ZEVENDE HOOFDSTUK.Een jonkheer of een pekbroek.Dat hij nog eens tot zulke groote daden geroepen zou worden, kon wel het allerminst door Maerten Harpertsz. Tromp vermoed worden, toen hij het lijk van den gesneuvelden admiraal, dat in de Oude Kerk te Delft begraven zou worden, naar het vaderland had teruggebracht. Kort daarop toch nam hij zijn ontslag uit den zeedienst, en nu scheen hij zijn verdere leven wel aan wal te zullen slijten. Dat hij zijn ontslag uit ’s lands dienst nam, lag ten deele hier aan, datde Groene Draak, gelijk het admiraalsschip heette, „uit gunst aan een ander gegeven (werd): ’t welk Tromp zoodanig verdroot, dat hij de zee verliet en daarna zeker ambt omtrent zeezaken aan wal bediende.”Wat dat „zeker ambt omtrent zeezaken” was, vernemen wij van twee zijden. In de eerste plaats zegt de meermalen door ons aangehaalde prof. Thysius: „Maer hij is, terwijlen hij uytter Zee was, niet alleen een bloote aanschouwer van ’t lant geweest, maer heeft ook de Zee altijdt voor oogen gehadt ende deDirectie van des Scheeps-timmeragie omtrent de Mase met groote eer ende neerstigheydt byghewoont.”Dit is nog niet heel duidelijk. Gelukkig is er een tweede getuigenis tot ons gekomen, en wel van iemand over wien we eerst iets zeggen moeten, omdat hij ons in dit hoofdstuk een enkele maal wat uit dien tijd mede te deelen zal hebben.Men weet, hoe de geleerde Huig de Groot door middel van een boekenkist uit het kasteel Loevestein ontsnapt is, en hoe in deze aardige gebeurtenis zijn vrouw Maria van Reigersbergen de hand heeft gehad. De Groot was in Parijs gaan wonen, maar omdat zijn gedachten altijd door naar het vaderland teruggingen, bleef hij veel belangstellen in hetgeen daar gebeurde. Daarvan nu werd hij getrouw op de hoogte gehouden door zijn vrouws broeder, wiens naam gewoonlijk als Nicolaes van Reigersberch gespeld wordt. Hij bekleedde in Holland een zeer aanzienlijk ambt en stond voortdurend in briefwisseling met zijn beroemden zwager, een briefwisseling echter die zeer geheim gehouden werd en in geheimschrift plaats had. Eens is er iets van uitgelekt, en dat verwekte al een storm van verontwaardiging. Maar voor ons is het heerlijk om na zooveel jaren een blik in die correspondentie te kunnen slaan, omdat we daarin weer eens op een andere wijze dan dat gewoonlijk in de geschiedboeken voorkomt, over personen en toestanden uit dien tijd hooren spreken en wel door een man, die schier overal vanop de hoogte kon zijn. Wat hij nu over het ambt, dat Tromp te land bekleedde te zeggen heeft, is wel niet veel bijzonders, maar we leeren er toch uit, dat de gewezen zeekapitein te Rotterdam bleef wonen, en dat hij aangesteld was „als directeur over de schepen ten oorloge van Helvoet varende.”Maar over iets anders geeft diezelfde Nicolaes van Reigersberch belangrijker bijzonderheden, en wel over de wijze, waarop zich de nieuwe admiraal, jonkheer Van Dorp, tegenover de Duinkerker kapers verhield. Terwijl deze vlootvoogd zich aldoor maar ophield met zijn scheepsmacht, uit vijftien bodems bestaande, op de Fransche kust, waren de Duinkerker kapers in de maand Augustus van ’t jaar 1635 uit hun havens geloopen en hadden zich naar de Noordzee begeven, waar zij, tot groote ontsteltenis van de bewoners der visschersplaatsen, die vaders, broeders en zonen bij onze haringvloot hadden, een groote schade onder de buizen hadden aangericht. Ja, men vreesde voor erger. Nog meer haringbuizen dreven in het Noorden rond, en de Duinkerkers wachtten eveneens onze walvischvaarders en onze koopvaarders op Moscovië (gelijk men toen Rusland noemde) met des te grooter stoutmoedigheid op, naarmate „de zee zeer ontbloot (was) van haer behoorlijcke defentie”.In zijn brief van 1 September 1635 komt Reigersberch nader op deze gebeurtenis terug. Hij had hooren zeggen, dat de Duinkerkers niet minder dan zestigharingbuizen vernield en zeshonderd Nederlandsche varenslui gevangen genomen hadden. En wat eigenlijk het sterkste bewijs was voor de inderdaad schandelijke manier, waarop onze visschers en koopvaarders, ja zelfs onze kusten, door onze eigen zeemacht onbeschermd werden gelaten, was het feit dat op den 31 Augustus van dat jaar op nog geen mijl afstands zeewaarts in van Westkapelle negentien Duinkerker kaperschepen gelegen hadden. Want—nu eens niet gedacht aan de ontsteltenis, welke door deze ontdekking bij de kustbewoners van het eiland Walcheren werd opgewekt—dat rustig daar liggen van die negentien schepen was wel een bewijs, dat zij van hun strooptocht in het Noorden hadden kunnen terugkeeren, zonder door onze zeemacht in dien terugtocht opgehouden of verhinderd te zijn. De admiraal Van Dorp was eindelijk wel uit het Kanaal de Noordzee ingeloopen; eveneens waren nog wel vijftien à zestien onzer oorlogsschepen uit Texel en ook uit de Maas zee in gestevend; doch de aanwezigheid der Duinkerkers in het Zuidelijk gedeelte der Noordzee op hun terugtocht van het Noorden, bewees helaas ten duidelijkste, dat wij alweer te laat waren gekomen.Hoe kwam toch de toestand van ons zee wezen zoo ellendig? Onze zeelieden waren de beste van de wereld, onze Jantjes streden in Oost en West en volbrachten wonderen van dapperheid—en vlak bij het vaderland zelf kon de marine niet eens de visschers en de koopvaarderstegen de Duinkerker kapers beveiligen! En dat was dezelfde Nederlandsche marine, die over eenige jaren de groote zegepraal bij Duins zou bevechten en een twintigtal jaren later onder Michiel de Ruijter aan de Engelschen de zeeslagen zou leveren, welke schier eenig gebleven zijn in de geschiedenis! De goede elementen waren er dus, maar het ontbrak voornamelijk aan eenheid en aan goede leiding.De zinspreuk der Zeven Vereenigde Nederlanden was, dat Eendracht Macht maakte. Toch bleef een Zeeuw zich Zeeuw gevoelen, terwijl een Hollander weer vond, dat hij een heel ander persoon was dan een Groninger, en een Fries, trotsch op zijn eigenaardigheden, zijn kop niet graag gebroken zou hebben, waar ook hij zich weer iets heel aparts gevoelde. Als de nood aan den man kwam, slingerde zich gelukkig nog al tamelijk spoedig het verbindende koord om de zeven pijlen heen. Maar als het ergste gevaar voorbij was, begonnen de zeven pijlen, de een voor en de andere na, zich te roeren, en wrongen net zoolang, tot het knellende koord een weinig losser begon te zitten.Denk-je, dat een Hollandsch zeekapitein blindelings de bevelen van een Zeeuwsch admiraal geliefde op te volgen? Hij dacht er niet aan! En de Zeeuwsche zeekapiteins, die, omdat Holland nu eenmaal machtiger was en het meest in de melk had te brokken, meestal onder een Luitenant-Admiraal van Holland en West-Friesland moesten staan, deden dat ook al niet meteen geheele overgave van ziel. De gelukkigste oplossing daarvoor is de benoeming van Michiel Adriaansz. de Ruijter geweest, den Luitenant-Admiraal van Holland en West-Friesland voor wien zich de Zeeuwen man voor man hadden willen doodvechten, den eenige ter zelfder tijd, tot wien iedere Hollandsche zeeman met eerbied en vereering opzag.Zoo stond het ten tijde van jonkheer Van Dorp geschapen met den naijver tusschen de verschillende zeelieden van de verschillende provinciën. Doch er kwam nog iets anders bij. De zeekapiteins waren voor het grootste gedeelte opgekomen uit het dappere zeevolk dier tijden, zeerobben, die overal heen gezwalkt waren en de zeevaart werkelijk niet uit een boekje hadden geleerd. Het waren onversaagde lieden, dappere degens, door tallooze gevaren, avonturen en scheepsgevechten mannen geworden, die in een oogenblik van groot gevaar precies wisten hoe ze handelen moesten. Hun lust in hun leven was áánvallen, áánpakken. Dat ging langs de baren als de Noordwester zelf: wie weerstaat hem, wie houdt hem tegen? En lieten zij zich dat niet doen door een vijand, ze lieten zich evenmin de wet voorschrijven door een admiraal.Nu ja, er moest nu eenmaal een hoofd zijn. Maar daarom behoefde hij geen leider te wezen! Waren ze kinderen, zij, die groote, breede, zware zeekapiteins, waaromheen iets wijds en geweldigs heenging, alsof ze veel meer plaats innamen dan een landrot! Bevelen?Welke vrije Fries en Hollander en Zeeuw liet zich dat eigenlijk doen? Als je kajuitsjongen was, werd-je afgeranseld, maar je spartelde terug indien er ten minste een vent in je stak. En als je zoo’n zware, kantige, bruingebrande matroos geworden was, werd-je neergeslagen door d’n ouwe, indien je z’n zin niet deed, en daarmee was het uit, of.... je voelde je één met hem, vloog op z’n commando’s vlug als een aap overal heen in het tuig dier reusachtige masten, omdat het losging tegen den storm of tegen den vijand en d’n ouwe òveral voor stond, en je door het noodweer zou heenhalen of je dwars door den vijand heen zou doen slaan. Die ouwe—hij was de ziel van heel het schip, een kwaaie rakker, zeker, maar die zèlf aan kon pakken; met de eene hand een onbekwamen matroos een veeg om de ooren, maar met de andere hand het voorbeeld kon gevenhoemen werken moest.Maar.... denk-je dat d’n ouwe nu op zijn beurt onder één macht ter wereld wilde staan! Hij zwol er van op, als hij aan zoo iets dacht, en dan was het een heelen dag onweer aan boord van ’t schip. De jongens zagen wel aan zijn gezicht, hoe d’n ouwe het opnam, als van het admiraalsschip geseind werd, dat deze kapitein hier en die kapitein elders heen moest, den vijand aangrijpend op een wijze gelijk de admiraal dat wilde. D’n ouwe hàd geen bevel noodig. Hij wist het zelf wel.... en hij bruiste er op los. Maar omdatieder het liefst op eigen gelegenheid wilde strijden, en, kon het, straks enteren, en vechten man tegen man,... waren de pijlen er wel, maar de samensnoerende band ontbrak. Het tegengestelde gebeurde dan, van wat de vereenigde pijlbundel tot onderschrift had: de tweedracht verstrooide.We hebben nu alleen oog gehad voor die dappere en onversaagde zeekapiteins, gelijk er in onze zeegeschiedenis nog meer vergeten zijn dan er in opgenoemd worden. Er waren evenwel ook andere, wien het minder om de eer dan wel om den buit te doen was—al liet de buit niemand onverschillig—en het liefst van al ter kaapvaart uitgezeild waren. Viel er meer te verliezen dan te winnen, dan zagen zij niet in, waarom zij niet heel verstandig een scheepsstrijd zouden ontwijken. En ook zij bekommerden zich niet bijzonder om de bevelen van den admiraal. Bleek de vijand hun te sterk, dan zagen zij er geen schande in terug te wijken en soms een geheelen zeeslag in verwarring te brengen, gelijk helaas meer dan eens in onze zeegeschiedenis, zelfs in latere jaren, voorgevallen is. Ook waren er kapiteins, die voor hun plezier leefden, zich het liefst bij de kust ophielden en graag een haven opzochten, om daar eens pret te maken; de beruchte landgangers. Het was voor zulk soort kapiteins, en voor de lafaards, die er óók onder hen, gelijk onder elke verzameling menschen, gevonden werden, dat er, volgens de driftige admiraal Witte Corneliszoonde With, geen hout genoeg in Holland groeide om er voor hen galgen van te maken. Maar die onstuimige admiraal Dubbel Wit zat op dit oogenblik nog in Den Briel, waar hij reeder van een haringschuit was geworden, eens naar zijn boomgaard liep om te kijken of soms die satansche kwâjongens alweer appelen en peren gestolen hadden, en tusschen zijn buien van drift en opwinding door, zijn best deed om diaken van de Groote Kerk te worden, wat maar niet lukken wilde. Hij had het, evenmin als Tromp, onder zulke omstandigheden op zee uit kunnen houden. Hij was een van die eerstgemelde zeekapiteins geweest, maar dan een bijzonder ongemakkelijke. En dacht-je, dat hij nu staan wilde onder een man als admiraal Van Dorp?Was hij dan een lafaard, die jonkheer Van Dorp, wien het verbitterd gepeupel van Veere met steenen wierp, aan wien de visscherbevolking van Maassluis en Vlaardingen en Den Briel al de schuld gaf van den ellendigen toestand ter zee?Ik zou dat niet graag willen beweren. Men kan een man van moed en kennis en doorzicht zijn, en toch ongeschikt voor zekeren post. Het ambt van admiraal—Emir al Omra, dat is Heer der Zee—scheen door zijn eigen aanzien en gewicht mede te brengen, dat het ook zeer eigenaardig door een man van aanzien en gewicht bekleed werd. Het lag als ’t ware voor de hand, dat de ruwe zeelui den stuggen kop zeker niet buigen zouden voor een van hun gelijken. Deachting en het ontzag voor een aanzienlijk persoon maken aan den eenen kant het bevelen gemakkelijker en aan den anderen kant het gehoorzamen niet zoo moeilijk. Ware jonkheer Van Dorp van kind af aan op zee geweest, niet voor zijn plezier maar om te leeren door de ervaring, hetzij als scheepsjongen van zijn vader, gelijk Maerten Harpertsz. Tromp, hetzij, zooals later mogelijk was, als adelborst, gelijk de Brielsche burgemeesterszoon Philippus van Almonde bij Michiel de Ruijter—het zou waarschijnlijk niet zoo ellendig gestaan hebben tegenover de Duinkerker kapers. Zijn aanzienlijke afkomst had hem bovendien over die bergen van bezwaren kunnen heentillen, waar Tromp doorheen heeft moeten boren en wroeten. Maar bij die naar pek en teer en zeezout riekende kapiteins stak hij te veel af. Zij wisten meer van den huidigen toestand van het zeemansvak af. Hij maakte fouten, die door de visschers op de haringbuizen, door de halfwassen brasems op het oorlogsschip besproken en belachen werden. En er ging een kreet door de visschersplaatsen en langs de schepen van oorlog, koopvaardij en vischvangst, weldra een kreet door heel het land: een pekbroek hebben we noodig en geen jonkheer!En al luider en dringender werd die kreet. De Duinkerkers toch werden hoe langer hoe driester en brutaler. In de maand Mei van ’t jaar 1637 schreef Nicolaes van Reijgersberch aan den geleerden Grotius, dat de gevreesde kapers zich op onze kusten en vooronze zeegaten hadden vertoond. En dat niet met bescheiden scheepjes, maar zooals op den 19enMei met zeven koningsschepen en 7 fregatten. Die veertien bodems lagen voor Texel voor anker, en.... jonkheer Van Dorp was met twintig schepen in zee om de Duinkerkers op te zoeken, en nergens had hij ze kunnen vinden! Dat zal weer heel wat ontevredenheid baren onder het zeevarende volk, meent Reijgersberch, waarbij nog komt dat de vijand van dag tot dag de gevangen Nederlanders harder begint te behandelen. Vroeger zonden de Duinkerkers een gevangen genomenscheepsjongenom niet naar huis; nu vragen zij maar eventjes honderd gulden voor zoo’n snuiter. Als losgeld voor een bootsman eischen ze tweehonderd en voor een schipper van een vischschuit zeshonderd gulden. De zeemacht der Duinkerkers is al tot ongeveer achttien koningsschepen en tusschen de dertig en veertig fregatten geklommen, en, als het zoo voortgaat, zal dat aantal nog wel vermeerderen. Want—en hier voert de raadsheer iets heel eigenaardigs uit die dagen aan—het bootsvolk gaat dáár heen, waar buit en voordeelen te behalen zijn. Met andere woorden: er gingen een partij Nederlandsche zeelui met pak en zak tot de Duinkerkers over en werden zelf kaper, om het zeevolk van het eigen land aan te vallen, de schepen van het vaderland aan te randen en als het kon uit te plunderen.Welk een toestand!Dat kon toch heusch zoo niet blijven. En eigenlijk was het ergst nog, dat we al een tiental jaren geleden dit óók gezegd hadden. Toen was Van Dorp op zij geschoven en had men „een pekbroek” aan het hoofd onzer vloot geplaatst, Piet Hein, die het van scheepsjongen af tot zulk een hoogte gebracht had. Die had de hooge waardigheid aanvaard op voorwaarde, dat hem een grootere macht dan gewoonlijk zou worden toegekend, aan de kapiteins had hij instructies gegeven waaraan zij zich te houden hadden hoe wonderlijk zij er ook van mochten opkijken, maatregelen had hij genomen om de matrozen beter eten te verschaffen en in ’t algemeen het lot zoowel van hen als van hun meerderen te verbeteren. Doch.... reeds na twee maanden was Piet Hein gesneuveld, Van Dorp was weer teruggekeerd, en wel zocht men nu de verbetering hierin door aan den Stadhouder een zeer groote macht in de zeezaken te geven, maar in de eerste plaats werd hierdoor alweer de jaloerschheid van andere machten in den staat opgewekt, en in de tweede plaats kon men met den besten wil ter wereld de geldmiddelen, noodig voor het uitrusten van schepen en het beter en regelmatiger betalen van kapiteins en zeevolk en leveranciers van de scheepsbenoodigdheden, niet ruimer doen vloeien.Voor die uitrusting en het betalen der zeelieden moesten de colleges van admiraliteit zorgen. Daarvan waren er maar eventjes vijf in ons land, wat nieterg tot de éénheid van uitrusting medewerkte. Het geld werd gevonden uit de rechten, die geheven werden van de binnenvallende en uitzeilende schepen. Hoe meer koopvaarders nu door de Duinkerkers genomen werden, hoe minder de binnenvallende schepen opbrachten, en, omdat men al meer en meer bevreesd begon te worden om koopvaardijschepen te doen uitzeilen, nam ook de opbrengst met het aantal dier schepen af. Hoe langer hoe meer geld had men noodig, en hoe langer hoe minder werd er opgebracht. Zoo kon men de kapiteins der oorlogsbodems niet regelmatig betalen, en deze kregen niet veel vergoeding door de buitgelden. Want buit was er bij de Duinkerkers niet te halen. Zij hadden geen rijkgeladen koopvaarders, en als men het geluk had van hen een paar schepen te veroveren, waren dat bodems, die voor den oorlog waren uitgerust, dus niet veel opbrachten. Nu zullen we er maar van zwijgen, dat door sommige leden van een admiraliteits-college nog aanzienlijke sommen verdonkeremaand waren geworden. Die lieden werden zwaar gestraft; dus zij, die dat schandelijk voorbeeld wilden volgen, konden er zeker van zijn dat men op hen ongenadig de algemeene ellende verhalen zou.Neen, er moest op andere wijze geld voor de vloot worden verschaft. Konden de admiraliteits-colleges niet meer genoeg opdiepen uit de convoyen en licenten—gelijk men toen de rechten van inkomende en uitgaande schepen geheven gewoon was te noemen—dan moesten de provinciën maar bijspringen.Goed! zeiden die provinciën, beloofden veel, maar.... betaalden voor het meerendeel niet. De provinciën, die niet aan zee gelegen waren en dus dachten in ’t geheel geen belang bij de zeevaart te hebben, bleven het geld, dat zij betalen moesten, doodkalm schuldig. Evenwel, eenige verschooning hadden zij voor deze zonderlinge handelwijze zeker wel bij te brengen. Juist in die jaren was de oorlog te land weder begonnen. Steden werden belegerd en legerscharen werden bij elkaar getrokken, om den Spanjaard in de Zuidelijke Nederlanden te bestoken, waartoe we verplicht waren door een verbond, dat we in ’t jaar 1635 met Frankrijk gesloten hadden. Van dien oorlog te land leden de landprovinciën het meest, en die dachten nu: „wel kom: laten de zeeprovinciën nu maar flink voor de vloot zorgen. Hebbendielast van de Duinkerkers, wij hebben last van allerlei soldaten.” Wat bleef den zeeprovinciën anders over, dan aan eigen verplichtingen te voldoen en te trachten het aandeel der landprovinciën geheel of gedeeltelijk voor te schieten, wat meestal ook maar „betalen” beteekende! Hoe meer nu de zeevaart leed, hoe minder welvarend die zeeprovinciën werden en des te trager vloeiden de bronnen, waaruit men putten kon voor de uitrusting en het onderhoud van de vloot. Zoo kwam men, als bij een cirkel, altijd weer bij het uitgangspunt terecht: de zaken ter zee moesten beter gaan.Als het niet goed gaat in een leger, op een vloot, ja, bij een geheel volk, dan hangt voorzeker wel de verbetering af van de goede gezindheid der soldaten, der zeelieden, der burgers; doch meestal—de geschiedenis toont het herhaaldelijk aan—moeten eerst al die goede gezindheden, die voornemens en plannen als in één brandpunt samen worden gebracht, om plotseling, en tot verrassing van tijdgenoot en nakomeling, als een wijdstralend licht over de wereld heen te schitteren. Tot het licht wendt zich al wat leven heeft, het nietige mugje zoowel als de zichzelf bewuste mensch. Tot den man of de vrouw, die in zich den wil en de kracht van een volk samen voelt komen om ze in daden om te zetten, voelt zich dat volk aangetrokken. De eenvoudige visschersbevolking onzer kustplaatsen en ook de lieden die tot de Heeren behoorden, welke „te wijzen” hadden wat de mindere man zou „prijzen”—drukten het door den kreet: „Een pekbroek aanvoerder van het zeewezen” als bij ingeving uit, dat de uitkomst in al die ellende verwacht werd van één man.Wie zou die man zijn?Tot nu toe had prins Frederik Hendrik jonkheer Van Dorp gehandhaafd. Dat lijkt op het eerste gezicht heel wonderlijk. In zeker opzicht zou men dit gevoelen van den Prins hierdoor kunnen verklaren en zelfs tot op zekere hoogte verontschuldigen door er op te wijzen, dat Frederik Hendrik in de eerste plaats soldaatwas, dat het leger bovenal zijn hart bezat en dat zijn hoofd vol was van allerlei plannen met dat leger te volvoeren of door dat leger te bereiken. Maar aan den anderen kant lag er toch iets flinks in, om niet dadelijk een bevelhebber te laten vallen, die niet gelukkig was. Wat jonkheer Van Dorp was, had hij in ’t jaar 1625 bewezen, toen hij om zijn dapperheid in den zeestrijd tegen die van Rochelle door den Franschen koning tot ridder was verheven, en wanneer men er tegen Frederik Hendrik over sprak, dat Van Dorp de zee niet van de Duinkerkers zuiveren kon, had de Prins schouderophalend geantwoord, dat het al moeilijk ging om een stad van dieven en roovers te zuiveren, hoeveel te meer dan de onbesloten zee! Door de groote macht in zeezaken, welke men den Prins had opgedragen, had men tegelijkertijd een groote verantwoordelijkheid op zijn schouders geladen. Hij was er de man niet naar, om zich die van den hals te schuiven door de schuld op een minder gelukkigen bevelvoerder te werpen en dien op te offeren aan hetgeen de waan van den dag kon zijn. Een Oranje stond daarvoor evenzeer te hoog als een Jan de Wit, die.... later Maerten Harpertsz. Tromp gehandhaafd heeft óók al tegen de ongenade van de meening des volks in. Eerst toen de klachten een vasteren vorm aannamen en tot in de Staten van Holland doordrongen, achtte de Prins het oogenblik gekomen den admiraal los te laten, wiens zelfgevraagd ontslag, benevens dat van denvice-admiraal Liefhebber, door hem werd aangenomen.Maerten Harpertszoon Tromp als Vlootvoogd.Maerten Harpertszoon Tromp als Vlootvoogd.Cornelia Berckhout, zijn derde vrouw.Cornelia Berckhout, zijn derde vrouw.En.... nog eenmaal, wie zou thansdeman zijn, de krachtvolle persoonlijkheid, die niet alleen de bezieling zou weten aan te brengen om de Duinkerkers te verslaan, maar vooral de groote gebreken op onze vloot in het hart zou durven aantasten, de zeekapiteins onder zijn een en eenig gezag, het bootsvolk tot een vooruit bedacht en alleen onder zijn beleid uitgevoerd plan zou brengen? Wie zou het zijn, die niet alleen als een Hercules een Angiasstal te reinigen had, maar ook en vooral voor de toekomst de geniale schepper van het Nederlandsche zeewezen zou worden?In de vergadering der Staten van Holland, gehouden op Vrijdag den 16denOctober 1637, werd besloten, om aan Zijne Hoogheid, die zich in het leger voor Breda bevond, eenige personen voor te dragen ter vervulling van de twee opengevallen ambten, nl. luitenant-admiraal en vice-admiraal van Holland en West-Friesland. Genoemd werden „de Generaels Reael en Speek, Maerten Herpertsz. Tromp, Witte Wittensz., den Heer Nannainck ende Berkhout, midt-gaders den Major Padburgh”.Het stond den Prins vrij bij deze personen nog andere te voegen. Maar, wat den Staten aanging, zij verzochten aan Z. H. „in goede recommandatie te nemen den Persoon van Maerten Herpertsz. Tromp tot Lieutenant-Admirael, en Witte Wittensz. tot Vice-Admirael”, die zij wenschten, dat spoedig tot deze ambtenverheven werden. Maar als mogelijk Z. H. zich daarmee niet kon vereenigen, zoo droegen zij het aan hem voor, of hij niet goed zou vinden Jan Evertsz., die vice-admiraal van Zeeland was, of een ander bekwaam persoon de directie van de weldra uit te rusten vloot op te dragen „om den Vyant daermede te gaen bespringen in de Kanael”.Het antwoord van den Prins is bekend, ook omdat door zijn beslissing een keerpunt ten goede is gekomen in de geschiedenis van ons zeewezen. Nog diezelfde maand werd Maerten Harpertsz. Tromp benoemd tot luitenant-admiraal en Witte Cornelisz. de With tot vice-admiraal. De eenige, die voor Tromp een zeer ernstig tegen-candidaat had kunnen zijn, Laurens Reaal, een man bekend om zijn groote daden ter zee vooral in Oost-Indië, waarover hij zelfs gouverneur-generaal was geweest, een man ook van gezag, omdat hij tot de regenten van Amsterdam behoorde, was kort na de voordracht aan de pest gestorven, welke toen in die stad heerschte, en in niet mindere mate te Leiden, gelijk Nicolaes van Reigersberch uitvoerig in zijn brieven mededeelt.
ZEVENDE HOOFDSTUK.Een jonkheer of een pekbroek.Dat hij nog eens tot zulke groote daden geroepen zou worden, kon wel het allerminst door Maerten Harpertsz. Tromp vermoed worden, toen hij het lijk van den gesneuvelden admiraal, dat in de Oude Kerk te Delft begraven zou worden, naar het vaderland had teruggebracht. Kort daarop toch nam hij zijn ontslag uit den zeedienst, en nu scheen hij zijn verdere leven wel aan wal te zullen slijten. Dat hij zijn ontslag uit ’s lands dienst nam, lag ten deele hier aan, datde Groene Draak, gelijk het admiraalsschip heette, „uit gunst aan een ander gegeven (werd): ’t welk Tromp zoodanig verdroot, dat hij de zee verliet en daarna zeker ambt omtrent zeezaken aan wal bediende.”Wat dat „zeker ambt omtrent zeezaken” was, vernemen wij van twee zijden. In de eerste plaats zegt de meermalen door ons aangehaalde prof. Thysius: „Maer hij is, terwijlen hij uytter Zee was, niet alleen een bloote aanschouwer van ’t lant geweest, maer heeft ook de Zee altijdt voor oogen gehadt ende deDirectie van des Scheeps-timmeragie omtrent de Mase met groote eer ende neerstigheydt byghewoont.”Dit is nog niet heel duidelijk. Gelukkig is er een tweede getuigenis tot ons gekomen, en wel van iemand over wien we eerst iets zeggen moeten, omdat hij ons in dit hoofdstuk een enkele maal wat uit dien tijd mede te deelen zal hebben.Men weet, hoe de geleerde Huig de Groot door middel van een boekenkist uit het kasteel Loevestein ontsnapt is, en hoe in deze aardige gebeurtenis zijn vrouw Maria van Reigersbergen de hand heeft gehad. De Groot was in Parijs gaan wonen, maar omdat zijn gedachten altijd door naar het vaderland teruggingen, bleef hij veel belangstellen in hetgeen daar gebeurde. Daarvan nu werd hij getrouw op de hoogte gehouden door zijn vrouws broeder, wiens naam gewoonlijk als Nicolaes van Reigersberch gespeld wordt. Hij bekleedde in Holland een zeer aanzienlijk ambt en stond voortdurend in briefwisseling met zijn beroemden zwager, een briefwisseling echter die zeer geheim gehouden werd en in geheimschrift plaats had. Eens is er iets van uitgelekt, en dat verwekte al een storm van verontwaardiging. Maar voor ons is het heerlijk om na zooveel jaren een blik in die correspondentie te kunnen slaan, omdat we daarin weer eens op een andere wijze dan dat gewoonlijk in de geschiedboeken voorkomt, over personen en toestanden uit dien tijd hooren spreken en wel door een man, die schier overal vanop de hoogte kon zijn. Wat hij nu over het ambt, dat Tromp te land bekleedde te zeggen heeft, is wel niet veel bijzonders, maar we leeren er toch uit, dat de gewezen zeekapitein te Rotterdam bleef wonen, en dat hij aangesteld was „als directeur over de schepen ten oorloge van Helvoet varende.”Maar over iets anders geeft diezelfde Nicolaes van Reigersberch belangrijker bijzonderheden, en wel over de wijze, waarop zich de nieuwe admiraal, jonkheer Van Dorp, tegenover de Duinkerker kapers verhield. Terwijl deze vlootvoogd zich aldoor maar ophield met zijn scheepsmacht, uit vijftien bodems bestaande, op de Fransche kust, waren de Duinkerker kapers in de maand Augustus van ’t jaar 1635 uit hun havens geloopen en hadden zich naar de Noordzee begeven, waar zij, tot groote ontsteltenis van de bewoners der visschersplaatsen, die vaders, broeders en zonen bij onze haringvloot hadden, een groote schade onder de buizen hadden aangericht. Ja, men vreesde voor erger. Nog meer haringbuizen dreven in het Noorden rond, en de Duinkerkers wachtten eveneens onze walvischvaarders en onze koopvaarders op Moscovië (gelijk men toen Rusland noemde) met des te grooter stoutmoedigheid op, naarmate „de zee zeer ontbloot (was) van haer behoorlijcke defentie”.In zijn brief van 1 September 1635 komt Reigersberch nader op deze gebeurtenis terug. Hij had hooren zeggen, dat de Duinkerkers niet minder dan zestigharingbuizen vernield en zeshonderd Nederlandsche varenslui gevangen genomen hadden. En wat eigenlijk het sterkste bewijs was voor de inderdaad schandelijke manier, waarop onze visschers en koopvaarders, ja zelfs onze kusten, door onze eigen zeemacht onbeschermd werden gelaten, was het feit dat op den 31 Augustus van dat jaar op nog geen mijl afstands zeewaarts in van Westkapelle negentien Duinkerker kaperschepen gelegen hadden. Want—nu eens niet gedacht aan de ontsteltenis, welke door deze ontdekking bij de kustbewoners van het eiland Walcheren werd opgewekt—dat rustig daar liggen van die negentien schepen was wel een bewijs, dat zij van hun strooptocht in het Noorden hadden kunnen terugkeeren, zonder door onze zeemacht in dien terugtocht opgehouden of verhinderd te zijn. De admiraal Van Dorp was eindelijk wel uit het Kanaal de Noordzee ingeloopen; eveneens waren nog wel vijftien à zestien onzer oorlogsschepen uit Texel en ook uit de Maas zee in gestevend; doch de aanwezigheid der Duinkerkers in het Zuidelijk gedeelte der Noordzee op hun terugtocht van het Noorden, bewees helaas ten duidelijkste, dat wij alweer te laat waren gekomen.Hoe kwam toch de toestand van ons zee wezen zoo ellendig? Onze zeelieden waren de beste van de wereld, onze Jantjes streden in Oost en West en volbrachten wonderen van dapperheid—en vlak bij het vaderland zelf kon de marine niet eens de visschers en de koopvaarderstegen de Duinkerker kapers beveiligen! En dat was dezelfde Nederlandsche marine, die over eenige jaren de groote zegepraal bij Duins zou bevechten en een twintigtal jaren later onder Michiel de Ruijter aan de Engelschen de zeeslagen zou leveren, welke schier eenig gebleven zijn in de geschiedenis! De goede elementen waren er dus, maar het ontbrak voornamelijk aan eenheid en aan goede leiding.De zinspreuk der Zeven Vereenigde Nederlanden was, dat Eendracht Macht maakte. Toch bleef een Zeeuw zich Zeeuw gevoelen, terwijl een Hollander weer vond, dat hij een heel ander persoon was dan een Groninger, en een Fries, trotsch op zijn eigenaardigheden, zijn kop niet graag gebroken zou hebben, waar ook hij zich weer iets heel aparts gevoelde. Als de nood aan den man kwam, slingerde zich gelukkig nog al tamelijk spoedig het verbindende koord om de zeven pijlen heen. Maar als het ergste gevaar voorbij was, begonnen de zeven pijlen, de een voor en de andere na, zich te roeren, en wrongen net zoolang, tot het knellende koord een weinig losser begon te zitten.Denk-je, dat een Hollandsch zeekapitein blindelings de bevelen van een Zeeuwsch admiraal geliefde op te volgen? Hij dacht er niet aan! En de Zeeuwsche zeekapiteins, die, omdat Holland nu eenmaal machtiger was en het meest in de melk had te brokken, meestal onder een Luitenant-Admiraal van Holland en West-Friesland moesten staan, deden dat ook al niet meteen geheele overgave van ziel. De gelukkigste oplossing daarvoor is de benoeming van Michiel Adriaansz. de Ruijter geweest, den Luitenant-Admiraal van Holland en West-Friesland voor wien zich de Zeeuwen man voor man hadden willen doodvechten, den eenige ter zelfder tijd, tot wien iedere Hollandsche zeeman met eerbied en vereering opzag.Zoo stond het ten tijde van jonkheer Van Dorp geschapen met den naijver tusschen de verschillende zeelieden van de verschillende provinciën. Doch er kwam nog iets anders bij. De zeekapiteins waren voor het grootste gedeelte opgekomen uit het dappere zeevolk dier tijden, zeerobben, die overal heen gezwalkt waren en de zeevaart werkelijk niet uit een boekje hadden geleerd. Het waren onversaagde lieden, dappere degens, door tallooze gevaren, avonturen en scheepsgevechten mannen geworden, die in een oogenblik van groot gevaar precies wisten hoe ze handelen moesten. Hun lust in hun leven was áánvallen, áánpakken. Dat ging langs de baren als de Noordwester zelf: wie weerstaat hem, wie houdt hem tegen? En lieten zij zich dat niet doen door een vijand, ze lieten zich evenmin de wet voorschrijven door een admiraal.Nu ja, er moest nu eenmaal een hoofd zijn. Maar daarom behoefde hij geen leider te wezen! Waren ze kinderen, zij, die groote, breede, zware zeekapiteins, waaromheen iets wijds en geweldigs heenging, alsof ze veel meer plaats innamen dan een landrot! Bevelen?Welke vrije Fries en Hollander en Zeeuw liet zich dat eigenlijk doen? Als je kajuitsjongen was, werd-je afgeranseld, maar je spartelde terug indien er ten minste een vent in je stak. En als je zoo’n zware, kantige, bruingebrande matroos geworden was, werd-je neergeslagen door d’n ouwe, indien je z’n zin niet deed, en daarmee was het uit, of.... je voelde je één met hem, vloog op z’n commando’s vlug als een aap overal heen in het tuig dier reusachtige masten, omdat het losging tegen den storm of tegen den vijand en d’n ouwe òveral voor stond, en je door het noodweer zou heenhalen of je dwars door den vijand heen zou doen slaan. Die ouwe—hij was de ziel van heel het schip, een kwaaie rakker, zeker, maar die zèlf aan kon pakken; met de eene hand een onbekwamen matroos een veeg om de ooren, maar met de andere hand het voorbeeld kon gevenhoemen werken moest.Maar.... denk-je dat d’n ouwe nu op zijn beurt onder één macht ter wereld wilde staan! Hij zwol er van op, als hij aan zoo iets dacht, en dan was het een heelen dag onweer aan boord van ’t schip. De jongens zagen wel aan zijn gezicht, hoe d’n ouwe het opnam, als van het admiraalsschip geseind werd, dat deze kapitein hier en die kapitein elders heen moest, den vijand aangrijpend op een wijze gelijk de admiraal dat wilde. D’n ouwe hàd geen bevel noodig. Hij wist het zelf wel.... en hij bruiste er op los. Maar omdatieder het liefst op eigen gelegenheid wilde strijden, en, kon het, straks enteren, en vechten man tegen man,... waren de pijlen er wel, maar de samensnoerende band ontbrak. Het tegengestelde gebeurde dan, van wat de vereenigde pijlbundel tot onderschrift had: de tweedracht verstrooide.We hebben nu alleen oog gehad voor die dappere en onversaagde zeekapiteins, gelijk er in onze zeegeschiedenis nog meer vergeten zijn dan er in opgenoemd worden. Er waren evenwel ook andere, wien het minder om de eer dan wel om den buit te doen was—al liet de buit niemand onverschillig—en het liefst van al ter kaapvaart uitgezeild waren. Viel er meer te verliezen dan te winnen, dan zagen zij niet in, waarom zij niet heel verstandig een scheepsstrijd zouden ontwijken. En ook zij bekommerden zich niet bijzonder om de bevelen van den admiraal. Bleek de vijand hun te sterk, dan zagen zij er geen schande in terug te wijken en soms een geheelen zeeslag in verwarring te brengen, gelijk helaas meer dan eens in onze zeegeschiedenis, zelfs in latere jaren, voorgevallen is. Ook waren er kapiteins, die voor hun plezier leefden, zich het liefst bij de kust ophielden en graag een haven opzochten, om daar eens pret te maken; de beruchte landgangers. Het was voor zulk soort kapiteins, en voor de lafaards, die er óók onder hen, gelijk onder elke verzameling menschen, gevonden werden, dat er, volgens de driftige admiraal Witte Corneliszoonde With, geen hout genoeg in Holland groeide om er voor hen galgen van te maken. Maar die onstuimige admiraal Dubbel Wit zat op dit oogenblik nog in Den Briel, waar hij reeder van een haringschuit was geworden, eens naar zijn boomgaard liep om te kijken of soms die satansche kwâjongens alweer appelen en peren gestolen hadden, en tusschen zijn buien van drift en opwinding door, zijn best deed om diaken van de Groote Kerk te worden, wat maar niet lukken wilde. Hij had het, evenmin als Tromp, onder zulke omstandigheden op zee uit kunnen houden. Hij was een van die eerstgemelde zeekapiteins geweest, maar dan een bijzonder ongemakkelijke. En dacht-je, dat hij nu staan wilde onder een man als admiraal Van Dorp?Was hij dan een lafaard, die jonkheer Van Dorp, wien het verbitterd gepeupel van Veere met steenen wierp, aan wien de visscherbevolking van Maassluis en Vlaardingen en Den Briel al de schuld gaf van den ellendigen toestand ter zee?Ik zou dat niet graag willen beweren. Men kan een man van moed en kennis en doorzicht zijn, en toch ongeschikt voor zekeren post. Het ambt van admiraal—Emir al Omra, dat is Heer der Zee—scheen door zijn eigen aanzien en gewicht mede te brengen, dat het ook zeer eigenaardig door een man van aanzien en gewicht bekleed werd. Het lag als ’t ware voor de hand, dat de ruwe zeelui den stuggen kop zeker niet buigen zouden voor een van hun gelijken. Deachting en het ontzag voor een aanzienlijk persoon maken aan den eenen kant het bevelen gemakkelijker en aan den anderen kant het gehoorzamen niet zoo moeilijk. Ware jonkheer Van Dorp van kind af aan op zee geweest, niet voor zijn plezier maar om te leeren door de ervaring, hetzij als scheepsjongen van zijn vader, gelijk Maerten Harpertsz. Tromp, hetzij, zooals later mogelijk was, als adelborst, gelijk de Brielsche burgemeesterszoon Philippus van Almonde bij Michiel de Ruijter—het zou waarschijnlijk niet zoo ellendig gestaan hebben tegenover de Duinkerker kapers. Zijn aanzienlijke afkomst had hem bovendien over die bergen van bezwaren kunnen heentillen, waar Tromp doorheen heeft moeten boren en wroeten. Maar bij die naar pek en teer en zeezout riekende kapiteins stak hij te veel af. Zij wisten meer van den huidigen toestand van het zeemansvak af. Hij maakte fouten, die door de visschers op de haringbuizen, door de halfwassen brasems op het oorlogsschip besproken en belachen werden. En er ging een kreet door de visschersplaatsen en langs de schepen van oorlog, koopvaardij en vischvangst, weldra een kreet door heel het land: een pekbroek hebben we noodig en geen jonkheer!En al luider en dringender werd die kreet. De Duinkerkers toch werden hoe langer hoe driester en brutaler. In de maand Mei van ’t jaar 1637 schreef Nicolaes van Reijgersberch aan den geleerden Grotius, dat de gevreesde kapers zich op onze kusten en vooronze zeegaten hadden vertoond. En dat niet met bescheiden scheepjes, maar zooals op den 19enMei met zeven koningsschepen en 7 fregatten. Die veertien bodems lagen voor Texel voor anker, en.... jonkheer Van Dorp was met twintig schepen in zee om de Duinkerkers op te zoeken, en nergens had hij ze kunnen vinden! Dat zal weer heel wat ontevredenheid baren onder het zeevarende volk, meent Reijgersberch, waarbij nog komt dat de vijand van dag tot dag de gevangen Nederlanders harder begint te behandelen. Vroeger zonden de Duinkerkers een gevangen genomenscheepsjongenom niet naar huis; nu vragen zij maar eventjes honderd gulden voor zoo’n snuiter. Als losgeld voor een bootsman eischen ze tweehonderd en voor een schipper van een vischschuit zeshonderd gulden. De zeemacht der Duinkerkers is al tot ongeveer achttien koningsschepen en tusschen de dertig en veertig fregatten geklommen, en, als het zoo voortgaat, zal dat aantal nog wel vermeerderen. Want—en hier voert de raadsheer iets heel eigenaardigs uit die dagen aan—het bootsvolk gaat dáár heen, waar buit en voordeelen te behalen zijn. Met andere woorden: er gingen een partij Nederlandsche zeelui met pak en zak tot de Duinkerkers over en werden zelf kaper, om het zeevolk van het eigen land aan te vallen, de schepen van het vaderland aan te randen en als het kon uit te plunderen.Welk een toestand!Dat kon toch heusch zoo niet blijven. En eigenlijk was het ergst nog, dat we al een tiental jaren geleden dit óók gezegd hadden. Toen was Van Dorp op zij geschoven en had men „een pekbroek” aan het hoofd onzer vloot geplaatst, Piet Hein, die het van scheepsjongen af tot zulk een hoogte gebracht had. Die had de hooge waardigheid aanvaard op voorwaarde, dat hem een grootere macht dan gewoonlijk zou worden toegekend, aan de kapiteins had hij instructies gegeven waaraan zij zich te houden hadden hoe wonderlijk zij er ook van mochten opkijken, maatregelen had hij genomen om de matrozen beter eten te verschaffen en in ’t algemeen het lot zoowel van hen als van hun meerderen te verbeteren. Doch.... reeds na twee maanden was Piet Hein gesneuveld, Van Dorp was weer teruggekeerd, en wel zocht men nu de verbetering hierin door aan den Stadhouder een zeer groote macht in de zeezaken te geven, maar in de eerste plaats werd hierdoor alweer de jaloerschheid van andere machten in den staat opgewekt, en in de tweede plaats kon men met den besten wil ter wereld de geldmiddelen, noodig voor het uitrusten van schepen en het beter en regelmatiger betalen van kapiteins en zeevolk en leveranciers van de scheepsbenoodigdheden, niet ruimer doen vloeien.Voor die uitrusting en het betalen der zeelieden moesten de colleges van admiraliteit zorgen. Daarvan waren er maar eventjes vijf in ons land, wat nieterg tot de éénheid van uitrusting medewerkte. Het geld werd gevonden uit de rechten, die geheven werden van de binnenvallende en uitzeilende schepen. Hoe meer koopvaarders nu door de Duinkerkers genomen werden, hoe minder de binnenvallende schepen opbrachten, en, omdat men al meer en meer bevreesd begon te worden om koopvaardijschepen te doen uitzeilen, nam ook de opbrengst met het aantal dier schepen af. Hoe langer hoe meer geld had men noodig, en hoe langer hoe minder werd er opgebracht. Zoo kon men de kapiteins der oorlogsbodems niet regelmatig betalen, en deze kregen niet veel vergoeding door de buitgelden. Want buit was er bij de Duinkerkers niet te halen. Zij hadden geen rijkgeladen koopvaarders, en als men het geluk had van hen een paar schepen te veroveren, waren dat bodems, die voor den oorlog waren uitgerust, dus niet veel opbrachten. Nu zullen we er maar van zwijgen, dat door sommige leden van een admiraliteits-college nog aanzienlijke sommen verdonkeremaand waren geworden. Die lieden werden zwaar gestraft; dus zij, die dat schandelijk voorbeeld wilden volgen, konden er zeker van zijn dat men op hen ongenadig de algemeene ellende verhalen zou.Neen, er moest op andere wijze geld voor de vloot worden verschaft. Konden de admiraliteits-colleges niet meer genoeg opdiepen uit de convoyen en licenten—gelijk men toen de rechten van inkomende en uitgaande schepen geheven gewoon was te noemen—dan moesten de provinciën maar bijspringen.Goed! zeiden die provinciën, beloofden veel, maar.... betaalden voor het meerendeel niet. De provinciën, die niet aan zee gelegen waren en dus dachten in ’t geheel geen belang bij de zeevaart te hebben, bleven het geld, dat zij betalen moesten, doodkalm schuldig. Evenwel, eenige verschooning hadden zij voor deze zonderlinge handelwijze zeker wel bij te brengen. Juist in die jaren was de oorlog te land weder begonnen. Steden werden belegerd en legerscharen werden bij elkaar getrokken, om den Spanjaard in de Zuidelijke Nederlanden te bestoken, waartoe we verplicht waren door een verbond, dat we in ’t jaar 1635 met Frankrijk gesloten hadden. Van dien oorlog te land leden de landprovinciën het meest, en die dachten nu: „wel kom: laten de zeeprovinciën nu maar flink voor de vloot zorgen. Hebbendielast van de Duinkerkers, wij hebben last van allerlei soldaten.” Wat bleef den zeeprovinciën anders over, dan aan eigen verplichtingen te voldoen en te trachten het aandeel der landprovinciën geheel of gedeeltelijk voor te schieten, wat meestal ook maar „betalen” beteekende! Hoe meer nu de zeevaart leed, hoe minder welvarend die zeeprovinciën werden en des te trager vloeiden de bronnen, waaruit men putten kon voor de uitrusting en het onderhoud van de vloot. Zoo kwam men, als bij een cirkel, altijd weer bij het uitgangspunt terecht: de zaken ter zee moesten beter gaan.Als het niet goed gaat in een leger, op een vloot, ja, bij een geheel volk, dan hangt voorzeker wel de verbetering af van de goede gezindheid der soldaten, der zeelieden, der burgers; doch meestal—de geschiedenis toont het herhaaldelijk aan—moeten eerst al die goede gezindheden, die voornemens en plannen als in één brandpunt samen worden gebracht, om plotseling, en tot verrassing van tijdgenoot en nakomeling, als een wijdstralend licht over de wereld heen te schitteren. Tot het licht wendt zich al wat leven heeft, het nietige mugje zoowel als de zichzelf bewuste mensch. Tot den man of de vrouw, die in zich den wil en de kracht van een volk samen voelt komen om ze in daden om te zetten, voelt zich dat volk aangetrokken. De eenvoudige visschersbevolking onzer kustplaatsen en ook de lieden die tot de Heeren behoorden, welke „te wijzen” hadden wat de mindere man zou „prijzen”—drukten het door den kreet: „Een pekbroek aanvoerder van het zeewezen” als bij ingeving uit, dat de uitkomst in al die ellende verwacht werd van één man.Wie zou die man zijn?Tot nu toe had prins Frederik Hendrik jonkheer Van Dorp gehandhaafd. Dat lijkt op het eerste gezicht heel wonderlijk. In zeker opzicht zou men dit gevoelen van den Prins hierdoor kunnen verklaren en zelfs tot op zekere hoogte verontschuldigen door er op te wijzen, dat Frederik Hendrik in de eerste plaats soldaatwas, dat het leger bovenal zijn hart bezat en dat zijn hoofd vol was van allerlei plannen met dat leger te volvoeren of door dat leger te bereiken. Maar aan den anderen kant lag er toch iets flinks in, om niet dadelijk een bevelhebber te laten vallen, die niet gelukkig was. Wat jonkheer Van Dorp was, had hij in ’t jaar 1625 bewezen, toen hij om zijn dapperheid in den zeestrijd tegen die van Rochelle door den Franschen koning tot ridder was verheven, en wanneer men er tegen Frederik Hendrik over sprak, dat Van Dorp de zee niet van de Duinkerkers zuiveren kon, had de Prins schouderophalend geantwoord, dat het al moeilijk ging om een stad van dieven en roovers te zuiveren, hoeveel te meer dan de onbesloten zee! Door de groote macht in zeezaken, welke men den Prins had opgedragen, had men tegelijkertijd een groote verantwoordelijkheid op zijn schouders geladen. Hij was er de man niet naar, om zich die van den hals te schuiven door de schuld op een minder gelukkigen bevelvoerder te werpen en dien op te offeren aan hetgeen de waan van den dag kon zijn. Een Oranje stond daarvoor evenzeer te hoog als een Jan de Wit, die.... later Maerten Harpertsz. Tromp gehandhaafd heeft óók al tegen de ongenade van de meening des volks in. Eerst toen de klachten een vasteren vorm aannamen en tot in de Staten van Holland doordrongen, achtte de Prins het oogenblik gekomen den admiraal los te laten, wiens zelfgevraagd ontslag, benevens dat van denvice-admiraal Liefhebber, door hem werd aangenomen.Maerten Harpertszoon Tromp als Vlootvoogd.Maerten Harpertszoon Tromp als Vlootvoogd.Cornelia Berckhout, zijn derde vrouw.Cornelia Berckhout, zijn derde vrouw.En.... nog eenmaal, wie zou thansdeman zijn, de krachtvolle persoonlijkheid, die niet alleen de bezieling zou weten aan te brengen om de Duinkerkers te verslaan, maar vooral de groote gebreken op onze vloot in het hart zou durven aantasten, de zeekapiteins onder zijn een en eenig gezag, het bootsvolk tot een vooruit bedacht en alleen onder zijn beleid uitgevoerd plan zou brengen? Wie zou het zijn, die niet alleen als een Hercules een Angiasstal te reinigen had, maar ook en vooral voor de toekomst de geniale schepper van het Nederlandsche zeewezen zou worden?In de vergadering der Staten van Holland, gehouden op Vrijdag den 16denOctober 1637, werd besloten, om aan Zijne Hoogheid, die zich in het leger voor Breda bevond, eenige personen voor te dragen ter vervulling van de twee opengevallen ambten, nl. luitenant-admiraal en vice-admiraal van Holland en West-Friesland. Genoemd werden „de Generaels Reael en Speek, Maerten Herpertsz. Tromp, Witte Wittensz., den Heer Nannainck ende Berkhout, midt-gaders den Major Padburgh”.Het stond den Prins vrij bij deze personen nog andere te voegen. Maar, wat den Staten aanging, zij verzochten aan Z. H. „in goede recommandatie te nemen den Persoon van Maerten Herpertsz. Tromp tot Lieutenant-Admirael, en Witte Wittensz. tot Vice-Admirael”, die zij wenschten, dat spoedig tot deze ambtenverheven werden. Maar als mogelijk Z. H. zich daarmee niet kon vereenigen, zoo droegen zij het aan hem voor, of hij niet goed zou vinden Jan Evertsz., die vice-admiraal van Zeeland was, of een ander bekwaam persoon de directie van de weldra uit te rusten vloot op te dragen „om den Vyant daermede te gaen bespringen in de Kanael”.Het antwoord van den Prins is bekend, ook omdat door zijn beslissing een keerpunt ten goede is gekomen in de geschiedenis van ons zeewezen. Nog diezelfde maand werd Maerten Harpertsz. Tromp benoemd tot luitenant-admiraal en Witte Cornelisz. de With tot vice-admiraal. De eenige, die voor Tromp een zeer ernstig tegen-candidaat had kunnen zijn, Laurens Reaal, een man bekend om zijn groote daden ter zee vooral in Oost-Indië, waarover hij zelfs gouverneur-generaal was geweest, een man ook van gezag, omdat hij tot de regenten van Amsterdam behoorde, was kort na de voordracht aan de pest gestorven, welke toen in die stad heerschte, en in niet mindere mate te Leiden, gelijk Nicolaes van Reigersberch uitvoerig in zijn brieven mededeelt.
ZEVENDE HOOFDSTUK.Een jonkheer of een pekbroek.
Dat hij nog eens tot zulke groote daden geroepen zou worden, kon wel het allerminst door Maerten Harpertsz. Tromp vermoed worden, toen hij het lijk van den gesneuvelden admiraal, dat in de Oude Kerk te Delft begraven zou worden, naar het vaderland had teruggebracht. Kort daarop toch nam hij zijn ontslag uit den zeedienst, en nu scheen hij zijn verdere leven wel aan wal te zullen slijten. Dat hij zijn ontslag uit ’s lands dienst nam, lag ten deele hier aan, datde Groene Draak, gelijk het admiraalsschip heette, „uit gunst aan een ander gegeven (werd): ’t welk Tromp zoodanig verdroot, dat hij de zee verliet en daarna zeker ambt omtrent zeezaken aan wal bediende.”Wat dat „zeker ambt omtrent zeezaken” was, vernemen wij van twee zijden. In de eerste plaats zegt de meermalen door ons aangehaalde prof. Thysius: „Maer hij is, terwijlen hij uytter Zee was, niet alleen een bloote aanschouwer van ’t lant geweest, maer heeft ook de Zee altijdt voor oogen gehadt ende deDirectie van des Scheeps-timmeragie omtrent de Mase met groote eer ende neerstigheydt byghewoont.”Dit is nog niet heel duidelijk. Gelukkig is er een tweede getuigenis tot ons gekomen, en wel van iemand over wien we eerst iets zeggen moeten, omdat hij ons in dit hoofdstuk een enkele maal wat uit dien tijd mede te deelen zal hebben.Men weet, hoe de geleerde Huig de Groot door middel van een boekenkist uit het kasteel Loevestein ontsnapt is, en hoe in deze aardige gebeurtenis zijn vrouw Maria van Reigersbergen de hand heeft gehad. De Groot was in Parijs gaan wonen, maar omdat zijn gedachten altijd door naar het vaderland teruggingen, bleef hij veel belangstellen in hetgeen daar gebeurde. Daarvan nu werd hij getrouw op de hoogte gehouden door zijn vrouws broeder, wiens naam gewoonlijk als Nicolaes van Reigersberch gespeld wordt. Hij bekleedde in Holland een zeer aanzienlijk ambt en stond voortdurend in briefwisseling met zijn beroemden zwager, een briefwisseling echter die zeer geheim gehouden werd en in geheimschrift plaats had. Eens is er iets van uitgelekt, en dat verwekte al een storm van verontwaardiging. Maar voor ons is het heerlijk om na zooveel jaren een blik in die correspondentie te kunnen slaan, omdat we daarin weer eens op een andere wijze dan dat gewoonlijk in de geschiedboeken voorkomt, over personen en toestanden uit dien tijd hooren spreken en wel door een man, die schier overal vanop de hoogte kon zijn. Wat hij nu over het ambt, dat Tromp te land bekleedde te zeggen heeft, is wel niet veel bijzonders, maar we leeren er toch uit, dat de gewezen zeekapitein te Rotterdam bleef wonen, en dat hij aangesteld was „als directeur over de schepen ten oorloge van Helvoet varende.”Maar over iets anders geeft diezelfde Nicolaes van Reigersberch belangrijker bijzonderheden, en wel over de wijze, waarop zich de nieuwe admiraal, jonkheer Van Dorp, tegenover de Duinkerker kapers verhield. Terwijl deze vlootvoogd zich aldoor maar ophield met zijn scheepsmacht, uit vijftien bodems bestaande, op de Fransche kust, waren de Duinkerker kapers in de maand Augustus van ’t jaar 1635 uit hun havens geloopen en hadden zich naar de Noordzee begeven, waar zij, tot groote ontsteltenis van de bewoners der visschersplaatsen, die vaders, broeders en zonen bij onze haringvloot hadden, een groote schade onder de buizen hadden aangericht. Ja, men vreesde voor erger. Nog meer haringbuizen dreven in het Noorden rond, en de Duinkerkers wachtten eveneens onze walvischvaarders en onze koopvaarders op Moscovië (gelijk men toen Rusland noemde) met des te grooter stoutmoedigheid op, naarmate „de zee zeer ontbloot (was) van haer behoorlijcke defentie”.In zijn brief van 1 September 1635 komt Reigersberch nader op deze gebeurtenis terug. Hij had hooren zeggen, dat de Duinkerkers niet minder dan zestigharingbuizen vernield en zeshonderd Nederlandsche varenslui gevangen genomen hadden. En wat eigenlijk het sterkste bewijs was voor de inderdaad schandelijke manier, waarop onze visschers en koopvaarders, ja zelfs onze kusten, door onze eigen zeemacht onbeschermd werden gelaten, was het feit dat op den 31 Augustus van dat jaar op nog geen mijl afstands zeewaarts in van Westkapelle negentien Duinkerker kaperschepen gelegen hadden. Want—nu eens niet gedacht aan de ontsteltenis, welke door deze ontdekking bij de kustbewoners van het eiland Walcheren werd opgewekt—dat rustig daar liggen van die negentien schepen was wel een bewijs, dat zij van hun strooptocht in het Noorden hadden kunnen terugkeeren, zonder door onze zeemacht in dien terugtocht opgehouden of verhinderd te zijn. De admiraal Van Dorp was eindelijk wel uit het Kanaal de Noordzee ingeloopen; eveneens waren nog wel vijftien à zestien onzer oorlogsschepen uit Texel en ook uit de Maas zee in gestevend; doch de aanwezigheid der Duinkerkers in het Zuidelijk gedeelte der Noordzee op hun terugtocht van het Noorden, bewees helaas ten duidelijkste, dat wij alweer te laat waren gekomen.Hoe kwam toch de toestand van ons zee wezen zoo ellendig? Onze zeelieden waren de beste van de wereld, onze Jantjes streden in Oost en West en volbrachten wonderen van dapperheid—en vlak bij het vaderland zelf kon de marine niet eens de visschers en de koopvaarderstegen de Duinkerker kapers beveiligen! En dat was dezelfde Nederlandsche marine, die over eenige jaren de groote zegepraal bij Duins zou bevechten en een twintigtal jaren later onder Michiel de Ruijter aan de Engelschen de zeeslagen zou leveren, welke schier eenig gebleven zijn in de geschiedenis! De goede elementen waren er dus, maar het ontbrak voornamelijk aan eenheid en aan goede leiding.De zinspreuk der Zeven Vereenigde Nederlanden was, dat Eendracht Macht maakte. Toch bleef een Zeeuw zich Zeeuw gevoelen, terwijl een Hollander weer vond, dat hij een heel ander persoon was dan een Groninger, en een Fries, trotsch op zijn eigenaardigheden, zijn kop niet graag gebroken zou hebben, waar ook hij zich weer iets heel aparts gevoelde. Als de nood aan den man kwam, slingerde zich gelukkig nog al tamelijk spoedig het verbindende koord om de zeven pijlen heen. Maar als het ergste gevaar voorbij was, begonnen de zeven pijlen, de een voor en de andere na, zich te roeren, en wrongen net zoolang, tot het knellende koord een weinig losser begon te zitten.Denk-je, dat een Hollandsch zeekapitein blindelings de bevelen van een Zeeuwsch admiraal geliefde op te volgen? Hij dacht er niet aan! En de Zeeuwsche zeekapiteins, die, omdat Holland nu eenmaal machtiger was en het meest in de melk had te brokken, meestal onder een Luitenant-Admiraal van Holland en West-Friesland moesten staan, deden dat ook al niet meteen geheele overgave van ziel. De gelukkigste oplossing daarvoor is de benoeming van Michiel Adriaansz. de Ruijter geweest, den Luitenant-Admiraal van Holland en West-Friesland voor wien zich de Zeeuwen man voor man hadden willen doodvechten, den eenige ter zelfder tijd, tot wien iedere Hollandsche zeeman met eerbied en vereering opzag.Zoo stond het ten tijde van jonkheer Van Dorp geschapen met den naijver tusschen de verschillende zeelieden van de verschillende provinciën. Doch er kwam nog iets anders bij. De zeekapiteins waren voor het grootste gedeelte opgekomen uit het dappere zeevolk dier tijden, zeerobben, die overal heen gezwalkt waren en de zeevaart werkelijk niet uit een boekje hadden geleerd. Het waren onversaagde lieden, dappere degens, door tallooze gevaren, avonturen en scheepsgevechten mannen geworden, die in een oogenblik van groot gevaar precies wisten hoe ze handelen moesten. Hun lust in hun leven was áánvallen, áánpakken. Dat ging langs de baren als de Noordwester zelf: wie weerstaat hem, wie houdt hem tegen? En lieten zij zich dat niet doen door een vijand, ze lieten zich evenmin de wet voorschrijven door een admiraal.Nu ja, er moest nu eenmaal een hoofd zijn. Maar daarom behoefde hij geen leider te wezen! Waren ze kinderen, zij, die groote, breede, zware zeekapiteins, waaromheen iets wijds en geweldigs heenging, alsof ze veel meer plaats innamen dan een landrot! Bevelen?Welke vrije Fries en Hollander en Zeeuw liet zich dat eigenlijk doen? Als je kajuitsjongen was, werd-je afgeranseld, maar je spartelde terug indien er ten minste een vent in je stak. En als je zoo’n zware, kantige, bruingebrande matroos geworden was, werd-je neergeslagen door d’n ouwe, indien je z’n zin niet deed, en daarmee was het uit, of.... je voelde je één met hem, vloog op z’n commando’s vlug als een aap overal heen in het tuig dier reusachtige masten, omdat het losging tegen den storm of tegen den vijand en d’n ouwe òveral voor stond, en je door het noodweer zou heenhalen of je dwars door den vijand heen zou doen slaan. Die ouwe—hij was de ziel van heel het schip, een kwaaie rakker, zeker, maar die zèlf aan kon pakken; met de eene hand een onbekwamen matroos een veeg om de ooren, maar met de andere hand het voorbeeld kon gevenhoemen werken moest.Maar.... denk-je dat d’n ouwe nu op zijn beurt onder één macht ter wereld wilde staan! Hij zwol er van op, als hij aan zoo iets dacht, en dan was het een heelen dag onweer aan boord van ’t schip. De jongens zagen wel aan zijn gezicht, hoe d’n ouwe het opnam, als van het admiraalsschip geseind werd, dat deze kapitein hier en die kapitein elders heen moest, den vijand aangrijpend op een wijze gelijk de admiraal dat wilde. D’n ouwe hàd geen bevel noodig. Hij wist het zelf wel.... en hij bruiste er op los. Maar omdatieder het liefst op eigen gelegenheid wilde strijden, en, kon het, straks enteren, en vechten man tegen man,... waren de pijlen er wel, maar de samensnoerende band ontbrak. Het tegengestelde gebeurde dan, van wat de vereenigde pijlbundel tot onderschrift had: de tweedracht verstrooide.We hebben nu alleen oog gehad voor die dappere en onversaagde zeekapiteins, gelijk er in onze zeegeschiedenis nog meer vergeten zijn dan er in opgenoemd worden. Er waren evenwel ook andere, wien het minder om de eer dan wel om den buit te doen was—al liet de buit niemand onverschillig—en het liefst van al ter kaapvaart uitgezeild waren. Viel er meer te verliezen dan te winnen, dan zagen zij niet in, waarom zij niet heel verstandig een scheepsstrijd zouden ontwijken. En ook zij bekommerden zich niet bijzonder om de bevelen van den admiraal. Bleek de vijand hun te sterk, dan zagen zij er geen schande in terug te wijken en soms een geheelen zeeslag in verwarring te brengen, gelijk helaas meer dan eens in onze zeegeschiedenis, zelfs in latere jaren, voorgevallen is. Ook waren er kapiteins, die voor hun plezier leefden, zich het liefst bij de kust ophielden en graag een haven opzochten, om daar eens pret te maken; de beruchte landgangers. Het was voor zulk soort kapiteins, en voor de lafaards, die er óók onder hen, gelijk onder elke verzameling menschen, gevonden werden, dat er, volgens de driftige admiraal Witte Corneliszoonde With, geen hout genoeg in Holland groeide om er voor hen galgen van te maken. Maar die onstuimige admiraal Dubbel Wit zat op dit oogenblik nog in Den Briel, waar hij reeder van een haringschuit was geworden, eens naar zijn boomgaard liep om te kijken of soms die satansche kwâjongens alweer appelen en peren gestolen hadden, en tusschen zijn buien van drift en opwinding door, zijn best deed om diaken van de Groote Kerk te worden, wat maar niet lukken wilde. Hij had het, evenmin als Tromp, onder zulke omstandigheden op zee uit kunnen houden. Hij was een van die eerstgemelde zeekapiteins geweest, maar dan een bijzonder ongemakkelijke. En dacht-je, dat hij nu staan wilde onder een man als admiraal Van Dorp?Was hij dan een lafaard, die jonkheer Van Dorp, wien het verbitterd gepeupel van Veere met steenen wierp, aan wien de visscherbevolking van Maassluis en Vlaardingen en Den Briel al de schuld gaf van den ellendigen toestand ter zee?Ik zou dat niet graag willen beweren. Men kan een man van moed en kennis en doorzicht zijn, en toch ongeschikt voor zekeren post. Het ambt van admiraal—Emir al Omra, dat is Heer der Zee—scheen door zijn eigen aanzien en gewicht mede te brengen, dat het ook zeer eigenaardig door een man van aanzien en gewicht bekleed werd. Het lag als ’t ware voor de hand, dat de ruwe zeelui den stuggen kop zeker niet buigen zouden voor een van hun gelijken. Deachting en het ontzag voor een aanzienlijk persoon maken aan den eenen kant het bevelen gemakkelijker en aan den anderen kant het gehoorzamen niet zoo moeilijk. Ware jonkheer Van Dorp van kind af aan op zee geweest, niet voor zijn plezier maar om te leeren door de ervaring, hetzij als scheepsjongen van zijn vader, gelijk Maerten Harpertsz. Tromp, hetzij, zooals later mogelijk was, als adelborst, gelijk de Brielsche burgemeesterszoon Philippus van Almonde bij Michiel de Ruijter—het zou waarschijnlijk niet zoo ellendig gestaan hebben tegenover de Duinkerker kapers. Zijn aanzienlijke afkomst had hem bovendien over die bergen van bezwaren kunnen heentillen, waar Tromp doorheen heeft moeten boren en wroeten. Maar bij die naar pek en teer en zeezout riekende kapiteins stak hij te veel af. Zij wisten meer van den huidigen toestand van het zeemansvak af. Hij maakte fouten, die door de visschers op de haringbuizen, door de halfwassen brasems op het oorlogsschip besproken en belachen werden. En er ging een kreet door de visschersplaatsen en langs de schepen van oorlog, koopvaardij en vischvangst, weldra een kreet door heel het land: een pekbroek hebben we noodig en geen jonkheer!En al luider en dringender werd die kreet. De Duinkerkers toch werden hoe langer hoe driester en brutaler. In de maand Mei van ’t jaar 1637 schreef Nicolaes van Reijgersberch aan den geleerden Grotius, dat de gevreesde kapers zich op onze kusten en vooronze zeegaten hadden vertoond. En dat niet met bescheiden scheepjes, maar zooals op den 19enMei met zeven koningsschepen en 7 fregatten. Die veertien bodems lagen voor Texel voor anker, en.... jonkheer Van Dorp was met twintig schepen in zee om de Duinkerkers op te zoeken, en nergens had hij ze kunnen vinden! Dat zal weer heel wat ontevredenheid baren onder het zeevarende volk, meent Reijgersberch, waarbij nog komt dat de vijand van dag tot dag de gevangen Nederlanders harder begint te behandelen. Vroeger zonden de Duinkerkers een gevangen genomenscheepsjongenom niet naar huis; nu vragen zij maar eventjes honderd gulden voor zoo’n snuiter. Als losgeld voor een bootsman eischen ze tweehonderd en voor een schipper van een vischschuit zeshonderd gulden. De zeemacht der Duinkerkers is al tot ongeveer achttien koningsschepen en tusschen de dertig en veertig fregatten geklommen, en, als het zoo voortgaat, zal dat aantal nog wel vermeerderen. Want—en hier voert de raadsheer iets heel eigenaardigs uit die dagen aan—het bootsvolk gaat dáár heen, waar buit en voordeelen te behalen zijn. Met andere woorden: er gingen een partij Nederlandsche zeelui met pak en zak tot de Duinkerkers over en werden zelf kaper, om het zeevolk van het eigen land aan te vallen, de schepen van het vaderland aan te randen en als het kon uit te plunderen.Welk een toestand!Dat kon toch heusch zoo niet blijven. En eigenlijk was het ergst nog, dat we al een tiental jaren geleden dit óók gezegd hadden. Toen was Van Dorp op zij geschoven en had men „een pekbroek” aan het hoofd onzer vloot geplaatst, Piet Hein, die het van scheepsjongen af tot zulk een hoogte gebracht had. Die had de hooge waardigheid aanvaard op voorwaarde, dat hem een grootere macht dan gewoonlijk zou worden toegekend, aan de kapiteins had hij instructies gegeven waaraan zij zich te houden hadden hoe wonderlijk zij er ook van mochten opkijken, maatregelen had hij genomen om de matrozen beter eten te verschaffen en in ’t algemeen het lot zoowel van hen als van hun meerderen te verbeteren. Doch.... reeds na twee maanden was Piet Hein gesneuveld, Van Dorp was weer teruggekeerd, en wel zocht men nu de verbetering hierin door aan den Stadhouder een zeer groote macht in de zeezaken te geven, maar in de eerste plaats werd hierdoor alweer de jaloerschheid van andere machten in den staat opgewekt, en in de tweede plaats kon men met den besten wil ter wereld de geldmiddelen, noodig voor het uitrusten van schepen en het beter en regelmatiger betalen van kapiteins en zeevolk en leveranciers van de scheepsbenoodigdheden, niet ruimer doen vloeien.Voor die uitrusting en het betalen der zeelieden moesten de colleges van admiraliteit zorgen. Daarvan waren er maar eventjes vijf in ons land, wat nieterg tot de éénheid van uitrusting medewerkte. Het geld werd gevonden uit de rechten, die geheven werden van de binnenvallende en uitzeilende schepen. Hoe meer koopvaarders nu door de Duinkerkers genomen werden, hoe minder de binnenvallende schepen opbrachten, en, omdat men al meer en meer bevreesd begon te worden om koopvaardijschepen te doen uitzeilen, nam ook de opbrengst met het aantal dier schepen af. Hoe langer hoe meer geld had men noodig, en hoe langer hoe minder werd er opgebracht. Zoo kon men de kapiteins der oorlogsbodems niet regelmatig betalen, en deze kregen niet veel vergoeding door de buitgelden. Want buit was er bij de Duinkerkers niet te halen. Zij hadden geen rijkgeladen koopvaarders, en als men het geluk had van hen een paar schepen te veroveren, waren dat bodems, die voor den oorlog waren uitgerust, dus niet veel opbrachten. Nu zullen we er maar van zwijgen, dat door sommige leden van een admiraliteits-college nog aanzienlijke sommen verdonkeremaand waren geworden. Die lieden werden zwaar gestraft; dus zij, die dat schandelijk voorbeeld wilden volgen, konden er zeker van zijn dat men op hen ongenadig de algemeene ellende verhalen zou.Neen, er moest op andere wijze geld voor de vloot worden verschaft. Konden de admiraliteits-colleges niet meer genoeg opdiepen uit de convoyen en licenten—gelijk men toen de rechten van inkomende en uitgaande schepen geheven gewoon was te noemen—dan moesten de provinciën maar bijspringen.Goed! zeiden die provinciën, beloofden veel, maar.... betaalden voor het meerendeel niet. De provinciën, die niet aan zee gelegen waren en dus dachten in ’t geheel geen belang bij de zeevaart te hebben, bleven het geld, dat zij betalen moesten, doodkalm schuldig. Evenwel, eenige verschooning hadden zij voor deze zonderlinge handelwijze zeker wel bij te brengen. Juist in die jaren was de oorlog te land weder begonnen. Steden werden belegerd en legerscharen werden bij elkaar getrokken, om den Spanjaard in de Zuidelijke Nederlanden te bestoken, waartoe we verplicht waren door een verbond, dat we in ’t jaar 1635 met Frankrijk gesloten hadden. Van dien oorlog te land leden de landprovinciën het meest, en die dachten nu: „wel kom: laten de zeeprovinciën nu maar flink voor de vloot zorgen. Hebbendielast van de Duinkerkers, wij hebben last van allerlei soldaten.” Wat bleef den zeeprovinciën anders over, dan aan eigen verplichtingen te voldoen en te trachten het aandeel der landprovinciën geheel of gedeeltelijk voor te schieten, wat meestal ook maar „betalen” beteekende! Hoe meer nu de zeevaart leed, hoe minder welvarend die zeeprovinciën werden en des te trager vloeiden de bronnen, waaruit men putten kon voor de uitrusting en het onderhoud van de vloot. Zoo kwam men, als bij een cirkel, altijd weer bij het uitgangspunt terecht: de zaken ter zee moesten beter gaan.Als het niet goed gaat in een leger, op een vloot, ja, bij een geheel volk, dan hangt voorzeker wel de verbetering af van de goede gezindheid der soldaten, der zeelieden, der burgers; doch meestal—de geschiedenis toont het herhaaldelijk aan—moeten eerst al die goede gezindheden, die voornemens en plannen als in één brandpunt samen worden gebracht, om plotseling, en tot verrassing van tijdgenoot en nakomeling, als een wijdstralend licht over de wereld heen te schitteren. Tot het licht wendt zich al wat leven heeft, het nietige mugje zoowel als de zichzelf bewuste mensch. Tot den man of de vrouw, die in zich den wil en de kracht van een volk samen voelt komen om ze in daden om te zetten, voelt zich dat volk aangetrokken. De eenvoudige visschersbevolking onzer kustplaatsen en ook de lieden die tot de Heeren behoorden, welke „te wijzen” hadden wat de mindere man zou „prijzen”—drukten het door den kreet: „Een pekbroek aanvoerder van het zeewezen” als bij ingeving uit, dat de uitkomst in al die ellende verwacht werd van één man.Wie zou die man zijn?Tot nu toe had prins Frederik Hendrik jonkheer Van Dorp gehandhaafd. Dat lijkt op het eerste gezicht heel wonderlijk. In zeker opzicht zou men dit gevoelen van den Prins hierdoor kunnen verklaren en zelfs tot op zekere hoogte verontschuldigen door er op te wijzen, dat Frederik Hendrik in de eerste plaats soldaatwas, dat het leger bovenal zijn hart bezat en dat zijn hoofd vol was van allerlei plannen met dat leger te volvoeren of door dat leger te bereiken. Maar aan den anderen kant lag er toch iets flinks in, om niet dadelijk een bevelhebber te laten vallen, die niet gelukkig was. Wat jonkheer Van Dorp was, had hij in ’t jaar 1625 bewezen, toen hij om zijn dapperheid in den zeestrijd tegen die van Rochelle door den Franschen koning tot ridder was verheven, en wanneer men er tegen Frederik Hendrik over sprak, dat Van Dorp de zee niet van de Duinkerkers zuiveren kon, had de Prins schouderophalend geantwoord, dat het al moeilijk ging om een stad van dieven en roovers te zuiveren, hoeveel te meer dan de onbesloten zee! Door de groote macht in zeezaken, welke men den Prins had opgedragen, had men tegelijkertijd een groote verantwoordelijkheid op zijn schouders geladen. Hij was er de man niet naar, om zich die van den hals te schuiven door de schuld op een minder gelukkigen bevelvoerder te werpen en dien op te offeren aan hetgeen de waan van den dag kon zijn. Een Oranje stond daarvoor evenzeer te hoog als een Jan de Wit, die.... later Maerten Harpertsz. Tromp gehandhaafd heeft óók al tegen de ongenade van de meening des volks in. Eerst toen de klachten een vasteren vorm aannamen en tot in de Staten van Holland doordrongen, achtte de Prins het oogenblik gekomen den admiraal los te laten, wiens zelfgevraagd ontslag, benevens dat van denvice-admiraal Liefhebber, door hem werd aangenomen.Maerten Harpertszoon Tromp als Vlootvoogd.Maerten Harpertszoon Tromp als Vlootvoogd.Cornelia Berckhout, zijn derde vrouw.Cornelia Berckhout, zijn derde vrouw.En.... nog eenmaal, wie zou thansdeman zijn, de krachtvolle persoonlijkheid, die niet alleen de bezieling zou weten aan te brengen om de Duinkerkers te verslaan, maar vooral de groote gebreken op onze vloot in het hart zou durven aantasten, de zeekapiteins onder zijn een en eenig gezag, het bootsvolk tot een vooruit bedacht en alleen onder zijn beleid uitgevoerd plan zou brengen? Wie zou het zijn, die niet alleen als een Hercules een Angiasstal te reinigen had, maar ook en vooral voor de toekomst de geniale schepper van het Nederlandsche zeewezen zou worden?In de vergadering der Staten van Holland, gehouden op Vrijdag den 16denOctober 1637, werd besloten, om aan Zijne Hoogheid, die zich in het leger voor Breda bevond, eenige personen voor te dragen ter vervulling van de twee opengevallen ambten, nl. luitenant-admiraal en vice-admiraal van Holland en West-Friesland. Genoemd werden „de Generaels Reael en Speek, Maerten Herpertsz. Tromp, Witte Wittensz., den Heer Nannainck ende Berkhout, midt-gaders den Major Padburgh”.Het stond den Prins vrij bij deze personen nog andere te voegen. Maar, wat den Staten aanging, zij verzochten aan Z. H. „in goede recommandatie te nemen den Persoon van Maerten Herpertsz. Tromp tot Lieutenant-Admirael, en Witte Wittensz. tot Vice-Admirael”, die zij wenschten, dat spoedig tot deze ambtenverheven werden. Maar als mogelijk Z. H. zich daarmee niet kon vereenigen, zoo droegen zij het aan hem voor, of hij niet goed zou vinden Jan Evertsz., die vice-admiraal van Zeeland was, of een ander bekwaam persoon de directie van de weldra uit te rusten vloot op te dragen „om den Vyant daermede te gaen bespringen in de Kanael”.Het antwoord van den Prins is bekend, ook omdat door zijn beslissing een keerpunt ten goede is gekomen in de geschiedenis van ons zeewezen. Nog diezelfde maand werd Maerten Harpertsz. Tromp benoemd tot luitenant-admiraal en Witte Cornelisz. de With tot vice-admiraal. De eenige, die voor Tromp een zeer ernstig tegen-candidaat had kunnen zijn, Laurens Reaal, een man bekend om zijn groote daden ter zee vooral in Oost-Indië, waarover hij zelfs gouverneur-generaal was geweest, een man ook van gezag, omdat hij tot de regenten van Amsterdam behoorde, was kort na de voordracht aan de pest gestorven, welke toen in die stad heerschte, en in niet mindere mate te Leiden, gelijk Nicolaes van Reigersberch uitvoerig in zijn brieven mededeelt.
Dat hij nog eens tot zulke groote daden geroepen zou worden, kon wel het allerminst door Maerten Harpertsz. Tromp vermoed worden, toen hij het lijk van den gesneuvelden admiraal, dat in de Oude Kerk te Delft begraven zou worden, naar het vaderland had teruggebracht. Kort daarop toch nam hij zijn ontslag uit den zeedienst, en nu scheen hij zijn verdere leven wel aan wal te zullen slijten. Dat hij zijn ontslag uit ’s lands dienst nam, lag ten deele hier aan, datde Groene Draak, gelijk het admiraalsschip heette, „uit gunst aan een ander gegeven (werd): ’t welk Tromp zoodanig verdroot, dat hij de zee verliet en daarna zeker ambt omtrent zeezaken aan wal bediende.”
Wat dat „zeker ambt omtrent zeezaken” was, vernemen wij van twee zijden. In de eerste plaats zegt de meermalen door ons aangehaalde prof. Thysius: „Maer hij is, terwijlen hij uytter Zee was, niet alleen een bloote aanschouwer van ’t lant geweest, maer heeft ook de Zee altijdt voor oogen gehadt ende deDirectie van des Scheeps-timmeragie omtrent de Mase met groote eer ende neerstigheydt byghewoont.”
Dit is nog niet heel duidelijk. Gelukkig is er een tweede getuigenis tot ons gekomen, en wel van iemand over wien we eerst iets zeggen moeten, omdat hij ons in dit hoofdstuk een enkele maal wat uit dien tijd mede te deelen zal hebben.
Men weet, hoe de geleerde Huig de Groot door middel van een boekenkist uit het kasteel Loevestein ontsnapt is, en hoe in deze aardige gebeurtenis zijn vrouw Maria van Reigersbergen de hand heeft gehad. De Groot was in Parijs gaan wonen, maar omdat zijn gedachten altijd door naar het vaderland teruggingen, bleef hij veel belangstellen in hetgeen daar gebeurde. Daarvan nu werd hij getrouw op de hoogte gehouden door zijn vrouws broeder, wiens naam gewoonlijk als Nicolaes van Reigersberch gespeld wordt. Hij bekleedde in Holland een zeer aanzienlijk ambt en stond voortdurend in briefwisseling met zijn beroemden zwager, een briefwisseling echter die zeer geheim gehouden werd en in geheimschrift plaats had. Eens is er iets van uitgelekt, en dat verwekte al een storm van verontwaardiging. Maar voor ons is het heerlijk om na zooveel jaren een blik in die correspondentie te kunnen slaan, omdat we daarin weer eens op een andere wijze dan dat gewoonlijk in de geschiedboeken voorkomt, over personen en toestanden uit dien tijd hooren spreken en wel door een man, die schier overal vanop de hoogte kon zijn. Wat hij nu over het ambt, dat Tromp te land bekleedde te zeggen heeft, is wel niet veel bijzonders, maar we leeren er toch uit, dat de gewezen zeekapitein te Rotterdam bleef wonen, en dat hij aangesteld was „als directeur over de schepen ten oorloge van Helvoet varende.”
Maar over iets anders geeft diezelfde Nicolaes van Reigersberch belangrijker bijzonderheden, en wel over de wijze, waarop zich de nieuwe admiraal, jonkheer Van Dorp, tegenover de Duinkerker kapers verhield. Terwijl deze vlootvoogd zich aldoor maar ophield met zijn scheepsmacht, uit vijftien bodems bestaande, op de Fransche kust, waren de Duinkerker kapers in de maand Augustus van ’t jaar 1635 uit hun havens geloopen en hadden zich naar de Noordzee begeven, waar zij, tot groote ontsteltenis van de bewoners der visschersplaatsen, die vaders, broeders en zonen bij onze haringvloot hadden, een groote schade onder de buizen hadden aangericht. Ja, men vreesde voor erger. Nog meer haringbuizen dreven in het Noorden rond, en de Duinkerkers wachtten eveneens onze walvischvaarders en onze koopvaarders op Moscovië (gelijk men toen Rusland noemde) met des te grooter stoutmoedigheid op, naarmate „de zee zeer ontbloot (was) van haer behoorlijcke defentie”.
In zijn brief van 1 September 1635 komt Reigersberch nader op deze gebeurtenis terug. Hij had hooren zeggen, dat de Duinkerkers niet minder dan zestigharingbuizen vernield en zeshonderd Nederlandsche varenslui gevangen genomen hadden. En wat eigenlijk het sterkste bewijs was voor de inderdaad schandelijke manier, waarop onze visschers en koopvaarders, ja zelfs onze kusten, door onze eigen zeemacht onbeschermd werden gelaten, was het feit dat op den 31 Augustus van dat jaar op nog geen mijl afstands zeewaarts in van Westkapelle negentien Duinkerker kaperschepen gelegen hadden. Want—nu eens niet gedacht aan de ontsteltenis, welke door deze ontdekking bij de kustbewoners van het eiland Walcheren werd opgewekt—dat rustig daar liggen van die negentien schepen was wel een bewijs, dat zij van hun strooptocht in het Noorden hadden kunnen terugkeeren, zonder door onze zeemacht in dien terugtocht opgehouden of verhinderd te zijn. De admiraal Van Dorp was eindelijk wel uit het Kanaal de Noordzee ingeloopen; eveneens waren nog wel vijftien à zestien onzer oorlogsschepen uit Texel en ook uit de Maas zee in gestevend; doch de aanwezigheid der Duinkerkers in het Zuidelijk gedeelte der Noordzee op hun terugtocht van het Noorden, bewees helaas ten duidelijkste, dat wij alweer te laat waren gekomen.
Hoe kwam toch de toestand van ons zee wezen zoo ellendig? Onze zeelieden waren de beste van de wereld, onze Jantjes streden in Oost en West en volbrachten wonderen van dapperheid—en vlak bij het vaderland zelf kon de marine niet eens de visschers en de koopvaarderstegen de Duinkerker kapers beveiligen! En dat was dezelfde Nederlandsche marine, die over eenige jaren de groote zegepraal bij Duins zou bevechten en een twintigtal jaren later onder Michiel de Ruijter aan de Engelschen de zeeslagen zou leveren, welke schier eenig gebleven zijn in de geschiedenis! De goede elementen waren er dus, maar het ontbrak voornamelijk aan eenheid en aan goede leiding.
De zinspreuk der Zeven Vereenigde Nederlanden was, dat Eendracht Macht maakte. Toch bleef een Zeeuw zich Zeeuw gevoelen, terwijl een Hollander weer vond, dat hij een heel ander persoon was dan een Groninger, en een Fries, trotsch op zijn eigenaardigheden, zijn kop niet graag gebroken zou hebben, waar ook hij zich weer iets heel aparts gevoelde. Als de nood aan den man kwam, slingerde zich gelukkig nog al tamelijk spoedig het verbindende koord om de zeven pijlen heen. Maar als het ergste gevaar voorbij was, begonnen de zeven pijlen, de een voor en de andere na, zich te roeren, en wrongen net zoolang, tot het knellende koord een weinig losser begon te zitten.
Denk-je, dat een Hollandsch zeekapitein blindelings de bevelen van een Zeeuwsch admiraal geliefde op te volgen? Hij dacht er niet aan! En de Zeeuwsche zeekapiteins, die, omdat Holland nu eenmaal machtiger was en het meest in de melk had te brokken, meestal onder een Luitenant-Admiraal van Holland en West-Friesland moesten staan, deden dat ook al niet meteen geheele overgave van ziel. De gelukkigste oplossing daarvoor is de benoeming van Michiel Adriaansz. de Ruijter geweest, den Luitenant-Admiraal van Holland en West-Friesland voor wien zich de Zeeuwen man voor man hadden willen doodvechten, den eenige ter zelfder tijd, tot wien iedere Hollandsche zeeman met eerbied en vereering opzag.
Zoo stond het ten tijde van jonkheer Van Dorp geschapen met den naijver tusschen de verschillende zeelieden van de verschillende provinciën. Doch er kwam nog iets anders bij. De zeekapiteins waren voor het grootste gedeelte opgekomen uit het dappere zeevolk dier tijden, zeerobben, die overal heen gezwalkt waren en de zeevaart werkelijk niet uit een boekje hadden geleerd. Het waren onversaagde lieden, dappere degens, door tallooze gevaren, avonturen en scheepsgevechten mannen geworden, die in een oogenblik van groot gevaar precies wisten hoe ze handelen moesten. Hun lust in hun leven was áánvallen, áánpakken. Dat ging langs de baren als de Noordwester zelf: wie weerstaat hem, wie houdt hem tegen? En lieten zij zich dat niet doen door een vijand, ze lieten zich evenmin de wet voorschrijven door een admiraal.
Nu ja, er moest nu eenmaal een hoofd zijn. Maar daarom behoefde hij geen leider te wezen! Waren ze kinderen, zij, die groote, breede, zware zeekapiteins, waaromheen iets wijds en geweldigs heenging, alsof ze veel meer plaats innamen dan een landrot! Bevelen?Welke vrije Fries en Hollander en Zeeuw liet zich dat eigenlijk doen? Als je kajuitsjongen was, werd-je afgeranseld, maar je spartelde terug indien er ten minste een vent in je stak. En als je zoo’n zware, kantige, bruingebrande matroos geworden was, werd-je neergeslagen door d’n ouwe, indien je z’n zin niet deed, en daarmee was het uit, of.... je voelde je één met hem, vloog op z’n commando’s vlug als een aap overal heen in het tuig dier reusachtige masten, omdat het losging tegen den storm of tegen den vijand en d’n ouwe òveral voor stond, en je door het noodweer zou heenhalen of je dwars door den vijand heen zou doen slaan. Die ouwe—hij was de ziel van heel het schip, een kwaaie rakker, zeker, maar die zèlf aan kon pakken; met de eene hand een onbekwamen matroos een veeg om de ooren, maar met de andere hand het voorbeeld kon gevenhoemen werken moest.
Maar.... denk-je dat d’n ouwe nu op zijn beurt onder één macht ter wereld wilde staan! Hij zwol er van op, als hij aan zoo iets dacht, en dan was het een heelen dag onweer aan boord van ’t schip. De jongens zagen wel aan zijn gezicht, hoe d’n ouwe het opnam, als van het admiraalsschip geseind werd, dat deze kapitein hier en die kapitein elders heen moest, den vijand aangrijpend op een wijze gelijk de admiraal dat wilde. D’n ouwe hàd geen bevel noodig. Hij wist het zelf wel.... en hij bruiste er op los. Maar omdatieder het liefst op eigen gelegenheid wilde strijden, en, kon het, straks enteren, en vechten man tegen man,... waren de pijlen er wel, maar de samensnoerende band ontbrak. Het tegengestelde gebeurde dan, van wat de vereenigde pijlbundel tot onderschrift had: de tweedracht verstrooide.
We hebben nu alleen oog gehad voor die dappere en onversaagde zeekapiteins, gelijk er in onze zeegeschiedenis nog meer vergeten zijn dan er in opgenoemd worden. Er waren evenwel ook andere, wien het minder om de eer dan wel om den buit te doen was—al liet de buit niemand onverschillig—en het liefst van al ter kaapvaart uitgezeild waren. Viel er meer te verliezen dan te winnen, dan zagen zij niet in, waarom zij niet heel verstandig een scheepsstrijd zouden ontwijken. En ook zij bekommerden zich niet bijzonder om de bevelen van den admiraal. Bleek de vijand hun te sterk, dan zagen zij er geen schande in terug te wijken en soms een geheelen zeeslag in verwarring te brengen, gelijk helaas meer dan eens in onze zeegeschiedenis, zelfs in latere jaren, voorgevallen is. Ook waren er kapiteins, die voor hun plezier leefden, zich het liefst bij de kust ophielden en graag een haven opzochten, om daar eens pret te maken; de beruchte landgangers. Het was voor zulk soort kapiteins, en voor de lafaards, die er óók onder hen, gelijk onder elke verzameling menschen, gevonden werden, dat er, volgens de driftige admiraal Witte Corneliszoonde With, geen hout genoeg in Holland groeide om er voor hen galgen van te maken. Maar die onstuimige admiraal Dubbel Wit zat op dit oogenblik nog in Den Briel, waar hij reeder van een haringschuit was geworden, eens naar zijn boomgaard liep om te kijken of soms die satansche kwâjongens alweer appelen en peren gestolen hadden, en tusschen zijn buien van drift en opwinding door, zijn best deed om diaken van de Groote Kerk te worden, wat maar niet lukken wilde. Hij had het, evenmin als Tromp, onder zulke omstandigheden op zee uit kunnen houden. Hij was een van die eerstgemelde zeekapiteins geweest, maar dan een bijzonder ongemakkelijke. En dacht-je, dat hij nu staan wilde onder een man als admiraal Van Dorp?
Was hij dan een lafaard, die jonkheer Van Dorp, wien het verbitterd gepeupel van Veere met steenen wierp, aan wien de visscherbevolking van Maassluis en Vlaardingen en Den Briel al de schuld gaf van den ellendigen toestand ter zee?
Ik zou dat niet graag willen beweren. Men kan een man van moed en kennis en doorzicht zijn, en toch ongeschikt voor zekeren post. Het ambt van admiraal—Emir al Omra, dat is Heer der Zee—scheen door zijn eigen aanzien en gewicht mede te brengen, dat het ook zeer eigenaardig door een man van aanzien en gewicht bekleed werd. Het lag als ’t ware voor de hand, dat de ruwe zeelui den stuggen kop zeker niet buigen zouden voor een van hun gelijken. Deachting en het ontzag voor een aanzienlijk persoon maken aan den eenen kant het bevelen gemakkelijker en aan den anderen kant het gehoorzamen niet zoo moeilijk. Ware jonkheer Van Dorp van kind af aan op zee geweest, niet voor zijn plezier maar om te leeren door de ervaring, hetzij als scheepsjongen van zijn vader, gelijk Maerten Harpertsz. Tromp, hetzij, zooals later mogelijk was, als adelborst, gelijk de Brielsche burgemeesterszoon Philippus van Almonde bij Michiel de Ruijter—het zou waarschijnlijk niet zoo ellendig gestaan hebben tegenover de Duinkerker kapers. Zijn aanzienlijke afkomst had hem bovendien over die bergen van bezwaren kunnen heentillen, waar Tromp doorheen heeft moeten boren en wroeten. Maar bij die naar pek en teer en zeezout riekende kapiteins stak hij te veel af. Zij wisten meer van den huidigen toestand van het zeemansvak af. Hij maakte fouten, die door de visschers op de haringbuizen, door de halfwassen brasems op het oorlogsschip besproken en belachen werden. En er ging een kreet door de visschersplaatsen en langs de schepen van oorlog, koopvaardij en vischvangst, weldra een kreet door heel het land: een pekbroek hebben we noodig en geen jonkheer!
En al luider en dringender werd die kreet. De Duinkerkers toch werden hoe langer hoe driester en brutaler. In de maand Mei van ’t jaar 1637 schreef Nicolaes van Reijgersberch aan den geleerden Grotius, dat de gevreesde kapers zich op onze kusten en vooronze zeegaten hadden vertoond. En dat niet met bescheiden scheepjes, maar zooals op den 19enMei met zeven koningsschepen en 7 fregatten. Die veertien bodems lagen voor Texel voor anker, en.... jonkheer Van Dorp was met twintig schepen in zee om de Duinkerkers op te zoeken, en nergens had hij ze kunnen vinden! Dat zal weer heel wat ontevredenheid baren onder het zeevarende volk, meent Reijgersberch, waarbij nog komt dat de vijand van dag tot dag de gevangen Nederlanders harder begint te behandelen. Vroeger zonden de Duinkerkers een gevangen genomenscheepsjongenom niet naar huis; nu vragen zij maar eventjes honderd gulden voor zoo’n snuiter. Als losgeld voor een bootsman eischen ze tweehonderd en voor een schipper van een vischschuit zeshonderd gulden. De zeemacht der Duinkerkers is al tot ongeveer achttien koningsschepen en tusschen de dertig en veertig fregatten geklommen, en, als het zoo voortgaat, zal dat aantal nog wel vermeerderen. Want—en hier voert de raadsheer iets heel eigenaardigs uit die dagen aan—het bootsvolk gaat dáár heen, waar buit en voordeelen te behalen zijn. Met andere woorden: er gingen een partij Nederlandsche zeelui met pak en zak tot de Duinkerkers over en werden zelf kaper, om het zeevolk van het eigen land aan te vallen, de schepen van het vaderland aan te randen en als het kon uit te plunderen.
Welk een toestand!
Dat kon toch heusch zoo niet blijven. En eigenlijk was het ergst nog, dat we al een tiental jaren geleden dit óók gezegd hadden. Toen was Van Dorp op zij geschoven en had men „een pekbroek” aan het hoofd onzer vloot geplaatst, Piet Hein, die het van scheepsjongen af tot zulk een hoogte gebracht had. Die had de hooge waardigheid aanvaard op voorwaarde, dat hem een grootere macht dan gewoonlijk zou worden toegekend, aan de kapiteins had hij instructies gegeven waaraan zij zich te houden hadden hoe wonderlijk zij er ook van mochten opkijken, maatregelen had hij genomen om de matrozen beter eten te verschaffen en in ’t algemeen het lot zoowel van hen als van hun meerderen te verbeteren. Doch.... reeds na twee maanden was Piet Hein gesneuveld, Van Dorp was weer teruggekeerd, en wel zocht men nu de verbetering hierin door aan den Stadhouder een zeer groote macht in de zeezaken te geven, maar in de eerste plaats werd hierdoor alweer de jaloerschheid van andere machten in den staat opgewekt, en in de tweede plaats kon men met den besten wil ter wereld de geldmiddelen, noodig voor het uitrusten van schepen en het beter en regelmatiger betalen van kapiteins en zeevolk en leveranciers van de scheepsbenoodigdheden, niet ruimer doen vloeien.
Voor die uitrusting en het betalen der zeelieden moesten de colleges van admiraliteit zorgen. Daarvan waren er maar eventjes vijf in ons land, wat nieterg tot de éénheid van uitrusting medewerkte. Het geld werd gevonden uit de rechten, die geheven werden van de binnenvallende en uitzeilende schepen. Hoe meer koopvaarders nu door de Duinkerkers genomen werden, hoe minder de binnenvallende schepen opbrachten, en, omdat men al meer en meer bevreesd begon te worden om koopvaardijschepen te doen uitzeilen, nam ook de opbrengst met het aantal dier schepen af. Hoe langer hoe meer geld had men noodig, en hoe langer hoe minder werd er opgebracht. Zoo kon men de kapiteins der oorlogsbodems niet regelmatig betalen, en deze kregen niet veel vergoeding door de buitgelden. Want buit was er bij de Duinkerkers niet te halen. Zij hadden geen rijkgeladen koopvaarders, en als men het geluk had van hen een paar schepen te veroveren, waren dat bodems, die voor den oorlog waren uitgerust, dus niet veel opbrachten. Nu zullen we er maar van zwijgen, dat door sommige leden van een admiraliteits-college nog aanzienlijke sommen verdonkeremaand waren geworden. Die lieden werden zwaar gestraft; dus zij, die dat schandelijk voorbeeld wilden volgen, konden er zeker van zijn dat men op hen ongenadig de algemeene ellende verhalen zou.
Neen, er moest op andere wijze geld voor de vloot worden verschaft. Konden de admiraliteits-colleges niet meer genoeg opdiepen uit de convoyen en licenten—gelijk men toen de rechten van inkomende en uitgaande schepen geheven gewoon was te noemen—dan moesten de provinciën maar bijspringen.
Goed! zeiden die provinciën, beloofden veel, maar.... betaalden voor het meerendeel niet. De provinciën, die niet aan zee gelegen waren en dus dachten in ’t geheel geen belang bij de zeevaart te hebben, bleven het geld, dat zij betalen moesten, doodkalm schuldig. Evenwel, eenige verschooning hadden zij voor deze zonderlinge handelwijze zeker wel bij te brengen. Juist in die jaren was de oorlog te land weder begonnen. Steden werden belegerd en legerscharen werden bij elkaar getrokken, om den Spanjaard in de Zuidelijke Nederlanden te bestoken, waartoe we verplicht waren door een verbond, dat we in ’t jaar 1635 met Frankrijk gesloten hadden. Van dien oorlog te land leden de landprovinciën het meest, en die dachten nu: „wel kom: laten de zeeprovinciën nu maar flink voor de vloot zorgen. Hebbendielast van de Duinkerkers, wij hebben last van allerlei soldaten.” Wat bleef den zeeprovinciën anders over, dan aan eigen verplichtingen te voldoen en te trachten het aandeel der landprovinciën geheel of gedeeltelijk voor te schieten, wat meestal ook maar „betalen” beteekende! Hoe meer nu de zeevaart leed, hoe minder welvarend die zeeprovinciën werden en des te trager vloeiden de bronnen, waaruit men putten kon voor de uitrusting en het onderhoud van de vloot. Zoo kwam men, als bij een cirkel, altijd weer bij het uitgangspunt terecht: de zaken ter zee moesten beter gaan.
Als het niet goed gaat in een leger, op een vloot, ja, bij een geheel volk, dan hangt voorzeker wel de verbetering af van de goede gezindheid der soldaten, der zeelieden, der burgers; doch meestal—de geschiedenis toont het herhaaldelijk aan—moeten eerst al die goede gezindheden, die voornemens en plannen als in één brandpunt samen worden gebracht, om plotseling, en tot verrassing van tijdgenoot en nakomeling, als een wijdstralend licht over de wereld heen te schitteren. Tot het licht wendt zich al wat leven heeft, het nietige mugje zoowel als de zichzelf bewuste mensch. Tot den man of de vrouw, die in zich den wil en de kracht van een volk samen voelt komen om ze in daden om te zetten, voelt zich dat volk aangetrokken. De eenvoudige visschersbevolking onzer kustplaatsen en ook de lieden die tot de Heeren behoorden, welke „te wijzen” hadden wat de mindere man zou „prijzen”—drukten het door den kreet: „Een pekbroek aanvoerder van het zeewezen” als bij ingeving uit, dat de uitkomst in al die ellende verwacht werd van één man.
Wie zou die man zijn?
Tot nu toe had prins Frederik Hendrik jonkheer Van Dorp gehandhaafd. Dat lijkt op het eerste gezicht heel wonderlijk. In zeker opzicht zou men dit gevoelen van den Prins hierdoor kunnen verklaren en zelfs tot op zekere hoogte verontschuldigen door er op te wijzen, dat Frederik Hendrik in de eerste plaats soldaatwas, dat het leger bovenal zijn hart bezat en dat zijn hoofd vol was van allerlei plannen met dat leger te volvoeren of door dat leger te bereiken. Maar aan den anderen kant lag er toch iets flinks in, om niet dadelijk een bevelhebber te laten vallen, die niet gelukkig was. Wat jonkheer Van Dorp was, had hij in ’t jaar 1625 bewezen, toen hij om zijn dapperheid in den zeestrijd tegen die van Rochelle door den Franschen koning tot ridder was verheven, en wanneer men er tegen Frederik Hendrik over sprak, dat Van Dorp de zee niet van de Duinkerkers zuiveren kon, had de Prins schouderophalend geantwoord, dat het al moeilijk ging om een stad van dieven en roovers te zuiveren, hoeveel te meer dan de onbesloten zee! Door de groote macht in zeezaken, welke men den Prins had opgedragen, had men tegelijkertijd een groote verantwoordelijkheid op zijn schouders geladen. Hij was er de man niet naar, om zich die van den hals te schuiven door de schuld op een minder gelukkigen bevelvoerder te werpen en dien op te offeren aan hetgeen de waan van den dag kon zijn. Een Oranje stond daarvoor evenzeer te hoog als een Jan de Wit, die.... later Maerten Harpertsz. Tromp gehandhaafd heeft óók al tegen de ongenade van de meening des volks in. Eerst toen de klachten een vasteren vorm aannamen en tot in de Staten van Holland doordrongen, achtte de Prins het oogenblik gekomen den admiraal los te laten, wiens zelfgevraagd ontslag, benevens dat van denvice-admiraal Liefhebber, door hem werd aangenomen.
Maerten Harpertszoon Tromp als Vlootvoogd.Maerten Harpertszoon Tromp als Vlootvoogd.
Maerten Harpertszoon Tromp als Vlootvoogd.
Cornelia Berckhout, zijn derde vrouw.Cornelia Berckhout, zijn derde vrouw.
Cornelia Berckhout, zijn derde vrouw.
En.... nog eenmaal, wie zou thansdeman zijn, de krachtvolle persoonlijkheid, die niet alleen de bezieling zou weten aan te brengen om de Duinkerkers te verslaan, maar vooral de groote gebreken op onze vloot in het hart zou durven aantasten, de zeekapiteins onder zijn een en eenig gezag, het bootsvolk tot een vooruit bedacht en alleen onder zijn beleid uitgevoerd plan zou brengen? Wie zou het zijn, die niet alleen als een Hercules een Angiasstal te reinigen had, maar ook en vooral voor de toekomst de geniale schepper van het Nederlandsche zeewezen zou worden?
In de vergadering der Staten van Holland, gehouden op Vrijdag den 16denOctober 1637, werd besloten, om aan Zijne Hoogheid, die zich in het leger voor Breda bevond, eenige personen voor te dragen ter vervulling van de twee opengevallen ambten, nl. luitenant-admiraal en vice-admiraal van Holland en West-Friesland. Genoemd werden „de Generaels Reael en Speek, Maerten Herpertsz. Tromp, Witte Wittensz., den Heer Nannainck ende Berkhout, midt-gaders den Major Padburgh”.
Het stond den Prins vrij bij deze personen nog andere te voegen. Maar, wat den Staten aanging, zij verzochten aan Z. H. „in goede recommandatie te nemen den Persoon van Maerten Herpertsz. Tromp tot Lieutenant-Admirael, en Witte Wittensz. tot Vice-Admirael”, die zij wenschten, dat spoedig tot deze ambtenverheven werden. Maar als mogelijk Z. H. zich daarmee niet kon vereenigen, zoo droegen zij het aan hem voor, of hij niet goed zou vinden Jan Evertsz., die vice-admiraal van Zeeland was, of een ander bekwaam persoon de directie van de weldra uit te rusten vloot op te dragen „om den Vyant daermede te gaen bespringen in de Kanael”.
Het antwoord van den Prins is bekend, ook omdat door zijn beslissing een keerpunt ten goede is gekomen in de geschiedenis van ons zeewezen. Nog diezelfde maand werd Maerten Harpertsz. Tromp benoemd tot luitenant-admiraal en Witte Cornelisz. de With tot vice-admiraal. De eenige, die voor Tromp een zeer ernstig tegen-candidaat had kunnen zijn, Laurens Reaal, een man bekend om zijn groote daden ter zee vooral in Oost-Indië, waarover hij zelfs gouverneur-generaal was geweest, een man ook van gezag, omdat hij tot de regenten van Amsterdam behoorde, was kort na de voordracht aan de pest gestorven, welke toen in die stad heerschte, en in niet mindere mate te Leiden, gelijk Nicolaes van Reigersberch uitvoerig in zijn brieven mededeelt.