IX.

[Inhoud]IX.Uit het Dagboek van Alexa,Hertogin van Yemena.Gravin van Vaza.Nov. 18 …De kroonprins is niet met den keizer meêgekomen. Professor Barzia heeft het hem verboden, omdat hij meende, dat de groote jachten, waarmeê de hertog Zijne Majesteit verstrooien wil, in zijn verdriet om onzen kleinen prins, te vermoeiend zouden zijn voor mijn lieven zieke. Ik hoor toch van Dutri, dat hij aanmerkelijk in beterschap toeneemt, en zijne dagelijkschen morgenrit reeds hervat heeft.Het is gedaan voor mij. Arm zondig hart, in mij zelve, sterf. Want na deze laatste bloem van passie, die in u ontlook, wil ik dat ge sterft, voor de wereld. Om de reinheid van mijn keizerlijke bloem, wil ik, dat ge nu sterft. Niets hierna, niets, dan het nieuwe Leven, dat ik voor mij zie lichten …En toch, ik ben nog jong; ik zie mij in mijn spiegel niet ouder dan een jaar geleden. Ik zoû, als ik niet wilde, geen afstand behoeven te doen van mijne vrouwelijke machten. En zoo beschouwt iedereen het, want ik weet, dat men fluistert over den Hertog van Mena-Doni, als zoû hij in mijn hart mijn aangebeden kroonprins vervangen hebben. Maar het is niet waar, het is niet waar. En ik ben er zoo blij om, dat ze mij[205]niet kennen en het niet weten. Dat ze het niet begrijpen, dat ik rein wil laten verwelken mijne keizerlijke liefde en na haar geene aardsche liefde koesteren wil.Lieve liefde van mijn hart, gij hebt mij verheven tot mijn nieuw Leven! Gij waart nog zonde, maar ge louterdet toch, omdat ge zelve gelouterd waart door de aanraking van het heilige, dat in vorstelijkheid is. O, ge waart de laatste zonde, maar ge waart reeds reiner dan de vorige. Want groote zondaresse ben ik geweest; heel mijn zondig leven van vrouw offerde ik aan verterende passie en wat liet het anders na dan asch in mijn hart! Groote, blakende liefde van mijn leven voor hem, die nu dood is—zijne ziel ruste in vrede—ik wil u niet verloochenen, omdat gij geweest zijt mijn meest intense aardsche genot, omdat ik door u het eerste heb leeren weten, dat ik een ziel had, en omdat ge zóo nader bracht tot wat ik nu voor mij zie; maar toch, wat waart ge anders dan aardschheid! En mijne reinere keizerlijke liefde, wat waart ook gij anders dan aardschheid! Zachte vorst van mijn ziel, wat wil God anders, dat ge zijn zult dan aardsch. Een rijk wacht u, eene kroon, een scepter, eene keizerin. God wil het zoo, en daarom is het goed, dat ge aardsch zijt, terwijl uwe aardschheid toch tevens gewijd wordt door uw vroom geloof. Maar ik, ik ben minder geweest dan aardsch alleen: ik was zondig. En nu wil ik, dat mijn hart geheel en al sterft in mij, omdat het niets is dan zonde. Dan zal mijn hart herboren worden, in nieuw Leven …Ik heb geleden. Uren heb ik gelegen op het koude marmer van de kapel, tot mijne knieën me pijn deden en mijne leden stijf waren. Mijn zondig leven heb ik gebiecht aan mijn heiligen biechtvader, Monseigneur van Vaza. O, de zoetheid van absolutie en de extaze van gebed! Waarom voelen wij niet eerder dien zaligen troost, die er is in de waarneming van onze godsdienstige plichten! O, als ik mij geheel kon storten in het zoete mysterie, in God; als ik gaan kon in een klooster! Maar ik heb mijne twee stiefdochters. Ik moet ze brengen in de wereld; het is mijn taak. En Monseigneur meent, dat het mijne boete is en mijn straf: me niet terug te kunnen trekken in heiligende afzondering, maar te moeten blijven ademen, de zondige atmosfeer van de wereld.[206]Mijn kasteel in Lycilië, waar we nooit komen, mijn eigen kasteel en erfgoed, wil ik geven aan onze Heilige Kerk voor een klooster van jonkvrouwen Ursulinnen. Onlangs ben ik er geweest, met Monseigneur. O, de groote sombere zalen, de fresco’s in schaduw, het donkere park! En de kapel, als er de nieuwe glazen zullen gekomen zijn, waardoor het licht in mystieke kleurenwemeling zal neêrvallen! Mijn dierbaarste wensch is het, daar oud te kunnen worden en er geheel af te kunnen sterven van de wereld: maar zal het ooit mogen, Heilige Moeder Gods, zal het ooit mogen!— — — — — — — — — — — — — — — — — —Ben ik eerlijk? Wie weet het, wat weet ikzelve? Voel ik die loutering van mijne ziel in waarheid of blijf ik toch, die ik ben? Een vreeselijke twijfel rijst in mij op; het is Satan, die in mij komt! Ik wil bidden: Heilige Maagd, bid voor mij!— — — — — — — — — — — — — — — — — —Ik ben kalmer geworden; het gebed heeft mij gesterkt. O, smartelijk zijn de twijfelingen, die mij rukken uit mijne overtuiging. Dan zegt Satan, dat ik mij die overtuiging wijs maak, om mij te troosten in mijne verlatenheid en dat ik vroom ben geworden uit gemis aan bezigheid. Ik zie mij zelve dan in den spiegel, jong; eene jonge vrouw. Maar als ik bid, wijken de twijfelingen weêr uit mijn zondig gemoed en blik ik met huivering terug naar mijn slecht verleden. En dan klaart het nieuwe Leven van mijne toekomst weêr voor mij op …Dierbare prins, vorst van mijne ziel, hier op deze bladen, die niemand ooit lezen zal, neem ik afscheid van U, omdat het mij niet gegeven werd, afscheid van U te nemen op een oogenblik van tastbare werkelijkheid. O, dikwijls, dag aan dag misschien, zal ik U nog zien in het wemelen van de wereld, in de ceremonie der paleizen, maar u zal mij niet meer behooren en daarom neem ik afscheid van U. Wat ik ook ben,—dubbele zondares misschien, die alleen naar den hemel verlangt, omdat de aarde haar niet meer boeit—waàr ben ik voor U geweest, als ik altijd was, in liefde. Ik heb U gebukt gezien, U, zoo tenger, onder Uw zwaar juk van keizerlijkheid en ik heb mijn hart voor U voelen overvloeien van medelijden. Ik heb U mijn armzaligen zondigen troost willen geven, zooals ik dat kon. Moge de Hemel mij vergeven! Ik[207]heb U getroffen op een oogenblik, dat de tranen aan Uwe lieve oogen ontvloeiden uit bitterheid, dat men U haatte en de schennende hand had durven slaan aan Uw vorstelijk lichaam, en ik heb u willen geven wat zoets ik kon, om U die bitterheid te doen vergeten. O, misschien was ik toen zelfs niet geheel eerlijk; misschien ben ik het zelfs nu niet! Maar dàt zoû te vreeslijk zijn: dat zoû me mijzelve doen verachten, als ik niet kan! En ik wil ten minste die illuzie behouden, dat ik eerlijk wàs! Dat ik U wilde troosten! Dat, al was het ook zonde, ik U getroost heb. Dat ik U in ware waarheid heb liefgehad. Dat ik U nog lief heb. Dat ik U niet meer lief zal hebben—omdat ik dit niet mag—als Uwe minnares, maar dat ik het doen zal als Uwe onderdane. Het bloed van mijne aderen bemint het Uwe; Uw gouden bloed! En als ikzelve den vrede zal gevonden hebben en niet meer weifelen en twijfelen zal, zullen mijne laatste dagen slechts gebed zijn voor U, dat ook U de vrede worde en de kracht voor Uwe toekomstige heerscherstaak. Ik voel geen naijver op haar, die mijne aanstaande keizerin zal zijn. Ik weet, dat zij mooi is, en zij is jonger dan ik. Maar ik vergelijk me niet met haar. Ik zal hare onderdane zijn, zooals ik de Uwe ben. Want ik heb U lief om Uzelve, en ik heb lief alles, wat van U zal zijn. U is mijn vorst; U is mijn vorst reeds meer dan Oscar! Vaarwel, mijn prins, mijn kroonprins, mijn vorst! Als ik U terug zie, zal U mij niets meer zijn dan mijn vorst, en mijn vorst alleen!Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke HoogheidOthomar,Hertog van Xarate Lipara.Castel Vaza,Nov. 18 …Mijn dierbare Prins!Vergeef me zoo ik het waag U bijgaande bladen toe te zenden. Ik meende eerst U te zenden een langen brief, een brief van afscheid. Ik schreef er U ook vele, maar zond ze U niet en verscheurde ze. Toen schreef ik U alleen voor mijzelve,[208]nam ik afscheid van U voor mijzelve. Maar kan ik het nagaan, wat er in mij omgaat, wat ik denk van het eene oogenblik op het andere?! Ik miste het toch: mijn zoet afscheid, dat nog iets geheims van mij binden zoû aan U. En zoo kan ik niet nalaten—eindelijk, na veel slingering van gedachte!—U deze bladen, die ik slechts voor mijzelve had vol geschreven, te zenden. Aan Uwe voeten smeek ik U: neem ze in genade aan, lees ze in genade. Verscheur ze daarna; U zal door ze de laatste gedachte weten, die ik heb gewaagd te wijden aan het mysterie, dat onze liefde was …Ik druk mijn lippen aan Uwe aangebeden handen,Alexa.

[Inhoud]IX.Uit het Dagboek van Alexa,Hertogin van Yemena.Gravin van Vaza.Nov. 18 …De kroonprins is niet met den keizer meêgekomen. Professor Barzia heeft het hem verboden, omdat hij meende, dat de groote jachten, waarmeê de hertog Zijne Majesteit verstrooien wil, in zijn verdriet om onzen kleinen prins, te vermoeiend zouden zijn voor mijn lieven zieke. Ik hoor toch van Dutri, dat hij aanmerkelijk in beterschap toeneemt, en zijne dagelijkschen morgenrit reeds hervat heeft.Het is gedaan voor mij. Arm zondig hart, in mij zelve, sterf. Want na deze laatste bloem van passie, die in u ontlook, wil ik dat ge sterft, voor de wereld. Om de reinheid van mijn keizerlijke bloem, wil ik, dat ge nu sterft. Niets hierna, niets, dan het nieuwe Leven, dat ik voor mij zie lichten …En toch, ik ben nog jong; ik zie mij in mijn spiegel niet ouder dan een jaar geleden. Ik zoû, als ik niet wilde, geen afstand behoeven te doen van mijne vrouwelijke machten. En zoo beschouwt iedereen het, want ik weet, dat men fluistert over den Hertog van Mena-Doni, als zoû hij in mijn hart mijn aangebeden kroonprins vervangen hebben. Maar het is niet waar, het is niet waar. En ik ben er zoo blij om, dat ze mij[205]niet kennen en het niet weten. Dat ze het niet begrijpen, dat ik rein wil laten verwelken mijne keizerlijke liefde en na haar geene aardsche liefde koesteren wil.Lieve liefde van mijn hart, gij hebt mij verheven tot mijn nieuw Leven! Gij waart nog zonde, maar ge louterdet toch, omdat ge zelve gelouterd waart door de aanraking van het heilige, dat in vorstelijkheid is. O, ge waart de laatste zonde, maar ge waart reeds reiner dan de vorige. Want groote zondaresse ben ik geweest; heel mijn zondig leven van vrouw offerde ik aan verterende passie en wat liet het anders na dan asch in mijn hart! Groote, blakende liefde van mijn leven voor hem, die nu dood is—zijne ziel ruste in vrede—ik wil u niet verloochenen, omdat gij geweest zijt mijn meest intense aardsche genot, omdat ik door u het eerste heb leeren weten, dat ik een ziel had, en omdat ge zóo nader bracht tot wat ik nu voor mij zie; maar toch, wat waart ge anders dan aardschheid! En mijne reinere keizerlijke liefde, wat waart ook gij anders dan aardschheid! Zachte vorst van mijn ziel, wat wil God anders, dat ge zijn zult dan aardsch. Een rijk wacht u, eene kroon, een scepter, eene keizerin. God wil het zoo, en daarom is het goed, dat ge aardsch zijt, terwijl uwe aardschheid toch tevens gewijd wordt door uw vroom geloof. Maar ik, ik ben minder geweest dan aardsch alleen: ik was zondig. En nu wil ik, dat mijn hart geheel en al sterft in mij, omdat het niets is dan zonde. Dan zal mijn hart herboren worden, in nieuw Leven …Ik heb geleden. Uren heb ik gelegen op het koude marmer van de kapel, tot mijne knieën me pijn deden en mijne leden stijf waren. Mijn zondig leven heb ik gebiecht aan mijn heiligen biechtvader, Monseigneur van Vaza. O, de zoetheid van absolutie en de extaze van gebed! Waarom voelen wij niet eerder dien zaligen troost, die er is in de waarneming van onze godsdienstige plichten! O, als ik mij geheel kon storten in het zoete mysterie, in God; als ik gaan kon in een klooster! Maar ik heb mijne twee stiefdochters. Ik moet ze brengen in de wereld; het is mijn taak. En Monseigneur meent, dat het mijne boete is en mijn straf: me niet terug te kunnen trekken in heiligende afzondering, maar te moeten blijven ademen, de zondige atmosfeer van de wereld.[206]Mijn kasteel in Lycilië, waar we nooit komen, mijn eigen kasteel en erfgoed, wil ik geven aan onze Heilige Kerk voor een klooster van jonkvrouwen Ursulinnen. Onlangs ben ik er geweest, met Monseigneur. O, de groote sombere zalen, de fresco’s in schaduw, het donkere park! En de kapel, als er de nieuwe glazen zullen gekomen zijn, waardoor het licht in mystieke kleurenwemeling zal neêrvallen! Mijn dierbaarste wensch is het, daar oud te kunnen worden en er geheel af te kunnen sterven van de wereld: maar zal het ooit mogen, Heilige Moeder Gods, zal het ooit mogen!— — — — — — — — — — — — — — — — — —Ben ik eerlijk? Wie weet het, wat weet ikzelve? Voel ik die loutering van mijne ziel in waarheid of blijf ik toch, die ik ben? Een vreeselijke twijfel rijst in mij op; het is Satan, die in mij komt! Ik wil bidden: Heilige Maagd, bid voor mij!— — — — — — — — — — — — — — — — — —Ik ben kalmer geworden; het gebed heeft mij gesterkt. O, smartelijk zijn de twijfelingen, die mij rukken uit mijne overtuiging. Dan zegt Satan, dat ik mij die overtuiging wijs maak, om mij te troosten in mijne verlatenheid en dat ik vroom ben geworden uit gemis aan bezigheid. Ik zie mij zelve dan in den spiegel, jong; eene jonge vrouw. Maar als ik bid, wijken de twijfelingen weêr uit mijn zondig gemoed en blik ik met huivering terug naar mijn slecht verleden. En dan klaart het nieuwe Leven van mijne toekomst weêr voor mij op …Dierbare prins, vorst van mijne ziel, hier op deze bladen, die niemand ooit lezen zal, neem ik afscheid van U, omdat het mij niet gegeven werd, afscheid van U te nemen op een oogenblik van tastbare werkelijkheid. O, dikwijls, dag aan dag misschien, zal ik U nog zien in het wemelen van de wereld, in de ceremonie der paleizen, maar u zal mij niet meer behooren en daarom neem ik afscheid van U. Wat ik ook ben,—dubbele zondares misschien, die alleen naar den hemel verlangt, omdat de aarde haar niet meer boeit—waàr ben ik voor U geweest, als ik altijd was, in liefde. Ik heb U gebukt gezien, U, zoo tenger, onder Uw zwaar juk van keizerlijkheid en ik heb mijn hart voor U voelen overvloeien van medelijden. Ik heb U mijn armzaligen zondigen troost willen geven, zooals ik dat kon. Moge de Hemel mij vergeven! Ik[207]heb U getroffen op een oogenblik, dat de tranen aan Uwe lieve oogen ontvloeiden uit bitterheid, dat men U haatte en de schennende hand had durven slaan aan Uw vorstelijk lichaam, en ik heb u willen geven wat zoets ik kon, om U die bitterheid te doen vergeten. O, misschien was ik toen zelfs niet geheel eerlijk; misschien ben ik het zelfs nu niet! Maar dàt zoû te vreeslijk zijn: dat zoû me mijzelve doen verachten, als ik niet kan! En ik wil ten minste die illuzie behouden, dat ik eerlijk wàs! Dat ik U wilde troosten! Dat, al was het ook zonde, ik U getroost heb. Dat ik U in ware waarheid heb liefgehad. Dat ik U nog lief heb. Dat ik U niet meer lief zal hebben—omdat ik dit niet mag—als Uwe minnares, maar dat ik het doen zal als Uwe onderdane. Het bloed van mijne aderen bemint het Uwe; Uw gouden bloed! En als ikzelve den vrede zal gevonden hebben en niet meer weifelen en twijfelen zal, zullen mijne laatste dagen slechts gebed zijn voor U, dat ook U de vrede worde en de kracht voor Uwe toekomstige heerscherstaak. Ik voel geen naijver op haar, die mijne aanstaande keizerin zal zijn. Ik weet, dat zij mooi is, en zij is jonger dan ik. Maar ik vergelijk me niet met haar. Ik zal hare onderdane zijn, zooals ik de Uwe ben. Want ik heb U lief om Uzelve, en ik heb lief alles, wat van U zal zijn. U is mijn vorst; U is mijn vorst reeds meer dan Oscar! Vaarwel, mijn prins, mijn kroonprins, mijn vorst! Als ik U terug zie, zal U mij niets meer zijn dan mijn vorst, en mijn vorst alleen!Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke HoogheidOthomar,Hertog van Xarate Lipara.Castel Vaza,Nov. 18 …Mijn dierbare Prins!Vergeef me zoo ik het waag U bijgaande bladen toe te zenden. Ik meende eerst U te zenden een langen brief, een brief van afscheid. Ik schreef er U ook vele, maar zond ze U niet en verscheurde ze. Toen schreef ik U alleen voor mijzelve,[208]nam ik afscheid van U voor mijzelve. Maar kan ik het nagaan, wat er in mij omgaat, wat ik denk van het eene oogenblik op het andere?! Ik miste het toch: mijn zoet afscheid, dat nog iets geheims van mij binden zoû aan U. En zoo kan ik niet nalaten—eindelijk, na veel slingering van gedachte!—U deze bladen, die ik slechts voor mijzelve had vol geschreven, te zenden. Aan Uwe voeten smeek ik U: neem ze in genade aan, lees ze in genade. Verscheur ze daarna; U zal door ze de laatste gedachte weten, die ik heb gewaagd te wijden aan het mysterie, dat onze liefde was …Ik druk mijn lippen aan Uwe aangebeden handen,Alexa.

[Inhoud]IX.Uit het Dagboek van Alexa,Hertogin van Yemena.Gravin van Vaza.Nov. 18 …De kroonprins is niet met den keizer meêgekomen. Professor Barzia heeft het hem verboden, omdat hij meende, dat de groote jachten, waarmeê de hertog Zijne Majesteit verstrooien wil, in zijn verdriet om onzen kleinen prins, te vermoeiend zouden zijn voor mijn lieven zieke. Ik hoor toch van Dutri, dat hij aanmerkelijk in beterschap toeneemt, en zijne dagelijkschen morgenrit reeds hervat heeft.Het is gedaan voor mij. Arm zondig hart, in mij zelve, sterf. Want na deze laatste bloem van passie, die in u ontlook, wil ik dat ge sterft, voor de wereld. Om de reinheid van mijn keizerlijke bloem, wil ik, dat ge nu sterft. Niets hierna, niets, dan het nieuwe Leven, dat ik voor mij zie lichten …En toch, ik ben nog jong; ik zie mij in mijn spiegel niet ouder dan een jaar geleden. Ik zoû, als ik niet wilde, geen afstand behoeven te doen van mijne vrouwelijke machten. En zoo beschouwt iedereen het, want ik weet, dat men fluistert over den Hertog van Mena-Doni, als zoû hij in mijn hart mijn aangebeden kroonprins vervangen hebben. Maar het is niet waar, het is niet waar. En ik ben er zoo blij om, dat ze mij[205]niet kennen en het niet weten. Dat ze het niet begrijpen, dat ik rein wil laten verwelken mijne keizerlijke liefde en na haar geene aardsche liefde koesteren wil.Lieve liefde van mijn hart, gij hebt mij verheven tot mijn nieuw Leven! Gij waart nog zonde, maar ge louterdet toch, omdat ge zelve gelouterd waart door de aanraking van het heilige, dat in vorstelijkheid is. O, ge waart de laatste zonde, maar ge waart reeds reiner dan de vorige. Want groote zondaresse ben ik geweest; heel mijn zondig leven van vrouw offerde ik aan verterende passie en wat liet het anders na dan asch in mijn hart! Groote, blakende liefde van mijn leven voor hem, die nu dood is—zijne ziel ruste in vrede—ik wil u niet verloochenen, omdat gij geweest zijt mijn meest intense aardsche genot, omdat ik door u het eerste heb leeren weten, dat ik een ziel had, en omdat ge zóo nader bracht tot wat ik nu voor mij zie; maar toch, wat waart ge anders dan aardschheid! En mijne reinere keizerlijke liefde, wat waart ook gij anders dan aardschheid! Zachte vorst van mijn ziel, wat wil God anders, dat ge zijn zult dan aardsch. Een rijk wacht u, eene kroon, een scepter, eene keizerin. God wil het zoo, en daarom is het goed, dat ge aardsch zijt, terwijl uwe aardschheid toch tevens gewijd wordt door uw vroom geloof. Maar ik, ik ben minder geweest dan aardsch alleen: ik was zondig. En nu wil ik, dat mijn hart geheel en al sterft in mij, omdat het niets is dan zonde. Dan zal mijn hart herboren worden, in nieuw Leven …Ik heb geleden. Uren heb ik gelegen op het koude marmer van de kapel, tot mijne knieën me pijn deden en mijne leden stijf waren. Mijn zondig leven heb ik gebiecht aan mijn heiligen biechtvader, Monseigneur van Vaza. O, de zoetheid van absolutie en de extaze van gebed! Waarom voelen wij niet eerder dien zaligen troost, die er is in de waarneming van onze godsdienstige plichten! O, als ik mij geheel kon storten in het zoete mysterie, in God; als ik gaan kon in een klooster! Maar ik heb mijne twee stiefdochters. Ik moet ze brengen in de wereld; het is mijn taak. En Monseigneur meent, dat het mijne boete is en mijn straf: me niet terug te kunnen trekken in heiligende afzondering, maar te moeten blijven ademen, de zondige atmosfeer van de wereld.[206]Mijn kasteel in Lycilië, waar we nooit komen, mijn eigen kasteel en erfgoed, wil ik geven aan onze Heilige Kerk voor een klooster van jonkvrouwen Ursulinnen. Onlangs ben ik er geweest, met Monseigneur. O, de groote sombere zalen, de fresco’s in schaduw, het donkere park! En de kapel, als er de nieuwe glazen zullen gekomen zijn, waardoor het licht in mystieke kleurenwemeling zal neêrvallen! Mijn dierbaarste wensch is het, daar oud te kunnen worden en er geheel af te kunnen sterven van de wereld: maar zal het ooit mogen, Heilige Moeder Gods, zal het ooit mogen!— — — — — — — — — — — — — — — — — —Ben ik eerlijk? Wie weet het, wat weet ikzelve? Voel ik die loutering van mijne ziel in waarheid of blijf ik toch, die ik ben? Een vreeselijke twijfel rijst in mij op; het is Satan, die in mij komt! Ik wil bidden: Heilige Maagd, bid voor mij!— — — — — — — — — — — — — — — — — —Ik ben kalmer geworden; het gebed heeft mij gesterkt. O, smartelijk zijn de twijfelingen, die mij rukken uit mijne overtuiging. Dan zegt Satan, dat ik mij die overtuiging wijs maak, om mij te troosten in mijne verlatenheid en dat ik vroom ben geworden uit gemis aan bezigheid. Ik zie mij zelve dan in den spiegel, jong; eene jonge vrouw. Maar als ik bid, wijken de twijfelingen weêr uit mijn zondig gemoed en blik ik met huivering terug naar mijn slecht verleden. En dan klaart het nieuwe Leven van mijne toekomst weêr voor mij op …Dierbare prins, vorst van mijne ziel, hier op deze bladen, die niemand ooit lezen zal, neem ik afscheid van U, omdat het mij niet gegeven werd, afscheid van U te nemen op een oogenblik van tastbare werkelijkheid. O, dikwijls, dag aan dag misschien, zal ik U nog zien in het wemelen van de wereld, in de ceremonie der paleizen, maar u zal mij niet meer behooren en daarom neem ik afscheid van U. Wat ik ook ben,—dubbele zondares misschien, die alleen naar den hemel verlangt, omdat de aarde haar niet meer boeit—waàr ben ik voor U geweest, als ik altijd was, in liefde. Ik heb U gebukt gezien, U, zoo tenger, onder Uw zwaar juk van keizerlijkheid en ik heb mijn hart voor U voelen overvloeien van medelijden. Ik heb U mijn armzaligen zondigen troost willen geven, zooals ik dat kon. Moge de Hemel mij vergeven! Ik[207]heb U getroffen op een oogenblik, dat de tranen aan Uwe lieve oogen ontvloeiden uit bitterheid, dat men U haatte en de schennende hand had durven slaan aan Uw vorstelijk lichaam, en ik heb u willen geven wat zoets ik kon, om U die bitterheid te doen vergeten. O, misschien was ik toen zelfs niet geheel eerlijk; misschien ben ik het zelfs nu niet! Maar dàt zoû te vreeslijk zijn: dat zoû me mijzelve doen verachten, als ik niet kan! En ik wil ten minste die illuzie behouden, dat ik eerlijk wàs! Dat ik U wilde troosten! Dat, al was het ook zonde, ik U getroost heb. Dat ik U in ware waarheid heb liefgehad. Dat ik U nog lief heb. Dat ik U niet meer lief zal hebben—omdat ik dit niet mag—als Uwe minnares, maar dat ik het doen zal als Uwe onderdane. Het bloed van mijne aderen bemint het Uwe; Uw gouden bloed! En als ikzelve den vrede zal gevonden hebben en niet meer weifelen en twijfelen zal, zullen mijne laatste dagen slechts gebed zijn voor U, dat ook U de vrede worde en de kracht voor Uwe toekomstige heerscherstaak. Ik voel geen naijver op haar, die mijne aanstaande keizerin zal zijn. Ik weet, dat zij mooi is, en zij is jonger dan ik. Maar ik vergelijk me niet met haar. Ik zal hare onderdane zijn, zooals ik de Uwe ben. Want ik heb U lief om Uzelve, en ik heb lief alles, wat van U zal zijn. U is mijn vorst; U is mijn vorst reeds meer dan Oscar! Vaarwel, mijn prins, mijn kroonprins, mijn vorst! Als ik U terug zie, zal U mij niets meer zijn dan mijn vorst, en mijn vorst alleen!Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke HoogheidOthomar,Hertog van Xarate Lipara.Castel Vaza,Nov. 18 …Mijn dierbare Prins!Vergeef me zoo ik het waag U bijgaande bladen toe te zenden. Ik meende eerst U te zenden een langen brief, een brief van afscheid. Ik schreef er U ook vele, maar zond ze U niet en verscheurde ze. Toen schreef ik U alleen voor mijzelve,[208]nam ik afscheid van U voor mijzelve. Maar kan ik het nagaan, wat er in mij omgaat, wat ik denk van het eene oogenblik op het andere?! Ik miste het toch: mijn zoet afscheid, dat nog iets geheims van mij binden zoû aan U. En zoo kan ik niet nalaten—eindelijk, na veel slingering van gedachte!—U deze bladen, die ik slechts voor mijzelve had vol geschreven, te zenden. Aan Uwe voeten smeek ik U: neem ze in genade aan, lees ze in genade. Verscheur ze daarna; U zal door ze de laatste gedachte weten, die ik heb gewaagd te wijden aan het mysterie, dat onze liefde was …Ik druk mijn lippen aan Uwe aangebeden handen,Alexa.

[Inhoud]IX.Uit het Dagboek van Alexa,Hertogin van Yemena.Gravin van Vaza.Nov. 18 …De kroonprins is niet met den keizer meêgekomen. Professor Barzia heeft het hem verboden, omdat hij meende, dat de groote jachten, waarmeê de hertog Zijne Majesteit verstrooien wil, in zijn verdriet om onzen kleinen prins, te vermoeiend zouden zijn voor mijn lieven zieke. Ik hoor toch van Dutri, dat hij aanmerkelijk in beterschap toeneemt, en zijne dagelijkschen morgenrit reeds hervat heeft.Het is gedaan voor mij. Arm zondig hart, in mij zelve, sterf. Want na deze laatste bloem van passie, die in u ontlook, wil ik dat ge sterft, voor de wereld. Om de reinheid van mijn keizerlijke bloem, wil ik, dat ge nu sterft. Niets hierna, niets, dan het nieuwe Leven, dat ik voor mij zie lichten …En toch, ik ben nog jong; ik zie mij in mijn spiegel niet ouder dan een jaar geleden. Ik zoû, als ik niet wilde, geen afstand behoeven te doen van mijne vrouwelijke machten. En zoo beschouwt iedereen het, want ik weet, dat men fluistert over den Hertog van Mena-Doni, als zoû hij in mijn hart mijn aangebeden kroonprins vervangen hebben. Maar het is niet waar, het is niet waar. En ik ben er zoo blij om, dat ze mij[205]niet kennen en het niet weten. Dat ze het niet begrijpen, dat ik rein wil laten verwelken mijne keizerlijke liefde en na haar geene aardsche liefde koesteren wil.Lieve liefde van mijn hart, gij hebt mij verheven tot mijn nieuw Leven! Gij waart nog zonde, maar ge louterdet toch, omdat ge zelve gelouterd waart door de aanraking van het heilige, dat in vorstelijkheid is. O, ge waart de laatste zonde, maar ge waart reeds reiner dan de vorige. Want groote zondaresse ben ik geweest; heel mijn zondig leven van vrouw offerde ik aan verterende passie en wat liet het anders na dan asch in mijn hart! Groote, blakende liefde van mijn leven voor hem, die nu dood is—zijne ziel ruste in vrede—ik wil u niet verloochenen, omdat gij geweest zijt mijn meest intense aardsche genot, omdat ik door u het eerste heb leeren weten, dat ik een ziel had, en omdat ge zóo nader bracht tot wat ik nu voor mij zie; maar toch, wat waart ge anders dan aardschheid! En mijne reinere keizerlijke liefde, wat waart ook gij anders dan aardschheid! Zachte vorst van mijn ziel, wat wil God anders, dat ge zijn zult dan aardsch. Een rijk wacht u, eene kroon, een scepter, eene keizerin. God wil het zoo, en daarom is het goed, dat ge aardsch zijt, terwijl uwe aardschheid toch tevens gewijd wordt door uw vroom geloof. Maar ik, ik ben minder geweest dan aardsch alleen: ik was zondig. En nu wil ik, dat mijn hart geheel en al sterft in mij, omdat het niets is dan zonde. Dan zal mijn hart herboren worden, in nieuw Leven …Ik heb geleden. Uren heb ik gelegen op het koude marmer van de kapel, tot mijne knieën me pijn deden en mijne leden stijf waren. Mijn zondig leven heb ik gebiecht aan mijn heiligen biechtvader, Monseigneur van Vaza. O, de zoetheid van absolutie en de extaze van gebed! Waarom voelen wij niet eerder dien zaligen troost, die er is in de waarneming van onze godsdienstige plichten! O, als ik mij geheel kon storten in het zoete mysterie, in God; als ik gaan kon in een klooster! Maar ik heb mijne twee stiefdochters. Ik moet ze brengen in de wereld; het is mijn taak. En Monseigneur meent, dat het mijne boete is en mijn straf: me niet terug te kunnen trekken in heiligende afzondering, maar te moeten blijven ademen, de zondige atmosfeer van de wereld.[206]Mijn kasteel in Lycilië, waar we nooit komen, mijn eigen kasteel en erfgoed, wil ik geven aan onze Heilige Kerk voor een klooster van jonkvrouwen Ursulinnen. Onlangs ben ik er geweest, met Monseigneur. O, de groote sombere zalen, de fresco’s in schaduw, het donkere park! En de kapel, als er de nieuwe glazen zullen gekomen zijn, waardoor het licht in mystieke kleurenwemeling zal neêrvallen! Mijn dierbaarste wensch is het, daar oud te kunnen worden en er geheel af te kunnen sterven van de wereld: maar zal het ooit mogen, Heilige Moeder Gods, zal het ooit mogen!— — — — — — — — — — — — — — — — — —Ben ik eerlijk? Wie weet het, wat weet ikzelve? Voel ik die loutering van mijne ziel in waarheid of blijf ik toch, die ik ben? Een vreeselijke twijfel rijst in mij op; het is Satan, die in mij komt! Ik wil bidden: Heilige Maagd, bid voor mij!— — — — — — — — — — — — — — — — — —Ik ben kalmer geworden; het gebed heeft mij gesterkt. O, smartelijk zijn de twijfelingen, die mij rukken uit mijne overtuiging. Dan zegt Satan, dat ik mij die overtuiging wijs maak, om mij te troosten in mijne verlatenheid en dat ik vroom ben geworden uit gemis aan bezigheid. Ik zie mij zelve dan in den spiegel, jong; eene jonge vrouw. Maar als ik bid, wijken de twijfelingen weêr uit mijn zondig gemoed en blik ik met huivering terug naar mijn slecht verleden. En dan klaart het nieuwe Leven van mijne toekomst weêr voor mij op …Dierbare prins, vorst van mijne ziel, hier op deze bladen, die niemand ooit lezen zal, neem ik afscheid van U, omdat het mij niet gegeven werd, afscheid van U te nemen op een oogenblik van tastbare werkelijkheid. O, dikwijls, dag aan dag misschien, zal ik U nog zien in het wemelen van de wereld, in de ceremonie der paleizen, maar u zal mij niet meer behooren en daarom neem ik afscheid van U. Wat ik ook ben,—dubbele zondares misschien, die alleen naar den hemel verlangt, omdat de aarde haar niet meer boeit—waàr ben ik voor U geweest, als ik altijd was, in liefde. Ik heb U gebukt gezien, U, zoo tenger, onder Uw zwaar juk van keizerlijkheid en ik heb mijn hart voor U voelen overvloeien van medelijden. Ik heb U mijn armzaligen zondigen troost willen geven, zooals ik dat kon. Moge de Hemel mij vergeven! Ik[207]heb U getroffen op een oogenblik, dat de tranen aan Uwe lieve oogen ontvloeiden uit bitterheid, dat men U haatte en de schennende hand had durven slaan aan Uw vorstelijk lichaam, en ik heb u willen geven wat zoets ik kon, om U die bitterheid te doen vergeten. O, misschien was ik toen zelfs niet geheel eerlijk; misschien ben ik het zelfs nu niet! Maar dàt zoû te vreeslijk zijn: dat zoû me mijzelve doen verachten, als ik niet kan! En ik wil ten minste die illuzie behouden, dat ik eerlijk wàs! Dat ik U wilde troosten! Dat, al was het ook zonde, ik U getroost heb. Dat ik U in ware waarheid heb liefgehad. Dat ik U nog lief heb. Dat ik U niet meer lief zal hebben—omdat ik dit niet mag—als Uwe minnares, maar dat ik het doen zal als Uwe onderdane. Het bloed van mijne aderen bemint het Uwe; Uw gouden bloed! En als ikzelve den vrede zal gevonden hebben en niet meer weifelen en twijfelen zal, zullen mijne laatste dagen slechts gebed zijn voor U, dat ook U de vrede worde en de kracht voor Uwe toekomstige heerscherstaak. Ik voel geen naijver op haar, die mijne aanstaande keizerin zal zijn. Ik weet, dat zij mooi is, en zij is jonger dan ik. Maar ik vergelijk me niet met haar. Ik zal hare onderdane zijn, zooals ik de Uwe ben. Want ik heb U lief om Uzelve, en ik heb lief alles, wat van U zal zijn. U is mijn vorst; U is mijn vorst reeds meer dan Oscar! Vaarwel, mijn prins, mijn kroonprins, mijn vorst! Als ik U terug zie, zal U mij niets meer zijn dan mijn vorst, en mijn vorst alleen!Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke HoogheidOthomar,Hertog van Xarate Lipara.Castel Vaza,Nov. 18 …Mijn dierbare Prins!Vergeef me zoo ik het waag U bijgaande bladen toe te zenden. Ik meende eerst U te zenden een langen brief, een brief van afscheid. Ik schreef er U ook vele, maar zond ze U niet en verscheurde ze. Toen schreef ik U alleen voor mijzelve,[208]nam ik afscheid van U voor mijzelve. Maar kan ik het nagaan, wat er in mij omgaat, wat ik denk van het eene oogenblik op het andere?! Ik miste het toch: mijn zoet afscheid, dat nog iets geheims van mij binden zoû aan U. En zoo kan ik niet nalaten—eindelijk, na veel slingering van gedachte!—U deze bladen, die ik slechts voor mijzelve had vol geschreven, te zenden. Aan Uwe voeten smeek ik U: neem ze in genade aan, lees ze in genade. Verscheur ze daarna; U zal door ze de laatste gedachte weten, die ik heb gewaagd te wijden aan het mysterie, dat onze liefde was …Ik druk mijn lippen aan Uwe aangebeden handen,Alexa.

[Inhoud]IX.Uit het Dagboek van Alexa,Hertogin van Yemena.Gravin van Vaza.Nov. 18 …De kroonprins is niet met den keizer meêgekomen. Professor Barzia heeft het hem verboden, omdat hij meende, dat de groote jachten, waarmeê de hertog Zijne Majesteit verstrooien wil, in zijn verdriet om onzen kleinen prins, te vermoeiend zouden zijn voor mijn lieven zieke. Ik hoor toch van Dutri, dat hij aanmerkelijk in beterschap toeneemt, en zijne dagelijkschen morgenrit reeds hervat heeft.Het is gedaan voor mij. Arm zondig hart, in mij zelve, sterf. Want na deze laatste bloem van passie, die in u ontlook, wil ik dat ge sterft, voor de wereld. Om de reinheid van mijn keizerlijke bloem, wil ik, dat ge nu sterft. Niets hierna, niets, dan het nieuwe Leven, dat ik voor mij zie lichten …En toch, ik ben nog jong; ik zie mij in mijn spiegel niet ouder dan een jaar geleden. Ik zoû, als ik niet wilde, geen afstand behoeven te doen van mijne vrouwelijke machten. En zoo beschouwt iedereen het, want ik weet, dat men fluistert over den Hertog van Mena-Doni, als zoû hij in mijn hart mijn aangebeden kroonprins vervangen hebben. Maar het is niet waar, het is niet waar. En ik ben er zoo blij om, dat ze mij[205]niet kennen en het niet weten. Dat ze het niet begrijpen, dat ik rein wil laten verwelken mijne keizerlijke liefde en na haar geene aardsche liefde koesteren wil.Lieve liefde van mijn hart, gij hebt mij verheven tot mijn nieuw Leven! Gij waart nog zonde, maar ge louterdet toch, omdat ge zelve gelouterd waart door de aanraking van het heilige, dat in vorstelijkheid is. O, ge waart de laatste zonde, maar ge waart reeds reiner dan de vorige. Want groote zondaresse ben ik geweest; heel mijn zondig leven van vrouw offerde ik aan verterende passie en wat liet het anders na dan asch in mijn hart! Groote, blakende liefde van mijn leven voor hem, die nu dood is—zijne ziel ruste in vrede—ik wil u niet verloochenen, omdat gij geweest zijt mijn meest intense aardsche genot, omdat ik door u het eerste heb leeren weten, dat ik een ziel had, en omdat ge zóo nader bracht tot wat ik nu voor mij zie; maar toch, wat waart ge anders dan aardschheid! En mijne reinere keizerlijke liefde, wat waart ook gij anders dan aardschheid! Zachte vorst van mijn ziel, wat wil God anders, dat ge zijn zult dan aardsch. Een rijk wacht u, eene kroon, een scepter, eene keizerin. God wil het zoo, en daarom is het goed, dat ge aardsch zijt, terwijl uwe aardschheid toch tevens gewijd wordt door uw vroom geloof. Maar ik, ik ben minder geweest dan aardsch alleen: ik was zondig. En nu wil ik, dat mijn hart geheel en al sterft in mij, omdat het niets is dan zonde. Dan zal mijn hart herboren worden, in nieuw Leven …Ik heb geleden. Uren heb ik gelegen op het koude marmer van de kapel, tot mijne knieën me pijn deden en mijne leden stijf waren. Mijn zondig leven heb ik gebiecht aan mijn heiligen biechtvader, Monseigneur van Vaza. O, de zoetheid van absolutie en de extaze van gebed! Waarom voelen wij niet eerder dien zaligen troost, die er is in de waarneming van onze godsdienstige plichten! O, als ik mij geheel kon storten in het zoete mysterie, in God; als ik gaan kon in een klooster! Maar ik heb mijne twee stiefdochters. Ik moet ze brengen in de wereld; het is mijn taak. En Monseigneur meent, dat het mijne boete is en mijn straf: me niet terug te kunnen trekken in heiligende afzondering, maar te moeten blijven ademen, de zondige atmosfeer van de wereld.[206]Mijn kasteel in Lycilië, waar we nooit komen, mijn eigen kasteel en erfgoed, wil ik geven aan onze Heilige Kerk voor een klooster van jonkvrouwen Ursulinnen. Onlangs ben ik er geweest, met Monseigneur. O, de groote sombere zalen, de fresco’s in schaduw, het donkere park! En de kapel, als er de nieuwe glazen zullen gekomen zijn, waardoor het licht in mystieke kleurenwemeling zal neêrvallen! Mijn dierbaarste wensch is het, daar oud te kunnen worden en er geheel af te kunnen sterven van de wereld: maar zal het ooit mogen, Heilige Moeder Gods, zal het ooit mogen!— — — — — — — — — — — — — — — — — —Ben ik eerlijk? Wie weet het, wat weet ikzelve? Voel ik die loutering van mijne ziel in waarheid of blijf ik toch, die ik ben? Een vreeselijke twijfel rijst in mij op; het is Satan, die in mij komt! Ik wil bidden: Heilige Maagd, bid voor mij!— — — — — — — — — — — — — — — — — —Ik ben kalmer geworden; het gebed heeft mij gesterkt. O, smartelijk zijn de twijfelingen, die mij rukken uit mijne overtuiging. Dan zegt Satan, dat ik mij die overtuiging wijs maak, om mij te troosten in mijne verlatenheid en dat ik vroom ben geworden uit gemis aan bezigheid. Ik zie mij zelve dan in den spiegel, jong; eene jonge vrouw. Maar als ik bid, wijken de twijfelingen weêr uit mijn zondig gemoed en blik ik met huivering terug naar mijn slecht verleden. En dan klaart het nieuwe Leven van mijne toekomst weêr voor mij op …Dierbare prins, vorst van mijne ziel, hier op deze bladen, die niemand ooit lezen zal, neem ik afscheid van U, omdat het mij niet gegeven werd, afscheid van U te nemen op een oogenblik van tastbare werkelijkheid. O, dikwijls, dag aan dag misschien, zal ik U nog zien in het wemelen van de wereld, in de ceremonie der paleizen, maar u zal mij niet meer behooren en daarom neem ik afscheid van U. Wat ik ook ben,—dubbele zondares misschien, die alleen naar den hemel verlangt, omdat de aarde haar niet meer boeit—waàr ben ik voor U geweest, als ik altijd was, in liefde. Ik heb U gebukt gezien, U, zoo tenger, onder Uw zwaar juk van keizerlijkheid en ik heb mijn hart voor U voelen overvloeien van medelijden. Ik heb U mijn armzaligen zondigen troost willen geven, zooals ik dat kon. Moge de Hemel mij vergeven! Ik[207]heb U getroffen op een oogenblik, dat de tranen aan Uwe lieve oogen ontvloeiden uit bitterheid, dat men U haatte en de schennende hand had durven slaan aan Uw vorstelijk lichaam, en ik heb u willen geven wat zoets ik kon, om U die bitterheid te doen vergeten. O, misschien was ik toen zelfs niet geheel eerlijk; misschien ben ik het zelfs nu niet! Maar dàt zoû te vreeslijk zijn: dat zoû me mijzelve doen verachten, als ik niet kan! En ik wil ten minste die illuzie behouden, dat ik eerlijk wàs! Dat ik U wilde troosten! Dat, al was het ook zonde, ik U getroost heb. Dat ik U in ware waarheid heb liefgehad. Dat ik U nog lief heb. Dat ik U niet meer lief zal hebben—omdat ik dit niet mag—als Uwe minnares, maar dat ik het doen zal als Uwe onderdane. Het bloed van mijne aderen bemint het Uwe; Uw gouden bloed! En als ikzelve den vrede zal gevonden hebben en niet meer weifelen en twijfelen zal, zullen mijne laatste dagen slechts gebed zijn voor U, dat ook U de vrede worde en de kracht voor Uwe toekomstige heerscherstaak. Ik voel geen naijver op haar, die mijne aanstaande keizerin zal zijn. Ik weet, dat zij mooi is, en zij is jonger dan ik. Maar ik vergelijk me niet met haar. Ik zal hare onderdane zijn, zooals ik de Uwe ben. Want ik heb U lief om Uzelve, en ik heb lief alles, wat van U zal zijn. U is mijn vorst; U is mijn vorst reeds meer dan Oscar! Vaarwel, mijn prins, mijn kroonprins, mijn vorst! Als ik U terug zie, zal U mij niets meer zijn dan mijn vorst, en mijn vorst alleen!Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke HoogheidOthomar,Hertog van Xarate Lipara.Castel Vaza,Nov. 18 …Mijn dierbare Prins!Vergeef me zoo ik het waag U bijgaande bladen toe te zenden. Ik meende eerst U te zenden een langen brief, een brief van afscheid. Ik schreef er U ook vele, maar zond ze U niet en verscheurde ze. Toen schreef ik U alleen voor mijzelve,[208]nam ik afscheid van U voor mijzelve. Maar kan ik het nagaan, wat er in mij omgaat, wat ik denk van het eene oogenblik op het andere?! Ik miste het toch: mijn zoet afscheid, dat nog iets geheims van mij binden zoû aan U. En zoo kan ik niet nalaten—eindelijk, na veel slingering van gedachte!—U deze bladen, die ik slechts voor mijzelve had vol geschreven, te zenden. Aan Uwe voeten smeek ik U: neem ze in genade aan, lees ze in genade. Verscheur ze daarna; U zal door ze de laatste gedachte weten, die ik heb gewaagd te wijden aan het mysterie, dat onze liefde was …Ik druk mijn lippen aan Uwe aangebeden handen,Alexa.

IX.

Uit het Dagboek van Alexa,Hertogin van Yemena.Gravin van Vaza.Nov. 18 …De kroonprins is niet met den keizer meêgekomen. Professor Barzia heeft het hem verboden, omdat hij meende, dat de groote jachten, waarmeê de hertog Zijne Majesteit verstrooien wil, in zijn verdriet om onzen kleinen prins, te vermoeiend zouden zijn voor mijn lieven zieke. Ik hoor toch van Dutri, dat hij aanmerkelijk in beterschap toeneemt, en zijne dagelijkschen morgenrit reeds hervat heeft.Het is gedaan voor mij. Arm zondig hart, in mij zelve, sterf. Want na deze laatste bloem van passie, die in u ontlook, wil ik dat ge sterft, voor de wereld. Om de reinheid van mijn keizerlijke bloem, wil ik, dat ge nu sterft. Niets hierna, niets, dan het nieuwe Leven, dat ik voor mij zie lichten …En toch, ik ben nog jong; ik zie mij in mijn spiegel niet ouder dan een jaar geleden. Ik zoû, als ik niet wilde, geen afstand behoeven te doen van mijne vrouwelijke machten. En zoo beschouwt iedereen het, want ik weet, dat men fluistert over den Hertog van Mena-Doni, als zoû hij in mijn hart mijn aangebeden kroonprins vervangen hebben. Maar het is niet waar, het is niet waar. En ik ben er zoo blij om, dat ze mij[205]niet kennen en het niet weten. Dat ze het niet begrijpen, dat ik rein wil laten verwelken mijne keizerlijke liefde en na haar geene aardsche liefde koesteren wil.Lieve liefde van mijn hart, gij hebt mij verheven tot mijn nieuw Leven! Gij waart nog zonde, maar ge louterdet toch, omdat ge zelve gelouterd waart door de aanraking van het heilige, dat in vorstelijkheid is. O, ge waart de laatste zonde, maar ge waart reeds reiner dan de vorige. Want groote zondaresse ben ik geweest; heel mijn zondig leven van vrouw offerde ik aan verterende passie en wat liet het anders na dan asch in mijn hart! Groote, blakende liefde van mijn leven voor hem, die nu dood is—zijne ziel ruste in vrede—ik wil u niet verloochenen, omdat gij geweest zijt mijn meest intense aardsche genot, omdat ik door u het eerste heb leeren weten, dat ik een ziel had, en omdat ge zóo nader bracht tot wat ik nu voor mij zie; maar toch, wat waart ge anders dan aardschheid! En mijne reinere keizerlijke liefde, wat waart ook gij anders dan aardschheid! Zachte vorst van mijn ziel, wat wil God anders, dat ge zijn zult dan aardsch. Een rijk wacht u, eene kroon, een scepter, eene keizerin. God wil het zoo, en daarom is het goed, dat ge aardsch zijt, terwijl uwe aardschheid toch tevens gewijd wordt door uw vroom geloof. Maar ik, ik ben minder geweest dan aardsch alleen: ik was zondig. En nu wil ik, dat mijn hart geheel en al sterft in mij, omdat het niets is dan zonde. Dan zal mijn hart herboren worden, in nieuw Leven …Ik heb geleden. Uren heb ik gelegen op het koude marmer van de kapel, tot mijne knieën me pijn deden en mijne leden stijf waren. Mijn zondig leven heb ik gebiecht aan mijn heiligen biechtvader, Monseigneur van Vaza. O, de zoetheid van absolutie en de extaze van gebed! Waarom voelen wij niet eerder dien zaligen troost, die er is in de waarneming van onze godsdienstige plichten! O, als ik mij geheel kon storten in het zoete mysterie, in God; als ik gaan kon in een klooster! Maar ik heb mijne twee stiefdochters. Ik moet ze brengen in de wereld; het is mijn taak. En Monseigneur meent, dat het mijne boete is en mijn straf: me niet terug te kunnen trekken in heiligende afzondering, maar te moeten blijven ademen, de zondige atmosfeer van de wereld.[206]Mijn kasteel in Lycilië, waar we nooit komen, mijn eigen kasteel en erfgoed, wil ik geven aan onze Heilige Kerk voor een klooster van jonkvrouwen Ursulinnen. Onlangs ben ik er geweest, met Monseigneur. O, de groote sombere zalen, de fresco’s in schaduw, het donkere park! En de kapel, als er de nieuwe glazen zullen gekomen zijn, waardoor het licht in mystieke kleurenwemeling zal neêrvallen! Mijn dierbaarste wensch is het, daar oud te kunnen worden en er geheel af te kunnen sterven van de wereld: maar zal het ooit mogen, Heilige Moeder Gods, zal het ooit mogen!— — — — — — — — — — — — — — — — — —Ben ik eerlijk? Wie weet het, wat weet ikzelve? Voel ik die loutering van mijne ziel in waarheid of blijf ik toch, die ik ben? Een vreeselijke twijfel rijst in mij op; het is Satan, die in mij komt! Ik wil bidden: Heilige Maagd, bid voor mij!— — — — — — — — — — — — — — — — — —Ik ben kalmer geworden; het gebed heeft mij gesterkt. O, smartelijk zijn de twijfelingen, die mij rukken uit mijne overtuiging. Dan zegt Satan, dat ik mij die overtuiging wijs maak, om mij te troosten in mijne verlatenheid en dat ik vroom ben geworden uit gemis aan bezigheid. Ik zie mij zelve dan in den spiegel, jong; eene jonge vrouw. Maar als ik bid, wijken de twijfelingen weêr uit mijn zondig gemoed en blik ik met huivering terug naar mijn slecht verleden. En dan klaart het nieuwe Leven van mijne toekomst weêr voor mij op …Dierbare prins, vorst van mijne ziel, hier op deze bladen, die niemand ooit lezen zal, neem ik afscheid van U, omdat het mij niet gegeven werd, afscheid van U te nemen op een oogenblik van tastbare werkelijkheid. O, dikwijls, dag aan dag misschien, zal ik U nog zien in het wemelen van de wereld, in de ceremonie der paleizen, maar u zal mij niet meer behooren en daarom neem ik afscheid van U. Wat ik ook ben,—dubbele zondares misschien, die alleen naar den hemel verlangt, omdat de aarde haar niet meer boeit—waàr ben ik voor U geweest, als ik altijd was, in liefde. Ik heb U gebukt gezien, U, zoo tenger, onder Uw zwaar juk van keizerlijkheid en ik heb mijn hart voor U voelen overvloeien van medelijden. Ik heb U mijn armzaligen zondigen troost willen geven, zooals ik dat kon. Moge de Hemel mij vergeven! Ik[207]heb U getroffen op een oogenblik, dat de tranen aan Uwe lieve oogen ontvloeiden uit bitterheid, dat men U haatte en de schennende hand had durven slaan aan Uw vorstelijk lichaam, en ik heb u willen geven wat zoets ik kon, om U die bitterheid te doen vergeten. O, misschien was ik toen zelfs niet geheel eerlijk; misschien ben ik het zelfs nu niet! Maar dàt zoû te vreeslijk zijn: dat zoû me mijzelve doen verachten, als ik niet kan! En ik wil ten minste die illuzie behouden, dat ik eerlijk wàs! Dat ik U wilde troosten! Dat, al was het ook zonde, ik U getroost heb. Dat ik U in ware waarheid heb liefgehad. Dat ik U nog lief heb. Dat ik U niet meer lief zal hebben—omdat ik dit niet mag—als Uwe minnares, maar dat ik het doen zal als Uwe onderdane. Het bloed van mijne aderen bemint het Uwe; Uw gouden bloed! En als ikzelve den vrede zal gevonden hebben en niet meer weifelen en twijfelen zal, zullen mijne laatste dagen slechts gebed zijn voor U, dat ook U de vrede worde en de kracht voor Uwe toekomstige heerscherstaak. Ik voel geen naijver op haar, die mijne aanstaande keizerin zal zijn. Ik weet, dat zij mooi is, en zij is jonger dan ik. Maar ik vergelijk me niet met haar. Ik zal hare onderdane zijn, zooals ik de Uwe ben. Want ik heb U lief om Uzelve, en ik heb lief alles, wat van U zal zijn. U is mijn vorst; U is mijn vorst reeds meer dan Oscar! Vaarwel, mijn prins, mijn kroonprins, mijn vorst! Als ik U terug zie, zal U mij niets meer zijn dan mijn vorst, en mijn vorst alleen!Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke HoogheidOthomar,Hertog van Xarate Lipara.Castel Vaza,Nov. 18 …Mijn dierbare Prins!Vergeef me zoo ik het waag U bijgaande bladen toe te zenden. Ik meende eerst U te zenden een langen brief, een brief van afscheid. Ik schreef er U ook vele, maar zond ze U niet en verscheurde ze. Toen schreef ik U alleen voor mijzelve,[208]nam ik afscheid van U voor mijzelve. Maar kan ik het nagaan, wat er in mij omgaat, wat ik denk van het eene oogenblik op het andere?! Ik miste het toch: mijn zoet afscheid, dat nog iets geheims van mij binden zoû aan U. En zoo kan ik niet nalaten—eindelijk, na veel slingering van gedachte!—U deze bladen, die ik slechts voor mijzelve had vol geschreven, te zenden. Aan Uwe voeten smeek ik U: neem ze in genade aan, lees ze in genade. Verscheur ze daarna; U zal door ze de laatste gedachte weten, die ik heb gewaagd te wijden aan het mysterie, dat onze liefde was …Ik druk mijn lippen aan Uwe aangebeden handen,Alexa.

Uit het Dagboek van Alexa,Hertogin van Yemena.Gravin van Vaza.

Nov. 18 …

De kroonprins is niet met den keizer meêgekomen. Professor Barzia heeft het hem verboden, omdat hij meende, dat de groote jachten, waarmeê de hertog Zijne Majesteit verstrooien wil, in zijn verdriet om onzen kleinen prins, te vermoeiend zouden zijn voor mijn lieven zieke. Ik hoor toch van Dutri, dat hij aanmerkelijk in beterschap toeneemt, en zijne dagelijkschen morgenrit reeds hervat heeft.

Het is gedaan voor mij. Arm zondig hart, in mij zelve, sterf. Want na deze laatste bloem van passie, die in u ontlook, wil ik dat ge sterft, voor de wereld. Om de reinheid van mijn keizerlijke bloem, wil ik, dat ge nu sterft. Niets hierna, niets, dan het nieuwe Leven, dat ik voor mij zie lichten …

En toch, ik ben nog jong; ik zie mij in mijn spiegel niet ouder dan een jaar geleden. Ik zoû, als ik niet wilde, geen afstand behoeven te doen van mijne vrouwelijke machten. En zoo beschouwt iedereen het, want ik weet, dat men fluistert over den Hertog van Mena-Doni, als zoû hij in mijn hart mijn aangebeden kroonprins vervangen hebben. Maar het is niet waar, het is niet waar. En ik ben er zoo blij om, dat ze mij[205]niet kennen en het niet weten. Dat ze het niet begrijpen, dat ik rein wil laten verwelken mijne keizerlijke liefde en na haar geene aardsche liefde koesteren wil.

Lieve liefde van mijn hart, gij hebt mij verheven tot mijn nieuw Leven! Gij waart nog zonde, maar ge louterdet toch, omdat ge zelve gelouterd waart door de aanraking van het heilige, dat in vorstelijkheid is. O, ge waart de laatste zonde, maar ge waart reeds reiner dan de vorige. Want groote zondaresse ben ik geweest; heel mijn zondig leven van vrouw offerde ik aan verterende passie en wat liet het anders na dan asch in mijn hart! Groote, blakende liefde van mijn leven voor hem, die nu dood is—zijne ziel ruste in vrede—ik wil u niet verloochenen, omdat gij geweest zijt mijn meest intense aardsche genot, omdat ik door u het eerste heb leeren weten, dat ik een ziel had, en omdat ge zóo nader bracht tot wat ik nu voor mij zie; maar toch, wat waart ge anders dan aardschheid! En mijne reinere keizerlijke liefde, wat waart ook gij anders dan aardschheid! Zachte vorst van mijn ziel, wat wil God anders, dat ge zijn zult dan aardsch. Een rijk wacht u, eene kroon, een scepter, eene keizerin. God wil het zoo, en daarom is het goed, dat ge aardsch zijt, terwijl uwe aardschheid toch tevens gewijd wordt door uw vroom geloof. Maar ik, ik ben minder geweest dan aardsch alleen: ik was zondig. En nu wil ik, dat mijn hart geheel en al sterft in mij, omdat het niets is dan zonde. Dan zal mijn hart herboren worden, in nieuw Leven …

Ik heb geleden. Uren heb ik gelegen op het koude marmer van de kapel, tot mijne knieën me pijn deden en mijne leden stijf waren. Mijn zondig leven heb ik gebiecht aan mijn heiligen biechtvader, Monseigneur van Vaza. O, de zoetheid van absolutie en de extaze van gebed! Waarom voelen wij niet eerder dien zaligen troost, die er is in de waarneming van onze godsdienstige plichten! O, als ik mij geheel kon storten in het zoete mysterie, in God; als ik gaan kon in een klooster! Maar ik heb mijne twee stiefdochters. Ik moet ze brengen in de wereld; het is mijn taak. En Monseigneur meent, dat het mijne boete is en mijn straf: me niet terug te kunnen trekken in heiligende afzondering, maar te moeten blijven ademen, de zondige atmosfeer van de wereld.[206]

Mijn kasteel in Lycilië, waar we nooit komen, mijn eigen kasteel en erfgoed, wil ik geven aan onze Heilige Kerk voor een klooster van jonkvrouwen Ursulinnen. Onlangs ben ik er geweest, met Monseigneur. O, de groote sombere zalen, de fresco’s in schaduw, het donkere park! En de kapel, als er de nieuwe glazen zullen gekomen zijn, waardoor het licht in mystieke kleurenwemeling zal neêrvallen! Mijn dierbaarste wensch is het, daar oud te kunnen worden en er geheel af te kunnen sterven van de wereld: maar zal het ooit mogen, Heilige Moeder Gods, zal het ooit mogen!

— — — — — — — — — — — — — — — — — —

Ben ik eerlijk? Wie weet het, wat weet ikzelve? Voel ik die loutering van mijne ziel in waarheid of blijf ik toch, die ik ben? Een vreeselijke twijfel rijst in mij op; het is Satan, die in mij komt! Ik wil bidden: Heilige Maagd, bid voor mij!

— — — — — — — — — — — — — — — — — —

Ik ben kalmer geworden; het gebed heeft mij gesterkt. O, smartelijk zijn de twijfelingen, die mij rukken uit mijne overtuiging. Dan zegt Satan, dat ik mij die overtuiging wijs maak, om mij te troosten in mijne verlatenheid en dat ik vroom ben geworden uit gemis aan bezigheid. Ik zie mij zelve dan in den spiegel, jong; eene jonge vrouw. Maar als ik bid, wijken de twijfelingen weêr uit mijn zondig gemoed en blik ik met huivering terug naar mijn slecht verleden. En dan klaart het nieuwe Leven van mijne toekomst weêr voor mij op …

Dierbare prins, vorst van mijne ziel, hier op deze bladen, die niemand ooit lezen zal, neem ik afscheid van U, omdat het mij niet gegeven werd, afscheid van U te nemen op een oogenblik van tastbare werkelijkheid. O, dikwijls, dag aan dag misschien, zal ik U nog zien in het wemelen van de wereld, in de ceremonie der paleizen, maar u zal mij niet meer behooren en daarom neem ik afscheid van U. Wat ik ook ben,—dubbele zondares misschien, die alleen naar den hemel verlangt, omdat de aarde haar niet meer boeit—waàr ben ik voor U geweest, als ik altijd was, in liefde. Ik heb U gebukt gezien, U, zoo tenger, onder Uw zwaar juk van keizerlijkheid en ik heb mijn hart voor U voelen overvloeien van medelijden. Ik heb U mijn armzaligen zondigen troost willen geven, zooals ik dat kon. Moge de Hemel mij vergeven! Ik[207]heb U getroffen op een oogenblik, dat de tranen aan Uwe lieve oogen ontvloeiden uit bitterheid, dat men U haatte en de schennende hand had durven slaan aan Uw vorstelijk lichaam, en ik heb u willen geven wat zoets ik kon, om U die bitterheid te doen vergeten. O, misschien was ik toen zelfs niet geheel eerlijk; misschien ben ik het zelfs nu niet! Maar dàt zoû te vreeslijk zijn: dat zoû me mijzelve doen verachten, als ik niet kan! En ik wil ten minste die illuzie behouden, dat ik eerlijk wàs! Dat ik U wilde troosten! Dat, al was het ook zonde, ik U getroost heb. Dat ik U in ware waarheid heb liefgehad. Dat ik U nog lief heb. Dat ik U niet meer lief zal hebben—omdat ik dit niet mag—als Uwe minnares, maar dat ik het doen zal als Uwe onderdane. Het bloed van mijne aderen bemint het Uwe; Uw gouden bloed! En als ikzelve den vrede zal gevonden hebben en niet meer weifelen en twijfelen zal, zullen mijne laatste dagen slechts gebed zijn voor U, dat ook U de vrede worde en de kracht voor Uwe toekomstige heerscherstaak. Ik voel geen naijver op haar, die mijne aanstaande keizerin zal zijn. Ik weet, dat zij mooi is, en zij is jonger dan ik. Maar ik vergelijk me niet met haar. Ik zal hare onderdane zijn, zooals ik de Uwe ben. Want ik heb U lief om Uzelve, en ik heb lief alles, wat van U zal zijn. U is mijn vorst; U is mijn vorst reeds meer dan Oscar! Vaarwel, mijn prins, mijn kroonprins, mijn vorst! Als ik U terug zie, zal U mij niets meer zijn dan mijn vorst, en mijn vorst alleen!

Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke HoogheidOthomar,Hertog van Xarate Lipara.

Castel Vaza,Nov. 18 …Mijn dierbare Prins!

Vergeef me zoo ik het waag U bijgaande bladen toe te zenden. Ik meende eerst U te zenden een langen brief, een brief van afscheid. Ik schreef er U ook vele, maar zond ze U niet en verscheurde ze. Toen schreef ik U alleen voor mijzelve,[208]nam ik afscheid van U voor mijzelve. Maar kan ik het nagaan, wat er in mij omgaat, wat ik denk van het eene oogenblik op het andere?! Ik miste het toch: mijn zoet afscheid, dat nog iets geheims van mij binden zoû aan U. En zoo kan ik niet nalaten—eindelijk, na veel slingering van gedachte!—U deze bladen, die ik slechts voor mijzelve had vol geschreven, te zenden. Aan Uwe voeten smeek ik U: neem ze in genade aan, lees ze in genade. Verscheur ze daarna; U zal door ze de laatste gedachte weten, die ik heb gewaagd te wijden aan het mysterie, dat onze liefde was …

Ik druk mijn lippen aan Uwe aangebeden handen,

Alexa.


Back to IndexNext