[Inhoud]II.Den volgenden dag reisde de keizerlijke familie van Liparië van Sigismundingen terug naar Lipara. De ontvangst aan het Centraal Station was zeer hartelijk; de stad vlagde: des avonds hadden er volksfeesten plaats.De officieren der verschillende legercorpsen boden den kroonprins gastmalen aan, zijne verloving ter eere. De portretten der aartshertogin Valérie lagen voor de ramen van alle[156]platenwinkels; de couranten schreven lange artikelen, vol jubel.Het was enkele uren vóór het diner, dat de officieren der Troongarde boden aan hun vorstelijken kolonel, toen aan Othomar, als ware het in eens, een vreemd gevoel overkwam. Hij was in zijn kabinet, voelde zich eenigszins duizelig en moest gaan zitten. De duizeling was licht, maar duurde lang; lang scheen de kamer langzaam om hem heen te willen draaien en niet te kunnen, wat iets pijnlijks gaf als van tegenkanting dier levenlooze meubels. Othomars eene hand steunde op zijne dij, de andere op den kraaghals van den colley, die den kop op zijn knie had gelegd. Voorover gebogen bleef hij zitten.Toen de duizeling voorbij was, behield hij eene vreemde lichtheid in het hoofd, als was er iets uit weggenomen. Hij liet zich voorzichtig achterover vallen; de colley, die half soesde in slaap, opende droomerig de oogen en soesde weêr in, zijn kop op de knie, onder Othomars hand. Een onweêrstaanbaremoêheidkroop Othomars ledematen op, als verdronken zij in eene weeke modder. Het bevreemdde hem zeer, dit gevoel, en op de pendule schuin kijkend, zonder het hoofd te bewegen—om de duizeling niet weêr te wekken—rekende hij uit, dat hij nog ruim anderhalf uur had vóor het diner. Deze lengte van tijd stelde hem gerust en stil bleef hij zitten, als wegende zijne moêheid, of ze over zoû gaan, wegtrekken zoû uit zijn lichaam.Het duurde lang, zoo lang zelfs, dat hij weifelde of hij zoû kunnen gaan of niet. Toen er drie kwartier voorbij waren, drukte zijne hand op eene schel, die dicht bij hem stond op tafel. Andro kwam binnen.Andro … begon hij, maar zweeg verder.—Verlangt Uwe Hoogheid zich te kleeden? Alles ligt klaar …Othomar klopte even op den kop van den hond, die nog steeds onbeweeglijk op zijn knie lag te soezen …—Is Uwe Hoogheid niet wel?—Een beetje duizelig, Andro; het gaat al over.—Maar zoû Uwe Hoogheid dan wel gaan: wil ik dan niet om prins Dutri zenden?[157]Othomar schudde beslist van neen en stond op.—Neen, het is al te laat, Andro. Kom, help me …En hij ging zijne kleedkamer in.Hij verscheen op het diner, maar verontschuldigde zich toch bij zijne officieren over zijne zichtbare matheid. De toasten dankte hij alleen met eene heffing van het glas, met een glimlach. Het trof hen allen, dat hij er zeer slecht uitzag, vermagerd, met holle oogen, krijtwit in zijn wit- en gouden uniform. Dadelijk na het diner keerde hij terug naar het Imperiaal, zonder hen te vergezellen naar den Keizerlijken Sportclub, de societeit der jeunesse dorée.Hij sliep zwaar; een vage nevel van gedroom trok door zijn nacht heen. De man, die hem bij Zanti had willen vermoorden, grijnsde hem aan, met ballende vuisten; toen werd het de Gothlandsche zee en hij roeide Valérie voort, maar hoe hij ook roeide, de drie torens van het kasteel trokken altijd door verder weg, onbereikbaar …Toen hij wakker werd, was het reeds over achten. Hij bedacht, dat het te laat was voor zijn gewoonlijken morgenrit en bleef liggen. Hij belde Andro.—Waarom heb je me niet om zeven uur wakker gemaakt?—Uwe Hoogheid sliep nog zoo vast; ik dorst niet; Uwe Hoogheid was gisteren niet wel …—Zoo, heb je me maar laten slapen? Nu goed dan … Laat aan Hare Majesteit zeggen, dat … dat ik niet wel ben.De man zag hem angstig aan.—Wat scheelt Uwe Hoogheid?—Ik weet het niet, Andro.….. Een beetje moê. Waar is Djalo?—Hier, Hoogheid …De colley kwam luidruchtig binnen, zette de groote pooten op het veldbed, schudde, om te kwispelstaarten, het achterlijf woest heen en weêr … Toen, in eens, ging hij kalm liggen, voor het bed.De keizerin liet terug zeggen, dat zij dadelijk komen zoû; ze was nog niet gekleed … Met stille open oogen bleef Othomar op haar wachten.In eene lichte emotie van angst kwam zij eindelijk binnen. Zij vroeg hem, maar leerde niets uit zijne vage, glimlachende[158]antwoorden. Zij legde de hand op zijn voorhoofd, voelde hem den pols, en kon niet besluiten, dat hij koorts zoû hebben. Er heerschten tyfeuze koortsen: zij was er bang voor …De lijfartsen, die geroepen waren, stelden haar gerust: het was geene koorts. De prins scheen algemeen vermoeid te zijn, hij had zich zeker overspannen in den laatsten tijd. Hij moest rust nemen …De keizer verwonderde zich: de prins had pas rust gehad en was weken lang te Altseeborgen gebleven. Waar had dit dan voor gediend!De mare ging door het paleis, de stad, het land, Europa, dat de hertog van Xara zijne kamer hield, om eene lichte ongesteldheid. Een eenvoudig, zeer geruststellend bulletin werd door de geneesheeren uitgegeven.Des middags stond Othomar echter op, kleedde zich zelfs aan, maar niet in uniform. Hij had wat geluncht in zijne kamer en ging nu naar de appartementen der prinses Thera. Zij zat te teekenen; bij haar eene hofdame; de jonge markiezin van Ezzera.De prinses was verwonderd haarbroêrte zien.—Zoo, ben je daar? Ik dacht, dat je in bed lag …—Neen, het gaat wat beter …Hij groette de markiezin, die was opgestaan en neeg.—Wil je niet schilderen? vroeg Othomar.Thera zag hem aan.—Je ziet zoo witjes, arme jongen. Het is misschien beter maar niet. Het vermoeit ook, dat pozeeren, niet waar?—Ja, soms, een beetje …Zij stonden nu voor het portret; de markiezin had zich teruggetrokken, zooals zij altijd deed bij dit samenzijn van zuster en broêr. De schilderij was half bedekt door een zijden lap, dien Thera opsloeg: het was reeds een expressieve jonge kop, waarin het leven begon te tintelen achter de zwarte oogen van weemoed; breed en vast van penseelstreek gedaan, met veel reflect van buitenlicht, dat op de eene zijde van het gelaat viel, en het en relief deed komen, de achterschaduw uit, naar voren.—Het is bijna af? vroeg Othomar.[159]—Ja, maar voor den laatsten toets heb je me al zoo lang in den steek gelaten; denk maar, je bent vier maanden weg geweest. Ik heb er al dien tijd niets aan kunnen doen. Maar weet je … je bent veranderd. Als ik het maar niet zoo zal moeten laten! Het lijkt niet meer …—Het zal wel weêr gaan lijken, als ik er wat beter ga uitzien! antwoordde Othomar, maar de prinses was licht nerveus geworden; ze trok er den zijden lap in eens weêr over heen …Othomar verscheen niet aan het diner: hij ging zeer vroeg naar bed. Den volgenden morgen vonden de geneesheeren hem in eene groote lusteloosheid. Hij was opgestaan maar had zich niet gekleed; in zijn kamerrok lag hij op de bank in zijn kabinet, de colley aan zijne voeten. Aan de keizerin klaagde hij, dat hij zich zoo vreemd in zijn hoofd voelde, als zoû het opengaan en alles er uit weg wolken. Bij den keizer, die hem zien kwam, verontschuldigde hij zich met zijn souffranten glimlach over zijne ongesteldheid …Dagen lang bleef deze toestand de zelfde: een totale lusteloosheid, totaal gebrek aan eetlust, een zichtbare afmatting … De keizerin zat bij hem, waar hij lag op zijn bank, te staren door de open ramen in de groene diepte van het platanenpark. De vogels sjirpten er; soms klonk er Berengars schel stemmetje, die met een paar vriendjes speelde. De keizerin las voor, maar het vermoeide Othomar, het gaf hem hoofdpijn …Na een lang gesprek, dat de drie doktoren met den keizer en de keizerin gehouden hadden, werd professor Barzia, uit Altara, ontboden voor een consult; de professor was een Europeesche specialiteit voor zenuwziekten.In het kabinet van den keizer wachtten de keizer, de keizerin en graaf Myxila den uitslag van het onderzoek en het, daarop gevolgde, consult af. Het duurde lang. In hunne afwachting spraken zij niet; de keizerin zat met haar stil berustend gelaat te turen voor zich; de keizer, geïrriteerd, liep heen en weer. De oude Rijkskanselier, met zijn streng hoog gezicht en kalen schedel, stond bedenkend bij het venster.Toen lieten de doktoren zich aandienen. Ze verschenen, professor Barzia het eerst; de lijfartsen volgden. De keizerin meende het ergste te lezen op de strakke, blanke gelaatstrekken[160]van den professor; een der artsen echter, als meêlijdend, knikte achter hem haar met zijn goeden, dikken kop stil geruststellend toe.—Welnu? vroeg de keizer.—Wij hebben Zijne Keizerlijke Hoogheid nauwkeurig onderzocht, Sire, begon de professor. Van organische gebreken is de prins geheel vrij, al is hij over het algemeen van een teêre constitutie.—Maar wat dan? vroeg Oscar.—Het zenuwgestel van den prins dunkt ons verontrustend afgemat te zijn, Sire.—Zijn zenuwen? Maar hij is nooit zenuwachtig, hij is altijd kalm, riep de keizer uit, onwillig.—Des te meer moeten wij de zelfbeheersching van den prins waardeeren, Sire. Zijne Hoogheid heeft zich klaarblijkelijk lang opgehouden en deze inspanning verraadt Haar op dit oogenblik. Zij is nu ook kalm, zooals uwe Majesteit zegt. Maar deze kalmte neemt niet weg, dat Hare zenuwen volslagen afgewonden zijn. Zijne Hoogheid heeft klaarblijkelijk te veel van zich gevergd in den laatsten tijd.—En waarin zoû dat te veel dan bestaan hebben? vroeg de keizer hoog.De professor maakte een vage beweging van niet weten.—Dat zal men aan het hof zeker beter weten, dan ik het doe, die uit mijn studeerkamer en mijn hospitalen kom, Sire. Uwe Majesteit zelve zal zich daarop het antwoord kunnen zeggen. Ik kan Haar alleen eenige aanwijzingen geven. Zijne Hoogheid zei mij, zich te herinneren, dat Zij reeds voor de groote overstroomingen in het Noorden, zulke afmattingen en duizelingen soms gevoelde. Dat was Maart. Het is nu September. Ik stel mij voor, dat Zijne Hoogheid in dien tusschentijd een veelbewogen leven geleid heeft?De keizer maakte niet begrijpende bewegingen met de wenkbrauwen: lichte trillingen van zijn energieken kop met het vlies van grauwend haar.—De reis in het Noorden kàn Zijne Hoogheid inderdaad aangedaan hebben, professor … begon de keizerin.Zij zat recht, hoog, in haar eenvoudigen donkeren japon. Haar gelaat was zonder uitdrukking; hare oogen stonden[161]koud. Zij sprak zakelijk, als ware zij niet eene moeder.—Zijne Hoogheid is zeer gevoelig voor indrukken, ging zij voort; en Zij heeft er indertijd te Altara zeker schokkende ontvangen.De professor boog even het hoofd.—Ik herinner mij Zijne Hoogheid bij de lijkschouwing op het weiland, Mevrouw, sprak hij; Zijne Hoogheid wàs werkelijk bizonder aangedaan …—Maar wat beduidt dat? vroeg de keizer, steeds onwillig.—Dat Zijne Hoogheid sedert dien tijd denkelijk zich geen rust heeft gegund, Sire …—Zijne Hoogheid heeft zich máanden rust gegund! riep de keizer uit.—Vergunt Uwe Majesteit ons eens terug te gaan. Na de zeer vermoeiende reis in het Noorden is de prins dadelijk gekomen in emoties van staatsgewicht—Lipara was destijds in staat van beleg—en daarna in de drukte van een feesttijd, toen de Syrische vorsten hier waren …De keizer haalde zijne schouders op.—De prins is daarna al voor herstel van gezondheid op aanraden van mijne geachte collega’s een zeereis gaan ondernemen. Zijne Hoogheid zal toen zeker dagen van rust gehad hebben, maar de groote jachten, die Zij met prins Herman samen deed, zijn Haar ongetwijfeld te zwaar geweest. Nu onlangs is Zijne Hoogheid verloofd geworden; dit kan Haar emotie gegeven hebben. Ik tel terloops eenige groote feiten op Sire. Ik weet niets van het gemoedsleven van den prins; als ik hiervan iets wist, zoû het mij zeker vele dingen gemakkelijker maken. Maar dit is zeker: Zijne hoogheid heeft dag aan dag een te schokkend bestaan gehad, wat het dan ook waren, groote of kleine schokken. Dat Zijne Hoogheid niet eerder in elkaâr is gevallen, is zeker te danken aan een buitengewone zelfbeheersching, die mij aan den prins zelven onbewust schijnt te zijn, en een buitengewoon plichtbesef, dat ook geheel spontaan in Zijne Hoogheid is. Het zijn hooge kwaliteiten, Sire, in een aanstaand heerscher …Der keizerin was eene lichte blos over de wangen gegaan; een zachtere uitdrukking wasemde over de koudheid van haar gelaat.[162]—En wat is uw raad, professor; vroeg ze.—Dat Zijne Hoogheid een onbepaalde rust neemt, Mevrouw.—Het huwelijk van Zijne Hoogheid was voor de volgende maand bepaald? hernam de keizerin, vragend.De gelaatstrekken van professor Barzia werden geheel blank en strak.—Het zoû eenvoudig-weg onverantwoordelijk zijn, zoo het huwelijk van Zijne Hoogheid de volgende maand plaats greep, orakelde hij met zijne effen stem.—Uitstellen dus? vroeg de keizer met ingehouden woede.—Zonder twijfel, Sire, antwoordde de professor beslist koel.—Mijn waarde professor … knarste de keizer quasi vriendelijk tusschen zijne tanden. U spreekt van rust, en nog eens rust. Mijn God, ik zeg u, de prins heeft gerust, maanden lang, maanden lang … Rust ik ooit zoo lang? Het leven is bewegen en regeeren is ook bewegen. Wij kunnen niet aan rust doen. Waarom moet een jonge man als de prins telkens rusten? Ik herinner me niet óoit zoo gerust te hebben, toen ik kroonprins was! Hij mag niet zoo sterk zijn als ik, hij is toch van ons geslacht! Emoties, zegt u! Mijn God, wat voor emoties? Emoties van staatsgewicht? Die hebikgehad, maar de prins niet! En ik had er geen rust na noodig. En moet een vorst gaan uitrusten als hij verloofd is? Waarlijk, professor, dat is de hygiene te ver gedreven!—Sire, Uwe Majesteit heeft mij de eer aan gedaan mijn oordeel te willen weten over den toestand van den prins. Ik heb dat oordeel uitgesproken, naar mijn beste weten.—Dus rusten?—Ongetwijfeld, Sire.—Maar hoe lang wil u hebben, dat hij rust?—Ik kan hier geen datum voor stellen, Sire.—Hoe lang wil u hebben, dat zijn huwelijk uitgesteld wordt?—Onbepaald, Sire.De keizer liep het vertrek op en neêr: iets vreemds trilde over zijn energieken kop: angst …—Dat is onmogelijk, mompelde hij kort.[163]Allen zwegen.—Dat is onmogelijk, herhaalde hij dof.—Dan zal Zijne Hoogheid trouwen, Sire, sprak Barzia.De keizer stond stil.—Hoe meent u? vroeg hij barsch.—Dat niets Uwe Majesteit in deze hoogst gewichtige zaak een wet kan stellen … behalve Haar eigen gevoel en redelijkheid.Hijgend ging de adem van den keizer tusschen zijne volle lippen van zinnelijkheid; de aderen zwollen dik op zijn laag Romeinsch voorhoofd; zijne sterke vuisten balden zich. Niemand had Oscar nog ooit zoo gezien; niemand ook had nog zoo tot hem durven spreken …—Verklaar u dan nader … donderde hij in het strakke gelaat van den professor.Deze verroerde geen trek:—Als Zijne Hoogheid de volgende maand trouwt … is het Hare dood.De keizerin bleef stijfrecht zitten, maar zij was zeer bleek geworden, rilde, sloot de oogen of het haar duizelde.—Zijn dood? herhaalde de keizer verplet.—Of erger, hernam Barzia.—Erger?!—De ondergang van Uwer Majesteits nageslacht.De keizer vloekte een woesten kreet uit en sloeg met de vuist op de kolossale schrijftafel. De bronzen ornamenten ervan rinkelden. Myxila trad een pas nader.—Sire, sprak hij; er is niets verloren. Heb ik den heer professor wel begrepen, zoo is de ongesteldheid van Zijne Hoogheid een tijdelijke, en geneeslijk.—Zeker, Excellentie, antwoordde Barzia. Zoo men ze niet ongeneeslijk en niet tijdelijk dwingt te zijn.Oscar beet zich krampachtig de lippen. Zijne flonkerende oogen stonden klein, wreed. Het trof Myxila, hoe hij op dit oogenblik geleek op een portret van Wenceslas den Wreede.—Professor, siste hij. Wij danken u. Blijf nog tot morgen te Lipara, opdat u Zijne Hoogheid nog eens kunt observeeren.—Ik gehoorzaam aan het bevel van Uwe Majesteit, sprak Barzia.[164]Hij boog, de geneesheeren bogen, zij trokken zich terug. Alleen met de keizerin en den Rijkskanselier hield Oscar niet langer zijne woede in. Als een schuimbekkend dier, wild, liep hij op en neêr met zware stappen, krijschte hij als kon de adem niet door zijne geschroefde keel komen.—Oh! knarste hij tusschen zijne kaken, barstte hij eindelijk los. Die jongen, die jongen … Niet éens kan die trouwen! Met zijn hertogin, dàar kon die meê trouwen! En die jongen!O, die jongen moet mij opvolgen, mij …Eene woedende lach stiet zich minachtend tusschen zijne groote witte tanden uit, als vlijmende ironie.De keizerin rees op.—Graaf Myxila, sprak ze sidderend. Mag ik uwe Excellentie verzoeken mij te volgen?Zij begaf zich naar de deur; Myxila, aarzelend, volgde reeds.—Waarom? brulde de keizer. Wat hoeft dat? Ik heb nog met Myxila te spreken …De keizerin zag den keizer ijskoud aan.—Het is mijn uitdrukkelijk verlangen, Sire, dat graaf Myxila mij volgt, sprak ze, steeds met hare sidderende stem. Ik geloof, dat Uwe Majesteit eenzaamheid behoeft. Uwe Majesteit zegt dingen, die een vader zelfs niet mag dènken, en een vorst zeker niet mag zeggen in de prezentie van een zijner onderdanen, zelfs niet van een zijner hoogste onderdanen.De keizer wilde haar in de rede vallen.—Uwe Majesteit,—ging de keizerin trillend hoog voort, hem het woord met hare ijskoude sidderende stem afsnijdende als met een mes—zegt die dingen van den toekomstigen keizer van Liparië … en ik wensch, dat géen onderdaan, zelfs niet graaf Myxila, uit Haren mond van den toekomstigen keizer zulke dingen hoort, en Uwe Majesteit zegt die dingen tevens vanmijn zoon: ik wensch ze daarom zelve niet te hooren, Sire! Excellentie, ik verzoek u nog eens: volg mij.—Ga dan, brulde de keizer dol uit. Ga dan allebei, laat me dan ook alleen, laát me ook alleen!Razend liep hij op en neêr, smeet de stoelen door elkaâr, brieschte als een aangehitste leeuw in een kooi. Een bronzen beeld nam hij op van de console, voor een hoogen[165]spiegel, die tot het plafond in vergulde krullen omhoog steeg.—Daar dan! striemde zijne stem, en zijne drift scheen ziedend rond te wolken in zijn verward brein, rood te bliksemen uit zijn bloeddoorschoten oogen, hem krankzinnig te maken om zijne krachteloosheid tegenover de domme noodlotsmachten der logische omstandigheden.Als een athleet zwierde zijn arm het zware beeld door de lucht; als een kind wierp hij het in den grooten spiegel, die kletterend in een flikkering van scherven viel.De keizerin en Myxila hadden het vertrek verlaten.
[Inhoud]II.Den volgenden dag reisde de keizerlijke familie van Liparië van Sigismundingen terug naar Lipara. De ontvangst aan het Centraal Station was zeer hartelijk; de stad vlagde: des avonds hadden er volksfeesten plaats.De officieren der verschillende legercorpsen boden den kroonprins gastmalen aan, zijne verloving ter eere. De portretten der aartshertogin Valérie lagen voor de ramen van alle[156]platenwinkels; de couranten schreven lange artikelen, vol jubel.Het was enkele uren vóór het diner, dat de officieren der Troongarde boden aan hun vorstelijken kolonel, toen aan Othomar, als ware het in eens, een vreemd gevoel overkwam. Hij was in zijn kabinet, voelde zich eenigszins duizelig en moest gaan zitten. De duizeling was licht, maar duurde lang; lang scheen de kamer langzaam om hem heen te willen draaien en niet te kunnen, wat iets pijnlijks gaf als van tegenkanting dier levenlooze meubels. Othomars eene hand steunde op zijne dij, de andere op den kraaghals van den colley, die den kop op zijn knie had gelegd. Voorover gebogen bleef hij zitten.Toen de duizeling voorbij was, behield hij eene vreemde lichtheid in het hoofd, als was er iets uit weggenomen. Hij liet zich voorzichtig achterover vallen; de colley, die half soesde in slaap, opende droomerig de oogen en soesde weêr in, zijn kop op de knie, onder Othomars hand. Een onweêrstaanbaremoêheidkroop Othomars ledematen op, als verdronken zij in eene weeke modder. Het bevreemdde hem zeer, dit gevoel, en op de pendule schuin kijkend, zonder het hoofd te bewegen—om de duizeling niet weêr te wekken—rekende hij uit, dat hij nog ruim anderhalf uur had vóor het diner. Deze lengte van tijd stelde hem gerust en stil bleef hij zitten, als wegende zijne moêheid, of ze over zoû gaan, wegtrekken zoû uit zijn lichaam.Het duurde lang, zoo lang zelfs, dat hij weifelde of hij zoû kunnen gaan of niet. Toen er drie kwartier voorbij waren, drukte zijne hand op eene schel, die dicht bij hem stond op tafel. Andro kwam binnen.Andro … begon hij, maar zweeg verder.—Verlangt Uwe Hoogheid zich te kleeden? Alles ligt klaar …Othomar klopte even op den kop van den hond, die nog steeds onbeweeglijk op zijn knie lag te soezen …—Is Uwe Hoogheid niet wel?—Een beetje duizelig, Andro; het gaat al over.—Maar zoû Uwe Hoogheid dan wel gaan: wil ik dan niet om prins Dutri zenden?[157]Othomar schudde beslist van neen en stond op.—Neen, het is al te laat, Andro. Kom, help me …En hij ging zijne kleedkamer in.Hij verscheen op het diner, maar verontschuldigde zich toch bij zijne officieren over zijne zichtbare matheid. De toasten dankte hij alleen met eene heffing van het glas, met een glimlach. Het trof hen allen, dat hij er zeer slecht uitzag, vermagerd, met holle oogen, krijtwit in zijn wit- en gouden uniform. Dadelijk na het diner keerde hij terug naar het Imperiaal, zonder hen te vergezellen naar den Keizerlijken Sportclub, de societeit der jeunesse dorée.Hij sliep zwaar; een vage nevel van gedroom trok door zijn nacht heen. De man, die hem bij Zanti had willen vermoorden, grijnsde hem aan, met ballende vuisten; toen werd het de Gothlandsche zee en hij roeide Valérie voort, maar hoe hij ook roeide, de drie torens van het kasteel trokken altijd door verder weg, onbereikbaar …Toen hij wakker werd, was het reeds over achten. Hij bedacht, dat het te laat was voor zijn gewoonlijken morgenrit en bleef liggen. Hij belde Andro.—Waarom heb je me niet om zeven uur wakker gemaakt?—Uwe Hoogheid sliep nog zoo vast; ik dorst niet; Uwe Hoogheid was gisteren niet wel …—Zoo, heb je me maar laten slapen? Nu goed dan … Laat aan Hare Majesteit zeggen, dat … dat ik niet wel ben.De man zag hem angstig aan.—Wat scheelt Uwe Hoogheid?—Ik weet het niet, Andro.….. Een beetje moê. Waar is Djalo?—Hier, Hoogheid …De colley kwam luidruchtig binnen, zette de groote pooten op het veldbed, schudde, om te kwispelstaarten, het achterlijf woest heen en weêr … Toen, in eens, ging hij kalm liggen, voor het bed.De keizerin liet terug zeggen, dat zij dadelijk komen zoû; ze was nog niet gekleed … Met stille open oogen bleef Othomar op haar wachten.In eene lichte emotie van angst kwam zij eindelijk binnen. Zij vroeg hem, maar leerde niets uit zijne vage, glimlachende[158]antwoorden. Zij legde de hand op zijn voorhoofd, voelde hem den pols, en kon niet besluiten, dat hij koorts zoû hebben. Er heerschten tyfeuze koortsen: zij was er bang voor …De lijfartsen, die geroepen waren, stelden haar gerust: het was geene koorts. De prins scheen algemeen vermoeid te zijn, hij had zich zeker overspannen in den laatsten tijd. Hij moest rust nemen …De keizer verwonderde zich: de prins had pas rust gehad en was weken lang te Altseeborgen gebleven. Waar had dit dan voor gediend!De mare ging door het paleis, de stad, het land, Europa, dat de hertog van Xara zijne kamer hield, om eene lichte ongesteldheid. Een eenvoudig, zeer geruststellend bulletin werd door de geneesheeren uitgegeven.Des middags stond Othomar echter op, kleedde zich zelfs aan, maar niet in uniform. Hij had wat geluncht in zijne kamer en ging nu naar de appartementen der prinses Thera. Zij zat te teekenen; bij haar eene hofdame; de jonge markiezin van Ezzera.De prinses was verwonderd haarbroêrte zien.—Zoo, ben je daar? Ik dacht, dat je in bed lag …—Neen, het gaat wat beter …Hij groette de markiezin, die was opgestaan en neeg.—Wil je niet schilderen? vroeg Othomar.Thera zag hem aan.—Je ziet zoo witjes, arme jongen. Het is misschien beter maar niet. Het vermoeit ook, dat pozeeren, niet waar?—Ja, soms, een beetje …Zij stonden nu voor het portret; de markiezin had zich teruggetrokken, zooals zij altijd deed bij dit samenzijn van zuster en broêr. De schilderij was half bedekt door een zijden lap, dien Thera opsloeg: het was reeds een expressieve jonge kop, waarin het leven begon te tintelen achter de zwarte oogen van weemoed; breed en vast van penseelstreek gedaan, met veel reflect van buitenlicht, dat op de eene zijde van het gelaat viel, en het en relief deed komen, de achterschaduw uit, naar voren.—Het is bijna af? vroeg Othomar.[159]—Ja, maar voor den laatsten toets heb je me al zoo lang in den steek gelaten; denk maar, je bent vier maanden weg geweest. Ik heb er al dien tijd niets aan kunnen doen. Maar weet je … je bent veranderd. Als ik het maar niet zoo zal moeten laten! Het lijkt niet meer …—Het zal wel weêr gaan lijken, als ik er wat beter ga uitzien! antwoordde Othomar, maar de prinses was licht nerveus geworden; ze trok er den zijden lap in eens weêr over heen …Othomar verscheen niet aan het diner: hij ging zeer vroeg naar bed. Den volgenden morgen vonden de geneesheeren hem in eene groote lusteloosheid. Hij was opgestaan maar had zich niet gekleed; in zijn kamerrok lag hij op de bank in zijn kabinet, de colley aan zijne voeten. Aan de keizerin klaagde hij, dat hij zich zoo vreemd in zijn hoofd voelde, als zoû het opengaan en alles er uit weg wolken. Bij den keizer, die hem zien kwam, verontschuldigde hij zich met zijn souffranten glimlach over zijne ongesteldheid …Dagen lang bleef deze toestand de zelfde: een totale lusteloosheid, totaal gebrek aan eetlust, een zichtbare afmatting … De keizerin zat bij hem, waar hij lag op zijn bank, te staren door de open ramen in de groene diepte van het platanenpark. De vogels sjirpten er; soms klonk er Berengars schel stemmetje, die met een paar vriendjes speelde. De keizerin las voor, maar het vermoeide Othomar, het gaf hem hoofdpijn …Na een lang gesprek, dat de drie doktoren met den keizer en de keizerin gehouden hadden, werd professor Barzia, uit Altara, ontboden voor een consult; de professor was een Europeesche specialiteit voor zenuwziekten.In het kabinet van den keizer wachtten de keizer, de keizerin en graaf Myxila den uitslag van het onderzoek en het, daarop gevolgde, consult af. Het duurde lang. In hunne afwachting spraken zij niet; de keizerin zat met haar stil berustend gelaat te turen voor zich; de keizer, geïrriteerd, liep heen en weer. De oude Rijkskanselier, met zijn streng hoog gezicht en kalen schedel, stond bedenkend bij het venster.Toen lieten de doktoren zich aandienen. Ze verschenen, professor Barzia het eerst; de lijfartsen volgden. De keizerin meende het ergste te lezen op de strakke, blanke gelaatstrekken[160]van den professor; een der artsen echter, als meêlijdend, knikte achter hem haar met zijn goeden, dikken kop stil geruststellend toe.—Welnu? vroeg de keizer.—Wij hebben Zijne Keizerlijke Hoogheid nauwkeurig onderzocht, Sire, begon de professor. Van organische gebreken is de prins geheel vrij, al is hij over het algemeen van een teêre constitutie.—Maar wat dan? vroeg Oscar.—Het zenuwgestel van den prins dunkt ons verontrustend afgemat te zijn, Sire.—Zijn zenuwen? Maar hij is nooit zenuwachtig, hij is altijd kalm, riep de keizer uit, onwillig.—Des te meer moeten wij de zelfbeheersching van den prins waardeeren, Sire. Zijne Hoogheid heeft zich klaarblijkelijk lang opgehouden en deze inspanning verraadt Haar op dit oogenblik. Zij is nu ook kalm, zooals uwe Majesteit zegt. Maar deze kalmte neemt niet weg, dat Hare zenuwen volslagen afgewonden zijn. Zijne Hoogheid heeft klaarblijkelijk te veel van zich gevergd in den laatsten tijd.—En waarin zoû dat te veel dan bestaan hebben? vroeg de keizer hoog.De professor maakte een vage beweging van niet weten.—Dat zal men aan het hof zeker beter weten, dan ik het doe, die uit mijn studeerkamer en mijn hospitalen kom, Sire. Uwe Majesteit zelve zal zich daarop het antwoord kunnen zeggen. Ik kan Haar alleen eenige aanwijzingen geven. Zijne Hoogheid zei mij, zich te herinneren, dat Zij reeds voor de groote overstroomingen in het Noorden, zulke afmattingen en duizelingen soms gevoelde. Dat was Maart. Het is nu September. Ik stel mij voor, dat Zijne Hoogheid in dien tusschentijd een veelbewogen leven geleid heeft?De keizer maakte niet begrijpende bewegingen met de wenkbrauwen: lichte trillingen van zijn energieken kop met het vlies van grauwend haar.—De reis in het Noorden kàn Zijne Hoogheid inderdaad aangedaan hebben, professor … begon de keizerin.Zij zat recht, hoog, in haar eenvoudigen donkeren japon. Haar gelaat was zonder uitdrukking; hare oogen stonden[161]koud. Zij sprak zakelijk, als ware zij niet eene moeder.—Zijne Hoogheid is zeer gevoelig voor indrukken, ging zij voort; en Zij heeft er indertijd te Altara zeker schokkende ontvangen.De professor boog even het hoofd.—Ik herinner mij Zijne Hoogheid bij de lijkschouwing op het weiland, Mevrouw, sprak hij; Zijne Hoogheid wàs werkelijk bizonder aangedaan …—Maar wat beduidt dat? vroeg de keizer, steeds onwillig.—Dat Zijne Hoogheid sedert dien tijd denkelijk zich geen rust heeft gegund, Sire …—Zijne Hoogheid heeft zich máanden rust gegund! riep de keizer uit.—Vergunt Uwe Majesteit ons eens terug te gaan. Na de zeer vermoeiende reis in het Noorden is de prins dadelijk gekomen in emoties van staatsgewicht—Lipara was destijds in staat van beleg—en daarna in de drukte van een feesttijd, toen de Syrische vorsten hier waren …De keizer haalde zijne schouders op.—De prins is daarna al voor herstel van gezondheid op aanraden van mijne geachte collega’s een zeereis gaan ondernemen. Zijne Hoogheid zal toen zeker dagen van rust gehad hebben, maar de groote jachten, die Zij met prins Herman samen deed, zijn Haar ongetwijfeld te zwaar geweest. Nu onlangs is Zijne Hoogheid verloofd geworden; dit kan Haar emotie gegeven hebben. Ik tel terloops eenige groote feiten op Sire. Ik weet niets van het gemoedsleven van den prins; als ik hiervan iets wist, zoû het mij zeker vele dingen gemakkelijker maken. Maar dit is zeker: Zijne hoogheid heeft dag aan dag een te schokkend bestaan gehad, wat het dan ook waren, groote of kleine schokken. Dat Zijne Hoogheid niet eerder in elkaâr is gevallen, is zeker te danken aan een buitengewone zelfbeheersching, die mij aan den prins zelven onbewust schijnt te zijn, en een buitengewoon plichtbesef, dat ook geheel spontaan in Zijne Hoogheid is. Het zijn hooge kwaliteiten, Sire, in een aanstaand heerscher …Der keizerin was eene lichte blos over de wangen gegaan; een zachtere uitdrukking wasemde over de koudheid van haar gelaat.[162]—En wat is uw raad, professor; vroeg ze.—Dat Zijne Hoogheid een onbepaalde rust neemt, Mevrouw.—Het huwelijk van Zijne Hoogheid was voor de volgende maand bepaald? hernam de keizerin, vragend.De gelaatstrekken van professor Barzia werden geheel blank en strak.—Het zoû eenvoudig-weg onverantwoordelijk zijn, zoo het huwelijk van Zijne Hoogheid de volgende maand plaats greep, orakelde hij met zijne effen stem.—Uitstellen dus? vroeg de keizer met ingehouden woede.—Zonder twijfel, Sire, antwoordde de professor beslist koel.—Mijn waarde professor … knarste de keizer quasi vriendelijk tusschen zijne tanden. U spreekt van rust, en nog eens rust. Mijn God, ik zeg u, de prins heeft gerust, maanden lang, maanden lang … Rust ik ooit zoo lang? Het leven is bewegen en regeeren is ook bewegen. Wij kunnen niet aan rust doen. Waarom moet een jonge man als de prins telkens rusten? Ik herinner me niet óoit zoo gerust te hebben, toen ik kroonprins was! Hij mag niet zoo sterk zijn als ik, hij is toch van ons geslacht! Emoties, zegt u! Mijn God, wat voor emoties? Emoties van staatsgewicht? Die hebikgehad, maar de prins niet! En ik had er geen rust na noodig. En moet een vorst gaan uitrusten als hij verloofd is? Waarlijk, professor, dat is de hygiene te ver gedreven!—Sire, Uwe Majesteit heeft mij de eer aan gedaan mijn oordeel te willen weten over den toestand van den prins. Ik heb dat oordeel uitgesproken, naar mijn beste weten.—Dus rusten?—Ongetwijfeld, Sire.—Maar hoe lang wil u hebben, dat hij rust?—Ik kan hier geen datum voor stellen, Sire.—Hoe lang wil u hebben, dat zijn huwelijk uitgesteld wordt?—Onbepaald, Sire.De keizer liep het vertrek op en neêr: iets vreemds trilde over zijn energieken kop: angst …—Dat is onmogelijk, mompelde hij kort.[163]Allen zwegen.—Dat is onmogelijk, herhaalde hij dof.—Dan zal Zijne Hoogheid trouwen, Sire, sprak Barzia.De keizer stond stil.—Hoe meent u? vroeg hij barsch.—Dat niets Uwe Majesteit in deze hoogst gewichtige zaak een wet kan stellen … behalve Haar eigen gevoel en redelijkheid.Hijgend ging de adem van den keizer tusschen zijne volle lippen van zinnelijkheid; de aderen zwollen dik op zijn laag Romeinsch voorhoofd; zijne sterke vuisten balden zich. Niemand had Oscar nog ooit zoo gezien; niemand ook had nog zoo tot hem durven spreken …—Verklaar u dan nader … donderde hij in het strakke gelaat van den professor.Deze verroerde geen trek:—Als Zijne Hoogheid de volgende maand trouwt … is het Hare dood.De keizerin bleef stijfrecht zitten, maar zij was zeer bleek geworden, rilde, sloot de oogen of het haar duizelde.—Zijn dood? herhaalde de keizer verplet.—Of erger, hernam Barzia.—Erger?!—De ondergang van Uwer Majesteits nageslacht.De keizer vloekte een woesten kreet uit en sloeg met de vuist op de kolossale schrijftafel. De bronzen ornamenten ervan rinkelden. Myxila trad een pas nader.—Sire, sprak hij; er is niets verloren. Heb ik den heer professor wel begrepen, zoo is de ongesteldheid van Zijne Hoogheid een tijdelijke, en geneeslijk.—Zeker, Excellentie, antwoordde Barzia. Zoo men ze niet ongeneeslijk en niet tijdelijk dwingt te zijn.Oscar beet zich krampachtig de lippen. Zijne flonkerende oogen stonden klein, wreed. Het trof Myxila, hoe hij op dit oogenblik geleek op een portret van Wenceslas den Wreede.—Professor, siste hij. Wij danken u. Blijf nog tot morgen te Lipara, opdat u Zijne Hoogheid nog eens kunt observeeren.—Ik gehoorzaam aan het bevel van Uwe Majesteit, sprak Barzia.[164]Hij boog, de geneesheeren bogen, zij trokken zich terug. Alleen met de keizerin en den Rijkskanselier hield Oscar niet langer zijne woede in. Als een schuimbekkend dier, wild, liep hij op en neêr met zware stappen, krijschte hij als kon de adem niet door zijne geschroefde keel komen.—Oh! knarste hij tusschen zijne kaken, barstte hij eindelijk los. Die jongen, die jongen … Niet éens kan die trouwen! Met zijn hertogin, dàar kon die meê trouwen! En die jongen!O, die jongen moet mij opvolgen, mij …Eene woedende lach stiet zich minachtend tusschen zijne groote witte tanden uit, als vlijmende ironie.De keizerin rees op.—Graaf Myxila, sprak ze sidderend. Mag ik uwe Excellentie verzoeken mij te volgen?Zij begaf zich naar de deur; Myxila, aarzelend, volgde reeds.—Waarom? brulde de keizer. Wat hoeft dat? Ik heb nog met Myxila te spreken …De keizerin zag den keizer ijskoud aan.—Het is mijn uitdrukkelijk verlangen, Sire, dat graaf Myxila mij volgt, sprak ze, steeds met hare sidderende stem. Ik geloof, dat Uwe Majesteit eenzaamheid behoeft. Uwe Majesteit zegt dingen, die een vader zelfs niet mag dènken, en een vorst zeker niet mag zeggen in de prezentie van een zijner onderdanen, zelfs niet van een zijner hoogste onderdanen.De keizer wilde haar in de rede vallen.—Uwe Majesteit,—ging de keizerin trillend hoog voort, hem het woord met hare ijskoude sidderende stem afsnijdende als met een mes—zegt die dingen van den toekomstigen keizer van Liparië … en ik wensch, dat géen onderdaan, zelfs niet graaf Myxila, uit Haren mond van den toekomstigen keizer zulke dingen hoort, en Uwe Majesteit zegt die dingen tevens vanmijn zoon: ik wensch ze daarom zelve niet te hooren, Sire! Excellentie, ik verzoek u nog eens: volg mij.—Ga dan, brulde de keizer dol uit. Ga dan allebei, laat me dan ook alleen, laát me ook alleen!Razend liep hij op en neêr, smeet de stoelen door elkaâr, brieschte als een aangehitste leeuw in een kooi. Een bronzen beeld nam hij op van de console, voor een hoogen[165]spiegel, die tot het plafond in vergulde krullen omhoog steeg.—Daar dan! striemde zijne stem, en zijne drift scheen ziedend rond te wolken in zijn verward brein, rood te bliksemen uit zijn bloeddoorschoten oogen, hem krankzinnig te maken om zijne krachteloosheid tegenover de domme noodlotsmachten der logische omstandigheden.Als een athleet zwierde zijn arm het zware beeld door de lucht; als een kind wierp hij het in den grooten spiegel, die kletterend in een flikkering van scherven viel.De keizerin en Myxila hadden het vertrek verlaten.
[Inhoud]II.Den volgenden dag reisde de keizerlijke familie van Liparië van Sigismundingen terug naar Lipara. De ontvangst aan het Centraal Station was zeer hartelijk; de stad vlagde: des avonds hadden er volksfeesten plaats.De officieren der verschillende legercorpsen boden den kroonprins gastmalen aan, zijne verloving ter eere. De portretten der aartshertogin Valérie lagen voor de ramen van alle[156]platenwinkels; de couranten schreven lange artikelen, vol jubel.Het was enkele uren vóór het diner, dat de officieren der Troongarde boden aan hun vorstelijken kolonel, toen aan Othomar, als ware het in eens, een vreemd gevoel overkwam. Hij was in zijn kabinet, voelde zich eenigszins duizelig en moest gaan zitten. De duizeling was licht, maar duurde lang; lang scheen de kamer langzaam om hem heen te willen draaien en niet te kunnen, wat iets pijnlijks gaf als van tegenkanting dier levenlooze meubels. Othomars eene hand steunde op zijne dij, de andere op den kraaghals van den colley, die den kop op zijn knie had gelegd. Voorover gebogen bleef hij zitten.Toen de duizeling voorbij was, behield hij eene vreemde lichtheid in het hoofd, als was er iets uit weggenomen. Hij liet zich voorzichtig achterover vallen; de colley, die half soesde in slaap, opende droomerig de oogen en soesde weêr in, zijn kop op de knie, onder Othomars hand. Een onweêrstaanbaremoêheidkroop Othomars ledematen op, als verdronken zij in eene weeke modder. Het bevreemdde hem zeer, dit gevoel, en op de pendule schuin kijkend, zonder het hoofd te bewegen—om de duizeling niet weêr te wekken—rekende hij uit, dat hij nog ruim anderhalf uur had vóor het diner. Deze lengte van tijd stelde hem gerust en stil bleef hij zitten, als wegende zijne moêheid, of ze over zoû gaan, wegtrekken zoû uit zijn lichaam.Het duurde lang, zoo lang zelfs, dat hij weifelde of hij zoû kunnen gaan of niet. Toen er drie kwartier voorbij waren, drukte zijne hand op eene schel, die dicht bij hem stond op tafel. Andro kwam binnen.Andro … begon hij, maar zweeg verder.—Verlangt Uwe Hoogheid zich te kleeden? Alles ligt klaar …Othomar klopte even op den kop van den hond, die nog steeds onbeweeglijk op zijn knie lag te soezen …—Is Uwe Hoogheid niet wel?—Een beetje duizelig, Andro; het gaat al over.—Maar zoû Uwe Hoogheid dan wel gaan: wil ik dan niet om prins Dutri zenden?[157]Othomar schudde beslist van neen en stond op.—Neen, het is al te laat, Andro. Kom, help me …En hij ging zijne kleedkamer in.Hij verscheen op het diner, maar verontschuldigde zich toch bij zijne officieren over zijne zichtbare matheid. De toasten dankte hij alleen met eene heffing van het glas, met een glimlach. Het trof hen allen, dat hij er zeer slecht uitzag, vermagerd, met holle oogen, krijtwit in zijn wit- en gouden uniform. Dadelijk na het diner keerde hij terug naar het Imperiaal, zonder hen te vergezellen naar den Keizerlijken Sportclub, de societeit der jeunesse dorée.Hij sliep zwaar; een vage nevel van gedroom trok door zijn nacht heen. De man, die hem bij Zanti had willen vermoorden, grijnsde hem aan, met ballende vuisten; toen werd het de Gothlandsche zee en hij roeide Valérie voort, maar hoe hij ook roeide, de drie torens van het kasteel trokken altijd door verder weg, onbereikbaar …Toen hij wakker werd, was het reeds over achten. Hij bedacht, dat het te laat was voor zijn gewoonlijken morgenrit en bleef liggen. Hij belde Andro.—Waarom heb je me niet om zeven uur wakker gemaakt?—Uwe Hoogheid sliep nog zoo vast; ik dorst niet; Uwe Hoogheid was gisteren niet wel …—Zoo, heb je me maar laten slapen? Nu goed dan … Laat aan Hare Majesteit zeggen, dat … dat ik niet wel ben.De man zag hem angstig aan.—Wat scheelt Uwe Hoogheid?—Ik weet het niet, Andro.….. Een beetje moê. Waar is Djalo?—Hier, Hoogheid …De colley kwam luidruchtig binnen, zette de groote pooten op het veldbed, schudde, om te kwispelstaarten, het achterlijf woest heen en weêr … Toen, in eens, ging hij kalm liggen, voor het bed.De keizerin liet terug zeggen, dat zij dadelijk komen zoû; ze was nog niet gekleed … Met stille open oogen bleef Othomar op haar wachten.In eene lichte emotie van angst kwam zij eindelijk binnen. Zij vroeg hem, maar leerde niets uit zijne vage, glimlachende[158]antwoorden. Zij legde de hand op zijn voorhoofd, voelde hem den pols, en kon niet besluiten, dat hij koorts zoû hebben. Er heerschten tyfeuze koortsen: zij was er bang voor …De lijfartsen, die geroepen waren, stelden haar gerust: het was geene koorts. De prins scheen algemeen vermoeid te zijn, hij had zich zeker overspannen in den laatsten tijd. Hij moest rust nemen …De keizer verwonderde zich: de prins had pas rust gehad en was weken lang te Altseeborgen gebleven. Waar had dit dan voor gediend!De mare ging door het paleis, de stad, het land, Europa, dat de hertog van Xara zijne kamer hield, om eene lichte ongesteldheid. Een eenvoudig, zeer geruststellend bulletin werd door de geneesheeren uitgegeven.Des middags stond Othomar echter op, kleedde zich zelfs aan, maar niet in uniform. Hij had wat geluncht in zijne kamer en ging nu naar de appartementen der prinses Thera. Zij zat te teekenen; bij haar eene hofdame; de jonge markiezin van Ezzera.De prinses was verwonderd haarbroêrte zien.—Zoo, ben je daar? Ik dacht, dat je in bed lag …—Neen, het gaat wat beter …Hij groette de markiezin, die was opgestaan en neeg.—Wil je niet schilderen? vroeg Othomar.Thera zag hem aan.—Je ziet zoo witjes, arme jongen. Het is misschien beter maar niet. Het vermoeit ook, dat pozeeren, niet waar?—Ja, soms, een beetje …Zij stonden nu voor het portret; de markiezin had zich teruggetrokken, zooals zij altijd deed bij dit samenzijn van zuster en broêr. De schilderij was half bedekt door een zijden lap, dien Thera opsloeg: het was reeds een expressieve jonge kop, waarin het leven begon te tintelen achter de zwarte oogen van weemoed; breed en vast van penseelstreek gedaan, met veel reflect van buitenlicht, dat op de eene zijde van het gelaat viel, en het en relief deed komen, de achterschaduw uit, naar voren.—Het is bijna af? vroeg Othomar.[159]—Ja, maar voor den laatsten toets heb je me al zoo lang in den steek gelaten; denk maar, je bent vier maanden weg geweest. Ik heb er al dien tijd niets aan kunnen doen. Maar weet je … je bent veranderd. Als ik het maar niet zoo zal moeten laten! Het lijkt niet meer …—Het zal wel weêr gaan lijken, als ik er wat beter ga uitzien! antwoordde Othomar, maar de prinses was licht nerveus geworden; ze trok er den zijden lap in eens weêr over heen …Othomar verscheen niet aan het diner: hij ging zeer vroeg naar bed. Den volgenden morgen vonden de geneesheeren hem in eene groote lusteloosheid. Hij was opgestaan maar had zich niet gekleed; in zijn kamerrok lag hij op de bank in zijn kabinet, de colley aan zijne voeten. Aan de keizerin klaagde hij, dat hij zich zoo vreemd in zijn hoofd voelde, als zoû het opengaan en alles er uit weg wolken. Bij den keizer, die hem zien kwam, verontschuldigde hij zich met zijn souffranten glimlach over zijne ongesteldheid …Dagen lang bleef deze toestand de zelfde: een totale lusteloosheid, totaal gebrek aan eetlust, een zichtbare afmatting … De keizerin zat bij hem, waar hij lag op zijn bank, te staren door de open ramen in de groene diepte van het platanenpark. De vogels sjirpten er; soms klonk er Berengars schel stemmetje, die met een paar vriendjes speelde. De keizerin las voor, maar het vermoeide Othomar, het gaf hem hoofdpijn …Na een lang gesprek, dat de drie doktoren met den keizer en de keizerin gehouden hadden, werd professor Barzia, uit Altara, ontboden voor een consult; de professor was een Europeesche specialiteit voor zenuwziekten.In het kabinet van den keizer wachtten de keizer, de keizerin en graaf Myxila den uitslag van het onderzoek en het, daarop gevolgde, consult af. Het duurde lang. In hunne afwachting spraken zij niet; de keizerin zat met haar stil berustend gelaat te turen voor zich; de keizer, geïrriteerd, liep heen en weer. De oude Rijkskanselier, met zijn streng hoog gezicht en kalen schedel, stond bedenkend bij het venster.Toen lieten de doktoren zich aandienen. Ze verschenen, professor Barzia het eerst; de lijfartsen volgden. De keizerin meende het ergste te lezen op de strakke, blanke gelaatstrekken[160]van den professor; een der artsen echter, als meêlijdend, knikte achter hem haar met zijn goeden, dikken kop stil geruststellend toe.—Welnu? vroeg de keizer.—Wij hebben Zijne Keizerlijke Hoogheid nauwkeurig onderzocht, Sire, begon de professor. Van organische gebreken is de prins geheel vrij, al is hij over het algemeen van een teêre constitutie.—Maar wat dan? vroeg Oscar.—Het zenuwgestel van den prins dunkt ons verontrustend afgemat te zijn, Sire.—Zijn zenuwen? Maar hij is nooit zenuwachtig, hij is altijd kalm, riep de keizer uit, onwillig.—Des te meer moeten wij de zelfbeheersching van den prins waardeeren, Sire. Zijne Hoogheid heeft zich klaarblijkelijk lang opgehouden en deze inspanning verraadt Haar op dit oogenblik. Zij is nu ook kalm, zooals uwe Majesteit zegt. Maar deze kalmte neemt niet weg, dat Hare zenuwen volslagen afgewonden zijn. Zijne Hoogheid heeft klaarblijkelijk te veel van zich gevergd in den laatsten tijd.—En waarin zoû dat te veel dan bestaan hebben? vroeg de keizer hoog.De professor maakte een vage beweging van niet weten.—Dat zal men aan het hof zeker beter weten, dan ik het doe, die uit mijn studeerkamer en mijn hospitalen kom, Sire. Uwe Majesteit zelve zal zich daarop het antwoord kunnen zeggen. Ik kan Haar alleen eenige aanwijzingen geven. Zijne Hoogheid zei mij, zich te herinneren, dat Zij reeds voor de groote overstroomingen in het Noorden, zulke afmattingen en duizelingen soms gevoelde. Dat was Maart. Het is nu September. Ik stel mij voor, dat Zijne Hoogheid in dien tusschentijd een veelbewogen leven geleid heeft?De keizer maakte niet begrijpende bewegingen met de wenkbrauwen: lichte trillingen van zijn energieken kop met het vlies van grauwend haar.—De reis in het Noorden kàn Zijne Hoogheid inderdaad aangedaan hebben, professor … begon de keizerin.Zij zat recht, hoog, in haar eenvoudigen donkeren japon. Haar gelaat was zonder uitdrukking; hare oogen stonden[161]koud. Zij sprak zakelijk, als ware zij niet eene moeder.—Zijne Hoogheid is zeer gevoelig voor indrukken, ging zij voort; en Zij heeft er indertijd te Altara zeker schokkende ontvangen.De professor boog even het hoofd.—Ik herinner mij Zijne Hoogheid bij de lijkschouwing op het weiland, Mevrouw, sprak hij; Zijne Hoogheid wàs werkelijk bizonder aangedaan …—Maar wat beduidt dat? vroeg de keizer, steeds onwillig.—Dat Zijne Hoogheid sedert dien tijd denkelijk zich geen rust heeft gegund, Sire …—Zijne Hoogheid heeft zich máanden rust gegund! riep de keizer uit.—Vergunt Uwe Majesteit ons eens terug te gaan. Na de zeer vermoeiende reis in het Noorden is de prins dadelijk gekomen in emoties van staatsgewicht—Lipara was destijds in staat van beleg—en daarna in de drukte van een feesttijd, toen de Syrische vorsten hier waren …De keizer haalde zijne schouders op.—De prins is daarna al voor herstel van gezondheid op aanraden van mijne geachte collega’s een zeereis gaan ondernemen. Zijne Hoogheid zal toen zeker dagen van rust gehad hebben, maar de groote jachten, die Zij met prins Herman samen deed, zijn Haar ongetwijfeld te zwaar geweest. Nu onlangs is Zijne Hoogheid verloofd geworden; dit kan Haar emotie gegeven hebben. Ik tel terloops eenige groote feiten op Sire. Ik weet niets van het gemoedsleven van den prins; als ik hiervan iets wist, zoû het mij zeker vele dingen gemakkelijker maken. Maar dit is zeker: Zijne hoogheid heeft dag aan dag een te schokkend bestaan gehad, wat het dan ook waren, groote of kleine schokken. Dat Zijne Hoogheid niet eerder in elkaâr is gevallen, is zeker te danken aan een buitengewone zelfbeheersching, die mij aan den prins zelven onbewust schijnt te zijn, en een buitengewoon plichtbesef, dat ook geheel spontaan in Zijne Hoogheid is. Het zijn hooge kwaliteiten, Sire, in een aanstaand heerscher …Der keizerin was eene lichte blos over de wangen gegaan; een zachtere uitdrukking wasemde over de koudheid van haar gelaat.[162]—En wat is uw raad, professor; vroeg ze.—Dat Zijne Hoogheid een onbepaalde rust neemt, Mevrouw.—Het huwelijk van Zijne Hoogheid was voor de volgende maand bepaald? hernam de keizerin, vragend.De gelaatstrekken van professor Barzia werden geheel blank en strak.—Het zoû eenvoudig-weg onverantwoordelijk zijn, zoo het huwelijk van Zijne Hoogheid de volgende maand plaats greep, orakelde hij met zijne effen stem.—Uitstellen dus? vroeg de keizer met ingehouden woede.—Zonder twijfel, Sire, antwoordde de professor beslist koel.—Mijn waarde professor … knarste de keizer quasi vriendelijk tusschen zijne tanden. U spreekt van rust, en nog eens rust. Mijn God, ik zeg u, de prins heeft gerust, maanden lang, maanden lang … Rust ik ooit zoo lang? Het leven is bewegen en regeeren is ook bewegen. Wij kunnen niet aan rust doen. Waarom moet een jonge man als de prins telkens rusten? Ik herinner me niet óoit zoo gerust te hebben, toen ik kroonprins was! Hij mag niet zoo sterk zijn als ik, hij is toch van ons geslacht! Emoties, zegt u! Mijn God, wat voor emoties? Emoties van staatsgewicht? Die hebikgehad, maar de prins niet! En ik had er geen rust na noodig. En moet een vorst gaan uitrusten als hij verloofd is? Waarlijk, professor, dat is de hygiene te ver gedreven!—Sire, Uwe Majesteit heeft mij de eer aan gedaan mijn oordeel te willen weten over den toestand van den prins. Ik heb dat oordeel uitgesproken, naar mijn beste weten.—Dus rusten?—Ongetwijfeld, Sire.—Maar hoe lang wil u hebben, dat hij rust?—Ik kan hier geen datum voor stellen, Sire.—Hoe lang wil u hebben, dat zijn huwelijk uitgesteld wordt?—Onbepaald, Sire.De keizer liep het vertrek op en neêr: iets vreemds trilde over zijn energieken kop: angst …—Dat is onmogelijk, mompelde hij kort.[163]Allen zwegen.—Dat is onmogelijk, herhaalde hij dof.—Dan zal Zijne Hoogheid trouwen, Sire, sprak Barzia.De keizer stond stil.—Hoe meent u? vroeg hij barsch.—Dat niets Uwe Majesteit in deze hoogst gewichtige zaak een wet kan stellen … behalve Haar eigen gevoel en redelijkheid.Hijgend ging de adem van den keizer tusschen zijne volle lippen van zinnelijkheid; de aderen zwollen dik op zijn laag Romeinsch voorhoofd; zijne sterke vuisten balden zich. Niemand had Oscar nog ooit zoo gezien; niemand ook had nog zoo tot hem durven spreken …—Verklaar u dan nader … donderde hij in het strakke gelaat van den professor.Deze verroerde geen trek:—Als Zijne Hoogheid de volgende maand trouwt … is het Hare dood.De keizerin bleef stijfrecht zitten, maar zij was zeer bleek geworden, rilde, sloot de oogen of het haar duizelde.—Zijn dood? herhaalde de keizer verplet.—Of erger, hernam Barzia.—Erger?!—De ondergang van Uwer Majesteits nageslacht.De keizer vloekte een woesten kreet uit en sloeg met de vuist op de kolossale schrijftafel. De bronzen ornamenten ervan rinkelden. Myxila trad een pas nader.—Sire, sprak hij; er is niets verloren. Heb ik den heer professor wel begrepen, zoo is de ongesteldheid van Zijne Hoogheid een tijdelijke, en geneeslijk.—Zeker, Excellentie, antwoordde Barzia. Zoo men ze niet ongeneeslijk en niet tijdelijk dwingt te zijn.Oscar beet zich krampachtig de lippen. Zijne flonkerende oogen stonden klein, wreed. Het trof Myxila, hoe hij op dit oogenblik geleek op een portret van Wenceslas den Wreede.—Professor, siste hij. Wij danken u. Blijf nog tot morgen te Lipara, opdat u Zijne Hoogheid nog eens kunt observeeren.—Ik gehoorzaam aan het bevel van Uwe Majesteit, sprak Barzia.[164]Hij boog, de geneesheeren bogen, zij trokken zich terug. Alleen met de keizerin en den Rijkskanselier hield Oscar niet langer zijne woede in. Als een schuimbekkend dier, wild, liep hij op en neêr met zware stappen, krijschte hij als kon de adem niet door zijne geschroefde keel komen.—Oh! knarste hij tusschen zijne kaken, barstte hij eindelijk los. Die jongen, die jongen … Niet éens kan die trouwen! Met zijn hertogin, dàar kon die meê trouwen! En die jongen!O, die jongen moet mij opvolgen, mij …Eene woedende lach stiet zich minachtend tusschen zijne groote witte tanden uit, als vlijmende ironie.De keizerin rees op.—Graaf Myxila, sprak ze sidderend. Mag ik uwe Excellentie verzoeken mij te volgen?Zij begaf zich naar de deur; Myxila, aarzelend, volgde reeds.—Waarom? brulde de keizer. Wat hoeft dat? Ik heb nog met Myxila te spreken …De keizerin zag den keizer ijskoud aan.—Het is mijn uitdrukkelijk verlangen, Sire, dat graaf Myxila mij volgt, sprak ze, steeds met hare sidderende stem. Ik geloof, dat Uwe Majesteit eenzaamheid behoeft. Uwe Majesteit zegt dingen, die een vader zelfs niet mag dènken, en een vorst zeker niet mag zeggen in de prezentie van een zijner onderdanen, zelfs niet van een zijner hoogste onderdanen.De keizer wilde haar in de rede vallen.—Uwe Majesteit,—ging de keizerin trillend hoog voort, hem het woord met hare ijskoude sidderende stem afsnijdende als met een mes—zegt die dingen van den toekomstigen keizer van Liparië … en ik wensch, dat géen onderdaan, zelfs niet graaf Myxila, uit Haren mond van den toekomstigen keizer zulke dingen hoort, en Uwe Majesteit zegt die dingen tevens vanmijn zoon: ik wensch ze daarom zelve niet te hooren, Sire! Excellentie, ik verzoek u nog eens: volg mij.—Ga dan, brulde de keizer dol uit. Ga dan allebei, laat me dan ook alleen, laát me ook alleen!Razend liep hij op en neêr, smeet de stoelen door elkaâr, brieschte als een aangehitste leeuw in een kooi. Een bronzen beeld nam hij op van de console, voor een hoogen[165]spiegel, die tot het plafond in vergulde krullen omhoog steeg.—Daar dan! striemde zijne stem, en zijne drift scheen ziedend rond te wolken in zijn verward brein, rood te bliksemen uit zijn bloeddoorschoten oogen, hem krankzinnig te maken om zijne krachteloosheid tegenover de domme noodlotsmachten der logische omstandigheden.Als een athleet zwierde zijn arm het zware beeld door de lucht; als een kind wierp hij het in den grooten spiegel, die kletterend in een flikkering van scherven viel.De keizerin en Myxila hadden het vertrek verlaten.
[Inhoud]II.Den volgenden dag reisde de keizerlijke familie van Liparië van Sigismundingen terug naar Lipara. De ontvangst aan het Centraal Station was zeer hartelijk; de stad vlagde: des avonds hadden er volksfeesten plaats.De officieren der verschillende legercorpsen boden den kroonprins gastmalen aan, zijne verloving ter eere. De portretten der aartshertogin Valérie lagen voor de ramen van alle[156]platenwinkels; de couranten schreven lange artikelen, vol jubel.Het was enkele uren vóór het diner, dat de officieren der Troongarde boden aan hun vorstelijken kolonel, toen aan Othomar, als ware het in eens, een vreemd gevoel overkwam. Hij was in zijn kabinet, voelde zich eenigszins duizelig en moest gaan zitten. De duizeling was licht, maar duurde lang; lang scheen de kamer langzaam om hem heen te willen draaien en niet te kunnen, wat iets pijnlijks gaf als van tegenkanting dier levenlooze meubels. Othomars eene hand steunde op zijne dij, de andere op den kraaghals van den colley, die den kop op zijn knie had gelegd. Voorover gebogen bleef hij zitten.Toen de duizeling voorbij was, behield hij eene vreemde lichtheid in het hoofd, als was er iets uit weggenomen. Hij liet zich voorzichtig achterover vallen; de colley, die half soesde in slaap, opende droomerig de oogen en soesde weêr in, zijn kop op de knie, onder Othomars hand. Een onweêrstaanbaremoêheidkroop Othomars ledematen op, als verdronken zij in eene weeke modder. Het bevreemdde hem zeer, dit gevoel, en op de pendule schuin kijkend, zonder het hoofd te bewegen—om de duizeling niet weêr te wekken—rekende hij uit, dat hij nog ruim anderhalf uur had vóor het diner. Deze lengte van tijd stelde hem gerust en stil bleef hij zitten, als wegende zijne moêheid, of ze over zoû gaan, wegtrekken zoû uit zijn lichaam.Het duurde lang, zoo lang zelfs, dat hij weifelde of hij zoû kunnen gaan of niet. Toen er drie kwartier voorbij waren, drukte zijne hand op eene schel, die dicht bij hem stond op tafel. Andro kwam binnen.Andro … begon hij, maar zweeg verder.—Verlangt Uwe Hoogheid zich te kleeden? Alles ligt klaar …Othomar klopte even op den kop van den hond, die nog steeds onbeweeglijk op zijn knie lag te soezen …—Is Uwe Hoogheid niet wel?—Een beetje duizelig, Andro; het gaat al over.—Maar zoû Uwe Hoogheid dan wel gaan: wil ik dan niet om prins Dutri zenden?[157]Othomar schudde beslist van neen en stond op.—Neen, het is al te laat, Andro. Kom, help me …En hij ging zijne kleedkamer in.Hij verscheen op het diner, maar verontschuldigde zich toch bij zijne officieren over zijne zichtbare matheid. De toasten dankte hij alleen met eene heffing van het glas, met een glimlach. Het trof hen allen, dat hij er zeer slecht uitzag, vermagerd, met holle oogen, krijtwit in zijn wit- en gouden uniform. Dadelijk na het diner keerde hij terug naar het Imperiaal, zonder hen te vergezellen naar den Keizerlijken Sportclub, de societeit der jeunesse dorée.Hij sliep zwaar; een vage nevel van gedroom trok door zijn nacht heen. De man, die hem bij Zanti had willen vermoorden, grijnsde hem aan, met ballende vuisten; toen werd het de Gothlandsche zee en hij roeide Valérie voort, maar hoe hij ook roeide, de drie torens van het kasteel trokken altijd door verder weg, onbereikbaar …Toen hij wakker werd, was het reeds over achten. Hij bedacht, dat het te laat was voor zijn gewoonlijken morgenrit en bleef liggen. Hij belde Andro.—Waarom heb je me niet om zeven uur wakker gemaakt?—Uwe Hoogheid sliep nog zoo vast; ik dorst niet; Uwe Hoogheid was gisteren niet wel …—Zoo, heb je me maar laten slapen? Nu goed dan … Laat aan Hare Majesteit zeggen, dat … dat ik niet wel ben.De man zag hem angstig aan.—Wat scheelt Uwe Hoogheid?—Ik weet het niet, Andro.….. Een beetje moê. Waar is Djalo?—Hier, Hoogheid …De colley kwam luidruchtig binnen, zette de groote pooten op het veldbed, schudde, om te kwispelstaarten, het achterlijf woest heen en weêr … Toen, in eens, ging hij kalm liggen, voor het bed.De keizerin liet terug zeggen, dat zij dadelijk komen zoû; ze was nog niet gekleed … Met stille open oogen bleef Othomar op haar wachten.In eene lichte emotie van angst kwam zij eindelijk binnen. Zij vroeg hem, maar leerde niets uit zijne vage, glimlachende[158]antwoorden. Zij legde de hand op zijn voorhoofd, voelde hem den pols, en kon niet besluiten, dat hij koorts zoû hebben. Er heerschten tyfeuze koortsen: zij was er bang voor …De lijfartsen, die geroepen waren, stelden haar gerust: het was geene koorts. De prins scheen algemeen vermoeid te zijn, hij had zich zeker overspannen in den laatsten tijd. Hij moest rust nemen …De keizer verwonderde zich: de prins had pas rust gehad en was weken lang te Altseeborgen gebleven. Waar had dit dan voor gediend!De mare ging door het paleis, de stad, het land, Europa, dat de hertog van Xara zijne kamer hield, om eene lichte ongesteldheid. Een eenvoudig, zeer geruststellend bulletin werd door de geneesheeren uitgegeven.Des middags stond Othomar echter op, kleedde zich zelfs aan, maar niet in uniform. Hij had wat geluncht in zijne kamer en ging nu naar de appartementen der prinses Thera. Zij zat te teekenen; bij haar eene hofdame; de jonge markiezin van Ezzera.De prinses was verwonderd haarbroêrte zien.—Zoo, ben je daar? Ik dacht, dat je in bed lag …—Neen, het gaat wat beter …Hij groette de markiezin, die was opgestaan en neeg.—Wil je niet schilderen? vroeg Othomar.Thera zag hem aan.—Je ziet zoo witjes, arme jongen. Het is misschien beter maar niet. Het vermoeit ook, dat pozeeren, niet waar?—Ja, soms, een beetje …Zij stonden nu voor het portret; de markiezin had zich teruggetrokken, zooals zij altijd deed bij dit samenzijn van zuster en broêr. De schilderij was half bedekt door een zijden lap, dien Thera opsloeg: het was reeds een expressieve jonge kop, waarin het leven begon te tintelen achter de zwarte oogen van weemoed; breed en vast van penseelstreek gedaan, met veel reflect van buitenlicht, dat op de eene zijde van het gelaat viel, en het en relief deed komen, de achterschaduw uit, naar voren.—Het is bijna af? vroeg Othomar.[159]—Ja, maar voor den laatsten toets heb je me al zoo lang in den steek gelaten; denk maar, je bent vier maanden weg geweest. Ik heb er al dien tijd niets aan kunnen doen. Maar weet je … je bent veranderd. Als ik het maar niet zoo zal moeten laten! Het lijkt niet meer …—Het zal wel weêr gaan lijken, als ik er wat beter ga uitzien! antwoordde Othomar, maar de prinses was licht nerveus geworden; ze trok er den zijden lap in eens weêr over heen …Othomar verscheen niet aan het diner: hij ging zeer vroeg naar bed. Den volgenden morgen vonden de geneesheeren hem in eene groote lusteloosheid. Hij was opgestaan maar had zich niet gekleed; in zijn kamerrok lag hij op de bank in zijn kabinet, de colley aan zijne voeten. Aan de keizerin klaagde hij, dat hij zich zoo vreemd in zijn hoofd voelde, als zoû het opengaan en alles er uit weg wolken. Bij den keizer, die hem zien kwam, verontschuldigde hij zich met zijn souffranten glimlach over zijne ongesteldheid …Dagen lang bleef deze toestand de zelfde: een totale lusteloosheid, totaal gebrek aan eetlust, een zichtbare afmatting … De keizerin zat bij hem, waar hij lag op zijn bank, te staren door de open ramen in de groene diepte van het platanenpark. De vogels sjirpten er; soms klonk er Berengars schel stemmetje, die met een paar vriendjes speelde. De keizerin las voor, maar het vermoeide Othomar, het gaf hem hoofdpijn …Na een lang gesprek, dat de drie doktoren met den keizer en de keizerin gehouden hadden, werd professor Barzia, uit Altara, ontboden voor een consult; de professor was een Europeesche specialiteit voor zenuwziekten.In het kabinet van den keizer wachtten de keizer, de keizerin en graaf Myxila den uitslag van het onderzoek en het, daarop gevolgde, consult af. Het duurde lang. In hunne afwachting spraken zij niet; de keizerin zat met haar stil berustend gelaat te turen voor zich; de keizer, geïrriteerd, liep heen en weer. De oude Rijkskanselier, met zijn streng hoog gezicht en kalen schedel, stond bedenkend bij het venster.Toen lieten de doktoren zich aandienen. Ze verschenen, professor Barzia het eerst; de lijfartsen volgden. De keizerin meende het ergste te lezen op de strakke, blanke gelaatstrekken[160]van den professor; een der artsen echter, als meêlijdend, knikte achter hem haar met zijn goeden, dikken kop stil geruststellend toe.—Welnu? vroeg de keizer.—Wij hebben Zijne Keizerlijke Hoogheid nauwkeurig onderzocht, Sire, begon de professor. Van organische gebreken is de prins geheel vrij, al is hij over het algemeen van een teêre constitutie.—Maar wat dan? vroeg Oscar.—Het zenuwgestel van den prins dunkt ons verontrustend afgemat te zijn, Sire.—Zijn zenuwen? Maar hij is nooit zenuwachtig, hij is altijd kalm, riep de keizer uit, onwillig.—Des te meer moeten wij de zelfbeheersching van den prins waardeeren, Sire. Zijne Hoogheid heeft zich klaarblijkelijk lang opgehouden en deze inspanning verraadt Haar op dit oogenblik. Zij is nu ook kalm, zooals uwe Majesteit zegt. Maar deze kalmte neemt niet weg, dat Hare zenuwen volslagen afgewonden zijn. Zijne Hoogheid heeft klaarblijkelijk te veel van zich gevergd in den laatsten tijd.—En waarin zoû dat te veel dan bestaan hebben? vroeg de keizer hoog.De professor maakte een vage beweging van niet weten.—Dat zal men aan het hof zeker beter weten, dan ik het doe, die uit mijn studeerkamer en mijn hospitalen kom, Sire. Uwe Majesteit zelve zal zich daarop het antwoord kunnen zeggen. Ik kan Haar alleen eenige aanwijzingen geven. Zijne Hoogheid zei mij, zich te herinneren, dat Zij reeds voor de groote overstroomingen in het Noorden, zulke afmattingen en duizelingen soms gevoelde. Dat was Maart. Het is nu September. Ik stel mij voor, dat Zijne Hoogheid in dien tusschentijd een veelbewogen leven geleid heeft?De keizer maakte niet begrijpende bewegingen met de wenkbrauwen: lichte trillingen van zijn energieken kop met het vlies van grauwend haar.—De reis in het Noorden kàn Zijne Hoogheid inderdaad aangedaan hebben, professor … begon de keizerin.Zij zat recht, hoog, in haar eenvoudigen donkeren japon. Haar gelaat was zonder uitdrukking; hare oogen stonden[161]koud. Zij sprak zakelijk, als ware zij niet eene moeder.—Zijne Hoogheid is zeer gevoelig voor indrukken, ging zij voort; en Zij heeft er indertijd te Altara zeker schokkende ontvangen.De professor boog even het hoofd.—Ik herinner mij Zijne Hoogheid bij de lijkschouwing op het weiland, Mevrouw, sprak hij; Zijne Hoogheid wàs werkelijk bizonder aangedaan …—Maar wat beduidt dat? vroeg de keizer, steeds onwillig.—Dat Zijne Hoogheid sedert dien tijd denkelijk zich geen rust heeft gegund, Sire …—Zijne Hoogheid heeft zich máanden rust gegund! riep de keizer uit.—Vergunt Uwe Majesteit ons eens terug te gaan. Na de zeer vermoeiende reis in het Noorden is de prins dadelijk gekomen in emoties van staatsgewicht—Lipara was destijds in staat van beleg—en daarna in de drukte van een feesttijd, toen de Syrische vorsten hier waren …De keizer haalde zijne schouders op.—De prins is daarna al voor herstel van gezondheid op aanraden van mijne geachte collega’s een zeereis gaan ondernemen. Zijne Hoogheid zal toen zeker dagen van rust gehad hebben, maar de groote jachten, die Zij met prins Herman samen deed, zijn Haar ongetwijfeld te zwaar geweest. Nu onlangs is Zijne Hoogheid verloofd geworden; dit kan Haar emotie gegeven hebben. Ik tel terloops eenige groote feiten op Sire. Ik weet niets van het gemoedsleven van den prins; als ik hiervan iets wist, zoû het mij zeker vele dingen gemakkelijker maken. Maar dit is zeker: Zijne hoogheid heeft dag aan dag een te schokkend bestaan gehad, wat het dan ook waren, groote of kleine schokken. Dat Zijne Hoogheid niet eerder in elkaâr is gevallen, is zeker te danken aan een buitengewone zelfbeheersching, die mij aan den prins zelven onbewust schijnt te zijn, en een buitengewoon plichtbesef, dat ook geheel spontaan in Zijne Hoogheid is. Het zijn hooge kwaliteiten, Sire, in een aanstaand heerscher …Der keizerin was eene lichte blos over de wangen gegaan; een zachtere uitdrukking wasemde over de koudheid van haar gelaat.[162]—En wat is uw raad, professor; vroeg ze.—Dat Zijne Hoogheid een onbepaalde rust neemt, Mevrouw.—Het huwelijk van Zijne Hoogheid was voor de volgende maand bepaald? hernam de keizerin, vragend.De gelaatstrekken van professor Barzia werden geheel blank en strak.—Het zoû eenvoudig-weg onverantwoordelijk zijn, zoo het huwelijk van Zijne Hoogheid de volgende maand plaats greep, orakelde hij met zijne effen stem.—Uitstellen dus? vroeg de keizer met ingehouden woede.—Zonder twijfel, Sire, antwoordde de professor beslist koel.—Mijn waarde professor … knarste de keizer quasi vriendelijk tusschen zijne tanden. U spreekt van rust, en nog eens rust. Mijn God, ik zeg u, de prins heeft gerust, maanden lang, maanden lang … Rust ik ooit zoo lang? Het leven is bewegen en regeeren is ook bewegen. Wij kunnen niet aan rust doen. Waarom moet een jonge man als de prins telkens rusten? Ik herinner me niet óoit zoo gerust te hebben, toen ik kroonprins was! Hij mag niet zoo sterk zijn als ik, hij is toch van ons geslacht! Emoties, zegt u! Mijn God, wat voor emoties? Emoties van staatsgewicht? Die hebikgehad, maar de prins niet! En ik had er geen rust na noodig. En moet een vorst gaan uitrusten als hij verloofd is? Waarlijk, professor, dat is de hygiene te ver gedreven!—Sire, Uwe Majesteit heeft mij de eer aan gedaan mijn oordeel te willen weten over den toestand van den prins. Ik heb dat oordeel uitgesproken, naar mijn beste weten.—Dus rusten?—Ongetwijfeld, Sire.—Maar hoe lang wil u hebben, dat hij rust?—Ik kan hier geen datum voor stellen, Sire.—Hoe lang wil u hebben, dat zijn huwelijk uitgesteld wordt?—Onbepaald, Sire.De keizer liep het vertrek op en neêr: iets vreemds trilde over zijn energieken kop: angst …—Dat is onmogelijk, mompelde hij kort.[163]Allen zwegen.—Dat is onmogelijk, herhaalde hij dof.—Dan zal Zijne Hoogheid trouwen, Sire, sprak Barzia.De keizer stond stil.—Hoe meent u? vroeg hij barsch.—Dat niets Uwe Majesteit in deze hoogst gewichtige zaak een wet kan stellen … behalve Haar eigen gevoel en redelijkheid.Hijgend ging de adem van den keizer tusschen zijne volle lippen van zinnelijkheid; de aderen zwollen dik op zijn laag Romeinsch voorhoofd; zijne sterke vuisten balden zich. Niemand had Oscar nog ooit zoo gezien; niemand ook had nog zoo tot hem durven spreken …—Verklaar u dan nader … donderde hij in het strakke gelaat van den professor.Deze verroerde geen trek:—Als Zijne Hoogheid de volgende maand trouwt … is het Hare dood.De keizerin bleef stijfrecht zitten, maar zij was zeer bleek geworden, rilde, sloot de oogen of het haar duizelde.—Zijn dood? herhaalde de keizer verplet.—Of erger, hernam Barzia.—Erger?!—De ondergang van Uwer Majesteits nageslacht.De keizer vloekte een woesten kreet uit en sloeg met de vuist op de kolossale schrijftafel. De bronzen ornamenten ervan rinkelden. Myxila trad een pas nader.—Sire, sprak hij; er is niets verloren. Heb ik den heer professor wel begrepen, zoo is de ongesteldheid van Zijne Hoogheid een tijdelijke, en geneeslijk.—Zeker, Excellentie, antwoordde Barzia. Zoo men ze niet ongeneeslijk en niet tijdelijk dwingt te zijn.Oscar beet zich krampachtig de lippen. Zijne flonkerende oogen stonden klein, wreed. Het trof Myxila, hoe hij op dit oogenblik geleek op een portret van Wenceslas den Wreede.—Professor, siste hij. Wij danken u. Blijf nog tot morgen te Lipara, opdat u Zijne Hoogheid nog eens kunt observeeren.—Ik gehoorzaam aan het bevel van Uwe Majesteit, sprak Barzia.[164]Hij boog, de geneesheeren bogen, zij trokken zich terug. Alleen met de keizerin en den Rijkskanselier hield Oscar niet langer zijne woede in. Als een schuimbekkend dier, wild, liep hij op en neêr met zware stappen, krijschte hij als kon de adem niet door zijne geschroefde keel komen.—Oh! knarste hij tusschen zijne kaken, barstte hij eindelijk los. Die jongen, die jongen … Niet éens kan die trouwen! Met zijn hertogin, dàar kon die meê trouwen! En die jongen!O, die jongen moet mij opvolgen, mij …Eene woedende lach stiet zich minachtend tusschen zijne groote witte tanden uit, als vlijmende ironie.De keizerin rees op.—Graaf Myxila, sprak ze sidderend. Mag ik uwe Excellentie verzoeken mij te volgen?Zij begaf zich naar de deur; Myxila, aarzelend, volgde reeds.—Waarom? brulde de keizer. Wat hoeft dat? Ik heb nog met Myxila te spreken …De keizerin zag den keizer ijskoud aan.—Het is mijn uitdrukkelijk verlangen, Sire, dat graaf Myxila mij volgt, sprak ze, steeds met hare sidderende stem. Ik geloof, dat Uwe Majesteit eenzaamheid behoeft. Uwe Majesteit zegt dingen, die een vader zelfs niet mag dènken, en een vorst zeker niet mag zeggen in de prezentie van een zijner onderdanen, zelfs niet van een zijner hoogste onderdanen.De keizer wilde haar in de rede vallen.—Uwe Majesteit,—ging de keizerin trillend hoog voort, hem het woord met hare ijskoude sidderende stem afsnijdende als met een mes—zegt die dingen van den toekomstigen keizer van Liparië … en ik wensch, dat géen onderdaan, zelfs niet graaf Myxila, uit Haren mond van den toekomstigen keizer zulke dingen hoort, en Uwe Majesteit zegt die dingen tevens vanmijn zoon: ik wensch ze daarom zelve niet te hooren, Sire! Excellentie, ik verzoek u nog eens: volg mij.—Ga dan, brulde de keizer dol uit. Ga dan allebei, laat me dan ook alleen, laát me ook alleen!Razend liep hij op en neêr, smeet de stoelen door elkaâr, brieschte als een aangehitste leeuw in een kooi. Een bronzen beeld nam hij op van de console, voor een hoogen[165]spiegel, die tot het plafond in vergulde krullen omhoog steeg.—Daar dan! striemde zijne stem, en zijne drift scheen ziedend rond te wolken in zijn verward brein, rood te bliksemen uit zijn bloeddoorschoten oogen, hem krankzinnig te maken om zijne krachteloosheid tegenover de domme noodlotsmachten der logische omstandigheden.Als een athleet zwierde zijn arm het zware beeld door de lucht; als een kind wierp hij het in den grooten spiegel, die kletterend in een flikkering van scherven viel.De keizerin en Myxila hadden het vertrek verlaten.
[Inhoud]II.Den volgenden dag reisde de keizerlijke familie van Liparië van Sigismundingen terug naar Lipara. De ontvangst aan het Centraal Station was zeer hartelijk; de stad vlagde: des avonds hadden er volksfeesten plaats.De officieren der verschillende legercorpsen boden den kroonprins gastmalen aan, zijne verloving ter eere. De portretten der aartshertogin Valérie lagen voor de ramen van alle[156]platenwinkels; de couranten schreven lange artikelen, vol jubel.Het was enkele uren vóór het diner, dat de officieren der Troongarde boden aan hun vorstelijken kolonel, toen aan Othomar, als ware het in eens, een vreemd gevoel overkwam. Hij was in zijn kabinet, voelde zich eenigszins duizelig en moest gaan zitten. De duizeling was licht, maar duurde lang; lang scheen de kamer langzaam om hem heen te willen draaien en niet te kunnen, wat iets pijnlijks gaf als van tegenkanting dier levenlooze meubels. Othomars eene hand steunde op zijne dij, de andere op den kraaghals van den colley, die den kop op zijn knie had gelegd. Voorover gebogen bleef hij zitten.Toen de duizeling voorbij was, behield hij eene vreemde lichtheid in het hoofd, als was er iets uit weggenomen. Hij liet zich voorzichtig achterover vallen; de colley, die half soesde in slaap, opende droomerig de oogen en soesde weêr in, zijn kop op de knie, onder Othomars hand. Een onweêrstaanbaremoêheidkroop Othomars ledematen op, als verdronken zij in eene weeke modder. Het bevreemdde hem zeer, dit gevoel, en op de pendule schuin kijkend, zonder het hoofd te bewegen—om de duizeling niet weêr te wekken—rekende hij uit, dat hij nog ruim anderhalf uur had vóor het diner. Deze lengte van tijd stelde hem gerust en stil bleef hij zitten, als wegende zijne moêheid, of ze over zoû gaan, wegtrekken zoû uit zijn lichaam.Het duurde lang, zoo lang zelfs, dat hij weifelde of hij zoû kunnen gaan of niet. Toen er drie kwartier voorbij waren, drukte zijne hand op eene schel, die dicht bij hem stond op tafel. Andro kwam binnen.Andro … begon hij, maar zweeg verder.—Verlangt Uwe Hoogheid zich te kleeden? Alles ligt klaar …Othomar klopte even op den kop van den hond, die nog steeds onbeweeglijk op zijn knie lag te soezen …—Is Uwe Hoogheid niet wel?—Een beetje duizelig, Andro; het gaat al over.—Maar zoû Uwe Hoogheid dan wel gaan: wil ik dan niet om prins Dutri zenden?[157]Othomar schudde beslist van neen en stond op.—Neen, het is al te laat, Andro. Kom, help me …En hij ging zijne kleedkamer in.Hij verscheen op het diner, maar verontschuldigde zich toch bij zijne officieren over zijne zichtbare matheid. De toasten dankte hij alleen met eene heffing van het glas, met een glimlach. Het trof hen allen, dat hij er zeer slecht uitzag, vermagerd, met holle oogen, krijtwit in zijn wit- en gouden uniform. Dadelijk na het diner keerde hij terug naar het Imperiaal, zonder hen te vergezellen naar den Keizerlijken Sportclub, de societeit der jeunesse dorée.Hij sliep zwaar; een vage nevel van gedroom trok door zijn nacht heen. De man, die hem bij Zanti had willen vermoorden, grijnsde hem aan, met ballende vuisten; toen werd het de Gothlandsche zee en hij roeide Valérie voort, maar hoe hij ook roeide, de drie torens van het kasteel trokken altijd door verder weg, onbereikbaar …Toen hij wakker werd, was het reeds over achten. Hij bedacht, dat het te laat was voor zijn gewoonlijken morgenrit en bleef liggen. Hij belde Andro.—Waarom heb je me niet om zeven uur wakker gemaakt?—Uwe Hoogheid sliep nog zoo vast; ik dorst niet; Uwe Hoogheid was gisteren niet wel …—Zoo, heb je me maar laten slapen? Nu goed dan … Laat aan Hare Majesteit zeggen, dat … dat ik niet wel ben.De man zag hem angstig aan.—Wat scheelt Uwe Hoogheid?—Ik weet het niet, Andro.….. Een beetje moê. Waar is Djalo?—Hier, Hoogheid …De colley kwam luidruchtig binnen, zette de groote pooten op het veldbed, schudde, om te kwispelstaarten, het achterlijf woest heen en weêr … Toen, in eens, ging hij kalm liggen, voor het bed.De keizerin liet terug zeggen, dat zij dadelijk komen zoû; ze was nog niet gekleed … Met stille open oogen bleef Othomar op haar wachten.In eene lichte emotie van angst kwam zij eindelijk binnen. Zij vroeg hem, maar leerde niets uit zijne vage, glimlachende[158]antwoorden. Zij legde de hand op zijn voorhoofd, voelde hem den pols, en kon niet besluiten, dat hij koorts zoû hebben. Er heerschten tyfeuze koortsen: zij was er bang voor …De lijfartsen, die geroepen waren, stelden haar gerust: het was geene koorts. De prins scheen algemeen vermoeid te zijn, hij had zich zeker overspannen in den laatsten tijd. Hij moest rust nemen …De keizer verwonderde zich: de prins had pas rust gehad en was weken lang te Altseeborgen gebleven. Waar had dit dan voor gediend!De mare ging door het paleis, de stad, het land, Europa, dat de hertog van Xara zijne kamer hield, om eene lichte ongesteldheid. Een eenvoudig, zeer geruststellend bulletin werd door de geneesheeren uitgegeven.Des middags stond Othomar echter op, kleedde zich zelfs aan, maar niet in uniform. Hij had wat geluncht in zijne kamer en ging nu naar de appartementen der prinses Thera. Zij zat te teekenen; bij haar eene hofdame; de jonge markiezin van Ezzera.De prinses was verwonderd haarbroêrte zien.—Zoo, ben je daar? Ik dacht, dat je in bed lag …—Neen, het gaat wat beter …Hij groette de markiezin, die was opgestaan en neeg.—Wil je niet schilderen? vroeg Othomar.Thera zag hem aan.—Je ziet zoo witjes, arme jongen. Het is misschien beter maar niet. Het vermoeit ook, dat pozeeren, niet waar?—Ja, soms, een beetje …Zij stonden nu voor het portret; de markiezin had zich teruggetrokken, zooals zij altijd deed bij dit samenzijn van zuster en broêr. De schilderij was half bedekt door een zijden lap, dien Thera opsloeg: het was reeds een expressieve jonge kop, waarin het leven begon te tintelen achter de zwarte oogen van weemoed; breed en vast van penseelstreek gedaan, met veel reflect van buitenlicht, dat op de eene zijde van het gelaat viel, en het en relief deed komen, de achterschaduw uit, naar voren.—Het is bijna af? vroeg Othomar.[159]—Ja, maar voor den laatsten toets heb je me al zoo lang in den steek gelaten; denk maar, je bent vier maanden weg geweest. Ik heb er al dien tijd niets aan kunnen doen. Maar weet je … je bent veranderd. Als ik het maar niet zoo zal moeten laten! Het lijkt niet meer …—Het zal wel weêr gaan lijken, als ik er wat beter ga uitzien! antwoordde Othomar, maar de prinses was licht nerveus geworden; ze trok er den zijden lap in eens weêr over heen …Othomar verscheen niet aan het diner: hij ging zeer vroeg naar bed. Den volgenden morgen vonden de geneesheeren hem in eene groote lusteloosheid. Hij was opgestaan maar had zich niet gekleed; in zijn kamerrok lag hij op de bank in zijn kabinet, de colley aan zijne voeten. Aan de keizerin klaagde hij, dat hij zich zoo vreemd in zijn hoofd voelde, als zoû het opengaan en alles er uit weg wolken. Bij den keizer, die hem zien kwam, verontschuldigde hij zich met zijn souffranten glimlach over zijne ongesteldheid …Dagen lang bleef deze toestand de zelfde: een totale lusteloosheid, totaal gebrek aan eetlust, een zichtbare afmatting … De keizerin zat bij hem, waar hij lag op zijn bank, te staren door de open ramen in de groene diepte van het platanenpark. De vogels sjirpten er; soms klonk er Berengars schel stemmetje, die met een paar vriendjes speelde. De keizerin las voor, maar het vermoeide Othomar, het gaf hem hoofdpijn …Na een lang gesprek, dat de drie doktoren met den keizer en de keizerin gehouden hadden, werd professor Barzia, uit Altara, ontboden voor een consult; de professor was een Europeesche specialiteit voor zenuwziekten.In het kabinet van den keizer wachtten de keizer, de keizerin en graaf Myxila den uitslag van het onderzoek en het, daarop gevolgde, consult af. Het duurde lang. In hunne afwachting spraken zij niet; de keizerin zat met haar stil berustend gelaat te turen voor zich; de keizer, geïrriteerd, liep heen en weer. De oude Rijkskanselier, met zijn streng hoog gezicht en kalen schedel, stond bedenkend bij het venster.Toen lieten de doktoren zich aandienen. Ze verschenen, professor Barzia het eerst; de lijfartsen volgden. De keizerin meende het ergste te lezen op de strakke, blanke gelaatstrekken[160]van den professor; een der artsen echter, als meêlijdend, knikte achter hem haar met zijn goeden, dikken kop stil geruststellend toe.—Welnu? vroeg de keizer.—Wij hebben Zijne Keizerlijke Hoogheid nauwkeurig onderzocht, Sire, begon de professor. Van organische gebreken is de prins geheel vrij, al is hij over het algemeen van een teêre constitutie.—Maar wat dan? vroeg Oscar.—Het zenuwgestel van den prins dunkt ons verontrustend afgemat te zijn, Sire.—Zijn zenuwen? Maar hij is nooit zenuwachtig, hij is altijd kalm, riep de keizer uit, onwillig.—Des te meer moeten wij de zelfbeheersching van den prins waardeeren, Sire. Zijne Hoogheid heeft zich klaarblijkelijk lang opgehouden en deze inspanning verraadt Haar op dit oogenblik. Zij is nu ook kalm, zooals uwe Majesteit zegt. Maar deze kalmte neemt niet weg, dat Hare zenuwen volslagen afgewonden zijn. Zijne Hoogheid heeft klaarblijkelijk te veel van zich gevergd in den laatsten tijd.—En waarin zoû dat te veel dan bestaan hebben? vroeg de keizer hoog.De professor maakte een vage beweging van niet weten.—Dat zal men aan het hof zeker beter weten, dan ik het doe, die uit mijn studeerkamer en mijn hospitalen kom, Sire. Uwe Majesteit zelve zal zich daarop het antwoord kunnen zeggen. Ik kan Haar alleen eenige aanwijzingen geven. Zijne Hoogheid zei mij, zich te herinneren, dat Zij reeds voor de groote overstroomingen in het Noorden, zulke afmattingen en duizelingen soms gevoelde. Dat was Maart. Het is nu September. Ik stel mij voor, dat Zijne Hoogheid in dien tusschentijd een veelbewogen leven geleid heeft?De keizer maakte niet begrijpende bewegingen met de wenkbrauwen: lichte trillingen van zijn energieken kop met het vlies van grauwend haar.—De reis in het Noorden kàn Zijne Hoogheid inderdaad aangedaan hebben, professor … begon de keizerin.Zij zat recht, hoog, in haar eenvoudigen donkeren japon. Haar gelaat was zonder uitdrukking; hare oogen stonden[161]koud. Zij sprak zakelijk, als ware zij niet eene moeder.—Zijne Hoogheid is zeer gevoelig voor indrukken, ging zij voort; en Zij heeft er indertijd te Altara zeker schokkende ontvangen.De professor boog even het hoofd.—Ik herinner mij Zijne Hoogheid bij de lijkschouwing op het weiland, Mevrouw, sprak hij; Zijne Hoogheid wàs werkelijk bizonder aangedaan …—Maar wat beduidt dat? vroeg de keizer, steeds onwillig.—Dat Zijne Hoogheid sedert dien tijd denkelijk zich geen rust heeft gegund, Sire …—Zijne Hoogheid heeft zich máanden rust gegund! riep de keizer uit.—Vergunt Uwe Majesteit ons eens terug te gaan. Na de zeer vermoeiende reis in het Noorden is de prins dadelijk gekomen in emoties van staatsgewicht—Lipara was destijds in staat van beleg—en daarna in de drukte van een feesttijd, toen de Syrische vorsten hier waren …De keizer haalde zijne schouders op.—De prins is daarna al voor herstel van gezondheid op aanraden van mijne geachte collega’s een zeereis gaan ondernemen. Zijne Hoogheid zal toen zeker dagen van rust gehad hebben, maar de groote jachten, die Zij met prins Herman samen deed, zijn Haar ongetwijfeld te zwaar geweest. Nu onlangs is Zijne Hoogheid verloofd geworden; dit kan Haar emotie gegeven hebben. Ik tel terloops eenige groote feiten op Sire. Ik weet niets van het gemoedsleven van den prins; als ik hiervan iets wist, zoû het mij zeker vele dingen gemakkelijker maken. Maar dit is zeker: Zijne hoogheid heeft dag aan dag een te schokkend bestaan gehad, wat het dan ook waren, groote of kleine schokken. Dat Zijne Hoogheid niet eerder in elkaâr is gevallen, is zeker te danken aan een buitengewone zelfbeheersching, die mij aan den prins zelven onbewust schijnt te zijn, en een buitengewoon plichtbesef, dat ook geheel spontaan in Zijne Hoogheid is. Het zijn hooge kwaliteiten, Sire, in een aanstaand heerscher …Der keizerin was eene lichte blos over de wangen gegaan; een zachtere uitdrukking wasemde over de koudheid van haar gelaat.[162]—En wat is uw raad, professor; vroeg ze.—Dat Zijne Hoogheid een onbepaalde rust neemt, Mevrouw.—Het huwelijk van Zijne Hoogheid was voor de volgende maand bepaald? hernam de keizerin, vragend.De gelaatstrekken van professor Barzia werden geheel blank en strak.—Het zoû eenvoudig-weg onverantwoordelijk zijn, zoo het huwelijk van Zijne Hoogheid de volgende maand plaats greep, orakelde hij met zijne effen stem.—Uitstellen dus? vroeg de keizer met ingehouden woede.—Zonder twijfel, Sire, antwoordde de professor beslist koel.—Mijn waarde professor … knarste de keizer quasi vriendelijk tusschen zijne tanden. U spreekt van rust, en nog eens rust. Mijn God, ik zeg u, de prins heeft gerust, maanden lang, maanden lang … Rust ik ooit zoo lang? Het leven is bewegen en regeeren is ook bewegen. Wij kunnen niet aan rust doen. Waarom moet een jonge man als de prins telkens rusten? Ik herinner me niet óoit zoo gerust te hebben, toen ik kroonprins was! Hij mag niet zoo sterk zijn als ik, hij is toch van ons geslacht! Emoties, zegt u! Mijn God, wat voor emoties? Emoties van staatsgewicht? Die hebikgehad, maar de prins niet! En ik had er geen rust na noodig. En moet een vorst gaan uitrusten als hij verloofd is? Waarlijk, professor, dat is de hygiene te ver gedreven!—Sire, Uwe Majesteit heeft mij de eer aan gedaan mijn oordeel te willen weten over den toestand van den prins. Ik heb dat oordeel uitgesproken, naar mijn beste weten.—Dus rusten?—Ongetwijfeld, Sire.—Maar hoe lang wil u hebben, dat hij rust?—Ik kan hier geen datum voor stellen, Sire.—Hoe lang wil u hebben, dat zijn huwelijk uitgesteld wordt?—Onbepaald, Sire.De keizer liep het vertrek op en neêr: iets vreemds trilde over zijn energieken kop: angst …—Dat is onmogelijk, mompelde hij kort.[163]Allen zwegen.—Dat is onmogelijk, herhaalde hij dof.—Dan zal Zijne Hoogheid trouwen, Sire, sprak Barzia.De keizer stond stil.—Hoe meent u? vroeg hij barsch.—Dat niets Uwe Majesteit in deze hoogst gewichtige zaak een wet kan stellen … behalve Haar eigen gevoel en redelijkheid.Hijgend ging de adem van den keizer tusschen zijne volle lippen van zinnelijkheid; de aderen zwollen dik op zijn laag Romeinsch voorhoofd; zijne sterke vuisten balden zich. Niemand had Oscar nog ooit zoo gezien; niemand ook had nog zoo tot hem durven spreken …—Verklaar u dan nader … donderde hij in het strakke gelaat van den professor.Deze verroerde geen trek:—Als Zijne Hoogheid de volgende maand trouwt … is het Hare dood.De keizerin bleef stijfrecht zitten, maar zij was zeer bleek geworden, rilde, sloot de oogen of het haar duizelde.—Zijn dood? herhaalde de keizer verplet.—Of erger, hernam Barzia.—Erger?!—De ondergang van Uwer Majesteits nageslacht.De keizer vloekte een woesten kreet uit en sloeg met de vuist op de kolossale schrijftafel. De bronzen ornamenten ervan rinkelden. Myxila trad een pas nader.—Sire, sprak hij; er is niets verloren. Heb ik den heer professor wel begrepen, zoo is de ongesteldheid van Zijne Hoogheid een tijdelijke, en geneeslijk.—Zeker, Excellentie, antwoordde Barzia. Zoo men ze niet ongeneeslijk en niet tijdelijk dwingt te zijn.Oscar beet zich krampachtig de lippen. Zijne flonkerende oogen stonden klein, wreed. Het trof Myxila, hoe hij op dit oogenblik geleek op een portret van Wenceslas den Wreede.—Professor, siste hij. Wij danken u. Blijf nog tot morgen te Lipara, opdat u Zijne Hoogheid nog eens kunt observeeren.—Ik gehoorzaam aan het bevel van Uwe Majesteit, sprak Barzia.[164]Hij boog, de geneesheeren bogen, zij trokken zich terug. Alleen met de keizerin en den Rijkskanselier hield Oscar niet langer zijne woede in. Als een schuimbekkend dier, wild, liep hij op en neêr met zware stappen, krijschte hij als kon de adem niet door zijne geschroefde keel komen.—Oh! knarste hij tusschen zijne kaken, barstte hij eindelijk los. Die jongen, die jongen … Niet éens kan die trouwen! Met zijn hertogin, dàar kon die meê trouwen! En die jongen!O, die jongen moet mij opvolgen, mij …Eene woedende lach stiet zich minachtend tusschen zijne groote witte tanden uit, als vlijmende ironie.De keizerin rees op.—Graaf Myxila, sprak ze sidderend. Mag ik uwe Excellentie verzoeken mij te volgen?Zij begaf zich naar de deur; Myxila, aarzelend, volgde reeds.—Waarom? brulde de keizer. Wat hoeft dat? Ik heb nog met Myxila te spreken …De keizerin zag den keizer ijskoud aan.—Het is mijn uitdrukkelijk verlangen, Sire, dat graaf Myxila mij volgt, sprak ze, steeds met hare sidderende stem. Ik geloof, dat Uwe Majesteit eenzaamheid behoeft. Uwe Majesteit zegt dingen, die een vader zelfs niet mag dènken, en een vorst zeker niet mag zeggen in de prezentie van een zijner onderdanen, zelfs niet van een zijner hoogste onderdanen.De keizer wilde haar in de rede vallen.—Uwe Majesteit,—ging de keizerin trillend hoog voort, hem het woord met hare ijskoude sidderende stem afsnijdende als met een mes—zegt die dingen van den toekomstigen keizer van Liparië … en ik wensch, dat géen onderdaan, zelfs niet graaf Myxila, uit Haren mond van den toekomstigen keizer zulke dingen hoort, en Uwe Majesteit zegt die dingen tevens vanmijn zoon: ik wensch ze daarom zelve niet te hooren, Sire! Excellentie, ik verzoek u nog eens: volg mij.—Ga dan, brulde de keizer dol uit. Ga dan allebei, laat me dan ook alleen, laát me ook alleen!Razend liep hij op en neêr, smeet de stoelen door elkaâr, brieschte als een aangehitste leeuw in een kooi. Een bronzen beeld nam hij op van de console, voor een hoogen[165]spiegel, die tot het plafond in vergulde krullen omhoog steeg.—Daar dan! striemde zijne stem, en zijne drift scheen ziedend rond te wolken in zijn verward brein, rood te bliksemen uit zijn bloeddoorschoten oogen, hem krankzinnig te maken om zijne krachteloosheid tegenover de domme noodlotsmachten der logische omstandigheden.Als een athleet zwierde zijn arm het zware beeld door de lucht; als een kind wierp hij het in den grooten spiegel, die kletterend in een flikkering van scherven viel.De keizerin en Myxila hadden het vertrek verlaten.
II.
Den volgenden dag reisde de keizerlijke familie van Liparië van Sigismundingen terug naar Lipara. De ontvangst aan het Centraal Station was zeer hartelijk; de stad vlagde: des avonds hadden er volksfeesten plaats.De officieren der verschillende legercorpsen boden den kroonprins gastmalen aan, zijne verloving ter eere. De portretten der aartshertogin Valérie lagen voor de ramen van alle[156]platenwinkels; de couranten schreven lange artikelen, vol jubel.Het was enkele uren vóór het diner, dat de officieren der Troongarde boden aan hun vorstelijken kolonel, toen aan Othomar, als ware het in eens, een vreemd gevoel overkwam. Hij was in zijn kabinet, voelde zich eenigszins duizelig en moest gaan zitten. De duizeling was licht, maar duurde lang; lang scheen de kamer langzaam om hem heen te willen draaien en niet te kunnen, wat iets pijnlijks gaf als van tegenkanting dier levenlooze meubels. Othomars eene hand steunde op zijne dij, de andere op den kraaghals van den colley, die den kop op zijn knie had gelegd. Voorover gebogen bleef hij zitten.Toen de duizeling voorbij was, behield hij eene vreemde lichtheid in het hoofd, als was er iets uit weggenomen. Hij liet zich voorzichtig achterover vallen; de colley, die half soesde in slaap, opende droomerig de oogen en soesde weêr in, zijn kop op de knie, onder Othomars hand. Een onweêrstaanbaremoêheidkroop Othomars ledematen op, als verdronken zij in eene weeke modder. Het bevreemdde hem zeer, dit gevoel, en op de pendule schuin kijkend, zonder het hoofd te bewegen—om de duizeling niet weêr te wekken—rekende hij uit, dat hij nog ruim anderhalf uur had vóor het diner. Deze lengte van tijd stelde hem gerust en stil bleef hij zitten, als wegende zijne moêheid, of ze over zoû gaan, wegtrekken zoû uit zijn lichaam.Het duurde lang, zoo lang zelfs, dat hij weifelde of hij zoû kunnen gaan of niet. Toen er drie kwartier voorbij waren, drukte zijne hand op eene schel, die dicht bij hem stond op tafel. Andro kwam binnen.Andro … begon hij, maar zweeg verder.—Verlangt Uwe Hoogheid zich te kleeden? Alles ligt klaar …Othomar klopte even op den kop van den hond, die nog steeds onbeweeglijk op zijn knie lag te soezen …—Is Uwe Hoogheid niet wel?—Een beetje duizelig, Andro; het gaat al over.—Maar zoû Uwe Hoogheid dan wel gaan: wil ik dan niet om prins Dutri zenden?[157]Othomar schudde beslist van neen en stond op.—Neen, het is al te laat, Andro. Kom, help me …En hij ging zijne kleedkamer in.Hij verscheen op het diner, maar verontschuldigde zich toch bij zijne officieren over zijne zichtbare matheid. De toasten dankte hij alleen met eene heffing van het glas, met een glimlach. Het trof hen allen, dat hij er zeer slecht uitzag, vermagerd, met holle oogen, krijtwit in zijn wit- en gouden uniform. Dadelijk na het diner keerde hij terug naar het Imperiaal, zonder hen te vergezellen naar den Keizerlijken Sportclub, de societeit der jeunesse dorée.Hij sliep zwaar; een vage nevel van gedroom trok door zijn nacht heen. De man, die hem bij Zanti had willen vermoorden, grijnsde hem aan, met ballende vuisten; toen werd het de Gothlandsche zee en hij roeide Valérie voort, maar hoe hij ook roeide, de drie torens van het kasteel trokken altijd door verder weg, onbereikbaar …Toen hij wakker werd, was het reeds over achten. Hij bedacht, dat het te laat was voor zijn gewoonlijken morgenrit en bleef liggen. Hij belde Andro.—Waarom heb je me niet om zeven uur wakker gemaakt?—Uwe Hoogheid sliep nog zoo vast; ik dorst niet; Uwe Hoogheid was gisteren niet wel …—Zoo, heb je me maar laten slapen? Nu goed dan … Laat aan Hare Majesteit zeggen, dat … dat ik niet wel ben.De man zag hem angstig aan.—Wat scheelt Uwe Hoogheid?—Ik weet het niet, Andro.….. Een beetje moê. Waar is Djalo?—Hier, Hoogheid …De colley kwam luidruchtig binnen, zette de groote pooten op het veldbed, schudde, om te kwispelstaarten, het achterlijf woest heen en weêr … Toen, in eens, ging hij kalm liggen, voor het bed.De keizerin liet terug zeggen, dat zij dadelijk komen zoû; ze was nog niet gekleed … Met stille open oogen bleef Othomar op haar wachten.In eene lichte emotie van angst kwam zij eindelijk binnen. Zij vroeg hem, maar leerde niets uit zijne vage, glimlachende[158]antwoorden. Zij legde de hand op zijn voorhoofd, voelde hem den pols, en kon niet besluiten, dat hij koorts zoû hebben. Er heerschten tyfeuze koortsen: zij was er bang voor …De lijfartsen, die geroepen waren, stelden haar gerust: het was geene koorts. De prins scheen algemeen vermoeid te zijn, hij had zich zeker overspannen in den laatsten tijd. Hij moest rust nemen …De keizer verwonderde zich: de prins had pas rust gehad en was weken lang te Altseeborgen gebleven. Waar had dit dan voor gediend!De mare ging door het paleis, de stad, het land, Europa, dat de hertog van Xara zijne kamer hield, om eene lichte ongesteldheid. Een eenvoudig, zeer geruststellend bulletin werd door de geneesheeren uitgegeven.Des middags stond Othomar echter op, kleedde zich zelfs aan, maar niet in uniform. Hij had wat geluncht in zijne kamer en ging nu naar de appartementen der prinses Thera. Zij zat te teekenen; bij haar eene hofdame; de jonge markiezin van Ezzera.De prinses was verwonderd haarbroêrte zien.—Zoo, ben je daar? Ik dacht, dat je in bed lag …—Neen, het gaat wat beter …Hij groette de markiezin, die was opgestaan en neeg.—Wil je niet schilderen? vroeg Othomar.Thera zag hem aan.—Je ziet zoo witjes, arme jongen. Het is misschien beter maar niet. Het vermoeit ook, dat pozeeren, niet waar?—Ja, soms, een beetje …Zij stonden nu voor het portret; de markiezin had zich teruggetrokken, zooals zij altijd deed bij dit samenzijn van zuster en broêr. De schilderij was half bedekt door een zijden lap, dien Thera opsloeg: het was reeds een expressieve jonge kop, waarin het leven begon te tintelen achter de zwarte oogen van weemoed; breed en vast van penseelstreek gedaan, met veel reflect van buitenlicht, dat op de eene zijde van het gelaat viel, en het en relief deed komen, de achterschaduw uit, naar voren.—Het is bijna af? vroeg Othomar.[159]—Ja, maar voor den laatsten toets heb je me al zoo lang in den steek gelaten; denk maar, je bent vier maanden weg geweest. Ik heb er al dien tijd niets aan kunnen doen. Maar weet je … je bent veranderd. Als ik het maar niet zoo zal moeten laten! Het lijkt niet meer …—Het zal wel weêr gaan lijken, als ik er wat beter ga uitzien! antwoordde Othomar, maar de prinses was licht nerveus geworden; ze trok er den zijden lap in eens weêr over heen …Othomar verscheen niet aan het diner: hij ging zeer vroeg naar bed. Den volgenden morgen vonden de geneesheeren hem in eene groote lusteloosheid. Hij was opgestaan maar had zich niet gekleed; in zijn kamerrok lag hij op de bank in zijn kabinet, de colley aan zijne voeten. Aan de keizerin klaagde hij, dat hij zich zoo vreemd in zijn hoofd voelde, als zoû het opengaan en alles er uit weg wolken. Bij den keizer, die hem zien kwam, verontschuldigde hij zich met zijn souffranten glimlach over zijne ongesteldheid …Dagen lang bleef deze toestand de zelfde: een totale lusteloosheid, totaal gebrek aan eetlust, een zichtbare afmatting … De keizerin zat bij hem, waar hij lag op zijn bank, te staren door de open ramen in de groene diepte van het platanenpark. De vogels sjirpten er; soms klonk er Berengars schel stemmetje, die met een paar vriendjes speelde. De keizerin las voor, maar het vermoeide Othomar, het gaf hem hoofdpijn …Na een lang gesprek, dat de drie doktoren met den keizer en de keizerin gehouden hadden, werd professor Barzia, uit Altara, ontboden voor een consult; de professor was een Europeesche specialiteit voor zenuwziekten.In het kabinet van den keizer wachtten de keizer, de keizerin en graaf Myxila den uitslag van het onderzoek en het, daarop gevolgde, consult af. Het duurde lang. In hunne afwachting spraken zij niet; de keizerin zat met haar stil berustend gelaat te turen voor zich; de keizer, geïrriteerd, liep heen en weer. De oude Rijkskanselier, met zijn streng hoog gezicht en kalen schedel, stond bedenkend bij het venster.Toen lieten de doktoren zich aandienen. Ze verschenen, professor Barzia het eerst; de lijfartsen volgden. De keizerin meende het ergste te lezen op de strakke, blanke gelaatstrekken[160]van den professor; een der artsen echter, als meêlijdend, knikte achter hem haar met zijn goeden, dikken kop stil geruststellend toe.—Welnu? vroeg de keizer.—Wij hebben Zijne Keizerlijke Hoogheid nauwkeurig onderzocht, Sire, begon de professor. Van organische gebreken is de prins geheel vrij, al is hij over het algemeen van een teêre constitutie.—Maar wat dan? vroeg Oscar.—Het zenuwgestel van den prins dunkt ons verontrustend afgemat te zijn, Sire.—Zijn zenuwen? Maar hij is nooit zenuwachtig, hij is altijd kalm, riep de keizer uit, onwillig.—Des te meer moeten wij de zelfbeheersching van den prins waardeeren, Sire. Zijne Hoogheid heeft zich klaarblijkelijk lang opgehouden en deze inspanning verraadt Haar op dit oogenblik. Zij is nu ook kalm, zooals uwe Majesteit zegt. Maar deze kalmte neemt niet weg, dat Hare zenuwen volslagen afgewonden zijn. Zijne Hoogheid heeft klaarblijkelijk te veel van zich gevergd in den laatsten tijd.—En waarin zoû dat te veel dan bestaan hebben? vroeg de keizer hoog.De professor maakte een vage beweging van niet weten.—Dat zal men aan het hof zeker beter weten, dan ik het doe, die uit mijn studeerkamer en mijn hospitalen kom, Sire. Uwe Majesteit zelve zal zich daarop het antwoord kunnen zeggen. Ik kan Haar alleen eenige aanwijzingen geven. Zijne Hoogheid zei mij, zich te herinneren, dat Zij reeds voor de groote overstroomingen in het Noorden, zulke afmattingen en duizelingen soms gevoelde. Dat was Maart. Het is nu September. Ik stel mij voor, dat Zijne Hoogheid in dien tusschentijd een veelbewogen leven geleid heeft?De keizer maakte niet begrijpende bewegingen met de wenkbrauwen: lichte trillingen van zijn energieken kop met het vlies van grauwend haar.—De reis in het Noorden kàn Zijne Hoogheid inderdaad aangedaan hebben, professor … begon de keizerin.Zij zat recht, hoog, in haar eenvoudigen donkeren japon. Haar gelaat was zonder uitdrukking; hare oogen stonden[161]koud. Zij sprak zakelijk, als ware zij niet eene moeder.—Zijne Hoogheid is zeer gevoelig voor indrukken, ging zij voort; en Zij heeft er indertijd te Altara zeker schokkende ontvangen.De professor boog even het hoofd.—Ik herinner mij Zijne Hoogheid bij de lijkschouwing op het weiland, Mevrouw, sprak hij; Zijne Hoogheid wàs werkelijk bizonder aangedaan …—Maar wat beduidt dat? vroeg de keizer, steeds onwillig.—Dat Zijne Hoogheid sedert dien tijd denkelijk zich geen rust heeft gegund, Sire …—Zijne Hoogheid heeft zich máanden rust gegund! riep de keizer uit.—Vergunt Uwe Majesteit ons eens terug te gaan. Na de zeer vermoeiende reis in het Noorden is de prins dadelijk gekomen in emoties van staatsgewicht—Lipara was destijds in staat van beleg—en daarna in de drukte van een feesttijd, toen de Syrische vorsten hier waren …De keizer haalde zijne schouders op.—De prins is daarna al voor herstel van gezondheid op aanraden van mijne geachte collega’s een zeereis gaan ondernemen. Zijne Hoogheid zal toen zeker dagen van rust gehad hebben, maar de groote jachten, die Zij met prins Herman samen deed, zijn Haar ongetwijfeld te zwaar geweest. Nu onlangs is Zijne Hoogheid verloofd geworden; dit kan Haar emotie gegeven hebben. Ik tel terloops eenige groote feiten op Sire. Ik weet niets van het gemoedsleven van den prins; als ik hiervan iets wist, zoû het mij zeker vele dingen gemakkelijker maken. Maar dit is zeker: Zijne hoogheid heeft dag aan dag een te schokkend bestaan gehad, wat het dan ook waren, groote of kleine schokken. Dat Zijne Hoogheid niet eerder in elkaâr is gevallen, is zeker te danken aan een buitengewone zelfbeheersching, die mij aan den prins zelven onbewust schijnt te zijn, en een buitengewoon plichtbesef, dat ook geheel spontaan in Zijne Hoogheid is. Het zijn hooge kwaliteiten, Sire, in een aanstaand heerscher …Der keizerin was eene lichte blos over de wangen gegaan; een zachtere uitdrukking wasemde over de koudheid van haar gelaat.[162]—En wat is uw raad, professor; vroeg ze.—Dat Zijne Hoogheid een onbepaalde rust neemt, Mevrouw.—Het huwelijk van Zijne Hoogheid was voor de volgende maand bepaald? hernam de keizerin, vragend.De gelaatstrekken van professor Barzia werden geheel blank en strak.—Het zoû eenvoudig-weg onverantwoordelijk zijn, zoo het huwelijk van Zijne Hoogheid de volgende maand plaats greep, orakelde hij met zijne effen stem.—Uitstellen dus? vroeg de keizer met ingehouden woede.—Zonder twijfel, Sire, antwoordde de professor beslist koel.—Mijn waarde professor … knarste de keizer quasi vriendelijk tusschen zijne tanden. U spreekt van rust, en nog eens rust. Mijn God, ik zeg u, de prins heeft gerust, maanden lang, maanden lang … Rust ik ooit zoo lang? Het leven is bewegen en regeeren is ook bewegen. Wij kunnen niet aan rust doen. Waarom moet een jonge man als de prins telkens rusten? Ik herinner me niet óoit zoo gerust te hebben, toen ik kroonprins was! Hij mag niet zoo sterk zijn als ik, hij is toch van ons geslacht! Emoties, zegt u! Mijn God, wat voor emoties? Emoties van staatsgewicht? Die hebikgehad, maar de prins niet! En ik had er geen rust na noodig. En moet een vorst gaan uitrusten als hij verloofd is? Waarlijk, professor, dat is de hygiene te ver gedreven!—Sire, Uwe Majesteit heeft mij de eer aan gedaan mijn oordeel te willen weten over den toestand van den prins. Ik heb dat oordeel uitgesproken, naar mijn beste weten.—Dus rusten?—Ongetwijfeld, Sire.—Maar hoe lang wil u hebben, dat hij rust?—Ik kan hier geen datum voor stellen, Sire.—Hoe lang wil u hebben, dat zijn huwelijk uitgesteld wordt?—Onbepaald, Sire.De keizer liep het vertrek op en neêr: iets vreemds trilde over zijn energieken kop: angst …—Dat is onmogelijk, mompelde hij kort.[163]Allen zwegen.—Dat is onmogelijk, herhaalde hij dof.—Dan zal Zijne Hoogheid trouwen, Sire, sprak Barzia.De keizer stond stil.—Hoe meent u? vroeg hij barsch.—Dat niets Uwe Majesteit in deze hoogst gewichtige zaak een wet kan stellen … behalve Haar eigen gevoel en redelijkheid.Hijgend ging de adem van den keizer tusschen zijne volle lippen van zinnelijkheid; de aderen zwollen dik op zijn laag Romeinsch voorhoofd; zijne sterke vuisten balden zich. Niemand had Oscar nog ooit zoo gezien; niemand ook had nog zoo tot hem durven spreken …—Verklaar u dan nader … donderde hij in het strakke gelaat van den professor.Deze verroerde geen trek:—Als Zijne Hoogheid de volgende maand trouwt … is het Hare dood.De keizerin bleef stijfrecht zitten, maar zij was zeer bleek geworden, rilde, sloot de oogen of het haar duizelde.—Zijn dood? herhaalde de keizer verplet.—Of erger, hernam Barzia.—Erger?!—De ondergang van Uwer Majesteits nageslacht.De keizer vloekte een woesten kreet uit en sloeg met de vuist op de kolossale schrijftafel. De bronzen ornamenten ervan rinkelden. Myxila trad een pas nader.—Sire, sprak hij; er is niets verloren. Heb ik den heer professor wel begrepen, zoo is de ongesteldheid van Zijne Hoogheid een tijdelijke, en geneeslijk.—Zeker, Excellentie, antwoordde Barzia. Zoo men ze niet ongeneeslijk en niet tijdelijk dwingt te zijn.Oscar beet zich krampachtig de lippen. Zijne flonkerende oogen stonden klein, wreed. Het trof Myxila, hoe hij op dit oogenblik geleek op een portret van Wenceslas den Wreede.—Professor, siste hij. Wij danken u. Blijf nog tot morgen te Lipara, opdat u Zijne Hoogheid nog eens kunt observeeren.—Ik gehoorzaam aan het bevel van Uwe Majesteit, sprak Barzia.[164]Hij boog, de geneesheeren bogen, zij trokken zich terug. Alleen met de keizerin en den Rijkskanselier hield Oscar niet langer zijne woede in. Als een schuimbekkend dier, wild, liep hij op en neêr met zware stappen, krijschte hij als kon de adem niet door zijne geschroefde keel komen.—Oh! knarste hij tusschen zijne kaken, barstte hij eindelijk los. Die jongen, die jongen … Niet éens kan die trouwen! Met zijn hertogin, dàar kon die meê trouwen! En die jongen!O, die jongen moet mij opvolgen, mij …Eene woedende lach stiet zich minachtend tusschen zijne groote witte tanden uit, als vlijmende ironie.De keizerin rees op.—Graaf Myxila, sprak ze sidderend. Mag ik uwe Excellentie verzoeken mij te volgen?Zij begaf zich naar de deur; Myxila, aarzelend, volgde reeds.—Waarom? brulde de keizer. Wat hoeft dat? Ik heb nog met Myxila te spreken …De keizerin zag den keizer ijskoud aan.—Het is mijn uitdrukkelijk verlangen, Sire, dat graaf Myxila mij volgt, sprak ze, steeds met hare sidderende stem. Ik geloof, dat Uwe Majesteit eenzaamheid behoeft. Uwe Majesteit zegt dingen, die een vader zelfs niet mag dènken, en een vorst zeker niet mag zeggen in de prezentie van een zijner onderdanen, zelfs niet van een zijner hoogste onderdanen.De keizer wilde haar in de rede vallen.—Uwe Majesteit,—ging de keizerin trillend hoog voort, hem het woord met hare ijskoude sidderende stem afsnijdende als met een mes—zegt die dingen van den toekomstigen keizer van Liparië … en ik wensch, dat géen onderdaan, zelfs niet graaf Myxila, uit Haren mond van den toekomstigen keizer zulke dingen hoort, en Uwe Majesteit zegt die dingen tevens vanmijn zoon: ik wensch ze daarom zelve niet te hooren, Sire! Excellentie, ik verzoek u nog eens: volg mij.—Ga dan, brulde de keizer dol uit. Ga dan allebei, laat me dan ook alleen, laát me ook alleen!Razend liep hij op en neêr, smeet de stoelen door elkaâr, brieschte als een aangehitste leeuw in een kooi. Een bronzen beeld nam hij op van de console, voor een hoogen[165]spiegel, die tot het plafond in vergulde krullen omhoog steeg.—Daar dan! striemde zijne stem, en zijne drift scheen ziedend rond te wolken in zijn verward brein, rood te bliksemen uit zijn bloeddoorschoten oogen, hem krankzinnig te maken om zijne krachteloosheid tegenover de domme noodlotsmachten der logische omstandigheden.Als een athleet zwierde zijn arm het zware beeld door de lucht; als een kind wierp hij het in den grooten spiegel, die kletterend in een flikkering van scherven viel.De keizerin en Myxila hadden het vertrek verlaten.
Den volgenden dag reisde de keizerlijke familie van Liparië van Sigismundingen terug naar Lipara. De ontvangst aan het Centraal Station was zeer hartelijk; de stad vlagde: des avonds hadden er volksfeesten plaats.
De officieren der verschillende legercorpsen boden den kroonprins gastmalen aan, zijne verloving ter eere. De portretten der aartshertogin Valérie lagen voor de ramen van alle[156]platenwinkels; de couranten schreven lange artikelen, vol jubel.
Het was enkele uren vóór het diner, dat de officieren der Troongarde boden aan hun vorstelijken kolonel, toen aan Othomar, als ware het in eens, een vreemd gevoel overkwam. Hij was in zijn kabinet, voelde zich eenigszins duizelig en moest gaan zitten. De duizeling was licht, maar duurde lang; lang scheen de kamer langzaam om hem heen te willen draaien en niet te kunnen, wat iets pijnlijks gaf als van tegenkanting dier levenlooze meubels. Othomars eene hand steunde op zijne dij, de andere op den kraaghals van den colley, die den kop op zijn knie had gelegd. Voorover gebogen bleef hij zitten.
Toen de duizeling voorbij was, behield hij eene vreemde lichtheid in het hoofd, als was er iets uit weggenomen. Hij liet zich voorzichtig achterover vallen; de colley, die half soesde in slaap, opende droomerig de oogen en soesde weêr in, zijn kop op de knie, onder Othomars hand. Een onweêrstaanbaremoêheidkroop Othomars ledematen op, als verdronken zij in eene weeke modder. Het bevreemdde hem zeer, dit gevoel, en op de pendule schuin kijkend, zonder het hoofd te bewegen—om de duizeling niet weêr te wekken—rekende hij uit, dat hij nog ruim anderhalf uur had vóor het diner. Deze lengte van tijd stelde hem gerust en stil bleef hij zitten, als wegende zijne moêheid, of ze over zoû gaan, wegtrekken zoû uit zijn lichaam.
Het duurde lang, zoo lang zelfs, dat hij weifelde of hij zoû kunnen gaan of niet. Toen er drie kwartier voorbij waren, drukte zijne hand op eene schel, die dicht bij hem stond op tafel. Andro kwam binnen.
Andro … begon hij, maar zweeg verder.
—Verlangt Uwe Hoogheid zich te kleeden? Alles ligt klaar …
Othomar klopte even op den kop van den hond, die nog steeds onbeweeglijk op zijn knie lag te soezen …
—Is Uwe Hoogheid niet wel?
—Een beetje duizelig, Andro; het gaat al over.
—Maar zoû Uwe Hoogheid dan wel gaan: wil ik dan niet om prins Dutri zenden?[157]
Othomar schudde beslist van neen en stond op.
—Neen, het is al te laat, Andro. Kom, help me …
En hij ging zijne kleedkamer in.
Hij verscheen op het diner, maar verontschuldigde zich toch bij zijne officieren over zijne zichtbare matheid. De toasten dankte hij alleen met eene heffing van het glas, met een glimlach. Het trof hen allen, dat hij er zeer slecht uitzag, vermagerd, met holle oogen, krijtwit in zijn wit- en gouden uniform. Dadelijk na het diner keerde hij terug naar het Imperiaal, zonder hen te vergezellen naar den Keizerlijken Sportclub, de societeit der jeunesse dorée.
Hij sliep zwaar; een vage nevel van gedroom trok door zijn nacht heen. De man, die hem bij Zanti had willen vermoorden, grijnsde hem aan, met ballende vuisten; toen werd het de Gothlandsche zee en hij roeide Valérie voort, maar hoe hij ook roeide, de drie torens van het kasteel trokken altijd door verder weg, onbereikbaar …
Toen hij wakker werd, was het reeds over achten. Hij bedacht, dat het te laat was voor zijn gewoonlijken morgenrit en bleef liggen. Hij belde Andro.
—Waarom heb je me niet om zeven uur wakker gemaakt?
—Uwe Hoogheid sliep nog zoo vast; ik dorst niet; Uwe Hoogheid was gisteren niet wel …
—Zoo, heb je me maar laten slapen? Nu goed dan … Laat aan Hare Majesteit zeggen, dat … dat ik niet wel ben.
De man zag hem angstig aan.
—Wat scheelt Uwe Hoogheid?
—Ik weet het niet, Andro.….. Een beetje moê. Waar is Djalo?
—Hier, Hoogheid …
De colley kwam luidruchtig binnen, zette de groote pooten op het veldbed, schudde, om te kwispelstaarten, het achterlijf woest heen en weêr … Toen, in eens, ging hij kalm liggen, voor het bed.
De keizerin liet terug zeggen, dat zij dadelijk komen zoû; ze was nog niet gekleed … Met stille open oogen bleef Othomar op haar wachten.
In eene lichte emotie van angst kwam zij eindelijk binnen. Zij vroeg hem, maar leerde niets uit zijne vage, glimlachende[158]antwoorden. Zij legde de hand op zijn voorhoofd, voelde hem den pols, en kon niet besluiten, dat hij koorts zoû hebben. Er heerschten tyfeuze koortsen: zij was er bang voor …
De lijfartsen, die geroepen waren, stelden haar gerust: het was geene koorts. De prins scheen algemeen vermoeid te zijn, hij had zich zeker overspannen in den laatsten tijd. Hij moest rust nemen …
De keizer verwonderde zich: de prins had pas rust gehad en was weken lang te Altseeborgen gebleven. Waar had dit dan voor gediend!
De mare ging door het paleis, de stad, het land, Europa, dat de hertog van Xara zijne kamer hield, om eene lichte ongesteldheid. Een eenvoudig, zeer geruststellend bulletin werd door de geneesheeren uitgegeven.
Des middags stond Othomar echter op, kleedde zich zelfs aan, maar niet in uniform. Hij had wat geluncht in zijne kamer en ging nu naar de appartementen der prinses Thera. Zij zat te teekenen; bij haar eene hofdame; de jonge markiezin van Ezzera.
De prinses was verwonderd haarbroêrte zien.
—Zoo, ben je daar? Ik dacht, dat je in bed lag …
—Neen, het gaat wat beter …
Hij groette de markiezin, die was opgestaan en neeg.
—Wil je niet schilderen? vroeg Othomar.
Thera zag hem aan.
—Je ziet zoo witjes, arme jongen. Het is misschien beter maar niet. Het vermoeit ook, dat pozeeren, niet waar?
—Ja, soms, een beetje …
Zij stonden nu voor het portret; de markiezin had zich teruggetrokken, zooals zij altijd deed bij dit samenzijn van zuster en broêr. De schilderij was half bedekt door een zijden lap, dien Thera opsloeg: het was reeds een expressieve jonge kop, waarin het leven begon te tintelen achter de zwarte oogen van weemoed; breed en vast van penseelstreek gedaan, met veel reflect van buitenlicht, dat op de eene zijde van het gelaat viel, en het en relief deed komen, de achterschaduw uit, naar voren.
—Het is bijna af? vroeg Othomar.[159]
—Ja, maar voor den laatsten toets heb je me al zoo lang in den steek gelaten; denk maar, je bent vier maanden weg geweest. Ik heb er al dien tijd niets aan kunnen doen. Maar weet je … je bent veranderd. Als ik het maar niet zoo zal moeten laten! Het lijkt niet meer …
—Het zal wel weêr gaan lijken, als ik er wat beter ga uitzien! antwoordde Othomar, maar de prinses was licht nerveus geworden; ze trok er den zijden lap in eens weêr over heen …
Othomar verscheen niet aan het diner: hij ging zeer vroeg naar bed. Den volgenden morgen vonden de geneesheeren hem in eene groote lusteloosheid. Hij was opgestaan maar had zich niet gekleed; in zijn kamerrok lag hij op de bank in zijn kabinet, de colley aan zijne voeten. Aan de keizerin klaagde hij, dat hij zich zoo vreemd in zijn hoofd voelde, als zoû het opengaan en alles er uit weg wolken. Bij den keizer, die hem zien kwam, verontschuldigde hij zich met zijn souffranten glimlach over zijne ongesteldheid …
Dagen lang bleef deze toestand de zelfde: een totale lusteloosheid, totaal gebrek aan eetlust, een zichtbare afmatting … De keizerin zat bij hem, waar hij lag op zijn bank, te staren door de open ramen in de groene diepte van het platanenpark. De vogels sjirpten er; soms klonk er Berengars schel stemmetje, die met een paar vriendjes speelde. De keizerin las voor, maar het vermoeide Othomar, het gaf hem hoofdpijn …
Na een lang gesprek, dat de drie doktoren met den keizer en de keizerin gehouden hadden, werd professor Barzia, uit Altara, ontboden voor een consult; de professor was een Europeesche specialiteit voor zenuwziekten.
In het kabinet van den keizer wachtten de keizer, de keizerin en graaf Myxila den uitslag van het onderzoek en het, daarop gevolgde, consult af. Het duurde lang. In hunne afwachting spraken zij niet; de keizerin zat met haar stil berustend gelaat te turen voor zich; de keizer, geïrriteerd, liep heen en weer. De oude Rijkskanselier, met zijn streng hoog gezicht en kalen schedel, stond bedenkend bij het venster.
Toen lieten de doktoren zich aandienen. Ze verschenen, professor Barzia het eerst; de lijfartsen volgden. De keizerin meende het ergste te lezen op de strakke, blanke gelaatstrekken[160]van den professor; een der artsen echter, als meêlijdend, knikte achter hem haar met zijn goeden, dikken kop stil geruststellend toe.
—Welnu? vroeg de keizer.
—Wij hebben Zijne Keizerlijke Hoogheid nauwkeurig onderzocht, Sire, begon de professor. Van organische gebreken is de prins geheel vrij, al is hij over het algemeen van een teêre constitutie.
—Maar wat dan? vroeg Oscar.
—Het zenuwgestel van den prins dunkt ons verontrustend afgemat te zijn, Sire.
—Zijn zenuwen? Maar hij is nooit zenuwachtig, hij is altijd kalm, riep de keizer uit, onwillig.
—Des te meer moeten wij de zelfbeheersching van den prins waardeeren, Sire. Zijne Hoogheid heeft zich klaarblijkelijk lang opgehouden en deze inspanning verraadt Haar op dit oogenblik. Zij is nu ook kalm, zooals uwe Majesteit zegt. Maar deze kalmte neemt niet weg, dat Hare zenuwen volslagen afgewonden zijn. Zijne Hoogheid heeft klaarblijkelijk te veel van zich gevergd in den laatsten tijd.
—En waarin zoû dat te veel dan bestaan hebben? vroeg de keizer hoog.
De professor maakte een vage beweging van niet weten.
—Dat zal men aan het hof zeker beter weten, dan ik het doe, die uit mijn studeerkamer en mijn hospitalen kom, Sire. Uwe Majesteit zelve zal zich daarop het antwoord kunnen zeggen. Ik kan Haar alleen eenige aanwijzingen geven. Zijne Hoogheid zei mij, zich te herinneren, dat Zij reeds voor de groote overstroomingen in het Noorden, zulke afmattingen en duizelingen soms gevoelde. Dat was Maart. Het is nu September. Ik stel mij voor, dat Zijne Hoogheid in dien tusschentijd een veelbewogen leven geleid heeft?
De keizer maakte niet begrijpende bewegingen met de wenkbrauwen: lichte trillingen van zijn energieken kop met het vlies van grauwend haar.
—De reis in het Noorden kàn Zijne Hoogheid inderdaad aangedaan hebben, professor … begon de keizerin.
Zij zat recht, hoog, in haar eenvoudigen donkeren japon. Haar gelaat was zonder uitdrukking; hare oogen stonden[161]koud. Zij sprak zakelijk, als ware zij niet eene moeder.
—Zijne Hoogheid is zeer gevoelig voor indrukken, ging zij voort; en Zij heeft er indertijd te Altara zeker schokkende ontvangen.
De professor boog even het hoofd.
—Ik herinner mij Zijne Hoogheid bij de lijkschouwing op het weiland, Mevrouw, sprak hij; Zijne Hoogheid wàs werkelijk bizonder aangedaan …
—Maar wat beduidt dat? vroeg de keizer, steeds onwillig.
—Dat Zijne Hoogheid sedert dien tijd denkelijk zich geen rust heeft gegund, Sire …
—Zijne Hoogheid heeft zich máanden rust gegund! riep de keizer uit.
—Vergunt Uwe Majesteit ons eens terug te gaan. Na de zeer vermoeiende reis in het Noorden is de prins dadelijk gekomen in emoties van staatsgewicht—Lipara was destijds in staat van beleg—en daarna in de drukte van een feesttijd, toen de Syrische vorsten hier waren …
De keizer haalde zijne schouders op.
—De prins is daarna al voor herstel van gezondheid op aanraden van mijne geachte collega’s een zeereis gaan ondernemen. Zijne Hoogheid zal toen zeker dagen van rust gehad hebben, maar de groote jachten, die Zij met prins Herman samen deed, zijn Haar ongetwijfeld te zwaar geweest. Nu onlangs is Zijne Hoogheid verloofd geworden; dit kan Haar emotie gegeven hebben. Ik tel terloops eenige groote feiten op Sire. Ik weet niets van het gemoedsleven van den prins; als ik hiervan iets wist, zoû het mij zeker vele dingen gemakkelijker maken. Maar dit is zeker: Zijne hoogheid heeft dag aan dag een te schokkend bestaan gehad, wat het dan ook waren, groote of kleine schokken. Dat Zijne Hoogheid niet eerder in elkaâr is gevallen, is zeker te danken aan een buitengewone zelfbeheersching, die mij aan den prins zelven onbewust schijnt te zijn, en een buitengewoon plichtbesef, dat ook geheel spontaan in Zijne Hoogheid is. Het zijn hooge kwaliteiten, Sire, in een aanstaand heerscher …
Der keizerin was eene lichte blos over de wangen gegaan; een zachtere uitdrukking wasemde over de koudheid van haar gelaat.[162]
—En wat is uw raad, professor; vroeg ze.
—Dat Zijne Hoogheid een onbepaalde rust neemt, Mevrouw.
—Het huwelijk van Zijne Hoogheid was voor de volgende maand bepaald? hernam de keizerin, vragend.
De gelaatstrekken van professor Barzia werden geheel blank en strak.
—Het zoû eenvoudig-weg onverantwoordelijk zijn, zoo het huwelijk van Zijne Hoogheid de volgende maand plaats greep, orakelde hij met zijne effen stem.
—Uitstellen dus? vroeg de keizer met ingehouden woede.
—Zonder twijfel, Sire, antwoordde de professor beslist koel.
—Mijn waarde professor … knarste de keizer quasi vriendelijk tusschen zijne tanden. U spreekt van rust, en nog eens rust. Mijn God, ik zeg u, de prins heeft gerust, maanden lang, maanden lang … Rust ik ooit zoo lang? Het leven is bewegen en regeeren is ook bewegen. Wij kunnen niet aan rust doen. Waarom moet een jonge man als de prins telkens rusten? Ik herinner me niet óoit zoo gerust te hebben, toen ik kroonprins was! Hij mag niet zoo sterk zijn als ik, hij is toch van ons geslacht! Emoties, zegt u! Mijn God, wat voor emoties? Emoties van staatsgewicht? Die hebikgehad, maar de prins niet! En ik had er geen rust na noodig. En moet een vorst gaan uitrusten als hij verloofd is? Waarlijk, professor, dat is de hygiene te ver gedreven!
—Sire, Uwe Majesteit heeft mij de eer aan gedaan mijn oordeel te willen weten over den toestand van den prins. Ik heb dat oordeel uitgesproken, naar mijn beste weten.
—Dus rusten?
—Ongetwijfeld, Sire.
—Maar hoe lang wil u hebben, dat hij rust?
—Ik kan hier geen datum voor stellen, Sire.
—Hoe lang wil u hebben, dat zijn huwelijk uitgesteld wordt?
—Onbepaald, Sire.
De keizer liep het vertrek op en neêr: iets vreemds trilde over zijn energieken kop: angst …
—Dat is onmogelijk, mompelde hij kort.[163]
Allen zwegen.
—Dat is onmogelijk, herhaalde hij dof.
—Dan zal Zijne Hoogheid trouwen, Sire, sprak Barzia.
De keizer stond stil.
—Hoe meent u? vroeg hij barsch.
—Dat niets Uwe Majesteit in deze hoogst gewichtige zaak een wet kan stellen … behalve Haar eigen gevoel en redelijkheid.
Hijgend ging de adem van den keizer tusschen zijne volle lippen van zinnelijkheid; de aderen zwollen dik op zijn laag Romeinsch voorhoofd; zijne sterke vuisten balden zich. Niemand had Oscar nog ooit zoo gezien; niemand ook had nog zoo tot hem durven spreken …
—Verklaar u dan nader … donderde hij in het strakke gelaat van den professor.
Deze verroerde geen trek:
—Als Zijne Hoogheid de volgende maand trouwt … is het Hare dood.
De keizerin bleef stijfrecht zitten, maar zij was zeer bleek geworden, rilde, sloot de oogen of het haar duizelde.
—Zijn dood? herhaalde de keizer verplet.
—Of erger, hernam Barzia.
—Erger?!
—De ondergang van Uwer Majesteits nageslacht.
De keizer vloekte een woesten kreet uit en sloeg met de vuist op de kolossale schrijftafel. De bronzen ornamenten ervan rinkelden. Myxila trad een pas nader.
—Sire, sprak hij; er is niets verloren. Heb ik den heer professor wel begrepen, zoo is de ongesteldheid van Zijne Hoogheid een tijdelijke, en geneeslijk.
—Zeker, Excellentie, antwoordde Barzia. Zoo men ze niet ongeneeslijk en niet tijdelijk dwingt te zijn.
Oscar beet zich krampachtig de lippen. Zijne flonkerende oogen stonden klein, wreed. Het trof Myxila, hoe hij op dit oogenblik geleek op een portret van Wenceslas den Wreede.
—Professor, siste hij. Wij danken u. Blijf nog tot morgen te Lipara, opdat u Zijne Hoogheid nog eens kunt observeeren.
—Ik gehoorzaam aan het bevel van Uwe Majesteit, sprak Barzia.[164]
Hij boog, de geneesheeren bogen, zij trokken zich terug. Alleen met de keizerin en den Rijkskanselier hield Oscar niet langer zijne woede in. Als een schuimbekkend dier, wild, liep hij op en neêr met zware stappen, krijschte hij als kon de adem niet door zijne geschroefde keel komen.
—Oh! knarste hij tusschen zijne kaken, barstte hij eindelijk los. Die jongen, die jongen … Niet éens kan die trouwen! Met zijn hertogin, dàar kon die meê trouwen! En die jongen!O, die jongen moet mij opvolgen, mij …
Eene woedende lach stiet zich minachtend tusschen zijne groote witte tanden uit, als vlijmende ironie.
De keizerin rees op.
—Graaf Myxila, sprak ze sidderend. Mag ik uwe Excellentie verzoeken mij te volgen?
Zij begaf zich naar de deur; Myxila, aarzelend, volgde reeds.
—Waarom? brulde de keizer. Wat hoeft dat? Ik heb nog met Myxila te spreken …
De keizerin zag den keizer ijskoud aan.
—Het is mijn uitdrukkelijk verlangen, Sire, dat graaf Myxila mij volgt, sprak ze, steeds met hare sidderende stem. Ik geloof, dat Uwe Majesteit eenzaamheid behoeft. Uwe Majesteit zegt dingen, die een vader zelfs niet mag dènken, en een vorst zeker niet mag zeggen in de prezentie van een zijner onderdanen, zelfs niet van een zijner hoogste onderdanen.
De keizer wilde haar in de rede vallen.
—Uwe Majesteit,—ging de keizerin trillend hoog voort, hem het woord met hare ijskoude sidderende stem afsnijdende als met een mes—zegt die dingen van den toekomstigen keizer van Liparië … en ik wensch, dat géen onderdaan, zelfs niet graaf Myxila, uit Haren mond van den toekomstigen keizer zulke dingen hoort, en Uwe Majesteit zegt die dingen tevens vanmijn zoon: ik wensch ze daarom zelve niet te hooren, Sire! Excellentie, ik verzoek u nog eens: volg mij.
—Ga dan, brulde de keizer dol uit. Ga dan allebei, laat me dan ook alleen, laát me ook alleen!
Razend liep hij op en neêr, smeet de stoelen door elkaâr, brieschte als een aangehitste leeuw in een kooi. Een bronzen beeld nam hij op van de console, voor een hoogen[165]spiegel, die tot het plafond in vergulde krullen omhoog steeg.
—Daar dan! striemde zijne stem, en zijne drift scheen ziedend rond te wolken in zijn verward brein, rood te bliksemen uit zijn bloeddoorschoten oogen, hem krankzinnig te maken om zijne krachteloosheid tegenover de domme noodlotsmachten der logische omstandigheden.
Als een athleet zwierde zijn arm het zware beeld door de lucht; als een kind wierp hij het in den grooten spiegel, die kletterend in een flikkering van scherven viel.
De keizerin en Myxila hadden het vertrek verlaten.