„’t Waren allermoeielijkste nachtwachten. Ofschoon de temperatuur slechts enkele graden beneden het vriespunt stond, waren want en stagen met een dikke ijskorst bedekt en woei de fijne sneeuw ons met zulk een kracht in ’t gezicht, dat ’t was alsof men met naalden over het gelaat werd geschrapt. Het was bijna onmogelijk recht voor zich uit te kijken en onze oogleden waren opgezwollen van de doorgestane pijn.„Toch moest er scherp uitgekeken en bij herhaling gemanoeuvreerd worden, in welk geval men op dek tot over de knieën door ’t water moest waden. Eerst den volgenden morgen begon de wind in kracht te verminderen, de lucht helderde op, en toen nu de Carey-eilanden recht vooruit gezien werden, bleek het dat dePandoragedurende den storm ongeveer zes Duitsche mijlen om de noord was gedreven.”Toen dePandoradus uit het ijs gered was, werd naar kaap Isabella gestevend, waar in eencairntijding van de Engelsche expeditie onder kapitein Nares gevonden werd. De geheele maand Augustus werd vervolgens tegen de ijsmassa inSmith Soundgekampt, gelijk Beynen geschreven heeft in zijn verslag en aangeteekend heeft op de kaart, welke het verslag verrijkt, dat weder werd uitgegeven door het Aardrijkskundig Genootschap.Opmerkelijk is in dit verslag vooral nog de beschrijving van de Eskimo’s, die dePandorain Bardenbaai aantrof. Zij behoorden tot een nog geheel onbeschaafden stam, welks jachtvelden zich langs den oostelijken oever van Smith-Sound uitstrekken. Zijhadden nooit te voren een schip gezien en de eenvoudigste zaken verbaasden hen. Ten einde beter in hun onderhoud te kunnen voorzien, leven zij verspreid op verschillende plaatsen langs de kust. ’s Winters bewonen zij gewoonlijk acht verschillende kustplaatsen, doch ’s zomers slaan zij hunne tenten daar op, waar zij vertrouwen de beste jachtvelden te zullen vinden. Hun winter verblijven (iglu’s) worden met veel zorg handig uit rotsstukken opgetrokken en van boven met lange vlakke steenen overdekt. Van buiten worden zij geheel met mos bekleed, terwijl de dikke laag sneeuw, die ’s winters er over heen komt, de koude verder helpt buitensluiten. De ingang bestaat uit een langen overdekten doorgang, die zoo nauw is dat één man er slechts met moeite door kan kruipen. Een klein raam, dat juist daarboven geplaatst is, wordt met een uitgespannen darm van een zeehond gesloten. De binnenwanden dier steenen hutten zijn veelal behangen met vellen, vogelnesten, hondenzweepen en harpoenlijnen, terwijl hun huisraad voornamelijk bestaat uit cylindervormige potten van zeehondenhuiden genaaid, die gewoonlijk vol spek en traan staan. De uit een zachte steensoort uitgeholde lamp dient tevens om het eten er boven te koken, en onafgebroken houden zij daarin een van mos vervaardigde oliepit brandende. Het water, dat van een smeltend stuk ijs afdruipt, wordt opgevangen op het schouderblad van een walrus, dat tusschen twee steenen rust. Gewoonlijk eten zij hun voedsel rauw, en slechts bij enkele feestelijke gelegenheden bereiden zij een warme soep uit traan, bloed en ingewanden. Van de Engelsche schepen hadden zij niets gezien, maar een oude man, die met zijn gezin op Northumberland-eiland leefde, had den vorigen zomer twee schepen om de Noord zien gaan. Ook van het wrak van dePolaris, datgezonken was, hadden zij hooren spreken, maar zij zelven waren niet zoo noordelijk geweest en Beynen zag onder hun huisraad niets, dat deze getuigenis logenstrafte. Hij merkte echter een door ijs zeer beschadigde roeispaan uit Zuid Groenland afkomstig op en een stuk hout dat gemerkt was „Lime Juice Leith.” Volgens hun bewering waren deze voorwerpen van om de zuid gekomen en door de zee op hun kusten gespoeld.Deze Eskimo’s werden door Beynen beschreven als een goed, eenvoudig, sterk en gezond volk, zeer klein van gestalte, met lang, donker, loshangend haar. De vrouwen zien er in hun jeugd vrij gunstig uit, maar zij schijnen kleiner dan zij werkelijk zijn, waarschijnlijk ten gevolge van de gewoonte om voorovergebogen te gaan, ’t welk een gevolg is van het dragen der kinderen op hun rug. Hoe arm zij ook waren, boden deze lieden den zeevaarders alles aan wat zij hadden, en toen kapitein Young het hoofd van het gezin vroeg wat hij in ruil wilde ontvangen en hem naar boord medenam, koos hij uit al de nooit geziene schatten een puntig stuk ijzer om een speer van te maken en een essenhouten roeiriem om er de schacht van te vervaardigen.De Eskimo’s werden bij het vertrek van dePandoramet geschenken overladen. Beynen gaf alles weg wat hij slechts even missen kon, tot zijn zakmes en scheerspiegel incluis. Hij kon alleraardigste bijzonderheden vertellen van het leven en de gewoonten dezer natuurmenschen, wier eerlijkheid en braafheid hem zeer getroffen hadden, doch ik hield, tot mijn leedwezen, geen aanteekening van zijn mededeelingen. Hij heeft ons vaak laten lachen als hij nabootste hoe blijde de Eskimo’s waren met al de geschenken, en hoezijhun vreugde uitten. „Hun opgetogenheidkende geen palen,” schreef hij in zijn verslag. „Zij dansten, lachten en schreeuwden van verbazing bij het ontvangen van zulke schatten, doch toen kapitein Young hun voorstelde allen aan boord te nemen, wanneer hij hen naar een beter land zou brengen, weigerden ze, terwijl ze den tolk te verstaan gaven dat zijwelwisten hoe zij het in hun land hadden, dochniethoe zij het ergens anders zouden vinden.”Tegelijk met deAlertenDiscoverykwam dePandoraden 3den November in Engeland terug, waar officieren en bemanning met geestdrift werden ontvangen.Beynen had beloofd stipt zijn plicht te zullen doen aan boord van dePandoraen hij hield woord.Sir Allen Young, zijn kapitein op dePandora, een zeeman die Beynen steeds denken deed aan de mannen van Devonshire, die de Armada bestookten en de wereld omzeilden, schreef op den eersten tocht, uit straat Waaigat, aan kolonel Jansen een brief om hem te danken, dat hij hem een Hollandschen zeeofficier als Beynen op reis had medegegeven.„I want to tell you how fortunate we are, in having with us so good and zealous an officer as lieutenant Beynen. I cannot indeed say enough in his favour, for I find him most active and attentive and an extremely agreeable messmate. We are all delighted with him and he is of the greatest assistance to us.”3En toen de reis was afgeloopen, schreef de kapiteinvan dePandoranog eens aan zijn vriend Jansen: „Lieutenant Beynen leaves us with the regret of all his messmates and thePandora’s ship’s-company. He hasthoroughlydistinguished himself. For my part if I again sail in those seas, which is quite possible, there is nothing that would give me more pleasure than to have him again with us. I hope however for his own sake that ere that time arrives, the Netherlands Government will decidetoequip an expedition and that Beynen will be appointed to a high place in it, for if success depends upon talent, energy and good seamanship, I am sure that he could carry any undertaking through to a successful issue”.4Sir Allen Young, die een man van weinig woorden is, schreef niet alleen op deze wijze over Beynen, maar hij sprak—als hij bij den prins van Wales logeerde of aan de admiraliteit verslag uitbracht, of aan zijn vrienden zijn reis verhaalde—met zulk een eerbied en toegenegenheid van den jongen Hollandschen luitenant, dat velen in Engeland hem wilden leeren kennen. Miss Cracroft, eene oude dame, die altijd met Lady Franklin had samengewoond, noodigde hem zoo dringend uit haar te komen opzoeken, dat hij niet konweigeren. Zij wees hem al hetgeen Lady Franklin, ter herdenking van haar beroemden man, uit en betreffende de Noordpoolstreken verzameld had: prachtige schetsen en teekeningen, de portretten in olieverf van de voornaamste Engelsche Noordpoolreizigers, enz.Van dit bezoek teruggekomen, schreef Beynen: „Wat ben ik beloond voor de moeite om van Portsmouth naar Londen te gaan! Het was zeer belangwekkend alles te zien, en treffend, ja aandoenlijk, om die oude, eerwaardige vriendin van Franklin te hooren spreken over het hooge Noorden en de landgenooten, die er het leven gelaten hebben, terwijl ze daar Engeland’s naam ophielden. Zij wilde mij volstrekt alle mogelijke goed doen en mij boeken, instrumenten, enz. enz. geven, doch ik beweerde, dat ik alles had, wat ik maar wenschen kon, en zeide alleen zeer gesteld te zijn op een photographie van Sir John Franklin. Het portret van dezen grooten Engelschen Noordpoolvaarder zal altijd tot sieraad strekken in elk schip, waarop ik later de eer zal hebben te dienen.„Toch was dit nog niet het eenige. Admiraal Sir Francis Hall had verklaard er zeer op gesteld te zijn mijn kennis te maken. Miss Cracroft bracht mij naar hem, en de oude admiraal ontving mij op de aangenaamste, hartelijkste wijze. Hij zeide: „ik heb altijd zeer veel genegenheid gehad voor de voortreffelijke Nederlandsche marine en voor uw volk. Ik was adelborst op het schip, dat koning Willem I naar Holland bracht en waaruit hij te Scheveningen landde. Ik ken uw Koningin zeer goed en heb grooten eerbied voor haar. Mijn dochter is haar petekind.”Even vriendelijk was iedereen voor den jongen Hollandschen zeeofficier, die als vrijwilliger zulke goede diensten had gedaan op het ontdekkingsjacht. Eenstoen dePandorate Portsmouth voor anker lag, zat Beynen ’s avonds in de kleinemess-roomzijn journaal bij te schrijven, toen een stoombarkas van het admiraalschip langszijde kwam om hem mede te deelen dat HH. KK. HH. de Prins van Wales en de hertog van Edinburgh, vernomen hebbende dat hij op dePandorawas, verlangden dat hij aan boord van Her Majesty’sSultanzou komen, opdat Sir Allen Young, die met hen op dit pantserschip dineerde, hem aan hen zou voorstellen.„Zooals ik was moest ik komen,” schreef Beynen. „Sir Allen Young stelde mij voor aan Z. K. H. den hertog van Edinburgh, die mij aan den Prins van Wales voorstelde. Beide waren allervriendelijkst, en na een kort gesprek wenschten zij mij met een handdruk voorspoed op mijn nieuwe reis en bracht ik den avond verder met hen door. De prinsen kwamen den volgenden morgen bij ons aan boord. De hertog van Edinburgh monsterde onze flinke equipage; hij en zijn broeder namen op de innemendste wijze afscheid van de officieren en gingen van boord onder een driewerf hoerah! van de bemanning.”Bij zijn terugkomst van den tweeden tocht kreeg Beynen, door middel van Sir Allan Young, het bericht dat Z. K. H. de prins van Wales er op gesteld was dat hij op deLevéezou komen, en dat hij zich daartoe maar tot den Nederlandschen gezant moest wenden.„Nadat ik deze boodschap ontvangen had,” schreef Beynen, „oordeelde ik het moeielijk te kunnen laten, en, ofschoon ik er tegen opzag als tegen een berg, besloot ik de zeilen maar naar den wind te zetten. Graaf van Bylandt ontving mij allerwelwillendst, moedigde mij aan en zeide dat ik hem maar moest komen afhalen, dan zou hij met mij naar het paleisgaan. Nu het achter den rug is, ben ik blijde dat ik er geweest ben. De ontvangst was zoo ontzagwekkend plechtig en statig; die onbewegelijke gardes, al die uniformen,—het was een grootsch schouwspel. Daarbij kwam dat de raad van legatie, de heer De Stuers, allerhartelijkst was, en de moeite nam mij al de beroemde mannen te wijzen. Later ging ik met kapitein Young naar de admiraals Sir Henry Keppel enMacClintock, die mij wenschten te zien.”Wat Beynen deed werd dus in Engeland bijzonder gewaardeerd, en indien men een nog meer rechtstreeksche getuigenis vernemen wil, hoore men wat een zijner scheepsmakkers op de eerste reis reeds van hem zeide.De beroemde Amerikaansche journalistMacGahan, die als verslaggever van deDaily Newsop de oorlogsvelden van Turkije later zich onderscheidde en daar ook den dood vond, was Beynen’s kameraad aan boord van dePandora, en in zijn boek:Under the Northern Lightsbeschrijft hij welk een held de jonge Beynen zich steeds toonde.„Wanneer er een felle storm woei,” schrijft hij, „en de bevroren zeilen bijna onbeweeglijk waren, dan kon menYoung Trompaltijd vinden op het uiterste punt van de marszeil râ; en als er ander gevaarlijk werk te verrichten was, kon men er zeker van zijn dat Beynen de eerste vrijwilliger was. Hij is de eerste Hollander, dien ik ooit ontmoet heb, maar mijn kennismaking met dezen onvermoeiden, enthusiasten zeeman heeft mij overtuigd dat de oude heldenmoed, welke de Hollanders tachtig jaar deed strijden voor de vrijheid, even krachtig is als ooit, en dat voor den Hollander, en vooral voor den Hollandschen officier, vaderlandsliefde een soort van godsdienst is.”Deze lof verdiende de 24-jarige zeeofficier voor zijn land en zijn corps door een geestdrift en toewijding, die zich in daden uitten.Ieder die met hem in aanraking kwam, wist hij warm te maken voor de zaak die hem zoo dierbaar was.Zoo kwam hij in Engeland, toen dePandorazeilree lag voor de tweede reis, in kennis met den heer Charles Gardiner, die met zijn stoomjacht deGlow-wormgereed was om naar de Noordoostelijke IJszee te gaan, ten einde daar pelsdieren en vogelen te schieten. Doch men hoore hoe Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge, de adjunct-rijksarchivaris, die penningmeester was der Nederlandsche Noordpoolcommissie, en Beynen slechts zoo kort overleefde, in zijn toelichting tot de voorwerpen door Barents op Nova-Zembla achtergelaten, deze kennismaking en hare gevolgen beschrijft.„De eerste kennismaking van Beynen met den heer Chs. Gardiner groeide tot meer vriendschappelijke betrekkingen tusschen de beide heeren aan en in hunne gesprekken over den tocht, die beiden weldra, in tegenovergestelde richting, naar het Noorden zouden ondernemen, liep het onderhoud meer dan eens over Nowaja-Semlya, naar welks omliggende zeeën de heer Gardiner zich wenschte te begeven, om vooral in de Kara-zee, bij White-Island, jachtveld en jachtwater te vinden. De heer Koolemans Beynen hield niet op met den heer Gardiner telkens aan te sporen om van deze gelegenheid gebruik te maken tot een bezoek aan de IJshaven, de plaats waar Barents en Heemskerck in 1596–1597 hadden overwinterd, en werkelijk heeft de edelmoedige Brit, hoewel hij daardoor grootendeels het oorspronkelijk doel van zijn tocht, door hem als jachtliefhebber ondernomen, moest missen, aan de opwekking en aansporing van den heer KoolemansBeynen gehoor gegeven. Op den 29sten Mei ll. verliet de heer Chs. Gardiner met zijn stoomjacht deGlow-wormde reede van Cowes. Te Tromsoë nam hij als ijsloods aan boord den bekenden kapitein Elling Carlsen, dezelfde die den tocht van Payer en Weyprecht heeft mede gemaakt en in 1871 de eerste ontdekker was der voorwerpen, door Barents en Heemskerck op Nowaja-Semlya achtergelaten. Door Matthews-straat of Matotshkinshar, de zeearm die het eigenlijke Nowaja-Semlya van Lütkes- en Barentsland scheidt, geraakte deGlow-wormin de Kara-zee ten Oosten van Nowaja-Semlya. Op den 29sten Julij 1876, des morgens te 8 ure, bereikte deGlow-wormde IJshaven, de overwinteringsplaats van Barents en Heemskerck. Door welwillende tusschenkomst van den heer Koolemans Beynen was ik in staat inzage te nemen van eenige korte uittreksels uit het journaal, aan boord van deGlow-wormgehouden. Eenigen dier extracten laat ik hier nu volgen:„29 Julij. Heden is het een betere dag; ’s morgens te 8 ure bereiken wij de IJshaven. Wij kunnen niet in de baai komen, omdat zij geheel vol is met zwaar ijs, dat aan het land vast zit. Nauwelijks is het anker gevallen, of de kreet klinkt overal aan boord: „een beer! een beer!” Groote opgewektheid overal. Inderdaad, de beer komt over het ijs naar het schip kruipen, waarschijnlijk uit nieuwsgierigheid. Die nieuwsgierigheid betaalt hij duur. Wij zijn spoedig uit de booten naar en op het ijsveld. „Exciting sport!”, door de geheele bemanning aan boord gadegeslagen. Het einde is des beers dood.„Na het ontbijt gaan wij aan wal en bezoeken de bouwvallen van Barents’ winterkwartieren. Geheel het huis ligt ingestort. Wij hebben een hard dagwerk, dáár tusschen de ruïnen, maar graven eene grootehoeveelheid reliquien op. Wij vinden einden touw, nog even sterk als op den dag waarop zij geslagen werden, stukjes zeildoek, kaarsen, oude messen, timmermansgereedschap, spijkers, eenige oude munten, een handlood, een geweerslot, een kruithoorn, enz. Al deze zaken zijn hoogst belangwekkend, daar zij hier 280 jaar hebben gelegen.”Terwijl hier de bemanning van deGlow-worm, voorover gebogen, met pikhouweel, schop en bijl bezig was met de ontgraving, had niemand opgemerkt dat een groote ijsbeer was genaderd, die op zijn achtertrein gezeten in de onmiddellijke nabijheid van de ontgraving dat werk zat aan te kijken alsmaîtreès céans. Alsof hij, opvolger van zijne voorouders, sedert 279 jaren bewaarders van het Barents-museum op Nowaja-Semlya, met ongenoegen gadesloeg dat men hem zijn erfgoed kwam ontstelen, zat hij daar grimmig en „snuffing the air.” Toen men, om een oogenblik te rusten, zich uit de gebogen houding oprichtte, werd de hongerige huisbaas eerst gezien. De geweren stonden op eenigen afstand, zoodat de bemanning een oogenblik ongewapend was. Men vloog te wapen. De beer, dit ziende, „thought discretion the better part of valour,” (zooals de heer Gardiner in zijn journaal zegt), en meester ysegrim wist zich nog tijdig uit de voeten te maken.Op dien dag nam men een observatie, doch geen vertrouwbare, want de dampkring was te mistig voor eene nauwkeurige waarneming. Onder die ongunstige omstandigheden verkreeg men voor de ligging van de plaats 76° 18 noorderbreedte.Het journaal meldt vervolgens op 30 Juli:„Dikke mist … Wij liggen met opgebankte vuren, om gereed te zijn tot vertrek, als het ijs ons mocht willen insluiten of storm ons overvallen. Wij liggenachter een uitgestrekt ijsveld beschut tegen het noorden en noordwesten. Ik hoop dat morgen de mist zal zijn opgetrokken, opdat wij de juiste ligging van Barendsz. winterkwartier zullen kunnen bepalen. Gisteren hebben wij een bericht neergelegd in denzelfden tinnen koker aan een stok, te midden van de bouwvallen van de hut van Barendsz. door Carlsen in 1871 opgericht. Ons bericht behelst niets dan het feit, dat wij hier zijn geweest en dat wij de plaats hebben doorzocht.”Augustus. 1. „Alweder mist, bijna geen wind; de weinige wind die er is, waait uit het zuidwesten. Wij brengen op nieuw een bezoek aan de bouwvallen van het oude huis van Barendsz. en graven nagenoeg den geheelen bodem van het ijs op. Ditmaal wordt onze moeite echter niet rijkelijk beloond. Wij vinden slechts een passer, een harpoen, twee pieken, een paar gebroken messen, schoenen enz. Ik geloof niet dat er nu nog veel te vinden zal zijn; wij hebben alles doorsnuffeld en in elke hoek en gleuf gezocht.”De heer Chs. Gardiner kwam met zijn stoomjacht deGlow-wormden 9den October te Southampton aan. Ruim drie weken later, op den 3den November, stoomde ook dePandora, terugkomende uit Smith-sound, laatst van Uppernavik, onder het driewerf hoezee! der bemanning van de aldaar liggende oorlogschepen, de haven van Porthsmouth binnen. Weldra vernam de heer Koolemans Beynen uit den mond van den heer Chs. Gardiner wat door hem op Nowaja-Semlya gevonden was, en op den 13den November schreef de heer Gardiner hem een brief, waar zooveel vereering voor den grooten zeevaarder Barents en zóó edele welwillendheid jegens Nederland in doorstraalt, dat de brief verdient bewaard te blijven.„I cannot tell you,” zoo schreef de heer Chs. Gardiner,„how much obliged I am to you for taking such an interest in the Barents’s relies and for so kindly offering to take charge of them. If your countrymen will accept them, I shall greatly be honoured and shall be only too proud that it happened to have been in my power to have made them this offer.”De Nederlandsche natie zal ongetwijfeld den heer Gardiner steeds dankbaar zijn, dat hij deze reliquien zoo edelmoedig aan haar heeft afgestaan.Aan de sympathie en geestdrift door Beynen gewekt, hebben we het dus te danken, dat we de belangrijke voorwerpen—door den heer De Jonge uitvoerig beschreven—ontvingen.In het journaal van de overwintering van Barents. en Heemskerk, in 1598 door Gerrit de Veer uitgegeven, staat vermeld, hoe, vóórdat het huis waarin men zoo lang had overwinterd werd verlaten, „Barents. te voren een cleyn cedelken heeft geschreven en in eene musketmate gedaen ende ’t selfde in den schoorsteen opgehangen, daerinne verhaelt stont, hoe wy uyt Hollant daer gecomen waeren om te zeylen nae ’t coninckrijcke van Chijna, ende wat ons aldaer op ’t lant bejegent was ende alle ons wedervaren, op avontuer offer er yemant nae ons quame, dat die weten mocht wat ons bejegent was en hoe ’t ons gegaen hadde.”De „Yemant,” die na Barents.aldaar kwam, was de heer Gardiner. Hij vond in den ouden kruithoorn een ineengefrommeld stuk papier, waarvan de deelen op elkander kleefden, dat groen en geel was, en niet grooter dan de palm van de hand. Dit handschrift, gedurende 279 jaren beurtelings bevroren en ontdooid en beklemd tusschen het ijs en de bouwvallen van „het Behouden Huis,” werd door den heer De Jonge,met behulp van den heer J. H. Hingman, ontcijferd, en de daarin vermelde bijzonderheden bevestigden geheel het journaal van Gerrit de Veer.Voor Beynen waren die honderd belangrijke, schoone herinneringen aan Barents.en aan Hollands heldentijd, opgedolven uit het ijs en de sneeuw van Nova Zembla, een prikkel te meer, om toch te maken dat de Hollandsche vlag weer in die klassieke stroomen wapperen mocht. Wat de heer De Jonge in zijn toelichting zeide was hem uit het hart geschreven.„Wij mogen erkentelijk zijn, dat al de voorwerpen in 1871 en 1876 gevonden, in Nederland zijn teruggekomen. Doch mengt zich met dat gevoel van dankbaarheid ook niet eenig gevoel van spijt? Deze overblijfselen, deze reliquien zijn niet ontdekt en herwaarts gebracht door Nederlandsche zeevaarders. Wij hebben het bezit dier voorwerpen te danken aan den ondernemingsgeest en de edelmoedigheid van vreemden.„De bouwvallen van het huis, waarin de Nederlandsche zeevaarders, onder bevel van Barendsz en Heemskerck, na hun roemrijken tocht, waarop zij Spitsbergen hadden ontdekt en tot ongeveer 80° Noorderbreedte waren doorgedrongen, hebben overwinterd, zijn nu geheel onder den voet gehaald.„Als het koude kleed van ijs en sneeuw gedurende eenige jaren die verstoorde en uitééngeworpen overblijfselen zal hebben bedekt, stormwind en ijspersing den houten staak, door Carlsen opgericht, zullen hebben vernietigd, zal eindelijk ook die plek op Nowaja-Semlya niet meer met juistheid zijn te bepalen. Mij worde het vergeven, indien ik, aan het einde van den mij opgedragen last gekomen, voor één oogenblik mij buiten de grenzen van dien last begeef en het voorstel waag, dat, éér die plek op Nowaja Semlya, waaraan voor Nederland zoovele herinneringen zijn verbonden,geheel uit de herinnering verloren ga, een Nederlandsch schip met kloeke bemanning worde uitgezonden, om dáár in de ijshaven een eenvoudigen gedenksteen van duurzaam graniet op te richten, opdat in de volgende eeuwen moge blijken dat wij, ook bij eigen ongenoegzaamheid, ten minste de dankbaarheid bewaard hebben jegens hen, wier roem ook nu nog op ons afstraalt.”
„’t Waren allermoeielijkste nachtwachten. Ofschoon de temperatuur slechts enkele graden beneden het vriespunt stond, waren want en stagen met een dikke ijskorst bedekt en woei de fijne sneeuw ons met zulk een kracht in ’t gezicht, dat ’t was alsof men met naalden over het gelaat werd geschrapt. Het was bijna onmogelijk recht voor zich uit te kijken en onze oogleden waren opgezwollen van de doorgestane pijn.„Toch moest er scherp uitgekeken en bij herhaling gemanoeuvreerd worden, in welk geval men op dek tot over de knieën door ’t water moest waden. Eerst den volgenden morgen begon de wind in kracht te verminderen, de lucht helderde op, en toen nu de Carey-eilanden recht vooruit gezien werden, bleek het dat dePandoragedurende den storm ongeveer zes Duitsche mijlen om de noord was gedreven.”Toen dePandoradus uit het ijs gered was, werd naar kaap Isabella gestevend, waar in eencairntijding van de Engelsche expeditie onder kapitein Nares gevonden werd. De geheele maand Augustus werd vervolgens tegen de ijsmassa inSmith Soundgekampt, gelijk Beynen geschreven heeft in zijn verslag en aangeteekend heeft op de kaart, welke het verslag verrijkt, dat weder werd uitgegeven door het Aardrijkskundig Genootschap.Opmerkelijk is in dit verslag vooral nog de beschrijving van de Eskimo’s, die dePandorain Bardenbaai aantrof. Zij behoorden tot een nog geheel onbeschaafden stam, welks jachtvelden zich langs den oostelijken oever van Smith-Sound uitstrekken. Zijhadden nooit te voren een schip gezien en de eenvoudigste zaken verbaasden hen. Ten einde beter in hun onderhoud te kunnen voorzien, leven zij verspreid op verschillende plaatsen langs de kust. ’s Winters bewonen zij gewoonlijk acht verschillende kustplaatsen, doch ’s zomers slaan zij hunne tenten daar op, waar zij vertrouwen de beste jachtvelden te zullen vinden. Hun winter verblijven (iglu’s) worden met veel zorg handig uit rotsstukken opgetrokken en van boven met lange vlakke steenen overdekt. Van buiten worden zij geheel met mos bekleed, terwijl de dikke laag sneeuw, die ’s winters er over heen komt, de koude verder helpt buitensluiten. De ingang bestaat uit een langen overdekten doorgang, die zoo nauw is dat één man er slechts met moeite door kan kruipen. Een klein raam, dat juist daarboven geplaatst is, wordt met een uitgespannen darm van een zeehond gesloten. De binnenwanden dier steenen hutten zijn veelal behangen met vellen, vogelnesten, hondenzweepen en harpoenlijnen, terwijl hun huisraad voornamelijk bestaat uit cylindervormige potten van zeehondenhuiden genaaid, die gewoonlijk vol spek en traan staan. De uit een zachte steensoort uitgeholde lamp dient tevens om het eten er boven te koken, en onafgebroken houden zij daarin een van mos vervaardigde oliepit brandende. Het water, dat van een smeltend stuk ijs afdruipt, wordt opgevangen op het schouderblad van een walrus, dat tusschen twee steenen rust. Gewoonlijk eten zij hun voedsel rauw, en slechts bij enkele feestelijke gelegenheden bereiden zij een warme soep uit traan, bloed en ingewanden. Van de Engelsche schepen hadden zij niets gezien, maar een oude man, die met zijn gezin op Northumberland-eiland leefde, had den vorigen zomer twee schepen om de Noord zien gaan. Ook van het wrak van dePolaris, datgezonken was, hadden zij hooren spreken, maar zij zelven waren niet zoo noordelijk geweest en Beynen zag onder hun huisraad niets, dat deze getuigenis logenstrafte. Hij merkte echter een door ijs zeer beschadigde roeispaan uit Zuid Groenland afkomstig op en een stuk hout dat gemerkt was „Lime Juice Leith.” Volgens hun bewering waren deze voorwerpen van om de zuid gekomen en door de zee op hun kusten gespoeld.Deze Eskimo’s werden door Beynen beschreven als een goed, eenvoudig, sterk en gezond volk, zeer klein van gestalte, met lang, donker, loshangend haar. De vrouwen zien er in hun jeugd vrij gunstig uit, maar zij schijnen kleiner dan zij werkelijk zijn, waarschijnlijk ten gevolge van de gewoonte om voorovergebogen te gaan, ’t welk een gevolg is van het dragen der kinderen op hun rug. Hoe arm zij ook waren, boden deze lieden den zeevaarders alles aan wat zij hadden, en toen kapitein Young het hoofd van het gezin vroeg wat hij in ruil wilde ontvangen en hem naar boord medenam, koos hij uit al de nooit geziene schatten een puntig stuk ijzer om een speer van te maken en een essenhouten roeiriem om er de schacht van te vervaardigen.De Eskimo’s werden bij het vertrek van dePandoramet geschenken overladen. Beynen gaf alles weg wat hij slechts even missen kon, tot zijn zakmes en scheerspiegel incluis. Hij kon alleraardigste bijzonderheden vertellen van het leven en de gewoonten dezer natuurmenschen, wier eerlijkheid en braafheid hem zeer getroffen hadden, doch ik hield, tot mijn leedwezen, geen aanteekening van zijn mededeelingen. Hij heeft ons vaak laten lachen als hij nabootste hoe blijde de Eskimo’s waren met al de geschenken, en hoezijhun vreugde uitten. „Hun opgetogenheidkende geen palen,” schreef hij in zijn verslag. „Zij dansten, lachten en schreeuwden van verbazing bij het ontvangen van zulke schatten, doch toen kapitein Young hun voorstelde allen aan boord te nemen, wanneer hij hen naar een beter land zou brengen, weigerden ze, terwijl ze den tolk te verstaan gaven dat zijwelwisten hoe zij het in hun land hadden, dochniethoe zij het ergens anders zouden vinden.”Tegelijk met deAlertenDiscoverykwam dePandoraden 3den November in Engeland terug, waar officieren en bemanning met geestdrift werden ontvangen.Beynen had beloofd stipt zijn plicht te zullen doen aan boord van dePandoraen hij hield woord.Sir Allen Young, zijn kapitein op dePandora, een zeeman die Beynen steeds denken deed aan de mannen van Devonshire, die de Armada bestookten en de wereld omzeilden, schreef op den eersten tocht, uit straat Waaigat, aan kolonel Jansen een brief om hem te danken, dat hij hem een Hollandschen zeeofficier als Beynen op reis had medegegeven.„I want to tell you how fortunate we are, in having with us so good and zealous an officer as lieutenant Beynen. I cannot indeed say enough in his favour, for I find him most active and attentive and an extremely agreeable messmate. We are all delighted with him and he is of the greatest assistance to us.”3En toen de reis was afgeloopen, schreef de kapiteinvan dePandoranog eens aan zijn vriend Jansen: „Lieutenant Beynen leaves us with the regret of all his messmates and thePandora’s ship’s-company. He hasthoroughlydistinguished himself. For my part if I again sail in those seas, which is quite possible, there is nothing that would give me more pleasure than to have him again with us. I hope however for his own sake that ere that time arrives, the Netherlands Government will decidetoequip an expedition and that Beynen will be appointed to a high place in it, for if success depends upon talent, energy and good seamanship, I am sure that he could carry any undertaking through to a successful issue”.4Sir Allen Young, die een man van weinig woorden is, schreef niet alleen op deze wijze over Beynen, maar hij sprak—als hij bij den prins van Wales logeerde of aan de admiraliteit verslag uitbracht, of aan zijn vrienden zijn reis verhaalde—met zulk een eerbied en toegenegenheid van den jongen Hollandschen luitenant, dat velen in Engeland hem wilden leeren kennen. Miss Cracroft, eene oude dame, die altijd met Lady Franklin had samengewoond, noodigde hem zoo dringend uit haar te komen opzoeken, dat hij niet konweigeren. Zij wees hem al hetgeen Lady Franklin, ter herdenking van haar beroemden man, uit en betreffende de Noordpoolstreken verzameld had: prachtige schetsen en teekeningen, de portretten in olieverf van de voornaamste Engelsche Noordpoolreizigers, enz.Van dit bezoek teruggekomen, schreef Beynen: „Wat ben ik beloond voor de moeite om van Portsmouth naar Londen te gaan! Het was zeer belangwekkend alles te zien, en treffend, ja aandoenlijk, om die oude, eerwaardige vriendin van Franklin te hooren spreken over het hooge Noorden en de landgenooten, die er het leven gelaten hebben, terwijl ze daar Engeland’s naam ophielden. Zij wilde mij volstrekt alle mogelijke goed doen en mij boeken, instrumenten, enz. enz. geven, doch ik beweerde, dat ik alles had, wat ik maar wenschen kon, en zeide alleen zeer gesteld te zijn op een photographie van Sir John Franklin. Het portret van dezen grooten Engelschen Noordpoolvaarder zal altijd tot sieraad strekken in elk schip, waarop ik later de eer zal hebben te dienen.„Toch was dit nog niet het eenige. Admiraal Sir Francis Hall had verklaard er zeer op gesteld te zijn mijn kennis te maken. Miss Cracroft bracht mij naar hem, en de oude admiraal ontving mij op de aangenaamste, hartelijkste wijze. Hij zeide: „ik heb altijd zeer veel genegenheid gehad voor de voortreffelijke Nederlandsche marine en voor uw volk. Ik was adelborst op het schip, dat koning Willem I naar Holland bracht en waaruit hij te Scheveningen landde. Ik ken uw Koningin zeer goed en heb grooten eerbied voor haar. Mijn dochter is haar petekind.”Even vriendelijk was iedereen voor den jongen Hollandschen zeeofficier, die als vrijwilliger zulke goede diensten had gedaan op het ontdekkingsjacht. Eenstoen dePandorate Portsmouth voor anker lag, zat Beynen ’s avonds in de kleinemess-roomzijn journaal bij te schrijven, toen een stoombarkas van het admiraalschip langszijde kwam om hem mede te deelen dat HH. KK. HH. de Prins van Wales en de hertog van Edinburgh, vernomen hebbende dat hij op dePandorawas, verlangden dat hij aan boord van Her Majesty’sSultanzou komen, opdat Sir Allen Young, die met hen op dit pantserschip dineerde, hem aan hen zou voorstellen.„Zooals ik was moest ik komen,” schreef Beynen. „Sir Allen Young stelde mij voor aan Z. K. H. den hertog van Edinburgh, die mij aan den Prins van Wales voorstelde. Beide waren allervriendelijkst, en na een kort gesprek wenschten zij mij met een handdruk voorspoed op mijn nieuwe reis en bracht ik den avond verder met hen door. De prinsen kwamen den volgenden morgen bij ons aan boord. De hertog van Edinburgh monsterde onze flinke equipage; hij en zijn broeder namen op de innemendste wijze afscheid van de officieren en gingen van boord onder een driewerf hoerah! van de bemanning.”Bij zijn terugkomst van den tweeden tocht kreeg Beynen, door middel van Sir Allan Young, het bericht dat Z. K. H. de prins van Wales er op gesteld was dat hij op deLevéezou komen, en dat hij zich daartoe maar tot den Nederlandschen gezant moest wenden.„Nadat ik deze boodschap ontvangen had,” schreef Beynen, „oordeelde ik het moeielijk te kunnen laten, en, ofschoon ik er tegen opzag als tegen een berg, besloot ik de zeilen maar naar den wind te zetten. Graaf van Bylandt ontving mij allerwelwillendst, moedigde mij aan en zeide dat ik hem maar moest komen afhalen, dan zou hij met mij naar het paleisgaan. Nu het achter den rug is, ben ik blijde dat ik er geweest ben. De ontvangst was zoo ontzagwekkend plechtig en statig; die onbewegelijke gardes, al die uniformen,—het was een grootsch schouwspel. Daarbij kwam dat de raad van legatie, de heer De Stuers, allerhartelijkst was, en de moeite nam mij al de beroemde mannen te wijzen. Later ging ik met kapitein Young naar de admiraals Sir Henry Keppel enMacClintock, die mij wenschten te zien.”Wat Beynen deed werd dus in Engeland bijzonder gewaardeerd, en indien men een nog meer rechtstreeksche getuigenis vernemen wil, hoore men wat een zijner scheepsmakkers op de eerste reis reeds van hem zeide.De beroemde Amerikaansche journalistMacGahan, die als verslaggever van deDaily Newsop de oorlogsvelden van Turkije later zich onderscheidde en daar ook den dood vond, was Beynen’s kameraad aan boord van dePandora, en in zijn boek:Under the Northern Lightsbeschrijft hij welk een held de jonge Beynen zich steeds toonde.„Wanneer er een felle storm woei,” schrijft hij, „en de bevroren zeilen bijna onbeweeglijk waren, dan kon menYoung Trompaltijd vinden op het uiterste punt van de marszeil râ; en als er ander gevaarlijk werk te verrichten was, kon men er zeker van zijn dat Beynen de eerste vrijwilliger was. Hij is de eerste Hollander, dien ik ooit ontmoet heb, maar mijn kennismaking met dezen onvermoeiden, enthusiasten zeeman heeft mij overtuigd dat de oude heldenmoed, welke de Hollanders tachtig jaar deed strijden voor de vrijheid, even krachtig is als ooit, en dat voor den Hollander, en vooral voor den Hollandschen officier, vaderlandsliefde een soort van godsdienst is.”Deze lof verdiende de 24-jarige zeeofficier voor zijn land en zijn corps door een geestdrift en toewijding, die zich in daden uitten.Ieder die met hem in aanraking kwam, wist hij warm te maken voor de zaak die hem zoo dierbaar was.Zoo kwam hij in Engeland, toen dePandorazeilree lag voor de tweede reis, in kennis met den heer Charles Gardiner, die met zijn stoomjacht deGlow-wormgereed was om naar de Noordoostelijke IJszee te gaan, ten einde daar pelsdieren en vogelen te schieten. Doch men hoore hoe Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge, de adjunct-rijksarchivaris, die penningmeester was der Nederlandsche Noordpoolcommissie, en Beynen slechts zoo kort overleefde, in zijn toelichting tot de voorwerpen door Barents op Nova-Zembla achtergelaten, deze kennismaking en hare gevolgen beschrijft.„De eerste kennismaking van Beynen met den heer Chs. Gardiner groeide tot meer vriendschappelijke betrekkingen tusschen de beide heeren aan en in hunne gesprekken over den tocht, die beiden weldra, in tegenovergestelde richting, naar het Noorden zouden ondernemen, liep het onderhoud meer dan eens over Nowaja-Semlya, naar welks omliggende zeeën de heer Gardiner zich wenschte te begeven, om vooral in de Kara-zee, bij White-Island, jachtveld en jachtwater te vinden. De heer Koolemans Beynen hield niet op met den heer Gardiner telkens aan te sporen om van deze gelegenheid gebruik te maken tot een bezoek aan de IJshaven, de plaats waar Barents en Heemskerck in 1596–1597 hadden overwinterd, en werkelijk heeft de edelmoedige Brit, hoewel hij daardoor grootendeels het oorspronkelijk doel van zijn tocht, door hem als jachtliefhebber ondernomen, moest missen, aan de opwekking en aansporing van den heer KoolemansBeynen gehoor gegeven. Op den 29sten Mei ll. verliet de heer Chs. Gardiner met zijn stoomjacht deGlow-wormde reede van Cowes. Te Tromsoë nam hij als ijsloods aan boord den bekenden kapitein Elling Carlsen, dezelfde die den tocht van Payer en Weyprecht heeft mede gemaakt en in 1871 de eerste ontdekker was der voorwerpen, door Barents en Heemskerck op Nowaja-Semlya achtergelaten. Door Matthews-straat of Matotshkinshar, de zeearm die het eigenlijke Nowaja-Semlya van Lütkes- en Barentsland scheidt, geraakte deGlow-wormin de Kara-zee ten Oosten van Nowaja-Semlya. Op den 29sten Julij 1876, des morgens te 8 ure, bereikte deGlow-wormde IJshaven, de overwinteringsplaats van Barents en Heemskerck. Door welwillende tusschenkomst van den heer Koolemans Beynen was ik in staat inzage te nemen van eenige korte uittreksels uit het journaal, aan boord van deGlow-wormgehouden. Eenigen dier extracten laat ik hier nu volgen:„29 Julij. Heden is het een betere dag; ’s morgens te 8 ure bereiken wij de IJshaven. Wij kunnen niet in de baai komen, omdat zij geheel vol is met zwaar ijs, dat aan het land vast zit. Nauwelijks is het anker gevallen, of de kreet klinkt overal aan boord: „een beer! een beer!” Groote opgewektheid overal. Inderdaad, de beer komt over het ijs naar het schip kruipen, waarschijnlijk uit nieuwsgierigheid. Die nieuwsgierigheid betaalt hij duur. Wij zijn spoedig uit de booten naar en op het ijsveld. „Exciting sport!”, door de geheele bemanning aan boord gadegeslagen. Het einde is des beers dood.„Na het ontbijt gaan wij aan wal en bezoeken de bouwvallen van Barents’ winterkwartieren. Geheel het huis ligt ingestort. Wij hebben een hard dagwerk, dáár tusschen de ruïnen, maar graven eene grootehoeveelheid reliquien op. Wij vinden einden touw, nog even sterk als op den dag waarop zij geslagen werden, stukjes zeildoek, kaarsen, oude messen, timmermansgereedschap, spijkers, eenige oude munten, een handlood, een geweerslot, een kruithoorn, enz. Al deze zaken zijn hoogst belangwekkend, daar zij hier 280 jaar hebben gelegen.”Terwijl hier de bemanning van deGlow-worm, voorover gebogen, met pikhouweel, schop en bijl bezig was met de ontgraving, had niemand opgemerkt dat een groote ijsbeer was genaderd, die op zijn achtertrein gezeten in de onmiddellijke nabijheid van de ontgraving dat werk zat aan te kijken alsmaîtreès céans. Alsof hij, opvolger van zijne voorouders, sedert 279 jaren bewaarders van het Barents-museum op Nowaja-Semlya, met ongenoegen gadesloeg dat men hem zijn erfgoed kwam ontstelen, zat hij daar grimmig en „snuffing the air.” Toen men, om een oogenblik te rusten, zich uit de gebogen houding oprichtte, werd de hongerige huisbaas eerst gezien. De geweren stonden op eenigen afstand, zoodat de bemanning een oogenblik ongewapend was. Men vloog te wapen. De beer, dit ziende, „thought discretion the better part of valour,” (zooals de heer Gardiner in zijn journaal zegt), en meester ysegrim wist zich nog tijdig uit de voeten te maken.Op dien dag nam men een observatie, doch geen vertrouwbare, want de dampkring was te mistig voor eene nauwkeurige waarneming. Onder die ongunstige omstandigheden verkreeg men voor de ligging van de plaats 76° 18 noorderbreedte.Het journaal meldt vervolgens op 30 Juli:„Dikke mist … Wij liggen met opgebankte vuren, om gereed te zijn tot vertrek, als het ijs ons mocht willen insluiten of storm ons overvallen. Wij liggenachter een uitgestrekt ijsveld beschut tegen het noorden en noordwesten. Ik hoop dat morgen de mist zal zijn opgetrokken, opdat wij de juiste ligging van Barendsz. winterkwartier zullen kunnen bepalen. Gisteren hebben wij een bericht neergelegd in denzelfden tinnen koker aan een stok, te midden van de bouwvallen van de hut van Barendsz. door Carlsen in 1871 opgericht. Ons bericht behelst niets dan het feit, dat wij hier zijn geweest en dat wij de plaats hebben doorzocht.”Augustus. 1. „Alweder mist, bijna geen wind; de weinige wind die er is, waait uit het zuidwesten. Wij brengen op nieuw een bezoek aan de bouwvallen van het oude huis van Barendsz. en graven nagenoeg den geheelen bodem van het ijs op. Ditmaal wordt onze moeite echter niet rijkelijk beloond. Wij vinden slechts een passer, een harpoen, twee pieken, een paar gebroken messen, schoenen enz. Ik geloof niet dat er nu nog veel te vinden zal zijn; wij hebben alles doorsnuffeld en in elke hoek en gleuf gezocht.”De heer Chs. Gardiner kwam met zijn stoomjacht deGlow-wormden 9den October te Southampton aan. Ruim drie weken later, op den 3den November, stoomde ook dePandora, terugkomende uit Smith-sound, laatst van Uppernavik, onder het driewerf hoezee! der bemanning van de aldaar liggende oorlogschepen, de haven van Porthsmouth binnen. Weldra vernam de heer Koolemans Beynen uit den mond van den heer Chs. Gardiner wat door hem op Nowaja-Semlya gevonden was, en op den 13den November schreef de heer Gardiner hem een brief, waar zooveel vereering voor den grooten zeevaarder Barents en zóó edele welwillendheid jegens Nederland in doorstraalt, dat de brief verdient bewaard te blijven.„I cannot tell you,” zoo schreef de heer Chs. Gardiner,„how much obliged I am to you for taking such an interest in the Barents’s relies and for so kindly offering to take charge of them. If your countrymen will accept them, I shall greatly be honoured and shall be only too proud that it happened to have been in my power to have made them this offer.”De Nederlandsche natie zal ongetwijfeld den heer Gardiner steeds dankbaar zijn, dat hij deze reliquien zoo edelmoedig aan haar heeft afgestaan.Aan de sympathie en geestdrift door Beynen gewekt, hebben we het dus te danken, dat we de belangrijke voorwerpen—door den heer De Jonge uitvoerig beschreven—ontvingen.In het journaal van de overwintering van Barents. en Heemskerk, in 1598 door Gerrit de Veer uitgegeven, staat vermeld, hoe, vóórdat het huis waarin men zoo lang had overwinterd werd verlaten, „Barents. te voren een cleyn cedelken heeft geschreven en in eene musketmate gedaen ende ’t selfde in den schoorsteen opgehangen, daerinne verhaelt stont, hoe wy uyt Hollant daer gecomen waeren om te zeylen nae ’t coninckrijcke van Chijna, ende wat ons aldaer op ’t lant bejegent was ende alle ons wedervaren, op avontuer offer er yemant nae ons quame, dat die weten mocht wat ons bejegent was en hoe ’t ons gegaen hadde.”De „Yemant,” die na Barents.aldaar kwam, was de heer Gardiner. Hij vond in den ouden kruithoorn een ineengefrommeld stuk papier, waarvan de deelen op elkander kleefden, dat groen en geel was, en niet grooter dan de palm van de hand. Dit handschrift, gedurende 279 jaren beurtelings bevroren en ontdooid en beklemd tusschen het ijs en de bouwvallen van „het Behouden Huis,” werd door den heer De Jonge,met behulp van den heer J. H. Hingman, ontcijferd, en de daarin vermelde bijzonderheden bevestigden geheel het journaal van Gerrit de Veer.Voor Beynen waren die honderd belangrijke, schoone herinneringen aan Barents.en aan Hollands heldentijd, opgedolven uit het ijs en de sneeuw van Nova Zembla, een prikkel te meer, om toch te maken dat de Hollandsche vlag weer in die klassieke stroomen wapperen mocht. Wat de heer De Jonge in zijn toelichting zeide was hem uit het hart geschreven.„Wij mogen erkentelijk zijn, dat al de voorwerpen in 1871 en 1876 gevonden, in Nederland zijn teruggekomen. Doch mengt zich met dat gevoel van dankbaarheid ook niet eenig gevoel van spijt? Deze overblijfselen, deze reliquien zijn niet ontdekt en herwaarts gebracht door Nederlandsche zeevaarders. Wij hebben het bezit dier voorwerpen te danken aan den ondernemingsgeest en de edelmoedigheid van vreemden.„De bouwvallen van het huis, waarin de Nederlandsche zeevaarders, onder bevel van Barendsz en Heemskerck, na hun roemrijken tocht, waarop zij Spitsbergen hadden ontdekt en tot ongeveer 80° Noorderbreedte waren doorgedrongen, hebben overwinterd, zijn nu geheel onder den voet gehaald.„Als het koude kleed van ijs en sneeuw gedurende eenige jaren die verstoorde en uitééngeworpen overblijfselen zal hebben bedekt, stormwind en ijspersing den houten staak, door Carlsen opgericht, zullen hebben vernietigd, zal eindelijk ook die plek op Nowaja-Semlya niet meer met juistheid zijn te bepalen. Mij worde het vergeven, indien ik, aan het einde van den mij opgedragen last gekomen, voor één oogenblik mij buiten de grenzen van dien last begeef en het voorstel waag, dat, éér die plek op Nowaja Semlya, waaraan voor Nederland zoovele herinneringen zijn verbonden,geheel uit de herinnering verloren ga, een Nederlandsch schip met kloeke bemanning worde uitgezonden, om dáár in de ijshaven een eenvoudigen gedenksteen van duurzaam graniet op te richten, opdat in de volgende eeuwen moge blijken dat wij, ook bij eigen ongenoegzaamheid, ten minste de dankbaarheid bewaard hebben jegens hen, wier roem ook nu nog op ons afstraalt.”
„’t Waren allermoeielijkste nachtwachten. Ofschoon de temperatuur slechts enkele graden beneden het vriespunt stond, waren want en stagen met een dikke ijskorst bedekt en woei de fijne sneeuw ons met zulk een kracht in ’t gezicht, dat ’t was alsof men met naalden over het gelaat werd geschrapt. Het was bijna onmogelijk recht voor zich uit te kijken en onze oogleden waren opgezwollen van de doorgestane pijn.„Toch moest er scherp uitgekeken en bij herhaling gemanoeuvreerd worden, in welk geval men op dek tot over de knieën door ’t water moest waden. Eerst den volgenden morgen begon de wind in kracht te verminderen, de lucht helderde op, en toen nu de Carey-eilanden recht vooruit gezien werden, bleek het dat dePandoragedurende den storm ongeveer zes Duitsche mijlen om de noord was gedreven.”Toen dePandoradus uit het ijs gered was, werd naar kaap Isabella gestevend, waar in eencairntijding van de Engelsche expeditie onder kapitein Nares gevonden werd. De geheele maand Augustus werd vervolgens tegen de ijsmassa inSmith Soundgekampt, gelijk Beynen geschreven heeft in zijn verslag en aangeteekend heeft op de kaart, welke het verslag verrijkt, dat weder werd uitgegeven door het Aardrijkskundig Genootschap.Opmerkelijk is in dit verslag vooral nog de beschrijving van de Eskimo’s, die dePandorain Bardenbaai aantrof. Zij behoorden tot een nog geheel onbeschaafden stam, welks jachtvelden zich langs den oostelijken oever van Smith-Sound uitstrekken. Zijhadden nooit te voren een schip gezien en de eenvoudigste zaken verbaasden hen. Ten einde beter in hun onderhoud te kunnen voorzien, leven zij verspreid op verschillende plaatsen langs de kust. ’s Winters bewonen zij gewoonlijk acht verschillende kustplaatsen, doch ’s zomers slaan zij hunne tenten daar op, waar zij vertrouwen de beste jachtvelden te zullen vinden. Hun winter verblijven (iglu’s) worden met veel zorg handig uit rotsstukken opgetrokken en van boven met lange vlakke steenen overdekt. Van buiten worden zij geheel met mos bekleed, terwijl de dikke laag sneeuw, die ’s winters er over heen komt, de koude verder helpt buitensluiten. De ingang bestaat uit een langen overdekten doorgang, die zoo nauw is dat één man er slechts met moeite door kan kruipen. Een klein raam, dat juist daarboven geplaatst is, wordt met een uitgespannen darm van een zeehond gesloten. De binnenwanden dier steenen hutten zijn veelal behangen met vellen, vogelnesten, hondenzweepen en harpoenlijnen, terwijl hun huisraad voornamelijk bestaat uit cylindervormige potten van zeehondenhuiden genaaid, die gewoonlijk vol spek en traan staan. De uit een zachte steensoort uitgeholde lamp dient tevens om het eten er boven te koken, en onafgebroken houden zij daarin een van mos vervaardigde oliepit brandende. Het water, dat van een smeltend stuk ijs afdruipt, wordt opgevangen op het schouderblad van een walrus, dat tusschen twee steenen rust. Gewoonlijk eten zij hun voedsel rauw, en slechts bij enkele feestelijke gelegenheden bereiden zij een warme soep uit traan, bloed en ingewanden. Van de Engelsche schepen hadden zij niets gezien, maar een oude man, die met zijn gezin op Northumberland-eiland leefde, had den vorigen zomer twee schepen om de Noord zien gaan. Ook van het wrak van dePolaris, datgezonken was, hadden zij hooren spreken, maar zij zelven waren niet zoo noordelijk geweest en Beynen zag onder hun huisraad niets, dat deze getuigenis logenstrafte. Hij merkte echter een door ijs zeer beschadigde roeispaan uit Zuid Groenland afkomstig op en een stuk hout dat gemerkt was „Lime Juice Leith.” Volgens hun bewering waren deze voorwerpen van om de zuid gekomen en door de zee op hun kusten gespoeld.Deze Eskimo’s werden door Beynen beschreven als een goed, eenvoudig, sterk en gezond volk, zeer klein van gestalte, met lang, donker, loshangend haar. De vrouwen zien er in hun jeugd vrij gunstig uit, maar zij schijnen kleiner dan zij werkelijk zijn, waarschijnlijk ten gevolge van de gewoonte om voorovergebogen te gaan, ’t welk een gevolg is van het dragen der kinderen op hun rug. Hoe arm zij ook waren, boden deze lieden den zeevaarders alles aan wat zij hadden, en toen kapitein Young het hoofd van het gezin vroeg wat hij in ruil wilde ontvangen en hem naar boord medenam, koos hij uit al de nooit geziene schatten een puntig stuk ijzer om een speer van te maken en een essenhouten roeiriem om er de schacht van te vervaardigen.De Eskimo’s werden bij het vertrek van dePandoramet geschenken overladen. Beynen gaf alles weg wat hij slechts even missen kon, tot zijn zakmes en scheerspiegel incluis. Hij kon alleraardigste bijzonderheden vertellen van het leven en de gewoonten dezer natuurmenschen, wier eerlijkheid en braafheid hem zeer getroffen hadden, doch ik hield, tot mijn leedwezen, geen aanteekening van zijn mededeelingen. Hij heeft ons vaak laten lachen als hij nabootste hoe blijde de Eskimo’s waren met al de geschenken, en hoezijhun vreugde uitten. „Hun opgetogenheidkende geen palen,” schreef hij in zijn verslag. „Zij dansten, lachten en schreeuwden van verbazing bij het ontvangen van zulke schatten, doch toen kapitein Young hun voorstelde allen aan boord te nemen, wanneer hij hen naar een beter land zou brengen, weigerden ze, terwijl ze den tolk te verstaan gaven dat zijwelwisten hoe zij het in hun land hadden, dochniethoe zij het ergens anders zouden vinden.”Tegelijk met deAlertenDiscoverykwam dePandoraden 3den November in Engeland terug, waar officieren en bemanning met geestdrift werden ontvangen.Beynen had beloofd stipt zijn plicht te zullen doen aan boord van dePandoraen hij hield woord.Sir Allen Young, zijn kapitein op dePandora, een zeeman die Beynen steeds denken deed aan de mannen van Devonshire, die de Armada bestookten en de wereld omzeilden, schreef op den eersten tocht, uit straat Waaigat, aan kolonel Jansen een brief om hem te danken, dat hij hem een Hollandschen zeeofficier als Beynen op reis had medegegeven.„I want to tell you how fortunate we are, in having with us so good and zealous an officer as lieutenant Beynen. I cannot indeed say enough in his favour, for I find him most active and attentive and an extremely agreeable messmate. We are all delighted with him and he is of the greatest assistance to us.”3En toen de reis was afgeloopen, schreef de kapiteinvan dePandoranog eens aan zijn vriend Jansen: „Lieutenant Beynen leaves us with the regret of all his messmates and thePandora’s ship’s-company. He hasthoroughlydistinguished himself. For my part if I again sail in those seas, which is quite possible, there is nothing that would give me more pleasure than to have him again with us. I hope however for his own sake that ere that time arrives, the Netherlands Government will decidetoequip an expedition and that Beynen will be appointed to a high place in it, for if success depends upon talent, energy and good seamanship, I am sure that he could carry any undertaking through to a successful issue”.4Sir Allen Young, die een man van weinig woorden is, schreef niet alleen op deze wijze over Beynen, maar hij sprak—als hij bij den prins van Wales logeerde of aan de admiraliteit verslag uitbracht, of aan zijn vrienden zijn reis verhaalde—met zulk een eerbied en toegenegenheid van den jongen Hollandschen luitenant, dat velen in Engeland hem wilden leeren kennen. Miss Cracroft, eene oude dame, die altijd met Lady Franklin had samengewoond, noodigde hem zoo dringend uit haar te komen opzoeken, dat hij niet konweigeren. Zij wees hem al hetgeen Lady Franklin, ter herdenking van haar beroemden man, uit en betreffende de Noordpoolstreken verzameld had: prachtige schetsen en teekeningen, de portretten in olieverf van de voornaamste Engelsche Noordpoolreizigers, enz.Van dit bezoek teruggekomen, schreef Beynen: „Wat ben ik beloond voor de moeite om van Portsmouth naar Londen te gaan! Het was zeer belangwekkend alles te zien, en treffend, ja aandoenlijk, om die oude, eerwaardige vriendin van Franklin te hooren spreken over het hooge Noorden en de landgenooten, die er het leven gelaten hebben, terwijl ze daar Engeland’s naam ophielden. Zij wilde mij volstrekt alle mogelijke goed doen en mij boeken, instrumenten, enz. enz. geven, doch ik beweerde, dat ik alles had, wat ik maar wenschen kon, en zeide alleen zeer gesteld te zijn op een photographie van Sir John Franklin. Het portret van dezen grooten Engelschen Noordpoolvaarder zal altijd tot sieraad strekken in elk schip, waarop ik later de eer zal hebben te dienen.„Toch was dit nog niet het eenige. Admiraal Sir Francis Hall had verklaard er zeer op gesteld te zijn mijn kennis te maken. Miss Cracroft bracht mij naar hem, en de oude admiraal ontving mij op de aangenaamste, hartelijkste wijze. Hij zeide: „ik heb altijd zeer veel genegenheid gehad voor de voortreffelijke Nederlandsche marine en voor uw volk. Ik was adelborst op het schip, dat koning Willem I naar Holland bracht en waaruit hij te Scheveningen landde. Ik ken uw Koningin zeer goed en heb grooten eerbied voor haar. Mijn dochter is haar petekind.”Even vriendelijk was iedereen voor den jongen Hollandschen zeeofficier, die als vrijwilliger zulke goede diensten had gedaan op het ontdekkingsjacht. Eenstoen dePandorate Portsmouth voor anker lag, zat Beynen ’s avonds in de kleinemess-roomzijn journaal bij te schrijven, toen een stoombarkas van het admiraalschip langszijde kwam om hem mede te deelen dat HH. KK. HH. de Prins van Wales en de hertog van Edinburgh, vernomen hebbende dat hij op dePandorawas, verlangden dat hij aan boord van Her Majesty’sSultanzou komen, opdat Sir Allen Young, die met hen op dit pantserschip dineerde, hem aan hen zou voorstellen.„Zooals ik was moest ik komen,” schreef Beynen. „Sir Allen Young stelde mij voor aan Z. K. H. den hertog van Edinburgh, die mij aan den Prins van Wales voorstelde. Beide waren allervriendelijkst, en na een kort gesprek wenschten zij mij met een handdruk voorspoed op mijn nieuwe reis en bracht ik den avond verder met hen door. De prinsen kwamen den volgenden morgen bij ons aan boord. De hertog van Edinburgh monsterde onze flinke equipage; hij en zijn broeder namen op de innemendste wijze afscheid van de officieren en gingen van boord onder een driewerf hoerah! van de bemanning.”Bij zijn terugkomst van den tweeden tocht kreeg Beynen, door middel van Sir Allan Young, het bericht dat Z. K. H. de prins van Wales er op gesteld was dat hij op deLevéezou komen, en dat hij zich daartoe maar tot den Nederlandschen gezant moest wenden.„Nadat ik deze boodschap ontvangen had,” schreef Beynen, „oordeelde ik het moeielijk te kunnen laten, en, ofschoon ik er tegen opzag als tegen een berg, besloot ik de zeilen maar naar den wind te zetten. Graaf van Bylandt ontving mij allerwelwillendst, moedigde mij aan en zeide dat ik hem maar moest komen afhalen, dan zou hij met mij naar het paleisgaan. Nu het achter den rug is, ben ik blijde dat ik er geweest ben. De ontvangst was zoo ontzagwekkend plechtig en statig; die onbewegelijke gardes, al die uniformen,—het was een grootsch schouwspel. Daarbij kwam dat de raad van legatie, de heer De Stuers, allerhartelijkst was, en de moeite nam mij al de beroemde mannen te wijzen. Later ging ik met kapitein Young naar de admiraals Sir Henry Keppel enMacClintock, die mij wenschten te zien.”Wat Beynen deed werd dus in Engeland bijzonder gewaardeerd, en indien men een nog meer rechtstreeksche getuigenis vernemen wil, hoore men wat een zijner scheepsmakkers op de eerste reis reeds van hem zeide.De beroemde Amerikaansche journalistMacGahan, die als verslaggever van deDaily Newsop de oorlogsvelden van Turkije later zich onderscheidde en daar ook den dood vond, was Beynen’s kameraad aan boord van dePandora, en in zijn boek:Under the Northern Lightsbeschrijft hij welk een held de jonge Beynen zich steeds toonde.„Wanneer er een felle storm woei,” schrijft hij, „en de bevroren zeilen bijna onbeweeglijk waren, dan kon menYoung Trompaltijd vinden op het uiterste punt van de marszeil râ; en als er ander gevaarlijk werk te verrichten was, kon men er zeker van zijn dat Beynen de eerste vrijwilliger was. Hij is de eerste Hollander, dien ik ooit ontmoet heb, maar mijn kennismaking met dezen onvermoeiden, enthusiasten zeeman heeft mij overtuigd dat de oude heldenmoed, welke de Hollanders tachtig jaar deed strijden voor de vrijheid, even krachtig is als ooit, en dat voor den Hollander, en vooral voor den Hollandschen officier, vaderlandsliefde een soort van godsdienst is.”Deze lof verdiende de 24-jarige zeeofficier voor zijn land en zijn corps door een geestdrift en toewijding, die zich in daden uitten.Ieder die met hem in aanraking kwam, wist hij warm te maken voor de zaak die hem zoo dierbaar was.Zoo kwam hij in Engeland, toen dePandorazeilree lag voor de tweede reis, in kennis met den heer Charles Gardiner, die met zijn stoomjacht deGlow-wormgereed was om naar de Noordoostelijke IJszee te gaan, ten einde daar pelsdieren en vogelen te schieten. Doch men hoore hoe Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge, de adjunct-rijksarchivaris, die penningmeester was der Nederlandsche Noordpoolcommissie, en Beynen slechts zoo kort overleefde, in zijn toelichting tot de voorwerpen door Barents op Nova-Zembla achtergelaten, deze kennismaking en hare gevolgen beschrijft.„De eerste kennismaking van Beynen met den heer Chs. Gardiner groeide tot meer vriendschappelijke betrekkingen tusschen de beide heeren aan en in hunne gesprekken over den tocht, die beiden weldra, in tegenovergestelde richting, naar het Noorden zouden ondernemen, liep het onderhoud meer dan eens over Nowaja-Semlya, naar welks omliggende zeeën de heer Gardiner zich wenschte te begeven, om vooral in de Kara-zee, bij White-Island, jachtveld en jachtwater te vinden. De heer Koolemans Beynen hield niet op met den heer Gardiner telkens aan te sporen om van deze gelegenheid gebruik te maken tot een bezoek aan de IJshaven, de plaats waar Barents en Heemskerck in 1596–1597 hadden overwinterd, en werkelijk heeft de edelmoedige Brit, hoewel hij daardoor grootendeels het oorspronkelijk doel van zijn tocht, door hem als jachtliefhebber ondernomen, moest missen, aan de opwekking en aansporing van den heer KoolemansBeynen gehoor gegeven. Op den 29sten Mei ll. verliet de heer Chs. Gardiner met zijn stoomjacht deGlow-wormde reede van Cowes. Te Tromsoë nam hij als ijsloods aan boord den bekenden kapitein Elling Carlsen, dezelfde die den tocht van Payer en Weyprecht heeft mede gemaakt en in 1871 de eerste ontdekker was der voorwerpen, door Barents en Heemskerck op Nowaja-Semlya achtergelaten. Door Matthews-straat of Matotshkinshar, de zeearm die het eigenlijke Nowaja-Semlya van Lütkes- en Barentsland scheidt, geraakte deGlow-wormin de Kara-zee ten Oosten van Nowaja-Semlya. Op den 29sten Julij 1876, des morgens te 8 ure, bereikte deGlow-wormde IJshaven, de overwinteringsplaats van Barents en Heemskerck. Door welwillende tusschenkomst van den heer Koolemans Beynen was ik in staat inzage te nemen van eenige korte uittreksels uit het journaal, aan boord van deGlow-wormgehouden. Eenigen dier extracten laat ik hier nu volgen:„29 Julij. Heden is het een betere dag; ’s morgens te 8 ure bereiken wij de IJshaven. Wij kunnen niet in de baai komen, omdat zij geheel vol is met zwaar ijs, dat aan het land vast zit. Nauwelijks is het anker gevallen, of de kreet klinkt overal aan boord: „een beer! een beer!” Groote opgewektheid overal. Inderdaad, de beer komt over het ijs naar het schip kruipen, waarschijnlijk uit nieuwsgierigheid. Die nieuwsgierigheid betaalt hij duur. Wij zijn spoedig uit de booten naar en op het ijsveld. „Exciting sport!”, door de geheele bemanning aan boord gadegeslagen. Het einde is des beers dood.„Na het ontbijt gaan wij aan wal en bezoeken de bouwvallen van Barents’ winterkwartieren. Geheel het huis ligt ingestort. Wij hebben een hard dagwerk, dáár tusschen de ruïnen, maar graven eene grootehoeveelheid reliquien op. Wij vinden einden touw, nog even sterk als op den dag waarop zij geslagen werden, stukjes zeildoek, kaarsen, oude messen, timmermansgereedschap, spijkers, eenige oude munten, een handlood, een geweerslot, een kruithoorn, enz. Al deze zaken zijn hoogst belangwekkend, daar zij hier 280 jaar hebben gelegen.”Terwijl hier de bemanning van deGlow-worm, voorover gebogen, met pikhouweel, schop en bijl bezig was met de ontgraving, had niemand opgemerkt dat een groote ijsbeer was genaderd, die op zijn achtertrein gezeten in de onmiddellijke nabijheid van de ontgraving dat werk zat aan te kijken alsmaîtreès céans. Alsof hij, opvolger van zijne voorouders, sedert 279 jaren bewaarders van het Barents-museum op Nowaja-Semlya, met ongenoegen gadesloeg dat men hem zijn erfgoed kwam ontstelen, zat hij daar grimmig en „snuffing the air.” Toen men, om een oogenblik te rusten, zich uit de gebogen houding oprichtte, werd de hongerige huisbaas eerst gezien. De geweren stonden op eenigen afstand, zoodat de bemanning een oogenblik ongewapend was. Men vloog te wapen. De beer, dit ziende, „thought discretion the better part of valour,” (zooals de heer Gardiner in zijn journaal zegt), en meester ysegrim wist zich nog tijdig uit de voeten te maken.Op dien dag nam men een observatie, doch geen vertrouwbare, want de dampkring was te mistig voor eene nauwkeurige waarneming. Onder die ongunstige omstandigheden verkreeg men voor de ligging van de plaats 76° 18 noorderbreedte.Het journaal meldt vervolgens op 30 Juli:„Dikke mist … Wij liggen met opgebankte vuren, om gereed te zijn tot vertrek, als het ijs ons mocht willen insluiten of storm ons overvallen. Wij liggenachter een uitgestrekt ijsveld beschut tegen het noorden en noordwesten. Ik hoop dat morgen de mist zal zijn opgetrokken, opdat wij de juiste ligging van Barendsz. winterkwartier zullen kunnen bepalen. Gisteren hebben wij een bericht neergelegd in denzelfden tinnen koker aan een stok, te midden van de bouwvallen van de hut van Barendsz. door Carlsen in 1871 opgericht. Ons bericht behelst niets dan het feit, dat wij hier zijn geweest en dat wij de plaats hebben doorzocht.”Augustus. 1. „Alweder mist, bijna geen wind; de weinige wind die er is, waait uit het zuidwesten. Wij brengen op nieuw een bezoek aan de bouwvallen van het oude huis van Barendsz. en graven nagenoeg den geheelen bodem van het ijs op. Ditmaal wordt onze moeite echter niet rijkelijk beloond. Wij vinden slechts een passer, een harpoen, twee pieken, een paar gebroken messen, schoenen enz. Ik geloof niet dat er nu nog veel te vinden zal zijn; wij hebben alles doorsnuffeld en in elke hoek en gleuf gezocht.”De heer Chs. Gardiner kwam met zijn stoomjacht deGlow-wormden 9den October te Southampton aan. Ruim drie weken later, op den 3den November, stoomde ook dePandora, terugkomende uit Smith-sound, laatst van Uppernavik, onder het driewerf hoezee! der bemanning van de aldaar liggende oorlogschepen, de haven van Porthsmouth binnen. Weldra vernam de heer Koolemans Beynen uit den mond van den heer Chs. Gardiner wat door hem op Nowaja-Semlya gevonden was, en op den 13den November schreef de heer Gardiner hem een brief, waar zooveel vereering voor den grooten zeevaarder Barents en zóó edele welwillendheid jegens Nederland in doorstraalt, dat de brief verdient bewaard te blijven.„I cannot tell you,” zoo schreef de heer Chs. Gardiner,„how much obliged I am to you for taking such an interest in the Barents’s relies and for so kindly offering to take charge of them. If your countrymen will accept them, I shall greatly be honoured and shall be only too proud that it happened to have been in my power to have made them this offer.”De Nederlandsche natie zal ongetwijfeld den heer Gardiner steeds dankbaar zijn, dat hij deze reliquien zoo edelmoedig aan haar heeft afgestaan.Aan de sympathie en geestdrift door Beynen gewekt, hebben we het dus te danken, dat we de belangrijke voorwerpen—door den heer De Jonge uitvoerig beschreven—ontvingen.In het journaal van de overwintering van Barents. en Heemskerk, in 1598 door Gerrit de Veer uitgegeven, staat vermeld, hoe, vóórdat het huis waarin men zoo lang had overwinterd werd verlaten, „Barents. te voren een cleyn cedelken heeft geschreven en in eene musketmate gedaen ende ’t selfde in den schoorsteen opgehangen, daerinne verhaelt stont, hoe wy uyt Hollant daer gecomen waeren om te zeylen nae ’t coninckrijcke van Chijna, ende wat ons aldaer op ’t lant bejegent was ende alle ons wedervaren, op avontuer offer er yemant nae ons quame, dat die weten mocht wat ons bejegent was en hoe ’t ons gegaen hadde.”De „Yemant,” die na Barents.aldaar kwam, was de heer Gardiner. Hij vond in den ouden kruithoorn een ineengefrommeld stuk papier, waarvan de deelen op elkander kleefden, dat groen en geel was, en niet grooter dan de palm van de hand. Dit handschrift, gedurende 279 jaren beurtelings bevroren en ontdooid en beklemd tusschen het ijs en de bouwvallen van „het Behouden Huis,” werd door den heer De Jonge,met behulp van den heer J. H. Hingman, ontcijferd, en de daarin vermelde bijzonderheden bevestigden geheel het journaal van Gerrit de Veer.Voor Beynen waren die honderd belangrijke, schoone herinneringen aan Barents.en aan Hollands heldentijd, opgedolven uit het ijs en de sneeuw van Nova Zembla, een prikkel te meer, om toch te maken dat de Hollandsche vlag weer in die klassieke stroomen wapperen mocht. Wat de heer De Jonge in zijn toelichting zeide was hem uit het hart geschreven.„Wij mogen erkentelijk zijn, dat al de voorwerpen in 1871 en 1876 gevonden, in Nederland zijn teruggekomen. Doch mengt zich met dat gevoel van dankbaarheid ook niet eenig gevoel van spijt? Deze overblijfselen, deze reliquien zijn niet ontdekt en herwaarts gebracht door Nederlandsche zeevaarders. Wij hebben het bezit dier voorwerpen te danken aan den ondernemingsgeest en de edelmoedigheid van vreemden.„De bouwvallen van het huis, waarin de Nederlandsche zeevaarders, onder bevel van Barendsz en Heemskerck, na hun roemrijken tocht, waarop zij Spitsbergen hadden ontdekt en tot ongeveer 80° Noorderbreedte waren doorgedrongen, hebben overwinterd, zijn nu geheel onder den voet gehaald.„Als het koude kleed van ijs en sneeuw gedurende eenige jaren die verstoorde en uitééngeworpen overblijfselen zal hebben bedekt, stormwind en ijspersing den houten staak, door Carlsen opgericht, zullen hebben vernietigd, zal eindelijk ook die plek op Nowaja-Semlya niet meer met juistheid zijn te bepalen. Mij worde het vergeven, indien ik, aan het einde van den mij opgedragen last gekomen, voor één oogenblik mij buiten de grenzen van dien last begeef en het voorstel waag, dat, éér die plek op Nowaja Semlya, waaraan voor Nederland zoovele herinneringen zijn verbonden,geheel uit de herinnering verloren ga, een Nederlandsch schip met kloeke bemanning worde uitgezonden, om dáár in de ijshaven een eenvoudigen gedenksteen van duurzaam graniet op te richten, opdat in de volgende eeuwen moge blijken dat wij, ook bij eigen ongenoegzaamheid, ten minste de dankbaarheid bewaard hebben jegens hen, wier roem ook nu nog op ons afstraalt.”
„’t Waren allermoeielijkste nachtwachten. Ofschoon de temperatuur slechts enkele graden beneden het vriespunt stond, waren want en stagen met een dikke ijskorst bedekt en woei de fijne sneeuw ons met zulk een kracht in ’t gezicht, dat ’t was alsof men met naalden over het gelaat werd geschrapt. Het was bijna onmogelijk recht voor zich uit te kijken en onze oogleden waren opgezwollen van de doorgestane pijn.
„Toch moest er scherp uitgekeken en bij herhaling gemanoeuvreerd worden, in welk geval men op dek tot over de knieën door ’t water moest waden. Eerst den volgenden morgen begon de wind in kracht te verminderen, de lucht helderde op, en toen nu de Carey-eilanden recht vooruit gezien werden, bleek het dat dePandoragedurende den storm ongeveer zes Duitsche mijlen om de noord was gedreven.”
Toen dePandoradus uit het ijs gered was, werd naar kaap Isabella gestevend, waar in eencairntijding van de Engelsche expeditie onder kapitein Nares gevonden werd. De geheele maand Augustus werd vervolgens tegen de ijsmassa inSmith Soundgekampt, gelijk Beynen geschreven heeft in zijn verslag en aangeteekend heeft op de kaart, welke het verslag verrijkt, dat weder werd uitgegeven door het Aardrijkskundig Genootschap.
Opmerkelijk is in dit verslag vooral nog de beschrijving van de Eskimo’s, die dePandorain Bardenbaai aantrof. Zij behoorden tot een nog geheel onbeschaafden stam, welks jachtvelden zich langs den oostelijken oever van Smith-Sound uitstrekken. Zijhadden nooit te voren een schip gezien en de eenvoudigste zaken verbaasden hen. Ten einde beter in hun onderhoud te kunnen voorzien, leven zij verspreid op verschillende plaatsen langs de kust. ’s Winters bewonen zij gewoonlijk acht verschillende kustplaatsen, doch ’s zomers slaan zij hunne tenten daar op, waar zij vertrouwen de beste jachtvelden te zullen vinden. Hun winter verblijven (iglu’s) worden met veel zorg handig uit rotsstukken opgetrokken en van boven met lange vlakke steenen overdekt. Van buiten worden zij geheel met mos bekleed, terwijl de dikke laag sneeuw, die ’s winters er over heen komt, de koude verder helpt buitensluiten. De ingang bestaat uit een langen overdekten doorgang, die zoo nauw is dat één man er slechts met moeite door kan kruipen. Een klein raam, dat juist daarboven geplaatst is, wordt met een uitgespannen darm van een zeehond gesloten. De binnenwanden dier steenen hutten zijn veelal behangen met vellen, vogelnesten, hondenzweepen en harpoenlijnen, terwijl hun huisraad voornamelijk bestaat uit cylindervormige potten van zeehondenhuiden genaaid, die gewoonlijk vol spek en traan staan. De uit een zachte steensoort uitgeholde lamp dient tevens om het eten er boven te koken, en onafgebroken houden zij daarin een van mos vervaardigde oliepit brandende. Het water, dat van een smeltend stuk ijs afdruipt, wordt opgevangen op het schouderblad van een walrus, dat tusschen twee steenen rust. Gewoonlijk eten zij hun voedsel rauw, en slechts bij enkele feestelijke gelegenheden bereiden zij een warme soep uit traan, bloed en ingewanden. Van de Engelsche schepen hadden zij niets gezien, maar een oude man, die met zijn gezin op Northumberland-eiland leefde, had den vorigen zomer twee schepen om de Noord zien gaan. Ook van het wrak van dePolaris, datgezonken was, hadden zij hooren spreken, maar zij zelven waren niet zoo noordelijk geweest en Beynen zag onder hun huisraad niets, dat deze getuigenis logenstrafte. Hij merkte echter een door ijs zeer beschadigde roeispaan uit Zuid Groenland afkomstig op en een stuk hout dat gemerkt was „Lime Juice Leith.” Volgens hun bewering waren deze voorwerpen van om de zuid gekomen en door de zee op hun kusten gespoeld.
Deze Eskimo’s werden door Beynen beschreven als een goed, eenvoudig, sterk en gezond volk, zeer klein van gestalte, met lang, donker, loshangend haar. De vrouwen zien er in hun jeugd vrij gunstig uit, maar zij schijnen kleiner dan zij werkelijk zijn, waarschijnlijk ten gevolge van de gewoonte om voorovergebogen te gaan, ’t welk een gevolg is van het dragen der kinderen op hun rug. Hoe arm zij ook waren, boden deze lieden den zeevaarders alles aan wat zij hadden, en toen kapitein Young het hoofd van het gezin vroeg wat hij in ruil wilde ontvangen en hem naar boord medenam, koos hij uit al de nooit geziene schatten een puntig stuk ijzer om een speer van te maken en een essenhouten roeiriem om er de schacht van te vervaardigen.
De Eskimo’s werden bij het vertrek van dePandoramet geschenken overladen. Beynen gaf alles weg wat hij slechts even missen kon, tot zijn zakmes en scheerspiegel incluis. Hij kon alleraardigste bijzonderheden vertellen van het leven en de gewoonten dezer natuurmenschen, wier eerlijkheid en braafheid hem zeer getroffen hadden, doch ik hield, tot mijn leedwezen, geen aanteekening van zijn mededeelingen. Hij heeft ons vaak laten lachen als hij nabootste hoe blijde de Eskimo’s waren met al de geschenken, en hoezijhun vreugde uitten. „Hun opgetogenheidkende geen palen,” schreef hij in zijn verslag. „Zij dansten, lachten en schreeuwden van verbazing bij het ontvangen van zulke schatten, doch toen kapitein Young hun voorstelde allen aan boord te nemen, wanneer hij hen naar een beter land zou brengen, weigerden ze, terwijl ze den tolk te verstaan gaven dat zijwelwisten hoe zij het in hun land hadden, dochniethoe zij het ergens anders zouden vinden.”
Tegelijk met deAlertenDiscoverykwam dePandoraden 3den November in Engeland terug, waar officieren en bemanning met geestdrift werden ontvangen.
Beynen had beloofd stipt zijn plicht te zullen doen aan boord van dePandoraen hij hield woord.
Sir Allen Young, zijn kapitein op dePandora, een zeeman die Beynen steeds denken deed aan de mannen van Devonshire, die de Armada bestookten en de wereld omzeilden, schreef op den eersten tocht, uit straat Waaigat, aan kolonel Jansen een brief om hem te danken, dat hij hem een Hollandschen zeeofficier als Beynen op reis had medegegeven.
„I want to tell you how fortunate we are, in having with us so good and zealous an officer as lieutenant Beynen. I cannot indeed say enough in his favour, for I find him most active and attentive and an extremely agreeable messmate. We are all delighted with him and he is of the greatest assistance to us.”3
En toen de reis was afgeloopen, schreef de kapiteinvan dePandoranog eens aan zijn vriend Jansen: „Lieutenant Beynen leaves us with the regret of all his messmates and thePandora’s ship’s-company. He hasthoroughlydistinguished himself. For my part if I again sail in those seas, which is quite possible, there is nothing that would give me more pleasure than to have him again with us. I hope however for his own sake that ere that time arrives, the Netherlands Government will decidetoequip an expedition and that Beynen will be appointed to a high place in it, for if success depends upon talent, energy and good seamanship, I am sure that he could carry any undertaking through to a successful issue”.4
Sir Allen Young, die een man van weinig woorden is, schreef niet alleen op deze wijze over Beynen, maar hij sprak—als hij bij den prins van Wales logeerde of aan de admiraliteit verslag uitbracht, of aan zijn vrienden zijn reis verhaalde—met zulk een eerbied en toegenegenheid van den jongen Hollandschen luitenant, dat velen in Engeland hem wilden leeren kennen. Miss Cracroft, eene oude dame, die altijd met Lady Franklin had samengewoond, noodigde hem zoo dringend uit haar te komen opzoeken, dat hij niet konweigeren. Zij wees hem al hetgeen Lady Franklin, ter herdenking van haar beroemden man, uit en betreffende de Noordpoolstreken verzameld had: prachtige schetsen en teekeningen, de portretten in olieverf van de voornaamste Engelsche Noordpoolreizigers, enz.
Van dit bezoek teruggekomen, schreef Beynen: „Wat ben ik beloond voor de moeite om van Portsmouth naar Londen te gaan! Het was zeer belangwekkend alles te zien, en treffend, ja aandoenlijk, om die oude, eerwaardige vriendin van Franklin te hooren spreken over het hooge Noorden en de landgenooten, die er het leven gelaten hebben, terwijl ze daar Engeland’s naam ophielden. Zij wilde mij volstrekt alle mogelijke goed doen en mij boeken, instrumenten, enz. enz. geven, doch ik beweerde, dat ik alles had, wat ik maar wenschen kon, en zeide alleen zeer gesteld te zijn op een photographie van Sir John Franklin. Het portret van dezen grooten Engelschen Noordpoolvaarder zal altijd tot sieraad strekken in elk schip, waarop ik later de eer zal hebben te dienen.
„Toch was dit nog niet het eenige. Admiraal Sir Francis Hall had verklaard er zeer op gesteld te zijn mijn kennis te maken. Miss Cracroft bracht mij naar hem, en de oude admiraal ontving mij op de aangenaamste, hartelijkste wijze. Hij zeide: „ik heb altijd zeer veel genegenheid gehad voor de voortreffelijke Nederlandsche marine en voor uw volk. Ik was adelborst op het schip, dat koning Willem I naar Holland bracht en waaruit hij te Scheveningen landde. Ik ken uw Koningin zeer goed en heb grooten eerbied voor haar. Mijn dochter is haar petekind.”
Even vriendelijk was iedereen voor den jongen Hollandschen zeeofficier, die als vrijwilliger zulke goede diensten had gedaan op het ontdekkingsjacht. Eenstoen dePandorate Portsmouth voor anker lag, zat Beynen ’s avonds in de kleinemess-roomzijn journaal bij te schrijven, toen een stoombarkas van het admiraalschip langszijde kwam om hem mede te deelen dat HH. KK. HH. de Prins van Wales en de hertog van Edinburgh, vernomen hebbende dat hij op dePandorawas, verlangden dat hij aan boord van Her Majesty’sSultanzou komen, opdat Sir Allen Young, die met hen op dit pantserschip dineerde, hem aan hen zou voorstellen.
„Zooals ik was moest ik komen,” schreef Beynen. „Sir Allen Young stelde mij voor aan Z. K. H. den hertog van Edinburgh, die mij aan den Prins van Wales voorstelde. Beide waren allervriendelijkst, en na een kort gesprek wenschten zij mij met een handdruk voorspoed op mijn nieuwe reis en bracht ik den avond verder met hen door. De prinsen kwamen den volgenden morgen bij ons aan boord. De hertog van Edinburgh monsterde onze flinke equipage; hij en zijn broeder namen op de innemendste wijze afscheid van de officieren en gingen van boord onder een driewerf hoerah! van de bemanning.”
Bij zijn terugkomst van den tweeden tocht kreeg Beynen, door middel van Sir Allan Young, het bericht dat Z. K. H. de prins van Wales er op gesteld was dat hij op deLevéezou komen, en dat hij zich daartoe maar tot den Nederlandschen gezant moest wenden.
„Nadat ik deze boodschap ontvangen had,” schreef Beynen, „oordeelde ik het moeielijk te kunnen laten, en, ofschoon ik er tegen opzag als tegen een berg, besloot ik de zeilen maar naar den wind te zetten. Graaf van Bylandt ontving mij allerwelwillendst, moedigde mij aan en zeide dat ik hem maar moest komen afhalen, dan zou hij met mij naar het paleisgaan. Nu het achter den rug is, ben ik blijde dat ik er geweest ben. De ontvangst was zoo ontzagwekkend plechtig en statig; die onbewegelijke gardes, al die uniformen,—het was een grootsch schouwspel. Daarbij kwam dat de raad van legatie, de heer De Stuers, allerhartelijkst was, en de moeite nam mij al de beroemde mannen te wijzen. Later ging ik met kapitein Young naar de admiraals Sir Henry Keppel enMacClintock, die mij wenschten te zien.”
Wat Beynen deed werd dus in Engeland bijzonder gewaardeerd, en indien men een nog meer rechtstreeksche getuigenis vernemen wil, hoore men wat een zijner scheepsmakkers op de eerste reis reeds van hem zeide.
De beroemde Amerikaansche journalistMacGahan, die als verslaggever van deDaily Newsop de oorlogsvelden van Turkije later zich onderscheidde en daar ook den dood vond, was Beynen’s kameraad aan boord van dePandora, en in zijn boek:Under the Northern Lightsbeschrijft hij welk een held de jonge Beynen zich steeds toonde.
„Wanneer er een felle storm woei,” schrijft hij, „en de bevroren zeilen bijna onbeweeglijk waren, dan kon menYoung Trompaltijd vinden op het uiterste punt van de marszeil râ; en als er ander gevaarlijk werk te verrichten was, kon men er zeker van zijn dat Beynen de eerste vrijwilliger was. Hij is de eerste Hollander, dien ik ooit ontmoet heb, maar mijn kennismaking met dezen onvermoeiden, enthusiasten zeeman heeft mij overtuigd dat de oude heldenmoed, welke de Hollanders tachtig jaar deed strijden voor de vrijheid, even krachtig is als ooit, en dat voor den Hollander, en vooral voor den Hollandschen officier, vaderlandsliefde een soort van godsdienst is.”
Deze lof verdiende de 24-jarige zeeofficier voor zijn land en zijn corps door een geestdrift en toewijding, die zich in daden uitten.
Ieder die met hem in aanraking kwam, wist hij warm te maken voor de zaak die hem zoo dierbaar was.
Zoo kwam hij in Engeland, toen dePandorazeilree lag voor de tweede reis, in kennis met den heer Charles Gardiner, die met zijn stoomjacht deGlow-wormgereed was om naar de Noordoostelijke IJszee te gaan, ten einde daar pelsdieren en vogelen te schieten. Doch men hoore hoe Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge, de adjunct-rijksarchivaris, die penningmeester was der Nederlandsche Noordpoolcommissie, en Beynen slechts zoo kort overleefde, in zijn toelichting tot de voorwerpen door Barents op Nova-Zembla achtergelaten, deze kennismaking en hare gevolgen beschrijft.
„De eerste kennismaking van Beynen met den heer Chs. Gardiner groeide tot meer vriendschappelijke betrekkingen tusschen de beide heeren aan en in hunne gesprekken over den tocht, die beiden weldra, in tegenovergestelde richting, naar het Noorden zouden ondernemen, liep het onderhoud meer dan eens over Nowaja-Semlya, naar welks omliggende zeeën de heer Gardiner zich wenschte te begeven, om vooral in de Kara-zee, bij White-Island, jachtveld en jachtwater te vinden. De heer Koolemans Beynen hield niet op met den heer Gardiner telkens aan te sporen om van deze gelegenheid gebruik te maken tot een bezoek aan de IJshaven, de plaats waar Barents en Heemskerck in 1596–1597 hadden overwinterd, en werkelijk heeft de edelmoedige Brit, hoewel hij daardoor grootendeels het oorspronkelijk doel van zijn tocht, door hem als jachtliefhebber ondernomen, moest missen, aan de opwekking en aansporing van den heer KoolemansBeynen gehoor gegeven. Op den 29sten Mei ll. verliet de heer Chs. Gardiner met zijn stoomjacht deGlow-wormde reede van Cowes. Te Tromsoë nam hij als ijsloods aan boord den bekenden kapitein Elling Carlsen, dezelfde die den tocht van Payer en Weyprecht heeft mede gemaakt en in 1871 de eerste ontdekker was der voorwerpen, door Barents en Heemskerck op Nowaja-Semlya achtergelaten. Door Matthews-straat of Matotshkinshar, de zeearm die het eigenlijke Nowaja-Semlya van Lütkes- en Barentsland scheidt, geraakte deGlow-wormin de Kara-zee ten Oosten van Nowaja-Semlya. Op den 29sten Julij 1876, des morgens te 8 ure, bereikte deGlow-wormde IJshaven, de overwinteringsplaats van Barents en Heemskerck. Door welwillende tusschenkomst van den heer Koolemans Beynen was ik in staat inzage te nemen van eenige korte uittreksels uit het journaal, aan boord van deGlow-wormgehouden. Eenigen dier extracten laat ik hier nu volgen:
„29 Julij. Heden is het een betere dag; ’s morgens te 8 ure bereiken wij de IJshaven. Wij kunnen niet in de baai komen, omdat zij geheel vol is met zwaar ijs, dat aan het land vast zit. Nauwelijks is het anker gevallen, of de kreet klinkt overal aan boord: „een beer! een beer!” Groote opgewektheid overal. Inderdaad, de beer komt over het ijs naar het schip kruipen, waarschijnlijk uit nieuwsgierigheid. Die nieuwsgierigheid betaalt hij duur. Wij zijn spoedig uit de booten naar en op het ijsveld. „Exciting sport!”, door de geheele bemanning aan boord gadegeslagen. Het einde is des beers dood.
„Na het ontbijt gaan wij aan wal en bezoeken de bouwvallen van Barents’ winterkwartieren. Geheel het huis ligt ingestort. Wij hebben een hard dagwerk, dáár tusschen de ruïnen, maar graven eene grootehoeveelheid reliquien op. Wij vinden einden touw, nog even sterk als op den dag waarop zij geslagen werden, stukjes zeildoek, kaarsen, oude messen, timmermansgereedschap, spijkers, eenige oude munten, een handlood, een geweerslot, een kruithoorn, enz. Al deze zaken zijn hoogst belangwekkend, daar zij hier 280 jaar hebben gelegen.”
Terwijl hier de bemanning van deGlow-worm, voorover gebogen, met pikhouweel, schop en bijl bezig was met de ontgraving, had niemand opgemerkt dat een groote ijsbeer was genaderd, die op zijn achtertrein gezeten in de onmiddellijke nabijheid van de ontgraving dat werk zat aan te kijken alsmaîtreès céans. Alsof hij, opvolger van zijne voorouders, sedert 279 jaren bewaarders van het Barents-museum op Nowaja-Semlya, met ongenoegen gadesloeg dat men hem zijn erfgoed kwam ontstelen, zat hij daar grimmig en „snuffing the air.” Toen men, om een oogenblik te rusten, zich uit de gebogen houding oprichtte, werd de hongerige huisbaas eerst gezien. De geweren stonden op eenigen afstand, zoodat de bemanning een oogenblik ongewapend was. Men vloog te wapen. De beer, dit ziende, „thought discretion the better part of valour,” (zooals de heer Gardiner in zijn journaal zegt), en meester ysegrim wist zich nog tijdig uit de voeten te maken.
Op dien dag nam men een observatie, doch geen vertrouwbare, want de dampkring was te mistig voor eene nauwkeurige waarneming. Onder die ongunstige omstandigheden verkreeg men voor de ligging van de plaats 76° 18 noorderbreedte.
Het journaal meldt vervolgens op 30 Juli:
„Dikke mist … Wij liggen met opgebankte vuren, om gereed te zijn tot vertrek, als het ijs ons mocht willen insluiten of storm ons overvallen. Wij liggenachter een uitgestrekt ijsveld beschut tegen het noorden en noordwesten. Ik hoop dat morgen de mist zal zijn opgetrokken, opdat wij de juiste ligging van Barendsz. winterkwartier zullen kunnen bepalen. Gisteren hebben wij een bericht neergelegd in denzelfden tinnen koker aan een stok, te midden van de bouwvallen van de hut van Barendsz. door Carlsen in 1871 opgericht. Ons bericht behelst niets dan het feit, dat wij hier zijn geweest en dat wij de plaats hebben doorzocht.”
Augustus. 1. „Alweder mist, bijna geen wind; de weinige wind die er is, waait uit het zuidwesten. Wij brengen op nieuw een bezoek aan de bouwvallen van het oude huis van Barendsz. en graven nagenoeg den geheelen bodem van het ijs op. Ditmaal wordt onze moeite echter niet rijkelijk beloond. Wij vinden slechts een passer, een harpoen, twee pieken, een paar gebroken messen, schoenen enz. Ik geloof niet dat er nu nog veel te vinden zal zijn; wij hebben alles doorsnuffeld en in elke hoek en gleuf gezocht.”
De heer Chs. Gardiner kwam met zijn stoomjacht deGlow-wormden 9den October te Southampton aan. Ruim drie weken later, op den 3den November, stoomde ook dePandora, terugkomende uit Smith-sound, laatst van Uppernavik, onder het driewerf hoezee! der bemanning van de aldaar liggende oorlogschepen, de haven van Porthsmouth binnen. Weldra vernam de heer Koolemans Beynen uit den mond van den heer Chs. Gardiner wat door hem op Nowaja-Semlya gevonden was, en op den 13den November schreef de heer Gardiner hem een brief, waar zooveel vereering voor den grooten zeevaarder Barents en zóó edele welwillendheid jegens Nederland in doorstraalt, dat de brief verdient bewaard te blijven.
„I cannot tell you,” zoo schreef de heer Chs. Gardiner,„how much obliged I am to you for taking such an interest in the Barents’s relies and for so kindly offering to take charge of them. If your countrymen will accept them, I shall greatly be honoured and shall be only too proud that it happened to have been in my power to have made them this offer.”
De Nederlandsche natie zal ongetwijfeld den heer Gardiner steeds dankbaar zijn, dat hij deze reliquien zoo edelmoedig aan haar heeft afgestaan.
Aan de sympathie en geestdrift door Beynen gewekt, hebben we het dus te danken, dat we de belangrijke voorwerpen—door den heer De Jonge uitvoerig beschreven—ontvingen.
In het journaal van de overwintering van Barents. en Heemskerk, in 1598 door Gerrit de Veer uitgegeven, staat vermeld, hoe, vóórdat het huis waarin men zoo lang had overwinterd werd verlaten, „Barents. te voren een cleyn cedelken heeft geschreven en in eene musketmate gedaen ende ’t selfde in den schoorsteen opgehangen, daerinne verhaelt stont, hoe wy uyt Hollant daer gecomen waeren om te zeylen nae ’t coninckrijcke van Chijna, ende wat ons aldaer op ’t lant bejegent was ende alle ons wedervaren, op avontuer offer er yemant nae ons quame, dat die weten mocht wat ons bejegent was en hoe ’t ons gegaen hadde.”
De „Yemant,” die na Barents.aldaar kwam, was de heer Gardiner. Hij vond in den ouden kruithoorn een ineengefrommeld stuk papier, waarvan de deelen op elkander kleefden, dat groen en geel was, en niet grooter dan de palm van de hand. Dit handschrift, gedurende 279 jaren beurtelings bevroren en ontdooid en beklemd tusschen het ijs en de bouwvallen van „het Behouden Huis,” werd door den heer De Jonge,met behulp van den heer J. H. Hingman, ontcijferd, en de daarin vermelde bijzonderheden bevestigden geheel het journaal van Gerrit de Veer.
Voor Beynen waren die honderd belangrijke, schoone herinneringen aan Barents.en aan Hollands heldentijd, opgedolven uit het ijs en de sneeuw van Nova Zembla, een prikkel te meer, om toch te maken dat de Hollandsche vlag weer in die klassieke stroomen wapperen mocht. Wat de heer De Jonge in zijn toelichting zeide was hem uit het hart geschreven.
„Wij mogen erkentelijk zijn, dat al de voorwerpen in 1871 en 1876 gevonden, in Nederland zijn teruggekomen. Doch mengt zich met dat gevoel van dankbaarheid ook niet eenig gevoel van spijt? Deze overblijfselen, deze reliquien zijn niet ontdekt en herwaarts gebracht door Nederlandsche zeevaarders. Wij hebben het bezit dier voorwerpen te danken aan den ondernemingsgeest en de edelmoedigheid van vreemden.
„De bouwvallen van het huis, waarin de Nederlandsche zeevaarders, onder bevel van Barendsz en Heemskerck, na hun roemrijken tocht, waarop zij Spitsbergen hadden ontdekt en tot ongeveer 80° Noorderbreedte waren doorgedrongen, hebben overwinterd, zijn nu geheel onder den voet gehaald.
„Als het koude kleed van ijs en sneeuw gedurende eenige jaren die verstoorde en uitééngeworpen overblijfselen zal hebben bedekt, stormwind en ijspersing den houten staak, door Carlsen opgericht, zullen hebben vernietigd, zal eindelijk ook die plek op Nowaja-Semlya niet meer met juistheid zijn te bepalen. Mij worde het vergeven, indien ik, aan het einde van den mij opgedragen last gekomen, voor één oogenblik mij buiten de grenzen van dien last begeef en het voorstel waag, dat, éér die plek op Nowaja Semlya, waaraan voor Nederland zoovele herinneringen zijn verbonden,geheel uit de herinnering verloren ga, een Nederlandsch schip met kloeke bemanning worde uitgezonden, om dáár in de ijshaven een eenvoudigen gedenksteen van duurzaam graniet op te richten, opdat in de volgende eeuwen moge blijken dat wij, ook bij eigen ongenoegzaamheid, ten minste de dankbaarheid bewaard hebben jegens hen, wier roem ook nu nog op ons afstraalt.”