Chapter 5

Verscholen

In 't graauw van de lucht,

Verrees—was zij op—was—voorbij in hun vlugt.

't Ging schriller,

't Werd stiller

Op 't ijs om hen heen.

"Dra komen

Die boomen,

Dan zijn wij alleen!"

Sprak 't kwantjen

Die 't handjen

Nu vaster nog kneep.

Wel wilde zij 't ligten, toch bleef zij op sleep.

"Daar achter

Geen wachter,

Die nijdig bespiedt;

Voor kunstjens

Uw gunstjens,

Dat weigert ge niet!"

Met ijlden,

Met wijlden

Ze op de eenzame plek,

En Flip knoopte teeder zijn doek om haar nek.

"Rust, meisjen!

Van 't reisjen;

Ik merk, je bent moê."

Hij rende,

Hij wendde,

Zij lachte hem toe;

"'k Heb fraaijer

Geen draaijer

Gezien op de baan,

Dan jij, die tot zesmaal beentje over kunt slaan."

Flip keerde;

Zij weerde

Den stoutert wel af,

Maar pruilde

Noch druilde,

Wat pas het ook gaf.

"Hoe heetje?"—

"Dat weetje."—

"'k Geloof haast van ja,"

Zoo sprak hij en trok met zijn schaatspunt een K.

Eilacie!

Tentatie

Dient ijlings ontsneld;

Op dralen

Rijmt falen;

Dra struikelt die helt!

Vast sling'ren

Zijn ving'ren

Om 't lijfjen zich heen,

Hij kust, zij kust weder. Ach! waren ze alleen!

Maar gluipen,

Maar sluipen

Die vroolijke twee,

Maar rijden,

Maar glijden

Zij niet naar de steê?

Zij komen

Vernomen

Door hem noch door haar;

't Zijn Govert en Elze; hoe schatert het paar!

"Wel, zwager!"

De plager

Verrast hen alzoo.

"Wel, zoetjen!

Ik groetje,

Ik stoor je maar noô.

De vrijheid

Is blijheid,

Is t'huis op het ijs.

Elk kiest zich een liefjen; zoo wil het 's lands wijs."

Luid schreijend,

Hen beîend,

Houdt Klaertjen 't gezigt,

Bij 't blozen

Om 't kozen

Op 't ijsvlak gerigt,

En zuchtend

En duchtend

Reikt ze Elze de hand,

"De linke," roept Flip, "want de regte is mijn pand!"

"Neen, vrees niet,

Neen, wees niet

Eenkennig, lief kind!

Al knort zij,

Toch wordt gij

Opregt'lijk bemind.

Ik zocht je,

Ik mogt je

Al lang gaarne zien,

En 'k vraag je vóór Lichtmis nog van je oude liên."

"Ai, Klaertjen!

't Is 't aertjen

Van onz' aller moê;"

Spreekt zusjen

Na 't kusjen

't Wijs vrijsterken toe.

"'k Betrapje,

'k Verklapje

Dies toch niet te huis.

Op 't ijs met zijn drieën, dat schat ik een kruis!"

Al telt gij geeuwend de blaên,

Verkwist om slechts een schaats te slaan,

Voor hem school in de eenvoude woorden

Een tooverspel, dat riep naar 't Noorden!

Vergeefs was de avondwind belaên

Met myrrhe en mastik, langs de boorden

Des vloeds al walmende opgegaan,

Uit duizend kelken van gebloemt',

Die 't Oost hare offerschalen noemt.

Hij walgde van zijn weeklijk wuiven;

Hem dorstte naar den geest der kracht,

Die de aard herschept in eenen nacht,

De graauwe wolken weg doet stuiven,

De starren oproept tot zijn wacht,

En, als hem de uchtend tegenlacht,

Het veld, dat rijm en sneeuw omhuiven,

Heel 't landschap tint'len ziet van pracht,

Een vonk'lende juweelenschacht.

Maar niet alleen het forsche streelen

Der 't bloed bevleugelende lucht

Was de oorzaak van zijn diepen zucht:

Hij droomde van een klein gehucht;

Hij zag der landjeugd schalke spelen

In de arresleê, bij 't schaatsgenucht;

En 't liefste meisjen uit de schaar,

Dacht zij aan hem als hij aan haar?

Dáár fluisterden zijn reisgezellen,

En trager werd de vaart der praauw;

Wat nieuwe ellend moest hij zich spellen?

Hen scheen een folt'rende angst te kwellen;

Maar wat—wat bragt hen dus in 't nauw?

Al heerschte aan 't strand maar stilte en schaâuw,

Toch neigden zij ten golven de ooren,

Toch weêrlichtte op 't verschiet hun blik,—

Een wijle drijvens—dubb'le schrik!

Ook hij zag nu het woudvier gloren;

Ook hem deed zich de krijgszang hooren,

Wier flaauwe klanken 't paar al ving

Toen 't nog zoo pijlsnel zeewaart ging;

En hij verstond uit hun gebaren,

Hij las het in hun schroom en spijt,

Dat achter 't rood gordijn dier blaêren

Tien, vijftig, honderd krijgers waren,

Met hen en met hun stam in strijd!

Het strand werd levend wijd en zijd!

Op eens verkeerden hun gezigten,

Terwijl de kris des voorsten rees,

En de and're greep naar boog en schichten,

En proef nam van de kracht der pees:

Ze ontveinsden mannelijk de vrees,

Zoodra der vlammen feller lichten

Hen d'oversterken vijand wees;

Zij wilden niet dan strijdend zwichten!

En leenden naauw den blanke 't oor,

Die, toen de praauw het strand genaakte,

't Geen 't wilde volk ten vuurdans koor,

Een lied zong—dat een heek'laar maakte:

VIII

INKEER.

Stem: Q. De paai gaf 't voor geen roerdomp op,

X. Het quantjen zong gelijk een lijster.

Beurtzang.

De Oom

De wereld, die in 't booze ligt,

Verdwijnt als rook uit mijn gezigt;

'k Heb dies alle ijdelheid verzaakt,

En straks mijn testament gemaakt.

De Neef

Het lekk're gulden Rhijnsche wijntjen

Smaakt mij wel eens zoo zoet bij Trijntjen.

Wat kijk ik graag, bij lange togen,

Mijn boeltjen door de fluit in de oogen!

De Oom

Wat zou mijn neef met schijven doen?

At hij zijn korentje niet groen?

Al wat ik spaarde wierd verkwist;

Ik wil geen snollen bij mijn kist!

De neef

Zoo oompjen-Grommert zijn dukaten

Mij dezen avond na mogt laten,

'k Zou morgen 't meisjen prachtig dossen,

En kocht een boeijer en twee vossen.

De Oom

Dies maakte ik alles aan de kerk,

En krijg een lofdicht op mijn zerk.

En echter, 't is mijn naaste bloed;

Hij heet toch, als mijn vader, Knoet.

De Neef

Wat zou ik als een banjer pragchen!

Hoe liefelijk zou Trijntjen lagchen,

En, arme deern, mij dra verliezen!

't Had dan uit juffers maar te kiezen.

De Oom

"Het geld," zoo sprak de vrome man,

"Behoort den regten erven, Jan!

En wie dies zalig sterven wil...."

Wel, waarom niet een codicil?

De Neef

Bijlo! wanneer mij dat wou lukken,

Zei ik; "adie mijn guitentsukken!"

En zou, wie had het kunnen droomen?

Door schoonvaêr nog op 't kussen komen.

De Oom

Hoe stel ik best 't legaat op schrift?

't Legaat? dat ware een halve gift:

Hij heeft wat noodig naar ik raam;

Hij is de leste van mijn naam!

De Neef

Het is wel waar wat looze Gijs zeit:

"De tabbaard, jongen! geeft de wijsheid,"

Maar 't eischt, voorwaar! al lange mouwen,

Om er mijn aapjen in te houên.

De Oom

Maar 't lofdicht, dat ik had verwacht,

Wijl ik de kerk zoo ruim bedacht!

'k Weet niet hoe 'k uit dien maalstroom kom;

Roep den Notaris toch weêrom!

De Neef

't Is zonder heksen toch te leeren;


Back to IndexNext