AANTEEKENINGEN.De geslachtsnaam van Tromp’s vader.Hierover vindt men in „Aanteekeningen en Mededeelingen betreffende het Geslacht Van der Tromp of Tromp” in „Rotterd. Historiebladen,”3e Afd. Genealogische Aant. en Levensbesch. Eerste deel p. 59 v.v. het volgende: Volgens aanteekeningen van Mr. Reinier van Heemskerk heeft de vader van den admiraal M. H. Tromp die oorspronkelijkVan der Welheette, zijn naam veranderd. Volgens diezelfde aant. was de oorzaak deze: „dat de vader van den Admiraal Maerten Harpertsz. Tromp, zijnde geweest Harpert Lamberts (lees: Maertensz) Van der Well, groote(n) lust had tot den zeedienst, en zijne ouders hem dat willende beletten, hij de vlugt nam en zich in den zeedienst begaf als jong matroos of, zoo anderen zeggen, als koksmaat, onder den naam van Tromp om niet bekend te zijn. Doch anderen zeggen, dat hij op zijn schip zijnde, en niets te doen hebbende, hij altoos zich amuseerde met op eentrompjete spelen, waardoor hij den bijnaam vanTrompzou verkregen hebben.” Nav. II 1852, p. 140.Hier vinde het tevens zijn plaats, dat in het Brielsche Archief noch vanVan der Tromp,TromperofTrompertsprake is, als Harpert Maertensz. genoemd wordt, maar steeds vanTromp. ZieH. de Jager: Geslacht Tromp, p. 2.Vrouwen en kinderen van Maerten Harpertsz. Tromp.Zijneerste vrouw was Dina of Dignom de Haes, dochter van Cornelis de Haes en N. van den Heuvel. Zij stierf den 20enNov. 1633, in den ouderdom van 34 jaren te Rotterdam en werd aldaar in de Groote Kerk begraven (grafsteen no. 103). Onder dien steen ligt ook zijn tweede vrouw begraven, en dat graf, gelijk uit een zijner hierna te melden Testamenten blijkt, was ook voor hem bestemd. Van de inschrijving van den trouw en ondertrouw met Dignum gaven wij een fac-simile. Opgemerkt zij hier, dat de ondertrouwnietden 24enApril 1624 plaats had, gelijk in „het Geslacht Tromp” vanH. de Jager(natuurlijk door een druk- of schrijffout) voorkomt, maar den14enAprilvan dat jaar.Tromp’s tweede „huisvrouw” was: Aeltgen Jacobs van Arckenboudt. „Ondertrouwd te Rotterdam 27 Augustus 1634: Maerten Herperts Tromp, wedr. Capiteyn, wonende op de Leuvehaven, met Alyth Jacobsdr. Arckenboudt, j. d. wonende in den Briel. Attesten gegeven op den Briel 10 Sept. 1634” (Rott. Hist. bladen t. a. p. p. 65 noot 1). Het huwelijk werd den 12enSept. 1634 te Brielle voltrokken. Ook deze vrouw van Tromp stierf jong. Volgens het opschrift van den grafsteen stierf zij den 13enApril 1639 in den ouderdom van 36 jaren.In 1640 huwde hij ten derden male te ’s-Gravenhage met Cornelia Berckhout. Zij overleefde hem en bracht nog na zijn dood een kind ter wereld. Zij ontving, om de groote verdiensten van haar echtgenoot, van de Staten-Generaal een pensioen, waarover later.Uit zijn eerste huwelijk had Tromp:Cornelis, geboren 1629, (den later zoo beroemden driftkop Cornelis of Kees Tromp),Harper Maertensz.enJohan Maertensz.Uit zijn tweede huwelijk:Alida, MargarethaenMaerten(op anderhalfjarigen leeftijd gestorven). En uit zijn derde huwelijk:Johanna Maria, AdriaenenMaerten Harpertsz., die na zijns vaders dood geborenwerd. (ZieRott. Hist. bladen, p. 66, en ook p. 64 en 65).Zusters van Tromp.Uit het Testament van Tromp, verleden voor Jan de Bruijne, notaris te Brielle, in dato 26 Jan. 1634 blijkt (wat vóór de ontdekking van dit testament reeds door H. de Jager vermoed werd) dat Trompdriezusters had, n.l.Aeltje, LeentjeenMaritgen Harpertsdr. Ze waren toen dus nog in leven.Geboortejaar van Tromp.Meestal wordt als zijn geboortejaar 1597 opgegeven. Zelfs het grafschrift op zijn tombe in de Oude Kerk te Delft geeft daar aanleiding toe. Daar leest men toch (volgens de vertaling in: „Leeven en Bedrijf van den vermaarden zeeheld Cornelis Tromp” p. 134)„... den 10denAugusti van het jaar onzes Zaligmakers 1653 ter ouderdom van 56 jaren opgehouden te leven en te verwinnen.” Tromp nu verjaarde vóór Augustus (n.l. den 23stenApril), derhalve: 1653–56=1597. Ook in deRott. Hist. bladenvindt men het jaartal 1597 (in die opgave staat een drukfout, die later aangewezen wordt).Toch is het geboortejaarniet1597 maar 1598. Niet alleen geeft prof. Thysius in zijnOratio Funebris, maar ook een ander tijdgenoot (schrijver van de ongepagineerde „Memorie Raeckende het begin, vervolch, ende eynde, van de diensten van wijlen de Heere M. H. Tromp enz.,”Den Haag1653) het jaartal 1598. Doch, wat alles beslist, het Brielsche Doopregister geeft als doopdag 5 Mei 1598, gelijk het hierbij gevoegde fac-simile ten duidelijkste aantoont. De zorg voor deze en de andere fac-simile’s had de heer J. de Jong Cz. voormaals leeraar H. B. S. te Brielle, thans Directeur Burger-Avondschool en leeraar H. B. S. te Utrecht, op zich genomen, waarvoor ik hem reeds vroeger openbaar mijn dank betuigde.Tromp’s welstand en zijn huizen.In den tekst is sprakevan een omstreeks 1640 verschenenSchotschrift, waarin Tromp geducht afgetakeld wordt. Dit pamflet is getiteld: „’t Samen-Spraeck, over de Loffelycke daden, gelegentheden ende afkompste van den Recht wel Edelen Manhaften Zee-Heldt Marten H. Tromp, thusschen...” en nu volgt de opgave van eenige personen, waarvan wij slechts noemen: Marinus Crijnsz., een Jongh varent gesel van Zeelant; Jan Slomp, een oudt varent Man; diens vrouw: Trijn Jans, zijnde een Uytdraeghster; Griet Smeers, een Besteedster enz. Jaartal ontbreekt. Aan het einde: „Hier naer Een beter. S. V. P.” (Koninkl. Bibliotheek). Wil men dit schotschrift gelooven, dan moet het, nog kort voor 1640, niet te schitterend met den welstand van Tromp en diens familie gestaan hebben. Daarom is het niet oneigenaardig eens na te gaan, wat daaromtrent het Brielsche Archief te vertellen heeft. In betrekking tot het Schotschrift mogen we ons hier alleen bemoeien met de getuigenissen vóór 1640.We vernemen dan, dat de vader van zijn tweede vrouw, n.l. Jacob Arenszoon Arckenboudt volstrekt niet onbemiddeld was. Hij werd den 27stenJuli 1613 door het Oud en Nieuw Gerecht der stede van den Brielle tot ontvanger en collecteur van de Verpondingen benoemd, werd van 1 Oct. 1605 af herhaaldelijk tot Schepen benoemd en was van 1 Oct. 1613 tot 30 Sept. 1614 Oud-Schepen. Hij stierf in 1625, en, daar hij meer dan eens in het huwelijk trad, moest er boedelscheiding plaats hebben. Tot de kinderen uit een vorig huwelijk behoorde Tromp’stweedevrouw,Aeltghen. Later kon haar man, dus Maerten Harpertsz. Tromp, uit haar erfenis èn een huis in de Nobelstraat (genaamd „het Hemelryck”)èn een huis in het Zuideinde (beide straten in Den Briel gelegen) verkoopen. Ook was hij in 1633 „reeder en participant van seeckere haringhbuysch.” Een zuster van Tromp ondertrouwde den 8stenJuni 1625 met EgbertOoms, volgens De Jager: Ooms, joncman van Nieuwegen. In hetTrouwregister staat achter haar naam; jonge dochter, wonende in de Nobelstraat. Het is mogelijk, maar in die straat zou men geen menschen gezocht hebben, die „voor de maets waschten”. Zijn andere zuster Maartje of Maritgen huwde met Bastiaen Bastiaensz. Molewater, en die is dusde zwager van Tromp, de bakker, die hem brood van „verdroncken terwe” verkocht zou hebben. Het huwelijk had den 8stenJuli 1631 plaats. Ook zij woonde toen in de Nobelstraat. In 1647 werd Bastiaen Molewater in de St. Catharinakerk te Brielle begraven. De fraaie grafsteen, waaronder ook Tromp’s zuster ligt, is alweer geen bewijs voor den geringen staat van Tromp’s familie. Men vindt dien steen dicht bij het in 1711 opgerichte praalgraf van Philippus van Almonde. Wel is Bastiaen Molewater geen Raad en ook geen Burgemeester van Den Briel geweest, gelijkDe Navorscher 1867 p. 291ten onrechte mededeelt. Dat was het geval met den zoon van Bastiaen Molewater en Maritgen n.l. Harper Molewater. Deze Harper Molewater is raad, schepen, oud-schepen en burgemeester-thesaurier van Den Briel geweest.Dat Tromp’s vader in ’t jaar 1606 te Rotterdam een huis kon koopen, en na het sluiten van het Bestand, met een „eigen geladen” koopvaardijschip uit kon varen, getuigt ook niet van zulk een armoede als het Schotschrift zou doen denken. Over het koopen van dat huis, zie menRott. Hist. bladenp. 61, aant. 3, en over Tromp’s geboortehuis en een ander huis door hem in Den Briel bezeten,NavorscherVII (jaarg. 1857), p. 29 kol. 2 onderaan. Deze laatste berichten steunen echter meest op overleveringen, zijn van een mij onbekend gebleven T, en tenminste in één opzicht niet geheel juist. De quaestie is echter te plaatselijk, om er hier op in te gaan.Wanneer is Harpert Tromp gesneuveld?Volgens Potgieter reeds 40 dagen na den slag van Gibraltar, dus in 1607; (Verspr.en Nagel,Werken, Schetsen en Verhalen, I p. 77, uitgave1875) en G. van Loon (Nederl. Historiepenningen, II p. 377) geeft het jaar 1608 op. Volgensde Memoriebleef Harpert in ’s lands dienst tot hij den 9denJuni 1610 door het sluiten van het Bestand buiten dienst werd gesteld. Ook Prof. Thysius zegt, dat hijnahet sluiten van het Bestand met een „eigen geladen” koopvaardijschip uitzeilde, en wel, volgensde Memorie„nae de Caep de Verde ofte Ginea.”Omtrent Cabo Verde had de noodlottige ontmoeting met de zeeroovers plaats, bij welke gelegenheid Harpert sneuvelde, wat dus zekernietvoor 1609 plaats had. Het zal derhalve in 1609, of in ’t begin van 1610 geschied zijn.En dat klopt geheel met een andere opgave. Uit een fragment-rekening der Admiraliteit op de Maas (medegedeeld inRott. Hist. bladen p. 87) blijkt, dat den 26stenJanuari 1613 „aen Janneken Barentsdr., weduwe van Capiteyn Herpert Maertensz” werd toegelegd de somma van 250 pond „eens voor alle haere pretensien geene uytgesondert welcke zy ter saecken haeres voorsz. mans diensten den Lande ter zee tot desselfs overlyden toe hadde uytstaende ende 98 pond over de leste vier maenden solts daer inne hy slaechs zijnde tegens de zeeroovers is dootgeschoten.” De moeder van Maerten was door de terugkomst van haar zoon te weten gekomen, dat zij weduwe was. Volgensde Memorieheeft Maerten den zeeroover omtrent derdehalf jaar gediend. Wanneer we nu, met den bovengemelden vasten datum van den 26stenJanuari 1613, mogen aannemen dat het verzoek der weduwe in ’t laatst van 1612 tot het College is gericht, zou daaruit volgen, dat Maerten in de tweede helft van ’t jaar 1612 uit zijn slavernij ontslagen is, en dan komt men, daar 2–1/2 jaar aftrekkend, tot het voorjaar van 1610 als tijdstip, waarop Harpert gesneuveld is.De Zeeroover tegen wien Harpert sneuvelde.Potgieternoemt hem Sir Francis Verney en spreekt van één schip. DeMemorievan een „sekeren welgemant ende gemonteert Engelschen Rover, ghenaemt Capiteyn Hessen,” en nog van diens „bijhebbende Schepen”,prof. Thysiusveel stelliger van een „Engels Rover, die met seven schepen de Zee onvrij maakte.”Hoe is Maerten dien roover ontkomen?In „Leeven en Bedrijf van Cornelis Tromp” vindt men daarover: „waarna de jonge (Maerten Harpertsz.) Tromp, dien Roover wel dardehalf jaar voor Kajuitwachter moest dienen; doch vond eindelyk middelen om t’ ontkomen.”DeMemorie, dat „hy dien Rover noch eyndelyck ontspronghen, ofte ontdonckert” is. Toch, Maerten is den roover noch ontsprongen of ontdonkerd, noch heeft hij middelen gevonden om te ontkomen. WantThysiuszegt: „totdat de satheyt van de Zee ende des roofs, de Roovers selfs bevingh, ende nae dat sy conditien met den Hartogh van Savoyen ghemaeckt hadden, haer een vrye plaets om te herbergen toegestaen is. Naerdat de Engelse roovende Vloot tot niet was, heeft hy hem vrygesteld zijnde, in syn gemoet doen alreede groote saken overleggende, wederom naer syn Vaderland terug begeven.”Hoe lang kan Maerten bij het timmervak gebleven zijn?Aannemende dat het waar is, wat het Schotschrift hiervan mededeelt—en voor twijfel daaromtrent zie ik hoegenaamd geen reden—dan rijst de vraag, hoe lang kan dit leven aan wal geduurd hebben? DeMemoriezegt hiervan: „Ende t’ Huys gekomen zijnde, ende als doen een Reys met Schipper Cornelisz. de Haes ghedaen hebbende op Rowanen, heeft sich den 23stenJuny Anno 1617 in dienst begheven onder den Capiteyn ende Commandeur Moy Lambert zal(i)g(er) voor Quartiermeester.” Maerten was in ’t laatst van 1612 in Rotterdam teruggekomen.Volgens deMemorietreedt hij eerst in Juni 1617 in ’s lands dienst. In dien tusschentijd wordt door deMemorie, die zeer regelmatig alle zeetochten van Tromp optelt, enkel het reisje naar Rouaan gemeld. We mogen dus zijn leven aan wal zeker wel op drie à vier jaar stellen.Het verblijf bij den „Bassa” van Tunis.Tegen het afloopen van het Bestand wilde Tromp naar huis terugkeeren en werd toen, dus in ’t laatst van 1620 of ’t begin van 1621 door „de Turken” gevangen genomen. Na zijn bevrijding, is hij „gheraekt nae Londen (zegtde Memorie) van waer hy met Capitein Adriaen Emmekans zalig(er) ware overgekomen tot Rotterdam, alwaer hy den 23 Julij 1622 is geworden Luytenant onder Capiteyn Cornelis de Bagijn.” Het verblijf bij die van Tunis zal dus ruim een jaar geduurd hebben.Het aanbod van den „Bassa.”Thysiuszegt hiervan (in de vertaling van 1653, als „Lyck-Oratie” betiteld) „Den Bassa heeft lange met seer grooten ernst van onsen Heldt begeert, dat hy doch het Stuyrmanschap van sijn Schepen wilde aennemen, en heeft hem eere ende groote vereeringhen belooft, door welcke de broose verstanden der menschen dickwils wegh gheruckt werden.” Het oorspronkelijke (Oratio Funebris p. 8) heeft hier: „Diu ille summopere ad heröe nostro flagitavit, ut gubernatorem suarum navium ageret, honores, luculenta praemia, quibus abripi fragiles mortalium mentes solent, promisit.”Voeding der Schepelingen.De spijzen „bestonden uit hard brood of beschuit, en zoolang dit verkrijgbaar was, uit gewoon of week brood, uit vleesch of spek, kaas, stokvisch, haring, gort, witte, groene of grauwe erwten en boonen. De drank was behalve het water, bier; van jenever wordt in deze dagennog geen melding gemaakt.” Ook niet van brandewijn en tabak, doch brandewijn werd spoedig na Tromp’s tijd gebruikt, en tijdens den 2enEngelschen Oorlog werd er zelfs misbruik van gemaakt. Insgelijks van tabak, die reeds onder Piet Hein gebruikt moet zijn geworden, want hij verbood het. Met de victualie waren de scheepsbevelhebbers belast, en wel sedert Karel V. In 1636 besloten de Staten van Holland een proef te nemen, om dit aan „aannemers of beleiders” over te laten (in Zeeland bleef het gelijk het was); doch deze aannemers werden in 1640 weer ter zijde gesteld. De kapiteins kregen kostgeld, waarvoor zij de manschappen moesten onderhouden, en wel voor iederen matroos 6 stuivers daags. Bij afwezigheid hunner echtgenooten, zorgden, zoowel voor de victualie als voor de koks- en kajuitsgereedschappen voor een zeetocht, de vrouwen en ook wel de moeders der kapiteins. Dat deed ook de vrouw van Michiel de Ruijter. Deze admiraal wilde den kapiteins 7 stuivers daags per man toegelegd zien, doch het bleef nog lang 6 stuivers, „en menig kapitein heeft er zich wel bij bevonden.” Vergelijk De Jong. Gesch. v. h. Ned. Zeewezen I p. 319 en 699 (noten).De omgang van Tromp met zijn volk.„Gemeenzaam en vriendschappelijk van omgang, werd hij door alle zeelieden aangebeden, bij wie hij onder den naam van Bestevaêr bekend stond, en die hij gewoonlijk zijnekinderennoemde” (De Jonge 1 p. 517).—„Wat sijn sachtmoedigheydt en stillen ommeganck met sijn volck, als mede sijn andere deughden aengaet, daer van weeten sijn bekende meer te spreecken, als wy te schrijven.” (Leeven en Daaden der Doorl. Zee-helden, anno 1683, p. 547, kol.2)—„Wonderlyk wist hy zig naar den aart van het Scheepsvolck, dat hem steeds by den naam vanbesten Vaderbegroette, te voegen. Hy was Bevelhebber en Matroos te gelyk;zonder zyne agtbaarheid te verwaarloozen, en hier door kon hy alles van zyne manschap verkrijgen.”(Neerlands Heldendaaden ter zee, 1783, I p. 330). Wanneerprof. Thysiusook mededeeling doet van deze uitnemende verhouding tusschen Tromp en zijn volk, voegt hij er aan toe, dat „hy sijn ontsach gheheel wist te behouden”—Ook leefde hij aan boord eenvoudig: „die kroop slechts met zijn onderkleeren in de koy, gelijk de Bootsgezellen gewoon sijn. Hy had maar een knecht die op hem paste, en die hy dan noch tot andere dingen gebruyckte. Hy had ook maar een kok, die voor hem zelden anders als Scheeps-kost schafte” (Een praatje van den Ouden en Nieuwen Admiraal, anno 1653, p. 5). Hiermede komt overeen wat Thysius zegt, waar hij mededeelt, dat Tromp „dickwils nachten sonder slapen doorbracht, hy ruste nimmermeer gansch uytgekleet zijnde, hy stondt somtyds in de ontydighe nacht op, en hy die de opperste-wachter van allen was, sloegh met syn ooghen het waecken van andere gade.” (Oratio p. 19). De krijgstucht in die tijden eischte, dat „niemand van ’t gemeene volk zich des nachts (vermocht) te ontkleeden, zelfs niet de schoenen uit te trekken. Deze bepaling, hoe doelmatig ook, om op ieder uur van den nacht het volk ineens gekleed boven te hebben, was toch, dunkt me, wel wat hard en zal in rustige tijden of wanneer men in de ruimte was, wel niet met groote gestrengheid zijn toegepast” (Weruméus Buning, in „de Gids” van 1881 I p. 16).De stengen aan de Spanjaarden gegeven.AlsDe Jongemededeeling doet van de stengen, welke Tromp voor de Spanjaarden te Dover liet halen, en het kruit, dat hij, door bemiddeling van de Engelschen, den vijand aanbood, zegt hij, op p. 362 noot 1, dat deze bijzonderheden, welke hij aan het Journaal van Tromp ontleende, onbekend waren. Hierin vergistehij zich ten opzichte van de stengen. Reeds in ’t jaar 1683 vond men deze bijzonderheid in een gedrukt boek. „Op den sevenden (van Wijnmaand) quam Capiteyn Dorrevelt slepende een Engelsche Kitz met Wangen, Rees, Schaelen, en andere behoeften voor de Spaenschen, die Tromp naer den Spaenschen Admirael toe sond, alsoo die al geklaeght had, dat men sijn noodige behoefte hem af sneed, waerom hy niet vechten konde, voor welcke dienst, Dorrevelt van Oquendo met een Pijp Spaensche Wijn vereert wierd.”De schending van de neutraliteit door de Spanjaarden.„A dayortwo after; they fired some shot at Van Tromp’s barge, he being him self in it. What damage the barge suffered does not appear, but on board one of the Dutch ships a man was killed by a cannon ball, and the dead body was immediately sent to Sir John Pennington (dat was de Engelsche vlootvoogd) as a proof that the Spaniards had been the first violaters of the neutrality of the King’s harbour.” (Biographical Memoir of Marten Happertsz. Tromp, enz. inThe Naval Chronicle for 1817, Vol. XXXVI from January—June, p. 92.Het woordHappertis geen drukfout, want het staat boven elke bladzijde van dit opstel. Het is misschien een kenschetsend voorbeeld van den invloed der eigenaardige uitspraak van de Engelscheavóór der).Pennington was met zeventien Koningsschepen uitgekomen, en verkondigde „dat men sig, ter wederzyde, van vyandelykheden hadt te onthouden—Dat hy, die zig er het eerst aan schuldig maakte, de vyand van Grootbrittanje zou zijn, en als zodanig behandeld worden.” (Neerlands Heldendaaden, I p. 338).Het wapen van Tromp.„Ende nu onlancx den gheluckigen Heldt Martin H. Tromp van den Koninck van Vrankrijck, eenschildt d’argent au cheuron de gueulles, accompagnée d’un Galioen de sable en pointe, au chef d’azur, chargé d’une fleur de Lys d’or, ter gedachtenisse van den victorieusen Zeestrijdt, bij hem op zijne Majesteyts ende dezer Landen vijanden, verkregen” (Rotterd. Historiebl. a. v. p. 63, aant. 1). Tromp werd in Januari 1640 Ridder der Orde van St. Michiel, en door den Koning van Frankrijk, Lodewijk XIII met een nieuw wapen begiftigd. Hij werd door Koning Karel I van Engeland den 20enMei 1643 tot Ridder verheven (Navorscher 1867p. 290).Pekbroek.De bepaling, welkeVan Dale’s woordenboekdienaangaande bevat, is historisch geheel onjuist.„Pekbroek” is geen scheld-, maar een eerenaam, de naam van een kind der zee, van een persoon, die door en door een zeeman is. Moge het, volgens de afleiding, oorspronkelijk een scheldnaam zijn geweest, dan is het daarmede gegaan als met de oorspronkelijk als zoodanig bedoelde benamingGeus.Landgangerswaren kapiteins, die er liever hun plezier van gingen nemen te land, dan op zee hun plicht te doen. Ook bij de Engelsche zeemacht waren zij niet vreemd, getuige de, in den negenjarigen oorlog zoo beruchte Engelsche admiraal Torrington, wiens naam het Engelsche zeevolk verdraaide tot LordTarry in town(LordBlijf in de stad). VergelijkMacaulay’s Gesch. van Engeland, (vert. van dr. Van Deventer) 2e druk III p. 218.Een Engelsche lezing van de ontmoeting tusschen Tromp en Blake.„On their approach without paying the honour of the flag to the EnglishAdmiralBlake ordered several cannon, without shot, to be fired; but Van Tromp paid no regard to these warnings, and Admiral Blake no sooner fired a ballat his main-top-mast head, than he returned another, that went through the English admiral’s flag and taking in his own and hoisting the red flag for battle, he immediately gave the first broad side.” (Biographical Memoir a. v.p. 95).Als een teekenend staaltje van de wijze, waarop de Engelsche jeugd over het eergevoel der Nederlanders leert oordeelen, haal ik hier het volgende aan uitCaptain Marryat’s: the Phantom Ship(editie London, George Routledge and Sons, p. 59).In 1654, peace was signed; the Dutchman promising „to take his hat off” whenever he should meet an Englishman on the high seas—amereact of politeness, which Mynheerdidnot object to, as itcost nothing.Roodrokken.„Er straalt in het Journal van Tromp op meer dan ééne plaats de haat door, welke de Nederl. zeelieden reeds te dezen tijde aan de Britsche toedroegen. Hij spreekt op ééne plaats van hen met zekere verachting, onder den naam vanRoôrokken. „„... Captein Fielding ennogeen andere Roôrok.”” De Jonge I p. 361 noot.Cromwell niet de drijver tot den Eersten Engelschen Zee-oorlog.Na de ontmoeting tusschen Tromp en Blake was de stemming in Engeland zeer oorlogszuchtig. Een Commissie van onderzoek, waarvan Cromwell lid was, verklaarde Tromp schuldig. Toch werd de oorlog tegen de eigenlijke bedoeling van Cromwell doorgedreven. „Want de machtige leider van den Engelschen staat wenschte geen oorlog met de in godsdienst en afkomst verwante zusterrepubliek, die hij hoopte te winnen voor zijn plannen van religieus-politieken aard in Europa.” Wel leidde hij met kracht de oorlogstoerustingen, maar aan den eenen kant om de Engelsche oorlogsmacht te versterken, en aan den anderen kant om juist daardoor deNederlanders van een oorlog af te schrikken. (Zieprof. Blok, Gesch. v. h. Ned. volk, p. 65 en 66.)De bezem in den mast.Het was een oude Hollandsche gewoonte om, als teeken dat men de zee van vijanden schoon geveegd had, een bezem in den mast te voeren. Dat geschiedde o. a. in de eerste helft der15eeeuw in een oorlog tegen de Hanzesteden (vergelijkDe Jonge I p. 25). Dat ook Tromp aldus gehandeld zou hebben, wordt door niet één onzer geschiedschrijvers bevestigd. Het zou ook moeilijk overeen te brengen zijn „met de zedige en gematigde inborst van den Nederlandschen opper-bevelhebber.” (ZieDe Jonge I p. 441). Toch wordt het door de Engelschen staande gehouden, o. a. gelijkDe Jongemededeelt, doorHume. Een ander Engelsch geschiedschrijver zegt hiervan het volgende: „and such was the vanity of Adm. Van Tromp, that he sailed through the Channel on his way to the Isle of Rhé, with a broom at his main-top-mast head, intimating that he would sweep the Narrow Seas of English ships.” (Biographical Memoir a. v. p. 97). Daarover hem nog eens doorvegende, heet het later: „It has been said, that in the midst of his greatest glory, he constantly evinced a remarkable modesty; but of this there is perhaps some reason to doubt, in the instance of his carrying a broom at the mast head, indicative of the ease with which he would sweep the seas, there surely was no remarkable modesty, but perhaps we are to consider his modesty in reference only to his private character, in which it is said he never assumed a higher distinction than that of a burgher, and father of the sailors.” (Idem p. 102).Het gunstig oordeel der Engelsche geschiedschrijvers over Tromp.Zie daaroverDe Jonge I p. 502, II p. 92 v. v.Hetis inBiograph. Memoir, dat men het oordeel vindt, dat „he had been esteemed one of the greatestseamenthat had till then appeared in this world.”Engelsch oordeel over Tromp’s ongenade.„Thismiscarriageof the Dutch grand fleet, spread a general discontent (too commonly by the case when a valiant commander is in the leastunsuccessful).”Biograph. Memoirp. 95.De overmacht van het Britsche zeewezen.„All the successes of the English—zegt de geschiedschrijver Hume—were chiefly owing to the superior size of their vessels; anadvantagewhich all the skill and bravery of the Dutch Admirals could not compensate”(BijDe Jonge I p. 500, noot 2).Gebeden.Reeds den 9enAug. 1653 werd Ds. Lotius door de Staten van Holland aangezegd, om in de Kloosterkerk „een yverigh Gebedt tot Godt den Heere” te doen. (ZieRes. Holl.van 9 Aug. 1653).Dood van Tromp.„De goede Lt. Admiraal Tromp wierd onder het afgaen van de Hut geschooten; hy, nedervallende, wierdt weder opgenomen, en op kussens in de Hut nedergelegd, stervende met dese woorden in de mond: Ick heb gedaen, houd goeden moed. O Heer weest mij en dit arme volck genadigh.” (Leeven en Daaden p. 546).—„Eenigen meenden dat hij zig, onvoorzigtiglyk, te veel bloot gegeven hadt; zo dat Monk hem, bescheidelyk, hadt konnen kennen, en hierop zyne Muskettiers gelast, gelykelyk, op hem los te branden.” (Wagenaar XII p. 241)—„Hy is dan met een kleyne kogel onder syn tepel aen de slincker zijde tot in ’t binnenste van zyn hert doorschooten, seer haestelyck ter nederghevallen” (Thysius, p. 18).—„In ’t Leeven van den Vice-Admiraal DeWith leeze ik eenvoudig: Tromp, in het eerste aantreffen, met eenen kogel, in syn lincker borst, ’s morgens omtrend half seven, getroffen, is,terstond, overleden.” (Van Wijn, Naleezingen II, p. 142).Twee Testamenten van Tromp.Inde Navorscher van 1895 p. 29 v. v.werden deze door mij gepubliceerd. Het eerste was van 17 Sept. 1631, het tweede van 26 Jan. 1634, beide, in zijn hoedanigheid van „Capiteijn ter See,” verleden voor den notaris Jan de Bruijne te Brielle. Uit beide blijkt de liefde tot zijn moeder. Bij het eerste werd bepaald, dat, dadelijk na zijn overlijden, voor haar belegd zou worden 1600 gld., waarvan zij gedurende haar leven den interest (gerekend tegen de penning 16) zou genieten. In het tweede testament bepaalt hij, dat zijn erfgenamen jaarlijks aan zijn moeder 200 gld. moeten uitkeeren. De keten en medaille, waarvan in den tekst sprake was, moest altijd in zijn geslacht blijven en verviel telkens aan den oudsten zoon.Pensioen aan zijn weduwe.Den 20stenOctober 1663 werd door de Hoog Mog. Heeren Staten-Generaal der Vereen. Ned. op het verzoek van Tromp’s weduwe goedgunstig beschikt, n.l. om een levenslang pensioen. „Waerop gedelibereert ende geconsidireert zynde de sonderlinge goede notable en getrouwe diensten die de voorn. Lt. Admirael sal(iger) den Lande veele jaren aan den anderen heeft gedaen ende bewezen, dat hy oock op den 10 Aug. 1653 in zee met slands vloote valeureuselyk vechtende syn leven heeft verlooren; Is ten dien insigte goetgevonden ende verstaen de voorn. weduwvrouwe nae proportie van de gemeene Cap. weduwen haar leven gedurende, of zoolangh zy weduwe blijft, mits desen toe te voegen een vijfde gedeelte van het tractement, ’twelckde meergem. Lt.Admiraal van de charges bij hem mett’er doot ontruymt, in syn leven placht te genieten, dogh dewijle die van verscheijdene nature zijn geweest, soo wordt het gemelte collegie ter Admt. tot Amsterdam geinjungeert te betalen het vijfde gedeelte van het Lt. Admrs. Tractement en het collegie ter Admt. tot Rotterdam gelijk gedeelte van het Tractement van Cap. op een schip van Oorlogh ter zee, enz.”(volgensRotterd. Historiebl., p. 83, 84).Daar ik het nog al vreemd vond, dat dit pensioen eerst 10 jaar na den dood van Tromp aan zijn weduwe werd toegekend—en een drukfout inRott. Hist. bladentoch niet tot de onmogelijkheden behoort—wendde ik mij om inlichting tot het Algemeen Rijksarchief te ’s-Gravenhage. Met de gewone welwillendheid ontving ik het antwoord, dat de gemelde beslissing door de Staten-Generaal wel degelijk op den 20 October 1663 genomen werd, en wel naar aanleiding van een request der weduwe, den 31 Maart 1661 ingediend. Kwam dus het verzoek niet vroeg, de beslissing werd ook niet spoedig genomen.In deze serie zal in het voorjaar van 1909 verschijnen:FRED. W. FARRARSt. Wimfried of de SchoolwereldMet 30 platen vanL. W. Wenckebach.Prijs ing. ƒ1.25, geb. ƒ1.75Bandteekening van JAN SLUYTERS.Prachtige Boeken voor Jongens zijn:A. C. C. DE VLETTERPALJASMet platen vanJohan BraakensiekVIERDE DRUKPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.A. C. C. DE VLETTERTwee HeldenBandteekening vanJ. ZonPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.A. C. C. DE VLETTERIn dagen van spanningMet platen vanJ. ZonPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.P. LOUWERSEROBINSON CRUSOË’s Leven en Zonderlinge LotgevallenDOORDANIËL DEFOE.Met 70 fraaie Houtgravuren en Plattegrondskaartje.TWEEDE DRUKPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.P. LOUWERSEMet ROBINSON CRUSOË 10 jaar op ReisMet illustraties.—Tweede druk.Prijsfl1.50ing.,fl1.90geb.P. LOUWERSEVertellingen uit de 1001 NachtMet platen vanH. C. LouwerseVIERDE DRUKPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.S. ABRAMSZVeertien dagen op een IJsschotsMet platen vanJ. van OortTWEEDE UITGAVEPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.A. F. CREMEROp Expeditie tegen de DajaksMet platen vanJ. van OortTWEEDE UITGAVEPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.ROBERT LEIGHTONKONING OLAFMet acht platen—Tweede uitgavePrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.A. J. STRAATMANEen nacht vol gevarenMet platen vanJ. DeutmannPrijsfl0.90ing.,fl1.25geb.J. J. A. GOEVERNEURIng.Geb.Gullivers Reizenfl1.50fl1.90Gullivers Reizen naar Lilliputfl,,0.75fl,,1.—Gullivers Reizen naar Brobdignacfl,,0.75fl,,1.—Met platen vanW. Steelink.ColofonBeschikbaarheidDit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van deProject Gutenberg Licentiebij dit eBoek of on-line opwww.gutenberg.org.Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam opwww.pgdp.net.MetadataTitel:Maerten Harpertszoon TrompAuteur:Johannes Hendrik Been (1859–1930)InfoIllustrator:Johan Coenraad Braakensiek (1858–1940)InfoTaal:Nederlands (Oude Spelling)CatalogusvermeldingenGerelateerde WorldCat catalogus pagina:64361442CoderingDit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.Documentgeschiedenis2017-03-19 Begonnen.Externe ReferentiesDit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.VerbeteringenDe volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:BladzijdeBronVerbeteringVIIItoemaligentoenmaligen1418e18e31,185,194,196,200,203,208,208,210[Niet in bron]”36[Niet in bron],38begavenbegeven44,195,205[Niet in bron].52?.57stilltestilte62Harpertz.Harpertsz.66kanibaalkannibaal68ïnin82scheepsjongemscheepsjongen92bijhij99[Niet in bron]te10217en17den111,.113,125,1782en2den121twaaltaltwaalftal131,188,200,[Verwijderd]132EngelscheEngelschen1601en1sten161armadearmada166,1756en6den1809en9den196[Niet in bron]„197,)197DomsOoms199werkenWerken204ofor205AdmiraalAdmiral206weremere206ditdid20715e15e208seamanseamen208miscarisagemiscarriage208unsuccesfulunsuccessful208adventageadvantage209weclkwelck
AANTEEKENINGEN.De geslachtsnaam van Tromp’s vader.Hierover vindt men in „Aanteekeningen en Mededeelingen betreffende het Geslacht Van der Tromp of Tromp” in „Rotterd. Historiebladen,”3e Afd. Genealogische Aant. en Levensbesch. Eerste deel p. 59 v.v. het volgende: Volgens aanteekeningen van Mr. Reinier van Heemskerk heeft de vader van den admiraal M. H. Tromp die oorspronkelijkVan der Welheette, zijn naam veranderd. Volgens diezelfde aant. was de oorzaak deze: „dat de vader van den Admiraal Maerten Harpertsz. Tromp, zijnde geweest Harpert Lamberts (lees: Maertensz) Van der Well, groote(n) lust had tot den zeedienst, en zijne ouders hem dat willende beletten, hij de vlugt nam en zich in den zeedienst begaf als jong matroos of, zoo anderen zeggen, als koksmaat, onder den naam van Tromp om niet bekend te zijn. Doch anderen zeggen, dat hij op zijn schip zijnde, en niets te doen hebbende, hij altoos zich amuseerde met op eentrompjete spelen, waardoor hij den bijnaam vanTrompzou verkregen hebben.” Nav. II 1852, p. 140.Hier vinde het tevens zijn plaats, dat in het Brielsche Archief noch vanVan der Tromp,TromperofTrompertsprake is, als Harpert Maertensz. genoemd wordt, maar steeds vanTromp. ZieH. de Jager: Geslacht Tromp, p. 2.Vrouwen en kinderen van Maerten Harpertsz. Tromp.Zijneerste vrouw was Dina of Dignom de Haes, dochter van Cornelis de Haes en N. van den Heuvel. Zij stierf den 20enNov. 1633, in den ouderdom van 34 jaren te Rotterdam en werd aldaar in de Groote Kerk begraven (grafsteen no. 103). Onder dien steen ligt ook zijn tweede vrouw begraven, en dat graf, gelijk uit een zijner hierna te melden Testamenten blijkt, was ook voor hem bestemd. Van de inschrijving van den trouw en ondertrouw met Dignum gaven wij een fac-simile. Opgemerkt zij hier, dat de ondertrouwnietden 24enApril 1624 plaats had, gelijk in „het Geslacht Tromp” vanH. de Jager(natuurlijk door een druk- of schrijffout) voorkomt, maar den14enAprilvan dat jaar.Tromp’s tweede „huisvrouw” was: Aeltgen Jacobs van Arckenboudt. „Ondertrouwd te Rotterdam 27 Augustus 1634: Maerten Herperts Tromp, wedr. Capiteyn, wonende op de Leuvehaven, met Alyth Jacobsdr. Arckenboudt, j. d. wonende in den Briel. Attesten gegeven op den Briel 10 Sept. 1634” (Rott. Hist. bladen t. a. p. p. 65 noot 1). Het huwelijk werd den 12enSept. 1634 te Brielle voltrokken. Ook deze vrouw van Tromp stierf jong. Volgens het opschrift van den grafsteen stierf zij den 13enApril 1639 in den ouderdom van 36 jaren.In 1640 huwde hij ten derden male te ’s-Gravenhage met Cornelia Berckhout. Zij overleefde hem en bracht nog na zijn dood een kind ter wereld. Zij ontving, om de groote verdiensten van haar echtgenoot, van de Staten-Generaal een pensioen, waarover later.Uit zijn eerste huwelijk had Tromp:Cornelis, geboren 1629, (den later zoo beroemden driftkop Cornelis of Kees Tromp),Harper Maertensz.enJohan Maertensz.Uit zijn tweede huwelijk:Alida, MargarethaenMaerten(op anderhalfjarigen leeftijd gestorven). En uit zijn derde huwelijk:Johanna Maria, AdriaenenMaerten Harpertsz., die na zijns vaders dood geborenwerd. (ZieRott. Hist. bladen, p. 66, en ook p. 64 en 65).Zusters van Tromp.Uit het Testament van Tromp, verleden voor Jan de Bruijne, notaris te Brielle, in dato 26 Jan. 1634 blijkt (wat vóór de ontdekking van dit testament reeds door H. de Jager vermoed werd) dat Trompdriezusters had, n.l.Aeltje, LeentjeenMaritgen Harpertsdr. Ze waren toen dus nog in leven.Geboortejaar van Tromp.Meestal wordt als zijn geboortejaar 1597 opgegeven. Zelfs het grafschrift op zijn tombe in de Oude Kerk te Delft geeft daar aanleiding toe. Daar leest men toch (volgens de vertaling in: „Leeven en Bedrijf van den vermaarden zeeheld Cornelis Tromp” p. 134)„... den 10denAugusti van het jaar onzes Zaligmakers 1653 ter ouderdom van 56 jaren opgehouden te leven en te verwinnen.” Tromp nu verjaarde vóór Augustus (n.l. den 23stenApril), derhalve: 1653–56=1597. Ook in deRott. Hist. bladenvindt men het jaartal 1597 (in die opgave staat een drukfout, die later aangewezen wordt).Toch is het geboortejaarniet1597 maar 1598. Niet alleen geeft prof. Thysius in zijnOratio Funebris, maar ook een ander tijdgenoot (schrijver van de ongepagineerde „Memorie Raeckende het begin, vervolch, ende eynde, van de diensten van wijlen de Heere M. H. Tromp enz.,”Den Haag1653) het jaartal 1598. Doch, wat alles beslist, het Brielsche Doopregister geeft als doopdag 5 Mei 1598, gelijk het hierbij gevoegde fac-simile ten duidelijkste aantoont. De zorg voor deze en de andere fac-simile’s had de heer J. de Jong Cz. voormaals leeraar H. B. S. te Brielle, thans Directeur Burger-Avondschool en leeraar H. B. S. te Utrecht, op zich genomen, waarvoor ik hem reeds vroeger openbaar mijn dank betuigde.Tromp’s welstand en zijn huizen.In den tekst is sprakevan een omstreeks 1640 verschenenSchotschrift, waarin Tromp geducht afgetakeld wordt. Dit pamflet is getiteld: „’t Samen-Spraeck, over de Loffelycke daden, gelegentheden ende afkompste van den Recht wel Edelen Manhaften Zee-Heldt Marten H. Tromp, thusschen...” en nu volgt de opgave van eenige personen, waarvan wij slechts noemen: Marinus Crijnsz., een Jongh varent gesel van Zeelant; Jan Slomp, een oudt varent Man; diens vrouw: Trijn Jans, zijnde een Uytdraeghster; Griet Smeers, een Besteedster enz. Jaartal ontbreekt. Aan het einde: „Hier naer Een beter. S. V. P.” (Koninkl. Bibliotheek). Wil men dit schotschrift gelooven, dan moet het, nog kort voor 1640, niet te schitterend met den welstand van Tromp en diens familie gestaan hebben. Daarom is het niet oneigenaardig eens na te gaan, wat daaromtrent het Brielsche Archief te vertellen heeft. In betrekking tot het Schotschrift mogen we ons hier alleen bemoeien met de getuigenissen vóór 1640.We vernemen dan, dat de vader van zijn tweede vrouw, n.l. Jacob Arenszoon Arckenboudt volstrekt niet onbemiddeld was. Hij werd den 27stenJuli 1613 door het Oud en Nieuw Gerecht der stede van den Brielle tot ontvanger en collecteur van de Verpondingen benoemd, werd van 1 Oct. 1605 af herhaaldelijk tot Schepen benoemd en was van 1 Oct. 1613 tot 30 Sept. 1614 Oud-Schepen. Hij stierf in 1625, en, daar hij meer dan eens in het huwelijk trad, moest er boedelscheiding plaats hebben. Tot de kinderen uit een vorig huwelijk behoorde Tromp’stweedevrouw,Aeltghen. Later kon haar man, dus Maerten Harpertsz. Tromp, uit haar erfenis èn een huis in de Nobelstraat (genaamd „het Hemelryck”)èn een huis in het Zuideinde (beide straten in Den Briel gelegen) verkoopen. Ook was hij in 1633 „reeder en participant van seeckere haringhbuysch.” Een zuster van Tromp ondertrouwde den 8stenJuni 1625 met EgbertOoms, volgens De Jager: Ooms, joncman van Nieuwegen. In hetTrouwregister staat achter haar naam; jonge dochter, wonende in de Nobelstraat. Het is mogelijk, maar in die straat zou men geen menschen gezocht hebben, die „voor de maets waschten”. Zijn andere zuster Maartje of Maritgen huwde met Bastiaen Bastiaensz. Molewater, en die is dusde zwager van Tromp, de bakker, die hem brood van „verdroncken terwe” verkocht zou hebben. Het huwelijk had den 8stenJuli 1631 plaats. Ook zij woonde toen in de Nobelstraat. In 1647 werd Bastiaen Molewater in de St. Catharinakerk te Brielle begraven. De fraaie grafsteen, waaronder ook Tromp’s zuster ligt, is alweer geen bewijs voor den geringen staat van Tromp’s familie. Men vindt dien steen dicht bij het in 1711 opgerichte praalgraf van Philippus van Almonde. Wel is Bastiaen Molewater geen Raad en ook geen Burgemeester van Den Briel geweest, gelijkDe Navorscher 1867 p. 291ten onrechte mededeelt. Dat was het geval met den zoon van Bastiaen Molewater en Maritgen n.l. Harper Molewater. Deze Harper Molewater is raad, schepen, oud-schepen en burgemeester-thesaurier van Den Briel geweest.Dat Tromp’s vader in ’t jaar 1606 te Rotterdam een huis kon koopen, en na het sluiten van het Bestand, met een „eigen geladen” koopvaardijschip uit kon varen, getuigt ook niet van zulk een armoede als het Schotschrift zou doen denken. Over het koopen van dat huis, zie menRott. Hist. bladenp. 61, aant. 3, en over Tromp’s geboortehuis en een ander huis door hem in Den Briel bezeten,NavorscherVII (jaarg. 1857), p. 29 kol. 2 onderaan. Deze laatste berichten steunen echter meest op overleveringen, zijn van een mij onbekend gebleven T, en tenminste in één opzicht niet geheel juist. De quaestie is echter te plaatselijk, om er hier op in te gaan.Wanneer is Harpert Tromp gesneuveld?Volgens Potgieter reeds 40 dagen na den slag van Gibraltar, dus in 1607; (Verspr.en Nagel,Werken, Schetsen en Verhalen, I p. 77, uitgave1875) en G. van Loon (Nederl. Historiepenningen, II p. 377) geeft het jaar 1608 op. Volgensde Memoriebleef Harpert in ’s lands dienst tot hij den 9denJuni 1610 door het sluiten van het Bestand buiten dienst werd gesteld. Ook Prof. Thysius zegt, dat hijnahet sluiten van het Bestand met een „eigen geladen” koopvaardijschip uitzeilde, en wel, volgensde Memorie„nae de Caep de Verde ofte Ginea.”Omtrent Cabo Verde had de noodlottige ontmoeting met de zeeroovers plaats, bij welke gelegenheid Harpert sneuvelde, wat dus zekernietvoor 1609 plaats had. Het zal derhalve in 1609, of in ’t begin van 1610 geschied zijn.En dat klopt geheel met een andere opgave. Uit een fragment-rekening der Admiraliteit op de Maas (medegedeeld inRott. Hist. bladen p. 87) blijkt, dat den 26stenJanuari 1613 „aen Janneken Barentsdr., weduwe van Capiteyn Herpert Maertensz” werd toegelegd de somma van 250 pond „eens voor alle haere pretensien geene uytgesondert welcke zy ter saecken haeres voorsz. mans diensten den Lande ter zee tot desselfs overlyden toe hadde uytstaende ende 98 pond over de leste vier maenden solts daer inne hy slaechs zijnde tegens de zeeroovers is dootgeschoten.” De moeder van Maerten was door de terugkomst van haar zoon te weten gekomen, dat zij weduwe was. Volgensde Memorieheeft Maerten den zeeroover omtrent derdehalf jaar gediend. Wanneer we nu, met den bovengemelden vasten datum van den 26stenJanuari 1613, mogen aannemen dat het verzoek der weduwe in ’t laatst van 1612 tot het College is gericht, zou daaruit volgen, dat Maerten in de tweede helft van ’t jaar 1612 uit zijn slavernij ontslagen is, en dan komt men, daar 2–1/2 jaar aftrekkend, tot het voorjaar van 1610 als tijdstip, waarop Harpert gesneuveld is.De Zeeroover tegen wien Harpert sneuvelde.Potgieternoemt hem Sir Francis Verney en spreekt van één schip. DeMemorievan een „sekeren welgemant ende gemonteert Engelschen Rover, ghenaemt Capiteyn Hessen,” en nog van diens „bijhebbende Schepen”,prof. Thysiusveel stelliger van een „Engels Rover, die met seven schepen de Zee onvrij maakte.”Hoe is Maerten dien roover ontkomen?In „Leeven en Bedrijf van Cornelis Tromp” vindt men daarover: „waarna de jonge (Maerten Harpertsz.) Tromp, dien Roover wel dardehalf jaar voor Kajuitwachter moest dienen; doch vond eindelyk middelen om t’ ontkomen.”DeMemorie, dat „hy dien Rover noch eyndelyck ontspronghen, ofte ontdonckert” is. Toch, Maerten is den roover noch ontsprongen of ontdonkerd, noch heeft hij middelen gevonden om te ontkomen. WantThysiuszegt: „totdat de satheyt van de Zee ende des roofs, de Roovers selfs bevingh, ende nae dat sy conditien met den Hartogh van Savoyen ghemaeckt hadden, haer een vrye plaets om te herbergen toegestaen is. Naerdat de Engelse roovende Vloot tot niet was, heeft hy hem vrygesteld zijnde, in syn gemoet doen alreede groote saken overleggende, wederom naer syn Vaderland terug begeven.”Hoe lang kan Maerten bij het timmervak gebleven zijn?Aannemende dat het waar is, wat het Schotschrift hiervan mededeelt—en voor twijfel daaromtrent zie ik hoegenaamd geen reden—dan rijst de vraag, hoe lang kan dit leven aan wal geduurd hebben? DeMemoriezegt hiervan: „Ende t’ Huys gekomen zijnde, ende als doen een Reys met Schipper Cornelisz. de Haes ghedaen hebbende op Rowanen, heeft sich den 23stenJuny Anno 1617 in dienst begheven onder den Capiteyn ende Commandeur Moy Lambert zal(i)g(er) voor Quartiermeester.” Maerten was in ’t laatst van 1612 in Rotterdam teruggekomen.Volgens deMemorietreedt hij eerst in Juni 1617 in ’s lands dienst. In dien tusschentijd wordt door deMemorie, die zeer regelmatig alle zeetochten van Tromp optelt, enkel het reisje naar Rouaan gemeld. We mogen dus zijn leven aan wal zeker wel op drie à vier jaar stellen.Het verblijf bij den „Bassa” van Tunis.Tegen het afloopen van het Bestand wilde Tromp naar huis terugkeeren en werd toen, dus in ’t laatst van 1620 of ’t begin van 1621 door „de Turken” gevangen genomen. Na zijn bevrijding, is hij „gheraekt nae Londen (zegtde Memorie) van waer hy met Capitein Adriaen Emmekans zalig(er) ware overgekomen tot Rotterdam, alwaer hy den 23 Julij 1622 is geworden Luytenant onder Capiteyn Cornelis de Bagijn.” Het verblijf bij die van Tunis zal dus ruim een jaar geduurd hebben.Het aanbod van den „Bassa.”Thysiuszegt hiervan (in de vertaling van 1653, als „Lyck-Oratie” betiteld) „Den Bassa heeft lange met seer grooten ernst van onsen Heldt begeert, dat hy doch het Stuyrmanschap van sijn Schepen wilde aennemen, en heeft hem eere ende groote vereeringhen belooft, door welcke de broose verstanden der menschen dickwils wegh gheruckt werden.” Het oorspronkelijke (Oratio Funebris p. 8) heeft hier: „Diu ille summopere ad heröe nostro flagitavit, ut gubernatorem suarum navium ageret, honores, luculenta praemia, quibus abripi fragiles mortalium mentes solent, promisit.”Voeding der Schepelingen.De spijzen „bestonden uit hard brood of beschuit, en zoolang dit verkrijgbaar was, uit gewoon of week brood, uit vleesch of spek, kaas, stokvisch, haring, gort, witte, groene of grauwe erwten en boonen. De drank was behalve het water, bier; van jenever wordt in deze dagennog geen melding gemaakt.” Ook niet van brandewijn en tabak, doch brandewijn werd spoedig na Tromp’s tijd gebruikt, en tijdens den 2enEngelschen Oorlog werd er zelfs misbruik van gemaakt. Insgelijks van tabak, die reeds onder Piet Hein gebruikt moet zijn geworden, want hij verbood het. Met de victualie waren de scheepsbevelhebbers belast, en wel sedert Karel V. In 1636 besloten de Staten van Holland een proef te nemen, om dit aan „aannemers of beleiders” over te laten (in Zeeland bleef het gelijk het was); doch deze aannemers werden in 1640 weer ter zijde gesteld. De kapiteins kregen kostgeld, waarvoor zij de manschappen moesten onderhouden, en wel voor iederen matroos 6 stuivers daags. Bij afwezigheid hunner echtgenooten, zorgden, zoowel voor de victualie als voor de koks- en kajuitsgereedschappen voor een zeetocht, de vrouwen en ook wel de moeders der kapiteins. Dat deed ook de vrouw van Michiel de Ruijter. Deze admiraal wilde den kapiteins 7 stuivers daags per man toegelegd zien, doch het bleef nog lang 6 stuivers, „en menig kapitein heeft er zich wel bij bevonden.” Vergelijk De Jong. Gesch. v. h. Ned. Zeewezen I p. 319 en 699 (noten).De omgang van Tromp met zijn volk.„Gemeenzaam en vriendschappelijk van omgang, werd hij door alle zeelieden aangebeden, bij wie hij onder den naam van Bestevaêr bekend stond, en die hij gewoonlijk zijnekinderennoemde” (De Jonge 1 p. 517).—„Wat sijn sachtmoedigheydt en stillen ommeganck met sijn volck, als mede sijn andere deughden aengaet, daer van weeten sijn bekende meer te spreecken, als wy te schrijven.” (Leeven en Daaden der Doorl. Zee-helden, anno 1683, p. 547, kol.2)—„Wonderlyk wist hy zig naar den aart van het Scheepsvolck, dat hem steeds by den naam vanbesten Vaderbegroette, te voegen. Hy was Bevelhebber en Matroos te gelyk;zonder zyne agtbaarheid te verwaarloozen, en hier door kon hy alles van zyne manschap verkrijgen.”(Neerlands Heldendaaden ter zee, 1783, I p. 330). Wanneerprof. Thysiusook mededeeling doet van deze uitnemende verhouding tusschen Tromp en zijn volk, voegt hij er aan toe, dat „hy sijn ontsach gheheel wist te behouden”—Ook leefde hij aan boord eenvoudig: „die kroop slechts met zijn onderkleeren in de koy, gelijk de Bootsgezellen gewoon sijn. Hy had maar een knecht die op hem paste, en die hy dan noch tot andere dingen gebruyckte. Hy had ook maar een kok, die voor hem zelden anders als Scheeps-kost schafte” (Een praatje van den Ouden en Nieuwen Admiraal, anno 1653, p. 5). Hiermede komt overeen wat Thysius zegt, waar hij mededeelt, dat Tromp „dickwils nachten sonder slapen doorbracht, hy ruste nimmermeer gansch uytgekleet zijnde, hy stondt somtyds in de ontydighe nacht op, en hy die de opperste-wachter van allen was, sloegh met syn ooghen het waecken van andere gade.” (Oratio p. 19). De krijgstucht in die tijden eischte, dat „niemand van ’t gemeene volk zich des nachts (vermocht) te ontkleeden, zelfs niet de schoenen uit te trekken. Deze bepaling, hoe doelmatig ook, om op ieder uur van den nacht het volk ineens gekleed boven te hebben, was toch, dunkt me, wel wat hard en zal in rustige tijden of wanneer men in de ruimte was, wel niet met groote gestrengheid zijn toegepast” (Weruméus Buning, in „de Gids” van 1881 I p. 16).De stengen aan de Spanjaarden gegeven.AlsDe Jongemededeeling doet van de stengen, welke Tromp voor de Spanjaarden te Dover liet halen, en het kruit, dat hij, door bemiddeling van de Engelschen, den vijand aanbood, zegt hij, op p. 362 noot 1, dat deze bijzonderheden, welke hij aan het Journaal van Tromp ontleende, onbekend waren. Hierin vergistehij zich ten opzichte van de stengen. Reeds in ’t jaar 1683 vond men deze bijzonderheid in een gedrukt boek. „Op den sevenden (van Wijnmaand) quam Capiteyn Dorrevelt slepende een Engelsche Kitz met Wangen, Rees, Schaelen, en andere behoeften voor de Spaenschen, die Tromp naer den Spaenschen Admirael toe sond, alsoo die al geklaeght had, dat men sijn noodige behoefte hem af sneed, waerom hy niet vechten konde, voor welcke dienst, Dorrevelt van Oquendo met een Pijp Spaensche Wijn vereert wierd.”De schending van de neutraliteit door de Spanjaarden.„A dayortwo after; they fired some shot at Van Tromp’s barge, he being him self in it. What damage the barge suffered does not appear, but on board one of the Dutch ships a man was killed by a cannon ball, and the dead body was immediately sent to Sir John Pennington (dat was de Engelsche vlootvoogd) as a proof that the Spaniards had been the first violaters of the neutrality of the King’s harbour.” (Biographical Memoir of Marten Happertsz. Tromp, enz. inThe Naval Chronicle for 1817, Vol. XXXVI from January—June, p. 92.Het woordHappertis geen drukfout, want het staat boven elke bladzijde van dit opstel. Het is misschien een kenschetsend voorbeeld van den invloed der eigenaardige uitspraak van de Engelscheavóór der).Pennington was met zeventien Koningsschepen uitgekomen, en verkondigde „dat men sig, ter wederzyde, van vyandelykheden hadt te onthouden—Dat hy, die zig er het eerst aan schuldig maakte, de vyand van Grootbrittanje zou zijn, en als zodanig behandeld worden.” (Neerlands Heldendaaden, I p. 338).Het wapen van Tromp.„Ende nu onlancx den gheluckigen Heldt Martin H. Tromp van den Koninck van Vrankrijck, eenschildt d’argent au cheuron de gueulles, accompagnée d’un Galioen de sable en pointe, au chef d’azur, chargé d’une fleur de Lys d’or, ter gedachtenisse van den victorieusen Zeestrijdt, bij hem op zijne Majesteyts ende dezer Landen vijanden, verkregen” (Rotterd. Historiebl. a. v. p. 63, aant. 1). Tromp werd in Januari 1640 Ridder der Orde van St. Michiel, en door den Koning van Frankrijk, Lodewijk XIII met een nieuw wapen begiftigd. Hij werd door Koning Karel I van Engeland den 20enMei 1643 tot Ridder verheven (Navorscher 1867p. 290).Pekbroek.De bepaling, welkeVan Dale’s woordenboekdienaangaande bevat, is historisch geheel onjuist.„Pekbroek” is geen scheld-, maar een eerenaam, de naam van een kind der zee, van een persoon, die door en door een zeeman is. Moge het, volgens de afleiding, oorspronkelijk een scheldnaam zijn geweest, dan is het daarmede gegaan als met de oorspronkelijk als zoodanig bedoelde benamingGeus.Landgangerswaren kapiteins, die er liever hun plezier van gingen nemen te land, dan op zee hun plicht te doen. Ook bij de Engelsche zeemacht waren zij niet vreemd, getuige de, in den negenjarigen oorlog zoo beruchte Engelsche admiraal Torrington, wiens naam het Engelsche zeevolk verdraaide tot LordTarry in town(LordBlijf in de stad). VergelijkMacaulay’s Gesch. van Engeland, (vert. van dr. Van Deventer) 2e druk III p. 218.Een Engelsche lezing van de ontmoeting tusschen Tromp en Blake.„On their approach without paying the honour of the flag to the EnglishAdmiralBlake ordered several cannon, without shot, to be fired; but Van Tromp paid no regard to these warnings, and Admiral Blake no sooner fired a ballat his main-top-mast head, than he returned another, that went through the English admiral’s flag and taking in his own and hoisting the red flag for battle, he immediately gave the first broad side.” (Biographical Memoir a. v.p. 95).Als een teekenend staaltje van de wijze, waarop de Engelsche jeugd over het eergevoel der Nederlanders leert oordeelen, haal ik hier het volgende aan uitCaptain Marryat’s: the Phantom Ship(editie London, George Routledge and Sons, p. 59).In 1654, peace was signed; the Dutchman promising „to take his hat off” whenever he should meet an Englishman on the high seas—amereact of politeness, which Mynheerdidnot object to, as itcost nothing.Roodrokken.„Er straalt in het Journal van Tromp op meer dan ééne plaats de haat door, welke de Nederl. zeelieden reeds te dezen tijde aan de Britsche toedroegen. Hij spreekt op ééne plaats van hen met zekere verachting, onder den naam vanRoôrokken. „„... Captein Fielding ennogeen andere Roôrok.”” De Jonge I p. 361 noot.Cromwell niet de drijver tot den Eersten Engelschen Zee-oorlog.Na de ontmoeting tusschen Tromp en Blake was de stemming in Engeland zeer oorlogszuchtig. Een Commissie van onderzoek, waarvan Cromwell lid was, verklaarde Tromp schuldig. Toch werd de oorlog tegen de eigenlijke bedoeling van Cromwell doorgedreven. „Want de machtige leider van den Engelschen staat wenschte geen oorlog met de in godsdienst en afkomst verwante zusterrepubliek, die hij hoopte te winnen voor zijn plannen van religieus-politieken aard in Europa.” Wel leidde hij met kracht de oorlogstoerustingen, maar aan den eenen kant om de Engelsche oorlogsmacht te versterken, en aan den anderen kant om juist daardoor deNederlanders van een oorlog af te schrikken. (Zieprof. Blok, Gesch. v. h. Ned. volk, p. 65 en 66.)De bezem in den mast.Het was een oude Hollandsche gewoonte om, als teeken dat men de zee van vijanden schoon geveegd had, een bezem in den mast te voeren. Dat geschiedde o. a. in de eerste helft der15eeeuw in een oorlog tegen de Hanzesteden (vergelijkDe Jonge I p. 25). Dat ook Tromp aldus gehandeld zou hebben, wordt door niet één onzer geschiedschrijvers bevestigd. Het zou ook moeilijk overeen te brengen zijn „met de zedige en gematigde inborst van den Nederlandschen opper-bevelhebber.” (ZieDe Jonge I p. 441). Toch wordt het door de Engelschen staande gehouden, o. a. gelijkDe Jongemededeelt, doorHume. Een ander Engelsch geschiedschrijver zegt hiervan het volgende: „and such was the vanity of Adm. Van Tromp, that he sailed through the Channel on his way to the Isle of Rhé, with a broom at his main-top-mast head, intimating that he would sweep the Narrow Seas of English ships.” (Biographical Memoir a. v. p. 97). Daarover hem nog eens doorvegende, heet het later: „It has been said, that in the midst of his greatest glory, he constantly evinced a remarkable modesty; but of this there is perhaps some reason to doubt, in the instance of his carrying a broom at the mast head, indicative of the ease with which he would sweep the seas, there surely was no remarkable modesty, but perhaps we are to consider his modesty in reference only to his private character, in which it is said he never assumed a higher distinction than that of a burgher, and father of the sailors.” (Idem p. 102).Het gunstig oordeel der Engelsche geschiedschrijvers over Tromp.Zie daaroverDe Jonge I p. 502, II p. 92 v. v.Hetis inBiograph. Memoir, dat men het oordeel vindt, dat „he had been esteemed one of the greatestseamenthat had till then appeared in this world.”Engelsch oordeel over Tromp’s ongenade.„Thismiscarriageof the Dutch grand fleet, spread a general discontent (too commonly by the case when a valiant commander is in the leastunsuccessful).”Biograph. Memoirp. 95.De overmacht van het Britsche zeewezen.„All the successes of the English—zegt de geschiedschrijver Hume—were chiefly owing to the superior size of their vessels; anadvantagewhich all the skill and bravery of the Dutch Admirals could not compensate”(BijDe Jonge I p. 500, noot 2).Gebeden.Reeds den 9enAug. 1653 werd Ds. Lotius door de Staten van Holland aangezegd, om in de Kloosterkerk „een yverigh Gebedt tot Godt den Heere” te doen. (ZieRes. Holl.van 9 Aug. 1653).Dood van Tromp.„De goede Lt. Admiraal Tromp wierd onder het afgaen van de Hut geschooten; hy, nedervallende, wierdt weder opgenomen, en op kussens in de Hut nedergelegd, stervende met dese woorden in de mond: Ick heb gedaen, houd goeden moed. O Heer weest mij en dit arme volck genadigh.” (Leeven en Daaden p. 546).—„Eenigen meenden dat hij zig, onvoorzigtiglyk, te veel bloot gegeven hadt; zo dat Monk hem, bescheidelyk, hadt konnen kennen, en hierop zyne Muskettiers gelast, gelykelyk, op hem los te branden.” (Wagenaar XII p. 241)—„Hy is dan met een kleyne kogel onder syn tepel aen de slincker zijde tot in ’t binnenste van zyn hert doorschooten, seer haestelyck ter nederghevallen” (Thysius, p. 18).—„In ’t Leeven van den Vice-Admiraal DeWith leeze ik eenvoudig: Tromp, in het eerste aantreffen, met eenen kogel, in syn lincker borst, ’s morgens omtrend half seven, getroffen, is,terstond, overleden.” (Van Wijn, Naleezingen II, p. 142).Twee Testamenten van Tromp.Inde Navorscher van 1895 p. 29 v. v.werden deze door mij gepubliceerd. Het eerste was van 17 Sept. 1631, het tweede van 26 Jan. 1634, beide, in zijn hoedanigheid van „Capiteijn ter See,” verleden voor den notaris Jan de Bruijne te Brielle. Uit beide blijkt de liefde tot zijn moeder. Bij het eerste werd bepaald, dat, dadelijk na zijn overlijden, voor haar belegd zou worden 1600 gld., waarvan zij gedurende haar leven den interest (gerekend tegen de penning 16) zou genieten. In het tweede testament bepaalt hij, dat zijn erfgenamen jaarlijks aan zijn moeder 200 gld. moeten uitkeeren. De keten en medaille, waarvan in den tekst sprake was, moest altijd in zijn geslacht blijven en verviel telkens aan den oudsten zoon.Pensioen aan zijn weduwe.Den 20stenOctober 1663 werd door de Hoog Mog. Heeren Staten-Generaal der Vereen. Ned. op het verzoek van Tromp’s weduwe goedgunstig beschikt, n.l. om een levenslang pensioen. „Waerop gedelibereert ende geconsidireert zynde de sonderlinge goede notable en getrouwe diensten die de voorn. Lt. Admirael sal(iger) den Lande veele jaren aan den anderen heeft gedaen ende bewezen, dat hy oock op den 10 Aug. 1653 in zee met slands vloote valeureuselyk vechtende syn leven heeft verlooren; Is ten dien insigte goetgevonden ende verstaen de voorn. weduwvrouwe nae proportie van de gemeene Cap. weduwen haar leven gedurende, of zoolangh zy weduwe blijft, mits desen toe te voegen een vijfde gedeelte van het tractement, ’twelckde meergem. Lt.Admiraal van de charges bij hem mett’er doot ontruymt, in syn leven placht te genieten, dogh dewijle die van verscheijdene nature zijn geweest, soo wordt het gemelte collegie ter Admt. tot Amsterdam geinjungeert te betalen het vijfde gedeelte van het Lt. Admrs. Tractement en het collegie ter Admt. tot Rotterdam gelijk gedeelte van het Tractement van Cap. op een schip van Oorlogh ter zee, enz.”(volgensRotterd. Historiebl., p. 83, 84).Daar ik het nog al vreemd vond, dat dit pensioen eerst 10 jaar na den dood van Tromp aan zijn weduwe werd toegekend—en een drukfout inRott. Hist. bladentoch niet tot de onmogelijkheden behoort—wendde ik mij om inlichting tot het Algemeen Rijksarchief te ’s-Gravenhage. Met de gewone welwillendheid ontving ik het antwoord, dat de gemelde beslissing door de Staten-Generaal wel degelijk op den 20 October 1663 genomen werd, en wel naar aanleiding van een request der weduwe, den 31 Maart 1661 ingediend. Kwam dus het verzoek niet vroeg, de beslissing werd ook niet spoedig genomen.
AANTEEKENINGEN.
De geslachtsnaam van Tromp’s vader.Hierover vindt men in „Aanteekeningen en Mededeelingen betreffende het Geslacht Van der Tromp of Tromp” in „Rotterd. Historiebladen,”3e Afd. Genealogische Aant. en Levensbesch. Eerste deel p. 59 v.v. het volgende: Volgens aanteekeningen van Mr. Reinier van Heemskerk heeft de vader van den admiraal M. H. Tromp die oorspronkelijkVan der Welheette, zijn naam veranderd. Volgens diezelfde aant. was de oorzaak deze: „dat de vader van den Admiraal Maerten Harpertsz. Tromp, zijnde geweest Harpert Lamberts (lees: Maertensz) Van der Well, groote(n) lust had tot den zeedienst, en zijne ouders hem dat willende beletten, hij de vlugt nam en zich in den zeedienst begaf als jong matroos of, zoo anderen zeggen, als koksmaat, onder den naam van Tromp om niet bekend te zijn. Doch anderen zeggen, dat hij op zijn schip zijnde, en niets te doen hebbende, hij altoos zich amuseerde met op eentrompjete spelen, waardoor hij den bijnaam vanTrompzou verkregen hebben.” Nav. II 1852, p. 140.Hier vinde het tevens zijn plaats, dat in het Brielsche Archief noch vanVan der Tromp,TromperofTrompertsprake is, als Harpert Maertensz. genoemd wordt, maar steeds vanTromp. ZieH. de Jager: Geslacht Tromp, p. 2.Vrouwen en kinderen van Maerten Harpertsz. Tromp.Zijneerste vrouw was Dina of Dignom de Haes, dochter van Cornelis de Haes en N. van den Heuvel. Zij stierf den 20enNov. 1633, in den ouderdom van 34 jaren te Rotterdam en werd aldaar in de Groote Kerk begraven (grafsteen no. 103). Onder dien steen ligt ook zijn tweede vrouw begraven, en dat graf, gelijk uit een zijner hierna te melden Testamenten blijkt, was ook voor hem bestemd. Van de inschrijving van den trouw en ondertrouw met Dignum gaven wij een fac-simile. Opgemerkt zij hier, dat de ondertrouwnietden 24enApril 1624 plaats had, gelijk in „het Geslacht Tromp” vanH. de Jager(natuurlijk door een druk- of schrijffout) voorkomt, maar den14enAprilvan dat jaar.Tromp’s tweede „huisvrouw” was: Aeltgen Jacobs van Arckenboudt. „Ondertrouwd te Rotterdam 27 Augustus 1634: Maerten Herperts Tromp, wedr. Capiteyn, wonende op de Leuvehaven, met Alyth Jacobsdr. Arckenboudt, j. d. wonende in den Briel. Attesten gegeven op den Briel 10 Sept. 1634” (Rott. Hist. bladen t. a. p. p. 65 noot 1). Het huwelijk werd den 12enSept. 1634 te Brielle voltrokken. Ook deze vrouw van Tromp stierf jong. Volgens het opschrift van den grafsteen stierf zij den 13enApril 1639 in den ouderdom van 36 jaren.In 1640 huwde hij ten derden male te ’s-Gravenhage met Cornelia Berckhout. Zij overleefde hem en bracht nog na zijn dood een kind ter wereld. Zij ontving, om de groote verdiensten van haar echtgenoot, van de Staten-Generaal een pensioen, waarover later.Uit zijn eerste huwelijk had Tromp:Cornelis, geboren 1629, (den later zoo beroemden driftkop Cornelis of Kees Tromp),Harper Maertensz.enJohan Maertensz.Uit zijn tweede huwelijk:Alida, MargarethaenMaerten(op anderhalfjarigen leeftijd gestorven). En uit zijn derde huwelijk:Johanna Maria, AdriaenenMaerten Harpertsz., die na zijns vaders dood geborenwerd. (ZieRott. Hist. bladen, p. 66, en ook p. 64 en 65).Zusters van Tromp.Uit het Testament van Tromp, verleden voor Jan de Bruijne, notaris te Brielle, in dato 26 Jan. 1634 blijkt (wat vóór de ontdekking van dit testament reeds door H. de Jager vermoed werd) dat Trompdriezusters had, n.l.Aeltje, LeentjeenMaritgen Harpertsdr. Ze waren toen dus nog in leven.Geboortejaar van Tromp.Meestal wordt als zijn geboortejaar 1597 opgegeven. Zelfs het grafschrift op zijn tombe in de Oude Kerk te Delft geeft daar aanleiding toe. Daar leest men toch (volgens de vertaling in: „Leeven en Bedrijf van den vermaarden zeeheld Cornelis Tromp” p. 134)„... den 10denAugusti van het jaar onzes Zaligmakers 1653 ter ouderdom van 56 jaren opgehouden te leven en te verwinnen.” Tromp nu verjaarde vóór Augustus (n.l. den 23stenApril), derhalve: 1653–56=1597. Ook in deRott. Hist. bladenvindt men het jaartal 1597 (in die opgave staat een drukfout, die later aangewezen wordt).Toch is het geboortejaarniet1597 maar 1598. Niet alleen geeft prof. Thysius in zijnOratio Funebris, maar ook een ander tijdgenoot (schrijver van de ongepagineerde „Memorie Raeckende het begin, vervolch, ende eynde, van de diensten van wijlen de Heere M. H. Tromp enz.,”Den Haag1653) het jaartal 1598. Doch, wat alles beslist, het Brielsche Doopregister geeft als doopdag 5 Mei 1598, gelijk het hierbij gevoegde fac-simile ten duidelijkste aantoont. De zorg voor deze en de andere fac-simile’s had de heer J. de Jong Cz. voormaals leeraar H. B. S. te Brielle, thans Directeur Burger-Avondschool en leeraar H. B. S. te Utrecht, op zich genomen, waarvoor ik hem reeds vroeger openbaar mijn dank betuigde.Tromp’s welstand en zijn huizen.In den tekst is sprakevan een omstreeks 1640 verschenenSchotschrift, waarin Tromp geducht afgetakeld wordt. Dit pamflet is getiteld: „’t Samen-Spraeck, over de Loffelycke daden, gelegentheden ende afkompste van den Recht wel Edelen Manhaften Zee-Heldt Marten H. Tromp, thusschen...” en nu volgt de opgave van eenige personen, waarvan wij slechts noemen: Marinus Crijnsz., een Jongh varent gesel van Zeelant; Jan Slomp, een oudt varent Man; diens vrouw: Trijn Jans, zijnde een Uytdraeghster; Griet Smeers, een Besteedster enz. Jaartal ontbreekt. Aan het einde: „Hier naer Een beter. S. V. P.” (Koninkl. Bibliotheek). Wil men dit schotschrift gelooven, dan moet het, nog kort voor 1640, niet te schitterend met den welstand van Tromp en diens familie gestaan hebben. Daarom is het niet oneigenaardig eens na te gaan, wat daaromtrent het Brielsche Archief te vertellen heeft. In betrekking tot het Schotschrift mogen we ons hier alleen bemoeien met de getuigenissen vóór 1640.We vernemen dan, dat de vader van zijn tweede vrouw, n.l. Jacob Arenszoon Arckenboudt volstrekt niet onbemiddeld was. Hij werd den 27stenJuli 1613 door het Oud en Nieuw Gerecht der stede van den Brielle tot ontvanger en collecteur van de Verpondingen benoemd, werd van 1 Oct. 1605 af herhaaldelijk tot Schepen benoemd en was van 1 Oct. 1613 tot 30 Sept. 1614 Oud-Schepen. Hij stierf in 1625, en, daar hij meer dan eens in het huwelijk trad, moest er boedelscheiding plaats hebben. Tot de kinderen uit een vorig huwelijk behoorde Tromp’stweedevrouw,Aeltghen. Later kon haar man, dus Maerten Harpertsz. Tromp, uit haar erfenis èn een huis in de Nobelstraat (genaamd „het Hemelryck”)èn een huis in het Zuideinde (beide straten in Den Briel gelegen) verkoopen. Ook was hij in 1633 „reeder en participant van seeckere haringhbuysch.” Een zuster van Tromp ondertrouwde den 8stenJuni 1625 met EgbertOoms, volgens De Jager: Ooms, joncman van Nieuwegen. In hetTrouwregister staat achter haar naam; jonge dochter, wonende in de Nobelstraat. Het is mogelijk, maar in die straat zou men geen menschen gezocht hebben, die „voor de maets waschten”. Zijn andere zuster Maartje of Maritgen huwde met Bastiaen Bastiaensz. Molewater, en die is dusde zwager van Tromp, de bakker, die hem brood van „verdroncken terwe” verkocht zou hebben. Het huwelijk had den 8stenJuli 1631 plaats. Ook zij woonde toen in de Nobelstraat. In 1647 werd Bastiaen Molewater in de St. Catharinakerk te Brielle begraven. De fraaie grafsteen, waaronder ook Tromp’s zuster ligt, is alweer geen bewijs voor den geringen staat van Tromp’s familie. Men vindt dien steen dicht bij het in 1711 opgerichte praalgraf van Philippus van Almonde. Wel is Bastiaen Molewater geen Raad en ook geen Burgemeester van Den Briel geweest, gelijkDe Navorscher 1867 p. 291ten onrechte mededeelt. Dat was het geval met den zoon van Bastiaen Molewater en Maritgen n.l. Harper Molewater. Deze Harper Molewater is raad, schepen, oud-schepen en burgemeester-thesaurier van Den Briel geweest.Dat Tromp’s vader in ’t jaar 1606 te Rotterdam een huis kon koopen, en na het sluiten van het Bestand, met een „eigen geladen” koopvaardijschip uit kon varen, getuigt ook niet van zulk een armoede als het Schotschrift zou doen denken. Over het koopen van dat huis, zie menRott. Hist. bladenp. 61, aant. 3, en over Tromp’s geboortehuis en een ander huis door hem in Den Briel bezeten,NavorscherVII (jaarg. 1857), p. 29 kol. 2 onderaan. Deze laatste berichten steunen echter meest op overleveringen, zijn van een mij onbekend gebleven T, en tenminste in één opzicht niet geheel juist. De quaestie is echter te plaatselijk, om er hier op in te gaan.Wanneer is Harpert Tromp gesneuveld?Volgens Potgieter reeds 40 dagen na den slag van Gibraltar, dus in 1607; (Verspr.en Nagel,Werken, Schetsen en Verhalen, I p. 77, uitgave1875) en G. van Loon (Nederl. Historiepenningen, II p. 377) geeft het jaar 1608 op. Volgensde Memoriebleef Harpert in ’s lands dienst tot hij den 9denJuni 1610 door het sluiten van het Bestand buiten dienst werd gesteld. Ook Prof. Thysius zegt, dat hijnahet sluiten van het Bestand met een „eigen geladen” koopvaardijschip uitzeilde, en wel, volgensde Memorie„nae de Caep de Verde ofte Ginea.”Omtrent Cabo Verde had de noodlottige ontmoeting met de zeeroovers plaats, bij welke gelegenheid Harpert sneuvelde, wat dus zekernietvoor 1609 plaats had. Het zal derhalve in 1609, of in ’t begin van 1610 geschied zijn.En dat klopt geheel met een andere opgave. Uit een fragment-rekening der Admiraliteit op de Maas (medegedeeld inRott. Hist. bladen p. 87) blijkt, dat den 26stenJanuari 1613 „aen Janneken Barentsdr., weduwe van Capiteyn Herpert Maertensz” werd toegelegd de somma van 250 pond „eens voor alle haere pretensien geene uytgesondert welcke zy ter saecken haeres voorsz. mans diensten den Lande ter zee tot desselfs overlyden toe hadde uytstaende ende 98 pond over de leste vier maenden solts daer inne hy slaechs zijnde tegens de zeeroovers is dootgeschoten.” De moeder van Maerten was door de terugkomst van haar zoon te weten gekomen, dat zij weduwe was. Volgensde Memorieheeft Maerten den zeeroover omtrent derdehalf jaar gediend. Wanneer we nu, met den bovengemelden vasten datum van den 26stenJanuari 1613, mogen aannemen dat het verzoek der weduwe in ’t laatst van 1612 tot het College is gericht, zou daaruit volgen, dat Maerten in de tweede helft van ’t jaar 1612 uit zijn slavernij ontslagen is, en dan komt men, daar 2–1/2 jaar aftrekkend, tot het voorjaar van 1610 als tijdstip, waarop Harpert gesneuveld is.De Zeeroover tegen wien Harpert sneuvelde.Potgieternoemt hem Sir Francis Verney en spreekt van één schip. DeMemorievan een „sekeren welgemant ende gemonteert Engelschen Rover, ghenaemt Capiteyn Hessen,” en nog van diens „bijhebbende Schepen”,prof. Thysiusveel stelliger van een „Engels Rover, die met seven schepen de Zee onvrij maakte.”Hoe is Maerten dien roover ontkomen?In „Leeven en Bedrijf van Cornelis Tromp” vindt men daarover: „waarna de jonge (Maerten Harpertsz.) Tromp, dien Roover wel dardehalf jaar voor Kajuitwachter moest dienen; doch vond eindelyk middelen om t’ ontkomen.”DeMemorie, dat „hy dien Rover noch eyndelyck ontspronghen, ofte ontdonckert” is. Toch, Maerten is den roover noch ontsprongen of ontdonkerd, noch heeft hij middelen gevonden om te ontkomen. WantThysiuszegt: „totdat de satheyt van de Zee ende des roofs, de Roovers selfs bevingh, ende nae dat sy conditien met den Hartogh van Savoyen ghemaeckt hadden, haer een vrye plaets om te herbergen toegestaen is. Naerdat de Engelse roovende Vloot tot niet was, heeft hy hem vrygesteld zijnde, in syn gemoet doen alreede groote saken overleggende, wederom naer syn Vaderland terug begeven.”Hoe lang kan Maerten bij het timmervak gebleven zijn?Aannemende dat het waar is, wat het Schotschrift hiervan mededeelt—en voor twijfel daaromtrent zie ik hoegenaamd geen reden—dan rijst de vraag, hoe lang kan dit leven aan wal geduurd hebben? DeMemoriezegt hiervan: „Ende t’ Huys gekomen zijnde, ende als doen een Reys met Schipper Cornelisz. de Haes ghedaen hebbende op Rowanen, heeft sich den 23stenJuny Anno 1617 in dienst begheven onder den Capiteyn ende Commandeur Moy Lambert zal(i)g(er) voor Quartiermeester.” Maerten was in ’t laatst van 1612 in Rotterdam teruggekomen.Volgens deMemorietreedt hij eerst in Juni 1617 in ’s lands dienst. In dien tusschentijd wordt door deMemorie, die zeer regelmatig alle zeetochten van Tromp optelt, enkel het reisje naar Rouaan gemeld. We mogen dus zijn leven aan wal zeker wel op drie à vier jaar stellen.Het verblijf bij den „Bassa” van Tunis.Tegen het afloopen van het Bestand wilde Tromp naar huis terugkeeren en werd toen, dus in ’t laatst van 1620 of ’t begin van 1621 door „de Turken” gevangen genomen. Na zijn bevrijding, is hij „gheraekt nae Londen (zegtde Memorie) van waer hy met Capitein Adriaen Emmekans zalig(er) ware overgekomen tot Rotterdam, alwaer hy den 23 Julij 1622 is geworden Luytenant onder Capiteyn Cornelis de Bagijn.” Het verblijf bij die van Tunis zal dus ruim een jaar geduurd hebben.Het aanbod van den „Bassa.”Thysiuszegt hiervan (in de vertaling van 1653, als „Lyck-Oratie” betiteld) „Den Bassa heeft lange met seer grooten ernst van onsen Heldt begeert, dat hy doch het Stuyrmanschap van sijn Schepen wilde aennemen, en heeft hem eere ende groote vereeringhen belooft, door welcke de broose verstanden der menschen dickwils wegh gheruckt werden.” Het oorspronkelijke (Oratio Funebris p. 8) heeft hier: „Diu ille summopere ad heröe nostro flagitavit, ut gubernatorem suarum navium ageret, honores, luculenta praemia, quibus abripi fragiles mortalium mentes solent, promisit.”Voeding der Schepelingen.De spijzen „bestonden uit hard brood of beschuit, en zoolang dit verkrijgbaar was, uit gewoon of week brood, uit vleesch of spek, kaas, stokvisch, haring, gort, witte, groene of grauwe erwten en boonen. De drank was behalve het water, bier; van jenever wordt in deze dagennog geen melding gemaakt.” Ook niet van brandewijn en tabak, doch brandewijn werd spoedig na Tromp’s tijd gebruikt, en tijdens den 2enEngelschen Oorlog werd er zelfs misbruik van gemaakt. Insgelijks van tabak, die reeds onder Piet Hein gebruikt moet zijn geworden, want hij verbood het. Met de victualie waren de scheepsbevelhebbers belast, en wel sedert Karel V. In 1636 besloten de Staten van Holland een proef te nemen, om dit aan „aannemers of beleiders” over te laten (in Zeeland bleef het gelijk het was); doch deze aannemers werden in 1640 weer ter zijde gesteld. De kapiteins kregen kostgeld, waarvoor zij de manschappen moesten onderhouden, en wel voor iederen matroos 6 stuivers daags. Bij afwezigheid hunner echtgenooten, zorgden, zoowel voor de victualie als voor de koks- en kajuitsgereedschappen voor een zeetocht, de vrouwen en ook wel de moeders der kapiteins. Dat deed ook de vrouw van Michiel de Ruijter. Deze admiraal wilde den kapiteins 7 stuivers daags per man toegelegd zien, doch het bleef nog lang 6 stuivers, „en menig kapitein heeft er zich wel bij bevonden.” Vergelijk De Jong. Gesch. v. h. Ned. Zeewezen I p. 319 en 699 (noten).De omgang van Tromp met zijn volk.„Gemeenzaam en vriendschappelijk van omgang, werd hij door alle zeelieden aangebeden, bij wie hij onder den naam van Bestevaêr bekend stond, en die hij gewoonlijk zijnekinderennoemde” (De Jonge 1 p. 517).—„Wat sijn sachtmoedigheydt en stillen ommeganck met sijn volck, als mede sijn andere deughden aengaet, daer van weeten sijn bekende meer te spreecken, als wy te schrijven.” (Leeven en Daaden der Doorl. Zee-helden, anno 1683, p. 547, kol.2)—„Wonderlyk wist hy zig naar den aart van het Scheepsvolck, dat hem steeds by den naam vanbesten Vaderbegroette, te voegen. Hy was Bevelhebber en Matroos te gelyk;zonder zyne agtbaarheid te verwaarloozen, en hier door kon hy alles van zyne manschap verkrijgen.”(Neerlands Heldendaaden ter zee, 1783, I p. 330). Wanneerprof. Thysiusook mededeeling doet van deze uitnemende verhouding tusschen Tromp en zijn volk, voegt hij er aan toe, dat „hy sijn ontsach gheheel wist te behouden”—Ook leefde hij aan boord eenvoudig: „die kroop slechts met zijn onderkleeren in de koy, gelijk de Bootsgezellen gewoon sijn. Hy had maar een knecht die op hem paste, en die hy dan noch tot andere dingen gebruyckte. Hy had ook maar een kok, die voor hem zelden anders als Scheeps-kost schafte” (Een praatje van den Ouden en Nieuwen Admiraal, anno 1653, p. 5). Hiermede komt overeen wat Thysius zegt, waar hij mededeelt, dat Tromp „dickwils nachten sonder slapen doorbracht, hy ruste nimmermeer gansch uytgekleet zijnde, hy stondt somtyds in de ontydighe nacht op, en hy die de opperste-wachter van allen was, sloegh met syn ooghen het waecken van andere gade.” (Oratio p. 19). De krijgstucht in die tijden eischte, dat „niemand van ’t gemeene volk zich des nachts (vermocht) te ontkleeden, zelfs niet de schoenen uit te trekken. Deze bepaling, hoe doelmatig ook, om op ieder uur van den nacht het volk ineens gekleed boven te hebben, was toch, dunkt me, wel wat hard en zal in rustige tijden of wanneer men in de ruimte was, wel niet met groote gestrengheid zijn toegepast” (Weruméus Buning, in „de Gids” van 1881 I p. 16).De stengen aan de Spanjaarden gegeven.AlsDe Jongemededeeling doet van de stengen, welke Tromp voor de Spanjaarden te Dover liet halen, en het kruit, dat hij, door bemiddeling van de Engelschen, den vijand aanbood, zegt hij, op p. 362 noot 1, dat deze bijzonderheden, welke hij aan het Journaal van Tromp ontleende, onbekend waren. Hierin vergistehij zich ten opzichte van de stengen. Reeds in ’t jaar 1683 vond men deze bijzonderheid in een gedrukt boek. „Op den sevenden (van Wijnmaand) quam Capiteyn Dorrevelt slepende een Engelsche Kitz met Wangen, Rees, Schaelen, en andere behoeften voor de Spaenschen, die Tromp naer den Spaenschen Admirael toe sond, alsoo die al geklaeght had, dat men sijn noodige behoefte hem af sneed, waerom hy niet vechten konde, voor welcke dienst, Dorrevelt van Oquendo met een Pijp Spaensche Wijn vereert wierd.”De schending van de neutraliteit door de Spanjaarden.„A dayortwo after; they fired some shot at Van Tromp’s barge, he being him self in it. What damage the barge suffered does not appear, but on board one of the Dutch ships a man was killed by a cannon ball, and the dead body was immediately sent to Sir John Pennington (dat was de Engelsche vlootvoogd) as a proof that the Spaniards had been the first violaters of the neutrality of the King’s harbour.” (Biographical Memoir of Marten Happertsz. Tromp, enz. inThe Naval Chronicle for 1817, Vol. XXXVI from January—June, p. 92.Het woordHappertis geen drukfout, want het staat boven elke bladzijde van dit opstel. Het is misschien een kenschetsend voorbeeld van den invloed der eigenaardige uitspraak van de Engelscheavóór der).Pennington was met zeventien Koningsschepen uitgekomen, en verkondigde „dat men sig, ter wederzyde, van vyandelykheden hadt te onthouden—Dat hy, die zig er het eerst aan schuldig maakte, de vyand van Grootbrittanje zou zijn, en als zodanig behandeld worden.” (Neerlands Heldendaaden, I p. 338).Het wapen van Tromp.„Ende nu onlancx den gheluckigen Heldt Martin H. Tromp van den Koninck van Vrankrijck, eenschildt d’argent au cheuron de gueulles, accompagnée d’un Galioen de sable en pointe, au chef d’azur, chargé d’une fleur de Lys d’or, ter gedachtenisse van den victorieusen Zeestrijdt, bij hem op zijne Majesteyts ende dezer Landen vijanden, verkregen” (Rotterd. Historiebl. a. v. p. 63, aant. 1). Tromp werd in Januari 1640 Ridder der Orde van St. Michiel, en door den Koning van Frankrijk, Lodewijk XIII met een nieuw wapen begiftigd. Hij werd door Koning Karel I van Engeland den 20enMei 1643 tot Ridder verheven (Navorscher 1867p. 290).Pekbroek.De bepaling, welkeVan Dale’s woordenboekdienaangaande bevat, is historisch geheel onjuist.„Pekbroek” is geen scheld-, maar een eerenaam, de naam van een kind der zee, van een persoon, die door en door een zeeman is. Moge het, volgens de afleiding, oorspronkelijk een scheldnaam zijn geweest, dan is het daarmede gegaan als met de oorspronkelijk als zoodanig bedoelde benamingGeus.Landgangerswaren kapiteins, die er liever hun plezier van gingen nemen te land, dan op zee hun plicht te doen. Ook bij de Engelsche zeemacht waren zij niet vreemd, getuige de, in den negenjarigen oorlog zoo beruchte Engelsche admiraal Torrington, wiens naam het Engelsche zeevolk verdraaide tot LordTarry in town(LordBlijf in de stad). VergelijkMacaulay’s Gesch. van Engeland, (vert. van dr. Van Deventer) 2e druk III p. 218.Een Engelsche lezing van de ontmoeting tusschen Tromp en Blake.„On their approach without paying the honour of the flag to the EnglishAdmiralBlake ordered several cannon, without shot, to be fired; but Van Tromp paid no regard to these warnings, and Admiral Blake no sooner fired a ballat his main-top-mast head, than he returned another, that went through the English admiral’s flag and taking in his own and hoisting the red flag for battle, he immediately gave the first broad side.” (Biographical Memoir a. v.p. 95).Als een teekenend staaltje van de wijze, waarop de Engelsche jeugd over het eergevoel der Nederlanders leert oordeelen, haal ik hier het volgende aan uitCaptain Marryat’s: the Phantom Ship(editie London, George Routledge and Sons, p. 59).In 1654, peace was signed; the Dutchman promising „to take his hat off” whenever he should meet an Englishman on the high seas—amereact of politeness, which Mynheerdidnot object to, as itcost nothing.Roodrokken.„Er straalt in het Journal van Tromp op meer dan ééne plaats de haat door, welke de Nederl. zeelieden reeds te dezen tijde aan de Britsche toedroegen. Hij spreekt op ééne plaats van hen met zekere verachting, onder den naam vanRoôrokken. „„... Captein Fielding ennogeen andere Roôrok.”” De Jonge I p. 361 noot.Cromwell niet de drijver tot den Eersten Engelschen Zee-oorlog.Na de ontmoeting tusschen Tromp en Blake was de stemming in Engeland zeer oorlogszuchtig. Een Commissie van onderzoek, waarvan Cromwell lid was, verklaarde Tromp schuldig. Toch werd de oorlog tegen de eigenlijke bedoeling van Cromwell doorgedreven. „Want de machtige leider van den Engelschen staat wenschte geen oorlog met de in godsdienst en afkomst verwante zusterrepubliek, die hij hoopte te winnen voor zijn plannen van religieus-politieken aard in Europa.” Wel leidde hij met kracht de oorlogstoerustingen, maar aan den eenen kant om de Engelsche oorlogsmacht te versterken, en aan den anderen kant om juist daardoor deNederlanders van een oorlog af te schrikken. (Zieprof. Blok, Gesch. v. h. Ned. volk, p. 65 en 66.)De bezem in den mast.Het was een oude Hollandsche gewoonte om, als teeken dat men de zee van vijanden schoon geveegd had, een bezem in den mast te voeren. Dat geschiedde o. a. in de eerste helft der15eeeuw in een oorlog tegen de Hanzesteden (vergelijkDe Jonge I p. 25). Dat ook Tromp aldus gehandeld zou hebben, wordt door niet één onzer geschiedschrijvers bevestigd. Het zou ook moeilijk overeen te brengen zijn „met de zedige en gematigde inborst van den Nederlandschen opper-bevelhebber.” (ZieDe Jonge I p. 441). Toch wordt het door de Engelschen staande gehouden, o. a. gelijkDe Jongemededeelt, doorHume. Een ander Engelsch geschiedschrijver zegt hiervan het volgende: „and such was the vanity of Adm. Van Tromp, that he sailed through the Channel on his way to the Isle of Rhé, with a broom at his main-top-mast head, intimating that he would sweep the Narrow Seas of English ships.” (Biographical Memoir a. v. p. 97). Daarover hem nog eens doorvegende, heet het later: „It has been said, that in the midst of his greatest glory, he constantly evinced a remarkable modesty; but of this there is perhaps some reason to doubt, in the instance of his carrying a broom at the mast head, indicative of the ease with which he would sweep the seas, there surely was no remarkable modesty, but perhaps we are to consider his modesty in reference only to his private character, in which it is said he never assumed a higher distinction than that of a burgher, and father of the sailors.” (Idem p. 102).Het gunstig oordeel der Engelsche geschiedschrijvers over Tromp.Zie daaroverDe Jonge I p. 502, II p. 92 v. v.Hetis inBiograph. Memoir, dat men het oordeel vindt, dat „he had been esteemed one of the greatestseamenthat had till then appeared in this world.”Engelsch oordeel over Tromp’s ongenade.„Thismiscarriageof the Dutch grand fleet, spread a general discontent (too commonly by the case when a valiant commander is in the leastunsuccessful).”Biograph. Memoirp. 95.De overmacht van het Britsche zeewezen.„All the successes of the English—zegt de geschiedschrijver Hume—were chiefly owing to the superior size of their vessels; anadvantagewhich all the skill and bravery of the Dutch Admirals could not compensate”(BijDe Jonge I p. 500, noot 2).Gebeden.Reeds den 9enAug. 1653 werd Ds. Lotius door de Staten van Holland aangezegd, om in de Kloosterkerk „een yverigh Gebedt tot Godt den Heere” te doen. (ZieRes. Holl.van 9 Aug. 1653).Dood van Tromp.„De goede Lt. Admiraal Tromp wierd onder het afgaen van de Hut geschooten; hy, nedervallende, wierdt weder opgenomen, en op kussens in de Hut nedergelegd, stervende met dese woorden in de mond: Ick heb gedaen, houd goeden moed. O Heer weest mij en dit arme volck genadigh.” (Leeven en Daaden p. 546).—„Eenigen meenden dat hij zig, onvoorzigtiglyk, te veel bloot gegeven hadt; zo dat Monk hem, bescheidelyk, hadt konnen kennen, en hierop zyne Muskettiers gelast, gelykelyk, op hem los te branden.” (Wagenaar XII p. 241)—„Hy is dan met een kleyne kogel onder syn tepel aen de slincker zijde tot in ’t binnenste van zyn hert doorschooten, seer haestelyck ter nederghevallen” (Thysius, p. 18).—„In ’t Leeven van den Vice-Admiraal DeWith leeze ik eenvoudig: Tromp, in het eerste aantreffen, met eenen kogel, in syn lincker borst, ’s morgens omtrend half seven, getroffen, is,terstond, overleden.” (Van Wijn, Naleezingen II, p. 142).Twee Testamenten van Tromp.Inde Navorscher van 1895 p. 29 v. v.werden deze door mij gepubliceerd. Het eerste was van 17 Sept. 1631, het tweede van 26 Jan. 1634, beide, in zijn hoedanigheid van „Capiteijn ter See,” verleden voor den notaris Jan de Bruijne te Brielle. Uit beide blijkt de liefde tot zijn moeder. Bij het eerste werd bepaald, dat, dadelijk na zijn overlijden, voor haar belegd zou worden 1600 gld., waarvan zij gedurende haar leven den interest (gerekend tegen de penning 16) zou genieten. In het tweede testament bepaalt hij, dat zijn erfgenamen jaarlijks aan zijn moeder 200 gld. moeten uitkeeren. De keten en medaille, waarvan in den tekst sprake was, moest altijd in zijn geslacht blijven en verviel telkens aan den oudsten zoon.Pensioen aan zijn weduwe.Den 20stenOctober 1663 werd door de Hoog Mog. Heeren Staten-Generaal der Vereen. Ned. op het verzoek van Tromp’s weduwe goedgunstig beschikt, n.l. om een levenslang pensioen. „Waerop gedelibereert ende geconsidireert zynde de sonderlinge goede notable en getrouwe diensten die de voorn. Lt. Admirael sal(iger) den Lande veele jaren aan den anderen heeft gedaen ende bewezen, dat hy oock op den 10 Aug. 1653 in zee met slands vloote valeureuselyk vechtende syn leven heeft verlooren; Is ten dien insigte goetgevonden ende verstaen de voorn. weduwvrouwe nae proportie van de gemeene Cap. weduwen haar leven gedurende, of zoolangh zy weduwe blijft, mits desen toe te voegen een vijfde gedeelte van het tractement, ’twelckde meergem. Lt.Admiraal van de charges bij hem mett’er doot ontruymt, in syn leven placht te genieten, dogh dewijle die van verscheijdene nature zijn geweest, soo wordt het gemelte collegie ter Admt. tot Amsterdam geinjungeert te betalen het vijfde gedeelte van het Lt. Admrs. Tractement en het collegie ter Admt. tot Rotterdam gelijk gedeelte van het Tractement van Cap. op een schip van Oorlogh ter zee, enz.”(volgensRotterd. Historiebl., p. 83, 84).Daar ik het nog al vreemd vond, dat dit pensioen eerst 10 jaar na den dood van Tromp aan zijn weduwe werd toegekend—en een drukfout inRott. Hist. bladentoch niet tot de onmogelijkheden behoort—wendde ik mij om inlichting tot het Algemeen Rijksarchief te ’s-Gravenhage. Met de gewone welwillendheid ontving ik het antwoord, dat de gemelde beslissing door de Staten-Generaal wel degelijk op den 20 October 1663 genomen werd, en wel naar aanleiding van een request der weduwe, den 31 Maart 1661 ingediend. Kwam dus het verzoek niet vroeg, de beslissing werd ook niet spoedig genomen.
De geslachtsnaam van Tromp’s vader.Hierover vindt men in „Aanteekeningen en Mededeelingen betreffende het Geslacht Van der Tromp of Tromp” in „Rotterd. Historiebladen,”3e Afd. Genealogische Aant. en Levensbesch. Eerste deel p. 59 v.v. het volgende: Volgens aanteekeningen van Mr. Reinier van Heemskerk heeft de vader van den admiraal M. H. Tromp die oorspronkelijkVan der Welheette, zijn naam veranderd. Volgens diezelfde aant. was de oorzaak deze: „dat de vader van den Admiraal Maerten Harpertsz. Tromp, zijnde geweest Harpert Lamberts (lees: Maertensz) Van der Well, groote(n) lust had tot den zeedienst, en zijne ouders hem dat willende beletten, hij de vlugt nam en zich in den zeedienst begaf als jong matroos of, zoo anderen zeggen, als koksmaat, onder den naam van Tromp om niet bekend te zijn. Doch anderen zeggen, dat hij op zijn schip zijnde, en niets te doen hebbende, hij altoos zich amuseerde met op eentrompjete spelen, waardoor hij den bijnaam vanTrompzou verkregen hebben.” Nav. II 1852, p. 140.
Hier vinde het tevens zijn plaats, dat in het Brielsche Archief noch vanVan der Tromp,TromperofTrompertsprake is, als Harpert Maertensz. genoemd wordt, maar steeds vanTromp. ZieH. de Jager: Geslacht Tromp, p. 2.
Vrouwen en kinderen van Maerten Harpertsz. Tromp.Zijneerste vrouw was Dina of Dignom de Haes, dochter van Cornelis de Haes en N. van den Heuvel. Zij stierf den 20enNov. 1633, in den ouderdom van 34 jaren te Rotterdam en werd aldaar in de Groote Kerk begraven (grafsteen no. 103). Onder dien steen ligt ook zijn tweede vrouw begraven, en dat graf, gelijk uit een zijner hierna te melden Testamenten blijkt, was ook voor hem bestemd. Van de inschrijving van den trouw en ondertrouw met Dignum gaven wij een fac-simile. Opgemerkt zij hier, dat de ondertrouwnietden 24enApril 1624 plaats had, gelijk in „het Geslacht Tromp” vanH. de Jager(natuurlijk door een druk- of schrijffout) voorkomt, maar den14enAprilvan dat jaar.
Tromp’s tweede „huisvrouw” was: Aeltgen Jacobs van Arckenboudt. „Ondertrouwd te Rotterdam 27 Augustus 1634: Maerten Herperts Tromp, wedr. Capiteyn, wonende op de Leuvehaven, met Alyth Jacobsdr. Arckenboudt, j. d. wonende in den Briel. Attesten gegeven op den Briel 10 Sept. 1634” (Rott. Hist. bladen t. a. p. p. 65 noot 1). Het huwelijk werd den 12enSept. 1634 te Brielle voltrokken. Ook deze vrouw van Tromp stierf jong. Volgens het opschrift van den grafsteen stierf zij den 13enApril 1639 in den ouderdom van 36 jaren.
In 1640 huwde hij ten derden male te ’s-Gravenhage met Cornelia Berckhout. Zij overleefde hem en bracht nog na zijn dood een kind ter wereld. Zij ontving, om de groote verdiensten van haar echtgenoot, van de Staten-Generaal een pensioen, waarover later.
Uit zijn eerste huwelijk had Tromp:Cornelis, geboren 1629, (den later zoo beroemden driftkop Cornelis of Kees Tromp),Harper Maertensz.enJohan Maertensz.Uit zijn tweede huwelijk:Alida, MargarethaenMaerten(op anderhalfjarigen leeftijd gestorven). En uit zijn derde huwelijk:Johanna Maria, AdriaenenMaerten Harpertsz., die na zijns vaders dood geborenwerd. (ZieRott. Hist. bladen, p. 66, en ook p. 64 en 65).
Zusters van Tromp.Uit het Testament van Tromp, verleden voor Jan de Bruijne, notaris te Brielle, in dato 26 Jan. 1634 blijkt (wat vóór de ontdekking van dit testament reeds door H. de Jager vermoed werd) dat Trompdriezusters had, n.l.Aeltje, LeentjeenMaritgen Harpertsdr. Ze waren toen dus nog in leven.
Geboortejaar van Tromp.Meestal wordt als zijn geboortejaar 1597 opgegeven. Zelfs het grafschrift op zijn tombe in de Oude Kerk te Delft geeft daar aanleiding toe. Daar leest men toch (volgens de vertaling in: „Leeven en Bedrijf van den vermaarden zeeheld Cornelis Tromp” p. 134)„... den 10denAugusti van het jaar onzes Zaligmakers 1653 ter ouderdom van 56 jaren opgehouden te leven en te verwinnen.” Tromp nu verjaarde vóór Augustus (n.l. den 23stenApril), derhalve: 1653–56=1597. Ook in deRott. Hist. bladenvindt men het jaartal 1597 (in die opgave staat een drukfout, die later aangewezen wordt).
Toch is het geboortejaarniet1597 maar 1598. Niet alleen geeft prof. Thysius in zijnOratio Funebris, maar ook een ander tijdgenoot (schrijver van de ongepagineerde „Memorie Raeckende het begin, vervolch, ende eynde, van de diensten van wijlen de Heere M. H. Tromp enz.,”Den Haag1653) het jaartal 1598. Doch, wat alles beslist, het Brielsche Doopregister geeft als doopdag 5 Mei 1598, gelijk het hierbij gevoegde fac-simile ten duidelijkste aantoont. De zorg voor deze en de andere fac-simile’s had de heer J. de Jong Cz. voormaals leeraar H. B. S. te Brielle, thans Directeur Burger-Avondschool en leeraar H. B. S. te Utrecht, op zich genomen, waarvoor ik hem reeds vroeger openbaar mijn dank betuigde.
Tromp’s welstand en zijn huizen.In den tekst is sprakevan een omstreeks 1640 verschenenSchotschrift, waarin Tromp geducht afgetakeld wordt. Dit pamflet is getiteld: „’t Samen-Spraeck, over de Loffelycke daden, gelegentheden ende afkompste van den Recht wel Edelen Manhaften Zee-Heldt Marten H. Tromp, thusschen...” en nu volgt de opgave van eenige personen, waarvan wij slechts noemen: Marinus Crijnsz., een Jongh varent gesel van Zeelant; Jan Slomp, een oudt varent Man; diens vrouw: Trijn Jans, zijnde een Uytdraeghster; Griet Smeers, een Besteedster enz. Jaartal ontbreekt. Aan het einde: „Hier naer Een beter. S. V. P.” (Koninkl. Bibliotheek). Wil men dit schotschrift gelooven, dan moet het, nog kort voor 1640, niet te schitterend met den welstand van Tromp en diens familie gestaan hebben. Daarom is het niet oneigenaardig eens na te gaan, wat daaromtrent het Brielsche Archief te vertellen heeft. In betrekking tot het Schotschrift mogen we ons hier alleen bemoeien met de getuigenissen vóór 1640.
We vernemen dan, dat de vader van zijn tweede vrouw, n.l. Jacob Arenszoon Arckenboudt volstrekt niet onbemiddeld was. Hij werd den 27stenJuli 1613 door het Oud en Nieuw Gerecht der stede van den Brielle tot ontvanger en collecteur van de Verpondingen benoemd, werd van 1 Oct. 1605 af herhaaldelijk tot Schepen benoemd en was van 1 Oct. 1613 tot 30 Sept. 1614 Oud-Schepen. Hij stierf in 1625, en, daar hij meer dan eens in het huwelijk trad, moest er boedelscheiding plaats hebben. Tot de kinderen uit een vorig huwelijk behoorde Tromp’stweedevrouw,Aeltghen. Later kon haar man, dus Maerten Harpertsz. Tromp, uit haar erfenis èn een huis in de Nobelstraat (genaamd „het Hemelryck”)èn een huis in het Zuideinde (beide straten in Den Briel gelegen) verkoopen. Ook was hij in 1633 „reeder en participant van seeckere haringhbuysch.” Een zuster van Tromp ondertrouwde den 8stenJuni 1625 met EgbertOoms, volgens De Jager: Ooms, joncman van Nieuwegen. In hetTrouwregister staat achter haar naam; jonge dochter, wonende in de Nobelstraat. Het is mogelijk, maar in die straat zou men geen menschen gezocht hebben, die „voor de maets waschten”. Zijn andere zuster Maartje of Maritgen huwde met Bastiaen Bastiaensz. Molewater, en die is dusde zwager van Tromp, de bakker, die hem brood van „verdroncken terwe” verkocht zou hebben. Het huwelijk had den 8stenJuli 1631 plaats. Ook zij woonde toen in de Nobelstraat. In 1647 werd Bastiaen Molewater in de St. Catharinakerk te Brielle begraven. De fraaie grafsteen, waaronder ook Tromp’s zuster ligt, is alweer geen bewijs voor den geringen staat van Tromp’s familie. Men vindt dien steen dicht bij het in 1711 opgerichte praalgraf van Philippus van Almonde. Wel is Bastiaen Molewater geen Raad en ook geen Burgemeester van Den Briel geweest, gelijkDe Navorscher 1867 p. 291ten onrechte mededeelt. Dat was het geval met den zoon van Bastiaen Molewater en Maritgen n.l. Harper Molewater. Deze Harper Molewater is raad, schepen, oud-schepen en burgemeester-thesaurier van Den Briel geweest.
Dat Tromp’s vader in ’t jaar 1606 te Rotterdam een huis kon koopen, en na het sluiten van het Bestand, met een „eigen geladen” koopvaardijschip uit kon varen, getuigt ook niet van zulk een armoede als het Schotschrift zou doen denken. Over het koopen van dat huis, zie menRott. Hist. bladenp. 61, aant. 3, en over Tromp’s geboortehuis en een ander huis door hem in Den Briel bezeten,NavorscherVII (jaarg. 1857), p. 29 kol. 2 onderaan. Deze laatste berichten steunen echter meest op overleveringen, zijn van een mij onbekend gebleven T, en tenminste in één opzicht niet geheel juist. De quaestie is echter te plaatselijk, om er hier op in te gaan.
Wanneer is Harpert Tromp gesneuveld?Volgens Potgieter reeds 40 dagen na den slag van Gibraltar, dus in 1607; (Verspr.en Nagel,Werken, Schetsen en Verhalen, I p. 77, uitgave1875) en G. van Loon (Nederl. Historiepenningen, II p. 377) geeft het jaar 1608 op. Volgensde Memoriebleef Harpert in ’s lands dienst tot hij den 9denJuni 1610 door het sluiten van het Bestand buiten dienst werd gesteld. Ook Prof. Thysius zegt, dat hijnahet sluiten van het Bestand met een „eigen geladen” koopvaardijschip uitzeilde, en wel, volgensde Memorie„nae de Caep de Verde ofte Ginea.”
Omtrent Cabo Verde had de noodlottige ontmoeting met de zeeroovers plaats, bij welke gelegenheid Harpert sneuvelde, wat dus zekernietvoor 1609 plaats had. Het zal derhalve in 1609, of in ’t begin van 1610 geschied zijn.
En dat klopt geheel met een andere opgave. Uit een fragment-rekening der Admiraliteit op de Maas (medegedeeld inRott. Hist. bladen p. 87) blijkt, dat den 26stenJanuari 1613 „aen Janneken Barentsdr., weduwe van Capiteyn Herpert Maertensz” werd toegelegd de somma van 250 pond „eens voor alle haere pretensien geene uytgesondert welcke zy ter saecken haeres voorsz. mans diensten den Lande ter zee tot desselfs overlyden toe hadde uytstaende ende 98 pond over de leste vier maenden solts daer inne hy slaechs zijnde tegens de zeeroovers is dootgeschoten.” De moeder van Maerten was door de terugkomst van haar zoon te weten gekomen, dat zij weduwe was. Volgensde Memorieheeft Maerten den zeeroover omtrent derdehalf jaar gediend. Wanneer we nu, met den bovengemelden vasten datum van den 26stenJanuari 1613, mogen aannemen dat het verzoek der weduwe in ’t laatst van 1612 tot het College is gericht, zou daaruit volgen, dat Maerten in de tweede helft van ’t jaar 1612 uit zijn slavernij ontslagen is, en dan komt men, daar 2–1/2 jaar aftrekkend, tot het voorjaar van 1610 als tijdstip, waarop Harpert gesneuveld is.
De Zeeroover tegen wien Harpert sneuvelde.Potgieternoemt hem Sir Francis Verney en spreekt van één schip. DeMemorievan een „sekeren welgemant ende gemonteert Engelschen Rover, ghenaemt Capiteyn Hessen,” en nog van diens „bijhebbende Schepen”,prof. Thysiusveel stelliger van een „Engels Rover, die met seven schepen de Zee onvrij maakte.”
Hoe is Maerten dien roover ontkomen?In „Leeven en Bedrijf van Cornelis Tromp” vindt men daarover: „waarna de jonge (Maerten Harpertsz.) Tromp, dien Roover wel dardehalf jaar voor Kajuitwachter moest dienen; doch vond eindelyk middelen om t’ ontkomen.”DeMemorie, dat „hy dien Rover noch eyndelyck ontspronghen, ofte ontdonckert” is. Toch, Maerten is den roover noch ontsprongen of ontdonkerd, noch heeft hij middelen gevonden om te ontkomen. WantThysiuszegt: „totdat de satheyt van de Zee ende des roofs, de Roovers selfs bevingh, ende nae dat sy conditien met den Hartogh van Savoyen ghemaeckt hadden, haer een vrye plaets om te herbergen toegestaen is. Naerdat de Engelse roovende Vloot tot niet was, heeft hy hem vrygesteld zijnde, in syn gemoet doen alreede groote saken overleggende, wederom naer syn Vaderland terug begeven.”
Hoe lang kan Maerten bij het timmervak gebleven zijn?Aannemende dat het waar is, wat het Schotschrift hiervan mededeelt—en voor twijfel daaromtrent zie ik hoegenaamd geen reden—dan rijst de vraag, hoe lang kan dit leven aan wal geduurd hebben? DeMemoriezegt hiervan: „Ende t’ Huys gekomen zijnde, ende als doen een Reys met Schipper Cornelisz. de Haes ghedaen hebbende op Rowanen, heeft sich den 23stenJuny Anno 1617 in dienst begheven onder den Capiteyn ende Commandeur Moy Lambert zal(i)g(er) voor Quartiermeester.” Maerten was in ’t laatst van 1612 in Rotterdam teruggekomen.Volgens deMemorietreedt hij eerst in Juni 1617 in ’s lands dienst. In dien tusschentijd wordt door deMemorie, die zeer regelmatig alle zeetochten van Tromp optelt, enkel het reisje naar Rouaan gemeld. We mogen dus zijn leven aan wal zeker wel op drie à vier jaar stellen.
Het verblijf bij den „Bassa” van Tunis.Tegen het afloopen van het Bestand wilde Tromp naar huis terugkeeren en werd toen, dus in ’t laatst van 1620 of ’t begin van 1621 door „de Turken” gevangen genomen. Na zijn bevrijding, is hij „gheraekt nae Londen (zegtde Memorie) van waer hy met Capitein Adriaen Emmekans zalig(er) ware overgekomen tot Rotterdam, alwaer hy den 23 Julij 1622 is geworden Luytenant onder Capiteyn Cornelis de Bagijn.” Het verblijf bij die van Tunis zal dus ruim een jaar geduurd hebben.
Het aanbod van den „Bassa.”Thysiuszegt hiervan (in de vertaling van 1653, als „Lyck-Oratie” betiteld) „Den Bassa heeft lange met seer grooten ernst van onsen Heldt begeert, dat hy doch het Stuyrmanschap van sijn Schepen wilde aennemen, en heeft hem eere ende groote vereeringhen belooft, door welcke de broose verstanden der menschen dickwils wegh gheruckt werden.” Het oorspronkelijke (Oratio Funebris p. 8) heeft hier: „Diu ille summopere ad heröe nostro flagitavit, ut gubernatorem suarum navium ageret, honores, luculenta praemia, quibus abripi fragiles mortalium mentes solent, promisit.”
Voeding der Schepelingen.De spijzen „bestonden uit hard brood of beschuit, en zoolang dit verkrijgbaar was, uit gewoon of week brood, uit vleesch of spek, kaas, stokvisch, haring, gort, witte, groene of grauwe erwten en boonen. De drank was behalve het water, bier; van jenever wordt in deze dagennog geen melding gemaakt.” Ook niet van brandewijn en tabak, doch brandewijn werd spoedig na Tromp’s tijd gebruikt, en tijdens den 2enEngelschen Oorlog werd er zelfs misbruik van gemaakt. Insgelijks van tabak, die reeds onder Piet Hein gebruikt moet zijn geworden, want hij verbood het. Met de victualie waren de scheepsbevelhebbers belast, en wel sedert Karel V. In 1636 besloten de Staten van Holland een proef te nemen, om dit aan „aannemers of beleiders” over te laten (in Zeeland bleef het gelijk het was); doch deze aannemers werden in 1640 weer ter zijde gesteld. De kapiteins kregen kostgeld, waarvoor zij de manschappen moesten onderhouden, en wel voor iederen matroos 6 stuivers daags. Bij afwezigheid hunner echtgenooten, zorgden, zoowel voor de victualie als voor de koks- en kajuitsgereedschappen voor een zeetocht, de vrouwen en ook wel de moeders der kapiteins. Dat deed ook de vrouw van Michiel de Ruijter. Deze admiraal wilde den kapiteins 7 stuivers daags per man toegelegd zien, doch het bleef nog lang 6 stuivers, „en menig kapitein heeft er zich wel bij bevonden.” Vergelijk De Jong. Gesch. v. h. Ned. Zeewezen I p. 319 en 699 (noten).
De omgang van Tromp met zijn volk.„Gemeenzaam en vriendschappelijk van omgang, werd hij door alle zeelieden aangebeden, bij wie hij onder den naam van Bestevaêr bekend stond, en die hij gewoonlijk zijnekinderennoemde” (De Jonge 1 p. 517).—„Wat sijn sachtmoedigheydt en stillen ommeganck met sijn volck, als mede sijn andere deughden aengaet, daer van weeten sijn bekende meer te spreecken, als wy te schrijven.” (Leeven en Daaden der Doorl. Zee-helden, anno 1683, p. 547, kol.2)—„Wonderlyk wist hy zig naar den aart van het Scheepsvolck, dat hem steeds by den naam vanbesten Vaderbegroette, te voegen. Hy was Bevelhebber en Matroos te gelyk;zonder zyne agtbaarheid te verwaarloozen, en hier door kon hy alles van zyne manschap verkrijgen.”(Neerlands Heldendaaden ter zee, 1783, I p. 330). Wanneerprof. Thysiusook mededeeling doet van deze uitnemende verhouding tusschen Tromp en zijn volk, voegt hij er aan toe, dat „hy sijn ontsach gheheel wist te behouden”—Ook leefde hij aan boord eenvoudig: „die kroop slechts met zijn onderkleeren in de koy, gelijk de Bootsgezellen gewoon sijn. Hy had maar een knecht die op hem paste, en die hy dan noch tot andere dingen gebruyckte. Hy had ook maar een kok, die voor hem zelden anders als Scheeps-kost schafte” (Een praatje van den Ouden en Nieuwen Admiraal, anno 1653, p. 5). Hiermede komt overeen wat Thysius zegt, waar hij mededeelt, dat Tromp „dickwils nachten sonder slapen doorbracht, hy ruste nimmermeer gansch uytgekleet zijnde, hy stondt somtyds in de ontydighe nacht op, en hy die de opperste-wachter van allen was, sloegh met syn ooghen het waecken van andere gade.” (Oratio p. 19). De krijgstucht in die tijden eischte, dat „niemand van ’t gemeene volk zich des nachts (vermocht) te ontkleeden, zelfs niet de schoenen uit te trekken. Deze bepaling, hoe doelmatig ook, om op ieder uur van den nacht het volk ineens gekleed boven te hebben, was toch, dunkt me, wel wat hard en zal in rustige tijden of wanneer men in de ruimte was, wel niet met groote gestrengheid zijn toegepast” (Weruméus Buning, in „de Gids” van 1881 I p. 16).
De stengen aan de Spanjaarden gegeven.AlsDe Jongemededeeling doet van de stengen, welke Tromp voor de Spanjaarden te Dover liet halen, en het kruit, dat hij, door bemiddeling van de Engelschen, den vijand aanbood, zegt hij, op p. 362 noot 1, dat deze bijzonderheden, welke hij aan het Journaal van Tromp ontleende, onbekend waren. Hierin vergistehij zich ten opzichte van de stengen. Reeds in ’t jaar 1683 vond men deze bijzonderheid in een gedrukt boek. „Op den sevenden (van Wijnmaand) quam Capiteyn Dorrevelt slepende een Engelsche Kitz met Wangen, Rees, Schaelen, en andere behoeften voor de Spaenschen, die Tromp naer den Spaenschen Admirael toe sond, alsoo die al geklaeght had, dat men sijn noodige behoefte hem af sneed, waerom hy niet vechten konde, voor welcke dienst, Dorrevelt van Oquendo met een Pijp Spaensche Wijn vereert wierd.”
De schending van de neutraliteit door de Spanjaarden.„A dayortwo after; they fired some shot at Van Tromp’s barge, he being him self in it. What damage the barge suffered does not appear, but on board one of the Dutch ships a man was killed by a cannon ball, and the dead body was immediately sent to Sir John Pennington (dat was de Engelsche vlootvoogd) as a proof that the Spaniards had been the first violaters of the neutrality of the King’s harbour.” (Biographical Memoir of Marten Happertsz. Tromp, enz. inThe Naval Chronicle for 1817, Vol. XXXVI from January—June, p. 92.Het woordHappertis geen drukfout, want het staat boven elke bladzijde van dit opstel. Het is misschien een kenschetsend voorbeeld van den invloed der eigenaardige uitspraak van de Engelscheavóór der).
Pennington was met zeventien Koningsschepen uitgekomen, en verkondigde „dat men sig, ter wederzyde, van vyandelykheden hadt te onthouden—Dat hy, die zig er het eerst aan schuldig maakte, de vyand van Grootbrittanje zou zijn, en als zodanig behandeld worden.” (Neerlands Heldendaaden, I p. 338).
Het wapen van Tromp.„Ende nu onlancx den gheluckigen Heldt Martin H. Tromp van den Koninck van Vrankrijck, eenschildt d’argent au cheuron de gueulles, accompagnée d’un Galioen de sable en pointe, au chef d’azur, chargé d’une fleur de Lys d’or, ter gedachtenisse van den victorieusen Zeestrijdt, bij hem op zijne Majesteyts ende dezer Landen vijanden, verkregen” (Rotterd. Historiebl. a. v. p. 63, aant. 1). Tromp werd in Januari 1640 Ridder der Orde van St. Michiel, en door den Koning van Frankrijk, Lodewijk XIII met een nieuw wapen begiftigd. Hij werd door Koning Karel I van Engeland den 20enMei 1643 tot Ridder verheven (Navorscher 1867p. 290).
Pekbroek.De bepaling, welkeVan Dale’s woordenboekdienaangaande bevat, is historisch geheel onjuist.„Pekbroek” is geen scheld-, maar een eerenaam, de naam van een kind der zee, van een persoon, die door en door een zeeman is. Moge het, volgens de afleiding, oorspronkelijk een scheldnaam zijn geweest, dan is het daarmede gegaan als met de oorspronkelijk als zoodanig bedoelde benamingGeus.
Landgangerswaren kapiteins, die er liever hun plezier van gingen nemen te land, dan op zee hun plicht te doen. Ook bij de Engelsche zeemacht waren zij niet vreemd, getuige de, in den negenjarigen oorlog zoo beruchte Engelsche admiraal Torrington, wiens naam het Engelsche zeevolk verdraaide tot LordTarry in town(LordBlijf in de stad). VergelijkMacaulay’s Gesch. van Engeland, (vert. van dr. Van Deventer) 2e druk III p. 218.
Een Engelsche lezing van de ontmoeting tusschen Tromp en Blake.„On their approach without paying the honour of the flag to the EnglishAdmiralBlake ordered several cannon, without shot, to be fired; but Van Tromp paid no regard to these warnings, and Admiral Blake no sooner fired a ballat his main-top-mast head, than he returned another, that went through the English admiral’s flag and taking in his own and hoisting the red flag for battle, he immediately gave the first broad side.” (Biographical Memoir a. v.p. 95).
Als een teekenend staaltje van de wijze, waarop de Engelsche jeugd over het eergevoel der Nederlanders leert oordeelen, haal ik hier het volgende aan uitCaptain Marryat’s: the Phantom Ship(editie London, George Routledge and Sons, p. 59).In 1654, peace was signed; the Dutchman promising „to take his hat off” whenever he should meet an Englishman on the high seas—amereact of politeness, which Mynheerdidnot object to, as itcost nothing.
Roodrokken.„Er straalt in het Journal van Tromp op meer dan ééne plaats de haat door, welke de Nederl. zeelieden reeds te dezen tijde aan de Britsche toedroegen. Hij spreekt op ééne plaats van hen met zekere verachting, onder den naam vanRoôrokken. „„... Captein Fielding ennogeen andere Roôrok.”” De Jonge I p. 361 noot.
Cromwell niet de drijver tot den Eersten Engelschen Zee-oorlog.Na de ontmoeting tusschen Tromp en Blake was de stemming in Engeland zeer oorlogszuchtig. Een Commissie van onderzoek, waarvan Cromwell lid was, verklaarde Tromp schuldig. Toch werd de oorlog tegen de eigenlijke bedoeling van Cromwell doorgedreven. „Want de machtige leider van den Engelschen staat wenschte geen oorlog met de in godsdienst en afkomst verwante zusterrepubliek, die hij hoopte te winnen voor zijn plannen van religieus-politieken aard in Europa.” Wel leidde hij met kracht de oorlogstoerustingen, maar aan den eenen kant om de Engelsche oorlogsmacht te versterken, en aan den anderen kant om juist daardoor deNederlanders van een oorlog af te schrikken. (Zieprof. Blok, Gesch. v. h. Ned. volk, p. 65 en 66.)
De bezem in den mast.Het was een oude Hollandsche gewoonte om, als teeken dat men de zee van vijanden schoon geveegd had, een bezem in den mast te voeren. Dat geschiedde o. a. in de eerste helft der15eeeuw in een oorlog tegen de Hanzesteden (vergelijkDe Jonge I p. 25). Dat ook Tromp aldus gehandeld zou hebben, wordt door niet één onzer geschiedschrijvers bevestigd. Het zou ook moeilijk overeen te brengen zijn „met de zedige en gematigde inborst van den Nederlandschen opper-bevelhebber.” (ZieDe Jonge I p. 441). Toch wordt het door de Engelschen staande gehouden, o. a. gelijkDe Jongemededeelt, doorHume. Een ander Engelsch geschiedschrijver zegt hiervan het volgende: „and such was the vanity of Adm. Van Tromp, that he sailed through the Channel on his way to the Isle of Rhé, with a broom at his main-top-mast head, intimating that he would sweep the Narrow Seas of English ships.” (Biographical Memoir a. v. p. 97). Daarover hem nog eens doorvegende, heet het later: „It has been said, that in the midst of his greatest glory, he constantly evinced a remarkable modesty; but of this there is perhaps some reason to doubt, in the instance of his carrying a broom at the mast head, indicative of the ease with which he would sweep the seas, there surely was no remarkable modesty, but perhaps we are to consider his modesty in reference only to his private character, in which it is said he never assumed a higher distinction than that of a burgher, and father of the sailors.” (Idem p. 102).
Het gunstig oordeel der Engelsche geschiedschrijvers over Tromp.Zie daaroverDe Jonge I p. 502, II p. 92 v. v.Hetis inBiograph. Memoir, dat men het oordeel vindt, dat „he had been esteemed one of the greatestseamenthat had till then appeared in this world.”
Engelsch oordeel over Tromp’s ongenade.„Thismiscarriageof the Dutch grand fleet, spread a general discontent (too commonly by the case when a valiant commander is in the leastunsuccessful).”Biograph. Memoirp. 95.
De overmacht van het Britsche zeewezen.„All the successes of the English—zegt de geschiedschrijver Hume—were chiefly owing to the superior size of their vessels; anadvantagewhich all the skill and bravery of the Dutch Admirals could not compensate”(BijDe Jonge I p. 500, noot 2).
Gebeden.Reeds den 9enAug. 1653 werd Ds. Lotius door de Staten van Holland aangezegd, om in de Kloosterkerk „een yverigh Gebedt tot Godt den Heere” te doen. (ZieRes. Holl.van 9 Aug. 1653).
Dood van Tromp.„De goede Lt. Admiraal Tromp wierd onder het afgaen van de Hut geschooten; hy, nedervallende, wierdt weder opgenomen, en op kussens in de Hut nedergelegd, stervende met dese woorden in de mond: Ick heb gedaen, houd goeden moed. O Heer weest mij en dit arme volck genadigh.” (Leeven en Daaden p. 546).—„Eenigen meenden dat hij zig, onvoorzigtiglyk, te veel bloot gegeven hadt; zo dat Monk hem, bescheidelyk, hadt konnen kennen, en hierop zyne Muskettiers gelast, gelykelyk, op hem los te branden.” (Wagenaar XII p. 241)—„Hy is dan met een kleyne kogel onder syn tepel aen de slincker zijde tot in ’t binnenste van zyn hert doorschooten, seer haestelyck ter nederghevallen” (Thysius, p. 18).—„In ’t Leeven van den Vice-Admiraal DeWith leeze ik eenvoudig: Tromp, in het eerste aantreffen, met eenen kogel, in syn lincker borst, ’s morgens omtrend half seven, getroffen, is,terstond, overleden.” (Van Wijn, Naleezingen II, p. 142).
Twee Testamenten van Tromp.Inde Navorscher van 1895 p. 29 v. v.werden deze door mij gepubliceerd. Het eerste was van 17 Sept. 1631, het tweede van 26 Jan. 1634, beide, in zijn hoedanigheid van „Capiteijn ter See,” verleden voor den notaris Jan de Bruijne te Brielle. Uit beide blijkt de liefde tot zijn moeder. Bij het eerste werd bepaald, dat, dadelijk na zijn overlijden, voor haar belegd zou worden 1600 gld., waarvan zij gedurende haar leven den interest (gerekend tegen de penning 16) zou genieten. In het tweede testament bepaalt hij, dat zijn erfgenamen jaarlijks aan zijn moeder 200 gld. moeten uitkeeren. De keten en medaille, waarvan in den tekst sprake was, moest altijd in zijn geslacht blijven en verviel telkens aan den oudsten zoon.
Pensioen aan zijn weduwe.Den 20stenOctober 1663 werd door de Hoog Mog. Heeren Staten-Generaal der Vereen. Ned. op het verzoek van Tromp’s weduwe goedgunstig beschikt, n.l. om een levenslang pensioen. „Waerop gedelibereert ende geconsidireert zynde de sonderlinge goede notable en getrouwe diensten die de voorn. Lt. Admirael sal(iger) den Lande veele jaren aan den anderen heeft gedaen ende bewezen, dat hy oock op den 10 Aug. 1653 in zee met slands vloote valeureuselyk vechtende syn leven heeft verlooren; Is ten dien insigte goetgevonden ende verstaen de voorn. weduwvrouwe nae proportie van de gemeene Cap. weduwen haar leven gedurende, of zoolangh zy weduwe blijft, mits desen toe te voegen een vijfde gedeelte van het tractement, ’twelckde meergem. Lt.Admiraal van de charges bij hem mett’er doot ontruymt, in syn leven placht te genieten, dogh dewijle die van verscheijdene nature zijn geweest, soo wordt het gemelte collegie ter Admt. tot Amsterdam geinjungeert te betalen het vijfde gedeelte van het Lt. Admrs. Tractement en het collegie ter Admt. tot Rotterdam gelijk gedeelte van het Tractement van Cap. op een schip van Oorlogh ter zee, enz.”(volgensRotterd. Historiebl., p. 83, 84).
Daar ik het nog al vreemd vond, dat dit pensioen eerst 10 jaar na den dood van Tromp aan zijn weduwe werd toegekend—en een drukfout inRott. Hist. bladentoch niet tot de onmogelijkheden behoort—wendde ik mij om inlichting tot het Algemeen Rijksarchief te ’s-Gravenhage. Met de gewone welwillendheid ontving ik het antwoord, dat de gemelde beslissing door de Staten-Generaal wel degelijk op den 20 October 1663 genomen werd, en wel naar aanleiding van een request der weduwe, den 31 Maart 1661 ingediend. Kwam dus het verzoek niet vroeg, de beslissing werd ook niet spoedig genomen.
In deze serie zal in het voorjaar van 1909 verschijnen:FRED. W. FARRARSt. Wimfried of de SchoolwereldMet 30 platen vanL. W. Wenckebach.Prijs ing. ƒ1.25, geb. ƒ1.75Bandteekening van JAN SLUYTERS.
In deze serie zal in het voorjaar van 1909 verschijnen:FRED. W. FARRARSt. Wimfried of de SchoolwereldMet 30 platen vanL. W. Wenckebach.Prijs ing. ƒ1.25, geb. ƒ1.75Bandteekening van JAN SLUYTERS.
In deze serie zal in het voorjaar van 1909 verschijnen:
FRED. W. FARRAR
St. Wimfried of de Schoolwereld
Met 30 platen vanL. W. Wenckebach.
Prijs ing. ƒ1.25, geb. ƒ1.75
Bandteekening van JAN SLUYTERS.
Prachtige Boeken voor Jongens zijn:A. C. C. DE VLETTERPALJASMet platen vanJohan BraakensiekVIERDE DRUKPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.A. C. C. DE VLETTERTwee HeldenBandteekening vanJ. ZonPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.A. C. C. DE VLETTERIn dagen van spanningMet platen vanJ. ZonPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.P. LOUWERSEROBINSON CRUSOË’s Leven en Zonderlinge LotgevallenDOORDANIËL DEFOE.Met 70 fraaie Houtgravuren en Plattegrondskaartje.TWEEDE DRUKPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.P. LOUWERSEMet ROBINSON CRUSOË 10 jaar op ReisMet illustraties.—Tweede druk.Prijsfl1.50ing.,fl1.90geb.P. LOUWERSEVertellingen uit de 1001 NachtMet platen vanH. C. LouwerseVIERDE DRUKPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.S. ABRAMSZVeertien dagen op een IJsschotsMet platen vanJ. van OortTWEEDE UITGAVEPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.A. F. CREMEROp Expeditie tegen de DajaksMet platen vanJ. van OortTWEEDE UITGAVEPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.ROBERT LEIGHTONKONING OLAFMet acht platen—Tweede uitgavePrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.A. J. STRAATMANEen nacht vol gevarenMet platen vanJ. DeutmannPrijsfl0.90ing.,fl1.25geb.J. J. A. GOEVERNEURIng.Geb.Gullivers Reizenfl1.50fl1.90Gullivers Reizen naar Lilliputfl,,0.75fl,,1.—Gullivers Reizen naar Brobdignacfl,,0.75fl,,1.—Met platen vanW. Steelink.
Prachtige Boeken voor Jongens zijn:A. C. C. DE VLETTERPALJASMet platen vanJohan BraakensiekVIERDE DRUKPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.A. C. C. DE VLETTERTwee HeldenBandteekening vanJ. ZonPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.A. C. C. DE VLETTERIn dagen van spanningMet platen vanJ. ZonPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.P. LOUWERSEROBINSON CRUSOË’s Leven en Zonderlinge LotgevallenDOORDANIËL DEFOE.Met 70 fraaie Houtgravuren en Plattegrondskaartje.TWEEDE DRUKPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.P. LOUWERSEMet ROBINSON CRUSOË 10 jaar op ReisMet illustraties.—Tweede druk.Prijsfl1.50ing.,fl1.90geb.P. LOUWERSEVertellingen uit de 1001 NachtMet platen vanH. C. LouwerseVIERDE DRUKPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.S. ABRAMSZVeertien dagen op een IJsschotsMet platen vanJ. van OortTWEEDE UITGAVEPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.A. F. CREMEROp Expeditie tegen de DajaksMet platen vanJ. van OortTWEEDE UITGAVEPrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.ROBERT LEIGHTONKONING OLAFMet acht platen—Tweede uitgavePrijsfl1.50ing.,fl1.90geb.A. J. STRAATMANEen nacht vol gevarenMet platen vanJ. DeutmannPrijsfl0.90ing.,fl1.25geb.J. J. A. GOEVERNEURIng.Geb.Gullivers Reizenfl1.50fl1.90Gullivers Reizen naar Lilliputfl,,0.75fl,,1.—Gullivers Reizen naar Brobdignacfl,,0.75fl,,1.—Met platen vanW. Steelink.
Prachtige Boeken voor Jongens zijn:
A. C. C. DE VLETTER
PALJAS
Met platen vanJohan Braakensiek
VIERDE DRUK
Prijsfl1.50ing.,fl1.90geb.
A. C. C. DE VLETTER
Twee Helden
Bandteekening vanJ. Zon
Prijsfl1.50ing.,fl1.90geb.
A. C. C. DE VLETTER
In dagen van spanning
Met platen vanJ. Zon
Prijsfl1.50ing.,fl1.90geb.
P. LOUWERSE
ROBINSON CRUSOË’s Leven en Zonderlinge Lotgevallen
DOORDANIËL DEFOE.
Met 70 fraaie Houtgravuren en Plattegrondskaartje.
TWEEDE DRUK
Prijsfl1.50ing.,fl1.90geb.
P. LOUWERSE
Met ROBINSON CRUSOË 10 jaar op Reis
Met illustraties.—Tweede druk.
Prijsfl1.50ing.,fl1.90geb.
P. LOUWERSE
Vertellingen uit de 1001 Nacht
Met platen vanH. C. Louwerse
VIERDE DRUK
Prijsfl1.50ing.,fl1.90geb.
S. ABRAMSZ
Veertien dagen op een IJsschots
Met platen vanJ. van Oort
TWEEDE UITGAVE
Prijsfl1.50ing.,fl1.90geb.
A. F. CREMER
Op Expeditie tegen de Dajaks
Met platen vanJ. van Oort
TWEEDE UITGAVE
Prijsfl1.50ing.,fl1.90geb.
ROBERT LEIGHTON
KONING OLAF
Met acht platen—Tweede uitgave
Prijsfl1.50ing.,fl1.90geb.
A. J. STRAATMAN
Een nacht vol gevaren
Met platen vanJ. Deutmann
Prijsfl0.90ing.,fl1.25geb.
J. J. A. GOEVERNEUR
Ing.Geb.Gullivers Reizenfl1.50fl1.90Gullivers Reizen naar Lilliputfl,,0.75fl,,1.—Gullivers Reizen naar Brobdignacfl,,0.75fl,,1.—
Met platen vanW. Steelink.
ColofonBeschikbaarheidDit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van deProject Gutenberg Licentiebij dit eBoek of on-line opwww.gutenberg.org.Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam opwww.pgdp.net.MetadataTitel:Maerten Harpertszoon TrompAuteur:Johannes Hendrik Been (1859–1930)InfoIllustrator:Johan Coenraad Braakensiek (1858–1940)InfoTaal:Nederlands (Oude Spelling)CatalogusvermeldingenGerelateerde WorldCat catalogus pagina:64361442CoderingDit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.Documentgeschiedenis2017-03-19 Begonnen.Externe ReferentiesDit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.VerbeteringenDe volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:BladzijdeBronVerbeteringVIIItoemaligentoenmaligen1418e18e31,185,194,196,200,203,208,208,210[Niet in bron]”36[Niet in bron],38begavenbegeven44,195,205[Niet in bron].52?.57stilltestilte62Harpertz.Harpertsz.66kanibaalkannibaal68ïnin82scheepsjongemscheepsjongen92bijhij99[Niet in bron]te10217en17den111,.113,125,1782en2den121twaaltaltwaalftal131,188,200,[Verwijderd]132EngelscheEngelschen1601en1sten161armadearmada166,1756en6den1809en9den196[Niet in bron]„197,)197DomsOoms199werkenWerken204ofor205AdmiraalAdmiral206weremere206ditdid20715e15e208seamanseamen208miscarisagemiscarriage208unsuccesfulunsuccessful208adventageadvantage209weclkwelck
Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van deProject Gutenberg Licentiebij dit eBoek of on-line opwww.gutenberg.org.
Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam opwww.pgdp.net.
Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.
Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.
De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst: