BIJLAGEN.

BIJLAGEN.BIJLAGEN.I.HET LIED VAN DE BARENTS.Er was een soldatenlied: „Naar Atjeh! naar Atjeh!” dat Beynen dikwijls zong en aan mijn kinderen leerde. Wie het gedicht heeft, en wien de zangwijze te danken is, heb ik niet te weten kunnen komen. Op die melodie, en gebruik makende van enkele uitdrukkingen in dat soldatenlied, schreef ik ter zijner herinnering „Het lied van de Barents.”Tot twee keer gaat Beynen met Young om de Noord,En „Tromp” noemt bewond’rend hem ieder aan boord.„O! makkers, oud Holland’s vlag ligt hier ter neêr!bis.„Wie ontplooit haar met mij op een ijsschoener weer!„Naar ’t Noorden, naar ’t Noorden, heel d’ aard zal het zien,„Wat Holland, oud Holland nog ’t hoofd durft te biên,„Hoe ’t volk aan verleden en toekomst gehecht,bis.„Geen gevaren ontziet voor zijn eer en zijn recht!„Ja, Neêrland! uw zeelui beminnen ’t gevaar,„In d’ ijszee gehard valt geen taak hun ooit zwaar;„En kost het ook velen, wij geven als rouwbis.„Hun het ridderlijk grafschrift: Beleid, Moed en Trouw!”Zijn jonge stem trilt wijl naar ’t Noorden hij wijst,Zijn geestdrift wekt vuur, en een heldenschaar rijst;DeBarentszeilt weg, Holland’s vlag wappert grootsch,bis.„Om de Noord!” roept de Bruyne, „met Beynen als loods!”DeBarentsbreekt nu door het ijs keer op keer,Want Beynen wees Neêrland het strijdperk der eer;Hij toonde ons hoe geestdrift de zelfzucht verwint,bis.En wij minnen eens ’t land zoo als hij ’t heeft bemind!II.HET WETENSCHAPPELIJK NUT.Nu wij voor nieuwe tochten—mocht het zijn op een zeilschip met stoomvermogen—het geld en de sympathie van onze landgenooten komen vragen, mogen we met dankbaarheid getuigen dat het kleine poolschip de aanmoedigende eerbewijzen welke de hoofdstad van het vaderland het bij zijn eerst vertrek bracht, ruim verdiend heeft. Mag ik in enkele woorden er aan herinneren wat deBarentsvoor de wetenschap gedaan heeft? Ik weet wel dat menige gemoedelijke natuur, die niet ontstemd zou zijn zoo al die ijver enkel traan en hoopen glimmend robbenvel betrof, zucht: „Och die wetenschap! wat zijn de tijden toch veranderd!” ’t Is zeker, tijden en omstandigheden veranderen, en wij met hen, want elke tijd heeft eigen eischen. Eerst toog men naar het Noorden en zocht nieuwe handelswegen naar de Oost. Toen men op deze reizen links en rechts de waterstralen op zag spuiten,die aan den zeeman toonden hoe vischrijk ’t Noorden was, togen groote vloten met Neêrland’s vlag in top naar Groenland, Spitsbergen en Jan Mayeneiland heen en bloeide Smeerenburg. Toen de gejaagde walvisch zich terugtrok in het ijs, volgde men moedig ’t groote dier en maakte tochten op met ijs bedekte zeeën, en weldra werd het de eer wie ’t verste Noordwaarts trekken kon. In onzen tijd doet voor het eerst de wetenschap zich gelden, en zijn streven is toch voorwaar niet het minst edele van de vier. Men wist vóór de reizen van deWillem Barentsniet veel meer van de Barentszee dan dat er ondoordringbaar ijs in het Noorden dier zee lag, op welker ijsschollen de stoombootTegethoffwerd rondgevoerd om op Frans-Joseph-eiland te stranden.1Alles wat uit deze zee werd medegebracht door deBarentsis nieuw en heeft wetenschappelijke waarde. Wij kennen nu door menigvuldige loodingen overal de diepte en den grond. De meteorologische waarnemingen zijn trouw en aanhoudend gedaan, doch deze moeten natuurlijk jaren achtereen herhaald worden eer ze belangrijke uitkomsten kunnen geven.De observaties van zoutgehalte en temperatuur der zee van de oppervlakte tot den bodem, hebben ons de stroomen leeren kennen. Men weet thans dat de golfstroom zich over een groot gedeelte der Barentszee uitbreidt, zijn warmte afgevende bij de ijsgrenzen, die daardoor tijdens den zomer meer en meer naar het Noorden gedrongen worden. Het warme water bevindt zich alleen aan de oppervlakte in een ondiepe laag, die dunner wordt naarmate de stroom zich meeruitstrekt. Het is voor het eerst gebleken dat de golfstroom in de Barentszeenietver om de Noord dringt. Men heeft enkele kapen sterrekundig kunnen bepalen, de kaart van Frans-Joseph-land gewijzigd, een paar nieuwe kapen namen gegeven en baaien opgenomen en in kaart gebracht. Men heeft honderde grondsoorten uit de diepten der zee opgehaald, te Leiden aan de geleerden ter hand gesteld; de verzamelingen van de zoölogen hebben veel nieuws opgeleverd. Men heeft kunnen waarnemen dat sedert 1840 op verschillende plaatsen de horizontale intensiteit van de magneetnaald is toegenomen op andere verminderd, en de magnetische waarnemingen worden zoo belangrijk geacht, dat men ze te Hamburg gebruikt bij het samenstellen van eene magnetische kaart der geheele wereld. Men heeft de belangwekkende ontdekking gedaan, dat de schepen die verleden zomer te vergeefs hebben gepoogd de Jenisei en de noordelijke Russische riviermonden te bereiken, dit benoorden Nova Zembla hadden kunnen doen. Als de eene weg versperd is door het ijs, is bijna zeker de andere open.De tocht naar Frans-Joseph-land heeft nieuw terrein aangewezen voor de Noorsche visschers. Bij de komst van deBarentsin Noorwegen werd met belangstelling geïnformeerd naar het aantal walrussen en zeehonden door de officieren gezien, en verschillende walrusjagers zullen hiervan dezen zomer partij trekken.Eindelijk heeft de tocht van deBarentsEngeland’s eerzucht gewekt en zullen wij spoedig in de Barentszee een zeer gewenschten en zeer noodigen mededinger en bondgenoot krijgen.De Engelsche admiraalMacClintock, de beroemdste aller nu levende Noordpoolvaarders, heeft een paar weken geleden in de vergadering van het Engelsche aardrijkskundig genootschap betuigt: „dat niets zoozeerde kennis der poolzeeën vermeerdert als het geduldig, systematisch onderzoek der Nederlandsche zeelieden, wien het genootschap bij deze betuigt dat het zich verheugt in het succes dat zij met zoo geringe middelen hebben verkregen, waarvoor ze hun dank zegt, en eert.”Landgenooten, ge ziet dus dat het wetenschappelijk nut dier tochten groot is. En op hun eigenaardig belang voor een handeldrijvend volk heeft prof. Kan, in zijn studie over L. R. Koolemans Beynen, de aandacht gevestigd toen hij zeide: „Welk een voordeel handel en scheepvaart van ’t onderzoek der arctische gewesten konden plukken, bleek volgens Beynen uit het vinden van den nieuwen handelsweg, door prof.Nordenskjöldnaar de monding van de Ob en Jenisei geopend, een weg, waarvan Nederlandz. i.zeker niet minder dan eenige andere natie de voordeelen zou kunnen trekken. Terwijl hij minder hechtte aan de voordeelen van de exploitatie der kriolieth- en steenkolenmijnen (die op de kusten van Groenland zijn overigens uitvoerig door hem in zijn eerste verslag beschreven), verwachtte hij meer van de winsten, door de visscherij te verkrijgen, vooral wanneer daarvoor de juiste terreinen werden opgezocht. Daartoe vestigde hij, zooals wij boven met een enkel woord zagen, uitdrukkelijk de aandacht op de visscherij in de Zuidpoolzee, waarvan men ook in Engeland zoo groote verwachtingen koesterde, een zee, waar Ross tusschen 1839 en ’43 een groot, donker soort van walvisschen had gevonden en waar hij tot op 71°Z. B.den geheelen dag blaasstralen aantrof. Twijfelde men nog, of dit Zuidpoolbekken aan de verwachting zou kunnen beantwoorden en ook voor Nederland winsten afwerpen, men zou den regel der voorouders volgen, er heengaan en onderzoeken.„Dat de heer Beynen bij ’t ondernemen van den eersten Nederlandschen pooltocht, waarbij de eischen der wetenschap en het plaatsen van gedenksteenen op den voorgrond traden, deze denkbeelden niet telkens weder uitsprak, moge niemand verwonderen. Daarom verloor hij ze toch geenszins uit het oog. Dat hijo.a.zijn studiën over Siberië en de daar bestaande handelstoestanden intusschen steeds voortzette, is schrijver dezes meermalen gebleken; dat hij aan de toekomst van den nieuwen handelsweg geloofde, kan blijken uit het verslag der eerste reis van deWillem Barents, waarin hij zijn nauwkeurig opnemen en beschrijven der Matotsjkin Sjar daarmede motiveert, „dewijl deze straat, met het oog op het toenemend handelsverkeer tusschen Europa en de Siberische rivieren, eenveel gevolgdvaarwater belooft te worden.”De hoofdcommissie voor de IJszeevaart,welke de tochten blijft leiden, bestaat uit de heeren: J. D. Fransen van de Putte, O. Baron van Wassenaer van Catwijck, M. H. Jansen, H. de Bruine, E. N. Rahusen en Charles Boissevain.III.Het gedicht van Longfellow luidt dus in het Engelsch:Once upon Iceland’s solitary strand,A poet wandered with his book and pen,Seeking some final word, some sweet Amen,Wherewith to close the volume in his hand.The billows rolled and plunged upon the sand,The circling sea-gulls swept beyond his ken,And from the parting cloud-rack now and thenFlashed the red sunset over sea and land.Then by the billows at his feet was tossedA broken oar; and carved thereon he read,„Oft was I weary when I toiled at thee;”And like a man, who findeth what was lost,He wrote the words, then lifted up his headAnd flung his useless pen into the sea.IV.Toen het Engelsche geogr. genootschap de tijding van Beynen’s dood vernam, schreef de president, lord Northbrook—oud-onderkoning van Britsch-Indië en thans minister van marine—het volgende aan den president van het IJszeevaart-comité:1 Savile RowBurlington Gardens W.25 Nov. 1879Sir!In my own name, and on the part of the council of the RoyalGeographicalSociety, I hasten to convey to you, and to the Dutch Arctic Committee, our feelings of regret at the sad news which has just reached us, of the untimely death of Lieutenant Koolemans Beynen.In conveying to the Committee our expressions of sympathy, we desire at the same time to record our sense of the great loss which geographical science and research have sustained, and to assure you that the distinguished services of Lieut. Beynen were highly appreciated in England.I have the honour to beSir, your most obedient servantNorthbrook.President Royal Geographical Society.MonsieurFransen van de PutteChairmanof the Arctic Committee, the Hague.Indien ik al de brieven wilde aanhalen, waarin zoovele mannen en vrouwen, op wie wij Nederlanders fier zijn, hun innig leedwezen over Beynen’s dood, hun hartelijke waardeering en bewondering van zijn fier karakter en edel streven deden kennen aan zijn moeder, betrekkingen en vrienden, dan zou ik aan dit boek een groot aantal bladzijden moeten toevoegen. Nicolaas Beets en mevrouw Bosboom-Toussaint, om een paar voorbeelden te noemen, drukten uit hoe zij die poëzie liefhebben en edele gedachten eeren, den jongen zeeman en zijn streven op prijs stelden, en officieren, staatslieden en burgers van elken stand bewezen eveneens hoe ze den vaderlandlievenden enthousiast hadden lief gekregen.C. Honigh zond mij het volgende gedicht ter herdenking van den dierbaren vriend.L. R. KOOLEMANS BEYNEN.„Laat hen, die kunnen schrijven, dan schrijven! die kunnen varen van wal steken! die offers kunnen brengen op het altaar van het vaderland, hun zilver of goud geven!”Chs. Boissevain.Benijdbaar, wien het mocht gebeuren,Dat heel een natie bij zijn doodEen rouwklacht slaakte en in dat treurenHaar diepstgevoelde hulde bood!Dat lot wordt slechts door hem verworven,Die heel een leven kennen deê,Maar ’t uwe ook was ‘t, schoon vroeg gestorven,Gij, jonge kampioen ter zee!Geen stoetontelb’re, ontroostb’re vrindenHeeft tot aan ’t graf uw baar verzeldU werd, gelijk den kloeken Barents,Het veld van roem ook ’t doodenveld.Vond deze eenmaal in ’t barre NoordenEen schuilplaats in ’t „Behouden Huys”2Gij vondt uw graf in ’t gloeiend Oosten,Maar, vrome held, ook gij zijt thuis!Ja, vroom en vroed gelijk de vaadren,Wier voetspoor gij weer hebt gedrukt!Zij reikten u den eerelauwer,Uit hun nog groenen krans geplukt.Gij deedt voor eeuwenoude glorieHet hart des volks weer hooger slaan,Herleeft ter zee onze oude luister,Met u vangt dan dit tijdperk aan.De „Willem Barentz” hijscht—wij willen ‘t—Dra Hollands vlag weer als ’t symbool,Dat de oude geest zijn vleuglen uitslaatEn wakker streeft van pool tot pool.Gij moogt dat scheepje niet verzellen,In zege deelen noch in strijd;Toch werkt ge op scheepsvoogd en gezellen,Bezielend of ge aanwezig zijt.Dus gaat er ook van dezen doodeEen levenwekkende adem uit,Den killen ijskorst weer ontdooiend,Die menig hart voor geestdrift sluit.De driekleur wappert nu in ’t Noorden,In ’t Zuiden straks—doch wáár ontplooid,Die ’t eerst na eeuwen ze er ontrolde,Neen, ’t dankbaar volk vergeet hem nooit.Rijst eenmaal binnen de Amstelmuren’t Walhalla, dat te aanschouwen geeftIn wie de roem van vroeger eeuwen,Het leven onzer natie leeft,Dan naast de Ruyter en de TrompenDees jongen Tromp een plaats geboôn:„Zeevaders” noemde hij die oudren,Wèl was hij hun een waardig zoon!Maar doen wij meer nog, doen wij beter,Dat ieder schip van Neêrlands vlootIn officiershut en vooronderZijn beeltnis toone, en ’t hoofd ontbloot,Spreke elk in geestdrift bij ’t aanschouwen:„Wij volgen op de ontsloten baan,„Ons voorbeeld zullen we in u eeren,„Die, jong, zooveel reeds hebt gedaan.”Wageningen.C. Honigh.EINDEEINDE1Deze mededeelingen geven in kort weer wat luitenant van Broekhuyzen in zijn lezing inZeemanshoopover de resultaten van de reis opmerkte.↑2„’t Behouden Huys”, dus noemden Barents en zijne lotgenooten de hut, waarin zij op Nova-Zembla in 1596 overwinterden.↑INHOUD.Blz.Voorrede7Inleiding13Zijn jeugd21In Atjeh28Naar het Noorden50De tochten op de Pandora57Met woord en daad111Des zomers op de Noordzee126Op de Willem Barents150In den mist164In ’t westijs168In ’t kraaiennest173In ’t oostijs187Laatste winter in het vaderland193’s Winters op de Noordzee203Laatste maanden237Bijlagen258Lijst van verschenen nummers van deW. B.WERELD-BIBLIOTHEEKonder leiding van L. SIMONS, uitgegeven voor de MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR, door G. SCHREUDERS, Amsterdam.PRIJS PER NUMMER:20 cts. ingd.; 30 cts. in carton; 40 cts. in linnen.Dubbele nummers in één deel: 40 cts. ingd.; 50 cts. in carton; 60 cts. in linnen.JAAR-ABONNEMENTEN:30 Nrs. in cartonƒ7.5030 Nrs. in linnenƒ10.—VERSCHENEN:No. 1 en 2.BETJE WOLFF en AAGJE DEKEN, Historie van Mej. Sara Burgerhart. Inleiding van Prof. L. Knappert, 2 dln.No. 3.JULES MICHELET,De Martelaren van Rusland.No. 4.HENRIK IBSEN, De Steunpilaren der Maatschappij.Nos. 5/6.ALBERT VERWEY, Inleiding tot de Nieuwe Nederlandsche Dichtkunst.No. 7.ALADDIN EN DE WONDERLAMP.No. 8.ALI BABA EN DE VEERTIG ROOVERS.Nos. 9/10.JUDITH GAUTHIER, De Gedenkschriften van een Witten Olifant.Nos. 11/12.CH. KINGSLEY, De Waterkindertjes.No. 13.Prof. HUGO DE VRIES,Het Yellowstone Park.—Experimenteele Evolutie.No. 14.OKAKURA YOSHISABURO, De Geest van Japan.No. 15.CHARLES DICKENS,Een Kerstlied in proza.No. 16.MOLIERE, De Schelmenstreken van Scapin.Nos. 17/18.G. VAN HULZEN, Getrouwd.No. 19.Fr. HEBBEL, Maria Magdalena.No. 20.TOLSTOJ, Iwan de Dwaas en andere Volksvertellingen.No. 21.SHAKESPEARE, Coriolanus.No. 22.M. SCHARTEN-ANTINK,Sprotje.No. 23.SALZMANN, Het Mierenboekje of de Opvoeding der Opvoeders.Nos. 24/25.H. G. WELLS,Het Voedsel der Goden.Nos. 26/27.SCIPIO SIGHELE, De menigte als misdadigster.Nos. 28/29.F. SCHMIDT DEGENER, Rembrandt.No. 30.H. DE BALZAC, Het Gevloekte Kind.ColofonBeschikbaarheidDit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van deProject Gutenberg Licentiebij dit eBoek of on-line opwww.gutenberg.org.Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam opwww.pgdp.net.MetadataTitel:Leven en streven van L. R. Koolemans BeynenAuteur:Charles Boissevain (1842–1927)InfoTaal:Nederlands (Oude Spelling)Oorspronkelijke uitgiftedatum:[1918]Trefwoorden:Laurens Reinhart Koolemans Beynen (1852–1879), militair en poolreizigerCatalogusvermeldingenGerelateerde WorldCat cataloguspagina:784059285CoderingDit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.Documentgeschiedenis2017-09-03 Begonnen.Externe ReferentiesDit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.VerbeteringenDe volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:BladzijdeBronVerbeteringBewerkingsafstand3811en11den158ijsmassaasijsmassa’s167eenen168BeyenBeynen178DiscofordDiscofjord198zijnzij1100thouroughlythoroughly1100teto1103,261Mac ClintockMacClintock1103Mac GahanMacGahan1106maitremaître1 / 0108,109[Niet in bron].1123dandans1123nourirnourrir1123,125[Niet in bron]”1147hydographenhydrographen1161,218[Niet in bron]„1166soortgelijksoortelijk1169neerneêr1 / 0171pionnierpionier1171dr.Dr.1185moeilijkemoeielijke1189neerhalenneêrhalen1 / 0194[Niet in bron]°1196„[Verwijderd]1222stormweerstormweêr1 / 0224vaamvaâm1 / 0231CasterCastor1231,.1234profundusprofundis1243vijfkeervijf keer1253zee-oficierzeeofficier2258bïsbis1 / 0262NordenskiöldNordenskjöld1263.,1264GeograhpicalGeographical2264GhairmainChairman2265ontelbreontelb’re1AfkortingenOverzicht van gebruikte afkortingen.AfkortingUitgeschrevenb.v.bijvoorbeeldd.i.dat isjhr.jonkheerN. Br.noorderbreedteN. N. W.noord-noordwestO. N. O-lijkeoost-noordoostelijkeo.a.onder andereW. N. W.west-noordwestZ. B.zuiderbreedtez. i.zijn inziensZ. K. H.Zijne Koninklijke HoogheidZ. W.zuidwestenZ. Z. W-lijkezuid-zuidwestelijkeZr. Ms.Zijner Majesteits

BIJLAGEN.BIJLAGEN.I.HET LIED VAN DE BARENTS.Er was een soldatenlied: „Naar Atjeh! naar Atjeh!” dat Beynen dikwijls zong en aan mijn kinderen leerde. Wie het gedicht heeft, en wien de zangwijze te danken is, heb ik niet te weten kunnen komen. Op die melodie, en gebruik makende van enkele uitdrukkingen in dat soldatenlied, schreef ik ter zijner herinnering „Het lied van de Barents.”Tot twee keer gaat Beynen met Young om de Noord,En „Tromp” noemt bewond’rend hem ieder aan boord.„O! makkers, oud Holland’s vlag ligt hier ter neêr!bis.„Wie ontplooit haar met mij op een ijsschoener weer!„Naar ’t Noorden, naar ’t Noorden, heel d’ aard zal het zien,„Wat Holland, oud Holland nog ’t hoofd durft te biên,„Hoe ’t volk aan verleden en toekomst gehecht,bis.„Geen gevaren ontziet voor zijn eer en zijn recht!„Ja, Neêrland! uw zeelui beminnen ’t gevaar,„In d’ ijszee gehard valt geen taak hun ooit zwaar;„En kost het ook velen, wij geven als rouwbis.„Hun het ridderlijk grafschrift: Beleid, Moed en Trouw!”Zijn jonge stem trilt wijl naar ’t Noorden hij wijst,Zijn geestdrift wekt vuur, en een heldenschaar rijst;DeBarentszeilt weg, Holland’s vlag wappert grootsch,bis.„Om de Noord!” roept de Bruyne, „met Beynen als loods!”DeBarentsbreekt nu door het ijs keer op keer,Want Beynen wees Neêrland het strijdperk der eer;Hij toonde ons hoe geestdrift de zelfzucht verwint,bis.En wij minnen eens ’t land zoo als hij ’t heeft bemind!II.HET WETENSCHAPPELIJK NUT.Nu wij voor nieuwe tochten—mocht het zijn op een zeilschip met stoomvermogen—het geld en de sympathie van onze landgenooten komen vragen, mogen we met dankbaarheid getuigen dat het kleine poolschip de aanmoedigende eerbewijzen welke de hoofdstad van het vaderland het bij zijn eerst vertrek bracht, ruim verdiend heeft. Mag ik in enkele woorden er aan herinneren wat deBarentsvoor de wetenschap gedaan heeft? Ik weet wel dat menige gemoedelijke natuur, die niet ontstemd zou zijn zoo al die ijver enkel traan en hoopen glimmend robbenvel betrof, zucht: „Och die wetenschap! wat zijn de tijden toch veranderd!” ’t Is zeker, tijden en omstandigheden veranderen, en wij met hen, want elke tijd heeft eigen eischen. Eerst toog men naar het Noorden en zocht nieuwe handelswegen naar de Oost. Toen men op deze reizen links en rechts de waterstralen op zag spuiten,die aan den zeeman toonden hoe vischrijk ’t Noorden was, togen groote vloten met Neêrland’s vlag in top naar Groenland, Spitsbergen en Jan Mayeneiland heen en bloeide Smeerenburg. Toen de gejaagde walvisch zich terugtrok in het ijs, volgde men moedig ’t groote dier en maakte tochten op met ijs bedekte zeeën, en weldra werd het de eer wie ’t verste Noordwaarts trekken kon. In onzen tijd doet voor het eerst de wetenschap zich gelden, en zijn streven is toch voorwaar niet het minst edele van de vier. Men wist vóór de reizen van deWillem Barentsniet veel meer van de Barentszee dan dat er ondoordringbaar ijs in het Noorden dier zee lag, op welker ijsschollen de stoombootTegethoffwerd rondgevoerd om op Frans-Joseph-eiland te stranden.1Alles wat uit deze zee werd medegebracht door deBarentsis nieuw en heeft wetenschappelijke waarde. Wij kennen nu door menigvuldige loodingen overal de diepte en den grond. De meteorologische waarnemingen zijn trouw en aanhoudend gedaan, doch deze moeten natuurlijk jaren achtereen herhaald worden eer ze belangrijke uitkomsten kunnen geven.De observaties van zoutgehalte en temperatuur der zee van de oppervlakte tot den bodem, hebben ons de stroomen leeren kennen. Men weet thans dat de golfstroom zich over een groot gedeelte der Barentszee uitbreidt, zijn warmte afgevende bij de ijsgrenzen, die daardoor tijdens den zomer meer en meer naar het Noorden gedrongen worden. Het warme water bevindt zich alleen aan de oppervlakte in een ondiepe laag, die dunner wordt naarmate de stroom zich meeruitstrekt. Het is voor het eerst gebleken dat de golfstroom in de Barentszeenietver om de Noord dringt. Men heeft enkele kapen sterrekundig kunnen bepalen, de kaart van Frans-Joseph-land gewijzigd, een paar nieuwe kapen namen gegeven en baaien opgenomen en in kaart gebracht. Men heeft honderde grondsoorten uit de diepten der zee opgehaald, te Leiden aan de geleerden ter hand gesteld; de verzamelingen van de zoölogen hebben veel nieuws opgeleverd. Men heeft kunnen waarnemen dat sedert 1840 op verschillende plaatsen de horizontale intensiteit van de magneetnaald is toegenomen op andere verminderd, en de magnetische waarnemingen worden zoo belangrijk geacht, dat men ze te Hamburg gebruikt bij het samenstellen van eene magnetische kaart der geheele wereld. Men heeft de belangwekkende ontdekking gedaan, dat de schepen die verleden zomer te vergeefs hebben gepoogd de Jenisei en de noordelijke Russische riviermonden te bereiken, dit benoorden Nova Zembla hadden kunnen doen. Als de eene weg versperd is door het ijs, is bijna zeker de andere open.De tocht naar Frans-Joseph-land heeft nieuw terrein aangewezen voor de Noorsche visschers. Bij de komst van deBarentsin Noorwegen werd met belangstelling geïnformeerd naar het aantal walrussen en zeehonden door de officieren gezien, en verschillende walrusjagers zullen hiervan dezen zomer partij trekken.Eindelijk heeft de tocht van deBarentsEngeland’s eerzucht gewekt en zullen wij spoedig in de Barentszee een zeer gewenschten en zeer noodigen mededinger en bondgenoot krijgen.De Engelsche admiraalMacClintock, de beroemdste aller nu levende Noordpoolvaarders, heeft een paar weken geleden in de vergadering van het Engelsche aardrijkskundig genootschap betuigt: „dat niets zoozeerde kennis der poolzeeën vermeerdert als het geduldig, systematisch onderzoek der Nederlandsche zeelieden, wien het genootschap bij deze betuigt dat het zich verheugt in het succes dat zij met zoo geringe middelen hebben verkregen, waarvoor ze hun dank zegt, en eert.”Landgenooten, ge ziet dus dat het wetenschappelijk nut dier tochten groot is. En op hun eigenaardig belang voor een handeldrijvend volk heeft prof. Kan, in zijn studie over L. R. Koolemans Beynen, de aandacht gevestigd toen hij zeide: „Welk een voordeel handel en scheepvaart van ’t onderzoek der arctische gewesten konden plukken, bleek volgens Beynen uit het vinden van den nieuwen handelsweg, door prof.Nordenskjöldnaar de monding van de Ob en Jenisei geopend, een weg, waarvan Nederlandz. i.zeker niet minder dan eenige andere natie de voordeelen zou kunnen trekken. Terwijl hij minder hechtte aan de voordeelen van de exploitatie der kriolieth- en steenkolenmijnen (die op de kusten van Groenland zijn overigens uitvoerig door hem in zijn eerste verslag beschreven), verwachtte hij meer van de winsten, door de visscherij te verkrijgen, vooral wanneer daarvoor de juiste terreinen werden opgezocht. Daartoe vestigde hij, zooals wij boven met een enkel woord zagen, uitdrukkelijk de aandacht op de visscherij in de Zuidpoolzee, waarvan men ook in Engeland zoo groote verwachtingen koesterde, een zee, waar Ross tusschen 1839 en ’43 een groot, donker soort van walvisschen had gevonden en waar hij tot op 71°Z. B.den geheelen dag blaasstralen aantrof. Twijfelde men nog, of dit Zuidpoolbekken aan de verwachting zou kunnen beantwoorden en ook voor Nederland winsten afwerpen, men zou den regel der voorouders volgen, er heengaan en onderzoeken.„Dat de heer Beynen bij ’t ondernemen van den eersten Nederlandschen pooltocht, waarbij de eischen der wetenschap en het plaatsen van gedenksteenen op den voorgrond traden, deze denkbeelden niet telkens weder uitsprak, moge niemand verwonderen. Daarom verloor hij ze toch geenszins uit het oog. Dat hijo.a.zijn studiën over Siberië en de daar bestaande handelstoestanden intusschen steeds voortzette, is schrijver dezes meermalen gebleken; dat hij aan de toekomst van den nieuwen handelsweg geloofde, kan blijken uit het verslag der eerste reis van deWillem Barents, waarin hij zijn nauwkeurig opnemen en beschrijven der Matotsjkin Sjar daarmede motiveert, „dewijl deze straat, met het oog op het toenemend handelsverkeer tusschen Europa en de Siberische rivieren, eenveel gevolgdvaarwater belooft te worden.”De hoofdcommissie voor de IJszeevaart,welke de tochten blijft leiden, bestaat uit de heeren: J. D. Fransen van de Putte, O. Baron van Wassenaer van Catwijck, M. H. Jansen, H. de Bruine, E. N. Rahusen en Charles Boissevain.III.Het gedicht van Longfellow luidt dus in het Engelsch:Once upon Iceland’s solitary strand,A poet wandered with his book and pen,Seeking some final word, some sweet Amen,Wherewith to close the volume in his hand.The billows rolled and plunged upon the sand,The circling sea-gulls swept beyond his ken,And from the parting cloud-rack now and thenFlashed the red sunset over sea and land.Then by the billows at his feet was tossedA broken oar; and carved thereon he read,„Oft was I weary when I toiled at thee;”And like a man, who findeth what was lost,He wrote the words, then lifted up his headAnd flung his useless pen into the sea.IV.Toen het Engelsche geogr. genootschap de tijding van Beynen’s dood vernam, schreef de president, lord Northbrook—oud-onderkoning van Britsch-Indië en thans minister van marine—het volgende aan den president van het IJszeevaart-comité:1 Savile RowBurlington Gardens W.25 Nov. 1879Sir!In my own name, and on the part of the council of the RoyalGeographicalSociety, I hasten to convey to you, and to the Dutch Arctic Committee, our feelings of regret at the sad news which has just reached us, of the untimely death of Lieutenant Koolemans Beynen.In conveying to the Committee our expressions of sympathy, we desire at the same time to record our sense of the great loss which geographical science and research have sustained, and to assure you that the distinguished services of Lieut. Beynen were highly appreciated in England.I have the honour to beSir, your most obedient servantNorthbrook.President Royal Geographical Society.MonsieurFransen van de PutteChairmanof the Arctic Committee, the Hague.Indien ik al de brieven wilde aanhalen, waarin zoovele mannen en vrouwen, op wie wij Nederlanders fier zijn, hun innig leedwezen over Beynen’s dood, hun hartelijke waardeering en bewondering van zijn fier karakter en edel streven deden kennen aan zijn moeder, betrekkingen en vrienden, dan zou ik aan dit boek een groot aantal bladzijden moeten toevoegen. Nicolaas Beets en mevrouw Bosboom-Toussaint, om een paar voorbeelden te noemen, drukten uit hoe zij die poëzie liefhebben en edele gedachten eeren, den jongen zeeman en zijn streven op prijs stelden, en officieren, staatslieden en burgers van elken stand bewezen eveneens hoe ze den vaderlandlievenden enthousiast hadden lief gekregen.C. Honigh zond mij het volgende gedicht ter herdenking van den dierbaren vriend.L. R. KOOLEMANS BEYNEN.„Laat hen, die kunnen schrijven, dan schrijven! die kunnen varen van wal steken! die offers kunnen brengen op het altaar van het vaderland, hun zilver of goud geven!”Chs. Boissevain.Benijdbaar, wien het mocht gebeuren,Dat heel een natie bij zijn doodEen rouwklacht slaakte en in dat treurenHaar diepstgevoelde hulde bood!Dat lot wordt slechts door hem verworven,Die heel een leven kennen deê,Maar ’t uwe ook was ‘t, schoon vroeg gestorven,Gij, jonge kampioen ter zee!Geen stoetontelb’re, ontroostb’re vrindenHeeft tot aan ’t graf uw baar verzeldU werd, gelijk den kloeken Barents,Het veld van roem ook ’t doodenveld.Vond deze eenmaal in ’t barre NoordenEen schuilplaats in ’t „Behouden Huys”2Gij vondt uw graf in ’t gloeiend Oosten,Maar, vrome held, ook gij zijt thuis!Ja, vroom en vroed gelijk de vaadren,Wier voetspoor gij weer hebt gedrukt!Zij reikten u den eerelauwer,Uit hun nog groenen krans geplukt.Gij deedt voor eeuwenoude glorieHet hart des volks weer hooger slaan,Herleeft ter zee onze oude luister,Met u vangt dan dit tijdperk aan.De „Willem Barentz” hijscht—wij willen ‘t—Dra Hollands vlag weer als ’t symbool,Dat de oude geest zijn vleuglen uitslaatEn wakker streeft van pool tot pool.Gij moogt dat scheepje niet verzellen,In zege deelen noch in strijd;Toch werkt ge op scheepsvoogd en gezellen,Bezielend of ge aanwezig zijt.Dus gaat er ook van dezen doodeEen levenwekkende adem uit,Den killen ijskorst weer ontdooiend,Die menig hart voor geestdrift sluit.De driekleur wappert nu in ’t Noorden,In ’t Zuiden straks—doch wáár ontplooid,Die ’t eerst na eeuwen ze er ontrolde,Neen, ’t dankbaar volk vergeet hem nooit.Rijst eenmaal binnen de Amstelmuren’t Walhalla, dat te aanschouwen geeftIn wie de roem van vroeger eeuwen,Het leven onzer natie leeft,Dan naast de Ruyter en de TrompenDees jongen Tromp een plaats geboôn:„Zeevaders” noemde hij die oudren,Wèl was hij hun een waardig zoon!Maar doen wij meer nog, doen wij beter,Dat ieder schip van Neêrlands vlootIn officiershut en vooronderZijn beeltnis toone, en ’t hoofd ontbloot,Spreke elk in geestdrift bij ’t aanschouwen:„Wij volgen op de ontsloten baan,„Ons voorbeeld zullen we in u eeren,„Die, jong, zooveel reeds hebt gedaan.”Wageningen.C. Honigh.EINDEEINDE1Deze mededeelingen geven in kort weer wat luitenant van Broekhuyzen in zijn lezing inZeemanshoopover de resultaten van de reis opmerkte.↑2„’t Behouden Huys”, dus noemden Barents en zijne lotgenooten de hut, waarin zij op Nova-Zembla in 1596 overwinterden.↑

BIJLAGEN.BIJLAGEN.I.HET LIED VAN DE BARENTS.Er was een soldatenlied: „Naar Atjeh! naar Atjeh!” dat Beynen dikwijls zong en aan mijn kinderen leerde. Wie het gedicht heeft, en wien de zangwijze te danken is, heb ik niet te weten kunnen komen. Op die melodie, en gebruik makende van enkele uitdrukkingen in dat soldatenlied, schreef ik ter zijner herinnering „Het lied van de Barents.”Tot twee keer gaat Beynen met Young om de Noord,En „Tromp” noemt bewond’rend hem ieder aan boord.„O! makkers, oud Holland’s vlag ligt hier ter neêr!bis.„Wie ontplooit haar met mij op een ijsschoener weer!„Naar ’t Noorden, naar ’t Noorden, heel d’ aard zal het zien,„Wat Holland, oud Holland nog ’t hoofd durft te biên,„Hoe ’t volk aan verleden en toekomst gehecht,bis.„Geen gevaren ontziet voor zijn eer en zijn recht!„Ja, Neêrland! uw zeelui beminnen ’t gevaar,„In d’ ijszee gehard valt geen taak hun ooit zwaar;„En kost het ook velen, wij geven als rouwbis.„Hun het ridderlijk grafschrift: Beleid, Moed en Trouw!”Zijn jonge stem trilt wijl naar ’t Noorden hij wijst,Zijn geestdrift wekt vuur, en een heldenschaar rijst;DeBarentszeilt weg, Holland’s vlag wappert grootsch,bis.„Om de Noord!” roept de Bruyne, „met Beynen als loods!”DeBarentsbreekt nu door het ijs keer op keer,Want Beynen wees Neêrland het strijdperk der eer;Hij toonde ons hoe geestdrift de zelfzucht verwint,bis.En wij minnen eens ’t land zoo als hij ’t heeft bemind!II.HET WETENSCHAPPELIJK NUT.Nu wij voor nieuwe tochten—mocht het zijn op een zeilschip met stoomvermogen—het geld en de sympathie van onze landgenooten komen vragen, mogen we met dankbaarheid getuigen dat het kleine poolschip de aanmoedigende eerbewijzen welke de hoofdstad van het vaderland het bij zijn eerst vertrek bracht, ruim verdiend heeft. Mag ik in enkele woorden er aan herinneren wat deBarentsvoor de wetenschap gedaan heeft? Ik weet wel dat menige gemoedelijke natuur, die niet ontstemd zou zijn zoo al die ijver enkel traan en hoopen glimmend robbenvel betrof, zucht: „Och die wetenschap! wat zijn de tijden toch veranderd!” ’t Is zeker, tijden en omstandigheden veranderen, en wij met hen, want elke tijd heeft eigen eischen. Eerst toog men naar het Noorden en zocht nieuwe handelswegen naar de Oost. Toen men op deze reizen links en rechts de waterstralen op zag spuiten,die aan den zeeman toonden hoe vischrijk ’t Noorden was, togen groote vloten met Neêrland’s vlag in top naar Groenland, Spitsbergen en Jan Mayeneiland heen en bloeide Smeerenburg. Toen de gejaagde walvisch zich terugtrok in het ijs, volgde men moedig ’t groote dier en maakte tochten op met ijs bedekte zeeën, en weldra werd het de eer wie ’t verste Noordwaarts trekken kon. In onzen tijd doet voor het eerst de wetenschap zich gelden, en zijn streven is toch voorwaar niet het minst edele van de vier. Men wist vóór de reizen van deWillem Barentsniet veel meer van de Barentszee dan dat er ondoordringbaar ijs in het Noorden dier zee lag, op welker ijsschollen de stoombootTegethoffwerd rondgevoerd om op Frans-Joseph-eiland te stranden.1Alles wat uit deze zee werd medegebracht door deBarentsis nieuw en heeft wetenschappelijke waarde. Wij kennen nu door menigvuldige loodingen overal de diepte en den grond. De meteorologische waarnemingen zijn trouw en aanhoudend gedaan, doch deze moeten natuurlijk jaren achtereen herhaald worden eer ze belangrijke uitkomsten kunnen geven.De observaties van zoutgehalte en temperatuur der zee van de oppervlakte tot den bodem, hebben ons de stroomen leeren kennen. Men weet thans dat de golfstroom zich over een groot gedeelte der Barentszee uitbreidt, zijn warmte afgevende bij de ijsgrenzen, die daardoor tijdens den zomer meer en meer naar het Noorden gedrongen worden. Het warme water bevindt zich alleen aan de oppervlakte in een ondiepe laag, die dunner wordt naarmate de stroom zich meeruitstrekt. Het is voor het eerst gebleken dat de golfstroom in de Barentszeenietver om de Noord dringt. Men heeft enkele kapen sterrekundig kunnen bepalen, de kaart van Frans-Joseph-land gewijzigd, een paar nieuwe kapen namen gegeven en baaien opgenomen en in kaart gebracht. Men heeft honderde grondsoorten uit de diepten der zee opgehaald, te Leiden aan de geleerden ter hand gesteld; de verzamelingen van de zoölogen hebben veel nieuws opgeleverd. Men heeft kunnen waarnemen dat sedert 1840 op verschillende plaatsen de horizontale intensiteit van de magneetnaald is toegenomen op andere verminderd, en de magnetische waarnemingen worden zoo belangrijk geacht, dat men ze te Hamburg gebruikt bij het samenstellen van eene magnetische kaart der geheele wereld. Men heeft de belangwekkende ontdekking gedaan, dat de schepen die verleden zomer te vergeefs hebben gepoogd de Jenisei en de noordelijke Russische riviermonden te bereiken, dit benoorden Nova Zembla hadden kunnen doen. Als de eene weg versperd is door het ijs, is bijna zeker de andere open.De tocht naar Frans-Joseph-land heeft nieuw terrein aangewezen voor de Noorsche visschers. Bij de komst van deBarentsin Noorwegen werd met belangstelling geïnformeerd naar het aantal walrussen en zeehonden door de officieren gezien, en verschillende walrusjagers zullen hiervan dezen zomer partij trekken.Eindelijk heeft de tocht van deBarentsEngeland’s eerzucht gewekt en zullen wij spoedig in de Barentszee een zeer gewenschten en zeer noodigen mededinger en bondgenoot krijgen.De Engelsche admiraalMacClintock, de beroemdste aller nu levende Noordpoolvaarders, heeft een paar weken geleden in de vergadering van het Engelsche aardrijkskundig genootschap betuigt: „dat niets zoozeerde kennis der poolzeeën vermeerdert als het geduldig, systematisch onderzoek der Nederlandsche zeelieden, wien het genootschap bij deze betuigt dat het zich verheugt in het succes dat zij met zoo geringe middelen hebben verkregen, waarvoor ze hun dank zegt, en eert.”Landgenooten, ge ziet dus dat het wetenschappelijk nut dier tochten groot is. En op hun eigenaardig belang voor een handeldrijvend volk heeft prof. Kan, in zijn studie over L. R. Koolemans Beynen, de aandacht gevestigd toen hij zeide: „Welk een voordeel handel en scheepvaart van ’t onderzoek der arctische gewesten konden plukken, bleek volgens Beynen uit het vinden van den nieuwen handelsweg, door prof.Nordenskjöldnaar de monding van de Ob en Jenisei geopend, een weg, waarvan Nederlandz. i.zeker niet minder dan eenige andere natie de voordeelen zou kunnen trekken. Terwijl hij minder hechtte aan de voordeelen van de exploitatie der kriolieth- en steenkolenmijnen (die op de kusten van Groenland zijn overigens uitvoerig door hem in zijn eerste verslag beschreven), verwachtte hij meer van de winsten, door de visscherij te verkrijgen, vooral wanneer daarvoor de juiste terreinen werden opgezocht. Daartoe vestigde hij, zooals wij boven met een enkel woord zagen, uitdrukkelijk de aandacht op de visscherij in de Zuidpoolzee, waarvan men ook in Engeland zoo groote verwachtingen koesterde, een zee, waar Ross tusschen 1839 en ’43 een groot, donker soort van walvisschen had gevonden en waar hij tot op 71°Z. B.den geheelen dag blaasstralen aantrof. Twijfelde men nog, of dit Zuidpoolbekken aan de verwachting zou kunnen beantwoorden en ook voor Nederland winsten afwerpen, men zou den regel der voorouders volgen, er heengaan en onderzoeken.„Dat de heer Beynen bij ’t ondernemen van den eersten Nederlandschen pooltocht, waarbij de eischen der wetenschap en het plaatsen van gedenksteenen op den voorgrond traden, deze denkbeelden niet telkens weder uitsprak, moge niemand verwonderen. Daarom verloor hij ze toch geenszins uit het oog. Dat hijo.a.zijn studiën over Siberië en de daar bestaande handelstoestanden intusschen steeds voortzette, is schrijver dezes meermalen gebleken; dat hij aan de toekomst van den nieuwen handelsweg geloofde, kan blijken uit het verslag der eerste reis van deWillem Barents, waarin hij zijn nauwkeurig opnemen en beschrijven der Matotsjkin Sjar daarmede motiveert, „dewijl deze straat, met het oog op het toenemend handelsverkeer tusschen Europa en de Siberische rivieren, eenveel gevolgdvaarwater belooft te worden.”De hoofdcommissie voor de IJszeevaart,welke de tochten blijft leiden, bestaat uit de heeren: J. D. Fransen van de Putte, O. Baron van Wassenaer van Catwijck, M. H. Jansen, H. de Bruine, E. N. Rahusen en Charles Boissevain.III.Het gedicht van Longfellow luidt dus in het Engelsch:Once upon Iceland’s solitary strand,A poet wandered with his book and pen,Seeking some final word, some sweet Amen,Wherewith to close the volume in his hand.The billows rolled and plunged upon the sand,The circling sea-gulls swept beyond his ken,And from the parting cloud-rack now and thenFlashed the red sunset over sea and land.Then by the billows at his feet was tossedA broken oar; and carved thereon he read,„Oft was I weary when I toiled at thee;”And like a man, who findeth what was lost,He wrote the words, then lifted up his headAnd flung his useless pen into the sea.IV.Toen het Engelsche geogr. genootschap de tijding van Beynen’s dood vernam, schreef de president, lord Northbrook—oud-onderkoning van Britsch-Indië en thans minister van marine—het volgende aan den president van het IJszeevaart-comité:1 Savile RowBurlington Gardens W.25 Nov. 1879Sir!In my own name, and on the part of the council of the RoyalGeographicalSociety, I hasten to convey to you, and to the Dutch Arctic Committee, our feelings of regret at the sad news which has just reached us, of the untimely death of Lieutenant Koolemans Beynen.In conveying to the Committee our expressions of sympathy, we desire at the same time to record our sense of the great loss which geographical science and research have sustained, and to assure you that the distinguished services of Lieut. Beynen were highly appreciated in England.I have the honour to beSir, your most obedient servantNorthbrook.President Royal Geographical Society.MonsieurFransen van de PutteChairmanof the Arctic Committee, the Hague.Indien ik al de brieven wilde aanhalen, waarin zoovele mannen en vrouwen, op wie wij Nederlanders fier zijn, hun innig leedwezen over Beynen’s dood, hun hartelijke waardeering en bewondering van zijn fier karakter en edel streven deden kennen aan zijn moeder, betrekkingen en vrienden, dan zou ik aan dit boek een groot aantal bladzijden moeten toevoegen. Nicolaas Beets en mevrouw Bosboom-Toussaint, om een paar voorbeelden te noemen, drukten uit hoe zij die poëzie liefhebben en edele gedachten eeren, den jongen zeeman en zijn streven op prijs stelden, en officieren, staatslieden en burgers van elken stand bewezen eveneens hoe ze den vaderlandlievenden enthousiast hadden lief gekregen.C. Honigh zond mij het volgende gedicht ter herdenking van den dierbaren vriend.L. R. KOOLEMANS BEYNEN.„Laat hen, die kunnen schrijven, dan schrijven! die kunnen varen van wal steken! die offers kunnen brengen op het altaar van het vaderland, hun zilver of goud geven!”Chs. Boissevain.Benijdbaar, wien het mocht gebeuren,Dat heel een natie bij zijn doodEen rouwklacht slaakte en in dat treurenHaar diepstgevoelde hulde bood!Dat lot wordt slechts door hem verworven,Die heel een leven kennen deê,Maar ’t uwe ook was ‘t, schoon vroeg gestorven,Gij, jonge kampioen ter zee!Geen stoetontelb’re, ontroostb’re vrindenHeeft tot aan ’t graf uw baar verzeldU werd, gelijk den kloeken Barents,Het veld van roem ook ’t doodenveld.Vond deze eenmaal in ’t barre NoordenEen schuilplaats in ’t „Behouden Huys”2Gij vondt uw graf in ’t gloeiend Oosten,Maar, vrome held, ook gij zijt thuis!Ja, vroom en vroed gelijk de vaadren,Wier voetspoor gij weer hebt gedrukt!Zij reikten u den eerelauwer,Uit hun nog groenen krans geplukt.Gij deedt voor eeuwenoude glorieHet hart des volks weer hooger slaan,Herleeft ter zee onze oude luister,Met u vangt dan dit tijdperk aan.De „Willem Barentz” hijscht—wij willen ‘t—Dra Hollands vlag weer als ’t symbool,Dat de oude geest zijn vleuglen uitslaatEn wakker streeft van pool tot pool.Gij moogt dat scheepje niet verzellen,In zege deelen noch in strijd;Toch werkt ge op scheepsvoogd en gezellen,Bezielend of ge aanwezig zijt.Dus gaat er ook van dezen doodeEen levenwekkende adem uit,Den killen ijskorst weer ontdooiend,Die menig hart voor geestdrift sluit.De driekleur wappert nu in ’t Noorden,In ’t Zuiden straks—doch wáár ontplooid,Die ’t eerst na eeuwen ze er ontrolde,Neen, ’t dankbaar volk vergeet hem nooit.Rijst eenmaal binnen de Amstelmuren’t Walhalla, dat te aanschouwen geeftIn wie de roem van vroeger eeuwen,Het leven onzer natie leeft,Dan naast de Ruyter en de TrompenDees jongen Tromp een plaats geboôn:„Zeevaders” noemde hij die oudren,Wèl was hij hun een waardig zoon!Maar doen wij meer nog, doen wij beter,Dat ieder schip van Neêrlands vlootIn officiershut en vooronderZijn beeltnis toone, en ’t hoofd ontbloot,Spreke elk in geestdrift bij ’t aanschouwen:„Wij volgen op de ontsloten baan,„Ons voorbeeld zullen we in u eeren,„Die, jong, zooveel reeds hebt gedaan.”Wageningen.C. Honigh.EINDEEINDE

BIJLAGEN.

I.HET LIED VAN DE BARENTS.Er was een soldatenlied: „Naar Atjeh! naar Atjeh!” dat Beynen dikwijls zong en aan mijn kinderen leerde. Wie het gedicht heeft, en wien de zangwijze te danken is, heb ik niet te weten kunnen komen. Op die melodie, en gebruik makende van enkele uitdrukkingen in dat soldatenlied, schreef ik ter zijner herinnering „Het lied van de Barents.”Tot twee keer gaat Beynen met Young om de Noord,En „Tromp” noemt bewond’rend hem ieder aan boord.„O! makkers, oud Holland’s vlag ligt hier ter neêr!bis.„Wie ontplooit haar met mij op een ijsschoener weer!„Naar ’t Noorden, naar ’t Noorden, heel d’ aard zal het zien,„Wat Holland, oud Holland nog ’t hoofd durft te biên,„Hoe ’t volk aan verleden en toekomst gehecht,bis.„Geen gevaren ontziet voor zijn eer en zijn recht!„Ja, Neêrland! uw zeelui beminnen ’t gevaar,„In d’ ijszee gehard valt geen taak hun ooit zwaar;„En kost het ook velen, wij geven als rouwbis.„Hun het ridderlijk grafschrift: Beleid, Moed en Trouw!”Zijn jonge stem trilt wijl naar ’t Noorden hij wijst,Zijn geestdrift wekt vuur, en een heldenschaar rijst;DeBarentszeilt weg, Holland’s vlag wappert grootsch,bis.„Om de Noord!” roept de Bruyne, „met Beynen als loods!”DeBarentsbreekt nu door het ijs keer op keer,Want Beynen wees Neêrland het strijdperk der eer;Hij toonde ons hoe geestdrift de zelfzucht verwint,bis.En wij minnen eens ’t land zoo als hij ’t heeft bemind!

I.HET LIED VAN DE BARENTS.

Er was een soldatenlied: „Naar Atjeh! naar Atjeh!” dat Beynen dikwijls zong en aan mijn kinderen leerde. Wie het gedicht heeft, en wien de zangwijze te danken is, heb ik niet te weten kunnen komen. Op die melodie, en gebruik makende van enkele uitdrukkingen in dat soldatenlied, schreef ik ter zijner herinnering „Het lied van de Barents.”Tot twee keer gaat Beynen met Young om de Noord,En „Tromp” noemt bewond’rend hem ieder aan boord.„O! makkers, oud Holland’s vlag ligt hier ter neêr!bis.„Wie ontplooit haar met mij op een ijsschoener weer!„Naar ’t Noorden, naar ’t Noorden, heel d’ aard zal het zien,„Wat Holland, oud Holland nog ’t hoofd durft te biên,„Hoe ’t volk aan verleden en toekomst gehecht,bis.„Geen gevaren ontziet voor zijn eer en zijn recht!„Ja, Neêrland! uw zeelui beminnen ’t gevaar,„In d’ ijszee gehard valt geen taak hun ooit zwaar;„En kost het ook velen, wij geven als rouwbis.„Hun het ridderlijk grafschrift: Beleid, Moed en Trouw!”Zijn jonge stem trilt wijl naar ’t Noorden hij wijst,Zijn geestdrift wekt vuur, en een heldenschaar rijst;DeBarentszeilt weg, Holland’s vlag wappert grootsch,bis.„Om de Noord!” roept de Bruyne, „met Beynen als loods!”DeBarentsbreekt nu door het ijs keer op keer,Want Beynen wees Neêrland het strijdperk der eer;Hij toonde ons hoe geestdrift de zelfzucht verwint,bis.En wij minnen eens ’t land zoo als hij ’t heeft bemind!

Er was een soldatenlied: „Naar Atjeh! naar Atjeh!” dat Beynen dikwijls zong en aan mijn kinderen leerde. Wie het gedicht heeft, en wien de zangwijze te danken is, heb ik niet te weten kunnen komen. Op die melodie, en gebruik makende van enkele uitdrukkingen in dat soldatenlied, schreef ik ter zijner herinnering „Het lied van de Barents.”

Tot twee keer gaat Beynen met Young om de Noord,En „Tromp” noemt bewond’rend hem ieder aan boord.„O! makkers, oud Holland’s vlag ligt hier ter neêr!bis.„Wie ontplooit haar met mij op een ijsschoener weer!„Naar ’t Noorden, naar ’t Noorden, heel d’ aard zal het zien,„Wat Holland, oud Holland nog ’t hoofd durft te biên,„Hoe ’t volk aan verleden en toekomst gehecht,bis.„Geen gevaren ontziet voor zijn eer en zijn recht!„Ja, Neêrland! uw zeelui beminnen ’t gevaar,„In d’ ijszee gehard valt geen taak hun ooit zwaar;„En kost het ook velen, wij geven als rouwbis.„Hun het ridderlijk grafschrift: Beleid, Moed en Trouw!”Zijn jonge stem trilt wijl naar ’t Noorden hij wijst,Zijn geestdrift wekt vuur, en een heldenschaar rijst;DeBarentszeilt weg, Holland’s vlag wappert grootsch,bis.„Om de Noord!” roept de Bruyne, „met Beynen als loods!”DeBarentsbreekt nu door het ijs keer op keer,Want Beynen wees Neêrland het strijdperk der eer;Hij toonde ons hoe geestdrift de zelfzucht verwint,bis.En wij minnen eens ’t land zoo als hij ’t heeft bemind!

Tot twee keer gaat Beynen met Young om de Noord,En „Tromp” noemt bewond’rend hem ieder aan boord.„O! makkers, oud Holland’s vlag ligt hier ter neêr!bis.„Wie ontplooit haar met mij op een ijsschoener weer!

Tot twee keer gaat Beynen met Young om de Noord,

En „Tromp” noemt bewond’rend hem ieder aan boord.

„O! makkers, oud Holland’s vlag ligt hier ter neêr!bis.

„Wie ontplooit haar met mij op een ijsschoener weer!

„Naar ’t Noorden, naar ’t Noorden, heel d’ aard zal het zien,„Wat Holland, oud Holland nog ’t hoofd durft te biên,„Hoe ’t volk aan verleden en toekomst gehecht,bis.„Geen gevaren ontziet voor zijn eer en zijn recht!

„Naar ’t Noorden, naar ’t Noorden, heel d’ aard zal het zien,

„Wat Holland, oud Holland nog ’t hoofd durft te biên,

„Hoe ’t volk aan verleden en toekomst gehecht,bis.

„Geen gevaren ontziet voor zijn eer en zijn recht!

„Ja, Neêrland! uw zeelui beminnen ’t gevaar,„In d’ ijszee gehard valt geen taak hun ooit zwaar;„En kost het ook velen, wij geven als rouwbis.„Hun het ridderlijk grafschrift: Beleid, Moed en Trouw!”

„Ja, Neêrland! uw zeelui beminnen ’t gevaar,

„In d’ ijszee gehard valt geen taak hun ooit zwaar;

„En kost het ook velen, wij geven als rouwbis.

„Hun het ridderlijk grafschrift: Beleid, Moed en Trouw!”

Zijn jonge stem trilt wijl naar ’t Noorden hij wijst,Zijn geestdrift wekt vuur, en een heldenschaar rijst;DeBarentszeilt weg, Holland’s vlag wappert grootsch,bis.„Om de Noord!” roept de Bruyne, „met Beynen als loods!”

Zijn jonge stem trilt wijl naar ’t Noorden hij wijst,

Zijn geestdrift wekt vuur, en een heldenschaar rijst;

DeBarentszeilt weg, Holland’s vlag wappert grootsch,bis.

„Om de Noord!” roept de Bruyne, „met Beynen als loods!”

DeBarentsbreekt nu door het ijs keer op keer,Want Beynen wees Neêrland het strijdperk der eer;Hij toonde ons hoe geestdrift de zelfzucht verwint,bis.En wij minnen eens ’t land zoo als hij ’t heeft bemind!

DeBarentsbreekt nu door het ijs keer op keer,

Want Beynen wees Neêrland het strijdperk der eer;

Hij toonde ons hoe geestdrift de zelfzucht verwint,bis.

En wij minnen eens ’t land zoo als hij ’t heeft bemind!

II.HET WETENSCHAPPELIJK NUT.Nu wij voor nieuwe tochten—mocht het zijn op een zeilschip met stoomvermogen—het geld en de sympathie van onze landgenooten komen vragen, mogen we met dankbaarheid getuigen dat het kleine poolschip de aanmoedigende eerbewijzen welke de hoofdstad van het vaderland het bij zijn eerst vertrek bracht, ruim verdiend heeft. Mag ik in enkele woorden er aan herinneren wat deBarentsvoor de wetenschap gedaan heeft? Ik weet wel dat menige gemoedelijke natuur, die niet ontstemd zou zijn zoo al die ijver enkel traan en hoopen glimmend robbenvel betrof, zucht: „Och die wetenschap! wat zijn de tijden toch veranderd!” ’t Is zeker, tijden en omstandigheden veranderen, en wij met hen, want elke tijd heeft eigen eischen. Eerst toog men naar het Noorden en zocht nieuwe handelswegen naar de Oost. Toen men op deze reizen links en rechts de waterstralen op zag spuiten,die aan den zeeman toonden hoe vischrijk ’t Noorden was, togen groote vloten met Neêrland’s vlag in top naar Groenland, Spitsbergen en Jan Mayeneiland heen en bloeide Smeerenburg. Toen de gejaagde walvisch zich terugtrok in het ijs, volgde men moedig ’t groote dier en maakte tochten op met ijs bedekte zeeën, en weldra werd het de eer wie ’t verste Noordwaarts trekken kon. In onzen tijd doet voor het eerst de wetenschap zich gelden, en zijn streven is toch voorwaar niet het minst edele van de vier. Men wist vóór de reizen van deWillem Barentsniet veel meer van de Barentszee dan dat er ondoordringbaar ijs in het Noorden dier zee lag, op welker ijsschollen de stoombootTegethoffwerd rondgevoerd om op Frans-Joseph-eiland te stranden.1Alles wat uit deze zee werd medegebracht door deBarentsis nieuw en heeft wetenschappelijke waarde. Wij kennen nu door menigvuldige loodingen overal de diepte en den grond. De meteorologische waarnemingen zijn trouw en aanhoudend gedaan, doch deze moeten natuurlijk jaren achtereen herhaald worden eer ze belangrijke uitkomsten kunnen geven.De observaties van zoutgehalte en temperatuur der zee van de oppervlakte tot den bodem, hebben ons de stroomen leeren kennen. Men weet thans dat de golfstroom zich over een groot gedeelte der Barentszee uitbreidt, zijn warmte afgevende bij de ijsgrenzen, die daardoor tijdens den zomer meer en meer naar het Noorden gedrongen worden. Het warme water bevindt zich alleen aan de oppervlakte in een ondiepe laag, die dunner wordt naarmate de stroom zich meeruitstrekt. Het is voor het eerst gebleken dat de golfstroom in de Barentszeenietver om de Noord dringt. Men heeft enkele kapen sterrekundig kunnen bepalen, de kaart van Frans-Joseph-land gewijzigd, een paar nieuwe kapen namen gegeven en baaien opgenomen en in kaart gebracht. Men heeft honderde grondsoorten uit de diepten der zee opgehaald, te Leiden aan de geleerden ter hand gesteld; de verzamelingen van de zoölogen hebben veel nieuws opgeleverd. Men heeft kunnen waarnemen dat sedert 1840 op verschillende plaatsen de horizontale intensiteit van de magneetnaald is toegenomen op andere verminderd, en de magnetische waarnemingen worden zoo belangrijk geacht, dat men ze te Hamburg gebruikt bij het samenstellen van eene magnetische kaart der geheele wereld. Men heeft de belangwekkende ontdekking gedaan, dat de schepen die verleden zomer te vergeefs hebben gepoogd de Jenisei en de noordelijke Russische riviermonden te bereiken, dit benoorden Nova Zembla hadden kunnen doen. Als de eene weg versperd is door het ijs, is bijna zeker de andere open.De tocht naar Frans-Joseph-land heeft nieuw terrein aangewezen voor de Noorsche visschers. Bij de komst van deBarentsin Noorwegen werd met belangstelling geïnformeerd naar het aantal walrussen en zeehonden door de officieren gezien, en verschillende walrusjagers zullen hiervan dezen zomer partij trekken.Eindelijk heeft de tocht van deBarentsEngeland’s eerzucht gewekt en zullen wij spoedig in de Barentszee een zeer gewenschten en zeer noodigen mededinger en bondgenoot krijgen.De Engelsche admiraalMacClintock, de beroemdste aller nu levende Noordpoolvaarders, heeft een paar weken geleden in de vergadering van het Engelsche aardrijkskundig genootschap betuigt: „dat niets zoozeerde kennis der poolzeeën vermeerdert als het geduldig, systematisch onderzoek der Nederlandsche zeelieden, wien het genootschap bij deze betuigt dat het zich verheugt in het succes dat zij met zoo geringe middelen hebben verkregen, waarvoor ze hun dank zegt, en eert.”Landgenooten, ge ziet dus dat het wetenschappelijk nut dier tochten groot is. En op hun eigenaardig belang voor een handeldrijvend volk heeft prof. Kan, in zijn studie over L. R. Koolemans Beynen, de aandacht gevestigd toen hij zeide: „Welk een voordeel handel en scheepvaart van ’t onderzoek der arctische gewesten konden plukken, bleek volgens Beynen uit het vinden van den nieuwen handelsweg, door prof.Nordenskjöldnaar de monding van de Ob en Jenisei geopend, een weg, waarvan Nederlandz. i.zeker niet minder dan eenige andere natie de voordeelen zou kunnen trekken. Terwijl hij minder hechtte aan de voordeelen van de exploitatie der kriolieth- en steenkolenmijnen (die op de kusten van Groenland zijn overigens uitvoerig door hem in zijn eerste verslag beschreven), verwachtte hij meer van de winsten, door de visscherij te verkrijgen, vooral wanneer daarvoor de juiste terreinen werden opgezocht. Daartoe vestigde hij, zooals wij boven met een enkel woord zagen, uitdrukkelijk de aandacht op de visscherij in de Zuidpoolzee, waarvan men ook in Engeland zoo groote verwachtingen koesterde, een zee, waar Ross tusschen 1839 en ’43 een groot, donker soort van walvisschen had gevonden en waar hij tot op 71°Z. B.den geheelen dag blaasstralen aantrof. Twijfelde men nog, of dit Zuidpoolbekken aan de verwachting zou kunnen beantwoorden en ook voor Nederland winsten afwerpen, men zou den regel der voorouders volgen, er heengaan en onderzoeken.„Dat de heer Beynen bij ’t ondernemen van den eersten Nederlandschen pooltocht, waarbij de eischen der wetenschap en het plaatsen van gedenksteenen op den voorgrond traden, deze denkbeelden niet telkens weder uitsprak, moge niemand verwonderen. Daarom verloor hij ze toch geenszins uit het oog. Dat hijo.a.zijn studiën over Siberië en de daar bestaande handelstoestanden intusschen steeds voortzette, is schrijver dezes meermalen gebleken; dat hij aan de toekomst van den nieuwen handelsweg geloofde, kan blijken uit het verslag der eerste reis van deWillem Barents, waarin hij zijn nauwkeurig opnemen en beschrijven der Matotsjkin Sjar daarmede motiveert, „dewijl deze straat, met het oog op het toenemend handelsverkeer tusschen Europa en de Siberische rivieren, eenveel gevolgdvaarwater belooft te worden.”De hoofdcommissie voor de IJszeevaart,welke de tochten blijft leiden, bestaat uit de heeren: J. D. Fransen van de Putte, O. Baron van Wassenaer van Catwijck, M. H. Jansen, H. de Bruine, E. N. Rahusen en Charles Boissevain.

II.HET WETENSCHAPPELIJK NUT.

Nu wij voor nieuwe tochten—mocht het zijn op een zeilschip met stoomvermogen—het geld en de sympathie van onze landgenooten komen vragen, mogen we met dankbaarheid getuigen dat het kleine poolschip de aanmoedigende eerbewijzen welke de hoofdstad van het vaderland het bij zijn eerst vertrek bracht, ruim verdiend heeft. Mag ik in enkele woorden er aan herinneren wat deBarentsvoor de wetenschap gedaan heeft? Ik weet wel dat menige gemoedelijke natuur, die niet ontstemd zou zijn zoo al die ijver enkel traan en hoopen glimmend robbenvel betrof, zucht: „Och die wetenschap! wat zijn de tijden toch veranderd!” ’t Is zeker, tijden en omstandigheden veranderen, en wij met hen, want elke tijd heeft eigen eischen. Eerst toog men naar het Noorden en zocht nieuwe handelswegen naar de Oost. Toen men op deze reizen links en rechts de waterstralen op zag spuiten,die aan den zeeman toonden hoe vischrijk ’t Noorden was, togen groote vloten met Neêrland’s vlag in top naar Groenland, Spitsbergen en Jan Mayeneiland heen en bloeide Smeerenburg. Toen de gejaagde walvisch zich terugtrok in het ijs, volgde men moedig ’t groote dier en maakte tochten op met ijs bedekte zeeën, en weldra werd het de eer wie ’t verste Noordwaarts trekken kon. In onzen tijd doet voor het eerst de wetenschap zich gelden, en zijn streven is toch voorwaar niet het minst edele van de vier. Men wist vóór de reizen van deWillem Barentsniet veel meer van de Barentszee dan dat er ondoordringbaar ijs in het Noorden dier zee lag, op welker ijsschollen de stoombootTegethoffwerd rondgevoerd om op Frans-Joseph-eiland te stranden.1Alles wat uit deze zee werd medegebracht door deBarentsis nieuw en heeft wetenschappelijke waarde. Wij kennen nu door menigvuldige loodingen overal de diepte en den grond. De meteorologische waarnemingen zijn trouw en aanhoudend gedaan, doch deze moeten natuurlijk jaren achtereen herhaald worden eer ze belangrijke uitkomsten kunnen geven.De observaties van zoutgehalte en temperatuur der zee van de oppervlakte tot den bodem, hebben ons de stroomen leeren kennen. Men weet thans dat de golfstroom zich over een groot gedeelte der Barentszee uitbreidt, zijn warmte afgevende bij de ijsgrenzen, die daardoor tijdens den zomer meer en meer naar het Noorden gedrongen worden. Het warme water bevindt zich alleen aan de oppervlakte in een ondiepe laag, die dunner wordt naarmate de stroom zich meeruitstrekt. Het is voor het eerst gebleken dat de golfstroom in de Barentszeenietver om de Noord dringt. Men heeft enkele kapen sterrekundig kunnen bepalen, de kaart van Frans-Joseph-land gewijzigd, een paar nieuwe kapen namen gegeven en baaien opgenomen en in kaart gebracht. Men heeft honderde grondsoorten uit de diepten der zee opgehaald, te Leiden aan de geleerden ter hand gesteld; de verzamelingen van de zoölogen hebben veel nieuws opgeleverd. Men heeft kunnen waarnemen dat sedert 1840 op verschillende plaatsen de horizontale intensiteit van de magneetnaald is toegenomen op andere verminderd, en de magnetische waarnemingen worden zoo belangrijk geacht, dat men ze te Hamburg gebruikt bij het samenstellen van eene magnetische kaart der geheele wereld. Men heeft de belangwekkende ontdekking gedaan, dat de schepen die verleden zomer te vergeefs hebben gepoogd de Jenisei en de noordelijke Russische riviermonden te bereiken, dit benoorden Nova Zembla hadden kunnen doen. Als de eene weg versperd is door het ijs, is bijna zeker de andere open.De tocht naar Frans-Joseph-land heeft nieuw terrein aangewezen voor de Noorsche visschers. Bij de komst van deBarentsin Noorwegen werd met belangstelling geïnformeerd naar het aantal walrussen en zeehonden door de officieren gezien, en verschillende walrusjagers zullen hiervan dezen zomer partij trekken.Eindelijk heeft de tocht van deBarentsEngeland’s eerzucht gewekt en zullen wij spoedig in de Barentszee een zeer gewenschten en zeer noodigen mededinger en bondgenoot krijgen.De Engelsche admiraalMacClintock, de beroemdste aller nu levende Noordpoolvaarders, heeft een paar weken geleden in de vergadering van het Engelsche aardrijkskundig genootschap betuigt: „dat niets zoozeerde kennis der poolzeeën vermeerdert als het geduldig, systematisch onderzoek der Nederlandsche zeelieden, wien het genootschap bij deze betuigt dat het zich verheugt in het succes dat zij met zoo geringe middelen hebben verkregen, waarvoor ze hun dank zegt, en eert.”Landgenooten, ge ziet dus dat het wetenschappelijk nut dier tochten groot is. En op hun eigenaardig belang voor een handeldrijvend volk heeft prof. Kan, in zijn studie over L. R. Koolemans Beynen, de aandacht gevestigd toen hij zeide: „Welk een voordeel handel en scheepvaart van ’t onderzoek der arctische gewesten konden plukken, bleek volgens Beynen uit het vinden van den nieuwen handelsweg, door prof.Nordenskjöldnaar de monding van de Ob en Jenisei geopend, een weg, waarvan Nederlandz. i.zeker niet minder dan eenige andere natie de voordeelen zou kunnen trekken. Terwijl hij minder hechtte aan de voordeelen van de exploitatie der kriolieth- en steenkolenmijnen (die op de kusten van Groenland zijn overigens uitvoerig door hem in zijn eerste verslag beschreven), verwachtte hij meer van de winsten, door de visscherij te verkrijgen, vooral wanneer daarvoor de juiste terreinen werden opgezocht. Daartoe vestigde hij, zooals wij boven met een enkel woord zagen, uitdrukkelijk de aandacht op de visscherij in de Zuidpoolzee, waarvan men ook in Engeland zoo groote verwachtingen koesterde, een zee, waar Ross tusschen 1839 en ’43 een groot, donker soort van walvisschen had gevonden en waar hij tot op 71°Z. B.den geheelen dag blaasstralen aantrof. Twijfelde men nog, of dit Zuidpoolbekken aan de verwachting zou kunnen beantwoorden en ook voor Nederland winsten afwerpen, men zou den regel der voorouders volgen, er heengaan en onderzoeken.„Dat de heer Beynen bij ’t ondernemen van den eersten Nederlandschen pooltocht, waarbij de eischen der wetenschap en het plaatsen van gedenksteenen op den voorgrond traden, deze denkbeelden niet telkens weder uitsprak, moge niemand verwonderen. Daarom verloor hij ze toch geenszins uit het oog. Dat hijo.a.zijn studiën over Siberië en de daar bestaande handelstoestanden intusschen steeds voortzette, is schrijver dezes meermalen gebleken; dat hij aan de toekomst van den nieuwen handelsweg geloofde, kan blijken uit het verslag der eerste reis van deWillem Barents, waarin hij zijn nauwkeurig opnemen en beschrijven der Matotsjkin Sjar daarmede motiveert, „dewijl deze straat, met het oog op het toenemend handelsverkeer tusschen Europa en de Siberische rivieren, eenveel gevolgdvaarwater belooft te worden.”De hoofdcommissie voor de IJszeevaart,welke de tochten blijft leiden, bestaat uit de heeren: J. D. Fransen van de Putte, O. Baron van Wassenaer van Catwijck, M. H. Jansen, H. de Bruine, E. N. Rahusen en Charles Boissevain.

Nu wij voor nieuwe tochten—mocht het zijn op een zeilschip met stoomvermogen—het geld en de sympathie van onze landgenooten komen vragen, mogen we met dankbaarheid getuigen dat het kleine poolschip de aanmoedigende eerbewijzen welke de hoofdstad van het vaderland het bij zijn eerst vertrek bracht, ruim verdiend heeft. Mag ik in enkele woorden er aan herinneren wat deBarentsvoor de wetenschap gedaan heeft? Ik weet wel dat menige gemoedelijke natuur, die niet ontstemd zou zijn zoo al die ijver enkel traan en hoopen glimmend robbenvel betrof, zucht: „Och die wetenschap! wat zijn de tijden toch veranderd!” ’t Is zeker, tijden en omstandigheden veranderen, en wij met hen, want elke tijd heeft eigen eischen. Eerst toog men naar het Noorden en zocht nieuwe handelswegen naar de Oost. Toen men op deze reizen links en rechts de waterstralen op zag spuiten,die aan den zeeman toonden hoe vischrijk ’t Noorden was, togen groote vloten met Neêrland’s vlag in top naar Groenland, Spitsbergen en Jan Mayeneiland heen en bloeide Smeerenburg. Toen de gejaagde walvisch zich terugtrok in het ijs, volgde men moedig ’t groote dier en maakte tochten op met ijs bedekte zeeën, en weldra werd het de eer wie ’t verste Noordwaarts trekken kon. In onzen tijd doet voor het eerst de wetenschap zich gelden, en zijn streven is toch voorwaar niet het minst edele van de vier. Men wist vóór de reizen van deWillem Barentsniet veel meer van de Barentszee dan dat er ondoordringbaar ijs in het Noorden dier zee lag, op welker ijsschollen de stoombootTegethoffwerd rondgevoerd om op Frans-Joseph-eiland te stranden.1Alles wat uit deze zee werd medegebracht door deBarentsis nieuw en heeft wetenschappelijke waarde. Wij kennen nu door menigvuldige loodingen overal de diepte en den grond. De meteorologische waarnemingen zijn trouw en aanhoudend gedaan, doch deze moeten natuurlijk jaren achtereen herhaald worden eer ze belangrijke uitkomsten kunnen geven.

De observaties van zoutgehalte en temperatuur der zee van de oppervlakte tot den bodem, hebben ons de stroomen leeren kennen. Men weet thans dat de golfstroom zich over een groot gedeelte der Barentszee uitbreidt, zijn warmte afgevende bij de ijsgrenzen, die daardoor tijdens den zomer meer en meer naar het Noorden gedrongen worden. Het warme water bevindt zich alleen aan de oppervlakte in een ondiepe laag, die dunner wordt naarmate de stroom zich meeruitstrekt. Het is voor het eerst gebleken dat de golfstroom in de Barentszeenietver om de Noord dringt. Men heeft enkele kapen sterrekundig kunnen bepalen, de kaart van Frans-Joseph-land gewijzigd, een paar nieuwe kapen namen gegeven en baaien opgenomen en in kaart gebracht. Men heeft honderde grondsoorten uit de diepten der zee opgehaald, te Leiden aan de geleerden ter hand gesteld; de verzamelingen van de zoölogen hebben veel nieuws opgeleverd. Men heeft kunnen waarnemen dat sedert 1840 op verschillende plaatsen de horizontale intensiteit van de magneetnaald is toegenomen op andere verminderd, en de magnetische waarnemingen worden zoo belangrijk geacht, dat men ze te Hamburg gebruikt bij het samenstellen van eene magnetische kaart der geheele wereld. Men heeft de belangwekkende ontdekking gedaan, dat de schepen die verleden zomer te vergeefs hebben gepoogd de Jenisei en de noordelijke Russische riviermonden te bereiken, dit benoorden Nova Zembla hadden kunnen doen. Als de eene weg versperd is door het ijs, is bijna zeker de andere open.

De tocht naar Frans-Joseph-land heeft nieuw terrein aangewezen voor de Noorsche visschers. Bij de komst van deBarentsin Noorwegen werd met belangstelling geïnformeerd naar het aantal walrussen en zeehonden door de officieren gezien, en verschillende walrusjagers zullen hiervan dezen zomer partij trekken.

Eindelijk heeft de tocht van deBarentsEngeland’s eerzucht gewekt en zullen wij spoedig in de Barentszee een zeer gewenschten en zeer noodigen mededinger en bondgenoot krijgen.

De Engelsche admiraalMacClintock, de beroemdste aller nu levende Noordpoolvaarders, heeft een paar weken geleden in de vergadering van het Engelsche aardrijkskundig genootschap betuigt: „dat niets zoozeerde kennis der poolzeeën vermeerdert als het geduldig, systematisch onderzoek der Nederlandsche zeelieden, wien het genootschap bij deze betuigt dat het zich verheugt in het succes dat zij met zoo geringe middelen hebben verkregen, waarvoor ze hun dank zegt, en eert.”

Landgenooten, ge ziet dus dat het wetenschappelijk nut dier tochten groot is. En op hun eigenaardig belang voor een handeldrijvend volk heeft prof. Kan, in zijn studie over L. R. Koolemans Beynen, de aandacht gevestigd toen hij zeide: „Welk een voordeel handel en scheepvaart van ’t onderzoek der arctische gewesten konden plukken, bleek volgens Beynen uit het vinden van den nieuwen handelsweg, door prof.Nordenskjöldnaar de monding van de Ob en Jenisei geopend, een weg, waarvan Nederlandz. i.zeker niet minder dan eenige andere natie de voordeelen zou kunnen trekken. Terwijl hij minder hechtte aan de voordeelen van de exploitatie der kriolieth- en steenkolenmijnen (die op de kusten van Groenland zijn overigens uitvoerig door hem in zijn eerste verslag beschreven), verwachtte hij meer van de winsten, door de visscherij te verkrijgen, vooral wanneer daarvoor de juiste terreinen werden opgezocht. Daartoe vestigde hij, zooals wij boven met een enkel woord zagen, uitdrukkelijk de aandacht op de visscherij in de Zuidpoolzee, waarvan men ook in Engeland zoo groote verwachtingen koesterde, een zee, waar Ross tusschen 1839 en ’43 een groot, donker soort van walvisschen had gevonden en waar hij tot op 71°Z. B.den geheelen dag blaasstralen aantrof. Twijfelde men nog, of dit Zuidpoolbekken aan de verwachting zou kunnen beantwoorden en ook voor Nederland winsten afwerpen, men zou den regel der voorouders volgen, er heengaan en onderzoeken.

„Dat de heer Beynen bij ’t ondernemen van den eersten Nederlandschen pooltocht, waarbij de eischen der wetenschap en het plaatsen van gedenksteenen op den voorgrond traden, deze denkbeelden niet telkens weder uitsprak, moge niemand verwonderen. Daarom verloor hij ze toch geenszins uit het oog. Dat hijo.a.zijn studiën over Siberië en de daar bestaande handelstoestanden intusschen steeds voortzette, is schrijver dezes meermalen gebleken; dat hij aan de toekomst van den nieuwen handelsweg geloofde, kan blijken uit het verslag der eerste reis van deWillem Barents, waarin hij zijn nauwkeurig opnemen en beschrijven der Matotsjkin Sjar daarmede motiveert, „dewijl deze straat, met het oog op het toenemend handelsverkeer tusschen Europa en de Siberische rivieren, eenveel gevolgdvaarwater belooft te worden.”

De hoofdcommissie voor de IJszeevaart,welke de tochten blijft leiden, bestaat uit de heeren: J. D. Fransen van de Putte, O. Baron van Wassenaer van Catwijck, M. H. Jansen, H. de Bruine, E. N. Rahusen en Charles Boissevain.

III.Het gedicht van Longfellow luidt dus in het Engelsch:Once upon Iceland’s solitary strand,A poet wandered with his book and pen,Seeking some final word, some sweet Amen,Wherewith to close the volume in his hand.The billows rolled and plunged upon the sand,The circling sea-gulls swept beyond his ken,And from the parting cloud-rack now and thenFlashed the red sunset over sea and land.Then by the billows at his feet was tossedA broken oar; and carved thereon he read,„Oft was I weary when I toiled at thee;”And like a man, who findeth what was lost,He wrote the words, then lifted up his headAnd flung his useless pen into the sea.

III.

Het gedicht van Longfellow luidt dus in het Engelsch:Once upon Iceland’s solitary strand,A poet wandered with his book and pen,Seeking some final word, some sweet Amen,Wherewith to close the volume in his hand.The billows rolled and plunged upon the sand,The circling sea-gulls swept beyond his ken,And from the parting cloud-rack now and thenFlashed the red sunset over sea and land.Then by the billows at his feet was tossedA broken oar; and carved thereon he read,„Oft was I weary when I toiled at thee;”And like a man, who findeth what was lost,He wrote the words, then lifted up his headAnd flung his useless pen into the sea.

Het gedicht van Longfellow luidt dus in het Engelsch:

Once upon Iceland’s solitary strand,A poet wandered with his book and pen,Seeking some final word, some sweet Amen,Wherewith to close the volume in his hand.The billows rolled and plunged upon the sand,The circling sea-gulls swept beyond his ken,And from the parting cloud-rack now and thenFlashed the red sunset over sea and land.Then by the billows at his feet was tossedA broken oar; and carved thereon he read,„Oft was I weary when I toiled at thee;”And like a man, who findeth what was lost,He wrote the words, then lifted up his headAnd flung his useless pen into the sea.

Once upon Iceland’s solitary strand,

A poet wandered with his book and pen,

Seeking some final word, some sweet Amen,

Wherewith to close the volume in his hand.

The billows rolled and plunged upon the sand,

The circling sea-gulls swept beyond his ken,

And from the parting cloud-rack now and then

Flashed the red sunset over sea and land.

Then by the billows at his feet was tossed

A broken oar; and carved thereon he read,

„Oft was I weary when I toiled at thee;”

And like a man, who findeth what was lost,

He wrote the words, then lifted up his head

And flung his useless pen into the sea.

IV.Toen het Engelsche geogr. genootschap de tijding van Beynen’s dood vernam, schreef de president, lord Northbrook—oud-onderkoning van Britsch-Indië en thans minister van marine—het volgende aan den president van het IJszeevaart-comité:1 Savile RowBurlington Gardens W.25 Nov. 1879Sir!In my own name, and on the part of the council of the RoyalGeographicalSociety, I hasten to convey to you, and to the Dutch Arctic Committee, our feelings of regret at the sad news which has just reached us, of the untimely death of Lieutenant Koolemans Beynen.In conveying to the Committee our expressions of sympathy, we desire at the same time to record our sense of the great loss which geographical science and research have sustained, and to assure you that the distinguished services of Lieut. Beynen were highly appreciated in England.I have the honour to beSir, your most obedient servantNorthbrook.President Royal Geographical Society.MonsieurFransen van de PutteChairmanof the Arctic Committee, the Hague.Indien ik al de brieven wilde aanhalen, waarin zoovele mannen en vrouwen, op wie wij Nederlanders fier zijn, hun innig leedwezen over Beynen’s dood, hun hartelijke waardeering en bewondering van zijn fier karakter en edel streven deden kennen aan zijn moeder, betrekkingen en vrienden, dan zou ik aan dit boek een groot aantal bladzijden moeten toevoegen. Nicolaas Beets en mevrouw Bosboom-Toussaint, om een paar voorbeelden te noemen, drukten uit hoe zij die poëzie liefhebben en edele gedachten eeren, den jongen zeeman en zijn streven op prijs stelden, en officieren, staatslieden en burgers van elken stand bewezen eveneens hoe ze den vaderlandlievenden enthousiast hadden lief gekregen.C. Honigh zond mij het volgende gedicht ter herdenking van den dierbaren vriend.L. R. KOOLEMANS BEYNEN.„Laat hen, die kunnen schrijven, dan schrijven! die kunnen varen van wal steken! die offers kunnen brengen op het altaar van het vaderland, hun zilver of goud geven!”Chs. Boissevain.Benijdbaar, wien het mocht gebeuren,Dat heel een natie bij zijn doodEen rouwklacht slaakte en in dat treurenHaar diepstgevoelde hulde bood!Dat lot wordt slechts door hem verworven,Die heel een leven kennen deê,Maar ’t uwe ook was ‘t, schoon vroeg gestorven,Gij, jonge kampioen ter zee!Geen stoetontelb’re, ontroostb’re vrindenHeeft tot aan ’t graf uw baar verzeldU werd, gelijk den kloeken Barents,Het veld van roem ook ’t doodenveld.Vond deze eenmaal in ’t barre NoordenEen schuilplaats in ’t „Behouden Huys”2Gij vondt uw graf in ’t gloeiend Oosten,Maar, vrome held, ook gij zijt thuis!Ja, vroom en vroed gelijk de vaadren,Wier voetspoor gij weer hebt gedrukt!Zij reikten u den eerelauwer,Uit hun nog groenen krans geplukt.Gij deedt voor eeuwenoude glorieHet hart des volks weer hooger slaan,Herleeft ter zee onze oude luister,Met u vangt dan dit tijdperk aan.De „Willem Barentz” hijscht—wij willen ‘t—Dra Hollands vlag weer als ’t symbool,Dat de oude geest zijn vleuglen uitslaatEn wakker streeft van pool tot pool.Gij moogt dat scheepje niet verzellen,In zege deelen noch in strijd;Toch werkt ge op scheepsvoogd en gezellen,Bezielend of ge aanwezig zijt.Dus gaat er ook van dezen doodeEen levenwekkende adem uit,Den killen ijskorst weer ontdooiend,Die menig hart voor geestdrift sluit.De driekleur wappert nu in ’t Noorden,In ’t Zuiden straks—doch wáár ontplooid,Die ’t eerst na eeuwen ze er ontrolde,Neen, ’t dankbaar volk vergeet hem nooit.Rijst eenmaal binnen de Amstelmuren’t Walhalla, dat te aanschouwen geeftIn wie de roem van vroeger eeuwen,Het leven onzer natie leeft,Dan naast de Ruyter en de TrompenDees jongen Tromp een plaats geboôn:„Zeevaders” noemde hij die oudren,Wèl was hij hun een waardig zoon!Maar doen wij meer nog, doen wij beter,Dat ieder schip van Neêrlands vlootIn officiershut en vooronderZijn beeltnis toone, en ’t hoofd ontbloot,Spreke elk in geestdrift bij ’t aanschouwen:„Wij volgen op de ontsloten baan,„Ons voorbeeld zullen we in u eeren,„Die, jong, zooveel reeds hebt gedaan.”Wageningen.C. Honigh.EINDEEINDE

IV.

Toen het Engelsche geogr. genootschap de tijding van Beynen’s dood vernam, schreef de president, lord Northbrook—oud-onderkoning van Britsch-Indië en thans minister van marine—het volgende aan den president van het IJszeevaart-comité:1 Savile RowBurlington Gardens W.25 Nov. 1879Sir!In my own name, and on the part of the council of the RoyalGeographicalSociety, I hasten to convey to you, and to the Dutch Arctic Committee, our feelings of regret at the sad news which has just reached us, of the untimely death of Lieutenant Koolemans Beynen.In conveying to the Committee our expressions of sympathy, we desire at the same time to record our sense of the great loss which geographical science and research have sustained, and to assure you that the distinguished services of Lieut. Beynen were highly appreciated in England.I have the honour to beSir, your most obedient servantNorthbrook.President Royal Geographical Society.MonsieurFransen van de PutteChairmanof the Arctic Committee, the Hague.Indien ik al de brieven wilde aanhalen, waarin zoovele mannen en vrouwen, op wie wij Nederlanders fier zijn, hun innig leedwezen over Beynen’s dood, hun hartelijke waardeering en bewondering van zijn fier karakter en edel streven deden kennen aan zijn moeder, betrekkingen en vrienden, dan zou ik aan dit boek een groot aantal bladzijden moeten toevoegen. Nicolaas Beets en mevrouw Bosboom-Toussaint, om een paar voorbeelden te noemen, drukten uit hoe zij die poëzie liefhebben en edele gedachten eeren, den jongen zeeman en zijn streven op prijs stelden, en officieren, staatslieden en burgers van elken stand bewezen eveneens hoe ze den vaderlandlievenden enthousiast hadden lief gekregen.C. Honigh zond mij het volgende gedicht ter herdenking van den dierbaren vriend.L. R. KOOLEMANS BEYNEN.„Laat hen, die kunnen schrijven, dan schrijven! die kunnen varen van wal steken! die offers kunnen brengen op het altaar van het vaderland, hun zilver of goud geven!”Chs. Boissevain.Benijdbaar, wien het mocht gebeuren,Dat heel een natie bij zijn doodEen rouwklacht slaakte en in dat treurenHaar diepstgevoelde hulde bood!Dat lot wordt slechts door hem verworven,Die heel een leven kennen deê,Maar ’t uwe ook was ‘t, schoon vroeg gestorven,Gij, jonge kampioen ter zee!Geen stoetontelb’re, ontroostb’re vrindenHeeft tot aan ’t graf uw baar verzeldU werd, gelijk den kloeken Barents,Het veld van roem ook ’t doodenveld.Vond deze eenmaal in ’t barre NoordenEen schuilplaats in ’t „Behouden Huys”2Gij vondt uw graf in ’t gloeiend Oosten,Maar, vrome held, ook gij zijt thuis!Ja, vroom en vroed gelijk de vaadren,Wier voetspoor gij weer hebt gedrukt!Zij reikten u den eerelauwer,Uit hun nog groenen krans geplukt.Gij deedt voor eeuwenoude glorieHet hart des volks weer hooger slaan,Herleeft ter zee onze oude luister,Met u vangt dan dit tijdperk aan.De „Willem Barentz” hijscht—wij willen ‘t—Dra Hollands vlag weer als ’t symbool,Dat de oude geest zijn vleuglen uitslaatEn wakker streeft van pool tot pool.Gij moogt dat scheepje niet verzellen,In zege deelen noch in strijd;Toch werkt ge op scheepsvoogd en gezellen,Bezielend of ge aanwezig zijt.Dus gaat er ook van dezen doodeEen levenwekkende adem uit,Den killen ijskorst weer ontdooiend,Die menig hart voor geestdrift sluit.De driekleur wappert nu in ’t Noorden,In ’t Zuiden straks—doch wáár ontplooid,Die ’t eerst na eeuwen ze er ontrolde,Neen, ’t dankbaar volk vergeet hem nooit.Rijst eenmaal binnen de Amstelmuren’t Walhalla, dat te aanschouwen geeftIn wie de roem van vroeger eeuwen,Het leven onzer natie leeft,Dan naast de Ruyter en de TrompenDees jongen Tromp een plaats geboôn:„Zeevaders” noemde hij die oudren,Wèl was hij hun een waardig zoon!Maar doen wij meer nog, doen wij beter,Dat ieder schip van Neêrlands vlootIn officiershut en vooronderZijn beeltnis toone, en ’t hoofd ontbloot,Spreke elk in geestdrift bij ’t aanschouwen:„Wij volgen op de ontsloten baan,„Ons voorbeeld zullen we in u eeren,„Die, jong, zooveel reeds hebt gedaan.”Wageningen.C. Honigh.EINDEEINDE

Toen het Engelsche geogr. genootschap de tijding van Beynen’s dood vernam, schreef de president, lord Northbrook—oud-onderkoning van Britsch-Indië en thans minister van marine—het volgende aan den president van het IJszeevaart-comité:

1 Savile RowBurlington Gardens W.25 Nov. 1879Sir!In my own name, and on the part of the council of the RoyalGeographicalSociety, I hasten to convey to you, and to the Dutch Arctic Committee, our feelings of regret at the sad news which has just reached us, of the untimely death of Lieutenant Koolemans Beynen.In conveying to the Committee our expressions of sympathy, we desire at the same time to record our sense of the great loss which geographical science and research have sustained, and to assure you that the distinguished services of Lieut. Beynen were highly appreciated in England.I have the honour to beSir, your most obedient servantNorthbrook.President Royal Geographical Society.MonsieurFransen van de PutteChairmanof the Arctic Committee, the Hague.

1 Savile RowBurlington Gardens W.25 Nov. 1879

Sir!

In my own name, and on the part of the council of the RoyalGeographicalSociety, I hasten to convey to you, and to the Dutch Arctic Committee, our feelings of regret at the sad news which has just reached us, of the untimely death of Lieutenant Koolemans Beynen.

In conveying to the Committee our expressions of sympathy, we desire at the same time to record our sense of the great loss which geographical science and research have sustained, and to assure you that the distinguished services of Lieut. Beynen were highly appreciated in England.

I have the honour to be

Sir, your most obedient servant

Northbrook.

President Royal Geographical Society.

MonsieurFransen van de PutteChairmanof the Arctic Committee, the Hague.

Indien ik al de brieven wilde aanhalen, waarin zoovele mannen en vrouwen, op wie wij Nederlanders fier zijn, hun innig leedwezen over Beynen’s dood, hun hartelijke waardeering en bewondering van zijn fier karakter en edel streven deden kennen aan zijn moeder, betrekkingen en vrienden, dan zou ik aan dit boek een groot aantal bladzijden moeten toevoegen. Nicolaas Beets en mevrouw Bosboom-Toussaint, om een paar voorbeelden te noemen, drukten uit hoe zij die poëzie liefhebben en edele gedachten eeren, den jongen zeeman en zijn streven op prijs stelden, en officieren, staatslieden en burgers van elken stand bewezen eveneens hoe ze den vaderlandlievenden enthousiast hadden lief gekregen.

C. Honigh zond mij het volgende gedicht ter herdenking van den dierbaren vriend.

L. R. KOOLEMANS BEYNEN.„Laat hen, die kunnen schrijven, dan schrijven! die kunnen varen van wal steken! die offers kunnen brengen op het altaar van het vaderland, hun zilver of goud geven!”Chs. Boissevain.

L. R. KOOLEMANS BEYNEN.

„Laat hen, die kunnen schrijven, dan schrijven! die kunnen varen van wal steken! die offers kunnen brengen op het altaar van het vaderland, hun zilver of goud geven!”

Chs. Boissevain.

Benijdbaar, wien het mocht gebeuren,Dat heel een natie bij zijn doodEen rouwklacht slaakte en in dat treurenHaar diepstgevoelde hulde bood!Dat lot wordt slechts door hem verworven,Die heel een leven kennen deê,Maar ’t uwe ook was ‘t, schoon vroeg gestorven,Gij, jonge kampioen ter zee!Geen stoetontelb’re, ontroostb’re vrindenHeeft tot aan ’t graf uw baar verzeldU werd, gelijk den kloeken Barents,Het veld van roem ook ’t doodenveld.Vond deze eenmaal in ’t barre NoordenEen schuilplaats in ’t „Behouden Huys”2Gij vondt uw graf in ’t gloeiend Oosten,Maar, vrome held, ook gij zijt thuis!Ja, vroom en vroed gelijk de vaadren,Wier voetspoor gij weer hebt gedrukt!Zij reikten u den eerelauwer,Uit hun nog groenen krans geplukt.Gij deedt voor eeuwenoude glorieHet hart des volks weer hooger slaan,Herleeft ter zee onze oude luister,Met u vangt dan dit tijdperk aan.De „Willem Barentz” hijscht—wij willen ‘t—Dra Hollands vlag weer als ’t symbool,Dat de oude geest zijn vleuglen uitslaatEn wakker streeft van pool tot pool.Gij moogt dat scheepje niet verzellen,In zege deelen noch in strijd;Toch werkt ge op scheepsvoogd en gezellen,Bezielend of ge aanwezig zijt.Dus gaat er ook van dezen doodeEen levenwekkende adem uit,Den killen ijskorst weer ontdooiend,Die menig hart voor geestdrift sluit.De driekleur wappert nu in ’t Noorden,In ’t Zuiden straks—doch wáár ontplooid,Die ’t eerst na eeuwen ze er ontrolde,Neen, ’t dankbaar volk vergeet hem nooit.Rijst eenmaal binnen de Amstelmuren’t Walhalla, dat te aanschouwen geeftIn wie de roem van vroeger eeuwen,Het leven onzer natie leeft,Dan naast de Ruyter en de TrompenDees jongen Tromp een plaats geboôn:„Zeevaders” noemde hij die oudren,Wèl was hij hun een waardig zoon!Maar doen wij meer nog, doen wij beter,Dat ieder schip van Neêrlands vlootIn officiershut en vooronderZijn beeltnis toone, en ’t hoofd ontbloot,Spreke elk in geestdrift bij ’t aanschouwen:„Wij volgen op de ontsloten baan,„Ons voorbeeld zullen we in u eeren,„Die, jong, zooveel reeds hebt gedaan.”

Benijdbaar, wien het mocht gebeuren,Dat heel een natie bij zijn doodEen rouwklacht slaakte en in dat treurenHaar diepstgevoelde hulde bood!Dat lot wordt slechts door hem verworven,Die heel een leven kennen deê,Maar ’t uwe ook was ‘t, schoon vroeg gestorven,Gij, jonge kampioen ter zee!

Benijdbaar, wien het mocht gebeuren,

Dat heel een natie bij zijn dood

Een rouwklacht slaakte en in dat treuren

Haar diepstgevoelde hulde bood!

Dat lot wordt slechts door hem verworven,

Die heel een leven kennen deê,

Maar ’t uwe ook was ‘t, schoon vroeg gestorven,

Gij, jonge kampioen ter zee!

Geen stoetontelb’re, ontroostb’re vrindenHeeft tot aan ’t graf uw baar verzeldU werd, gelijk den kloeken Barents,Het veld van roem ook ’t doodenveld.Vond deze eenmaal in ’t barre NoordenEen schuilplaats in ’t „Behouden Huys”2Gij vondt uw graf in ’t gloeiend Oosten,Maar, vrome held, ook gij zijt thuis!

Geen stoetontelb’re, ontroostb’re vrinden

Heeft tot aan ’t graf uw baar verzeld

U werd, gelijk den kloeken Barents,

Het veld van roem ook ’t doodenveld.

Vond deze eenmaal in ’t barre Noorden

Een schuilplaats in ’t „Behouden Huys”2

Gij vondt uw graf in ’t gloeiend Oosten,

Maar, vrome held, ook gij zijt thuis!

Ja, vroom en vroed gelijk de vaadren,Wier voetspoor gij weer hebt gedrukt!Zij reikten u den eerelauwer,Uit hun nog groenen krans geplukt.Gij deedt voor eeuwenoude glorieHet hart des volks weer hooger slaan,Herleeft ter zee onze oude luister,Met u vangt dan dit tijdperk aan.

Ja, vroom en vroed gelijk de vaadren,

Wier voetspoor gij weer hebt gedrukt!

Zij reikten u den eerelauwer,

Uit hun nog groenen krans geplukt.

Gij deedt voor eeuwenoude glorie

Het hart des volks weer hooger slaan,

Herleeft ter zee onze oude luister,

Met u vangt dan dit tijdperk aan.

De „Willem Barentz” hijscht—wij willen ‘t—Dra Hollands vlag weer als ’t symbool,Dat de oude geest zijn vleuglen uitslaatEn wakker streeft van pool tot pool.Gij moogt dat scheepje niet verzellen,In zege deelen noch in strijd;Toch werkt ge op scheepsvoogd en gezellen,Bezielend of ge aanwezig zijt.

De „Willem Barentz” hijscht—wij willen ‘t—

Dra Hollands vlag weer als ’t symbool,

Dat de oude geest zijn vleuglen uitslaat

En wakker streeft van pool tot pool.

Gij moogt dat scheepje niet verzellen,

In zege deelen noch in strijd;

Toch werkt ge op scheepsvoogd en gezellen,

Bezielend of ge aanwezig zijt.

Dus gaat er ook van dezen doodeEen levenwekkende adem uit,Den killen ijskorst weer ontdooiend,Die menig hart voor geestdrift sluit.De driekleur wappert nu in ’t Noorden,In ’t Zuiden straks—doch wáár ontplooid,Die ’t eerst na eeuwen ze er ontrolde,Neen, ’t dankbaar volk vergeet hem nooit.

Dus gaat er ook van dezen doode

Een levenwekkende adem uit,

Den killen ijskorst weer ontdooiend,

Die menig hart voor geestdrift sluit.

De driekleur wappert nu in ’t Noorden,

In ’t Zuiden straks—doch wáár ontplooid,

Die ’t eerst na eeuwen ze er ontrolde,

Neen, ’t dankbaar volk vergeet hem nooit.

Rijst eenmaal binnen de Amstelmuren’t Walhalla, dat te aanschouwen geeftIn wie de roem van vroeger eeuwen,Het leven onzer natie leeft,Dan naast de Ruyter en de TrompenDees jongen Tromp een plaats geboôn:„Zeevaders” noemde hij die oudren,Wèl was hij hun een waardig zoon!

Rijst eenmaal binnen de Amstelmuren

’t Walhalla, dat te aanschouwen geeft

In wie de roem van vroeger eeuwen,

Het leven onzer natie leeft,

Dan naast de Ruyter en de Trompen

Dees jongen Tromp een plaats geboôn:

„Zeevaders” noemde hij die oudren,

Wèl was hij hun een waardig zoon!

Maar doen wij meer nog, doen wij beter,Dat ieder schip van Neêrlands vlootIn officiershut en vooronderZijn beeltnis toone, en ’t hoofd ontbloot,Spreke elk in geestdrift bij ’t aanschouwen:„Wij volgen op de ontsloten baan,„Ons voorbeeld zullen we in u eeren,„Die, jong, zooveel reeds hebt gedaan.”

Maar doen wij meer nog, doen wij beter,

Dat ieder schip van Neêrlands vloot

In officiershut en vooronder

Zijn beeltnis toone, en ’t hoofd ontbloot,

Spreke elk in geestdrift bij ’t aanschouwen:

„Wij volgen op de ontsloten baan,

„Ons voorbeeld zullen we in u eeren,

„Die, jong, zooveel reeds hebt gedaan.”

Wageningen.C. Honigh.

EINDEEINDE

EINDE

1Deze mededeelingen geven in kort weer wat luitenant van Broekhuyzen in zijn lezing inZeemanshoopover de resultaten van de reis opmerkte.↑2„’t Behouden Huys”, dus noemden Barents en zijne lotgenooten de hut, waarin zij op Nova-Zembla in 1596 overwinterden.↑

1Deze mededeelingen geven in kort weer wat luitenant van Broekhuyzen in zijn lezing inZeemanshoopover de resultaten van de reis opmerkte.↑2„’t Behouden Huys”, dus noemden Barents en zijne lotgenooten de hut, waarin zij op Nova-Zembla in 1596 overwinterden.↑

1Deze mededeelingen geven in kort weer wat luitenant van Broekhuyzen in zijn lezing inZeemanshoopover de resultaten van de reis opmerkte.↑

2„’t Behouden Huys”, dus noemden Barents en zijne lotgenooten de hut, waarin zij op Nova-Zembla in 1596 overwinterden.↑

INHOUD.Blz.Voorrede7Inleiding13Zijn jeugd21In Atjeh28Naar het Noorden50De tochten op de Pandora57Met woord en daad111Des zomers op de Noordzee126Op de Willem Barents150In den mist164In ’t westijs168In ’t kraaiennest173In ’t oostijs187Laatste winter in het vaderland193’s Winters op de Noordzee203Laatste maanden237Bijlagen258

INHOUD.Blz.Voorrede7Inleiding13Zijn jeugd21In Atjeh28Naar het Noorden50De tochten op de Pandora57Met woord en daad111Des zomers op de Noordzee126Op de Willem Barents150In den mist164In ’t westijs168In ’t kraaiennest173In ’t oostijs187Laatste winter in het vaderland193’s Winters op de Noordzee203Laatste maanden237Bijlagen258

Lijst van verschenen nummers van deW. B.WERELD-BIBLIOTHEEKonder leiding van L. SIMONS, uitgegeven voor de MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR, door G. SCHREUDERS, Amsterdam.PRIJS PER NUMMER:20 cts. ingd.; 30 cts. in carton; 40 cts. in linnen.Dubbele nummers in één deel: 40 cts. ingd.; 50 cts. in carton; 60 cts. in linnen.JAAR-ABONNEMENTEN:30 Nrs. in cartonƒ7.5030 Nrs. in linnenƒ10.—VERSCHENEN:No. 1 en 2.BETJE WOLFF en AAGJE DEKEN, Historie van Mej. Sara Burgerhart. Inleiding van Prof. L. Knappert, 2 dln.No. 3.JULES MICHELET,De Martelaren van Rusland.No. 4.HENRIK IBSEN, De Steunpilaren der Maatschappij.Nos. 5/6.ALBERT VERWEY, Inleiding tot de Nieuwe Nederlandsche Dichtkunst.No. 7.ALADDIN EN DE WONDERLAMP.No. 8.ALI BABA EN DE VEERTIG ROOVERS.Nos. 9/10.JUDITH GAUTHIER, De Gedenkschriften van een Witten Olifant.Nos. 11/12.CH. KINGSLEY, De Waterkindertjes.No. 13.Prof. HUGO DE VRIES,Het Yellowstone Park.—Experimenteele Evolutie.No. 14.OKAKURA YOSHISABURO, De Geest van Japan.No. 15.CHARLES DICKENS,Een Kerstlied in proza.No. 16.MOLIERE, De Schelmenstreken van Scapin.Nos. 17/18.G. VAN HULZEN, Getrouwd.No. 19.Fr. HEBBEL, Maria Magdalena.No. 20.TOLSTOJ, Iwan de Dwaas en andere Volksvertellingen.No. 21.SHAKESPEARE, Coriolanus.No. 22.M. SCHARTEN-ANTINK,Sprotje.No. 23.SALZMANN, Het Mierenboekje of de Opvoeding der Opvoeders.Nos. 24/25.H. G. WELLS,Het Voedsel der Goden.Nos. 26/27.SCIPIO SIGHELE, De menigte als misdadigster.Nos. 28/29.F. SCHMIDT DEGENER, Rembrandt.No. 30.H. DE BALZAC, Het Gevloekte Kind.

Lijst van verschenen nummers van deW. B.WERELD-BIBLIOTHEEKonder leiding van L. SIMONS, uitgegeven voor de MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR, door G. SCHREUDERS, Amsterdam.PRIJS PER NUMMER:20 cts. ingd.; 30 cts. in carton; 40 cts. in linnen.Dubbele nummers in één deel: 40 cts. ingd.; 50 cts. in carton; 60 cts. in linnen.JAAR-ABONNEMENTEN:30 Nrs. in cartonƒ7.5030 Nrs. in linnenƒ10.—VERSCHENEN:No. 1 en 2.BETJE WOLFF en AAGJE DEKEN, Historie van Mej. Sara Burgerhart. Inleiding van Prof. L. Knappert, 2 dln.No. 3.JULES MICHELET,De Martelaren van Rusland.No. 4.HENRIK IBSEN, De Steunpilaren der Maatschappij.Nos. 5/6.ALBERT VERWEY, Inleiding tot de Nieuwe Nederlandsche Dichtkunst.No. 7.ALADDIN EN DE WONDERLAMP.No. 8.ALI BABA EN DE VEERTIG ROOVERS.Nos. 9/10.JUDITH GAUTHIER, De Gedenkschriften van een Witten Olifant.Nos. 11/12.CH. KINGSLEY, De Waterkindertjes.No. 13.Prof. HUGO DE VRIES,Het Yellowstone Park.—Experimenteele Evolutie.No. 14.OKAKURA YOSHISABURO, De Geest van Japan.No. 15.CHARLES DICKENS,Een Kerstlied in proza.No. 16.MOLIERE, De Schelmenstreken van Scapin.Nos. 17/18.G. VAN HULZEN, Getrouwd.No. 19.Fr. HEBBEL, Maria Magdalena.No. 20.TOLSTOJ, Iwan de Dwaas en andere Volksvertellingen.No. 21.SHAKESPEARE, Coriolanus.No. 22.M. SCHARTEN-ANTINK,Sprotje.No. 23.SALZMANN, Het Mierenboekje of de Opvoeding der Opvoeders.Nos. 24/25.H. G. WELLS,Het Voedsel der Goden.Nos. 26/27.SCIPIO SIGHELE, De menigte als misdadigster.Nos. 28/29.F. SCHMIDT DEGENER, Rembrandt.No. 30.H. DE BALZAC, Het Gevloekte Kind.

Lijst van verschenen nummers van de

W. B.

WERELD-BIBLIOTHEEK

onder leiding van L. SIMONS, uitgegeven voor de MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR, door G. SCHREUDERS, Amsterdam.

PRIJS PER NUMMER:

20 cts. ingd.; 30 cts. in carton; 40 cts. in linnen.

Dubbele nummers in één deel: 40 cts. ingd.; 50 cts. in carton; 60 cts. in linnen.

JAAR-ABONNEMENTEN:

30 Nrs. in cartonƒ7.5030 Nrs. in linnenƒ10.—

VERSCHENEN:

No. 1 en 2.BETJE WOLFF en AAGJE DEKEN, Historie van Mej. Sara Burgerhart. Inleiding van Prof. L. Knappert, 2 dln.No. 3.JULES MICHELET,De Martelaren van Rusland.No. 4.HENRIK IBSEN, De Steunpilaren der Maatschappij.Nos. 5/6.ALBERT VERWEY, Inleiding tot de Nieuwe Nederlandsche Dichtkunst.No. 7.ALADDIN EN DE WONDERLAMP.No. 8.ALI BABA EN DE VEERTIG ROOVERS.Nos. 9/10.JUDITH GAUTHIER, De Gedenkschriften van een Witten Olifant.Nos. 11/12.CH. KINGSLEY, De Waterkindertjes.No. 13.Prof. HUGO DE VRIES,Het Yellowstone Park.—Experimenteele Evolutie.No. 14.OKAKURA YOSHISABURO, De Geest van Japan.No. 15.CHARLES DICKENS,Een Kerstlied in proza.No. 16.MOLIERE, De Schelmenstreken van Scapin.Nos. 17/18.G. VAN HULZEN, Getrouwd.No. 19.Fr. HEBBEL, Maria Magdalena.No. 20.TOLSTOJ, Iwan de Dwaas en andere Volksvertellingen.No. 21.SHAKESPEARE, Coriolanus.No. 22.M. SCHARTEN-ANTINK,Sprotje.No. 23.SALZMANN, Het Mierenboekje of de Opvoeding der Opvoeders.Nos. 24/25.H. G. WELLS,Het Voedsel der Goden.Nos. 26/27.SCIPIO SIGHELE, De menigte als misdadigster.Nos. 28/29.F. SCHMIDT DEGENER, Rembrandt.No. 30.H. DE BALZAC, Het Gevloekte Kind.

ColofonBeschikbaarheidDit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van deProject Gutenberg Licentiebij dit eBoek of on-line opwww.gutenberg.org.Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam opwww.pgdp.net.MetadataTitel:Leven en streven van L. R. Koolemans BeynenAuteur:Charles Boissevain (1842–1927)InfoTaal:Nederlands (Oude Spelling)Oorspronkelijke uitgiftedatum:[1918]Trefwoorden:Laurens Reinhart Koolemans Beynen (1852–1879), militair en poolreizigerCatalogusvermeldingenGerelateerde WorldCat cataloguspagina:784059285CoderingDit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.Documentgeschiedenis2017-09-03 Begonnen.Externe ReferentiesDit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.VerbeteringenDe volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:BladzijdeBronVerbeteringBewerkingsafstand3811en11den158ijsmassaasijsmassa’s167eenen168BeyenBeynen178DiscofordDiscofjord198zijnzij1100thouroughlythoroughly1100teto1103,261Mac ClintockMacClintock1103Mac GahanMacGahan1106maitremaître1 / 0108,109[Niet in bron].1123dandans1123nourirnourrir1123,125[Niet in bron]”1147hydographenhydrographen1161,218[Niet in bron]„1166soortgelijksoortelijk1169neerneêr1 / 0171pionnierpionier1171dr.Dr.1185moeilijkemoeielijke1189neerhalenneêrhalen1 / 0194[Niet in bron]°1196„[Verwijderd]1222stormweerstormweêr1 / 0224vaamvaâm1 / 0231CasterCastor1231,.1234profundusprofundis1243vijfkeervijf keer1253zee-oficierzeeofficier2258bïsbis1 / 0262NordenskiöldNordenskjöld1263.,1264GeograhpicalGeographical2264GhairmainChairman2265ontelbreontelb’re1AfkortingenOverzicht van gebruikte afkortingen.AfkortingUitgeschrevenb.v.bijvoorbeeldd.i.dat isjhr.jonkheerN. Br.noorderbreedteN. N. W.noord-noordwestO. N. O-lijkeoost-noordoostelijkeo.a.onder andereW. N. W.west-noordwestZ. B.zuiderbreedtez. i.zijn inziensZ. K. H.Zijne Koninklijke HoogheidZ. W.zuidwestenZ. Z. W-lijkezuid-zuidwestelijkeZr. Ms.Zijner Majesteits

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van deProject Gutenberg Licentiebij dit eBoek of on-line opwww.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam opwww.pgdp.net.

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Overzicht van gebruikte afkortingen.


Back to IndexNext