Chapter 2

'k Hoor alle week, 'k hoor ieder dag

't Wilhelmus nou trompetten.

De schipper.

Wel, Oudjen! 't hartig lied

Is niet

Voor luije Jan geschreven;

Maar zeg eens of je in jou gebied

Ons nou van harte welkom hiet,

Wat offer moet ik geven?

Neptunus.

Wat offer? Troe, toe, troe

Brr, oe!

Zoo doop ik al mijn hachjens.

Amerika! spuit harder toe;

Europe! ben je nou al moê?

Op, wijf! wat doe je 't zachtjens!

De schipper.

Hei, hola! oude snaak,

't Was raak;

Wij druipen door ons kleêren,

't Is maar een kletserig vermaak;

Ik zal je, mits die regen staak,

Een mooijen duit vereeren.

Neptunus.

't Is alleman om poen

Te doen;

Geef op, en 'k zal je sparen.

Ja, zoo van nacht een Spaansch galjoen

In 't zog jou volkjen na mogt spoên,

Niet klappen van je varen.

Of wil je, dat ik tuig:

"'t Was ruig;

't Had hair tot op de tanden."

Zoo gun mij 't scheeren met de duig;

't Volk tart me al met hoezee gejuich;

Goê reis naar de Oosterlanden!

Aêloudheid! 't was geen ijd'le droom,

Dat Orpheus, spelende aan den stroom,

Op forschen klank van stem en snaren

En aarde en lucht ten rei deed varen;

Dat hij in weêrgâlooze luit

Den schepter der natuur omklemde,

Die leeuwen en die tijgers temde:

Hier werkte een deuntjen wond'ren uit,

Een blij gelach, een vrolijk tieren

Verzelde 't staâg en volgde 't lang;

Het was of 't schalke beurtgezang

De woestaards van geneugt' deed gieren,

Als zagen zij het scheepsfeest vieren,

Zoo juichten zij uitgelaten toe,

En ruimer aêmde Bontekoe.

De veete tusschen werelddeelen

Trad niet zoo schril als straks aan 't licht;

De sterkte was opnieuw gezwicht,

Dewijl 't verstand weêr dorst bevelen;

Vast minder hach'lijk stond de kans

Des weereloozen blanken mans!

Zijn hoofd hing langer niet gebogen,

Zijn regterhand niet strak op zij;

Er luchtte een fierheid uit zijn oogen,

Die aanspraak maakte op heerschappij—

Hij voelde zich ter helft weêr vrij.

En toch, schoon 't onbesuisd geschater,

Om 't wild gebaar verknocht aan 't lied,

Weêrgalmde langs het bosch van riet,

Dat spiegelde in het effen water,

Toch lachte bij van harte niet.

O, 't was in 't bidden om zijn leven

Gewis door God hem ingegeven:

"Het zingen redde u van den dood!"

En ijlings had hij van zijn lippen

Het lied, het wijsjen laten glippen,

Dat, eer hij nadacht, deze ontschoot;

Maar 't was geen klagt, maar 't was geen bede;—

't Prees ijd'le vreugd, 't zong wuft gejoel,

En wroeging trad in plaats van vrede,—

Aandoenlijk, Christelijk gevoel!

Wie heeft die teêrheid van geweten

Des sterken voorgeslachts niet lief?

Een schakel van de onzigtb're keten,

Waar langs het zich, tot God verhief!

Een wijle peinzens,—toen bedaarde

Het zelfverwijt in 't vroom gemoed,

't Geen 't luchtig deuntjen zich verklaarde

Uit d'angst, door schok op schok gevoed,

Uit koortsig brein, de prooi van 't bloed,

Dat onbewust is wat het doet.

Eene and're wijl'—zijn vingers wischten

Het vocht af, dat in de oogen rees;

't Was woeste lust noch bloode vrees,

Die van de keus des lieds beslisten;

De Heere was 't, die 't spoor hem wees!

Of viel Zijn vinger niet te aanschouwen

In d'ommekeer van 't wilde paar?

Hier voegden klagten, droef noch zwaar,

Noch psalmen van den Harpenaar,

Die Isrel stemden tot vertrouwen,

Die Bontekoe, een hurkjen groot,

Al opzeî aan zijn moeders schoot.

Hij moest, zijns ondanks, vrolijk wezen,

En zuster Roeltjen werd geprezen,

Zijns vaders hulpe, sinds de dood

Der brave vrouwe de oogen sloot:

II

ROELTJEN UIT DE BONTEKOE.

Stem: So haest Gysjen had vernomen.

Bredero.

Toelichting.

Willem IJsbrandtszoon Bontekoe, in 1587 te Hoorn geboren, heette eigenlijk Decker, maar werd, daar zijn vader een herberg hield, deBontekoegenoemd, in zijne jeugd meestal Willemuit de Bontekoegeheeten, en behield later dien naam. "Eene woning bij het Hoofd," zegt de heer C.A. Abbing, in zijneBeknopte Geschiedenis der stad Hoorn, enz. (Hoorn, Gebr. Vermande, 1839) "vertoont nog in den gevel zijn sprekend wapen."

IJsbrant-baas heeft drokke nering;

Schoon een man van luttel praats,

Lokt zijn huis schier alle maats,

Wordt hij rijk van hun vertering.

Vraagt ge: waar komt dit bij toe?

Ga eens naar de Bonte Koe.

Frisscher krans hangt nergens buiten

Dan zijn groene wingerdtak;

Maar zoo daar zijn roem in stak,

Mogt bij op zijn duim wel fluiten,

De eene quant riep d' aêr niet toe:

Gaat ge meê ter Bonte Koe?

Spieg'len kan er zich een pronker

In het tin van kroes en kan;

Maar zoo menig vroeden man,

Maar zoo menig hoofschen jonker

Lonkt er zoeter spiegel toe:

Gaan we naar de Bonte Koe?

IJsbrant-baas weet wel van wanten;

Om een flinke, knappe deern

Loopt de jonkheid ter taveern;

Mooije schenksters, duizend klanten:

Dochterlief brengt daar je toe,

Roeltjen uit de Bonte Koe!

Noch een fijn mennisten zusjen,

Noch een bloode pimpelmees,

Weet zij iets van angst of vrees

Voor een handdruk, voor een kusjen;

Toch laat zij niet alles toe,

Roeltjen uit de Bonte Koe.

Waaghals wie haar durft omvangen!

Want haar hand is geen fluweel;

Schorre strijkstok op de veêl

Van een paar gebaarde wangen,

Speelt zij regts en links maar toe,

Roeltjen uit de Bonte Koe.

IJsbrant-baas houdt haar in eere:

Beugel, bouwen, haak en huik,

Alles draagt zij pronk en puik;

Vrijers krijgt ze heinde en veere;

"Maar ik zie voor Roeltjen toe,"

Zegt de waard der Bonte Koe.

Als, om 't klappen van zijn schijven,

Haar een lansk van trouwen praat,

Of een wulp haar gadeslaat,

Die zijn boêl in 't riet liet drijven,

Roept hij: "Duimkruid hoort er toe,

Voor een waard der Bonte Koe."

"Vaderlief! wij hebben mony,"

Zeit ze dan, "in overvloed.

Zoudt ge zuur zien, zag ik zoet?"

En zij streelt zijn bolle trony;

"Roeltjens liefste, stem het toe,

Wordt de waard der Bonte Koe."

Erinn'ring voerde in haar gebied

Hem mede, toen hij 't zingen staakte;

Hij zag den schelmschen vrijer niet,

Die 't wijsjen in een omzien maakte,

En 't hartsgeheim van Roeltjen ried;

Het was of weer zijn jeugd ontwaakte,

Een lusthof groende in 't lief verschiet.

O geur'ge sneeuw der meidoornstruiken!

Hoe vaak plagt Wim, al kloek van leên,

Schoon naauw zijn vijftiende ingetreên,

Des achternoens in u te duiken,

Om ruikers voor de schouw te pluiken,

En de oogen maar uit joks te luiken,

Als Roeltjen kwam met stille schreên.

Het aardig kind van zeven jaren,

Een wolk van frisschen levenslust,

Wou hem verrassen in zijn rust,

En trok hem bij de blonde haren,

En werd gegrepen en gekust.

Dan vroeg ze om op zijn knie te rijden,

En riep: "Zie zoo, dat gaat te hoof!"

En scheurde een twijgjen uit het loof,

En dacht den klepper te kastijden,

Wijl aan haar voet de bloesem stoof;

En nu—nu school ze in luwt van blaêren,

Want gierend aan zijn arm ontglipt,

Want zwierend van het paard gewipt,

Was zij de boschjens ingevaren,

En riep van verre: "'t Is geen kind,

Die Roeltjen in den donker vindt!"

Dan rees hij op en zou haar vangen,

En tilde haar de scheem'ring uit,

Terwijl zij knorde: "Stoute guit!"

Of boos hem kneep in beî zijn wangen,

Of bad, die wilde weelde moê:

"Ei, kweel eens wat, ik luister toe."

En lang had Roeltjen niet te dringen,

Was 't vremd dat de Oost hem 't hoorde zingen?

't Lief kind scheen aan zijn zij' te springen:

III

LOUW EN DE WAARZEGSTER.

Stem: Ach, ach, nog eens ach,

'k Wou, zei Joosjen, dat ik 't zag.

De Waarzegster.

Louw, Louw, flinke Louw!

Wel hoe heb ik het met jou?

Heugt je niet hoe maats we waren,

Toen je zoudt naar Groenland varen?

"Moertjen!" zei je, "'k ga naar zee,

Geef me een amuletties meê!"

En ik zocht eens in het zootjen

Dat ik erfde van mijn grootjen;

Maar het sticht niet hier op straat,

Ook herken je mij al, maat!

Ai, hoe ging het met het visschen?

Greep je een walvisch bij de klissen?

Heb je er zeven t'huis gebragt?


Back to IndexNext