Elfde Hoofdstuk.In de woonkamer van het slot waren de donkere gordijnen toegeschoven, en dáár, waar vroeger de groote, ouderwetsche sofa geplaatst was, stond nu het ziekbed van Nelly’s moeder; zij was zeer ziek geworden op dien ongelukkigen morgen, toen zij haar zoon zocht en niet vond; het zwakke leven worstelde met den somberen engel, wiens onheilspellende nabijheid men in het vertrek scheen te bespeuren. Als in een cirkel draaide hare verbeelding om dien dag, waarop zij bij het bloedige, verstijfde lichaam haars echtgenoots gestaan had; nu eens washijhet, dien zij aanzag, dan weder was het den zoon, en op hartverscheurenden toon bad zij hem, toch niet te sterven, haar ook niet te verlaten; zij kon zonder hem immers niet leven. Het was thans stil in het ruime vertrek; een slanke meisjesgestalte, die telkens angstig luisterde naar de verwarde woorden der kranke, zweefde met bijna onhoorbare schreden over het oude tapijt, legde met zachte hand de kussens terecht en boog zich onderzoekend over de zieke heen, om naar haar zachte ademhaling te luisteren, als zij ingeslapen scheen. Ja—lompenmolenaars Liesje deed voor de tweede maal dienst als samaritane op het slot Derenberg, en het was nu al de tiende dag, dien zij er doorbracht! Het waren lange, bange dagen en nog bangere nachten geweest; heden wasde koorts iets afgenomen, zooals de dokter zei, en de uitgeputte zieke sluimerde nu.Liesje nam een boek van de tafel en ging aan het venster zitten, dat een weinig licht doorliet; zij leunde met het hoofd tegen haar stoel en sloot de oogen. Hoe vreemd was het toch, dat zij nu weer hier boven in het slot zat, dat zij gedacht had nooit weer te zullen betreden! Tante had haar op een morgen met groot geraas gewekt, en in de huiskamer vond zij Nelly, die doornat van den dauw, bewusteloos op de sofa lag! Hoe was zij geschrikt! Uren waren verstreken, vóór men het arme kind weder tot bewustzijn gebracht had; maar vóór het zoover was gekomen, was de deur der huiskamer in de ouderlijke woning open gedaan en hadhijop den drempel gestaan. Zij had een gil gegeven van ontsteltenis en schrik; ja van schrik, want hij, die daar binnentrad met dien diep smartelijken trek om den mond, de oogen zoo wezenloos op haar gericht—dat was de vroegere Army niet meer, de vroolijke levenslustige Army, met de trotsche schoone trekken.“Is mijne zuster hier niet?” had hij gevraagd, en toen zijn blik op haar viel, zooals zij daar bleek en bewusteloos nederlag, had zijn gelaat een uitdrukking gekregen van het diepste medelijden.Wat er verder gebeurde? Tante Marie en hij hadden samen gefluisterd; Liesje had echter alleen de woorden verstaan: dat zijne moeder zeer ziek was en hulp noodig had; Sanna was zoo onhandig en grootmama klaagde over migraine; en nu Nelly ook nog, die arme Nelly!“Ik ga mede,” had Liesje verklaard. En toen was zij met hem zwijgend meegegaan. Geen woord had hij toen tot haar gesproken, en geen enkel woord was tot nu toe over zijne lippen gekomen, hoe dikwijls hij ook zacht de ziekenkamer binnentrad en het bedgordijn opendeed, om zijne moeder te zien. En Liesje wist, waarom hij zoo somber en stil was. De blinkende verlovingsring ontbrak aan zijne hand, en dedroombeelden der zieke hadden haar de ongelukkige zaak geheel duidelijk doen kennen. O, dat schoone, valsche schepsel! Hoe haatte Liesje die trouwelooze! Wel had Nelly gelijk gehad, toen zij beweerde: “zij heeft hem niet lief.” Maarhij, och, kon zij hem maar iets vertroostends zeggen!Zacht werd de deur der ziekenkamer opengedaan, en Nelly trad binnen.“Wat slaapt zij gerust!” fluisterde zij, een blik op de zieke werpende, en ging op een bankje, aan de voeten harer vriendin zitten. “God zij gedankt! De dokter oordeelt, dat het gevaar voorbij is; ach, Liesje! wat ben ik gelukkig! Ik gevoel mij nu ook weder sterk, en gij zult nu van nacht slapen, gij goedhartig schepsel!”“Neen, dat zultgijdoen, Nelly. Geen tegenspraak!” antwoordde Liesje beslist; “de dokter wil er volstrekt niet van hooren, dat gij waken zult. Gij slaat een doek om en gaat wat in de frissche lucht; uw broeder zal u zeker gaarne vergezellen.”Nelly schudde treurig het hoofdje. “O ja, hij zal wel meegaan—maar Liesje, gij weet niet hoe akelig het is, zoo alléén met hem te zijn! Hij loopt somber naast mij, en dan begint hij plotseling als in vertwijfeling vroolijk te fluiten. Bij u ben ik het liefste. Wanneer gij en uwe tante er niet waart, en uwe goede moeder niet zoo voor ons gezorgd had, had het hier boven er slecht uitgezien.”“Maar, Nelly!” fluisterde blozend het jonge meisje en lei haar hand op den mond harer vriendin—-Terwijl de jonge meisjes zulke woorden in de ziekenkamer wisselden, zat de oude barones peinzend boven in hare kamer. “Eenmaal moet het toch zijn,” sprak zij ten laatste halfluid, “ik moet met hem spreken, wat er nu dan toch gedaan moet worden.” Zij stond op en belde. “Ik verzoek mijn kleinzoon hier te komen,” beval zij Sanna kortaf en onvriendelijk, en ging weder zitten.Door de roode gordijnen drong slechts een flauw lichtnaar binnen, want buiten was de lucht betrokken en een scherpe herfstwind begon met kracht de bladeren van de boomen te schudden; in den haard flikkerde een houtvuur en verlichtte de roode kussens en gordijnen; door dien weerschijn was het, alsof de verschoten kleuren weder haar ouden gloed hadden verkregen; somber staarde de barones in de spelende vlammen.“Binnen!” riep zij, toen een haastig tikken op de deur gehoord werd.“Ik wilde u juist om een kort onderhoud verzoeken, grootmama,” begon Army, binnentredende met eene buiging en achter den stoel staan blijvende, die de oude hem met de hand aanwees. “Mama wordt beter; ik moet vertrekken.”“Zoudt gij in dienst kunnen blijven?” vroeg de oude barones onverschillig.Hij zag somber voor zich.—“Ik weet het niet,” sprak hij toen, “voorloopig hangt dit van de stemming mijner schuldeischers af. Trouwens, zoodra het bericht van mijn verbroken engagement wereldkundig is, zullen zij wel als een troep jachthonden op mij afkomen; de zaak komt bij het regiment; de overste zal mij vragen: ‘betalen of niet?’ Dan komt het slot. Het noodlot zalmijachterhalen, evenals vóór mij reeds zoo menig ander.”De oude dame had even kalm naar hem geluisterd, alsof hij over een vroolijke partij sprak.“Hellwig moet raad schaffen,” sprak zij op beslisten toon.“Hellwig? Ja, als hij geld kon maken! Hij heeft nog onlangs de onmogelijkheid erkend, mij tweehonderd daalder te bezorgen; eene som, die ik den wagenmaker op een bepaalden tijd moest betalen. De man wilde geduld hebben, tot ik—nu, tot ultimo October,” eindigde hij kortaf. “O, zij wilden allen wel wachten; het had geen haast—beware! Ik was immers de neef van tante Stontheim en op het punt, hare nicht te huwen—”“Hoeveel bedragen uw gezamenlijke schulden?” vroeg zijne grootmoeder.Hij maakte een afwijzende beweging met de hand.“Wat kan dat schelen? Ze kunnen toch niet betaald worden!”Een lange stilte ontstond. Army beschouwde schijnbaar zeer aandachtig een Italiaansch landschap in een vergulde lijst. Buiten was de wind hevig opgestoken; hij huilde in den schoorsteen, en joeg de vonken over het oude tapijt tot op het zwarte, wollen kleed der oude dame.“Army, er is slechts één middel, om u en ons te redden!”Hij keerde zich langzaam om en zag haar vragend aan.“Gij zoekt zoo spoedig mogelijk een andere rijke partij.”“Wat bedoelt gij, grootmama?”“Er zijn meisjes genoeg, rijke, knappe meisjes, die zich een man koopen, zooals men dat noemt—”“O, zoo, ik begrijp u,” antwoordde hij los weg.“Bedenk, Army! het betreft hier niet alleen uwe toekomst, het geldt ons allen.”“Hebt gij mij nog iets anders mee te deelen?” vroeg hij op een toon, die verstommen deed. “Niets? Dan zult gij mij wel vergunnen afscheid te nemen; ik wilde graag weten hoe het beneden gaat.” Hij boog zich en ging heen.Bijna werktuigelijk richtte hij zijne schreden naar de ziekenkamer; in het voorvertrek bleef hij staan; het was alsof hij daar binnen hoorde fluisteren; toen ging hij naar het raam en drukte het voorhoofd tegen de ruiten.Hetgeen zijne grootmoeder hem zooeven gezegd had, was als een bijtend vocht in de versche wonde, hem toegebracht. De hevige pijn dreef hem het bloed naar de wangen, voor zijne oogen zweefde nog steeds een aanlokkelijk beeld, dat hem steeds vervolgde, al deed hij ook duizendmaal zijn best het te verbannen; hij zag haar steeds voor zich, zooals zij er uitzag op dien dag na de opening van het testament, toen het zoo kalm en rustig geworden was in de prachtige villa; alle bezoekers waren vertrokken, de overste was in eenandere kamer ingedommeld, en hij bevond zich alleen met haar—voor de eerste maal sedert langen tijd. Hoe schoon was zij in dat donkere, met krip gegarneerde rouwgewaad, die gouden vlechten, met zwarte strikken saamgebonden! Zij lag peinzend in haar stoel, terwijl hij tot haar sprak; hij sprak van zijne liefde, van zijn verlangen haar te bezitten, van het zalig gevoel dat zijn hart vervulde. Of zij wel naar hem geluisterd had? De blik, dien zij op hem vestigde, toen hij hare hand greep, was hem als koud ijzer op het hart gevallen, en had hem met een angstig voorgevoel vervuld; in den loop van het gesprek was zij plotseling opgestaan en achter het deurgordijn verdwenen; het prachtige, goudkleurige haar zag hij nog even, toen het gordijn door den tocht van de opengaande deur omhoog waaide; toen was hij alléén met zijn overvol, bedroefd hart. Zij had hem nooit bemind, liet zij hem zeggen; zij had zich slechts naar den wensch harer tante met hem verloofd! En dáár boven, die gele, verdorde, vliegende bladeren in de lindenlaan, die hadden het gehoord, hoe zij hem trouw zwoer: hoe zij hem duizendmaal verzekerde, dat zij hem liefhad, liever dan alles op de wereld, en nu—nu was alles voorbij. Verkoopen zou hij zich—verkoopen, zooals grootmama hem geraden had!“Neen, liever nog een kogel—een kogel!”Hij kreunde en drukte de tanden op elkaar; waar was toch het geluk gebleven, waaraan hij zoo hoogmoedig geloofd had? De oude spreuk schoot hem te binnen: “Wanhoop nimmer, ’t geluk kan iederen dag komen.” Hoe dwaas, waarom had het geluk hem zoo spoedig verlaten?Daar klonk een zachte tred achter hem; hij keerde zich om—een hoogblozend gelaat zag tot hem op. “Uwe moeder vraagt naar u, luitenant,” sprak halfluid een heldere stem. Hij ging Liesje voorbij naar de ziekenkamer, en zij trad naar het venster, waar hij tot nu toe gestaan had. Buiten viel een fijne regen, die den omtrek in een vochtigen sluier hulde; zij staarde naar het huis harer ouders daarbeneden, maar kon het door de dikke lucht niet onderscheiden. “Wat zouden zij daar nu wel doen,—mijn moedertje, mijn vader en tante Marie? Zou mijn vader niet op de jacht zijn? Och neen, hij heeft het zoo druk op het kantoor, sedert de heer Selldorf zoo plotseling vertrokken is.” Weder vloog een donker rood over hare wangen.In het nevenvertrek was het eerst stil; de deur stond half open; Army lag geknield bij het bed zijner moeder, en nu klonk het: “Mijn lief moedertje, dacht gij dat ik doen zou als de jonker van Streitwitz? Neen, neen, ik heb u immers nog en Nelly.” Zijne stem klonk teeder en vertroostend, en toch was het, alsof met moeite weerhouden tranen de woorden onverstaanbaar maakten. En daarop de zwakke stem zijner moeder; Liesje kon de woorden niet verstaan, maar uit den toon der afgebroken woorden klonk het als een zoet vertroosten, als een blijde dank, dat zij haar zoon in de armen hield, de gansche onovertroffen volheid der moederlijke liefde, die helpen, steunen, raden wilde; zoo kalm, zoo zacht klonk het, alsof het gold een ziek kind in slaap te sussen.En daar opeens—was het werkelijk mogelijk? Dat klonk als weenen, als met geweld onderdrukt gesnik. Zou Army—? Liesje keerde zich plotseling om en luisterde met verbleekend gelaat—weenen de mannen dan ook? Zij ijlde naar de deur; zij wilde weg; hij mocht niet weten, dat zij gehoord had, hoe hij—Daar kwam hij uit de kamer zijner moeder, ernstig en de lippen op elkander gedrukt; maar de oogen—ja, die waren nog nat van de tranen, die hij geweend had—om zijn verlorene bruid.Zij stond vlak voor hem, de handen op de borst gevouwen, als wilde zij hem om vergeving vragen, dat zij hem zóó gezien had. Ook hij stond stil; hij zag haar aan en las innig medelijden in haar oogen. Kwam de herinnering weder bij hem boven aan den tijd, toen het kleine meisje den wilden knaap zoo dikwijls troostte, als hij bij hunne kinderspelen zijn geduld verloor en van spijt heete tranen weende?“Liesje,” sprak hij vriendelijk en dankbaar, en reikte haar de hand.“Army, lieve Army,” klonk het door snikken half verstikt terug; hij voelde een oogenblik haar kleine hand in de zijne; toen was zij verdwenen.Twaalfde Hoofdstuk.In het slot Derenberg was alles weder tot het eentonige leven van vroeger teruggekeerd. Na Army’s vertrek was het zeer stil geworden in het oude slot. De nood sloop door de groote, ledige zalen en met hem—de zorgen.“Gijmoetraad schaffen, Hellwig,” had de oude barones tegen den getrouwen raadsman der familie, half biddend, half bevelend gezegd. “Gijmoet! Binnen korten tijd moet er geld zijn, opdat het onweder niet nu boven mijn kleinzoon losbarst! Het verdere schikt zich later. Komt tijd, komt raad!”En de oude man had met een bezwaard gemoed de belofte gedaan, te zullen beproeven “den duivelschen jongen, dien Army, uit den brand te helpen;” maar tevens had hij er naar gevraagd, op welke wijze de barones het verdere dacht te schikken? En toen zij op haar zenuwachtige manier den vriend der familie eenigszins had laten vermoeden, van waar zij redding hoopte, had hij bijna weemoedig geglimlacht, en een vragend “nog eens dat gevaarlijke middel?” was over zijne lippen gekomen. “God geve,” had hij er bij gevoegd, “dat het deze maal beter uitvalt! Voor het overige, mevrouw de barones, gaat het tegenwoordig zoo gemakkelijk niet meer, als gij denkt; de wereld is in den laatsten tijd onaangenaam praktisch geworden; vaders, die zulk een jongen adellijken windbuil met open armen ontvangenen er eene eer in stellen, zijne kolossale schulden te betalen, worden steeds zeldzamer—het geld is schaarsch, zeer schaarsch, mevrouw de barones! Maar wat lichtzinnigheid is het ook, om equipages en zijden meubels voor mejuffrouw de bruid aan te schaffen! Dat was later vroeg genoeg; men moet de huid van den beer niet verkoopen, eer hij gevangen is. Gij, barones, die zooveel ondervonden hebt in uw leven, gij hadt den jongen bij de ooren moeten krijgen, en hemmoresmoeten leeren; hij was vroeger altijd gemakkelijk te leiden.”De oogen der jongere barones hadden zich verwijtend op hare schoonmoeder, smeekend op den ouden man gericht; de smeekende oogen hadden hem zoo ver gebracht, dat hij ten minste beloofde, zijn best te doen—-Liesje was reeds lang naar het ouderlijke huis teruggekeerd, en had den innigsten dank van Nelly en hare moeder meegenomen. Zij kwam bijna dagelijks in het slot, en haar vroolijk gekeuvel, haar vriendelijke verschijning bracht uren van zonneschijn in die stille, hooge vertrekken; Nelly vergat dan voor een poos hare droefheid, om zich trouwens later dubbel ellendig te gevoelen.Hoe goed heeft zij het! dacht zij, wanneer hare vriendin zoo vlug door de nu geheel ontbladerde lindenlaan, naar huis ging. Zij stelde zich het aangename “te huis” van Liesje voor, en zag in haar verbeelding, hoe zij den arm om den heer des huizes heensloeg, en hem haar lief vadertje noemde, op wien zij zoo trotsch, zoo trotsch kon zijn—en dan vloeiden weder Nelly’s oogen over van bittere tranen.Zoo was November gekomen, met zijn donkere dagen; de stormen huilden weder om het oude slot, zooals zij reeds eeuwen gedaan hadden; zwaar en vochtig dreven de wolken over het landschap, en regen, vermengd met sneeuw, sloeg kletterend tegen de ruiten. Zulk weder oefent zijn invloed op elk menschelijk wezen, en vooral op eene zieke, die zoo zeer behoefte heeft aan opwekking, en onwillekeurig komtde vraag op de lippen: “Zal voor mij wel ooit de zon weer schijnen? Zullen voor mij de stormen wel ooit weder zwijgen? Gelukkig de mensch, die hopen kan, ook in dagen van diepe smart!”Zij fluistert toch nog altijd vertroostende woorden tot de verslagene ziel, en schildert op den donkeren achtergrond lichtende arabesken en bekoorlijke bloemkransen, waartusschen allerhande gelukkige, vurig verlangde beelden der toekomst doorschijnen; de weenende oogen kunnen dan weder met vertrouwen opzien en de benauwde borst haalt ruimer adem; alles kan immers nog goed worden! En de tijd ging voorbij; eentonig en langzaam kropen de dagen voorbij. Wekelijks kwam er van den ver verwijderden zoon een brief, dien de moeder met angst en hartkloppingen openbrak; telkens vreesde zij, er een slechte tijding uit te zullen vernemen! “Bespeurt gij wel, hoe ongelukkig hij is, zoo verstrooid, zoo geheel anders dan vroeger?” zuchtte Nelly dan en herlas telkens en telkens weder den brief, wiens kortheid een diep bedroefd hart scheen te verraden.“Het gaat hem goed,” was de oude barones gewoon minachtend te zeggen; “hij hoopt het ook van ons; hij heeft veel dienstzaken te verrichten—voilà tout!Hij is geen man; anders zou hij alle pogingen in het werk stellen, om het uiterste te voorkomen. Och hemel! dat ik in zijne plaats ware, zóó jong, en het leven vóór mij! Die onzalige gevoeligheid, die uit louter droefheid over het verlorene, den moed niet heeft om naar een nieuw geluk te streven—Orribile! Het is ons aller ongeluk; ik had nooit gedacht, dat hij ook zoo was.”En bevend van ergernis zette de oude dame zich neder om een brief aan haar kleinzoon te schrijven, en hem moed in te spreken, en een anderen aan Hellwig, ten einde hem aan te sporen, de zaak betreffende de schulden zooveel mogelijk op te houden.November was ten einde en December kwam met zijnstormen; zij huilden in de hooge schoorsteenen en deden de roestige weerhanen op de torens knarsend gieren; zij bogen en schudden de oude boomen in het bosch; de regen kletterde evenals vroeger tegen de ruiten, en doorweekte de paden in het park, totdat in een helderen winternacht de felle vorst gekomen was, die de wegen zoo hard en glad als een rijbaan maakte; hij bedekte den dijk met een spiegelblanke ijskorst, en de velden en wegen met de eerste fijne sneeuwvlokjes.“Het is binnenkort Kerstmis,” zeiden de lieden in het dorp en verheugden er zich over. “Het is spoedig Kerstmis, mama,” sprak ook Nelly tot de sukkelende vrouw, die bij den haard zat te breien, maar in haar gelaat blonk geene vreugde bij het vooruitzicht van het heerlijke feest; “of Army ook zal komen?” vervolgde zij vragend, en hare moeder omhelzende, zeide zij: “lieve mama, ik wil geen enkel geschenk hebben, als Army maar komt.”“Nu is het spoedig Kerstmis,” riep Liesje hare tante juichend tegemoet, toen zij des morgens alles met sneeuw bedekt zag—het klonk zoo hartelijk opgeruimd, dat de oude vrouw haar verbaasd aanzag. Was dat meisje dan in de laatste weken niet geheel veranderd? De oude dartelheid, die haar zoo bekoorlijk stond, waarmede zij ieders hart won, blonk weer uit hare groote, blauwe oogen; hare wangen bloeiden weer even rooskleurig, als vroeger, en dit wonder was klaarblijkelijk geschied, toen zij—ja, toen zij uit het slot naar huis teruggekeerd was. Evenals vroeger schertste zij met haar vader, en voerde allerlei guitenstreken uit, die zelfs hare moeder hartelijk deden lachen.En nu was Kerstmis aanstaande. Toen de oude vrouw haar aanzag, fluisterde de kleine mond dicht aan haar oor, en zij verstond zoo iets van Christeskindje, van Kerstboomen, en Kerstgeschenken en van iets zoo heel, heel fraais voor tante, als zij zich niet kon voorstellen.En al deze vreugde en dit gejubel was in een enkel oogenblikte voorschijn geroepen: het enkele woord “Liesje!” uitgesproken op een teederen, dankbaren toon, en een enkele, vluchtige handdruk!—En eindelijk was de heilige avond aangebroken over de wijde wereld; hij bracht in elk huis een helderen lichtglans; hij ontstak de kaarsen aan de groene boomen, in paleizen en hutten; en deze wierpen hun licht op vroolijke gezichten, op kostbare en eenvoudige geschenken; de kerkklokken luidden in de stille, koude winterlucht en noodigden de menschen tot een plechtige, dankbare feestviering; en hoog boven de verheugde wereld spreidde de hemel zijn donkeren blauwen mantel uit; in schitterende, fonkelende pracht straalden de sterren naar beneden, en “Eere zij God in den hoogen,” klonk het tot haar naar boven,“in den menschen een welbehagen en vrede op aarde!”“Vrede op aarde!”Er waren ook woningen, waar de weldadige gast geen ingang vond, en harten, zeer vele harten, die geen ruimten voor feestvreugde hadden, omdat leed en smart hen geheel vervulde! En op geen dag drukt de zorg zulk een arm menschenkind dieper ter neder, gevoelt het de smarten meer dan op dien, waarop zich allen verheugen, waarop de vrede moest nederdalen in alle harten, alléén in het zijne niet; waarop de bange vraag naar boven rijst; waarom ben ik—waarom zijn wij uitgesloten van de feestvreugde?Diezelfde vraag stond ook te lezen in de oogen van het jonge meisje, dat daar aan het venster stond en in den helderen avond naar buiten zag. “Daar beneden in den molen zijn de ramen helder verlicht; daar brandt de Kerstboom,” fluisterde zij zacht, en drukte smartelijk de handen op de borst—welk een verlangen overviel haar naar zijne helder verlichte en versierde takken! Liesje had haar gevraagd te komen; zij moest toch ten minste de lichten op den boom zien branden; maar neen, waartoe zou dat dienen? Wat ging haar des molenaars Kerstboom aan? Het was de haretoch niet, en waarom zou zij Liesjes gelukkig gelaat aanschouwen? Hare sombere, stille woning zou baar daarna nog eens zoo treurig hebben toegeschenen. Zij keerde zich om en ging naar den stoel harer moeder, om haar wang tegen het lieve gezicht te vlijen. Zij tastte met de hand, maar vond slechts het ledige kussen. “Mama,” riep zij zacht—het bleef stil. “Nu is ook zij naar grootmama gegaan,” fluisterde zij en viel in den zachten stoel neder. “Allen verlaten zij mij, och, dat ze toch terugkwamen! Mama en Army, o ja, Army is dáár”—dat was toch nog een zoete troost. Morgen zou hij zeker wel niet meer zooveel met grootmama te spreken hebben over zaken; wat kunnen zij toch voor belangrijks te verhandelen hebben sedert zijn aankomst? Zou het nog altijd over Blanka zijn?—-Nelly vergiste zich; hare moeder was niet boven, waar de oude barones met den jongen officier een onderhoud had over zaken—leelijke, niet zeer stichtelijke zaken, die niets gemeen hadden met den geest van het Kerstfeest.“Tot Nieuwjaar—nog maar acht dagen!” sprak de oude dame, en zag somber voor zich.“Tot Nieuwjaar,” bevestigde Army, die voor haar stond.“En gij zegt, Hellwig weet geen raad?”“Zoo zeide hij—”“Maardio mio!Het is toch anders voor een officier niet zoo moeilijk, geld te krijgen?”“Anders? Gij vergeet, grootmama, dat onze omstandigheden voldoende bekend zijn. Geen bankier leent mij geld, met de zekerheid, het te verliezen, en dan nog zulke sommen! Het eenige, wat ik bewerken kon, was—uitstel tot Nieuwjaar.”“En hebt gij geene moeite gedaan het middel te beproeven, dat ik u als de éénige redding aanwees?”Hij zag haar fier aan. “Neen, mijne schuldeischers gaven mij werkelijk denzelfden raad en wilden mij er wel behulpzaamin zijn; maar duizendmaal liever naar Amerika en werken als een knecht, dan zulk een juk op mij te nemen!”“Zooals gij wilt!” sprak de oude dame koel, “het is uwe zaak en niet de mijne.”“Juist zoo!” lachte hij. “Maar laat de geheele historie naar den duivel loopen! Ik ben hier niet gekomen om u mijn nood te klagen; ik wil het Kerstfeest met u vieren; het Kerstfeest!” herhaalde hij spottend.“Goed dan!” klonk de stem der grootmoeder. Dan zal ik raad zien te schaffen; er zijn nog wel menschen in de wereld, die den naam Derenberg niet vergeten hebben. Morgen—neen, van avond nog schrijf ik aan den hertog van R.Om Army’s lippen zweefde een bittere lach. Hij dacht aan het schilderij boven in de familiezaal, dat zijne grootmoeder voorstelde, hoe zij, als een schoone, jonge vrouw, den hertog de hand bood als welkomstgroet in haar gastvrij huis. “Bedelarij!” klonk het verachtelijk in zijn binnenste; hij voer met de hand over het voorhoofd, en sloeg een blik op de statige, zwarte vrouw tegenover hem, die zoo onbewegelijk, met een uitdrukking van vastberadenheid op het gelaat, bij de tafel stond. Hij had medelijden met haar, de trotsche vrouw; hij wist, dat het haar onuitsprekelijk zwaar zou vallen, zulk een brief te schrijven.“Doe dat niet, grootmama!”bad hij vriendelijk, “gij moogt u niet zoo vernederen—”“Neen, ik laat het niet,” was het antwoord, “want ik zie, dat ik de eenige ben, die misschien nog uitkomst vinden kan, hoewel ik maar een oude vrouw ben.”“Maar, grootmama! zal de oude heer zich uwer nog herinneren?”Zij lachte. “Zult gij ooit het beeld uwer bruid vergeten?” vroeg zij, en de zwarte oogen schoten stralen uit hun brandenden gloed. “Zeker niet! Evenmin vergeet de hertog vanR. Leonore van Derenberg, want hij heeft mij liefgehad, Army! van het oogenblik af, dat hij mij voor het eerste zag. Hij was toen nog erfprins; mijn man stelde mij ten hove voor; er werd juist een feest gevierd—ik weet niet meer ter eere van wie; en, toen ik door de bonte menigte, die de helder verlichte zalen vulde, aan den arm uws grootvaders vooruit trad, dewijl het hertogelijke paar mij wenschte te zien, en de menschen rechts en links ter zijde weken en de vreemde, de Italiaansche, aanzagen, terwijl ik eene buiging maakte voor het hooge echtpaar—toen werd mijn oor getroffen door een kreet van verrassing, en toen ik mijne oogen ophief, ontmoetten zij die van een schoon jong man, welke mij bewonderend aanstaarden. Ik was zeventien jaar, Army, en wat bedwelmt eene vrouw meer, dan bewonderd te worden en—voorbij, voorbij!” fluisterde zij, “waartoe het verledene weer te voorschijn te roepen!”“En”—vervolgde zij peinzend, zonder acht op zijn gloeiend gelaat te geven, “hij kwam dikwijls naar Derenberg; hij was mijn cavalier bij elke gelegenheid, tot hij een verre reis ondernam—die goede ouders, zij waren bezorgd over hem, en mijn echtgenoot was de belachelijkste Othello, dien de wereld ooit zag; hij haatte den levenslustigen prins, omdat mijne lippen lachten als hij sprak, en mijne oogen, schitterden als ik hem zag, iets dat zij reeds bijna verleerd hadden; alles wat mij omgaf, droeg immers den stempel der verveling, de hemel, de aarde, de menschen, zelfs de feesten die mijn echtgenoot gaf. Hij was het, die in overeenstemming met de vorstelijke ouders, den vlinder verwijderde, die zoo onstuimig om de kaars fladderde—echt burgerlijk, zooals alles hier te lande! Ik wist het, dat mijn gemaal opmerkzaam gemaakt was geworden, ik wist, wie hem in den geheel onschuldigen omgang het ergste deed zien. O, ik heb hem gehaat, mijn zwager, dien—”“Grootmoeder! en aan dien man wilt gij schrijven? Bij hem bedelen, omdat hij u eens bewonderde? Bij hem, dien mijn grootvader haatte?”“Ik ben nu een oude vrouw geworden, mijn kind,” antwoordde zij op hoogen toon, en wierp het nog altijd schoone hoofd in den nek, “en wat ik doe, heb ik slechts mijzelve te verantwoordden. Toen wij voor twintig jaar plotseling arm werden, schreef hij mij; hij had de vrouw niet vergeten, die eenmaal zijn jong hart verrukt had; ik had ons in eens uit alle drukkende omstandigheden kunnen bevrijden—maar ik wist, wat ik den naam Derenberg, wat ik mijzelve verschuldigd was.” Zij stond met opgeheven hand voor haar kleinzoon, en haar groote oogen blonken van edelen trots.“Meent gij, dat het mij licht valt aan hem te schrijven?” ging zij voort, “ik doe het om uwentwil, Army, want het weinigje ongeluk, dat u trof, heeft uwe hand verlamd, en heeft van u gemaakt een weekhartigen droomer in plaats van een sterken man met een vasten wil; daarom zal ik in uwe plaats handelen!” Zij ging hem voorbij en verdween in de naaste kamer; de deur vloog zoo krachtig en snel achter haar dicht, dat de roode gordijnen omhoog waaiden.Army stond onbeweeglijk bij den schoorsteen; nu en dan schudde hij zacht het hoofd, en een bittere lach zweefde om zijn mond. Plotseling was het, alsof zijn gebogene gestalte zich in zijn volle lengte oprichtte, als trof hem eene gedachte, een besluit dat hem—“Army,” riep een zachte stem, en het blonde hoofdje zijner zuster kwam tusschen de plooien van het deurgordijn te voorschijn; “Army, kom toch beneden! gauw! Mama stuurt mij.” Zij was de kamer ingeslopen, en drukte zich tegen hem aan. “Weet gij wat ik geloof?” fluisterde zij, “mama heeft zeker een Kerstboom ontstoken; er schijnt zulk een helder licht onder de deur door.”Hij staarde in de donkere oogen, die zoo kinderlijk blijmoedig tot hem opzagen.“Spoedig,” smeekte zij, “grootmama gaat toch niet mee; zij mag immers den Duitschen Kerstboom niet lijden.”“Ja, kom Nelly!” zeide hij, en de arm om zijne zuster heen slaande, verliet hij ijlings met haar het vertrek.Dertiende Hoofdstuk.Het begon reeds te schemeren, toen Liesje boven in haar kamertje een sierlijk korfje vol kleinigheden pakte; telkens voegde zij er nog iets fraais bij; eindelijk sloot zij het, en een halfluid: “zie zoo, het is vol marsepein en chocolade—dat lust zij het liefste,” kwam over hare lippen. Zingend trok zij het met bont gevoerde jakje aan, dat gisteravond onder den Kerstboom had gelegen, en zette het daarbij behoorende mutsje van zwart fluweel, met een rand van marter omzoomd, vluchtig op de bruine vlechten; zij bekeek zich in den spiegel en begon op eens te lachen.“Precies een jongen! Tante heeft wel gelijk,” sprak zij en zette het sierlijke hoofddeksel wat vaster en midden op het hoofd. “Nu nog de mof, en dan spoedig weg; want ik moet tijdig weer terug zijn.”Zij greep mof en mandje en sprong de trappen af. “Ik ga naar Nelly,” riep zij, de deur der huiskamer even opendoende.“Zorg, dat gij op tijd weer tehuis komt, Liesje,” vermaande hare moeder; “anders wordt oom de dominé boos en worden de kinderen ongeduldig. Gij weet, om zeven uur wordt voor hen de Kerstboom aangestoken—”“Ja, ja, zeker,” riep Liesje, en weg was zij.Tante Marie zag haar na, toen zij over den molenbrug ging. “Och lieve hemel!”dacht zij, “hoe zal het er daar ophet slot uitzien? Daar zullen de Kerstgeschenken ook wel niet rijkelijk zijn uitgevallen.”Liesje zat reeds sedert een kwartier naast Nelly bij den haard te praten; tegen haar over zat Army op zijn gemak in een grooten stoel; hij was in diep gepeins verzonken, en luisterde slechts nu en dan, wanneer een der beide meisjes hem met een hartelijken lach uit zijne mijmering wekte.“..... En moeder kreeg van vader een pillendoos,” vertelde Liesje, “waarop geschreven stond: ‘de beste medicijn’, en waarin reisgeld lag, om naar Italië te gaan.—Gij weet immers, Nelly, de dokter heeft altijd tegen mama gezegd, dat zij den winter hier niet moest doorbrengen, maar zij was er altijd tegen; nu echter heeft zij half en half toegegeven—”“Zij gaat toch niet alleen?” vroeg Nelly.“Neen, papa gaat in ieder geval meê, en—”“Nu, en?”“En ik,” voegde Liesje er dralend bij.“En zijt gij daar niet heel blij om?” riep Nelly opgewonden. “Hè, naar Italië; hoe mooi moet het daar zijn!”“Neen, ik blijf liever bij tante tehuis; ik ben immers goed gezond; en schooner dan hier, zal het dáár wel niet zijn.”“O, Liesje, hoe dwaas!” bestrafte Nelly.“Ja zie, Nelly! Gij moet mij niet voor zoo dwaas aanzien, maar ik heb er nog een andere reden voor. Gij moogt mij niet verklappen, want ik heb er nog niets van tegen vader gezegd. Zie, Bertha van onzen meesterknecht in den molen lijdt aan eene borstziekte; de dokter zegt, dat alleen een verblijf in Vevey of Montreux haar kan genezen; zij is veel zieker dan moeder, en nu zou ik graag zien, dat Bertha in mijne plaats meeging; ik ben nog jong, misschien kom ik nog wel eens in “la bella Italia”, zooals uwe grootmama zegt.”Army stond plotseling op en ging naar het venster. Het jonge meisje had zachtjes gesproken, maar desniettemin was hem geen woord ontgaan. Dat was nog altijd de goedhartigeLise van vroeger, die haar boterham aan arme kinderen en hare blinkende driepenningstukken, die tante zoo zorgvuldig voor haar verzamelde, aan den eersten den besten handwerksjongen weggaf; zij schudde nog zoo, half trotsch, half bedeesd, het hoofdje, wanneer zij beknord werd. En dan rees een ander beeld voor zijn oog, een kleine, teedere gedaante, met goudkleurig haar—die terugdeinsde voor bedelaars, en dat “gemeen”, met een wenk harer kleine hand onbarmhartig van haar deur verdreef; die met minachting haar kleed dicht om zich heen trok, wanneer op de wandeling een kreupele smeekend zijne handen naar haar uitstak. “Geef hem niets, Army,” had zij gezegd, “ik word er wee van, kom, kom—tante betaalt overvloedig armengeld.” Zóó gingzijden armen natuurgenoot voorbij, met haar geparfumeerden kanten zakdoek voor den neus.Buiten lag het park sneeuwwit en kalm; iedere boom stak duidelijk af op den helderen achtergrond, en daar beneden straalde het licht uit de vensters van den molen. Dat oude, gezellige huis, wat al zoete herinneringen waren daaraan voor hem verbonden! Hoe gerust en aangenaam moest het zijn, dáár te wonen, zonder zorgen, zonder angst voor de toekomst of aanstaande ellende!“Uit mijn jeugdig leven,Uit mijn jeugdig leven,Klinkt mij steeds een lied in d’ ooren;O, waar is gebleven,O, waar is gebleven,Wat mij ééns mocht toebehooren?”klonk het zacht en teeder achter hem; hij keerde zich om—daar stond zij bij de oude pianino, de slanke, tenger gebouwde meisjesgestalte,—het hoofdje wat voorover gebogen, en bij het flauwe licht, dat de lamp in dien hoek van het vertrok verspreidde, meende Army te zien, dat een zachte blos zich over Liesjes gelaat vertoonde.“Toen ik afscheid nam,Toen ik afscheid nam,—Lachte mij het leven toe;Toen ik weder kwam,Toen ik weder kwam,Was mij alles droef te moê—”Liesjes stem klonk diep weemoedig.“Nu het laatste vers,” verzocht Nelly; “mama hoort het zoo graag.”“Ik kan niet meer,” antwoordde zij zacht en verwijderde zich van de piano.“Och, dat spijt mij, Liesje,” sprak Nelly’s moeder nu,“ook geen Kerstlied?”Aanstonds trad zij weder naar de piano:“Daarboven fonkelt hel een ster,Die stil op aarde ziet,En ’t Eng’lenheir, dat zingt van verEen jub’lend Kerstnachtlied.En om de schaam’le kribbe straaltEen wonderheerlijk licht;Een kindje ligt op ’t harde stroo,Met godd’lijk aangezicht.Verblijdt u dan in dezen stond,Die vrede op aarde geeft!Zoo klinkt het uit der Eng’len mond,Nu Jezus Christus leeft!Knielt neer van verre en van nabij,Gij menschen groot en kleen,En dankt den Heer op zijnen troon,Nu ’s werelds licht verscheen!”Zachtkens stierven de tonen van het oude Kerstlied in het hooge vertrek weg; geen geluid werd gehoord, bij ieder had dit lied verschillende herinneringen opgewekt, die echter alle in denzelfden grond hun oorsprong hadden.De sukkelende vrouw, in dien grooten stoel, zij herinnerde zich den tijd, toen zij als jonge moeder haar knaap die woorden leerde, opdat hij ze voor zijn vader onder den prachtigen Kerstboom zou opzeggen; zij zag weder den fermen jongen, om wien zij haar arm geslagen had, voor den knappen man staan; zij was naast het kind neergeknield en vouwde zijn kleine handjes biddend saam; van de takken des booms straalde licht; en licht werd teruggekaatst uit de helder schitterende kinderoogen; hij moest immers wel trotsch zijn op zijn zoon.... “Bid nu, mijn jongen!” en de heldere kinderstem had zoo roerend, ernstig geklonken:“Verblijdt u dan in dezen stond,Die vrede op aarde geeft!”Den jongen man stond deze avond niet voor den geest; die was uit zijn geheugen gewischt; maar hij zag zich met twee kleine meisjes daar beneden in de kamer van tante. Beiden zaten op bankjes aan de voeten der oude vrouw, de lieve mondjes wijd geopend, en de oogen ernstig voor zich uitziende; zij zongen, hoewel niet volgens de regelen der kunst, toch dapper en gloeiend van Kerstvreugde:“En om de schaam’le kribbe straaltEen wonder heerlijk licht,Een kindje ligt op ’t harde stroo—”“Army zingt niet mede, tante!” had de grootste gezegd en haar vragend aangezien.“Dan krijgt hij straks ook geen peperkoeken, als Ruprecht de knecht komt,” was het antwoord geweest.Toen was de kleine naar hem toegetrippeld. “Army meezingen!” had zij met tranen in de blauwe oogen gewaagd, en toen hij overmoedig de blauwe lokken schudde, had zij wanhopig haar gezichtje met de handen bedekt, Daarop was Ruprecht de knecht gekomen, met een grooten, zwaren pels om; hij had met de noten in den zak gerammeld en dreigend eene roede voor den dag gehaald. “Zijn dekinderen zoet, tante?” had hij met een diepe basstem gevraagd; “kunnen zij ook bidden?”Ja, de meisjes wel; maar die daar, die jongen, is een kleine stijfkop, die zijn Kerstlied niet zingen wil; neem dien maar stilletjes mee naar uw sneeuwhol, heer Ruprecht!” En toen was het kleine meisje, bitter schreiend en haar angst vergetend, naar den gevreesden man toegeloopen.“Neen, neen, lieve oom Ruprecht, neem Army niet mee! Hij is niet stout; ik wil ook geen enkelen peperkoek hebben.” En Nelly was ook gaan schreien, zoodat knecht Ruprecht ten slotte was vertrokken, zonder een gebed gehoord te hebben, terwijl de troostwoorden van tante en het geween der meisjes hem achterna klonken. Hij alleen, die ondeugd, schreide niet; hij lachte, toen de laatste slip van den pelsmantel verdwenen was; hij hield stijf en stok staande, dat het niet knecht Ruprecht, maar Peter, de koetsier, geweest was, in den omgekeerden pelsjas van oom molenaar.Aan al deze kinderlijke ervaringen dacht Army, en onwillekeurig ontviel hem de vraag: “Weet gij nog wel?” Toen zweeg hij, verschrikt over zijne woorden, die zoo duidelijk verstaanbaar door het stille vertrek klonken; zij waren immers reeds lang voorbij, die kinderdroomen—hij was een man geworden. Een man? Neen, een verwijfde droomer, dien een weinig tegenspoed verlamd had! Daarboven zat zij nu, de oude vrouw, en schreef om hem te redden een brief, die haar moeite kostte, die haar zwaar viel, en zij deed het, omdat hij geen man was.“Ik moet naar huis.” Liesje nam haar jakje van den stoel.“Och, blijft gij van avond niet?” vroeg Nelly.“Ik dank je, ik kan helaas niet,” antwoordde zij aarzelend; “de dominé’s-familie komt van avond bij ons, en gij weet wel, Nelly, dan durf ik niet wegblijven.“Dat is zoo, maar komt gij spoedig weer?”“Zeker!”“Mag ik u te huis brengen,”klonk op eens Army’s stem.“O neen, ik dank u,” stamelde zij verlegen, “ik—”“Het is vandaag een feestdag—gij zoudt beschonken lieden kunnen ontmoeten,” sprak hij, haar antwoord afsnijdend, en greep naar muts en degen.Het was een wonderschoone winteravond, die daarbuiten over de Kerstnacht-vierende aarde gedaald was; in ademlooze stilte lag het landschap in een sneeuwkleed gehuld, overwelfd door een hemel, waaraan duizenden starren in de heldere, koude lucht fonkelden. Beneden in het dorp kwamen de verlichte vensters onder de besneeuwde daken te voorschijn, en hier boven aan den kruisweg, bij de met sneeuw bedekte zandsteenen bank, daar stond een rijzig paar; hoe verwonderd breidde de kale lindeboom zijne takken over de jeugdige hoofden uit, als om ze voor aller oogen te verbergen. Is het nu tijd tot minnekoozen? schijnt ieder takje te vragen, thans, nu er geen enkele nachtegaal zingt en geen groen takje een liefdegroet kan fluisteren?En toch—het meisjeshoofdje rust zoo stil aan zijne borst, en in de blauwe oogen ligt een oneindige hemel van liefde en geluk.“Zou ik u kunnen helpen, Army, om uw leven minder somber te maken? Is het waar?”“Als gij dat wilt, Liesje,” antwoordde hij zacht en kuste haar op het voorhoofd.“Of ik het wil?” vroeg zij blozend, en vlijde zich dichter aan hem. “Of ik gelukkig wil zijn—?”Hoe was het toch gekomen? Hoe was zij wel te moede, toen zij alléén het pad naar den molen insloeg? Als in een droom hoorde zij zijn ernstige woorden, voelde zij den kus op haar voorhoofd branden—en toch was het de werkelijkheid, zoo even doorleefd, die haar hart zoo deed kloppen! En morgen—haar kloppend hart stond haast stil, toen zij de verlichte vensters van haar huis zag—dan zal hij bij haarvader komen. Zij is verloofd; een gelukkige verloofde,zijnebruid!Zij bleef staan en zag achterom; daar boven moest hij nu zijn, bij den eenzamen, ouden linde, die, trots sneeuw en ijs, heden avond het zoetste geluk zag ontluiken. Zou hij haar liefhebben, waarlijk lief? Zij schudde het hoofd over dat wonder, dat nooit gehoopte wonder; zouden vader, moeder en tante het niet aan haar zien, dat zij—? Neen, neen, nu nog niet; als de gasten vertrokken zijn, wil zij het haren vader zeggen, dat er morgen iemand komen zal, die—Zij trad de huisdeur binnen; die oude schel had heden ook zoo afschuwelijk hard geklonken, en zij wilde graag eerst stil naar haar kamertje gaan. Neen, dat ging niet, want juist deed tante de deur der huiskamer open.“Wel, gij uitblijfster!” klonk vriendelijk de oude stem, “ik wilde juist Doortje zenden, want ik was bang, dat iemand u onderweg had meegenomen.”“Goeden avond,” antwoordde zij, terwijl haar stem bijna verdween onder de hevige hartkloppingen, “is het al zóó laat?”“Nu, dat zou ik denken,” sprak de oude vrouw en deed de deur achter haar dicht. Dáár zat haar vader aan de ronde tafel, en hare moeder met den predikant op de sofa.“Zoo, zijt gij daar!” sprak haar vader vriendelijk en trok haar naar zich toe. “Wat zegt gij daar wel van, Lise? Denk eens, de kinderen in de pastorie hebben de scharlakenkoorts en kunnen niet komen, is dat niet treurig?”“Zeer treurig!” herhaalde zij; maar hare oogen schitterden zoo, en om haar mond speelde een gelukkig lachje; dat was geheel in tegenspraak met hare woorden. Vroeger zou zij in luide weeklachten zijn uitgebarsten, maar vandaag—zij lette ternauwernood op hetgeen haar werd medegedeeld.“Een oogenblik slechts—ik zal boven mijn goed afdoen; ik kom dadelijk terug,” en weg was zij.“Wat scheelt het kind?” vroeg hare moeder angstig.Het kind echter stond, diep ademhalend, boven in haar kamertje. Haar jakje en muts werden op een stoel gesmeten, en zij zelve viel voor haar bed op de knieën, zooals zij elken avond gewoon was te doen; zij drukte het gloeiend gelaat in de kussens en vouwde hare handen, maar geen woord kwam over hare lippen; slechts in haar hart vermengde zich een verward dankgebed met een ongekende vrees en een onuitsprekelijk gevoel van geluk. Eindelijk sprong zij op, en opende het raam, “daar boven, daar boven,” fluisterde zij, en groette met de hand, alsof hij haar zien kon. Of hij nu aan haar dacht? Of hij al aan zijne moeder bekend had, dat hij de kleine Liesje uit den molen omarmd en gekust had? En Nelly?“Liesje, Liesje!” riep men van beneden.“Aanstonds!” antwoordde zij; haar stem klonk, alsof ze opgeschrikt was; zij nam het licht en zag in den spiegel; een paar gloeiende, donkere oogen zagen haar uit het glas aan. “Zijnebruid!” fluisterde zij, “zijne verloofde!” en een donkere blos vloog over haar gelaat; zij deed snel het licht uit en ijlde naar beneden.“Zij zijn al in de eetkamer, juffer,” riep Doortje haar toe, en begon toen op eens hard te schreeuwen: “o Hemel, juffer! er is een verborgene bruid in huis; zie maar—een, twee, drie lichten!”Het jonge meisje, dat reeds de kruk der eetkamerdeur in de hand had, keerde zich hoog blozend om—waarlijk, dáár stond Doortje met de keukenlamp; hier hing de groen verlakte ganglamp aan den wand, en tante was juist uit hare kamer gekomen en hield de hand voor de waskaars, waarvan het volle schijnsel op haar oud, goedig gezicht viel.“’t Is best mogelijk!”sprak zij, alsof ze boos was.“Meid, ge zijt gek; dat maakt een leven, alsof ze het hoogste lot uit de loterij heeft getrokken! Een geheime bruid—domme gans! Gij zult zelve wel het beste weten,wie het is! Aan de tuindeur staat immers iederen avond een verliefd paar, niettegenstaande de dikke sneeuw! Ga binnen, kind! Ik volg u,” wendde zij zich tot Liesje, die nog talmend bij de deur stond te wachten en toen met de oude vrouw naar binnen ging.Vader, moeder en oom de predikant waren reeds gezeten; de laatste deed het tafelgebed en daarna verscheen Doortje met een gebraden gans, die de gastheer begon voor te snijden.“En weet gij, dominé” zeide hij, een afgebroken gesprek voortzettende, terwijl hij zijn mes op het slijpstaal aanzette, “het zou een ware zegen zijn, als het geschiedde; maar gelooven kan ik het niet; men heeft het al tien jaar lang gezegd.”“Ja, ik kan u ook niets verder zeggen, Frederik,” antwoordde de geestelijke, “als wat ik onlangs te B. van den architect Leonhardt hoorde; hij zeide, in het voorjaar zou er eene commissie komen, om de landerijen te onteigenen, en zoodra dit geschied zal zijn, gaat het bouwen er op los; ’t is mij onverschillig, of er een spoorweg komt of niet! Ik wenschte maar—” hij streek met de hand over het voorhoofd.“Maakt gij u bezorgd over de ziekte uwer kinderen, dominé?” vroeg de huisvrouw deelnemend.“Nog al,” antwoordde hij en zag er waarlijk bezorgd uit; “wij zijn allen in Gods hand, maar het menschelijke hart wordt zoo licht moedeloos; die verraderlijke ziekte is dit jaar bijzonder gevaarlijk, in het dorp zijn huis aan huis de kleinen aangetast; uit menig huisgezin heb ik er één of soms twee ten grave gebracht, en bij alle onderwerping aan den wil des Heeren, Mina ... kan men den angst toch niet weren.”“Om Gods wil, oom, is het zoo erg?” Liesje zag hem verschrikt aan; zij kwam zichzelve eensklaps hoogst liefdeloos voor, dat zij door haar geluk zijn angst niet eens bespeurd had. “Zal ik meegaan? Kan ik helpen?”“Wel beware, Liesje! het is eene zeer gevaarlijke, besmettelijke ziekte—voor niets ter wereld!” sprak de geestelijkevriendelijk, en drukte haar de kleine hand, “neen neen, dat zal mijne Rosine alléén wel klaren; men mag zich niet lichtzinnig in gevaar begeven. Gij zijt een eenig kind—gij moet u sparen voor uwe ouders; neen, ik dank u, Liesje; het zal zich wel schikken. Maar ik moet dadelijk na het eten weder weg; Rosine heeft mij met geweld de deur uitgejaagd.”“Kom, dominé,” zeide de gastheer hartelijk, en hief zijn glas op, “dat het spoedig bij u aan huis beter worde, en alle angst te vergeefs geweest zij!”“God geve het!” Het ernstige gelaat van den leeraar klaarde weder op; “maar genoeg daarover,” sprak hij, zich geweld aandoende,“ik wil uwe feestvreugde niet bederven. Kom, Liesje! lach eens weder. Gij zaagt er straks zoo gelukkig uit. Wat hebt gij toch met Nelly uitgevoerd? Uw gezicht was louter lust en vreugde.”Liesje kleurde als een roode roos.“Nu, daar boven zal het er wel niet zoo schitterend uitzien,” merkte de heer Erving aan.“Ach ja, daar hebben ze ook een bitter kruis te dragen—dat is waar,” zuchtte de predikant; “kleine kinderen, kleine zorgen, groote kinderen, groote zorgen! Zoo gaat het in de wereld.”“O ja!” sprak de oude vrouw, “een beetje vertrouwen op God behoort daar ook toe; voor den jongen, voor Army, heb ik geen zorg; zulk een frisch, jong gemoed laat zich door zoo’n beetje valsche liefde niet neerdrukken; liefdesmart doet nieuwe liefde ontluiken; die zal wel spoedig een ander liefje hebben.”“O, dat is bijzaak, tante, maar die andere treurige omstandigheden nog, en—”Flap! daar was de deur geopend en het jonge meisje verdwenen; en daar zaten de achterblijvenden elkander met stomme verbazing aan te zien.
Elfde Hoofdstuk.In de woonkamer van het slot waren de donkere gordijnen toegeschoven, en dáár, waar vroeger de groote, ouderwetsche sofa geplaatst was, stond nu het ziekbed van Nelly’s moeder; zij was zeer ziek geworden op dien ongelukkigen morgen, toen zij haar zoon zocht en niet vond; het zwakke leven worstelde met den somberen engel, wiens onheilspellende nabijheid men in het vertrek scheen te bespeuren. Als in een cirkel draaide hare verbeelding om dien dag, waarop zij bij het bloedige, verstijfde lichaam haars echtgenoots gestaan had; nu eens washijhet, dien zij aanzag, dan weder was het den zoon, en op hartverscheurenden toon bad zij hem, toch niet te sterven, haar ook niet te verlaten; zij kon zonder hem immers niet leven. Het was thans stil in het ruime vertrek; een slanke meisjesgestalte, die telkens angstig luisterde naar de verwarde woorden der kranke, zweefde met bijna onhoorbare schreden over het oude tapijt, legde met zachte hand de kussens terecht en boog zich onderzoekend over de zieke heen, om naar haar zachte ademhaling te luisteren, als zij ingeslapen scheen. Ja—lompenmolenaars Liesje deed voor de tweede maal dienst als samaritane op het slot Derenberg, en het was nu al de tiende dag, dien zij er doorbracht! Het waren lange, bange dagen en nog bangere nachten geweest; heden wasde koorts iets afgenomen, zooals de dokter zei, en de uitgeputte zieke sluimerde nu.Liesje nam een boek van de tafel en ging aan het venster zitten, dat een weinig licht doorliet; zij leunde met het hoofd tegen haar stoel en sloot de oogen. Hoe vreemd was het toch, dat zij nu weer hier boven in het slot zat, dat zij gedacht had nooit weer te zullen betreden! Tante had haar op een morgen met groot geraas gewekt, en in de huiskamer vond zij Nelly, die doornat van den dauw, bewusteloos op de sofa lag! Hoe was zij geschrikt! Uren waren verstreken, vóór men het arme kind weder tot bewustzijn gebracht had; maar vóór het zoover was gekomen, was de deur der huiskamer in de ouderlijke woning open gedaan en hadhijop den drempel gestaan. Zij had een gil gegeven van ontsteltenis en schrik; ja van schrik, want hij, die daar binnentrad met dien diep smartelijken trek om den mond, de oogen zoo wezenloos op haar gericht—dat was de vroegere Army niet meer, de vroolijke levenslustige Army, met de trotsche schoone trekken.“Is mijne zuster hier niet?” had hij gevraagd, en toen zijn blik op haar viel, zooals zij daar bleek en bewusteloos nederlag, had zijn gelaat een uitdrukking gekregen van het diepste medelijden.Wat er verder gebeurde? Tante Marie en hij hadden samen gefluisterd; Liesje had echter alleen de woorden verstaan: dat zijne moeder zeer ziek was en hulp noodig had; Sanna was zoo onhandig en grootmama klaagde over migraine; en nu Nelly ook nog, die arme Nelly!“Ik ga mede,” had Liesje verklaard. En toen was zij met hem zwijgend meegegaan. Geen woord had hij toen tot haar gesproken, en geen enkel woord was tot nu toe over zijne lippen gekomen, hoe dikwijls hij ook zacht de ziekenkamer binnentrad en het bedgordijn opendeed, om zijne moeder te zien. En Liesje wist, waarom hij zoo somber en stil was. De blinkende verlovingsring ontbrak aan zijne hand, en dedroombeelden der zieke hadden haar de ongelukkige zaak geheel duidelijk doen kennen. O, dat schoone, valsche schepsel! Hoe haatte Liesje die trouwelooze! Wel had Nelly gelijk gehad, toen zij beweerde: “zij heeft hem niet lief.” Maarhij, och, kon zij hem maar iets vertroostends zeggen!Zacht werd de deur der ziekenkamer opengedaan, en Nelly trad binnen.“Wat slaapt zij gerust!” fluisterde zij, een blik op de zieke werpende, en ging op een bankje, aan de voeten harer vriendin zitten. “God zij gedankt! De dokter oordeelt, dat het gevaar voorbij is; ach, Liesje! wat ben ik gelukkig! Ik gevoel mij nu ook weder sterk, en gij zult nu van nacht slapen, gij goedhartig schepsel!”“Neen, dat zultgijdoen, Nelly. Geen tegenspraak!” antwoordde Liesje beslist; “de dokter wil er volstrekt niet van hooren, dat gij waken zult. Gij slaat een doek om en gaat wat in de frissche lucht; uw broeder zal u zeker gaarne vergezellen.”Nelly schudde treurig het hoofdje. “O ja, hij zal wel meegaan—maar Liesje, gij weet niet hoe akelig het is, zoo alléén met hem te zijn! Hij loopt somber naast mij, en dan begint hij plotseling als in vertwijfeling vroolijk te fluiten. Bij u ben ik het liefste. Wanneer gij en uwe tante er niet waart, en uwe goede moeder niet zoo voor ons gezorgd had, had het hier boven er slecht uitgezien.”“Maar, Nelly!” fluisterde blozend het jonge meisje en lei haar hand op den mond harer vriendin—-Terwijl de jonge meisjes zulke woorden in de ziekenkamer wisselden, zat de oude barones peinzend boven in hare kamer. “Eenmaal moet het toch zijn,” sprak zij ten laatste halfluid, “ik moet met hem spreken, wat er nu dan toch gedaan moet worden.” Zij stond op en belde. “Ik verzoek mijn kleinzoon hier te komen,” beval zij Sanna kortaf en onvriendelijk, en ging weder zitten.Door de roode gordijnen drong slechts een flauw lichtnaar binnen, want buiten was de lucht betrokken en een scherpe herfstwind begon met kracht de bladeren van de boomen te schudden; in den haard flikkerde een houtvuur en verlichtte de roode kussens en gordijnen; door dien weerschijn was het, alsof de verschoten kleuren weder haar ouden gloed hadden verkregen; somber staarde de barones in de spelende vlammen.“Binnen!” riep zij, toen een haastig tikken op de deur gehoord werd.“Ik wilde u juist om een kort onderhoud verzoeken, grootmama,” begon Army, binnentredende met eene buiging en achter den stoel staan blijvende, die de oude hem met de hand aanwees. “Mama wordt beter; ik moet vertrekken.”“Zoudt gij in dienst kunnen blijven?” vroeg de oude barones onverschillig.Hij zag somber voor zich.—“Ik weet het niet,” sprak hij toen, “voorloopig hangt dit van de stemming mijner schuldeischers af. Trouwens, zoodra het bericht van mijn verbroken engagement wereldkundig is, zullen zij wel als een troep jachthonden op mij afkomen; de zaak komt bij het regiment; de overste zal mij vragen: ‘betalen of niet?’ Dan komt het slot. Het noodlot zalmijachterhalen, evenals vóór mij reeds zoo menig ander.”De oude dame had even kalm naar hem geluisterd, alsof hij over een vroolijke partij sprak.“Hellwig moet raad schaffen,” sprak zij op beslisten toon.“Hellwig? Ja, als hij geld kon maken! Hij heeft nog onlangs de onmogelijkheid erkend, mij tweehonderd daalder te bezorgen; eene som, die ik den wagenmaker op een bepaalden tijd moest betalen. De man wilde geduld hebben, tot ik—nu, tot ultimo October,” eindigde hij kortaf. “O, zij wilden allen wel wachten; het had geen haast—beware! Ik was immers de neef van tante Stontheim en op het punt, hare nicht te huwen—”“Hoeveel bedragen uw gezamenlijke schulden?” vroeg zijne grootmoeder.Hij maakte een afwijzende beweging met de hand.“Wat kan dat schelen? Ze kunnen toch niet betaald worden!”Een lange stilte ontstond. Army beschouwde schijnbaar zeer aandachtig een Italiaansch landschap in een vergulde lijst. Buiten was de wind hevig opgestoken; hij huilde in den schoorsteen, en joeg de vonken over het oude tapijt tot op het zwarte, wollen kleed der oude dame.“Army, er is slechts één middel, om u en ons te redden!”Hij keerde zich langzaam om en zag haar vragend aan.“Gij zoekt zoo spoedig mogelijk een andere rijke partij.”“Wat bedoelt gij, grootmama?”“Er zijn meisjes genoeg, rijke, knappe meisjes, die zich een man koopen, zooals men dat noemt—”“O, zoo, ik begrijp u,” antwoordde hij los weg.“Bedenk, Army! het betreft hier niet alleen uwe toekomst, het geldt ons allen.”“Hebt gij mij nog iets anders mee te deelen?” vroeg hij op een toon, die verstommen deed. “Niets? Dan zult gij mij wel vergunnen afscheid te nemen; ik wilde graag weten hoe het beneden gaat.” Hij boog zich en ging heen.Bijna werktuigelijk richtte hij zijne schreden naar de ziekenkamer; in het voorvertrek bleef hij staan; het was alsof hij daar binnen hoorde fluisteren; toen ging hij naar het raam en drukte het voorhoofd tegen de ruiten.Hetgeen zijne grootmoeder hem zooeven gezegd had, was als een bijtend vocht in de versche wonde, hem toegebracht. De hevige pijn dreef hem het bloed naar de wangen, voor zijne oogen zweefde nog steeds een aanlokkelijk beeld, dat hem steeds vervolgde, al deed hij ook duizendmaal zijn best het te verbannen; hij zag haar steeds voor zich, zooals zij er uitzag op dien dag na de opening van het testament, toen het zoo kalm en rustig geworden was in de prachtige villa; alle bezoekers waren vertrokken, de overste was in eenandere kamer ingedommeld, en hij bevond zich alleen met haar—voor de eerste maal sedert langen tijd. Hoe schoon was zij in dat donkere, met krip gegarneerde rouwgewaad, die gouden vlechten, met zwarte strikken saamgebonden! Zij lag peinzend in haar stoel, terwijl hij tot haar sprak; hij sprak van zijne liefde, van zijn verlangen haar te bezitten, van het zalig gevoel dat zijn hart vervulde. Of zij wel naar hem geluisterd had? De blik, dien zij op hem vestigde, toen hij hare hand greep, was hem als koud ijzer op het hart gevallen, en had hem met een angstig voorgevoel vervuld; in den loop van het gesprek was zij plotseling opgestaan en achter het deurgordijn verdwenen; het prachtige, goudkleurige haar zag hij nog even, toen het gordijn door den tocht van de opengaande deur omhoog waaide; toen was hij alléén met zijn overvol, bedroefd hart. Zij had hem nooit bemind, liet zij hem zeggen; zij had zich slechts naar den wensch harer tante met hem verloofd! En dáár boven, die gele, verdorde, vliegende bladeren in de lindenlaan, die hadden het gehoord, hoe zij hem trouw zwoer: hoe zij hem duizendmaal verzekerde, dat zij hem liefhad, liever dan alles op de wereld, en nu—nu was alles voorbij. Verkoopen zou hij zich—verkoopen, zooals grootmama hem geraden had!“Neen, liever nog een kogel—een kogel!”Hij kreunde en drukte de tanden op elkaar; waar was toch het geluk gebleven, waaraan hij zoo hoogmoedig geloofd had? De oude spreuk schoot hem te binnen: “Wanhoop nimmer, ’t geluk kan iederen dag komen.” Hoe dwaas, waarom had het geluk hem zoo spoedig verlaten?Daar klonk een zachte tred achter hem; hij keerde zich om—een hoogblozend gelaat zag tot hem op. “Uwe moeder vraagt naar u, luitenant,” sprak halfluid een heldere stem. Hij ging Liesje voorbij naar de ziekenkamer, en zij trad naar het venster, waar hij tot nu toe gestaan had. Buiten viel een fijne regen, die den omtrek in een vochtigen sluier hulde; zij staarde naar het huis harer ouders daarbeneden, maar kon het door de dikke lucht niet onderscheiden. “Wat zouden zij daar nu wel doen,—mijn moedertje, mijn vader en tante Marie? Zou mijn vader niet op de jacht zijn? Och neen, hij heeft het zoo druk op het kantoor, sedert de heer Selldorf zoo plotseling vertrokken is.” Weder vloog een donker rood over hare wangen.In het nevenvertrek was het eerst stil; de deur stond half open; Army lag geknield bij het bed zijner moeder, en nu klonk het: “Mijn lief moedertje, dacht gij dat ik doen zou als de jonker van Streitwitz? Neen, neen, ik heb u immers nog en Nelly.” Zijne stem klonk teeder en vertroostend, en toch was het, alsof met moeite weerhouden tranen de woorden onverstaanbaar maakten. En daarop de zwakke stem zijner moeder; Liesje kon de woorden niet verstaan, maar uit den toon der afgebroken woorden klonk het als een zoet vertroosten, als een blijde dank, dat zij haar zoon in de armen hield, de gansche onovertroffen volheid der moederlijke liefde, die helpen, steunen, raden wilde; zoo kalm, zoo zacht klonk het, alsof het gold een ziek kind in slaap te sussen.En daar opeens—was het werkelijk mogelijk? Dat klonk als weenen, als met geweld onderdrukt gesnik. Zou Army—? Liesje keerde zich plotseling om en luisterde met verbleekend gelaat—weenen de mannen dan ook? Zij ijlde naar de deur; zij wilde weg; hij mocht niet weten, dat zij gehoord had, hoe hij—Daar kwam hij uit de kamer zijner moeder, ernstig en de lippen op elkander gedrukt; maar de oogen—ja, die waren nog nat van de tranen, die hij geweend had—om zijn verlorene bruid.Zij stond vlak voor hem, de handen op de borst gevouwen, als wilde zij hem om vergeving vragen, dat zij hem zóó gezien had. Ook hij stond stil; hij zag haar aan en las innig medelijden in haar oogen. Kwam de herinnering weder bij hem boven aan den tijd, toen het kleine meisje den wilden knaap zoo dikwijls troostte, als hij bij hunne kinderspelen zijn geduld verloor en van spijt heete tranen weende?“Liesje,” sprak hij vriendelijk en dankbaar, en reikte haar de hand.“Army, lieve Army,” klonk het door snikken half verstikt terug; hij voelde een oogenblik haar kleine hand in de zijne; toen was zij verdwenen.
In de woonkamer van het slot waren de donkere gordijnen toegeschoven, en dáár, waar vroeger de groote, ouderwetsche sofa geplaatst was, stond nu het ziekbed van Nelly’s moeder; zij was zeer ziek geworden op dien ongelukkigen morgen, toen zij haar zoon zocht en niet vond; het zwakke leven worstelde met den somberen engel, wiens onheilspellende nabijheid men in het vertrek scheen te bespeuren. Als in een cirkel draaide hare verbeelding om dien dag, waarop zij bij het bloedige, verstijfde lichaam haars echtgenoots gestaan had; nu eens washijhet, dien zij aanzag, dan weder was het den zoon, en op hartverscheurenden toon bad zij hem, toch niet te sterven, haar ook niet te verlaten; zij kon zonder hem immers niet leven. Het was thans stil in het ruime vertrek; een slanke meisjesgestalte, die telkens angstig luisterde naar de verwarde woorden der kranke, zweefde met bijna onhoorbare schreden over het oude tapijt, legde met zachte hand de kussens terecht en boog zich onderzoekend over de zieke heen, om naar haar zachte ademhaling te luisteren, als zij ingeslapen scheen. Ja—lompenmolenaars Liesje deed voor de tweede maal dienst als samaritane op het slot Derenberg, en het was nu al de tiende dag, dien zij er doorbracht! Het waren lange, bange dagen en nog bangere nachten geweest; heden wasde koorts iets afgenomen, zooals de dokter zei, en de uitgeputte zieke sluimerde nu.
Liesje nam een boek van de tafel en ging aan het venster zitten, dat een weinig licht doorliet; zij leunde met het hoofd tegen haar stoel en sloot de oogen. Hoe vreemd was het toch, dat zij nu weer hier boven in het slot zat, dat zij gedacht had nooit weer te zullen betreden! Tante had haar op een morgen met groot geraas gewekt, en in de huiskamer vond zij Nelly, die doornat van den dauw, bewusteloos op de sofa lag! Hoe was zij geschrikt! Uren waren verstreken, vóór men het arme kind weder tot bewustzijn gebracht had; maar vóór het zoover was gekomen, was de deur der huiskamer in de ouderlijke woning open gedaan en hadhijop den drempel gestaan. Zij had een gil gegeven van ontsteltenis en schrik; ja van schrik, want hij, die daar binnentrad met dien diep smartelijken trek om den mond, de oogen zoo wezenloos op haar gericht—dat was de vroegere Army niet meer, de vroolijke levenslustige Army, met de trotsche schoone trekken.
“Is mijne zuster hier niet?” had hij gevraagd, en toen zijn blik op haar viel, zooals zij daar bleek en bewusteloos nederlag, had zijn gelaat een uitdrukking gekregen van het diepste medelijden.
Wat er verder gebeurde? Tante Marie en hij hadden samen gefluisterd; Liesje had echter alleen de woorden verstaan: dat zijne moeder zeer ziek was en hulp noodig had; Sanna was zoo onhandig en grootmama klaagde over migraine; en nu Nelly ook nog, die arme Nelly!
“Ik ga mede,” had Liesje verklaard. En toen was zij met hem zwijgend meegegaan. Geen woord had hij toen tot haar gesproken, en geen enkel woord was tot nu toe over zijne lippen gekomen, hoe dikwijls hij ook zacht de ziekenkamer binnentrad en het bedgordijn opendeed, om zijne moeder te zien. En Liesje wist, waarom hij zoo somber en stil was. De blinkende verlovingsring ontbrak aan zijne hand, en dedroombeelden der zieke hadden haar de ongelukkige zaak geheel duidelijk doen kennen. O, dat schoone, valsche schepsel! Hoe haatte Liesje die trouwelooze! Wel had Nelly gelijk gehad, toen zij beweerde: “zij heeft hem niet lief.” Maarhij, och, kon zij hem maar iets vertroostends zeggen!
Zacht werd de deur der ziekenkamer opengedaan, en Nelly trad binnen.
“Wat slaapt zij gerust!” fluisterde zij, een blik op de zieke werpende, en ging op een bankje, aan de voeten harer vriendin zitten. “God zij gedankt! De dokter oordeelt, dat het gevaar voorbij is; ach, Liesje! wat ben ik gelukkig! Ik gevoel mij nu ook weder sterk, en gij zult nu van nacht slapen, gij goedhartig schepsel!”
“Neen, dat zultgijdoen, Nelly. Geen tegenspraak!” antwoordde Liesje beslist; “de dokter wil er volstrekt niet van hooren, dat gij waken zult. Gij slaat een doek om en gaat wat in de frissche lucht; uw broeder zal u zeker gaarne vergezellen.”
Nelly schudde treurig het hoofdje. “O ja, hij zal wel meegaan—maar Liesje, gij weet niet hoe akelig het is, zoo alléén met hem te zijn! Hij loopt somber naast mij, en dan begint hij plotseling als in vertwijfeling vroolijk te fluiten. Bij u ben ik het liefste. Wanneer gij en uwe tante er niet waart, en uwe goede moeder niet zoo voor ons gezorgd had, had het hier boven er slecht uitgezien.”
“Maar, Nelly!” fluisterde blozend het jonge meisje en lei haar hand op den mond harer vriendin—-
Terwijl de jonge meisjes zulke woorden in de ziekenkamer wisselden, zat de oude barones peinzend boven in hare kamer. “Eenmaal moet het toch zijn,” sprak zij ten laatste halfluid, “ik moet met hem spreken, wat er nu dan toch gedaan moet worden.” Zij stond op en belde. “Ik verzoek mijn kleinzoon hier te komen,” beval zij Sanna kortaf en onvriendelijk, en ging weder zitten.
Door de roode gordijnen drong slechts een flauw lichtnaar binnen, want buiten was de lucht betrokken en een scherpe herfstwind begon met kracht de bladeren van de boomen te schudden; in den haard flikkerde een houtvuur en verlichtte de roode kussens en gordijnen; door dien weerschijn was het, alsof de verschoten kleuren weder haar ouden gloed hadden verkregen; somber staarde de barones in de spelende vlammen.
“Binnen!” riep zij, toen een haastig tikken op de deur gehoord werd.
“Ik wilde u juist om een kort onderhoud verzoeken, grootmama,” begon Army, binnentredende met eene buiging en achter den stoel staan blijvende, die de oude hem met de hand aanwees. “Mama wordt beter; ik moet vertrekken.”
“Zoudt gij in dienst kunnen blijven?” vroeg de oude barones onverschillig.
Hij zag somber voor zich.—“Ik weet het niet,” sprak hij toen, “voorloopig hangt dit van de stemming mijner schuldeischers af. Trouwens, zoodra het bericht van mijn verbroken engagement wereldkundig is, zullen zij wel als een troep jachthonden op mij afkomen; de zaak komt bij het regiment; de overste zal mij vragen: ‘betalen of niet?’ Dan komt het slot. Het noodlot zalmijachterhalen, evenals vóór mij reeds zoo menig ander.”
De oude dame had even kalm naar hem geluisterd, alsof hij over een vroolijke partij sprak.
“Hellwig moet raad schaffen,” sprak zij op beslisten toon.
“Hellwig? Ja, als hij geld kon maken! Hij heeft nog onlangs de onmogelijkheid erkend, mij tweehonderd daalder te bezorgen; eene som, die ik den wagenmaker op een bepaalden tijd moest betalen. De man wilde geduld hebben, tot ik—nu, tot ultimo October,” eindigde hij kortaf. “O, zij wilden allen wel wachten; het had geen haast—beware! Ik was immers de neef van tante Stontheim en op het punt, hare nicht te huwen—”
“Hoeveel bedragen uw gezamenlijke schulden?” vroeg zijne grootmoeder.
Hij maakte een afwijzende beweging met de hand.“Wat kan dat schelen? Ze kunnen toch niet betaald worden!”
Een lange stilte ontstond. Army beschouwde schijnbaar zeer aandachtig een Italiaansch landschap in een vergulde lijst. Buiten was de wind hevig opgestoken; hij huilde in den schoorsteen, en joeg de vonken over het oude tapijt tot op het zwarte, wollen kleed der oude dame.
“Army, er is slechts één middel, om u en ons te redden!”
Hij keerde zich langzaam om en zag haar vragend aan.
“Gij zoekt zoo spoedig mogelijk een andere rijke partij.”
“Wat bedoelt gij, grootmama?”
“Er zijn meisjes genoeg, rijke, knappe meisjes, die zich een man koopen, zooals men dat noemt—”
“O, zoo, ik begrijp u,” antwoordde hij los weg.
“Bedenk, Army! het betreft hier niet alleen uwe toekomst, het geldt ons allen.”
“Hebt gij mij nog iets anders mee te deelen?” vroeg hij op een toon, die verstommen deed. “Niets? Dan zult gij mij wel vergunnen afscheid te nemen; ik wilde graag weten hoe het beneden gaat.” Hij boog zich en ging heen.
Bijna werktuigelijk richtte hij zijne schreden naar de ziekenkamer; in het voorvertrek bleef hij staan; het was alsof hij daar binnen hoorde fluisteren; toen ging hij naar het raam en drukte het voorhoofd tegen de ruiten.
Hetgeen zijne grootmoeder hem zooeven gezegd had, was als een bijtend vocht in de versche wonde, hem toegebracht. De hevige pijn dreef hem het bloed naar de wangen, voor zijne oogen zweefde nog steeds een aanlokkelijk beeld, dat hem steeds vervolgde, al deed hij ook duizendmaal zijn best het te verbannen; hij zag haar steeds voor zich, zooals zij er uitzag op dien dag na de opening van het testament, toen het zoo kalm en rustig geworden was in de prachtige villa; alle bezoekers waren vertrokken, de overste was in eenandere kamer ingedommeld, en hij bevond zich alleen met haar—voor de eerste maal sedert langen tijd. Hoe schoon was zij in dat donkere, met krip gegarneerde rouwgewaad, die gouden vlechten, met zwarte strikken saamgebonden! Zij lag peinzend in haar stoel, terwijl hij tot haar sprak; hij sprak van zijne liefde, van zijn verlangen haar te bezitten, van het zalig gevoel dat zijn hart vervulde. Of zij wel naar hem geluisterd had? De blik, dien zij op hem vestigde, toen hij hare hand greep, was hem als koud ijzer op het hart gevallen, en had hem met een angstig voorgevoel vervuld; in den loop van het gesprek was zij plotseling opgestaan en achter het deurgordijn verdwenen; het prachtige, goudkleurige haar zag hij nog even, toen het gordijn door den tocht van de opengaande deur omhoog waaide; toen was hij alléén met zijn overvol, bedroefd hart. Zij had hem nooit bemind, liet zij hem zeggen; zij had zich slechts naar den wensch harer tante met hem verloofd! En dáár boven, die gele, verdorde, vliegende bladeren in de lindenlaan, die hadden het gehoord, hoe zij hem trouw zwoer: hoe zij hem duizendmaal verzekerde, dat zij hem liefhad, liever dan alles op de wereld, en nu—nu was alles voorbij. Verkoopen zou hij zich—verkoopen, zooals grootmama hem geraden had!
“Neen, liever nog een kogel—een kogel!”
Hij kreunde en drukte de tanden op elkaar; waar was toch het geluk gebleven, waaraan hij zoo hoogmoedig geloofd had? De oude spreuk schoot hem te binnen: “Wanhoop nimmer, ’t geluk kan iederen dag komen.” Hoe dwaas, waarom had het geluk hem zoo spoedig verlaten?
Daar klonk een zachte tred achter hem; hij keerde zich om—een hoogblozend gelaat zag tot hem op. “Uwe moeder vraagt naar u, luitenant,” sprak halfluid een heldere stem. Hij ging Liesje voorbij naar de ziekenkamer, en zij trad naar het venster, waar hij tot nu toe gestaan had. Buiten viel een fijne regen, die den omtrek in een vochtigen sluier hulde; zij staarde naar het huis harer ouders daarbeneden, maar kon het door de dikke lucht niet onderscheiden. “Wat zouden zij daar nu wel doen,—mijn moedertje, mijn vader en tante Marie? Zou mijn vader niet op de jacht zijn? Och neen, hij heeft het zoo druk op het kantoor, sedert de heer Selldorf zoo plotseling vertrokken is.” Weder vloog een donker rood over hare wangen.
In het nevenvertrek was het eerst stil; de deur stond half open; Army lag geknield bij het bed zijner moeder, en nu klonk het: “Mijn lief moedertje, dacht gij dat ik doen zou als de jonker van Streitwitz? Neen, neen, ik heb u immers nog en Nelly.” Zijne stem klonk teeder en vertroostend, en toch was het, alsof met moeite weerhouden tranen de woorden onverstaanbaar maakten. En daarop de zwakke stem zijner moeder; Liesje kon de woorden niet verstaan, maar uit den toon der afgebroken woorden klonk het als een zoet vertroosten, als een blijde dank, dat zij haar zoon in de armen hield, de gansche onovertroffen volheid der moederlijke liefde, die helpen, steunen, raden wilde; zoo kalm, zoo zacht klonk het, alsof het gold een ziek kind in slaap te sussen.
En daar opeens—was het werkelijk mogelijk? Dat klonk als weenen, als met geweld onderdrukt gesnik. Zou Army—? Liesje keerde zich plotseling om en luisterde met verbleekend gelaat—weenen de mannen dan ook? Zij ijlde naar de deur; zij wilde weg; hij mocht niet weten, dat zij gehoord had, hoe hij—Daar kwam hij uit de kamer zijner moeder, ernstig en de lippen op elkander gedrukt; maar de oogen—ja, die waren nog nat van de tranen, die hij geweend had—om zijn verlorene bruid.
Zij stond vlak voor hem, de handen op de borst gevouwen, als wilde zij hem om vergeving vragen, dat zij hem zóó gezien had. Ook hij stond stil; hij zag haar aan en las innig medelijden in haar oogen. Kwam de herinnering weder bij hem boven aan den tijd, toen het kleine meisje den wilden knaap zoo dikwijls troostte, als hij bij hunne kinderspelen zijn geduld verloor en van spijt heete tranen weende?
“Liesje,” sprak hij vriendelijk en dankbaar, en reikte haar de hand.
“Army, lieve Army,” klonk het door snikken half verstikt terug; hij voelde een oogenblik haar kleine hand in de zijne; toen was zij verdwenen.
Twaalfde Hoofdstuk.In het slot Derenberg was alles weder tot het eentonige leven van vroeger teruggekeerd. Na Army’s vertrek was het zeer stil geworden in het oude slot. De nood sloop door de groote, ledige zalen en met hem—de zorgen.“Gijmoetraad schaffen, Hellwig,” had de oude barones tegen den getrouwen raadsman der familie, half biddend, half bevelend gezegd. “Gijmoet! Binnen korten tijd moet er geld zijn, opdat het onweder niet nu boven mijn kleinzoon losbarst! Het verdere schikt zich later. Komt tijd, komt raad!”En de oude man had met een bezwaard gemoed de belofte gedaan, te zullen beproeven “den duivelschen jongen, dien Army, uit den brand te helpen;” maar tevens had hij er naar gevraagd, op welke wijze de barones het verdere dacht te schikken? En toen zij op haar zenuwachtige manier den vriend der familie eenigszins had laten vermoeden, van waar zij redding hoopte, had hij bijna weemoedig geglimlacht, en een vragend “nog eens dat gevaarlijke middel?” was over zijne lippen gekomen. “God geve,” had hij er bij gevoegd, “dat het deze maal beter uitvalt! Voor het overige, mevrouw de barones, gaat het tegenwoordig zoo gemakkelijk niet meer, als gij denkt; de wereld is in den laatsten tijd onaangenaam praktisch geworden; vaders, die zulk een jongen adellijken windbuil met open armen ontvangenen er eene eer in stellen, zijne kolossale schulden te betalen, worden steeds zeldzamer—het geld is schaarsch, zeer schaarsch, mevrouw de barones! Maar wat lichtzinnigheid is het ook, om equipages en zijden meubels voor mejuffrouw de bruid aan te schaffen! Dat was later vroeg genoeg; men moet de huid van den beer niet verkoopen, eer hij gevangen is. Gij, barones, die zooveel ondervonden hebt in uw leven, gij hadt den jongen bij de ooren moeten krijgen, en hemmoresmoeten leeren; hij was vroeger altijd gemakkelijk te leiden.”De oogen der jongere barones hadden zich verwijtend op hare schoonmoeder, smeekend op den ouden man gericht; de smeekende oogen hadden hem zoo ver gebracht, dat hij ten minste beloofde, zijn best te doen—-Liesje was reeds lang naar het ouderlijke huis teruggekeerd, en had den innigsten dank van Nelly en hare moeder meegenomen. Zij kwam bijna dagelijks in het slot, en haar vroolijk gekeuvel, haar vriendelijke verschijning bracht uren van zonneschijn in die stille, hooge vertrekken; Nelly vergat dan voor een poos hare droefheid, om zich trouwens later dubbel ellendig te gevoelen.Hoe goed heeft zij het! dacht zij, wanneer hare vriendin zoo vlug door de nu geheel ontbladerde lindenlaan, naar huis ging. Zij stelde zich het aangename “te huis” van Liesje voor, en zag in haar verbeelding, hoe zij den arm om den heer des huizes heensloeg, en hem haar lief vadertje noemde, op wien zij zoo trotsch, zoo trotsch kon zijn—en dan vloeiden weder Nelly’s oogen over van bittere tranen.Zoo was November gekomen, met zijn donkere dagen; de stormen huilden weder om het oude slot, zooals zij reeds eeuwen gedaan hadden; zwaar en vochtig dreven de wolken over het landschap, en regen, vermengd met sneeuw, sloeg kletterend tegen de ruiten. Zulk weder oefent zijn invloed op elk menschelijk wezen, en vooral op eene zieke, die zoo zeer behoefte heeft aan opwekking, en onwillekeurig komtde vraag op de lippen: “Zal voor mij wel ooit de zon weer schijnen? Zullen voor mij de stormen wel ooit weder zwijgen? Gelukkig de mensch, die hopen kan, ook in dagen van diepe smart!”Zij fluistert toch nog altijd vertroostende woorden tot de verslagene ziel, en schildert op den donkeren achtergrond lichtende arabesken en bekoorlijke bloemkransen, waartusschen allerhande gelukkige, vurig verlangde beelden der toekomst doorschijnen; de weenende oogen kunnen dan weder met vertrouwen opzien en de benauwde borst haalt ruimer adem; alles kan immers nog goed worden! En de tijd ging voorbij; eentonig en langzaam kropen de dagen voorbij. Wekelijks kwam er van den ver verwijderden zoon een brief, dien de moeder met angst en hartkloppingen openbrak; telkens vreesde zij, er een slechte tijding uit te zullen vernemen! “Bespeurt gij wel, hoe ongelukkig hij is, zoo verstrooid, zoo geheel anders dan vroeger?” zuchtte Nelly dan en herlas telkens en telkens weder den brief, wiens kortheid een diep bedroefd hart scheen te verraden.“Het gaat hem goed,” was de oude barones gewoon minachtend te zeggen; “hij hoopt het ook van ons; hij heeft veel dienstzaken te verrichten—voilà tout!Hij is geen man; anders zou hij alle pogingen in het werk stellen, om het uiterste te voorkomen. Och hemel! dat ik in zijne plaats ware, zóó jong, en het leven vóór mij! Die onzalige gevoeligheid, die uit louter droefheid over het verlorene, den moed niet heeft om naar een nieuw geluk te streven—Orribile! Het is ons aller ongeluk; ik had nooit gedacht, dat hij ook zoo was.”En bevend van ergernis zette de oude dame zich neder om een brief aan haar kleinzoon te schrijven, en hem moed in te spreken, en een anderen aan Hellwig, ten einde hem aan te sporen, de zaak betreffende de schulden zooveel mogelijk op te houden.November was ten einde en December kwam met zijnstormen; zij huilden in de hooge schoorsteenen en deden de roestige weerhanen op de torens knarsend gieren; zij bogen en schudden de oude boomen in het bosch; de regen kletterde evenals vroeger tegen de ruiten, en doorweekte de paden in het park, totdat in een helderen winternacht de felle vorst gekomen was, die de wegen zoo hard en glad als een rijbaan maakte; hij bedekte den dijk met een spiegelblanke ijskorst, en de velden en wegen met de eerste fijne sneeuwvlokjes.“Het is binnenkort Kerstmis,” zeiden de lieden in het dorp en verheugden er zich over. “Het is spoedig Kerstmis, mama,” sprak ook Nelly tot de sukkelende vrouw, die bij den haard zat te breien, maar in haar gelaat blonk geene vreugde bij het vooruitzicht van het heerlijke feest; “of Army ook zal komen?” vervolgde zij vragend, en hare moeder omhelzende, zeide zij: “lieve mama, ik wil geen enkel geschenk hebben, als Army maar komt.”“Nu is het spoedig Kerstmis,” riep Liesje hare tante juichend tegemoet, toen zij des morgens alles met sneeuw bedekt zag—het klonk zoo hartelijk opgeruimd, dat de oude vrouw haar verbaasd aanzag. Was dat meisje dan in de laatste weken niet geheel veranderd? De oude dartelheid, die haar zoo bekoorlijk stond, waarmede zij ieders hart won, blonk weer uit hare groote, blauwe oogen; hare wangen bloeiden weer even rooskleurig, als vroeger, en dit wonder was klaarblijkelijk geschied, toen zij—ja, toen zij uit het slot naar huis teruggekeerd was. Evenals vroeger schertste zij met haar vader, en voerde allerlei guitenstreken uit, die zelfs hare moeder hartelijk deden lachen.En nu was Kerstmis aanstaande. Toen de oude vrouw haar aanzag, fluisterde de kleine mond dicht aan haar oor, en zij verstond zoo iets van Christeskindje, van Kerstboomen, en Kerstgeschenken en van iets zoo heel, heel fraais voor tante, als zij zich niet kon voorstellen.En al deze vreugde en dit gejubel was in een enkel oogenblikte voorschijn geroepen: het enkele woord “Liesje!” uitgesproken op een teederen, dankbaren toon, en een enkele, vluchtige handdruk!—En eindelijk was de heilige avond aangebroken over de wijde wereld; hij bracht in elk huis een helderen lichtglans; hij ontstak de kaarsen aan de groene boomen, in paleizen en hutten; en deze wierpen hun licht op vroolijke gezichten, op kostbare en eenvoudige geschenken; de kerkklokken luidden in de stille, koude winterlucht en noodigden de menschen tot een plechtige, dankbare feestviering; en hoog boven de verheugde wereld spreidde de hemel zijn donkeren blauwen mantel uit; in schitterende, fonkelende pracht straalden de sterren naar beneden, en “Eere zij God in den hoogen,” klonk het tot haar naar boven,“in den menschen een welbehagen en vrede op aarde!”“Vrede op aarde!”Er waren ook woningen, waar de weldadige gast geen ingang vond, en harten, zeer vele harten, die geen ruimten voor feestvreugde hadden, omdat leed en smart hen geheel vervulde! En op geen dag drukt de zorg zulk een arm menschenkind dieper ter neder, gevoelt het de smarten meer dan op dien, waarop zich allen verheugen, waarop de vrede moest nederdalen in alle harten, alléén in het zijne niet; waarop de bange vraag naar boven rijst; waarom ben ik—waarom zijn wij uitgesloten van de feestvreugde?Diezelfde vraag stond ook te lezen in de oogen van het jonge meisje, dat daar aan het venster stond en in den helderen avond naar buiten zag. “Daar beneden in den molen zijn de ramen helder verlicht; daar brandt de Kerstboom,” fluisterde zij zacht, en drukte smartelijk de handen op de borst—welk een verlangen overviel haar naar zijne helder verlichte en versierde takken! Liesje had haar gevraagd te komen; zij moest toch ten minste de lichten op den boom zien branden; maar neen, waartoe zou dat dienen? Wat ging haar des molenaars Kerstboom aan? Het was de haretoch niet, en waarom zou zij Liesjes gelukkig gelaat aanschouwen? Hare sombere, stille woning zou baar daarna nog eens zoo treurig hebben toegeschenen. Zij keerde zich om en ging naar den stoel harer moeder, om haar wang tegen het lieve gezicht te vlijen. Zij tastte met de hand, maar vond slechts het ledige kussen. “Mama,” riep zij zacht—het bleef stil. “Nu is ook zij naar grootmama gegaan,” fluisterde zij en viel in den zachten stoel neder. “Allen verlaten zij mij, och, dat ze toch terugkwamen! Mama en Army, o ja, Army is dáár”—dat was toch nog een zoete troost. Morgen zou hij zeker wel niet meer zooveel met grootmama te spreken hebben over zaken; wat kunnen zij toch voor belangrijks te verhandelen hebben sedert zijn aankomst? Zou het nog altijd over Blanka zijn?—-Nelly vergiste zich; hare moeder was niet boven, waar de oude barones met den jongen officier een onderhoud had over zaken—leelijke, niet zeer stichtelijke zaken, die niets gemeen hadden met den geest van het Kerstfeest.“Tot Nieuwjaar—nog maar acht dagen!” sprak de oude dame, en zag somber voor zich.“Tot Nieuwjaar,” bevestigde Army, die voor haar stond.“En gij zegt, Hellwig weet geen raad?”“Zoo zeide hij—”“Maardio mio!Het is toch anders voor een officier niet zoo moeilijk, geld te krijgen?”“Anders? Gij vergeet, grootmama, dat onze omstandigheden voldoende bekend zijn. Geen bankier leent mij geld, met de zekerheid, het te verliezen, en dan nog zulke sommen! Het eenige, wat ik bewerken kon, was—uitstel tot Nieuwjaar.”“En hebt gij geene moeite gedaan het middel te beproeven, dat ik u als de éénige redding aanwees?”Hij zag haar fier aan. “Neen, mijne schuldeischers gaven mij werkelijk denzelfden raad en wilden mij er wel behulpzaamin zijn; maar duizendmaal liever naar Amerika en werken als een knecht, dan zulk een juk op mij te nemen!”“Zooals gij wilt!” sprak de oude dame koel, “het is uwe zaak en niet de mijne.”“Juist zoo!” lachte hij. “Maar laat de geheele historie naar den duivel loopen! Ik ben hier niet gekomen om u mijn nood te klagen; ik wil het Kerstfeest met u vieren; het Kerstfeest!” herhaalde hij spottend.“Goed dan!” klonk de stem der grootmoeder. Dan zal ik raad zien te schaffen; er zijn nog wel menschen in de wereld, die den naam Derenberg niet vergeten hebben. Morgen—neen, van avond nog schrijf ik aan den hertog van R.Om Army’s lippen zweefde een bittere lach. Hij dacht aan het schilderij boven in de familiezaal, dat zijne grootmoeder voorstelde, hoe zij, als een schoone, jonge vrouw, den hertog de hand bood als welkomstgroet in haar gastvrij huis. “Bedelarij!” klonk het verachtelijk in zijn binnenste; hij voer met de hand over het voorhoofd, en sloeg een blik op de statige, zwarte vrouw tegenover hem, die zoo onbewegelijk, met een uitdrukking van vastberadenheid op het gelaat, bij de tafel stond. Hij had medelijden met haar, de trotsche vrouw; hij wist, dat het haar onuitsprekelijk zwaar zou vallen, zulk een brief te schrijven.“Doe dat niet, grootmama!”bad hij vriendelijk, “gij moogt u niet zoo vernederen—”“Neen, ik laat het niet,” was het antwoord, “want ik zie, dat ik de eenige ben, die misschien nog uitkomst vinden kan, hoewel ik maar een oude vrouw ben.”“Maar, grootmama! zal de oude heer zich uwer nog herinneren?”Zij lachte. “Zult gij ooit het beeld uwer bruid vergeten?” vroeg zij, en de zwarte oogen schoten stralen uit hun brandenden gloed. “Zeker niet! Evenmin vergeet de hertog vanR. Leonore van Derenberg, want hij heeft mij liefgehad, Army! van het oogenblik af, dat hij mij voor het eerste zag. Hij was toen nog erfprins; mijn man stelde mij ten hove voor; er werd juist een feest gevierd—ik weet niet meer ter eere van wie; en, toen ik door de bonte menigte, die de helder verlichte zalen vulde, aan den arm uws grootvaders vooruit trad, dewijl het hertogelijke paar mij wenschte te zien, en de menschen rechts en links ter zijde weken en de vreemde, de Italiaansche, aanzagen, terwijl ik eene buiging maakte voor het hooge echtpaar—toen werd mijn oor getroffen door een kreet van verrassing, en toen ik mijne oogen ophief, ontmoetten zij die van een schoon jong man, welke mij bewonderend aanstaarden. Ik was zeventien jaar, Army, en wat bedwelmt eene vrouw meer, dan bewonderd te worden en—voorbij, voorbij!” fluisterde zij, “waartoe het verledene weer te voorschijn te roepen!”“En”—vervolgde zij peinzend, zonder acht op zijn gloeiend gelaat te geven, “hij kwam dikwijls naar Derenberg; hij was mijn cavalier bij elke gelegenheid, tot hij een verre reis ondernam—die goede ouders, zij waren bezorgd over hem, en mijn echtgenoot was de belachelijkste Othello, dien de wereld ooit zag; hij haatte den levenslustigen prins, omdat mijne lippen lachten als hij sprak, en mijne oogen, schitterden als ik hem zag, iets dat zij reeds bijna verleerd hadden; alles wat mij omgaf, droeg immers den stempel der verveling, de hemel, de aarde, de menschen, zelfs de feesten die mijn echtgenoot gaf. Hij was het, die in overeenstemming met de vorstelijke ouders, den vlinder verwijderde, die zoo onstuimig om de kaars fladderde—echt burgerlijk, zooals alles hier te lande! Ik wist het, dat mijn gemaal opmerkzaam gemaakt was geworden, ik wist, wie hem in den geheel onschuldigen omgang het ergste deed zien. O, ik heb hem gehaat, mijn zwager, dien—”“Grootmoeder! en aan dien man wilt gij schrijven? Bij hem bedelen, omdat hij u eens bewonderde? Bij hem, dien mijn grootvader haatte?”“Ik ben nu een oude vrouw geworden, mijn kind,” antwoordde zij op hoogen toon, en wierp het nog altijd schoone hoofd in den nek, “en wat ik doe, heb ik slechts mijzelve te verantwoordden. Toen wij voor twintig jaar plotseling arm werden, schreef hij mij; hij had de vrouw niet vergeten, die eenmaal zijn jong hart verrukt had; ik had ons in eens uit alle drukkende omstandigheden kunnen bevrijden—maar ik wist, wat ik den naam Derenberg, wat ik mijzelve verschuldigd was.” Zij stond met opgeheven hand voor haar kleinzoon, en haar groote oogen blonken van edelen trots.“Meent gij, dat het mij licht valt aan hem te schrijven?” ging zij voort, “ik doe het om uwentwil, Army, want het weinigje ongeluk, dat u trof, heeft uwe hand verlamd, en heeft van u gemaakt een weekhartigen droomer in plaats van een sterken man met een vasten wil; daarom zal ik in uwe plaats handelen!” Zij ging hem voorbij en verdween in de naaste kamer; de deur vloog zoo krachtig en snel achter haar dicht, dat de roode gordijnen omhoog waaiden.Army stond onbeweeglijk bij den schoorsteen; nu en dan schudde hij zacht het hoofd, en een bittere lach zweefde om zijn mond. Plotseling was het, alsof zijn gebogene gestalte zich in zijn volle lengte oprichtte, als trof hem eene gedachte, een besluit dat hem—“Army,” riep een zachte stem, en het blonde hoofdje zijner zuster kwam tusschen de plooien van het deurgordijn te voorschijn; “Army, kom toch beneden! gauw! Mama stuurt mij.” Zij was de kamer ingeslopen, en drukte zich tegen hem aan. “Weet gij wat ik geloof?” fluisterde zij, “mama heeft zeker een Kerstboom ontstoken; er schijnt zulk een helder licht onder de deur door.”Hij staarde in de donkere oogen, die zoo kinderlijk blijmoedig tot hem opzagen.“Spoedig,” smeekte zij, “grootmama gaat toch niet mee; zij mag immers den Duitschen Kerstboom niet lijden.”“Ja, kom Nelly!” zeide hij, en de arm om zijne zuster heen slaande, verliet hij ijlings met haar het vertrek.
In het slot Derenberg was alles weder tot het eentonige leven van vroeger teruggekeerd. Na Army’s vertrek was het zeer stil geworden in het oude slot. De nood sloop door de groote, ledige zalen en met hem—de zorgen.
“Gijmoetraad schaffen, Hellwig,” had de oude barones tegen den getrouwen raadsman der familie, half biddend, half bevelend gezegd. “Gijmoet! Binnen korten tijd moet er geld zijn, opdat het onweder niet nu boven mijn kleinzoon losbarst! Het verdere schikt zich later. Komt tijd, komt raad!”
En de oude man had met een bezwaard gemoed de belofte gedaan, te zullen beproeven “den duivelschen jongen, dien Army, uit den brand te helpen;” maar tevens had hij er naar gevraagd, op welke wijze de barones het verdere dacht te schikken? En toen zij op haar zenuwachtige manier den vriend der familie eenigszins had laten vermoeden, van waar zij redding hoopte, had hij bijna weemoedig geglimlacht, en een vragend “nog eens dat gevaarlijke middel?” was over zijne lippen gekomen. “God geve,” had hij er bij gevoegd, “dat het deze maal beter uitvalt! Voor het overige, mevrouw de barones, gaat het tegenwoordig zoo gemakkelijk niet meer, als gij denkt; de wereld is in den laatsten tijd onaangenaam praktisch geworden; vaders, die zulk een jongen adellijken windbuil met open armen ontvangenen er eene eer in stellen, zijne kolossale schulden te betalen, worden steeds zeldzamer—het geld is schaarsch, zeer schaarsch, mevrouw de barones! Maar wat lichtzinnigheid is het ook, om equipages en zijden meubels voor mejuffrouw de bruid aan te schaffen! Dat was later vroeg genoeg; men moet de huid van den beer niet verkoopen, eer hij gevangen is. Gij, barones, die zooveel ondervonden hebt in uw leven, gij hadt den jongen bij de ooren moeten krijgen, en hemmoresmoeten leeren; hij was vroeger altijd gemakkelijk te leiden.”
De oogen der jongere barones hadden zich verwijtend op hare schoonmoeder, smeekend op den ouden man gericht; de smeekende oogen hadden hem zoo ver gebracht, dat hij ten minste beloofde, zijn best te doen—-
Liesje was reeds lang naar het ouderlijke huis teruggekeerd, en had den innigsten dank van Nelly en hare moeder meegenomen. Zij kwam bijna dagelijks in het slot, en haar vroolijk gekeuvel, haar vriendelijke verschijning bracht uren van zonneschijn in die stille, hooge vertrekken; Nelly vergat dan voor een poos hare droefheid, om zich trouwens later dubbel ellendig te gevoelen.
Hoe goed heeft zij het! dacht zij, wanneer hare vriendin zoo vlug door de nu geheel ontbladerde lindenlaan, naar huis ging. Zij stelde zich het aangename “te huis” van Liesje voor, en zag in haar verbeelding, hoe zij den arm om den heer des huizes heensloeg, en hem haar lief vadertje noemde, op wien zij zoo trotsch, zoo trotsch kon zijn—en dan vloeiden weder Nelly’s oogen over van bittere tranen.
Zoo was November gekomen, met zijn donkere dagen; de stormen huilden weder om het oude slot, zooals zij reeds eeuwen gedaan hadden; zwaar en vochtig dreven de wolken over het landschap, en regen, vermengd met sneeuw, sloeg kletterend tegen de ruiten. Zulk weder oefent zijn invloed op elk menschelijk wezen, en vooral op eene zieke, die zoo zeer behoefte heeft aan opwekking, en onwillekeurig komtde vraag op de lippen: “Zal voor mij wel ooit de zon weer schijnen? Zullen voor mij de stormen wel ooit weder zwijgen? Gelukkig de mensch, die hopen kan, ook in dagen van diepe smart!”Zij fluistert toch nog altijd vertroostende woorden tot de verslagene ziel, en schildert op den donkeren achtergrond lichtende arabesken en bekoorlijke bloemkransen, waartusschen allerhande gelukkige, vurig verlangde beelden der toekomst doorschijnen; de weenende oogen kunnen dan weder met vertrouwen opzien en de benauwde borst haalt ruimer adem; alles kan immers nog goed worden! En de tijd ging voorbij; eentonig en langzaam kropen de dagen voorbij. Wekelijks kwam er van den ver verwijderden zoon een brief, dien de moeder met angst en hartkloppingen openbrak; telkens vreesde zij, er een slechte tijding uit te zullen vernemen! “Bespeurt gij wel, hoe ongelukkig hij is, zoo verstrooid, zoo geheel anders dan vroeger?” zuchtte Nelly dan en herlas telkens en telkens weder den brief, wiens kortheid een diep bedroefd hart scheen te verraden.
“Het gaat hem goed,” was de oude barones gewoon minachtend te zeggen; “hij hoopt het ook van ons; hij heeft veel dienstzaken te verrichten—voilà tout!Hij is geen man; anders zou hij alle pogingen in het werk stellen, om het uiterste te voorkomen. Och hemel! dat ik in zijne plaats ware, zóó jong, en het leven vóór mij! Die onzalige gevoeligheid, die uit louter droefheid over het verlorene, den moed niet heeft om naar een nieuw geluk te streven—Orribile! Het is ons aller ongeluk; ik had nooit gedacht, dat hij ook zoo was.”
En bevend van ergernis zette de oude dame zich neder om een brief aan haar kleinzoon te schrijven, en hem moed in te spreken, en een anderen aan Hellwig, ten einde hem aan te sporen, de zaak betreffende de schulden zooveel mogelijk op te houden.
November was ten einde en December kwam met zijnstormen; zij huilden in de hooge schoorsteenen en deden de roestige weerhanen op de torens knarsend gieren; zij bogen en schudden de oude boomen in het bosch; de regen kletterde evenals vroeger tegen de ruiten, en doorweekte de paden in het park, totdat in een helderen winternacht de felle vorst gekomen was, die de wegen zoo hard en glad als een rijbaan maakte; hij bedekte den dijk met een spiegelblanke ijskorst, en de velden en wegen met de eerste fijne sneeuwvlokjes.
“Het is binnenkort Kerstmis,” zeiden de lieden in het dorp en verheugden er zich over. “Het is spoedig Kerstmis, mama,” sprak ook Nelly tot de sukkelende vrouw, die bij den haard zat te breien, maar in haar gelaat blonk geene vreugde bij het vooruitzicht van het heerlijke feest; “of Army ook zal komen?” vervolgde zij vragend, en hare moeder omhelzende, zeide zij: “lieve mama, ik wil geen enkel geschenk hebben, als Army maar komt.”
“Nu is het spoedig Kerstmis,” riep Liesje hare tante juichend tegemoet, toen zij des morgens alles met sneeuw bedekt zag—het klonk zoo hartelijk opgeruimd, dat de oude vrouw haar verbaasd aanzag. Was dat meisje dan in de laatste weken niet geheel veranderd? De oude dartelheid, die haar zoo bekoorlijk stond, waarmede zij ieders hart won, blonk weer uit hare groote, blauwe oogen; hare wangen bloeiden weer even rooskleurig, als vroeger, en dit wonder was klaarblijkelijk geschied, toen zij—ja, toen zij uit het slot naar huis teruggekeerd was. Evenals vroeger schertste zij met haar vader, en voerde allerlei guitenstreken uit, die zelfs hare moeder hartelijk deden lachen.
En nu was Kerstmis aanstaande. Toen de oude vrouw haar aanzag, fluisterde de kleine mond dicht aan haar oor, en zij verstond zoo iets van Christeskindje, van Kerstboomen, en Kerstgeschenken en van iets zoo heel, heel fraais voor tante, als zij zich niet kon voorstellen.
En al deze vreugde en dit gejubel was in een enkel oogenblikte voorschijn geroepen: het enkele woord “Liesje!” uitgesproken op een teederen, dankbaren toon, en een enkele, vluchtige handdruk!—
En eindelijk was de heilige avond aangebroken over de wijde wereld; hij bracht in elk huis een helderen lichtglans; hij ontstak de kaarsen aan de groene boomen, in paleizen en hutten; en deze wierpen hun licht op vroolijke gezichten, op kostbare en eenvoudige geschenken; de kerkklokken luidden in de stille, koude winterlucht en noodigden de menschen tot een plechtige, dankbare feestviering; en hoog boven de verheugde wereld spreidde de hemel zijn donkeren blauwen mantel uit; in schitterende, fonkelende pracht straalden de sterren naar beneden, en “Eere zij God in den hoogen,” klonk het tot haar naar boven,“in den menschen een welbehagen en vrede op aarde!”
“Vrede op aarde!”Er waren ook woningen, waar de weldadige gast geen ingang vond, en harten, zeer vele harten, die geen ruimten voor feestvreugde hadden, omdat leed en smart hen geheel vervulde! En op geen dag drukt de zorg zulk een arm menschenkind dieper ter neder, gevoelt het de smarten meer dan op dien, waarop zich allen verheugen, waarop de vrede moest nederdalen in alle harten, alléén in het zijne niet; waarop de bange vraag naar boven rijst; waarom ben ik—waarom zijn wij uitgesloten van de feestvreugde?
Diezelfde vraag stond ook te lezen in de oogen van het jonge meisje, dat daar aan het venster stond en in den helderen avond naar buiten zag. “Daar beneden in den molen zijn de ramen helder verlicht; daar brandt de Kerstboom,” fluisterde zij zacht, en drukte smartelijk de handen op de borst—welk een verlangen overviel haar naar zijne helder verlichte en versierde takken! Liesje had haar gevraagd te komen; zij moest toch ten minste de lichten op den boom zien branden; maar neen, waartoe zou dat dienen? Wat ging haar des molenaars Kerstboom aan? Het was de haretoch niet, en waarom zou zij Liesjes gelukkig gelaat aanschouwen? Hare sombere, stille woning zou baar daarna nog eens zoo treurig hebben toegeschenen. Zij keerde zich om en ging naar den stoel harer moeder, om haar wang tegen het lieve gezicht te vlijen. Zij tastte met de hand, maar vond slechts het ledige kussen. “Mama,” riep zij zacht—het bleef stil. “Nu is ook zij naar grootmama gegaan,” fluisterde zij en viel in den zachten stoel neder. “Allen verlaten zij mij, och, dat ze toch terugkwamen! Mama en Army, o ja, Army is dáár”—dat was toch nog een zoete troost. Morgen zou hij zeker wel niet meer zooveel met grootmama te spreken hebben over zaken; wat kunnen zij toch voor belangrijks te verhandelen hebben sedert zijn aankomst? Zou het nog altijd over Blanka zijn?—-
Nelly vergiste zich; hare moeder was niet boven, waar de oude barones met den jongen officier een onderhoud had over zaken—leelijke, niet zeer stichtelijke zaken, die niets gemeen hadden met den geest van het Kerstfeest.
“Tot Nieuwjaar—nog maar acht dagen!” sprak de oude dame, en zag somber voor zich.
“Tot Nieuwjaar,” bevestigde Army, die voor haar stond.
“En gij zegt, Hellwig weet geen raad?”
“Zoo zeide hij—”
“Maardio mio!Het is toch anders voor een officier niet zoo moeilijk, geld te krijgen?”
“Anders? Gij vergeet, grootmama, dat onze omstandigheden voldoende bekend zijn. Geen bankier leent mij geld, met de zekerheid, het te verliezen, en dan nog zulke sommen! Het eenige, wat ik bewerken kon, was—uitstel tot Nieuwjaar.”
“En hebt gij geene moeite gedaan het middel te beproeven, dat ik u als de éénige redding aanwees?”
Hij zag haar fier aan. “Neen, mijne schuldeischers gaven mij werkelijk denzelfden raad en wilden mij er wel behulpzaamin zijn; maar duizendmaal liever naar Amerika en werken als een knecht, dan zulk een juk op mij te nemen!”
“Zooals gij wilt!” sprak de oude dame koel, “het is uwe zaak en niet de mijne.”
“Juist zoo!” lachte hij. “Maar laat de geheele historie naar den duivel loopen! Ik ben hier niet gekomen om u mijn nood te klagen; ik wil het Kerstfeest met u vieren; het Kerstfeest!” herhaalde hij spottend.
“Goed dan!” klonk de stem der grootmoeder. Dan zal ik raad zien te schaffen; er zijn nog wel menschen in de wereld, die den naam Derenberg niet vergeten hebben. Morgen—neen, van avond nog schrijf ik aan den hertog van R.
Om Army’s lippen zweefde een bittere lach. Hij dacht aan het schilderij boven in de familiezaal, dat zijne grootmoeder voorstelde, hoe zij, als een schoone, jonge vrouw, den hertog de hand bood als welkomstgroet in haar gastvrij huis. “Bedelarij!” klonk het verachtelijk in zijn binnenste; hij voer met de hand over het voorhoofd, en sloeg een blik op de statige, zwarte vrouw tegenover hem, die zoo onbewegelijk, met een uitdrukking van vastberadenheid op het gelaat, bij de tafel stond. Hij had medelijden met haar, de trotsche vrouw; hij wist, dat het haar onuitsprekelijk zwaar zou vallen, zulk een brief te schrijven.
“Doe dat niet, grootmama!”bad hij vriendelijk, “gij moogt u niet zoo vernederen—”
“Neen, ik laat het niet,” was het antwoord, “want ik zie, dat ik de eenige ben, die misschien nog uitkomst vinden kan, hoewel ik maar een oude vrouw ben.”
“Maar, grootmama! zal de oude heer zich uwer nog herinneren?”
Zij lachte. “Zult gij ooit het beeld uwer bruid vergeten?” vroeg zij, en de zwarte oogen schoten stralen uit hun brandenden gloed. “Zeker niet! Evenmin vergeet de hertog vanR. Leonore van Derenberg, want hij heeft mij liefgehad, Army! van het oogenblik af, dat hij mij voor het eerste zag. Hij was toen nog erfprins; mijn man stelde mij ten hove voor; er werd juist een feest gevierd—ik weet niet meer ter eere van wie; en, toen ik door de bonte menigte, die de helder verlichte zalen vulde, aan den arm uws grootvaders vooruit trad, dewijl het hertogelijke paar mij wenschte te zien, en de menschen rechts en links ter zijde weken en de vreemde, de Italiaansche, aanzagen, terwijl ik eene buiging maakte voor het hooge echtpaar—toen werd mijn oor getroffen door een kreet van verrassing, en toen ik mijne oogen ophief, ontmoetten zij die van een schoon jong man, welke mij bewonderend aanstaarden. Ik was zeventien jaar, Army, en wat bedwelmt eene vrouw meer, dan bewonderd te worden en—voorbij, voorbij!” fluisterde zij, “waartoe het verledene weer te voorschijn te roepen!”
“En”—vervolgde zij peinzend, zonder acht op zijn gloeiend gelaat te geven, “hij kwam dikwijls naar Derenberg; hij was mijn cavalier bij elke gelegenheid, tot hij een verre reis ondernam—die goede ouders, zij waren bezorgd over hem, en mijn echtgenoot was de belachelijkste Othello, dien de wereld ooit zag; hij haatte den levenslustigen prins, omdat mijne lippen lachten als hij sprak, en mijne oogen, schitterden als ik hem zag, iets dat zij reeds bijna verleerd hadden; alles wat mij omgaf, droeg immers den stempel der verveling, de hemel, de aarde, de menschen, zelfs de feesten die mijn echtgenoot gaf. Hij was het, die in overeenstemming met de vorstelijke ouders, den vlinder verwijderde, die zoo onstuimig om de kaars fladderde—echt burgerlijk, zooals alles hier te lande! Ik wist het, dat mijn gemaal opmerkzaam gemaakt was geworden, ik wist, wie hem in den geheel onschuldigen omgang het ergste deed zien. O, ik heb hem gehaat, mijn zwager, dien—”
“Grootmoeder! en aan dien man wilt gij schrijven? Bij hem bedelen, omdat hij u eens bewonderde? Bij hem, dien mijn grootvader haatte?”
“Ik ben nu een oude vrouw geworden, mijn kind,” antwoordde zij op hoogen toon, en wierp het nog altijd schoone hoofd in den nek, “en wat ik doe, heb ik slechts mijzelve te verantwoordden. Toen wij voor twintig jaar plotseling arm werden, schreef hij mij; hij had de vrouw niet vergeten, die eenmaal zijn jong hart verrukt had; ik had ons in eens uit alle drukkende omstandigheden kunnen bevrijden—maar ik wist, wat ik den naam Derenberg, wat ik mijzelve verschuldigd was.” Zij stond met opgeheven hand voor haar kleinzoon, en haar groote oogen blonken van edelen trots.
“Meent gij, dat het mij licht valt aan hem te schrijven?” ging zij voort, “ik doe het om uwentwil, Army, want het weinigje ongeluk, dat u trof, heeft uwe hand verlamd, en heeft van u gemaakt een weekhartigen droomer in plaats van een sterken man met een vasten wil; daarom zal ik in uwe plaats handelen!” Zij ging hem voorbij en verdween in de naaste kamer; de deur vloog zoo krachtig en snel achter haar dicht, dat de roode gordijnen omhoog waaiden.
Army stond onbeweeglijk bij den schoorsteen; nu en dan schudde hij zacht het hoofd, en een bittere lach zweefde om zijn mond. Plotseling was het, alsof zijn gebogene gestalte zich in zijn volle lengte oprichtte, als trof hem eene gedachte, een besluit dat hem—
“Army,” riep een zachte stem, en het blonde hoofdje zijner zuster kwam tusschen de plooien van het deurgordijn te voorschijn; “Army, kom toch beneden! gauw! Mama stuurt mij.” Zij was de kamer ingeslopen, en drukte zich tegen hem aan. “Weet gij wat ik geloof?” fluisterde zij, “mama heeft zeker een Kerstboom ontstoken; er schijnt zulk een helder licht onder de deur door.”
Hij staarde in de donkere oogen, die zoo kinderlijk blijmoedig tot hem opzagen.
“Spoedig,” smeekte zij, “grootmama gaat toch niet mee; zij mag immers den Duitschen Kerstboom niet lijden.”
“Ja, kom Nelly!” zeide hij, en de arm om zijne zuster heen slaande, verliet hij ijlings met haar het vertrek.
Dertiende Hoofdstuk.Het begon reeds te schemeren, toen Liesje boven in haar kamertje een sierlijk korfje vol kleinigheden pakte; telkens voegde zij er nog iets fraais bij; eindelijk sloot zij het, en een halfluid: “zie zoo, het is vol marsepein en chocolade—dat lust zij het liefste,” kwam over hare lippen. Zingend trok zij het met bont gevoerde jakje aan, dat gisteravond onder den Kerstboom had gelegen, en zette het daarbij behoorende mutsje van zwart fluweel, met een rand van marter omzoomd, vluchtig op de bruine vlechten; zij bekeek zich in den spiegel en begon op eens te lachen.“Precies een jongen! Tante heeft wel gelijk,” sprak zij en zette het sierlijke hoofddeksel wat vaster en midden op het hoofd. “Nu nog de mof, en dan spoedig weg; want ik moet tijdig weer terug zijn.”Zij greep mof en mandje en sprong de trappen af. “Ik ga naar Nelly,” riep zij, de deur der huiskamer even opendoende.“Zorg, dat gij op tijd weer tehuis komt, Liesje,” vermaande hare moeder; “anders wordt oom de dominé boos en worden de kinderen ongeduldig. Gij weet, om zeven uur wordt voor hen de Kerstboom aangestoken—”“Ja, ja, zeker,” riep Liesje, en weg was zij.Tante Marie zag haar na, toen zij over den molenbrug ging. “Och lieve hemel!”dacht zij, “hoe zal het er daar ophet slot uitzien? Daar zullen de Kerstgeschenken ook wel niet rijkelijk zijn uitgevallen.”Liesje zat reeds sedert een kwartier naast Nelly bij den haard te praten; tegen haar over zat Army op zijn gemak in een grooten stoel; hij was in diep gepeins verzonken, en luisterde slechts nu en dan, wanneer een der beide meisjes hem met een hartelijken lach uit zijne mijmering wekte.“..... En moeder kreeg van vader een pillendoos,” vertelde Liesje, “waarop geschreven stond: ‘de beste medicijn’, en waarin reisgeld lag, om naar Italië te gaan.—Gij weet immers, Nelly, de dokter heeft altijd tegen mama gezegd, dat zij den winter hier niet moest doorbrengen, maar zij was er altijd tegen; nu echter heeft zij half en half toegegeven—”“Zij gaat toch niet alleen?” vroeg Nelly.“Neen, papa gaat in ieder geval meê, en—”“Nu, en?”“En ik,” voegde Liesje er dralend bij.“En zijt gij daar niet heel blij om?” riep Nelly opgewonden. “Hè, naar Italië; hoe mooi moet het daar zijn!”“Neen, ik blijf liever bij tante tehuis; ik ben immers goed gezond; en schooner dan hier, zal het dáár wel niet zijn.”“O, Liesje, hoe dwaas!” bestrafte Nelly.“Ja zie, Nelly! Gij moet mij niet voor zoo dwaas aanzien, maar ik heb er nog een andere reden voor. Gij moogt mij niet verklappen, want ik heb er nog niets van tegen vader gezegd. Zie, Bertha van onzen meesterknecht in den molen lijdt aan eene borstziekte; de dokter zegt, dat alleen een verblijf in Vevey of Montreux haar kan genezen; zij is veel zieker dan moeder, en nu zou ik graag zien, dat Bertha in mijne plaats meeging; ik ben nog jong, misschien kom ik nog wel eens in “la bella Italia”, zooals uwe grootmama zegt.”Army stond plotseling op en ging naar het venster. Het jonge meisje had zachtjes gesproken, maar desniettemin was hem geen woord ontgaan. Dat was nog altijd de goedhartigeLise van vroeger, die haar boterham aan arme kinderen en hare blinkende driepenningstukken, die tante zoo zorgvuldig voor haar verzamelde, aan den eersten den besten handwerksjongen weggaf; zij schudde nog zoo, half trotsch, half bedeesd, het hoofdje, wanneer zij beknord werd. En dan rees een ander beeld voor zijn oog, een kleine, teedere gedaante, met goudkleurig haar—die terugdeinsde voor bedelaars, en dat “gemeen”, met een wenk harer kleine hand onbarmhartig van haar deur verdreef; die met minachting haar kleed dicht om zich heen trok, wanneer op de wandeling een kreupele smeekend zijne handen naar haar uitstak. “Geef hem niets, Army,” had zij gezegd, “ik word er wee van, kom, kom—tante betaalt overvloedig armengeld.” Zóó gingzijden armen natuurgenoot voorbij, met haar geparfumeerden kanten zakdoek voor den neus.Buiten lag het park sneeuwwit en kalm; iedere boom stak duidelijk af op den helderen achtergrond, en daar beneden straalde het licht uit de vensters van den molen. Dat oude, gezellige huis, wat al zoete herinneringen waren daaraan voor hem verbonden! Hoe gerust en aangenaam moest het zijn, dáár te wonen, zonder zorgen, zonder angst voor de toekomst of aanstaande ellende!“Uit mijn jeugdig leven,Uit mijn jeugdig leven,Klinkt mij steeds een lied in d’ ooren;O, waar is gebleven,O, waar is gebleven,Wat mij ééns mocht toebehooren?”klonk het zacht en teeder achter hem; hij keerde zich om—daar stond zij bij de oude pianino, de slanke, tenger gebouwde meisjesgestalte,—het hoofdje wat voorover gebogen, en bij het flauwe licht, dat de lamp in dien hoek van het vertrok verspreidde, meende Army te zien, dat een zachte blos zich over Liesjes gelaat vertoonde.“Toen ik afscheid nam,Toen ik afscheid nam,—Lachte mij het leven toe;Toen ik weder kwam,Toen ik weder kwam,Was mij alles droef te moê—”Liesjes stem klonk diep weemoedig.“Nu het laatste vers,” verzocht Nelly; “mama hoort het zoo graag.”“Ik kan niet meer,” antwoordde zij zacht en verwijderde zich van de piano.“Och, dat spijt mij, Liesje,” sprak Nelly’s moeder nu,“ook geen Kerstlied?”Aanstonds trad zij weder naar de piano:“Daarboven fonkelt hel een ster,Die stil op aarde ziet,En ’t Eng’lenheir, dat zingt van verEen jub’lend Kerstnachtlied.En om de schaam’le kribbe straaltEen wonderheerlijk licht;Een kindje ligt op ’t harde stroo,Met godd’lijk aangezicht.Verblijdt u dan in dezen stond,Die vrede op aarde geeft!Zoo klinkt het uit der Eng’len mond,Nu Jezus Christus leeft!Knielt neer van verre en van nabij,Gij menschen groot en kleen,En dankt den Heer op zijnen troon,Nu ’s werelds licht verscheen!”Zachtkens stierven de tonen van het oude Kerstlied in het hooge vertrek weg; geen geluid werd gehoord, bij ieder had dit lied verschillende herinneringen opgewekt, die echter alle in denzelfden grond hun oorsprong hadden.De sukkelende vrouw, in dien grooten stoel, zij herinnerde zich den tijd, toen zij als jonge moeder haar knaap die woorden leerde, opdat hij ze voor zijn vader onder den prachtigen Kerstboom zou opzeggen; zij zag weder den fermen jongen, om wien zij haar arm geslagen had, voor den knappen man staan; zij was naast het kind neergeknield en vouwde zijn kleine handjes biddend saam; van de takken des booms straalde licht; en licht werd teruggekaatst uit de helder schitterende kinderoogen; hij moest immers wel trotsch zijn op zijn zoon.... “Bid nu, mijn jongen!” en de heldere kinderstem had zoo roerend, ernstig geklonken:“Verblijdt u dan in dezen stond,Die vrede op aarde geeft!”Den jongen man stond deze avond niet voor den geest; die was uit zijn geheugen gewischt; maar hij zag zich met twee kleine meisjes daar beneden in de kamer van tante. Beiden zaten op bankjes aan de voeten der oude vrouw, de lieve mondjes wijd geopend, en de oogen ernstig voor zich uitziende; zij zongen, hoewel niet volgens de regelen der kunst, toch dapper en gloeiend van Kerstvreugde:“En om de schaam’le kribbe straaltEen wonder heerlijk licht,Een kindje ligt op ’t harde stroo—”“Army zingt niet mede, tante!” had de grootste gezegd en haar vragend aangezien.“Dan krijgt hij straks ook geen peperkoeken, als Ruprecht de knecht komt,” was het antwoord geweest.Toen was de kleine naar hem toegetrippeld. “Army meezingen!” had zij met tranen in de blauwe oogen gewaagd, en toen hij overmoedig de blauwe lokken schudde, had zij wanhopig haar gezichtje met de handen bedekt, Daarop was Ruprecht de knecht gekomen, met een grooten, zwaren pels om; hij had met de noten in den zak gerammeld en dreigend eene roede voor den dag gehaald. “Zijn dekinderen zoet, tante?” had hij met een diepe basstem gevraagd; “kunnen zij ook bidden?”Ja, de meisjes wel; maar die daar, die jongen, is een kleine stijfkop, die zijn Kerstlied niet zingen wil; neem dien maar stilletjes mee naar uw sneeuwhol, heer Ruprecht!” En toen was het kleine meisje, bitter schreiend en haar angst vergetend, naar den gevreesden man toegeloopen.“Neen, neen, lieve oom Ruprecht, neem Army niet mee! Hij is niet stout; ik wil ook geen enkelen peperkoek hebben.” En Nelly was ook gaan schreien, zoodat knecht Ruprecht ten slotte was vertrokken, zonder een gebed gehoord te hebben, terwijl de troostwoorden van tante en het geween der meisjes hem achterna klonken. Hij alleen, die ondeugd, schreide niet; hij lachte, toen de laatste slip van den pelsmantel verdwenen was; hij hield stijf en stok staande, dat het niet knecht Ruprecht, maar Peter, de koetsier, geweest was, in den omgekeerden pelsjas van oom molenaar.Aan al deze kinderlijke ervaringen dacht Army, en onwillekeurig ontviel hem de vraag: “Weet gij nog wel?” Toen zweeg hij, verschrikt over zijne woorden, die zoo duidelijk verstaanbaar door het stille vertrek klonken; zij waren immers reeds lang voorbij, die kinderdroomen—hij was een man geworden. Een man? Neen, een verwijfde droomer, dien een weinig tegenspoed verlamd had! Daarboven zat zij nu, de oude vrouw, en schreef om hem te redden een brief, die haar moeite kostte, die haar zwaar viel, en zij deed het, omdat hij geen man was.“Ik moet naar huis.” Liesje nam haar jakje van den stoel.“Och, blijft gij van avond niet?” vroeg Nelly.“Ik dank je, ik kan helaas niet,” antwoordde zij aarzelend; “de dominé’s-familie komt van avond bij ons, en gij weet wel, Nelly, dan durf ik niet wegblijven.“Dat is zoo, maar komt gij spoedig weer?”“Zeker!”“Mag ik u te huis brengen,”klonk op eens Army’s stem.“O neen, ik dank u,” stamelde zij verlegen, “ik—”“Het is vandaag een feestdag—gij zoudt beschonken lieden kunnen ontmoeten,” sprak hij, haar antwoord afsnijdend, en greep naar muts en degen.Het was een wonderschoone winteravond, die daarbuiten over de Kerstnacht-vierende aarde gedaald was; in ademlooze stilte lag het landschap in een sneeuwkleed gehuld, overwelfd door een hemel, waaraan duizenden starren in de heldere, koude lucht fonkelden. Beneden in het dorp kwamen de verlichte vensters onder de besneeuwde daken te voorschijn, en hier boven aan den kruisweg, bij de met sneeuw bedekte zandsteenen bank, daar stond een rijzig paar; hoe verwonderd breidde de kale lindeboom zijne takken over de jeugdige hoofden uit, als om ze voor aller oogen te verbergen. Is het nu tijd tot minnekoozen? schijnt ieder takje te vragen, thans, nu er geen enkele nachtegaal zingt en geen groen takje een liefdegroet kan fluisteren?En toch—het meisjeshoofdje rust zoo stil aan zijne borst, en in de blauwe oogen ligt een oneindige hemel van liefde en geluk.“Zou ik u kunnen helpen, Army, om uw leven minder somber te maken? Is het waar?”“Als gij dat wilt, Liesje,” antwoordde hij zacht en kuste haar op het voorhoofd.“Of ik het wil?” vroeg zij blozend, en vlijde zich dichter aan hem. “Of ik gelukkig wil zijn—?”Hoe was het toch gekomen? Hoe was zij wel te moede, toen zij alléén het pad naar den molen insloeg? Als in een droom hoorde zij zijn ernstige woorden, voelde zij den kus op haar voorhoofd branden—en toch was het de werkelijkheid, zoo even doorleefd, die haar hart zoo deed kloppen! En morgen—haar kloppend hart stond haast stil, toen zij de verlichte vensters van haar huis zag—dan zal hij bij haarvader komen. Zij is verloofd; een gelukkige verloofde,zijnebruid!Zij bleef staan en zag achterom; daar boven moest hij nu zijn, bij den eenzamen, ouden linde, die, trots sneeuw en ijs, heden avond het zoetste geluk zag ontluiken. Zou hij haar liefhebben, waarlijk lief? Zij schudde het hoofd over dat wonder, dat nooit gehoopte wonder; zouden vader, moeder en tante het niet aan haar zien, dat zij—? Neen, neen, nu nog niet; als de gasten vertrokken zijn, wil zij het haren vader zeggen, dat er morgen iemand komen zal, die—Zij trad de huisdeur binnen; die oude schel had heden ook zoo afschuwelijk hard geklonken, en zij wilde graag eerst stil naar haar kamertje gaan. Neen, dat ging niet, want juist deed tante de deur der huiskamer open.“Wel, gij uitblijfster!” klonk vriendelijk de oude stem, “ik wilde juist Doortje zenden, want ik was bang, dat iemand u onderweg had meegenomen.”“Goeden avond,” antwoordde zij, terwijl haar stem bijna verdween onder de hevige hartkloppingen, “is het al zóó laat?”“Nu, dat zou ik denken,” sprak de oude vrouw en deed de deur achter haar dicht. Dáár zat haar vader aan de ronde tafel, en hare moeder met den predikant op de sofa.“Zoo, zijt gij daar!” sprak haar vader vriendelijk en trok haar naar zich toe. “Wat zegt gij daar wel van, Lise? Denk eens, de kinderen in de pastorie hebben de scharlakenkoorts en kunnen niet komen, is dat niet treurig?”“Zeer treurig!” herhaalde zij; maar hare oogen schitterden zoo, en om haar mond speelde een gelukkig lachje; dat was geheel in tegenspraak met hare woorden. Vroeger zou zij in luide weeklachten zijn uitgebarsten, maar vandaag—zij lette ternauwernood op hetgeen haar werd medegedeeld.“Een oogenblik slechts—ik zal boven mijn goed afdoen; ik kom dadelijk terug,” en weg was zij.“Wat scheelt het kind?” vroeg hare moeder angstig.Het kind echter stond, diep ademhalend, boven in haar kamertje. Haar jakje en muts werden op een stoel gesmeten, en zij zelve viel voor haar bed op de knieën, zooals zij elken avond gewoon was te doen; zij drukte het gloeiend gelaat in de kussens en vouwde hare handen, maar geen woord kwam over hare lippen; slechts in haar hart vermengde zich een verward dankgebed met een ongekende vrees en een onuitsprekelijk gevoel van geluk. Eindelijk sprong zij op, en opende het raam, “daar boven, daar boven,” fluisterde zij, en groette met de hand, alsof hij haar zien kon. Of hij nu aan haar dacht? Of hij al aan zijne moeder bekend had, dat hij de kleine Liesje uit den molen omarmd en gekust had? En Nelly?“Liesje, Liesje!” riep men van beneden.“Aanstonds!” antwoordde zij; haar stem klonk, alsof ze opgeschrikt was; zij nam het licht en zag in den spiegel; een paar gloeiende, donkere oogen zagen haar uit het glas aan. “Zijnebruid!” fluisterde zij, “zijne verloofde!” en een donkere blos vloog over haar gelaat; zij deed snel het licht uit en ijlde naar beneden.“Zij zijn al in de eetkamer, juffer,” riep Doortje haar toe, en begon toen op eens hard te schreeuwen: “o Hemel, juffer! er is een verborgene bruid in huis; zie maar—een, twee, drie lichten!”Het jonge meisje, dat reeds de kruk der eetkamerdeur in de hand had, keerde zich hoog blozend om—waarlijk, dáár stond Doortje met de keukenlamp; hier hing de groen verlakte ganglamp aan den wand, en tante was juist uit hare kamer gekomen en hield de hand voor de waskaars, waarvan het volle schijnsel op haar oud, goedig gezicht viel.“’t Is best mogelijk!”sprak zij, alsof ze boos was.“Meid, ge zijt gek; dat maakt een leven, alsof ze het hoogste lot uit de loterij heeft getrokken! Een geheime bruid—domme gans! Gij zult zelve wel het beste weten,wie het is! Aan de tuindeur staat immers iederen avond een verliefd paar, niettegenstaande de dikke sneeuw! Ga binnen, kind! Ik volg u,” wendde zij zich tot Liesje, die nog talmend bij de deur stond te wachten en toen met de oude vrouw naar binnen ging.Vader, moeder en oom de predikant waren reeds gezeten; de laatste deed het tafelgebed en daarna verscheen Doortje met een gebraden gans, die de gastheer begon voor te snijden.“En weet gij, dominé” zeide hij, een afgebroken gesprek voortzettende, terwijl hij zijn mes op het slijpstaal aanzette, “het zou een ware zegen zijn, als het geschiedde; maar gelooven kan ik het niet; men heeft het al tien jaar lang gezegd.”“Ja, ik kan u ook niets verder zeggen, Frederik,” antwoordde de geestelijke, “als wat ik onlangs te B. van den architect Leonhardt hoorde; hij zeide, in het voorjaar zou er eene commissie komen, om de landerijen te onteigenen, en zoodra dit geschied zal zijn, gaat het bouwen er op los; ’t is mij onverschillig, of er een spoorweg komt of niet! Ik wenschte maar—” hij streek met de hand over het voorhoofd.“Maakt gij u bezorgd over de ziekte uwer kinderen, dominé?” vroeg de huisvrouw deelnemend.“Nog al,” antwoordde hij en zag er waarlijk bezorgd uit; “wij zijn allen in Gods hand, maar het menschelijke hart wordt zoo licht moedeloos; die verraderlijke ziekte is dit jaar bijzonder gevaarlijk, in het dorp zijn huis aan huis de kleinen aangetast; uit menig huisgezin heb ik er één of soms twee ten grave gebracht, en bij alle onderwerping aan den wil des Heeren, Mina ... kan men den angst toch niet weren.”“Om Gods wil, oom, is het zoo erg?” Liesje zag hem verschrikt aan; zij kwam zichzelve eensklaps hoogst liefdeloos voor, dat zij door haar geluk zijn angst niet eens bespeurd had. “Zal ik meegaan? Kan ik helpen?”“Wel beware, Liesje! het is eene zeer gevaarlijke, besmettelijke ziekte—voor niets ter wereld!” sprak de geestelijkevriendelijk, en drukte haar de kleine hand, “neen neen, dat zal mijne Rosine alléén wel klaren; men mag zich niet lichtzinnig in gevaar begeven. Gij zijt een eenig kind—gij moet u sparen voor uwe ouders; neen, ik dank u, Liesje; het zal zich wel schikken. Maar ik moet dadelijk na het eten weder weg; Rosine heeft mij met geweld de deur uitgejaagd.”“Kom, dominé,” zeide de gastheer hartelijk, en hief zijn glas op, “dat het spoedig bij u aan huis beter worde, en alle angst te vergeefs geweest zij!”“God geve het!” Het ernstige gelaat van den leeraar klaarde weder op; “maar genoeg daarover,” sprak hij, zich geweld aandoende,“ik wil uwe feestvreugde niet bederven. Kom, Liesje! lach eens weder. Gij zaagt er straks zoo gelukkig uit. Wat hebt gij toch met Nelly uitgevoerd? Uw gezicht was louter lust en vreugde.”Liesje kleurde als een roode roos.“Nu, daar boven zal het er wel niet zoo schitterend uitzien,” merkte de heer Erving aan.“Ach ja, daar hebben ze ook een bitter kruis te dragen—dat is waar,” zuchtte de predikant; “kleine kinderen, kleine zorgen, groote kinderen, groote zorgen! Zoo gaat het in de wereld.”“O ja!” sprak de oude vrouw, “een beetje vertrouwen op God behoort daar ook toe; voor den jongen, voor Army, heb ik geen zorg; zulk een frisch, jong gemoed laat zich door zoo’n beetje valsche liefde niet neerdrukken; liefdesmart doet nieuwe liefde ontluiken; die zal wel spoedig een ander liefje hebben.”“O, dat is bijzaak, tante, maar die andere treurige omstandigheden nog, en—”Flap! daar was de deur geopend en het jonge meisje verdwenen; en daar zaten de achterblijvenden elkander met stomme verbazing aan te zien.
Het begon reeds te schemeren, toen Liesje boven in haar kamertje een sierlijk korfje vol kleinigheden pakte; telkens voegde zij er nog iets fraais bij; eindelijk sloot zij het, en een halfluid: “zie zoo, het is vol marsepein en chocolade—dat lust zij het liefste,” kwam over hare lippen. Zingend trok zij het met bont gevoerde jakje aan, dat gisteravond onder den Kerstboom had gelegen, en zette het daarbij behoorende mutsje van zwart fluweel, met een rand van marter omzoomd, vluchtig op de bruine vlechten; zij bekeek zich in den spiegel en begon op eens te lachen.
“Precies een jongen! Tante heeft wel gelijk,” sprak zij en zette het sierlijke hoofddeksel wat vaster en midden op het hoofd. “Nu nog de mof, en dan spoedig weg; want ik moet tijdig weer terug zijn.”
Zij greep mof en mandje en sprong de trappen af. “Ik ga naar Nelly,” riep zij, de deur der huiskamer even opendoende.
“Zorg, dat gij op tijd weer tehuis komt, Liesje,” vermaande hare moeder; “anders wordt oom de dominé boos en worden de kinderen ongeduldig. Gij weet, om zeven uur wordt voor hen de Kerstboom aangestoken—”
“Ja, ja, zeker,” riep Liesje, en weg was zij.
Tante Marie zag haar na, toen zij over den molenbrug ging. “Och lieve hemel!”dacht zij, “hoe zal het er daar ophet slot uitzien? Daar zullen de Kerstgeschenken ook wel niet rijkelijk zijn uitgevallen.”
Liesje zat reeds sedert een kwartier naast Nelly bij den haard te praten; tegen haar over zat Army op zijn gemak in een grooten stoel; hij was in diep gepeins verzonken, en luisterde slechts nu en dan, wanneer een der beide meisjes hem met een hartelijken lach uit zijne mijmering wekte.
“..... En moeder kreeg van vader een pillendoos,” vertelde Liesje, “waarop geschreven stond: ‘de beste medicijn’, en waarin reisgeld lag, om naar Italië te gaan.—Gij weet immers, Nelly, de dokter heeft altijd tegen mama gezegd, dat zij den winter hier niet moest doorbrengen, maar zij was er altijd tegen; nu echter heeft zij half en half toegegeven—”
“Zij gaat toch niet alleen?” vroeg Nelly.
“Neen, papa gaat in ieder geval meê, en—”
“Nu, en?”
“En ik,” voegde Liesje er dralend bij.
“En zijt gij daar niet heel blij om?” riep Nelly opgewonden. “Hè, naar Italië; hoe mooi moet het daar zijn!”
“Neen, ik blijf liever bij tante tehuis; ik ben immers goed gezond; en schooner dan hier, zal het dáár wel niet zijn.”
“O, Liesje, hoe dwaas!” bestrafte Nelly.
“Ja zie, Nelly! Gij moet mij niet voor zoo dwaas aanzien, maar ik heb er nog een andere reden voor. Gij moogt mij niet verklappen, want ik heb er nog niets van tegen vader gezegd. Zie, Bertha van onzen meesterknecht in den molen lijdt aan eene borstziekte; de dokter zegt, dat alleen een verblijf in Vevey of Montreux haar kan genezen; zij is veel zieker dan moeder, en nu zou ik graag zien, dat Bertha in mijne plaats meeging; ik ben nog jong, misschien kom ik nog wel eens in “la bella Italia”, zooals uwe grootmama zegt.”
Army stond plotseling op en ging naar het venster. Het jonge meisje had zachtjes gesproken, maar desniettemin was hem geen woord ontgaan. Dat was nog altijd de goedhartigeLise van vroeger, die haar boterham aan arme kinderen en hare blinkende driepenningstukken, die tante zoo zorgvuldig voor haar verzamelde, aan den eersten den besten handwerksjongen weggaf; zij schudde nog zoo, half trotsch, half bedeesd, het hoofdje, wanneer zij beknord werd. En dan rees een ander beeld voor zijn oog, een kleine, teedere gedaante, met goudkleurig haar—die terugdeinsde voor bedelaars, en dat “gemeen”, met een wenk harer kleine hand onbarmhartig van haar deur verdreef; die met minachting haar kleed dicht om zich heen trok, wanneer op de wandeling een kreupele smeekend zijne handen naar haar uitstak. “Geef hem niets, Army,” had zij gezegd, “ik word er wee van, kom, kom—tante betaalt overvloedig armengeld.” Zóó gingzijden armen natuurgenoot voorbij, met haar geparfumeerden kanten zakdoek voor den neus.
Buiten lag het park sneeuwwit en kalm; iedere boom stak duidelijk af op den helderen achtergrond, en daar beneden straalde het licht uit de vensters van den molen. Dat oude, gezellige huis, wat al zoete herinneringen waren daaraan voor hem verbonden! Hoe gerust en aangenaam moest het zijn, dáár te wonen, zonder zorgen, zonder angst voor de toekomst of aanstaande ellende!
“Uit mijn jeugdig leven,Uit mijn jeugdig leven,Klinkt mij steeds een lied in d’ ooren;O, waar is gebleven,O, waar is gebleven,Wat mij ééns mocht toebehooren?”
“Uit mijn jeugdig leven,
Uit mijn jeugdig leven,
Klinkt mij steeds een lied in d’ ooren;
O, waar is gebleven,
O, waar is gebleven,
Wat mij ééns mocht toebehooren?”
klonk het zacht en teeder achter hem; hij keerde zich om—daar stond zij bij de oude pianino, de slanke, tenger gebouwde meisjesgestalte,—het hoofdje wat voorover gebogen, en bij het flauwe licht, dat de lamp in dien hoek van het vertrok verspreidde, meende Army te zien, dat een zachte blos zich over Liesjes gelaat vertoonde.
“Toen ik afscheid nam,Toen ik afscheid nam,—Lachte mij het leven toe;Toen ik weder kwam,Toen ik weder kwam,Was mij alles droef te moê—”
“Toen ik afscheid nam,
Toen ik afscheid nam,—
Lachte mij het leven toe;
Toen ik weder kwam,
Toen ik weder kwam,
Was mij alles droef te moê—”
Liesjes stem klonk diep weemoedig.
“Nu het laatste vers,” verzocht Nelly; “mama hoort het zoo graag.”
“Ik kan niet meer,” antwoordde zij zacht en verwijderde zich van de piano.
“Och, dat spijt mij, Liesje,” sprak Nelly’s moeder nu,“ook geen Kerstlied?”
Aanstonds trad zij weder naar de piano:
“Daarboven fonkelt hel een ster,Die stil op aarde ziet,En ’t Eng’lenheir, dat zingt van verEen jub’lend Kerstnachtlied.
“Daarboven fonkelt hel een ster,
Die stil op aarde ziet,
En ’t Eng’lenheir, dat zingt van ver
Een jub’lend Kerstnachtlied.
En om de schaam’le kribbe straaltEen wonderheerlijk licht;Een kindje ligt op ’t harde stroo,Met godd’lijk aangezicht.
En om de schaam’le kribbe straalt
Een wonderheerlijk licht;
Een kindje ligt op ’t harde stroo,
Met godd’lijk aangezicht.
Verblijdt u dan in dezen stond,Die vrede op aarde geeft!Zoo klinkt het uit der Eng’len mond,Nu Jezus Christus leeft!
Verblijdt u dan in dezen stond,
Die vrede op aarde geeft!
Zoo klinkt het uit der Eng’len mond,
Nu Jezus Christus leeft!
Knielt neer van verre en van nabij,Gij menschen groot en kleen,En dankt den Heer op zijnen troon,Nu ’s werelds licht verscheen!”
Knielt neer van verre en van nabij,
Gij menschen groot en kleen,
En dankt den Heer op zijnen troon,
Nu ’s werelds licht verscheen!”
Zachtkens stierven de tonen van het oude Kerstlied in het hooge vertrek weg; geen geluid werd gehoord, bij ieder had dit lied verschillende herinneringen opgewekt, die echter alle in denzelfden grond hun oorsprong hadden.
De sukkelende vrouw, in dien grooten stoel, zij herinnerde zich den tijd, toen zij als jonge moeder haar knaap die woorden leerde, opdat hij ze voor zijn vader onder den prachtigen Kerstboom zou opzeggen; zij zag weder den fermen jongen, om wien zij haar arm geslagen had, voor den knappen man staan; zij was naast het kind neergeknield en vouwde zijn kleine handjes biddend saam; van de takken des booms straalde licht; en licht werd teruggekaatst uit de helder schitterende kinderoogen; hij moest immers wel trotsch zijn op zijn zoon.... “Bid nu, mijn jongen!” en de heldere kinderstem had zoo roerend, ernstig geklonken:
“Verblijdt u dan in dezen stond,Die vrede op aarde geeft!”
“Verblijdt u dan in dezen stond,
Die vrede op aarde geeft!”
Den jongen man stond deze avond niet voor den geest; die was uit zijn geheugen gewischt; maar hij zag zich met twee kleine meisjes daar beneden in de kamer van tante. Beiden zaten op bankjes aan de voeten der oude vrouw, de lieve mondjes wijd geopend, en de oogen ernstig voor zich uitziende; zij zongen, hoewel niet volgens de regelen der kunst, toch dapper en gloeiend van Kerstvreugde:
“En om de schaam’le kribbe straaltEen wonder heerlijk licht,Een kindje ligt op ’t harde stroo—”
“En om de schaam’le kribbe straalt
Een wonder heerlijk licht,
Een kindje ligt op ’t harde stroo—”
“Army zingt niet mede, tante!” had de grootste gezegd en haar vragend aangezien.
“Dan krijgt hij straks ook geen peperkoeken, als Ruprecht de knecht komt,” was het antwoord geweest.
Toen was de kleine naar hem toegetrippeld. “Army meezingen!” had zij met tranen in de blauwe oogen gewaagd, en toen hij overmoedig de blauwe lokken schudde, had zij wanhopig haar gezichtje met de handen bedekt, Daarop was Ruprecht de knecht gekomen, met een grooten, zwaren pels om; hij had met de noten in den zak gerammeld en dreigend eene roede voor den dag gehaald. “Zijn dekinderen zoet, tante?” had hij met een diepe basstem gevraagd; “kunnen zij ook bidden?”
Ja, de meisjes wel; maar die daar, die jongen, is een kleine stijfkop, die zijn Kerstlied niet zingen wil; neem dien maar stilletjes mee naar uw sneeuwhol, heer Ruprecht!” En toen was het kleine meisje, bitter schreiend en haar angst vergetend, naar den gevreesden man toegeloopen.
“Neen, neen, lieve oom Ruprecht, neem Army niet mee! Hij is niet stout; ik wil ook geen enkelen peperkoek hebben.” En Nelly was ook gaan schreien, zoodat knecht Ruprecht ten slotte was vertrokken, zonder een gebed gehoord te hebben, terwijl de troostwoorden van tante en het geween der meisjes hem achterna klonken. Hij alleen, die ondeugd, schreide niet; hij lachte, toen de laatste slip van den pelsmantel verdwenen was; hij hield stijf en stok staande, dat het niet knecht Ruprecht, maar Peter, de koetsier, geweest was, in den omgekeerden pelsjas van oom molenaar.
Aan al deze kinderlijke ervaringen dacht Army, en onwillekeurig ontviel hem de vraag: “Weet gij nog wel?” Toen zweeg hij, verschrikt over zijne woorden, die zoo duidelijk verstaanbaar door het stille vertrek klonken; zij waren immers reeds lang voorbij, die kinderdroomen—hij was een man geworden. Een man? Neen, een verwijfde droomer, dien een weinig tegenspoed verlamd had! Daarboven zat zij nu, de oude vrouw, en schreef om hem te redden een brief, die haar moeite kostte, die haar zwaar viel, en zij deed het, omdat hij geen man was.
“Ik moet naar huis.” Liesje nam haar jakje van den stoel.
“Och, blijft gij van avond niet?” vroeg Nelly.
“Ik dank je, ik kan helaas niet,” antwoordde zij aarzelend; “de dominé’s-familie komt van avond bij ons, en gij weet wel, Nelly, dan durf ik niet wegblijven.
“Dat is zoo, maar komt gij spoedig weer?”
“Zeker!”
“Mag ik u te huis brengen,”klonk op eens Army’s stem.
“O neen, ik dank u,” stamelde zij verlegen, “ik—”
“Het is vandaag een feestdag—gij zoudt beschonken lieden kunnen ontmoeten,” sprak hij, haar antwoord afsnijdend, en greep naar muts en degen.
Het was een wonderschoone winteravond, die daarbuiten over de Kerstnacht-vierende aarde gedaald was; in ademlooze stilte lag het landschap in een sneeuwkleed gehuld, overwelfd door een hemel, waaraan duizenden starren in de heldere, koude lucht fonkelden. Beneden in het dorp kwamen de verlichte vensters onder de besneeuwde daken te voorschijn, en hier boven aan den kruisweg, bij de met sneeuw bedekte zandsteenen bank, daar stond een rijzig paar; hoe verwonderd breidde de kale lindeboom zijne takken over de jeugdige hoofden uit, als om ze voor aller oogen te verbergen. Is het nu tijd tot minnekoozen? schijnt ieder takje te vragen, thans, nu er geen enkele nachtegaal zingt en geen groen takje een liefdegroet kan fluisteren?
En toch—het meisjeshoofdje rust zoo stil aan zijne borst, en in de blauwe oogen ligt een oneindige hemel van liefde en geluk.
“Zou ik u kunnen helpen, Army, om uw leven minder somber te maken? Is het waar?”
“Als gij dat wilt, Liesje,” antwoordde hij zacht en kuste haar op het voorhoofd.
“Of ik het wil?” vroeg zij blozend, en vlijde zich dichter aan hem. “Of ik gelukkig wil zijn—?”
Hoe was het toch gekomen? Hoe was zij wel te moede, toen zij alléén het pad naar den molen insloeg? Als in een droom hoorde zij zijn ernstige woorden, voelde zij den kus op haar voorhoofd branden—en toch was het de werkelijkheid, zoo even doorleefd, die haar hart zoo deed kloppen! En morgen—haar kloppend hart stond haast stil, toen zij de verlichte vensters van haar huis zag—dan zal hij bij haarvader komen. Zij is verloofd; een gelukkige verloofde,zijnebruid!
Zij bleef staan en zag achterom; daar boven moest hij nu zijn, bij den eenzamen, ouden linde, die, trots sneeuw en ijs, heden avond het zoetste geluk zag ontluiken. Zou hij haar liefhebben, waarlijk lief? Zij schudde het hoofd over dat wonder, dat nooit gehoopte wonder; zouden vader, moeder en tante het niet aan haar zien, dat zij—? Neen, neen, nu nog niet; als de gasten vertrokken zijn, wil zij het haren vader zeggen, dat er morgen iemand komen zal, die—
Zij trad de huisdeur binnen; die oude schel had heden ook zoo afschuwelijk hard geklonken, en zij wilde graag eerst stil naar haar kamertje gaan. Neen, dat ging niet, want juist deed tante de deur der huiskamer open.
“Wel, gij uitblijfster!” klonk vriendelijk de oude stem, “ik wilde juist Doortje zenden, want ik was bang, dat iemand u onderweg had meegenomen.”
“Goeden avond,” antwoordde zij, terwijl haar stem bijna verdween onder de hevige hartkloppingen, “is het al zóó laat?”
“Nu, dat zou ik denken,” sprak de oude vrouw en deed de deur achter haar dicht. Dáár zat haar vader aan de ronde tafel, en hare moeder met den predikant op de sofa.
“Zoo, zijt gij daar!” sprak haar vader vriendelijk en trok haar naar zich toe. “Wat zegt gij daar wel van, Lise? Denk eens, de kinderen in de pastorie hebben de scharlakenkoorts en kunnen niet komen, is dat niet treurig?”
“Zeer treurig!” herhaalde zij; maar hare oogen schitterden zoo, en om haar mond speelde een gelukkig lachje; dat was geheel in tegenspraak met hare woorden. Vroeger zou zij in luide weeklachten zijn uitgebarsten, maar vandaag—zij lette ternauwernood op hetgeen haar werd medegedeeld.
“Een oogenblik slechts—ik zal boven mijn goed afdoen; ik kom dadelijk terug,” en weg was zij.
“Wat scheelt het kind?” vroeg hare moeder angstig.
Het kind echter stond, diep ademhalend, boven in haar kamertje. Haar jakje en muts werden op een stoel gesmeten, en zij zelve viel voor haar bed op de knieën, zooals zij elken avond gewoon was te doen; zij drukte het gloeiend gelaat in de kussens en vouwde hare handen, maar geen woord kwam over hare lippen; slechts in haar hart vermengde zich een verward dankgebed met een ongekende vrees en een onuitsprekelijk gevoel van geluk. Eindelijk sprong zij op, en opende het raam, “daar boven, daar boven,” fluisterde zij, en groette met de hand, alsof hij haar zien kon. Of hij nu aan haar dacht? Of hij al aan zijne moeder bekend had, dat hij de kleine Liesje uit den molen omarmd en gekust had? En Nelly?
“Liesje, Liesje!” riep men van beneden.
“Aanstonds!” antwoordde zij; haar stem klonk, alsof ze opgeschrikt was; zij nam het licht en zag in den spiegel; een paar gloeiende, donkere oogen zagen haar uit het glas aan. “Zijnebruid!” fluisterde zij, “zijne verloofde!” en een donkere blos vloog over haar gelaat; zij deed snel het licht uit en ijlde naar beneden.
“Zij zijn al in de eetkamer, juffer,” riep Doortje haar toe, en begon toen op eens hard te schreeuwen: “o Hemel, juffer! er is een verborgene bruid in huis; zie maar—een, twee, drie lichten!”
Het jonge meisje, dat reeds de kruk der eetkamerdeur in de hand had, keerde zich hoog blozend om—waarlijk, dáár stond Doortje met de keukenlamp; hier hing de groen verlakte ganglamp aan den wand, en tante was juist uit hare kamer gekomen en hield de hand voor de waskaars, waarvan het volle schijnsel op haar oud, goedig gezicht viel.
“’t Is best mogelijk!”sprak zij, alsof ze boos was.
“Meid, ge zijt gek; dat maakt een leven, alsof ze het hoogste lot uit de loterij heeft getrokken! Een geheime bruid—domme gans! Gij zult zelve wel het beste weten,wie het is! Aan de tuindeur staat immers iederen avond een verliefd paar, niettegenstaande de dikke sneeuw! Ga binnen, kind! Ik volg u,” wendde zij zich tot Liesje, die nog talmend bij de deur stond te wachten en toen met de oude vrouw naar binnen ging.
Vader, moeder en oom de predikant waren reeds gezeten; de laatste deed het tafelgebed en daarna verscheen Doortje met een gebraden gans, die de gastheer begon voor te snijden.
“En weet gij, dominé” zeide hij, een afgebroken gesprek voortzettende, terwijl hij zijn mes op het slijpstaal aanzette, “het zou een ware zegen zijn, als het geschiedde; maar gelooven kan ik het niet; men heeft het al tien jaar lang gezegd.”
“Ja, ik kan u ook niets verder zeggen, Frederik,” antwoordde de geestelijke, “als wat ik onlangs te B. van den architect Leonhardt hoorde; hij zeide, in het voorjaar zou er eene commissie komen, om de landerijen te onteigenen, en zoodra dit geschied zal zijn, gaat het bouwen er op los; ’t is mij onverschillig, of er een spoorweg komt of niet! Ik wenschte maar—” hij streek met de hand over het voorhoofd.
“Maakt gij u bezorgd over de ziekte uwer kinderen, dominé?” vroeg de huisvrouw deelnemend.
“Nog al,” antwoordde hij en zag er waarlijk bezorgd uit; “wij zijn allen in Gods hand, maar het menschelijke hart wordt zoo licht moedeloos; die verraderlijke ziekte is dit jaar bijzonder gevaarlijk, in het dorp zijn huis aan huis de kleinen aangetast; uit menig huisgezin heb ik er één of soms twee ten grave gebracht, en bij alle onderwerping aan den wil des Heeren, Mina ... kan men den angst toch niet weren.”
“Om Gods wil, oom, is het zoo erg?” Liesje zag hem verschrikt aan; zij kwam zichzelve eensklaps hoogst liefdeloos voor, dat zij door haar geluk zijn angst niet eens bespeurd had. “Zal ik meegaan? Kan ik helpen?”
“Wel beware, Liesje! het is eene zeer gevaarlijke, besmettelijke ziekte—voor niets ter wereld!” sprak de geestelijkevriendelijk, en drukte haar de kleine hand, “neen neen, dat zal mijne Rosine alléén wel klaren; men mag zich niet lichtzinnig in gevaar begeven. Gij zijt een eenig kind—gij moet u sparen voor uwe ouders; neen, ik dank u, Liesje; het zal zich wel schikken. Maar ik moet dadelijk na het eten weder weg; Rosine heeft mij met geweld de deur uitgejaagd.”
“Kom, dominé,” zeide de gastheer hartelijk, en hief zijn glas op, “dat het spoedig bij u aan huis beter worde, en alle angst te vergeefs geweest zij!”
“God geve het!” Het ernstige gelaat van den leeraar klaarde weder op; “maar genoeg daarover,” sprak hij, zich geweld aandoende,“ik wil uwe feestvreugde niet bederven. Kom, Liesje! lach eens weder. Gij zaagt er straks zoo gelukkig uit. Wat hebt gij toch met Nelly uitgevoerd? Uw gezicht was louter lust en vreugde.”
Liesje kleurde als een roode roos.
“Nu, daar boven zal het er wel niet zoo schitterend uitzien,” merkte de heer Erving aan.
“Ach ja, daar hebben ze ook een bitter kruis te dragen—dat is waar,” zuchtte de predikant; “kleine kinderen, kleine zorgen, groote kinderen, groote zorgen! Zoo gaat het in de wereld.”
“O ja!” sprak de oude vrouw, “een beetje vertrouwen op God behoort daar ook toe; voor den jongen, voor Army, heb ik geen zorg; zulk een frisch, jong gemoed laat zich door zoo’n beetje valsche liefde niet neerdrukken; liefdesmart doet nieuwe liefde ontluiken; die zal wel spoedig een ander liefje hebben.”
“O, dat is bijzaak, tante, maar die andere treurige omstandigheden nog, en—”
Flap! daar was de deur geopend en het jonge meisje verdwenen; en daar zaten de achterblijvenden elkander met stomme verbazing aan te zien.