Lucien begon hen opnieuw de namen van Hortense en Emile voor te zeggen. (blz. 305)
Lucien begon hen opnieuw de namen van Hortense en Emile voor te zeggen. (blz. 305)
»Sla een weinig rechts af! Tatita Sumichrast,” riep de Encuerado eensklaps uit.
—Waarom dat?
—Zie maar eens achter u.
Ik keek om, en in de verte bemerkte ik het schijnsel van een groot vuur. De Indiaan had van onzen slaap gebruik gemaakt om op den top van den heuvel eene groote houtmijt op te richten en bij het vertrek was hij in gebreke gebleven haar in brand te steken. Lucien zag, op den schouder van Sumichrast gezeten, een zwaren rook ten hemel stijgen; plotseling schoten heldere vlammen te voorschijn en weerkaatsten zich, zonderling genoeg voor ons, als op de oppervlakte van een meer. Onze marsch werd, dank zij dit richtpunt, zekerder; maar allengs verminderde het vuur en weldra zagen wij niet meer dan eene rookzuil die, daar er geen wind was, recht omhoog steeg.
Wij marcheerden zonder ophouden gedurende meer dan vijf uren; ik stelde eene halt voor. Wij behoefden ons slechts op het gras uit te strekken om een zacht bed te vinden, en Lucien sliep spoedig in. Lang voor het aanbreken van den dag wekte de Indiaan ons, en na goed zijne richting te hebben genomen, voerde hij ons aan. Niettegenstaande de half geuite klachten van Lucien, werd de marsch met kracht hervat. Bij den eersten zonnestraal klom ik op de schouders van Sumichrast, om den horizon te onderzoeken. Rechts bespeurde ik de blauwachtige, door den vulcaan beheerschte bergen; en verder om ons heen eene effene vlakte, die door den morgenwind bewogen werd. De in den grond gestoken staken ondersteunden de aaneen bevestigde tijgervellen. Er werd eene groote oppervlakte ruim gemaakt en een in den grond gemaakt gat diende voor haard. Onze kreeften waren goed versch gebleven. Terwijl de Encuerado ze in het gat roosterde, bewaakte ik met Sumichrast de richting van de vlam, want voor onze veiligheid moesten wij zorg dragen de Savanne niet in brand te steken. Door onze waakzaamheid gelukte het ons het vuur binnen zijne perken te houden, maar de half verkoolde kreeften smaakten zoo naar den rook, dat ik dacht, dat wij ze niet zouden kunnen eten. Een weinig piment hielp evenwel om ze door te slikken, en toen het uur van rusten daar was, werd het vuur zorgvuldig uitgedoofd.
Ik werd tegen den middag wakker, half geblakerd door de zon, die de schaduw had verplaatst. Ik schudde mijne makkers wakker, opdat zij van plaats zouden veranderen, en Lucien, die de opvoeding zijner papegaaien niet wilde verwaarloozen, begon hun opnieuw de namen van Hortense en Emile voor te zeggen. De warmte deedons bijna stikken en ik raadde den knaap aan, opnieuw te gaan slapen.
Bij het ondergaan der zon vatte de Encuerado zijne mars weer op en nam de voorhoede in. Deze tweede nacht ging evenals de eerste voorbij en wij hadden minstens acht mijlen afgelegd. Lucien kon niet meer, zoodat wij een weinig voor het aanbreken van den dag moesten kampeeren. De gerookte kreeften maakten andermaal onzen maaltijd uit; Jaunet en Verdet beklaagden zich, naar het zeggen van den Encuerado, dat zij niets anders dan palmnoten te knabbelen kregen. Meester Job nam zonder tegenstand de kreeften aan en peuzelde ze op, zonder ze van de schaal te ontdoen.
De derde nachtmarsch, door vijf of zes halten onderbroken, werd tot den ochtendstond voortgezet.
Bij de eerste schemering onderzocht ik opnieuw den gezichteinder;—nog altijd de blauwachtige bergen aan de rechterhand, en verder overal de eenzame, doodsche vlakte. Dien dag moest men zich met maïskoeken tevreden stellen; maar de hoop, dat wij eindelijk het bosch zouden bereiken, beurde zelfs onzen kleinen reisgezel op. »Nog een nacht,” herhaalden Sumichrast en de Encuerado, »en rust en overvloed wachten ons.”
De vierde marsch was veel moeielijker, vooral voor den armen Lucien, die soms hinkte. »Wij zullen spoedig boomboschjes en kudden ontmoeten,” sprak Sumichrast tot hem; »'t is onze laatste beproeving. Na zoo dapper de groote wouden doortrokken te zijn, zult gij u toch zeker niet door de savannen willen laten overwinnen.”
—»Neen,” antwoordde de wakkere knaap; »ik zou zelfs vlugger willen vooruitkomen als ik kon; ik weet dat ik mijne lieve moeder zal weerzien; maar mijne voeten doen zoo'n pijn.”
—He, Chanito, gij hadt niet gedacht dat de savannen zoo groot waren?
—»Noch zoo droevig,” antwoordde Lucien.
De dag brak aan. Ik peilde opnieuw den gezichteinder, zonder iets anders te zien dan hemel en gras. »Ik vrees, dat wij op een verkeerden weg zijn,” sprak ik tot den Encuerado, »God geve, dat wij niet gedurende drie dagen op goed geluk af ronddraaien.”
—Neen, Tatita, de vulkaan is altijd rechts.
—»Op den afstand, waarop wij er ons van bevinden, kunnen wij twintig mijlen afwijken, zonder er erg in te hebben.”
De Indiaan klom op zijne mars en onderzocht nauwkeurig de gedaante van de bergen.
»Wij zijn op den goeden weg,” sprak hij met overtuiging, »de savanne is lang, dat is alles.”
De verzekering van den Encuerado stelde mij slechts ten halve gerust. De voeten van Lucien kwamen vol blaren; hij kon niet langer de groote marschen volhouden, die wij verplicht waren te doen. Dat loopen in de eenzaamheid en de duisternis vermoeide hem buitengewoon. Een weinig voor het aanbreken van den nacht, maakte ik den armen jongen wakker en nam hem bij de hand; hij kon zijne voeten nauwelijks neerzetten. Eensklaps bemerkte ik, dat hij schreide; ik nam hem op mijne armen en daar viel hij in slaap.
Het was nauwelijks tien uur in den avond; ik kon er niet toe besluiten een nacht te verliezen en onder de stralen van een rechtstaande zon konden wij niet op den dag marcheeren. De Encuerado maakte met behulp van de riemen en staken, die dienden om onze tent te ondersteunen, een draagstoel van eene nieuwe soort, waarop wij den knaap lieten zitten. Sumichrast vatte de stokken, teneinde mij onzen lieven reismakker te helpen dragen. Dien nacht verrichtten mijn vriend en ik wonderen, wij moesten honderdmaal stilstaan, om de verdooving uit onze armen te verdrijven, maar wij hadden verscheidene mijlen afgelegd. De dageraad brak nauwelijks aan, of ik ondervroeg weer dengezichteinder:—helaas! er was niets veranderd; ik bemerkte slechts troepen zwarte gieren en hunne tegenwoordigheid scheen mij niets goeds te voorspellen.
Sumichrast, die de staken in den grond had geslagen, om de tijgerhuiden er over te hangen, wierp zijn machete naar den kant van de mars toe. Bij het neervallen stiet de punt van het wapen tegen de reserve-waterflesch, die barstte, zoodat de inhoud er uitvloeide. De Encuerado uitte een kreet en zag ons met vertwijfeling aan,—dit ongeval maakte onzen toestand bijna wanhopig. Sumichrast ging met het hoofd in de handen zitten en scheen zoo terneergeslagen, dat ik hem trachtte op te beuren.—Ik ging naast Lucien liggen, wiens voeten hoe langer zoo meer opzwollen; na eene korte rust genomen te hebben, stelde ik voor den weg te hervatten en de zonnestralen te trotseeren; maar deze onzinnige onderneming moesten wij weldra opgeven.
Bij de eerste schaduw de beste nam de knaap weer op de draagbaar plaats. Treurig omdat hij zich niet op de been kon houden, leed hij onder onze inspanning en omhelsde hij ons telkens, als wij staan bleven om adem te scheppen. Wij drukten hem in onze armen en omhelsden hem; deze liefkoozingen hernieuwden onzen moed. Niettemin was deze nacht nog moeielijker dan de vorige; de dorst kwelde ons, en het voedsel, waartoe wij veroordeeld waren, herstelde slechts ten deele de verloren krachten. Evenals den vorigen dag, werd de gezichteinder met koortsachtigen angst onderzocht en ooknu nog bespeurden onze blikken niets dan de uitgestrekte vlakte.
Wij hielden raad; helaas! er bestond slechts één redmiddel om uit onzen toestand te geraken: n.l. loopen.
»Zullen wij dan verplicht zijn meester Job op te eten!” had de Encuerado gevraagd.
Lucien had zijne armen naar het ongelukkige dier uitgestrekt, als om het te beschermen. Ik had het voorstel van den Indiaan ook verworpen; maar ik moest bij mij zelven bekennen, dat wij binnen vier en twintig uren tot dat uiterste zouden gedwongen zijn.
Het was de 21 Juni, juist twee maanden nadat wij Orizava hadden verlaten en op het punt waren van thuis te komen. Toen wij meenden van alle ernstige ongevallen bevrijd te zijn, kwam die eindelooze savanne hare woeste vlakte voor ons uitbreiden. Wij werden zichtbaar mager en het water, dat ons overbleef, werd druppelsgewijze door Lucien opgedronken. Nog één dag, en onze maïskoeken zouden op zijn en wat hielp ons onze rijst zonder water? De vermoeidheid overwon onze bezorgdheid en wij sliepen in.
Ik werd tegen vier uur in den middag wakker; ik klom op de mars om de ruimte te overzien en riep daarna den Encuerado. Weldra voegden de stemmen van Sumichrast en Lucien zich bij de mijne, om den naam van den Indiaan te herhalen,—vergeefsche moeite, ons schreeuwen bleef zonder antwoord. Ik klom op de schouders van Sumichrast; voor mij was het gras door eene voor doormidden gesneden. Dat was de weg, dien onze makker zich gebaand had, die, wij konden er niet meer aan twijfelen, van onzen slaap gebruik had gemaakt om zich met Gringalet te verwijderen.
»Dat is onmogelijk!” riep ik uit, op eene zwijgende ondervraging van mijn vriend antwoordende; »neen, de Encuerado kan ons niet in den steek hebben gelaten!”
De geheele nacht ging in wachten voorbij, de Indiaan had zijn geweer meegenomen en ik begon te vreezen dat hij, bij het zoeken naar een buit, in de vlakte verdwaald was geraakt. Wij luisterden zonder ophouden toe; ik schoot herhaalde malen mijn revolver af; maar de knal stierf zonder echo weg. De dag brak aan.
Gedurende twee uren beschreef ik groote kringen om ons kamp, vreezende dat de Encuerado misschien in een gat kon gevallen zijn; maar in dat geval zou het blaffen van Gringalet ons gewaarschuwd hebben. Een vlug besluit was onvermijdelijk. Lucien, die twee dagen had uitgerust, moest, het kostte wat het wilde, loopen. De bagage werd op goed geluk af op eenen hoop bijeengezet; ik gaf Jaunet en Verdet de vrijheid, en liet den armen vogels den zak rijst, dien wij niet konden medenemen. Daarna maakten wij ons, met onze gewerenen helaas! bijna ledige veldflesschen beladen, gereed om ons te verwijderen, zonder dat wij den moed hadden Lucien, die meende dat wij zijn vriend te gemoet gingen, uit de dwaling te helpen. Na den horizon onderzocht te hebben, plaatste ik meester Job op mijn schouder en opende ik voor mijne makkers den weg.
DE DORST.—TERUGKEER VAN DEN ENCUERADO.—DE KLEINE ZWERFTOCHT.—JAUNET, VERDET EN ROUGETTE.—JACHT OP WILDE PAARDEN.—EEN MONSTER.—LAATSTE AVONTUUR.—HET GEMATIGDE LAND.
De onderneming bleek boven onze krachten te zijn; hijgende, stikkende, door den dorst gekweld, betreurde ik het, dat wij niet gedurende den nacht gemarcheerd hadden. Wat zouden wij niet gegeven hebben voor een dier onweders, die ons acht dagen te voren zoo hinderlijk waren geweest? Maar het uitzicht van den hemel ontnam ons zelfs deze laatste hoop.
In den namiddag deelde ik eenige stukken maïskoek uit en moest men zich met een slokje water tevredenstellen. Lucien klaagde niet meer; maar de vermoeidheid en zijne pijnlijke voeten verwekten verschijnselen van koorts, waarover ik mij ongerust begon te maken.
»Ik heb dorst”, herhaalde hij zonder ophouden; »mijne voeten doen erg zeer; maar ik zou genezen zijn, als ik kon drinken.”
Herhaalde malen reikte mijn vriend hem zijne veldflesch over,—dan was zijne marteling een weinig minder, doch zij keerde weldra terug. De nacht naderde en wij maakten ons gereed tot een wanhopigen marsch. Een slokje cognac verschafte ons schijnbaar kracht, waarvan ik besloot gebruik te maken. Nog vóór de zon onderging, nam ik Lucien op mijne schouders en ging ik vooruit. Ik moest twintigmaal stil blijven staan om adem te scheppen en twintigmaal werd de marsch weer hervat. Lucien volgde ons nu en dan hinkende. Tegen tien uur waren onze krachten uitgeput doch gelukkig vertoonde zich een goed voorteeken: het gras werd minder hoog.
»Wij zijn gered!” riep ik uit.
—Drommels, drommels!” antwoordde Sumichrast met zijne gewone koelbloedigheid,»'t werd tijd.”
Na eene vrij lange rust maakte ik mij gereed om Lucien te wekken, toen ik een dof geluid meende te hooren. Ik schoot op goed geluk mijn geweer af; maar het schot stierf zonder echo weg,—wij hadden ons vergist.
De arme Lucien stond op en zijn eerste woord was ons wat water te vragen; ik gaf hem eenige druppels met cognac vermengd.
»Wat zou mama bedroefd zijn,” zeide hij »als zij wist dat wij geen water hebben.”
—»Dat is mijne schuld,” riep Sumichrast uit, zijn gelaat met de handen bedekkende.
—»'t Gaat al beter, ik heb geen dorst meer,” sprak de knaap, die naar Sumichrasttoeijldeen hem omhelsde. »Komt, laat ons loopen; gij zult zien dat ik bijna niet meer hink.”
—»Gij hebt gelijk, op weg!” herhaalde Sumichrast. Hij beurde Lucien met kracht op en begon met vaste schreden te loopen. Ik nam meester Job op, die zeker wel verbaasd over deze nachtelijke reizen moet geweest zijn.
Eensklaps weerklonk een dof geluid; ditmaal hadden wij ons niet vergist. Ik bleef staan om beter te kunnen luisteren; een schot deed de lucht trillen.
»De Encuerado!” riep ik uit.
Ik omhelsde Lucien herhaalde malen, Sumichrast schoot zijn geweer af en een nieuwe losbranding beantwoordde zijn schot. Ik had, op mijne beurt, de oogen vol tranen.
Het geraas naderde; men hoorde het galoppeeren van een paard, een bekend blaffen weerklonk.
»Gringalet,” sprak Lucien.
—Hioe.... hioe... hioe... Chanito!....
Onze ontroering liet ons nauwelijks toe antwoord te geven op het roepen van den Indiaan, die van zijn paard sprong en op den knaap toeliep, wiens hoofd hij tegen zijne borst drukte. Gringalet ging geheel uitgeput op den grond liggen, na met zijn neus tegen onze beenen gewreven te hebben.
Ik naderde den Encuerado, toen zijne oogen zich eensklaps sloten; hij sloeg zijne armen uit en viel als levenloos neder. Ik ijlde op hem toe en ontrukte hem zijne veldflesch; zij was vol! Door Sumichrast geholpen, goot ik eenige druppels cognac tusschen zijne opeengeklemde tanden. Langzamerhand kwam hij weer bij kennis en zag ons verbaasd aan.
»Drink,” zeide ik hem.
Hij bracht de flesch aan zijne lippen en riep uit:
»'t Is voor Chanito.”
Ieder dronk op zijne beurt; daarop gaf de Indiaan ons een stuk geroosterd vleesch. Ik droeg zorg de porties te verdeelen.
»Eet gij op uw gemak,” sprak ik tot den Encuerado.
—O, ik heb even goed honger als gij; sedert ik u verlaten heb, heb ik noch gegeten noch gedronken.
De bezwijming van den braven Indiaan week nu. Ik zag hem met verwondering aan.
»Als ik gegeten of gedronken had, zou ik hebben willen slapen,” antwoordde hij op den eenvoudigsten toon van de wereld, »en wat zou er dan van u geworden zijn? Maar honger en dorst hebben mij zóó geprikkeld, dat ik geen oogenblik verloren heb.”
»Dat is krankzinnigheid,” riep ik uit.
»Eene heldhaftige krankzinnigheid,” herhaalde Sumichrast, de hand van den Indiaan drukkende.
»Neen,” sprak hij, »gij moet mij niet voor krankzinnig aanzien, ik heb naar mijne beste weten gehandeld.”
—»Groot kind,” hervatte ik, »gij hadt uwe krachten moeten herstellen; als zij u verlaten hadden, wat zou er dan van ons worden!
De Encuerado hoorde mij niet meer; hij was in een diepen slaap gevallen.
Wij volgden zijn voorbeeld.
Bij ons ontwaken besteeg de Encuerado zijn paard, een jongen appelgrijzen schimmel met somber en vurig oog, dat hij liet zwenken, nam Lucien vóór zich en ontlastte mij van meester Job. Toen de voor volgende, die wij op onzen marsch in het gras gemaakt hadden, voerde onze gids ons naar onze bagage terug, die wij dachten dat door Jaunet en Verdet wel verlaten zou zijn.
»Wij hebben veel naar je gezocht,” zeide Lucien tot zijn vriend »en wij waren zeer bedroefd over je vertrek. Papa vreesde eerst dat je een ongeluk was overkomen; maar Gringalet was bij je.”
—Waarom zijt gij vertrokken zonder ons te waarschuwen? vroeg Sumichrast.
—Omdat gij mij belet zoudt hebben mijn plan te volgen. Toen wij zijn gaan liggen, hield ik mij alsof ik sliep; maar ik dacht er aan, dat onze voorraad weldra op zou zijn, dat Chanito weldra niet meer in staat zou zijn te loopen en dat die drommelsche mand onzen marsch zou vertragen. Ik was overtuigd, dat wij spoedig bosschen en kudden moesten ontmoeten. Ik ben niet bang voor de zon; ge waart dan ook nauwelijks ingeslapen of ik ben naar de flesch cognac gegaan en heb er twee of drie slokken uitgenomen...
Bij deze bekentenis zag de Indiaan mij angstig aan.
»Gij hadt de geheele flesch meê moeten nemen,” riep ik uit; »gij wist wel dat wij er nog een hadden. Maar vertel verder.”
—De cognac is een goede raadgever, Tatita; hij zeide mij: ga, ga dadelijk. Toen heb ik mijne flesch en mijn geweer genomen en heb ik Gringalet zachtjes geroepen. Eenmaal buiten het bereik van uwe ooren, heb ik den looppas aangenomen, zooals gij dat noemt. Als gij de tong van Gringalet eens gezien hadt, Chanito, hij had eenen dorst!...
—»En gij dan?”
—Ik ook; maar om te kunnen drinken, moest ik eerst loopen; ik had evenwel veel lust wat te rusten; maar dan dacht ik aan u en liep nog eens zoo hard.
Ik drukte de hand van mijn wakkeren dienaar, wiens oog van voldoening schitterde.
»Zonder te weten hoe, struikelde ik,” zoo vervolgde hij, »en het scheen mij toe, alsof ik insliep. Toen ik de oogen weer opende, was de zon verdwenen en Gringalet likte mij het gelaat. Ik stond half verdoofd op... dat kwam van den cognac.
—»Dat kwam van uitputting,” zeide ik.
—Ik heb den cognac goed aangesproken, Chanito; Gringalet zou u kunnen vertellen, hoe ik hem de waarheid heb gezegd. Ik hervatte mijn loop; mijn gezicht verduisterde; maar de koelte van den nacht frischte mij weer op. Ik zag groote zwarte vormen voor mij en ik wreef in mijne oogen om ze te verdrijven, maar hoe meer ik wreef, des te grooter werden de vormen; het waren boomen, ik heb den eersten, dien ik ontmoette, omhelsd en ik begon te schreien, altijd zonder te weten waarom.”
De knaap drukte zich ontroerd tegen den ruiter aan.
»Wat een mooie boom, Chanito! Op den stam groeide een Paaschbloem; ik dronk een slokje water en gaf het overige aan Gringalet, ik ben gaan zitten om den dag af te wachten, want ik sliep staande....
—»Arme Chema!” murmelde de knaap.
—De zon begon zich reeds te vertoonen, toen ik wakker werd. Ik begaf mij onder de boomen en in minder dan een kwartier was ik het bosch doorgeloopen; ik bemerkte toen een groot meer, paarden en stieren....
»En waart gij toen aan het eind van uw lijden?” vroeg Sumichrast.
—Ja, oogenschijnlijk; maar, ziet gij, deante-burrowilde zich wreken; mijne krachten begaven mij en mijne verstijfde beenen konden nauwelijks eene beweging maken. Ik heb meer dan vier uur noodig gehad,om dezen drommel te vangen,” vervolgde de Indiaan, zijn paard een slag gevende, zoodat het opsprong.
—Het kwam van honger, dorst en vermoeidheid.
—En waarom zou ik honger en dorst hebben gehad, als 't niet door denante-burrokwam? Denkt gij dan dat Tata Sumichrast, zonder dat verwenschte dier ooit de veldflesch zou gebroken hebben? Wij zullen in 't vervolg diecrustaceeën(47)met vrede laten, want zij behooren tot de familie des duivels.
»Vertel verder,” zeide ik, niet zonder te glimlachen om het woordcrustacee, dat zoo zonderling door den Indiaan werd toegepast.
—Ik slaagde er eindelijk in dit veulen, dat aan zijn dij het merk van den eigenaar draagt, aan mijnlazote krijgen. Eerst was het weerbarstig en droeg mij als de wind tusschen de stieren; maar ik werd boos en het herkende mij als zijn meester. Een kalf, dat om ons kwam snuffelen, verschafte mij eenen bout. Toen het vleesch gebraden was, hernam ik den weg, dien ik eerst gevolgd was, met zooveel snelheid, dat Gringalet zich er meermalen over beklaagde.
—Zijt gij dan naar het bivak teruggekeerd?
—Ja, en ik heb daar Jaunet en Verdet gezien, die zich vol rijst hadden gegeten en om drinken vroegen.
—Wat? waren de papegaaien dan niet weggevlogen?
—Neen, Tatita; en ik verzeker u, dat zij goed vastgebonden zijn. Uit hunne verwarde uitleggingen ben ik te weten gekomen, dat gij op weg naar de bosschen waart. Ik ben toen uw spoor gevolgd, heb mijn geweer afgeschoten, waarop het uwe geantwoord heeft.
—Arme Chema, weet gij wel dat het pijn doet, honger en dorst te moeten lijden? sprak Lucien met eenen zucht.
—Waarom hebt gij meester Job niet opgegeten?
—»Hij was veroordeeld,” sprak ik, »uw terugkeer redt zijn leven.”
Lucien zag ons verontwaardigd aan; maar wij waren bij onze bagage gekomen en de beide papegaaien begroetten ons met een luidruchtig geschreeuw. Rougette, die wij gedurende al onze beproevingen vergeten waren, werd uit haar braadpan te voorschijn gehaald en in een kalabas gezet, waarin de Indiaan een weinig water had geschonken. De kleine schilpad stak toen haar neus buiten het venster harer woning.
De lucht bedekte zich met lichte wolkjes en dit buitenkansje deed ons besluiten onmiddellijk te vertrekken. Lucien, die op het paard, dat door de vermoeidheid gedwee was geworden, geklommen was, droeg meester Job en de twee tijgervellen. Daar Gringalet slechtsmet moeite liep, ging hij den aap op het paard gezelschap houden. Wij bereikten het bosch eerst tegen middernacht: een groot vuur werd aangestoken en ik sliep in, den hemel dankende, die had toegestaan, dat de Encuerado nog bijtijds bij ons kwam. Ik werd den volgenden dag laat wakker; een prachtige chachalaca braadde reeds voor het vuur, en Lucien, die reeds een bad had genomen, ging voort met het onderrichten der papegaaien. Ik ging mij op mijne beurt in den poel dompelen, dien de Encuerado met den naam van meer had bestempeld en de dag werd verder bij het vuur doorgebracht. Wij waren mager geworden; maar onze gezondheid was goed en Lucien verheugde zich dat hij geen pijn meer had, niettegenstaande zijne gekwetste voeten.
Den volgenden morgen, nadat wij met een stuk kalfsvleesch en eene uitstekende rijstsoep ontbeten hadden, vergezelde Lucien ons naar den zoom van het boschje; hij steunde op twee stokken, die zijn vriend voor hem gesneden had. De Encuerado ging op jacht om ons rijdieren te bezorgen. Nadat de vlugge Indiaan den loopenden strik van zijnlazohad gereedgemaakt, ging hij in galop naar een troep paarden toe, die in de verte aan 't grazen waren; de riem viel over een prachtig dier, dat zich tevergeefs verzette. Het omverwerpen, de oogen verbinden en op den neus een klem zetten, was het werk van een oogenblik. Nadat hij aan den staart van het dier een zwaren tak had gebonden, die zijn loop moest vertragen, reed de Encuerado eensklaps op den gevangene weg, die door het gewicht van den tak werd uitgeput. In minder dan een uur bracht de ruiter het getemd en met zweet overdekt terug. Des avonds waren wij in 't bezit van vijf paarden; maar wij waren uitgeput van vermoeienis.
Twee dagen verliepen met het oefenen onzer rijdieren om ze minder weerbarstig te maken. Onze levensmiddelen verminderden langzamerhand, maar wij waren van onze ongevallen hersteld en de voeten van Lucien begonnen te genezen. Het werd hoog tijd om te vertrekken. Bij het aanbreken van den nacht wierp ik een laatsten blik op de onmetelijke vlakte, waar wij bijna den dood hadden gevonden. Bij de hut teruggekomen bleef ik verwonderd staan; ik had hooren blaffen, ofschoon Gringalet stil naast ons liep. De Encuerado kroop vooruit; eensklaps zag ik dat hij ging zitten en het uitschaterde van 't lachen: de blaffer was geen andere dan Verdet, wien Jaunet, maar met minder talent, antwoordde. Lucien was in de wolken en streelde zijne beide lievelingen; hij zeide hun met meer ijver dan ooit de twee namen voor, die hij hun wilde leeren; maar ofschoon zij hun gele oogen half toe deden en met diepe aandachthun kopjes overhelden, konden de twee vogels maar niet aan 't praten komen.
Een vreeselijk onweer overviel ons in 't midden van den nacht. Gelukkig waren wij goed beschut, zoodat de stroomen water ons niet hinderlijk werden. Bij het aanbreken van den dag werd de draagmand op het grijze paard bevestigd en de Encuerado, die het paard van Lucien bij den teugel hield, opende den marsch. Jaunet en Verdet, die terdeeg dooreen werden geschud, schreeuwden zoo hard zij konden en begonnen tot groote verbazing van Gringalet te blaffen. Meester Job verborg zich en Rougette boette in de braadpan de drie gelukkige dagen, die zij in den poel had doorgebracht. De kleine ruitertroep trok in galop vlakten en bosschen door. De altijd blauwachtige, maar nu naar 't scheen hoogere bergen, bevonden zich vlak tegenover ons en de vulkaan vertoonde ons zijn scherpste punt. Eene kudde wilde paarden, door een prachtig bruin dier aangevoerd, omringde ons eensklaps en sprong meer dan een uur om ons heên; daarop kwamen stieren, die ons vervolgden. Andere kudden vergenoegden zich met ons na te kijken; zij hadden op den rug eene menigte maden-pikkers(48), die met hunne snavels in het haar wroetten, om er de parasieten uit te halen. Wij trokken nog een groot bosch door en weldra vlamde onze haard dicht bij eene beek.
Ik ging in gezelschap van Sumichrast op jacht. Wij liepen langs eene opene plaats, toen een groot geraas uit het kreupelhout klonk. Ik maakte mijn geweer gereed en bijna op hetzelfde oogenblik zag ik tusschen het gebladerte een monsterachtigen kop. Ik week achteruit tot bij mijn makker.
»Wat is er toch? gij zijt gansch bleek!”
—»Ik ben bang,” antwoordde ik; »ik geloof dat ik nu den wezenlijkenante-burrogezien heb.”
—Drommels, drommels! Zullen wij een tot dus verre onbekend dier ontdekken!
Het geraas in het kreupelhout bleef aanhouden.
»Pas op,” riep ik mijn makker toe, »ik verzeker u dat ik nooit zoo'n kop gezien heb.”
Op dit oogenblik deinsde ook Sumichrast achteruit, maar weldra barstten wij in lachen uit. Het dier, dat er werkelijk monsterachtig uitzag en ons zoo verschrikt had, was een paard zonder ooren. Niets is meer algemeen dan wilde paarden te zien met neerliggende en onbeweeglijke ooren, die inwendig door de insecten zijn uitgevreten;maar ik zag voor het eerst een dier, dat geheel zonder ooren was, en men kan er zich geen denkbeeld van vormen, welk een zonderling uiterlijk het dan heeft.
De tweede marschdag stelde ons geduld op de proef; wij moesten modderachtige moerassen doortrekken, waar onze rijdieren tot aan den buik inzakten; ik weet niet hoe wij er te voet door zouden gekomen zijn. De vaste grond kwam weer te voorschijn. Wolken vliegen overvielen ons; zij hadden het vooral op onze rijdieren gemunt.
Wij dorsten ternauwernood mond en oogen openen en Gringalet huilde als een razende. Die bloedzuigers vergezelden ons meer dan een uur; zoodra zij ons niet meer vervolgden, werd het bivak opgeslagen.
De bergen kwamen naderbij; wij verwachtten elk oogenblik eene hoeve of eene Indiaansche hut te ontmoeten. Toen de nacht kwam, verkondigde geen enkel licht ons de nabijheid eener woning.
Eindelijk, in den namiddag van den derden dag, terwijl wij voor twee stieren die vreeselijk met elkander vochten, uit den weg wilden gaan, kwam een ruiter aanrennen.Deze bleef besluiteloos staan en wendde vervolgens, na zijn geweer op ons te hebben afgeschoten den teugel.
»Drommels, drommels!” sprak Sumichrast.
De Encuerado hief zijn geweer op, maar ik belette hem te schieten.
Wij spoorden onze paarden aan, er slechts aan denkende een hacienda te bereiken, toen een tweede schot weerklonk en een kogel langs onze ooren vloog. Nu zette de Indiaan den verrader achterna, die in galop wegvluchtte. Niettegenstaande mijn geschreeuw vuurde de Encuerado en de ruiter stortte op den grond.
»Dood hem niet!” riep ik mijn dienaar toe.
»Neen, Tatita, ik heb slechts op zijn paard gemikt. De koeherder was met één sprong op de been, en vluchtte wat hij kon. Maar de Encuerado zette hem achterna en greep hem weldra bij zijn kraag.
't Was een jongmensch van nauwelijks zeventien jaar. »Wie zijt gij?” riep ik hem toe.
—Joce Antonio, een dienaar van God; doe mij geen kwaad!
—Waarom hebt gij op ons geschoten?
—Ik heb u voor paardendieven aangezien.
Toen de jonge man Sumichrast zag naderen, verdubbelde zijn angst. Dat komt omdat wij ons zelven geen rekenschap wisten te geven van het vreemd uiterlijk, dat onze gelapte kleeren en onze verwonde gezichten ons gaven.
»Van waar komt gij?”
—Van de hoeve van Sopilote, bij Amatlan.
—Hoeveel mijlen zijn wij nog van het dorp verwijderd?
—Zes... Waarlijk ik zag u voor dieven aan, doet mij geen leed.
—Gij zoudt evenwel eene kastijding verdienen, want uwe kogels hadden ons kunnen verwonden of dit kind dooden.
—»De eigenaar van de hoeve van Sopilote is mijn vriend,” voegde Sumichrast er bij, »en ik beloof u, dat hij u zal weten te straffen.”
Ik beval denEncueradoden jongen man los te laten, die het dadelijk op een loopen zette.
Toen de nacht viel, bevonden wij ons aan den voet der bergen en het lag slechts aan ons, om den grooten weg van Vera-Cruz naar Mexico in te slaan. Onze paarden kregen hunne vrijheid terug, begeleid door de plichtplegingen en dankzeggingen van den Encuerado. De goede dieren waren eerst besluiteloos en bleven een oogenblik met den neus in den wind staan. Een hunner hinnikte en schoot vooruit; weldra hoorden wij het geluid hunner hoeven niet meer over den grond weerklinken.
(47)Crustacee = schaaldier.
(47)Crustacee = schaaldier.
(48)Soort spreeuwvogel.
(48)Soort spreeuwvogel.
THUISKOMST.
Twaalf mijlen scheidden ons nauwelijks van Orizava, en wij vergingen van ongeduld om thuis te komen. Lucien, die geheel hersteld was, beklom het eerst den berg. De vogels zongen, de insecten gonsden, de bloemen ontloken met een feestgelaat; allengs trokken alle voortbrengselen van het Gematigde Land langs onze oogen heen. Als wij nu pas vertrokken, zouden wij de bananen-, koffie-, oranje- en citroenboomen bewonderd hebben, maar nu wenschte iedereen vleugels te hebben, om spoediger thuis te zijn. Bergen, bosschen, valleien werden met eene koortsachtige haast over- en doorgetrokken en de nacht alleen kon ons noodzaken rust te nemen. Jaunet en Verdet hadden gedurende een groot gedeelte van den weg de twee namen gestameld, welke hun jonge meester hun geleerd had.
Om drie uur in den morgen verweet Lucien ons reeds dat wij zoo langzaam waren. Wij ontmoetten eene Indiaansche hut; ons verwilderd uiterlijk maakte de bewoners eerst bevreesd. Langzamerhand stelden zij zich echter gerust en onthaalden ons op gebraden boonen entasojo, in de zon gedroogd ossenvleesch. De Encuerado verlichtte zijne mars met wat van onzen voorraad overbleef en schonk het onzen gastheer; daarna begon hij, tot aan het laatste oogenblik de gebaande wegen versmadende, een heuvel te beklimmen.
»O! mama, lieve mama,” riep Lucien uit; »als zij eens wist, hoe dicht wij in hare nabijheid zijn.”
En hij liep met zooveel vuur vooruit, dat wij hem met moeite konden volgen.
»Drommels, drommels!” herhaalde Sumichrast, »zijt gij dan het spreekwoord vergeten: Wie langzaam gaat, gaat zeker! uwe overijling zou ons in een ravijn kunnen doen storten; laten wij, als 't u belieft, zien dat wij heelhuids aankomen.”
De knaap hield zich in; maar weldra liep hij weer met Gringalet vooruit, die eveneens blijde scheen te zijn en begon te begrijpen dat hij weldra zijn hok en zijn voerschotel zou terugvinden.
Eensklaps groetten eenige houthakkers mij bij mijn naam. Verrukt over de verhalen van den Encuerado, begeleidden zij ons meer dan een uur. Zij zagen Lucien vol bewondering aan, en deze zou er zeker hoovaardig door geworden zijn, als niet de gedachte dat hij weldra zijne moeder, broertjes en zusjes zou omhelzen, elke andere gedachte overheerscht had. De Indianen verlieten ons aan den voet van den berg, den laatsten dien wij nog over te trekken hadden en waarvan de steile helling onzen ijver temperde.
»Emile, Emile, Emile,” riep Jaunet.
—Hortense, Hortense! antwoordde Verdet.
—»Zij kunnen u nog niet hooren,” zeide de Encuerado hun, »maar dezen avond zult gij kennis met hen maken. Maar ge zult, hoop ik, niet vergeten, dat ik, als gij hen ooit bijt, verplicht zal zijn jelui ook te bijten en mijne tanden zijn wel zoo goed als jelui bek.”
Lucien kwam het eerst op het bergvlak en de vulcaan van Orizava vertoonde zich vlak vóór ons. Nog eenige schreden en onze oogen staarden op eene onmetelijke vallei,—Orizava strekte zich voor onze voeten uit.
De jonge reiziger beschouwde de stad, waarin hij geboren was; hij gevoelde niet eens dat de tranen onwillekeurig langs zijne wangen vloeiden; hij strekte de armen uit en snikte.
»Ik schrei omdat ik zoo gelukkig ben,” zeide hij tot zijn vriend, die hem wilde troosten.
Wij deelden trouwens allen zijne ontroering. Het was de 5 Juli, ik riep de verschillende voorvallen van onze reis, die zeven en zeventig dagen geduurd had, en gedurende welke wij meer dan driehonderd mijlen hadden afgelegd, in mijn geheugen terug. Nu wij de haven bereikten, was ik blijde de reis te hebben ondernomen. Ik dankte God voor Zijne blijkbare bescherming en voor het laatst gaf ik het teeken tot het vertrek.
Naar gelang wij afdaalden, vertoonde de stad zich ook duidelijker. De Encuerado somde de kerken en straten op; eindelijk ontdekte Lucien ons huis, dat door een prachtigen oranjeboom gemakkelijk te herkennen was. De Borrego, badende in het zonlicht, droeg op zijn top de Fransche vlag. Om aan het ongeduld van den knaapte voldoen, die zoo spoedig mogelijk thuis wilde zijn, voerde Sumichrast ons in een steil ravijn. De karavaan bereikte de vallei juist op het oogenblik dat de klokken denAngelusluidden.
De zon ging onder en de duisternis omgaf ons. Ieder oogenblik gingen ons Indianen voorbij en hier en daar werden de lichten reeds aangestoken. DeRio Biancoversperde ons den weg; maar hier en daar vergunden verspreide rotsblokken ons haar bijna droogvoets over te trekken. Gringalet begon te blaffen en verdween eensklaps als eene pijl. Twintig minuten later trokken wij Orizava door de achterafgelegen straten binnen, teneinde niet te veel volk op onze hielen te krijgen. De beweging in de stad kwam ons zeer vreemd voor. Op vijftig schreden afstands van mijne woning namen Lucien en de Encuerado den looppas aan; zij vonden het geheele huisgezin op den drempel; Gringalet had onze komst aangekondigd.
Toen ik op den binnenhof kwam, vond ik Lucien en zijne moeder in elkanders armen schreien; Emile, Hortense en Amelie draaiden rondom de mand, waarop Jaunet en Verdet zaten. In een hoek bemerkte ik de kisten, welke ik aan Torribio had toevertrouwd.
Met welk een geluk nam ik nu weer in een goeden armstoel en te midden der mijnen plaats! Men vond, dat Lucien groot was geworden; maar zijne bruine tint, zijne magerte en de litteekens waarmede hij overdekt was, legden getuigenis af van de zware beproevingen, die hij ondergaan had.
De Encuerado ging tegen den post van de deur van het salon staan en krulde de breede randen van zijn hoed, op gevaar af van ze te misvormen, rond.
»Zonder hem zouden wij omgekomen zijn!” zeide ik tot mijne vrouw.
De brave Indiaan kuste de hand zijner meesteres.
»Och! Senora,” riep hij met tranen in de oogen uit, »wat is Chanito moedig geweest; als gij u de moeite wilt geven meester Job te ondervragen, zal hij er u wel een woordje over zeggen; hij heeft hem gezien, in de bosschen zoowel als in de Savanne.”
Mijne kinderen kwamen de zaal binnenstormen; zij hadden de mand doorgesnuffeld en kibbelden nu om de arme Rougette, die in het waterbekken in den tuin werd gebracht.
Jaunet en Verdet, op de leuning van een stoel gezeten, herhaalden als om strijd de namen van Hortense en Emile; de beide kinderen verbleekten van genoegen en verbazing.
»Gij ziet nu wel, dat ik ook met u had kunnen meegaan,” riep Emile met eene zonderlinge bewijsvoering uit, »de papegaaien kennen mij zelfs.”
—Neen, geen reizen meer,” sprak mijne vrouw; »ik wil mij nietmeer aan zulke langdurige ongerustheid bloot stellen.
—Bah! Bah!” antwoordde Sumichrast; »gij zult meester Zonnestraal nog wel eens een klein tochtje toestaan.”
Op het zelfde oogenblik kwam meester Job, die zich door Gringalet liet voorstellen, vol ernst op het tapijt plaats nemen en liet zich aanhalen.
Hoe gelukkig was ik niet, nu ik mij weer aan tafel bevond, omringd door al de wezens, die mijn hart zoo dierbaar zijn! De Encuerado juichte Lucien toe, die zijne moeder telkens deed ontroeren door zijn verhaal van de voornaamste voorvallen van onze reis.
»Als het mijne beurt wordt om meê in de bosschen te gaan,” sprak Emile, die in een tijgerhuid gewikkeld binnen kwam, »dan zal ik...”
Hij kon zijn volzin niet voltooien, daar hij verplicht was zijn zegeteeken te verdedigen tegen zijn zusje Amelie, die beweerde dat de tijgerhuid groot genoeg voor hen beiden was.
»Niet waar, mama, u laat mij nog wel eens met papa meegaan?” vroeg Lucien. »Onze verzameling is nog niet voltallig. Den een of anderen tijd zullen wij haar toch moeten aanvullen.”
In die vraag vond men den jongen natuuronderzoeker terug. Onverzadigbaar te zijn is het lot van den verzamelaar.
De arme moeder schudde met het hoofd en omhelsde hem, zonder te antwoorden. Maar uit dat stilzwijgen kon men opmaken, dat zij haar kind niet gaarne aan de gevaren van eene nieuwe reis zou blootstellen.
Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. v1514Blz. vLiliput-wereldLilliput-wereldBlz. v2322Blz. vi821121Blz. vi[Niet in Bron.].Blz. vi[Niet in Bron.]162Blz. viCoyotopecCoyotepecBlz. viXIIXXIIBlz. vi[Niet in Bron.].Blz. vii[Niet in Bron.].Blz. vii[Niet in Bron.].Blz. vii299269Blz. vii[Niet in Bron.].Blz. vii[Niet in Bron.].Blz. vii[Niet in Bron.].Blz. 1?.Blz. 4mexicaanscheMexicaanscheBlz. 4 (voetnoot)t'tBlz. 6—Blz. 8mêemeêBlz. 8ZuidewindZuidenwindBlz. 9[Niet in Bron.],Blz. 12opgegeteopgegetenBlz. 21guitarguitaarBlz. 22okookBlz. 29flammetjevlammetjeBlz. 32voetersvoetenBlz. 39mijlenmeterBlz. 40uitgestrekheiduitgestrektheidBlz. 44eekhorenseekhoornsBlz. 46SumichrostSumichrastBlz. 49ToerokoesSoeroekoesBlz. 51CitlapetleCitlatepetlBlz. 51PopocatepettlPopocatepetlBlz. 53[Alinea-afbreking verwijderd.]Blz. 54ChanitaChanitoBlz. 54—[Verwijderd.]Blz. 54oplichteoplichtteBlz. 54”[Verwijderd.]Blz. 54”[Verwijderd.]Blz. 55soerokoessoeroekoesBlz. 59panterpantserBlz. 60.,Blz. 60hoetoenBlz. 61aangedachtaan gedachtBlz. 62[Niet in Bron.],Blz. 62,[Verwijderd.]Blz. 62”[Verwijderd.]Blz. 62”[Verwijderd.]Blz. 64vergisttevergisteBlz. 65geeindigdgeëindigdBlz. 65[Niet in Bron.]—Blz. 65[Niet in Bron.].Blz. 66SumichraitSumichrastBlz. 69GringeletGringaletBlz. 71[Alinea-afbreking verwijderd.]Blz. 71,[Verwijderd.]Blz. 71mexicaanscheMexicaanscheBlz. 72gescheeuwgeschreeuwBlz. 73scolenpendersscolopendersBlz. 73inboezemeneninboezemenBlz. 74guaiacboomengaiacboomenBlz. 76—Blz. 76—Blz. 78Cordillera'sCordillerasBlz. 79hcthetBlz. 79[Niet in Bron.][Alinea-afbreking ingevoegd.]Blz. 79verwoes, tingverwoestingBlz. 79mee-meerBlz. 87,[Verwijderd.]Blz. 87verrastteverrasteBlz. 89ware uigebraaktwaren uitgebraaktBlz. 91anwoorddeantwoorddeBlz. 92neurophtereneuroptereBlz. 94»[Verwijderd.]Blz. 95gayavaboomgoyavaboomBlz. 95gayavavruchtengoyavavruchtenBlz. 95gayava'sgoyava'sBlz. 96gayavavruchtengoyavavruchtenBlz. 96ommiddellijkonmiddellijkBlz. 107[Niet in Bron.],Blz. 108schilpaddenschildpaddenBlz. 109Niet in Bron..Blz. 113fezantfazantBlz. 115GringoletGringaletBlz. 122[Niet in Bron.]—Blz. 123mêemeêBlz. 130BrazilieBraziliëBlz. 135gayacboomgaiacboomBlz. 140TatoTataBlz. 142[Niet in Bron.]voorBlz. 142[Niet in Bron.]”Blz. 142”[Verwijderd.]Blz. 143[Niet in Bron.].Blz. 146jaquaretejaguareteBlz. 147,.Blz. 148,.Blz. 151LuciënLucienBlz. 154,.Blz. 157TatitoTatitaBlz. 159.,Blz. 172[Niet in Bron.].Blz. 172overpoosdonverpoosdBlz. 172onmogeiijkonmogelijkBlz. 175SaurierSauriërBlz. 182metereologischmeteorologischBlz. 184.,Blz. 185‚’”Blz. 185—[Verwijderd.]Blz. 187CoyotopecCoyotepecBlz. 188CoyotopecCoyotepecBlz. 190—Blz. 190—Blz. 190—Blz. 191maiskoekenmaïskoekenBlz. 194 (voetnoot).[Verwijderd.]Blz. 200XVXXIIBlz. 202meerlmerelBlz. 203voorbrengtvoortbrengtBlz. 204verrastteverrasteBlz. 211[Niet in Bron.]—Blz. 212kakkerlakkkenkakkerlakkenBlz. 212 (voetnoot)[Niet in Bron.])Blz. 213[Niet in Bron.],Blz. 214schilpadschildpadBlz. 216[Niet in Bron.]”Blz. 216”[Verwijderd.]Blz. 221het[Verwijderd.]Blz. 229chachalaca'schachalacasBlz. 235[Niet in Bron.].Blz. 236[Niet in Bron.]!Blz. 238ClanitoChanitoBlz. 239klinmenklimmenBlz. 240GednldGeduldBlz. 240bromelaceebromeliaceeBlz. 246toekomenendetoekomendeBlz. 246SumichastSumichrastBlz. 246»[Verwijderd.]Blz. 246”[Verwijderd.]Blz. 246geleerdegeleerdenBlz. 247arabischeArabischeBlz. 255EncuradoEncueradoBlz. 255tamaduatamanduaBlz. 255.,Blz. 256GringoletGringaletBlz. 258koeroekoessoeroekoesBlz. 259»[Verwijderd.]Blz. 259[Niet in Bron.]»Blz. 260TamantuaTamanduaBlz. 260[Niet in Bron.].Blz. 263kwartieruurskwartier uursBlz. 263BromelaceeënBromeliaceeënBlz. 263»[Verwijderd.]Blz. 263[Niet in Bron.]»Blz. 264[Niet in Bron.]»Blz. 264»[Verwijderd.]Blz. 265»[Verwijderd.]Blz. 266bromelaceeënbromeliaceeënBlz. 267antwooorddeantwoorddeBlz. 272,.Blz. 272 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 275halstarrighalsstarrigBlz. 275melancolischemelancholischeBlz. 275schilpadschildpadBlz. 275 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 275 (voetnoot))..)Blz. 279[Niet in Bron.].Blz. 285EgytenarenEgyptenarenBlz. 285[Niet in Bron.]”Blz. 286JaunnetJaunetBlz. 288”[Verwijderd.]Blz. 288[Niet in Bron.]”Blz. 288!?Blz. 289gespietengespletenBlz. 289eerstwildeeerst wildeBlz. 289on overwinbarenonoverwinbarenBlz. 292horselshorzelsBlz. 294[Niet in Bron.].Blz. 295schilpadeierenschildpadeierenBlz. 297anto-burroante-burroBlz. 300OrizabaOrizavaBlz. 300OrizabaOrizavaBlz. 302prairiënprairieënBlz. 303OrizabaOrizavaBlz. 307gezichtseindergezichteinderBlz. 310[Niet in Bron.].Blz. 310[Niet in Bron.].Blz. 310[Niet in Bron.].Blz. 311«»Blz. 311toeeildetoeijldeBlz. 311«»Blz. 317,.Blz. 318EncueredoEncuerado
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst: