Verscholen
In 't graauw van de lucht,
Verrees—was zij op—was—voorbij in hun vlugt.
't Ging schriller,
't Werd stiller
Op 't ijs om hen heen.
"Dra komen
Die boomen,
Dan zijn wij alleen!"
Sprak 't kwantjen
Die 't handjen
Nu vaster nog kneep.
Wel wilde zij 't ligten, toch bleef zij op sleep.
"Daar achter
Geen wachter,
Die nijdig bespiedt;
Voor kunstjens
Uw gunstjens,
Dat weigert ge niet!"
Met ijlden,
Met wijlden
Ze op de eenzame plek,
En Flip knoopte teeder zijn doek om haar nek.
"Rust, meisjen!
Van 't reisjen;
Ik merk, je bent moê."
Hij rende,
Hij wendde,
Zij lachte hem toe;
"'k Heb fraaijer
Geen draaijer
Gezien op de baan,
Dan jij, die tot zesmaal beentje over kunt slaan."
Flip keerde;
Zij weerde
Den stoutert wel af,
Maar pruilde
Noch druilde,
Wat pas het ook gaf.
"Hoe heetje?"—
"Dat weetje."—
"'k Geloof haast van ja,"
Zoo sprak hij en trok met zijn schaatspunt een K.
Eilacie!
Tentatie
Dient ijlings ontsneld;
Op dralen
Rijmt falen;
Dra struikelt die helt!
Vast sling'ren
Zijn ving'ren
Om 't lijfjen zich heen,
Hij kust, zij kust weder. Ach! waren ze alleen!
Maar gluipen,
Maar sluipen
Die vroolijke twee,
Maar rijden,
Maar glijden
Zij niet naar de steê?
Zij komen
Vernomen
Door hem noch door haar;
't Zijn Govert en Elze; hoe schatert het paar!
"Wel, zwager!"
De plager
Verrast hen alzoo.
"Wel, zoetjen!
Ik groetje,
Ik stoor je maar noô.
De vrijheid
Is blijheid,
Is t'huis op het ijs.
Elk kiest zich een liefjen; zoo wil het 's lands wijs."
Luid schreijend,
Hen beîend,
Houdt Klaertjen 't gezigt,
Bij 't blozen
Om 't kozen
Op 't ijsvlak gerigt,
En zuchtend
En duchtend
Reikt ze Elze de hand,
"De linke," roept Flip, "want de regte is mijn pand!"
"Neen, vrees niet,
Neen, wees niet
Eenkennig, lief kind!
Al knort zij,
Toch wordt gij
Opregt'lijk bemind.
Ik zocht je,
Ik mogt je
Al lang gaarne zien,
En 'k vraag je vóór Lichtmis nog van je oude liên."
"Ai, Klaertjen!
't Is 't aertjen
Van onz' aller moê;"
Spreekt zusjen
Na 't kusjen
't Wijs vrijsterken toe.
"'k Betrapje,
'k Verklapje
Dies toch niet te huis.
Op 't ijs met zijn drieën, dat schat ik een kruis!"
Al telt gij geeuwend de blaên,
Verkwist om slechts een schaats te slaan,
Voor hem school in de eenvoude woorden
Een tooverspel, dat riep naar 't Noorden!
Vergeefs was de avondwind belaên
Met myrrhe en mastik, langs de boorden
Des vloeds al walmende opgegaan,
Uit duizend kelken van gebloemt',
Die 't Oost hare offerschalen noemt.
Hij walgde van zijn weeklijk wuiven;
Hem dorstte naar den geest der kracht,
Die de aard herschept in eenen nacht,
De graauwe wolken weg doet stuiven,
De starren oproept tot zijn wacht,
En, als hem de uchtend tegenlacht,
Het veld, dat rijm en sneeuw omhuiven,
Heel 't landschap tint'len ziet van pracht,
Een vonk'lende juweelenschacht.
Maar niet alleen het forsche streelen
Der 't bloed bevleugelende lucht
Was de oorzaak van zijn diepen zucht:
Hij droomde van een klein gehucht;
Hij zag der landjeugd schalke spelen
In de arresleê, bij 't schaatsgenucht;
En 't liefste meisjen uit de schaar,
Dacht zij aan hem als hij aan haar?
Dáár fluisterden zijn reisgezellen,
En trager werd de vaart der praauw;
Wat nieuwe ellend moest hij zich spellen?
Hen scheen een folt'rende angst te kwellen;
Maar wat—wat bragt hen dus in 't nauw?
Al heerschte aan 't strand maar stilte en schaâuw,
Toch neigden zij ten golven de ooren,
Toch weêrlichtte op 't verschiet hun blik,—
Een wijle drijvens—dubb'le schrik!
Ook hij zag nu het woudvier gloren;
Ook hem deed zich de krijgszang hooren,
Wier flaauwe klanken 't paar al ving
Toen 't nog zoo pijlsnel zeewaart ging;
En hij verstond uit hun gebaren,
Hij las het in hun schroom en spijt,
Dat achter 't rood gordijn dier blaêren
Tien, vijftig, honderd krijgers waren,
Met hen en met hun stam in strijd!
Het strand werd levend wijd en zijd!
Op eens verkeerden hun gezigten,
Terwijl de kris des voorsten rees,
En de and're greep naar boog en schichten,
En proef nam van de kracht der pees:
Ze ontveinsden mannelijk de vrees,
Zoodra der vlammen feller lichten
Hen d'oversterken vijand wees;
Zij wilden niet dan strijdend zwichten!
En leenden naauw den blanke 't oor,
Die, toen de praauw het strand genaakte,
't Geen 't wilde volk ten vuurdans koor,
Een lied zong—dat een heek'laar maakte:
VIII
INKEER.
Stem: Q. De paai gaf 't voor geen roerdomp op,
X. Het quantjen zong gelijk een lijster.
Beurtzang.
De Oom
De wereld, die in 't booze ligt,
Verdwijnt als rook uit mijn gezigt;
'k Heb dies alle ijdelheid verzaakt,
En straks mijn testament gemaakt.
De Neef
Het lekk're gulden Rhijnsche wijntjen
Smaakt mij wel eens zoo zoet bij Trijntjen.
Wat kijk ik graag, bij lange togen,
Mijn boeltjen door de fluit in de oogen!
De Oom
Wat zou mijn neef met schijven doen?
At hij zijn korentje niet groen?
Al wat ik spaarde wierd verkwist;
Ik wil geen snollen bij mijn kist!
De neef
Zoo oompjen-Grommert zijn dukaten
Mij dezen avond na mogt laten,
'k Zou morgen 't meisjen prachtig dossen,
En kocht een boeijer en twee vossen.
De Oom
Dies maakte ik alles aan de kerk,
En krijg een lofdicht op mijn zerk.
En echter, 't is mijn naaste bloed;
Hij heet toch, als mijn vader, Knoet.
De Neef
Wat zou ik als een banjer pragchen!
Hoe liefelijk zou Trijntjen lagchen,
En, arme deern, mij dra verliezen!
't Had dan uit juffers maar te kiezen.
De Oom
"Het geld," zoo sprak de vrome man,
"Behoort den regten erven, Jan!
En wie dies zalig sterven wil...."
Wel, waarom niet een codicil?
De Neef
Bijlo! wanneer mij dat wou lukken,
Zei ik; "adie mijn guitentsukken!"
En zou, wie had het kunnen droomen?
Door schoonvaêr nog op 't kussen komen.
De Oom
Hoe stel ik best 't legaat op schrift?
't Legaat? dat ware een halve gift:
Hij heeft wat noodig naar ik raam;
Hij is de leste van mijn naam!
De Neef
Het is wel waar wat looze Gijs zeit:
"De tabbaard, jongen! geeft de wijsheid,"
Maar 't eischt, voorwaar! al lange mouwen,
Om er mijn aapjen in te houên.
De Oom
Maar 't lofdicht, dat ik had verwacht,
Wijl ik de kerk zoo ruim bedacht!
'k Weet niet hoe 'k uit dien maalstroom kom;
Roep den Notaris toch weêrom!
De Neef
't Is zonder heksen toch te leeren;