Een korenveld, eene weide, een bosch leveren zeker streelender verschiet op, dan eene straat of eene gracht in de stad; maar hoeveel afwisselender en veelzijdiger poëzy schuilt er in de menigte welke ik binnen de muren dagelijks mijn venster langs zie gaan, dan in het gelaat van hemel en aarde, buiten!
Het was in den nazomer van het verleden jaar, dat mijne opmerkzaamheid, uit het venster de straat op en afdolende, vóór het invallen der schemering, geboeid werd door een schouwspel, dat mij dikwijls somber stemde. En echter leverde de groep een vroolijk tooneel op, dat bij wijlen zelfs dartel werd,—het waren vijf, zes, zeven ezelinnen met haren drijver.
Vrees niet voor alweder eene beschrijving eener tering; onder de studie, welke de krankte eischt, zou ik mij welligt verbeelden haar ter prooi te zijn.—Integendeel, toen ik de graauwtjes vóór de deur van mijnen overbuurman zag stilhouden,—òverburen, die ik wat meer kende, dan men het gewoonlijk zijne nááste doet—toen kwam de gedachte: "Wie zou er krank zijn,hijofzij?" naauwelijks bij mij op, of ik zeide in mij zelven:
"Geen van beide."
Oordeel, of gij een' dier jeugdige echtelingen zoo erg zoudt hebben geacht, dat zij reeds tot ezelinnemelk hunne toetvlugt moesten nemen; beslis, dit zeg ik, als gij de volgende bijzonderheden zult hebben gelezen.
Hij? hm!--Wie, als ik, de drie kruisen achter den rug heeft, smaakt de twijfelachtige vreugde, allengs de kennissen zijner jeugd gevestigd te zien. Twijfelachtige vreugde, voorwaar! Want bij die herschepping verkeeren velen, helaas, van vrienden, dat men hen waande, in kennissen, als ik ze noemde. Een andere familiekring—hoe vervreemdt die!--Een vertrek naar elders—hoe kwijnt weldra de briefwissel, welke na verloop van het eerste jaar geheel ophoudt!--En toch behooren deze nog tot de minst smartelijke wijzen, waarop men de begoochelingen zijner jonkheid ziet vervliegen. Sommige banden worden niet langzaam door den tijd los gestrikt, gebrek aan sympathie in de beschouwing van het werkelijk leven breekt die wel eens plotseling en voor altijd af, schoon men elkander blijft zien, schoon men de kennis aanhoudt. Welk eene andere toekomst achtte ik mijn' overbuurman, achtte ik Pieter beschoren, toen ik, verscheidene jaren geleden, met hem de duinen opwandelde, en wij, op den top van dezen of genen blinkert, het dubbele lied hoorden, dat nog wedergalm vindt in mijn hart,—welk eene andere toekomst, dan zich voor hem verwezenlijkte? Toen luisterden wij, opgewonden jongeluî als we waren, beurtelings naar het landschap aan onze slinke, dat onsijvertoesuisde, en naar de zee aan onze regte, diegloriezong—toen spraken wij van het verleden, van degelijkheid,—toen beloofden wij,—ja, wat niet al!
Vóór drie, drie en een half jaar misschien, kwam Pieter mijne woning binnen, stoof zou het woord zijn geweest, als hij mij geruimen tijd vroeger iets dergelijks had mogen mededeelen, als hij mij opdatoogenblik wilde aankondigen. Lot en leven hadden hem, voor een halflustrum, het is waar, op eene zware proef gesteld. Hij had hopeloos, hij had vergeefs bemind. Maar de jongeling, die, na eene teleurstelling van dien aard, niet strenger vasthoudt aan al wat hij vroeger hoog en heilig achtte, heeft hij waarachtig lief gehad?
"Ik wou je toch eens komen vertellen, dat ik geëngageerd ben," zei hij, dood bedaard.
En wij waren elkaâr reeds zoo vreemd geworden, dat ik verpligt was te vragen:
"En met—?"
"De dochter van ----" en eenige kwaliteiten volgden.
Ik was niet genoeg vriend meer,—vergun mij te zeggen: ik heb te strenge begrippen van vriendschap, om in te houden, wat inij uit het hart op de tong kwam:
"Dat is anders dan met Elise—"
"Och—wat—ja!" hernam hij, eene phraséologie, waartoe hij reeds dikwijls zijne toevlugt had genomen, als ik hem sedert zijn blaauwtje, zijn wankelen, zijn hinken op twee gedachten verweet. Hij was nog niet zóó ver gekomen, om te beweren: "dat men transigeren moet, om in het practische leven nuttig te zijn;" enz., enz. Hij begreep, dat hij toch iets ter gunste van zijn meisje zeggen moest, en liet er zich verstandiger over uit, dan hij gedaan zou hebben,—ware hij verliefd geweest.
En voor Pieter, die, een half jaar na zijn engagement getrouwd, mijn overbuurman was geworden; voor hem zou de drijver daar het balsturigst paar ezelinnen uit den hoop, ongezeggelijk en zaämgekoppeld als het was, aan die ijzeren leuning vastbinden? Hij zou krank zijn, hij, wien de aanstaande schoonpapa eene geschikte partij had gevonden, al dreef hij een beetje oppositie, "oppositie was immers tegenwoordig de weg om er te komen?" Pieter, wiens grieven tegen onzen tijd de valkenblik van den oude teregt niet zoo zwaar had geacht, dat een lucratieve betrekking die niet zou kunnen genezen; Pieter de tering? bah!
Waszijdan welligt lijdende? wie het geloofde, niet ik. Het toeval,—waarom het verheeld?—het toeval, dat door mijne nieuwsgierigheid niet zoo heel toevallig was, had mij spoedig zijne Louise leeren kennen. Alles wat zijne vroegere en latere geliefde gemeens hadden, was de uitgang van den naamenise. Twee meer verscheiden meisjes zijn naauwelijks denkbaar. Of het onderscheid louter dáárin had bestaan, dat de eerste eene brunette, de laatste eene blondine was! Maar Elise, levenslust, plaagzieke dartelheid,—liefde—innige, vurige liefde; maar Louise, onberispelijke vormen bij volslagen vrijheid van hart, om niet te zeggen afwezigheid van gevoel! Ik zag haar bij het stilstaan der graauwtjes vóór mij, zoo als ik haar had gezien den dag, waarop hun huwelijk werd voltrokken,—den dag, sedert welken ik weinig meer van haar hield. Pieter had mij verzocht zijn getuige te willen zijn,—zóó iets weigert men niet.
Er was echter veel, dat haar verontschuldigde, bij de plegtigheid niet over aangedaan te zijn geweest.—Het ware onbillijk van mij, zoo ik het verzweeg.
Vóór alles, zij was moederloos: de weeze had de zoetste betrekking weinig of niet gekend. Op een paar vermaarde pensionnats was zij door haar koel temperament beveiligd voor—het woordbesmettingis wat hard; en toch geve God, dat wij nooit een zachter leeren gebruiken voor die ontreiniging der gedachten, welke het gevolg is van overprikkelde, onmaagdelijke nieuwsgierigheid. Arm kind, dat zij voor die strenge kuischheid van zin, welke haar van de geheimen harer gespelen afkeerig maakte, niet in een ander opzigt, niet door de verzuimde ontwikkeling van haar hart had geboet! Wien konde zij lief hebben, wien leerde zij beminnen? Een' vader, dien zij zelden zag; die haar, toen zij de school had verlaten, verzocht bij zijne gastmalen als vrouw des huizes te ontvangen, en die haar uithuwelijkte—om zelf weêr te trouwen?
En de ceremonie!
Het was eene dubbele, zoo als er bij alle fatsoenlijke huwelijksvoltrekkingen te onzent plaats grijpen, sedert de invoering van den burgerlijken stand,—die eene voortreffelijke inrigting zoude zijn, als wij haar niet zoomir nichts, dir nichtsmet huid en haar hadden geslikt; als wij haar gewijzigd hadden naar onze zeden. Een huwelijk is in Holland nog niet louterun contrat civil, de hemel zij er voor geloofd! "Dan sukkele de kerk den staat achterna!" schijnt het stelsel; maar hoe die verdeeling den indruk verzwakt: God, in Christus onze Vader, volgende op dat heidensche opperwezen, 't welk eigenlijk niemands God is!
Het formulier naar de wet had echter op Louise, op ons eenigen indruk kunnen maken, ware het voorgelezen, zoo als onze moedertaal hoogtijden spreekt, kernig, met nadruk, uit het gemoed. Maar al had een afstammeling van Oud-Hollandschen huize de voordragt op zich genomen, het was geen Hollandsch wat wij hoorden. Spreek mij niet van Gallicismen; de Gallomanie deed de toppen der vingers tintelen van ergernis; het was of zij ons trok bij de haren.
En de griffier raffelde de acte over—als wenschte hij dat niemand meer trouwen mogt,—om hem de moeite te besparen.
De inzegening had in de Wale-kerk plaats;—daar bruidegom noch bruid nazaten vanréfugiéswaren, vergoedden geene familieherinneringen het onhartelijke der vreemde taal. Noem dit niet bekrompen, bid ik u. De mindere innigheid van het Fransch komt doorslaande uit, als gij de huwelijksformulieren der hervormde gemeenten in beide talen vergelijkt.
Zie, ik vergaf het Louise, dat er ook dáár geene tranen in hare oogen kwamen. Maar dat zij, na den afloop van het feest, zóó hartstogteloos, zóó kalm, in het reisrijtuig stapte, als ware zij nogmaals naar hetpensionnatgereden, hadt gij het haar ten goede gehouden? Ik wil uwe beslissing niet vooruitloopen; maar ik vermoed, dat gij het er met mij voor hadt gehouden, dat niet ten haren behoeve het graauwtje haren uijer aan de vingers des drijvers prijs gaf; het graauwtje, welks veulen intusschen zijn' ruigharigen kop achteloos op haren schouder neêrvlijdde.
En toch bleef ik met ongeveinsde belangstelling voortstaren; en toch wenschte ik het glas melk, dat de dienstbode weldra naar binnen bragt, al de heilzame, al de genezende kracht toe, welke het bleeke vocht der ezelinnen ooit op een' kranke uitoefende. Want, nog altijd uit het venster ziende, greep mij eene vrees aan, welke mij huiveren deed.
Ik had Pieter en Louise, sedert zij mijne buren waren geworden, tweemaal bezocht. Hoe anders had ik hen de eerste dan de laatste maal aangetroffen!
Luttel weken na hunne tehuiskomst van hun speelreisje was ik het paar gaan zien. De indruk, dien het bezoek bij mij achterliet, was verwant aan dien, welken de schilderijen van een' negentiende-eeuwschen ter Burg zouden maken. Het behangsel der kamer, waarin ze mij ontvingen, wedijverde in helderheid van kleur met de rosetten van het plafond;—het lichtbruine mahonyhout der huisraden schitterde mij tegen,—de fijngeslepen kerken kaatsten den fonkelenden morgenwijn in het kristallen blad weder;—Louise droeg een zijden kleed. Maar de glans der vreugde, die mij uit hare oogen had moeten toeblinken; maar de blijdschap, welke Pieter had moeten gevoelen, dús gevestigd, zóó gelukkig te zijn; maar de geestigheid, die kruiderij des gespreks; maar de lach, dat zout der zamenleving, ik zag er te hunnen huize even vergeefs naar om, ik hoorde er die even weinig, ik smaakte ze er zoo min, als gij het op de stukken van onzen eersten satijnschilder doet. De overeenkomst ging verder; Louise was niet minder statelijk dan zijne slanke jonkvrouwen; maar gij hadt dat deftige evenzeer bewonderd, zoo gij slechts haren rug, en niet haar gelaat, hadt gezien. Pieter staarde in den wijnkelk, met denzelfden ernst, dien zijne gemusqueerde allonge-paruiken onderscheidt, en van welken ge toch, hoe lang gij naar de meening gist achter zulke oogen verscholen, niet meer begrijpt, niet wijzer wordt, dan dat zij den wijn bekijken.
"De mensch en sal by broodt alleen niet leven," zegt de Schrift. Hoe mij die woorden invielen bij de leêgte van al de pracht, voor welker verzoeking Pieter was bezweken!
Er waren maanden verloopen, zes, acht maanden welligt: daar verraste mij eene heugelijke tijding, daar volgde eene uitnoodiging,—ik trad andermaal de woning van het paar in. Hoe was alles verkeerd! Louise zat in eene weelderigechaise longue; een Dou onzer dagen zou zich vermeid hebben in de schildering der niet al te breede kant, welke haar bleek kopje en hare bleeker handen, welke haar mutsje en haar kleed omgolfde; hij zou regt hebben gedaan aan de stille weelde, waarin hare oogen dreven, zwommen, zoo gij wilt. Voor het eerst was zij bezield; behoef ik te zeggen, dat zij voor het eerst schoon was? En ook Pieter leverde eene figuur op, het penseel van den schilder derKraamkamerwaardig. Er was niets uitgelatens in zijne verrukking; de zon der vreugde had meer gedooid dan gezengd—ook de groote Gerard hield van eene waardigheid, die de grenzen van het stijve naderde. Onder het roeren van den kandeelstok werd de eerstgeborene binnengebragt; het mogt mij niet van het hart er voor uit te komen, hoe dikwijls ik den dollen wensch voedde, dat kinderen zóó ontwikkeld geboren werden, of zij drie jaren oud waren. Hoe gelukkig was Louise met haren zoon—hoe hechtte zijne hulpeloosheid haar aan het wicht! Wijze natuur! Ik zag beide trots en schroom in de zijdelingsche ontblooting haars boezems, toen zij het kind de borst gaf; hare oogen gingen heen en weder tusschen Pieter en de kleine—en haar gade knikte haar toe—zij hadden nog kans op geluk.
Ik weet niet, of het u als mij in het scheppingsverhaal van Mozes heeft getroffen; maar ik las nooit zonder aandoening, hoe de oudervreugde de uitdrijving uit het paradijs verzoette. Ik dacht er dat uur aan!
Helaas, was het voor hun kind, dat de graauwtjes aan de overzijde stil stonden?
Den volgenden morgen was ik er zeker van;—het jongsken scheen, sedert zijne spening, geloof ik, in eene kwijning te vervallen, tegen welke de arts het gebruik van ezelinnemelk had aanbevolen.
Maar, zoo mijn blik den volgenden avond, en dagen daarna en weken lang op ongeveer hetzelfde uur getrouw het venster uitzwierf, om den drijver met zijn zes- of zevental langs te zien komen, getrouwer nog ligtte Louise in hare zijkamer het gordijntje op, de graauwtjes nu eens ongeduldig te gemoet starende, dan weder door hunne niet zoo vroeg gehoopte komst verrast. Hoe wettigde, helaas, de voortdurende onzekerheid over den toestand haars kinds dien angst en die hoop!
En zie hier de gedachten, door de komst dier ezelinnen opgewekt; de mijmering, waartoe zij uitlokten:
Een kind!--is er iets ter wereld, waarin meer poëzy schuilt dan in het van allerlei zorg afhankelijke schepseltje in den wieg,—dat welligt bestemd is de luister van ons geslacht te worden? Het weet naauwelijks zijne handjes te gebruiken,—handen, die later misschien het zwaard des krijgs of de veder des vredes zullen zwaaijen of stieren, met tijdgenoot en nakomeling verbazende kracht.—Het invallend zonnelicht doet zijne oogjes zeer;—oogen, die ontwikkeld den afgrond zullen peilen of den sterrenhemel meten; oogen, die de duisternis noch de schittering van de wonderen der natuur zal verbijsteren of verblinden. Het eenvoudigst begrip schijnt te hoog voor die trage hersenen, het instinkt des diers leidt sneller en wisser dan de zoo hoog geroemde rede; maar wacht, en de wetenschap zal haren stralenkrans werpen en de kunst haren lauwer vlechten om dien nu nog naakten, schier nog weeken schedel. Een kind!--het begin van een leven, door vreugde en smarte bont geschakeerd,—dat beurtelings zoo groot en zoo klein schijnt,—dat der laagste togten en der edelste driften om strijd ter prooi zal wezen,—maar dat niet eindigt in het graf, waaraan de onsterfelijkheid is gewaarborgd, liever nog het eeuwige leven; opdat onze zwakheid door de negatieve uitdrukking niet heen schemere waar het onze zoetste hope geldt. Een kind!--laat ons dalen, of rijzen misschien, want de moeder buigt zich over het wiegje heen, en er is niets verheveners in de gedachten, welke ons de toekomst van den jeugdigen mensch straks inboezemde, dan wat wij in deze groep aanschouwen: liefde, liefde, het uitgedrukte beeld Gods! Zie, er was zelfzucht in de bekommering, waarmede Louise dat schrale aangezigtje gadesloeg, de kleine handjes drukte, haar trager dan vroeger te gemoet gestoken;—de lipjes kuste, bleeker dan weleer;—zij gevoelde, dat met dien band,—als hij scheuren moest—de éénige, die haar innig aan Pieter hechtte, zou los springen. Zij had hem nooit bemind, zoo als dat vleesch van haar vleesch, zoo als dat leven van haar leven. Maar—wordt die opmerking voor eene mijner lezeressen wel vereischt?—hoe die zelfzucht vergoed werd en opgewogen door de toewijding van den dag en den nacht, van de vreugde der openbare vermaken en der gezellige geneugten; door de volslagen ontzegging van rust zelfs na weken lange oppassing! Hoe verloochende zij die zelfzucht geheel door de verzuchting, eindelijk aan haren boezem ontglipt:
"Heere, neem mijn leven in plaats van het zijne!"
Op eenen schoonen herfstmiddag—het heugt mij nog of ik 't straks had gezien—was het gordijntje ter zijde geschoven—de kleine lijder zat in zijn' stoel vóór het raam. Daar kwamen de graauwtjes—hoe hij gierde en sprong, of hij hen te gemoet wou! Eene der ezelinnen, die er met hare bleekzilverige huid en fijne ooren,—zij stak die op,—waarlijk niet uitzag of wij regt hadden den naam der dierensoort tot een schimpwoord te verlagen,—eene der ezelinnen werd een zonnig plekje op de straat gewaar, wierp er zich neder, rolde er zich om en nog eens om,—het plaveisel was pas gemaakt, en het zand nog droog. Het jongsken zag van achter de spiegelruit de speelsche groep, want een veulen had zich bij het moederdier gevoegd; de kleine werd rusteloos; naar buiten reikten zijne armpjes, en Louise gaf dien wensch gehoor. Op de stoep verschenen, daalde zij met haar kind de weinige trappen af, en liet hem zijn' wil in het streelen der vaalbruine haren van het beest, dat voor hem gemolken werd, en plaatste hem voor een oogenblik op den rug des diers. O, dat ik de weelde schilderen kon, waarmede zij hem aan haar harte sloot, toen hij, een omzien aan zich zelve overgelaten, weder in de beschermende armen wipte, die boven en beneden hem hadden gewaakt; de weelde, zeide ik, de huivering had ik moeten zeggen, die haar rank lijf trillen deed! Of waren hare oogen niet afgedwaald naar de schalke vreugde van ezelinne en veulen, die zich nog altijd omkantelden in het warme zand; die, aan hunne weide, aan hun distelveld ontrukt, dien zweem van natuur smaakten in de steedsche ballingschap, gezond als zij waren?
De moeder benijdde, in den schoot der weelde, het graauwtje, dat eene wolk van stof deed opgaan. Toen deze was weggewaaid, zag ik vergeefs naar de overzijde: Louise en haar kind waren verdwenen. Zij was met hare smarte haar prachtig huis weder ingetreden.
De ezelinnen kwamen den volgenden, kwamen nog menigen avond terug; maar eer de winter inviel, hadden de plagerijen tusschen den drijver en het dienstmeisje uit,—want de gordijnen der zijkamer waren opgehaald, de luiken gesloten. Pieter en Louise beweenden hun éénig kind.
Verg mij niet, dat ik schetse, hoe het paar me bij het rouwbeklag ontving—Louise, die luttel maanden het leven des harten had gekend, scheen versteend; slechts van tijd tot tijd gaf zij teeken van bewustzijn—door op te zien!
En Pieter? Het geviel dit voorjaar, dat hij mij van eene reize naar Zwitserland sprak; de toestand zijner gade, verzekerde hij mij, eischte die.
"Ook ik zelf, jongen," zeide hij, "ben niet gelukkig—de hemel heeft mij gestraft in mijn kind!"
Ik zou hier uitweiden in alles, wat zich tot zulk een' verslagene zeggen laat,—hoe het mij heugde uit den mond eener waardige oude vrouw te hebben gehoord: "Toen ik mijn' man nam, had ik hem niet lief, maar dat kwam later door zijn gedrag,"—met andere woorden, dat Pieter de liefde van Louise, welke hij had leeren achten, die hij thans schier beminde, nog verdienen kon;—ik zou er bijvoegen, dat het voor niemand te laat is zijn levensgeluk te zoeken en te vinden in de betrachting van zijnen pligt; dat ieder, die wil, een degelijk mensch kan worden, degelijk als de vaderen het waren in onzen roemrijksten tijd,—ik zou dit alles doen, als mij plotseling geene vreeze bekroop, welke mij letterlijk doet aarzelen voort te gaan.
Welke?
Dat gij mij een' onheusch vriend zult noemen, die vroegere innige betrekking,—later aangehouden kennis,—eindelijk weder toegehaalde banden prijs geeft, die.... Vaar niet voort met uwe beschuldiging, bid ik. Ge zoudt gelijk hebben, ware het zoo. Doch als ik u gul uit bekenne, dat ezelinnen, Pieter, Louise, het kind, nergens zóó bestonden als ik die schetste, dat ik zelfs geene overburen heb: o, beweer dan toch op uw beurt niet, dat de gebreken in onzen maatschappelijken en huiselijken toestand door mij gegispt, dat de verspreide trekken, welke ik zocht te vereenigen, dat deze niets anders zijn danboosheden in de lucht, waarvan niemand te onzent hinder heeft!
1842.
(EEN STUDIE-BEELD UIT HET VOLKSLEVEN)
Het was zaterdagavond vóór Kersttijd, en in eene kleine woning op Katten-, Oosten- of Wittenburg, te Amsterdam, lag, in een spaarzaam verlicht slaapvertrek; het woord Gods opgeslagen op de tafel. Eene jonge vrouw, die er in hare eenzaamheid opbeuring, troost, licht in zocht, staakte onwillekeurig de lezing, toen haar blik op de woorden rustte:
"Als sy nu de sterre sagen, verheugden sy haar met seer groote vreugde."
Waarom schemerde het der peinzende?
Zie, het was niet, dewijl eene door smaak noch studie bestierde verbeelding wieken aanschoot, en zich de Oostersche Monarchen voorstelde, in al de pracht, waarmede de Italiaansche schilderschool hen heeft uitgedost, verbaasd, dat het schitterend luchtverschijnsel stille bleef staan boven eene nederige woning. En echter, verre, zeer verre van haar, èn de zin voor het gemoedelijke, waarmede Bendemann ons met de Wijzen uit het Oosten in vast vertrouwen voort doet trekken, én de zin voor het verhevene, waarmede Vondel deze, in zijn bekend meesterstuk, het goddelijk Kind laat aanbidden. We zijn noodeloos hoog gesteigerd. Het was iets eenvoudigers, iets vrouwelijks, iets kinderlijks schier, dat haar schreijen deed; iets, dat u en mij,—laat ons het bekennen—ook is weêrvaren, wanneer wij, in verslagenheid des harten, der Heilige Schrift het oor leenden, en een zweem van gelijkenis, eene flaauwe analogie tusschen beide toestanden, de voorstelling vergeten deed, dewijl indruk of schok ons onwillekeurig in het tegenwoordige overbragt. We zagen op, of wij zuchtten,—een oogenblikkelijk gevoel, dat vele woorden zou hebben vereischt, indien wij het aan een' derde hadden willen verklaren,—een wensch, dien God verhoorde of vergaf. Om tot onze lezeres terug te keeren, de verrassing der vreugde, in de aangehaalde woorden zoo aandoenlijk uitgedrukt, trof haar diep: eensklaps werd zij te moede, als zag zij, tegen de graauwe winterlucht van den oostelijken hemel des IJstrooms, een wit zeil opdoemen, en eene diepe ademhaling vertolkte de bede:
"O, hoe blijde zou ik zijn!"
Moge mijn aanhef u niet allen lust tot verdere kennismaking hebben benomen! Immers, ik voorzie, dat ik zoo voorhoofdfronsing als schouderophaling te tarten heb, wanneer ik u die jonge vrouw, wanneer ik u Hanna vóór twaalf of vijftien jaren voorstelle, Aalmoezeniersweeze als zij was,—vondelinge, die in haar kleed het bewijs omdroeg, dat hare moeder haar van zich had gestooten, zoodra zij het licht zag; dat haar vader er zich welligt nooit over had bekreund, of zij bestond. Waarom zou ik het uwer kieschheid euvel duiden, dat zij zich aan de figuur ergert, schoon mij de proefneming aanlacht, u te overtuigen, hoe weinig wat gij het gemeenste leven heet, het goede, het schoone zelfs buiten sluit? Slechts nog één trek, welke der afzigtelijke wereld toebehoort, die mij niet minder walgt dan u; slechts nog één trek, en ik zal uwer verfijnde zenuwen geen geweld meer aandoen: Hanna was in het Huis gelukkig, schier bij uitzondering gelukkig te prijzen, daar de onnoozele ten minste in geen ziekelijk ligchaam de onverdiende straffe droeg der uitspattingen, der losbandigheid van hen, wier lust, niet wier liefde, haar in het leven riep. Schoonheid was haar deel. Stellig hebt gij in dichterlijke droomen dikwijls van de onwederstaanbare heerschappij gelezen, welke deze uitoefent, maar er in de werkelijke wereld schaars treffender blijk van gezien, dan dat, waardoor hare lieve heldere kijkers, haar goêlijk-mooi gezigtje soms voorbijgangers of toeschouwers verraste. Dáár stoven zij aan, op gracht of plein, de knapen uit het Diaconie-huis, de knapen, onwillekeurig nog vermetel op hunne betrekking tot de weleer heerschende kerk;—dáár ontmoetten zij haar, de burgerweezen, de jongens, die zich thans op hunne broederschap met van Speyk te goed doen, en wèl mogen zij het;—dáár omringden beiden haar, de eersten in hunne geestelijke, de laatsten in hunne stedelijke liverei, en deze als gene, verwaten op dien dos, zoo als alle onderscheidende kleederdragt het maakt—dáár zagen de wilden de gesmade Aalmoezeniersweeze vóór zich. Een gejoel ging op, het schimpwoord kwam op de lippen—maar wat was het?Hoerenkind! hoerenkind!—waarom bestierf het, eer het werd geuit? Geene bedenking, hoe leelijk het hun zou staan, vader- en moederloozen als zij waren, eene nog ongelukkiger, verlatener weeze dan zij, te smalen, geene bedenking van dien aard, welke hen weêrhield. Wat zich ook in onze weeshuizen ontwikkelt, de kweekelingen uit dezen blijven meestal vreemd aan die teederheid des harten, den kinderen in de nieuwjaarsversjes onzer poëten toegedicht—ook valt zij naauwelijks te vergen, waar het lot in de prilste jeugd zelfstandigheid tot voorwaarde van bestaan maakt. Het was dat echt-hollandsch-mooije, die blanke wangen, waaraan de roos hare schoonste tinten schijnt te hebben geleend, die liefelijke oogjes, wier blaauwe helderheid vrede en vreugde verkondigt, het was de schoonheid, die overwon.
"Eene knappe meid!" zei de oudste.
"Het arme kind!" zei de jongste.
En zij gingen verder,—want ge treft naauwelijks één' schalk aan onder tien schreeuwers.
En echter, niet minder dan of zij haar wreed hadden uitgescholden en ruw hadden bejegend, niet minder betrok bij zulke tooneelen dat gezigtje, 't welk slechts behoefde te zijn gezien om te worden gespaard: die kinders hadden hunne ouders gekend,—zij wisten ten minste wie zij geweest waren,—zij konden hunner in liefde gedenken. Zij, daarentegen!... En waarom ook zij niet?—Voortreffelijke Hanna!--eer de jaren der huwbaarheid aanbraken, waren de geheimen der kunnen haar ontsluijerd; maar niet door overprikkelde nieuwsgierigheid, niet door dartelen lust, niet door wulpschen zin. Smartende distels en weedoende doorns hadden haar die kennis ingescherpt. Onder de schepselen welke onze beschaving, onze zedelijkheid, ons christendom op de hoeken onzer straten en stegen duldt, onder die schepselen kon hare moeder schuilen,—en wie weet, welk voorbijganger haar vader was?—Voortreffelijke Hanna! herhaal ik. Vraag mij niet, hoe zij tot die waarlijk menschelijke, tot die echt kinderlijke, tot die vrome beschouwing van haren toestand en dien harer moeder gekomen was; maar in het Huis werd de bijbel gelezen, en het woord van Hem, wiens uitspraken licht en liefje zijn. Het woord: "Wie van u zonder zonde is, werpe den eersten steen op haar!" was balsem geweest voor haar gekrenkt gemoed; het bragt verzoening te weeg. En, zonderlinge zegen in strafheid, in miskenning, in onregtvaardigheid bedeeld!--de verwijten, bij welke zij de onschuld harer gedachten had ingeboet, maar door wie zij tevens in de kennis met wapenen was toegerust—zij behielden haar in de ure der verzoeking, toen zij dienstbare geworden was in eene aanzienlijke woning, en de verleiding haar aanlokte, niet slechts in den glans van goud, maar ook in den bloei der jeugd. Hare moeder stond haar voor den geest;—hare moeder, die eens onbevlekt was geweest als zij;—hare moeder, die misschien viel, dewijl ze niet gewaarschuwd was;—hare moeder, die mogelijk op dat oogenblik een leven van zonde op een leger van smarte boette. Herinnerde deze zich harer, wenschte zij haar bij zich? O, de tranen, welke er langs Hanna's wangen vloten, dewijl ze haar in dien jammer niet bij konde staan, dewijl zij het kussen van de stervende niet zacht mogt schudden, dewijl ze haar niet zeggen mogt, hoe van harte zij vergaf, dat wieg en kreb, en bete en dronk, haar zoo hard, haar zoo karig gegund, haar zoo bitter waren geweest, dewijl ze haar niet goeden nacht mogt kussen en vergeving afsmeeken van Hem, wiens vergeving wij allen behoeven—die tranen, dat haar vader ze hadde gezien! Handwerksman— winkelier—ambtenaar—beursganger—weledelgeborene—of wat hij zij of was—God slechts kent hem—God slechts weet het—hij had zich voor zijne onechte dochter geschaamd, en hare knieën aangegrepen, zoo als de schuldige het die des monarchs doet, wiens woord genade verleent. Ook ik zou wenschen, dat er voor den onmensch geen leven nà dit leven ware!
Ziedaar, wat er soms onder een kornetje schuilt.
Willen wij Hanna voort laten mijmeren, voort laten lezen? Harer is een smarte, welke het toch niet in onze magt staat te verzachten. Ook heb ik haar u als jonge vrouw voorgesteld; ook ben ik u nog de vertelling harer vrijerij schuldig.
Welaan dan!
Dikwijls ben ik er getuige van geweest, dat menschen van hoogeren stand er zich over verbaasden, hoe geringe lieden zoo spoedig kennis maken, en in eenige oogenblikken onder elkander niet slechts gemeenzaam, maar zelfs vertrouwelijk worden. Eilieve, wat vreemds steekt er in? Verre van mij ditmaal uit te varen tegen het weinig toeschietelijke der zeden van onzen fatsoenlijken kring. Het is de schaduwzijde onzer huiselijkheid, wier zachte glans minder zou uitkomen zonder deze, al gaat het ons soms bij haar als bij Rembrandt's schilderijen: jammer, dat die groep niet even mooi zou zijn, zonder dat donker. Stil, geene heiligschennis! En ten einde wij niet afdwalen, wat wagen dienstbaren met hunne openhartigheid? armoede is aller lot. Verblijdt er u over, zoo dikwijls u een trek uit het volksleven verrast, met een blijk, dat wederzijdsche, belangelooze welwillendheid, onder onze mindere standen, ondanks hunne behoeften, groot, zeer groot is,—zoo dikwijls hunne onderlinge hulpvaardigheid mij en u beschaamt—ik heb er de Hollandsche, de Amsterdamsche gemeente te liever om.
Geen half jaar had Hanna nog op een der grachten van de hoofdstad gediend, of niet alleen haar groet werd beantwoord, maar hare toespraak uitgelokt; maar hare geschiedenis, droevig en kort als die was, meêlijdend aangehoord door eene oudere dienstmaagd, wier portret gij zelve teekenen moogt.
"Kind," zeî Machteld, "als ge wilt, ik zal de hand aan je houden, of ik je moeder was."
Dat was een hartelijk woord in haren toestand; Hanna sprongen de tranen in de oogen. Zoo was er dan iemand, die haar lief had, haar, de verlatene! Want al was zij de sombere vlagen te boven, in welke zij al haar godsdienst behoefde, om het lot, haar door den Hemelschen Vader beschikt, niet hard te vinden, er kwamen oogenblikken, waarin zij slechts al te zeer gevoelde, wat zij er in miste, "niet van eerlijk volk" te zijn. Geene jeugd, geen vrouwelijk gemoed, geene edele ziel, of zij voorgevoelt het geluk bemind te worden, de weelde lief te hebben!
"Als er geene smet op die meid rustte," zeî Jan, de koetsier, "dan zou zij al lang een' flinken vrijer hebben gehad."
"Ik zal krijgen wat mij opgelegd is," antwoordde Hanna, die de opmerking hoorde. Maar de predestinatie was kranke troost.
Het is waar, oude Machteld beweerde; "Hanna, ik ben nooit gehijlikt geweest, en ik heb er nooit over gekniesd; met Mei zal ik op het Hofje een kippetjes leven leiden, kind! wie wèl doet, wèl ontmoet," maar onze kennis, zij weerlegde, noch zij beaamde die woorden. Zij beloofde slechts hare moederlijke vriendin trouw te zullen bezoeken, als deze op hare muiltjes zoude gaan.
En woord hield zij, toen de tijd gekomen was, woord, iederen uitgaansdag. Het was lief te zien, hoe langzaam zij met de vrouw, die krukte, toen zij uit de drukte was, de binnenplaats van het gesticht om, en nog eens omwandelde, en stoel en stoof buiten in het zonnetje zette, den rug naar het licht, en het kussen haalde, en de steken in het breiwerk opnam, en de luimen vierde, welke de best zoo goed had, als wij allen die met hare jaren en kwalen hebben zouden.—Hoe wist Hanna zich, uren lang, in de stille wereld te voegen, die wereld te onzent voor den ouden dag geschapen: eene lieve, zindelijke woning, een bleekveld en een tuintje,—geenerlei onbevredigde behoeften, en het genot dier weldaden verhoogd door storelooze rust—of zoo deze wordt afgewisseld, dan slechts door die soort van gezelligheid, welke den grijze het liefste is, een praatje over het verledene, een praatje met een dankbare betuiging besloten.
Het was avond in den vóórwinter, acht of negen jaren geleden; de kat bakerde zich bij den kleinen haard, en het bestje mogt zoo zeggen, Hanna was bij haar:
"Kom, kind, lees mij eens wat goeds voor. Of het aan de letters, of aan mijn' bril, of aan mijne oogen schort, ik weet het niet, maar als ik het zelve doe, het gaat niet meer."
En Hanna knikte de zilveren krappen open, en las...
Maar wie trok daar zoo hevig de klink van de voordeur des gestichts op?—maar wie stapte daar zoo driftig over de gele klinkers van den binnenhof?—maar wie... ja, hij moest aan het huisje van oude Machteld zijn, zij zelve hoorde het duidelijk, 't was als kende zij die stem!
"Moeije! Moeije!" riep de borst, die al binnen was, eer Machteld haar vermoeden aan Hanna had medegedeeld, en de armen van zijn kabaaitje om de smalle schouders der oude sloeg. Poes, die verschrikt onder de bedstede vlugtte, Poes, die hij zwaaijende langs was gestoven, Poes werd vergeten: er schoten waterlanders van onder Machteld's grijze wimpers, bij de tehuiskomst van den zoon eener veel jongere, vroeg verscheidene zuster. Het bestje—ik zeide het reeds vroeger—het bestje was nooit getrouwd geweest; zij had, zoo als zij Hanna diets wou maken, zelfs nooit gevrijd; maar des ondanks had Machteld, zoo als Beets fraai heeft gezegd, "de melk toch in het bloed," en haar gevoel had hare groene jeugd overleefd.
"Dag, mooije meid!" voer de pikbroek voort, want dat was hij, en hield Hanna om haar middel gevat, en gaf haar een' kus, die klonk als eene klok, eer zij het hoofdje kon alwenden. De Hollandsche jongen had zoo lang zwarte nikkertjes gezien, dat hij gaarne ieder blank meisje zou hebben gekust.
"Bart! Bart!" riep Machteld. Het werd eene predicatie, als had zij geen' zeerob maar een' wever tot neef gehad, Janmaat zou er zich geene zier om hebben bekreund, was Hanna niet zoo spoedig opgestapt, had Hanna maar van tehuisbrengen willen hooren!
"Toch niet," zei ze, vrij streng; en toen hij alevel opsprong, oef! toen had dat mooije gezigtje eene waardigheid—die Bart overtuigde, dat de gelegenheid voor dolle grappen met de zwarte nikkers vervlogen was.
En echter, lief meisje, dat zulke manieren onbeschaamd vindt, al ergert gij er u aan tot kleurens toe, echter ging Bart—geen ligt matroos, maar iemand, die na nog eene reize uitkijk had derde stuurman te worden—echter ging Bart niet weder naar het zeeregt ter monstering, of, zonder dat Hanna er een woord van gerept had tegen oude Machteld, werd zij op een' Zondag avond te huis gebragt door iemand, wiens gang verkondigde, dat het dek zijn vloer was geweest, wiens hoed op één haartje stond, wiens halsdoek fladderde.
"Schel nog niet aan!" bad hij; maar het handje was aan den knop, en de schreeuwleelijkert ging over.
"God zij met je!" snikte Hanna.
Daar deed de kameraad haar open.
"Wel, meid, wat is je muts verfomfaaid en wat zien je oogen rood—waait het zoo?" vroeg de schalke deern, als had zij niemand gehoord, niemand gezien, als wendde Hanna niet nog eens het hoofd naar die donkere gestalte aan de waterzij, als knikte zij niet.
En toch, lief meisje, dat mij leest, toch zoudt gij Hanna ik zeg niet de zwakheid jegens Bart, maar de onopregtheid tegenover Machteld hebben vergeven, als ge veertien dagen later haar door de oude de les hadt hooren lezen over hare geheimhouding. "Waar het hart vol van is, loopt de mond van over, kind!" zei Machteld; "het was Bart niet mogelijk te zwijgen, dat je beloofd hebt je vóór zijne terugkomst niet te zullen verzeggen." En misschien hadt gij Machteld lief gekregen, toen zij Hanna dochter noemde, bij de verontschuldiging van deze:
"Wist ik dan of gij er niets tegen zoudt hebben? Machteld,—moederlief! Bart, zeidet gij altoos, Bart had geen matroos behoeven te worden, als een mensch zijn zin niet een mensch zijn leven was; en ik ben maar—"
Inderdaad, ik had mijn opstel welhet lezende vrouwtjemogen betitelen, zoo weinig gang is er in—nog altijd brandt de lamp, nog altijd staart zij voort—maar wees gerust, wij naderen het sombere heden toch. Een woord slechts over den jongsten Sint Nicolaas, en we zijn er.
O mijne broeders van den gilde, die, op den avond van dat feest, welligt naar iets piquants, iets nieuws, iets schoons hoop ik gezocht hebt, hetzij in het gewoel van de Kalverstraat, waar het weder, veroorlooft mij de uitdrukking,à pure perteeen grijnend gezigt zette,—hetzij in de woning eens vriends, wiens aanvallige kinderen door Ter Haar verdienden te worden geschetst,—gij die luisterdet en toezaagt, maar geen treffend onderwerp vondt, neen, alle toestanden behandeld, versleten, afgezaagd scholdt,—het is mij dikwijls als u gegaan. Dat gij Hanna hadt ontmoet, dat gij in hare ziel hadt kunnen lezen! Welligt zijt gij haar roer langs het lijf gesneld, welligt merktet gij haar niet eens op,—bovendien, wien onzer is de gave bedeeld, onder zoo armelijke plunje den schat van waarachtig gevoel te zien, welken zij dikwijls verheelt? Het vrouwtje—gij vermoedt reeds dat zij met Bart trouwde,cela va sans dire,—het vrouwtje zocht haren weg door den mist, terwijl hare verbeelding de weergalooze helderheid van eenen keerkringsnacht om zich zag.
De tegenstelling luidt sterk; maar, wat mooijer is, zij is waar ook.
Hoe had Bart haar den luister dier gezegende luchtstreek beschreven, toen hij, van een' derden togt naar Indië teruggekeerd, haar verraste, een kind, een knaap aan de borst!
Zie, ik mag haar in dien toestand niet voorbij zien, al ben ik u de verklaring schuldig, wat hem bewoog van een' nacht onder dien schitterenden hemel op te halen; waarom zij juist toen dat tooneel gedacht.—Hoe beminnelijk zag zij er uit, Hanna met lot en leven verzoend, Hanna de vrouw, Hanna de moeder, Hanna, die nu niet langer geloofde, dat de hare heur wichtje, haar zelve van zich had gestooten! Het te vondeling leggen was een gruwel der baker geweest, die de moeder zeker had diets gemaakt, dat haar kind dood geboren was. En nu Bart, die schreide, zoo als een man schreijen mag, van weelde, van verrukking, van zaligheid, bij het zien van zijn evenbeeld, van zijn kind, dat niet bang scheen voor zijne ruwe handen, dat niet wegkroop voor zijn' harigen kus, die hem de armpjes toestak!
Hanna's gemoed, zeide ik, was vol van den keerkringsnacht. Of had Bart haar dien, in zijne kunstelooze, maar waarachtige poëzij des harten, niet beschreven, zoo als lucht en zee er uitzagen, toen hij met een' braven ouden matroos aan den steven stond te praten? Deze had afgezien naar de stille zee, en opgezien naar den stillen hemel, "die zoo wèl bij elkander pasten," zei Bart, in zijnen eenvoud, "licht beneden, licht boven, licht rondom ons."
"Stuurman," had Jaap, de oude matroos, gezegd, "is het geen afschaduwing des hemels? Ik zou niet vreemd opzien, als mijn Guurtje mij in de eeuwigheid in zulk een licht te gemoet kwam."—
Guurtje was 's mans mooije dochter, aan de tering gestorven.
En Bart—woeste, wilde natuur als hij was, had den oude willen afschepen met een: "Wat schort je, paai?" maar zijne stem was in zijne keel blijven steken. Dien ganschen dag, had hij Hanna verzekerd, was hij reeds angstig te moede geweest, al wist hij niet waarom; immers het schip liep als een pijl uit een' boog, en aan zijn werk haperde geen zier. Maar bij die woorden van den oude was hem het hart week in het lijf geworden; hij had Hanna voor zich meenen te zien, stervende...
En het eene woord van den ouden matroos had het andere uitgelokt; maar laat ons Bart zelven laten spreken.
"En ik vertelde hem hoe goed wij het hadden—hoe lief ik jou heb; dat behoefde ik hem niet te zeggen, hij had het wel gehoord, toen ik zoo angstig uitriep: "Jaap, als haar uurtje eens geslagen is!"—want ik maakte er voor hem geen geheim van, dat je mij, vóór ik heenging, zei, dat je geloofde... Weet je nog, Hanna, dat de tranen jou in de oogen kwamen, toen ik bij jou haperen een' voet van den grond sprong, en hoe je mij zeî, dat ik altijd zou mogen denken, dat ik je gelukkig had gemaakt, als ik je eens niet weêr zag? Toen wou ik er niet van hooren, dat je sterven zoudt; toen beloofde ik jou, dat ik je hoornen en schelpen meê zou brengen voor den kleinen Bart,—den kleinen Bart! daar is hij waarachtig!--o wat een jongen! hij grijnt niet, als zijn vader hem zoent! Hier, Hanna! ik moet jou ook eens kussen: het was "man!" toen ik weg ging, nu is het: "vaêrtje!"—Maar in den nacht, waarvan ik sprak, toen was die man een kind; zie, de datum heugt mij nog, het was de vierentwintigste September—"
"Toen ben ik bevallen, Bart!"
"Dach ik het niet al," zei oude Jaap, "dat het bijgeloof was?" "Stuurman," zei hij, "ik ben geen fijmelaar; maar was ik jou, ik ging naar mijne kooi, en ik deed een gebed, dat zal je lucht geven." En, Hanna—gelooven moet jij het, want je weet, ik geef me niet beter dan ik ben—al kon ik in de kerk den Dominé meestal in het bidden niet volgen, ook al jookten mij geene wilde haren onder den neus, wijl die mannen zulk een' schat van mooije woorden hebben, in dat gebed liepen mijne gedachten mijnen woorden vooruit. "Onze Lieve Heer zal er wel wijs uit worden," zei ik, toen ik snikkende "Amen!" sprak, "en er voor haar wel bij zorgen," want ik had Machteld-moei in mijn gebed vergeten, de sloof, die mij bidden heeft geleerd—ik vergat haar om jou."
Stel u eens voor, hoe Hanna Bart bij die woorden aanzag!
"En de Heer heeft mijn gebed verhoord; dat doet Hij altijd, als wij maar vurig bidden," voegde de gelukkige echtgenoot en vader er bij; doch hier ook braken Hanna's herinneringen op dien Sint-Nicolaas-avond af. De woorden van ouden Jaap, welke Bart er, in den overmoed zijns geluks, zoo achteloos op had laten volgen: "Tenzij het beter voor ons is, dat Hij ons de bede weigere,—zoo als Hij mij het sterfbed van mijn Guurtje deed, die ik niet weêr zal zien, vóór in de eeuwigheid—" die woorden gingen te loor in een' zucht.
En waarom?
Helaas! door den mist heen zag zij in het dok hier en daar licht op de schepen,—maar zijn schip, waar was het? Had zij dan niet vurig gebeden?
Foei, dier verbijsterende gedachten mogt zij niet toegeven. Hare kindertjes,—hun was sedert ook een dochtertje geboren,—hare kindertjes verbeidden haar te huis; de bloeden moesten toch eene kleinigheid hebben, al was haar hart meer voor rouw dan voor pret gestemd. Voort dan, voort! Daar was zij aan het winkeltje, waarin die weeûw Sint Nicolaasgoed verkocht. Bij wie anders zou zij het halen dan bij die vrouw, welke zoo sober rondkwam, die weeûw...
Het schip was al twee maanden over den tijd uitgebleven!
En van Sint-Nicolaas-avond tot den avond vóór Kerstijd zijn negentien dagen, negentien nachten, wier lengtezijkent, die wacht.
Lees voort, Hanna, lees voort! Wat zoudt gij beter doen?
Een Oost-Indievaarder op de kust is een belangrijk nieuws; want aan honderd derzulken hangt het lot van duizenden en tienduizenden, hangt schier het lot van ons volk. Als hij Texel is binnengeloodsd, dan stort hij zijn' hoorn des overvloeds in den schoot van het dankbare Vaderland leêg. Welligt brengt hij de laatste vurig verbeide tijdingen uit het gewest, waarin schier elk tegenwoordig betrekkingen of bloedverwanten heeft, en zijne lading onderhoudt onze gemeenschap met alle deelen der wereld. Wees geprezen, eiland der eilanden, dat rijken beschaamt! Of verdringt niet de Java-koffij alle andere?—de tallooze soorten der West-lndiën in Europa,—de Mocka bij Tartaar en Turk?—Of kruiden, van het eene schiereiland tot het andere, kruiden, beide Spanje en Zweden, hunne geregten niet met onzen nageloogst? Of is ernegusvoor den Yankee zonder den geur onzer Molukken?—Laat Duitschland stoffen op zijne bietekroten, èn Oost-Zee èn Zwarte Zee begroeten om strijd koffen en brikken met de gelouterde suiker van Java belaân. Willen wij voortvaren op dien toon? Het tin onzer bezittingen ziedt in al de smeltkroezen van het vaste land, en de Java-indigo leent zoowel het gewaad der blanke dochteren van het Noorden als dat der bruine schoonen van het Zuiden zijne frissche kleur. Doch voltooi zelf de aangelegde schets: voorzeker, een Oost-Indievaarder, die te huis komt, is een verheugend, een verheffend schouwspel, door den voorspoed des lands, de welvaart des volks er aan verknocht!
Helaas, dat ik u de keerzijde van den penning moet laten zien; een schip van Java verbeid, doch dat uitblijft,—langer dan andere, te gelijk afgezeilde,—weken, maanden langer dan eenige later vertrokkene en toch reeds aangekomene bodems,—welke geheel verschillende gewaarwordingen wekt het op,—welk leed berokkent het! Het onthoudt,—zie eens, hoe aller belangen zaamgeschakeld zijn in ons burgerlijk landje!--het onthoudt zoo vele handen der smalle gemeente dagen lang werk, aan zoo vele monden dagen lang brood! Het schijnt eene streep te zullen maken door de rekening van de werf, waarop net zou zijn gekalefaterd,—het dreigt eene winstderving te worden voor makelaars en kooplieden, die de carga reeds opsomden, ieder voor zich een zóóveelste. Het jaagt de vreeze voor een aanzienlijk verlies in het hart der verzekeraars, onder welke er zijn wier evenaar wankel genoeg staat zonder dit gewigt in de kwade schaal,—en het is een doorn in het vleesch der directeuren van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, wier raming er door gestoord, wier schikking er door belemmerd wordt. We zijn er nog niet! Het ontrust tot de ministers van koloniën en van financiën, tot de hoogste ambtenaren der kroon toe; want wie hunner mag onverschillig zijn voor iets dat op de kaai, in het dok, aan de beurs, schrik en angst verspreidt? Den koning der Nederlanden, zou ik schier durven zeggen, gaat het lot van zulk een' bodem ter harte! Want de wortels der eeuwenheugende eiken, waaruit hij is opgebouwd, schaduwden, door hun omgrijpen en uitschieten, in de wouden en op het gebergte, slechts flaauwelijk de duizende slagaderen des maatschappelijken levens af, waarmeê het in aanraking kwam, waarin het greep, toen het op het Y vlagge en wimpels zwierde,—luister onzer handelsvloot, als het was!--die het zal kwetsen en stremmen, wanneer het nooit uit den schoot der wateren weêr opdaagt,—beladen als het werd met de weelde van het Oost!
En sla nu dat blad vol onheilspellende cijfers eens digt, en waag een' blik op het lot van hen, die, droomende van vaderland, vrienden, vrouw welligt, op dien bodem, onder stormen-zwangeren hemel, in stik donkeren nacht, misschien eensklaps den dood voor oogen zien,—of uren, dagen lang, beurtelings door hoop en vrees gefolterd, op eenen oceaan ronddrijven, slechts verlicht, ten einde ze zijne onmetelijkheid zouden erkennen, en het wanhopig makende ijdele gevoelen der hersenschim van redding, waarmede een enkele hunner zich nog vleit. O, de rust in den schoot der wateren is verkieslijk boven de verlenging van zulken angst!--en "de barmhartigheden des Heeren gaan over alle Zijne werken!" op het vuur en in den vloed, voor altijd en eeuwigheid,—dat staat tot onze vertroosting geschreven. Vertroosting? Ach, hunne betrekkingen,—ach, mijne Hanna!
Hooger lof heb ik voor onzen volksaard, voor de ontwikkeling der weeze, voor hare vroomheid niet, dan de betrekkelijke kalmte, waarin ik u haar schilderen mogt. Hoe verheven schijnt ze mij! Een beeld uit den vreemde zou de diepte des gevoels aanduiden, door den waanzin, waarin het onderging,—en echter, hoe hoog Hanna boven die hartstogtelijkheid sta, het ware der waarheid geweld aandoen, zoo ik het menschelijke verzweeg. Opgerezen uit haren stoel, heeft zij den Bijbel digtgeslagen, en ging zij naar het wiegje in gindschen hoek, en ligtte het kleed behoedzaam ter zijde,—haar dochtertje sliep gerust. "God zal deernis hebben met hare onschuld!" zeide zij.
En nu, daar leunt zij tegen de kribbe van haren eerstgeborene, van haren Bart,—wat aarzelt gij?—Eer zij het hoofd op haar slapeloos kussen neêr kan vleijen, moet zij hem toch even zien, hem, zijn vaders evenbeeld. Verduisterd door tranen, als ze zijn, laat zij hare oogen lang op hem rusten. Wraak het, zoo gij durft, dat de wensch haar op de lippen komt:
"Och, dat hij klopte!"
Hoe zij luistert!
Vergeefs!
"Ik zal morgen opgaan,—of God mijn geduld, mijn geloof versterken wil!"
Doe het, Hanna! Martelaresse als ge waart in uwe geboorte, martelaresse als gij dreigt te worden in den echt, doe het! En welke hoofden er zich buigen mogen,—aanzienlijken en armen, gevierden en geringen—allen, die u kennen, zullen bidden, dat op het uwe het eerst het licht dale, dat van boven is. Want wien onzer zal het zoo zwaar vallen, zich zelven te verloochenen, als gij het u zult doen in het berustende:
"Uw wille geschiede!"