Even buiten de poort, op den weg die van de stad naar Soekabrenti voerde, verschool zich tusschen het geboomte een bierhuis van den tweeden rang, in welks gelagkamer het zondagsavonds na kerktijd, en somtijds tot laat in den nacht, druk genoeg kon toegaan. In de dienstbodenwereld te M. was dit uitspanningsoord algemeen bekend onder den naam van het Fonteintje, en naarmate men tot diegenen behoorde welke aan de danspartijen in dit lokaal al dan niet deel namen, werd men naar de uitspraak dezer jury òf tot de klasse der femelaars gerekend, òf tot de talrijker en verlichter schaar van hen, die van oordeel zijn, dat de mensch aanspraak heeft op eene betamelijke mate van levensgenot. Het was zoo weinig eene kerk, en gold tegelijk zoo weinig voor eenmauvais lieu, dat onlangs eene meerderjarige M'sche keukenmaagd van goede zeden, toen hare jeugdiger kameraad zich eene wijsneuzige aanmerking veroorloofde, het regt meende te hebben haar toe te voegen: "Hou je mond, kleuter, je hebt van je leven nog niet in het Fonteintje gedanst!"
In dezen tempel der maatschappelijke mondigheid was het dat Jakob, de huisknecht van dokter Ruardi, weinige dagen na de gebeurtenissen uit hooger sfeer waarvan in de voorgaande hoofdstukken gewag gemaakt is, des ochtends tusschen elven en twaalven eene hartsterking kwam gebruiken. Hij moest voor den dokter eene boodschap doen op Soekabrenti, en zou het eene daad van onnatuurlijke zelfverloochening geacht hebben, hier in het voorbijgaan niet even zijn anker neder te werpen en aan de toonbank een morgenpraatje te houden met zijne vriendin, de buffetjufvrouw. Hij beroemde er zich op, die jufvrouw te kennen van "haver tot gort"; hetgeen in zijnen mond beteekende, dat zij tot den kring der populaire Hebe's behoorde, die somtijds door hem met kleine geschenken werden vereerd, en van wie hij getuigen kon dat ondankbaarheid hare hoofdzonde niet was.
—"Wel nu nog fraaijer, mijnheer Jakob," zeide de buffetjufvrouw, in de eenzame gelagkamer bezig de groote glazen met tinnen deksels te reinigen, die in den loop van den dag herhaaldelijk gevuld en door de bezoekers van het etablissement herhaaldelijk geledigd zouden worden,—"zoo vroeg al op het pad? En nu zeggen de menschen nog, dat er geene witte raven bestaan!"
—"Geen kompliment dat gij mijn krullebol maakt, jufvrouw Bella!" antwoordde Jakob, zijn gegalonneerden hoed even optillend, ten einde haar eene vrijen blik op zijne kortgeknipte en gitzwarte borstels te gunnen. "Maar zwarte raaf of witte raaf, het staat u niet fraai, mij bij een roofvogel te vergelijken."
—"Gij zoudt toch niet willen, dat ik u bij een struisvogel vergeleek, mijnheer Jakob?"
—"Om den dood niet, jufvrouw Bella! Neen, indien ik volstrekt een vogel moet verbeelden... Mag ik u iets influisteren?" En voor zij nog wist of zij zijn verzoek zou toestaan of weigeren, had hij over de toonbank heen zijne holle hand aan haar oor gebragt en lispelde hij: "Ik ben het met Linnaeus eens, dat er geen beesten bestaan, die meer van kippen houden dan een haan."
—"Foei, mijnheer Jakob, gij moest u schamen," zeide de buffetjufvrouw, die de verzen van den Schoolmeester niet kende. "Een getrouwd man!" En zij bloosde wel, maar glimlachte toch.
—"Ik zou er u nog meer van kunnen vertellen," zeide Jakob. "Luister eens."
—"Dank u, genoeg is meer dan veel. Spaar mijne ooren, wat ik u verzoeken mag."
—"Uwe ooren, jufvrouw Bella, loopen niet het minste gevaar. Wat zegt de Schrift? Niet hetgeen door den mond ingaat verontreinigt den mensch, maar de booze gedachten, die opwellen uit zijn hart. Welnu..."
—"Zwijg, goddelooze spotter! Gij weet wel, dat zulke aardigheden mij niet aanstaan. Ik zou bijna gaan denken, dat het Fonteintje uwe eerste aanlegplaats van dezen ochtend niet was. Zijt gij den geheelen nacht weder aan het zwieren geweest?"
—"Toch niet, jufvrouw Bella; mijne positie is volkomen normaal. Met de kippetjes naar bed en 's morgens weer 't eerst op de baan, is eene vaste gewoonte bij den haan."
—"Gij wordt eentoonig, mijnheer Jakob," zeide het meisje, met eene poging om strak te zien. "Wat zult gij gebruiken? Een glas Kitzinger, of een glas Amsterdamsch?"
—"Geen van beiden, jufvrouw Bella. Voor apoplektische gestellen als het mijne, is beijersch bier geen gezonde drank. Het blaast op, het echauffeert, het bevordert de korpulentie. De dokter heeft mij het Banting-systeem voorgeschreven, en daar bevind ik mij uitmuntend bij."
—"Is dat een systeem van laffe rijmpjes maken, mijnheer Jakob?"
—"Rijmpjes? En ik onthaal u op het werk van een der grootste dichters, die Nederland ooit voortgebragt heeft! Gij leest geen kranten? Nu, zoo lang de Pruissen of de Franschen ons niet zullen ingepalmd hebben, zoolang zullen de Hollanders hunnen Schoolmeester in eere houden."
—"Zeg mij liever wat gij gebruiken zult, mijnheer Jakob. Van al die wijze praat begrijp ik niets."
—"Ik volg het Banting-systeem, heb ik u gezegd, jufvrouw Bella, en geef boven alles de voorkeur aan een morgenslokje uit het kommetje onder mijn stokje."
—"Bedoelt gij dit?" vroeg de jufvrouw, naar eene karaf jenever op schillen wijzend. "Of zijt gij weder in de war met uw schoolmeester?"
—"Gij raadt mijne geheimste gedachten, jufvrouw Bella. Werkelijk strekt mijne begeerte zich uit naar een glaasje citroen met suiker, buiten onder de verandah, als ik u verzoeken mag... Gij zijt immers niet boos op mij, jufvrouw Bella?"
—"Volstrekt niet, mijnheer Jakob. Mijne liefste gasten zijn zij, die zich eene plaats onder de verandah kiezen. Dan heb ik vrede in het buffet."
Hij trad naar buiten en zette zich neder op de groen geschilderde bank achter een der groen geschilderde tafeltjes, waarmede het voorplein der herberg gestoffeerd was. Jufvrouw Bella volgde hem, met een blaadje in de eene en een tot den rand gevuld glaasje in de andere hand.
—"Ik kan er immers op aan, dat gij niet boos op mij zijt?" vroeg hij, eene beweging makend alsof hij den arm om haar middel wilde slaan.
—"Ik zou het kunnen worden," antwoordde zij, onder het nederzetten van het kelkje. "Raak mij niet aan, wat ik u bidden mag!"
—"Ik zou u onbeleefd noemen, jufvrouw Bella, wist ik niet van nabij, dat uw hart voor zachter aandoeningen vatbaar is dan het nu openbaart. Jufvrouw Bella! jufvrouw Bella!" riep hij haar achterna.
Zij was de gelagkamer weder binnengewipt en stond hem te woord over de onderdeur.
—"Mijnheer Jakob, gij zijt een mooiprater. Is dat nu taal voor een gewoon mensch?"
—"Zoo praat men op het tooneel, jufvrouw Bella, en zoo behoort het. Wilt gij mij de eer doen voor morgen-avond een vrijkaartje van mij aan te nemen? Dan zal ik u de Schoone Helena laten zien."
—"Dank u hartelijk, mijnheer Jakob! ik moet te vroeg bij de hand zijn, om tot 's nachts twaalf uur in de komedie te zitten."
—"Reden te meer, ook voor u, jufvrouw Bella, om met de kippetjes..."
Doch toen hij weder van zijne kippetjes begon, was jufvrouw Bella eensklaps verdwenen.
—"Ik heb mij versproken, naar het schijnt," mompelde hij, legde het eene been over het andere, stak een sigaar op en savoureerde in de eenzaamheid zijn goudgeel borreltje.
Er scheelde intusschen veel aan, dat Jakob dezen ochtend werkelijk zoo vrolijk gestemd zou zijn geweest als men uit den luchthartigen toon van zijn onderhoud met het buffetmeisje mogt afleiden. Briefjes voor mevrouw Dijk waren zoo menigmaal aan zijne diskretie toevertrouwd geworden, en hij had zich te allen tijde met zoo goeden uitslag van de taak der overbrenging gekweten, dat zijn tegenwoordige gang naar Soekabrenti hem niet de geringste kwelling zou veroorzaakt hebben, indien eene soortgelijke boodschap ook ditmaal het doel van zijnen togt geweest was. Doch dit was het geval niet. Het biljet, hetwelk hij in de borstzak van zijn blaauwen rok met verzilverde knoopen bij zich droeg, was niet aan mevrouw Lidewyde, maar aan mijnheer Adriaan geadresseerd. Hij wist dat de dokter het geschreven had naar aanleiding van eene exceptioneel onstuimige konversatie, den vorigen avond te zijnen huize met Sarah gevoerd; en wanneer hij de opgevangen fragmenten van dien twist in verband bragt met hetgeen hem reeds sedert lang bekend was, kon hij met die bouwstoffen eene geschiedenis zamenstellen, geschikter dan eenige andere om den dokter te exaspereren. Misschien zou het natuurlijker of althans gewoner zijn geweest, indien hij zich in zijne kwaliteit van knecht over de déconfiture van zijnen heer in stilte verheugd had, denkend: boontje komt om zijn loontje, groote dieven worden te zelden gehangen, en het is niet meer dan billijk, dat wie zoovele anderen vernederd heeft, eindelijk ook zelf aan de deur wordt gezet. Doch niet-alleen was Jakobs inborst zoo niet, maar het streed ook met zijn belang, dat zijn meester zich brouilleerde met mevrouw Dijk. 's Dokters relatie met die dame was in den loop des tijds voor hem de bron geworden van een overvloedigercasueldan waarop menig dorpspastoor in Frankrijk of Oostenrijk voor het drijven van zijne huishouding en het onthalen van zijne superieuren rekenen kan; en van lieverlede was hij die buitengewone belooning zijner schranderheid en bescheidenheid als een vast inkomen gaan beschouwen. En wat zou nu gebeuren? Wanneer het Italiaansche bloed in 's dokters aderen eenmaal aan het gisten ging, deinsde hij voor niets terug, ook niet voor handelingen, die menigeen wreedaardig en verraderlijk genoemd zou hebben. Evenmin kon men weten, wat mijnheer Dijk zou aanvangen, wanneer iemand van dokter Ruardi's talent hem inzage van de boeken gaf. Mijnheer Dijk had geheel en al het voorkomen van een goedaardig man; en dat hij zich gedurende zoo langen tijd met open oogen had laten bedriegen door zijne vrouw en den dokter, was zeker geen bewijs van opvliegendheid; "doch ook mijn eigen vader ging door voor een sukkel," dacht Jakob, "hetgeen niet wegneemt dat hij mij somtijds bont en blaauw geranseld heeft." In dat briefje zelf zou nu wel niets staan, waar dadelijk gevaar bij was, maar het kon een begin zijn van eene door den dokter beraamde wraakoefening; en wanneer dat potje eenmaal te vuur stond, zou de dokter wel zorgen, dat mijnheer Dijk er zich het hardst den mond aan brandde. "Enfin," dus luidde de konklusie van Jakobs overwegingen, "het is een miserabel geval, en ik wilde om een lief ding, dat die mijnheer Kortenaer en zijn meisje (onder ons gezegd, dat meisje kan haar plezier ook wel op!) buiten ons vaarwater gebleven waren."
De weg naar Soekabrenti was in de week en op dit uur van den dag eene eenzame heirbaan, en van de plaats waar Jakob zat uit te rusten van de wandeling die hij nog moest ondernemen, kon men, tusschen de boomstammen door, de weinige voetgangers, die zich in de rigting der stad bewogen, reeds in de verte zien aankomen. De glooijing eener hooge brug met witte leuningen, waar eene vaart op eenigen afstand den weg door midden sneed, verminderde nog de voor die waarneming gevorderde inspanning; en Jakob vermaakte zich eene poos met op te merken, hoe van de personen, die hem naderden, nadat de ronding der brug hen gedurende korten tijd onzigtbaar had gemaakt, eerst het hoofd, dan de romp, en eindelijk ook de beenen weder allengs zigtbaar werden.
—"Een saai kijkje," sprak hij echter weldra in zichzelven. En schier onmiddelijk daarna, zich vooroverbuigend, ten einde scherper te kunnen toezien: "Dat 's casueel!" riep hij uit, alsof het kijkje hem eensklaps nieuwe belangstelling inboezemde, "hij is het, al zijn leven!"
De zwarte pet van glimmend wasdoek, de korte donkergrijze jas met metalen knoopen en de om het been spannende slobkousen van chocoladebruin laken, wier verschijnen op den top der brug Jakob dien kreet van verwondering deed slaken, behoorden aan niemand anders als Isidoor, den eerzamen huisknecht op Soekabrenti; in zoo ver namelijk een livereibediende zeggen kan dat zijne kleederen hem toebehooren, en niet hij aan zijne kleederen. Het duurde niet lang, of Isidoor, die met eene boodschap van Lidewyde naar stad moest, merkte op dat van onder den luifel van het Fonteintje, met dichterlijke vrijheid door Jakob en jufvrouw Bella de verandah genoemd, telegrafische seinen tot hem gerigt werden. Toen hij evenwel, nader gekomen, Jakob herkende, was zijne vreugde slechts matig; want Jakob had onder zijne kameraden den naam, in meer dan gewone mate "bij de pinken" te zijn, en Isidoor deelde in zoo ver in het zwak dier onbedeesden wien het niet aan verstand of doorzicht hapert, dat hij ongaarne overbluft werd. Des te meer viel het hem in de hand, dat Jakob dezen ochtend in het geheel niet spotziek gestemd scheen te zijn, en volstrekt geene aanstalten maakte om hem, Isidoor, voor het lapje te houden. De ontvangst was integendeel even hartelijk als gemeenzaam, en indien Isidoor het voorregt had gehad, Jakob meer van nabij te kennen, zou hij aan diens welwillendheid bemerkt hebben, dat Jakob hem noodig had.
—"Hou je me gezelschap," vroeg Jakob, naar zijn kelkje wijzend, "of ben je van de Afschaffing? Er is in mijn eigen leven een tijd geweest, dat ik vóór twaalven nooit iets anders als water met suiker dronk."
—"Voor mij moet die tijd nog komen," zeide Isidoor, die meende te weten dat men tot de dagen van Jakob's zuigelingsschap zou moeten opklimmen, alvorens de door hem bedoelde water- en suiker-periode te bereiken. "Maar als ik regtuit spreken zal, drink ik vóór twaalven liefst bier."
—"Ieder zijn meug," antwoordde Jakob. En zich naar de openstaande deur der gelagkamer wendend: "Jufvrouw Bella," riep hij, "een glas Beijersch voor mijn vriend Isidoor! Groote maat, als ik je verzoeken mag."
—"Ik ben op weg naar jelui toe," vervolgde hij, een deel van zijne eigen geheimen verklappend, ten einde des te spoediger achter die van Isidoor te komen. "De dokter zendt me met een briefje naar Soekabrenti. En wat moet jij zoo vroeg in de stad uitvoeren? Ik dacht dat jelui nooit anders boodschappen deedt als met rijtuig?"
—"Ik moet voor mevrouw een pakje brengen naar het expeditie-kantoor."
—"Dat verandert. Spoortreinen wachten niet."
—"Dat doen ze net niet; maar in dit geval zou de trein geen eer inleggen met te wachten, want mijn pakje hoeft niet mee."
—"Hoe heb ik het met je? Breng jij pakjes naar het expeditie-kantoor om thuis gelaten te worden?"
—"Niet precies. Mijn pakje moet worden bezorgd aan een adres in de stad."
—"Wat? Zoo als de rijke lui op Sinterklaas-avond doen, om te zorgen dat de vrinden niet weten zullen uit welken hoek de wind waait? Jou mevrouw is er tijdig bij, moet ik zeggen. Ik heb juist gisteren aan mijn kleine meid verteld, dat Sinterklaas' mooije japon nog twee maanden in de Bank moet staan, voor hij hem lossen kan."
—"De kleine meid, voor wie mijn pakje bestemd is, zou blij zijn, geloof ik, indien ze twee maanden uitstel kreeg," zeide Isidoor op geheimzinnigen toon.
Een minder naauwlettend hoorder dan Jakob zou het spel bedorven hebben door te vragen: "Voor wie is het dan?" Doch Jakob begreep dat de ander op den goeden weg was, en van hemzelven nog slechts een weinig meer openhartigheid gevorderd werd, om Isidoor de zijne te doen voltooijen.
—"Luister eens," zeide hij, eensklaps de hand op Isidoor's arm leggend en insgelijks een mysterieusen toon aannemend, "het gaat mij niet aan, welke boodschappen jou worden opgedragen, en mijn vader heeft me geleerd, dat een booi, die niet hooren, zien en zwijgen kan, geen knip voor zijn neus waard is. Maar, òf ik heb het mis, òf de wagen gaat op dit oogenblik bij jou aan huis evenmin regt als bij den dokter."
—"Bij den dokter?" vroeg Isidoor verwonderd. "Daar weet ik niet van."
—"Indien je alles wist, zou ik je niets te vertellen hebben, dat spreekt. Wil ik je eens wat zeggen? Ik geloof dat die mevrouw van jou een rare dame is."
—"Ik wou," zeide Isidoor met een zucht, "dat het anders was; maar ik vrees dat je gelijk hebt."
—"Waarom zet je daar een bedrukt gezigt over? Ze is geen kind; en wanneer ze dingen doet, die niet deugen, moet ze zelf weten wat er bij staat."
—"Jawel, maar voor de rest is ze een goed mensch; veel te goed om zich te vergooijen."
—"Dat is de vraag, Isidoor. Ken je de geschiedenis van prins Potemkin?"
—"Neen, van dien snuiter heb ik nooit gehoord."
—"Nu, er is reis een keizerin van Rusland geweest, die eerst er man gemold en toen een sleep vrijers nagehouden heeft, waarvan vriend Potemkin het verder heeft gebragt dan al de anderen. Minister, admiraal, generaal, stadhouder, prins,—de hemel weet wat de kerel al niet geworden is, ofschoon hij van afkomst maar de zoon van een armen kapelaan was. Want in Rusland, moet je denken, mogen de kapelaans trouwen, als ze willen, en kinderen krijgen als ze kunnen. Maar denk je dat iemand ooit precies geweten heeft waarom keizerin Katharina zoo'n zin had in dien jongen?"
—"Misschien was het wel..."
—"Je wilt zeggen dat hij meer verstand of meer courage had dan de anderen? Mis, maat! Hij was zoo dom als een eend, al hield hij zich, wanneer het op vechten aankwam, wijsselijk buiten schot. Er kan maar één reden geweest zijn, waarom de keizerin zich aan hem verslingerd heeft."
—"En dat was?"
—"Men kan alle dingen zoo niet bij 'er naam noemen; maar ik geloof dat keizerin Katharina om dezelfde reden van prins Potemkin hield, waarom jou mevrouw een hekel heeft aan 'er man. Ja, ja, Isidoor, sommige vrouwen zijn vreemde zeeschepen, en prins Potemkin was een mooije jongen, zoo hoog en zoo breed als een tamboermajoor. Maar dat 's tot daaraan toe. Is die mijnheer Kortenaer nog bij jelui gelogeerd? Hij is een keer of wat bij den dokter komen praten, en de dokter is een keer of wat met hem uit rijden of uit wandelen geweest. Het zou mij niet verwonderen, indien het briefje, dat ik in mijn zak heb, bestemd was om daar een einde aan te maken. De dokter is op zijn gezelschap niet bijzonder gesteld, lijkt het wel."
—"En zendt mijnheer Ruardi jou om die reden naar Soekabrenti?" vroeg Isidoor, die het oogenblik gekomen achtte om op zijne beurt Jakob een weinig uit te hooren.
—"Dat zou ik je niet kunnen zeggen," antwoordde Jakob droogjes; "maar wel, dat het briefje niet voor mijnheer Kortenaer, maar voor mijnheer Dijk is. Het zou evenwel kunnen wezen, dat mijnheer Dijk alleen dienen moest als tusschenpersoon, net als jou expeditie-kantoor."
—"En voorzie je dat daar ongenoegen van komen zal?"
—"Wel zeker voorzie ik dat, en erg ongenoegen ook."
—"Het doet me pleizier dat je niet luchtig denkt over hetgeen tegenwoordig bij ons aan huis voorvalt. Ik heb medelijden met dat juffertje."
—"Nu zeg je precies hetzelfde, Isidoor, wat ik bezig was bij mijn eigen te overleggen, toen ik je daareven zag aankomen. Dat meisje, zei ik, kan 'er pleizier meer dan op."
—"En ik vrees dat haar pleizier nog verminderen zal, wanneer ze dit pakje ontvangt."
—"Heb ik het niet gedacht," riep Jakob, achter een schijn van verontwaardiging zijne zelfvoldoening over Isidoor's mededeeling verbergend. "Mevrouw Dijk doet met jufvrouw Emma even als de dokter met mijnheer André."
—"De tijd moet het leeren, Jakob; maar ik kan je zeggen dat ik van mijn mevrouw nooit zoo iets vermoed zou hebben."
—"Ik ook niet," antwoordde Jakob. "Gelukkig voor ons, dat wij onze handen in onschuld wasschen kunnen. Maar onze lieve Heer is regtvaardig, dat heb ik altijd gezeid. Wij, arme drommels, moeten het werk doen; maar de verantwoording komt voor rekening van de grooten. Zoo krijgt elk zijn deel. Nog een halfje Beijersch?"
Het aanbod was niet geheel en al opregt; doch al ware het dat geweest, Isidoor zou het in elk geval van de hand gewezen hebben. Hij was een te naauwgezette knaap om ter wille van zijne gemoedsbezwaren zijne boodschappen te verzuimen.
Jakob was ruimer van geweten, en vond het geene doodzonde vóór hij Isidoors voorbeeld volgde, nog een halfje citroen met suiker te gebruiken. In het eind evenwel nam ook hij afscheid van het Fonteintje, en ging hij zich kwijten van den hem opgedragen last.
—"Veel wijzer ben ik niet geworden," zeide hij bij zichzelven, toen hij zijne vertering betaald had en men hem den weg naar Soekabrenti zag opwandelen. "Maar toch wel een beetje. Wel, wel, moet jufvrouw Emma de vesting ruimen! Wonder is het niet, want voor Isidoors mevrouw is zij geen portuur. Met dat al spijt het mij vervl—, dat de dokter en mevrouw Lidewyde met elkander over hoop liggen. Dat zal een geduchte streep door mijne rekening zijn. Een lieve jongen, die mijnheer André!"
Hoewel Adriaan Dijk voorwaar geen genie was, zou men hem ten onregte voor een lafaard gehouden hebben, en wie hem in de eenzaamheid had kunnen gadeslaan, toen hij, uit de stad gekomen, Ruardi's briefje vond en zich daarmede naar zijne kamer begaf, zou getroffen zijn geweest door de uitdrukking van vastberadenheid, welke zich eensklaps over zijne gelaatstrekken verspreidde. Eerst stapte hij, met de armen over de borst gekruist, eenige malen het vertrek op en neder, opende toen zijn bureau, waarvan de cylinder naar achteren week, wanneer men het blad bij den knop vatte en naar zich toe trok, en zette zich toen met het hoofd in de hand, blijkbaar zonder eenig voornemen om thans schrijf- of ander werk te verrigten, peinzend neder in zijn ronden stoel.
—"Gij zijt ijdel," zou de wereld hem hebben kunnen toevoegen, en tot staving van dat verwijt had zij zegevierend kunnen wijzen op zijn hunkeren naar een mandaat waarvoor hij niet berekend was. "Gij zijt dom," kon zij vervolgen, en onder vier oogen zou Lefebvre het haar uit den grond zijns harten hebben nagezegd. "Gij zijt veel te goed van vertrouwen," kon zij er bijvoegen, en indien Jakob of Sarah uit de school hadden willen klappen, zouden zij hem van de waarheid dier stelling op eene voor zijn gevoel uiterst pijnlijke wijze hebben kunnen overtuigen. Doch juist Ruardi was de man, die hem van elke opkomende achterdocht ten aanzien van Lidewyde telkens genezen had; zoodat zijne eenige fout, in zake van ligtgeloovigheid, hierin bestond, dat hij Ruardi's vriendschap voor eene uitgemaakte zaak hield. Zal men weigeren te erkennen dat die dwaling hem tot eer verstrekte, ook al was hij overigens die hij was? Schranderder lieden dan hij, lieden van wie elk erkent dat hunne handelingen te geener tijd door vaniteit bestuurd werden, zijn dwaas genoeg geweest om ten einde toe aan de goede trouw van sommige personen te gelooven; en het moet nog uitgemaakt worden, of het beter is, alle menschen zonder onderscheid te verdenken, dan enkelen hunner als het uitgedrukt beeld der welwillendheid aan te merken.
Er rustte op Dijks huwelijksleven een dier sluijers, welke alleen door de dienstboden van Jakobs soort plegen opgeligt te worden. Lidewyde had hem indertijd hare hand geschonken,—ja waarom? omdat zij eene natuurlijke dochter was. Op een leeftijd dat andere jonge meisjes nog naauwelijks de kinderschoenen ontwassen zijn, had het besef van dien toestand haar reeds naar een huwelijk doen verlangen. Zij wilde levenslang aan iemand toebehooren; een eigen naam dragen, gelijk alle andere menschen in haren kring; een eigen huis en eene eigen omgeving bezitten. Die wensch verdrong bij haar destijds al het overige; en toen zij op achttien- of negentienjarigen leeftijd aan Adriaan Dijk verbonden werd, was haar geduld, meende zij, reeds op de uiterste proef gesteld geworden. Wat hem betreft, hare ongemeene, uitheemsche schoonheid had hem eene wijl betooverd, en daarbij was het vragen van hare hand in zijne oogen eene daad van courtoisie, bijna eene heldendaad geweest. Zijne moeder, tegen wie hij van jongs af zeer had opgezien, wier afkeuring hij nog nooit getrotseerd had, was eerst te elfder ure tot berusten gekomen, en het had hem vrij wat moeite gekost, haar eene vondeling, gelijk zij Lidewyde noemde, als schoondochter te doen erkennen. Doch de vreugde over die zegepraal was slechts van korten duur geweest. Geene drie maanden na zijn huwelijk was tusschen Lidewyde en hem eene onoverkomelijke verwijdering ontstaan; eene dier scheidingen, welke voor het oog der wereld verborgen kunnen blijven, omdat zij haren oorsprong nemen in eene door haar zelve ten toon gedragen koelheid. Weldra zou het zes jaren worden dat Adriaan en Lidewyde voor elkander niets anders geweest waren als twee personen, die in hetzelfde hôtel, ten onregte hun huis genoemd, verschillende appartementen bewoonden.
Het was heden geenszins voor de eerste maal in dat half dozijn jaren dat Adriaan nadacht over hetgeen hij doen zou, indien Lidewyde hem te eeniger tijd openlijk ontrouw werd. In bijzonderheden, wel is waar, had hij daaromtrent nooit iets kunnen vaststellen, omdat de te nemen wraak of de te eischen voldoening zich natuurlijkerwijze zouden moeten regelen naar de omstandigheden, waaronder de beleediging zou plaats hebben. Doch indien hij met zijne wenschen te rade ging, wist hij met genoegzame zekerheid op welke soort van strafoefening, al zou de wereld daarvan dan ook schande spreken, zijne keus zich vestigen zou, en zelfs zou hij de wapenen hebben kunnen noemen en aanwijzen, waarvan hij zich bij die gelegenheid liefst zou bedienen. In het eerste jaar van zijn huwelijk had hij een gitzwarten Newfoundlander bezeten, aan wien hij om zijne vrolijkheid en hartelijkheid bijzonder gehecht was, en wiens doodvonnis (het dier was sporen van dolheid gaan vertoonen, of was althans eensklaps niet langer te vertrouwen geweest) hij met een verdeeld gemoed onderteekend had. Eerst had hij Marcelis last gegeven, den hond buiten zijne voorkennis te doen afmaken; doch naarmate het oogenblik naderde, waarop hij berekenen kon dat zijn bevel ten uitvoer zou worden gelegd, was de vrees hem gaan bekruipen, dat men het dier meer zou doen lijden dan volstrekt noodig was. Ten slotte was hij naar de stad gereden, had bij een geweermaker den moorddadigsten revolver gekocht, die in 's mans magazijn te vinden was, en had met eigen hand den armen Moor, die roerloos en met bloedroode oogen op eene binnenplaats aan zijne ketting lag, door den kop geschoten. Sedert dien tijd rustte dat wapen achter de kleine kunstig gesloten deur onder den cylinder van zijn bureau, en slechts enkele malen haalde hij het voor den dag, ten einde het te reinigen en in bruikbaren staat te houden. Naast den revolver lag de korte zweep met den langen en zwaren slag van gevlochten leder, dien hij gewoon was geweest bij zich te steken, wanneer hij met Moor eene verre wandeling ging doen. Niet dat de hond veelvuldig behoefde gekastijd te worden; maar hij was te gelijk een zwemmersbaas en een aartsvijand van wolvee, en indien men onderweg geen ongenoegen krijgen wilde met herders of boeren, was het somtijds zaak hem tot zijnen pligt te roepen. Zoo verleidelijk evenwel konden de ontstelde schapen met hunne dikke lijven en hunne korte pooten niet voor hem uitrennen; zoo breed kon de molenvliet niet zijn, die hij moest overzwemmen om zijnen meester weder in te halen, of op het eerste geluid van Adriaans zweepslag keerde Moor, druipend en hijgend, op zijne zevenmijlssprongen terug.
De vraag of er eene bijzondere predispositie noodig is om te eeniger tijd een doodslager of een beul te worden, dan wel of de aanleg daartoe, zonder onderscheid van individuen, bij alle menschen als kiem wordt aangetroffen, is welligt niet meer dan eene thesis voor de eene of andere debating-club. Predikers der godsdienst hebben herhaaldelijk in den loop der eeuwen het laatste alternatief tot het onderwerp van roerende toespraken gemaakt; het eerste is door moralisten van de physiologische school meermalen als ruim zoo waarschijnlijk voorgesteld. Doch zoo min die zede-als die godsdienstleeraars zouden in staat zijn geweest Adriaan Dijk de bekentenis te ontlokken, dat, indien een man hem zijne eer ontroofde en zijne vrouw aan dien roof medepligtig was, hij het regt niet hebben zou, Lidewyde voor dat misdrijf te tuchtigen en haren minnaar te dwingen, zich met eigen hand het leven te benemen. Op dat punt koesterde hij eene vastheid van overtuiging, waarvan men beweren kon dat zij aan zinsverbijstering grensde, doch tevens erkennen moest, dat zij de onbeduidendheid van zijn persoon tot op zekere hoogte neutraliseerde. Het eene wapen om hem te vernietigen, het andere omhaarte vernederen: van die opvatting was hij niet af te brengen. Dat stond geschreven, meende hij. En aan de regtmatigheid van dat inzigt geloofde hij met dezelfde onverzettelijkheid als een Arabier gelooft dat God groot en Mohammed zijn profeet is.
De besteller van het expeditie-kantoor had zijnen pligt kwalijk betracht, of wel de chef van het bureau had aan verstrooidheid geleden. Althans, eerst in den loop van den avond, toen zij van huis was en met André eene wandeling in het Park deed, was het voor Emma bestemde pakje aan haar adres bezorgd geworden.
—"Hier is een pakje voor de jufvrouw," had Floris gezegd, toen hij de lampen was komen opsteken.
—"Van wien komt het?" had freule Bertha gevraagd.
—"Dat is er niet bij gezegd," had Floris geantwoord. "De man, die het bezorgd heeft, is dezelfde die boodschappen pleegt te doen voor het expeditie-kantoor."
—"Leg het dan maar neder op de jufvrouws plaats," had de freule bevolen. "De jufvrouw kan elk oogenblik thuis komen."
Emma kwam, en vond de freule als naar gewoonte bij haar theeblad zitten. Zij zou even naar hare kamer gaan, zeide zij, om zich van haar wandelkostuum te ontdoen; dan kon zij verder rustig beneden blijven en zou zij de freule iets voorlezen.
—"Doe dat, liefkind! Hoe meer gij mij mijne oude oogen helpt ontzien, hoe grooter dienst gij mij bewijst. Floris heeft daareven een kleinigheid voor u binnengebragt, die gij misschien zult willen medenemen naar boven. Ik heb hem gezegd, dat hij het dingje op uwe plaats zou deponeren. Ligt het daar niet?"
—"Waar?" vroeg Emma, die het pakje eerst niet opgemerkt had.
—"Voor u, op de tafel."
—"Hoe kan ik zoo onoplettend zijn! Gij bemerkt, freule, dat men jonge oogen niet te spoedig prijzen moet."
—"Nu, nu, gij zult eene aanstaande bruid niet hard vallen, omdat zij kleine distrakties heeft."
—"Staat dat in de Schrift, freule?" vroeg Emma lagchend.
—"Neen, jufvrouw ongeloof, de Schrift bezondigt zich niet aan zulke zwakheden. Dat doen alleen oude vrouwen, die een te goed hart hebben voor de jonge."
—"Mag ik dan even gaan? Binnen vijf minuten ziet gij mij weder hier."
Emma had dien avond aan André niets ongewoons bespeurd. Alleen toen hij reeds afscheid van haar genomen had was haar ingevallen, dat het hartelijker van hem geweest zou zijn, indien hij voor het minst eene poging had aangewend om de wandeling nog een weinig te rekken. Doch ook dat verzuim had haar niet bijzonder getroffen, omdat zij wist dat hij altijd vol bezorgdheid was voor hare gezondheid en hij de avondlucht bepaald schadelijk achtte voor haar gestel. Arm in arm hadden zij tusschen de oude boomen en het jonge plantsoen gedwaald,—van de kiosk, waar muziek gemaakt werd, naar den vijver, en van de hertenkamp terug naar de kiosk. Buitengemeen vertrouwelijk of teeder waren hunne gesprekken niet geweest; daartoe was het dien avond in het Park niet eenzaam genoeg, en hadden zij te vaak zorg moeten dragen, den groet van nieuwe M'sche bekenden met wedergroeten te beantwoorden. Niettemin had het onderhoud geen oogenblik gekwijnd. Zooveel de gelegenheid het toeliet en met zorgvuldig vermijden van Lidewyde's naam (bij stilzwijgende overeenkomst was tusschen hen in de laatste dagen geene spraak van Lidewyde geweest), hadden zij als van ouds gekeuveld over tijd en toekomst. Toen de duisternis begon te vallen, waren zij den stroom der huiswaarts keerende wandelaars gevolgd en voor de deur van freule Bertha's woning had André, meteen vriendelijk: "Tot morgen!", hare hand eerst zacht gedrukt en daarna gekust.
—"Wat beteekent dat?... Van waar komt dat?... Wat zal nu volgen?... Hoe zou hij het verloren,... wie zou het hem ontnomen,... aan wie zou hij het gegeven hebben?... Ach, dat ik niet zien kan!... Floris, Floris, breng licht!"
In de meening, dat het pakje afkomstig was uit een magazijn, waar zij des ochtends eenige kleine emplettes had gedaan, had zij het gedachteloos met zich medegenomen naar hare kamer; en reeds was zij op het punt weder naar beneden te gaan en het aan freule Bertha gegeven woord gestand te doen, toen zij zich herinnerde, niet eenmaal inzage genomen te hebben van hetgeen de oude dame met zooveel trouwhartigheid voor haar in ontvang genomen had. Zonder licht naar boven geloopen, had zij, half op het gevoel, het pakje nedergelegd op hare schrijftafel; doch de gaslantaarn op de straat brandde helder genoeg om het haar weldra te doen terugvinden. Zij beproefde, of welligt de hand van schrijver of schrijfster op het adres haar de herkomst van het gezondene zou kunnen doen raden; want het pakje scheen van buiten de stad te komen, of was althans anders en zorgvuldiger gesloten dan met gewone, bezendingen uit winkels het geval pleegt te zijn. Doch het schrift was te fijn, en zij onderscheidde alleen de aanvangletters van haar eigen naam en voornaam. Eerst toen zij drie of vier malen haar schaartje gebruikt, het bindgaren doorgeknipt en het eene papier voor, het andere na verwijderd had, ontwaarde zij, dat die windselen alleen hadden moeten dienen om haar zoo lang mogelijk naar een klein rond voorwerp te doen zoeken, hetwelk nogmaals in een papier gewikkeld was. Zij betastte het, en ofschoon zij nog niet wist wat het was, begon haar hart eensklaps sneller te kloppen en bekroop haar een geheime angst. Zij zou gezworen hebben, dat het voorwerp, hetwelk zij in de hand hield, haar eenmaal in eigendom had toebehoord; dat zij het honderd malen had aanschouwd; het jaren achtereen, aan een fijn zwart koord bevestigd, om haren hals gedragen had. Doch hoe kon het medaljon, hetwelk zij eenige dagen geleden aan André had geschonken, en dat hij plegtig beloofd had, levenslang te zullen bewaren als een onderpand van hare liefde, zich eensklaps in dit pakje bevinden? Moedig verbande zij elke gedachte, welke op nieuw eene schaduw zou hebben kunnen werpen op André's karakter; en zelfs toen zij met bevende vingers het laatste papier, dat dunner en buigzamer was dan een der vorige, opengevouwen had; met onbedriegelijke zekerheid haar eigen geschenk herkende; als eene gejaagde het vertrek op en neder liep, om licht roepend en in hare radeloosheid de middelen niet vindend om het zich zelve te verschaffen,—zelfs toen geloofde zij nog aan eene dier duizend gunstige mogelijkheden, wier naam zelfbedrog of misverstand is.
Eindelijk vond zij op den schoorsteenmantel, achter eene candelabre, het porseleinen doosje dat tot bergplaats voor de lucifers diende. Den vorigen avond had zij het zelve daar nedergezet, en in elke andere omstandigheid zou zij het onmiddelijk teruggevonden hebben. Doch met het licht kwam wel de waarheid, maar niet de vrede. Aan de binnenzijde toch van het glanzig blad, waarin vaardige vingeren waren aangevangen het medaljon te vouwen, stonden in het Fransch eenige woorden geschreven, die naauwlijks voor tweederlei uitlegging vatbaar schenen te zijn. Reeds voor zij er in geslaagd was eene bougie te ontsteken, had de gladheid en fijnheid van dat papier Emma's aandacht getrokken; en meer nog dan zijne schitterend witte kleur of zijne satijnachtige oppervlakte, de verveinegeur die het verspreidde. Zij bedroog zich niet. Eau-de-verveine was Lidewyde's geliefkoosde parfumerie, en het fraaije blad papier was afkomstig uit Lidewyde's buvard. Ook had Lidewyde de moeite niet genomen, haar schrift, dat zeer elegant en tegelijk zeer eigenaardig was, onkenbaar te maken.Recueilli sur le cœurd'un charmant infidèle, luidden de fransche woorden, bestemd om naar het medaljon te verwijzen; en die woorden waren geschreven met dezelfde vaste en loopende hand als het briefje, waarin Lidewyde Emma verzocht had, Belvedere voor eene wijl met Soekabrenti te verwisselen. Emma bezat dat briefje nog. Het lag in hare schrijfportefeuille; en de overeenkomst van het eene handschrift met het andere maakte elk verder onderzoek overbodig. Ten overvloede prijkte Lidewyde's voorletter, gevat in het schild van een gestempeld fantasiewapen, bovenaan links op den brief zoowel, als op het nu ontvangen biljet.
Hoe overtuigend dit alles ook was, duurde het eene poos alvorens Emma zich van het aan haar gepleegd verraad ten volle bewust werd. Welk leed had zij ooit aan Lidewyde berokkend, dat Lidewyde haar aldus naar het hart stak? Wat kon het Lidewyde schelen, hoe het André's bruid verging, mits André haar toebehoorde?... Doch bij het doen dier laatste vraag, waarin tot tweemalen toe den naam van André voorkwam, overmeesterde haar op nieuw het gevoel der doodelijke zekerheid. Lidewyde moest zelve weten hoe zij haar gedrag verantwoorden kon. Zij, Emma, was daarvoor niet aansprakelijk. Van zulke vrouwen en zulke hartstogten kon zij zich geene voorstelling vormen. Doch hoe kwam Lidewyde in het bezit van André's medaljon? Emma kon niet gelooven dat hij het haar geschonken zou hebben. Het lag niet in zijnen aard, meende zij, opzettelijk trouweloos te zijn; en daarin oordeelde zij juist. Doch wat lag dan wèl in zijnen aard? Nog den vorigen dag had hij haar verhaald, welken hoogen prijs hij stelde op het hem dien zekeren ochtend door haar geschonken verzoeningsteeken; hoe weldadig het hem had aangedaan, aldus door haar bejegend te zijn; dat zij de teederste en de edelmoedigste van alle bruiden was, en hij haar medaljon nacht en dag op zijne borst droeg. En zij, toen hij haar edelmoedig genoemd en daardoor zijdelings bekend had, dat door hem aanleiding was gegeven tot het gerezen misverstand, zij had niet voor hem willen onderdoen in openhartigheid, maar had het geheim der aan zijn oog onttrokken teekening,—met welk een ijver en welk eene droefheid zij had zitten arbeiden aan hare aquarel; hoe zij daarbij gestadig aan hem gedacht, en welke noodlottige voorstellingen hare fantasie aan de donkerroode kleur der al de andere rozen overschaduwende François Premier verbonden had,—eerlijk opgebiecht. Was er dan wel een naam te vinden voor André's gedrag? Slechts op ééne wijze was het medaljon uit zijn bezit in dat van Lidewyde kunnen overgaan, en wanneer Emma bedacht, wat daartoe noodig was geweest, verkreeg de eerste indruk weder de bovenhand en ontsnapte haar op nieuw de kreet waarmede zij Lidewyde's briefje van zich af- en op den grond geworpen had: "Afschuwelijk!"
Zij was te lang boven gebleven om geheel en al zonder verontschuldiging in de tegenwoordigheid van freule Bertha te kunnen verschijnen; doch indien zij slechts eenmaal beneden was, meende zij, zou haar wel het een of ander invallen tot verklaring van haar gedrag. Intusschen was het in den gang, dien zij volgen moest om den trap te bereiken, geheel en al duister geworden; en ten einde niet te struikelen, of zich niet aan de ouderwetsche gebeeldhouwde linnenkast te stooten, wier vooruitspringende voet schier de helft van het portaal besloeg, nam zij den kandelaar mede, bij wiens schijnsel zij Lidewyde's schrift ontcijferd had. Bij het afgaan van den trap viel, door het wankelen van haren tred, een groote droppel was op de bovenzijde van hare hand; doch zij bemerkte dit eerst, toen het heete vocht reeds gestolten en strak geworden was.
Hoe zwak freule Bertha's oogen bij avond ook waren, zij bespeurde weldra aan Emma's voorkomen, en begreep uit het onwaarschijnlijke der door haar aangevoerde redenen, dat haar iets ongewoons en onaangenaams was wedervaren. Zoo lang evenwel Emma haar daaromtrent geene opheldering gaf, meende zij den schijn te moeten aannemen, alsof zij zonder bevreemding de aangekondigde vijf minuten zich had zien verlengen tot een uur. Om te toonen hoe gevoelig zij voor die bescheidenheid was, nam Emma het boek ter hand, waaruit zij beloofd had, de freule te zullen voorlezen. De eerste bladzijde ging goed, de tweede dragelijk. Doch van lieverlede werd hare stem onvaster, en toen zij de derde bladzijde nog ten einde brengen moest, snikte zij zoo luid en zoo hartstogtelijk, dat hare hoorderes de schepen der diskretie moedig in brand stak.
—"Kom hier, lief kind," zeide freule Bertha, de armen naar haar uitbreidend, "kom hier en zeg mij wat u kwelt."
Alles kon Emma de oude dame niet mededeelen; ten minste niet op eenmaal. En dat wilde zij ook niet. Er viel, ten bate van André, een wanhopige schijn te bewaren, en aan die verpligting mogt niet te kort gedaan worden. Doch wat het ongelukkige meisje ook achterhield en de brave freule ook raden moest,—toen zij elkander "goeden nacht" kusten, geloofde geen van beiden dat die wensch in vervulling zou gaan. Wakker liggen; de trage uren tellen; zich nu het een dan het ander in het hoofd halen; het gelaat in de kussens verbergen met het stellige voornemen om te gaan slapen; geene minuut later weder overeind zitten om nogmaals en vruchteloos een nieuw antwoord op de oude vragen te zoeken; het aanbreken van den dag verbeiden, en nogtans weten, dat ook het rijzend licht niet in staat zal zijn de benaauwde schaduwen te verdrijven,—zoo zal het wezen, dacht de vrouw van leeftijd; daarop zal het nederkomen, voorspelde zich het jonge meisje. En met een hart vol zorgen,—vlijmende zorgen, waarmede hier beneden alleen de vriendschap en de liefde teisteren,—begaven beiden zich naar hare slaapkamers.
Sommige nachten zijn zoo droog als deNoctes Haganaevan onverschillig welken rector der latijnsche scholen in het 's Gravenhage der 18deeeuw; andere zoo amusant als deFlorentinischevan dokter Ruardi's lievelingsauteur. Doch zoo min in het leven als in de litteratuur is alles òf grappig òf vervelend. In beiden doet ook de weemoed zijne regten gelden; en het is voor de bedroefden,—voor hen en voor haar die in Emma's geval verkeeren, toen zelfs de ten hemel geslagen blik van hetEcce Home-beeld, waarop in het fantastisch uur haar slapeloos oog zich vestigde, geen antwoord gaf op de vraag, waarom André haar bedrogen had,—voor haar en voor hen is het, dat Musset in eene zijnerNuitsdie strofe vol zuchten en tranen gedicht heeft:
Partout où j'ai voulu dormir,Partout où j'ai voulu mourir,Partout où j'ai touché la terre,Sur ma route est venu s'asseoirUn malheureux vêtu de noirQui me regardait comme un frère.
Dat lied der eenzaamheid, Emma zou het dien nacht gezongen hebben, indien elke andere aandrift voor haar op dat oogenblik niet natuurlijker geweest dan die tot zingen. Zij dacht aan niets als aan hare laatste wandeling met André in het Park. Wie haar toen had willen diets maken dat de man, in wiens arm de hare rustte, weinige uren later door eene andere vrouw zou worden verwelkomd,—zij had hem een lasteraar genoemd. Ware de onbescheidene zelfzuchtig genoeg geweest, door het aanvoeren van bewijzen zich te willen zuiveren van die blaam,—de minste menschen kunnen het denkbeeld verdragen, voor logenaars te worden aangezien, en wanneer zij kiezen moeten tusschen hunne eigene rechtvaardiging en uwe smart vergeten zij ligt de voorschriften der edelmoedigheid,—niet-alleen zou zij uit kieschheid geweigerd hebben toe te luisteren, maar de aantijging zou bij haar zijn afgestuit op een stalen ongeloof. Hoe jammerlijk was haar vertrouwen beschaamd geworden! Hetgeen toen monsterachtig zou geluid hebben, was nu eene werkelijkheid. Zij waakte, zij schreide, zij bad, zij bracht de handen aan hare slapen om niet waanzinnig te worden van verdriet,—terwijl Lidewyde's vingeren met de lokken van haren bruidegom speelden.
—"Vroeg dag geweest van ochtend," zeide freule Bertha's koetsier tot den ouden Floris, die nevens hem op den bok zat.
Floris antwoordde niet.
—"Vroeg dag geweest," herhaalde Hendrik, niet gewoon vóór twaalven te rijden, doch heden, ofschoon het uur van negenen nog slaan moest, reeds voor de tweede maal achter de paarden, eerst om Emma naar den spoortrein, daarna om freule Bertha-zelve naar Soekabrenti te brengen.
—"De jufvrouw zag er erg ontdaan uit," ging Hendrik voort, vast besloten Floris aan de praat te krijgen.
—"Hendrik," antwoordde Floris in het eind, niet willende dat zijn kameraad, door geheel en al onkundig te blijven, misschien achteraf nog veel onbeteugelder zou gaan babbelen, dan hij ongetwijfeld nu reeds doen zou, "er is in de familie van jufvrouw Emma eene treurige omstandigheid voorgevallen, zoodat de jufvrouw op stel en sprong naar huis moest; en de freule heeft beloofd, daarvan onmiddelijk mededeeling te zullen gaan doen aan mevrouw Dijk, met verzoek, er mijnheer André op te willen voorbereiden. Daarom zijn we van daag zoo in de vroegte. Pas gister-avond laat is de tijding ontvangen. Ik heb zelf den brief binnen gebragt."
—"Dat je den brief zelf hebt binnen gebragt," zeide Hendrik, dankbaar maar onvoldaan, "zal ik niet tegenspreken, want ik ben er niet bij geweest; maar ik vind het casueel, zoo als Jakob van den dokter om het andere woord pleegt te zeggen, dat wij om die reden op dit uur naar Soekabrenti moeten."
—"Ik heb je al meer gezegd, Hendrik," antwoordde Floris, die den aanval op het korps der vesting trachtte te ontwijken, door uit een der afgelegen buitenwerken een uitval te beproeven, "dat je verkeerd handelt door de kennis met dien Jakob aan te houden. Ik houd hem voor een gemeenen kerel."
—"Dat's tot je dienst," zeide Hendrik. "Je bent de eenige niet, die zoo over hem denkt; en als je niet te oud waart om zondagsavonds in het Fonteintje te komen dansen, zou je misschien nog wel erger over hem gaan denken."
—"Al kon ik er morgen twintig jaar mede worden," viel Floris hem driftig in de reden, "ik zou geen voet in jelui vervl—Fonteintje willen zetten. Dat je er zelf komt, laat ik daar; je bent jong gezel en de jeugd moet 'er tijd hebben, zeggen de menschen; ofschoon datmijnleernietis. Maar dat de vader van een huis vol kinderen zulke plaatsen bezoekt, is schande; en daar je meê verkeert, wordt je meê geëerd."
—"Dat wordt je," antwoordde Hendrik, met de oogen knippend, "en dat is de reden, zeggen ze, dat jufvrouw Emma niet langer verkeeren wil met mijnheer André. Of heb ik het mis?"
Floris zag hem verbijsterd aan. Tot zijn leedwezen bemerkte hij, dat de koetsier hem niet zoozeer uitgehoord had ten einde iets nieuws, maar alleen om van hem de bevestiging te vernemen van hetgeen hij reeds wist of op goede gronden giste. Het was nu evenwel geen tijd om Hendrik zoo ernstig onder handen te nemen als de zaak het verdiende. Daar reden zij de laan van Soekabrenti op, Floris moest bij de hand zijn om het portier te openen voor freule Bertha.
-"Zoodat gij niet voornemens zijt het bedreven kwaad op eenigerlei wijze goed te maken?" vroeg freule Bertha oprijzend, nadat zij een uur lang vruchteloos beproefd had Lidewyde òf eene bekentenis, òf eene toezegging te ontlokken.
Lidewyde was op dit of een dergelijk bezoek voorbereid geweest, en de gevoelens der oude dame waren haar te gemeenzaam bekend, dan dat zij langen tijd naar hare antwoorden zou hebben behoeven te zoeken. Bij tusschenpoozen evenwel, en ook nu weder, hield zij zich, alsof freule Bertha's vragen met de meeste naauwgezetheid door haar overwogen werden. In stede van het voorbeeld harer bezoekster te volgen en insgelijks op te rijzen, bleef zij zitten leunen in haar fauteuil, en zeide op nadenkenden toon, als iemand, die er in het minst geen belang bij heeft een aangevangen onderhoud vóór den tijd af te breken:
—"Neen, freule, ik ben inderdaad niet voornemens iets te doen van hetgeen gij bedoelt. Dat zou geene houding hebben en tot niets leiden. Doch ik herhaal wat ik daareven zeide: indien tusschen ons omtrent deze zaak eenig misverstand bestaat,—en ik erken, dat dit het geval is,—komt het alleen hieruit voort, dat dezelfde gebeurtenis door u als een kwaad wordt aangemerkt, en door mij niet zoozeer. Is het een kwaad, dat Emma eenige tranen stort? Dat hare ouders en die van André eene teleurstelling ondervinden? Ik kan het niet inzien. Spiegelen wij ons aan de natuur, die den mensch geene enkele smart bespaart, en laat ons niet wijzer willen zijn dan zij!"
—"Dat zijn drogredenen, Lidewyde, door u aangegrepen met het oogmerk om uwen misstap te vergoêlijken. Hoe kunt gij uwe handelwijze natuurlijk noemen? Is het natuurlijk, dat gij uwen man en uwe vrienden bedriegt? Dat gij droefheid brengt over het hoofd van personen, die, zooals Emma's ouders, u nooit het geringste leed berokkend hebben? Ik ken een anderen naam voor dergelijke handelingen."
—"Gij verstaat mij verkeerd, freule, en de beteekenis, die door ons aan dezelfde woorden gehecht wordt, verschilt. Men spreekt van oorlog, van pest, van hongersnood; doch neem nu eens het alle dagen zich herhalend verschijnsel van het sterven; neem de verpligting, waaronder een onnoemlijk aantal menschen liggen om te moeten werken voor hun brood. De een moet, om aan den kost te komen, veertien uren daags den vernederendsten arbeid verrigten, de ander zijne aangeboren talenten begraven, een derde zijn geweten verkrachten of zijne overtuiging verkoopen. Doch zoo is de wereld nu eenmaal zamengesteld."
—"Ik weet niet, Lidewyde, wat gij met dergelijke redeneringen bedoelt. Voorheen spraakt gij anders, en ik zou nooit gedacht hebben, dat het u in die mate aan gemoed ontbrak. Wat mij betreft, ik ben met geen ander oogmerk hier gekomen als om u te verzoeken, gebruik te maken van uwen invloed op André. Weigert gij mij die dienst, dan heb ik verder niets te zeggen."
—"Altoos hetzelfde misverstand, freule! Gij kondt even goed van mij verlangen, dat ik een einde maken zal aan de dienstbaarheid van mijn koetsier of aan de afhankelijke positie van Sarah. Ik heb dat niet in mijne magt. En al kon ik iets dergelijks uitwerken, dan nog zou ik van oordeel zijn, dat Emma's verdriet niet in de eerste plaats in aanmerking komt. Sarah is in mijne oogen veel ongelukkiger dan Emma, en het ongelukkigst van al vind ik Marcelis. Niets is onwaarschijnlijker, niet waar? dan dat Marcelis te eeniger tijd in beter doen komen zal; nogtans moet hij van den ochtend tot den avond tuigen poetsen, rijtuigen schoonmaken en op den bok zitten. Doch houd mij de aanmerking ten goede,—het behoort tot de zwakke zijde van uwe filanthropie, voorzulketragediën geen oog te hebben."
—"Ik erken," zeide de freule, met een bitteren glimlach, "dat uwe filanthropie geen gevaar loopt, voor zwak te worden aangezien. Foei, Lidewyde, hoe kunt gij er behagen in scheppen, u zoo geheel anders voor te doen als gij zijt? Op uwe christelijke barmhartigheid zal ik mij niet beroepen: gij zoudt in staat zijn mij uit te lagchen. Maar ik kan niet gelooven dat gij enkel als vrouw, hoe hardvochtig de behaagzucht u moge gemaakt hebben, geene deernis gevoelen zoudt met een meisje in Emma's toestand."
—"Toch wel, freule. Ik ben niet overtuigd dat uwe barmhartigheid eene deugd is, in den zin van eene kracht. En nu gij van christelijk spreekt, grijp ik de gelegenheid aan om u ronduit te zeggen, dat ik mij hoe langer hoe minder in uwe denkwijze te huis gevoel."
—"Die mededeeling kondt gij sparen. Ik geloof niet, dat uwe antipathie mijne denkwijze tot schande strekt."
—"Meen niet, freule, dat mijn oogmerk is, u persoonlijk te grieven; mijn toeleg is veeleer u een kompliment te maken. Doch laat mij u mogen vragen, of de christelijke godsdienst niet bij uitsluiting geschikt is om over het vreugdeloos bestaan van personen zeker waas van poëzie te werpen? U houd ik voor eene voorbeeldige christin, en van Emma zal, naar ik voorzie, over dertig of veertig jaren, hetzelfde kunnen gezegd worden; doch is het christendom eigenlijk wel voor iets anders bestemd, als om—ik spreek niet van uzelve—vrouwen die in het geval verkeeren, waarin Emma dan verkeeren zal, te verzoenen met haar lot? Mijne bedoeling met die vraag is natuurlijk niet de waarde van uw geloof te verkleinen,—daarvoor is het aantal der gekontrariëerde vrouwenlevens te groot,—maar alleen u duidelijk te maken, dat voor mij geene reden bestaat, om, in strijd met mijn beter oordeel, gevolg te geven aan uw beroep."
—"Mijn geloof, Lidewyde, staat te hoog om door uwen schimp getroffen te kunnen worden, en ook zonder dat ik het behoef te regtvaardigen, veroordeelt het u. Wat mij veroordeelt en beschaamd doet staan, is, dat ik u zoo lang gekend heb zonder u te doorzien. Op mijne knieën zal ik om vergiffenis voor die kortzigtigheid smeeken tot denzelfden Heer, die Zijn aangezigt van u afgewend en u overgegeven heeft aan uwe verdorvenheid. Ook voor u zal ik tot Hem bidden, want Hij is magtig genoeg om zelfs steenen harten te kunnen verbrijzelen. Wordt mijn gebed verhoord, dan ziet gij mij weder; eer niet. Er bestaat van dit oogenblik af geenerlei betrekking meer tusschen ons. Wees de heidin van uwe keus, indien gij dat voor uw geweten verantwoorden kunt; doch zoo eene vrijdenkster te zijn voor u beteekent geen hart en alleen driften te hebben, verboden minnarijen te onderhouden, den naam te onteeren van den man aan wien gij duizend verpligtingen hebt, jongelieden in het verderf te storten en ouden van dagen in het aangezigt te slaan,—zoo dat de vrucht is dier hoogere beschaving, waartoe gij beweert opgeklommen te zijn, weet dan dat mijn bijgeloof en mijne wanbegrippen te fier zijn om zich af te geven met uwe wijsheid."
—"Freule Bertha! Freule Bertha!" riep Lidewyde, eindelijk oprijzend, toen de freule haar niet zonder digniteit den rug toekeerde en het vertrek wilde verlaten.
—"Wat is het, Lidewyde?" vroeg zij, het hoofd naar haar omwendend en haar aanziende met een bestraffenden blik.
Gelukkig voor haar en voor hare waardigheid verried niets in dien blik de schemering van hoop, die Lidewyde's roepen in haar binnenste had doen opflikkeren. Wel ver toch dat Lidewyde haar als eene berouwvolle zondares te gemoet zou gegaan zijn, of voor het minst eenig leedgevoel zou getoond hebben over hare onbeschaamdheid, ontving zij van haar een laatsten slag door de wedervraag:
—"Ik wenschte van u te vernemen, freule, wat ik, nu Emma vertrokken is, aanvangen zal met André?"
De persoon, wiens naam in het voorgaand hoofdstuk het laatst genoemd is, droeg van datgene, waarin hij zelf zoo van nabij betrokken was, nog geene kennis. Hij was een ochtendzwerftogt gaan doen, doch niet in de rigting der stad; anders zouden freule Bertha en hij elkander misschien tegengekomen zijn, hij te voet en zij in haar rijtuig, en zou die vroege togt der oude dame naar Soekabrenti hem welligt op het denkbeeld gebragt hebben van iets buitengewoons. In weinige dagen toch was het reeds zoo ver met hem gekomen, dat, zonder dergelijke uitwendige aanleiding, de toestand van aan waanzin of dronkenschap grenzende verblinding, waarin hij verkeerde, hem niet meer helder worden kon. Doch de diepe sluimer van zijn geweten werd door geene enkele ontmoeting gestoord; hij volbragt zijne wandeling, gelijk hij dat gisteren of eergisteren gedaan zou hebben; droeg zorg den terugtogt dus te nemen, dat hij van de andere zijde de stad weder binnenkomen kon, en schelde omstreeks hetzelfde uur, waarop hij meermalen in het voorbijgaan een bezoek aan Emma gebragt had, aan de woning van freule Bertha.
—"Vertrokken?" vroeg hij, met de uiterste verbazing, toen Floris hem aangediend had en hij bij de vrouw des huizes toegelaten was. "Is Emma vertrokken? Waarom? Waarheen? Hoezoo? Heeft zij geene boodschap voor mij achtergelaten? Geen briefje? Kon zij niet gewacht hebben totdat ik met haar gesproken had?"
—"Mijnheer Kortenaer," antwoordde freule Bertha, wier gevoelig hart tegen dezen toon met kracht in opstand kwam, "indien gij tegenwoordig waart geweest bij het onderhoud dat ik een uur geleden met mevrouw Dijk gehad heb, zoudt gij op dit oogenblik niet tegenover mij zitten. Of heeft een regtvaardig God ook uw hart verstokt, even als dat van Lidewyde? Eene boodschap voor u, of een briefje van haarzelve, heeft Emma niet voor u achtergelaten, neen; doch ziehier hetgeen door eene verraderlijke en onreine hand haar gisteren toegezonden is."
De freule opende hare schrijfcassette, die nevens haar op de tafel stond, en reikte André het medaljon over, met het daarbij behoorend biljet van Lidewyde. Emma had eerst niet gewild, dat zij die voorwerpen behouden zou, doch was geëindigd met toe te geven.
André herkende aanstonds, even als Emma gedaan had, de hand van Lidewyde. Hij herkende ook het medaljon met het fijne zwartzijden koord. Ten overvloede bragt hij werktuigelijk de hand aan zijne borst, ten einde zich te vergewissen dat het door Emma achtergelaten voorwerp inderdaad hetzelfde was dat hij in de laatste dagen getrouwelijk om den hals gedragen had. Gisteren nog, herinnerde hij zich, of anders eergisteren, was het medaljon op de gewone plaats bevestigd geweest; doch het was verdwenen, en thans hield hij het, daar viel niet aan te twijfelen, in zijne hand. Hij bezag het eene wijl aan de voor- en achterzijde, nam toen het papier nog eens op, waarin het gewikkeld was geweest, en herlas met aandacht de daarop door Lidewyde gestelde woorden.
Doch meent men dat òf de aanblik der achtenswaardige vrouw tegenover hem, òf het overtuigend bewijs der onverantwoordelijkste handelwijze, waarop zijn oog thans rustte, hem verlegen maakte? In geene deele. Misschien is het jammer, maar het is zoo, dat de stem van het geweten en de vrees voor het vonnis der wereld luider bij ons spreken, wanneer onze verkeerde neigingen om zoo te zeggen nog in de periode der kindsheid verkeeren, dan wanneer zij reeds zekeren graad van consistentie verkregen hebben; zoodat twee van onze beste schutsvrouwen tegen de verleiding, helaas, magteloozer worden, naarmate wij dringender behoefte zouden hebben aan hare bescherming. André's hartstogt voor Lidewyde was te sterk en tevens te onzuiver, dan dat freule Bertha's welmeenend bedoelde ontmaskering een noemenswaardigen indruk op hem zou hebben gemaakt.
—"Is uw wensch, freule, dat ik deze voorwerpen bij mij steken en medenemen zal?" vroeg hij, zijn zakportefeuille voor den dag halend.
—"Neen, mijnheer; mijn wensch is integendeel, dat gij ze mij onmiddelijk teruggeven zult. Althans, zoodra gij u met eigen oogen overtuigd zult hebben van uwe trouweloosheid. Foei, mijnheer Kortenaer, ik zou u niet in staat hebben geacht tot eene zoo laaghartige handelwijze!"
Met eene zwijgende buiging reikte hij freule Bertha het medaljon en het briefje over, greep zijnen hoed, en verliet, met eene aan fierheid grenzende koelbloedigheid, het huis, waaruit Emma door hem verjaagd was.
Hij vond het vervelend, ja, dat eene oude jonge jufvrouw, die hij daarenboven voor eene langtong hield, nu kennis droeg van zijne hartsgeheimen. Klapte zij uit de school, dan zou hem dit in sommige moeijelijkheden kunnen wikkelen. Die gedachte deed hem evenwel niet blozen of verschrikken, maar alleen de wenkbraauwen fronsen; en weinig scheelde het, of van ongeduld had hij op de openbare straat met den voet gestampt. Doch verder ging voorshands zijne bezorgdheid niet. Stond het Lidewyde fraai, achter zijnen rug het leven der goede Emma te verbitteren? O neen. Door den teugel te vieren aan hare antipathie, had Lidewyde eene verhouding onmogelijk gemaakt, die hij, wat hem betrof, gaarne zoo lang mogelijk zou hebben zien voortduren. Doch aan den anderen kant streelde het in de hoogste mate zijne gevoeligheid, dat Lidewyde prijs stelde op het onverdeeld bezit van zijn persoon. Dit was een triomf waarvan hij weinige dagen geleden zelfs niet zou hebben durven droomen. Daarbij kwam dat Lidewyde, in de zaak van het medaljon, hem toescheen meer uit onwetendheid dan met opzet gezondigd te hebben. Zij kon niet weten, dat Emma aan dat kleine voorwerp eene zoo groote waarde hechtte. Hijzelf althans kon zich alleen herinneren haar gezegd te hebben, doch zonder meer, dat het medaljon van Emma afkomstig was. Er was derhalve geene boosaardigheid in het spel geweest, maar er had een noodlottige zamenloop van omstandigheden plaats gehad.
Evenwel, er moest nu in sommige opzigten raad geschaft worden. Met zijn engagement was het gedaan, dat sprak van zelf. Emma,—daaromtrent maakte hij zich geene hersenschimmen,—Emma had eene soort van onafhankelijkheid over zich, die het gemakkelijker was te vertreden dan te buigen. Hare ouders zouden in geen geval gedoogen, dat hij òf hen, òf haar immer weder onder de oogen kwam. Ook zijne eigen ouders kwamen in aanmerking. Zij moesten niet in de waan kunnen verkeeren, dat hij den verkeerden weg was opgegaan, even als zijn broeder Lodewijk, die gestolen had; hetgeen geheel iets anders was. Vooral zijn vader, die hem steeds een goed hart had toegedragen en van wien hij veel vriendschap ondervonden had, moest weten, dat de schuld slechts gedeeltelijk aan hem, André, lag, en dat, al had zijn engagement nog eene poos geduurd, en al was hij ten slotte met Emma getrouwd, Emma toch nimmer eene geschikte vrouw voor hem zou geweest zijn. Hij zou onmiddelijk werk maken van een uitvoerigen brief naar huis, waarin hij een en ander duidelijk uiteenzetten zou.
En wat zou de wereld zeggen, indien het uitkwam dat het afspringen van zijn huwelijk met Emma het gevolg was van zijnen hartstogt voor Lidewyde? Men zou er zoogenaamd schande van spreken, dat hij een lief en onschuldig jong meisje opofferde of aan eene getrouwde vrouw. Doch wat bekommerde hij zich daarom? Lidewyde's liefde was hem genoeg, en voor Lidewyde's rust vreesde hij niet. Zij was te gevat en te vindingrijk, dan dat zij de openbare meening niet gemakkelijk op een dwaalspoor zou weten te brengen; en al gelukte haar dit niet, zoodat het geheim hunner betrekking verraden werd, ja zelfs al zou eene openbare breuk met een ondragelijk echtgenoot het gevolg daarvan zijn,—welnu, die scheiding zou haar vrij en hem, André, tot den gelukkigste der stervelingen maken.
Toen hij tot zoover met zijne overdenkingen gevorderd was, had zijn weg door de stad hem naar de Groote Markt gevoerd, waar de omnibussen naar Zeeburg afreden. Juist sloeg de klok van het stadhuis twaalf ure, en de schetterende trompet van een kondukteur kondigde aan, dat een der voor het Badhuis bestemde wagens zich in beweging zou gaan zetten.
"Door thans naar Soekabrenti terug te keeren," zeide hij bij zich zelven, "zou ik daar zoo goed als zeker te gelijk met Dijk aankomen, of in geen geval vroeg genoeg om rustig met Lidewyde te kunnen spreken. Ook moet ik eerst nog eens bij mij zelven overleggen, hoe ik dien brief aan den ouden heer inkleeden zal. Weet gij wat? Ik zal te Zeeburg gaan ontbijten. Dat zal mij goed doen. Eerst een bad, dan wat eten, dan met de eerstvolgende omnibus naar de stad terug,—zoodoende ontloop ik Dijk, vind Lidewyde alleen, heb eene explikatie met haar, en regel daarnaar mijn brief."
Er was overvloed van plaats in de omnibus, en de enkele passagiers, in wier gezelschap hij den rid naar Zeeburg maakte, schenen even weinig lust te hebben om met hem in gesprek te komen als hij met hen. Ook de groote zaal van het Badhuis vond hij bij zijne aankomst bijna verlaten. De meeste badgasten waren reeds vroeger te water geweest en deden nu een dutje in hunne slaapkamers, of kleedden zich om in den namiddag naar de stad te gaan. Hij bestelde vooruit een ontbijt, kocht een kaartje en begaf zich naar het strand. De heeren en dames, die hij daar nog aantrof, boezemden hem weinig belangstelling in. Het waren gewone badgasten van beiderlei geslacht, de mannen met schotsche plaids om de schouders, de vrouwen blootshoofds en met loshangende haren. Bekende aangezigten ontmoette hij niet. Ook in de babbelkoetsen op het terras had hij in het voorbijgaan niemand opgemerkt, dien hij zich herinneren kon gedurende zijn verblijf te M. wel eens gezien of gesproken te hebben. Men waarschuwde hem dat eene badkoets beschikbaar was; meer verlangde hij op dit oogenblik niet.
Le bain creuse, zeggen de Franschen; en wie André, na afloop van het zijne, in een hoekje der groote zaal had zien ontbijten, zou zich in zijn geloof aan de juistheid van dat gezegde niet geschokt gevoeld hebben. Nogtans was de graagte, waarmede hij zijne koffij verorberde en zijne lamskoteletten at, niet uitsluitend van stoffelijken oorsprong, maar tegelijk een symbool van hetgeen in hem omging. Dezelfde golven, dacht hij, waarin hij daareven geplast en zich alle vooroordeelen van het lijf, alle muizennesten uit de haren gespoeld had, hadden menigmaal ook de schoone ledematen van Lidewyde overstelpt. Lidewyde in het bad; Lidewyde nederduikend in het bruischend water of de brekende golf opvangend met haren schouder,—die voorstelling verschafte aan zijne fantasie niet minder en geen onaangenamer werk dan de aangerigte disch aan zijn verhemelte. Dat zulk eene vrouw, zoo schoon en zoo schrander, haar goeden naam in zijne hand gesteld had; dat hij alles van haar gedaan kon krijgen; dat zij zoover ging van zich naijverig te toonen op hare eigen heerschappij over hem,—die wetenschap was bijna grooter weelde dan hij dragen kon. In zijne opgewondenheid riep hij den knecht en bestelde eene halve flesch sherry.
—"Een glas sherry? Asjeblieft, mijnheer!"
—"Verstaat gij mij niet? Ik vroeg een halve flesch."
—"Asjeblieft, mijnheer!"
Sedert dien namiddag, dat hij met Dijk ontbeten en daarna in spijt van Sarah's waakzaamheid binnengedrongen was in zekere vertrekken, had een glas wijn hem zoo goed niet gesmaakt. Hij dronk een tweede en derde glas. Bij het vierde knipte hij met het linkeroog, bragt het vonkelend goudkleurig vocht aan zijn regter, liet het licht er in spelen, en zou lust gevoeld hebben een toast in te stellen op zijnen oom, den oud-minister, die hem met Lidewyde in kennis had gebragt.
Doch wiens stem weêrklonk daar in het galmend voorhuis, wie trad de zaal binnen en vroeg overluid aan den kellner, of hij mijnheer Z. (een der badgasten) voor eene wijl geen belet doen zou? Ja waarlijk, hij was het! Niet oom Timmermans, hetgeen in hooge mate onwaarschijnlijk geweest zou zijn, maar dokter Ruardi, wat niemand verwonderen kon en alleen op dit uur tot de zeldzaamheden behoorde; dokter Ruardi, die op het zien van André eensklaps al zijne opgeruimdheid scheen te verliezen en over wiens welwillend gelaat zich plotseling eene uitdrukking van haat en wraakzucht verspreidde, gelijk men aan onze noorderstranden en bij onze meer flegmatieke landgenooten slechts zelden in de gelegenheid is waar te nemen.
André's goede luim daarentegen steeg, toen hij den dokter herkende, nog hooger dan te voren. In een oogwenk was hij opgerezen, maakte zich met eene bewonderenswaardige gemakkelijkheid meester van den ongenaakbaren Ruardi, troonde hem met zich mede naar zijn tafeltje, deed alsof 's dokters onwil in het geheel niet door hem werd opgemerkt, en legde over deze ontmoeting eene in den aangenamen zin des woords zoo contagieuse blijdschap aan den dag, dat men met alle goede manieren gebroken zou moeten hebben om zijne demonstratien van ingenomenheid niet voor het minst met een schijn van vriendschap te beantwoorden. Het kostte Ruardi te minder inspanning dien glimp aan te nemen, omdat, indien André zijne redenen had om aldus openlijk over hem te triomferen, hij de zijne meende te hebben om te gelooven dat André's uitgelatenheid van korten duur zou zijn.
—"Dokter," zeide André op emfatischen toon, als moest de feestdronk, dien hij daareven zou hebben willen instellen, hem thans onder een anderen vorm van het hart, "het doet mij onbeschrijfelijk veel genoegen, uw aangezigt te aanschouwen. Mag ik u een glas wijn aanbieden? Jan, een glas!"
—"Waarlijk niet, mijnheer Kortenaer. Het maderaklokje heeft voor mij nog niet geslagen."
—"Zoo als gij wilt, dokter. Op eene verpligting meer of minder, komt het niet aan. De mijne aan u zijn talloos. Nimmer, dat zweer ik, zal ik vergeten wat gij voor mij geweest zijt en gedaan hebt. Wanneer ik betuig in u een ouderen broeder en te gelijk een voortreffelijk leermeester gevonden te hebben, zeg ik inderdaad niet te veel. Op uwe gezondheid, dokter, en dat gij voort moogt gaan eenig genoegen aan mij te beleven!"
—"Laat ons minder luid spreken, mijnheer Kortenaer," fluisterde de dokter. "Wij hebben wel geene geheimen te verhandelen, maar het zou niettemin kunnen gebeuren, dat personen, wien onze zaken niet aangaan, ons beluisterden. Gij houdt mij die opmerking ten goede, niet waar? Een medicus moet zich op publieke plaatsen somtijds meer in acht nemen dan hem lief is."
—"Ik begrijp u volkomen, dokter," antwoordde André, eenige oktaven lager dan daareven, doch met dezelfde hartelijkheid. "Het is alleen de medicus in u, die zoo spreekt. Als mensch zou het u slechts tot de hoogste eer kunnen verstrekken, indien de geheele wereld u beluisterde. Herinnert ge u ons eerste gesprek, daags nadat Adriaan Dijk de goedheid had gehad mij aan u voor te stellen? Zoo in eenig oogenblik van mijn leven eene onzigtbare hand in mijne ziel de kiem gelegd heeft van een ander en hooger bestaan, is het dien onvergetelijken dag geweest."
—"Gij schertst, mijnheer Kortenaer!"
—"Toch niet, dokter. Voorheen geloofde ik niet aan den invloed van priesters op mannen, en wanneer ik op de straat, of buiten, een predikant ontmoette, nam ik den hoed af en dacht bij mijzelven: "Geef kinderen zoeten koek, en vrouwen zoeten most." Doch sedert mijn gelukkig gesternte mij naar M. gevoerd en met u in aanraking heeft gebragt, ben ik van dat vooroordeel voor goed teruggekomen. Gij ziet in mij den katechumeen, die er in roemt en er zich op verhoovaardigt, van u zijne wijding ontvangen te hebben."
—"Uwe uitdrukkingen zijn zoo dichterlijk, mijnheer Kortenaer, dat ik met den lakonieksten der staatslieden, toen een poëet hem zijne politieke beschouwingen voordroeg, zou wenschen te zeggen: "Ik bid u, mijnheer, laat ons op de aarde blijven!" Waarlijk, gij overdrijft schromelijk de geringe diensten die ik u mag bewezen hebben. Zijn mijne inzigten naar uwen smaak, het is mij aangenaam; doch houd in het oog, dat de eenige denkbeelden, waarmede men in deze wereld verder komt, die zijn, waarvan men zelf de uitvinder is."
—"Hetgeen gij daar zegt, dokter, is weder zoo fijn gedacht en zoo keurig uitgedrukt, dat mijne ingenomenheid met u er volkomen door geregtvaardigd wordt. Vrees echter niet, dat gij in mij met een dier onwaardige discipelen te doen hebt, die hunnen meester slechts napraten."
—"Waarde heer," zeide Ruardi, die nu zijne contenance niet meer verloor, "niemand kan omtrent uwe originaliteit een gunstiger meening koesteren dan ik; en tenzij er ook eene oorspronkelijkheid gevonden wordt, die zich vergenoegt met nalezingen te houden,—hetgeen met zichzelf in tegenspraak zou zijn,—weet ik inderdaad niet hoe men billijkerwijze op het denkbeeld zou kunnen komen, u van gebrek aan zelfstandigheid te beschuldigen."
—"Ten opzigte van uw onderwijs althans, dokter, zou die aantijging onverdiend zijn," antwoordde André. "Want het is juist omtrent eene van uwe treffendste uitspraken, dat ik mij hij nader inzien verstout heb, met u van meening te gaan verschillen. Herinnert gij u?... Maar gij, die dagelijks zulke gesprekken voert, en, waar het op geestige en welsprekende aforismen aankomt, u de weelde moogt veroorloven eenenfant prodiguete zijn..."
-"Nog eens, mijnheer Kortenaer, gij vergeet dat het voorwerp van uwen lof tegenover u zit. Hoe zou de kellner mij uitlagchen, indien hij de vlugt van uwe oden volgen kon! Gelukkig voor mij dat er waarheid is in het spreekwoord: men moet niemand prijzen vóór zijnen dood."
—"En waarom zou men u niet prijzen bij uw leven, dokter? Toen gij de eeredienst der vrouwen het aangewezen middel noemdet om onzen landaard die hoogere vorming te doen bereiken, waarvan de tegenwoordige tijd eene levensvoorwaarde maakt, waart gij de profeet der 19deeeuw voor Nederland. Mij ten minste heeft dat denkbeeld eene geheel nieuwe toekomst geopend, en ik zou alles willen opofferen om het in praktijk te leeren brengen. Onze kunst, onze litteratuur, onze over het paard getilde voorouders, den eenoogigen grondlegger van mijn geslacht niet uitgezonderd,—onze geheele volkshistorie doe ik u prezent."
—"Vrijzinniger kan het niet, mijnheer Kortenaer," zeide de dokter, "en ik zou geheel en al ontrouw worden aan mijzelven, indien ik u met die verandering van zienswijze niet van harte geluk wenschte. Doch uwe bruid zou inderdaad reden hebben mij te haten, indien ik eene dankbetuiging aannam, waarop buiten haar niemand regt heeft. Hoe vaart jufvrouw Emma? Hebt gij haar van ochtend reeds een bezoek gebragt? Ik moet verschooning vragen, dat ik eerst nu naar haren welstand verneem; doch erken, waarde heer, dat gij mij tot hiertoe geene gelegenheid gelaten hebt, mij van die aangename verpligting te kwijten."
—"Ik bid u, dokter, bezig het woord verpligting niet. Gij doet uzelven daarmede onregt aan. Ten eeuwigen dage zal ik de schuldenaar zijn van den man, die mij den hartstogt der liefde als den volmaaksten vorm van het menschelijk zijn heeft leeren beschouwen. Doch mag ik u thans op mijne beurt van een vooroordeel genezen? Er waren in Holland geene vrouwen, beweerdet gij, in staat eene neiging in te boezemen, sterk genoeg om u ter wille daarvan alles te doen vergeten. Dat was onbillijk van u. Ik althans mag eene vrouw de mijne noemen, die aan uwen eisch in allen deele voldoet; de levende heldin van den schoonsten roman."
—"En houdt gij mij voor zoo kleingeestig," vroeg Ruardi, "dat ik ter wille van mijne theorien u het genot van dat voorregt misgunnen zou? Ik zou het veeleer bejammeren, indien hetgeen ik gezegd mag hebben van de hollandsche dames in het algemeen, door u was toegepast op jufvrouw Visscher. Van het eerste oogenblik af heeft uwe bruid den aangenaamsten indruk op mij gemaakt, en het verwondert mij in geenen deele dat gij in haar de vrouw van uwe keus gevonden hebt. Zoo ziet gij, mijnheer de ingenieur, dat men tezelfdertijd een Archimedes in de werktuigkunde en in de liefde kan zijn!"