Zoo moet het gaan die God en zijnen stoel bestrijden,Den mensch, naar 't Hemelsch beeld geschapen, 't licht benijden.
Helaas, helaas, helaas! hoe is de kans gekeerd!Wat viert men hier? 't Is nu vergeefs getriomfeerd;Vergeefs met wapenroof en standerden te brallen.
Wat hoor ik, Gabriël?
Och, Adam is gevallen;De vader en de stam van 't menschelijk geslachtTe jammerlijk, te droef alreê ten val gebracht.Hij leît er toe[67].
Dat is een donderslag in d'ooren.Al ijze ik, mij verlangt die nederlaag te hooren.Heeft dan 't verwaten Hoofd het aardrijk ook bestreên?
Hij rukte, na den slag, 't verstrooide heir bijeen,Doch eerst zijn Oversten, die voor elkandre gruwen[68];En zette zich, om 't licht van 't alziende oog te schuwen,In een holle wolk, een duistre moordspelonkVan neevlen, daar geen vier dan uit hun blikken blonk;En, midden in den ring des helschen Raads gezeten,Hief uit zijn zetel aan, te helsch op God gebeten:"Gij machten, die zoo trotsch voor ons' gerechte zaakDien afbreuk hebt geleên; nu is het tijd om wraakTe nemen van ons leed, en listig en verbolgen,Met onverzoenbren wrok den Hemel te vervolgen,In zijn verkoren beeld[69], en 't menschelijk geslachtTe smoren in zijn wieg en opgang, eer het machtIn zijne zenuw krijge en aanwinne in zijne erven.Mijn wit is, Adam en zijn afkomst te bederven[70].Ik weet, door 't overtreên der eerstgestelde wet,Hem aan te wrijven zulk een onuitwischbre smet,Dat hij, naar lijf en ziel, met zijn nakomelingenVergiftigd, nimmer zal ten zetel innedringen,Waaruit men ons verstiet; edoch gebeurt het al,Dat iemand bovenstijge, een kleen, een dun getal,En nog door duizend doôn en arrebeid en lijden,Zal steigren tot den Staat en kroon, die ze ons benijden.Ellenden zullen zich terstond, op Adams spoor,Verspreien zonder end de wijde wereld door.Natuur zal, van dien slag geteisterd, schier verteren,En wenschen in een Niet of mengelklomp[71] te keeren.Ik zie den mensch, die naar het beeld der Godheid zweemt,Van Gods gelijkenis verbasterd en vervreemd,In wil, geheugenis, en zijn verstand ontluisterd,Het ingeschapen licht beneveld en verduisterd,En wat den dag beschreit, in 's moeders bangen schoot,Gevallen in den muil der onvermijbre Dood.Ik wil de tiranny verheffen, altijd stouter,En u, mijn zoons, gewijd tot Godheên[72], op het outer,In kerken, zonder tal, tot aan de lucht gebouwd,Vereeren offervee, en wierookgeur, en goud,Ja zooveel menschen, als geen tong vermag te noemen,En al wat Adam teelt in eeuwigheid verdoemen,Door gruwelstuk op stuk, Gods naam ten trots begaan.Zoo dier wil hem mijn kroon[73] en zijn triomffeest staan!"
Verwaten vloek, zoo trotsch de Godheid nog braveeren!Wij willen u eerlang dat lasterstuk verleeren.
Aldus spreekt Lucifer, en zendt Vorst Belial,Opdat hij dadelijk de menschen breng' ten val.Dees schiet[74] de boosheid zelf, de listigste aller dieren,De slang aan, om met glimp van woorden te verzierenHet lokaas, 't welk aldus d'onnoozle schepsels ving,Daar zij geslingerd om den tak der kennis[75] hing:"Heeft God, op halsstraf, u zoo dier, zoo streng, benomenDen vrijdom van het ooft, den smaak van 't puik der boomen?Neen, Eva, simple duif, geenszins; gij zijt verdwaald.Aanschouw eens, bid ik u, dien appel! Ai, hoe straalt,Hoe gloeit dit ooft van goud en karmozijn te gader!Hoe noodt u dit banket! Ai, dochter treê wat nader;Hier nestelt geen venijn in dit onsterflijk loof.Hoe lokt dees' vrucht! ai pluk, ai pluk vrij; ik beloofU wetenschap en licht. Wat deist ge, bang voor schennis?Tast toe, en word God zelf in wijsheid en in kennisEn wetenschap gelijk, en eere en majesteit,Hoezeer Hij 't u benij. Zoo vat men 't onderscheid,Het wezen en den aard en d'eigenschap der zaken."Terstond begint het hart der schoone bruid te blaken,T'ontvonken, en zij vlamt op d'aanprezen vrucht.De vrucht bekoort het oog, het oog den mond, die zucht.De lust beweegt de hand al bevende te plukken.Zoo plukt ze en proeft en eet (dat wil haar afkomst drukken!)Met Adam, en zoodra hunne oogen opengaan,En zij hun naaktheid zien, bedekken ze, met blaân,Met vijgenloof, hun schaamte en schande en erfgebreken[77],En gaan zich in geboomte en schaduwen versteken,Versteken, maar vergeefs, voor 't aldoordringende oog.De lucht betrekt allengs. Zij zien den regenboog[78]Gespannen, als een bode en voorspook van Gods plagen.De Hemel treurt in rouw. Geen handenwringen, klagen,Noch schreien helpt den mensch en zijne weêrgade. Ach!Het weêrlicht reis op reis; het dondert slag op slag[79].Al wat men hoort en ziet, is schrik en angst en zuchten.Zij vluchten voor hun schim, maar kunnen niet ontvluchtenDen worm, die 't hart doorknaagt, het overtuigd gemoed.Zij knikkebeenen beide, en struiklen, voet voor voet.Het aangezicht ziet doodsch, en d'oogen, diepverdronkenIn tranen, zien geen licht. Hoe is de moed gezonken!Hoe stak hij flus het hoofd zoo moedig in de lucht!Het ritslen van een blad of beek, een klein geruchtVerbijstert hen; terwijl een zwangre wolk komt dalen,Die scheurt, en baart allengs een licht, een glans en stralen,Daar d'Opperste uit verschijnt, in dien bedrukten staat,En dondert met zijn stem, die hen ter aarde slaat.
Och, och! och, och! de mensch waar' nutter nooit geschapen.Dat leert zich aan een vrucht, een mondvol saps, vergapen!
"O Adam!" dondert God, "waar zijt gij toe geraakt?""Vergeef me, o Heer! Ik vlucht uw aanzicht, bloot en naakt.""Wie leerde u," vraagt hem God, "uw schaamte en naaktheid kennen?Durft gij uw lippen aan verboden vruchten schennen[80]?""Mijn gade, mijne bruid, bekoorde mij, helaas!"Zij zegt: "De slimme slang bedroog me met dit aas."Dus schuift elk van den hals den oorsprong der gebreken[81].
Genâ! Wat vonnis wordt op dit vergrijp gestreken?
De Godheid dreigt de vrouw, die Adam heeft verleid,Met weên, en barensnood, en onderworpenheid;Den man met arbeid, zweet, en zorge, en lastig slaven;Den akker, die den mensen ten leste zal begraven,Met onkruid en veel ramp; de Slang, om 't loos misbruikVan haar doortrapte tong, zal kruipen op den buikLangs d'aarde hene, en slechts bij stof en aarde leven.Maar om den armen mensch een' vasten troost te geven,In zulk een jammernis, belooft de Godheid trouwTe wekken[82], uit het zaad en bloed van d'eerste vrouw,Den Sterke[83], die de Slang, den Draak, het hoofd zal plettenDoor erfhaat, van geen tijd noch eeuwen te verzetten.En schoon dat felle Dier hem naar de hielen bijt[84],Nog triomfeert de Held met eere, na dien strijd.Ik koom uit 's Hoogsten naam dat onheil u ontvouwenStel daadlijk orden, eer ze ons moeite op moeite brouwen.
Uriël[85], Schildknaap, die het heilig Recht bewaartEn reukeloosheid straft, grijp aan uw vlammend zwaard:Vlieg hene naar omlaag, en drijf ze beide uit Eden,Die d'eerste wet zoo blind, zoo reukloos overtreden.Bewaak den ingang van 't ontheiligd Paradijs,En keer de ballingen met kracht af van de spijs,Den boom, die 't leven rekt. Gedoog niet, dat ze pluikenD'onsterfelijke vrucht en 't hemelsch ooft misbruiken.Gij wordt op schildwacht voor den hof en boom gesteld.Dat Adam buiten zwerve, en, vroeg en spade, veldEn kleigrond ommeploeg', waaruit hem God bootseerde.Ozias[86], aan wiens vuist de Godheid zelf vereerdeDen zwaren hamer van geklonken diamant,En ketens van robijn, en krammen, spits van tand,Ga hene, vang en span het heir der Helsche dieren,Den Leeuw en fellen Draak, die tegens ons' banierenDus woeden; vaag de lucht van dees' vervloekte jacht[87],En boei ze aan nek en klauw, en keten ze met kracht.Dees' sleutel van den put der afgronds[88] en zijn holenWordt, Azarias, u en uwe zorg bevolen.Ga hene, sluit in 't hol al wat ons' macht bestrijdt.Maceda, neem dees' torts, die vlam is u gewijd:Ontsteek den zwavelpoel in 't middelpunt der aarde,En pijnig Lucifer, die zooveel gruwelen baarde,In 't eeuwig brandend vier, gemengd met kille vorst;Daar Droefheid, Gruwzaamheid, Versteendheid, Honger, Dorst,De Wanhoop, zonder troost, de prikkel van 't geweten,En Onverzoenbaarheid, een straf van 't boos vermeten,Versteken van den glans der Godheid, in dien rook,Getuigen 's Hemels ban, geveld op 't heilloos Spook;Terwijl 't beloofde Zaad[89], verzoenende Gods tooren,Herstelle uit liefde al wat in Adam werd verloren.
Verlosser[91]! die de slang het hoofd verpletten zult,'t Vervallen menschdom eens van Adams errefschuldVerlossen, t'zijner tijd, en weer, voor Eva's spruiten,Een schooner Paradijs hierboven opensluiten;Wij tellen d'eeuwen, en het jaar, en dag en uur,Dat uw genâ verschijn'; de kwijnende NatuurHerstell', verheerelijke, in lichamen en zielen;Stoffeerende den troon, daar d'Engelen uit vielen.
Noten:
[1]van den grond tot op de kruin der Aartspaleizen: de hemel was verdeeld in een aantal kringen, bogen, sferen, (Voorwoord), hier gedacht alsverdiepingen.Aartspaleis: Opperst paleis.
[2]En scheppen nieuwe zonnen, nl. in hun schittering en weerkaatsing.
[3]de horens kant: scherpt, punt.De horens, in gelijkenis met stootende stieren.
[4]Wat legt ge al prijzen in: hoeveel prijzen verzekert ge u niet, vergelijk "wat legt gij een eer in".
[5]eerste tocht: strijd.
[6] URIEL. Vondel, zoomin als een der klassieke dichters, laat ooit een strijd,zien, maar beschrijft hem. Want hén dramatische kunst is allereerst die van het woord en niet van de reëel uitgebeelde handeling. Dat dit in dit geval juister is dan de Shakesperiaansche methode om wèl dien strijd ten tooneele te brengen, behoeft geen betoog. Er zou van de grootschheid der hier nu volgende hemelsche worsteling niets terecht komen, als we haar in werkelijkheid moesten zien, en niet het beeld ervan in Vondels vers. (Zie ook Inleiding tot V.'s Dramatiek).
[7]t' ontvouwen op een rij: achtereenvolgens uiteen te zetten.
[8]tegens 't hoog gebied: tegen d'oppermacht.
[9]op 't aanstaan: op 't aandringen.
[10]in Gods naam: Natuurlijk niet in onzen alledaagschen zin van: "omdat hij 't niet laten kon", maar: "in naam des Heeren".
[11]op 't luchtig ruim … te vagen: het schuim leeft òp het ruim en daarvan moet het weggevaagd worden.
[12]Al dit spook: al dit gespuis.
[13]brommen. Hier: "zich luidruchtig aanstellen, gereed maken. —Driekantig heir. Het leger van Michaël vormt dus een driehoek; dat van Lucifer neemt den slagorde-vorm aan van een Halve Maan. Dr. Cramer ziet in het eerste een toespeling op de heilige Drieëenheid; en in laatste een op de Turken. Het schijnt inderdaad die eerste opvatting te bevestigen, doch het volgend verhaal van Uriël doet vermoeden dat Vondel eer alleen aan het Sterrebeeld van den Stier dan aan de Turken gedacht heeft, ook al wordt er even van de halve Maan gerept.
[14]Werd van Apollion gehandhaafd: werd door A. in de hand gehouden; hooggehouden.
[15]In zijnen vollen krits omhoog ten troon gezeten; Apollion troonde hoog, in zijn volle glorie.
[16]groene livereien: De een ziet in dit "groen", de kleur van de slang, de ander die van den Turk. Misschien hebben beiden gelijk.
[17]Wreevlig aangevoerd van wrok: door wrok wrevelig geworden en nu opgestuwd.
[18]De Leeuw en de Draak: twee sterrenbeelden, (zieBerecht);ter vlucht gereed en vlug: gereed en in staat tot vliegen.
[19]rondas: rond schild.
[20]Gij fenix: Fenix is de uit zijn asch herlevende vogel; beeld der onsterfelijkheid en dus der hoogste voortreffelijkheid. Zoo noemt Vondel ook Huigh de Groot wel een Fenix.
[21] Zie hiervoor zoowel overnaturelijkals overaangeschapen.
[22] Een levendige indruk van 'tgebeurendein plaats van 't beschrevengebeurdegeeft die uitroep van Rafael, herhaling van zijn vroegere bede tot Lucifer.
[23]Hoefslag: wachtpost.
[24]gesnoerd aan hun gezag: onderworpen aan hun commando.
[25]dolle trom: dol, Eng.dull: dof.
[26]het geluid geweer en handen wet: op dit geluid komen hand en wapen in gereedheid tot den aanval.
[27]schicht: pijl; bliksemschicht.
[28]de kreitsen … in hun ronde, de starren … in hun omloop.
[29]schutgevaart. De bliksem en het onweer stellen in dezen hemelschen strijd de eerste uitbarsting voor van het schieten, waarmee op aarde een strijd begint. In de volgende beschrijving spreekt Uriël alsof hij een van V.'s tijdgenooten was. Maar dit localiseeren in den eigen tijd was deze periode nog eigen. Ook voor de volgende beeldspraak van een zee, beukend op een rots,de toefte krijgen, geldt dit.
[30] zie [29].
[31]de Wanhoop af te vechten: een wanhopigen strijd te strijden.
[32] zie [29].
[33] Héél levendig moment, dat opstijgen van Michaëls macht, boven die van Lucifer uit, om den gunstigen wind te krijgen. Ook het volgende uitgewerkte beeld van de valk en de reigers is krachtig-gevoelig van teekening; doet alleen in de beschrijving van dèze worsteling wat klein. Ditzelfde ook voor de waterval-vergelijking, [37] vlgg.
[34]En zinken. Feitelijk:zenkend.i. doen zinken.
[35] Uit dezen regel blijkt duidelijk de bevestiging van het opgemerkte bij [29]: V. denkt zich beide legers voorzien met de aardsche strijdmiddelen van zijn tijd.
[36]De hemelsche adelaar en zijn pennen: De gevleugelde Michaël.
[37] zie [33].
[38]roode en blauwe zwavel en vlammen. Hier denkt V. weer aan de geschutwerking van bliksem en donder.
[39]het hart … ontzakt voor: de moed ontzinkt.
[40]rustig= moedig.
[41]voor de vuist: openlijk.
[42]Hij schut de wreedste slagen: weert de hardste slagen af.
[43]hemen [44]hijslaan beide op Lucifer.
[45] Gods naam (zie ook [49]), die op Michaëls schild is aangebracht.
[46]Dit voorspook: voorteeken.
[47]den toescheut stuit, stuit het toeschieten, opdringen; hen, die opdringen.
[48]d'Aartsvijand: d'Opperste vijand, Lucifer.
[49] zie [45].
[50]Al t' ongenadig: in zoo sterken mate ongenadig.
[51]kort: onmiddellijk.
[52]De reus Orion. Hier is Vondels mythologische kennis aan het woord: de reus Orion, als sterrebeeld met zijn knods, is Grieksch. Maar ook dezelfde primitieve klassieke herinneringen als hem in deGijsbrechtden "Sparre-wouwer reus" aan het gevecht doen deelnemen. Zonder een reus was deze strijd voor hem niet compleet, ook al verwierp hij in zijnBerechthet denkbeeld, een goddeloozen Reuzenstrijd te hebben willen schilderen. (Zie ookVoorwoord.)
[53] "die niet geeft om Orions, knodsen of reuzen".
[53] De bekende sterrebeelden van de Beer, dicht bij de Noordster.
[55] DeHydra, mythologische draak met vele koppen, òok sterrebeeld.
[56]Ik zie een galerij: Gelijksoortige wending als in het verhaal van den Bode inGijsbrecht: "ik zie de deugden zelf." De verhaler tracht even door een samenvattend beeld de verbeelding der toehoorders te doen wijden in een visioen.Een galerij van oorlogstafereelenis zoo echt Vondeliaansch. Immers waren hém poëzie en schilderkunst zeer nauw verwant.
[57]nare nacht. Naar(Engelsen narrow): nauw. Vandaar dat "naar" en "eng", angstig, in beteekenis verwant zijn, en naar ook donker beteekent, met de bijgedachte "beangstigend."
[58]vergeet met goud te brallen, nalaat met goud te pronken, dus: "eindigt met schitteren."
[59]mengelt zeven dieren afgrijselijk ondereen: neemt de afgrijselijke gedaante aan van een mengeling der zeven dieren: dehoofdzonden: Hoovaardij, gulzigheid, luiheid, wellust, toornigheid, nijdigheid en gierigheid.
[60]eene sim: een aap.
[61]Kortouw, kartouw, geschut. Zie de aanteekening bij [29].
[62]Wat green hier: green, verleden vangrijnen, boosaardig kijken (Wdbk). Voor de gedaanteverwisseling der gevallen Engelen zie men o.a. de schilderij van Pieter Breughel, te Brussel, afgebeeld inDe Ploeg, IIe Jaarg. 120.
[63]met Engelenroof te pralen: "Te pralen met 't den Engelen (zie ook [66]) "ontroofde". Een barbaarsch idee; zeker niet hemelsch.
[64]troon: hemel.
[65]d'Aartsvijand leît er toe. Ligt onder, is overwonnen. Zie ook [67].
[66] zie [63].
[67] zie [65].
[68]die voor elkander gruwen. Na hun gedaanteverwisseling.
[69]In zijn verkoren beeld. Immers: God schiep den mensch naar Zijn Evenbeeld.
[70]te bederven: ten verderf te brengen.
[71]Mengelklomp, gelukkig Nederlandsen woord voorchaos.
[72]U mijn zoons, gewijd tot Godheên. De duivelen en de heidensche afgoden worden in de Christelijke opvattingen vereenzelvigd. Maar ook kan Vondel hier gedacht hebben aan de duivel-aanbidding, die tot op onzen tijd voortleeft.
[73]Mijn kroon, d.w.z. de mij ontroofde kroon.
[74]schiet(de gestalte van)de slang aan.
[75]tak der kennis voor: "tak van den boom der kennisse".
[76]bang voor schennis: bevreesd het verbod te schenden; zie [80]: uw lippen schennen: bezoedelen.
[77]Erfgebreken: Erfzonden. Zie ook [81].
[78]Regenboog. Ietwat vreemd den bijbelvasten Vondel hier den regenboog te zien aanduiden als een voorspelling van straf, in plaats van als teeken van Gods verbond met den mensch. Genesis IX, 12-17.
[79] vlgg. Een levendige, aangrijpende schildering van angst en berouw.
[80] zie [76].
[81] zie [77].
[82]belooft de Godheid trouw te wekken. Trouw: "zekerlijk."
[83] Zie ook [90].De Sterkeis de Verlosser (En [89]: 't beloofde Zaad). Immers Jezus overwon het kwaad (door erfhaat, ingrondigen haat) ondanks Satans pogen hem te bestrijden en verleiden [84].
[84] zie [83].
[85]Uriël. InAdam in Ballingschaptreedt dezelfde Engel op, om Adam en Eva ter verantwoording te roepen, ze daarna uit Eden te verjagen. Doch de dramatische toestand is in beide stukken in ieder opzicht verschillend, en in deAdammoest de hier geschilderde volgorde en rol der personagiën wel afwijken.
[86]Ozias, AzariasenMaceda. Of Vondel deze Engelennamen zelf verzonnen heeft, dan wel ze aan onbekend gebleven overleveringen ontleende, is nog niet gebleken. V. was ontzaglijk belezen in de theologische literatuur van zijn tijd (zie ook mijn studie over zijnJeftha) en het zou me niet verwonderen als men ook hier den oorsprong van deze namen nog eens vond. De rol van Ozias doet denken aan die van Hephaistos in Aeschylos'Promotheus Geboeid(W.B. 182.)
[87]Vervloekte jacht, 't Vervloekte wild.
[88]de put des afgronds en zijn holen: de Hel met al haar afdeelingen, waarin 't eeuwige vuur en de felste koude samen wonen, met al de verdere gruwelen, door Dante beschreven.
[89] zie [83].
[90] vlgg. Plechtiger en vromer kon Vondel zijn gewijd treurspel moeilijk besluiten dan met deze laatste aanbidding van den Rei. (ZieInleiding.)
[91] zie [83].
* * * * *