XII.

XII.XII.LAATSTE WINTER IN HET VADERLAND.Na boos weder gehad te hebben op de Oostkust van Nova Zembla, waar deze van kaap Nassau tot aan IJskaap toe op één grooten gletscher gelijkt, waardoor slechts hier en daar een brok land dringt, en na negen dagen met mist en hooge zee en storm gekampt te hebben in die gevaarlijke nabijheid, besloot de kommandant van deBarentsden 5den September naar het vaderland te stevenen. Kaap Nassau was in een dichte sneeuwbui boven winds uit het oog geraakt; de wintervorst naderde, dr. Sluiter, de bekwame, ijverige zoöloog, lag zwaar ziek in zijn vochtige, duistere slaapplaats, en alles dwong tot de huisreis. Toch werd besloten nog eerst te onderzoeken hoever de noordelijke ijsrand zich uitstrekte, en voortgestuwd door een stijve bries uit hetW. N. W., ging deBarentsnog eensnoordwaarts, en ontmoette het ijs op 78°7′N. Br.Een hevige storm uit hetZ. W.noodzaakte kommandant de Bruyne weder uit het ijs te sturen, en na geworsteld te hebben met aanhoudenden tegenwind en stormweêr viel het kleine schoenertje, dat zich zoo prachtig gehouden had, den 12den Oktober te IJmuiden binnen.Officieren en bemanning werden met veel warmte welkom geheeten in het vaderland. Hun kloeke tocht naar het Noorden werd algemeen gewaardeerd en Beynen was recht gelukkig dat de proeftocht zoo wel geslaagd was. Toch was hij de vroolijke, levenslustige jonge man van vroeger niet meer. Men kon bespeuren, dat de groote verantwoordelijkheid, welke hij, bij ijsdrang en noodweer, gevoeld had dat op hem rustte, hem had aangegrepen. Onbeschrijfelijke moeite kostte hem het stellen van zijn verslag. Hij vertoonde zich nergens, doch sloot zich op in zijn kamer om er aan te werken, en met compressen koud water om het gloeiende hoofd gebonden, poogde hij zijn verslag zoo te schrijven, dat het hem voldeed.„Vindt ge mijn beschrijving van ons vechten tegen het ijs niet lauw water?” schreef hij mij; „zeg mij toch wat ik doen moet. Er deugt niets van en ik was dwaas het je zoo te zenden, maar men kan van een vriend houden om zijn dwaasheden en zwakheden, en beschouw het werk, dat ik u toezend, dan ook als een sprekend voorbeeld van het schrijfwerk van een onnadenkenden zeeman, een onpractischen vriend.”Hetgeen hij mij zond was degelijk en goed, doch er ontbrak de levendigheid aan, welke zijn meesleepende verhaaltrant, wanneer hij sprak, onderscheidde. Hij kwam een paar dagen bij mij logeeren, en als hij dan over zijn reis sprak en in vuur geraakte, schreef ik de woorden uit zijn mond op, en wat hij zocht vond hijzelf. Geen woord kwam er dus in ’t verslag, of in zijn aardig verhaal „In ’t Kraaiennest”, dat niet uitsluitend van hem zelven was. Ik heb ze voor mij liggen, de potloodkrabbels, waarmede ik haastig zoo menig kenschetsend woord van hem opschreef, en het is me alsof ik het bezielde woord van den nobelen jongen opnieuw hoor. De reactie, welke kwam na al zijn inspanning gedurende vijf jaren, was groot, en het werken was hem zeer moeielijk geworden, gelijk ik mededeelde. Aan het einde van zijn verslag schreef hij dan ook met volle waarheid: „en hiermede eindig ik mijn taak als verslaggever, die mij zwaarder is gevallen dan de reis.”Toch besloot hij dat verslag met woorden vol van de oude geestdrift, en ’t is me of ik hem met vonkelend oog en ’t fiere hoofd omhoog gebeurd, nog spreken hoor, als ik herlees:„Al de waarnemingen en handelingen op deBarentsverricht gaven aan ieder aan boord het bewustzijn, dat hij eene belangrijke taak te vervullen had, wekte op tot bovenmatige inspanning en schonk bij welslagen der pogingen de voldoening van ook als Nederlander iets tot het natuurkundig onderzoek der zeeën te hebben bijgedragen, waarin andere zeevarende natiën zich in de laatste jaren zoo verdienstelijk hebben gemaakt. Daarin toch vindt een klein volk eene schoone gelegenheid om in tijd van vrede zich lauweren te verwerven, door veroveringen in het belang der wetenschap te maken.„Moge deze eerste tocht door meerdere tochten ook op grooter schaal gevolgd worden; en mochten de middelen niet toelaten om daartoe een stoomschip te gebruiken, laat ons dan voortgaan te doen wat door deWillem Barentsgedaan is en ook zeggen, als de Spartaan tot zijn zoon, die zich beklaagde dat zijnzwaard te kort was: „Zoon, doe een stap nader tot den vijand.”Doch den volgenden „stap nader tot den vijand” zou Beynen niet medemaken. Zoodra hij in het land was teruggekeerd, had de minister van marine Jhr. Wichers, die den heer van Erp Taalman Kip was opgevolgd, hem gezegd dat het varen naar het Noorden nu uit moest zijn en hij in ’t voorjaar weder naar Indië had te gaan. Voor zijn loopbaan als zee-officier was dit trouwens beter, en hij gevoelde zelf dat het in het belang van de ijsvaart was dat meer en meer zee-officieren zich zouden bekwamen in die vaart. Zij die een paar reizen gemaakt hadden, deden dus beter plaats voor kameraden te maken, opdat ook anderen die leer- en oefenschool mochten doorloopen. Wij, zijn vrienden, raadden hem met grooten aandrang aan, geen poging te doen om den minister te bewegen hem nog eens verlof te geven naar het Noorden te gaan. Wij zagen hoe zijn gestel geleden had door die „bovenmatige inspanning”, waarvan hij sprak en die nu jaren lang geduurd had. In enkele opzichten was het Noorden beter dan het Oosten voor zijn gezondheid, maar zijn zenuwgestel had dringend rust noodig, en geen groote verantwoordelijkheid moest daarom vooreerst weer op die jonge, gewillige schouders gelegd worden.Ik zag hoe aanhoudende hoofdpijn en slechte spijsvertering hem hinderden, en eens dat hij op een avond bij mij zat, stelde ik hem een plan voor dat mij niet verwerpelijk scheen. „Kunt ge niet wegens uw gezondheidstoestand een paar jaar non-actief blijven?” vroeg ik, „dan komt ge tot rust en kalmte. Er is een betrekking waarin gij gedurende dien tijd met genoegen zult werken, voor je open, en er is bovendien zooveel dat je nu meer dan ooit aan het vaderland boeit.”De verleiding was groot, want het leed geen twijfeldat hij rust in een gematigd klimaat noodig had, maar rust is voor edele enthousiasten juist het eenige wat ze niet voor hun ideaal over hebben. „Repos ailleurs” is hun motto. Mijn voorstel weigerde hij in een brief, waaruit ik enkele woorden wil aanhalen, omdat ze hem doen kennen als geen andere zouden vermogen. Ze zullen zelfs den onverschilligste doen beseffen waarom men Beynen niet ten halve liefhad.„Mijn plicht is het te werken zoolang het dag is, en naar Indië te gaan. Als ik in de tegenwoordige droevige tijden (waarin de menschen nimmer aan anderen en nauwelijks aan zich zelf gelooven) rust ging nemen, terwijl het de schijn had alsof ik meer luisterde naar mijn belang dan naar mijn plichtbesef, dan zou ik door die daad verbazend veel kwaad doen aan het plantje, dat wij pas na zooveel moeite en met zooveel opofferingen gepoot hebben, opdat het later vruchten geve aan ons land. Duizenden zouden zeggen: „daar hebt ge nu die vaderlandlievende geestdrift! Zoodra men er munt uit kan slaan, verlaat men schaamteloos en zonder te blozen, den standaard, dien men zelf heeft opgeheven en dien men eerst zoo heilig beweerd had nimmer in den steek te zullen laten.„Waarlijk! mijn vriend, ik zou aan de zaak welke wij beide zoo liefhebben, veel, zeer veel kwaad doen, en ik geloof dat het grootste offer dat ik aan de Nederlandsche poolzaak brengen moet, dit is, dat ik het publiek de gelegenheid beneem te beweren, dat geen waarachtige vaderlandsliefde, maar enkel vuig eigenbelangpour parvenirde prikkel was, dien Nederlandsche zeelieden een beroep deed doen op den steun en de medewerking van het geheele volk. Neen, wij officieren, deden het enkel uit liefde voor ons land en ons corps.„Vooral voor jong Nederland zal een duidelijk blijkbaargeheelbelangloos streven oneindig beter (ook in de toekomst) werken en tot navolging en medewerking aansporen.”Ik heb lang geaarzeld eer ik deze regels uit een zeer vertrouwelijken brief overschreef, doch ik heb er toe besloten omdat, zonder dat ik er iets aan toevoeg, door ieder zal begrepen worden, dat Beynen, eer hij zoo kon schrijven, een groote overwinning had behaald op zich zelven, uit heilige toewijding aan ’t geen hij zijn plicht achtte.Hij was een ridder zonder vrees of blaam. Hij overtuigde anderen dat het plicht was zich geheel aan het land en zijn belangen toe te wijden, omdat hij zelf zoo volkomen overtuigd was. Indien hij een profeet was van ideëel plichtsbesef, dan was hij ter zelfden tijd zijn eigen discipel. Hij zag in wat ons land boven alles noodig heeft. Als hij in dien brief spreekt van „deze droevige tijden waarin de menschen nimmer aan anderen en nauwelijks aan zich zelf gelooven,” dan legde hij den vinger op de wonde, dan duidde hij de ziekte der natie aan, waartegen hij wilde reageeren, terwijl ze hem deed lijden. Onverschilligheid en kwaaddenkendheid moeten overwonnen, en het volk weer innig doordrongen worden van hetgeen het den staat verschuldigd is; het moet zijn vrijheid, zijn onafhankelijkheid waardeeren, gelijk men het zijn gezondheid doet, en niet de dagen van ziekte en zwakte afwachten om er voor te zorgen. De vrijheid heeft twee stemmen, die der bergen en die der zee, en aan die der zee moeten wij de verlevendiging van ons nationaal bewustzijn vragen.Professor Helmholtz schreef eens dat een microscopist, als hij dieper en dieper in de geheimen der natuur doordrong, ten laatste op een standpunt kwam, waar hij meer aandacht moest vestigen op het instrument dat hij gebruikte, dan op de voorwerpen welkehij waarnam. Dan behoorde hij al zijn geestesgaven aan te wenden om het instrument te verbeteren, om de lensen duidelijker en helderder te maken, en hun vermogen te vergrooten.Wij hebben in ons vaderland, dat reeds veel gedaan heeft, geloof ik, dat standpunt bereikt. Het komt er op het oogenblik meer op aan om het volk, dat het instrument is waarmede gewerkt wordt, nieuw leven, frissche kracht, verjongd geloof in zich zelf bij te zetten, dan om meerdere kennis te veroveren. Laat men geen volk ongelukkig noemen voor den dag van zijn dood, want er zijn altijd nog duizende kansen op geluk, op herstel, en het voorbeeld door Beynen gegeven zal ons wellicht een van die kansen doen aangrijpen.Wanneer de breede stroomen, die ons vaderland het aanzijn gaven, roerloos en zwijgend in de winterboeien liggen, zou iemand die de kracht der lentezon niet kende, geneigd zijn te gelooven dat ze voor goed versteend zijn. Doch plotseling hoort men een donderenden klank als van kanonvuur; het ijsveld kraakt en breekt, en ’t water met zijn boeien spelend, stroomt vroolijk, tintelende in het zonnelicht, weer naar de zee.Geweld noch toorn baat iets tegen het ijs dat rivieren stremt, maar vast geloof in ’t rijzen van de voorjaarszon, en in den vloed der zee die vrij maakt, dwingt tot geduldige volharding, en noopt ons alles in gereedheid te brengen tegen dat de dooi begint.Wil men diezelfde heerlijke uitkomst voorbereiden in ’t vaderland, en zijne burgers, die door langen voorspoed zijn geboeid, de lendenen weer doen omgorden tot nieuwe krachtsinspanning, dan moet men evenmin met toorn, schimpen en geweld aan ’t werk gaan. Dan moet men niet te veel critiseeren en afkeuren,niet te veel klagen en gispen, maar met woord en daad hen helpen, die op frissche bezielende wijze het goede voorbeeld geven.Er is zeker wel niemand die zijn land lief heeft en aan de toekomst zijner kinderen denkt, die zich niet soms diep ontmoedigd gevoelt, en klaagt over veel dat in onze maatschappij, en de toestanden van ons vaderland verontrustend schijnt. Er is een zekere matheid en vermoeienis, een sleur, een onverschilligheid en gemakzucht welke vele edele kiemen verstikken. Hier en daar ziet men bewijzen van een geest die niet goed is, van een zelfzuchtige begeerte om de toekomst voor zich zelve te laten zorgen, en niet bij tijds te waken voor de krachtsontwikkeling van het volk en de verdediging van het land, voor alles wat het zelfvertrouwen, het geloof en de hoop onzer kinderen kan versterken.Wanneer wij, die gelooven dat kleine, onafhankelijke staten het zout der Europeesche volkerenfamilie zijn, en bolwerken vormen van gewetensvrijheid en geloof in hooge beginselen, zien en ondervinden dat in alle standen menigeen niet beseft dat krachtsinspanning en eindelooze strijd noodig zijn, om de oude vlag fier te handhaven, dan zouden wij bijna ontmoedigd worden. Doch dit willen we niet, dit zullen we niet. We moeten niet gispen en klagen en veroordeelen en aan anderen de schuld geven; neen, we willen opbouwende kritiek. In plaats van enkel af te keuren wat verkeerd is willen we hen aanmoedigen, steunen en bewonderen die hun plicht doen, die den staat met hunne schouders steunen, die het ideaal eeren, die hun volk tot beweegkracht strekken.Wanneer men het volk Jan Salie scheldt, dan denkt ieder aan zijn buurman en niet aan zichzelf, en de berisping gaat als een galmend gerucht over onzehoofden. Doch als men Jan Cordaat eert en prijst, dan steekt men de hand in eigen boezem en erkent men: „hij is mijn meerdere, hij zij mij tot voorbeeld.”Moge Beynen’s toewijding aan zijn plichtgevoel, aan zijn vaderland dan ook velen opwekken om hem na te volgen, en moge het aantal jonge mannen groot worden die eens met eerbied voor zijn streven zullen zingen:„Hij toonde ons hoe geestdrift de zelfzucht verwint„En wij minnen eens ’t land zooals hij ’t heeft bemind.”1De brief, welks bewoording tot deze opmerkingen aanleiding gaf, deed mij inzien dat elke verdere poging om te verhinderen dat Beynen naar Indië ging, vruchteloos zou zijn. Ik vroeg hem of hij een geneesheer wilde raadplegen, en hierop antwoordde hij: „Ik heb een geneesheer over mijne oogen geraadpleegd, het eenige wat mij zorg baart; ik zal overigens voor mijn gezondheid zorgen, dat beloof ik je. Ik wil niet als een wrak uit Indië terugkeeren, en gevoel mij werkelijk nog als een hecht en sterk scheepje dat voor vele diensten gebruikt kan worden. Doch die hoofdpijnen moeten overwonnen. Ik ga daarom mijn trouwe vriendin, de zee, om hulp vragen. Het geheele verhaal van den tocht van deBarentsging heden middag in zee, en daarmeê viel mij een zware steen van ’t hart. Om geheel frisch naar Indië te vertrekken, en koning en vaderland daar goed te kunnen dienen, ga ik van 27 Januari tot 14 Februari met een Nieuwedieper sloep beug visschen. Het is een heerlijk vooruitzicht onze visschers te leeren kennen en in hun midden op zee nieuwe kracht op te doen.”Toen hij van dien tocht met de Pernisser visschers terug was gekomen en voor het laatst bij ons dineeren kwam, vertelde hij na den eten bij mij aan huis, op zijn eigen levendige aanschouwelijke wijze, met geestdrift aan mijn jongens zijn wedervaren. Ik had toen met potlood haastig het meest kenschetsende van zijn verhaal genoteerd; dit vulde ik aan met wat hij mij, terwijl we op het dek van deKoning der Nederlanden’s avonds heen en wederliepen, nog mededeelde. Hij had zelf een en ander van zijn tocht opgeteekend, en uit Napels en Indië zond hij mij in een paar brieven nog bijzonderheden omtrent de wijze van visschen en de inrichting van het schip.Dus kwam het volgende verhaal in de wereld, dat ik slechts geredigeerd heb, doch dat trouw Beynen’s eigen woorden wedergeeft.1Zie in deeerste bijlageachter het boek hetLied van de Barents.↑

XII.XII.LAATSTE WINTER IN HET VADERLAND.Na boos weder gehad te hebben op de Oostkust van Nova Zembla, waar deze van kaap Nassau tot aan IJskaap toe op één grooten gletscher gelijkt, waardoor slechts hier en daar een brok land dringt, en na negen dagen met mist en hooge zee en storm gekampt te hebben in die gevaarlijke nabijheid, besloot de kommandant van deBarentsden 5den September naar het vaderland te stevenen. Kaap Nassau was in een dichte sneeuwbui boven winds uit het oog geraakt; de wintervorst naderde, dr. Sluiter, de bekwame, ijverige zoöloog, lag zwaar ziek in zijn vochtige, duistere slaapplaats, en alles dwong tot de huisreis. Toch werd besloten nog eerst te onderzoeken hoever de noordelijke ijsrand zich uitstrekte, en voortgestuwd door een stijve bries uit hetW. N. W., ging deBarentsnog eensnoordwaarts, en ontmoette het ijs op 78°7′N. Br.Een hevige storm uit hetZ. W.noodzaakte kommandant de Bruyne weder uit het ijs te sturen, en na geworsteld te hebben met aanhoudenden tegenwind en stormweêr viel het kleine schoenertje, dat zich zoo prachtig gehouden had, den 12den Oktober te IJmuiden binnen.Officieren en bemanning werden met veel warmte welkom geheeten in het vaderland. Hun kloeke tocht naar het Noorden werd algemeen gewaardeerd en Beynen was recht gelukkig dat de proeftocht zoo wel geslaagd was. Toch was hij de vroolijke, levenslustige jonge man van vroeger niet meer. Men kon bespeuren, dat de groote verantwoordelijkheid, welke hij, bij ijsdrang en noodweer, gevoeld had dat op hem rustte, hem had aangegrepen. Onbeschrijfelijke moeite kostte hem het stellen van zijn verslag. Hij vertoonde zich nergens, doch sloot zich op in zijn kamer om er aan te werken, en met compressen koud water om het gloeiende hoofd gebonden, poogde hij zijn verslag zoo te schrijven, dat het hem voldeed.„Vindt ge mijn beschrijving van ons vechten tegen het ijs niet lauw water?” schreef hij mij; „zeg mij toch wat ik doen moet. Er deugt niets van en ik was dwaas het je zoo te zenden, maar men kan van een vriend houden om zijn dwaasheden en zwakheden, en beschouw het werk, dat ik u toezend, dan ook als een sprekend voorbeeld van het schrijfwerk van een onnadenkenden zeeman, een onpractischen vriend.”Hetgeen hij mij zond was degelijk en goed, doch er ontbrak de levendigheid aan, welke zijn meesleepende verhaaltrant, wanneer hij sprak, onderscheidde. Hij kwam een paar dagen bij mij logeeren, en als hij dan over zijn reis sprak en in vuur geraakte, schreef ik de woorden uit zijn mond op, en wat hij zocht vond hijzelf. Geen woord kwam er dus in ’t verslag, of in zijn aardig verhaal „In ’t Kraaiennest”, dat niet uitsluitend van hem zelven was. Ik heb ze voor mij liggen, de potloodkrabbels, waarmede ik haastig zoo menig kenschetsend woord van hem opschreef, en het is me alsof ik het bezielde woord van den nobelen jongen opnieuw hoor. De reactie, welke kwam na al zijn inspanning gedurende vijf jaren, was groot, en het werken was hem zeer moeielijk geworden, gelijk ik mededeelde. Aan het einde van zijn verslag schreef hij dan ook met volle waarheid: „en hiermede eindig ik mijn taak als verslaggever, die mij zwaarder is gevallen dan de reis.”Toch besloot hij dat verslag met woorden vol van de oude geestdrift, en ’t is me of ik hem met vonkelend oog en ’t fiere hoofd omhoog gebeurd, nog spreken hoor, als ik herlees:„Al de waarnemingen en handelingen op deBarentsverricht gaven aan ieder aan boord het bewustzijn, dat hij eene belangrijke taak te vervullen had, wekte op tot bovenmatige inspanning en schonk bij welslagen der pogingen de voldoening van ook als Nederlander iets tot het natuurkundig onderzoek der zeeën te hebben bijgedragen, waarin andere zeevarende natiën zich in de laatste jaren zoo verdienstelijk hebben gemaakt. Daarin toch vindt een klein volk eene schoone gelegenheid om in tijd van vrede zich lauweren te verwerven, door veroveringen in het belang der wetenschap te maken.„Moge deze eerste tocht door meerdere tochten ook op grooter schaal gevolgd worden; en mochten de middelen niet toelaten om daartoe een stoomschip te gebruiken, laat ons dan voortgaan te doen wat door deWillem Barentsgedaan is en ook zeggen, als de Spartaan tot zijn zoon, die zich beklaagde dat zijnzwaard te kort was: „Zoon, doe een stap nader tot den vijand.”Doch den volgenden „stap nader tot den vijand” zou Beynen niet medemaken. Zoodra hij in het land was teruggekeerd, had de minister van marine Jhr. Wichers, die den heer van Erp Taalman Kip was opgevolgd, hem gezegd dat het varen naar het Noorden nu uit moest zijn en hij in ’t voorjaar weder naar Indië had te gaan. Voor zijn loopbaan als zee-officier was dit trouwens beter, en hij gevoelde zelf dat het in het belang van de ijsvaart was dat meer en meer zee-officieren zich zouden bekwamen in die vaart. Zij die een paar reizen gemaakt hadden, deden dus beter plaats voor kameraden te maken, opdat ook anderen die leer- en oefenschool mochten doorloopen. Wij, zijn vrienden, raadden hem met grooten aandrang aan, geen poging te doen om den minister te bewegen hem nog eens verlof te geven naar het Noorden te gaan. Wij zagen hoe zijn gestel geleden had door die „bovenmatige inspanning”, waarvan hij sprak en die nu jaren lang geduurd had. In enkele opzichten was het Noorden beter dan het Oosten voor zijn gezondheid, maar zijn zenuwgestel had dringend rust noodig, en geen groote verantwoordelijkheid moest daarom vooreerst weer op die jonge, gewillige schouders gelegd worden.Ik zag hoe aanhoudende hoofdpijn en slechte spijsvertering hem hinderden, en eens dat hij op een avond bij mij zat, stelde ik hem een plan voor dat mij niet verwerpelijk scheen. „Kunt ge niet wegens uw gezondheidstoestand een paar jaar non-actief blijven?” vroeg ik, „dan komt ge tot rust en kalmte. Er is een betrekking waarin gij gedurende dien tijd met genoegen zult werken, voor je open, en er is bovendien zooveel dat je nu meer dan ooit aan het vaderland boeit.”De verleiding was groot, want het leed geen twijfeldat hij rust in een gematigd klimaat noodig had, maar rust is voor edele enthousiasten juist het eenige wat ze niet voor hun ideaal over hebben. „Repos ailleurs” is hun motto. Mijn voorstel weigerde hij in een brief, waaruit ik enkele woorden wil aanhalen, omdat ze hem doen kennen als geen andere zouden vermogen. Ze zullen zelfs den onverschilligste doen beseffen waarom men Beynen niet ten halve liefhad.„Mijn plicht is het te werken zoolang het dag is, en naar Indië te gaan. Als ik in de tegenwoordige droevige tijden (waarin de menschen nimmer aan anderen en nauwelijks aan zich zelf gelooven) rust ging nemen, terwijl het de schijn had alsof ik meer luisterde naar mijn belang dan naar mijn plichtbesef, dan zou ik door die daad verbazend veel kwaad doen aan het plantje, dat wij pas na zooveel moeite en met zooveel opofferingen gepoot hebben, opdat het later vruchten geve aan ons land. Duizenden zouden zeggen: „daar hebt ge nu die vaderlandlievende geestdrift! Zoodra men er munt uit kan slaan, verlaat men schaamteloos en zonder te blozen, den standaard, dien men zelf heeft opgeheven en dien men eerst zoo heilig beweerd had nimmer in den steek te zullen laten.„Waarlijk! mijn vriend, ik zou aan de zaak welke wij beide zoo liefhebben, veel, zeer veel kwaad doen, en ik geloof dat het grootste offer dat ik aan de Nederlandsche poolzaak brengen moet, dit is, dat ik het publiek de gelegenheid beneem te beweren, dat geen waarachtige vaderlandsliefde, maar enkel vuig eigenbelangpour parvenirde prikkel was, dien Nederlandsche zeelieden een beroep deed doen op den steun en de medewerking van het geheele volk. Neen, wij officieren, deden het enkel uit liefde voor ons land en ons corps.„Vooral voor jong Nederland zal een duidelijk blijkbaargeheelbelangloos streven oneindig beter (ook in de toekomst) werken en tot navolging en medewerking aansporen.”Ik heb lang geaarzeld eer ik deze regels uit een zeer vertrouwelijken brief overschreef, doch ik heb er toe besloten omdat, zonder dat ik er iets aan toevoeg, door ieder zal begrepen worden, dat Beynen, eer hij zoo kon schrijven, een groote overwinning had behaald op zich zelven, uit heilige toewijding aan ’t geen hij zijn plicht achtte.Hij was een ridder zonder vrees of blaam. Hij overtuigde anderen dat het plicht was zich geheel aan het land en zijn belangen toe te wijden, omdat hij zelf zoo volkomen overtuigd was. Indien hij een profeet was van ideëel plichtsbesef, dan was hij ter zelfden tijd zijn eigen discipel. Hij zag in wat ons land boven alles noodig heeft. Als hij in dien brief spreekt van „deze droevige tijden waarin de menschen nimmer aan anderen en nauwelijks aan zich zelf gelooven,” dan legde hij den vinger op de wonde, dan duidde hij de ziekte der natie aan, waartegen hij wilde reageeren, terwijl ze hem deed lijden. Onverschilligheid en kwaaddenkendheid moeten overwonnen, en het volk weer innig doordrongen worden van hetgeen het den staat verschuldigd is; het moet zijn vrijheid, zijn onafhankelijkheid waardeeren, gelijk men het zijn gezondheid doet, en niet de dagen van ziekte en zwakte afwachten om er voor te zorgen. De vrijheid heeft twee stemmen, die der bergen en die der zee, en aan die der zee moeten wij de verlevendiging van ons nationaal bewustzijn vragen.Professor Helmholtz schreef eens dat een microscopist, als hij dieper en dieper in de geheimen der natuur doordrong, ten laatste op een standpunt kwam, waar hij meer aandacht moest vestigen op het instrument dat hij gebruikte, dan op de voorwerpen welkehij waarnam. Dan behoorde hij al zijn geestesgaven aan te wenden om het instrument te verbeteren, om de lensen duidelijker en helderder te maken, en hun vermogen te vergrooten.Wij hebben in ons vaderland, dat reeds veel gedaan heeft, geloof ik, dat standpunt bereikt. Het komt er op het oogenblik meer op aan om het volk, dat het instrument is waarmede gewerkt wordt, nieuw leven, frissche kracht, verjongd geloof in zich zelf bij te zetten, dan om meerdere kennis te veroveren. Laat men geen volk ongelukkig noemen voor den dag van zijn dood, want er zijn altijd nog duizende kansen op geluk, op herstel, en het voorbeeld door Beynen gegeven zal ons wellicht een van die kansen doen aangrijpen.Wanneer de breede stroomen, die ons vaderland het aanzijn gaven, roerloos en zwijgend in de winterboeien liggen, zou iemand die de kracht der lentezon niet kende, geneigd zijn te gelooven dat ze voor goed versteend zijn. Doch plotseling hoort men een donderenden klank als van kanonvuur; het ijsveld kraakt en breekt, en ’t water met zijn boeien spelend, stroomt vroolijk, tintelende in het zonnelicht, weer naar de zee.Geweld noch toorn baat iets tegen het ijs dat rivieren stremt, maar vast geloof in ’t rijzen van de voorjaarszon, en in den vloed der zee die vrij maakt, dwingt tot geduldige volharding, en noopt ons alles in gereedheid te brengen tegen dat de dooi begint.Wil men diezelfde heerlijke uitkomst voorbereiden in ’t vaderland, en zijne burgers, die door langen voorspoed zijn geboeid, de lendenen weer doen omgorden tot nieuwe krachtsinspanning, dan moet men evenmin met toorn, schimpen en geweld aan ’t werk gaan. Dan moet men niet te veel critiseeren en afkeuren,niet te veel klagen en gispen, maar met woord en daad hen helpen, die op frissche bezielende wijze het goede voorbeeld geven.Er is zeker wel niemand die zijn land lief heeft en aan de toekomst zijner kinderen denkt, die zich niet soms diep ontmoedigd gevoelt, en klaagt over veel dat in onze maatschappij, en de toestanden van ons vaderland verontrustend schijnt. Er is een zekere matheid en vermoeienis, een sleur, een onverschilligheid en gemakzucht welke vele edele kiemen verstikken. Hier en daar ziet men bewijzen van een geest die niet goed is, van een zelfzuchtige begeerte om de toekomst voor zich zelve te laten zorgen, en niet bij tijds te waken voor de krachtsontwikkeling van het volk en de verdediging van het land, voor alles wat het zelfvertrouwen, het geloof en de hoop onzer kinderen kan versterken.Wanneer wij, die gelooven dat kleine, onafhankelijke staten het zout der Europeesche volkerenfamilie zijn, en bolwerken vormen van gewetensvrijheid en geloof in hooge beginselen, zien en ondervinden dat in alle standen menigeen niet beseft dat krachtsinspanning en eindelooze strijd noodig zijn, om de oude vlag fier te handhaven, dan zouden wij bijna ontmoedigd worden. Doch dit willen we niet, dit zullen we niet. We moeten niet gispen en klagen en veroordeelen en aan anderen de schuld geven; neen, we willen opbouwende kritiek. In plaats van enkel af te keuren wat verkeerd is willen we hen aanmoedigen, steunen en bewonderen die hun plicht doen, die den staat met hunne schouders steunen, die het ideaal eeren, die hun volk tot beweegkracht strekken.Wanneer men het volk Jan Salie scheldt, dan denkt ieder aan zijn buurman en niet aan zichzelf, en de berisping gaat als een galmend gerucht over onzehoofden. Doch als men Jan Cordaat eert en prijst, dan steekt men de hand in eigen boezem en erkent men: „hij is mijn meerdere, hij zij mij tot voorbeeld.”Moge Beynen’s toewijding aan zijn plichtgevoel, aan zijn vaderland dan ook velen opwekken om hem na te volgen, en moge het aantal jonge mannen groot worden die eens met eerbied voor zijn streven zullen zingen:„Hij toonde ons hoe geestdrift de zelfzucht verwint„En wij minnen eens ’t land zooals hij ’t heeft bemind.”1De brief, welks bewoording tot deze opmerkingen aanleiding gaf, deed mij inzien dat elke verdere poging om te verhinderen dat Beynen naar Indië ging, vruchteloos zou zijn. Ik vroeg hem of hij een geneesheer wilde raadplegen, en hierop antwoordde hij: „Ik heb een geneesheer over mijne oogen geraadpleegd, het eenige wat mij zorg baart; ik zal overigens voor mijn gezondheid zorgen, dat beloof ik je. Ik wil niet als een wrak uit Indië terugkeeren, en gevoel mij werkelijk nog als een hecht en sterk scheepje dat voor vele diensten gebruikt kan worden. Doch die hoofdpijnen moeten overwonnen. Ik ga daarom mijn trouwe vriendin, de zee, om hulp vragen. Het geheele verhaal van den tocht van deBarentsging heden middag in zee, en daarmeê viel mij een zware steen van ’t hart. Om geheel frisch naar Indië te vertrekken, en koning en vaderland daar goed te kunnen dienen, ga ik van 27 Januari tot 14 Februari met een Nieuwedieper sloep beug visschen. Het is een heerlijk vooruitzicht onze visschers te leeren kennen en in hun midden op zee nieuwe kracht op te doen.”Toen hij van dien tocht met de Pernisser visschers terug was gekomen en voor het laatst bij ons dineeren kwam, vertelde hij na den eten bij mij aan huis, op zijn eigen levendige aanschouwelijke wijze, met geestdrift aan mijn jongens zijn wedervaren. Ik had toen met potlood haastig het meest kenschetsende van zijn verhaal genoteerd; dit vulde ik aan met wat hij mij, terwijl we op het dek van deKoning der Nederlanden’s avonds heen en wederliepen, nog mededeelde. Hij had zelf een en ander van zijn tocht opgeteekend, en uit Napels en Indië zond hij mij in een paar brieven nog bijzonderheden omtrent de wijze van visschen en de inrichting van het schip.Dus kwam het volgende verhaal in de wereld, dat ik slechts geredigeerd heb, doch dat trouw Beynen’s eigen woorden wedergeeft.1Zie in deeerste bijlageachter het boek hetLied van de Barents.↑

XII.XII.LAATSTE WINTER IN HET VADERLAND.

XII.

Na boos weder gehad te hebben op de Oostkust van Nova Zembla, waar deze van kaap Nassau tot aan IJskaap toe op één grooten gletscher gelijkt, waardoor slechts hier en daar een brok land dringt, en na negen dagen met mist en hooge zee en storm gekampt te hebben in die gevaarlijke nabijheid, besloot de kommandant van deBarentsden 5den September naar het vaderland te stevenen. Kaap Nassau was in een dichte sneeuwbui boven winds uit het oog geraakt; de wintervorst naderde, dr. Sluiter, de bekwame, ijverige zoöloog, lag zwaar ziek in zijn vochtige, duistere slaapplaats, en alles dwong tot de huisreis. Toch werd besloten nog eerst te onderzoeken hoever de noordelijke ijsrand zich uitstrekte, en voortgestuwd door een stijve bries uit hetW. N. W., ging deBarentsnog eensnoordwaarts, en ontmoette het ijs op 78°7′N. Br.Een hevige storm uit hetZ. W.noodzaakte kommandant de Bruyne weder uit het ijs te sturen, en na geworsteld te hebben met aanhoudenden tegenwind en stormweêr viel het kleine schoenertje, dat zich zoo prachtig gehouden had, den 12den Oktober te IJmuiden binnen.Officieren en bemanning werden met veel warmte welkom geheeten in het vaderland. Hun kloeke tocht naar het Noorden werd algemeen gewaardeerd en Beynen was recht gelukkig dat de proeftocht zoo wel geslaagd was. Toch was hij de vroolijke, levenslustige jonge man van vroeger niet meer. Men kon bespeuren, dat de groote verantwoordelijkheid, welke hij, bij ijsdrang en noodweer, gevoeld had dat op hem rustte, hem had aangegrepen. Onbeschrijfelijke moeite kostte hem het stellen van zijn verslag. Hij vertoonde zich nergens, doch sloot zich op in zijn kamer om er aan te werken, en met compressen koud water om het gloeiende hoofd gebonden, poogde hij zijn verslag zoo te schrijven, dat het hem voldeed.„Vindt ge mijn beschrijving van ons vechten tegen het ijs niet lauw water?” schreef hij mij; „zeg mij toch wat ik doen moet. Er deugt niets van en ik was dwaas het je zoo te zenden, maar men kan van een vriend houden om zijn dwaasheden en zwakheden, en beschouw het werk, dat ik u toezend, dan ook als een sprekend voorbeeld van het schrijfwerk van een onnadenkenden zeeman, een onpractischen vriend.”Hetgeen hij mij zond was degelijk en goed, doch er ontbrak de levendigheid aan, welke zijn meesleepende verhaaltrant, wanneer hij sprak, onderscheidde. Hij kwam een paar dagen bij mij logeeren, en als hij dan over zijn reis sprak en in vuur geraakte, schreef ik de woorden uit zijn mond op, en wat hij zocht vond hijzelf. Geen woord kwam er dus in ’t verslag, of in zijn aardig verhaal „In ’t Kraaiennest”, dat niet uitsluitend van hem zelven was. Ik heb ze voor mij liggen, de potloodkrabbels, waarmede ik haastig zoo menig kenschetsend woord van hem opschreef, en het is me alsof ik het bezielde woord van den nobelen jongen opnieuw hoor. De reactie, welke kwam na al zijn inspanning gedurende vijf jaren, was groot, en het werken was hem zeer moeielijk geworden, gelijk ik mededeelde. Aan het einde van zijn verslag schreef hij dan ook met volle waarheid: „en hiermede eindig ik mijn taak als verslaggever, die mij zwaarder is gevallen dan de reis.”Toch besloot hij dat verslag met woorden vol van de oude geestdrift, en ’t is me of ik hem met vonkelend oog en ’t fiere hoofd omhoog gebeurd, nog spreken hoor, als ik herlees:„Al de waarnemingen en handelingen op deBarentsverricht gaven aan ieder aan boord het bewustzijn, dat hij eene belangrijke taak te vervullen had, wekte op tot bovenmatige inspanning en schonk bij welslagen der pogingen de voldoening van ook als Nederlander iets tot het natuurkundig onderzoek der zeeën te hebben bijgedragen, waarin andere zeevarende natiën zich in de laatste jaren zoo verdienstelijk hebben gemaakt. Daarin toch vindt een klein volk eene schoone gelegenheid om in tijd van vrede zich lauweren te verwerven, door veroveringen in het belang der wetenschap te maken.„Moge deze eerste tocht door meerdere tochten ook op grooter schaal gevolgd worden; en mochten de middelen niet toelaten om daartoe een stoomschip te gebruiken, laat ons dan voortgaan te doen wat door deWillem Barentsgedaan is en ook zeggen, als de Spartaan tot zijn zoon, die zich beklaagde dat zijnzwaard te kort was: „Zoon, doe een stap nader tot den vijand.”Doch den volgenden „stap nader tot den vijand” zou Beynen niet medemaken. Zoodra hij in het land was teruggekeerd, had de minister van marine Jhr. Wichers, die den heer van Erp Taalman Kip was opgevolgd, hem gezegd dat het varen naar het Noorden nu uit moest zijn en hij in ’t voorjaar weder naar Indië had te gaan. Voor zijn loopbaan als zee-officier was dit trouwens beter, en hij gevoelde zelf dat het in het belang van de ijsvaart was dat meer en meer zee-officieren zich zouden bekwamen in die vaart. Zij die een paar reizen gemaakt hadden, deden dus beter plaats voor kameraden te maken, opdat ook anderen die leer- en oefenschool mochten doorloopen. Wij, zijn vrienden, raadden hem met grooten aandrang aan, geen poging te doen om den minister te bewegen hem nog eens verlof te geven naar het Noorden te gaan. Wij zagen hoe zijn gestel geleden had door die „bovenmatige inspanning”, waarvan hij sprak en die nu jaren lang geduurd had. In enkele opzichten was het Noorden beter dan het Oosten voor zijn gezondheid, maar zijn zenuwgestel had dringend rust noodig, en geen groote verantwoordelijkheid moest daarom vooreerst weer op die jonge, gewillige schouders gelegd worden.Ik zag hoe aanhoudende hoofdpijn en slechte spijsvertering hem hinderden, en eens dat hij op een avond bij mij zat, stelde ik hem een plan voor dat mij niet verwerpelijk scheen. „Kunt ge niet wegens uw gezondheidstoestand een paar jaar non-actief blijven?” vroeg ik, „dan komt ge tot rust en kalmte. Er is een betrekking waarin gij gedurende dien tijd met genoegen zult werken, voor je open, en er is bovendien zooveel dat je nu meer dan ooit aan het vaderland boeit.”De verleiding was groot, want het leed geen twijfeldat hij rust in een gematigd klimaat noodig had, maar rust is voor edele enthousiasten juist het eenige wat ze niet voor hun ideaal over hebben. „Repos ailleurs” is hun motto. Mijn voorstel weigerde hij in een brief, waaruit ik enkele woorden wil aanhalen, omdat ze hem doen kennen als geen andere zouden vermogen. Ze zullen zelfs den onverschilligste doen beseffen waarom men Beynen niet ten halve liefhad.„Mijn plicht is het te werken zoolang het dag is, en naar Indië te gaan. Als ik in de tegenwoordige droevige tijden (waarin de menschen nimmer aan anderen en nauwelijks aan zich zelf gelooven) rust ging nemen, terwijl het de schijn had alsof ik meer luisterde naar mijn belang dan naar mijn plichtbesef, dan zou ik door die daad verbazend veel kwaad doen aan het plantje, dat wij pas na zooveel moeite en met zooveel opofferingen gepoot hebben, opdat het later vruchten geve aan ons land. Duizenden zouden zeggen: „daar hebt ge nu die vaderlandlievende geestdrift! Zoodra men er munt uit kan slaan, verlaat men schaamteloos en zonder te blozen, den standaard, dien men zelf heeft opgeheven en dien men eerst zoo heilig beweerd had nimmer in den steek te zullen laten.„Waarlijk! mijn vriend, ik zou aan de zaak welke wij beide zoo liefhebben, veel, zeer veel kwaad doen, en ik geloof dat het grootste offer dat ik aan de Nederlandsche poolzaak brengen moet, dit is, dat ik het publiek de gelegenheid beneem te beweren, dat geen waarachtige vaderlandsliefde, maar enkel vuig eigenbelangpour parvenirde prikkel was, dien Nederlandsche zeelieden een beroep deed doen op den steun en de medewerking van het geheele volk. Neen, wij officieren, deden het enkel uit liefde voor ons land en ons corps.„Vooral voor jong Nederland zal een duidelijk blijkbaargeheelbelangloos streven oneindig beter (ook in de toekomst) werken en tot navolging en medewerking aansporen.”Ik heb lang geaarzeld eer ik deze regels uit een zeer vertrouwelijken brief overschreef, doch ik heb er toe besloten omdat, zonder dat ik er iets aan toevoeg, door ieder zal begrepen worden, dat Beynen, eer hij zoo kon schrijven, een groote overwinning had behaald op zich zelven, uit heilige toewijding aan ’t geen hij zijn plicht achtte.Hij was een ridder zonder vrees of blaam. Hij overtuigde anderen dat het plicht was zich geheel aan het land en zijn belangen toe te wijden, omdat hij zelf zoo volkomen overtuigd was. Indien hij een profeet was van ideëel plichtsbesef, dan was hij ter zelfden tijd zijn eigen discipel. Hij zag in wat ons land boven alles noodig heeft. Als hij in dien brief spreekt van „deze droevige tijden waarin de menschen nimmer aan anderen en nauwelijks aan zich zelf gelooven,” dan legde hij den vinger op de wonde, dan duidde hij de ziekte der natie aan, waartegen hij wilde reageeren, terwijl ze hem deed lijden. Onverschilligheid en kwaaddenkendheid moeten overwonnen, en het volk weer innig doordrongen worden van hetgeen het den staat verschuldigd is; het moet zijn vrijheid, zijn onafhankelijkheid waardeeren, gelijk men het zijn gezondheid doet, en niet de dagen van ziekte en zwakte afwachten om er voor te zorgen. De vrijheid heeft twee stemmen, die der bergen en die der zee, en aan die der zee moeten wij de verlevendiging van ons nationaal bewustzijn vragen.Professor Helmholtz schreef eens dat een microscopist, als hij dieper en dieper in de geheimen der natuur doordrong, ten laatste op een standpunt kwam, waar hij meer aandacht moest vestigen op het instrument dat hij gebruikte, dan op de voorwerpen welkehij waarnam. Dan behoorde hij al zijn geestesgaven aan te wenden om het instrument te verbeteren, om de lensen duidelijker en helderder te maken, en hun vermogen te vergrooten.Wij hebben in ons vaderland, dat reeds veel gedaan heeft, geloof ik, dat standpunt bereikt. Het komt er op het oogenblik meer op aan om het volk, dat het instrument is waarmede gewerkt wordt, nieuw leven, frissche kracht, verjongd geloof in zich zelf bij te zetten, dan om meerdere kennis te veroveren. Laat men geen volk ongelukkig noemen voor den dag van zijn dood, want er zijn altijd nog duizende kansen op geluk, op herstel, en het voorbeeld door Beynen gegeven zal ons wellicht een van die kansen doen aangrijpen.Wanneer de breede stroomen, die ons vaderland het aanzijn gaven, roerloos en zwijgend in de winterboeien liggen, zou iemand die de kracht der lentezon niet kende, geneigd zijn te gelooven dat ze voor goed versteend zijn. Doch plotseling hoort men een donderenden klank als van kanonvuur; het ijsveld kraakt en breekt, en ’t water met zijn boeien spelend, stroomt vroolijk, tintelende in het zonnelicht, weer naar de zee.Geweld noch toorn baat iets tegen het ijs dat rivieren stremt, maar vast geloof in ’t rijzen van de voorjaarszon, en in den vloed der zee die vrij maakt, dwingt tot geduldige volharding, en noopt ons alles in gereedheid te brengen tegen dat de dooi begint.Wil men diezelfde heerlijke uitkomst voorbereiden in ’t vaderland, en zijne burgers, die door langen voorspoed zijn geboeid, de lendenen weer doen omgorden tot nieuwe krachtsinspanning, dan moet men evenmin met toorn, schimpen en geweld aan ’t werk gaan. Dan moet men niet te veel critiseeren en afkeuren,niet te veel klagen en gispen, maar met woord en daad hen helpen, die op frissche bezielende wijze het goede voorbeeld geven.Er is zeker wel niemand die zijn land lief heeft en aan de toekomst zijner kinderen denkt, die zich niet soms diep ontmoedigd gevoelt, en klaagt over veel dat in onze maatschappij, en de toestanden van ons vaderland verontrustend schijnt. Er is een zekere matheid en vermoeienis, een sleur, een onverschilligheid en gemakzucht welke vele edele kiemen verstikken. Hier en daar ziet men bewijzen van een geest die niet goed is, van een zelfzuchtige begeerte om de toekomst voor zich zelve te laten zorgen, en niet bij tijds te waken voor de krachtsontwikkeling van het volk en de verdediging van het land, voor alles wat het zelfvertrouwen, het geloof en de hoop onzer kinderen kan versterken.Wanneer wij, die gelooven dat kleine, onafhankelijke staten het zout der Europeesche volkerenfamilie zijn, en bolwerken vormen van gewetensvrijheid en geloof in hooge beginselen, zien en ondervinden dat in alle standen menigeen niet beseft dat krachtsinspanning en eindelooze strijd noodig zijn, om de oude vlag fier te handhaven, dan zouden wij bijna ontmoedigd worden. Doch dit willen we niet, dit zullen we niet. We moeten niet gispen en klagen en veroordeelen en aan anderen de schuld geven; neen, we willen opbouwende kritiek. In plaats van enkel af te keuren wat verkeerd is willen we hen aanmoedigen, steunen en bewonderen die hun plicht doen, die den staat met hunne schouders steunen, die het ideaal eeren, die hun volk tot beweegkracht strekken.Wanneer men het volk Jan Salie scheldt, dan denkt ieder aan zijn buurman en niet aan zichzelf, en de berisping gaat als een galmend gerucht over onzehoofden. Doch als men Jan Cordaat eert en prijst, dan steekt men de hand in eigen boezem en erkent men: „hij is mijn meerdere, hij zij mij tot voorbeeld.”Moge Beynen’s toewijding aan zijn plichtgevoel, aan zijn vaderland dan ook velen opwekken om hem na te volgen, en moge het aantal jonge mannen groot worden die eens met eerbied voor zijn streven zullen zingen:„Hij toonde ons hoe geestdrift de zelfzucht verwint„En wij minnen eens ’t land zooals hij ’t heeft bemind.”1De brief, welks bewoording tot deze opmerkingen aanleiding gaf, deed mij inzien dat elke verdere poging om te verhinderen dat Beynen naar Indië ging, vruchteloos zou zijn. Ik vroeg hem of hij een geneesheer wilde raadplegen, en hierop antwoordde hij: „Ik heb een geneesheer over mijne oogen geraadpleegd, het eenige wat mij zorg baart; ik zal overigens voor mijn gezondheid zorgen, dat beloof ik je. Ik wil niet als een wrak uit Indië terugkeeren, en gevoel mij werkelijk nog als een hecht en sterk scheepje dat voor vele diensten gebruikt kan worden. Doch die hoofdpijnen moeten overwonnen. Ik ga daarom mijn trouwe vriendin, de zee, om hulp vragen. Het geheele verhaal van den tocht van deBarentsging heden middag in zee, en daarmeê viel mij een zware steen van ’t hart. Om geheel frisch naar Indië te vertrekken, en koning en vaderland daar goed te kunnen dienen, ga ik van 27 Januari tot 14 Februari met een Nieuwedieper sloep beug visschen. Het is een heerlijk vooruitzicht onze visschers te leeren kennen en in hun midden op zee nieuwe kracht op te doen.”Toen hij van dien tocht met de Pernisser visschers terug was gekomen en voor het laatst bij ons dineeren kwam, vertelde hij na den eten bij mij aan huis, op zijn eigen levendige aanschouwelijke wijze, met geestdrift aan mijn jongens zijn wedervaren. Ik had toen met potlood haastig het meest kenschetsende van zijn verhaal genoteerd; dit vulde ik aan met wat hij mij, terwijl we op het dek van deKoning der Nederlanden’s avonds heen en wederliepen, nog mededeelde. Hij had zelf een en ander van zijn tocht opgeteekend, en uit Napels en Indië zond hij mij in een paar brieven nog bijzonderheden omtrent de wijze van visschen en de inrichting van het schip.Dus kwam het volgende verhaal in de wereld, dat ik slechts geredigeerd heb, doch dat trouw Beynen’s eigen woorden wedergeeft.

Na boos weder gehad te hebben op de Oostkust van Nova Zembla, waar deze van kaap Nassau tot aan IJskaap toe op één grooten gletscher gelijkt, waardoor slechts hier en daar een brok land dringt, en na negen dagen met mist en hooge zee en storm gekampt te hebben in die gevaarlijke nabijheid, besloot de kommandant van deBarentsden 5den September naar het vaderland te stevenen. Kaap Nassau was in een dichte sneeuwbui boven winds uit het oog geraakt; de wintervorst naderde, dr. Sluiter, de bekwame, ijverige zoöloog, lag zwaar ziek in zijn vochtige, duistere slaapplaats, en alles dwong tot de huisreis. Toch werd besloten nog eerst te onderzoeken hoever de noordelijke ijsrand zich uitstrekte, en voortgestuwd door een stijve bries uit hetW. N. W., ging deBarentsnog eensnoordwaarts, en ontmoette het ijs op 78°7′N. Br.Een hevige storm uit hetZ. W.noodzaakte kommandant de Bruyne weder uit het ijs te sturen, en na geworsteld te hebben met aanhoudenden tegenwind en stormweêr viel het kleine schoenertje, dat zich zoo prachtig gehouden had, den 12den Oktober te IJmuiden binnen.

Officieren en bemanning werden met veel warmte welkom geheeten in het vaderland. Hun kloeke tocht naar het Noorden werd algemeen gewaardeerd en Beynen was recht gelukkig dat de proeftocht zoo wel geslaagd was. Toch was hij de vroolijke, levenslustige jonge man van vroeger niet meer. Men kon bespeuren, dat de groote verantwoordelijkheid, welke hij, bij ijsdrang en noodweer, gevoeld had dat op hem rustte, hem had aangegrepen. Onbeschrijfelijke moeite kostte hem het stellen van zijn verslag. Hij vertoonde zich nergens, doch sloot zich op in zijn kamer om er aan te werken, en met compressen koud water om het gloeiende hoofd gebonden, poogde hij zijn verslag zoo te schrijven, dat het hem voldeed.

„Vindt ge mijn beschrijving van ons vechten tegen het ijs niet lauw water?” schreef hij mij; „zeg mij toch wat ik doen moet. Er deugt niets van en ik was dwaas het je zoo te zenden, maar men kan van een vriend houden om zijn dwaasheden en zwakheden, en beschouw het werk, dat ik u toezend, dan ook als een sprekend voorbeeld van het schrijfwerk van een onnadenkenden zeeman, een onpractischen vriend.”

Hetgeen hij mij zond was degelijk en goed, doch er ontbrak de levendigheid aan, welke zijn meesleepende verhaaltrant, wanneer hij sprak, onderscheidde. Hij kwam een paar dagen bij mij logeeren, en als hij dan over zijn reis sprak en in vuur geraakte, schreef ik de woorden uit zijn mond op, en wat hij zocht vond hijzelf. Geen woord kwam er dus in ’t verslag, of in zijn aardig verhaal „In ’t Kraaiennest”, dat niet uitsluitend van hem zelven was. Ik heb ze voor mij liggen, de potloodkrabbels, waarmede ik haastig zoo menig kenschetsend woord van hem opschreef, en het is me alsof ik het bezielde woord van den nobelen jongen opnieuw hoor. De reactie, welke kwam na al zijn inspanning gedurende vijf jaren, was groot, en het werken was hem zeer moeielijk geworden, gelijk ik mededeelde. Aan het einde van zijn verslag schreef hij dan ook met volle waarheid: „en hiermede eindig ik mijn taak als verslaggever, die mij zwaarder is gevallen dan de reis.”

Toch besloot hij dat verslag met woorden vol van de oude geestdrift, en ’t is me of ik hem met vonkelend oog en ’t fiere hoofd omhoog gebeurd, nog spreken hoor, als ik herlees:

„Al de waarnemingen en handelingen op deBarentsverricht gaven aan ieder aan boord het bewustzijn, dat hij eene belangrijke taak te vervullen had, wekte op tot bovenmatige inspanning en schonk bij welslagen der pogingen de voldoening van ook als Nederlander iets tot het natuurkundig onderzoek der zeeën te hebben bijgedragen, waarin andere zeevarende natiën zich in de laatste jaren zoo verdienstelijk hebben gemaakt. Daarin toch vindt een klein volk eene schoone gelegenheid om in tijd van vrede zich lauweren te verwerven, door veroveringen in het belang der wetenschap te maken.

„Moge deze eerste tocht door meerdere tochten ook op grooter schaal gevolgd worden; en mochten de middelen niet toelaten om daartoe een stoomschip te gebruiken, laat ons dan voortgaan te doen wat door deWillem Barentsgedaan is en ook zeggen, als de Spartaan tot zijn zoon, die zich beklaagde dat zijnzwaard te kort was: „Zoon, doe een stap nader tot den vijand.”

Doch den volgenden „stap nader tot den vijand” zou Beynen niet medemaken. Zoodra hij in het land was teruggekeerd, had de minister van marine Jhr. Wichers, die den heer van Erp Taalman Kip was opgevolgd, hem gezegd dat het varen naar het Noorden nu uit moest zijn en hij in ’t voorjaar weder naar Indië had te gaan. Voor zijn loopbaan als zee-officier was dit trouwens beter, en hij gevoelde zelf dat het in het belang van de ijsvaart was dat meer en meer zee-officieren zich zouden bekwamen in die vaart. Zij die een paar reizen gemaakt hadden, deden dus beter plaats voor kameraden te maken, opdat ook anderen die leer- en oefenschool mochten doorloopen. Wij, zijn vrienden, raadden hem met grooten aandrang aan, geen poging te doen om den minister te bewegen hem nog eens verlof te geven naar het Noorden te gaan. Wij zagen hoe zijn gestel geleden had door die „bovenmatige inspanning”, waarvan hij sprak en die nu jaren lang geduurd had. In enkele opzichten was het Noorden beter dan het Oosten voor zijn gezondheid, maar zijn zenuwgestel had dringend rust noodig, en geen groote verantwoordelijkheid moest daarom vooreerst weer op die jonge, gewillige schouders gelegd worden.

Ik zag hoe aanhoudende hoofdpijn en slechte spijsvertering hem hinderden, en eens dat hij op een avond bij mij zat, stelde ik hem een plan voor dat mij niet verwerpelijk scheen. „Kunt ge niet wegens uw gezondheidstoestand een paar jaar non-actief blijven?” vroeg ik, „dan komt ge tot rust en kalmte. Er is een betrekking waarin gij gedurende dien tijd met genoegen zult werken, voor je open, en er is bovendien zooveel dat je nu meer dan ooit aan het vaderland boeit.”

De verleiding was groot, want het leed geen twijfeldat hij rust in een gematigd klimaat noodig had, maar rust is voor edele enthousiasten juist het eenige wat ze niet voor hun ideaal over hebben. „Repos ailleurs” is hun motto. Mijn voorstel weigerde hij in een brief, waaruit ik enkele woorden wil aanhalen, omdat ze hem doen kennen als geen andere zouden vermogen. Ze zullen zelfs den onverschilligste doen beseffen waarom men Beynen niet ten halve liefhad.

„Mijn plicht is het te werken zoolang het dag is, en naar Indië te gaan. Als ik in de tegenwoordige droevige tijden (waarin de menschen nimmer aan anderen en nauwelijks aan zich zelf gelooven) rust ging nemen, terwijl het de schijn had alsof ik meer luisterde naar mijn belang dan naar mijn plichtbesef, dan zou ik door die daad verbazend veel kwaad doen aan het plantje, dat wij pas na zooveel moeite en met zooveel opofferingen gepoot hebben, opdat het later vruchten geve aan ons land. Duizenden zouden zeggen: „daar hebt ge nu die vaderlandlievende geestdrift! Zoodra men er munt uit kan slaan, verlaat men schaamteloos en zonder te blozen, den standaard, dien men zelf heeft opgeheven en dien men eerst zoo heilig beweerd had nimmer in den steek te zullen laten.

„Waarlijk! mijn vriend, ik zou aan de zaak welke wij beide zoo liefhebben, veel, zeer veel kwaad doen, en ik geloof dat het grootste offer dat ik aan de Nederlandsche poolzaak brengen moet, dit is, dat ik het publiek de gelegenheid beneem te beweren, dat geen waarachtige vaderlandsliefde, maar enkel vuig eigenbelangpour parvenirde prikkel was, dien Nederlandsche zeelieden een beroep deed doen op den steun en de medewerking van het geheele volk. Neen, wij officieren, deden het enkel uit liefde voor ons land en ons corps.

„Vooral voor jong Nederland zal een duidelijk blijkbaargeheelbelangloos streven oneindig beter (ook in de toekomst) werken en tot navolging en medewerking aansporen.”

Ik heb lang geaarzeld eer ik deze regels uit een zeer vertrouwelijken brief overschreef, doch ik heb er toe besloten omdat, zonder dat ik er iets aan toevoeg, door ieder zal begrepen worden, dat Beynen, eer hij zoo kon schrijven, een groote overwinning had behaald op zich zelven, uit heilige toewijding aan ’t geen hij zijn plicht achtte.

Hij was een ridder zonder vrees of blaam. Hij overtuigde anderen dat het plicht was zich geheel aan het land en zijn belangen toe te wijden, omdat hij zelf zoo volkomen overtuigd was. Indien hij een profeet was van ideëel plichtsbesef, dan was hij ter zelfden tijd zijn eigen discipel. Hij zag in wat ons land boven alles noodig heeft. Als hij in dien brief spreekt van „deze droevige tijden waarin de menschen nimmer aan anderen en nauwelijks aan zich zelf gelooven,” dan legde hij den vinger op de wonde, dan duidde hij de ziekte der natie aan, waartegen hij wilde reageeren, terwijl ze hem deed lijden. Onverschilligheid en kwaaddenkendheid moeten overwonnen, en het volk weer innig doordrongen worden van hetgeen het den staat verschuldigd is; het moet zijn vrijheid, zijn onafhankelijkheid waardeeren, gelijk men het zijn gezondheid doet, en niet de dagen van ziekte en zwakte afwachten om er voor te zorgen. De vrijheid heeft twee stemmen, die der bergen en die der zee, en aan die der zee moeten wij de verlevendiging van ons nationaal bewustzijn vragen.

Professor Helmholtz schreef eens dat een microscopist, als hij dieper en dieper in de geheimen der natuur doordrong, ten laatste op een standpunt kwam, waar hij meer aandacht moest vestigen op het instrument dat hij gebruikte, dan op de voorwerpen welkehij waarnam. Dan behoorde hij al zijn geestesgaven aan te wenden om het instrument te verbeteren, om de lensen duidelijker en helderder te maken, en hun vermogen te vergrooten.

Wij hebben in ons vaderland, dat reeds veel gedaan heeft, geloof ik, dat standpunt bereikt. Het komt er op het oogenblik meer op aan om het volk, dat het instrument is waarmede gewerkt wordt, nieuw leven, frissche kracht, verjongd geloof in zich zelf bij te zetten, dan om meerdere kennis te veroveren. Laat men geen volk ongelukkig noemen voor den dag van zijn dood, want er zijn altijd nog duizende kansen op geluk, op herstel, en het voorbeeld door Beynen gegeven zal ons wellicht een van die kansen doen aangrijpen.

Wanneer de breede stroomen, die ons vaderland het aanzijn gaven, roerloos en zwijgend in de winterboeien liggen, zou iemand die de kracht der lentezon niet kende, geneigd zijn te gelooven dat ze voor goed versteend zijn. Doch plotseling hoort men een donderenden klank als van kanonvuur; het ijsveld kraakt en breekt, en ’t water met zijn boeien spelend, stroomt vroolijk, tintelende in het zonnelicht, weer naar de zee.

Geweld noch toorn baat iets tegen het ijs dat rivieren stremt, maar vast geloof in ’t rijzen van de voorjaarszon, en in den vloed der zee die vrij maakt, dwingt tot geduldige volharding, en noopt ons alles in gereedheid te brengen tegen dat de dooi begint.

Wil men diezelfde heerlijke uitkomst voorbereiden in ’t vaderland, en zijne burgers, die door langen voorspoed zijn geboeid, de lendenen weer doen omgorden tot nieuwe krachtsinspanning, dan moet men evenmin met toorn, schimpen en geweld aan ’t werk gaan. Dan moet men niet te veel critiseeren en afkeuren,niet te veel klagen en gispen, maar met woord en daad hen helpen, die op frissche bezielende wijze het goede voorbeeld geven.

Er is zeker wel niemand die zijn land lief heeft en aan de toekomst zijner kinderen denkt, die zich niet soms diep ontmoedigd gevoelt, en klaagt over veel dat in onze maatschappij, en de toestanden van ons vaderland verontrustend schijnt. Er is een zekere matheid en vermoeienis, een sleur, een onverschilligheid en gemakzucht welke vele edele kiemen verstikken. Hier en daar ziet men bewijzen van een geest die niet goed is, van een zelfzuchtige begeerte om de toekomst voor zich zelve te laten zorgen, en niet bij tijds te waken voor de krachtsontwikkeling van het volk en de verdediging van het land, voor alles wat het zelfvertrouwen, het geloof en de hoop onzer kinderen kan versterken.

Wanneer wij, die gelooven dat kleine, onafhankelijke staten het zout der Europeesche volkerenfamilie zijn, en bolwerken vormen van gewetensvrijheid en geloof in hooge beginselen, zien en ondervinden dat in alle standen menigeen niet beseft dat krachtsinspanning en eindelooze strijd noodig zijn, om de oude vlag fier te handhaven, dan zouden wij bijna ontmoedigd worden. Doch dit willen we niet, dit zullen we niet. We moeten niet gispen en klagen en veroordeelen en aan anderen de schuld geven; neen, we willen opbouwende kritiek. In plaats van enkel af te keuren wat verkeerd is willen we hen aanmoedigen, steunen en bewonderen die hun plicht doen, die den staat met hunne schouders steunen, die het ideaal eeren, die hun volk tot beweegkracht strekken.

Wanneer men het volk Jan Salie scheldt, dan denkt ieder aan zijn buurman en niet aan zichzelf, en de berisping gaat als een galmend gerucht over onzehoofden. Doch als men Jan Cordaat eert en prijst, dan steekt men de hand in eigen boezem en erkent men: „hij is mijn meerdere, hij zij mij tot voorbeeld.”

Moge Beynen’s toewijding aan zijn plichtgevoel, aan zijn vaderland dan ook velen opwekken om hem na te volgen, en moge het aantal jonge mannen groot worden die eens met eerbied voor zijn streven zullen zingen:

„Hij toonde ons hoe geestdrift de zelfzucht verwint„En wij minnen eens ’t land zooals hij ’t heeft bemind.”1

„Hij toonde ons hoe geestdrift de zelfzucht verwint

„En wij minnen eens ’t land zooals hij ’t heeft bemind.”1

De brief, welks bewoording tot deze opmerkingen aanleiding gaf, deed mij inzien dat elke verdere poging om te verhinderen dat Beynen naar Indië ging, vruchteloos zou zijn. Ik vroeg hem of hij een geneesheer wilde raadplegen, en hierop antwoordde hij: „Ik heb een geneesheer over mijne oogen geraadpleegd, het eenige wat mij zorg baart; ik zal overigens voor mijn gezondheid zorgen, dat beloof ik je. Ik wil niet als een wrak uit Indië terugkeeren, en gevoel mij werkelijk nog als een hecht en sterk scheepje dat voor vele diensten gebruikt kan worden. Doch die hoofdpijnen moeten overwonnen. Ik ga daarom mijn trouwe vriendin, de zee, om hulp vragen. Het geheele verhaal van den tocht van deBarentsging heden middag in zee, en daarmeê viel mij een zware steen van ’t hart. Om geheel frisch naar Indië te vertrekken, en koning en vaderland daar goed te kunnen dienen, ga ik van 27 Januari tot 14 Februari met een Nieuwedieper sloep beug visschen. Het is een heerlijk vooruitzicht onze visschers te leeren kennen en in hun midden op zee nieuwe kracht op te doen.”

Toen hij van dien tocht met de Pernisser visschers terug was gekomen en voor het laatst bij ons dineeren kwam, vertelde hij na den eten bij mij aan huis, op zijn eigen levendige aanschouwelijke wijze, met geestdrift aan mijn jongens zijn wedervaren. Ik had toen met potlood haastig het meest kenschetsende van zijn verhaal genoteerd; dit vulde ik aan met wat hij mij, terwijl we op het dek van deKoning der Nederlanden’s avonds heen en wederliepen, nog mededeelde. Hij had zelf een en ander van zijn tocht opgeteekend, en uit Napels en Indië zond hij mij in een paar brieven nog bijzonderheden omtrent de wijze van visschen en de inrichting van het schip.

Dus kwam het volgende verhaal in de wereld, dat ik slechts geredigeerd heb, doch dat trouw Beynen’s eigen woorden wedergeeft.

1Zie in deeerste bijlageachter het boek hetLied van de Barents.↑

1Zie in deeerste bijlageachter het boek hetLied van de Barents.↑

1Zie in deeerste bijlageachter het boek hetLied van de Barents.↑


Back to IndexNext