel niet in ’t oog.Maar als de zon aan den hemel rijst en warmte teruggekaatst wordt door den mullen boschgrond, dan gaan die bloempjes vrij snel open en binnen een half uur schitteren honderd witte sterren, waar zooeven niets anders dan groene knoppen te zien waren.Er groeit nog een andere vogelmelk in ’t bosch, maar die heeft bladeren en bloementegelijk; dat is de knikkende vogelmelk. Zijn bloemen zijn grooter dan die van de schermdragende, aan de binnenzijde niet zoo schitterend wit, maar van buiten heel mooi grijsgroen. Ze zijn kortgesteeld en staan meestal zijwaarts gericht. De Engelschen noemen deze mooie bloemen „Ster vanBethlehem”.Plukt ge deze bloemen, dan blijken stengels en bladeren een dik slijmerig vocht te bevatten, wat trouwens bij meer lelieachtige planten het geval is.Waar het bosch nog niet te veel door roekelooze plukkers en gravers is aangerand, daar komen nu ook te voorschijn die heerlijke lievelingen van alle bloemenvrienden: de lelietjes van dalen en de wildehyacinthen.Op het eerste gezicht zijn de wilde hyacinthjes wel het mooist. Waar ze groeien, daar staan ze in groot aantal bij elkander, hangende blauwe klokjes in rijen van[42]zes tot tien aan zacht gebogen stengeltjes. Er is juist groen genoeg tusschen, om dichtbij eenige afwisseling te brengen in de kleurenmassa, maar op eenige meters afstands is van dit groen niets meer te zien en dekt een gelijkmatig blauw kleed de ruimte tusschen de groen bemoste stammen.Hier en daar vertoonen zich witte hyacinthjes tusschen de blauwe en ik heb wel een bosch gekend, waar evenveel witte als blauwe hyacinthjes groeiden en daar stonden ook veel rooskleurige onder. Ieder jaar deed ik kort voor Pinksteren een bedevaart naar dat bosch. Maar de boer, wien het toebehoorde, meende dat zoo’n overvloed van planten op den grond schadelijk was voor den boomgroei en die heeft er toen een paar zomers achtereen zijn kippen in gejaagd, om den grond eens goed om te laten woelen en die plantenboel te vernielen. Hij is er uitmuntend in geslaagd en nu groeien daar niets meer dan brandnetels.Gelukkig groeien ze langs den duinkant nog bij duizenden en als de plukgrage jeugd zich nu maar vergenoegt met plukken en de plant niet uitgraaft, dan kunnen wij daar nog lang plezier van hebben.Zoo is het ook met de lelietjes van dalen. In menig bosch hebben ze dapper stand gehouden tot op dezen dag en op afgesloten buitenplaatsen groeien ze bij millioenen en vermenigvuldigen zij zich tot in het oneindige.In Maart steken de blauwachtig grijze groeipieken in ontelbare menigte door het dorre blad. Een paar warme April-regentjes jagen de bladeren uit de scheeden en als de nachtegaal op zijn schoonst zingt, dan worden de groene bloemtrossen wit en de heerlijke kelkjes verspreiden den liefelijksten geur van het voorjaar. Ja, het is wel heerlijk, de groote groene bladeren op zij te buigen, om daartusschen de flinke, malsche bloeistengels te vinden, bezet met wel twintig of meer bloempjes. Maar heerlijker nog is het, dag aan dag een poosje te liggen aan den rand van ’t bosch, de witte bloempjes te zien schitteren overal langs den groenen boschbodem en den frisschen geur in te ademen onder het gezang van nachtegaal, merel, zanglijster, tuinfluiter, fitis en roodborst.En als ik nu eens geen boschrand kan vinden met lelietjes van dalen, dan stel ik mij tevreden met salomonszegeltjes, die zijn toch ook van de familie en heusch niet minder mooi of minder geurig. De bloempjes zijn zelfs grooter dan die van het lelietje en aangenamer van vorm. Alleen staan ze niet in trossen bij elkander, maar bij paren of afzonderlijk bij den oorsprong der bladeren. Die bladeren zelf staan in twee rijen flink omhoog gericht, zoodat het lijkt of het heele plantje een soort van nieuwerwetsche vliegmachine is en zoo meteen weg zal zweven door de schemering van ’t bosch.Door dien stand van de bladeren zijn de bloemen zelf in hun geheel te zien. Zooals ze daar in rijen hangen aan de onderzijde der stengels lijken het risten van groote witte parelen of een versiering van guirlande’s van porceleinen potjes of …[43]maar ze zijn in ieder geval mooier dan iedere vergelijking, die ge kunt bedenken.Intusschen nadert de tijd, dat het nederig schoon van maagdepalm en hyacinth, vogelmelk, salomonszegel en lelietje van dalen overdekt en overschaduwd wordt door de grootere en grovere boschplanten, die alle ruimte voor zich alleen begeeren. Hier spreiden grove klitten hun groote bladeren, ginds steekt de brandnetel zijn zaagpuntige blaadjes op en waar het fijnverdeelde groen en de witte bloemenzee van het pijpkruid of nachtegaalskruid een plaatsje vrij laat, daar groeit de roode koekoeksbloem in dichte bossen bijeen.Nachtegaalskruid en koekoeksbloem beginnen te heerschen in ’t bosch, juist in den tijd dat de zang van den nachtegaal en het geroep van den koekoek alle andere vogelgeluiden overstemmen. De nachtegaal houdt er van, zijn nest tusschen deze planten te bouwen en de koekoek weet het dikwijls maar al te goed te vinden.Tegelijk komen die vogels ook aan, in de derde week van April en de nachtegaaltjes hebben al menig koekoeksjong groot gebracht, al is het ook waar, dat de kwikstaartjes en de graspiepers het meest bezocht worden door dien mooien grooten vogel, die zelf geen nest kan bouwen, zijn eigen eieren niet kan uitbroeden.Zijn naam is in ieders mond en iedereen kent zijn griezelige ontwikkelingsgeschiedenis; het ei, gelegd in een vreemd nest, het vraatzuchtig jong, dat zijn pleegbroertjes en zusjes uit ’t nest gooit, nog voor dat het zelf zien kan, en zijn pleegouders zoo in beslag neemt, dat zijzelf vaak van honger en uitputting sterven. Iedere koekoek kost het leven van vijf of zes kleine zangvogeltjes.Maar zijn lenteroep is een van de heerlijkste geluiden van de natuur en wekt voorstellingen van warme lucht en bloemengeur, van witte wolken, hoog zwevend in den blauwen hemel, van hagen bedekt met bloesemsneeuw. Tal van bloemen van bosch en weide zijn naar hem genoemd; een roode anjerachtige bloem geniet de onderscheiding, officieel den naam van koekoeksbloem te mogen voeren, maar de plattelandsbevolking kent nog een groot aantal andere.Als de koekoek over ’t veld vliegt, dan lijkt hij net een roofvogel; de dwarse streepen op zijn borst herinneren aan den sperwer. Er zijn dan ook nog een groote menigte menschen, die gelooven dat de koekoek des winters in een sperwer en de sperwer des zomers in een koekoek verandert. Intusschen zou een koekoek nooit een vogeltje kunnen grijpen of dooden, daarvoor zijn zijn pooten veel te zwak en[44]deugt zijn snavel ook niet. Hij vergenoegt zich met insecten te eten en neemt de harige rupsen, waarvan bijna alle andere vogels een afschuw hebben.Men noemt daarom den koekoek nuttig voor den boschbouw en dat is stellig waar, maar in ons land vliegt hij ook zeer veel over weiden en akkers en dikwijls heb ik hem ontmoet aan den waterkant, waar hij tusschen de hooge oeverplanten zijn voedsel zocht.Het is zoo goed, in ’t voorjaar te zitten aan den waterkant. Het water is dan veel helderder dan in den zomer, het wier heeft nog niet de geheele oppervlakte bedekt en er zweven nog niet zooveel kleine levende wezentjes of overblijfselen er van in rond als in den heeten zomertijd. Lucht en wolken worden erin weerkaatst met groote zuiverheid en de bodem is zoo duidelijk te zien, dat zelfs de bewegingen van kleine zandkorreltjes merkbaar zijn.Licht en zwierig schieten waterplanten uit den bodem op, hun fijne blaadjes strekkend naar alle kanten, waterpest en hoornblad, vederkruid en waterranonkel. Het gegroefde kroos vormt dichte massa’s van driekante groene blaadjes, klein kroos drijft in cirkelronde schijfjes aan de oppervlakte en de groote bruine bladeren van de waterlelie komen ineengerold naar boven, om zich aan de oppervlakte uit te spreiden en in de warme zon aan de bovenzijde een groene tint aan te nemen. Langzaam volgen groote groene knoppen, maar de witte bloem zelve is een bloem van den zomer en als er zich een opent vroeg in Mei, dan brengt dat feit den groenen kikvorsch in een toestand van de allergrootste verbazing.Het ontwaken van de kikvorschen valt samen met den terugkeer der vogels, de bruine kikvorsch komt tegelijk met de kieviet, de groene met den nachtegaal, wiens naam hij voeren mag. O, wat worden die „boerennachtegalen” gesmaad en gehoond, maar wat doet het den natuurvriend goed, wanneer hij na den langen winter hun tevreden of uitgelaten gekwaak weer hooren mag.En dan komen die wonderlijke massa’s kikkerdril in de slooten, de zwarte kikkereitjes, omgeven door een dikke geleilaag, waar de kleine vischjes tevergeefs in happen en die de eieren voor tal vanschadelijkeinvloeden beschermt. Prompt op tijd verschijnen de kleine kikkerlarven, eerst klein, met gesloten bek en wapperende kieuwtjes aan weerszij van den kop, dan grooter, met achterpooten, dan met voorpooten en eindelijk verliezen ze hun platte zwemstaart en worden heusche, kleine speelgoedkikkertjes.Maar al te dikwerf speelgoed! Speelgoed voor kleine onnadenkende wreedaards, speelgoed voor jongelui, die al graag den natuuronderzoeker uithangen en nog niet voldoende beseffen, dat het leed, door hen het dier aangedaan, lang niet vergoed wordt, door de luttele aanwinst van hun kennis. Het kluchtige dier met zijn menschachtige maniertjes verdient werkelijk een betere behandeling. Hij heeft het toch al hard genoeg te verantwoorden door al zijn behaarde, gevederde en geschubde belagers, waaronder otter en ooievaar, ringslang en snoek de meest geduchte zijn.

Herderstaschje.Herderstaschje.Herderstaschje.Witte Doovenetel.Witte Doovenetel.Witte Doovenetel.Driekleurig Viooltje met Parelmoervlinder.Driekleurig Viooltje met Parelmoervlinder.Driekleurig Viooltje met Parelmoervlinder.Pijpkruid.Pijpkruid.Pijpkruid.Kers in bloei.Kers in bloei.Kers in bloei.Peer in bloei.Peer in bloei.Peer in bloei.Magnolia.Magnolia.Magnolia.Pinksterbloem.Pinksterbloem.Pinksterbloem.Smeerwortel.Smeerwortel.Smeerwortel.Vuurvlindertje.Vuurvlindertje.Vuurvlindertje.Atalanta.Atalanta.Atalanta.Lelietje van Dalen.Lelietje van Dalen.Lelietje van Dalen.[33]Nu laten ook de knopschubben van den beuk los en uit de knoppen komt een harig slap takje, bezet met keurig gevouwen en geplooide blaadjes, ieder nog eerst tusschen twee rose steunblaadjes besloten. Maar spoedig laten die los en nu is eenige dagen lang de boschbodem bedekt met de fijne rose schubjes. De blaadjes ontplooien zich en maken van iederen beuketak een grooten heldergroenen waaier.Aan sommige takken hangen vele fijne langgesteelde kwastjes, dat zijn de meeldraadbloemen en met eenig zoeken vindt ge ook de vrouwelijke bloemen, die later de lekkere beukenootjes zullen opleveren en nu ruige groene knopjes zijn met een paar dikke, gekronkelde stijlen en stempels.Als de beuken eenmaal het voorbeeld gegeven hebben, dan volgen ook de eiken. Die houden hun dikke bruine knoppen al heel lang dicht, maar als de zoele dagen komen, dan komt ook in ongeloofelijk korten tijd hun groen te voorschijn, de welbekende bochtig ingesneden eikeblaren en daartusschen een overvloed van sierlijke slanke meeldraadkatjes in bosjes bij elkaar.De vrouwelijke bloempjes, die eikels moeten worden, zijn kleine groene knopjes, die bij twee of drie op een steeltje aan den top van de jonge twijgen zitten, juist waar ook de nieuwe bladeren het dichtst bijeen staan. Maar ze vallen heel niet in ’t oog, de meeldraadkatjes echter zijn zoo lang, zoo talrijk, zoo licht van kleur, dat ze zelf den meest oppervlakkige niet ontgaan. Ze vormen een cascade van groen, een ragfijnen sluier om de knoestige stammen en bochtige takken van den „reus der wouden”, die zich tusschen twee haakjes heel dikwijls voordoet als een kleine vroolijke boschnymph, die ge ieder voorjaar in ’t kreupelhout kunt ontmoeten.Nauwelijks zijn de groene eikeblaadjes ontplooid, of allerlei gedierte probeert den boom van zijn frisschen tooi te berooven. Bij duizenden komen de dikke meikevers uit den grond, vliegen met dof gegons in de eiken en vreten dag en nacht van het jonge groen. Millioenen kleine kevertjes helpen mee en als deze ontbreken, dan zijn er altijd nog de kleine rupsjes, die het blad ineenrollen en zich zoodoende schuilplaats en voedsel tegelijk verzekeren.Aan de toppen der takken ontstaan groote gezwellen, die op aardappels lijken en waarin dozijnen kleine wespenlarfjes hun voedsel vinden en ook in ieder glanzig groen bolletje aan blad of bloesem huist zoo’n vraatzuchtige galwesp-larve. Waar de eik een wondje in zijn schors heeft, daar vloeit het zoete voedingssap mild uit en daar komen den heelen dag zwierige vlinders, groote rosse en gele wespen en groote kevers van snoepen. Het aantal dieren, die voedsel halen bij den eik is legio.En het mooiste is, dat al dat gevreet en gezuig en geboor den boom in ’t minst niet schijnt te schaden. Zoo gauw de kevers en rupsen de bladeren wegvreten, groeien er ook weer nieuwe aan. Alleen wanneer bij uitzondering het aantal der belagers van duizenden toeneemt tot millioenen en billioenen, dan staat hier en daar een eikeboschje een paar weken bladerloos.[34]Nog eerder zou dat gebeuren, indien niet tegelijk met de vraatzuchtige insecten ook hun verdelgers in ’t land kwamen.Tjiftjaf en fitis scharrelen den heelen dag door het geboomte, om de kleine rupsjes te bemachtigen, bijgestaan door allerlei mooie en aardige helpers, die in April uit het Zuiden hierheen komen.Daar is in de eerste plaats het roodstaartje, dat prachtige vogeltje met de roode borst, zwarte keel, wit voorhoofd en blauwen schedel en nek. Die blauwe kap heeft hem ook den naam van blauwpaapje bezorgd, maar die trekt toch niet zoozeer de aandacht als het roode staartje, dat ieder keer, als de vogel opvliegt, als een klein vlammetje achter hem aan komt en nog een poosje op en neer blijft trillen, als het dier zich op een hek of twijgje heeft neergezet.Het wijfje is grauwachtig bruin van kleur, met mooie vlekjes en streepjes, maar het vertoont toch ook de roode staart en ook hebben beiden, mannetje en wijfje, de groote, schitterende oogen, die een kenmerk zijn voor alle leden van de nachtegalenfamilie, waartoe de roodstaart evenals de roodborst de eer heeft te behooren.Die prachtige roodstaart zingt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. In de vogelwereld beteekent dat van een uur voor zonsopgang tot het einde van de avondschemering.Alleen zijn zij het er niet over eens, wanneer de avondschemering eigenlijk eindigt. Daar het roodstaartje gaarne in holen nestelt of in dichte klimplanten, kunt ge meestal wel zijn huishoudinkje vlak bij het uwe hebben en het is een groot genot, na te gaan, hoe die dieren hun nest bouwen, hun jongen groot brengen en daarbij nog altijd gelegenheid vinden, om zich te amuseeren door aardige vliegkunsten en lustig gezang. Dat ze daarbij uit pure dartelheid den zang nabootsen van schildvink en winterkoning en daardoor vooral den laatste tot koddige boosheid prikkelen, zal natuurlijk niemand hun kwalijk nemen, veeleer het hun aanrekenen als een verdienste. Waar zou het heen moeten, als je nooit eens iemand plagen mocht?Een andere plaaggeest is de spotvogel, die komt weer iets later dan het roodstaartje en behoort niet tot de nachtegalengroep, maar tot de verwantschap van tjiftjaf en fitis. Hij vertoont dezelfde kleuren: groengrijs en geelgrijs, maar hij is wat grooter van stuk en dadelijk aan zijn zang te herkennen.De tjiftjaf zingt bij herhaling zijn twee- of drietal vaste toontjes, de fitis kweelt zijn half blijde, half weemoedige melodie, de spotvogel galmt den heelen dag een opgewonden lied met snelle loopjes, telkens herhaald en hooge, scherpe, haast snerpende tonen, die door geen enkelen anderen vogel zoo worden voortgebracht. En daartusschen door vlecht hij al de geluiden, die hij in zijn leven gehoord heeft van nachtegalenzang tot scharensliepgekras.Wanneer hij pas is aangekomen, kunt ge hem makkelijk zien, want dan zijn de boomen nog niet dicht in blad. Soms zit hij in den hoogsten top, dan weer een meter of zoo lager, maar altijd ferm en brutaal rechtop, met zijn kop in den wind[35]en als hij in zangdrift den bek wijd openspert, kunt ge de oranje tong en het oranje verhemelte zien.Er komen wel Engelschen van over de zee, om dezen zanger te zien en te hooren.Het is wel merkwaardig, dat deze vogel, die ieder jaar de reis heen en terug naar Centraal Afrika doet en in Frankrijk, België en Holland in overvloed nestelt, er niet aan denkt, om eventjes het Kanaal of het Nauw van Calais over te steken, om zich te vestigen in het gastvrije Albion, waar ze in ’t eerst wel altijd zijn nestjes zouden uithalen, maar hem overigens met open armen ontvangen.Het nestje van den spotvogel is dan ook een van de mooiste dingen ter wereld: zoo mooi komvormig afgewerkt, zoo fijn bekleed van buiten met korstmos en spinrag, van binnen met vezels en pluisjes en dons. En daar liggen dan vier, vijf of zes eitjes in van het liefelijkst rozerood, gespikkeld met bruinroode stippen, heerlijk om naar te kijken, maar je moet ze eigenlijk niet aanraken.Een bloeiende sering, jasmijn of vlier met een nest van een spotvogel er in is wel het mooist denkbare sieraad van tuin of park. In esschen en kastanjes of hulsten willen zij ook wel komen, maar ik geloof toch, dat zoo’n gewone vlier hun nog het liefst is.Soms zit uren achtereen nabij of in den top van lage boomen of hooge heesters een andere vogel te orgelen en te vedelen, die als musicus den spotvogel wel overtreft, maar door zijn grauwe kleur en verborgen levenswijze weinig wordt opgemerkt.’t Is de tuinfluiter, bruingrijs van boven, lichter aan de onderzij en met blauwachtige pootjes. Hij maakt een mooi ijl nestje in de lage struiken en zingt een mooi lied dat door volheid van toon dikwijls herinnert aan den merelzang. Maar hij zingt veel langduriger en vlugger dan de merel en verdient gerust evenzeer geprezen te worden als de veel bewonderde goudsnavel.Nog mooier zingt in parken en tuinen de zwartkop-grasmusch, die we maar liever het zwartkopje zullen noemen, want zoo’n rare onhandelbare naam is nog altijd voor een goed zanger een leelijke sta-in-den-weg. Zwartkopje komt soms al vroeg, maar het is pas in ’t laatst van April, dat zijn heerlijk lied en aardige vliegtoeren de aandacht beginnen te trekken.Het satijnig zwarte kopje, de spierwitte keel, de mooie bruingrijze tint van den rug maken dit vogeltje tot een zeer bijzondere verschijning. Zijn nest ligt meestal[36]in lage heesters, maar hij houdt er van, in de hooge boomen heen en weer te vliegen in mooie bochtige lijnen van tak op tak. Ons volk kent hem weinig; bij de Franschen, Duitschers en Engelschen schijnt hij zich meer in de gunst van het publiek te verheugen.Des te meer hebben wij met de zwaluwen op. De ooievaar, de zwaluwen en de koekoek, dat zijn bij ons de echte vogels van de lente. En de zwaluw bij uitnemendheid is wel de boerenzwaluw, de mooie staalblauwe vogel met het roodbruine voorhoofd, de roodbruine keel en de enorm lange buitenste staartveeren.Als die weer eenmaal in en uitvliegt in stal en schuur en door het openstaande zolderluik, dan is de lente in ’t land. Dat is meestal in de eerste week van April, soms komen ze reeds in Maart en een enkele maal, vertoonen de zwaluwen zich reeds vóór de tjiftjaf, maar dan vinden wij toch, dat ze in de war zijn. De Paaschvacantie, dat is de goede tijd.Aan de zekerheid, waarmee ze de gebouwen binnen vliegen, kunt ge merken, dat het weer de zelfde vogels van het vorig jaar zijn. Hoe spoedig hebben zij het oude nest weergevonden en na een paar dagen rondvliegen en zingen beginnen ze opnieuw te bouwen. Als blinkende messen schieten ze door de lucht met onbegrijpelijke snelheid. Bij tientallen verdringen zij zich om de vette modderranden van plassen en het is een merkwaardig gezicht, deze vogels, die we ons haast niet anders dan vliegend kunnen voorstellen, daar te zien rondploeteren in den modder, zoekend naar geschikte specie voor den opbouw van hun nest.De meeste vogels werken alleen in de morgenuren van vieren tot negenen, maar de zwaluwen zijn bij gunstige omstandigheden den ganschen dag bezig met bouwen en bouwstof te verzamelen. En ook zijn ze den heelen dag aan ’t zingen; de boerenzwaluw is een van de vlijtigste zangvogels en laat zijn gekweel en gekwetter den heelen dag hooren. Zelfs het wijfje zingt mee.De huiszwaluw is minder zangrijk. Hij laat onder het vliegen wel aardige geluidjes en monter geroep hooren, maar een werkelijk aaneengeschakeld gezang brengt hij niet ten gehoore. ’t Is anders een aardig diertje, wel mooier dan de boerenzwaluw, al heeft zijn staart ook niet zoo’n stouten zwier. Zijn veertjes blinken in helderder blauw en een plek op den rug bij ’t begin van den staart is blinkend wit, evenals de geheele onderzijde van het lichaam.Aan die witte stuitvlek is de huiszwaluw al heel in de verte te herkennen en als een gezelschap huiszwaluwen op de muggenjacht is aan een waterkant met donkeren elzenzoom, dan lijkt het wel of kleine witte vlindertjes daar heen en weer zweven.Huiszwaluwen houden ervan, om gezellig op jacht te gaan, nu eens laag langs den waterkant, dan weer honderden meters hoog in de lucht en dan kunnen ze daar zoo lustig zwenken en draaien en zoo vroolijk elkaar aanroepen, dat het meer een spel lijkt dan een inspanning, om aan den kost te komen.Fitis.Fitis.Fitis.Nachtegaal.Nachtegaal.Nachtegaal.Tuinfluiter.Tuinfluiter.Tuinfluiter.Zwartkop.Zwartkop.Zwartkop.Boompieper.Boompieper.Boompieper.Spotvogel.Spotvogel.Spotvogel.Eereprijs.Eereprijs.Eereprijs.Narcissen.Narcissen.Narcissen.Spar.Spar.Spar.Klaverzuring, wakker.Klaverzuring, wakker.Klaverzuring, wakker.Klaverzuring, slapend.Klaverzuring, slapend.Klaverzuring, slapend.Den.Den.Den.Bij het modder zoeken loopen ze vaak tusschen de boerenzwaluwen in, maar[37]hun nesten bouwen ze meestal op andere plaatsen en altijd op een andere manier. Ze houden er niet van, om binnenshuis te wonen en maken niet zooals de boerenzwaluwen een ondiep komvormig nest, dat op een onderlaag steunt, maar een half bolvormige woning tegen een muur met geen andere beschutting dan een daklijst of dakgoot.Onder bruggen huizen soms boerenzwaluwen en huiszwaluwen bij elkander en samen hebben ze er plezier in, om koekoeken en roofvogels te achtervolgen en uit te schelden. Maar zelf hebben ze geweldig veel last van de huismusschen en ringmusschen, die ze berooven van hun nesten. Men heeft zelfs wel gemeend, dat de mooie huiszwaluwtjes gaandeweg door de brutale musschen verdreven worden.Metselaars en aardwerkers zijn die zwaluwen. Aan steile zandhellingen, dijkglooiingen, slootkanten, aardafgravingen werken nu de oeverzwaluwtjes, kleine grijze vogeltjes zonder glans of gloed, maar in vaalbruin pakje zooals dat voor aardwerkers het beste is. In den vroegen morgen, als nog de ochtendnevel over de velden hangt, zijn ze al bezig aan ’t pikken en graven, zoodat de helling wriemelt van bedrijvige arbeiders.Onvermoeid met snavel en pooten boren zij in den grond en maken zij horizontale gangen van éen tot twee meter lang. Aan het eind der gang komt een nestje van veertjes en daarop de eitjes, spierwit en zoo klein en teer, dat ge ze haast niet kunt aanvatten, zonder ze te breken.Deze oeverzwaluwen jagen bijna uitsluitend langs het water, vlak langs de oppervlakte en als op gure dagen de boerenzwaluwen en de huiszwaluwen daar ook om voedsel komen, dan maken de grauwe aardgravers te midden van de in staalblauw schitterende bouwheeren een vrij armoedige vertooning.Nog een andere langvleugelige insectenvanger voegt zich bij hen: de groote zwarte gierzwaluw of torenzwaluw, die de langste vleugels, de stoutste vlucht en den wijdsten bek van alle heeft. In mooi zonnig weer jaagt hij hoog in de lucht, torenhoog, maar als Mei nog van die gure dagen geeft, dan wordt ook hij genoodzaakt, zijn toevlucht te nemen tot den waterkant, waar altijd nog het meest te vinden is.Zijn eigenlijk te huis is de stad, waar hij zijn woning heeft aan de huizen. Hij is noch aardwerker, noch metselaar, maar bouwt evenals de musschen een tamelijk slordig nest onder dakpannen en in hoeken en gaten van muren. Ja, hij is mans genoeg, om de musschen uit hun bouwsels te verjagen en zoo krijgen die dan de vergelding voor het leed en den overlast, die zij den huiszwaluwen aandoen.Veel bekoorlijks heeft die torenzwaluw niet. Hij vliegt mooi en gemakkelijk en ’s avonds gieren zij in troepen met woest gekrijsch door de lucht. De mannetjes jagen de wijfjes naar huis en gaan zelf zich dan nog een poosje amuseeren. Vaak komen zij den heelen nacht niet thuis; men meent te weten, dat zij dan hoog in de lucht boven de wolken blijven rondzwieren en daar misschien nog slapen ook.[38]Hun woestheid en gekrijsch is velen onaangenaam. Er is een andere stadsvogel, die in de lente ook in troepen vliegt en drukte maakt, maar alles veel sierlijker en prettiger doet dan die torenzwaluw. Ik bedoel het kerkkauwtje, de kleinste en beminlijkste van onze kraaiachtige vogels. In troepen van tien tot honderd spelen zij krijgertje om de torenspitsen, vlug en sierlijk glijden de zwarte gestalten door de lucht met rustig gestrekte vleugels en fraai gespreide staart. Daarbij roepen ze elkander onophoudelijk aan met een soort van kort, melodieus gekef.Ze zijn niet grooter dan duiven, en er ligt ook iets zachtzinnigs over hun wezen. Maar het is met die zachtzinnigheid als met den witten satijnglans die over nek en wangen ligt, het is maar schijn, de zwartheid, het wreede en verderfelijke, ligt er onder en uit het witte oog spreekt niet alleen verstand en list, maar ook sluwe moordzucht. Want dit kerkkauwtje is al een even felle roover en moordenaar als zijn familiegenooten de raven, kraaien, eksters en gaaien.In de stad kunnen zij niet veel kwaad doen, maar in het bosch maken zij slachtoffers bij de vleet. In sommige streken is hun kwade invloed duidelijk merkbaar, in andere lijkt het wel, alsof ondanks roof en moord de vogelbevolking maar altijd toeneemt. Daar heeft iedere holle popel zijn kauwennest of zelfs meer dan één op één stam, maar in de meidoorns brengen tal van houtduiven hun jongen groot en tortels bouwen er in de dichte sparren of in het fijne berkenhout.Slag op slag rooven de kauwtjes de witte eieren van het nest, maar onverdroten leggen de duiven voort, verhuizen desnoods, maar rusten niet, voordat een leelijk jongenpaar lodderig zit te kijken op het ijle platform van hun takkennest. Den heelen dag klinkt het gekir door ’t hout, ’t vaag en onbepaald eentonige „toer-toer”, van den tortel en het duidelijke nabootsbare toer-toertoer-toer-toeretoer-toer-toer-toer-toeretoer-toer-toer-toer van de houtduif of ringduif.En ook deze is met zingen alleen niet tevreden, maar voert in lentevreugd een stouten luchtdans uit, die men van zoo’n traditioneel kalm dier als een duif niet verwachten zou. Met klepperend geraas vliegt hij op uit zijn takkenhuis, stijgt in snelle vlucht hoog omhoog naar den blauwen hemel, klapt met een harden slag de vleugels tegen elkaar en daalt dan met roerloos uitgespreide vleugels in een groote bocht vijftig, zestig meter neer, om dan weer van voren af aan te beginnen.Ook de tortel maakt aardige bewegingen, maar die worden minder gezien. Hij heeft er nog al slag van, om zich schuil te houden, zoodat er weken voorbij kunnen gaan eer ge hem te zien krijgt, ofschoon zijn gekir den heelen dag het bosch vervult.Maar wie luistert er naar het makke duivengekir, nu de nachtegaal is teruggekomen? De nachtegaal, die ieder jaar het teeken schijnt te geven voor het rijkst ontplooien van de lentepracht, voor de sterkste uitingen van lentevreugd. Al wat er gebeurt, voordat de nachtegaal zijn intree doet, is slechts het voorspel; eerst wanneer zijn machtige stem zich verheft, beginnen beuken en eiken, sparren en[39]dennen bloesem en blad te ontplooien, komen er aren en pluimen in ’t gras, tooit de boschbodem zich met kleuriger en geuriger bloemen dan de sneeuwklokjes van Januari of de anemoontjes van Maart.Zie den mooien bruinen vogel zitten in de blinkende takjes van het eiken kreupelhout. De witte veertjes van de keel gaan op en neer bij de felle jubelkreten, het fijne bekje blijft roerloos open bij de lang uitgehaalde fluittonen. Geen vogel is er, die zulk een afwisseling brengt in zijn zang. Nu eens lijkt hij te gebieden, te vermanen, te toornen, dan weer vervalt hij in een roerend smeekgebed of geeft in lang glashelder geluid uiting aan de reinste vreugde.Ieder weet, dat de nachtegaal het allermooist zingt ’s nachts tusschentweeënen vieren, maar dat neemt niet weg, dat hij bij gunstig weer zich ook den heelen dag laat hooren, tot zelfs gedurende het eigenlijke rustuur van alle vogels, dat ergens valt tusschen twee en vier uur in den namiddag. Hoe meer nachtegalen er in een bepaalde streek zijn, des te meer wordt er gezongen, soms zelfs zoo vlijtig, dat het sommigen menschen te druk wordt.Komen er gure dagen, dan houdt het zingen op, maar dat de nachtegalen er nog zijn, kunt ge merken, wanneer ge door de eikenboschjes loopt om bloemen te zoeken. Van tijd tot tijd klinkt dan een geluid, dat doet denken aan een kikvorsch „korr, korr, korr”. Het wordt al vaker en vaker herhaald en nu hoort ge ook nog helder en luid, maar een weinig angstig en vragend, „pièt; pièt”.Pas nu op, want het zou kunnen gebeuren, dat ge u dicht bevindt bij het pas begonnen nest en daar ligt misschien reeds een glanzig koffiebruin eitje in. Het nest ligt zoo verborgen tusschen de dorre eikeblaren, dat ge het moeilijk opmerkt en ge zoudt erin kunnen trappen, eer ge ’t wist en dat zou heel jammer zijn. Verlaat daarom de plaatsen, waar ge die angst- en waarschuwingskreten verneemt. Wellicht wordt ge beloond door een heerlijken vreugdezang op het oogenblik, dat de vogel het gevaar geweken acht.De mogelijkheid van onverwacht een vogelnest aan te treffen, maakt het zoeken naar voorjaarsbloemen in het bosch tot een dubbel interessante bezigheid. Ge ziet aan den boschzoom een donkergroene plek met glimmende blaadjes van de maagdepalm. De prachtige blauwe bloemen hebben zich geopend in de voorjaarszon en worden vlijtig bezocht door mooie roodbruine glimmende metselbijtjes, die ergens hun nest in dorre braamstengels hebben. We gaan er even bij zitten, om af te wachten, of er ook soms parelmoervlindertjes op de bloemen komen en we zitten[40]nog geen vijf minuten, of een roodborst komt bij ons op een tak en zingt het hoogste lied.Hij verraadt zijn geheim, want we letten nu goed op en vinden al gauw onder de ranken van de maagdepalm het roodborstjesnest met gespikkelde eitjes. Even kijken en dan maar gauw verder, anders wordt het nest misschien verlaten en voor de maagdepalm, die we nu in den steek laten, vinden we in het rijke tooverbosch nog andere bloemen in eindeloozen overvloed als schadeloosstelling.Hier bloeien de vogelkersen: lange hangende trossen van witte bloemen te midden van frisch groen loover. Kevers en vliegen wemelen op de sneeuwwitte honigrijke bloemen en waar de laagste takken schuil gaan in het hoog opgeschoten pijpkruid, daar heeft een slimme tuinfluiter een doorzichtig nestje gebouwd, dat we nooit gevonden zouden hebben, als hij zelf niet zoo geraasd en getierd had, toen we even bij den heester stilstonden.Dat pijpkruid heeft met een dikken wortel overwinterd na eerst in ’t najaar nog gauw zooveel mogelijk voedsel verzameld te hebben. Heel vroeg in ’t voorjaar maakte het dikke proppen van fijnverdeeld groen loover en nu de nachtegaal er is, schieten de mooi gegroefde groene stengels omhoog, die de sneeuwwitte bloemschermen dragen.Wij kennen het kunstje wel, om die stengels te versnijden tot liefelijk klinkende toeters en menig huisvader, die rust wou hebben, heeft dit „fluitekruid” naar het andere eind van de wereld gewenscht, wanneer zijn kroost met de buurjongetjes te zamen een symphonie uitvoerden op dit natuurlijk blaasinstrument.Maar iets zangerigs zit er toch in de plant, de kleine zangvogeltjes bouwen graag hun nest op den grond tusschen de pijpkruidstengels, zelfs de nachtegaal slaat menigwerf zijn tenten er onder op en heeft zoo de plant geholpen aan den genoegelijken naam van nachtegalenkruid.Het ware te wenschen, dat waar deze plant groeit, ook nachtegalen nestelden, maar dat scheelt nog veel en dat kan ook niet, want deze boschplant groeit al, waar maar drie boompjes bij elkander staan of op plekken, waar jaren geleden eens een bosch prijkte. Er zijn meer van die weggeloopen boschplanten, de meest bekende is wel het speenkruid. De mooie, blauwe hondsdraf is er ook een.Het speenkruid hoort eigenlijk thuis in ’t kreupelhout en daar blinkt het ook ieder voorjaar met zijn mooie groene blaadjes en goudgele sterrebloempjes. Het groeit daar weelderig en overvloedig, met flinke lange stengels, die schuin opstijgen boven den lossen boschgrond. Evenals de meeste vroege boschbloemen zijn ook deze zeer gevoelig voor de warmte, zoodat ze letterlijk door de zon te voorschijn worden geroepen.Geelgerande Watertor.Geelgerande Watertor.Geelgerande Watertor.Bootsmannetje.Bootsmannetje.Bootsmannetje.Watersalamanders.Watersalamanders.Watersalamanders.Pikzwarte Watertor.Pikzwarte Watertor.Pikzwarte Watertor.Draaikevertjes en Kokerjuffers.Draaikevertjes en Kokerjuffers.Draaikevertjes en Kokerjuffers.Waterspin.Waterspin.Waterspin.Meikever.Meikever.Meikever.Gouden Loopkevers.Gouden Loopkevers.Gouden Loopkevers.Zandloopkevers.Zandloopkevers.Zandloopkevers.Mesttor.Mesttor.Mesttor.Oliekever.Oliekever.Oliekever.Huisjesslakken.Huisjesslakken.Huisjesslakken.Waar nu het speenkruid groeit buiten het bosch, daar wordt het meteen anders. Het is, of het zijn bescherming mist, zich niet meer veilig voelt en zoo maakt het dan zijn stengels en steeltjes veel korter, zijn bladeren kleiner en stugger, dicht op elkaar vlak tegen den grond.Maar de bloemen blijven even mooi en talrijk en[41]de lieve jeugd krijgt ieder jaar op school zijn speenkruid-les en kan heele verhalen doen over de wortelknolletjes en okselknolletjes en over het feit, dat deze plant met al zijn mooie bloempjes toch zoo weinig rijp zaad voortbrengt.Ge kunt ervan opaan, dat ze na het speenkruid de witte doovenetel „krijgen”. Dat is ook zoo’n mooie duidelijke bloem, die overal gemakkelijk te vinden is en altijd in groote troepen bijeen groeit en lang niet altijd tusschen de echte brandende brandnetels, zooals weleens beweerd wordt. Hoe mooi staan die kransen van groote roomwitte bloemen om de vierkante stengels, krans boven krans en alle bloemen even mooi.De jeugdige natuurbewonderaar beziet deze bloem ook van den practischen kant en rangschikt haar onder de rubriek „levensmiddelen”. In den morgen zitten de bloemkroonbuisjes vol met lekkeren honing, in den namiddag is het minder, want de bloem kan het niet bijhouden, zoo gauw als de hommels en bijen den voorraad opruimen.Maar wij moeten nog even naar het bosch terug.Hier en daar zijn tusschen het eikenhout heele plekken wit van groote stervormige bloemen. Nu wij ons goed herinneren, was de grond in hetzelfde boschje in het vroege voorjaar groen van tallooze dikke spruiten, die het dorre blad op zij drongen. Die groene bladeren zijn nu reeds bijna alle geheel verwelkt en hun plaats wordt thans ingenomen door de bloemen, aan lange stelen of trossen vereenigd.Dit is de schermdragende vogelmelk, een aardig bolgewasje en die bloem is een echte zonne- en lichtvriend. Zij is er nog juist bijtijds bij, om te bloeien, voordat de eikjes dicht in blad raken. In den morgenstond lijkt er op die plaats geen enkele bloem te staan, want dan zijn ze nog dicht en daar de achterkant der bloemblaadjes groen is, vallen ze in het geheel niet in ’t oog.Maar als de zon aan den hemel rijst en warmte teruggekaatst wordt door den mullen boschgrond, dan gaan die bloempjes vrij snel open en binnen een half uur schitteren honderd witte sterren, waar zooeven niets anders dan groene knoppen te zien waren.Er groeit nog een andere vogelmelk in ’t bosch, maar die heeft bladeren en bloementegelijk; dat is de knikkende vogelmelk. Zijn bloemen zijn grooter dan die van de schermdragende, aan de binnenzijde niet zoo schitterend wit, maar van buiten heel mooi grijsgroen. Ze zijn kortgesteeld en staan meestal zijwaarts gericht. De Engelschen noemen deze mooie bloemen „Ster vanBethlehem”.Plukt ge deze bloemen, dan blijken stengels en bladeren een dik slijmerig vocht te bevatten, wat trouwens bij meer lelieachtige planten het geval is.Waar het bosch nog niet te veel door roekelooze plukkers en gravers is aangerand, daar komen nu ook te voorschijn die heerlijke lievelingen van alle bloemenvrienden: de lelietjes van dalen en de wildehyacinthen.Op het eerste gezicht zijn de wilde hyacinthjes wel het mooist. Waar ze groeien, daar staan ze in groot aantal bij elkander, hangende blauwe klokjes in rijen van[42]zes tot tien aan zacht gebogen stengeltjes. Er is juist groen genoeg tusschen, om dichtbij eenige afwisseling te brengen in de kleurenmassa, maar op eenige meters afstands is van dit groen niets meer te zien en dekt een gelijkmatig blauw kleed de ruimte tusschen de groen bemoste stammen.Hier en daar vertoonen zich witte hyacinthjes tusschen de blauwe en ik heb wel een bosch gekend, waar evenveel witte als blauwe hyacinthjes groeiden en daar stonden ook veel rooskleurige onder. Ieder jaar deed ik kort voor Pinksteren een bedevaart naar dat bosch. Maar de boer, wien het toebehoorde, meende dat zoo’n overvloed van planten op den grond schadelijk was voor den boomgroei en die heeft er toen een paar zomers achtereen zijn kippen in gejaagd, om den grond eens goed om te laten woelen en die plantenboel te vernielen. Hij is er uitmuntend in geslaagd en nu groeien daar niets meer dan brandnetels.Gelukkig groeien ze langs den duinkant nog bij duizenden en als de plukgrage jeugd zich nu maar vergenoegt met plukken en de plant niet uitgraaft, dan kunnen wij daar nog lang plezier van hebben.Zoo is het ook met de lelietjes van dalen. In menig bosch hebben ze dapper stand gehouden tot op dezen dag en op afgesloten buitenplaatsen groeien ze bij millioenen en vermenigvuldigen zij zich tot in het oneindige.In Maart steken de blauwachtig grijze groeipieken in ontelbare menigte door het dorre blad. Een paar warme April-regentjes jagen de bladeren uit de scheeden en als de nachtegaal op zijn schoonst zingt, dan worden de groene bloemtrossen wit en de heerlijke kelkjes verspreiden den liefelijksten geur van het voorjaar. Ja, het is wel heerlijk, de groote groene bladeren op zij te buigen, om daartusschen de flinke, malsche bloeistengels te vinden, bezet met wel twintig of meer bloempjes. Maar heerlijker nog is het, dag aan dag een poosje te liggen aan den rand van ’t bosch, de witte bloempjes te zien schitteren overal langs den groenen boschbodem en den frisschen geur in te ademen onder het gezang van nachtegaal, merel, zanglijster, tuinfluiter, fitis en roodborst.En als ik nu eens geen boschrand kan vinden met lelietjes van dalen, dan stel ik mij tevreden met salomonszegeltjes, die zijn toch ook van de familie en heusch niet minder mooi of minder geurig. De bloempjes zijn zelfs grooter dan die van het lelietje en aangenamer van vorm. Alleen staan ze niet in trossen bij elkander, maar bij paren of afzonderlijk bij den oorsprong der bladeren. Die bladeren zelf staan in twee rijen flink omhoog gericht, zoodat het lijkt of het heele plantje een soort van nieuwerwetsche vliegmachine is en zoo meteen weg zal zweven door de schemering van ’t bosch.Door dien stand van de bladeren zijn de bloemen zelf in hun geheel te zien. Zooals ze daar in rijen hangen aan de onderzijde der stengels lijken het risten van groote witte parelen of een versiering van guirlande’s van porceleinen potjes of …[43]maar ze zijn in ieder geval mooier dan iedere vergelijking, die ge kunt bedenken.Intusschen nadert de tijd, dat het nederig schoon van maagdepalm en hyacinth, vogelmelk, salomonszegel en lelietje van dalen overdekt en overschaduwd wordt door de grootere en grovere boschplanten, die alle ruimte voor zich alleen begeeren. Hier spreiden grove klitten hun groote bladeren, ginds steekt de brandnetel zijn zaagpuntige blaadjes op en waar het fijnverdeelde groen en de witte bloemenzee van het pijpkruid of nachtegaalskruid een plaatsje vrij laat, daar groeit de roode koekoeksbloem in dichte bossen bijeen.Nachtegaalskruid en koekoeksbloem beginnen te heerschen in ’t bosch, juist in den tijd dat de zang van den nachtegaal en het geroep van den koekoek alle andere vogelgeluiden overstemmen. De nachtegaal houdt er van, zijn nest tusschen deze planten te bouwen en de koekoek weet het dikwijls maar al te goed te vinden.Tegelijk komen die vogels ook aan, in de derde week van April en de nachtegaaltjes hebben al menig koekoeksjong groot gebracht, al is het ook waar, dat de kwikstaartjes en de graspiepers het meest bezocht worden door dien mooien grooten vogel, die zelf geen nest kan bouwen, zijn eigen eieren niet kan uitbroeden.Zijn naam is in ieders mond en iedereen kent zijn griezelige ontwikkelingsgeschiedenis; het ei, gelegd in een vreemd nest, het vraatzuchtig jong, dat zijn pleegbroertjes en zusjes uit ’t nest gooit, nog voor dat het zelf zien kan, en zijn pleegouders zoo in beslag neemt, dat zijzelf vaak van honger en uitputting sterven. Iedere koekoek kost het leven van vijf of zes kleine zangvogeltjes.Maar zijn lenteroep is een van de heerlijkste geluiden van de natuur en wekt voorstellingen van warme lucht en bloemengeur, van witte wolken, hoog zwevend in den blauwen hemel, van hagen bedekt met bloesemsneeuw. Tal van bloemen van bosch en weide zijn naar hem genoemd; een roode anjerachtige bloem geniet de onderscheiding, officieel den naam van koekoeksbloem te mogen voeren, maar de plattelandsbevolking kent nog een groot aantal andere.Als de koekoek over ’t veld vliegt, dan lijkt hij net een roofvogel; de dwarse streepen op zijn borst herinneren aan den sperwer. Er zijn dan ook nog een groote menigte menschen, die gelooven dat de koekoek des winters in een sperwer en de sperwer des zomers in een koekoek verandert. Intusschen zou een koekoek nooit een vogeltje kunnen grijpen of dooden, daarvoor zijn zijn pooten veel te zwak en[44]deugt zijn snavel ook niet. Hij vergenoegt zich met insecten te eten en neemt de harige rupsen, waarvan bijna alle andere vogels een afschuw hebben.Men noemt daarom den koekoek nuttig voor den boschbouw en dat is stellig waar, maar in ons land vliegt hij ook zeer veel over weiden en akkers en dikwijls heb ik hem ontmoet aan den waterkant, waar hij tusschen de hooge oeverplanten zijn voedsel zocht.Het is zoo goed, in ’t voorjaar te zitten aan den waterkant. Het water is dan veel helderder dan in den zomer, het wier heeft nog niet de geheele oppervlakte bedekt en er zweven nog niet zooveel kleine levende wezentjes of overblijfselen er van in rond als in den heeten zomertijd. Lucht en wolken worden erin weerkaatst met groote zuiverheid en de bodem is zoo duidelijk te zien, dat zelfs de bewegingen van kleine zandkorreltjes merkbaar zijn.Licht en zwierig schieten waterplanten uit den bodem op, hun fijne blaadjes strekkend naar alle kanten, waterpest en hoornblad, vederkruid en waterranonkel. Het gegroefde kroos vormt dichte massa’s van driekante groene blaadjes, klein kroos drijft in cirkelronde schijfjes aan de oppervlakte en de groote bruine bladeren van de waterlelie komen ineengerold naar boven, om zich aan de oppervlakte uit te spreiden en in de warme zon aan de bovenzijde een groene tint aan te nemen. Langzaam volgen groote groene knoppen, maar de witte bloem zelve is een bloem van den zomer en als er zich een opent vroeg in Mei, dan brengt dat feit den groenen kikvorsch in een toestand van de allergrootste verbazing.Het ontwaken van de kikvorschen valt samen met den terugkeer der vogels, de bruine kikvorsch komt tegelijk met de kieviet, de groene met den nachtegaal, wiens naam hij voeren mag. O, wat worden die „boerennachtegalen” gesmaad en gehoond, maar wat doet het den natuurvriend goed, wanneer hij na den langen winter hun tevreden of uitgelaten gekwaak weer hooren mag.En dan komen die wonderlijke massa’s kikkerdril in de slooten, de zwarte kikkereitjes, omgeven door een dikke geleilaag, waar de kleine vischjes tevergeefs in happen en die de eieren voor tal vanschadelijkeinvloeden beschermt. Prompt op tijd verschijnen de kleine kikkerlarven, eerst klein, met gesloten bek en wapperende kieuwtjes aan weerszij van den kop, dan grooter, met achterpooten, dan met voorpooten en eindelijk verliezen ze hun platte zwemstaart en worden heusche, kleine speelgoedkikkertjes.Maar al te dikwerf speelgoed! Speelgoed voor kleine onnadenkende wreedaards, speelgoed voor jongelui, die al graag den natuuronderzoeker uithangen en nog niet voldoende beseffen, dat het leed, door hen het dier aangedaan, lang niet vergoed wordt, door de luttele aanwinst van hun kennis. Het kluchtige dier met zijn menschachtige maniertjes verdient werkelijk een betere behandeling. Hij heeft het toch al hard genoeg te verantwoorden door al zijn behaarde, gevederde en geschubde belagers, waaronder otter en ooievaar, ringslang en snoek de meest geduchte zijn.

Herderstaschje.Herderstaschje.Herderstaschje.Witte Doovenetel.Witte Doovenetel.Witte Doovenetel.Driekleurig Viooltje met Parelmoervlinder.Driekleurig Viooltje met Parelmoervlinder.Driekleurig Viooltje met Parelmoervlinder.Pijpkruid.Pijpkruid.Pijpkruid.Kers in bloei.Kers in bloei.Kers in bloei.Peer in bloei.Peer in bloei.Peer in bloei.

Herderstaschje.Herderstaschje.Herderstaschje.

Herderstaschje.Herderstaschje.

Herderstaschje.

Witte Doovenetel.Witte Doovenetel.Witte Doovenetel.

Witte Doovenetel.Witte Doovenetel.

Witte Doovenetel.

Driekleurig Viooltje met Parelmoervlinder.Driekleurig Viooltje met Parelmoervlinder.Driekleurig Viooltje met Parelmoervlinder.

Driekleurig Viooltje met Parelmoervlinder.Driekleurig Viooltje met Parelmoervlinder.

Driekleurig Viooltje met Parelmoervlinder.

Pijpkruid.Pijpkruid.Pijpkruid.

Pijpkruid.Pijpkruid.

Pijpkruid.

Kers in bloei.Kers in bloei.Kers in bloei.

Kers in bloei.Kers in bloei.

Kers in bloei.

Peer in bloei.Peer in bloei.Peer in bloei.

Peer in bloei.Peer in bloei.

Peer in bloei.

Magnolia.Magnolia.Magnolia.Pinksterbloem.Pinksterbloem.Pinksterbloem.Smeerwortel.Smeerwortel.Smeerwortel.Vuurvlindertje.Vuurvlindertje.Vuurvlindertje.Atalanta.Atalanta.Atalanta.Lelietje van Dalen.Lelietje van Dalen.Lelietje van Dalen.

Magnolia.Magnolia.Magnolia.

Magnolia.Magnolia.

Magnolia.

Pinksterbloem.Pinksterbloem.Pinksterbloem.

Pinksterbloem.Pinksterbloem.

Pinksterbloem.

Smeerwortel.Smeerwortel.Smeerwortel.

Smeerwortel.Smeerwortel.

Smeerwortel.

Vuurvlindertje.Vuurvlindertje.Vuurvlindertje.

Vuurvlindertje.Vuurvlindertje.

Vuurvlindertje.

Atalanta.Atalanta.Atalanta.

Atalanta.Atalanta.

Atalanta.

Lelietje van Dalen.Lelietje van Dalen.Lelietje van Dalen.

Lelietje van Dalen.Lelietje van Dalen.

Lelietje van Dalen.

[33]

Nu laten ook de knopschubben van den beuk los en uit de knoppen komt een harig slap takje, bezet met keurig gevouwen en geplooide blaadjes, ieder nog eerst tusschen twee rose steunblaadjes besloten. Maar spoedig laten die los en nu is eenige dagen lang de boschbodem bedekt met de fijne rose schubjes. De blaadjes ontplooien zich en maken van iederen beuketak een grooten heldergroenen waaier.

Aan sommige takken hangen vele fijne langgesteelde kwastjes, dat zijn de meeldraadbloemen en met eenig zoeken vindt ge ook de vrouwelijke bloemen, die later de lekkere beukenootjes zullen opleveren en nu ruige groene knopjes zijn met een paar dikke, gekronkelde stijlen en stempels.

Als de beuken eenmaal het voorbeeld gegeven hebben, dan volgen ook de eiken. Die houden hun dikke bruine knoppen al heel lang dicht, maar als de zoele dagen komen, dan komt ook in ongeloofelijk korten tijd hun groen te voorschijn, de welbekende bochtig ingesneden eikeblaren en daartusschen een overvloed van sierlijke slanke meeldraadkatjes in bosjes bij elkaar.

De vrouwelijke bloempjes, die eikels moeten worden, zijn kleine groene knopjes, die bij twee of drie op een steeltje aan den top van de jonge twijgen zitten, juist waar ook de nieuwe bladeren het dichtst bijeen staan. Maar ze vallen heel niet in ’t oog, de meeldraadkatjes echter zijn zoo lang, zoo talrijk, zoo licht van kleur, dat ze zelf den meest oppervlakkige niet ontgaan. Ze vormen een cascade van groen, een ragfijnen sluier om de knoestige stammen en bochtige takken van den „reus der wouden”, die zich tusschen twee haakjes heel dikwijls voordoet als een kleine vroolijke boschnymph, die ge ieder voorjaar in ’t kreupelhout kunt ontmoeten.

Nauwelijks zijn de groene eikeblaadjes ontplooid, of allerlei gedierte probeert den boom van zijn frisschen tooi te berooven. Bij duizenden komen de dikke meikevers uit den grond, vliegen met dof gegons in de eiken en vreten dag en nacht van het jonge groen. Millioenen kleine kevertjes helpen mee en als deze ontbreken, dan zijn er altijd nog de kleine rupsjes, die het blad ineenrollen en zich zoodoende schuilplaats en voedsel tegelijk verzekeren.

Aan de toppen der takken ontstaan groote gezwellen, die op aardappels lijken en waarin dozijnen kleine wespenlarfjes hun voedsel vinden en ook in ieder glanzig groen bolletje aan blad of bloesem huist zoo’n vraatzuchtige galwesp-larve. Waar de eik een wondje in zijn schors heeft, daar vloeit het zoete voedingssap mild uit en daar komen den heelen dag zwierige vlinders, groote rosse en gele wespen en groote kevers van snoepen. Het aantal dieren, die voedsel halen bij den eik is legio.

En het mooiste is, dat al dat gevreet en gezuig en geboor den boom in ’t minst niet schijnt te schaden. Zoo gauw de kevers en rupsen de bladeren wegvreten, groeien er ook weer nieuwe aan. Alleen wanneer bij uitzondering het aantal der belagers van duizenden toeneemt tot millioenen en billioenen, dan staat hier en daar een eikeboschje een paar weken bladerloos.[34]

Nog eerder zou dat gebeuren, indien niet tegelijk met de vraatzuchtige insecten ook hun verdelgers in ’t land kwamen.

Tjiftjaf en fitis scharrelen den heelen dag door het geboomte, om de kleine rupsjes te bemachtigen, bijgestaan door allerlei mooie en aardige helpers, die in April uit het Zuiden hierheen komen.

Daar is in de eerste plaats het roodstaartje, dat prachtige vogeltje met de roode borst, zwarte keel, wit voorhoofd en blauwen schedel en nek. Die blauwe kap heeft hem ook den naam van blauwpaapje bezorgd, maar die trekt toch niet zoozeer de aandacht als het roode staartje, dat ieder keer, als de vogel opvliegt, als een klein vlammetje achter hem aan komt en nog een poosje op en neer blijft trillen, als het dier zich op een hek of twijgje heeft neergezet.

Het wijfje is grauwachtig bruin van kleur, met mooie vlekjes en streepjes, maar het vertoont toch ook de roode staart en ook hebben beiden, mannetje en wijfje, de groote, schitterende oogen, die een kenmerk zijn voor alle leden van de nachtegalenfamilie, waartoe de roodstaart evenals de roodborst de eer heeft te behooren.

Die prachtige roodstaart zingt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. In de vogelwereld beteekent dat van een uur voor zonsopgang tot het einde van de avondschemering.Alleen zijn zij het er niet over eens, wanneer de avondschemering eigenlijk eindigt. Daar het roodstaartje gaarne in holen nestelt of in dichte klimplanten, kunt ge meestal wel zijn huishoudinkje vlak bij het uwe hebben en het is een groot genot, na te gaan, hoe die dieren hun nest bouwen, hun jongen groot brengen en daarbij nog altijd gelegenheid vinden, om zich te amuseeren door aardige vliegkunsten en lustig gezang. Dat ze daarbij uit pure dartelheid den zang nabootsen van schildvink en winterkoning en daardoor vooral den laatste tot koddige boosheid prikkelen, zal natuurlijk niemand hun kwalijk nemen, veeleer het hun aanrekenen als een verdienste. Waar zou het heen moeten, als je nooit eens iemand plagen mocht?

Een andere plaaggeest is de spotvogel, die komt weer iets later dan het roodstaartje en behoort niet tot de nachtegalengroep, maar tot de verwantschap van tjiftjaf en fitis. Hij vertoont dezelfde kleuren: groengrijs en geelgrijs, maar hij is wat grooter van stuk en dadelijk aan zijn zang te herkennen.

De tjiftjaf zingt bij herhaling zijn twee- of drietal vaste toontjes, de fitis kweelt zijn half blijde, half weemoedige melodie, de spotvogel galmt den heelen dag een opgewonden lied met snelle loopjes, telkens herhaald en hooge, scherpe, haast snerpende tonen, die door geen enkelen anderen vogel zoo worden voortgebracht. En daartusschen door vlecht hij al de geluiden, die hij in zijn leven gehoord heeft van nachtegalenzang tot scharensliepgekras.

Wanneer hij pas is aangekomen, kunt ge hem makkelijk zien, want dan zijn de boomen nog niet dicht in blad. Soms zit hij in den hoogsten top, dan weer een meter of zoo lager, maar altijd ferm en brutaal rechtop, met zijn kop in den wind[35]en als hij in zangdrift den bek wijd openspert, kunt ge de oranje tong en het oranje verhemelte zien.

Er komen wel Engelschen van over de zee, om dezen zanger te zien en te hooren.Het is wel merkwaardig, dat deze vogel, die ieder jaar de reis heen en terug naar Centraal Afrika doet en in Frankrijk, België en Holland in overvloed nestelt, er niet aan denkt, om eventjes het Kanaal of het Nauw van Calais over te steken, om zich te vestigen in het gastvrije Albion, waar ze in ’t eerst wel altijd zijn nestjes zouden uithalen, maar hem overigens met open armen ontvangen.

Het nestje van den spotvogel is dan ook een van de mooiste dingen ter wereld: zoo mooi komvormig afgewerkt, zoo fijn bekleed van buiten met korstmos en spinrag, van binnen met vezels en pluisjes en dons. En daar liggen dan vier, vijf of zes eitjes in van het liefelijkst rozerood, gespikkeld met bruinroode stippen, heerlijk om naar te kijken, maar je moet ze eigenlijk niet aanraken.

Een bloeiende sering, jasmijn of vlier met een nest van een spotvogel er in is wel het mooist denkbare sieraad van tuin of park. In esschen en kastanjes of hulsten willen zij ook wel komen, maar ik geloof toch, dat zoo’n gewone vlier hun nog het liefst is.

Soms zit uren achtereen nabij of in den top van lage boomen of hooge heesters een andere vogel te orgelen en te vedelen, die als musicus den spotvogel wel overtreft, maar door zijn grauwe kleur en verborgen levenswijze weinig wordt opgemerkt.

’t Is de tuinfluiter, bruingrijs van boven, lichter aan de onderzij en met blauwachtige pootjes. Hij maakt een mooi ijl nestje in de lage struiken en zingt een mooi lied dat door volheid van toon dikwijls herinnert aan den merelzang. Maar hij zingt veel langduriger en vlugger dan de merel en verdient gerust evenzeer geprezen te worden als de veel bewonderde goudsnavel.

Nog mooier zingt in parken en tuinen de zwartkop-grasmusch, die we maar liever het zwartkopje zullen noemen, want zoo’n rare onhandelbare naam is nog altijd voor een goed zanger een leelijke sta-in-den-weg. Zwartkopje komt soms al vroeg, maar het is pas in ’t laatst van April, dat zijn heerlijk lied en aardige vliegtoeren de aandacht beginnen te trekken.

Het satijnig zwarte kopje, de spierwitte keel, de mooie bruingrijze tint van den rug maken dit vogeltje tot een zeer bijzondere verschijning. Zijn nest ligt meestal[36]in lage heesters, maar hij houdt er van, in de hooge boomen heen en weer te vliegen in mooie bochtige lijnen van tak op tak. Ons volk kent hem weinig; bij de Franschen, Duitschers en Engelschen schijnt hij zich meer in de gunst van het publiek te verheugen.

Des te meer hebben wij met de zwaluwen op. De ooievaar, de zwaluwen en de koekoek, dat zijn bij ons de echte vogels van de lente. En de zwaluw bij uitnemendheid is wel de boerenzwaluw, de mooie staalblauwe vogel met het roodbruine voorhoofd, de roodbruine keel en de enorm lange buitenste staartveeren.

Als die weer eenmaal in en uitvliegt in stal en schuur en door het openstaande zolderluik, dan is de lente in ’t land. Dat is meestal in de eerste week van April, soms komen ze reeds in Maart en een enkele maal, vertoonen de zwaluwen zich reeds vóór de tjiftjaf, maar dan vinden wij toch, dat ze in de war zijn. De Paaschvacantie, dat is de goede tijd.

Aan de zekerheid, waarmee ze de gebouwen binnen vliegen, kunt ge merken, dat het weer de zelfde vogels van het vorig jaar zijn. Hoe spoedig hebben zij het oude nest weergevonden en na een paar dagen rondvliegen en zingen beginnen ze opnieuw te bouwen. Als blinkende messen schieten ze door de lucht met onbegrijpelijke snelheid. Bij tientallen verdringen zij zich om de vette modderranden van plassen en het is een merkwaardig gezicht, deze vogels, die we ons haast niet anders dan vliegend kunnen voorstellen, daar te zien rondploeteren in den modder, zoekend naar geschikte specie voor den opbouw van hun nest.

De meeste vogels werken alleen in de morgenuren van vieren tot negenen, maar de zwaluwen zijn bij gunstige omstandigheden den ganschen dag bezig met bouwen en bouwstof te verzamelen. En ook zijn ze den heelen dag aan ’t zingen; de boerenzwaluw is een van de vlijtigste zangvogels en laat zijn gekweel en gekwetter den heelen dag hooren. Zelfs het wijfje zingt mee.

De huiszwaluw is minder zangrijk. Hij laat onder het vliegen wel aardige geluidjes en monter geroep hooren, maar een werkelijk aaneengeschakeld gezang brengt hij niet ten gehoore. ’t Is anders een aardig diertje, wel mooier dan de boerenzwaluw, al heeft zijn staart ook niet zoo’n stouten zwier. Zijn veertjes blinken in helderder blauw en een plek op den rug bij ’t begin van den staart is blinkend wit, evenals de geheele onderzijde van het lichaam.

Aan die witte stuitvlek is de huiszwaluw al heel in de verte te herkennen en als een gezelschap huiszwaluwen op de muggenjacht is aan een waterkant met donkeren elzenzoom, dan lijkt het wel of kleine witte vlindertjes daar heen en weer zweven.

Huiszwaluwen houden ervan, om gezellig op jacht te gaan, nu eens laag langs den waterkant, dan weer honderden meters hoog in de lucht en dan kunnen ze daar zoo lustig zwenken en draaien en zoo vroolijk elkaar aanroepen, dat het meer een spel lijkt dan een inspanning, om aan den kost te komen.

Fitis.Fitis.Fitis.Nachtegaal.Nachtegaal.Nachtegaal.Tuinfluiter.Tuinfluiter.Tuinfluiter.Zwartkop.Zwartkop.Zwartkop.Boompieper.Boompieper.Boompieper.Spotvogel.Spotvogel.Spotvogel.

Fitis.Fitis.Fitis.

Fitis.Fitis.

Fitis.

Nachtegaal.Nachtegaal.Nachtegaal.

Nachtegaal.Nachtegaal.

Nachtegaal.

Tuinfluiter.Tuinfluiter.Tuinfluiter.

Tuinfluiter.Tuinfluiter.

Tuinfluiter.

Zwartkop.Zwartkop.Zwartkop.

Zwartkop.Zwartkop.

Zwartkop.

Boompieper.Boompieper.Boompieper.

Boompieper.Boompieper.

Boompieper.

Spotvogel.Spotvogel.Spotvogel.

Spotvogel.Spotvogel.

Spotvogel.

Eereprijs.Eereprijs.Eereprijs.Narcissen.Narcissen.Narcissen.Spar.Spar.Spar.Klaverzuring, wakker.Klaverzuring, wakker.Klaverzuring, wakker.Klaverzuring, slapend.Klaverzuring, slapend.Klaverzuring, slapend.Den.Den.Den.

Eereprijs.Eereprijs.Eereprijs.

Eereprijs.Eereprijs.

Eereprijs.

Narcissen.Narcissen.Narcissen.

Narcissen.Narcissen.

Narcissen.

Spar.Spar.Spar.

Spar.Spar.

Spar.

Klaverzuring, wakker.Klaverzuring, wakker.Klaverzuring, wakker.

Klaverzuring, wakker.Klaverzuring, wakker.

Klaverzuring, wakker.

Klaverzuring, slapend.Klaverzuring, slapend.Klaverzuring, slapend.

Klaverzuring, slapend.Klaverzuring, slapend.

Klaverzuring, slapend.

Den.Den.Den.

Den.Den.

Den.

Bij het modder zoeken loopen ze vaak tusschen de boerenzwaluwen in, maar[37]hun nesten bouwen ze meestal op andere plaatsen en altijd op een andere manier. Ze houden er niet van, om binnenshuis te wonen en maken niet zooals de boerenzwaluwen een ondiep komvormig nest, dat op een onderlaag steunt, maar een half bolvormige woning tegen een muur met geen andere beschutting dan een daklijst of dakgoot.

Onder bruggen huizen soms boerenzwaluwen en huiszwaluwen bij elkander en samen hebben ze er plezier in, om koekoeken en roofvogels te achtervolgen en uit te schelden. Maar zelf hebben ze geweldig veel last van de huismusschen en ringmusschen, die ze berooven van hun nesten. Men heeft zelfs wel gemeend, dat de mooie huiszwaluwtjes gaandeweg door de brutale musschen verdreven worden.

Metselaars en aardwerkers zijn die zwaluwen. Aan steile zandhellingen, dijkglooiingen, slootkanten, aardafgravingen werken nu de oeverzwaluwtjes, kleine grijze vogeltjes zonder glans of gloed, maar in vaalbruin pakje zooals dat voor aardwerkers het beste is. In den vroegen morgen, als nog de ochtendnevel over de velden hangt, zijn ze al bezig aan ’t pikken en graven, zoodat de helling wriemelt van bedrijvige arbeiders.

Onvermoeid met snavel en pooten boren zij in den grond en maken zij horizontale gangen van éen tot twee meter lang. Aan het eind der gang komt een nestje van veertjes en daarop de eitjes, spierwit en zoo klein en teer, dat ge ze haast niet kunt aanvatten, zonder ze te breken.

Deze oeverzwaluwen jagen bijna uitsluitend langs het water, vlak langs de oppervlakte en als op gure dagen de boerenzwaluwen en de huiszwaluwen daar ook om voedsel komen, dan maken de grauwe aardgravers te midden van de in staalblauw schitterende bouwheeren een vrij armoedige vertooning.

Nog een andere langvleugelige insectenvanger voegt zich bij hen: de groote zwarte gierzwaluw of torenzwaluw, die de langste vleugels, de stoutste vlucht en den wijdsten bek van alle heeft. In mooi zonnig weer jaagt hij hoog in de lucht, torenhoog, maar als Mei nog van die gure dagen geeft, dan wordt ook hij genoodzaakt, zijn toevlucht te nemen tot den waterkant, waar altijd nog het meest te vinden is.

Zijn eigenlijk te huis is de stad, waar hij zijn woning heeft aan de huizen. Hij is noch aardwerker, noch metselaar, maar bouwt evenals de musschen een tamelijk slordig nest onder dakpannen en in hoeken en gaten van muren. Ja, hij is mans genoeg, om de musschen uit hun bouwsels te verjagen en zoo krijgen die dan de vergelding voor het leed en den overlast, die zij den huiszwaluwen aandoen.

Veel bekoorlijks heeft die torenzwaluw niet. Hij vliegt mooi en gemakkelijk en ’s avonds gieren zij in troepen met woest gekrijsch door de lucht. De mannetjes jagen de wijfjes naar huis en gaan zelf zich dan nog een poosje amuseeren. Vaak komen zij den heelen nacht niet thuis; men meent te weten, dat zij dan hoog in de lucht boven de wolken blijven rondzwieren en daar misschien nog slapen ook.[38]

Hun woestheid en gekrijsch is velen onaangenaam. Er is een andere stadsvogel, die in de lente ook in troepen vliegt en drukte maakt, maar alles veel sierlijker en prettiger doet dan die torenzwaluw. Ik bedoel het kerkkauwtje, de kleinste en beminlijkste van onze kraaiachtige vogels. In troepen van tien tot honderd spelen zij krijgertje om de torenspitsen, vlug en sierlijk glijden de zwarte gestalten door de lucht met rustig gestrekte vleugels en fraai gespreide staart. Daarbij roepen ze elkander onophoudelijk aan met een soort van kort, melodieus gekef.

Ze zijn niet grooter dan duiven, en er ligt ook iets zachtzinnigs over hun wezen. Maar het is met die zachtzinnigheid als met den witten satijnglans die over nek en wangen ligt, het is maar schijn, de zwartheid, het wreede en verderfelijke, ligt er onder en uit het witte oog spreekt niet alleen verstand en list, maar ook sluwe moordzucht. Want dit kerkkauwtje is al een even felle roover en moordenaar als zijn familiegenooten de raven, kraaien, eksters en gaaien.

In de stad kunnen zij niet veel kwaad doen, maar in het bosch maken zij slachtoffers bij de vleet. In sommige streken is hun kwade invloed duidelijk merkbaar, in andere lijkt het wel, alsof ondanks roof en moord de vogelbevolking maar altijd toeneemt. Daar heeft iedere holle popel zijn kauwennest of zelfs meer dan één op één stam, maar in de meidoorns brengen tal van houtduiven hun jongen groot en tortels bouwen er in de dichte sparren of in het fijne berkenhout.

Slag op slag rooven de kauwtjes de witte eieren van het nest, maar onverdroten leggen de duiven voort, verhuizen desnoods, maar rusten niet, voordat een leelijk jongenpaar lodderig zit te kijken op het ijle platform van hun takkennest. Den heelen dag klinkt het gekir door ’t hout, ’t vaag en onbepaald eentonige „toer-toer”, van den tortel en het duidelijke nabootsbare toer-toertoer-toer-toeretoer-toer-toer-toer-toeretoer-toer-toer-toer van de houtduif of ringduif.

En ook deze is met zingen alleen niet tevreden, maar voert in lentevreugd een stouten luchtdans uit, die men van zoo’n traditioneel kalm dier als een duif niet verwachten zou. Met klepperend geraas vliegt hij op uit zijn takkenhuis, stijgt in snelle vlucht hoog omhoog naar den blauwen hemel, klapt met een harden slag de vleugels tegen elkaar en daalt dan met roerloos uitgespreide vleugels in een groote bocht vijftig, zestig meter neer, om dan weer van voren af aan te beginnen.

Ook de tortel maakt aardige bewegingen, maar die worden minder gezien. Hij heeft er nog al slag van, om zich schuil te houden, zoodat er weken voorbij kunnen gaan eer ge hem te zien krijgt, ofschoon zijn gekir den heelen dag het bosch vervult.

Maar wie luistert er naar het makke duivengekir, nu de nachtegaal is teruggekomen? De nachtegaal, die ieder jaar het teeken schijnt te geven voor het rijkst ontplooien van de lentepracht, voor de sterkste uitingen van lentevreugd. Al wat er gebeurt, voordat de nachtegaal zijn intree doet, is slechts het voorspel; eerst wanneer zijn machtige stem zich verheft, beginnen beuken en eiken, sparren en[39]dennen bloesem en blad te ontplooien, komen er aren en pluimen in ’t gras, tooit de boschbodem zich met kleuriger en geuriger bloemen dan de sneeuwklokjes van Januari of de anemoontjes van Maart.

Zie den mooien bruinen vogel zitten in de blinkende takjes van het eiken kreupelhout. De witte veertjes van de keel gaan op en neer bij de felle jubelkreten, het fijne bekje blijft roerloos open bij de lang uitgehaalde fluittonen. Geen vogel is er, die zulk een afwisseling brengt in zijn zang. Nu eens lijkt hij te gebieden, te vermanen, te toornen, dan weer vervalt hij in een roerend smeekgebed of geeft in lang glashelder geluid uiting aan de reinste vreugde.

Ieder weet, dat de nachtegaal het allermooist zingt ’s nachts tusschentweeënen vieren, maar dat neemt niet weg, dat hij bij gunstig weer zich ook den heelen dag laat hooren, tot zelfs gedurende het eigenlijke rustuur van alle vogels, dat ergens valt tusschen twee en vier uur in den namiddag. Hoe meer nachtegalen er in een bepaalde streek zijn, des te meer wordt er gezongen, soms zelfs zoo vlijtig, dat het sommigen menschen te druk wordt.

Komen er gure dagen, dan houdt het zingen op, maar dat de nachtegalen er nog zijn, kunt ge merken, wanneer ge door de eikenboschjes loopt om bloemen te zoeken. Van tijd tot tijd klinkt dan een geluid, dat doet denken aan een kikvorsch „korr, korr, korr”. Het wordt al vaker en vaker herhaald en nu hoort ge ook nog helder en luid, maar een weinig angstig en vragend, „pièt; pièt”.

Pas nu op, want het zou kunnen gebeuren, dat ge u dicht bevindt bij het pas begonnen nest en daar ligt misschien reeds een glanzig koffiebruin eitje in. Het nest ligt zoo verborgen tusschen de dorre eikeblaren, dat ge het moeilijk opmerkt en ge zoudt erin kunnen trappen, eer ge ’t wist en dat zou heel jammer zijn. Verlaat daarom de plaatsen, waar ge die angst- en waarschuwingskreten verneemt. Wellicht wordt ge beloond door een heerlijken vreugdezang op het oogenblik, dat de vogel het gevaar geweken acht.

De mogelijkheid van onverwacht een vogelnest aan te treffen, maakt het zoeken naar voorjaarsbloemen in het bosch tot een dubbel interessante bezigheid. Ge ziet aan den boschzoom een donkergroene plek met glimmende blaadjes van de maagdepalm. De prachtige blauwe bloemen hebben zich geopend in de voorjaarszon en worden vlijtig bezocht door mooie roodbruine glimmende metselbijtjes, die ergens hun nest in dorre braamstengels hebben. We gaan er even bij zitten, om af te wachten, of er ook soms parelmoervlindertjes op de bloemen komen en we zitten[40]nog geen vijf minuten, of een roodborst komt bij ons op een tak en zingt het hoogste lied.

Hij verraadt zijn geheim, want we letten nu goed op en vinden al gauw onder de ranken van de maagdepalm het roodborstjesnest met gespikkelde eitjes. Even kijken en dan maar gauw verder, anders wordt het nest misschien verlaten en voor de maagdepalm, die we nu in den steek laten, vinden we in het rijke tooverbosch nog andere bloemen in eindeloozen overvloed als schadeloosstelling.

Hier bloeien de vogelkersen: lange hangende trossen van witte bloemen te midden van frisch groen loover. Kevers en vliegen wemelen op de sneeuwwitte honigrijke bloemen en waar de laagste takken schuil gaan in het hoog opgeschoten pijpkruid, daar heeft een slimme tuinfluiter een doorzichtig nestje gebouwd, dat we nooit gevonden zouden hebben, als hij zelf niet zoo geraasd en getierd had, toen we even bij den heester stilstonden.

Dat pijpkruid heeft met een dikken wortel overwinterd na eerst in ’t najaar nog gauw zooveel mogelijk voedsel verzameld te hebben. Heel vroeg in ’t voorjaar maakte het dikke proppen van fijnverdeeld groen loover en nu de nachtegaal er is, schieten de mooi gegroefde groene stengels omhoog, die de sneeuwwitte bloemschermen dragen.

Wij kennen het kunstje wel, om die stengels te versnijden tot liefelijk klinkende toeters en menig huisvader, die rust wou hebben, heeft dit „fluitekruid” naar het andere eind van de wereld gewenscht, wanneer zijn kroost met de buurjongetjes te zamen een symphonie uitvoerden op dit natuurlijk blaasinstrument.

Maar iets zangerigs zit er toch in de plant, de kleine zangvogeltjes bouwen graag hun nest op den grond tusschen de pijpkruidstengels, zelfs de nachtegaal slaat menigwerf zijn tenten er onder op en heeft zoo de plant geholpen aan den genoegelijken naam van nachtegalenkruid.

Het ware te wenschen, dat waar deze plant groeit, ook nachtegalen nestelden, maar dat scheelt nog veel en dat kan ook niet, want deze boschplant groeit al, waar maar drie boompjes bij elkander staan of op plekken, waar jaren geleden eens een bosch prijkte. Er zijn meer van die weggeloopen boschplanten, de meest bekende is wel het speenkruid. De mooie, blauwe hondsdraf is er ook een.

Het speenkruid hoort eigenlijk thuis in ’t kreupelhout en daar blinkt het ook ieder voorjaar met zijn mooie groene blaadjes en goudgele sterrebloempjes. Het groeit daar weelderig en overvloedig, met flinke lange stengels, die schuin opstijgen boven den lossen boschgrond. Evenals de meeste vroege boschbloemen zijn ook deze zeer gevoelig voor de warmte, zoodat ze letterlijk door de zon te voorschijn worden geroepen.

Geelgerande Watertor.Geelgerande Watertor.Geelgerande Watertor.Bootsmannetje.Bootsmannetje.Bootsmannetje.Watersalamanders.Watersalamanders.Watersalamanders.Pikzwarte Watertor.Pikzwarte Watertor.Pikzwarte Watertor.Draaikevertjes en Kokerjuffers.Draaikevertjes en Kokerjuffers.Draaikevertjes en Kokerjuffers.Waterspin.Waterspin.Waterspin.

Geelgerande Watertor.Geelgerande Watertor.Geelgerande Watertor.

Geelgerande Watertor.Geelgerande Watertor.

Geelgerande Watertor.

Bootsmannetje.Bootsmannetje.Bootsmannetje.

Bootsmannetje.Bootsmannetje.

Bootsmannetje.

Watersalamanders.Watersalamanders.Watersalamanders.

Watersalamanders.Watersalamanders.

Watersalamanders.

Pikzwarte Watertor.Pikzwarte Watertor.Pikzwarte Watertor.

Pikzwarte Watertor.Pikzwarte Watertor.

Pikzwarte Watertor.

Draaikevertjes en Kokerjuffers.Draaikevertjes en Kokerjuffers.Draaikevertjes en Kokerjuffers.

Draaikevertjes en Kokerjuffers.Draaikevertjes en Kokerjuffers.

Draaikevertjes en Kokerjuffers.

Waterspin.Waterspin.Waterspin.

Waterspin.Waterspin.

Waterspin.

Meikever.Meikever.Meikever.Gouden Loopkevers.Gouden Loopkevers.Gouden Loopkevers.Zandloopkevers.Zandloopkevers.Zandloopkevers.Mesttor.Mesttor.Mesttor.Oliekever.Oliekever.Oliekever.Huisjesslakken.Huisjesslakken.Huisjesslakken.

Meikever.Meikever.Meikever.

Meikever.Meikever.

Meikever.

Gouden Loopkevers.Gouden Loopkevers.Gouden Loopkevers.

Gouden Loopkevers.Gouden Loopkevers.

Gouden Loopkevers.

Zandloopkevers.Zandloopkevers.Zandloopkevers.

Zandloopkevers.Zandloopkevers.

Zandloopkevers.

Mesttor.Mesttor.Mesttor.

Mesttor.Mesttor.

Mesttor.

Oliekever.Oliekever.Oliekever.

Oliekever.Oliekever.

Oliekever.

Huisjesslakken.Huisjesslakken.Huisjesslakken.

Huisjesslakken.Huisjesslakken.

Huisjesslakken.

Waar nu het speenkruid groeit buiten het bosch, daar wordt het meteen anders. Het is, of het zijn bescherming mist, zich niet meer veilig voelt en zoo maakt het dan zijn stengels en steeltjes veel korter, zijn bladeren kleiner en stugger, dicht op elkaar vlak tegen den grond.Maar de bloemen blijven even mooi en talrijk en[41]de lieve jeugd krijgt ieder jaar op school zijn speenkruid-les en kan heele verhalen doen over de wortelknolletjes en okselknolletjes en over het feit, dat deze plant met al zijn mooie bloempjes toch zoo weinig rijp zaad voortbrengt.Ge kunt ervan opaan, dat ze na het speenkruid de witte doovenetel „krijgen”. Dat is ook zoo’n mooie duidelijke bloem, die overal gemakkelijk te vinden is en altijd in groote troepen bijeen groeit en lang niet altijd tusschen de echte brandende brandnetels, zooals weleens beweerd wordt. Hoe mooi staan die kransen van groote roomwitte bloemen om de vierkante stengels, krans boven krans en alle bloemen even mooi.

De jeugdige natuurbewonderaar beziet deze bloem ook van den practischen kant en rangschikt haar onder de rubriek „levensmiddelen”. In den morgen zitten de bloemkroonbuisjes vol met lekkeren honing, in den namiddag is het minder, want de bloem kan het niet bijhouden, zoo gauw als de hommels en bijen den voorraad opruimen.

Maar wij moeten nog even naar het bosch terug.

Hier en daar zijn tusschen het eikenhout heele plekken wit van groote stervormige bloemen. Nu wij ons goed herinneren, was de grond in hetzelfde boschje in het vroege voorjaar groen van tallooze dikke spruiten, die het dorre blad op zij drongen. Die groene bladeren zijn nu reeds bijna alle geheel verwelkt en hun plaats wordt thans ingenomen door de bloemen, aan lange stelen of trossen vereenigd.

Dit is de schermdragende vogelmelk, een aardig bolgewasje en die bloem is een echte zonne- en lichtvriend. Zij is er nog juist bijtijds bij, om te bloeien, voordat de eikjes dicht in blad raken. In den morgenstond lijkt er op die plaats geen enkele bloem te staan, want dan zijn ze nog dicht en daar de achterkant der bloemblaadjes groen is, vallen ze in het geheel niet in ’t oog.

Maar als de zon aan den hemel rijst en warmte teruggekaatst wordt door den mullen boschgrond, dan gaan die bloempjes vrij snel open en binnen een half uur schitteren honderd witte sterren, waar zooeven niets anders dan groene knoppen te zien waren.

Er groeit nog een andere vogelmelk in ’t bosch, maar die heeft bladeren en bloementegelijk; dat is de knikkende vogelmelk. Zijn bloemen zijn grooter dan die van de schermdragende, aan de binnenzijde niet zoo schitterend wit, maar van buiten heel mooi grijsgroen. Ze zijn kortgesteeld en staan meestal zijwaarts gericht. De Engelschen noemen deze mooie bloemen „Ster vanBethlehem”.

Plukt ge deze bloemen, dan blijken stengels en bladeren een dik slijmerig vocht te bevatten, wat trouwens bij meer lelieachtige planten het geval is.

Waar het bosch nog niet te veel door roekelooze plukkers en gravers is aangerand, daar komen nu ook te voorschijn die heerlijke lievelingen van alle bloemenvrienden: de lelietjes van dalen en de wildehyacinthen.

Op het eerste gezicht zijn de wilde hyacinthjes wel het mooist. Waar ze groeien, daar staan ze in groot aantal bij elkander, hangende blauwe klokjes in rijen van[42]zes tot tien aan zacht gebogen stengeltjes. Er is juist groen genoeg tusschen, om dichtbij eenige afwisseling te brengen in de kleurenmassa, maar op eenige meters afstands is van dit groen niets meer te zien en dekt een gelijkmatig blauw kleed de ruimte tusschen de groen bemoste stammen.

Hier en daar vertoonen zich witte hyacinthjes tusschen de blauwe en ik heb wel een bosch gekend, waar evenveel witte als blauwe hyacinthjes groeiden en daar stonden ook veel rooskleurige onder. Ieder jaar deed ik kort voor Pinksteren een bedevaart naar dat bosch. Maar de boer, wien het toebehoorde, meende dat zoo’n overvloed van planten op den grond schadelijk was voor den boomgroei en die heeft er toen een paar zomers achtereen zijn kippen in gejaagd, om den grond eens goed om te laten woelen en die plantenboel te vernielen. Hij is er uitmuntend in geslaagd en nu groeien daar niets meer dan brandnetels.

Gelukkig groeien ze langs den duinkant nog bij duizenden en als de plukgrage jeugd zich nu maar vergenoegt met plukken en de plant niet uitgraaft, dan kunnen wij daar nog lang plezier van hebben.

Zoo is het ook met de lelietjes van dalen. In menig bosch hebben ze dapper stand gehouden tot op dezen dag en op afgesloten buitenplaatsen groeien ze bij millioenen en vermenigvuldigen zij zich tot in het oneindige.

In Maart steken de blauwachtig grijze groeipieken in ontelbare menigte door het dorre blad. Een paar warme April-regentjes jagen de bladeren uit de scheeden en als de nachtegaal op zijn schoonst zingt, dan worden de groene bloemtrossen wit en de heerlijke kelkjes verspreiden den liefelijksten geur van het voorjaar. Ja, het is wel heerlijk, de groote groene bladeren op zij te buigen, om daartusschen de flinke, malsche bloeistengels te vinden, bezet met wel twintig of meer bloempjes. Maar heerlijker nog is het, dag aan dag een poosje te liggen aan den rand van ’t bosch, de witte bloempjes te zien schitteren overal langs den groenen boschbodem en den frisschen geur in te ademen onder het gezang van nachtegaal, merel, zanglijster, tuinfluiter, fitis en roodborst.

En als ik nu eens geen boschrand kan vinden met lelietjes van dalen, dan stel ik mij tevreden met salomonszegeltjes, die zijn toch ook van de familie en heusch niet minder mooi of minder geurig. De bloempjes zijn zelfs grooter dan die van het lelietje en aangenamer van vorm. Alleen staan ze niet in trossen bij elkander, maar bij paren of afzonderlijk bij den oorsprong der bladeren. Die bladeren zelf staan in twee rijen flink omhoog gericht, zoodat het lijkt of het heele plantje een soort van nieuwerwetsche vliegmachine is en zoo meteen weg zal zweven door de schemering van ’t bosch.

Door dien stand van de bladeren zijn de bloemen zelf in hun geheel te zien. Zooals ze daar in rijen hangen aan de onderzijde der stengels lijken het risten van groote witte parelen of een versiering van guirlande’s van porceleinen potjes of …[43]maar ze zijn in ieder geval mooier dan iedere vergelijking, die ge kunt bedenken.

Intusschen nadert de tijd, dat het nederig schoon van maagdepalm en hyacinth, vogelmelk, salomonszegel en lelietje van dalen overdekt en overschaduwd wordt door de grootere en grovere boschplanten, die alle ruimte voor zich alleen begeeren. Hier spreiden grove klitten hun groote bladeren, ginds steekt de brandnetel zijn zaagpuntige blaadjes op en waar het fijnverdeelde groen en de witte bloemenzee van het pijpkruid of nachtegaalskruid een plaatsje vrij laat, daar groeit de roode koekoeksbloem in dichte bossen bijeen.

Nachtegaalskruid en koekoeksbloem beginnen te heerschen in ’t bosch, juist in den tijd dat de zang van den nachtegaal en het geroep van den koekoek alle andere vogelgeluiden overstemmen. De nachtegaal houdt er van, zijn nest tusschen deze planten te bouwen en de koekoek weet het dikwijls maar al te goed te vinden.

Tegelijk komen die vogels ook aan, in de derde week van April en de nachtegaaltjes hebben al menig koekoeksjong groot gebracht, al is het ook waar, dat de kwikstaartjes en de graspiepers het meest bezocht worden door dien mooien grooten vogel, die zelf geen nest kan bouwen, zijn eigen eieren niet kan uitbroeden.

Zijn naam is in ieders mond en iedereen kent zijn griezelige ontwikkelingsgeschiedenis; het ei, gelegd in een vreemd nest, het vraatzuchtig jong, dat zijn pleegbroertjes en zusjes uit ’t nest gooit, nog voor dat het zelf zien kan, en zijn pleegouders zoo in beslag neemt, dat zijzelf vaak van honger en uitputting sterven. Iedere koekoek kost het leven van vijf of zes kleine zangvogeltjes.

Maar zijn lenteroep is een van de heerlijkste geluiden van de natuur en wekt voorstellingen van warme lucht en bloemengeur, van witte wolken, hoog zwevend in den blauwen hemel, van hagen bedekt met bloesemsneeuw. Tal van bloemen van bosch en weide zijn naar hem genoemd; een roode anjerachtige bloem geniet de onderscheiding, officieel den naam van koekoeksbloem te mogen voeren, maar de plattelandsbevolking kent nog een groot aantal andere.

Als de koekoek over ’t veld vliegt, dan lijkt hij net een roofvogel; de dwarse streepen op zijn borst herinneren aan den sperwer. Er zijn dan ook nog een groote menigte menschen, die gelooven dat de koekoek des winters in een sperwer en de sperwer des zomers in een koekoek verandert. Intusschen zou een koekoek nooit een vogeltje kunnen grijpen of dooden, daarvoor zijn zijn pooten veel te zwak en[44]deugt zijn snavel ook niet. Hij vergenoegt zich met insecten te eten en neemt de harige rupsen, waarvan bijna alle andere vogels een afschuw hebben.

Men noemt daarom den koekoek nuttig voor den boschbouw en dat is stellig waar, maar in ons land vliegt hij ook zeer veel over weiden en akkers en dikwijls heb ik hem ontmoet aan den waterkant, waar hij tusschen de hooge oeverplanten zijn voedsel zocht.

Het is zoo goed, in ’t voorjaar te zitten aan den waterkant. Het water is dan veel helderder dan in den zomer, het wier heeft nog niet de geheele oppervlakte bedekt en er zweven nog niet zooveel kleine levende wezentjes of overblijfselen er van in rond als in den heeten zomertijd. Lucht en wolken worden erin weerkaatst met groote zuiverheid en de bodem is zoo duidelijk te zien, dat zelfs de bewegingen van kleine zandkorreltjes merkbaar zijn.

Licht en zwierig schieten waterplanten uit den bodem op, hun fijne blaadjes strekkend naar alle kanten, waterpest en hoornblad, vederkruid en waterranonkel. Het gegroefde kroos vormt dichte massa’s van driekante groene blaadjes, klein kroos drijft in cirkelronde schijfjes aan de oppervlakte en de groote bruine bladeren van de waterlelie komen ineengerold naar boven, om zich aan de oppervlakte uit te spreiden en in de warme zon aan de bovenzijde een groene tint aan te nemen. Langzaam volgen groote groene knoppen, maar de witte bloem zelve is een bloem van den zomer en als er zich een opent vroeg in Mei, dan brengt dat feit den groenen kikvorsch in een toestand van de allergrootste verbazing.

Het ontwaken van de kikvorschen valt samen met den terugkeer der vogels, de bruine kikvorsch komt tegelijk met de kieviet, de groene met den nachtegaal, wiens naam hij voeren mag. O, wat worden die „boerennachtegalen” gesmaad en gehoond, maar wat doet het den natuurvriend goed, wanneer hij na den langen winter hun tevreden of uitgelaten gekwaak weer hooren mag.

En dan komen die wonderlijke massa’s kikkerdril in de slooten, de zwarte kikkereitjes, omgeven door een dikke geleilaag, waar de kleine vischjes tevergeefs in happen en die de eieren voor tal vanschadelijkeinvloeden beschermt. Prompt op tijd verschijnen de kleine kikkerlarven, eerst klein, met gesloten bek en wapperende kieuwtjes aan weerszij van den kop, dan grooter, met achterpooten, dan met voorpooten en eindelijk verliezen ze hun platte zwemstaart en worden heusche, kleine speelgoedkikkertjes.

Maar al te dikwerf speelgoed! Speelgoed voor kleine onnadenkende wreedaards, speelgoed voor jongelui, die al graag den natuuronderzoeker uithangen en nog niet voldoende beseffen, dat het leed, door hen het dier aangedaan, lang niet vergoed wordt, door de luttele aanwinst van hun kennis. Het kluchtige dier met zijn menschachtige maniertjes verdient werkelijk een betere behandeling. Hij heeft het toch al hard genoeg te verantwoorden door al zijn behaarde, gevederde en geschubde belagers, waaronder otter en ooievaar, ringslang en snoek de meest geduchte zijn.


Back to IndexNext