[Inhoud]VIII.De aanslag op Othomar was op Castel Vaza reeds bekend, vóor de prinsen terug waren, door boeren van den hertog, die aan de bedienden van het kasteel lange verhalen hadden gedaan, dat de prins zwaar gewond was. De hertogin had eerst niet willen gelooven; toen, in stijgenden angst, in de grootste spanning en onzekerheid rondgeloopen door de galerijen. Zij had zich eerst willen wijs maken, dat het volk wel overdrijven zoû. Toen zij bedacht, dat de prinsen en de adjudanten in het geval, dat Othomar verwond was, dadelijk zouden terug zijn gekomen, werd zij rustiger en wachtte af.De intendant echter, die naar Vaza geweest was, kwam ontzet terug: in de stad maakte men zich zeer ongerust, verdrong men zich aan de deuren der courantenbureaux, voor de bulletins, die den aanslag kort vermeldden, met de tergende bijvoeging, dat bizonderheden nog ontbraken. De hertogin begreep, dat op dit oogenblik het bulletin ook naar Lipara geseind was, en zij vreesde zoowel, dat Othomar een onheil was overkomen, als dat zij zelve in ongenade zoû vallen bij de keizerin …Toen de hertogin eindelijk, lang turende, uit een venster der westelijke galerij, de prinsen en hun gevolg op den verren weg, klein, zag aandraven, kon zij zich niet inhouden, ging zij hen tegemoet in den hof. Zij zag echter Othomar ongedeerd. De hertog van Xara steeg af, gaf haar de hand, glimlachte; zij kuste die, nijgend, met vuur; hare tranen vielen op ze neêr. De opperintendant trad nader, betuigde Othomar uit naam van alle dienaren van den hertog, hunne innige dankbaarheid, dat de Hertog van Xara gespaard was gebleven, door de genade Gods en den bijstand van St. Ladislas.Ducardi had nergens eerder kunnen telegrafeeren, maar zond nu ijlings naar Vaza, eene depêche aan den keizer, tevens vermeldend, dat de prins dadelijk na den aanslag kalm den voorgenomen tocht vervolgd had. Het diner werd in een gewar van stemgeluid gebruikt; de hertogin was zeer opgewonden,[76]vroeg naar de minste bizonderheid, en omhelsde bijna Von Fest. De kroonprins dronk op zijn redder en allen brachten hem hulde.Daarna ried Ducardi,—in stilte—den kroonprins aan zich vroeg ter ruste te begeven. De generaal sprak met eene teedere stem, het scheen of de gedachte, dat hij zijn kroonprins verliezen kon, hem dezen meer had doen liefhebben. Ook Herman drong er bij Othomar op aan.Hij zelve was kalm geworden, maar had iets mats over geheel zijn wezen; met eene vreemde stem van matheid zelfs had hij Von Fest toegeklonken. Hij volgde nu hun raad op, trok zich terug, kleedde zich uit; zijn bezoedelde uniform, die hij vóór het diner reeds verwisseld had, hing nog over den stoel; hij huiverde ervan die een geheelen middag gedragen te hebben.—Dat ding! sprak hij tot Andro, die nog geheel in de war was, en, van zenuwachtigheid schreiend, opruimde; verbrand het of gooi het weg, gooi het weg …In zijn kamerrok wierp Othomar zich neêr op een bank in den salon, die grensde aan zijne slaapkamer. Eveneens een historisch vertrek; gobelins aan den wand met tafereelen uit Liparië’s historie: keizer Berengar I zegevierend Jeruzalem binnenrijdend met zijne, witte vanen heffende, kruisvaarders; keizerin Xaveria, goudgeharnast te paard voor Altara’s muren, stervende vallend achterover, getroffen door een Turkschen pijl …De prins lag naar ze te staren. Eene doodkalmte scheen hem niets te doen voelen, zich niets te doen aantrekken. Bij zichzelve ging hij geheel de geschiedenis na van Berengar tot Xaveria toe. Hij wist de jaartallen; de tafereelen wolkten voor hem als schoven er gobelins, caleidoscopisch, met de verbleekte kleuren van oud kunstwerk. Hij zag zichzelven terug, een kleine jongen, in het Imperiaal, in een strenge kamer, ijverig leerende; hij zag zijne meesters, die zich afwisselden: talen, historie, staathuishoudkunde, volkenrecht, strategie; het had zich alles gehoopt op zijne jonge hersenen, zich opgestapeld, zich opgebouwd als een toren. Tot afwisseling zijne militaire opvoeding: exerceeren, paardrijden, schermen, geleid door generaal Ducardi, die hem prees of op hem[77]bromde, of mopperde op de onder-officieren, die hem leerden. Rekenen had hij nooit kunnen leeren, van algebra nooit iets begrepen; in vele vakken was hij altijd zwak gebleven; in natuurkunde en scheikunde bijvoorbeeld. Veel pleizier had hij een tijd gehad in mineralogie, in zoölogie en botanie, en later had hij gedweept met sterrenkunde. Daarna de hoogeschool en zijne juridische studiën …Hij herinnerde zich zijne kleine trotsjes van kind en van jongen, toen hij, negen jaar oud, luitenant was geworden van de Garde van den Troon; toen hij later de Orde van den Kouseband had gekregen van de koningin van Engeland en den Zwarten Adelaar van den Duitschen keizer, en het Gulden Vlies van de Regentes van Spanje. In zulken kleinen trots had zich dan altijd zekere angst gemengd, van mogelijke verplichtingen, die de Kouseband of de Adelaar zouden meêbrengen: verplichtingen, die hem vaag voor oogen warrelden, die hij niet dorst uitbeelden en nog minder vragen aan Ducardi, of zijn vader. Langzamerhand was die dreiging van verplichtingen zoo zwaar geworden, en nu, nu waren het de centenaren.De centenaren. Maar hij bewoog zich niet, vreemd kalm. Toen dacht hij terug aan Von Fest, aan de hertogin … Gisteren haar zoen … Flauw had hij gelegen op haren schouder en ze had hem gezoend en lang aangezien met hare passieblikken. Wat vertelden de adjudanten al niet …Toen kwam het als met een woeste golf tot hem, bruisend over zijne doodkalmte heen …!Waarom had die man hem gehaat, hem willen vermoorden, hem willen slachten als een beest …? Trots trilde in hem op, trots en wanhoop. Die man had hem aangeraakt, bezoedeld met zijn adem, hem, den kroonprins, den Hertog van Xara. Hij knarste met de tanden van woede … Dàt zoû Berengar I zich niet hebben laten doen! Den kop af, den kop af … O, dat plebs, dat niet wist, dat niet voelde, dat tegen hem opdrong, als schuim warrelde aan hun troon, dat zijne moeder beängstte, hoe trotsch ze ook er over heen zag, keizerlijk kalm, in de verte …Hoe hij het haatte, het haatte, met al den haat, oh! van zijn ras voor wie nu vrij waren en eens toch hunne slaven! Hoe[78]hij er onder zoû laten schieten, later zoû laten schieten …Hij zag naar Xaveria; zelve werd ze geschoten, de fiere strijdster; achterover viel ze, verwond door den pijl van een Turksch soldaat. En hij, dien morgen, als niet Von Fest …Woest gooide hij zich achterover, begroef hij zijn gezicht in zijne handen en snikte. Neen, neen, o neen! Niet schieten, niet dooden, niet haten! Zóó was hij niet, zoo kon hij misschien één oogenblik zijn, maar zoo wàs hij niet! Hij hield van zijn volk: hij was zoo dankbaar als het jubelde, als hij het helpen kon. Hij zoû immers nooit op ze laten schieten! Hij wond zich nu maar op. Wat was er in zijne ziel iets anders voor hen allen, voor die millioenen, waarvan hij er misschien maar duizenden gezien had en maar honderden kende, dan éene groote liefde, die overal armen naar hen uitsloeg, om ze te omhelzen? Had hij dit niet gevoeld, daar in den zwarten nacht op het Therezia-plein? Waren haat en geweld voor hem? Neen, o neen; week was hij, misschien tè week, te weifelend, maar hij zoû ouder, hij zoû sterker worden; hij zoû willen willen, àllen zoû hij gelukkig maken. O, zoo ze maar van hem hielden, hem liefhadden met hunne groote massa van deinende, zwarte, schuimende menschenmenigte: zwarte melkweg van krioelende zielen, iedere ziel een vonk als zijne eigene; o, zoo ze hem maar liefhadden! Maar zij moesten hem niet haten, niet aanzien met zulke bloeddoorschoten oogen van haat, niet zulke grove, harige vingers slaan aan zijn hals, hem niet willen vermoorden, o God, willen slachten als een rund, met een gemeen mes, hem, hun aanstaanden vorst …!En hij voelde, dat ze hem niet hoorden en niet kenden en niet begrepen en niet liefhadden, die allen, en dat ze hem haatten, alleen uit instinct, omdat hij op hun troon geboren was!En zijne wanhoop, hierover, mat zich uit, grenzenloos, woestijn van zwarten nacht, die hij eeuwigheden ver om zich heen ried, en hij snikte, snikte, als een ontroostbaar kind, omdat dit zoo was, en wanhopiger worden zoû, iederen dag, die hem nader brengen zoû zijn toekomst van keizer en hùn toekomst: de treurige dag, die over eene verwoesting van oude wereld lichten zoû …Toen werd er geklopt aan eene kleine deur, die deur zacht opengemaakt …[79]—Wie is daar? vroeg hij, verschrikt, voelende den inbreuk op etiquette; niet begrijpende, dat Andro door de antichambre niet kwam aankondigen, wie het ook zijn mocht.—Als Uwe Hoogheid vergunt …Hij herkende de zachte stem der hertogin, stond op, ging naar de deur.—Kom binnen, mevrouw …Zij kwam binnen aarzelend; voor de kille gangen van het kasteel had zij over haar gedecolleteerde borst een langen mantel omgeslagen …—Vergeef mij, Hoogheid, als ik inbreuk maak … als ik U stoor …Hij glimlachte, zeide van neen, verontschuldigde zijn kostuum, verrast, gestreeld …Zij zag, dat zijne oogen nat dreven.—Ik ben onbescheiden, sprak ze: maar ik kon het niet laten; ik wilde voor mij zelve weten, hoe U was, Hoogheid … Misschien heb ik U ook willen verrassen, ik weet het zelf niet. Iets drong mij … ik kon niet nalaten naar U toe te gaan. U is mijn gast en mijn kroonprins; ik smachtte er naar zelf te zien, hoe U was … Aan het diner hield Uwe Hoogheid zich goed, maar ik voelde …Hare stem vloeide zacht eentonig voort, als in druppelen van balsem. Hij vroeg haar te gaan zitten; zij deed zoo, hij zette zich naast haar; de donkere mantel gleed af en zij was prachtig, de borst bloot, sirene in haar parelmoêrachtig lichtgroen moiré. Het trof hem, dat zij de juweelen, die zij aan het diner gedragen had, al had afgelegd.—Ik woû stil tot U komen, door die deur daar, hernam zij; om U nog eens, tot U alleen, te zeggen hoe innig dankbaar ik ben, dat Uwe Hoogheid behouden bleef …Hare stem trilde; hare zwarte blikken werden vochtig; de schijn der groote kaarsen op zilveren luchters waterde over de zijde van haar toilet, speelde met zacht licht en dommelige schaduw in de modelleering van haar gelaat, in de glooiing van hare borst.Hij drukte hare hand; zij hield die vast.—Uw Hoogheid schreide, toen ik binnenkwam? vroeg ze zacht.[80]Zijne tranen liepen nog; een snik schokte nog zijn lichaam omhoog.—Waarom? vroeg zij verder. Of ben ik onbescheiden …?Hij zag haar aan; in dit oogenblik had hij haar alles kunnen zeggen. En zoo hij zich inhield, gaf hij haar toch de essence zijner smart.—Ik was treurig, sprak hij, omdat ze mij schijnen te haten. Niets maakt mij zoo treurig, als hun haat.Zij zag hem lang aan, voelde zijn verdriet, begreep hem met haren tact van vrouw, met haar begrip van hovelinge, dat gerijpt was in de onmiddellijke nabijheid harer vorsten. Zij begreep hem: hij was de kroonprins, hij moest lijden zijn bizonder kroonprinselijk leed; een keizerskelk van smart moest hij ledigen. Het heugde haar, dat zij zelve geleden had, zoovele malen en zoo hevig, om liefde, vrouw van passie, die ze was; ze begreep, dat zijn leed anders was dan het hare, maar ontzettender zeker, daar het hem zoo jong al aangreep, en daar het niet was om zijn eigen éene ziel, maar om de millioenen zielen van zijn rijk! Ook zij had geleden, dat men haar niet liefhad; ook hij leed zoo. En zoo begreep ze hem, in éen oogwenk geheel en al, met geheel haar vreemd vrouwehart.Een trillend medelijden klom als nog niet gekende wellust haar op de borst, en als een innig zacht orakel sprak ze de woorden:—Ze haten U niet allen …Hij herkende hare sombere passieblikken van gisteren. Hij herinnerde zich haar zoen. Hij zag haar lang aan, even weifelend nog voor het onbekende. Toen breidde hij zijne armen uit, en als met een doffen schreeuw van wanhoop, schor van honger naar troost, riep hij haar tot zich in radeloosheid …—O, Alexa …Zij glimlachte eerst, glansde, wierp zich toen geheel in zijne jonge armen, verpletterde hem daarna aan hare bloote borst. Zij voelde zich als een maagd en als eene moeder samen. Maar toen hij zich vastklampte in wilde wanhoopspassie aan haar, voelde zij zich niets dan minnares. Ze wist, dat hij hare laatste liefde zoû zijn. Ze was er trots weemoedig om en helsch gelukkig. Als hagel kletterden hare zoenen op zijne oogen neêr …[81]En in hunne liefde, dien nacht, mengden zij samen den alsem van wat zij beiden leden: elk zoekende den troost voor het leven in den ander.
[Inhoud]VIII.De aanslag op Othomar was op Castel Vaza reeds bekend, vóor de prinsen terug waren, door boeren van den hertog, die aan de bedienden van het kasteel lange verhalen hadden gedaan, dat de prins zwaar gewond was. De hertogin had eerst niet willen gelooven; toen, in stijgenden angst, in de grootste spanning en onzekerheid rondgeloopen door de galerijen. Zij had zich eerst willen wijs maken, dat het volk wel overdrijven zoû. Toen zij bedacht, dat de prinsen en de adjudanten in het geval, dat Othomar verwond was, dadelijk zouden terug zijn gekomen, werd zij rustiger en wachtte af.De intendant echter, die naar Vaza geweest was, kwam ontzet terug: in de stad maakte men zich zeer ongerust, verdrong men zich aan de deuren der courantenbureaux, voor de bulletins, die den aanslag kort vermeldden, met de tergende bijvoeging, dat bizonderheden nog ontbraken. De hertogin begreep, dat op dit oogenblik het bulletin ook naar Lipara geseind was, en zij vreesde zoowel, dat Othomar een onheil was overkomen, als dat zij zelve in ongenade zoû vallen bij de keizerin …Toen de hertogin eindelijk, lang turende, uit een venster der westelijke galerij, de prinsen en hun gevolg op den verren weg, klein, zag aandraven, kon zij zich niet inhouden, ging zij hen tegemoet in den hof. Zij zag echter Othomar ongedeerd. De hertog van Xara steeg af, gaf haar de hand, glimlachte; zij kuste die, nijgend, met vuur; hare tranen vielen op ze neêr. De opperintendant trad nader, betuigde Othomar uit naam van alle dienaren van den hertog, hunne innige dankbaarheid, dat de Hertog van Xara gespaard was gebleven, door de genade Gods en den bijstand van St. Ladislas.Ducardi had nergens eerder kunnen telegrafeeren, maar zond nu ijlings naar Vaza, eene depêche aan den keizer, tevens vermeldend, dat de prins dadelijk na den aanslag kalm den voorgenomen tocht vervolgd had. Het diner werd in een gewar van stemgeluid gebruikt; de hertogin was zeer opgewonden,[76]vroeg naar de minste bizonderheid, en omhelsde bijna Von Fest. De kroonprins dronk op zijn redder en allen brachten hem hulde.Daarna ried Ducardi,—in stilte—den kroonprins aan zich vroeg ter ruste te begeven. De generaal sprak met eene teedere stem, het scheen of de gedachte, dat hij zijn kroonprins verliezen kon, hem dezen meer had doen liefhebben. Ook Herman drong er bij Othomar op aan.Hij zelve was kalm geworden, maar had iets mats over geheel zijn wezen; met eene vreemde stem van matheid zelfs had hij Von Fest toegeklonken. Hij volgde nu hun raad op, trok zich terug, kleedde zich uit; zijn bezoedelde uniform, die hij vóór het diner reeds verwisseld had, hing nog over den stoel; hij huiverde ervan die een geheelen middag gedragen te hebben.—Dat ding! sprak hij tot Andro, die nog geheel in de war was, en, van zenuwachtigheid schreiend, opruimde; verbrand het of gooi het weg, gooi het weg …In zijn kamerrok wierp Othomar zich neêr op een bank in den salon, die grensde aan zijne slaapkamer. Eveneens een historisch vertrek; gobelins aan den wand met tafereelen uit Liparië’s historie: keizer Berengar I zegevierend Jeruzalem binnenrijdend met zijne, witte vanen heffende, kruisvaarders; keizerin Xaveria, goudgeharnast te paard voor Altara’s muren, stervende vallend achterover, getroffen door een Turkschen pijl …De prins lag naar ze te staren. Eene doodkalmte scheen hem niets te doen voelen, zich niets te doen aantrekken. Bij zichzelve ging hij geheel de geschiedenis na van Berengar tot Xaveria toe. Hij wist de jaartallen; de tafereelen wolkten voor hem als schoven er gobelins, caleidoscopisch, met de verbleekte kleuren van oud kunstwerk. Hij zag zichzelven terug, een kleine jongen, in het Imperiaal, in een strenge kamer, ijverig leerende; hij zag zijne meesters, die zich afwisselden: talen, historie, staathuishoudkunde, volkenrecht, strategie; het had zich alles gehoopt op zijne jonge hersenen, zich opgestapeld, zich opgebouwd als een toren. Tot afwisseling zijne militaire opvoeding: exerceeren, paardrijden, schermen, geleid door generaal Ducardi, die hem prees of op hem[77]bromde, of mopperde op de onder-officieren, die hem leerden. Rekenen had hij nooit kunnen leeren, van algebra nooit iets begrepen; in vele vakken was hij altijd zwak gebleven; in natuurkunde en scheikunde bijvoorbeeld. Veel pleizier had hij een tijd gehad in mineralogie, in zoölogie en botanie, en later had hij gedweept met sterrenkunde. Daarna de hoogeschool en zijne juridische studiën …Hij herinnerde zich zijne kleine trotsjes van kind en van jongen, toen hij, negen jaar oud, luitenant was geworden van de Garde van den Troon; toen hij later de Orde van den Kouseband had gekregen van de koningin van Engeland en den Zwarten Adelaar van den Duitschen keizer, en het Gulden Vlies van de Regentes van Spanje. In zulken kleinen trots had zich dan altijd zekere angst gemengd, van mogelijke verplichtingen, die de Kouseband of de Adelaar zouden meêbrengen: verplichtingen, die hem vaag voor oogen warrelden, die hij niet dorst uitbeelden en nog minder vragen aan Ducardi, of zijn vader. Langzamerhand was die dreiging van verplichtingen zoo zwaar geworden, en nu, nu waren het de centenaren.De centenaren. Maar hij bewoog zich niet, vreemd kalm. Toen dacht hij terug aan Von Fest, aan de hertogin … Gisteren haar zoen … Flauw had hij gelegen op haren schouder en ze had hem gezoend en lang aangezien met hare passieblikken. Wat vertelden de adjudanten al niet …Toen kwam het als met een woeste golf tot hem, bruisend over zijne doodkalmte heen …!Waarom had die man hem gehaat, hem willen vermoorden, hem willen slachten als een beest …? Trots trilde in hem op, trots en wanhoop. Die man had hem aangeraakt, bezoedeld met zijn adem, hem, den kroonprins, den Hertog van Xara. Hij knarste met de tanden van woede … Dàt zoû Berengar I zich niet hebben laten doen! Den kop af, den kop af … O, dat plebs, dat niet wist, dat niet voelde, dat tegen hem opdrong, als schuim warrelde aan hun troon, dat zijne moeder beängstte, hoe trotsch ze ook er over heen zag, keizerlijk kalm, in de verte …Hoe hij het haatte, het haatte, met al den haat, oh! van zijn ras voor wie nu vrij waren en eens toch hunne slaven! Hoe[78]hij er onder zoû laten schieten, later zoû laten schieten …Hij zag naar Xaveria; zelve werd ze geschoten, de fiere strijdster; achterover viel ze, verwond door den pijl van een Turksch soldaat. En hij, dien morgen, als niet Von Fest …Woest gooide hij zich achterover, begroef hij zijn gezicht in zijne handen en snikte. Neen, neen, o neen! Niet schieten, niet dooden, niet haten! Zóó was hij niet, zoo kon hij misschien één oogenblik zijn, maar zoo wàs hij niet! Hij hield van zijn volk: hij was zoo dankbaar als het jubelde, als hij het helpen kon. Hij zoû immers nooit op ze laten schieten! Hij wond zich nu maar op. Wat was er in zijne ziel iets anders voor hen allen, voor die millioenen, waarvan hij er misschien maar duizenden gezien had en maar honderden kende, dan éene groote liefde, die overal armen naar hen uitsloeg, om ze te omhelzen? Had hij dit niet gevoeld, daar in den zwarten nacht op het Therezia-plein? Waren haat en geweld voor hem? Neen, o neen; week was hij, misschien tè week, te weifelend, maar hij zoû ouder, hij zoû sterker worden; hij zoû willen willen, àllen zoû hij gelukkig maken. O, zoo ze maar van hem hielden, hem liefhadden met hunne groote massa van deinende, zwarte, schuimende menschenmenigte: zwarte melkweg van krioelende zielen, iedere ziel een vonk als zijne eigene; o, zoo ze hem maar liefhadden! Maar zij moesten hem niet haten, niet aanzien met zulke bloeddoorschoten oogen van haat, niet zulke grove, harige vingers slaan aan zijn hals, hem niet willen vermoorden, o God, willen slachten als een rund, met een gemeen mes, hem, hun aanstaanden vorst …!En hij voelde, dat ze hem niet hoorden en niet kenden en niet begrepen en niet liefhadden, die allen, en dat ze hem haatten, alleen uit instinct, omdat hij op hun troon geboren was!En zijne wanhoop, hierover, mat zich uit, grenzenloos, woestijn van zwarten nacht, die hij eeuwigheden ver om zich heen ried, en hij snikte, snikte, als een ontroostbaar kind, omdat dit zoo was, en wanhopiger worden zoû, iederen dag, die hem nader brengen zoû zijn toekomst van keizer en hùn toekomst: de treurige dag, die over eene verwoesting van oude wereld lichten zoû …Toen werd er geklopt aan eene kleine deur, die deur zacht opengemaakt …[79]—Wie is daar? vroeg hij, verschrikt, voelende den inbreuk op etiquette; niet begrijpende, dat Andro door de antichambre niet kwam aankondigen, wie het ook zijn mocht.—Als Uwe Hoogheid vergunt …Hij herkende de zachte stem der hertogin, stond op, ging naar de deur.—Kom binnen, mevrouw …Zij kwam binnen aarzelend; voor de kille gangen van het kasteel had zij over haar gedecolleteerde borst een langen mantel omgeslagen …—Vergeef mij, Hoogheid, als ik inbreuk maak … als ik U stoor …Hij glimlachte, zeide van neen, verontschuldigde zijn kostuum, verrast, gestreeld …Zij zag, dat zijne oogen nat dreven.—Ik ben onbescheiden, sprak ze: maar ik kon het niet laten; ik wilde voor mij zelve weten, hoe U was, Hoogheid … Misschien heb ik U ook willen verrassen, ik weet het zelf niet. Iets drong mij … ik kon niet nalaten naar U toe te gaan. U is mijn gast en mijn kroonprins; ik smachtte er naar zelf te zien, hoe U was … Aan het diner hield Uwe Hoogheid zich goed, maar ik voelde …Hare stem vloeide zacht eentonig voort, als in druppelen van balsem. Hij vroeg haar te gaan zitten; zij deed zoo, hij zette zich naast haar; de donkere mantel gleed af en zij was prachtig, de borst bloot, sirene in haar parelmoêrachtig lichtgroen moiré. Het trof hem, dat zij de juweelen, die zij aan het diner gedragen had, al had afgelegd.—Ik woû stil tot U komen, door die deur daar, hernam zij; om U nog eens, tot U alleen, te zeggen hoe innig dankbaar ik ben, dat Uwe Hoogheid behouden bleef …Hare stem trilde; hare zwarte blikken werden vochtig; de schijn der groote kaarsen op zilveren luchters waterde over de zijde van haar toilet, speelde met zacht licht en dommelige schaduw in de modelleering van haar gelaat, in de glooiing van hare borst.Hij drukte hare hand; zij hield die vast.—Uw Hoogheid schreide, toen ik binnenkwam? vroeg ze zacht.[80]Zijne tranen liepen nog; een snik schokte nog zijn lichaam omhoog.—Waarom? vroeg zij verder. Of ben ik onbescheiden …?Hij zag haar aan; in dit oogenblik had hij haar alles kunnen zeggen. En zoo hij zich inhield, gaf hij haar toch de essence zijner smart.—Ik was treurig, sprak hij, omdat ze mij schijnen te haten. Niets maakt mij zoo treurig, als hun haat.Zij zag hem lang aan, voelde zijn verdriet, begreep hem met haren tact van vrouw, met haar begrip van hovelinge, dat gerijpt was in de onmiddellijke nabijheid harer vorsten. Zij begreep hem: hij was de kroonprins, hij moest lijden zijn bizonder kroonprinselijk leed; een keizerskelk van smart moest hij ledigen. Het heugde haar, dat zij zelve geleden had, zoovele malen en zoo hevig, om liefde, vrouw van passie, die ze was; ze begreep, dat zijn leed anders was dan het hare, maar ontzettender zeker, daar het hem zoo jong al aangreep, en daar het niet was om zijn eigen éene ziel, maar om de millioenen zielen van zijn rijk! Ook zij had geleden, dat men haar niet liefhad; ook hij leed zoo. En zoo begreep ze hem, in éen oogwenk geheel en al, met geheel haar vreemd vrouwehart.Een trillend medelijden klom als nog niet gekende wellust haar op de borst, en als een innig zacht orakel sprak ze de woorden:—Ze haten U niet allen …Hij herkende hare sombere passieblikken van gisteren. Hij herinnerde zich haar zoen. Hij zag haar lang aan, even weifelend nog voor het onbekende. Toen breidde hij zijne armen uit, en als met een doffen schreeuw van wanhoop, schor van honger naar troost, riep hij haar tot zich in radeloosheid …—O, Alexa …Zij glimlachte eerst, glansde, wierp zich toen geheel in zijne jonge armen, verpletterde hem daarna aan hare bloote borst. Zij voelde zich als een maagd en als eene moeder samen. Maar toen hij zich vastklampte in wilde wanhoopspassie aan haar, voelde zij zich niets dan minnares. Ze wist, dat hij hare laatste liefde zoû zijn. Ze was er trots weemoedig om en helsch gelukkig. Als hagel kletterden hare zoenen op zijne oogen neêr …[81]En in hunne liefde, dien nacht, mengden zij samen den alsem van wat zij beiden leden: elk zoekende den troost voor het leven in den ander.
[Inhoud]VIII.De aanslag op Othomar was op Castel Vaza reeds bekend, vóor de prinsen terug waren, door boeren van den hertog, die aan de bedienden van het kasteel lange verhalen hadden gedaan, dat de prins zwaar gewond was. De hertogin had eerst niet willen gelooven; toen, in stijgenden angst, in de grootste spanning en onzekerheid rondgeloopen door de galerijen. Zij had zich eerst willen wijs maken, dat het volk wel overdrijven zoû. Toen zij bedacht, dat de prinsen en de adjudanten in het geval, dat Othomar verwond was, dadelijk zouden terug zijn gekomen, werd zij rustiger en wachtte af.De intendant echter, die naar Vaza geweest was, kwam ontzet terug: in de stad maakte men zich zeer ongerust, verdrong men zich aan de deuren der courantenbureaux, voor de bulletins, die den aanslag kort vermeldden, met de tergende bijvoeging, dat bizonderheden nog ontbraken. De hertogin begreep, dat op dit oogenblik het bulletin ook naar Lipara geseind was, en zij vreesde zoowel, dat Othomar een onheil was overkomen, als dat zij zelve in ongenade zoû vallen bij de keizerin …Toen de hertogin eindelijk, lang turende, uit een venster der westelijke galerij, de prinsen en hun gevolg op den verren weg, klein, zag aandraven, kon zij zich niet inhouden, ging zij hen tegemoet in den hof. Zij zag echter Othomar ongedeerd. De hertog van Xara steeg af, gaf haar de hand, glimlachte; zij kuste die, nijgend, met vuur; hare tranen vielen op ze neêr. De opperintendant trad nader, betuigde Othomar uit naam van alle dienaren van den hertog, hunne innige dankbaarheid, dat de Hertog van Xara gespaard was gebleven, door de genade Gods en den bijstand van St. Ladislas.Ducardi had nergens eerder kunnen telegrafeeren, maar zond nu ijlings naar Vaza, eene depêche aan den keizer, tevens vermeldend, dat de prins dadelijk na den aanslag kalm den voorgenomen tocht vervolgd had. Het diner werd in een gewar van stemgeluid gebruikt; de hertogin was zeer opgewonden,[76]vroeg naar de minste bizonderheid, en omhelsde bijna Von Fest. De kroonprins dronk op zijn redder en allen brachten hem hulde.Daarna ried Ducardi,—in stilte—den kroonprins aan zich vroeg ter ruste te begeven. De generaal sprak met eene teedere stem, het scheen of de gedachte, dat hij zijn kroonprins verliezen kon, hem dezen meer had doen liefhebben. Ook Herman drong er bij Othomar op aan.Hij zelve was kalm geworden, maar had iets mats over geheel zijn wezen; met eene vreemde stem van matheid zelfs had hij Von Fest toegeklonken. Hij volgde nu hun raad op, trok zich terug, kleedde zich uit; zijn bezoedelde uniform, die hij vóór het diner reeds verwisseld had, hing nog over den stoel; hij huiverde ervan die een geheelen middag gedragen te hebben.—Dat ding! sprak hij tot Andro, die nog geheel in de war was, en, van zenuwachtigheid schreiend, opruimde; verbrand het of gooi het weg, gooi het weg …In zijn kamerrok wierp Othomar zich neêr op een bank in den salon, die grensde aan zijne slaapkamer. Eveneens een historisch vertrek; gobelins aan den wand met tafereelen uit Liparië’s historie: keizer Berengar I zegevierend Jeruzalem binnenrijdend met zijne, witte vanen heffende, kruisvaarders; keizerin Xaveria, goudgeharnast te paard voor Altara’s muren, stervende vallend achterover, getroffen door een Turkschen pijl …De prins lag naar ze te staren. Eene doodkalmte scheen hem niets te doen voelen, zich niets te doen aantrekken. Bij zichzelve ging hij geheel de geschiedenis na van Berengar tot Xaveria toe. Hij wist de jaartallen; de tafereelen wolkten voor hem als schoven er gobelins, caleidoscopisch, met de verbleekte kleuren van oud kunstwerk. Hij zag zichzelven terug, een kleine jongen, in het Imperiaal, in een strenge kamer, ijverig leerende; hij zag zijne meesters, die zich afwisselden: talen, historie, staathuishoudkunde, volkenrecht, strategie; het had zich alles gehoopt op zijne jonge hersenen, zich opgestapeld, zich opgebouwd als een toren. Tot afwisseling zijne militaire opvoeding: exerceeren, paardrijden, schermen, geleid door generaal Ducardi, die hem prees of op hem[77]bromde, of mopperde op de onder-officieren, die hem leerden. Rekenen had hij nooit kunnen leeren, van algebra nooit iets begrepen; in vele vakken was hij altijd zwak gebleven; in natuurkunde en scheikunde bijvoorbeeld. Veel pleizier had hij een tijd gehad in mineralogie, in zoölogie en botanie, en later had hij gedweept met sterrenkunde. Daarna de hoogeschool en zijne juridische studiën …Hij herinnerde zich zijne kleine trotsjes van kind en van jongen, toen hij, negen jaar oud, luitenant was geworden van de Garde van den Troon; toen hij later de Orde van den Kouseband had gekregen van de koningin van Engeland en den Zwarten Adelaar van den Duitschen keizer, en het Gulden Vlies van de Regentes van Spanje. In zulken kleinen trots had zich dan altijd zekere angst gemengd, van mogelijke verplichtingen, die de Kouseband of de Adelaar zouden meêbrengen: verplichtingen, die hem vaag voor oogen warrelden, die hij niet dorst uitbeelden en nog minder vragen aan Ducardi, of zijn vader. Langzamerhand was die dreiging van verplichtingen zoo zwaar geworden, en nu, nu waren het de centenaren.De centenaren. Maar hij bewoog zich niet, vreemd kalm. Toen dacht hij terug aan Von Fest, aan de hertogin … Gisteren haar zoen … Flauw had hij gelegen op haren schouder en ze had hem gezoend en lang aangezien met hare passieblikken. Wat vertelden de adjudanten al niet …Toen kwam het als met een woeste golf tot hem, bruisend over zijne doodkalmte heen …!Waarom had die man hem gehaat, hem willen vermoorden, hem willen slachten als een beest …? Trots trilde in hem op, trots en wanhoop. Die man had hem aangeraakt, bezoedeld met zijn adem, hem, den kroonprins, den Hertog van Xara. Hij knarste met de tanden van woede … Dàt zoû Berengar I zich niet hebben laten doen! Den kop af, den kop af … O, dat plebs, dat niet wist, dat niet voelde, dat tegen hem opdrong, als schuim warrelde aan hun troon, dat zijne moeder beängstte, hoe trotsch ze ook er over heen zag, keizerlijk kalm, in de verte …Hoe hij het haatte, het haatte, met al den haat, oh! van zijn ras voor wie nu vrij waren en eens toch hunne slaven! Hoe[78]hij er onder zoû laten schieten, later zoû laten schieten …Hij zag naar Xaveria; zelve werd ze geschoten, de fiere strijdster; achterover viel ze, verwond door den pijl van een Turksch soldaat. En hij, dien morgen, als niet Von Fest …Woest gooide hij zich achterover, begroef hij zijn gezicht in zijne handen en snikte. Neen, neen, o neen! Niet schieten, niet dooden, niet haten! Zóó was hij niet, zoo kon hij misschien één oogenblik zijn, maar zoo wàs hij niet! Hij hield van zijn volk: hij was zoo dankbaar als het jubelde, als hij het helpen kon. Hij zoû immers nooit op ze laten schieten! Hij wond zich nu maar op. Wat was er in zijne ziel iets anders voor hen allen, voor die millioenen, waarvan hij er misschien maar duizenden gezien had en maar honderden kende, dan éene groote liefde, die overal armen naar hen uitsloeg, om ze te omhelzen? Had hij dit niet gevoeld, daar in den zwarten nacht op het Therezia-plein? Waren haat en geweld voor hem? Neen, o neen; week was hij, misschien tè week, te weifelend, maar hij zoû ouder, hij zoû sterker worden; hij zoû willen willen, àllen zoû hij gelukkig maken. O, zoo ze maar van hem hielden, hem liefhadden met hunne groote massa van deinende, zwarte, schuimende menschenmenigte: zwarte melkweg van krioelende zielen, iedere ziel een vonk als zijne eigene; o, zoo ze hem maar liefhadden! Maar zij moesten hem niet haten, niet aanzien met zulke bloeddoorschoten oogen van haat, niet zulke grove, harige vingers slaan aan zijn hals, hem niet willen vermoorden, o God, willen slachten als een rund, met een gemeen mes, hem, hun aanstaanden vorst …!En hij voelde, dat ze hem niet hoorden en niet kenden en niet begrepen en niet liefhadden, die allen, en dat ze hem haatten, alleen uit instinct, omdat hij op hun troon geboren was!En zijne wanhoop, hierover, mat zich uit, grenzenloos, woestijn van zwarten nacht, die hij eeuwigheden ver om zich heen ried, en hij snikte, snikte, als een ontroostbaar kind, omdat dit zoo was, en wanhopiger worden zoû, iederen dag, die hem nader brengen zoû zijn toekomst van keizer en hùn toekomst: de treurige dag, die over eene verwoesting van oude wereld lichten zoû …Toen werd er geklopt aan eene kleine deur, die deur zacht opengemaakt …[79]—Wie is daar? vroeg hij, verschrikt, voelende den inbreuk op etiquette; niet begrijpende, dat Andro door de antichambre niet kwam aankondigen, wie het ook zijn mocht.—Als Uwe Hoogheid vergunt …Hij herkende de zachte stem der hertogin, stond op, ging naar de deur.—Kom binnen, mevrouw …Zij kwam binnen aarzelend; voor de kille gangen van het kasteel had zij over haar gedecolleteerde borst een langen mantel omgeslagen …—Vergeef mij, Hoogheid, als ik inbreuk maak … als ik U stoor …Hij glimlachte, zeide van neen, verontschuldigde zijn kostuum, verrast, gestreeld …Zij zag, dat zijne oogen nat dreven.—Ik ben onbescheiden, sprak ze: maar ik kon het niet laten; ik wilde voor mij zelve weten, hoe U was, Hoogheid … Misschien heb ik U ook willen verrassen, ik weet het zelf niet. Iets drong mij … ik kon niet nalaten naar U toe te gaan. U is mijn gast en mijn kroonprins; ik smachtte er naar zelf te zien, hoe U was … Aan het diner hield Uwe Hoogheid zich goed, maar ik voelde …Hare stem vloeide zacht eentonig voort, als in druppelen van balsem. Hij vroeg haar te gaan zitten; zij deed zoo, hij zette zich naast haar; de donkere mantel gleed af en zij was prachtig, de borst bloot, sirene in haar parelmoêrachtig lichtgroen moiré. Het trof hem, dat zij de juweelen, die zij aan het diner gedragen had, al had afgelegd.—Ik woû stil tot U komen, door die deur daar, hernam zij; om U nog eens, tot U alleen, te zeggen hoe innig dankbaar ik ben, dat Uwe Hoogheid behouden bleef …Hare stem trilde; hare zwarte blikken werden vochtig; de schijn der groote kaarsen op zilveren luchters waterde over de zijde van haar toilet, speelde met zacht licht en dommelige schaduw in de modelleering van haar gelaat, in de glooiing van hare borst.Hij drukte hare hand; zij hield die vast.—Uw Hoogheid schreide, toen ik binnenkwam? vroeg ze zacht.[80]Zijne tranen liepen nog; een snik schokte nog zijn lichaam omhoog.—Waarom? vroeg zij verder. Of ben ik onbescheiden …?Hij zag haar aan; in dit oogenblik had hij haar alles kunnen zeggen. En zoo hij zich inhield, gaf hij haar toch de essence zijner smart.—Ik was treurig, sprak hij, omdat ze mij schijnen te haten. Niets maakt mij zoo treurig, als hun haat.Zij zag hem lang aan, voelde zijn verdriet, begreep hem met haren tact van vrouw, met haar begrip van hovelinge, dat gerijpt was in de onmiddellijke nabijheid harer vorsten. Zij begreep hem: hij was de kroonprins, hij moest lijden zijn bizonder kroonprinselijk leed; een keizerskelk van smart moest hij ledigen. Het heugde haar, dat zij zelve geleden had, zoovele malen en zoo hevig, om liefde, vrouw van passie, die ze was; ze begreep, dat zijn leed anders was dan het hare, maar ontzettender zeker, daar het hem zoo jong al aangreep, en daar het niet was om zijn eigen éene ziel, maar om de millioenen zielen van zijn rijk! Ook zij had geleden, dat men haar niet liefhad; ook hij leed zoo. En zoo begreep ze hem, in éen oogwenk geheel en al, met geheel haar vreemd vrouwehart.Een trillend medelijden klom als nog niet gekende wellust haar op de borst, en als een innig zacht orakel sprak ze de woorden:—Ze haten U niet allen …Hij herkende hare sombere passieblikken van gisteren. Hij herinnerde zich haar zoen. Hij zag haar lang aan, even weifelend nog voor het onbekende. Toen breidde hij zijne armen uit, en als met een doffen schreeuw van wanhoop, schor van honger naar troost, riep hij haar tot zich in radeloosheid …—O, Alexa …Zij glimlachte eerst, glansde, wierp zich toen geheel in zijne jonge armen, verpletterde hem daarna aan hare bloote borst. Zij voelde zich als een maagd en als eene moeder samen. Maar toen hij zich vastklampte in wilde wanhoopspassie aan haar, voelde zij zich niets dan minnares. Ze wist, dat hij hare laatste liefde zoû zijn. Ze was er trots weemoedig om en helsch gelukkig. Als hagel kletterden hare zoenen op zijne oogen neêr …[81]En in hunne liefde, dien nacht, mengden zij samen den alsem van wat zij beiden leden: elk zoekende den troost voor het leven in den ander.
[Inhoud]VIII.De aanslag op Othomar was op Castel Vaza reeds bekend, vóor de prinsen terug waren, door boeren van den hertog, die aan de bedienden van het kasteel lange verhalen hadden gedaan, dat de prins zwaar gewond was. De hertogin had eerst niet willen gelooven; toen, in stijgenden angst, in de grootste spanning en onzekerheid rondgeloopen door de galerijen. Zij had zich eerst willen wijs maken, dat het volk wel overdrijven zoû. Toen zij bedacht, dat de prinsen en de adjudanten in het geval, dat Othomar verwond was, dadelijk zouden terug zijn gekomen, werd zij rustiger en wachtte af.De intendant echter, die naar Vaza geweest was, kwam ontzet terug: in de stad maakte men zich zeer ongerust, verdrong men zich aan de deuren der courantenbureaux, voor de bulletins, die den aanslag kort vermeldden, met de tergende bijvoeging, dat bizonderheden nog ontbraken. De hertogin begreep, dat op dit oogenblik het bulletin ook naar Lipara geseind was, en zij vreesde zoowel, dat Othomar een onheil was overkomen, als dat zij zelve in ongenade zoû vallen bij de keizerin …Toen de hertogin eindelijk, lang turende, uit een venster der westelijke galerij, de prinsen en hun gevolg op den verren weg, klein, zag aandraven, kon zij zich niet inhouden, ging zij hen tegemoet in den hof. Zij zag echter Othomar ongedeerd. De hertog van Xara steeg af, gaf haar de hand, glimlachte; zij kuste die, nijgend, met vuur; hare tranen vielen op ze neêr. De opperintendant trad nader, betuigde Othomar uit naam van alle dienaren van den hertog, hunne innige dankbaarheid, dat de Hertog van Xara gespaard was gebleven, door de genade Gods en den bijstand van St. Ladislas.Ducardi had nergens eerder kunnen telegrafeeren, maar zond nu ijlings naar Vaza, eene depêche aan den keizer, tevens vermeldend, dat de prins dadelijk na den aanslag kalm den voorgenomen tocht vervolgd had. Het diner werd in een gewar van stemgeluid gebruikt; de hertogin was zeer opgewonden,[76]vroeg naar de minste bizonderheid, en omhelsde bijna Von Fest. De kroonprins dronk op zijn redder en allen brachten hem hulde.Daarna ried Ducardi,—in stilte—den kroonprins aan zich vroeg ter ruste te begeven. De generaal sprak met eene teedere stem, het scheen of de gedachte, dat hij zijn kroonprins verliezen kon, hem dezen meer had doen liefhebben. Ook Herman drong er bij Othomar op aan.Hij zelve was kalm geworden, maar had iets mats over geheel zijn wezen; met eene vreemde stem van matheid zelfs had hij Von Fest toegeklonken. Hij volgde nu hun raad op, trok zich terug, kleedde zich uit; zijn bezoedelde uniform, die hij vóór het diner reeds verwisseld had, hing nog over den stoel; hij huiverde ervan die een geheelen middag gedragen te hebben.—Dat ding! sprak hij tot Andro, die nog geheel in de war was, en, van zenuwachtigheid schreiend, opruimde; verbrand het of gooi het weg, gooi het weg …In zijn kamerrok wierp Othomar zich neêr op een bank in den salon, die grensde aan zijne slaapkamer. Eveneens een historisch vertrek; gobelins aan den wand met tafereelen uit Liparië’s historie: keizer Berengar I zegevierend Jeruzalem binnenrijdend met zijne, witte vanen heffende, kruisvaarders; keizerin Xaveria, goudgeharnast te paard voor Altara’s muren, stervende vallend achterover, getroffen door een Turkschen pijl …De prins lag naar ze te staren. Eene doodkalmte scheen hem niets te doen voelen, zich niets te doen aantrekken. Bij zichzelve ging hij geheel de geschiedenis na van Berengar tot Xaveria toe. Hij wist de jaartallen; de tafereelen wolkten voor hem als schoven er gobelins, caleidoscopisch, met de verbleekte kleuren van oud kunstwerk. Hij zag zichzelven terug, een kleine jongen, in het Imperiaal, in een strenge kamer, ijverig leerende; hij zag zijne meesters, die zich afwisselden: talen, historie, staathuishoudkunde, volkenrecht, strategie; het had zich alles gehoopt op zijne jonge hersenen, zich opgestapeld, zich opgebouwd als een toren. Tot afwisseling zijne militaire opvoeding: exerceeren, paardrijden, schermen, geleid door generaal Ducardi, die hem prees of op hem[77]bromde, of mopperde op de onder-officieren, die hem leerden. Rekenen had hij nooit kunnen leeren, van algebra nooit iets begrepen; in vele vakken was hij altijd zwak gebleven; in natuurkunde en scheikunde bijvoorbeeld. Veel pleizier had hij een tijd gehad in mineralogie, in zoölogie en botanie, en later had hij gedweept met sterrenkunde. Daarna de hoogeschool en zijne juridische studiën …Hij herinnerde zich zijne kleine trotsjes van kind en van jongen, toen hij, negen jaar oud, luitenant was geworden van de Garde van den Troon; toen hij later de Orde van den Kouseband had gekregen van de koningin van Engeland en den Zwarten Adelaar van den Duitschen keizer, en het Gulden Vlies van de Regentes van Spanje. In zulken kleinen trots had zich dan altijd zekere angst gemengd, van mogelijke verplichtingen, die de Kouseband of de Adelaar zouden meêbrengen: verplichtingen, die hem vaag voor oogen warrelden, die hij niet dorst uitbeelden en nog minder vragen aan Ducardi, of zijn vader. Langzamerhand was die dreiging van verplichtingen zoo zwaar geworden, en nu, nu waren het de centenaren.De centenaren. Maar hij bewoog zich niet, vreemd kalm. Toen dacht hij terug aan Von Fest, aan de hertogin … Gisteren haar zoen … Flauw had hij gelegen op haren schouder en ze had hem gezoend en lang aangezien met hare passieblikken. Wat vertelden de adjudanten al niet …Toen kwam het als met een woeste golf tot hem, bruisend over zijne doodkalmte heen …!Waarom had die man hem gehaat, hem willen vermoorden, hem willen slachten als een beest …? Trots trilde in hem op, trots en wanhoop. Die man had hem aangeraakt, bezoedeld met zijn adem, hem, den kroonprins, den Hertog van Xara. Hij knarste met de tanden van woede … Dàt zoû Berengar I zich niet hebben laten doen! Den kop af, den kop af … O, dat plebs, dat niet wist, dat niet voelde, dat tegen hem opdrong, als schuim warrelde aan hun troon, dat zijne moeder beängstte, hoe trotsch ze ook er over heen zag, keizerlijk kalm, in de verte …Hoe hij het haatte, het haatte, met al den haat, oh! van zijn ras voor wie nu vrij waren en eens toch hunne slaven! Hoe[78]hij er onder zoû laten schieten, later zoû laten schieten …Hij zag naar Xaveria; zelve werd ze geschoten, de fiere strijdster; achterover viel ze, verwond door den pijl van een Turksch soldaat. En hij, dien morgen, als niet Von Fest …Woest gooide hij zich achterover, begroef hij zijn gezicht in zijne handen en snikte. Neen, neen, o neen! Niet schieten, niet dooden, niet haten! Zóó was hij niet, zoo kon hij misschien één oogenblik zijn, maar zoo wàs hij niet! Hij hield van zijn volk: hij was zoo dankbaar als het jubelde, als hij het helpen kon. Hij zoû immers nooit op ze laten schieten! Hij wond zich nu maar op. Wat was er in zijne ziel iets anders voor hen allen, voor die millioenen, waarvan hij er misschien maar duizenden gezien had en maar honderden kende, dan éene groote liefde, die overal armen naar hen uitsloeg, om ze te omhelzen? Had hij dit niet gevoeld, daar in den zwarten nacht op het Therezia-plein? Waren haat en geweld voor hem? Neen, o neen; week was hij, misschien tè week, te weifelend, maar hij zoû ouder, hij zoû sterker worden; hij zoû willen willen, àllen zoû hij gelukkig maken. O, zoo ze maar van hem hielden, hem liefhadden met hunne groote massa van deinende, zwarte, schuimende menschenmenigte: zwarte melkweg van krioelende zielen, iedere ziel een vonk als zijne eigene; o, zoo ze hem maar liefhadden! Maar zij moesten hem niet haten, niet aanzien met zulke bloeddoorschoten oogen van haat, niet zulke grove, harige vingers slaan aan zijn hals, hem niet willen vermoorden, o God, willen slachten als een rund, met een gemeen mes, hem, hun aanstaanden vorst …!En hij voelde, dat ze hem niet hoorden en niet kenden en niet begrepen en niet liefhadden, die allen, en dat ze hem haatten, alleen uit instinct, omdat hij op hun troon geboren was!En zijne wanhoop, hierover, mat zich uit, grenzenloos, woestijn van zwarten nacht, die hij eeuwigheden ver om zich heen ried, en hij snikte, snikte, als een ontroostbaar kind, omdat dit zoo was, en wanhopiger worden zoû, iederen dag, die hem nader brengen zoû zijn toekomst van keizer en hùn toekomst: de treurige dag, die over eene verwoesting van oude wereld lichten zoû …Toen werd er geklopt aan eene kleine deur, die deur zacht opengemaakt …[79]—Wie is daar? vroeg hij, verschrikt, voelende den inbreuk op etiquette; niet begrijpende, dat Andro door de antichambre niet kwam aankondigen, wie het ook zijn mocht.—Als Uwe Hoogheid vergunt …Hij herkende de zachte stem der hertogin, stond op, ging naar de deur.—Kom binnen, mevrouw …Zij kwam binnen aarzelend; voor de kille gangen van het kasteel had zij over haar gedecolleteerde borst een langen mantel omgeslagen …—Vergeef mij, Hoogheid, als ik inbreuk maak … als ik U stoor …Hij glimlachte, zeide van neen, verontschuldigde zijn kostuum, verrast, gestreeld …Zij zag, dat zijne oogen nat dreven.—Ik ben onbescheiden, sprak ze: maar ik kon het niet laten; ik wilde voor mij zelve weten, hoe U was, Hoogheid … Misschien heb ik U ook willen verrassen, ik weet het zelf niet. Iets drong mij … ik kon niet nalaten naar U toe te gaan. U is mijn gast en mijn kroonprins; ik smachtte er naar zelf te zien, hoe U was … Aan het diner hield Uwe Hoogheid zich goed, maar ik voelde …Hare stem vloeide zacht eentonig voort, als in druppelen van balsem. Hij vroeg haar te gaan zitten; zij deed zoo, hij zette zich naast haar; de donkere mantel gleed af en zij was prachtig, de borst bloot, sirene in haar parelmoêrachtig lichtgroen moiré. Het trof hem, dat zij de juweelen, die zij aan het diner gedragen had, al had afgelegd.—Ik woû stil tot U komen, door die deur daar, hernam zij; om U nog eens, tot U alleen, te zeggen hoe innig dankbaar ik ben, dat Uwe Hoogheid behouden bleef …Hare stem trilde; hare zwarte blikken werden vochtig; de schijn der groote kaarsen op zilveren luchters waterde over de zijde van haar toilet, speelde met zacht licht en dommelige schaduw in de modelleering van haar gelaat, in de glooiing van hare borst.Hij drukte hare hand; zij hield die vast.—Uw Hoogheid schreide, toen ik binnenkwam? vroeg ze zacht.[80]Zijne tranen liepen nog; een snik schokte nog zijn lichaam omhoog.—Waarom? vroeg zij verder. Of ben ik onbescheiden …?Hij zag haar aan; in dit oogenblik had hij haar alles kunnen zeggen. En zoo hij zich inhield, gaf hij haar toch de essence zijner smart.—Ik was treurig, sprak hij, omdat ze mij schijnen te haten. Niets maakt mij zoo treurig, als hun haat.Zij zag hem lang aan, voelde zijn verdriet, begreep hem met haren tact van vrouw, met haar begrip van hovelinge, dat gerijpt was in de onmiddellijke nabijheid harer vorsten. Zij begreep hem: hij was de kroonprins, hij moest lijden zijn bizonder kroonprinselijk leed; een keizerskelk van smart moest hij ledigen. Het heugde haar, dat zij zelve geleden had, zoovele malen en zoo hevig, om liefde, vrouw van passie, die ze was; ze begreep, dat zijn leed anders was dan het hare, maar ontzettender zeker, daar het hem zoo jong al aangreep, en daar het niet was om zijn eigen éene ziel, maar om de millioenen zielen van zijn rijk! Ook zij had geleden, dat men haar niet liefhad; ook hij leed zoo. En zoo begreep ze hem, in éen oogwenk geheel en al, met geheel haar vreemd vrouwehart.Een trillend medelijden klom als nog niet gekende wellust haar op de borst, en als een innig zacht orakel sprak ze de woorden:—Ze haten U niet allen …Hij herkende hare sombere passieblikken van gisteren. Hij herinnerde zich haar zoen. Hij zag haar lang aan, even weifelend nog voor het onbekende. Toen breidde hij zijne armen uit, en als met een doffen schreeuw van wanhoop, schor van honger naar troost, riep hij haar tot zich in radeloosheid …—O, Alexa …Zij glimlachte eerst, glansde, wierp zich toen geheel in zijne jonge armen, verpletterde hem daarna aan hare bloote borst. Zij voelde zich als een maagd en als eene moeder samen. Maar toen hij zich vastklampte in wilde wanhoopspassie aan haar, voelde zij zich niets dan minnares. Ze wist, dat hij hare laatste liefde zoû zijn. Ze was er trots weemoedig om en helsch gelukkig. Als hagel kletterden hare zoenen op zijne oogen neêr …[81]En in hunne liefde, dien nacht, mengden zij samen den alsem van wat zij beiden leden: elk zoekende den troost voor het leven in den ander.
[Inhoud]VIII.De aanslag op Othomar was op Castel Vaza reeds bekend, vóor de prinsen terug waren, door boeren van den hertog, die aan de bedienden van het kasteel lange verhalen hadden gedaan, dat de prins zwaar gewond was. De hertogin had eerst niet willen gelooven; toen, in stijgenden angst, in de grootste spanning en onzekerheid rondgeloopen door de galerijen. Zij had zich eerst willen wijs maken, dat het volk wel overdrijven zoû. Toen zij bedacht, dat de prinsen en de adjudanten in het geval, dat Othomar verwond was, dadelijk zouden terug zijn gekomen, werd zij rustiger en wachtte af.De intendant echter, die naar Vaza geweest was, kwam ontzet terug: in de stad maakte men zich zeer ongerust, verdrong men zich aan de deuren der courantenbureaux, voor de bulletins, die den aanslag kort vermeldden, met de tergende bijvoeging, dat bizonderheden nog ontbraken. De hertogin begreep, dat op dit oogenblik het bulletin ook naar Lipara geseind was, en zij vreesde zoowel, dat Othomar een onheil was overkomen, als dat zij zelve in ongenade zoû vallen bij de keizerin …Toen de hertogin eindelijk, lang turende, uit een venster der westelijke galerij, de prinsen en hun gevolg op den verren weg, klein, zag aandraven, kon zij zich niet inhouden, ging zij hen tegemoet in den hof. Zij zag echter Othomar ongedeerd. De hertog van Xara steeg af, gaf haar de hand, glimlachte; zij kuste die, nijgend, met vuur; hare tranen vielen op ze neêr. De opperintendant trad nader, betuigde Othomar uit naam van alle dienaren van den hertog, hunne innige dankbaarheid, dat de Hertog van Xara gespaard was gebleven, door de genade Gods en den bijstand van St. Ladislas.Ducardi had nergens eerder kunnen telegrafeeren, maar zond nu ijlings naar Vaza, eene depêche aan den keizer, tevens vermeldend, dat de prins dadelijk na den aanslag kalm den voorgenomen tocht vervolgd had. Het diner werd in een gewar van stemgeluid gebruikt; de hertogin was zeer opgewonden,[76]vroeg naar de minste bizonderheid, en omhelsde bijna Von Fest. De kroonprins dronk op zijn redder en allen brachten hem hulde.Daarna ried Ducardi,—in stilte—den kroonprins aan zich vroeg ter ruste te begeven. De generaal sprak met eene teedere stem, het scheen of de gedachte, dat hij zijn kroonprins verliezen kon, hem dezen meer had doen liefhebben. Ook Herman drong er bij Othomar op aan.Hij zelve was kalm geworden, maar had iets mats over geheel zijn wezen; met eene vreemde stem van matheid zelfs had hij Von Fest toegeklonken. Hij volgde nu hun raad op, trok zich terug, kleedde zich uit; zijn bezoedelde uniform, die hij vóór het diner reeds verwisseld had, hing nog over den stoel; hij huiverde ervan die een geheelen middag gedragen te hebben.—Dat ding! sprak hij tot Andro, die nog geheel in de war was, en, van zenuwachtigheid schreiend, opruimde; verbrand het of gooi het weg, gooi het weg …In zijn kamerrok wierp Othomar zich neêr op een bank in den salon, die grensde aan zijne slaapkamer. Eveneens een historisch vertrek; gobelins aan den wand met tafereelen uit Liparië’s historie: keizer Berengar I zegevierend Jeruzalem binnenrijdend met zijne, witte vanen heffende, kruisvaarders; keizerin Xaveria, goudgeharnast te paard voor Altara’s muren, stervende vallend achterover, getroffen door een Turkschen pijl …De prins lag naar ze te staren. Eene doodkalmte scheen hem niets te doen voelen, zich niets te doen aantrekken. Bij zichzelve ging hij geheel de geschiedenis na van Berengar tot Xaveria toe. Hij wist de jaartallen; de tafereelen wolkten voor hem als schoven er gobelins, caleidoscopisch, met de verbleekte kleuren van oud kunstwerk. Hij zag zichzelven terug, een kleine jongen, in het Imperiaal, in een strenge kamer, ijverig leerende; hij zag zijne meesters, die zich afwisselden: talen, historie, staathuishoudkunde, volkenrecht, strategie; het had zich alles gehoopt op zijne jonge hersenen, zich opgestapeld, zich opgebouwd als een toren. Tot afwisseling zijne militaire opvoeding: exerceeren, paardrijden, schermen, geleid door generaal Ducardi, die hem prees of op hem[77]bromde, of mopperde op de onder-officieren, die hem leerden. Rekenen had hij nooit kunnen leeren, van algebra nooit iets begrepen; in vele vakken was hij altijd zwak gebleven; in natuurkunde en scheikunde bijvoorbeeld. Veel pleizier had hij een tijd gehad in mineralogie, in zoölogie en botanie, en later had hij gedweept met sterrenkunde. Daarna de hoogeschool en zijne juridische studiën …Hij herinnerde zich zijne kleine trotsjes van kind en van jongen, toen hij, negen jaar oud, luitenant was geworden van de Garde van den Troon; toen hij later de Orde van den Kouseband had gekregen van de koningin van Engeland en den Zwarten Adelaar van den Duitschen keizer, en het Gulden Vlies van de Regentes van Spanje. In zulken kleinen trots had zich dan altijd zekere angst gemengd, van mogelijke verplichtingen, die de Kouseband of de Adelaar zouden meêbrengen: verplichtingen, die hem vaag voor oogen warrelden, die hij niet dorst uitbeelden en nog minder vragen aan Ducardi, of zijn vader. Langzamerhand was die dreiging van verplichtingen zoo zwaar geworden, en nu, nu waren het de centenaren.De centenaren. Maar hij bewoog zich niet, vreemd kalm. Toen dacht hij terug aan Von Fest, aan de hertogin … Gisteren haar zoen … Flauw had hij gelegen op haren schouder en ze had hem gezoend en lang aangezien met hare passieblikken. Wat vertelden de adjudanten al niet …Toen kwam het als met een woeste golf tot hem, bruisend over zijne doodkalmte heen …!Waarom had die man hem gehaat, hem willen vermoorden, hem willen slachten als een beest …? Trots trilde in hem op, trots en wanhoop. Die man had hem aangeraakt, bezoedeld met zijn adem, hem, den kroonprins, den Hertog van Xara. Hij knarste met de tanden van woede … Dàt zoû Berengar I zich niet hebben laten doen! Den kop af, den kop af … O, dat plebs, dat niet wist, dat niet voelde, dat tegen hem opdrong, als schuim warrelde aan hun troon, dat zijne moeder beängstte, hoe trotsch ze ook er over heen zag, keizerlijk kalm, in de verte …Hoe hij het haatte, het haatte, met al den haat, oh! van zijn ras voor wie nu vrij waren en eens toch hunne slaven! Hoe[78]hij er onder zoû laten schieten, later zoû laten schieten …Hij zag naar Xaveria; zelve werd ze geschoten, de fiere strijdster; achterover viel ze, verwond door den pijl van een Turksch soldaat. En hij, dien morgen, als niet Von Fest …Woest gooide hij zich achterover, begroef hij zijn gezicht in zijne handen en snikte. Neen, neen, o neen! Niet schieten, niet dooden, niet haten! Zóó was hij niet, zoo kon hij misschien één oogenblik zijn, maar zoo wàs hij niet! Hij hield van zijn volk: hij was zoo dankbaar als het jubelde, als hij het helpen kon. Hij zoû immers nooit op ze laten schieten! Hij wond zich nu maar op. Wat was er in zijne ziel iets anders voor hen allen, voor die millioenen, waarvan hij er misschien maar duizenden gezien had en maar honderden kende, dan éene groote liefde, die overal armen naar hen uitsloeg, om ze te omhelzen? Had hij dit niet gevoeld, daar in den zwarten nacht op het Therezia-plein? Waren haat en geweld voor hem? Neen, o neen; week was hij, misschien tè week, te weifelend, maar hij zoû ouder, hij zoû sterker worden; hij zoû willen willen, àllen zoû hij gelukkig maken. O, zoo ze maar van hem hielden, hem liefhadden met hunne groote massa van deinende, zwarte, schuimende menschenmenigte: zwarte melkweg van krioelende zielen, iedere ziel een vonk als zijne eigene; o, zoo ze hem maar liefhadden! Maar zij moesten hem niet haten, niet aanzien met zulke bloeddoorschoten oogen van haat, niet zulke grove, harige vingers slaan aan zijn hals, hem niet willen vermoorden, o God, willen slachten als een rund, met een gemeen mes, hem, hun aanstaanden vorst …!En hij voelde, dat ze hem niet hoorden en niet kenden en niet begrepen en niet liefhadden, die allen, en dat ze hem haatten, alleen uit instinct, omdat hij op hun troon geboren was!En zijne wanhoop, hierover, mat zich uit, grenzenloos, woestijn van zwarten nacht, die hij eeuwigheden ver om zich heen ried, en hij snikte, snikte, als een ontroostbaar kind, omdat dit zoo was, en wanhopiger worden zoû, iederen dag, die hem nader brengen zoû zijn toekomst van keizer en hùn toekomst: de treurige dag, die over eene verwoesting van oude wereld lichten zoû …Toen werd er geklopt aan eene kleine deur, die deur zacht opengemaakt …[79]—Wie is daar? vroeg hij, verschrikt, voelende den inbreuk op etiquette; niet begrijpende, dat Andro door de antichambre niet kwam aankondigen, wie het ook zijn mocht.—Als Uwe Hoogheid vergunt …Hij herkende de zachte stem der hertogin, stond op, ging naar de deur.—Kom binnen, mevrouw …Zij kwam binnen aarzelend; voor de kille gangen van het kasteel had zij over haar gedecolleteerde borst een langen mantel omgeslagen …—Vergeef mij, Hoogheid, als ik inbreuk maak … als ik U stoor …Hij glimlachte, zeide van neen, verontschuldigde zijn kostuum, verrast, gestreeld …Zij zag, dat zijne oogen nat dreven.—Ik ben onbescheiden, sprak ze: maar ik kon het niet laten; ik wilde voor mij zelve weten, hoe U was, Hoogheid … Misschien heb ik U ook willen verrassen, ik weet het zelf niet. Iets drong mij … ik kon niet nalaten naar U toe te gaan. U is mijn gast en mijn kroonprins; ik smachtte er naar zelf te zien, hoe U was … Aan het diner hield Uwe Hoogheid zich goed, maar ik voelde …Hare stem vloeide zacht eentonig voort, als in druppelen van balsem. Hij vroeg haar te gaan zitten; zij deed zoo, hij zette zich naast haar; de donkere mantel gleed af en zij was prachtig, de borst bloot, sirene in haar parelmoêrachtig lichtgroen moiré. Het trof hem, dat zij de juweelen, die zij aan het diner gedragen had, al had afgelegd.—Ik woû stil tot U komen, door die deur daar, hernam zij; om U nog eens, tot U alleen, te zeggen hoe innig dankbaar ik ben, dat Uwe Hoogheid behouden bleef …Hare stem trilde; hare zwarte blikken werden vochtig; de schijn der groote kaarsen op zilveren luchters waterde over de zijde van haar toilet, speelde met zacht licht en dommelige schaduw in de modelleering van haar gelaat, in de glooiing van hare borst.Hij drukte hare hand; zij hield die vast.—Uw Hoogheid schreide, toen ik binnenkwam? vroeg ze zacht.[80]Zijne tranen liepen nog; een snik schokte nog zijn lichaam omhoog.—Waarom? vroeg zij verder. Of ben ik onbescheiden …?Hij zag haar aan; in dit oogenblik had hij haar alles kunnen zeggen. En zoo hij zich inhield, gaf hij haar toch de essence zijner smart.—Ik was treurig, sprak hij, omdat ze mij schijnen te haten. Niets maakt mij zoo treurig, als hun haat.Zij zag hem lang aan, voelde zijn verdriet, begreep hem met haren tact van vrouw, met haar begrip van hovelinge, dat gerijpt was in de onmiddellijke nabijheid harer vorsten. Zij begreep hem: hij was de kroonprins, hij moest lijden zijn bizonder kroonprinselijk leed; een keizerskelk van smart moest hij ledigen. Het heugde haar, dat zij zelve geleden had, zoovele malen en zoo hevig, om liefde, vrouw van passie, die ze was; ze begreep, dat zijn leed anders was dan het hare, maar ontzettender zeker, daar het hem zoo jong al aangreep, en daar het niet was om zijn eigen éene ziel, maar om de millioenen zielen van zijn rijk! Ook zij had geleden, dat men haar niet liefhad; ook hij leed zoo. En zoo begreep ze hem, in éen oogwenk geheel en al, met geheel haar vreemd vrouwehart.Een trillend medelijden klom als nog niet gekende wellust haar op de borst, en als een innig zacht orakel sprak ze de woorden:—Ze haten U niet allen …Hij herkende hare sombere passieblikken van gisteren. Hij herinnerde zich haar zoen. Hij zag haar lang aan, even weifelend nog voor het onbekende. Toen breidde hij zijne armen uit, en als met een doffen schreeuw van wanhoop, schor van honger naar troost, riep hij haar tot zich in radeloosheid …—O, Alexa …Zij glimlachte eerst, glansde, wierp zich toen geheel in zijne jonge armen, verpletterde hem daarna aan hare bloote borst. Zij voelde zich als een maagd en als eene moeder samen. Maar toen hij zich vastklampte in wilde wanhoopspassie aan haar, voelde zij zich niets dan minnares. Ze wist, dat hij hare laatste liefde zoû zijn. Ze was er trots weemoedig om en helsch gelukkig. Als hagel kletterden hare zoenen op zijne oogen neêr …[81]En in hunne liefde, dien nacht, mengden zij samen den alsem van wat zij beiden leden: elk zoekende den troost voor het leven in den ander.
VIII.
De aanslag op Othomar was op Castel Vaza reeds bekend, vóor de prinsen terug waren, door boeren van den hertog, die aan de bedienden van het kasteel lange verhalen hadden gedaan, dat de prins zwaar gewond was. De hertogin had eerst niet willen gelooven; toen, in stijgenden angst, in de grootste spanning en onzekerheid rondgeloopen door de galerijen. Zij had zich eerst willen wijs maken, dat het volk wel overdrijven zoû. Toen zij bedacht, dat de prinsen en de adjudanten in het geval, dat Othomar verwond was, dadelijk zouden terug zijn gekomen, werd zij rustiger en wachtte af.De intendant echter, die naar Vaza geweest was, kwam ontzet terug: in de stad maakte men zich zeer ongerust, verdrong men zich aan de deuren der courantenbureaux, voor de bulletins, die den aanslag kort vermeldden, met de tergende bijvoeging, dat bizonderheden nog ontbraken. De hertogin begreep, dat op dit oogenblik het bulletin ook naar Lipara geseind was, en zij vreesde zoowel, dat Othomar een onheil was overkomen, als dat zij zelve in ongenade zoû vallen bij de keizerin …Toen de hertogin eindelijk, lang turende, uit een venster der westelijke galerij, de prinsen en hun gevolg op den verren weg, klein, zag aandraven, kon zij zich niet inhouden, ging zij hen tegemoet in den hof. Zij zag echter Othomar ongedeerd. De hertog van Xara steeg af, gaf haar de hand, glimlachte; zij kuste die, nijgend, met vuur; hare tranen vielen op ze neêr. De opperintendant trad nader, betuigde Othomar uit naam van alle dienaren van den hertog, hunne innige dankbaarheid, dat de Hertog van Xara gespaard was gebleven, door de genade Gods en den bijstand van St. Ladislas.Ducardi had nergens eerder kunnen telegrafeeren, maar zond nu ijlings naar Vaza, eene depêche aan den keizer, tevens vermeldend, dat de prins dadelijk na den aanslag kalm den voorgenomen tocht vervolgd had. Het diner werd in een gewar van stemgeluid gebruikt; de hertogin was zeer opgewonden,[76]vroeg naar de minste bizonderheid, en omhelsde bijna Von Fest. De kroonprins dronk op zijn redder en allen brachten hem hulde.Daarna ried Ducardi,—in stilte—den kroonprins aan zich vroeg ter ruste te begeven. De generaal sprak met eene teedere stem, het scheen of de gedachte, dat hij zijn kroonprins verliezen kon, hem dezen meer had doen liefhebben. Ook Herman drong er bij Othomar op aan.Hij zelve was kalm geworden, maar had iets mats over geheel zijn wezen; met eene vreemde stem van matheid zelfs had hij Von Fest toegeklonken. Hij volgde nu hun raad op, trok zich terug, kleedde zich uit; zijn bezoedelde uniform, die hij vóór het diner reeds verwisseld had, hing nog over den stoel; hij huiverde ervan die een geheelen middag gedragen te hebben.—Dat ding! sprak hij tot Andro, die nog geheel in de war was, en, van zenuwachtigheid schreiend, opruimde; verbrand het of gooi het weg, gooi het weg …In zijn kamerrok wierp Othomar zich neêr op een bank in den salon, die grensde aan zijne slaapkamer. Eveneens een historisch vertrek; gobelins aan den wand met tafereelen uit Liparië’s historie: keizer Berengar I zegevierend Jeruzalem binnenrijdend met zijne, witte vanen heffende, kruisvaarders; keizerin Xaveria, goudgeharnast te paard voor Altara’s muren, stervende vallend achterover, getroffen door een Turkschen pijl …De prins lag naar ze te staren. Eene doodkalmte scheen hem niets te doen voelen, zich niets te doen aantrekken. Bij zichzelve ging hij geheel de geschiedenis na van Berengar tot Xaveria toe. Hij wist de jaartallen; de tafereelen wolkten voor hem als schoven er gobelins, caleidoscopisch, met de verbleekte kleuren van oud kunstwerk. Hij zag zichzelven terug, een kleine jongen, in het Imperiaal, in een strenge kamer, ijverig leerende; hij zag zijne meesters, die zich afwisselden: talen, historie, staathuishoudkunde, volkenrecht, strategie; het had zich alles gehoopt op zijne jonge hersenen, zich opgestapeld, zich opgebouwd als een toren. Tot afwisseling zijne militaire opvoeding: exerceeren, paardrijden, schermen, geleid door generaal Ducardi, die hem prees of op hem[77]bromde, of mopperde op de onder-officieren, die hem leerden. Rekenen had hij nooit kunnen leeren, van algebra nooit iets begrepen; in vele vakken was hij altijd zwak gebleven; in natuurkunde en scheikunde bijvoorbeeld. Veel pleizier had hij een tijd gehad in mineralogie, in zoölogie en botanie, en later had hij gedweept met sterrenkunde. Daarna de hoogeschool en zijne juridische studiën …Hij herinnerde zich zijne kleine trotsjes van kind en van jongen, toen hij, negen jaar oud, luitenant was geworden van de Garde van den Troon; toen hij later de Orde van den Kouseband had gekregen van de koningin van Engeland en den Zwarten Adelaar van den Duitschen keizer, en het Gulden Vlies van de Regentes van Spanje. In zulken kleinen trots had zich dan altijd zekere angst gemengd, van mogelijke verplichtingen, die de Kouseband of de Adelaar zouden meêbrengen: verplichtingen, die hem vaag voor oogen warrelden, die hij niet dorst uitbeelden en nog minder vragen aan Ducardi, of zijn vader. Langzamerhand was die dreiging van verplichtingen zoo zwaar geworden, en nu, nu waren het de centenaren.De centenaren. Maar hij bewoog zich niet, vreemd kalm. Toen dacht hij terug aan Von Fest, aan de hertogin … Gisteren haar zoen … Flauw had hij gelegen op haren schouder en ze had hem gezoend en lang aangezien met hare passieblikken. Wat vertelden de adjudanten al niet …Toen kwam het als met een woeste golf tot hem, bruisend over zijne doodkalmte heen …!Waarom had die man hem gehaat, hem willen vermoorden, hem willen slachten als een beest …? Trots trilde in hem op, trots en wanhoop. Die man had hem aangeraakt, bezoedeld met zijn adem, hem, den kroonprins, den Hertog van Xara. Hij knarste met de tanden van woede … Dàt zoû Berengar I zich niet hebben laten doen! Den kop af, den kop af … O, dat plebs, dat niet wist, dat niet voelde, dat tegen hem opdrong, als schuim warrelde aan hun troon, dat zijne moeder beängstte, hoe trotsch ze ook er over heen zag, keizerlijk kalm, in de verte …Hoe hij het haatte, het haatte, met al den haat, oh! van zijn ras voor wie nu vrij waren en eens toch hunne slaven! Hoe[78]hij er onder zoû laten schieten, later zoû laten schieten …Hij zag naar Xaveria; zelve werd ze geschoten, de fiere strijdster; achterover viel ze, verwond door den pijl van een Turksch soldaat. En hij, dien morgen, als niet Von Fest …Woest gooide hij zich achterover, begroef hij zijn gezicht in zijne handen en snikte. Neen, neen, o neen! Niet schieten, niet dooden, niet haten! Zóó was hij niet, zoo kon hij misschien één oogenblik zijn, maar zoo wàs hij niet! Hij hield van zijn volk: hij was zoo dankbaar als het jubelde, als hij het helpen kon. Hij zoû immers nooit op ze laten schieten! Hij wond zich nu maar op. Wat was er in zijne ziel iets anders voor hen allen, voor die millioenen, waarvan hij er misschien maar duizenden gezien had en maar honderden kende, dan éene groote liefde, die overal armen naar hen uitsloeg, om ze te omhelzen? Had hij dit niet gevoeld, daar in den zwarten nacht op het Therezia-plein? Waren haat en geweld voor hem? Neen, o neen; week was hij, misschien tè week, te weifelend, maar hij zoû ouder, hij zoû sterker worden; hij zoû willen willen, àllen zoû hij gelukkig maken. O, zoo ze maar van hem hielden, hem liefhadden met hunne groote massa van deinende, zwarte, schuimende menschenmenigte: zwarte melkweg van krioelende zielen, iedere ziel een vonk als zijne eigene; o, zoo ze hem maar liefhadden! Maar zij moesten hem niet haten, niet aanzien met zulke bloeddoorschoten oogen van haat, niet zulke grove, harige vingers slaan aan zijn hals, hem niet willen vermoorden, o God, willen slachten als een rund, met een gemeen mes, hem, hun aanstaanden vorst …!En hij voelde, dat ze hem niet hoorden en niet kenden en niet begrepen en niet liefhadden, die allen, en dat ze hem haatten, alleen uit instinct, omdat hij op hun troon geboren was!En zijne wanhoop, hierover, mat zich uit, grenzenloos, woestijn van zwarten nacht, die hij eeuwigheden ver om zich heen ried, en hij snikte, snikte, als een ontroostbaar kind, omdat dit zoo was, en wanhopiger worden zoû, iederen dag, die hem nader brengen zoû zijn toekomst van keizer en hùn toekomst: de treurige dag, die over eene verwoesting van oude wereld lichten zoû …Toen werd er geklopt aan eene kleine deur, die deur zacht opengemaakt …[79]—Wie is daar? vroeg hij, verschrikt, voelende den inbreuk op etiquette; niet begrijpende, dat Andro door de antichambre niet kwam aankondigen, wie het ook zijn mocht.—Als Uwe Hoogheid vergunt …Hij herkende de zachte stem der hertogin, stond op, ging naar de deur.—Kom binnen, mevrouw …Zij kwam binnen aarzelend; voor de kille gangen van het kasteel had zij over haar gedecolleteerde borst een langen mantel omgeslagen …—Vergeef mij, Hoogheid, als ik inbreuk maak … als ik U stoor …Hij glimlachte, zeide van neen, verontschuldigde zijn kostuum, verrast, gestreeld …Zij zag, dat zijne oogen nat dreven.—Ik ben onbescheiden, sprak ze: maar ik kon het niet laten; ik wilde voor mij zelve weten, hoe U was, Hoogheid … Misschien heb ik U ook willen verrassen, ik weet het zelf niet. Iets drong mij … ik kon niet nalaten naar U toe te gaan. U is mijn gast en mijn kroonprins; ik smachtte er naar zelf te zien, hoe U was … Aan het diner hield Uwe Hoogheid zich goed, maar ik voelde …Hare stem vloeide zacht eentonig voort, als in druppelen van balsem. Hij vroeg haar te gaan zitten; zij deed zoo, hij zette zich naast haar; de donkere mantel gleed af en zij was prachtig, de borst bloot, sirene in haar parelmoêrachtig lichtgroen moiré. Het trof hem, dat zij de juweelen, die zij aan het diner gedragen had, al had afgelegd.—Ik woû stil tot U komen, door die deur daar, hernam zij; om U nog eens, tot U alleen, te zeggen hoe innig dankbaar ik ben, dat Uwe Hoogheid behouden bleef …Hare stem trilde; hare zwarte blikken werden vochtig; de schijn der groote kaarsen op zilveren luchters waterde over de zijde van haar toilet, speelde met zacht licht en dommelige schaduw in de modelleering van haar gelaat, in de glooiing van hare borst.Hij drukte hare hand; zij hield die vast.—Uw Hoogheid schreide, toen ik binnenkwam? vroeg ze zacht.[80]Zijne tranen liepen nog; een snik schokte nog zijn lichaam omhoog.—Waarom? vroeg zij verder. Of ben ik onbescheiden …?Hij zag haar aan; in dit oogenblik had hij haar alles kunnen zeggen. En zoo hij zich inhield, gaf hij haar toch de essence zijner smart.—Ik was treurig, sprak hij, omdat ze mij schijnen te haten. Niets maakt mij zoo treurig, als hun haat.Zij zag hem lang aan, voelde zijn verdriet, begreep hem met haren tact van vrouw, met haar begrip van hovelinge, dat gerijpt was in de onmiddellijke nabijheid harer vorsten. Zij begreep hem: hij was de kroonprins, hij moest lijden zijn bizonder kroonprinselijk leed; een keizerskelk van smart moest hij ledigen. Het heugde haar, dat zij zelve geleden had, zoovele malen en zoo hevig, om liefde, vrouw van passie, die ze was; ze begreep, dat zijn leed anders was dan het hare, maar ontzettender zeker, daar het hem zoo jong al aangreep, en daar het niet was om zijn eigen éene ziel, maar om de millioenen zielen van zijn rijk! Ook zij had geleden, dat men haar niet liefhad; ook hij leed zoo. En zoo begreep ze hem, in éen oogwenk geheel en al, met geheel haar vreemd vrouwehart.Een trillend medelijden klom als nog niet gekende wellust haar op de borst, en als een innig zacht orakel sprak ze de woorden:—Ze haten U niet allen …Hij herkende hare sombere passieblikken van gisteren. Hij herinnerde zich haar zoen. Hij zag haar lang aan, even weifelend nog voor het onbekende. Toen breidde hij zijne armen uit, en als met een doffen schreeuw van wanhoop, schor van honger naar troost, riep hij haar tot zich in radeloosheid …—O, Alexa …Zij glimlachte eerst, glansde, wierp zich toen geheel in zijne jonge armen, verpletterde hem daarna aan hare bloote borst. Zij voelde zich als een maagd en als eene moeder samen. Maar toen hij zich vastklampte in wilde wanhoopspassie aan haar, voelde zij zich niets dan minnares. Ze wist, dat hij hare laatste liefde zoû zijn. Ze was er trots weemoedig om en helsch gelukkig. Als hagel kletterden hare zoenen op zijne oogen neêr …[81]En in hunne liefde, dien nacht, mengden zij samen den alsem van wat zij beiden leden: elk zoekende den troost voor het leven in den ander.
De aanslag op Othomar was op Castel Vaza reeds bekend, vóor de prinsen terug waren, door boeren van den hertog, die aan de bedienden van het kasteel lange verhalen hadden gedaan, dat de prins zwaar gewond was. De hertogin had eerst niet willen gelooven; toen, in stijgenden angst, in de grootste spanning en onzekerheid rondgeloopen door de galerijen. Zij had zich eerst willen wijs maken, dat het volk wel overdrijven zoû. Toen zij bedacht, dat de prinsen en de adjudanten in het geval, dat Othomar verwond was, dadelijk zouden terug zijn gekomen, werd zij rustiger en wachtte af.
De intendant echter, die naar Vaza geweest was, kwam ontzet terug: in de stad maakte men zich zeer ongerust, verdrong men zich aan de deuren der courantenbureaux, voor de bulletins, die den aanslag kort vermeldden, met de tergende bijvoeging, dat bizonderheden nog ontbraken. De hertogin begreep, dat op dit oogenblik het bulletin ook naar Lipara geseind was, en zij vreesde zoowel, dat Othomar een onheil was overkomen, als dat zij zelve in ongenade zoû vallen bij de keizerin …
Toen de hertogin eindelijk, lang turende, uit een venster der westelijke galerij, de prinsen en hun gevolg op den verren weg, klein, zag aandraven, kon zij zich niet inhouden, ging zij hen tegemoet in den hof. Zij zag echter Othomar ongedeerd. De hertog van Xara steeg af, gaf haar de hand, glimlachte; zij kuste die, nijgend, met vuur; hare tranen vielen op ze neêr. De opperintendant trad nader, betuigde Othomar uit naam van alle dienaren van den hertog, hunne innige dankbaarheid, dat de Hertog van Xara gespaard was gebleven, door de genade Gods en den bijstand van St. Ladislas.
Ducardi had nergens eerder kunnen telegrafeeren, maar zond nu ijlings naar Vaza, eene depêche aan den keizer, tevens vermeldend, dat de prins dadelijk na den aanslag kalm den voorgenomen tocht vervolgd had. Het diner werd in een gewar van stemgeluid gebruikt; de hertogin was zeer opgewonden,[76]vroeg naar de minste bizonderheid, en omhelsde bijna Von Fest. De kroonprins dronk op zijn redder en allen brachten hem hulde.
Daarna ried Ducardi,—in stilte—den kroonprins aan zich vroeg ter ruste te begeven. De generaal sprak met eene teedere stem, het scheen of de gedachte, dat hij zijn kroonprins verliezen kon, hem dezen meer had doen liefhebben. Ook Herman drong er bij Othomar op aan.
Hij zelve was kalm geworden, maar had iets mats over geheel zijn wezen; met eene vreemde stem van matheid zelfs had hij Von Fest toegeklonken. Hij volgde nu hun raad op, trok zich terug, kleedde zich uit; zijn bezoedelde uniform, die hij vóór het diner reeds verwisseld had, hing nog over den stoel; hij huiverde ervan die een geheelen middag gedragen te hebben.
—Dat ding! sprak hij tot Andro, die nog geheel in de war was, en, van zenuwachtigheid schreiend, opruimde; verbrand het of gooi het weg, gooi het weg …
In zijn kamerrok wierp Othomar zich neêr op een bank in den salon, die grensde aan zijne slaapkamer. Eveneens een historisch vertrek; gobelins aan den wand met tafereelen uit Liparië’s historie: keizer Berengar I zegevierend Jeruzalem binnenrijdend met zijne, witte vanen heffende, kruisvaarders; keizerin Xaveria, goudgeharnast te paard voor Altara’s muren, stervende vallend achterover, getroffen door een Turkschen pijl …
De prins lag naar ze te staren. Eene doodkalmte scheen hem niets te doen voelen, zich niets te doen aantrekken. Bij zichzelve ging hij geheel de geschiedenis na van Berengar tot Xaveria toe. Hij wist de jaartallen; de tafereelen wolkten voor hem als schoven er gobelins, caleidoscopisch, met de verbleekte kleuren van oud kunstwerk. Hij zag zichzelven terug, een kleine jongen, in het Imperiaal, in een strenge kamer, ijverig leerende; hij zag zijne meesters, die zich afwisselden: talen, historie, staathuishoudkunde, volkenrecht, strategie; het had zich alles gehoopt op zijne jonge hersenen, zich opgestapeld, zich opgebouwd als een toren. Tot afwisseling zijne militaire opvoeding: exerceeren, paardrijden, schermen, geleid door generaal Ducardi, die hem prees of op hem[77]bromde, of mopperde op de onder-officieren, die hem leerden. Rekenen had hij nooit kunnen leeren, van algebra nooit iets begrepen; in vele vakken was hij altijd zwak gebleven; in natuurkunde en scheikunde bijvoorbeeld. Veel pleizier had hij een tijd gehad in mineralogie, in zoölogie en botanie, en later had hij gedweept met sterrenkunde. Daarna de hoogeschool en zijne juridische studiën …
Hij herinnerde zich zijne kleine trotsjes van kind en van jongen, toen hij, negen jaar oud, luitenant was geworden van de Garde van den Troon; toen hij later de Orde van den Kouseband had gekregen van de koningin van Engeland en den Zwarten Adelaar van den Duitschen keizer, en het Gulden Vlies van de Regentes van Spanje. In zulken kleinen trots had zich dan altijd zekere angst gemengd, van mogelijke verplichtingen, die de Kouseband of de Adelaar zouden meêbrengen: verplichtingen, die hem vaag voor oogen warrelden, die hij niet dorst uitbeelden en nog minder vragen aan Ducardi, of zijn vader. Langzamerhand was die dreiging van verplichtingen zoo zwaar geworden, en nu, nu waren het de centenaren.
De centenaren. Maar hij bewoog zich niet, vreemd kalm. Toen dacht hij terug aan Von Fest, aan de hertogin … Gisteren haar zoen … Flauw had hij gelegen op haren schouder en ze had hem gezoend en lang aangezien met hare passieblikken. Wat vertelden de adjudanten al niet …
Toen kwam het als met een woeste golf tot hem, bruisend over zijne doodkalmte heen …!
Waarom had die man hem gehaat, hem willen vermoorden, hem willen slachten als een beest …? Trots trilde in hem op, trots en wanhoop. Die man had hem aangeraakt, bezoedeld met zijn adem, hem, den kroonprins, den Hertog van Xara. Hij knarste met de tanden van woede … Dàt zoû Berengar I zich niet hebben laten doen! Den kop af, den kop af … O, dat plebs, dat niet wist, dat niet voelde, dat tegen hem opdrong, als schuim warrelde aan hun troon, dat zijne moeder beängstte, hoe trotsch ze ook er over heen zag, keizerlijk kalm, in de verte …
Hoe hij het haatte, het haatte, met al den haat, oh! van zijn ras voor wie nu vrij waren en eens toch hunne slaven! Hoe[78]hij er onder zoû laten schieten, later zoû laten schieten …
Hij zag naar Xaveria; zelve werd ze geschoten, de fiere strijdster; achterover viel ze, verwond door den pijl van een Turksch soldaat. En hij, dien morgen, als niet Von Fest …
Woest gooide hij zich achterover, begroef hij zijn gezicht in zijne handen en snikte. Neen, neen, o neen! Niet schieten, niet dooden, niet haten! Zóó was hij niet, zoo kon hij misschien één oogenblik zijn, maar zoo wàs hij niet! Hij hield van zijn volk: hij was zoo dankbaar als het jubelde, als hij het helpen kon. Hij zoû immers nooit op ze laten schieten! Hij wond zich nu maar op. Wat was er in zijne ziel iets anders voor hen allen, voor die millioenen, waarvan hij er misschien maar duizenden gezien had en maar honderden kende, dan éene groote liefde, die overal armen naar hen uitsloeg, om ze te omhelzen? Had hij dit niet gevoeld, daar in den zwarten nacht op het Therezia-plein? Waren haat en geweld voor hem? Neen, o neen; week was hij, misschien tè week, te weifelend, maar hij zoû ouder, hij zoû sterker worden; hij zoû willen willen, àllen zoû hij gelukkig maken. O, zoo ze maar van hem hielden, hem liefhadden met hunne groote massa van deinende, zwarte, schuimende menschenmenigte: zwarte melkweg van krioelende zielen, iedere ziel een vonk als zijne eigene; o, zoo ze hem maar liefhadden! Maar zij moesten hem niet haten, niet aanzien met zulke bloeddoorschoten oogen van haat, niet zulke grove, harige vingers slaan aan zijn hals, hem niet willen vermoorden, o God, willen slachten als een rund, met een gemeen mes, hem, hun aanstaanden vorst …!
En hij voelde, dat ze hem niet hoorden en niet kenden en niet begrepen en niet liefhadden, die allen, en dat ze hem haatten, alleen uit instinct, omdat hij op hun troon geboren was!
En zijne wanhoop, hierover, mat zich uit, grenzenloos, woestijn van zwarten nacht, die hij eeuwigheden ver om zich heen ried, en hij snikte, snikte, als een ontroostbaar kind, omdat dit zoo was, en wanhopiger worden zoû, iederen dag, die hem nader brengen zoû zijn toekomst van keizer en hùn toekomst: de treurige dag, die over eene verwoesting van oude wereld lichten zoû …
Toen werd er geklopt aan eene kleine deur, die deur zacht opengemaakt …[79]
—Wie is daar? vroeg hij, verschrikt, voelende den inbreuk op etiquette; niet begrijpende, dat Andro door de antichambre niet kwam aankondigen, wie het ook zijn mocht.
—Als Uwe Hoogheid vergunt …
Hij herkende de zachte stem der hertogin, stond op, ging naar de deur.
—Kom binnen, mevrouw …
Zij kwam binnen aarzelend; voor de kille gangen van het kasteel had zij over haar gedecolleteerde borst een langen mantel omgeslagen …
—Vergeef mij, Hoogheid, als ik inbreuk maak … als ik U stoor …
Hij glimlachte, zeide van neen, verontschuldigde zijn kostuum, verrast, gestreeld …
Zij zag, dat zijne oogen nat dreven.
—Ik ben onbescheiden, sprak ze: maar ik kon het niet laten; ik wilde voor mij zelve weten, hoe U was, Hoogheid … Misschien heb ik U ook willen verrassen, ik weet het zelf niet. Iets drong mij … ik kon niet nalaten naar U toe te gaan. U is mijn gast en mijn kroonprins; ik smachtte er naar zelf te zien, hoe U was … Aan het diner hield Uwe Hoogheid zich goed, maar ik voelde …
Hare stem vloeide zacht eentonig voort, als in druppelen van balsem. Hij vroeg haar te gaan zitten; zij deed zoo, hij zette zich naast haar; de donkere mantel gleed af en zij was prachtig, de borst bloot, sirene in haar parelmoêrachtig lichtgroen moiré. Het trof hem, dat zij de juweelen, die zij aan het diner gedragen had, al had afgelegd.
—Ik woû stil tot U komen, door die deur daar, hernam zij; om U nog eens, tot U alleen, te zeggen hoe innig dankbaar ik ben, dat Uwe Hoogheid behouden bleef …
Hare stem trilde; hare zwarte blikken werden vochtig; de schijn der groote kaarsen op zilveren luchters waterde over de zijde van haar toilet, speelde met zacht licht en dommelige schaduw in de modelleering van haar gelaat, in de glooiing van hare borst.
Hij drukte hare hand; zij hield die vast.
—Uw Hoogheid schreide, toen ik binnenkwam? vroeg ze zacht.[80]
Zijne tranen liepen nog; een snik schokte nog zijn lichaam omhoog.
—Waarom? vroeg zij verder. Of ben ik onbescheiden …?
Hij zag haar aan; in dit oogenblik had hij haar alles kunnen zeggen. En zoo hij zich inhield, gaf hij haar toch de essence zijner smart.
—Ik was treurig, sprak hij, omdat ze mij schijnen te haten. Niets maakt mij zoo treurig, als hun haat.
Zij zag hem lang aan, voelde zijn verdriet, begreep hem met haren tact van vrouw, met haar begrip van hovelinge, dat gerijpt was in de onmiddellijke nabijheid harer vorsten. Zij begreep hem: hij was de kroonprins, hij moest lijden zijn bizonder kroonprinselijk leed; een keizerskelk van smart moest hij ledigen. Het heugde haar, dat zij zelve geleden had, zoovele malen en zoo hevig, om liefde, vrouw van passie, die ze was; ze begreep, dat zijn leed anders was dan het hare, maar ontzettender zeker, daar het hem zoo jong al aangreep, en daar het niet was om zijn eigen éene ziel, maar om de millioenen zielen van zijn rijk! Ook zij had geleden, dat men haar niet liefhad; ook hij leed zoo. En zoo begreep ze hem, in éen oogwenk geheel en al, met geheel haar vreemd vrouwehart.
Een trillend medelijden klom als nog niet gekende wellust haar op de borst, en als een innig zacht orakel sprak ze de woorden:
—Ze haten U niet allen …
Hij herkende hare sombere passieblikken van gisteren. Hij herinnerde zich haar zoen. Hij zag haar lang aan, even weifelend nog voor het onbekende. Toen breidde hij zijne armen uit, en als met een doffen schreeuw van wanhoop, schor van honger naar troost, riep hij haar tot zich in radeloosheid …
—O, Alexa …
Zij glimlachte eerst, glansde, wierp zich toen geheel in zijne jonge armen, verpletterde hem daarna aan hare bloote borst. Zij voelde zich als een maagd en als eene moeder samen. Maar toen hij zich vastklampte in wilde wanhoopspassie aan haar, voelde zij zich niets dan minnares. Ze wist, dat hij hare laatste liefde zoû zijn. Ze was er trots weemoedig om en helsch gelukkig. Als hagel kletterden hare zoenen op zijne oogen neêr …[81]
En in hunne liefde, dien nacht, mengden zij samen den alsem van wat zij beiden leden: elk zoekende den troost voor het leven in den ander.