Vierde Hoofdstuk.

Vierde Hoofdstuk.Twee jaren en eenige maanden waren sedert verstreken. Het was op een avond in de maand Mei. Door het geopende venster drong een bedwelmende lucht in tantes kleine kamer; de wind speelde zacht in de jonge wijngaardranken, die het venster als met een lijst omgaven, en de maan wierp haar helder licht op de eenvoudige meubelen in het gezellig vertrekje en bescheen het gerimpeld gelaat der oude vrouw, die, de vlijtige handen in den schoot latende rusten, aan het venster zat, en naar buiten zag in den tuin, waar juist de appel- en vlierboomen in vollen bloei stonden. Zij hield haar schemeruurtje; licht werd er in de langer geworden avonden niet meer aangestoken; dat was een oud gebruik in huis; en de mensch wil ook wel gaarne eens rusten niet alleen met zijn handen, maar ook met zijn gedachten. Eigenlijk rustten deze ook niet, want zij dwaalden rond in het verleden, in schoone, lang vervlogen dagen, en dat was een genot, een ontspanning, wanneer, na de warmte en de lasten des daags, de schemering kwam. In huis was alles bezorgd; het tegenwoordige verdween op dezen nevelachtigen lenteavond voor de blikken der oude vrouw, en de tijd harer jeugd dook weer voor haar op, nevelachtig en door de maan beschenen, als de wereld daar buiten.Zij vouwde de handen, en het hoofd omkeerende, bleven haar blikken op een schilderijtje boven de commode rustendat in het heldere maanlicht de silhouette van een man vertoonde.“Ja, ja, mijnChristiaan,” fluisterde zij zacht, “wij hebben elkander liefgehad, zeer lief, en zijn wij slechts korten tijd gelukkig geweest, vergeten heb ik u niet, en ik ben u tot nu toe getrouw gebleven. Dat het ook zoo met u moest gaan—zoo treurig! Lieve hemelsche vader, wat kan men al niet beleven, in een korten tijd! Nauwelijks is de mensch een paar jaar gelukkig,—of daar komt de smart; een lading vol—mijn God! wat waren wij toch een paar lustige, vroolijke meisjes, mijne Lisette en ik, en juist toen wij dachten, wat is de wereld heerlijk! daar ving het treuren aan.“Mijne Lisette en mijn goede Christiaan!”Zij schudde treurig het hoofd, want voor haar geest verschenen twee groene, met zoden bedekte grafheuvels, ginds boven in de schaduw der linden op het kerkhof.Daar vloog een bloeiende vliertak door het raam en viel haar in den schoot.“Ha, wacht! Dat doet Lise,” zeide zij, en een schalkachtige trek verdreef de treurige uitdrukking van haar gelaat; zij zat onbeweeglijk achter in haar hoogen stoel. Een oogenblik daarna werd een meisjeshoofd, met donkere vlechten als een krans omwonden, voor het venster zichtbaar en zag bespiedend naar binnen.“Zij is hier niet!” sprak zij verdrietig; toen gaf zij een gil van schrik, want tante maakte een rassche beweging en streek het meisje met den vliertak over het verblufte gelaat.“Foei! Hoe afschuwelijk, tante, mij zoo te doen schrikken!”“Ei, wat! wie zou wel het meest ontsteld zijn?” vroeg de oude; “wacht, gij ondeugd, meent gij nog wel de beleedigde te zijn?”Het meisje gaf hierop geen antwoord, maar vroeg: “Zijn vader en moeder reeds terug uit de stad?”“Nog niet; dat kan wel elf uur worden, mijn kind. Ga rustig slapen. Ik blijf immers wacht houden.”“Maar, tante! wat denkt gij wel?” riep het jonge meisje. Op dezen wonderschoonen avond? Kom eens even buiten, ruik toch hoe liefelijk de vlierboomen geuren! Gij kunt niet gelooven hoe heerlijk het in den tuin is.”“Ach, kind, dat is niet meer voor mij; oude lieden zijn moeielijk weder jong te maken; het is buiten vochtig, en mijn nare jicht—blijf gij echter maar buiten en geniet den schoonen avond.”“Dan kom ik bij u binnen, tante. Mag ik? Ik kan van avond niet alleen zijn, voor niets ter wereld niet.”“Nu, kom dan, gij dwaas kind!”Het kopje verdween voor het venster, en aanstonds daarop werd de kamerdeur geopend, en de slanke meisjesgestalte, in een licht gewaad gekleed, trad binnen.“Daar ben ik, tante!” riep zij vroolijk, en zette zich op een bankje aan de voeten der oude. Het maanlicht viel op het ronde gezichtje en bescheen een paar wonderlijk diepe, blauwe oogen, die smeekend tot de oude vrouw opzagen. “Tante,” sprak zij toen zacht, “vertel mij heden avond iets, bid ik—”“Ei! moet ik zulk een groot meisje nog sprookjes vertellen?”“O, toch niet! Iets uit uwe jeugd, tante.”“Uit mijne jeugd? Maar wat dan toch?”“Och, tante, vertel mij eens, hoe gevoeldet gij u, toen gij—toen gij uw liefste voor de eerste maal zaagt?”“Wel gij—nieuwsgierig ding! Gij zijt nog veel te jong om alles te weten. Waarom moet ik u juist dat vertellen?”“Ik ben al zeventien jaar, tante; andere meisjes hebben dan reeds een bruidegom, en—”“Hoor mij dat eens aan! Gij zoudt bij slot van rekening er ook wel graag een hebben,—ei, ei, als ik dat aan moeder verhaal—”“Doe dat maar, tante!” riep het jonge meisje, lachend. “Moeder heeft mij onlangs o! zooveel linnengoed laten zien en gezegd: dat is alles voor uw uitzet, Lise.”“Zoo? men zou zeggen! Maar wat wildet gij weten?”“Gij zoudt mij eens verhalen, hoe gij waart, toen gij uw geliefde voor het eerst gezien hebt?”De oude vrouw ontroerde, en het kind voor haar zag met, groote, vochtige oogen vol verwachting tot haar op.Het was zoo stil in het rond; alleen het bruisen van het water klonk met eentonige melodieën uit de verte.“Drie leliën, drie leliën, die plantten ze op mijn graf!”zong een frissche meisjesstem, beneden in den tuin.“Daar kwam een vreemde ruiter aan, en brak ze allen af.”Tante schudde het hoofd.“Dat is Doortje; hoe kan zij zoo zingen, zij is van daag nog beknord! Maar, minnen en zingen, laat zich niet dwingen.”“Och, ruitertje, och, ruitertje!Blijf van mijn bloemen af;Die moet mijn schat, mij allerliefst,Zelf plukken van mijn graf.”“Dat liedje heb ik ook dikwijls gezongen, toen ik nog jong was,” zeide tante; “ik heb ook daar beneden gezeten in het jasmijnpriëel met Lisette en naar hartelust gezongen, en zij kon het zoo schoon—maar gij wildet immers weten,” viel zij zich zelve plotseling in de rede, “wáár ik hem voor het eerst gezien heb? Hoor dan, eens op een avond, zoo heerlijk als deze, maar iets later in het jaar, in Juli ongeveer, ging ik den weg langs, die voorbij het park voert, en zong:“Hij is geen keizer, bij is geen koning;Hij is soldaat, hij is soldaat.”“Daar trad uit de schaduw der lindenallée een man te voorschijn en vroeg: ‘Wel juffer, moet het juist een soldaat zijn?’ waardoor ik zóó schrikte, dat ik zonder antwoord te geven, mij haastig wegspoedde. Hij echter volgde mij, en bad zoo vriendelijk om vergiffenis, dat ik stilstond en hem aanzag.Hij had zulk een lief, goedig gelaat, met een paar eerlijke, trouwhartige oogen, dat ik geen vrees meer gevoelde; wij wandelen langzaam verder en hij verhaalde mij, dat hij rijknecht was op het slot bij de jonge barones, de grootmoeder van Army en Nelly, die voor korten tijd hier was komen wonen; dat hij mij reeds dikwijls gezien had, als hij den molen voorbijreed, want gij weet wel, dat ik bij uwe overgrootmoeder diende. En ik verhaalde hem, dat ik vader noch moeder meer had, en toen reikten wij elkander boven bij de molenbrug de hand en zeide hij: ‘goeden nacht, Marie!’ Wij spraken niet meer, maar stonden langen tijd zwijgend naast elkander, tot ik op eens zoo hard ik kon over de brug naar huis liep.”“Hoe waart gij toen te moede, tante?”“Ja, dat weet ik niet meer zoo nauwkeurig, Lise,” zeide de oude vrouw; “ik weet alleen, dat het mij was, alsof de maan nog nooit zoo helder op den ouden molen geschenen had, en de hemel nog nimmer zoo hoog was geweest; ik kon den ganschen nacht niet slapen en was toch den volgenden morgen niet moede, en de woorden: ‘goeden nacht, Marie!’ klonken mij onophoudelijk in de ooren.”De oude zag naar het jonge meisje; haar oogen stonden vol tranen. “Zeg mij eens, Lise, wat scheelt u toch?”“Och, niets, tante!” antwoordde zij. “Weet gij wat, ik ga nog even naar buiten; vader en moeder zullen wel aanstonds komen. Goeden nacht, tante!”“Goeden nacht, Lise! God behoede u! maar hoor eens, kind, als gij morgen vroeg weer aspergies steekt, moet gij niet als vandaag de helft laten staan, anders moet ik er weder zelf voor zorgen, hoe zwaar het mij ook valt. Goeden nacht!”En toen was de oude vrouw weder alleen in haar kamertje. Zij sloot het venster en ging, het hoofd schuddend, naar de commode; zij zag naar de beeldtenis van haren Christiaan; de maan bescheen die niet meer, zoodat zij die niet meeronderscheiden kon; maar zij wist immers nauwkeurig, hoe hij er uitzag.“Ja, zoo was het,” fluisterde zij, “dáár buiten bij de molenbrug, daar ving het aan. Liefde heeft een goed geheugen; ik herinner het mij heden avond even zoo goed, alsof wij gister daar stonden. Dat is Lise’s schuld. Wat of zij toch eigenlijk wilde, het dwaze ding?”—-Lise was buiten onder denlindeboomgaan zitten; het water van de molenbeek ruischte aan haar voeten. Haar oogen staarden op den weg, die, aan de overzijde van het water, naar het slot voert, en daarboven, achter de donkere toppen der boomen, verhieven zich de trotsche, door de maan helder beschenen torens naar den nachtelijken hemel, zooals zij dat reeds dikwijls gezien had, zoo ontelbare malen—hoe kwam het, dat zij heden zoo wonderlijk te moede was?De oorzaak was een onverhoopt wederzien. Army was plotseling het priëel binnengetreden, waarin zij en Nelly elkander zaten voor te lezen. Geheel onverwacht stond hij voor haar en omhelsde lachend zijne zuster die, blozend van vreugde, bijna niet spreken kon; daarop had hij haar zeer verbaasd aangezien en eindelijk “juffer Lise” genoemd. “Juffer Lise!” Hoe gek klonk dat! Zij moest er om lachen; hij lachte mede, maar bleef haar zoo noemen. Hij was grooter en statiger geworden sedert dien winteravond, toen zij hem voor het laatst onder de besneeuwde linde zag, en nu prijkte de frissche mond met een aardig kneveltje; wat was hij toch knap! En wat was de avond van Nelly’s verjaardag spoedig omgevlogen; zij hadden hunne kinderjaren in herinnering teruggeroepen en hij was zoo vroolijk, zoo tevreden geweest; het gelaat zijner moeder had zoo van vreugde gestraald; en toen zij vertrekken moest, had hij haar vergezeld; zij waren te zamen de lindenallée doorgewandeld tot aan de molenbrug, evenals vroeger tante met haar Christiaan; zij hadden over hunne jeugd gepraat en bij de brug was hij blijven staan.“Goeden nacht, juffer Lise!” Zij had er weder om moetenlachen; “goeden nacht, mijnheer Army!” had zij willen zeggen, maar het kwam niet over haar lippen; zij stak hem weifelend de hand toe, die hij als een oude bekende greep, en toen ging hij heen. Zij boog zich over de leuning en zag in het water, waarop de stralen der maan als zilveren strepen dansten, en hoorde de nachtegaal zingen in de oude linden—’t was alsof zij droomde.“Of hij ditmaal ook in den molen zal komen?” vroeg zij bij zich zelve en zag naar het slot. “Ja, zeker! Als moeder nu maar juist niet morgen het beloofde bezoek bij de houtvestersvrouw wil afleggen,” dacht zij. Dat zou toch jammer zijn, en meegaan moest zij in alle geval.En zoo zat zij en droomde onder de oude linde in dien lentenacht, en de maan zag vriendelijk en stil op haar neder, als wilde zij haar niet storen in die zalige droomen der jeugd; zij weet het immers, die oude kameraad, hoe spoedig ze soms vervliegen—-Boven in het slot scheen nog laat in den nacht het licht in de kamer der oude barones. Zij zat achterover in haar stoel geleund, en haar handen speelden met den witten zakdoek op haren schoot.“En gij zegt, Army!” sprak zij vragend tot den jongen officier, die tegenover haar zat, “tante Stontheim heeft zelve den wensch te kennen gegeven, dat Blanka ons hier bezoeken zal?”“Neen, lieve grootmama, dat is te veel gezegd,” antwoordde deze: “tante Stontheim is een zonderlinge vrouw; zij zegt eigenlijk nooit wat zij wenscht; zij sprak er over, dat de vermoeienissen van den winter Blanka verzwakt hadden, en vroeg mij, of de lucht onzer bosschen versterkend was; waarop ik natuurlijk, den wenk verstaande, aanstonds onze gastvrijheid aanbood.”“Zeer voorbarig, mijn waarde Army! Ik moet bekennen, hier in dit ledige, eenzame slot aan een jonge, verwende dame eenigszins een genoeglijk leven te verschaffen, schijnt mij eenmoeielijke zaak toe. Het is onbescheiden van tante Stontheim, uw aanbod aan te nemen en dat nog wel voor die Blanka! Zij kan later haren vader verhalen, hoe men in het slot Derenberg gasten weet te ontvangen.” De oude dame lachte bitter.Army zweeg; hij zag naar een mug, die om de lamp fladderde.“Hoe ziet zij er toch eigenlijk wel uit, die Blanka?” vroeg de grootmoeder, na eenig stilzwijgen.Army’s gelaat verhelderde zich. “Hoe zal ik u haar beschrijven, grootmama? Ik kan u alleen zeggen, dat Blanka een buitengewone verschijning is; men wordt verblind, als men haar voor de eerste maal ziet, en hoe meer men haar ontmoet, hoe meer zij iemand aan zich boeit.”“Dat is de taal eens verliefden,” sprak de oude dame koel; “zooveel ik weet, had zij nooit aanleg eene schoonheid te worden.”Army werd gloeiend rood onder de koude blikken der groote, zwarte oogen.“Zij is ook eigenlijk niet schoon; zij heeft zoo iets—”“Genoeg!” viel de oude barones hem ongeduldig in de rede; “zeg mij liever, hoe denkt men over de verhouding van tante tot Blanka, en wat heeft deze te hopen?”“Zij gaat door voor de eenige erfgename harer tante. Veel hartelijkheid heb ik echter gedurende mijn veertiendaagsch verblijf, bij het Kerstfeest en den verjaardag van tante, tusschen die beiden niet kunnen bespeuren.”De barones haalde minachtend de schouders op.“Hebt gij uwe moeder het heuglijk bericht van het te wachten bezoek reeds medegedeeld?”“Neen, noch aan mama, noch aan Nelly; zij waren niet alleen—de kleine uit den molen was bij haar.”“Natuurlijk! Het is onbegrijpelijk. Ik heb eens voor altijd verzocht van hare tegenwoordigheid verschoond te blijven, en desniettegenstaande is zij de eerste en de laatste bij uwemoeder en zuster, die in haar een engel van schoonheid en goedheid zien. Maar, Army, waar ter wereld zal deze Blanka logeeren? Door wie zal zij bediend worden?”“Ik had aan de kamer naast de uwe gedacht, grootmama! en de torenkamer zou tot zitkamer kunnen worden ingericht.”“De torenkamer? Nooit!” riep de oude dame vertoornd uit; haar buitendien reeds bleek gelaat had in dit oogenblik een bijna spookachtig aanzien.Army zag haar verschrikt aan.“Zooals gij wilt, grootmama!”“Schik dat met uwe moeder!” liet zij er haastig op volgen, “laat Blanka zitten waar zij wil! De torenkamer blijft gesloten, zoolang ik leef. Begeef u nu ter rust! Morgen spreken wij elkander nader.”Army kuste hare hand en ging heen. Buiten op den corridor scheen de maan door de kleine ruiten der hooge ramen helder op den witten marmeren vloer.“Nog altijd het oude liedje,” mompelde hij; “wat heeft dat nu weer te beteekenen met dat torenkamertje? En ik had mij zoo voorgesteld, het voor Blanka in te richten—”“Voor Blanka!” Hij hield een oogenblik op; zijne gedachten vlogen terug naar de groote stad, naar de deftige villa met de hooge spiegelruiten en de met bloemen getooide veranda; dáár, boven op de tweede verdieping, achter de fijne kanten gordijnen, rustte zij nu zeker en sliep. Hij trad zijne kamer binnen; de vensters waren geopend, en de lucht voerde hem een stroom van geuren te gemoet; hij zag naar buiten in het door de maan beschenen park. Hij herinnerde zich dien winteravond, toen hij in deze zelfde kamer vertoefd had, nog onbekend met het leven, beangst voor de toekomst, en hoe hem toen de oude spreuk voor den schoorsteen zoo verrassend hoop en levensmoed gaf: “Vertrouw gerust op God, geluk is dan uw lot.” Was het geluk hem reeds ten deel gevallen? O, neen; het geluk zelf nog niet, maar toch de hooper op. In den geest bevond hij zich bij tante Stontheim, in haar sierlijk salon.Hij was, op de uitnoodiging der oude dame, de Kerstdagen te D. komen doorbrengen, en toen hij haar de hand kuste, die zij hem ter verwelkoming toereikte, had hij niet zeer vriendelijk gezien. Hem werd thee gediend, en een gevoel van onuitsprekelijke verveling beklemde zijne borst. Op eens was de deur opengedaan, en zweefde een meisjesgestalte de kamer binnen. De kroon aan den zolder wierp haar verblindend licht op een wezen, aan een elf gelijk, gehuld in een kleed van bleek groen krip, waardoor fijne, marmerwitte schouders zichtbaar werden, en over het blanke, smalle voorhoofd glinsterde het goudkleurig haar, dat langs den rug nederviel in zware, weelderige vlechten. Hij was opgesprongen en staarde haar aan, alsof hij eene geestverschijning zag. De jonge dame wierp den prachtigen ruiker van witte camélia’s op de tafel, ijlde hem voorbij, en begroette hare tante.“Agnese!” klonk het in zijn binnenste; “de schoone Agnese Mathilde uit de familiezaal ’t huis!”“Is het reeds zóó laat?” vroeg hare tante, een onderzoekenden blik op de bekoorlijke gestalte werpende, en toen op hem wijzende, zeide zij:“Lieve Blanka, uw neef Armand van Derenberg, die gedurende de feestdagen onze gast zijn zal!”De jonge dame, met hare donkere oogen, had een vluchtigen blik op hem geworpen; hij staarde haar nog steeds aan; hij kon niet anders; voor hem stond immers zij, de schoone Agnese Mathilde, alsof zij zoo uit haar vergulde lijst getreden was! Ja zeker, hij had zich zeer links gedragen; het bloed steeg hem nog gloeiend heet naar boven, als hij daaraan dacht. Toen had hij, op verzoek zijner tante, haastig toilet gemaakt, en was met de dames in een prachtig rijtuig uitgereden, was een vorstelijk verlichte zaal binnengetreden, en had met Blanka gedanst; hij had haar verteld, dat er thuis in het slot een portret in de familiezaal hing, dat haar sprekendgeleek, en waarvoor hij als knaap uren lang had gestaan zonder zich ooit aan het aanschouwen te kunnen verzadigen.Zij had toen gelachen, en hem gezegd, dat zij wel lust had de proef te nemen en er naast te gaan staan, om te zien, of het niet veel meer inbeelding was dan werkelijke gelijkenis. Trouwens, die oogen, die diep treurige oogen, bezat zij niet; wel waren zij ook donker, maar die onbegrijpelijke smart lag er niet in; hoe was dit ook mogelijk? Was zij niet zóó jong, zóó vroolijk, zóó gevierd!—Hij volgde haar met zijn blikken, toen zij hem in den dans voorbijzweefde; als een goudkleurige sluier omgaf het loshangende haar het bleeke gelaat; hij kon zich niet verzadigen aan dien wondervollen tooi; hij benijdde elk, die met haar danste, en verheugde zich in het vooruitzicht van den heiligen avond, om welken te vieren hij toch eigenlijk gekomen was, en dien men zeker stil in den huiselijken kring zou doorbrengen.Maar juist dáár was zij hem het minste bevallen; niet, dat zij er minder bekoorlijk had uitgezien—zeker niet; de gouden sluier lag zoo wonderschoon op het donkerblauwe zijden kleed; de lichten van den Kerstboom weefden schitterende vonken daarin, maar de vroolijke lach, die een gelaat eerst waarlijk betooverend maakt, ontbrak; de innige Kerstvreugde miste hij geheel in Blanka’s zwarte oogen.Daarop volgde het eene feest het andere, en eindelijk moest hij vertrekken, hoe zwaar het hem ook viel. Hij bad zijne tante, spoedig terug te mogen keeren, en in den borstzak zijner uniform droeg hij een sierlijk étui van juchtleder, een geschenk zijner nicht; dit was zijn kleinood geworden, want daarin lag een lange lok rood, zacht vrouwenhaar. Zij gaf hem op zijn verzoek het haar al schertsend, opdat hij zou kunnen vergelijken, welk het meest goudkleurig was, dat op het portret in de familiezaal, of het hare.Army stond nog aan het geopende venster in het donkere vertrek; hij haalde haastig het étui te voorschijn en beschouwdein het maanlicht de haarlok, die van boven en van onderen sierlijk met een blauw zijden lintje was vastgemaakt; hij drukte ze aan zijne lippen, en heerlijke beelden der toekomst kwamen hem voor den geest; hij zag zich weder gevestigd in het slot zijner vaderen; zij stond naast hem in den zomernacht; hij hield den arm om haar heen geslagen, en het lokkige hoofd rustte aan zijne borst; buiten op het eenzame voorplein murmelde weder na langen tijd een frissche fontein, nieuw vroolijk leven aankondigende.Hoe schoon was deze droom der toekomst! Maar het was immers slechts een droom; en de werkelijkheid?—Army huiverde; zij stelde hem eischen, die hem deden terugschrikken; deze vervelende, ongelukkige werkelijkheid.—Waar zou hij de middelen vinden, om voor de schoone gast de treurige armoede in het slot Derenberg te verbergen? Dat geld, o, dat booze geld!Hij zag droomend naar het park. De nachtwind was opgestoken en ruischte door de boomen. “Het is tijd om te gaan slapen,” zeide de jonge dweeper. Met zachten tred verliet hij de zaal en zocht zijne legerstede op. In den droom verscheen hem de schoone Agnese Mathilde. Zij stond vóór hem in een zilverkleurig zijden gewaad, en daarover lag een gouden sluier; zij zag hem met hare groote, treurige oogen aan en hief waarschuwend de hand omhoog:“Let daarom op de kleur van ’t haar,En is dat rood, dan dreigt gevaar.”klonk het in zijn oor.Vijfde Hoofdstuk.“Army, wat ben ik blij, ook eens een gast te zullen hebben,” sprak den volgenden morgen Nelly tot haar broeder, toen zij te zamen door het frissche, groene park wandelden. “Wat zal Liesje wel zeggen? Ik moet het haar vertellen. Zeg eens, Army! hoe vindt gij Liesje eigenlijk? Is zij niet beeldschoon geworden?”“Ik weet het waarlijk niet,” antwoordde hij verstrooid, “ik heb er in ’t geheel niet op gelet; ja, ik geloof het wel, ik herinner het mij nauwelijks meer—”“Maar, Army!” klonk het van de lippen zijner zuster, “gij zijt verstrooid, of misschien bedroefd—is u iets onaangenaams bejegend? Kan ik u soms helpen?”“Neen, zusje,” lachte hij en streek haar schertsend met de hand over het bloeiend gelaat. “Gij kunt mij wel het allerminste helpen; het is een ongelukkige geschiedenis, ik—zie er tegen op het mama te zeggen, maar ik kan niet anders.”“Och, spreek er niet tegen mama over, Army!” bad het jonge meisje, staan blijvende. Zij legde de kleine hand op zijn schouder, en zag hem angstig aan. “Ik bid u, doe het niet! Zij is zoo droevig, en weent zooveel; ik smeek u, zeg het niet, als het iets onaangenaams is—”Army werd verlegen.“Ja, mijn God!” zeide hij, “wist ik slechts wat te doen?Tot grootmama kan ik mij niet wenden; het zou te vergeefsch zijn, daar zij werkelijk niet in staat is, mij—”“Army,” fluisterde het meisje, de oorzaak zijner verlegenheid radende, “ik geloof, ik kan u helpen; wacht een oogenblik, of neen, ga vooruit onder den grooten ahorn aan den dijk! Ik ben aanstonds terug.” En vlug liep zij naar huis; de zonnestralen dansten over haar eenvoudig kleedje en beschenen de blonde lokken; spoedig was zij om den hoek verdwenen.De jonge man zag haar na en ging verder. Wat meende zij? Zij kon toch onmogelijk weten—-Hij zat op de steenen bank en zag naar het heldere water, waarin de blauwe hemel en de hooge boomen zoo liefelijk weerkaatsten.“Hoe schoon is het hier!” sprak hij halfluid; “als zij maar een weinig gevoel voor natuurschoon heeft, moet het haar hier bevallen.”Vlugge schreden klonken achter hem, en zich omkeerende, blikte hij in het van vreugde stralende gelaat zijner zuster.“Daar, Army!” zeide zij blozend, en legde een sierlijk zijden beursje in zijne hand. “Ik heb het waarlijk niet noodig; neen, wezenlijk niet; waarvoor toch? En nu zult gij niets aan mama zeggen; niets, nietwaar?” De blijdschap, iets te kunnen geven, straalde het lieve meisje uit de oogen. “Goede, lieve Army!” bad zij, “berg het spoedig! Het zal zeker voldoende wezen.”“Neen, Nelly, neen!” riep hij, kleurende; “uwe spaarpenningen—”Zij hield hem de hand voor den mond. “Gij maakt mij boos, Army,” zeide zij: “zouden broeder en zuster elkander niet helpen—Wie weet, of ik ook niet nog eens bij u kom! Laat ons nu verder gaan, spreek er niet meer over! Zie, hoe zoudt gij het vinden, als wij hier eene boot hadden? Ik heb het reeds lang gewenscht. Dan konden wij met Blanka roeien, en Liesje—nietwaar? Blanka zal toch niet trotsch zijn?”Hij antwoordde niet; hij kwam zichzelf op dit oogenblik zeer verachtelijk voor. Haastig wendde hij het gelaat af.Zijne zuster bemerkte het. “Army,” zeide zij, “volg mij spoedig! Ik moet aanstonds naar mama, en—ik heb het druk,” en zij sloeg den naasten weg naar het slot in.Hij volgde haar langzaam, diep beschaamd. Hij had haar gister op haar geboortedag niet eens een kleinigheid geschonken, en heden gaf zij hem blijmoedig al hare bespaarde penningen. Hij bleef staan en opende de kleine zijden beurs; een paar losse daalders lagen er in, en nog iets in een papier gewikkeld; hij deed het open en vond een goudstuk, benevens een paar woorden van de hand zijner moeder op het papier. “Voor een nieuw kleedje voor mijne Nelly,” las hij. Het jonge meisje had klaarblijkelijk de woorden nog niet gelezen; dan had zij hem deze vernedering bespaard; hij dacht aan het versleten kleedje, dat zij heden en gister droeg, en hoe zij zich over een nieuw verheugd zou hebben. Een nieuw kleed voor vijf daalders! Zooveel had ongeveer de ruiker gekost, dien hij Blanka gezonden had, en welken zij wellicht den morgen na het bal achteloos had weggeworpen; hij dacht aan de sierlijke gestalte, welke hij nooit anders dan in zware zijde of licht krip had gezien—welke tegenstrijdigheden biedt het leven! Daar lag het slot voor hem, zoo indrukwekkend, met zijn reusachtigen gevel, zijne torens; en de zoon des huizes bezat niet zóóveel, om,—neen, het was om wanhopend te worden.Hij wendde zich haastig om, en keerde terug; zijne blikken dwaalden onwillekeurig over den heuvelachtigen grond en bleven op het leien dak van den papiermolen rusten; eensklaps lachte hij hardop. “Ja, die hebben des te meer,” sprak hij half luid; “men moet zich maar met lompen en diergelijk tuig afgeven, dan stroomt iemand het geld toe; en dat alles zal de hand vullen van het kleine meisje, met ’t welk ik eens speelde. Lompenmolenaars Liesje is de rijkste erfgename uit den ganschen omtrek—waarachtig, het isom zich dood te lachen, zooals het in het leven verdeeld is.”In zijn donkere oogen las men intusschen niets van lachen; hij zag er zeer neerslachtig uit, de knappe, jonge officier; het geld zijner zuster brandde hem in de handen, terwijl hij haastig voortliep, de lippen stijf op elkaar gedrukt. De schoone droom der toekomst was vervlogen voor het drukkende heden, en zijn geldelijke ongelegenheid had hem geducht aangegrepen. Hij nam het kleine briefje zijner moeder en legde het in zijne portefeuille; toen ging hij verder, en den hoofdweg inslaande, zag hij den ouden Hendrik, die naar hem toekwam, zoo spoedig zijn oude beenen het hem toelieten.“Uwe grootmama verzoekt mijnheer den luitenant aanstonds bij haar te komen,” boodschapte hij, den jongen man vriendelijk in het opgewonden gelaat ziende.De oude barones liep haastig het vertrek op en neer. Haar trotsch gelaat was met een blos overtogen en de donkere oogen richtten zich ongeduldig naar de deur, waardoor haar kleinzoon moest binnentreden.In hare hand hield zij een geopenden brief, en van tijd tot tijd bleef zij staan en wierp een blik op het papier.“Het is ongeloofelijk,” sprak zij zacht, “deze Koningsberger Derenbergs! Zich dáár zoo te nestelen.Dio mio!Wat geeft die Stontheim mij daar bittere pillen te slikken in dien korten brief! En toch mag ik God nog danken, dat die zaak zich zóó schikt. Hoe verheug ik mij, dat ik, trots de koelheid die tusschen ons heerscht, Army heb overgehaald haar te bezoeken!”Zij wierp weder een blik in den brief.“Ik heb in Armand,” las zij, “een beschaafd, beminnelijk mensch leeren kennen, die geheel het karakter der Derenbergs bezit, en niettegenstaande den betrekkelijk korten tijd onzer kennismaking, heb ik hem hartelijk lief gekregen.”De lippen der oude dame plooiden zich tot een minachtenden glimlach.“Ik ben, zooals gij u wel van vroeger zult herinneren,” las zij verder, “iemand, die doorgaans eerlijk en openhartig mijne meening zeg—dat wij beiden het nooit eens waren, zal wel te wijten zijn aan het groote verschil onzer beschouwingen; nu zijn wij beiden oude vrouwen geworden, liefste Derenberg, en het wordt waarlijk tijd, vrede te sluiten voor de korte spanne tijds, die wij nog te leven hebben. Ik bied u de hand der verzoening aan; laat, wat vroeger is voorgevallen, vergeten zijn! De schuld lag waarschijnlijk aan beide zijden. En nu wil ik u in vertrouwen een lievelingswensch mededeelen, die ook Armand betreft. Gij zult door hem wel reeds vernomen hebben, dat in mijn huis een jonge moederlooze verwante leeft, die bij mij de plaats eener dochter in mijn eenzaam leven vervult, en die ik liefheb, alsof zij het werkelijk is. Bedrieg ik mij niet, dan ziet Armand zijne nicht niet met onverschillige blikken aan,—het zou mij hartelijk verheugen, zoo deze twee elkander leerden liefhebben; en ten einde hun daartoe de gelegenheid te geven, zend ik Blanka, onder het voorwendsel van hare gezondheid te versterken, naar uwe boschrijke woonplaats. Mochten de beide jonge harten elkander daar leeren verstaan, en ik in Armand nog eens een zoon begroeten! Gij zijt een verstandige vrouw, lieve barones, en ik behoef u niet te vragen, alle toespelingen op mijne wenschen bij de jonge lieden te vermijden; ik hoop dat zij elkander in waarheid genegen zullen zijn; het is mogelijk, dat Blanka met haar helder hoofdje mijne bedoeling vermoedt; meegedeeld heb ik ze haar niet. Moge de hemel voor het overige zorgen en het tot onze blijdschap doen uitkomen! Terwijl ik u in den geest nog eenmaal verzoenend de hand reik, ben ik, in afwachting van een spoedig antwoord, lieve Derenberg! uwe“Ernestine, gravinStontheim, geborenDerenberg.”“Het is waarlijk grootmoedig,” vervolgde de oude dame; “men moet nog een vriendelijk gezicht zetten, en dankbaar wezen; het is fijn overlegd van tante Stontheim, maar zoo was zij altijd. Blanka is haar erfgename—dat is zonneklaar en nu zij den jongen heeft leeren kennen, wil zij de zaak zóó regelen; ik moet met een zoet gezicht in dezen zuren appel bijten en God danken, dat het zóó geschikt wordt; zij heeft een boosaardig karakter. Maar één wenk moet ik hem toch geven; het schijnt mij toe, dat deze Blanka hem niet onverschillig is, en—”Op dit oogenblik trad Army binnen. Zijne grootmoeder zag hem vriendelijk aan.“Ik heb een brief ontvangen van tante Stontheim,” sprak zij, staan blijvende en hem de hand toestekende; “zij meldt mij Blanka’s komst; en nu mijn jongen! vergeet, dat ik gister zoo onvriendelijk over uwe plannen sprak! Ik had een lichten aanval mijner migraine, en dat ontstemde mij; ik verheug mij werkelijk over het bezoek der jonge dame.”Army zag haar verrast aan. “Waarlijk, grootmama? Ik dank u; gij neemt een centenaarslast van mijn gemoed; het was zeer onaangenaam voor mij, u moeite te veroorzaken, die u niet aangenaam was. Mag ik weten, wat tante nog meer schrijft?”De oude dame lachte. “Neen, mijn kind,” zeide zij, “het is niet goed, dat men te veel vleiends over zichzelven hoort.”“Houdt tante van mij?” vroeg hij opgewonden.“Tante is van oordeel, dat gij een verstandig jong mensch zijt, en zeker eens een echte Derenberg zult worden.”Army’s gelaat werd bewolkt. “Is dat alles?”“Vooral,” klonk het schalksch van de dunne lippen der grootmoeder, “wanneer u eenmaal een schoone, geliefde vrouw ter zijde staat.”“Heeft zij dat geschreven?” riep hij haastig en greep, hoog blozend, hare hand. “Grootmama, wees goed! Zeg mij, meldde zij iets van haar, van Blanka? Denkt zij, dat Blanka mij ook bemint?”“Army! mijn God, hoe onbeschaamd! Bedaar toch! Wie spreekt er van Blanka? Ik heb immers niets gezegd—verstaat gij? In het geheel niets; wie denktdááraan? Gij zijt pas een-en-twintig jaar!”Maar Army had de armen om den hals zijner grootmoeder geslagen, drukte in weêrwil van haar tegenstreven een paar hartelijke kussen op haar mond, en stormde toen zeer onhoffelijk de kamer uit.“Orribile!” zeide de oude dame, hare muts terecht zettende; “hij is zeker al erg verliefd; als tante Stontheim hem nu gezien had, zou zij zeker niet aan zijn Derenbergs karakter gelooven.”Zij bleef nadenkend staan en het was, alsof haar iets uit het verleden te binnen schoot, dat veel overeenkomst had met het zoo even gebeurde. Plotseling herinnerde zij zich, hoe zij, in betere dagen, als een schoone jonkvrouw in overmaat van geluk de half blinde duenna om den hals viel en haar vurig kuste. En waarom? Omdat buiten op het balkon, onder de bloeiende oleanders, in de zoele avondlucht, een slanke, blonde man in gebroken Italiaansch haar zooveel verhaald had van een oud, Duitsch slot, omgeven door groene eikenbosschen, en van een oude, Duitsche vrouw met trouwe, blauwe oogen ... De trek om haren mond werd zachter, toen zij aan den jubel van haar jeugdig hart dacht. “Hij heeft toch mijn bloed in de ad’ren,” zeide zij toen, “God geve, dat het leven zijne wenschen beter vervulle, dan de mijne!” Daarop zette zij zich aan haar schrijftafel en stelde zich de toekomst voor, die weder rooskleurig voor haar begon te schemeren, en voor hare oogen stond weder het oude slot in al de betoovering, die het vroeger omgaf.Intusschen doorkruiste Army onrustig het park. Eerst had hij zijne zuster bijna platgedrukt door zijne omhelzing en haar iets onbegrijpelijks verteld van een nieuw kleed, een blauw, zooals Blanka droeg. Hij had zijne moeder, die de opgewondenheid van haren zoon niet begreep, de noodzakelijkheidbetoogd, om hare zwakke gezondheid door een badreis te versterken, was het niet in dit, dan in een volgend jaar. Daarop was hij met Nelly en den ouden Hendrik in de kamer geweest, die hij voor Blanka had uitgekozen, en had er allerlei veranderingen bevolen; zijne zuster had hem haar werktafeltje en den bloemenstandaard hunner moeder moeten beloven; toen had hij aanmerking gemaakt op de gordijnen en schilderijen, de laatsten weggenomen en andere in de plaats gehangen en Nelly meer dan eens verzekerd, dat hij gordijnen en tapijten uit zijne garnizoensplaats zou laten komen in de plaats van al dat verkleurde tuig, alsook een nieuwe livrei voor Hendrik. Eindelijk had hij zijne zuster omhelsd, en haar gevraagd, of zij niet dacht, dat het Blanka hier wel bevallen zou, en of zij niet vond dat deze kamer het fraaiste uitzicht had? En zonder haar antwoord af te wachten, had hij er bijgevoegd: “Wat zult gij verbaasd staan, zusje, als gij haar ziet!” Toen was hij naar buiten gegaan, naar het oude park, en liep haastig door de met gras begroeide paden; bij wenschte het uur zijner afreis te bespoedigen, ten eindehaarte kunnen zeggen, hoe men zich te huis op hare komst verheugde—eindelijk werd het avond, en wandelde hij in den heerlijken lentenacht naar het dorpje, om de post op te wachten. Bij het parkhek plukte hij nog een bloeienden vliertak, een groet uit zijn huis voor Blanka. En eindelijk, eindelijk blies de postillon en reisde hij af, vervuld van gelukkige gedachten.Daarboven echter, in den molen, werd zacht een venster geopend, en een donker meisjeshoofd boog zich naar buiten en zag met vochtige oogen naar den straatweg. Zij wist, dat hij heden avond weder vertrekken zou; hij had het haar immers zelf gezegd, en zij had op hem gewacht, den ganschen langen dag gewacht, maar hij was niet gekomen; en hoor! daar klonk nu de posthoorn door den stillen nacht Hoe treurig klonk dat! Uit het woud kaatste zacht een echo terug, en stil, heel stil werd het venster weder gesloten.Zesde Hoofdstuk.Den volgenden dag was het ongunstig weder. De hemel was geheel met een donker floers bedekt, en een zachte regen viel op de bloeiende appelboomen en de vlier. Liesje stond des namiddags boven in haar kamertje, en zag met een droevig gelaat naar het slot, welks torens in een grauwen sluier gehuld schenen. Alles was vandaag verkeerd gegaan; iedereen zag donker; haar vader had onaangenaamheden in zijn beroep gehad; tante had zich geërgerd, omdat Doortje de staldeur niet gesloten had, waarachter de hen met hare kiekens verblijf hield, die nu in den regen buiten waren: iets, dat streng verboden was; de kleine diertjes zouden nu allen omkomen, voorspelde zij; de oogen verdraaiden reeds. Doortje was erg beknord en liep met roodgeweende oogen door het huis; en tot overvloed van smart was de jonge heer Selldorf gekomen, die bij haar vader in de zaak zou werkzaam zijn, en had met de familie het middagmaal gehouden.Gewoonlijk aten de heeren, die bij hem in de leer waren, boven in het huis dat zij bewoonden, want de heer Erving bevond zich het liefst uitsluitend te midden der zijnen; heden had hij echter eene uitzondering gemaakt, omdat hij zeer bevriend was met den vader van den jongen man. De jonge blonde heer, met zijn blauwe das, had tegenover Liesje gezeten en haar gedurig aangekeken, hetgeen volstrekt nietnoodig was; er was gesproken over zijn vader, over beroepsaangelegenheden, en over de gezondheid zijner moeder, wat alles recht vervelend was geweest. Daarbij kwam, dat Liesje, voor de eerste maal sedert haar dit werk was opgedragen, vergeten had de duiven te voeren; zij ergerde zich over zich zelve—wat scheelde haar toch? En toen dacht zij er aan, hoe zij gister met haar naaiwerk onder den lindeboom vóór het huis had gezeten, tot het donker werd, en telkens, als er iemand naderde, geschrikt was, en hartkloppingen had gevoeld; hoe het steeds onverschillige menschen geweest waren; ten laatste kwam de oude bedelaarster Marie, en toen was zij in huis gegaan en had geweend. Zij bloosde uit schaamte over zich zelve, toen zij zich herinnerde, dat zij gister avond, wijl zij niet slapen kon, nog eenmaal was opgestaan om het venster te openen en naar den postillon te luisteren, die een lustig deuntje zat te blazen op den bok van het rijtuig, waarmede Army—zoo spoedig weder vertrok.“Dat het nu ook zulk naar weer is,” sprak zij op eens halfluid, een deeltje van Geibels gedichten van de boekenplank nemende, “anders zou Nelly zeker eindelijk wel eens komen.”Zij zette zich op de kleine sofa, en bladerde in het boek, zonder de liefelijke zangen, van welke zij anders zooveel hield, met iets meer dan een vluchtigen blik te verwaardigen. Zoo zat zij, totdat in de gang de voetstappen harer tante gehoord werden, en het goedige gezicht met het helderwitte mutsje in de deur zichtbaar werd.“Zeg eens, Lise, waar om Gods wil zit gij toch?” vroeg zij geheel buiten adem; “eerst ziet gij den ganschen dag zoo zuur als azijn, en nu zit ge hier te lezen, in plaats van uw oude tante beneden wat te helpen. Gij weet wel, het is van daag Donderdag; dan komt de familie uit de pastorie. Doortje is geheel verslagen door de berisping, die zij ontvangen heeft, en Mina pruilt om haar gezelschap te houden; gij hadt mij wel kunnen helpen de duiven klaar te maken, of de aspergieste schillen; dat is niet gemakkelijk, en gij dient het te leeren voor de aanstaande huishouding, want een vlijtige huisvrouw is de rijkdom des mans. Maar wat ziet het er hier toch gezellig uit,” viel zij zich zelve in de rede, terwijl zij het vertrek rondkeek, dat er met zijn witte verf, met wit en blauw gestreept katoen overtrokken meubels en neteldoeksche venstergordijnen, als een echte meisjeskamer uitzag. “Zie eens, hoe uw myrtheboompje in ’t water drijft! Daar schiet mij te binnen, waarom ik hier eigenlijk kwam: hier is een briefje van Nelly. Hendrik bracht het mede;” zij nam het uit haar zak en gaf het Lise, die het openbrak en las.“Verbeeld u, tante,” riep zij verrast, “zij krijgen bezoek op het slot! Nelly is er bovenmate over verheugd; het is eene nicht, Blanka van Derenberg; en Army komt ook over met verlof en zij hoopt, dat ik haar dan dikwijls zal komen bezoeken.“Zoo?” vroeg de oude vrouw.“Ja, Nelly schrijft, zij zou zelve gekomen zijn om het mij te vertellen, maar zij had vandaag geen tijd, dewijl zij helpen moest de kamers in orde te brengen.”“Zouden zij dat dan nu eerst hebben vernomen?” sprak de oude vrouw.“Och neen,” zei Lise, “Army is dáárom over geweest, schrijft Nelly.”“Is Army weer hier geweest?” vroeg tante, en zag verbaasd naar het jonge meisje, dat plotseling hoogrood geworden was; “wanneer dan?”“Op Nelly’s verjaardag,” klonk het zacht.“Ei zoo!en daar hebt gij mij niets van verteld, Lise? Gij zegt mij anders toch alles!” en de stem der oude vrouw klonk angstig. “Zeg Lise, waarom hebt gij dat verzwegen?”“Omdat ik niet altijd hooren wil, als gij zegt dat hij trotsch en voornaam is geworden.”“En waarom wilt gij dat niet hooren, Lise?”“Omdat het niet waar is; omdat hij geen tijd heeft gehad om hier te komen—anders had hij het zeker gedaan.”Zij brak in tranen uit; de bedrogen verwachting van gister kwam haar weder te binnen.“Maar, Lise, groote goedheid, wat moet dat beteekenen? Hoe dwaas, dat gij om zóó iets schreit! Wat ter wereld kan u Army schelen?”De oude vrouw sprak knorrig; men kon het haar aanzien, dat haar hart bezwaard was.“Ik denk, dat het u niet aangaat, wat ik van Army zeg. Uwe wegen en de zijne loopen niet naast elkaar, zooals in uwe kindsheid; hij is nu een voornaam heer en gij zijt een volwassen meisje.—Wat moet men daarvan denken, dat gij zoo bitter weent?”Lise viel de oude vrouw om den hals. “Och, tante, wees niet boos!” snikte zij; “het is recht kinderachtig van mij, maar ik kan het nu eenmaal niet aanhooren, zooals gij over de bewoners van het slot spreekt; wij hebben altijd zoo vriendschappelijk gespeeld, en het is altijd net of gij die schoone herinneringen onbarmhartig wilt uitwisschen, als gij boos zijt op Army en Nelly.”De oude vrouw schudde het hoofd. “Kind!” zei zij toen, “och, wist gij slechts, wat bitter leed zij daarboven ons berokkend hebben!”“Kunnen Army en Nelly dat helpen?”“Neen—maar—”“Gij zegt immers zelf altijd, dat wij onze vijanden moeten vergeven.”“Dat is zoo, maar het is onmogelijk een onrecht te vergeten, dat u zoo van nabij treft, als—”“Och, spreek daar niet van, tante!” bad Liesje vriendelijk en zag haar door hare tranen heen lachend in het gelaat; “ik zal niet weder zoo dwaas weenen; maar hoor! dan bromt gij ook niet meer. Ik ga nu met u naar beneden, en zal u helpen de duiven klaar te maken en ze zóó braden, als vaderze graag lust? En hebt gij reeds radijs uit den tuin gehaald of zal ik het doen?”Zij vleide en bad zoo lang, tot de oude haar een kus gaf, en toen zij de voorzaal boven doorgingen, waarin groote linnen- en kleerkasten stonden, zag tante onwillekeurig naar een der deuren, en een bange zuchtontgliptehaar.“Dat was Lisette’s kamer,” zeide zij met zekeren nadruk in haar toon. Het jonge meisje knikte en ijlde vlug de trappen af. Zij had immers reeds zoo dikwijls van Lisette gehoord; zij wist, dat het hare oudtante was, en haar naam altijd met eerbied werd uitgesproken; doch omdat men haar niets naders meedeelde, boezemde het haar weinig belang in, dat zij boven gewoond had. Zij schaamde er zich echter over, dat zij zoo kinderachtig geschreid had; wat zou hare tante nu wel gelooven? Misschien wel, dat zij Army—-? Zij kleurde en voleindigde de gedachte niet, maar begon te zingen, terwijl zij naar de woonkamer ging om den predikant en zijne vrouw te begroeten. Tante Marie volgde haar met angstige blikken. “Heer in den hemel!” bad zij, “bewaar ons genadig voor een tweede ongeluk!”Want een ongeluk zou het worden; van daarboven is nog niets goeds gekomen, sedert de oude op het slot leeft. “Heere, bewaar het meisje! Zij weet het zelve nog niet, maar het is waar, wat ik zoo even hoorde—zij heeft dien Army lief. Hoe haar te helpen?—” Peinzend maakte zij het avondeten gereed, en toen eens Liesje’s heldere lach tot in de keuken klonk, schudde zij het hoofd, en aan den avondmaaltijd bespiedde zij van ter zijde het lachende gezichtje, dat niet het minste spoor van tranen vertoonde. Het was ook een vergenoegd gezelschap, dat daar in de koele eetzaal zat om de groote, ronde tafel, met helderwit damast gedekt. De heer des huizes, met zijn vriendelijk gelaat; de predikant, die men het aanzag, dat hij zich verheugde bij den vriend zijner jeugd te zijn, en Rosine, zijn vrouwtje, dat altijd vergenoegd was, hoewel zij te huis een troepje kleine kinderen had, die als orgelpijpen op elkandervolgden, en haar dikwijls veel zorgen gaven, als zij meermalen niet wist van waar ze nieuwe kleeren zouden krijgen. Zelfs de Donderdagavonden, wanneer zij in den molen van de zorgen en beslommeringen der week uitrustte, zat zij ternauwernood, of een kinderkousje kwam voor den dag, waaraan zij ijverig breide, en niet zelden legde juffrouw Erving haar lachend een pakje kousen in den schoot, met de woorden: “Ziedaar, lieve, ik heb u wat geholpen; laat nu voor van avond het breien eens rusten, en zing een lied voor ons!” En dan zong zij met haar lieve, zachte stem een eenvoudig lied. Later echter greep zij onwillekeurig weer naar hare breikous en zeide lachend: “laat mij begaan, Mina! Ik kan het niet laten.” De vrouw des huizes was dezen avond bijzonder wel, en voerde een druk huishoudelijk gesprek met Rosine, terwijl Liesje vroolijk met haar vader en den geestelijke schertste; alleen tante was stil, en zelfs de loftuitingen over hare kookkunst waren niet bij machte, haar te doen glimlachen; ze proefde niet eens van den geurigen Rijnwijn, die in de groene glazen zoo heerlijk parelde.“Weet gij wel, dominé,” vroeg de gastheer, “dat ik nu een zoon van onzen ouden schoolkameraad Selldorf hier heb?”“Een jongen van Selldorf? Wel, wat zegt gij daar! Hoe is het dien eigenlijk gegaan?”“Hij heeft een groote scheikundige fabriek in Thüringen.”“Zoo, en de jongen zal—?”“De jongen komt zijn neus eens in mijn bedrijf steken, omdat de oude plan heeft eene papierfabriek—eigenlijk lompenmolen—op te zetten. Hij is trouwens gelukkig geweest; hij kwam als boekhouder in de zaak, die nu de zijne is, huwde de eenige dochter zijns patroons en werd een gezeten man. Hij heeft een knappen kop en een door en door degelijk karakter. Gij moet den jongen eens zien; sprekend gelijkt hij op den oude van vroeger; dezelfde oogen, hetzelfde blonde haar. Ik verbeeldde mij dat ik nog jong was, toen ik hem zag.”“En waar is hij?”“Boven in de werkkamer. Ik behandel hem geheel als de andere jongelui;vanmiddagheeft hij hier gegeten en daarmede basta.—Gij weet, ik ontvang niet graag vreemden in mijn huiselijken kring.”De geestelijke knikte. “Ik moet hem toch stellig eens zien. Wat zegt Liesje wel van hem?” vroeg hij schertsend aan het jonge meisje.“Niemendal, oom!” antwoordde zij.“Dat is al heel weinig,” lachte hij. “Maar a propos, daar schiet mij te binnen, Liesje, dat Army hier geweest is. Ik zag hem, toen hij aankwam; wat is dat een knappe jongen geworden! Hebt gij hem gezien, kleine?”Liesje knikte toestemmend, maar werd bloedrood; waarom zag tante haar ook zoo doordringend aan!“Het hindert mij toch,” voer de leeraar voort, “dat hij het niet de moeite waard acht, eens bij ons te komen; het is niet aardig van hem, dat hij zijn ouden leermeester niet meer wil kennen—dat is een aardje naar de oude barones.”“Gij zijt niet de eenige, die u daarover te beklagen hebt,” zeide de gastvrouw. “Hier is hij ook niet geweest. Maar Nelly komt wel bij ons.”“Een allerliefst meisje,” sprak de predikantsvrouw.“Precies haar grootvader,” riep tante, “datwas een man! Maar wien de Heer lief heeft, dien zendt Hij dikwijls bitter lijden.”“Hij leefde zeer ongelukkig met zijne vrouw, niet waar?” vroeg Rosine.“O, waar die komt, treedt het ongeluk ook binnen; zij heeft niet alleen haar eigene familie te gronde gericht, ook anderen heeft zij kommer en zorg berokkend.”“Ja, zij moet dol hebben huisgehouden,” sprak de geestelijke: “tusschenbeide hoort men er nog over spreken door de dorpelingen.”“Mijne familie kan daar ook van meepraten, nietwaar, tante?” vroeg de heer des huizes.“Dat weet de Almachtige!” riep de oude vrouw.“Hoevele tranen heeft deze vrouw doen storten! Maar God heeft ze alle geteld,” snikte zij, terwijl zij haastig opstond en de kamer verliet.“Het kan geen kwaad,” meende zij, haar kamertje binnentredende, terwijl zij nog eens nadacht over ’t geen haar bekommerde, “het kan geen kwaad, als ik Lise die geschiedenis vertel; het werd haar dan misschien duidelijk, hoe zij daarboven zijn.”Toen stond zij op, zocht een sleutel, ging zachtjes de trap op en ontsloot de deur van Lisette’s kamer.Het was een klein vertrek, en in het schemerlicht kon men ternauwernood de eenvoudige meubels onderscheiden. Tusschen de ramen stond eene commode met blinkend koper beslag, daarboven hing een spiegel in een gesneden lijst gevat; een smal ledikant, groen geverfd en met een ruwen slinger van rozen beschilderd; daar vóór een klein tafeltje op drie pooten, terwijl tegenover het bed een klein kruisbeeld hing, onder een bont gekleurde plaat, een meisje voorstellende, met een duif op de hand. Tusschen bed en venster was een linnenkastje van donkerkleurig hout geplaatst, en voor het andere raam stond een klein werktafeltje, met een stoel er voor. Onder den spiegel hing een krans van verwelkte, blauwe bloemen, die sterk afstak bij den frisschen, geurigen bloemruiker in de ouderwetsche vaas op de commode. Telken jare als de vlier bloeide, bracht Marie die hier; de vroegere bewoonster had die bloesems liefgehad. Die tijd van het jaar wekte altijd een smartelijke herinnering in het hart der oude.Zoo zat zij dezen avond weder in het kamertje der schoone Lisette, en voor haar geest mengden zich het verleden en heden dooreen; het was haar, alsof zij weder het frissche, jonge meisje was, en de slanke gestalte harer vriendin daar vóór het venster stond en met haar schoone oogen smachtend op den zuidelijken slottoren staarde. “Hij komt, Marie;hij komt—ik heb het licht gezien,” had zij toenmaals dikwijls geroepen, waarop zij dan naar beneden gingen, in den tuin, en daar in het donkere priëel van jasmijn had een gelukkig minnend paar gezeten, in alle eer en deugd—-En toen?Toen lag zij op dit bed, de schoone gestalte, gebogen onder den last des jammers, met doodsbleeke wangen en de blauwe oogen schitterende van koortshitte.“Is het niet genoeg,éénmaalzulk lijden te moeten aanzien? O God, bewaar mijn lieveling, mijne Lise!” bad zij, de handen in den schoot gevouwen, met oogen vol tranen.Op eens vatten een paar kleine handen de hare; een zachte wang legde zich tegen haar gelaat, en toen zij opzag, schouwde zij in een paar diepe, blauwe oogen, en een zachte stem vroeg: “waarom schreit gij, tante, zijt gij nog steeds boos op mij?”De oude vrouw antwoordde niet terstond; het was haar op dit oogenblik, als zag zij een liefelijke verschijning; daarop vroeg zij: “Wat komt gij hier doen, Lise?”“Och, tante! ik zocht u beneden in uwe kamer; zij praten binnen zooveel over een baron Frits en mijne oudtante Lisette; nu wilde ik u vragen, mij iets van hen te vertellen, en daarom ben ik hier gekomen.”“Dan komt gij juist van pas, Lise! Laat hen daar beneden maar praten. Niemand weet het zoo goed als ik; want ik heb het zelf beleefd; wel had ik gewenscht, dat het u nog lang onbekend zou blijven, hoe erg het soms in de wereld toegaat, maar het is beter voor u—kom, ga zitten!”Het jonge meisje gehoorzaamde, nadat zij schuw de kamer, in welke zij als klein kind slechts ééns een blik had geworpen, had rondgezien, en de oude vrouw, de handen weder vouwende, maakte zich gereed te spreken. Toch bleef zij stom en zag verlegen voor zich. Zou zij het jonge wezen de droevige geschiedenis verhalen en haat en wantrouwen in haar reine ziel storten? Het meisje, dat in stomme verwachtingnaast haar zat, was immers nog bijna een kind; zij zou Army wel spoedig vergeten—neen, zij mocht deze droevige geschiedenis niet verhalen. En toch—als deze zich nog eens herhaalde, en zij had haar lieveling niet gewaarschuwd!“Doe eerst het raam open, Lise!” zeide zij: “de lucht is hier drukkend.”Het meisje opende beide vensters; de regen had opgehouden; van de boomen vielen slechts nog enkele droppels en de frissche lucht, het gevolg van den regen, vervulde het vertrekje.“Lise,” klonk het halfluid, “Lise, gij—mij dunkt het is beter dat gij niet zoo dikwijls meer naar Nelly gaat—naderhand, meen ik; later, als Army weer te huis is, en de nicht,” voegde zij er vergoelijkend bij, toen Liesje haar verrast aanzag. “Zie, het is niet—ik denk—ik—” zij stamelde en zweeg.“Daar nu maar niet over, tante; vertel liever van Lisette?” vleide het meisje, bevreesd voor het oude thema.“Wat ik van Lisette wilde vertellen,” riep de oude vrouw heftig, “dit zeg ik, dat zij het liefste schepsel op Gods geheelen aardbodem was, en dat zij sterven moest, alleen omdat—omdat—-Hoor, Lise, als ooit iemand iets in uwe oudtante te berispen heeft, spreek het tegen; want er heeft nooit reiner hart geleefd, maar er is er ook nooit één geweest, dat zoo schandelijk gebroken werd—”Zij zweeg een poos.“Ga niet meer naar het slot, Lise,” voer zij voort; “zie, ik kan u alles niet zeggen wat geschied is; het wil niet over mijne lippen komen; later zult gij alles vernemen; maar geloof mij, het gaat niet goed, de oude barones—de—-”“Heeft die iets met de geschiedenis van tante Lisette uit te staan?” vroeg het meisje. “Zeg het mij, tante, bid ik u!”“Ik zeg ja noch neen, Lise,” antwoordde zij; “maar ditzeg ik,” en hare stem klonk ernstig, “wij zijn nog niet aan het einde, en ging het haar nog slechter op de wereld dan tot nu, en al kwam zij als bedelares hier voor ons huis, ik joeg haar weg, want waar zij komt, brengt zij vloek, en ik hoop het haar nog eens in het gezicht te kunnen zeggen, dat zij eene—”“Tante!” riep Liesje, zoo angstig en luid, dat de oude vrouw verschrikt ophield.“Het is goed,” mompelde zij. “Ik zal niets meer zeggen. Maar gij moogt niet zoo ongelukkig worden als Lisette. Ik zou het niet kunnen overleven, wanneer—-O, mijn God, kind! ik wilde u niet bedroeven. Ik wilde u slechts waarschuwen, Liesje,” vervolgde zij en trok het snikkende meisje aan hare borst.—“Gij zult uwe vriendin niet verliezen, om alles ter wereld niet; maar zie, als iemand jong is, komen er soms allerlei dwaze gedachten——Liesje, kind,” fluisterde zij angstig, “zeg, gij zijt toch overtuigd, dat ik het goed meen?”Liesje knikte: “Ja, ik weet, gij meent het goed, tante! maar—-” Zij zweeg, zij was zoo droef te moede, als nooit te voren—-Beneden in de huiskamer zaten ze ook nog en spraken over oude tijden; over de schoone Lisette en baron Frits; toen stond de kleine predikantsvrouw op, en zong met haar lieve stem een eenvoudig lied:Bij ’t graf staat een linde en die welft er zich over;De vogels en ’t windeken fluiten door ’t loover,Er zit aan zijn voet—of het feestavond was—Een knaap met zijn liefje, in ’t donzige gras;Het windeken waait er zoo koud en zoo pijnend,De vogels, die zingen zoo zacht en zoo kwijnend,En beide gelieven, zij worden dra stom,Zij weenen, en geen van de twee weet waarom!“Waar is onze Lise toch,” vroeg zij daarop, “zij moet ook eens wat zingen.”En Lise zat nog immer boven bij hare tante; en toen zij naar het gezang beneden luisterde, begon zij ook te weenen—zonder zelve te weten waarom. Het was, als dook een nevel voor hare oogen op, waarin twee lachende kindergezichten meer en meer verdwenen; deze werd hoe langer zoo dikker, tot ze een hoogen muur vormde en daarvóór stond de trotsche, schoone burchtvrouw uit de familiezaal daarboven, met de wondervolle zwarte oogen en het blauw zijden gewaad, haar met de handen afwijzende: “Wat wilt gij hier? Gij behoort niet bij ons. Gij zijt lompenmolenaars Lise; keer terug, anders moet gij sterven. Denk aan Lisette, de schoone Lisette en—-”Haastig sprong zij op en ijlde naar haar kamer, waar zij zich op het bed wierp, en bittere tranen weende om iets, wat haar nu eerst duidelijk was geworden, en waarvan het verlies haar het leven zoo ledig, zoo treurig deed voorkomen.Marie stond aan hare deur en luisterde naar het bange snikken daar binnen.“Mijn God,” fluisterde zij, “ik had wel goed gezien; zij heeft hem lief, dien Army; mocht ik haar nog tijdig genoeg gewaarschuwd hebben! Beter nu geschreid, dan later. Arm kind! ja—zulk een eerste liefde maakt immers zoo gelukkig—”En beneden vertrokken juist de gasten; zij verstond duidelijk de woorden, bij het afscheid gesproken:“Ja, ja, Bernard, zoo gaat het in de wereld!” sprak de predikant; “het leven baart vreugde en smart—nu, als wij eens als oude luidjes over het verledene spreken, zal het hoop ik niet zoo droevig luiden, als het verhaal van heden avond, en wij kunnen dan zeggen: Ziet kinderen, het is ons beter gegaan dan wij verdienden; wel, Bernard, ik zie u waarlijk al grootpapa, en Lise naast een flinken man op den molen. Nu, God behoede u! tot weerziens met Pinksteren, den tweeden feestdag—den derden komt gij bij ons, nietwaar Rosina! Goeden nacht! Groet Liesje en tantevan ons.” Het werd stil in huis, slechts in Liesjes kamer had het bitter weenen nog niet opgehouden, en eerst laat ging de oude vrouw de trappen af naar haar eigen klein vertrek. “Zij slaapt,” mompelde zij, “God geve haar een vroolijk ontwaken, en mettertijd veel liefde en zegen! Zij is immers nog zóó jong, zóó jong, en het leven is zoo zwaar en lang, voor velen, ja—voor de meesten!

Vierde Hoofdstuk.Twee jaren en eenige maanden waren sedert verstreken. Het was op een avond in de maand Mei. Door het geopende venster drong een bedwelmende lucht in tantes kleine kamer; de wind speelde zacht in de jonge wijngaardranken, die het venster als met een lijst omgaven, en de maan wierp haar helder licht op de eenvoudige meubelen in het gezellig vertrekje en bescheen het gerimpeld gelaat der oude vrouw, die, de vlijtige handen in den schoot latende rusten, aan het venster zat, en naar buiten zag in den tuin, waar juist de appel- en vlierboomen in vollen bloei stonden. Zij hield haar schemeruurtje; licht werd er in de langer geworden avonden niet meer aangestoken; dat was een oud gebruik in huis; en de mensch wil ook wel gaarne eens rusten niet alleen met zijn handen, maar ook met zijn gedachten. Eigenlijk rustten deze ook niet, want zij dwaalden rond in het verleden, in schoone, lang vervlogen dagen, en dat was een genot, een ontspanning, wanneer, na de warmte en de lasten des daags, de schemering kwam. In huis was alles bezorgd; het tegenwoordige verdween op dezen nevelachtigen lenteavond voor de blikken der oude vrouw, en de tijd harer jeugd dook weer voor haar op, nevelachtig en door de maan beschenen, als de wereld daar buiten.Zij vouwde de handen, en het hoofd omkeerende, bleven haar blikken op een schilderijtje boven de commode rustendat in het heldere maanlicht de silhouette van een man vertoonde.“Ja, ja, mijnChristiaan,” fluisterde zij zacht, “wij hebben elkander liefgehad, zeer lief, en zijn wij slechts korten tijd gelukkig geweest, vergeten heb ik u niet, en ik ben u tot nu toe getrouw gebleven. Dat het ook zoo met u moest gaan—zoo treurig! Lieve hemelsche vader, wat kan men al niet beleven, in een korten tijd! Nauwelijks is de mensch een paar jaar gelukkig,—of daar komt de smart; een lading vol—mijn God! wat waren wij toch een paar lustige, vroolijke meisjes, mijne Lisette en ik, en juist toen wij dachten, wat is de wereld heerlijk! daar ving het treuren aan.“Mijne Lisette en mijn goede Christiaan!”Zij schudde treurig het hoofd, want voor haar geest verschenen twee groene, met zoden bedekte grafheuvels, ginds boven in de schaduw der linden op het kerkhof.Daar vloog een bloeiende vliertak door het raam en viel haar in den schoot.“Ha, wacht! Dat doet Lise,” zeide zij, en een schalkachtige trek verdreef de treurige uitdrukking van haar gelaat; zij zat onbeweeglijk achter in haar hoogen stoel. Een oogenblik daarna werd een meisjeshoofd, met donkere vlechten als een krans omwonden, voor het venster zichtbaar en zag bespiedend naar binnen.“Zij is hier niet!” sprak zij verdrietig; toen gaf zij een gil van schrik, want tante maakte een rassche beweging en streek het meisje met den vliertak over het verblufte gelaat.“Foei! Hoe afschuwelijk, tante, mij zoo te doen schrikken!”“Ei, wat! wie zou wel het meest ontsteld zijn?” vroeg de oude; “wacht, gij ondeugd, meent gij nog wel de beleedigde te zijn?”Het meisje gaf hierop geen antwoord, maar vroeg: “Zijn vader en moeder reeds terug uit de stad?”“Nog niet; dat kan wel elf uur worden, mijn kind. Ga rustig slapen. Ik blijf immers wacht houden.”“Maar, tante! wat denkt gij wel?” riep het jonge meisje. Op dezen wonderschoonen avond? Kom eens even buiten, ruik toch hoe liefelijk de vlierboomen geuren! Gij kunt niet gelooven hoe heerlijk het in den tuin is.”“Ach, kind, dat is niet meer voor mij; oude lieden zijn moeielijk weder jong te maken; het is buiten vochtig, en mijn nare jicht—blijf gij echter maar buiten en geniet den schoonen avond.”“Dan kom ik bij u binnen, tante. Mag ik? Ik kan van avond niet alleen zijn, voor niets ter wereld niet.”“Nu, kom dan, gij dwaas kind!”Het kopje verdween voor het venster, en aanstonds daarop werd de kamerdeur geopend, en de slanke meisjesgestalte, in een licht gewaad gekleed, trad binnen.“Daar ben ik, tante!” riep zij vroolijk, en zette zich op een bankje aan de voeten der oude. Het maanlicht viel op het ronde gezichtje en bescheen een paar wonderlijk diepe, blauwe oogen, die smeekend tot de oude vrouw opzagen. “Tante,” sprak zij toen zacht, “vertel mij heden avond iets, bid ik—”“Ei! moet ik zulk een groot meisje nog sprookjes vertellen?”“O, toch niet! Iets uit uwe jeugd, tante.”“Uit mijne jeugd? Maar wat dan toch?”“Och, tante, vertel mij eens, hoe gevoeldet gij u, toen gij—toen gij uw liefste voor de eerste maal zaagt?”“Wel gij—nieuwsgierig ding! Gij zijt nog veel te jong om alles te weten. Waarom moet ik u juist dat vertellen?”“Ik ben al zeventien jaar, tante; andere meisjes hebben dan reeds een bruidegom, en—”“Hoor mij dat eens aan! Gij zoudt bij slot van rekening er ook wel graag een hebben,—ei, ei, als ik dat aan moeder verhaal—”“Doe dat maar, tante!” riep het jonge meisje, lachend. “Moeder heeft mij onlangs o! zooveel linnengoed laten zien en gezegd: dat is alles voor uw uitzet, Lise.”“Zoo? men zou zeggen! Maar wat wildet gij weten?”“Gij zoudt mij eens verhalen, hoe gij waart, toen gij uw geliefde voor het eerst gezien hebt?”De oude vrouw ontroerde, en het kind voor haar zag met, groote, vochtige oogen vol verwachting tot haar op.Het was zoo stil in het rond; alleen het bruisen van het water klonk met eentonige melodieën uit de verte.“Drie leliën, drie leliën, die plantten ze op mijn graf!”zong een frissche meisjesstem, beneden in den tuin.“Daar kwam een vreemde ruiter aan, en brak ze allen af.”Tante schudde het hoofd.“Dat is Doortje; hoe kan zij zoo zingen, zij is van daag nog beknord! Maar, minnen en zingen, laat zich niet dwingen.”“Och, ruitertje, och, ruitertje!Blijf van mijn bloemen af;Die moet mijn schat, mij allerliefst,Zelf plukken van mijn graf.”“Dat liedje heb ik ook dikwijls gezongen, toen ik nog jong was,” zeide tante; “ik heb ook daar beneden gezeten in het jasmijnpriëel met Lisette en naar hartelust gezongen, en zij kon het zoo schoon—maar gij wildet immers weten,” viel zij zich zelve plotseling in de rede, “wáár ik hem voor het eerst gezien heb? Hoor dan, eens op een avond, zoo heerlijk als deze, maar iets later in het jaar, in Juli ongeveer, ging ik den weg langs, die voorbij het park voert, en zong:“Hij is geen keizer, bij is geen koning;Hij is soldaat, hij is soldaat.”“Daar trad uit de schaduw der lindenallée een man te voorschijn en vroeg: ‘Wel juffer, moet het juist een soldaat zijn?’ waardoor ik zóó schrikte, dat ik zonder antwoord te geven, mij haastig wegspoedde. Hij echter volgde mij, en bad zoo vriendelijk om vergiffenis, dat ik stilstond en hem aanzag.Hij had zulk een lief, goedig gelaat, met een paar eerlijke, trouwhartige oogen, dat ik geen vrees meer gevoelde; wij wandelen langzaam verder en hij verhaalde mij, dat hij rijknecht was op het slot bij de jonge barones, de grootmoeder van Army en Nelly, die voor korten tijd hier was komen wonen; dat hij mij reeds dikwijls gezien had, als hij den molen voorbijreed, want gij weet wel, dat ik bij uwe overgrootmoeder diende. En ik verhaalde hem, dat ik vader noch moeder meer had, en toen reikten wij elkander boven bij de molenbrug de hand en zeide hij: ‘goeden nacht, Marie!’ Wij spraken niet meer, maar stonden langen tijd zwijgend naast elkander, tot ik op eens zoo hard ik kon over de brug naar huis liep.”“Hoe waart gij toen te moede, tante?”“Ja, dat weet ik niet meer zoo nauwkeurig, Lise,” zeide de oude vrouw; “ik weet alleen, dat het mij was, alsof de maan nog nooit zoo helder op den ouden molen geschenen had, en de hemel nog nimmer zoo hoog was geweest; ik kon den ganschen nacht niet slapen en was toch den volgenden morgen niet moede, en de woorden: ‘goeden nacht, Marie!’ klonken mij onophoudelijk in de ooren.”De oude zag naar het jonge meisje; haar oogen stonden vol tranen. “Zeg mij eens, Lise, wat scheelt u toch?”“Och, niets, tante!” antwoordde zij. “Weet gij wat, ik ga nog even naar buiten; vader en moeder zullen wel aanstonds komen. Goeden nacht, tante!”“Goeden nacht, Lise! God behoede u! maar hoor eens, kind, als gij morgen vroeg weer aspergies steekt, moet gij niet als vandaag de helft laten staan, anders moet ik er weder zelf voor zorgen, hoe zwaar het mij ook valt. Goeden nacht!”En toen was de oude vrouw weder alleen in haar kamertje. Zij sloot het venster en ging, het hoofd schuddend, naar de commode; zij zag naar de beeldtenis van haren Christiaan; de maan bescheen die niet meer, zoodat zij die niet meeronderscheiden kon; maar zij wist immers nauwkeurig, hoe hij er uitzag.“Ja, zoo was het,” fluisterde zij, “dáár buiten bij de molenbrug, daar ving het aan. Liefde heeft een goed geheugen; ik herinner het mij heden avond even zoo goed, alsof wij gister daar stonden. Dat is Lise’s schuld. Wat of zij toch eigenlijk wilde, het dwaze ding?”—-Lise was buiten onder denlindeboomgaan zitten; het water van de molenbeek ruischte aan haar voeten. Haar oogen staarden op den weg, die, aan de overzijde van het water, naar het slot voert, en daarboven, achter de donkere toppen der boomen, verhieven zich de trotsche, door de maan helder beschenen torens naar den nachtelijken hemel, zooals zij dat reeds dikwijls gezien had, zoo ontelbare malen—hoe kwam het, dat zij heden zoo wonderlijk te moede was?De oorzaak was een onverhoopt wederzien. Army was plotseling het priëel binnengetreden, waarin zij en Nelly elkander zaten voor te lezen. Geheel onverwacht stond hij voor haar en omhelsde lachend zijne zuster die, blozend van vreugde, bijna niet spreken kon; daarop had hij haar zeer verbaasd aangezien en eindelijk “juffer Lise” genoemd. “Juffer Lise!” Hoe gek klonk dat! Zij moest er om lachen; hij lachte mede, maar bleef haar zoo noemen. Hij was grooter en statiger geworden sedert dien winteravond, toen zij hem voor het laatst onder de besneeuwde linde zag, en nu prijkte de frissche mond met een aardig kneveltje; wat was hij toch knap! En wat was de avond van Nelly’s verjaardag spoedig omgevlogen; zij hadden hunne kinderjaren in herinnering teruggeroepen en hij was zoo vroolijk, zoo tevreden geweest; het gelaat zijner moeder had zoo van vreugde gestraald; en toen zij vertrekken moest, had hij haar vergezeld; zij waren te zamen de lindenallée doorgewandeld tot aan de molenbrug, evenals vroeger tante met haar Christiaan; zij hadden over hunne jeugd gepraat en bij de brug was hij blijven staan.“Goeden nacht, juffer Lise!” Zij had er weder om moetenlachen; “goeden nacht, mijnheer Army!” had zij willen zeggen, maar het kwam niet over haar lippen; zij stak hem weifelend de hand toe, die hij als een oude bekende greep, en toen ging hij heen. Zij boog zich over de leuning en zag in het water, waarop de stralen der maan als zilveren strepen dansten, en hoorde de nachtegaal zingen in de oude linden—’t was alsof zij droomde.“Of hij ditmaal ook in den molen zal komen?” vroeg zij bij zich zelve en zag naar het slot. “Ja, zeker! Als moeder nu maar juist niet morgen het beloofde bezoek bij de houtvestersvrouw wil afleggen,” dacht zij. Dat zou toch jammer zijn, en meegaan moest zij in alle geval.En zoo zat zij en droomde onder de oude linde in dien lentenacht, en de maan zag vriendelijk en stil op haar neder, als wilde zij haar niet storen in die zalige droomen der jeugd; zij weet het immers, die oude kameraad, hoe spoedig ze soms vervliegen—-Boven in het slot scheen nog laat in den nacht het licht in de kamer der oude barones. Zij zat achterover in haar stoel geleund, en haar handen speelden met den witten zakdoek op haren schoot.“En gij zegt, Army!” sprak zij vragend tot den jongen officier, die tegenover haar zat, “tante Stontheim heeft zelve den wensch te kennen gegeven, dat Blanka ons hier bezoeken zal?”“Neen, lieve grootmama, dat is te veel gezegd,” antwoordde deze: “tante Stontheim is een zonderlinge vrouw; zij zegt eigenlijk nooit wat zij wenscht; zij sprak er over, dat de vermoeienissen van den winter Blanka verzwakt hadden, en vroeg mij, of de lucht onzer bosschen versterkend was; waarop ik natuurlijk, den wenk verstaande, aanstonds onze gastvrijheid aanbood.”“Zeer voorbarig, mijn waarde Army! Ik moet bekennen, hier in dit ledige, eenzame slot aan een jonge, verwende dame eenigszins een genoeglijk leven te verschaffen, schijnt mij eenmoeielijke zaak toe. Het is onbescheiden van tante Stontheim, uw aanbod aan te nemen en dat nog wel voor die Blanka! Zij kan later haren vader verhalen, hoe men in het slot Derenberg gasten weet te ontvangen.” De oude dame lachte bitter.Army zweeg; hij zag naar een mug, die om de lamp fladderde.“Hoe ziet zij er toch eigenlijk wel uit, die Blanka?” vroeg de grootmoeder, na eenig stilzwijgen.Army’s gelaat verhelderde zich. “Hoe zal ik u haar beschrijven, grootmama? Ik kan u alleen zeggen, dat Blanka een buitengewone verschijning is; men wordt verblind, als men haar voor de eerste maal ziet, en hoe meer men haar ontmoet, hoe meer zij iemand aan zich boeit.”“Dat is de taal eens verliefden,” sprak de oude dame koel; “zooveel ik weet, had zij nooit aanleg eene schoonheid te worden.”Army werd gloeiend rood onder de koude blikken der groote, zwarte oogen.“Zij is ook eigenlijk niet schoon; zij heeft zoo iets—”“Genoeg!” viel de oude barones hem ongeduldig in de rede; “zeg mij liever, hoe denkt men over de verhouding van tante tot Blanka, en wat heeft deze te hopen?”“Zij gaat door voor de eenige erfgename harer tante. Veel hartelijkheid heb ik echter gedurende mijn veertiendaagsch verblijf, bij het Kerstfeest en den verjaardag van tante, tusschen die beiden niet kunnen bespeuren.”De barones haalde minachtend de schouders op.“Hebt gij uwe moeder het heuglijk bericht van het te wachten bezoek reeds medegedeeld?”“Neen, noch aan mama, noch aan Nelly; zij waren niet alleen—de kleine uit den molen was bij haar.”“Natuurlijk! Het is onbegrijpelijk. Ik heb eens voor altijd verzocht van hare tegenwoordigheid verschoond te blijven, en desniettegenstaande is zij de eerste en de laatste bij uwemoeder en zuster, die in haar een engel van schoonheid en goedheid zien. Maar, Army, waar ter wereld zal deze Blanka logeeren? Door wie zal zij bediend worden?”“Ik had aan de kamer naast de uwe gedacht, grootmama! en de torenkamer zou tot zitkamer kunnen worden ingericht.”“De torenkamer? Nooit!” riep de oude dame vertoornd uit; haar buitendien reeds bleek gelaat had in dit oogenblik een bijna spookachtig aanzien.Army zag haar verschrikt aan.“Zooals gij wilt, grootmama!”“Schik dat met uwe moeder!” liet zij er haastig op volgen, “laat Blanka zitten waar zij wil! De torenkamer blijft gesloten, zoolang ik leef. Begeef u nu ter rust! Morgen spreken wij elkander nader.”Army kuste hare hand en ging heen. Buiten op den corridor scheen de maan door de kleine ruiten der hooge ramen helder op den witten marmeren vloer.“Nog altijd het oude liedje,” mompelde hij; “wat heeft dat nu weer te beteekenen met dat torenkamertje? En ik had mij zoo voorgesteld, het voor Blanka in te richten—”“Voor Blanka!” Hij hield een oogenblik op; zijne gedachten vlogen terug naar de groote stad, naar de deftige villa met de hooge spiegelruiten en de met bloemen getooide veranda; dáár, boven op de tweede verdieping, achter de fijne kanten gordijnen, rustte zij nu zeker en sliep. Hij trad zijne kamer binnen; de vensters waren geopend, en de lucht voerde hem een stroom van geuren te gemoet; hij zag naar buiten in het door de maan beschenen park. Hij herinnerde zich dien winteravond, toen hij in deze zelfde kamer vertoefd had, nog onbekend met het leven, beangst voor de toekomst, en hoe hem toen de oude spreuk voor den schoorsteen zoo verrassend hoop en levensmoed gaf: “Vertrouw gerust op God, geluk is dan uw lot.” Was het geluk hem reeds ten deel gevallen? O, neen; het geluk zelf nog niet, maar toch de hooper op. In den geest bevond hij zich bij tante Stontheim, in haar sierlijk salon.Hij was, op de uitnoodiging der oude dame, de Kerstdagen te D. komen doorbrengen, en toen hij haar de hand kuste, die zij hem ter verwelkoming toereikte, had hij niet zeer vriendelijk gezien. Hem werd thee gediend, en een gevoel van onuitsprekelijke verveling beklemde zijne borst. Op eens was de deur opengedaan, en zweefde een meisjesgestalte de kamer binnen. De kroon aan den zolder wierp haar verblindend licht op een wezen, aan een elf gelijk, gehuld in een kleed van bleek groen krip, waardoor fijne, marmerwitte schouders zichtbaar werden, en over het blanke, smalle voorhoofd glinsterde het goudkleurig haar, dat langs den rug nederviel in zware, weelderige vlechten. Hij was opgesprongen en staarde haar aan, alsof hij eene geestverschijning zag. De jonge dame wierp den prachtigen ruiker van witte camélia’s op de tafel, ijlde hem voorbij, en begroette hare tante.“Agnese!” klonk het in zijn binnenste; “de schoone Agnese Mathilde uit de familiezaal ’t huis!”“Is het reeds zóó laat?” vroeg hare tante, een onderzoekenden blik op de bekoorlijke gestalte werpende, en toen op hem wijzende, zeide zij:“Lieve Blanka, uw neef Armand van Derenberg, die gedurende de feestdagen onze gast zijn zal!”De jonge dame, met hare donkere oogen, had een vluchtigen blik op hem geworpen; hij staarde haar nog steeds aan; hij kon niet anders; voor hem stond immers zij, de schoone Agnese Mathilde, alsof zij zoo uit haar vergulde lijst getreden was! Ja zeker, hij had zich zeer links gedragen; het bloed steeg hem nog gloeiend heet naar boven, als hij daaraan dacht. Toen had hij, op verzoek zijner tante, haastig toilet gemaakt, en was met de dames in een prachtig rijtuig uitgereden, was een vorstelijk verlichte zaal binnengetreden, en had met Blanka gedanst; hij had haar verteld, dat er thuis in het slot een portret in de familiezaal hing, dat haar sprekendgeleek, en waarvoor hij als knaap uren lang had gestaan zonder zich ooit aan het aanschouwen te kunnen verzadigen.Zij had toen gelachen, en hem gezegd, dat zij wel lust had de proef te nemen en er naast te gaan staan, om te zien, of het niet veel meer inbeelding was dan werkelijke gelijkenis. Trouwens, die oogen, die diep treurige oogen, bezat zij niet; wel waren zij ook donker, maar die onbegrijpelijke smart lag er niet in; hoe was dit ook mogelijk? Was zij niet zóó jong, zóó vroolijk, zóó gevierd!—Hij volgde haar met zijn blikken, toen zij hem in den dans voorbijzweefde; als een goudkleurige sluier omgaf het loshangende haar het bleeke gelaat; hij kon zich niet verzadigen aan dien wondervollen tooi; hij benijdde elk, die met haar danste, en verheugde zich in het vooruitzicht van den heiligen avond, om welken te vieren hij toch eigenlijk gekomen was, en dien men zeker stil in den huiselijken kring zou doorbrengen.Maar juist dáár was zij hem het minste bevallen; niet, dat zij er minder bekoorlijk had uitgezien—zeker niet; de gouden sluier lag zoo wonderschoon op het donkerblauwe zijden kleed; de lichten van den Kerstboom weefden schitterende vonken daarin, maar de vroolijke lach, die een gelaat eerst waarlijk betooverend maakt, ontbrak; de innige Kerstvreugde miste hij geheel in Blanka’s zwarte oogen.Daarop volgde het eene feest het andere, en eindelijk moest hij vertrekken, hoe zwaar het hem ook viel. Hij bad zijne tante, spoedig terug te mogen keeren, en in den borstzak zijner uniform droeg hij een sierlijk étui van juchtleder, een geschenk zijner nicht; dit was zijn kleinood geworden, want daarin lag een lange lok rood, zacht vrouwenhaar. Zij gaf hem op zijn verzoek het haar al schertsend, opdat hij zou kunnen vergelijken, welk het meest goudkleurig was, dat op het portret in de familiezaal, of het hare.Army stond nog aan het geopende venster in het donkere vertrek; hij haalde haastig het étui te voorschijn en beschouwdein het maanlicht de haarlok, die van boven en van onderen sierlijk met een blauw zijden lintje was vastgemaakt; hij drukte ze aan zijne lippen, en heerlijke beelden der toekomst kwamen hem voor den geest; hij zag zich weder gevestigd in het slot zijner vaderen; zij stond naast hem in den zomernacht; hij hield den arm om haar heen geslagen, en het lokkige hoofd rustte aan zijne borst; buiten op het eenzame voorplein murmelde weder na langen tijd een frissche fontein, nieuw vroolijk leven aankondigende.Hoe schoon was deze droom der toekomst! Maar het was immers slechts een droom; en de werkelijkheid?—Army huiverde; zij stelde hem eischen, die hem deden terugschrikken; deze vervelende, ongelukkige werkelijkheid.—Waar zou hij de middelen vinden, om voor de schoone gast de treurige armoede in het slot Derenberg te verbergen? Dat geld, o, dat booze geld!Hij zag droomend naar het park. De nachtwind was opgestoken en ruischte door de boomen. “Het is tijd om te gaan slapen,” zeide de jonge dweeper. Met zachten tred verliet hij de zaal en zocht zijne legerstede op. In den droom verscheen hem de schoone Agnese Mathilde. Zij stond vóór hem in een zilverkleurig zijden gewaad, en daarover lag een gouden sluier; zij zag hem met hare groote, treurige oogen aan en hief waarschuwend de hand omhoog:“Let daarom op de kleur van ’t haar,En is dat rood, dan dreigt gevaar.”klonk het in zijn oor.

Twee jaren en eenige maanden waren sedert verstreken. Het was op een avond in de maand Mei. Door het geopende venster drong een bedwelmende lucht in tantes kleine kamer; de wind speelde zacht in de jonge wijngaardranken, die het venster als met een lijst omgaven, en de maan wierp haar helder licht op de eenvoudige meubelen in het gezellig vertrekje en bescheen het gerimpeld gelaat der oude vrouw, die, de vlijtige handen in den schoot latende rusten, aan het venster zat, en naar buiten zag in den tuin, waar juist de appel- en vlierboomen in vollen bloei stonden. Zij hield haar schemeruurtje; licht werd er in de langer geworden avonden niet meer aangestoken; dat was een oud gebruik in huis; en de mensch wil ook wel gaarne eens rusten niet alleen met zijn handen, maar ook met zijn gedachten. Eigenlijk rustten deze ook niet, want zij dwaalden rond in het verleden, in schoone, lang vervlogen dagen, en dat was een genot, een ontspanning, wanneer, na de warmte en de lasten des daags, de schemering kwam. In huis was alles bezorgd; het tegenwoordige verdween op dezen nevelachtigen lenteavond voor de blikken der oude vrouw, en de tijd harer jeugd dook weer voor haar op, nevelachtig en door de maan beschenen, als de wereld daar buiten.

Zij vouwde de handen, en het hoofd omkeerende, bleven haar blikken op een schilderijtje boven de commode rustendat in het heldere maanlicht de silhouette van een man vertoonde.

“Ja, ja, mijnChristiaan,” fluisterde zij zacht, “wij hebben elkander liefgehad, zeer lief, en zijn wij slechts korten tijd gelukkig geweest, vergeten heb ik u niet, en ik ben u tot nu toe getrouw gebleven. Dat het ook zoo met u moest gaan—zoo treurig! Lieve hemelsche vader, wat kan men al niet beleven, in een korten tijd! Nauwelijks is de mensch een paar jaar gelukkig,—of daar komt de smart; een lading vol—mijn God! wat waren wij toch een paar lustige, vroolijke meisjes, mijne Lisette en ik, en juist toen wij dachten, wat is de wereld heerlijk! daar ving het treuren aan.

“Mijne Lisette en mijn goede Christiaan!”Zij schudde treurig het hoofd, want voor haar geest verschenen twee groene, met zoden bedekte grafheuvels, ginds boven in de schaduw der linden op het kerkhof.

Daar vloog een bloeiende vliertak door het raam en viel haar in den schoot.

“Ha, wacht! Dat doet Lise,” zeide zij, en een schalkachtige trek verdreef de treurige uitdrukking van haar gelaat; zij zat onbeweeglijk achter in haar hoogen stoel. Een oogenblik daarna werd een meisjeshoofd, met donkere vlechten als een krans omwonden, voor het venster zichtbaar en zag bespiedend naar binnen.

“Zij is hier niet!” sprak zij verdrietig; toen gaf zij een gil van schrik, want tante maakte een rassche beweging en streek het meisje met den vliertak over het verblufte gelaat.

“Foei! Hoe afschuwelijk, tante, mij zoo te doen schrikken!”

“Ei, wat! wie zou wel het meest ontsteld zijn?” vroeg de oude; “wacht, gij ondeugd, meent gij nog wel de beleedigde te zijn?”

Het meisje gaf hierop geen antwoord, maar vroeg: “Zijn vader en moeder reeds terug uit de stad?”

“Nog niet; dat kan wel elf uur worden, mijn kind. Ga rustig slapen. Ik blijf immers wacht houden.”

“Maar, tante! wat denkt gij wel?” riep het jonge meisje. Op dezen wonderschoonen avond? Kom eens even buiten, ruik toch hoe liefelijk de vlierboomen geuren! Gij kunt niet gelooven hoe heerlijk het in den tuin is.”

“Ach, kind, dat is niet meer voor mij; oude lieden zijn moeielijk weder jong te maken; het is buiten vochtig, en mijn nare jicht—blijf gij echter maar buiten en geniet den schoonen avond.”

“Dan kom ik bij u binnen, tante. Mag ik? Ik kan van avond niet alleen zijn, voor niets ter wereld niet.”

“Nu, kom dan, gij dwaas kind!”

Het kopje verdween voor het venster, en aanstonds daarop werd de kamerdeur geopend, en de slanke meisjesgestalte, in een licht gewaad gekleed, trad binnen.

“Daar ben ik, tante!” riep zij vroolijk, en zette zich op een bankje aan de voeten der oude. Het maanlicht viel op het ronde gezichtje en bescheen een paar wonderlijk diepe, blauwe oogen, die smeekend tot de oude vrouw opzagen. “Tante,” sprak zij toen zacht, “vertel mij heden avond iets, bid ik—”

“Ei! moet ik zulk een groot meisje nog sprookjes vertellen?”

“O, toch niet! Iets uit uwe jeugd, tante.”

“Uit mijne jeugd? Maar wat dan toch?”

“Och, tante, vertel mij eens, hoe gevoeldet gij u, toen gij—toen gij uw liefste voor de eerste maal zaagt?”

“Wel gij—nieuwsgierig ding! Gij zijt nog veel te jong om alles te weten. Waarom moet ik u juist dat vertellen?”

“Ik ben al zeventien jaar, tante; andere meisjes hebben dan reeds een bruidegom, en—”

“Hoor mij dat eens aan! Gij zoudt bij slot van rekening er ook wel graag een hebben,—ei, ei, als ik dat aan moeder verhaal—”

“Doe dat maar, tante!” riep het jonge meisje, lachend. “Moeder heeft mij onlangs o! zooveel linnengoed laten zien en gezegd: dat is alles voor uw uitzet, Lise.”

“Zoo? men zou zeggen! Maar wat wildet gij weten?”

“Gij zoudt mij eens verhalen, hoe gij waart, toen gij uw geliefde voor het eerst gezien hebt?”

De oude vrouw ontroerde, en het kind voor haar zag met, groote, vochtige oogen vol verwachting tot haar op.

Het was zoo stil in het rond; alleen het bruisen van het water klonk met eentonige melodieën uit de verte.

“Drie leliën, drie leliën, die plantten ze op mijn graf!”

“Drie leliën, drie leliën, die plantten ze op mijn graf!”

zong een frissche meisjesstem, beneden in den tuin.

“Daar kwam een vreemde ruiter aan, en brak ze allen af.”

“Daar kwam een vreemde ruiter aan, en brak ze allen af.”

Tante schudde het hoofd.“Dat is Doortje; hoe kan zij zoo zingen, zij is van daag nog beknord! Maar, minnen en zingen, laat zich niet dwingen.”

“Och, ruitertje, och, ruitertje!Blijf van mijn bloemen af;Die moet mijn schat, mij allerliefst,Zelf plukken van mijn graf.”

“Och, ruitertje, och, ruitertje!

Blijf van mijn bloemen af;

Die moet mijn schat, mij allerliefst,

Zelf plukken van mijn graf.”

“Dat liedje heb ik ook dikwijls gezongen, toen ik nog jong was,” zeide tante; “ik heb ook daar beneden gezeten in het jasmijnpriëel met Lisette en naar hartelust gezongen, en zij kon het zoo schoon—maar gij wildet immers weten,” viel zij zich zelve plotseling in de rede, “wáár ik hem voor het eerst gezien heb? Hoor dan, eens op een avond, zoo heerlijk als deze, maar iets later in het jaar, in Juli ongeveer, ging ik den weg langs, die voorbij het park voert, en zong:

“Hij is geen keizer, bij is geen koning;Hij is soldaat, hij is soldaat.”

“Hij is geen keizer, bij is geen koning;

Hij is soldaat, hij is soldaat.”

“Daar trad uit de schaduw der lindenallée een man te voorschijn en vroeg: ‘Wel juffer, moet het juist een soldaat zijn?’ waardoor ik zóó schrikte, dat ik zonder antwoord te geven, mij haastig wegspoedde. Hij echter volgde mij, en bad zoo vriendelijk om vergiffenis, dat ik stilstond en hem aanzag.Hij had zulk een lief, goedig gelaat, met een paar eerlijke, trouwhartige oogen, dat ik geen vrees meer gevoelde; wij wandelen langzaam verder en hij verhaalde mij, dat hij rijknecht was op het slot bij de jonge barones, de grootmoeder van Army en Nelly, die voor korten tijd hier was komen wonen; dat hij mij reeds dikwijls gezien had, als hij den molen voorbijreed, want gij weet wel, dat ik bij uwe overgrootmoeder diende. En ik verhaalde hem, dat ik vader noch moeder meer had, en toen reikten wij elkander boven bij de molenbrug de hand en zeide hij: ‘goeden nacht, Marie!’ Wij spraken niet meer, maar stonden langen tijd zwijgend naast elkander, tot ik op eens zoo hard ik kon over de brug naar huis liep.”

“Hoe waart gij toen te moede, tante?”

“Ja, dat weet ik niet meer zoo nauwkeurig, Lise,” zeide de oude vrouw; “ik weet alleen, dat het mij was, alsof de maan nog nooit zoo helder op den ouden molen geschenen had, en de hemel nog nimmer zoo hoog was geweest; ik kon den ganschen nacht niet slapen en was toch den volgenden morgen niet moede, en de woorden: ‘goeden nacht, Marie!’ klonken mij onophoudelijk in de ooren.”

De oude zag naar het jonge meisje; haar oogen stonden vol tranen. “Zeg mij eens, Lise, wat scheelt u toch?”

“Och, niets, tante!” antwoordde zij. “Weet gij wat, ik ga nog even naar buiten; vader en moeder zullen wel aanstonds komen. Goeden nacht, tante!”

“Goeden nacht, Lise! God behoede u! maar hoor eens, kind, als gij morgen vroeg weer aspergies steekt, moet gij niet als vandaag de helft laten staan, anders moet ik er weder zelf voor zorgen, hoe zwaar het mij ook valt. Goeden nacht!”

En toen was de oude vrouw weder alleen in haar kamertje. Zij sloot het venster en ging, het hoofd schuddend, naar de commode; zij zag naar de beeldtenis van haren Christiaan; de maan bescheen die niet meer, zoodat zij die niet meeronderscheiden kon; maar zij wist immers nauwkeurig, hoe hij er uitzag.

“Ja, zoo was het,” fluisterde zij, “dáár buiten bij de molenbrug, daar ving het aan. Liefde heeft een goed geheugen; ik herinner het mij heden avond even zoo goed, alsof wij gister daar stonden. Dat is Lise’s schuld. Wat of zij toch eigenlijk wilde, het dwaze ding?”—-

Lise was buiten onder denlindeboomgaan zitten; het water van de molenbeek ruischte aan haar voeten. Haar oogen staarden op den weg, die, aan de overzijde van het water, naar het slot voert, en daarboven, achter de donkere toppen der boomen, verhieven zich de trotsche, door de maan helder beschenen torens naar den nachtelijken hemel, zooals zij dat reeds dikwijls gezien had, zoo ontelbare malen—hoe kwam het, dat zij heden zoo wonderlijk te moede was?

De oorzaak was een onverhoopt wederzien. Army was plotseling het priëel binnengetreden, waarin zij en Nelly elkander zaten voor te lezen. Geheel onverwacht stond hij voor haar en omhelsde lachend zijne zuster die, blozend van vreugde, bijna niet spreken kon; daarop had hij haar zeer verbaasd aangezien en eindelijk “juffer Lise” genoemd. “Juffer Lise!” Hoe gek klonk dat! Zij moest er om lachen; hij lachte mede, maar bleef haar zoo noemen. Hij was grooter en statiger geworden sedert dien winteravond, toen zij hem voor het laatst onder de besneeuwde linde zag, en nu prijkte de frissche mond met een aardig kneveltje; wat was hij toch knap! En wat was de avond van Nelly’s verjaardag spoedig omgevlogen; zij hadden hunne kinderjaren in herinnering teruggeroepen en hij was zoo vroolijk, zoo tevreden geweest; het gelaat zijner moeder had zoo van vreugde gestraald; en toen zij vertrekken moest, had hij haar vergezeld; zij waren te zamen de lindenallée doorgewandeld tot aan de molenbrug, evenals vroeger tante met haar Christiaan; zij hadden over hunne jeugd gepraat en bij de brug was hij blijven staan.

“Goeden nacht, juffer Lise!” Zij had er weder om moetenlachen; “goeden nacht, mijnheer Army!” had zij willen zeggen, maar het kwam niet over haar lippen; zij stak hem weifelend de hand toe, die hij als een oude bekende greep, en toen ging hij heen. Zij boog zich over de leuning en zag in het water, waarop de stralen der maan als zilveren strepen dansten, en hoorde de nachtegaal zingen in de oude linden—’t was alsof zij droomde.

“Of hij ditmaal ook in den molen zal komen?” vroeg zij bij zich zelve en zag naar het slot. “Ja, zeker! Als moeder nu maar juist niet morgen het beloofde bezoek bij de houtvestersvrouw wil afleggen,” dacht zij. Dat zou toch jammer zijn, en meegaan moest zij in alle geval.

En zoo zat zij en droomde onder de oude linde in dien lentenacht, en de maan zag vriendelijk en stil op haar neder, als wilde zij haar niet storen in die zalige droomen der jeugd; zij weet het immers, die oude kameraad, hoe spoedig ze soms vervliegen—-

Boven in het slot scheen nog laat in den nacht het licht in de kamer der oude barones. Zij zat achterover in haar stoel geleund, en haar handen speelden met den witten zakdoek op haren schoot.

“En gij zegt, Army!” sprak zij vragend tot den jongen officier, die tegenover haar zat, “tante Stontheim heeft zelve den wensch te kennen gegeven, dat Blanka ons hier bezoeken zal?”

“Neen, lieve grootmama, dat is te veel gezegd,” antwoordde deze: “tante Stontheim is een zonderlinge vrouw; zij zegt eigenlijk nooit wat zij wenscht; zij sprak er over, dat de vermoeienissen van den winter Blanka verzwakt hadden, en vroeg mij, of de lucht onzer bosschen versterkend was; waarop ik natuurlijk, den wenk verstaande, aanstonds onze gastvrijheid aanbood.”

“Zeer voorbarig, mijn waarde Army! Ik moet bekennen, hier in dit ledige, eenzame slot aan een jonge, verwende dame eenigszins een genoeglijk leven te verschaffen, schijnt mij eenmoeielijke zaak toe. Het is onbescheiden van tante Stontheim, uw aanbod aan te nemen en dat nog wel voor die Blanka! Zij kan later haren vader verhalen, hoe men in het slot Derenberg gasten weet te ontvangen.” De oude dame lachte bitter.

Army zweeg; hij zag naar een mug, die om de lamp fladderde.

“Hoe ziet zij er toch eigenlijk wel uit, die Blanka?” vroeg de grootmoeder, na eenig stilzwijgen.

Army’s gelaat verhelderde zich. “Hoe zal ik u haar beschrijven, grootmama? Ik kan u alleen zeggen, dat Blanka een buitengewone verschijning is; men wordt verblind, als men haar voor de eerste maal ziet, en hoe meer men haar ontmoet, hoe meer zij iemand aan zich boeit.”

“Dat is de taal eens verliefden,” sprak de oude dame koel; “zooveel ik weet, had zij nooit aanleg eene schoonheid te worden.”

Army werd gloeiend rood onder de koude blikken der groote, zwarte oogen.

“Zij is ook eigenlijk niet schoon; zij heeft zoo iets—”

“Genoeg!” viel de oude barones hem ongeduldig in de rede; “zeg mij liever, hoe denkt men over de verhouding van tante tot Blanka, en wat heeft deze te hopen?”

“Zij gaat door voor de eenige erfgename harer tante. Veel hartelijkheid heb ik echter gedurende mijn veertiendaagsch verblijf, bij het Kerstfeest en den verjaardag van tante, tusschen die beiden niet kunnen bespeuren.”

De barones haalde minachtend de schouders op.

“Hebt gij uwe moeder het heuglijk bericht van het te wachten bezoek reeds medegedeeld?”

“Neen, noch aan mama, noch aan Nelly; zij waren niet alleen—de kleine uit den molen was bij haar.”

“Natuurlijk! Het is onbegrijpelijk. Ik heb eens voor altijd verzocht van hare tegenwoordigheid verschoond te blijven, en desniettegenstaande is zij de eerste en de laatste bij uwemoeder en zuster, die in haar een engel van schoonheid en goedheid zien. Maar, Army, waar ter wereld zal deze Blanka logeeren? Door wie zal zij bediend worden?”

“Ik had aan de kamer naast de uwe gedacht, grootmama! en de torenkamer zou tot zitkamer kunnen worden ingericht.”

“De torenkamer? Nooit!” riep de oude dame vertoornd uit; haar buitendien reeds bleek gelaat had in dit oogenblik een bijna spookachtig aanzien.

Army zag haar verschrikt aan.

“Zooals gij wilt, grootmama!”

“Schik dat met uwe moeder!” liet zij er haastig op volgen, “laat Blanka zitten waar zij wil! De torenkamer blijft gesloten, zoolang ik leef. Begeef u nu ter rust! Morgen spreken wij elkander nader.”

Army kuste hare hand en ging heen. Buiten op den corridor scheen de maan door de kleine ruiten der hooge ramen helder op den witten marmeren vloer.

“Nog altijd het oude liedje,” mompelde hij; “wat heeft dat nu weer te beteekenen met dat torenkamertje? En ik had mij zoo voorgesteld, het voor Blanka in te richten—”

“Voor Blanka!” Hij hield een oogenblik op; zijne gedachten vlogen terug naar de groote stad, naar de deftige villa met de hooge spiegelruiten en de met bloemen getooide veranda; dáár, boven op de tweede verdieping, achter de fijne kanten gordijnen, rustte zij nu zeker en sliep. Hij trad zijne kamer binnen; de vensters waren geopend, en de lucht voerde hem een stroom van geuren te gemoet; hij zag naar buiten in het door de maan beschenen park. Hij herinnerde zich dien winteravond, toen hij in deze zelfde kamer vertoefd had, nog onbekend met het leven, beangst voor de toekomst, en hoe hem toen de oude spreuk voor den schoorsteen zoo verrassend hoop en levensmoed gaf: “Vertrouw gerust op God, geluk is dan uw lot.” Was het geluk hem reeds ten deel gevallen? O, neen; het geluk zelf nog niet, maar toch de hooper op. In den geest bevond hij zich bij tante Stontheim, in haar sierlijk salon.

Hij was, op de uitnoodiging der oude dame, de Kerstdagen te D. komen doorbrengen, en toen hij haar de hand kuste, die zij hem ter verwelkoming toereikte, had hij niet zeer vriendelijk gezien. Hem werd thee gediend, en een gevoel van onuitsprekelijke verveling beklemde zijne borst. Op eens was de deur opengedaan, en zweefde een meisjesgestalte de kamer binnen. De kroon aan den zolder wierp haar verblindend licht op een wezen, aan een elf gelijk, gehuld in een kleed van bleek groen krip, waardoor fijne, marmerwitte schouders zichtbaar werden, en over het blanke, smalle voorhoofd glinsterde het goudkleurig haar, dat langs den rug nederviel in zware, weelderige vlechten. Hij was opgesprongen en staarde haar aan, alsof hij eene geestverschijning zag. De jonge dame wierp den prachtigen ruiker van witte camélia’s op de tafel, ijlde hem voorbij, en begroette hare tante.

“Agnese!” klonk het in zijn binnenste; “de schoone Agnese Mathilde uit de familiezaal ’t huis!”

“Is het reeds zóó laat?” vroeg hare tante, een onderzoekenden blik op de bekoorlijke gestalte werpende, en toen op hem wijzende, zeide zij:

“Lieve Blanka, uw neef Armand van Derenberg, die gedurende de feestdagen onze gast zijn zal!”

De jonge dame, met hare donkere oogen, had een vluchtigen blik op hem geworpen; hij staarde haar nog steeds aan; hij kon niet anders; voor hem stond immers zij, de schoone Agnese Mathilde, alsof zij zoo uit haar vergulde lijst getreden was! Ja zeker, hij had zich zeer links gedragen; het bloed steeg hem nog gloeiend heet naar boven, als hij daaraan dacht. Toen had hij, op verzoek zijner tante, haastig toilet gemaakt, en was met de dames in een prachtig rijtuig uitgereden, was een vorstelijk verlichte zaal binnengetreden, en had met Blanka gedanst; hij had haar verteld, dat er thuis in het slot een portret in de familiezaal hing, dat haar sprekendgeleek, en waarvoor hij als knaap uren lang had gestaan zonder zich ooit aan het aanschouwen te kunnen verzadigen.

Zij had toen gelachen, en hem gezegd, dat zij wel lust had de proef te nemen en er naast te gaan staan, om te zien, of het niet veel meer inbeelding was dan werkelijke gelijkenis. Trouwens, die oogen, die diep treurige oogen, bezat zij niet; wel waren zij ook donker, maar die onbegrijpelijke smart lag er niet in; hoe was dit ook mogelijk? Was zij niet zóó jong, zóó vroolijk, zóó gevierd!—Hij volgde haar met zijn blikken, toen zij hem in den dans voorbijzweefde; als een goudkleurige sluier omgaf het loshangende haar het bleeke gelaat; hij kon zich niet verzadigen aan dien wondervollen tooi; hij benijdde elk, die met haar danste, en verheugde zich in het vooruitzicht van den heiligen avond, om welken te vieren hij toch eigenlijk gekomen was, en dien men zeker stil in den huiselijken kring zou doorbrengen.

Maar juist dáár was zij hem het minste bevallen; niet, dat zij er minder bekoorlijk had uitgezien—zeker niet; de gouden sluier lag zoo wonderschoon op het donkerblauwe zijden kleed; de lichten van den Kerstboom weefden schitterende vonken daarin, maar de vroolijke lach, die een gelaat eerst waarlijk betooverend maakt, ontbrak; de innige Kerstvreugde miste hij geheel in Blanka’s zwarte oogen.

Daarop volgde het eene feest het andere, en eindelijk moest hij vertrekken, hoe zwaar het hem ook viel. Hij bad zijne tante, spoedig terug te mogen keeren, en in den borstzak zijner uniform droeg hij een sierlijk étui van juchtleder, een geschenk zijner nicht; dit was zijn kleinood geworden, want daarin lag een lange lok rood, zacht vrouwenhaar. Zij gaf hem op zijn verzoek het haar al schertsend, opdat hij zou kunnen vergelijken, welk het meest goudkleurig was, dat op het portret in de familiezaal, of het hare.

Army stond nog aan het geopende venster in het donkere vertrek; hij haalde haastig het étui te voorschijn en beschouwdein het maanlicht de haarlok, die van boven en van onderen sierlijk met een blauw zijden lintje was vastgemaakt; hij drukte ze aan zijne lippen, en heerlijke beelden der toekomst kwamen hem voor den geest; hij zag zich weder gevestigd in het slot zijner vaderen; zij stond naast hem in den zomernacht; hij hield den arm om haar heen geslagen, en het lokkige hoofd rustte aan zijne borst; buiten op het eenzame voorplein murmelde weder na langen tijd een frissche fontein, nieuw vroolijk leven aankondigende.

Hoe schoon was deze droom der toekomst! Maar het was immers slechts een droom; en de werkelijkheid?—Army huiverde; zij stelde hem eischen, die hem deden terugschrikken; deze vervelende, ongelukkige werkelijkheid.—Waar zou hij de middelen vinden, om voor de schoone gast de treurige armoede in het slot Derenberg te verbergen? Dat geld, o, dat booze geld!

Hij zag droomend naar het park. De nachtwind was opgestoken en ruischte door de boomen. “Het is tijd om te gaan slapen,” zeide de jonge dweeper. Met zachten tred verliet hij de zaal en zocht zijne legerstede op. In den droom verscheen hem de schoone Agnese Mathilde. Zij stond vóór hem in een zilverkleurig zijden gewaad, en daarover lag een gouden sluier; zij zag hem met hare groote, treurige oogen aan en hief waarschuwend de hand omhoog:

“Let daarom op de kleur van ’t haar,En is dat rood, dan dreigt gevaar.”

“Let daarom op de kleur van ’t haar,

En is dat rood, dan dreigt gevaar.”

klonk het in zijn oor.

Vijfde Hoofdstuk.“Army, wat ben ik blij, ook eens een gast te zullen hebben,” sprak den volgenden morgen Nelly tot haar broeder, toen zij te zamen door het frissche, groene park wandelden. “Wat zal Liesje wel zeggen? Ik moet het haar vertellen. Zeg eens, Army! hoe vindt gij Liesje eigenlijk? Is zij niet beeldschoon geworden?”“Ik weet het waarlijk niet,” antwoordde hij verstrooid, “ik heb er in ’t geheel niet op gelet; ja, ik geloof het wel, ik herinner het mij nauwelijks meer—”“Maar, Army!” klonk het van de lippen zijner zuster, “gij zijt verstrooid, of misschien bedroefd—is u iets onaangenaams bejegend? Kan ik u soms helpen?”“Neen, zusje,” lachte hij en streek haar schertsend met de hand over het bloeiend gelaat. “Gij kunt mij wel het allerminste helpen; het is een ongelukkige geschiedenis, ik—zie er tegen op het mama te zeggen, maar ik kan niet anders.”“Och, spreek er niet tegen mama over, Army!” bad het jonge meisje, staan blijvende. Zij legde de kleine hand op zijn schouder, en zag hem angstig aan. “Ik bid u, doe het niet! Zij is zoo droevig, en weent zooveel; ik smeek u, zeg het niet, als het iets onaangenaams is—”Army werd verlegen.“Ja, mijn God!” zeide hij, “wist ik slechts wat te doen?Tot grootmama kan ik mij niet wenden; het zou te vergeefsch zijn, daar zij werkelijk niet in staat is, mij—”“Army,” fluisterde het meisje, de oorzaak zijner verlegenheid radende, “ik geloof, ik kan u helpen; wacht een oogenblik, of neen, ga vooruit onder den grooten ahorn aan den dijk! Ik ben aanstonds terug.” En vlug liep zij naar huis; de zonnestralen dansten over haar eenvoudig kleedje en beschenen de blonde lokken; spoedig was zij om den hoek verdwenen.De jonge man zag haar na en ging verder. Wat meende zij? Zij kon toch onmogelijk weten—-Hij zat op de steenen bank en zag naar het heldere water, waarin de blauwe hemel en de hooge boomen zoo liefelijk weerkaatsten.“Hoe schoon is het hier!” sprak hij halfluid; “als zij maar een weinig gevoel voor natuurschoon heeft, moet het haar hier bevallen.”Vlugge schreden klonken achter hem, en zich omkeerende, blikte hij in het van vreugde stralende gelaat zijner zuster.“Daar, Army!” zeide zij blozend, en legde een sierlijk zijden beursje in zijne hand. “Ik heb het waarlijk niet noodig; neen, wezenlijk niet; waarvoor toch? En nu zult gij niets aan mama zeggen; niets, nietwaar?” De blijdschap, iets te kunnen geven, straalde het lieve meisje uit de oogen. “Goede, lieve Army!” bad zij, “berg het spoedig! Het zal zeker voldoende wezen.”“Neen, Nelly, neen!” riep hij, kleurende; “uwe spaarpenningen—”Zij hield hem de hand voor den mond. “Gij maakt mij boos, Army,” zeide zij: “zouden broeder en zuster elkander niet helpen—Wie weet, of ik ook niet nog eens bij u kom! Laat ons nu verder gaan, spreek er niet meer over! Zie, hoe zoudt gij het vinden, als wij hier eene boot hadden? Ik heb het reeds lang gewenscht. Dan konden wij met Blanka roeien, en Liesje—nietwaar? Blanka zal toch niet trotsch zijn?”Hij antwoordde niet; hij kwam zichzelf op dit oogenblik zeer verachtelijk voor. Haastig wendde hij het gelaat af.Zijne zuster bemerkte het. “Army,” zeide zij, “volg mij spoedig! Ik moet aanstonds naar mama, en—ik heb het druk,” en zij sloeg den naasten weg naar het slot in.Hij volgde haar langzaam, diep beschaamd. Hij had haar gister op haar geboortedag niet eens een kleinigheid geschonken, en heden gaf zij hem blijmoedig al hare bespaarde penningen. Hij bleef staan en opende de kleine zijden beurs; een paar losse daalders lagen er in, en nog iets in een papier gewikkeld; hij deed het open en vond een goudstuk, benevens een paar woorden van de hand zijner moeder op het papier. “Voor een nieuw kleedje voor mijne Nelly,” las hij. Het jonge meisje had klaarblijkelijk de woorden nog niet gelezen; dan had zij hem deze vernedering bespaard; hij dacht aan het versleten kleedje, dat zij heden en gister droeg, en hoe zij zich over een nieuw verheugd zou hebben. Een nieuw kleed voor vijf daalders! Zooveel had ongeveer de ruiker gekost, dien hij Blanka gezonden had, en welken zij wellicht den morgen na het bal achteloos had weggeworpen; hij dacht aan de sierlijke gestalte, welke hij nooit anders dan in zware zijde of licht krip had gezien—welke tegenstrijdigheden biedt het leven! Daar lag het slot voor hem, zoo indrukwekkend, met zijn reusachtigen gevel, zijne torens; en de zoon des huizes bezat niet zóóveel, om,—neen, het was om wanhopend te worden.Hij wendde zich haastig om, en keerde terug; zijne blikken dwaalden onwillekeurig over den heuvelachtigen grond en bleven op het leien dak van den papiermolen rusten; eensklaps lachte hij hardop. “Ja, die hebben des te meer,” sprak hij half luid; “men moet zich maar met lompen en diergelijk tuig afgeven, dan stroomt iemand het geld toe; en dat alles zal de hand vullen van het kleine meisje, met ’t welk ik eens speelde. Lompenmolenaars Liesje is de rijkste erfgename uit den ganschen omtrek—waarachtig, het isom zich dood te lachen, zooals het in het leven verdeeld is.”In zijn donkere oogen las men intusschen niets van lachen; hij zag er zeer neerslachtig uit, de knappe, jonge officier; het geld zijner zuster brandde hem in de handen, terwijl hij haastig voortliep, de lippen stijf op elkaar gedrukt. De schoone droom der toekomst was vervlogen voor het drukkende heden, en zijn geldelijke ongelegenheid had hem geducht aangegrepen. Hij nam het kleine briefje zijner moeder en legde het in zijne portefeuille; toen ging hij verder, en den hoofdweg inslaande, zag hij den ouden Hendrik, die naar hem toekwam, zoo spoedig zijn oude beenen het hem toelieten.“Uwe grootmama verzoekt mijnheer den luitenant aanstonds bij haar te komen,” boodschapte hij, den jongen man vriendelijk in het opgewonden gelaat ziende.De oude barones liep haastig het vertrek op en neer. Haar trotsch gelaat was met een blos overtogen en de donkere oogen richtten zich ongeduldig naar de deur, waardoor haar kleinzoon moest binnentreden.In hare hand hield zij een geopenden brief, en van tijd tot tijd bleef zij staan en wierp een blik op het papier.“Het is ongeloofelijk,” sprak zij zacht, “deze Koningsberger Derenbergs! Zich dáár zoo te nestelen.Dio mio!Wat geeft die Stontheim mij daar bittere pillen te slikken in dien korten brief! En toch mag ik God nog danken, dat die zaak zich zóó schikt. Hoe verheug ik mij, dat ik, trots de koelheid die tusschen ons heerscht, Army heb overgehaald haar te bezoeken!”Zij wierp weder een blik in den brief.“Ik heb in Armand,” las zij, “een beschaafd, beminnelijk mensch leeren kennen, die geheel het karakter der Derenbergs bezit, en niettegenstaande den betrekkelijk korten tijd onzer kennismaking, heb ik hem hartelijk lief gekregen.”De lippen der oude dame plooiden zich tot een minachtenden glimlach.“Ik ben, zooals gij u wel van vroeger zult herinneren,” las zij verder, “iemand, die doorgaans eerlijk en openhartig mijne meening zeg—dat wij beiden het nooit eens waren, zal wel te wijten zijn aan het groote verschil onzer beschouwingen; nu zijn wij beiden oude vrouwen geworden, liefste Derenberg, en het wordt waarlijk tijd, vrede te sluiten voor de korte spanne tijds, die wij nog te leven hebben. Ik bied u de hand der verzoening aan; laat, wat vroeger is voorgevallen, vergeten zijn! De schuld lag waarschijnlijk aan beide zijden. En nu wil ik u in vertrouwen een lievelingswensch mededeelen, die ook Armand betreft. Gij zult door hem wel reeds vernomen hebben, dat in mijn huis een jonge moederlooze verwante leeft, die bij mij de plaats eener dochter in mijn eenzaam leven vervult, en die ik liefheb, alsof zij het werkelijk is. Bedrieg ik mij niet, dan ziet Armand zijne nicht niet met onverschillige blikken aan,—het zou mij hartelijk verheugen, zoo deze twee elkander leerden liefhebben; en ten einde hun daartoe de gelegenheid te geven, zend ik Blanka, onder het voorwendsel van hare gezondheid te versterken, naar uwe boschrijke woonplaats. Mochten de beide jonge harten elkander daar leeren verstaan, en ik in Armand nog eens een zoon begroeten! Gij zijt een verstandige vrouw, lieve barones, en ik behoef u niet te vragen, alle toespelingen op mijne wenschen bij de jonge lieden te vermijden; ik hoop dat zij elkander in waarheid genegen zullen zijn; het is mogelijk, dat Blanka met haar helder hoofdje mijne bedoeling vermoedt; meegedeeld heb ik ze haar niet. Moge de hemel voor het overige zorgen en het tot onze blijdschap doen uitkomen! Terwijl ik u in den geest nog eenmaal verzoenend de hand reik, ben ik, in afwachting van een spoedig antwoord, lieve Derenberg! uwe“Ernestine, gravinStontheim, geborenDerenberg.”“Het is waarlijk grootmoedig,” vervolgde de oude dame; “men moet nog een vriendelijk gezicht zetten, en dankbaar wezen; het is fijn overlegd van tante Stontheim, maar zoo was zij altijd. Blanka is haar erfgename—dat is zonneklaar en nu zij den jongen heeft leeren kennen, wil zij de zaak zóó regelen; ik moet met een zoet gezicht in dezen zuren appel bijten en God danken, dat het zóó geschikt wordt; zij heeft een boosaardig karakter. Maar één wenk moet ik hem toch geven; het schijnt mij toe, dat deze Blanka hem niet onverschillig is, en—”Op dit oogenblik trad Army binnen. Zijne grootmoeder zag hem vriendelijk aan.“Ik heb een brief ontvangen van tante Stontheim,” sprak zij, staan blijvende en hem de hand toestekende; “zij meldt mij Blanka’s komst; en nu mijn jongen! vergeet, dat ik gister zoo onvriendelijk over uwe plannen sprak! Ik had een lichten aanval mijner migraine, en dat ontstemde mij; ik verheug mij werkelijk over het bezoek der jonge dame.”Army zag haar verrast aan. “Waarlijk, grootmama? Ik dank u; gij neemt een centenaarslast van mijn gemoed; het was zeer onaangenaam voor mij, u moeite te veroorzaken, die u niet aangenaam was. Mag ik weten, wat tante nog meer schrijft?”De oude dame lachte. “Neen, mijn kind,” zeide zij, “het is niet goed, dat men te veel vleiends over zichzelven hoort.”“Houdt tante van mij?” vroeg hij opgewonden.“Tante is van oordeel, dat gij een verstandig jong mensch zijt, en zeker eens een echte Derenberg zult worden.”Army’s gelaat werd bewolkt. “Is dat alles?”“Vooral,” klonk het schalksch van de dunne lippen der grootmoeder, “wanneer u eenmaal een schoone, geliefde vrouw ter zijde staat.”“Heeft zij dat geschreven?” riep hij haastig en greep, hoog blozend, hare hand. “Grootmama, wees goed! Zeg mij, meldde zij iets van haar, van Blanka? Denkt zij, dat Blanka mij ook bemint?”“Army! mijn God, hoe onbeschaamd! Bedaar toch! Wie spreekt er van Blanka? Ik heb immers niets gezegd—verstaat gij? In het geheel niets; wie denktdááraan? Gij zijt pas een-en-twintig jaar!”Maar Army had de armen om den hals zijner grootmoeder geslagen, drukte in weêrwil van haar tegenstreven een paar hartelijke kussen op haar mond, en stormde toen zeer onhoffelijk de kamer uit.“Orribile!” zeide de oude dame, hare muts terecht zettende; “hij is zeker al erg verliefd; als tante Stontheim hem nu gezien had, zou zij zeker niet aan zijn Derenbergs karakter gelooven.”Zij bleef nadenkend staan en het was, alsof haar iets uit het verleden te binnen schoot, dat veel overeenkomst had met het zoo even gebeurde. Plotseling herinnerde zij zich, hoe zij, in betere dagen, als een schoone jonkvrouw in overmaat van geluk de half blinde duenna om den hals viel en haar vurig kuste. En waarom? Omdat buiten op het balkon, onder de bloeiende oleanders, in de zoele avondlucht, een slanke, blonde man in gebroken Italiaansch haar zooveel verhaald had van een oud, Duitsch slot, omgeven door groene eikenbosschen, en van een oude, Duitsche vrouw met trouwe, blauwe oogen ... De trek om haren mond werd zachter, toen zij aan den jubel van haar jeugdig hart dacht. “Hij heeft toch mijn bloed in de ad’ren,” zeide zij toen, “God geve, dat het leven zijne wenschen beter vervulle, dan de mijne!” Daarop zette zij zich aan haar schrijftafel en stelde zich de toekomst voor, die weder rooskleurig voor haar begon te schemeren, en voor hare oogen stond weder het oude slot in al de betoovering, die het vroeger omgaf.Intusschen doorkruiste Army onrustig het park. Eerst had hij zijne zuster bijna platgedrukt door zijne omhelzing en haar iets onbegrijpelijks verteld van een nieuw kleed, een blauw, zooals Blanka droeg. Hij had zijne moeder, die de opgewondenheid van haren zoon niet begreep, de noodzakelijkheidbetoogd, om hare zwakke gezondheid door een badreis te versterken, was het niet in dit, dan in een volgend jaar. Daarop was hij met Nelly en den ouden Hendrik in de kamer geweest, die hij voor Blanka had uitgekozen, en had er allerlei veranderingen bevolen; zijne zuster had hem haar werktafeltje en den bloemenstandaard hunner moeder moeten beloven; toen had hij aanmerking gemaakt op de gordijnen en schilderijen, de laatsten weggenomen en andere in de plaats gehangen en Nelly meer dan eens verzekerd, dat hij gordijnen en tapijten uit zijne garnizoensplaats zou laten komen in de plaats van al dat verkleurde tuig, alsook een nieuwe livrei voor Hendrik. Eindelijk had hij zijne zuster omhelsd, en haar gevraagd, of zij niet dacht, dat het Blanka hier wel bevallen zou, en of zij niet vond dat deze kamer het fraaiste uitzicht had? En zonder haar antwoord af te wachten, had hij er bijgevoegd: “Wat zult gij verbaasd staan, zusje, als gij haar ziet!” Toen was hij naar buiten gegaan, naar het oude park, en liep haastig door de met gras begroeide paden; bij wenschte het uur zijner afreis te bespoedigen, ten eindehaarte kunnen zeggen, hoe men zich te huis op hare komst verheugde—eindelijk werd het avond, en wandelde hij in den heerlijken lentenacht naar het dorpje, om de post op te wachten. Bij het parkhek plukte hij nog een bloeienden vliertak, een groet uit zijn huis voor Blanka. En eindelijk, eindelijk blies de postillon en reisde hij af, vervuld van gelukkige gedachten.Daarboven echter, in den molen, werd zacht een venster geopend, en een donker meisjeshoofd boog zich naar buiten en zag met vochtige oogen naar den straatweg. Zij wist, dat hij heden avond weder vertrekken zou; hij had het haar immers zelf gezegd, en zij had op hem gewacht, den ganschen langen dag gewacht, maar hij was niet gekomen; en hoor! daar klonk nu de posthoorn door den stillen nacht Hoe treurig klonk dat! Uit het woud kaatste zacht een echo terug, en stil, heel stil werd het venster weder gesloten.

“Army, wat ben ik blij, ook eens een gast te zullen hebben,” sprak den volgenden morgen Nelly tot haar broeder, toen zij te zamen door het frissche, groene park wandelden. “Wat zal Liesje wel zeggen? Ik moet het haar vertellen. Zeg eens, Army! hoe vindt gij Liesje eigenlijk? Is zij niet beeldschoon geworden?”

“Ik weet het waarlijk niet,” antwoordde hij verstrooid, “ik heb er in ’t geheel niet op gelet; ja, ik geloof het wel, ik herinner het mij nauwelijks meer—”

“Maar, Army!” klonk het van de lippen zijner zuster, “gij zijt verstrooid, of misschien bedroefd—is u iets onaangenaams bejegend? Kan ik u soms helpen?”

“Neen, zusje,” lachte hij en streek haar schertsend met de hand over het bloeiend gelaat. “Gij kunt mij wel het allerminste helpen; het is een ongelukkige geschiedenis, ik—zie er tegen op het mama te zeggen, maar ik kan niet anders.”

“Och, spreek er niet tegen mama over, Army!” bad het jonge meisje, staan blijvende. Zij legde de kleine hand op zijn schouder, en zag hem angstig aan. “Ik bid u, doe het niet! Zij is zoo droevig, en weent zooveel; ik smeek u, zeg het niet, als het iets onaangenaams is—”

Army werd verlegen.

“Ja, mijn God!” zeide hij, “wist ik slechts wat te doen?Tot grootmama kan ik mij niet wenden; het zou te vergeefsch zijn, daar zij werkelijk niet in staat is, mij—”

“Army,” fluisterde het meisje, de oorzaak zijner verlegenheid radende, “ik geloof, ik kan u helpen; wacht een oogenblik, of neen, ga vooruit onder den grooten ahorn aan den dijk! Ik ben aanstonds terug.” En vlug liep zij naar huis; de zonnestralen dansten over haar eenvoudig kleedje en beschenen de blonde lokken; spoedig was zij om den hoek verdwenen.

De jonge man zag haar na en ging verder. Wat meende zij? Zij kon toch onmogelijk weten—-

Hij zat op de steenen bank en zag naar het heldere water, waarin de blauwe hemel en de hooge boomen zoo liefelijk weerkaatsten.

“Hoe schoon is het hier!” sprak hij halfluid; “als zij maar een weinig gevoel voor natuurschoon heeft, moet het haar hier bevallen.”

Vlugge schreden klonken achter hem, en zich omkeerende, blikte hij in het van vreugde stralende gelaat zijner zuster.

“Daar, Army!” zeide zij blozend, en legde een sierlijk zijden beursje in zijne hand. “Ik heb het waarlijk niet noodig; neen, wezenlijk niet; waarvoor toch? En nu zult gij niets aan mama zeggen; niets, nietwaar?” De blijdschap, iets te kunnen geven, straalde het lieve meisje uit de oogen. “Goede, lieve Army!” bad zij, “berg het spoedig! Het zal zeker voldoende wezen.”

“Neen, Nelly, neen!” riep hij, kleurende; “uwe spaarpenningen—”

Zij hield hem de hand voor den mond. “Gij maakt mij boos, Army,” zeide zij: “zouden broeder en zuster elkander niet helpen—Wie weet, of ik ook niet nog eens bij u kom! Laat ons nu verder gaan, spreek er niet meer over! Zie, hoe zoudt gij het vinden, als wij hier eene boot hadden? Ik heb het reeds lang gewenscht. Dan konden wij met Blanka roeien, en Liesje—nietwaar? Blanka zal toch niet trotsch zijn?”

Hij antwoordde niet; hij kwam zichzelf op dit oogenblik zeer verachtelijk voor. Haastig wendde hij het gelaat af.

Zijne zuster bemerkte het. “Army,” zeide zij, “volg mij spoedig! Ik moet aanstonds naar mama, en—ik heb het druk,” en zij sloeg den naasten weg naar het slot in.

Hij volgde haar langzaam, diep beschaamd. Hij had haar gister op haar geboortedag niet eens een kleinigheid geschonken, en heden gaf zij hem blijmoedig al hare bespaarde penningen. Hij bleef staan en opende de kleine zijden beurs; een paar losse daalders lagen er in, en nog iets in een papier gewikkeld; hij deed het open en vond een goudstuk, benevens een paar woorden van de hand zijner moeder op het papier. “Voor een nieuw kleedje voor mijne Nelly,” las hij. Het jonge meisje had klaarblijkelijk de woorden nog niet gelezen; dan had zij hem deze vernedering bespaard; hij dacht aan het versleten kleedje, dat zij heden en gister droeg, en hoe zij zich over een nieuw verheugd zou hebben. Een nieuw kleed voor vijf daalders! Zooveel had ongeveer de ruiker gekost, dien hij Blanka gezonden had, en welken zij wellicht den morgen na het bal achteloos had weggeworpen; hij dacht aan de sierlijke gestalte, welke hij nooit anders dan in zware zijde of licht krip had gezien—welke tegenstrijdigheden biedt het leven! Daar lag het slot voor hem, zoo indrukwekkend, met zijn reusachtigen gevel, zijne torens; en de zoon des huizes bezat niet zóóveel, om,—neen, het was om wanhopend te worden.

Hij wendde zich haastig om, en keerde terug; zijne blikken dwaalden onwillekeurig over den heuvelachtigen grond en bleven op het leien dak van den papiermolen rusten; eensklaps lachte hij hardop. “Ja, die hebben des te meer,” sprak hij half luid; “men moet zich maar met lompen en diergelijk tuig afgeven, dan stroomt iemand het geld toe; en dat alles zal de hand vullen van het kleine meisje, met ’t welk ik eens speelde. Lompenmolenaars Liesje is de rijkste erfgename uit den ganschen omtrek—waarachtig, het isom zich dood te lachen, zooals het in het leven verdeeld is.”

In zijn donkere oogen las men intusschen niets van lachen; hij zag er zeer neerslachtig uit, de knappe, jonge officier; het geld zijner zuster brandde hem in de handen, terwijl hij haastig voortliep, de lippen stijf op elkaar gedrukt. De schoone droom der toekomst was vervlogen voor het drukkende heden, en zijn geldelijke ongelegenheid had hem geducht aangegrepen. Hij nam het kleine briefje zijner moeder en legde het in zijne portefeuille; toen ging hij verder, en den hoofdweg inslaande, zag hij den ouden Hendrik, die naar hem toekwam, zoo spoedig zijn oude beenen het hem toelieten.

“Uwe grootmama verzoekt mijnheer den luitenant aanstonds bij haar te komen,” boodschapte hij, den jongen man vriendelijk in het opgewonden gelaat ziende.

De oude barones liep haastig het vertrek op en neer. Haar trotsch gelaat was met een blos overtogen en de donkere oogen richtten zich ongeduldig naar de deur, waardoor haar kleinzoon moest binnentreden.

In hare hand hield zij een geopenden brief, en van tijd tot tijd bleef zij staan en wierp een blik op het papier.

“Het is ongeloofelijk,” sprak zij zacht, “deze Koningsberger Derenbergs! Zich dáár zoo te nestelen.Dio mio!Wat geeft die Stontheim mij daar bittere pillen te slikken in dien korten brief! En toch mag ik God nog danken, dat die zaak zich zóó schikt. Hoe verheug ik mij, dat ik, trots de koelheid die tusschen ons heerscht, Army heb overgehaald haar te bezoeken!”

Zij wierp weder een blik in den brief.

“Ik heb in Armand,” las zij, “een beschaafd, beminnelijk mensch leeren kennen, die geheel het karakter der Derenbergs bezit, en niettegenstaande den betrekkelijk korten tijd onzer kennismaking, heb ik hem hartelijk lief gekregen.”

De lippen der oude dame plooiden zich tot een minachtenden glimlach.

“Ik ben, zooals gij u wel van vroeger zult herinneren,” las zij verder, “iemand, die doorgaans eerlijk en openhartig mijne meening zeg—dat wij beiden het nooit eens waren, zal wel te wijten zijn aan het groote verschil onzer beschouwingen; nu zijn wij beiden oude vrouwen geworden, liefste Derenberg, en het wordt waarlijk tijd, vrede te sluiten voor de korte spanne tijds, die wij nog te leven hebben. Ik bied u de hand der verzoening aan; laat, wat vroeger is voorgevallen, vergeten zijn! De schuld lag waarschijnlijk aan beide zijden. En nu wil ik u in vertrouwen een lievelingswensch mededeelen, die ook Armand betreft. Gij zult door hem wel reeds vernomen hebben, dat in mijn huis een jonge moederlooze verwante leeft, die bij mij de plaats eener dochter in mijn eenzaam leven vervult, en die ik liefheb, alsof zij het werkelijk is. Bedrieg ik mij niet, dan ziet Armand zijne nicht niet met onverschillige blikken aan,—het zou mij hartelijk verheugen, zoo deze twee elkander leerden liefhebben; en ten einde hun daartoe de gelegenheid te geven, zend ik Blanka, onder het voorwendsel van hare gezondheid te versterken, naar uwe boschrijke woonplaats. Mochten de beide jonge harten elkander daar leeren verstaan, en ik in Armand nog eens een zoon begroeten! Gij zijt een verstandige vrouw, lieve barones, en ik behoef u niet te vragen, alle toespelingen op mijne wenschen bij de jonge lieden te vermijden; ik hoop dat zij elkander in waarheid genegen zullen zijn; het is mogelijk, dat Blanka met haar helder hoofdje mijne bedoeling vermoedt; meegedeeld heb ik ze haar niet. Moge de hemel voor het overige zorgen en het tot onze blijdschap doen uitkomen! Terwijl ik u in den geest nog eenmaal verzoenend de hand reik, ben ik, in afwachting van een spoedig antwoord, lieve Derenberg! uwe

“Ernestine, gravinStontheim, geborenDerenberg.”

“Het is waarlijk grootmoedig,” vervolgde de oude dame; “men moet nog een vriendelijk gezicht zetten, en dankbaar wezen; het is fijn overlegd van tante Stontheim, maar zoo was zij altijd. Blanka is haar erfgename—dat is zonneklaar en nu zij den jongen heeft leeren kennen, wil zij de zaak zóó regelen; ik moet met een zoet gezicht in dezen zuren appel bijten en God danken, dat het zóó geschikt wordt; zij heeft een boosaardig karakter. Maar één wenk moet ik hem toch geven; het schijnt mij toe, dat deze Blanka hem niet onverschillig is, en—”

Op dit oogenblik trad Army binnen. Zijne grootmoeder zag hem vriendelijk aan.

“Ik heb een brief ontvangen van tante Stontheim,” sprak zij, staan blijvende en hem de hand toestekende; “zij meldt mij Blanka’s komst; en nu mijn jongen! vergeet, dat ik gister zoo onvriendelijk over uwe plannen sprak! Ik had een lichten aanval mijner migraine, en dat ontstemde mij; ik verheug mij werkelijk over het bezoek der jonge dame.”

Army zag haar verrast aan. “Waarlijk, grootmama? Ik dank u; gij neemt een centenaarslast van mijn gemoed; het was zeer onaangenaam voor mij, u moeite te veroorzaken, die u niet aangenaam was. Mag ik weten, wat tante nog meer schrijft?”

De oude dame lachte. “Neen, mijn kind,” zeide zij, “het is niet goed, dat men te veel vleiends over zichzelven hoort.”

“Houdt tante van mij?” vroeg hij opgewonden.

“Tante is van oordeel, dat gij een verstandig jong mensch zijt, en zeker eens een echte Derenberg zult worden.”

Army’s gelaat werd bewolkt. “Is dat alles?”

“Vooral,” klonk het schalksch van de dunne lippen der grootmoeder, “wanneer u eenmaal een schoone, geliefde vrouw ter zijde staat.”

“Heeft zij dat geschreven?” riep hij haastig en greep, hoog blozend, hare hand. “Grootmama, wees goed! Zeg mij, meldde zij iets van haar, van Blanka? Denkt zij, dat Blanka mij ook bemint?”

“Army! mijn God, hoe onbeschaamd! Bedaar toch! Wie spreekt er van Blanka? Ik heb immers niets gezegd—verstaat gij? In het geheel niets; wie denktdááraan? Gij zijt pas een-en-twintig jaar!”

Maar Army had de armen om den hals zijner grootmoeder geslagen, drukte in weêrwil van haar tegenstreven een paar hartelijke kussen op haar mond, en stormde toen zeer onhoffelijk de kamer uit.

“Orribile!” zeide de oude dame, hare muts terecht zettende; “hij is zeker al erg verliefd; als tante Stontheim hem nu gezien had, zou zij zeker niet aan zijn Derenbergs karakter gelooven.”

Zij bleef nadenkend staan en het was, alsof haar iets uit het verleden te binnen schoot, dat veel overeenkomst had met het zoo even gebeurde. Plotseling herinnerde zij zich, hoe zij, in betere dagen, als een schoone jonkvrouw in overmaat van geluk de half blinde duenna om den hals viel en haar vurig kuste. En waarom? Omdat buiten op het balkon, onder de bloeiende oleanders, in de zoele avondlucht, een slanke, blonde man in gebroken Italiaansch haar zooveel verhaald had van een oud, Duitsch slot, omgeven door groene eikenbosschen, en van een oude, Duitsche vrouw met trouwe, blauwe oogen ... De trek om haren mond werd zachter, toen zij aan den jubel van haar jeugdig hart dacht. “Hij heeft toch mijn bloed in de ad’ren,” zeide zij toen, “God geve, dat het leven zijne wenschen beter vervulle, dan de mijne!” Daarop zette zij zich aan haar schrijftafel en stelde zich de toekomst voor, die weder rooskleurig voor haar begon te schemeren, en voor hare oogen stond weder het oude slot in al de betoovering, die het vroeger omgaf.

Intusschen doorkruiste Army onrustig het park. Eerst had hij zijne zuster bijna platgedrukt door zijne omhelzing en haar iets onbegrijpelijks verteld van een nieuw kleed, een blauw, zooals Blanka droeg. Hij had zijne moeder, die de opgewondenheid van haren zoon niet begreep, de noodzakelijkheidbetoogd, om hare zwakke gezondheid door een badreis te versterken, was het niet in dit, dan in een volgend jaar. Daarop was hij met Nelly en den ouden Hendrik in de kamer geweest, die hij voor Blanka had uitgekozen, en had er allerlei veranderingen bevolen; zijne zuster had hem haar werktafeltje en den bloemenstandaard hunner moeder moeten beloven; toen had hij aanmerking gemaakt op de gordijnen en schilderijen, de laatsten weggenomen en andere in de plaats gehangen en Nelly meer dan eens verzekerd, dat hij gordijnen en tapijten uit zijne garnizoensplaats zou laten komen in de plaats van al dat verkleurde tuig, alsook een nieuwe livrei voor Hendrik. Eindelijk had hij zijne zuster omhelsd, en haar gevraagd, of zij niet dacht, dat het Blanka hier wel bevallen zou, en of zij niet vond dat deze kamer het fraaiste uitzicht had? En zonder haar antwoord af te wachten, had hij er bijgevoegd: “Wat zult gij verbaasd staan, zusje, als gij haar ziet!” Toen was hij naar buiten gegaan, naar het oude park, en liep haastig door de met gras begroeide paden; bij wenschte het uur zijner afreis te bespoedigen, ten eindehaarte kunnen zeggen, hoe men zich te huis op hare komst verheugde—eindelijk werd het avond, en wandelde hij in den heerlijken lentenacht naar het dorpje, om de post op te wachten. Bij het parkhek plukte hij nog een bloeienden vliertak, een groet uit zijn huis voor Blanka. En eindelijk, eindelijk blies de postillon en reisde hij af, vervuld van gelukkige gedachten.

Daarboven echter, in den molen, werd zacht een venster geopend, en een donker meisjeshoofd boog zich naar buiten en zag met vochtige oogen naar den straatweg. Zij wist, dat hij heden avond weder vertrekken zou; hij had het haar immers zelf gezegd, en zij had op hem gewacht, den ganschen langen dag gewacht, maar hij was niet gekomen; en hoor! daar klonk nu de posthoorn door den stillen nacht Hoe treurig klonk dat! Uit het woud kaatste zacht een echo terug, en stil, heel stil werd het venster weder gesloten.

Zesde Hoofdstuk.Den volgenden dag was het ongunstig weder. De hemel was geheel met een donker floers bedekt, en een zachte regen viel op de bloeiende appelboomen en de vlier. Liesje stond des namiddags boven in haar kamertje, en zag met een droevig gelaat naar het slot, welks torens in een grauwen sluier gehuld schenen. Alles was vandaag verkeerd gegaan; iedereen zag donker; haar vader had onaangenaamheden in zijn beroep gehad; tante had zich geërgerd, omdat Doortje de staldeur niet gesloten had, waarachter de hen met hare kiekens verblijf hield, die nu in den regen buiten waren: iets, dat streng verboden was; de kleine diertjes zouden nu allen omkomen, voorspelde zij; de oogen verdraaiden reeds. Doortje was erg beknord en liep met roodgeweende oogen door het huis; en tot overvloed van smart was de jonge heer Selldorf gekomen, die bij haar vader in de zaak zou werkzaam zijn, en had met de familie het middagmaal gehouden.Gewoonlijk aten de heeren, die bij hem in de leer waren, boven in het huis dat zij bewoonden, want de heer Erving bevond zich het liefst uitsluitend te midden der zijnen; heden had hij echter eene uitzondering gemaakt, omdat hij zeer bevriend was met den vader van den jongen man. De jonge blonde heer, met zijn blauwe das, had tegenover Liesje gezeten en haar gedurig aangekeken, hetgeen volstrekt nietnoodig was; er was gesproken over zijn vader, over beroepsaangelegenheden, en over de gezondheid zijner moeder, wat alles recht vervelend was geweest. Daarbij kwam, dat Liesje, voor de eerste maal sedert haar dit werk was opgedragen, vergeten had de duiven te voeren; zij ergerde zich over zich zelve—wat scheelde haar toch? En toen dacht zij er aan, hoe zij gister met haar naaiwerk onder den lindeboom vóór het huis had gezeten, tot het donker werd, en telkens, als er iemand naderde, geschrikt was, en hartkloppingen had gevoeld; hoe het steeds onverschillige menschen geweest waren; ten laatste kwam de oude bedelaarster Marie, en toen was zij in huis gegaan en had geweend. Zij bloosde uit schaamte over zich zelve, toen zij zich herinnerde, dat zij gister avond, wijl zij niet slapen kon, nog eenmaal was opgestaan om het venster te openen en naar den postillon te luisteren, die een lustig deuntje zat te blazen op den bok van het rijtuig, waarmede Army—zoo spoedig weder vertrok.“Dat het nu ook zulk naar weer is,” sprak zij op eens halfluid, een deeltje van Geibels gedichten van de boekenplank nemende, “anders zou Nelly zeker eindelijk wel eens komen.”Zij zette zich op de kleine sofa, en bladerde in het boek, zonder de liefelijke zangen, van welke zij anders zooveel hield, met iets meer dan een vluchtigen blik te verwaardigen. Zoo zat zij, totdat in de gang de voetstappen harer tante gehoord werden, en het goedige gezicht met het helderwitte mutsje in de deur zichtbaar werd.“Zeg eens, Lise, waar om Gods wil zit gij toch?” vroeg zij geheel buiten adem; “eerst ziet gij den ganschen dag zoo zuur als azijn, en nu zit ge hier te lezen, in plaats van uw oude tante beneden wat te helpen. Gij weet wel, het is van daag Donderdag; dan komt de familie uit de pastorie. Doortje is geheel verslagen door de berisping, die zij ontvangen heeft, en Mina pruilt om haar gezelschap te houden; gij hadt mij wel kunnen helpen de duiven klaar te maken, of de aspergieste schillen; dat is niet gemakkelijk, en gij dient het te leeren voor de aanstaande huishouding, want een vlijtige huisvrouw is de rijkdom des mans. Maar wat ziet het er hier toch gezellig uit,” viel zij zich zelve in de rede, terwijl zij het vertrek rondkeek, dat er met zijn witte verf, met wit en blauw gestreept katoen overtrokken meubels en neteldoeksche venstergordijnen, als een echte meisjeskamer uitzag. “Zie eens, hoe uw myrtheboompje in ’t water drijft! Daar schiet mij te binnen, waarom ik hier eigenlijk kwam: hier is een briefje van Nelly. Hendrik bracht het mede;” zij nam het uit haar zak en gaf het Lise, die het openbrak en las.“Verbeeld u, tante,” riep zij verrast, “zij krijgen bezoek op het slot! Nelly is er bovenmate over verheugd; het is eene nicht, Blanka van Derenberg; en Army komt ook over met verlof en zij hoopt, dat ik haar dan dikwijls zal komen bezoeken.“Zoo?” vroeg de oude vrouw.“Ja, Nelly schrijft, zij zou zelve gekomen zijn om het mij te vertellen, maar zij had vandaag geen tijd, dewijl zij helpen moest de kamers in orde te brengen.”“Zouden zij dat dan nu eerst hebben vernomen?” sprak de oude vrouw.“Och neen,” zei Lise, “Army is dáárom over geweest, schrijft Nelly.”“Is Army weer hier geweest?” vroeg tante, en zag verbaasd naar het jonge meisje, dat plotseling hoogrood geworden was; “wanneer dan?”“Op Nelly’s verjaardag,” klonk het zacht.“Ei zoo!en daar hebt gij mij niets van verteld, Lise? Gij zegt mij anders toch alles!” en de stem der oude vrouw klonk angstig. “Zeg Lise, waarom hebt gij dat verzwegen?”“Omdat ik niet altijd hooren wil, als gij zegt dat hij trotsch en voornaam is geworden.”“En waarom wilt gij dat niet hooren, Lise?”“Omdat het niet waar is; omdat hij geen tijd heeft gehad om hier te komen—anders had hij het zeker gedaan.”Zij brak in tranen uit; de bedrogen verwachting van gister kwam haar weder te binnen.“Maar, Lise, groote goedheid, wat moet dat beteekenen? Hoe dwaas, dat gij om zóó iets schreit! Wat ter wereld kan u Army schelen?”De oude vrouw sprak knorrig; men kon het haar aanzien, dat haar hart bezwaard was.“Ik denk, dat het u niet aangaat, wat ik van Army zeg. Uwe wegen en de zijne loopen niet naast elkaar, zooals in uwe kindsheid; hij is nu een voornaam heer en gij zijt een volwassen meisje.—Wat moet men daarvan denken, dat gij zoo bitter weent?”Lise viel de oude vrouw om den hals. “Och, tante, wees niet boos!” snikte zij; “het is recht kinderachtig van mij, maar ik kan het nu eenmaal niet aanhooren, zooals gij over de bewoners van het slot spreekt; wij hebben altijd zoo vriendschappelijk gespeeld, en het is altijd net of gij die schoone herinneringen onbarmhartig wilt uitwisschen, als gij boos zijt op Army en Nelly.”De oude vrouw schudde het hoofd. “Kind!” zei zij toen, “och, wist gij slechts, wat bitter leed zij daarboven ons berokkend hebben!”“Kunnen Army en Nelly dat helpen?”“Neen—maar—”“Gij zegt immers zelf altijd, dat wij onze vijanden moeten vergeven.”“Dat is zoo, maar het is onmogelijk een onrecht te vergeten, dat u zoo van nabij treft, als—”“Och, spreek daar niet van, tante!” bad Liesje vriendelijk en zag haar door hare tranen heen lachend in het gelaat; “ik zal niet weder zoo dwaas weenen; maar hoor! dan bromt gij ook niet meer. Ik ga nu met u naar beneden, en zal u helpen de duiven klaar te maken en ze zóó braden, als vaderze graag lust? En hebt gij reeds radijs uit den tuin gehaald of zal ik het doen?”Zij vleide en bad zoo lang, tot de oude haar een kus gaf, en toen zij de voorzaal boven doorgingen, waarin groote linnen- en kleerkasten stonden, zag tante onwillekeurig naar een der deuren, en een bange zuchtontgliptehaar.“Dat was Lisette’s kamer,” zeide zij met zekeren nadruk in haar toon. Het jonge meisje knikte en ijlde vlug de trappen af. Zij had immers reeds zoo dikwijls van Lisette gehoord; zij wist, dat het hare oudtante was, en haar naam altijd met eerbied werd uitgesproken; doch omdat men haar niets naders meedeelde, boezemde het haar weinig belang in, dat zij boven gewoond had. Zij schaamde er zich echter over, dat zij zoo kinderachtig geschreid had; wat zou hare tante nu wel gelooven? Misschien wel, dat zij Army—-? Zij kleurde en voleindigde de gedachte niet, maar begon te zingen, terwijl zij naar de woonkamer ging om den predikant en zijne vrouw te begroeten. Tante Marie volgde haar met angstige blikken. “Heer in den hemel!” bad zij, “bewaar ons genadig voor een tweede ongeluk!”Want een ongeluk zou het worden; van daarboven is nog niets goeds gekomen, sedert de oude op het slot leeft. “Heere, bewaar het meisje! Zij weet het zelve nog niet, maar het is waar, wat ik zoo even hoorde—zij heeft dien Army lief. Hoe haar te helpen?—” Peinzend maakte zij het avondeten gereed, en toen eens Liesje’s heldere lach tot in de keuken klonk, schudde zij het hoofd, en aan den avondmaaltijd bespiedde zij van ter zijde het lachende gezichtje, dat niet het minste spoor van tranen vertoonde. Het was ook een vergenoegd gezelschap, dat daar in de koele eetzaal zat om de groote, ronde tafel, met helderwit damast gedekt. De heer des huizes, met zijn vriendelijk gelaat; de predikant, die men het aanzag, dat hij zich verheugde bij den vriend zijner jeugd te zijn, en Rosine, zijn vrouwtje, dat altijd vergenoegd was, hoewel zij te huis een troepje kleine kinderen had, die als orgelpijpen op elkandervolgden, en haar dikwijls veel zorgen gaven, als zij meermalen niet wist van waar ze nieuwe kleeren zouden krijgen. Zelfs de Donderdagavonden, wanneer zij in den molen van de zorgen en beslommeringen der week uitrustte, zat zij ternauwernood, of een kinderkousje kwam voor den dag, waaraan zij ijverig breide, en niet zelden legde juffrouw Erving haar lachend een pakje kousen in den schoot, met de woorden: “Ziedaar, lieve, ik heb u wat geholpen; laat nu voor van avond het breien eens rusten, en zing een lied voor ons!” En dan zong zij met haar lieve, zachte stem een eenvoudig lied. Later echter greep zij onwillekeurig weer naar hare breikous en zeide lachend: “laat mij begaan, Mina! Ik kan het niet laten.” De vrouw des huizes was dezen avond bijzonder wel, en voerde een druk huishoudelijk gesprek met Rosine, terwijl Liesje vroolijk met haar vader en den geestelijke schertste; alleen tante was stil, en zelfs de loftuitingen over hare kookkunst waren niet bij machte, haar te doen glimlachen; ze proefde niet eens van den geurigen Rijnwijn, die in de groene glazen zoo heerlijk parelde.“Weet gij wel, dominé,” vroeg de gastheer, “dat ik nu een zoon van onzen ouden schoolkameraad Selldorf hier heb?”“Een jongen van Selldorf? Wel, wat zegt gij daar! Hoe is het dien eigenlijk gegaan?”“Hij heeft een groote scheikundige fabriek in Thüringen.”“Zoo, en de jongen zal—?”“De jongen komt zijn neus eens in mijn bedrijf steken, omdat de oude plan heeft eene papierfabriek—eigenlijk lompenmolen—op te zetten. Hij is trouwens gelukkig geweest; hij kwam als boekhouder in de zaak, die nu de zijne is, huwde de eenige dochter zijns patroons en werd een gezeten man. Hij heeft een knappen kop en een door en door degelijk karakter. Gij moet den jongen eens zien; sprekend gelijkt hij op den oude van vroeger; dezelfde oogen, hetzelfde blonde haar. Ik verbeeldde mij dat ik nog jong was, toen ik hem zag.”“En waar is hij?”“Boven in de werkkamer. Ik behandel hem geheel als de andere jongelui;vanmiddagheeft hij hier gegeten en daarmede basta.—Gij weet, ik ontvang niet graag vreemden in mijn huiselijken kring.”De geestelijke knikte. “Ik moet hem toch stellig eens zien. Wat zegt Liesje wel van hem?” vroeg hij schertsend aan het jonge meisje.“Niemendal, oom!” antwoordde zij.“Dat is al heel weinig,” lachte hij. “Maar a propos, daar schiet mij te binnen, Liesje, dat Army hier geweest is. Ik zag hem, toen hij aankwam; wat is dat een knappe jongen geworden! Hebt gij hem gezien, kleine?”Liesje knikte toestemmend, maar werd bloedrood; waarom zag tante haar ook zoo doordringend aan!“Het hindert mij toch,” voer de leeraar voort, “dat hij het niet de moeite waard acht, eens bij ons te komen; het is niet aardig van hem, dat hij zijn ouden leermeester niet meer wil kennen—dat is een aardje naar de oude barones.”“Gij zijt niet de eenige, die u daarover te beklagen hebt,” zeide de gastvrouw. “Hier is hij ook niet geweest. Maar Nelly komt wel bij ons.”“Een allerliefst meisje,” sprak de predikantsvrouw.“Precies haar grootvader,” riep tante, “datwas een man! Maar wien de Heer lief heeft, dien zendt Hij dikwijls bitter lijden.”“Hij leefde zeer ongelukkig met zijne vrouw, niet waar?” vroeg Rosine.“O, waar die komt, treedt het ongeluk ook binnen; zij heeft niet alleen haar eigene familie te gronde gericht, ook anderen heeft zij kommer en zorg berokkend.”“Ja, zij moet dol hebben huisgehouden,” sprak de geestelijke: “tusschenbeide hoort men er nog over spreken door de dorpelingen.”“Mijne familie kan daar ook van meepraten, nietwaar, tante?” vroeg de heer des huizes.“Dat weet de Almachtige!” riep de oude vrouw.“Hoevele tranen heeft deze vrouw doen storten! Maar God heeft ze alle geteld,” snikte zij, terwijl zij haastig opstond en de kamer verliet.“Het kan geen kwaad,” meende zij, haar kamertje binnentredende, terwijl zij nog eens nadacht over ’t geen haar bekommerde, “het kan geen kwaad, als ik Lise die geschiedenis vertel; het werd haar dan misschien duidelijk, hoe zij daarboven zijn.”Toen stond zij op, zocht een sleutel, ging zachtjes de trap op en ontsloot de deur van Lisette’s kamer.Het was een klein vertrek, en in het schemerlicht kon men ternauwernood de eenvoudige meubels onderscheiden. Tusschen de ramen stond eene commode met blinkend koper beslag, daarboven hing een spiegel in een gesneden lijst gevat; een smal ledikant, groen geverfd en met een ruwen slinger van rozen beschilderd; daar vóór een klein tafeltje op drie pooten, terwijl tegenover het bed een klein kruisbeeld hing, onder een bont gekleurde plaat, een meisje voorstellende, met een duif op de hand. Tusschen bed en venster was een linnenkastje van donkerkleurig hout geplaatst, en voor het andere raam stond een klein werktafeltje, met een stoel er voor. Onder den spiegel hing een krans van verwelkte, blauwe bloemen, die sterk afstak bij den frisschen, geurigen bloemruiker in de ouderwetsche vaas op de commode. Telken jare als de vlier bloeide, bracht Marie die hier; de vroegere bewoonster had die bloesems liefgehad. Die tijd van het jaar wekte altijd een smartelijke herinnering in het hart der oude.Zoo zat zij dezen avond weder in het kamertje der schoone Lisette, en voor haar geest mengden zich het verleden en heden dooreen; het was haar, alsof zij weder het frissche, jonge meisje was, en de slanke gestalte harer vriendin daar vóór het venster stond en met haar schoone oogen smachtend op den zuidelijken slottoren staarde. “Hij komt, Marie;hij komt—ik heb het licht gezien,” had zij toenmaals dikwijls geroepen, waarop zij dan naar beneden gingen, in den tuin, en daar in het donkere priëel van jasmijn had een gelukkig minnend paar gezeten, in alle eer en deugd—-En toen?Toen lag zij op dit bed, de schoone gestalte, gebogen onder den last des jammers, met doodsbleeke wangen en de blauwe oogen schitterende van koortshitte.“Is het niet genoeg,éénmaalzulk lijden te moeten aanzien? O God, bewaar mijn lieveling, mijne Lise!” bad zij, de handen in den schoot gevouwen, met oogen vol tranen.Op eens vatten een paar kleine handen de hare; een zachte wang legde zich tegen haar gelaat, en toen zij opzag, schouwde zij in een paar diepe, blauwe oogen, en een zachte stem vroeg: “waarom schreit gij, tante, zijt gij nog steeds boos op mij?”De oude vrouw antwoordde niet terstond; het was haar op dit oogenblik, als zag zij een liefelijke verschijning; daarop vroeg zij: “Wat komt gij hier doen, Lise?”“Och, tante! ik zocht u beneden in uwe kamer; zij praten binnen zooveel over een baron Frits en mijne oudtante Lisette; nu wilde ik u vragen, mij iets van hen te vertellen, en daarom ben ik hier gekomen.”“Dan komt gij juist van pas, Lise! Laat hen daar beneden maar praten. Niemand weet het zoo goed als ik; want ik heb het zelf beleefd; wel had ik gewenscht, dat het u nog lang onbekend zou blijven, hoe erg het soms in de wereld toegaat, maar het is beter voor u—kom, ga zitten!”Het jonge meisje gehoorzaamde, nadat zij schuw de kamer, in welke zij als klein kind slechts ééns een blik had geworpen, had rondgezien, en de oude vrouw, de handen weder vouwende, maakte zich gereed te spreken. Toch bleef zij stom en zag verlegen voor zich. Zou zij het jonge wezen de droevige geschiedenis verhalen en haat en wantrouwen in haar reine ziel storten? Het meisje, dat in stomme verwachtingnaast haar zat, was immers nog bijna een kind; zij zou Army wel spoedig vergeten—neen, zij mocht deze droevige geschiedenis niet verhalen. En toch—als deze zich nog eens herhaalde, en zij had haar lieveling niet gewaarschuwd!“Doe eerst het raam open, Lise!” zeide zij: “de lucht is hier drukkend.”Het meisje opende beide vensters; de regen had opgehouden; van de boomen vielen slechts nog enkele droppels en de frissche lucht, het gevolg van den regen, vervulde het vertrekje.“Lise,” klonk het halfluid, “Lise, gij—mij dunkt het is beter dat gij niet zoo dikwijls meer naar Nelly gaat—naderhand, meen ik; later, als Army weer te huis is, en de nicht,” voegde zij er vergoelijkend bij, toen Liesje haar verrast aanzag. “Zie, het is niet—ik denk—ik—” zij stamelde en zweeg.“Daar nu maar niet over, tante; vertel liever van Lisette?” vleide het meisje, bevreesd voor het oude thema.“Wat ik van Lisette wilde vertellen,” riep de oude vrouw heftig, “dit zeg ik, dat zij het liefste schepsel op Gods geheelen aardbodem was, en dat zij sterven moest, alleen omdat—omdat—-Hoor, Lise, als ooit iemand iets in uwe oudtante te berispen heeft, spreek het tegen; want er heeft nooit reiner hart geleefd, maar er is er ook nooit één geweest, dat zoo schandelijk gebroken werd—”Zij zweeg een poos.“Ga niet meer naar het slot, Lise,” voer zij voort; “zie, ik kan u alles niet zeggen wat geschied is; het wil niet over mijne lippen komen; later zult gij alles vernemen; maar geloof mij, het gaat niet goed, de oude barones—de—-”“Heeft die iets met de geschiedenis van tante Lisette uit te staan?” vroeg het meisje. “Zeg het mij, tante, bid ik u!”“Ik zeg ja noch neen, Lise,” antwoordde zij; “maar ditzeg ik,” en hare stem klonk ernstig, “wij zijn nog niet aan het einde, en ging het haar nog slechter op de wereld dan tot nu, en al kwam zij als bedelares hier voor ons huis, ik joeg haar weg, want waar zij komt, brengt zij vloek, en ik hoop het haar nog eens in het gezicht te kunnen zeggen, dat zij eene—”“Tante!” riep Liesje, zoo angstig en luid, dat de oude vrouw verschrikt ophield.“Het is goed,” mompelde zij. “Ik zal niets meer zeggen. Maar gij moogt niet zoo ongelukkig worden als Lisette. Ik zou het niet kunnen overleven, wanneer—-O, mijn God, kind! ik wilde u niet bedroeven. Ik wilde u slechts waarschuwen, Liesje,” vervolgde zij en trok het snikkende meisje aan hare borst.—“Gij zult uwe vriendin niet verliezen, om alles ter wereld niet; maar zie, als iemand jong is, komen er soms allerlei dwaze gedachten——Liesje, kind,” fluisterde zij angstig, “zeg, gij zijt toch overtuigd, dat ik het goed meen?”Liesje knikte: “Ja, ik weet, gij meent het goed, tante! maar—-” Zij zweeg, zij was zoo droef te moede, als nooit te voren—-Beneden in de huiskamer zaten ze ook nog en spraken over oude tijden; over de schoone Lisette en baron Frits; toen stond de kleine predikantsvrouw op, en zong met haar lieve stem een eenvoudig lied:Bij ’t graf staat een linde en die welft er zich over;De vogels en ’t windeken fluiten door ’t loover,Er zit aan zijn voet—of het feestavond was—Een knaap met zijn liefje, in ’t donzige gras;Het windeken waait er zoo koud en zoo pijnend,De vogels, die zingen zoo zacht en zoo kwijnend,En beide gelieven, zij worden dra stom,Zij weenen, en geen van de twee weet waarom!“Waar is onze Lise toch,” vroeg zij daarop, “zij moet ook eens wat zingen.”En Lise zat nog immer boven bij hare tante; en toen zij naar het gezang beneden luisterde, begon zij ook te weenen—zonder zelve te weten waarom. Het was, als dook een nevel voor hare oogen op, waarin twee lachende kindergezichten meer en meer verdwenen; deze werd hoe langer zoo dikker, tot ze een hoogen muur vormde en daarvóór stond de trotsche, schoone burchtvrouw uit de familiezaal daarboven, met de wondervolle zwarte oogen en het blauw zijden gewaad, haar met de handen afwijzende: “Wat wilt gij hier? Gij behoort niet bij ons. Gij zijt lompenmolenaars Lise; keer terug, anders moet gij sterven. Denk aan Lisette, de schoone Lisette en—-”Haastig sprong zij op en ijlde naar haar kamer, waar zij zich op het bed wierp, en bittere tranen weende om iets, wat haar nu eerst duidelijk was geworden, en waarvan het verlies haar het leven zoo ledig, zoo treurig deed voorkomen.Marie stond aan hare deur en luisterde naar het bange snikken daar binnen.“Mijn God,” fluisterde zij, “ik had wel goed gezien; zij heeft hem lief, dien Army; mocht ik haar nog tijdig genoeg gewaarschuwd hebben! Beter nu geschreid, dan later. Arm kind! ja—zulk een eerste liefde maakt immers zoo gelukkig—”En beneden vertrokken juist de gasten; zij verstond duidelijk de woorden, bij het afscheid gesproken:“Ja, ja, Bernard, zoo gaat het in de wereld!” sprak de predikant; “het leven baart vreugde en smart—nu, als wij eens als oude luidjes over het verledene spreken, zal het hoop ik niet zoo droevig luiden, als het verhaal van heden avond, en wij kunnen dan zeggen: Ziet kinderen, het is ons beter gegaan dan wij verdienden; wel, Bernard, ik zie u waarlijk al grootpapa, en Lise naast een flinken man op den molen. Nu, God behoede u! tot weerziens met Pinksteren, den tweeden feestdag—den derden komt gij bij ons, nietwaar Rosina! Goeden nacht! Groet Liesje en tantevan ons.” Het werd stil in huis, slechts in Liesjes kamer had het bitter weenen nog niet opgehouden, en eerst laat ging de oude vrouw de trappen af naar haar eigen klein vertrek. “Zij slaapt,” mompelde zij, “God geve haar een vroolijk ontwaken, en mettertijd veel liefde en zegen! Zij is immers nog zóó jong, zóó jong, en het leven is zoo zwaar en lang, voor velen, ja—voor de meesten!

Den volgenden dag was het ongunstig weder. De hemel was geheel met een donker floers bedekt, en een zachte regen viel op de bloeiende appelboomen en de vlier. Liesje stond des namiddags boven in haar kamertje, en zag met een droevig gelaat naar het slot, welks torens in een grauwen sluier gehuld schenen. Alles was vandaag verkeerd gegaan; iedereen zag donker; haar vader had onaangenaamheden in zijn beroep gehad; tante had zich geërgerd, omdat Doortje de staldeur niet gesloten had, waarachter de hen met hare kiekens verblijf hield, die nu in den regen buiten waren: iets, dat streng verboden was; de kleine diertjes zouden nu allen omkomen, voorspelde zij; de oogen verdraaiden reeds. Doortje was erg beknord en liep met roodgeweende oogen door het huis; en tot overvloed van smart was de jonge heer Selldorf gekomen, die bij haar vader in de zaak zou werkzaam zijn, en had met de familie het middagmaal gehouden.

Gewoonlijk aten de heeren, die bij hem in de leer waren, boven in het huis dat zij bewoonden, want de heer Erving bevond zich het liefst uitsluitend te midden der zijnen; heden had hij echter eene uitzondering gemaakt, omdat hij zeer bevriend was met den vader van den jongen man. De jonge blonde heer, met zijn blauwe das, had tegenover Liesje gezeten en haar gedurig aangekeken, hetgeen volstrekt nietnoodig was; er was gesproken over zijn vader, over beroepsaangelegenheden, en over de gezondheid zijner moeder, wat alles recht vervelend was geweest. Daarbij kwam, dat Liesje, voor de eerste maal sedert haar dit werk was opgedragen, vergeten had de duiven te voeren; zij ergerde zich over zich zelve—wat scheelde haar toch? En toen dacht zij er aan, hoe zij gister met haar naaiwerk onder den lindeboom vóór het huis had gezeten, tot het donker werd, en telkens, als er iemand naderde, geschrikt was, en hartkloppingen had gevoeld; hoe het steeds onverschillige menschen geweest waren; ten laatste kwam de oude bedelaarster Marie, en toen was zij in huis gegaan en had geweend. Zij bloosde uit schaamte over zich zelve, toen zij zich herinnerde, dat zij gister avond, wijl zij niet slapen kon, nog eenmaal was opgestaan om het venster te openen en naar den postillon te luisteren, die een lustig deuntje zat te blazen op den bok van het rijtuig, waarmede Army—zoo spoedig weder vertrok.

“Dat het nu ook zulk naar weer is,” sprak zij op eens halfluid, een deeltje van Geibels gedichten van de boekenplank nemende, “anders zou Nelly zeker eindelijk wel eens komen.”

Zij zette zich op de kleine sofa, en bladerde in het boek, zonder de liefelijke zangen, van welke zij anders zooveel hield, met iets meer dan een vluchtigen blik te verwaardigen. Zoo zat zij, totdat in de gang de voetstappen harer tante gehoord werden, en het goedige gezicht met het helderwitte mutsje in de deur zichtbaar werd.

“Zeg eens, Lise, waar om Gods wil zit gij toch?” vroeg zij geheel buiten adem; “eerst ziet gij den ganschen dag zoo zuur als azijn, en nu zit ge hier te lezen, in plaats van uw oude tante beneden wat te helpen. Gij weet wel, het is van daag Donderdag; dan komt de familie uit de pastorie. Doortje is geheel verslagen door de berisping, die zij ontvangen heeft, en Mina pruilt om haar gezelschap te houden; gij hadt mij wel kunnen helpen de duiven klaar te maken, of de aspergieste schillen; dat is niet gemakkelijk, en gij dient het te leeren voor de aanstaande huishouding, want een vlijtige huisvrouw is de rijkdom des mans. Maar wat ziet het er hier toch gezellig uit,” viel zij zich zelve in de rede, terwijl zij het vertrek rondkeek, dat er met zijn witte verf, met wit en blauw gestreept katoen overtrokken meubels en neteldoeksche venstergordijnen, als een echte meisjeskamer uitzag. “Zie eens, hoe uw myrtheboompje in ’t water drijft! Daar schiet mij te binnen, waarom ik hier eigenlijk kwam: hier is een briefje van Nelly. Hendrik bracht het mede;” zij nam het uit haar zak en gaf het Lise, die het openbrak en las.

“Verbeeld u, tante,” riep zij verrast, “zij krijgen bezoek op het slot! Nelly is er bovenmate over verheugd; het is eene nicht, Blanka van Derenberg; en Army komt ook over met verlof en zij hoopt, dat ik haar dan dikwijls zal komen bezoeken.

“Zoo?” vroeg de oude vrouw.

“Ja, Nelly schrijft, zij zou zelve gekomen zijn om het mij te vertellen, maar zij had vandaag geen tijd, dewijl zij helpen moest de kamers in orde te brengen.”

“Zouden zij dat dan nu eerst hebben vernomen?” sprak de oude vrouw.

“Och neen,” zei Lise, “Army is dáárom over geweest, schrijft Nelly.”

“Is Army weer hier geweest?” vroeg tante, en zag verbaasd naar het jonge meisje, dat plotseling hoogrood geworden was; “wanneer dan?”

“Op Nelly’s verjaardag,” klonk het zacht.

“Ei zoo!en daar hebt gij mij niets van verteld, Lise? Gij zegt mij anders toch alles!” en de stem der oude vrouw klonk angstig. “Zeg Lise, waarom hebt gij dat verzwegen?”

“Omdat ik niet altijd hooren wil, als gij zegt dat hij trotsch en voornaam is geworden.”

“En waarom wilt gij dat niet hooren, Lise?”

“Omdat het niet waar is; omdat hij geen tijd heeft gehad om hier te komen—anders had hij het zeker gedaan.”

Zij brak in tranen uit; de bedrogen verwachting van gister kwam haar weder te binnen.

“Maar, Lise, groote goedheid, wat moet dat beteekenen? Hoe dwaas, dat gij om zóó iets schreit! Wat ter wereld kan u Army schelen?”

De oude vrouw sprak knorrig; men kon het haar aanzien, dat haar hart bezwaard was.“Ik denk, dat het u niet aangaat, wat ik van Army zeg. Uwe wegen en de zijne loopen niet naast elkaar, zooals in uwe kindsheid; hij is nu een voornaam heer en gij zijt een volwassen meisje.—Wat moet men daarvan denken, dat gij zoo bitter weent?”

Lise viel de oude vrouw om den hals. “Och, tante, wees niet boos!” snikte zij; “het is recht kinderachtig van mij, maar ik kan het nu eenmaal niet aanhooren, zooals gij over de bewoners van het slot spreekt; wij hebben altijd zoo vriendschappelijk gespeeld, en het is altijd net of gij die schoone herinneringen onbarmhartig wilt uitwisschen, als gij boos zijt op Army en Nelly.”

De oude vrouw schudde het hoofd. “Kind!” zei zij toen, “och, wist gij slechts, wat bitter leed zij daarboven ons berokkend hebben!”

“Kunnen Army en Nelly dat helpen?”

“Neen—maar—”

“Gij zegt immers zelf altijd, dat wij onze vijanden moeten vergeven.”

“Dat is zoo, maar het is onmogelijk een onrecht te vergeten, dat u zoo van nabij treft, als—”

“Och, spreek daar niet van, tante!” bad Liesje vriendelijk en zag haar door hare tranen heen lachend in het gelaat; “ik zal niet weder zoo dwaas weenen; maar hoor! dan bromt gij ook niet meer. Ik ga nu met u naar beneden, en zal u helpen de duiven klaar te maken en ze zóó braden, als vaderze graag lust? En hebt gij reeds radijs uit den tuin gehaald of zal ik het doen?”

Zij vleide en bad zoo lang, tot de oude haar een kus gaf, en toen zij de voorzaal boven doorgingen, waarin groote linnen- en kleerkasten stonden, zag tante onwillekeurig naar een der deuren, en een bange zuchtontgliptehaar.

“Dat was Lisette’s kamer,” zeide zij met zekeren nadruk in haar toon. Het jonge meisje knikte en ijlde vlug de trappen af. Zij had immers reeds zoo dikwijls van Lisette gehoord; zij wist, dat het hare oudtante was, en haar naam altijd met eerbied werd uitgesproken; doch omdat men haar niets naders meedeelde, boezemde het haar weinig belang in, dat zij boven gewoond had. Zij schaamde er zich echter over, dat zij zoo kinderachtig geschreid had; wat zou hare tante nu wel gelooven? Misschien wel, dat zij Army—-? Zij kleurde en voleindigde de gedachte niet, maar begon te zingen, terwijl zij naar de woonkamer ging om den predikant en zijne vrouw te begroeten. Tante Marie volgde haar met angstige blikken. “Heer in den hemel!” bad zij, “bewaar ons genadig voor een tweede ongeluk!”Want een ongeluk zou het worden; van daarboven is nog niets goeds gekomen, sedert de oude op het slot leeft. “Heere, bewaar het meisje! Zij weet het zelve nog niet, maar het is waar, wat ik zoo even hoorde—zij heeft dien Army lief. Hoe haar te helpen?—” Peinzend maakte zij het avondeten gereed, en toen eens Liesje’s heldere lach tot in de keuken klonk, schudde zij het hoofd, en aan den avondmaaltijd bespiedde zij van ter zijde het lachende gezichtje, dat niet het minste spoor van tranen vertoonde. Het was ook een vergenoegd gezelschap, dat daar in de koele eetzaal zat om de groote, ronde tafel, met helderwit damast gedekt. De heer des huizes, met zijn vriendelijk gelaat; de predikant, die men het aanzag, dat hij zich verheugde bij den vriend zijner jeugd te zijn, en Rosine, zijn vrouwtje, dat altijd vergenoegd was, hoewel zij te huis een troepje kleine kinderen had, die als orgelpijpen op elkandervolgden, en haar dikwijls veel zorgen gaven, als zij meermalen niet wist van waar ze nieuwe kleeren zouden krijgen. Zelfs de Donderdagavonden, wanneer zij in den molen van de zorgen en beslommeringen der week uitrustte, zat zij ternauwernood, of een kinderkousje kwam voor den dag, waaraan zij ijverig breide, en niet zelden legde juffrouw Erving haar lachend een pakje kousen in den schoot, met de woorden: “Ziedaar, lieve, ik heb u wat geholpen; laat nu voor van avond het breien eens rusten, en zing een lied voor ons!” En dan zong zij met haar lieve, zachte stem een eenvoudig lied. Later echter greep zij onwillekeurig weer naar hare breikous en zeide lachend: “laat mij begaan, Mina! Ik kan het niet laten.” De vrouw des huizes was dezen avond bijzonder wel, en voerde een druk huishoudelijk gesprek met Rosine, terwijl Liesje vroolijk met haar vader en den geestelijke schertste; alleen tante was stil, en zelfs de loftuitingen over hare kookkunst waren niet bij machte, haar te doen glimlachen; ze proefde niet eens van den geurigen Rijnwijn, die in de groene glazen zoo heerlijk parelde.

“Weet gij wel, dominé,” vroeg de gastheer, “dat ik nu een zoon van onzen ouden schoolkameraad Selldorf hier heb?”

“Een jongen van Selldorf? Wel, wat zegt gij daar! Hoe is het dien eigenlijk gegaan?”

“Hij heeft een groote scheikundige fabriek in Thüringen.”

“Zoo, en de jongen zal—?”

“De jongen komt zijn neus eens in mijn bedrijf steken, omdat de oude plan heeft eene papierfabriek—eigenlijk lompenmolen—op te zetten. Hij is trouwens gelukkig geweest; hij kwam als boekhouder in de zaak, die nu de zijne is, huwde de eenige dochter zijns patroons en werd een gezeten man. Hij heeft een knappen kop en een door en door degelijk karakter. Gij moet den jongen eens zien; sprekend gelijkt hij op den oude van vroeger; dezelfde oogen, hetzelfde blonde haar. Ik verbeeldde mij dat ik nog jong was, toen ik hem zag.”

“En waar is hij?”

“Boven in de werkkamer. Ik behandel hem geheel als de andere jongelui;vanmiddagheeft hij hier gegeten en daarmede basta.—Gij weet, ik ontvang niet graag vreemden in mijn huiselijken kring.”

De geestelijke knikte. “Ik moet hem toch stellig eens zien. Wat zegt Liesje wel van hem?” vroeg hij schertsend aan het jonge meisje.

“Niemendal, oom!” antwoordde zij.

“Dat is al heel weinig,” lachte hij. “Maar a propos, daar schiet mij te binnen, Liesje, dat Army hier geweest is. Ik zag hem, toen hij aankwam; wat is dat een knappe jongen geworden! Hebt gij hem gezien, kleine?”

Liesje knikte toestemmend, maar werd bloedrood; waarom zag tante haar ook zoo doordringend aan!

“Het hindert mij toch,” voer de leeraar voort, “dat hij het niet de moeite waard acht, eens bij ons te komen; het is niet aardig van hem, dat hij zijn ouden leermeester niet meer wil kennen—dat is een aardje naar de oude barones.”

“Gij zijt niet de eenige, die u daarover te beklagen hebt,” zeide de gastvrouw. “Hier is hij ook niet geweest. Maar Nelly komt wel bij ons.”

“Een allerliefst meisje,” sprak de predikantsvrouw.

“Precies haar grootvader,” riep tante, “datwas een man! Maar wien de Heer lief heeft, dien zendt Hij dikwijls bitter lijden.”

“Hij leefde zeer ongelukkig met zijne vrouw, niet waar?” vroeg Rosine.

“O, waar die komt, treedt het ongeluk ook binnen; zij heeft niet alleen haar eigene familie te gronde gericht, ook anderen heeft zij kommer en zorg berokkend.”

“Ja, zij moet dol hebben huisgehouden,” sprak de geestelijke: “tusschenbeide hoort men er nog over spreken door de dorpelingen.”

“Mijne familie kan daar ook van meepraten, nietwaar, tante?” vroeg de heer des huizes.

“Dat weet de Almachtige!” riep de oude vrouw.“Hoevele tranen heeft deze vrouw doen storten! Maar God heeft ze alle geteld,” snikte zij, terwijl zij haastig opstond en de kamer verliet.

“Het kan geen kwaad,” meende zij, haar kamertje binnentredende, terwijl zij nog eens nadacht over ’t geen haar bekommerde, “het kan geen kwaad, als ik Lise die geschiedenis vertel; het werd haar dan misschien duidelijk, hoe zij daarboven zijn.”

Toen stond zij op, zocht een sleutel, ging zachtjes de trap op en ontsloot de deur van Lisette’s kamer.

Het was een klein vertrek, en in het schemerlicht kon men ternauwernood de eenvoudige meubels onderscheiden. Tusschen de ramen stond eene commode met blinkend koper beslag, daarboven hing een spiegel in een gesneden lijst gevat; een smal ledikant, groen geverfd en met een ruwen slinger van rozen beschilderd; daar vóór een klein tafeltje op drie pooten, terwijl tegenover het bed een klein kruisbeeld hing, onder een bont gekleurde plaat, een meisje voorstellende, met een duif op de hand. Tusschen bed en venster was een linnenkastje van donkerkleurig hout geplaatst, en voor het andere raam stond een klein werktafeltje, met een stoel er voor. Onder den spiegel hing een krans van verwelkte, blauwe bloemen, die sterk afstak bij den frisschen, geurigen bloemruiker in de ouderwetsche vaas op de commode. Telken jare als de vlier bloeide, bracht Marie die hier; de vroegere bewoonster had die bloesems liefgehad. Die tijd van het jaar wekte altijd een smartelijke herinnering in het hart der oude.

Zoo zat zij dezen avond weder in het kamertje der schoone Lisette, en voor haar geest mengden zich het verleden en heden dooreen; het was haar, alsof zij weder het frissche, jonge meisje was, en de slanke gestalte harer vriendin daar vóór het venster stond en met haar schoone oogen smachtend op den zuidelijken slottoren staarde. “Hij komt, Marie;hij komt—ik heb het licht gezien,” had zij toenmaals dikwijls geroepen, waarop zij dan naar beneden gingen, in den tuin, en daar in het donkere priëel van jasmijn had een gelukkig minnend paar gezeten, in alle eer en deugd—-

En toen?

Toen lag zij op dit bed, de schoone gestalte, gebogen onder den last des jammers, met doodsbleeke wangen en de blauwe oogen schitterende van koortshitte.

“Is het niet genoeg,éénmaalzulk lijden te moeten aanzien? O God, bewaar mijn lieveling, mijne Lise!” bad zij, de handen in den schoot gevouwen, met oogen vol tranen.

Op eens vatten een paar kleine handen de hare; een zachte wang legde zich tegen haar gelaat, en toen zij opzag, schouwde zij in een paar diepe, blauwe oogen, en een zachte stem vroeg: “waarom schreit gij, tante, zijt gij nog steeds boos op mij?”

De oude vrouw antwoordde niet terstond; het was haar op dit oogenblik, als zag zij een liefelijke verschijning; daarop vroeg zij: “Wat komt gij hier doen, Lise?”

“Och, tante! ik zocht u beneden in uwe kamer; zij praten binnen zooveel over een baron Frits en mijne oudtante Lisette; nu wilde ik u vragen, mij iets van hen te vertellen, en daarom ben ik hier gekomen.”

“Dan komt gij juist van pas, Lise! Laat hen daar beneden maar praten. Niemand weet het zoo goed als ik; want ik heb het zelf beleefd; wel had ik gewenscht, dat het u nog lang onbekend zou blijven, hoe erg het soms in de wereld toegaat, maar het is beter voor u—kom, ga zitten!”

Het jonge meisje gehoorzaamde, nadat zij schuw de kamer, in welke zij als klein kind slechts ééns een blik had geworpen, had rondgezien, en de oude vrouw, de handen weder vouwende, maakte zich gereed te spreken. Toch bleef zij stom en zag verlegen voor zich. Zou zij het jonge wezen de droevige geschiedenis verhalen en haat en wantrouwen in haar reine ziel storten? Het meisje, dat in stomme verwachtingnaast haar zat, was immers nog bijna een kind; zij zou Army wel spoedig vergeten—neen, zij mocht deze droevige geschiedenis niet verhalen. En toch—als deze zich nog eens herhaalde, en zij had haar lieveling niet gewaarschuwd!

“Doe eerst het raam open, Lise!” zeide zij: “de lucht is hier drukkend.”

Het meisje opende beide vensters; de regen had opgehouden; van de boomen vielen slechts nog enkele droppels en de frissche lucht, het gevolg van den regen, vervulde het vertrekje.

“Lise,” klonk het halfluid, “Lise, gij—mij dunkt het is beter dat gij niet zoo dikwijls meer naar Nelly gaat—naderhand, meen ik; later, als Army weer te huis is, en de nicht,” voegde zij er vergoelijkend bij, toen Liesje haar verrast aanzag. “Zie, het is niet—ik denk—ik—” zij stamelde en zweeg.

“Daar nu maar niet over, tante; vertel liever van Lisette?” vleide het meisje, bevreesd voor het oude thema.

“Wat ik van Lisette wilde vertellen,” riep de oude vrouw heftig, “dit zeg ik, dat zij het liefste schepsel op Gods geheelen aardbodem was, en dat zij sterven moest, alleen omdat—omdat—-Hoor, Lise, als ooit iemand iets in uwe oudtante te berispen heeft, spreek het tegen; want er heeft nooit reiner hart geleefd, maar er is er ook nooit één geweest, dat zoo schandelijk gebroken werd—”

Zij zweeg een poos.

“Ga niet meer naar het slot, Lise,” voer zij voort; “zie, ik kan u alles niet zeggen wat geschied is; het wil niet over mijne lippen komen; later zult gij alles vernemen; maar geloof mij, het gaat niet goed, de oude barones—de—-”

“Heeft die iets met de geschiedenis van tante Lisette uit te staan?” vroeg het meisje. “Zeg het mij, tante, bid ik u!”

“Ik zeg ja noch neen, Lise,” antwoordde zij; “maar ditzeg ik,” en hare stem klonk ernstig, “wij zijn nog niet aan het einde, en ging het haar nog slechter op de wereld dan tot nu, en al kwam zij als bedelares hier voor ons huis, ik joeg haar weg, want waar zij komt, brengt zij vloek, en ik hoop het haar nog eens in het gezicht te kunnen zeggen, dat zij eene—”

“Tante!” riep Liesje, zoo angstig en luid, dat de oude vrouw verschrikt ophield.

“Het is goed,” mompelde zij. “Ik zal niets meer zeggen. Maar gij moogt niet zoo ongelukkig worden als Lisette. Ik zou het niet kunnen overleven, wanneer—-O, mijn God, kind! ik wilde u niet bedroeven. Ik wilde u slechts waarschuwen, Liesje,” vervolgde zij en trok het snikkende meisje aan hare borst.—“Gij zult uwe vriendin niet verliezen, om alles ter wereld niet; maar zie, als iemand jong is, komen er soms allerlei dwaze gedachten——Liesje, kind,” fluisterde zij angstig, “zeg, gij zijt toch overtuigd, dat ik het goed meen?”

Liesje knikte: “Ja, ik weet, gij meent het goed, tante! maar—-” Zij zweeg, zij was zoo droef te moede, als nooit te voren—-

Beneden in de huiskamer zaten ze ook nog en spraken over oude tijden; over de schoone Lisette en baron Frits; toen stond de kleine predikantsvrouw op, en zong met haar lieve stem een eenvoudig lied:

Bij ’t graf staat een linde en die welft er zich over;De vogels en ’t windeken fluiten door ’t loover,Er zit aan zijn voet—of het feestavond was—Een knaap met zijn liefje, in ’t donzige gras;Het windeken waait er zoo koud en zoo pijnend,De vogels, die zingen zoo zacht en zoo kwijnend,En beide gelieven, zij worden dra stom,Zij weenen, en geen van de twee weet waarom!

Bij ’t graf staat een linde en die welft er zich over;

De vogels en ’t windeken fluiten door ’t loover,

Er zit aan zijn voet—of het feestavond was—

Een knaap met zijn liefje, in ’t donzige gras;

Het windeken waait er zoo koud en zoo pijnend,

De vogels, die zingen zoo zacht en zoo kwijnend,

En beide gelieven, zij worden dra stom,

Zij weenen, en geen van de twee weet waarom!

“Waar is onze Lise toch,” vroeg zij daarop, “zij moet ook eens wat zingen.”

En Lise zat nog immer boven bij hare tante; en toen zij naar het gezang beneden luisterde, begon zij ook te weenen—zonder zelve te weten waarom. Het was, als dook een nevel voor hare oogen op, waarin twee lachende kindergezichten meer en meer verdwenen; deze werd hoe langer zoo dikker, tot ze een hoogen muur vormde en daarvóór stond de trotsche, schoone burchtvrouw uit de familiezaal daarboven, met de wondervolle zwarte oogen en het blauw zijden gewaad, haar met de handen afwijzende: “Wat wilt gij hier? Gij behoort niet bij ons. Gij zijt lompenmolenaars Lise; keer terug, anders moet gij sterven. Denk aan Lisette, de schoone Lisette en—-”

Haastig sprong zij op en ijlde naar haar kamer, waar zij zich op het bed wierp, en bittere tranen weende om iets, wat haar nu eerst duidelijk was geworden, en waarvan het verlies haar het leven zoo ledig, zoo treurig deed voorkomen.

Marie stond aan hare deur en luisterde naar het bange snikken daar binnen.

“Mijn God,” fluisterde zij, “ik had wel goed gezien; zij heeft hem lief, dien Army; mocht ik haar nog tijdig genoeg gewaarschuwd hebben! Beter nu geschreid, dan later. Arm kind! ja—zulk een eerste liefde maakt immers zoo gelukkig—”

En beneden vertrokken juist de gasten; zij verstond duidelijk de woorden, bij het afscheid gesproken:

“Ja, ja, Bernard, zoo gaat het in de wereld!” sprak de predikant; “het leven baart vreugde en smart—nu, als wij eens als oude luidjes over het verledene spreken, zal het hoop ik niet zoo droevig luiden, als het verhaal van heden avond, en wij kunnen dan zeggen: Ziet kinderen, het is ons beter gegaan dan wij verdienden; wel, Bernard, ik zie u waarlijk al grootpapa, en Lise naast een flinken man op den molen. Nu, God behoede u! tot weerziens met Pinksteren, den tweeden feestdag—den derden komt gij bij ons, nietwaar Rosina! Goeden nacht! Groet Liesje en tantevan ons.” Het werd stil in huis, slechts in Liesjes kamer had het bitter weenen nog niet opgehouden, en eerst laat ging de oude vrouw de trappen af naar haar eigen klein vertrek. “Zij slaapt,” mompelde zij, “God geve haar een vroolijk ontwaken, en mettertijd veel liefde en zegen! Zij is immers nog zóó jong, zóó jong, en het leven is zoo zwaar en lang, voor velen, ja—voor de meesten!


Back to IndexNext