[Inhoud]V.Het waren de dagen van het najaar; dikwijls vergrauwde het zonneblauw van den hemel; des morgens waaiden de winden uit het Noorden, bliezen over de zee tot zij staalkleurde; dan kwam de zon door en scheen ze nog heel warm een paar uren lang met een enkele vlaag, koud, aan de hoeken der straten, verraderlijk in eens aanflapperend; dan, tegen vier uur, half vijf, bluschte de zon en bleef de atmosfeer alleen hare kilte uitademen, ijzig aan de open haven, tusschen de witte paleizen, in straten en op pleinen.Het was een ongezonde tijd: de keizerin en Berengar hadden[180]een kou gevat op een rijtoer in een open rijtuig; ze hielden beiden hunne kamer en Othomar, op zijne beurt, kwam ze opzoeken; de keizerin hoestte, de kleine prins had koorts; er waren nooit zoovele zieken als in dezen tijd, beweerden de doktoren. En eene melancholie bleef hangen in de ruimte van het Imperiaal, over de geheele stad, waar men, in de opera en op de feesten, de keizerlijke familie niet meer verschijnen zag. Nooit waren de dagelijksche diners in het Imperiaal zoo kort geweest, met zoo weinig genoodigden, en het maakte een onoverkomelijk treurigen indruk, de keizerin niet te zien naast den keizer, in hare delicate, fijn vorstelijke majesteit, maar de prinses Thera, aan wie het onmogelijk scheen de barsche, ontevreden trekken van Oscar te doen opklaren. Othomar wist niet, dat men zich over de keizerin zelfs ongerust maakte; zij ontving hem altijd met alle blijmoedigheid, die zij, trots hare pijn op de borst, kon verzamelen; de doktoren zeiden hem niets, niemand gaf hem de bulletins, men wilde hem sparen en ook, men maakte zich in het Imperiaal zelve minder ongerust dan in de stad, dan door het land.Maar de kleine prins ontving Othomar met minder zachtmoedigheid dan de keizerin en het waren iederen dag stille woeden, bouderies op de doktoren, die hem in zijn bedje hielden.Eens dat de kroonprins Berengar kwam zien, waren zij bij hem, de doktoren; de koorts was gestegen, maar het prinsje wilde uit zijn bed; hij was stout, schold, had zelfs den goedigen dokter met zijn dikken kop, geslagen, geranseld met de kleine gebalde vuist.—Zoodra je beter bent, Berengar, sprak Othomar, diehem eerst bestraft had; zal ik je iets geven.—Wat dan? vroeg de jongen begeerig. Maar ik ben nu al beter.—Neen, neen, je moet doen wat de doktoren zeggen en niet tegenstribbelen.—En wat krijg ik dan?Othomar zag hem lang aan.—Wat krijg ik dan? herhaalde het kind.—Dat mag ik nog niet zeggen, Berengar; eigenlijk is het nu nog wel wat groot voor je.[181]—Wat dan; een paard?—Neen, het is niet zoo groot als een paard, maar zwaarder; vraag er niet meer naar, en raad er ook niet naar, maar wees gehoorzaam; dan wordt je beter en dan krijg je het.—Zwaarder dan een paard en niet zoo groot … peinsde Berengar met gloeiende wangen.Het hoofd gebogen op de borst, slepend, keerde Othomar naar zijne kamer terug. Uren bleef hij er stil, zwaarmoedig zitten in dezelfde houding; als gewoonlijk verscheen hij niet aan het diner en at nauwelijks van wat Andro hem diende. Toen wilde hij zich uitstrekken op de bank, nam een boek om te lezen, maar legde het weêr neêr en hief zich op, als met een plotselinge impulsie.—Waarom niet nu? dacht hij! waarom altijd uitstellen …De avond viel, maar de bovengalerijen van het paleis waren nog niet verlicht; door die duisterende schaduw heen zijne matheid voortslepende, ging Othomar naar de antichambres van den keizer. De kamerheer diende hem aan.Oscar zat aan zijne schrijftafel, een pen in de hand.—Stoor ik u, papa? Of kan ik u spreken.—Neen, je stoort me niet … Ben je bij mama geweest?—Ja, van middag; ze was nog al wel, maar Berengar had koorts.De keizer zag hem aan.—Erger dan van morgen?—Ik weet niet; hij gloeide nog al …De keizer stond op.—Heb je me te spreken?—Ja papa.—Wacht dan even. Ik ben na van morgen nog niet bij Berengar geweest.Hij ging, liet de deur aanstaan.Othomar bleef alleen. Hij was gaan zitten. Hij zag rond in het groote kabinet, dat hij zoo goed kende van hunne ochtendberaadslagingen met den Rijkskanselier. In den laatsten tijd had hij ze echter niet meer bijgewoond. Hij bedacht wat hij zeggen zoû; intusschen dwaalden zijne oogen om; ze vielen op den grooten spiegel met vergulde krullen; iets bevreemde hem. Toen stond hij op en ging naar het glas toe.[182]—Ik dacht toch, dat het daarboven verweerd was, meende hij; ik kan me toch zoo niet vergissen. Zoû het vernieuwd zijn geworden?Hij stond nog bij den spiegel, toen Oscar terugkwam.—Berengar is niets wel; de koorts neemt toe, sprak hij, en de klank van zijne stem weifelde. Mama is bij hem …In de suggestie zijner eigene overdenkingen viel het Othomar niet op, dat de kleine prins zeker moest zijn zieker geworden, zoo de keizerin, zelve lijdende, bij hem was.—En waarover hadt je me te spreken? vroeg de keizer, toen de prins zwijgen bleef.—Over Berengar, papa.—Over Berengar?—Over Berengar en mij. Ik heb ons vergeleken, papa. Wij zijn broêrs, wij zijn beiden uw zonen. Wie van ons, gelooft u, dat het meeste heeft van … u … en van onze voorvaderen?—Waar wil je naar toe, Othomar?—Naar het recht, papa. Naar rechtvaardigheid. De natuur is soms onrechtvaardig en blind; ze had Berengar eerst moeten laten geboren worden en dan mij … of mij maar zelfs niet.—Nog eens, waar wil je naar toe, Othomar?—Ziet u dat niet in, papa? Ik zal het u zeggen. Is Berengar niet meer vorst dan ik? Is hij daarom niet uw lieveling? En zoû ik hem van zijn natuurlijk recht moeten ontrooven, ter wille van mijn traditioneel recht? Ik wil afstand voor hem doen, papa. Afstand van alles, van al mijn rechten.—De jongen is gek, mompelde Oscar.—Van al mijn rechten, herhaalde Othomar, droomerig, als zag hij de toekomst: zijn kleinen broêr, gekroond.—Othomar, ijl je? vroeg de keizer.—Papa, ik ijl niet. Wat ik zeg, heb ik dagen, weken misschien overdacht; ik weet het niet: de tijd gaat voorbij … Wat ik u zeg, heb ik met Mama overwogen; ze heeft er om gesnikt, maar mij niet tegengesproken. Ze ziet het ook zoo in … En wat ik u zeg staat vast; ik ben er toe besloten en niets zal er mij van terugbrengen … Ik hoû van Berengar; ik sta hem gaarne alles af en ik zal bidden, dat hij gelukkig wordt[183]door mijn geschenk. Ik ben overtuigd—en u is het ook—dat Berengar een beter keizer zal zijn dan ik. Wat bezit ik er voor talenten voor …?Hij haalde radeloos zijne schouders op met eene zenuwachtige siddering, die ze schokte.—Geene, antwoordde hij zichzelven. Ik heb er geene, ik kan niets. Ik kan niet beslissen—als nu—, ik kan niet handelen, ik zal altijd iemand zijn van gedachte. En waarom zoû ik dan keizer zijn en hij niets meer dan de opperbevelhebber van mijn leger of mijn vloot? Dat kan immers niet goed zijn; dat kan zoo niet bedoeld zijn door de natuur … Papa, ik geef het hem, mijn recht van eerstgeborene en ik … ik zal wel leven als het moet …De keizer, de ellebogen op de tafel, de handen onder de kin, had hem aangehoord, staarde hem aan met zijne kleine toegeknepen oogen.—Je meent dat alles? vroeg hij.—Ja papa.—Je ijlt niet?—Neen papa, ik ijl niet.—Dan ben je gek.De keizer stond op.—Dan ben je gek, zeg ik je. Othomar, zie in, dat je gek bent en kom tot je verstand terug; wordt niet geheel krankzinnig.—Waarom noemt u me krankzinnig, papa? Kàn u het niet met me eens zijn, dat Berengar beter zou zijn dan ik?De wreede blikken van zijn vader doorpriemden Othomar.—Neen, daarin ben je niet krankzinnig; daarin heb je gelijk …—En waarom ben ik dan krankzinnig, omdat ik, om die reden, afstand wil doen, ten behoeve van hem?—Omdat dat niet gebeuren kan, Othomar.—Welke is de wet, die het verbiedt?—Mijn wil, Othomar.De prins hief zich hoog op.—Uw wil? riep hij; uw wil? U erkent, dat ik niet meer vorst ben, dan alleen van geboorte? U erkent, dat Berengar wel uw eigen keizerkracht heeft en u wilt, uwiltniet, dat ik[184]afstand doe? En u denkt, dat ik me neêr zal leggen bij dien wil …?Hij stiet een heeschen lach uit.—Neen, papa, ik zal me niet aan dien wil storen. In alles kan u uw wil doorzetten, maar hierin niet. Al riep u uw heele leger bij elkaâr, dan kon u dit toch niet dwingen. Er is een einde aan menschelijken wil, papa, en niets, niets, niets kan mij beletten, dat ik mijzelven ongeschikt vind tot regeeren en dat ik geen kroon dragenwil!De keizer had Othomars polsen gegrepen; zijn heete adem siste in Othomars gezicht.—Verdomde jongen! knarstte hij tusschen zijne groote witte tanden. Lammeling! Je hebt gelijk, je hebt niets van een keizer; je zal er nooit iets van hebben. Als ik niet beter wist, zoû ik zeggen, dat je de zoon was van een lakei. Je hebt gelijk, je bent ongeschikt. Je bent niets, jou past onze kroon niet. En toch, al moest ik je opsluiten in een gevangenis, zoodat niemand je laagheden hooren kon, je zùlt geen afstand doen. Het einde van mijn wil is verder dan jij het ziet. Hoor je? Je zult het niet doen, je zult geen afstand doen, al moest ik je van dit oogenblik af, als een schande, verbergen voor de wereld. Jouw verslapte hersenen begrijpen dat niet, niet waar? Je begrijpt niet, waarom ik meer hoû van Berengar, dan van een lafbek als jij, en hem toch niet in jouw plaats mijn opvolger wil zien? Dan zal ik het je moeten zeggen. Ik wil dat niet, om de wereld geen getuige te maken van de ontaarding van ons geslacht. Ik wil niet, dat ze ziet, hoe ellendig het verzwakt is in jou, en ik zoû je eerder … je eerder kunnen vermoorden, dan dulden, dat je afstand deed!Woest had Oscar den prins bij de schouders genomen, hem achteruit geduwd op een bank, waarop hij, zittende, neêrzonk; als een prooi bleef hij hem omknellen in zijn greep van sterke handen.—Maar ik zeg je, ging de keizer voort; ik zeg je, je bent de zoonnietvan een lakei: je bent mijn zoon, en ik zal je niet vermoorden, omdat ik je vader ben. Alleen dit wil ik je zeggen, Othomar: je had me hiervoor kunnen sparen. Ik geloof, dat je hoog denkt van je fijngevoeligheid, maar je bezit zelfs niet het eenvoudigste gevoel. Je voelt zelfs niet, dat je een[185]laagheid hebt bedacht, de laagheid van een proletariër, een slaaf, een paria, een ellendeling. Je hebt zelfs geen oogenblik gevoeld, wat voor een leed je mij zoû doen met die laagheid. Je zag, dat ik meer hield van je broêr; je dacht, dat ik je laf plan goed zoû vinden. Geen oogenblik kwam het in je op, dat jemijmet die lafheid het grootste verdriet zoû doen, dat ik ooit kon ondervinden …!Verpletterd was Othomar op de bank ineengezakt. Hij kon niet meer onderscheiden wat recht was en wat waar; hij kende zichzelven niet meer op dit oogenblik; als geesels striemden de woorden van zijn vader hem de ziel. En hij voelde zich geene kracht er tegen op te komen; de beleedigende verwijtingen hielden hem afgeranseld neêr. Laagheid en schande, krankzinnigheid en ontaarding, hij ging er in onder; hij zwolg de modder er van in, tot hij er in stikte. En dat hij er niet in stikte en ademen bleef, leven bleef, dat de dag klaar om hem heen was, de dingen onveranderd waren, de wereld daarbuiten niets wist, dit alles werd hem wanhoop. Een oogenblik dacht hij aan zijne moeder. Maar hij wilde het zwart, den dood, om zich te verbergen, zichzelven en zijne schande, zijne ontaarding, de melaatschheid van zijn paria-gemoed … Het flitste door hem heen in de seconde na dien laatsten striem van verwijt over zijne ineengezonken ziel. Hij wist, dat Oscar altijd een revolver geladen had in een open loket van zijne schrijftafel. Zijne hersenen spanden zich in bedenken, hoe dit wapen te bereiken. Hij was opgestaan, had het loket genaderd: in eens sprong hij er op af, strekte zijne hand uit en greep het pistool …Dacht Oscar, dat zijn zoon verbijsterd was door zijne laatste woorden en nu het leven wenschte van zijn vader? Doorzag hij die extaze naar zelfvernietiging in zijn kind, ging door zijn sidderend brein heen die gruwel van gedachte, dat zelfvernietiging … het laatste heil voor den paria zoû zijn? Wat ook, instinctmatig toch stortte hij op Othomar toe. Maar de prins, licht, ontsprong hem, richtte de revolver, de oogen dol, het gelaat verwrongen, in wezenlooze wanhoop opzichzelven, op zijn eigen voorhoofd, waarop de aderen blauw zwollen …—Othomar! brulde de keizer.[186]Op dit oogenblik ijlden stappen buiten aan, klonken verwarde woorden in de antichambre en de markies van Xardi, adjudant van den keizer, ontzet, in verwarring, smeet de deur wijd open …—Sire! riep hij uit; de keizerin vraagt of Uwe Majesteit oogenblikkelijk bij prins Berengar komt …Het schot was afgegaan, in den muur. Het bloed drupte van Othomars oor. De keizer had den prins beetgepakt en hem het nog vijfmaal geladen pistool ontrukt; ook het tweede schot ging in dat korte oogenblik van strijd af, in het plafond. Wezenloos bleef Othomar staan.—Markies! beet de keizer Xardi toe; weet niet wat u denkt, maar ik zeg u dit: u heeft niets gezien, u denkt niets. Wat hier gebeurde vóór u binnenkwam … is niet gebeurd.Dreigend strekte hij den vinger naar Xardi uit.—Mocht u óoit vergeten, markies, dat het niet gebeurd is, dan zal ik ook vergeten wie u is, al laat u ook uw stamboom opklimmen tot voor den onze!Doodsbleek stond Xardi voor zijn keizer.—Mijn God! Sire …—Wat doet u het kabinet van uw vorst op die onhebbelijke manier binnenkomen? De hertog van Xara laat zich zelfs aandienen, markies!—Sire …—Wat? Spreek op!—Hare Majesteit …—Wat, Hare Majesteit?—Prins Berengar … de koorts is gestegen: hij ijlt, Sire en de doktoren …De keizer was verbleekt.—Hij is dood? vroeg hij woest. Zeg het in eens.—Niet dood, Sire, maar …—Maar wat?—Maar de doktoren … hebben geen hoop …Met een vloek van smart duwde de keizer den adjudant weg en stortte zich voort, de kamer uit.De kroonprins was blijven staan. Het leven kwam tot hem terug; eene werkelijkheid van smart, uit nachtmerrie geboren. Zijne oogen liepen vol tranen.[187]—Xardi … smeekte hij; je Huis was altijd trouw aan ons Huis; zweer me, dat je zwijgen zal.In ontzetting zag de markies den kroonprins aan.—Hoogheid …—Zweer me, Xardi.—Ik zweer het U, Hoogheid, sprak de adjudant gedempt, en strekte zijne vingers uit naar het crucifix, aan den muur.Othomar drukte zijne hand.—Is prins Berengar …Hij kon nauwelijks spreken.—Is prins Berengar in eens zoo ziek geworden …?—De koorts stijgt ieder oogenblik, Hoogheid, en hij ijlt …—Ik ga er heen, sprak Othomar.Hij sponsde zich met den zakdoek het bloed van het oor en hield het, dadelijk doorweekte, batist er tegen aan.In de laatste antichambre ging hij voorbij den kamerheer en zag schuin naar hem. Xardi stond even stil.—De hertog van Xara heeft zich licht verwond, sprak hij. Hij onderzocht iets aan de revolver van den keizer, toen ik binnenkwam en hij schrikte: twee schoten gingen af.—Ik heb ze gehoord, fluisterde de kamerheer bleek.—Er was bijna een ongeluk gebeurd …Zij zwegen even, hunne blikken begrepen elkaâr. Eene huivering liep over hunne ruggen. De nacht scheen als met wolken van onheil kil te dalen over het paleis.—En … de kleine prins …? vroeg de kamerheer rillende.Xardi haalde de schouders op; zijne oogen werden vochtig om ingeboren liefde, eeuwen oud, voor zijne vorsten.—Sterft … sprak hij dof.
[Inhoud]V.Het waren de dagen van het najaar; dikwijls vergrauwde het zonneblauw van den hemel; des morgens waaiden de winden uit het Noorden, bliezen over de zee tot zij staalkleurde; dan kwam de zon door en scheen ze nog heel warm een paar uren lang met een enkele vlaag, koud, aan de hoeken der straten, verraderlijk in eens aanflapperend; dan, tegen vier uur, half vijf, bluschte de zon en bleef de atmosfeer alleen hare kilte uitademen, ijzig aan de open haven, tusschen de witte paleizen, in straten en op pleinen.Het was een ongezonde tijd: de keizerin en Berengar hadden[180]een kou gevat op een rijtoer in een open rijtuig; ze hielden beiden hunne kamer en Othomar, op zijne beurt, kwam ze opzoeken; de keizerin hoestte, de kleine prins had koorts; er waren nooit zoovele zieken als in dezen tijd, beweerden de doktoren. En eene melancholie bleef hangen in de ruimte van het Imperiaal, over de geheele stad, waar men, in de opera en op de feesten, de keizerlijke familie niet meer verschijnen zag. Nooit waren de dagelijksche diners in het Imperiaal zoo kort geweest, met zoo weinig genoodigden, en het maakte een onoverkomelijk treurigen indruk, de keizerin niet te zien naast den keizer, in hare delicate, fijn vorstelijke majesteit, maar de prinses Thera, aan wie het onmogelijk scheen de barsche, ontevreden trekken van Oscar te doen opklaren. Othomar wist niet, dat men zich over de keizerin zelfs ongerust maakte; zij ontving hem altijd met alle blijmoedigheid, die zij, trots hare pijn op de borst, kon verzamelen; de doktoren zeiden hem niets, niemand gaf hem de bulletins, men wilde hem sparen en ook, men maakte zich in het Imperiaal zelve minder ongerust dan in de stad, dan door het land.Maar de kleine prins ontving Othomar met minder zachtmoedigheid dan de keizerin en het waren iederen dag stille woeden, bouderies op de doktoren, die hem in zijn bedje hielden.Eens dat de kroonprins Berengar kwam zien, waren zij bij hem, de doktoren; de koorts was gestegen, maar het prinsje wilde uit zijn bed; hij was stout, schold, had zelfs den goedigen dokter met zijn dikken kop, geslagen, geranseld met de kleine gebalde vuist.—Zoodra je beter bent, Berengar, sprak Othomar, diehem eerst bestraft had; zal ik je iets geven.—Wat dan? vroeg de jongen begeerig. Maar ik ben nu al beter.—Neen, neen, je moet doen wat de doktoren zeggen en niet tegenstribbelen.—En wat krijg ik dan?Othomar zag hem lang aan.—Wat krijg ik dan? herhaalde het kind.—Dat mag ik nog niet zeggen, Berengar; eigenlijk is het nu nog wel wat groot voor je.[181]—Wat dan; een paard?—Neen, het is niet zoo groot als een paard, maar zwaarder; vraag er niet meer naar, en raad er ook niet naar, maar wees gehoorzaam; dan wordt je beter en dan krijg je het.—Zwaarder dan een paard en niet zoo groot … peinsde Berengar met gloeiende wangen.Het hoofd gebogen op de borst, slepend, keerde Othomar naar zijne kamer terug. Uren bleef hij er stil, zwaarmoedig zitten in dezelfde houding; als gewoonlijk verscheen hij niet aan het diner en at nauwelijks van wat Andro hem diende. Toen wilde hij zich uitstrekken op de bank, nam een boek om te lezen, maar legde het weêr neêr en hief zich op, als met een plotselinge impulsie.—Waarom niet nu? dacht hij! waarom altijd uitstellen …De avond viel, maar de bovengalerijen van het paleis waren nog niet verlicht; door die duisterende schaduw heen zijne matheid voortslepende, ging Othomar naar de antichambres van den keizer. De kamerheer diende hem aan.Oscar zat aan zijne schrijftafel, een pen in de hand.—Stoor ik u, papa? Of kan ik u spreken.—Neen, je stoort me niet … Ben je bij mama geweest?—Ja, van middag; ze was nog al wel, maar Berengar had koorts.De keizer zag hem aan.—Erger dan van morgen?—Ik weet niet; hij gloeide nog al …De keizer stond op.—Heb je me te spreken?—Ja papa.—Wacht dan even. Ik ben na van morgen nog niet bij Berengar geweest.Hij ging, liet de deur aanstaan.Othomar bleef alleen. Hij was gaan zitten. Hij zag rond in het groote kabinet, dat hij zoo goed kende van hunne ochtendberaadslagingen met den Rijkskanselier. In den laatsten tijd had hij ze echter niet meer bijgewoond. Hij bedacht wat hij zeggen zoû; intusschen dwaalden zijne oogen om; ze vielen op den grooten spiegel met vergulde krullen; iets bevreemde hem. Toen stond hij op en ging naar het glas toe.[182]—Ik dacht toch, dat het daarboven verweerd was, meende hij; ik kan me toch zoo niet vergissen. Zoû het vernieuwd zijn geworden?Hij stond nog bij den spiegel, toen Oscar terugkwam.—Berengar is niets wel; de koorts neemt toe, sprak hij, en de klank van zijne stem weifelde. Mama is bij hem …In de suggestie zijner eigene overdenkingen viel het Othomar niet op, dat de kleine prins zeker moest zijn zieker geworden, zoo de keizerin, zelve lijdende, bij hem was.—En waarover hadt je me te spreken? vroeg de keizer, toen de prins zwijgen bleef.—Over Berengar, papa.—Over Berengar?—Over Berengar en mij. Ik heb ons vergeleken, papa. Wij zijn broêrs, wij zijn beiden uw zonen. Wie van ons, gelooft u, dat het meeste heeft van … u … en van onze voorvaderen?—Waar wil je naar toe, Othomar?—Naar het recht, papa. Naar rechtvaardigheid. De natuur is soms onrechtvaardig en blind; ze had Berengar eerst moeten laten geboren worden en dan mij … of mij maar zelfs niet.—Nog eens, waar wil je naar toe, Othomar?—Ziet u dat niet in, papa? Ik zal het u zeggen. Is Berengar niet meer vorst dan ik? Is hij daarom niet uw lieveling? En zoû ik hem van zijn natuurlijk recht moeten ontrooven, ter wille van mijn traditioneel recht? Ik wil afstand voor hem doen, papa. Afstand van alles, van al mijn rechten.—De jongen is gek, mompelde Oscar.—Van al mijn rechten, herhaalde Othomar, droomerig, als zag hij de toekomst: zijn kleinen broêr, gekroond.—Othomar, ijl je? vroeg de keizer.—Papa, ik ijl niet. Wat ik zeg, heb ik dagen, weken misschien overdacht; ik weet het niet: de tijd gaat voorbij … Wat ik u zeg, heb ik met Mama overwogen; ze heeft er om gesnikt, maar mij niet tegengesproken. Ze ziet het ook zoo in … En wat ik u zeg staat vast; ik ben er toe besloten en niets zal er mij van terugbrengen … Ik hoû van Berengar; ik sta hem gaarne alles af en ik zal bidden, dat hij gelukkig wordt[183]door mijn geschenk. Ik ben overtuigd—en u is het ook—dat Berengar een beter keizer zal zijn dan ik. Wat bezit ik er voor talenten voor …?Hij haalde radeloos zijne schouders op met eene zenuwachtige siddering, die ze schokte.—Geene, antwoordde hij zichzelven. Ik heb er geene, ik kan niets. Ik kan niet beslissen—als nu—, ik kan niet handelen, ik zal altijd iemand zijn van gedachte. En waarom zoû ik dan keizer zijn en hij niets meer dan de opperbevelhebber van mijn leger of mijn vloot? Dat kan immers niet goed zijn; dat kan zoo niet bedoeld zijn door de natuur … Papa, ik geef het hem, mijn recht van eerstgeborene en ik … ik zal wel leven als het moet …De keizer, de ellebogen op de tafel, de handen onder de kin, had hem aangehoord, staarde hem aan met zijne kleine toegeknepen oogen.—Je meent dat alles? vroeg hij.—Ja papa.—Je ijlt niet?—Neen papa, ik ijl niet.—Dan ben je gek.De keizer stond op.—Dan ben je gek, zeg ik je. Othomar, zie in, dat je gek bent en kom tot je verstand terug; wordt niet geheel krankzinnig.—Waarom noemt u me krankzinnig, papa? Kàn u het niet met me eens zijn, dat Berengar beter zou zijn dan ik?De wreede blikken van zijn vader doorpriemden Othomar.—Neen, daarin ben je niet krankzinnig; daarin heb je gelijk …—En waarom ben ik dan krankzinnig, omdat ik, om die reden, afstand wil doen, ten behoeve van hem?—Omdat dat niet gebeuren kan, Othomar.—Welke is de wet, die het verbiedt?—Mijn wil, Othomar.De prins hief zich hoog op.—Uw wil? riep hij; uw wil? U erkent, dat ik niet meer vorst ben, dan alleen van geboorte? U erkent, dat Berengar wel uw eigen keizerkracht heeft en u wilt, uwiltniet, dat ik[184]afstand doe? En u denkt, dat ik me neêr zal leggen bij dien wil …?Hij stiet een heeschen lach uit.—Neen, papa, ik zal me niet aan dien wil storen. In alles kan u uw wil doorzetten, maar hierin niet. Al riep u uw heele leger bij elkaâr, dan kon u dit toch niet dwingen. Er is een einde aan menschelijken wil, papa, en niets, niets, niets kan mij beletten, dat ik mijzelven ongeschikt vind tot regeeren en dat ik geen kroon dragenwil!De keizer had Othomars polsen gegrepen; zijn heete adem siste in Othomars gezicht.—Verdomde jongen! knarstte hij tusschen zijne groote witte tanden. Lammeling! Je hebt gelijk, je hebt niets van een keizer; je zal er nooit iets van hebben. Als ik niet beter wist, zoû ik zeggen, dat je de zoon was van een lakei. Je hebt gelijk, je bent ongeschikt. Je bent niets, jou past onze kroon niet. En toch, al moest ik je opsluiten in een gevangenis, zoodat niemand je laagheden hooren kon, je zùlt geen afstand doen. Het einde van mijn wil is verder dan jij het ziet. Hoor je? Je zult het niet doen, je zult geen afstand doen, al moest ik je van dit oogenblik af, als een schande, verbergen voor de wereld. Jouw verslapte hersenen begrijpen dat niet, niet waar? Je begrijpt niet, waarom ik meer hoû van Berengar, dan van een lafbek als jij, en hem toch niet in jouw plaats mijn opvolger wil zien? Dan zal ik het je moeten zeggen. Ik wil dat niet, om de wereld geen getuige te maken van de ontaarding van ons geslacht. Ik wil niet, dat ze ziet, hoe ellendig het verzwakt is in jou, en ik zoû je eerder … je eerder kunnen vermoorden, dan dulden, dat je afstand deed!Woest had Oscar den prins bij de schouders genomen, hem achteruit geduwd op een bank, waarop hij, zittende, neêrzonk; als een prooi bleef hij hem omknellen in zijn greep van sterke handen.—Maar ik zeg je, ging de keizer voort; ik zeg je, je bent de zoonnietvan een lakei: je bent mijn zoon, en ik zal je niet vermoorden, omdat ik je vader ben. Alleen dit wil ik je zeggen, Othomar: je had me hiervoor kunnen sparen. Ik geloof, dat je hoog denkt van je fijngevoeligheid, maar je bezit zelfs niet het eenvoudigste gevoel. Je voelt zelfs niet, dat je een[185]laagheid hebt bedacht, de laagheid van een proletariër, een slaaf, een paria, een ellendeling. Je hebt zelfs geen oogenblik gevoeld, wat voor een leed je mij zoû doen met die laagheid. Je zag, dat ik meer hield van je broêr; je dacht, dat ik je laf plan goed zoû vinden. Geen oogenblik kwam het in je op, dat jemijmet die lafheid het grootste verdriet zoû doen, dat ik ooit kon ondervinden …!Verpletterd was Othomar op de bank ineengezakt. Hij kon niet meer onderscheiden wat recht was en wat waar; hij kende zichzelven niet meer op dit oogenblik; als geesels striemden de woorden van zijn vader hem de ziel. En hij voelde zich geene kracht er tegen op te komen; de beleedigende verwijtingen hielden hem afgeranseld neêr. Laagheid en schande, krankzinnigheid en ontaarding, hij ging er in onder; hij zwolg de modder er van in, tot hij er in stikte. En dat hij er niet in stikte en ademen bleef, leven bleef, dat de dag klaar om hem heen was, de dingen onveranderd waren, de wereld daarbuiten niets wist, dit alles werd hem wanhoop. Een oogenblik dacht hij aan zijne moeder. Maar hij wilde het zwart, den dood, om zich te verbergen, zichzelven en zijne schande, zijne ontaarding, de melaatschheid van zijn paria-gemoed … Het flitste door hem heen in de seconde na dien laatsten striem van verwijt over zijne ineengezonken ziel. Hij wist, dat Oscar altijd een revolver geladen had in een open loket van zijne schrijftafel. Zijne hersenen spanden zich in bedenken, hoe dit wapen te bereiken. Hij was opgestaan, had het loket genaderd: in eens sprong hij er op af, strekte zijne hand uit en greep het pistool …Dacht Oscar, dat zijn zoon verbijsterd was door zijne laatste woorden en nu het leven wenschte van zijn vader? Doorzag hij die extaze naar zelfvernietiging in zijn kind, ging door zijn sidderend brein heen die gruwel van gedachte, dat zelfvernietiging … het laatste heil voor den paria zoû zijn? Wat ook, instinctmatig toch stortte hij op Othomar toe. Maar de prins, licht, ontsprong hem, richtte de revolver, de oogen dol, het gelaat verwrongen, in wezenlooze wanhoop opzichzelven, op zijn eigen voorhoofd, waarop de aderen blauw zwollen …—Othomar! brulde de keizer.[186]Op dit oogenblik ijlden stappen buiten aan, klonken verwarde woorden in de antichambre en de markies van Xardi, adjudant van den keizer, ontzet, in verwarring, smeet de deur wijd open …—Sire! riep hij uit; de keizerin vraagt of Uwe Majesteit oogenblikkelijk bij prins Berengar komt …Het schot was afgegaan, in den muur. Het bloed drupte van Othomars oor. De keizer had den prins beetgepakt en hem het nog vijfmaal geladen pistool ontrukt; ook het tweede schot ging in dat korte oogenblik van strijd af, in het plafond. Wezenloos bleef Othomar staan.—Markies! beet de keizer Xardi toe; weet niet wat u denkt, maar ik zeg u dit: u heeft niets gezien, u denkt niets. Wat hier gebeurde vóór u binnenkwam … is niet gebeurd.Dreigend strekte hij den vinger naar Xardi uit.—Mocht u óoit vergeten, markies, dat het niet gebeurd is, dan zal ik ook vergeten wie u is, al laat u ook uw stamboom opklimmen tot voor den onze!Doodsbleek stond Xardi voor zijn keizer.—Mijn God! Sire …—Wat doet u het kabinet van uw vorst op die onhebbelijke manier binnenkomen? De hertog van Xara laat zich zelfs aandienen, markies!—Sire …—Wat? Spreek op!—Hare Majesteit …—Wat, Hare Majesteit?—Prins Berengar … de koorts is gestegen: hij ijlt, Sire en de doktoren …De keizer was verbleekt.—Hij is dood? vroeg hij woest. Zeg het in eens.—Niet dood, Sire, maar …—Maar wat?—Maar de doktoren … hebben geen hoop …Met een vloek van smart duwde de keizer den adjudant weg en stortte zich voort, de kamer uit.De kroonprins was blijven staan. Het leven kwam tot hem terug; eene werkelijkheid van smart, uit nachtmerrie geboren. Zijne oogen liepen vol tranen.[187]—Xardi … smeekte hij; je Huis was altijd trouw aan ons Huis; zweer me, dat je zwijgen zal.In ontzetting zag de markies den kroonprins aan.—Hoogheid …—Zweer me, Xardi.—Ik zweer het U, Hoogheid, sprak de adjudant gedempt, en strekte zijne vingers uit naar het crucifix, aan den muur.Othomar drukte zijne hand.—Is prins Berengar …Hij kon nauwelijks spreken.—Is prins Berengar in eens zoo ziek geworden …?—De koorts stijgt ieder oogenblik, Hoogheid, en hij ijlt …—Ik ga er heen, sprak Othomar.Hij sponsde zich met den zakdoek het bloed van het oor en hield het, dadelijk doorweekte, batist er tegen aan.In de laatste antichambre ging hij voorbij den kamerheer en zag schuin naar hem. Xardi stond even stil.—De hertog van Xara heeft zich licht verwond, sprak hij. Hij onderzocht iets aan de revolver van den keizer, toen ik binnenkwam en hij schrikte: twee schoten gingen af.—Ik heb ze gehoord, fluisterde de kamerheer bleek.—Er was bijna een ongeluk gebeurd …Zij zwegen even, hunne blikken begrepen elkaâr. Eene huivering liep over hunne ruggen. De nacht scheen als met wolken van onheil kil te dalen over het paleis.—En … de kleine prins …? vroeg de kamerheer rillende.Xardi haalde de schouders op; zijne oogen werden vochtig om ingeboren liefde, eeuwen oud, voor zijne vorsten.—Sterft … sprak hij dof.
[Inhoud]V.Het waren de dagen van het najaar; dikwijls vergrauwde het zonneblauw van den hemel; des morgens waaiden de winden uit het Noorden, bliezen over de zee tot zij staalkleurde; dan kwam de zon door en scheen ze nog heel warm een paar uren lang met een enkele vlaag, koud, aan de hoeken der straten, verraderlijk in eens aanflapperend; dan, tegen vier uur, half vijf, bluschte de zon en bleef de atmosfeer alleen hare kilte uitademen, ijzig aan de open haven, tusschen de witte paleizen, in straten en op pleinen.Het was een ongezonde tijd: de keizerin en Berengar hadden[180]een kou gevat op een rijtoer in een open rijtuig; ze hielden beiden hunne kamer en Othomar, op zijne beurt, kwam ze opzoeken; de keizerin hoestte, de kleine prins had koorts; er waren nooit zoovele zieken als in dezen tijd, beweerden de doktoren. En eene melancholie bleef hangen in de ruimte van het Imperiaal, over de geheele stad, waar men, in de opera en op de feesten, de keizerlijke familie niet meer verschijnen zag. Nooit waren de dagelijksche diners in het Imperiaal zoo kort geweest, met zoo weinig genoodigden, en het maakte een onoverkomelijk treurigen indruk, de keizerin niet te zien naast den keizer, in hare delicate, fijn vorstelijke majesteit, maar de prinses Thera, aan wie het onmogelijk scheen de barsche, ontevreden trekken van Oscar te doen opklaren. Othomar wist niet, dat men zich over de keizerin zelfs ongerust maakte; zij ontving hem altijd met alle blijmoedigheid, die zij, trots hare pijn op de borst, kon verzamelen; de doktoren zeiden hem niets, niemand gaf hem de bulletins, men wilde hem sparen en ook, men maakte zich in het Imperiaal zelve minder ongerust dan in de stad, dan door het land.Maar de kleine prins ontving Othomar met minder zachtmoedigheid dan de keizerin en het waren iederen dag stille woeden, bouderies op de doktoren, die hem in zijn bedje hielden.Eens dat de kroonprins Berengar kwam zien, waren zij bij hem, de doktoren; de koorts was gestegen, maar het prinsje wilde uit zijn bed; hij was stout, schold, had zelfs den goedigen dokter met zijn dikken kop, geslagen, geranseld met de kleine gebalde vuist.—Zoodra je beter bent, Berengar, sprak Othomar, diehem eerst bestraft had; zal ik je iets geven.—Wat dan? vroeg de jongen begeerig. Maar ik ben nu al beter.—Neen, neen, je moet doen wat de doktoren zeggen en niet tegenstribbelen.—En wat krijg ik dan?Othomar zag hem lang aan.—Wat krijg ik dan? herhaalde het kind.—Dat mag ik nog niet zeggen, Berengar; eigenlijk is het nu nog wel wat groot voor je.[181]—Wat dan; een paard?—Neen, het is niet zoo groot als een paard, maar zwaarder; vraag er niet meer naar, en raad er ook niet naar, maar wees gehoorzaam; dan wordt je beter en dan krijg je het.—Zwaarder dan een paard en niet zoo groot … peinsde Berengar met gloeiende wangen.Het hoofd gebogen op de borst, slepend, keerde Othomar naar zijne kamer terug. Uren bleef hij er stil, zwaarmoedig zitten in dezelfde houding; als gewoonlijk verscheen hij niet aan het diner en at nauwelijks van wat Andro hem diende. Toen wilde hij zich uitstrekken op de bank, nam een boek om te lezen, maar legde het weêr neêr en hief zich op, als met een plotselinge impulsie.—Waarom niet nu? dacht hij! waarom altijd uitstellen …De avond viel, maar de bovengalerijen van het paleis waren nog niet verlicht; door die duisterende schaduw heen zijne matheid voortslepende, ging Othomar naar de antichambres van den keizer. De kamerheer diende hem aan.Oscar zat aan zijne schrijftafel, een pen in de hand.—Stoor ik u, papa? Of kan ik u spreken.—Neen, je stoort me niet … Ben je bij mama geweest?—Ja, van middag; ze was nog al wel, maar Berengar had koorts.De keizer zag hem aan.—Erger dan van morgen?—Ik weet niet; hij gloeide nog al …De keizer stond op.—Heb je me te spreken?—Ja papa.—Wacht dan even. Ik ben na van morgen nog niet bij Berengar geweest.Hij ging, liet de deur aanstaan.Othomar bleef alleen. Hij was gaan zitten. Hij zag rond in het groote kabinet, dat hij zoo goed kende van hunne ochtendberaadslagingen met den Rijkskanselier. In den laatsten tijd had hij ze echter niet meer bijgewoond. Hij bedacht wat hij zeggen zoû; intusschen dwaalden zijne oogen om; ze vielen op den grooten spiegel met vergulde krullen; iets bevreemde hem. Toen stond hij op en ging naar het glas toe.[182]—Ik dacht toch, dat het daarboven verweerd was, meende hij; ik kan me toch zoo niet vergissen. Zoû het vernieuwd zijn geworden?Hij stond nog bij den spiegel, toen Oscar terugkwam.—Berengar is niets wel; de koorts neemt toe, sprak hij, en de klank van zijne stem weifelde. Mama is bij hem …In de suggestie zijner eigene overdenkingen viel het Othomar niet op, dat de kleine prins zeker moest zijn zieker geworden, zoo de keizerin, zelve lijdende, bij hem was.—En waarover hadt je me te spreken? vroeg de keizer, toen de prins zwijgen bleef.—Over Berengar, papa.—Over Berengar?—Over Berengar en mij. Ik heb ons vergeleken, papa. Wij zijn broêrs, wij zijn beiden uw zonen. Wie van ons, gelooft u, dat het meeste heeft van … u … en van onze voorvaderen?—Waar wil je naar toe, Othomar?—Naar het recht, papa. Naar rechtvaardigheid. De natuur is soms onrechtvaardig en blind; ze had Berengar eerst moeten laten geboren worden en dan mij … of mij maar zelfs niet.—Nog eens, waar wil je naar toe, Othomar?—Ziet u dat niet in, papa? Ik zal het u zeggen. Is Berengar niet meer vorst dan ik? Is hij daarom niet uw lieveling? En zoû ik hem van zijn natuurlijk recht moeten ontrooven, ter wille van mijn traditioneel recht? Ik wil afstand voor hem doen, papa. Afstand van alles, van al mijn rechten.—De jongen is gek, mompelde Oscar.—Van al mijn rechten, herhaalde Othomar, droomerig, als zag hij de toekomst: zijn kleinen broêr, gekroond.—Othomar, ijl je? vroeg de keizer.—Papa, ik ijl niet. Wat ik zeg, heb ik dagen, weken misschien overdacht; ik weet het niet: de tijd gaat voorbij … Wat ik u zeg, heb ik met Mama overwogen; ze heeft er om gesnikt, maar mij niet tegengesproken. Ze ziet het ook zoo in … En wat ik u zeg staat vast; ik ben er toe besloten en niets zal er mij van terugbrengen … Ik hoû van Berengar; ik sta hem gaarne alles af en ik zal bidden, dat hij gelukkig wordt[183]door mijn geschenk. Ik ben overtuigd—en u is het ook—dat Berengar een beter keizer zal zijn dan ik. Wat bezit ik er voor talenten voor …?Hij haalde radeloos zijne schouders op met eene zenuwachtige siddering, die ze schokte.—Geene, antwoordde hij zichzelven. Ik heb er geene, ik kan niets. Ik kan niet beslissen—als nu—, ik kan niet handelen, ik zal altijd iemand zijn van gedachte. En waarom zoû ik dan keizer zijn en hij niets meer dan de opperbevelhebber van mijn leger of mijn vloot? Dat kan immers niet goed zijn; dat kan zoo niet bedoeld zijn door de natuur … Papa, ik geef het hem, mijn recht van eerstgeborene en ik … ik zal wel leven als het moet …De keizer, de ellebogen op de tafel, de handen onder de kin, had hem aangehoord, staarde hem aan met zijne kleine toegeknepen oogen.—Je meent dat alles? vroeg hij.—Ja papa.—Je ijlt niet?—Neen papa, ik ijl niet.—Dan ben je gek.De keizer stond op.—Dan ben je gek, zeg ik je. Othomar, zie in, dat je gek bent en kom tot je verstand terug; wordt niet geheel krankzinnig.—Waarom noemt u me krankzinnig, papa? Kàn u het niet met me eens zijn, dat Berengar beter zou zijn dan ik?De wreede blikken van zijn vader doorpriemden Othomar.—Neen, daarin ben je niet krankzinnig; daarin heb je gelijk …—En waarom ben ik dan krankzinnig, omdat ik, om die reden, afstand wil doen, ten behoeve van hem?—Omdat dat niet gebeuren kan, Othomar.—Welke is de wet, die het verbiedt?—Mijn wil, Othomar.De prins hief zich hoog op.—Uw wil? riep hij; uw wil? U erkent, dat ik niet meer vorst ben, dan alleen van geboorte? U erkent, dat Berengar wel uw eigen keizerkracht heeft en u wilt, uwiltniet, dat ik[184]afstand doe? En u denkt, dat ik me neêr zal leggen bij dien wil …?Hij stiet een heeschen lach uit.—Neen, papa, ik zal me niet aan dien wil storen. In alles kan u uw wil doorzetten, maar hierin niet. Al riep u uw heele leger bij elkaâr, dan kon u dit toch niet dwingen. Er is een einde aan menschelijken wil, papa, en niets, niets, niets kan mij beletten, dat ik mijzelven ongeschikt vind tot regeeren en dat ik geen kroon dragenwil!De keizer had Othomars polsen gegrepen; zijn heete adem siste in Othomars gezicht.—Verdomde jongen! knarstte hij tusschen zijne groote witte tanden. Lammeling! Je hebt gelijk, je hebt niets van een keizer; je zal er nooit iets van hebben. Als ik niet beter wist, zoû ik zeggen, dat je de zoon was van een lakei. Je hebt gelijk, je bent ongeschikt. Je bent niets, jou past onze kroon niet. En toch, al moest ik je opsluiten in een gevangenis, zoodat niemand je laagheden hooren kon, je zùlt geen afstand doen. Het einde van mijn wil is verder dan jij het ziet. Hoor je? Je zult het niet doen, je zult geen afstand doen, al moest ik je van dit oogenblik af, als een schande, verbergen voor de wereld. Jouw verslapte hersenen begrijpen dat niet, niet waar? Je begrijpt niet, waarom ik meer hoû van Berengar, dan van een lafbek als jij, en hem toch niet in jouw plaats mijn opvolger wil zien? Dan zal ik het je moeten zeggen. Ik wil dat niet, om de wereld geen getuige te maken van de ontaarding van ons geslacht. Ik wil niet, dat ze ziet, hoe ellendig het verzwakt is in jou, en ik zoû je eerder … je eerder kunnen vermoorden, dan dulden, dat je afstand deed!Woest had Oscar den prins bij de schouders genomen, hem achteruit geduwd op een bank, waarop hij, zittende, neêrzonk; als een prooi bleef hij hem omknellen in zijn greep van sterke handen.—Maar ik zeg je, ging de keizer voort; ik zeg je, je bent de zoonnietvan een lakei: je bent mijn zoon, en ik zal je niet vermoorden, omdat ik je vader ben. Alleen dit wil ik je zeggen, Othomar: je had me hiervoor kunnen sparen. Ik geloof, dat je hoog denkt van je fijngevoeligheid, maar je bezit zelfs niet het eenvoudigste gevoel. Je voelt zelfs niet, dat je een[185]laagheid hebt bedacht, de laagheid van een proletariër, een slaaf, een paria, een ellendeling. Je hebt zelfs geen oogenblik gevoeld, wat voor een leed je mij zoû doen met die laagheid. Je zag, dat ik meer hield van je broêr; je dacht, dat ik je laf plan goed zoû vinden. Geen oogenblik kwam het in je op, dat jemijmet die lafheid het grootste verdriet zoû doen, dat ik ooit kon ondervinden …!Verpletterd was Othomar op de bank ineengezakt. Hij kon niet meer onderscheiden wat recht was en wat waar; hij kende zichzelven niet meer op dit oogenblik; als geesels striemden de woorden van zijn vader hem de ziel. En hij voelde zich geene kracht er tegen op te komen; de beleedigende verwijtingen hielden hem afgeranseld neêr. Laagheid en schande, krankzinnigheid en ontaarding, hij ging er in onder; hij zwolg de modder er van in, tot hij er in stikte. En dat hij er niet in stikte en ademen bleef, leven bleef, dat de dag klaar om hem heen was, de dingen onveranderd waren, de wereld daarbuiten niets wist, dit alles werd hem wanhoop. Een oogenblik dacht hij aan zijne moeder. Maar hij wilde het zwart, den dood, om zich te verbergen, zichzelven en zijne schande, zijne ontaarding, de melaatschheid van zijn paria-gemoed … Het flitste door hem heen in de seconde na dien laatsten striem van verwijt over zijne ineengezonken ziel. Hij wist, dat Oscar altijd een revolver geladen had in een open loket van zijne schrijftafel. Zijne hersenen spanden zich in bedenken, hoe dit wapen te bereiken. Hij was opgestaan, had het loket genaderd: in eens sprong hij er op af, strekte zijne hand uit en greep het pistool …Dacht Oscar, dat zijn zoon verbijsterd was door zijne laatste woorden en nu het leven wenschte van zijn vader? Doorzag hij die extaze naar zelfvernietiging in zijn kind, ging door zijn sidderend brein heen die gruwel van gedachte, dat zelfvernietiging … het laatste heil voor den paria zoû zijn? Wat ook, instinctmatig toch stortte hij op Othomar toe. Maar de prins, licht, ontsprong hem, richtte de revolver, de oogen dol, het gelaat verwrongen, in wezenlooze wanhoop opzichzelven, op zijn eigen voorhoofd, waarop de aderen blauw zwollen …—Othomar! brulde de keizer.[186]Op dit oogenblik ijlden stappen buiten aan, klonken verwarde woorden in de antichambre en de markies van Xardi, adjudant van den keizer, ontzet, in verwarring, smeet de deur wijd open …—Sire! riep hij uit; de keizerin vraagt of Uwe Majesteit oogenblikkelijk bij prins Berengar komt …Het schot was afgegaan, in den muur. Het bloed drupte van Othomars oor. De keizer had den prins beetgepakt en hem het nog vijfmaal geladen pistool ontrukt; ook het tweede schot ging in dat korte oogenblik van strijd af, in het plafond. Wezenloos bleef Othomar staan.—Markies! beet de keizer Xardi toe; weet niet wat u denkt, maar ik zeg u dit: u heeft niets gezien, u denkt niets. Wat hier gebeurde vóór u binnenkwam … is niet gebeurd.Dreigend strekte hij den vinger naar Xardi uit.—Mocht u óoit vergeten, markies, dat het niet gebeurd is, dan zal ik ook vergeten wie u is, al laat u ook uw stamboom opklimmen tot voor den onze!Doodsbleek stond Xardi voor zijn keizer.—Mijn God! Sire …—Wat doet u het kabinet van uw vorst op die onhebbelijke manier binnenkomen? De hertog van Xara laat zich zelfs aandienen, markies!—Sire …—Wat? Spreek op!—Hare Majesteit …—Wat, Hare Majesteit?—Prins Berengar … de koorts is gestegen: hij ijlt, Sire en de doktoren …De keizer was verbleekt.—Hij is dood? vroeg hij woest. Zeg het in eens.—Niet dood, Sire, maar …—Maar wat?—Maar de doktoren … hebben geen hoop …Met een vloek van smart duwde de keizer den adjudant weg en stortte zich voort, de kamer uit.De kroonprins was blijven staan. Het leven kwam tot hem terug; eene werkelijkheid van smart, uit nachtmerrie geboren. Zijne oogen liepen vol tranen.[187]—Xardi … smeekte hij; je Huis was altijd trouw aan ons Huis; zweer me, dat je zwijgen zal.In ontzetting zag de markies den kroonprins aan.—Hoogheid …—Zweer me, Xardi.—Ik zweer het U, Hoogheid, sprak de adjudant gedempt, en strekte zijne vingers uit naar het crucifix, aan den muur.Othomar drukte zijne hand.—Is prins Berengar …Hij kon nauwelijks spreken.—Is prins Berengar in eens zoo ziek geworden …?—De koorts stijgt ieder oogenblik, Hoogheid, en hij ijlt …—Ik ga er heen, sprak Othomar.Hij sponsde zich met den zakdoek het bloed van het oor en hield het, dadelijk doorweekte, batist er tegen aan.In de laatste antichambre ging hij voorbij den kamerheer en zag schuin naar hem. Xardi stond even stil.—De hertog van Xara heeft zich licht verwond, sprak hij. Hij onderzocht iets aan de revolver van den keizer, toen ik binnenkwam en hij schrikte: twee schoten gingen af.—Ik heb ze gehoord, fluisterde de kamerheer bleek.—Er was bijna een ongeluk gebeurd …Zij zwegen even, hunne blikken begrepen elkaâr. Eene huivering liep over hunne ruggen. De nacht scheen als met wolken van onheil kil te dalen over het paleis.—En … de kleine prins …? vroeg de kamerheer rillende.Xardi haalde de schouders op; zijne oogen werden vochtig om ingeboren liefde, eeuwen oud, voor zijne vorsten.—Sterft … sprak hij dof.
[Inhoud]V.Het waren de dagen van het najaar; dikwijls vergrauwde het zonneblauw van den hemel; des morgens waaiden de winden uit het Noorden, bliezen over de zee tot zij staalkleurde; dan kwam de zon door en scheen ze nog heel warm een paar uren lang met een enkele vlaag, koud, aan de hoeken der straten, verraderlijk in eens aanflapperend; dan, tegen vier uur, half vijf, bluschte de zon en bleef de atmosfeer alleen hare kilte uitademen, ijzig aan de open haven, tusschen de witte paleizen, in straten en op pleinen.Het was een ongezonde tijd: de keizerin en Berengar hadden[180]een kou gevat op een rijtoer in een open rijtuig; ze hielden beiden hunne kamer en Othomar, op zijne beurt, kwam ze opzoeken; de keizerin hoestte, de kleine prins had koorts; er waren nooit zoovele zieken als in dezen tijd, beweerden de doktoren. En eene melancholie bleef hangen in de ruimte van het Imperiaal, over de geheele stad, waar men, in de opera en op de feesten, de keizerlijke familie niet meer verschijnen zag. Nooit waren de dagelijksche diners in het Imperiaal zoo kort geweest, met zoo weinig genoodigden, en het maakte een onoverkomelijk treurigen indruk, de keizerin niet te zien naast den keizer, in hare delicate, fijn vorstelijke majesteit, maar de prinses Thera, aan wie het onmogelijk scheen de barsche, ontevreden trekken van Oscar te doen opklaren. Othomar wist niet, dat men zich over de keizerin zelfs ongerust maakte; zij ontving hem altijd met alle blijmoedigheid, die zij, trots hare pijn op de borst, kon verzamelen; de doktoren zeiden hem niets, niemand gaf hem de bulletins, men wilde hem sparen en ook, men maakte zich in het Imperiaal zelve minder ongerust dan in de stad, dan door het land.Maar de kleine prins ontving Othomar met minder zachtmoedigheid dan de keizerin en het waren iederen dag stille woeden, bouderies op de doktoren, die hem in zijn bedje hielden.Eens dat de kroonprins Berengar kwam zien, waren zij bij hem, de doktoren; de koorts was gestegen, maar het prinsje wilde uit zijn bed; hij was stout, schold, had zelfs den goedigen dokter met zijn dikken kop, geslagen, geranseld met de kleine gebalde vuist.—Zoodra je beter bent, Berengar, sprak Othomar, diehem eerst bestraft had; zal ik je iets geven.—Wat dan? vroeg de jongen begeerig. Maar ik ben nu al beter.—Neen, neen, je moet doen wat de doktoren zeggen en niet tegenstribbelen.—En wat krijg ik dan?Othomar zag hem lang aan.—Wat krijg ik dan? herhaalde het kind.—Dat mag ik nog niet zeggen, Berengar; eigenlijk is het nu nog wel wat groot voor je.[181]—Wat dan; een paard?—Neen, het is niet zoo groot als een paard, maar zwaarder; vraag er niet meer naar, en raad er ook niet naar, maar wees gehoorzaam; dan wordt je beter en dan krijg je het.—Zwaarder dan een paard en niet zoo groot … peinsde Berengar met gloeiende wangen.Het hoofd gebogen op de borst, slepend, keerde Othomar naar zijne kamer terug. Uren bleef hij er stil, zwaarmoedig zitten in dezelfde houding; als gewoonlijk verscheen hij niet aan het diner en at nauwelijks van wat Andro hem diende. Toen wilde hij zich uitstrekken op de bank, nam een boek om te lezen, maar legde het weêr neêr en hief zich op, als met een plotselinge impulsie.—Waarom niet nu? dacht hij! waarom altijd uitstellen …De avond viel, maar de bovengalerijen van het paleis waren nog niet verlicht; door die duisterende schaduw heen zijne matheid voortslepende, ging Othomar naar de antichambres van den keizer. De kamerheer diende hem aan.Oscar zat aan zijne schrijftafel, een pen in de hand.—Stoor ik u, papa? Of kan ik u spreken.—Neen, je stoort me niet … Ben je bij mama geweest?—Ja, van middag; ze was nog al wel, maar Berengar had koorts.De keizer zag hem aan.—Erger dan van morgen?—Ik weet niet; hij gloeide nog al …De keizer stond op.—Heb je me te spreken?—Ja papa.—Wacht dan even. Ik ben na van morgen nog niet bij Berengar geweest.Hij ging, liet de deur aanstaan.Othomar bleef alleen. Hij was gaan zitten. Hij zag rond in het groote kabinet, dat hij zoo goed kende van hunne ochtendberaadslagingen met den Rijkskanselier. In den laatsten tijd had hij ze echter niet meer bijgewoond. Hij bedacht wat hij zeggen zoû; intusschen dwaalden zijne oogen om; ze vielen op den grooten spiegel met vergulde krullen; iets bevreemde hem. Toen stond hij op en ging naar het glas toe.[182]—Ik dacht toch, dat het daarboven verweerd was, meende hij; ik kan me toch zoo niet vergissen. Zoû het vernieuwd zijn geworden?Hij stond nog bij den spiegel, toen Oscar terugkwam.—Berengar is niets wel; de koorts neemt toe, sprak hij, en de klank van zijne stem weifelde. Mama is bij hem …In de suggestie zijner eigene overdenkingen viel het Othomar niet op, dat de kleine prins zeker moest zijn zieker geworden, zoo de keizerin, zelve lijdende, bij hem was.—En waarover hadt je me te spreken? vroeg de keizer, toen de prins zwijgen bleef.—Over Berengar, papa.—Over Berengar?—Over Berengar en mij. Ik heb ons vergeleken, papa. Wij zijn broêrs, wij zijn beiden uw zonen. Wie van ons, gelooft u, dat het meeste heeft van … u … en van onze voorvaderen?—Waar wil je naar toe, Othomar?—Naar het recht, papa. Naar rechtvaardigheid. De natuur is soms onrechtvaardig en blind; ze had Berengar eerst moeten laten geboren worden en dan mij … of mij maar zelfs niet.—Nog eens, waar wil je naar toe, Othomar?—Ziet u dat niet in, papa? Ik zal het u zeggen. Is Berengar niet meer vorst dan ik? Is hij daarom niet uw lieveling? En zoû ik hem van zijn natuurlijk recht moeten ontrooven, ter wille van mijn traditioneel recht? Ik wil afstand voor hem doen, papa. Afstand van alles, van al mijn rechten.—De jongen is gek, mompelde Oscar.—Van al mijn rechten, herhaalde Othomar, droomerig, als zag hij de toekomst: zijn kleinen broêr, gekroond.—Othomar, ijl je? vroeg de keizer.—Papa, ik ijl niet. Wat ik zeg, heb ik dagen, weken misschien overdacht; ik weet het niet: de tijd gaat voorbij … Wat ik u zeg, heb ik met Mama overwogen; ze heeft er om gesnikt, maar mij niet tegengesproken. Ze ziet het ook zoo in … En wat ik u zeg staat vast; ik ben er toe besloten en niets zal er mij van terugbrengen … Ik hoû van Berengar; ik sta hem gaarne alles af en ik zal bidden, dat hij gelukkig wordt[183]door mijn geschenk. Ik ben overtuigd—en u is het ook—dat Berengar een beter keizer zal zijn dan ik. Wat bezit ik er voor talenten voor …?Hij haalde radeloos zijne schouders op met eene zenuwachtige siddering, die ze schokte.—Geene, antwoordde hij zichzelven. Ik heb er geene, ik kan niets. Ik kan niet beslissen—als nu—, ik kan niet handelen, ik zal altijd iemand zijn van gedachte. En waarom zoû ik dan keizer zijn en hij niets meer dan de opperbevelhebber van mijn leger of mijn vloot? Dat kan immers niet goed zijn; dat kan zoo niet bedoeld zijn door de natuur … Papa, ik geef het hem, mijn recht van eerstgeborene en ik … ik zal wel leven als het moet …De keizer, de ellebogen op de tafel, de handen onder de kin, had hem aangehoord, staarde hem aan met zijne kleine toegeknepen oogen.—Je meent dat alles? vroeg hij.—Ja papa.—Je ijlt niet?—Neen papa, ik ijl niet.—Dan ben je gek.De keizer stond op.—Dan ben je gek, zeg ik je. Othomar, zie in, dat je gek bent en kom tot je verstand terug; wordt niet geheel krankzinnig.—Waarom noemt u me krankzinnig, papa? Kàn u het niet met me eens zijn, dat Berengar beter zou zijn dan ik?De wreede blikken van zijn vader doorpriemden Othomar.—Neen, daarin ben je niet krankzinnig; daarin heb je gelijk …—En waarom ben ik dan krankzinnig, omdat ik, om die reden, afstand wil doen, ten behoeve van hem?—Omdat dat niet gebeuren kan, Othomar.—Welke is de wet, die het verbiedt?—Mijn wil, Othomar.De prins hief zich hoog op.—Uw wil? riep hij; uw wil? U erkent, dat ik niet meer vorst ben, dan alleen van geboorte? U erkent, dat Berengar wel uw eigen keizerkracht heeft en u wilt, uwiltniet, dat ik[184]afstand doe? En u denkt, dat ik me neêr zal leggen bij dien wil …?Hij stiet een heeschen lach uit.—Neen, papa, ik zal me niet aan dien wil storen. In alles kan u uw wil doorzetten, maar hierin niet. Al riep u uw heele leger bij elkaâr, dan kon u dit toch niet dwingen. Er is een einde aan menschelijken wil, papa, en niets, niets, niets kan mij beletten, dat ik mijzelven ongeschikt vind tot regeeren en dat ik geen kroon dragenwil!De keizer had Othomars polsen gegrepen; zijn heete adem siste in Othomars gezicht.—Verdomde jongen! knarstte hij tusschen zijne groote witte tanden. Lammeling! Je hebt gelijk, je hebt niets van een keizer; je zal er nooit iets van hebben. Als ik niet beter wist, zoû ik zeggen, dat je de zoon was van een lakei. Je hebt gelijk, je bent ongeschikt. Je bent niets, jou past onze kroon niet. En toch, al moest ik je opsluiten in een gevangenis, zoodat niemand je laagheden hooren kon, je zùlt geen afstand doen. Het einde van mijn wil is verder dan jij het ziet. Hoor je? Je zult het niet doen, je zult geen afstand doen, al moest ik je van dit oogenblik af, als een schande, verbergen voor de wereld. Jouw verslapte hersenen begrijpen dat niet, niet waar? Je begrijpt niet, waarom ik meer hoû van Berengar, dan van een lafbek als jij, en hem toch niet in jouw plaats mijn opvolger wil zien? Dan zal ik het je moeten zeggen. Ik wil dat niet, om de wereld geen getuige te maken van de ontaarding van ons geslacht. Ik wil niet, dat ze ziet, hoe ellendig het verzwakt is in jou, en ik zoû je eerder … je eerder kunnen vermoorden, dan dulden, dat je afstand deed!Woest had Oscar den prins bij de schouders genomen, hem achteruit geduwd op een bank, waarop hij, zittende, neêrzonk; als een prooi bleef hij hem omknellen in zijn greep van sterke handen.—Maar ik zeg je, ging de keizer voort; ik zeg je, je bent de zoonnietvan een lakei: je bent mijn zoon, en ik zal je niet vermoorden, omdat ik je vader ben. Alleen dit wil ik je zeggen, Othomar: je had me hiervoor kunnen sparen. Ik geloof, dat je hoog denkt van je fijngevoeligheid, maar je bezit zelfs niet het eenvoudigste gevoel. Je voelt zelfs niet, dat je een[185]laagheid hebt bedacht, de laagheid van een proletariër, een slaaf, een paria, een ellendeling. Je hebt zelfs geen oogenblik gevoeld, wat voor een leed je mij zoû doen met die laagheid. Je zag, dat ik meer hield van je broêr; je dacht, dat ik je laf plan goed zoû vinden. Geen oogenblik kwam het in je op, dat jemijmet die lafheid het grootste verdriet zoû doen, dat ik ooit kon ondervinden …!Verpletterd was Othomar op de bank ineengezakt. Hij kon niet meer onderscheiden wat recht was en wat waar; hij kende zichzelven niet meer op dit oogenblik; als geesels striemden de woorden van zijn vader hem de ziel. En hij voelde zich geene kracht er tegen op te komen; de beleedigende verwijtingen hielden hem afgeranseld neêr. Laagheid en schande, krankzinnigheid en ontaarding, hij ging er in onder; hij zwolg de modder er van in, tot hij er in stikte. En dat hij er niet in stikte en ademen bleef, leven bleef, dat de dag klaar om hem heen was, de dingen onveranderd waren, de wereld daarbuiten niets wist, dit alles werd hem wanhoop. Een oogenblik dacht hij aan zijne moeder. Maar hij wilde het zwart, den dood, om zich te verbergen, zichzelven en zijne schande, zijne ontaarding, de melaatschheid van zijn paria-gemoed … Het flitste door hem heen in de seconde na dien laatsten striem van verwijt over zijne ineengezonken ziel. Hij wist, dat Oscar altijd een revolver geladen had in een open loket van zijne schrijftafel. Zijne hersenen spanden zich in bedenken, hoe dit wapen te bereiken. Hij was opgestaan, had het loket genaderd: in eens sprong hij er op af, strekte zijne hand uit en greep het pistool …Dacht Oscar, dat zijn zoon verbijsterd was door zijne laatste woorden en nu het leven wenschte van zijn vader? Doorzag hij die extaze naar zelfvernietiging in zijn kind, ging door zijn sidderend brein heen die gruwel van gedachte, dat zelfvernietiging … het laatste heil voor den paria zoû zijn? Wat ook, instinctmatig toch stortte hij op Othomar toe. Maar de prins, licht, ontsprong hem, richtte de revolver, de oogen dol, het gelaat verwrongen, in wezenlooze wanhoop opzichzelven, op zijn eigen voorhoofd, waarop de aderen blauw zwollen …—Othomar! brulde de keizer.[186]Op dit oogenblik ijlden stappen buiten aan, klonken verwarde woorden in de antichambre en de markies van Xardi, adjudant van den keizer, ontzet, in verwarring, smeet de deur wijd open …—Sire! riep hij uit; de keizerin vraagt of Uwe Majesteit oogenblikkelijk bij prins Berengar komt …Het schot was afgegaan, in den muur. Het bloed drupte van Othomars oor. De keizer had den prins beetgepakt en hem het nog vijfmaal geladen pistool ontrukt; ook het tweede schot ging in dat korte oogenblik van strijd af, in het plafond. Wezenloos bleef Othomar staan.—Markies! beet de keizer Xardi toe; weet niet wat u denkt, maar ik zeg u dit: u heeft niets gezien, u denkt niets. Wat hier gebeurde vóór u binnenkwam … is niet gebeurd.Dreigend strekte hij den vinger naar Xardi uit.—Mocht u óoit vergeten, markies, dat het niet gebeurd is, dan zal ik ook vergeten wie u is, al laat u ook uw stamboom opklimmen tot voor den onze!Doodsbleek stond Xardi voor zijn keizer.—Mijn God! Sire …—Wat doet u het kabinet van uw vorst op die onhebbelijke manier binnenkomen? De hertog van Xara laat zich zelfs aandienen, markies!—Sire …—Wat? Spreek op!—Hare Majesteit …—Wat, Hare Majesteit?—Prins Berengar … de koorts is gestegen: hij ijlt, Sire en de doktoren …De keizer was verbleekt.—Hij is dood? vroeg hij woest. Zeg het in eens.—Niet dood, Sire, maar …—Maar wat?—Maar de doktoren … hebben geen hoop …Met een vloek van smart duwde de keizer den adjudant weg en stortte zich voort, de kamer uit.De kroonprins was blijven staan. Het leven kwam tot hem terug; eene werkelijkheid van smart, uit nachtmerrie geboren. Zijne oogen liepen vol tranen.[187]—Xardi … smeekte hij; je Huis was altijd trouw aan ons Huis; zweer me, dat je zwijgen zal.In ontzetting zag de markies den kroonprins aan.—Hoogheid …—Zweer me, Xardi.—Ik zweer het U, Hoogheid, sprak de adjudant gedempt, en strekte zijne vingers uit naar het crucifix, aan den muur.Othomar drukte zijne hand.—Is prins Berengar …Hij kon nauwelijks spreken.—Is prins Berengar in eens zoo ziek geworden …?—De koorts stijgt ieder oogenblik, Hoogheid, en hij ijlt …—Ik ga er heen, sprak Othomar.Hij sponsde zich met den zakdoek het bloed van het oor en hield het, dadelijk doorweekte, batist er tegen aan.In de laatste antichambre ging hij voorbij den kamerheer en zag schuin naar hem. Xardi stond even stil.—De hertog van Xara heeft zich licht verwond, sprak hij. Hij onderzocht iets aan de revolver van den keizer, toen ik binnenkwam en hij schrikte: twee schoten gingen af.—Ik heb ze gehoord, fluisterde de kamerheer bleek.—Er was bijna een ongeluk gebeurd …Zij zwegen even, hunne blikken begrepen elkaâr. Eene huivering liep over hunne ruggen. De nacht scheen als met wolken van onheil kil te dalen over het paleis.—En … de kleine prins …? vroeg de kamerheer rillende.Xardi haalde de schouders op; zijne oogen werden vochtig om ingeboren liefde, eeuwen oud, voor zijne vorsten.—Sterft … sprak hij dof.
[Inhoud]V.Het waren de dagen van het najaar; dikwijls vergrauwde het zonneblauw van den hemel; des morgens waaiden de winden uit het Noorden, bliezen over de zee tot zij staalkleurde; dan kwam de zon door en scheen ze nog heel warm een paar uren lang met een enkele vlaag, koud, aan de hoeken der straten, verraderlijk in eens aanflapperend; dan, tegen vier uur, half vijf, bluschte de zon en bleef de atmosfeer alleen hare kilte uitademen, ijzig aan de open haven, tusschen de witte paleizen, in straten en op pleinen.Het was een ongezonde tijd: de keizerin en Berengar hadden[180]een kou gevat op een rijtoer in een open rijtuig; ze hielden beiden hunne kamer en Othomar, op zijne beurt, kwam ze opzoeken; de keizerin hoestte, de kleine prins had koorts; er waren nooit zoovele zieken als in dezen tijd, beweerden de doktoren. En eene melancholie bleef hangen in de ruimte van het Imperiaal, over de geheele stad, waar men, in de opera en op de feesten, de keizerlijke familie niet meer verschijnen zag. Nooit waren de dagelijksche diners in het Imperiaal zoo kort geweest, met zoo weinig genoodigden, en het maakte een onoverkomelijk treurigen indruk, de keizerin niet te zien naast den keizer, in hare delicate, fijn vorstelijke majesteit, maar de prinses Thera, aan wie het onmogelijk scheen de barsche, ontevreden trekken van Oscar te doen opklaren. Othomar wist niet, dat men zich over de keizerin zelfs ongerust maakte; zij ontving hem altijd met alle blijmoedigheid, die zij, trots hare pijn op de borst, kon verzamelen; de doktoren zeiden hem niets, niemand gaf hem de bulletins, men wilde hem sparen en ook, men maakte zich in het Imperiaal zelve minder ongerust dan in de stad, dan door het land.Maar de kleine prins ontving Othomar met minder zachtmoedigheid dan de keizerin en het waren iederen dag stille woeden, bouderies op de doktoren, die hem in zijn bedje hielden.Eens dat de kroonprins Berengar kwam zien, waren zij bij hem, de doktoren; de koorts was gestegen, maar het prinsje wilde uit zijn bed; hij was stout, schold, had zelfs den goedigen dokter met zijn dikken kop, geslagen, geranseld met de kleine gebalde vuist.—Zoodra je beter bent, Berengar, sprak Othomar, diehem eerst bestraft had; zal ik je iets geven.—Wat dan? vroeg de jongen begeerig. Maar ik ben nu al beter.—Neen, neen, je moet doen wat de doktoren zeggen en niet tegenstribbelen.—En wat krijg ik dan?Othomar zag hem lang aan.—Wat krijg ik dan? herhaalde het kind.—Dat mag ik nog niet zeggen, Berengar; eigenlijk is het nu nog wel wat groot voor je.[181]—Wat dan; een paard?—Neen, het is niet zoo groot als een paard, maar zwaarder; vraag er niet meer naar, en raad er ook niet naar, maar wees gehoorzaam; dan wordt je beter en dan krijg je het.—Zwaarder dan een paard en niet zoo groot … peinsde Berengar met gloeiende wangen.Het hoofd gebogen op de borst, slepend, keerde Othomar naar zijne kamer terug. Uren bleef hij er stil, zwaarmoedig zitten in dezelfde houding; als gewoonlijk verscheen hij niet aan het diner en at nauwelijks van wat Andro hem diende. Toen wilde hij zich uitstrekken op de bank, nam een boek om te lezen, maar legde het weêr neêr en hief zich op, als met een plotselinge impulsie.—Waarom niet nu? dacht hij! waarom altijd uitstellen …De avond viel, maar de bovengalerijen van het paleis waren nog niet verlicht; door die duisterende schaduw heen zijne matheid voortslepende, ging Othomar naar de antichambres van den keizer. De kamerheer diende hem aan.Oscar zat aan zijne schrijftafel, een pen in de hand.—Stoor ik u, papa? Of kan ik u spreken.—Neen, je stoort me niet … Ben je bij mama geweest?—Ja, van middag; ze was nog al wel, maar Berengar had koorts.De keizer zag hem aan.—Erger dan van morgen?—Ik weet niet; hij gloeide nog al …De keizer stond op.—Heb je me te spreken?—Ja papa.—Wacht dan even. Ik ben na van morgen nog niet bij Berengar geweest.Hij ging, liet de deur aanstaan.Othomar bleef alleen. Hij was gaan zitten. Hij zag rond in het groote kabinet, dat hij zoo goed kende van hunne ochtendberaadslagingen met den Rijkskanselier. In den laatsten tijd had hij ze echter niet meer bijgewoond. Hij bedacht wat hij zeggen zoû; intusschen dwaalden zijne oogen om; ze vielen op den grooten spiegel met vergulde krullen; iets bevreemde hem. Toen stond hij op en ging naar het glas toe.[182]—Ik dacht toch, dat het daarboven verweerd was, meende hij; ik kan me toch zoo niet vergissen. Zoû het vernieuwd zijn geworden?Hij stond nog bij den spiegel, toen Oscar terugkwam.—Berengar is niets wel; de koorts neemt toe, sprak hij, en de klank van zijne stem weifelde. Mama is bij hem …In de suggestie zijner eigene overdenkingen viel het Othomar niet op, dat de kleine prins zeker moest zijn zieker geworden, zoo de keizerin, zelve lijdende, bij hem was.—En waarover hadt je me te spreken? vroeg de keizer, toen de prins zwijgen bleef.—Over Berengar, papa.—Over Berengar?—Over Berengar en mij. Ik heb ons vergeleken, papa. Wij zijn broêrs, wij zijn beiden uw zonen. Wie van ons, gelooft u, dat het meeste heeft van … u … en van onze voorvaderen?—Waar wil je naar toe, Othomar?—Naar het recht, papa. Naar rechtvaardigheid. De natuur is soms onrechtvaardig en blind; ze had Berengar eerst moeten laten geboren worden en dan mij … of mij maar zelfs niet.—Nog eens, waar wil je naar toe, Othomar?—Ziet u dat niet in, papa? Ik zal het u zeggen. Is Berengar niet meer vorst dan ik? Is hij daarom niet uw lieveling? En zoû ik hem van zijn natuurlijk recht moeten ontrooven, ter wille van mijn traditioneel recht? Ik wil afstand voor hem doen, papa. Afstand van alles, van al mijn rechten.—De jongen is gek, mompelde Oscar.—Van al mijn rechten, herhaalde Othomar, droomerig, als zag hij de toekomst: zijn kleinen broêr, gekroond.—Othomar, ijl je? vroeg de keizer.—Papa, ik ijl niet. Wat ik zeg, heb ik dagen, weken misschien overdacht; ik weet het niet: de tijd gaat voorbij … Wat ik u zeg, heb ik met Mama overwogen; ze heeft er om gesnikt, maar mij niet tegengesproken. Ze ziet het ook zoo in … En wat ik u zeg staat vast; ik ben er toe besloten en niets zal er mij van terugbrengen … Ik hoû van Berengar; ik sta hem gaarne alles af en ik zal bidden, dat hij gelukkig wordt[183]door mijn geschenk. Ik ben overtuigd—en u is het ook—dat Berengar een beter keizer zal zijn dan ik. Wat bezit ik er voor talenten voor …?Hij haalde radeloos zijne schouders op met eene zenuwachtige siddering, die ze schokte.—Geene, antwoordde hij zichzelven. Ik heb er geene, ik kan niets. Ik kan niet beslissen—als nu—, ik kan niet handelen, ik zal altijd iemand zijn van gedachte. En waarom zoû ik dan keizer zijn en hij niets meer dan de opperbevelhebber van mijn leger of mijn vloot? Dat kan immers niet goed zijn; dat kan zoo niet bedoeld zijn door de natuur … Papa, ik geef het hem, mijn recht van eerstgeborene en ik … ik zal wel leven als het moet …De keizer, de ellebogen op de tafel, de handen onder de kin, had hem aangehoord, staarde hem aan met zijne kleine toegeknepen oogen.—Je meent dat alles? vroeg hij.—Ja papa.—Je ijlt niet?—Neen papa, ik ijl niet.—Dan ben je gek.De keizer stond op.—Dan ben je gek, zeg ik je. Othomar, zie in, dat je gek bent en kom tot je verstand terug; wordt niet geheel krankzinnig.—Waarom noemt u me krankzinnig, papa? Kàn u het niet met me eens zijn, dat Berengar beter zou zijn dan ik?De wreede blikken van zijn vader doorpriemden Othomar.—Neen, daarin ben je niet krankzinnig; daarin heb je gelijk …—En waarom ben ik dan krankzinnig, omdat ik, om die reden, afstand wil doen, ten behoeve van hem?—Omdat dat niet gebeuren kan, Othomar.—Welke is de wet, die het verbiedt?—Mijn wil, Othomar.De prins hief zich hoog op.—Uw wil? riep hij; uw wil? U erkent, dat ik niet meer vorst ben, dan alleen van geboorte? U erkent, dat Berengar wel uw eigen keizerkracht heeft en u wilt, uwiltniet, dat ik[184]afstand doe? En u denkt, dat ik me neêr zal leggen bij dien wil …?Hij stiet een heeschen lach uit.—Neen, papa, ik zal me niet aan dien wil storen. In alles kan u uw wil doorzetten, maar hierin niet. Al riep u uw heele leger bij elkaâr, dan kon u dit toch niet dwingen. Er is een einde aan menschelijken wil, papa, en niets, niets, niets kan mij beletten, dat ik mijzelven ongeschikt vind tot regeeren en dat ik geen kroon dragenwil!De keizer had Othomars polsen gegrepen; zijn heete adem siste in Othomars gezicht.—Verdomde jongen! knarstte hij tusschen zijne groote witte tanden. Lammeling! Je hebt gelijk, je hebt niets van een keizer; je zal er nooit iets van hebben. Als ik niet beter wist, zoû ik zeggen, dat je de zoon was van een lakei. Je hebt gelijk, je bent ongeschikt. Je bent niets, jou past onze kroon niet. En toch, al moest ik je opsluiten in een gevangenis, zoodat niemand je laagheden hooren kon, je zùlt geen afstand doen. Het einde van mijn wil is verder dan jij het ziet. Hoor je? Je zult het niet doen, je zult geen afstand doen, al moest ik je van dit oogenblik af, als een schande, verbergen voor de wereld. Jouw verslapte hersenen begrijpen dat niet, niet waar? Je begrijpt niet, waarom ik meer hoû van Berengar, dan van een lafbek als jij, en hem toch niet in jouw plaats mijn opvolger wil zien? Dan zal ik het je moeten zeggen. Ik wil dat niet, om de wereld geen getuige te maken van de ontaarding van ons geslacht. Ik wil niet, dat ze ziet, hoe ellendig het verzwakt is in jou, en ik zoû je eerder … je eerder kunnen vermoorden, dan dulden, dat je afstand deed!Woest had Oscar den prins bij de schouders genomen, hem achteruit geduwd op een bank, waarop hij, zittende, neêrzonk; als een prooi bleef hij hem omknellen in zijn greep van sterke handen.—Maar ik zeg je, ging de keizer voort; ik zeg je, je bent de zoonnietvan een lakei: je bent mijn zoon, en ik zal je niet vermoorden, omdat ik je vader ben. Alleen dit wil ik je zeggen, Othomar: je had me hiervoor kunnen sparen. Ik geloof, dat je hoog denkt van je fijngevoeligheid, maar je bezit zelfs niet het eenvoudigste gevoel. Je voelt zelfs niet, dat je een[185]laagheid hebt bedacht, de laagheid van een proletariër, een slaaf, een paria, een ellendeling. Je hebt zelfs geen oogenblik gevoeld, wat voor een leed je mij zoû doen met die laagheid. Je zag, dat ik meer hield van je broêr; je dacht, dat ik je laf plan goed zoû vinden. Geen oogenblik kwam het in je op, dat jemijmet die lafheid het grootste verdriet zoû doen, dat ik ooit kon ondervinden …!Verpletterd was Othomar op de bank ineengezakt. Hij kon niet meer onderscheiden wat recht was en wat waar; hij kende zichzelven niet meer op dit oogenblik; als geesels striemden de woorden van zijn vader hem de ziel. En hij voelde zich geene kracht er tegen op te komen; de beleedigende verwijtingen hielden hem afgeranseld neêr. Laagheid en schande, krankzinnigheid en ontaarding, hij ging er in onder; hij zwolg de modder er van in, tot hij er in stikte. En dat hij er niet in stikte en ademen bleef, leven bleef, dat de dag klaar om hem heen was, de dingen onveranderd waren, de wereld daarbuiten niets wist, dit alles werd hem wanhoop. Een oogenblik dacht hij aan zijne moeder. Maar hij wilde het zwart, den dood, om zich te verbergen, zichzelven en zijne schande, zijne ontaarding, de melaatschheid van zijn paria-gemoed … Het flitste door hem heen in de seconde na dien laatsten striem van verwijt over zijne ineengezonken ziel. Hij wist, dat Oscar altijd een revolver geladen had in een open loket van zijne schrijftafel. Zijne hersenen spanden zich in bedenken, hoe dit wapen te bereiken. Hij was opgestaan, had het loket genaderd: in eens sprong hij er op af, strekte zijne hand uit en greep het pistool …Dacht Oscar, dat zijn zoon verbijsterd was door zijne laatste woorden en nu het leven wenschte van zijn vader? Doorzag hij die extaze naar zelfvernietiging in zijn kind, ging door zijn sidderend brein heen die gruwel van gedachte, dat zelfvernietiging … het laatste heil voor den paria zoû zijn? Wat ook, instinctmatig toch stortte hij op Othomar toe. Maar de prins, licht, ontsprong hem, richtte de revolver, de oogen dol, het gelaat verwrongen, in wezenlooze wanhoop opzichzelven, op zijn eigen voorhoofd, waarop de aderen blauw zwollen …—Othomar! brulde de keizer.[186]Op dit oogenblik ijlden stappen buiten aan, klonken verwarde woorden in de antichambre en de markies van Xardi, adjudant van den keizer, ontzet, in verwarring, smeet de deur wijd open …—Sire! riep hij uit; de keizerin vraagt of Uwe Majesteit oogenblikkelijk bij prins Berengar komt …Het schot was afgegaan, in den muur. Het bloed drupte van Othomars oor. De keizer had den prins beetgepakt en hem het nog vijfmaal geladen pistool ontrukt; ook het tweede schot ging in dat korte oogenblik van strijd af, in het plafond. Wezenloos bleef Othomar staan.—Markies! beet de keizer Xardi toe; weet niet wat u denkt, maar ik zeg u dit: u heeft niets gezien, u denkt niets. Wat hier gebeurde vóór u binnenkwam … is niet gebeurd.Dreigend strekte hij den vinger naar Xardi uit.—Mocht u óoit vergeten, markies, dat het niet gebeurd is, dan zal ik ook vergeten wie u is, al laat u ook uw stamboom opklimmen tot voor den onze!Doodsbleek stond Xardi voor zijn keizer.—Mijn God! Sire …—Wat doet u het kabinet van uw vorst op die onhebbelijke manier binnenkomen? De hertog van Xara laat zich zelfs aandienen, markies!—Sire …—Wat? Spreek op!—Hare Majesteit …—Wat, Hare Majesteit?—Prins Berengar … de koorts is gestegen: hij ijlt, Sire en de doktoren …De keizer was verbleekt.—Hij is dood? vroeg hij woest. Zeg het in eens.—Niet dood, Sire, maar …—Maar wat?—Maar de doktoren … hebben geen hoop …Met een vloek van smart duwde de keizer den adjudant weg en stortte zich voort, de kamer uit.De kroonprins was blijven staan. Het leven kwam tot hem terug; eene werkelijkheid van smart, uit nachtmerrie geboren. Zijne oogen liepen vol tranen.[187]—Xardi … smeekte hij; je Huis was altijd trouw aan ons Huis; zweer me, dat je zwijgen zal.In ontzetting zag de markies den kroonprins aan.—Hoogheid …—Zweer me, Xardi.—Ik zweer het U, Hoogheid, sprak de adjudant gedempt, en strekte zijne vingers uit naar het crucifix, aan den muur.Othomar drukte zijne hand.—Is prins Berengar …Hij kon nauwelijks spreken.—Is prins Berengar in eens zoo ziek geworden …?—De koorts stijgt ieder oogenblik, Hoogheid, en hij ijlt …—Ik ga er heen, sprak Othomar.Hij sponsde zich met den zakdoek het bloed van het oor en hield het, dadelijk doorweekte, batist er tegen aan.In de laatste antichambre ging hij voorbij den kamerheer en zag schuin naar hem. Xardi stond even stil.—De hertog van Xara heeft zich licht verwond, sprak hij. Hij onderzocht iets aan de revolver van den keizer, toen ik binnenkwam en hij schrikte: twee schoten gingen af.—Ik heb ze gehoord, fluisterde de kamerheer bleek.—Er was bijna een ongeluk gebeurd …Zij zwegen even, hunne blikken begrepen elkaâr. Eene huivering liep over hunne ruggen. De nacht scheen als met wolken van onheil kil te dalen over het paleis.—En … de kleine prins …? vroeg de kamerheer rillende.Xardi haalde de schouders op; zijne oogen werden vochtig om ingeboren liefde, eeuwen oud, voor zijne vorsten.—Sterft … sprak hij dof.
V.
Het waren de dagen van het najaar; dikwijls vergrauwde het zonneblauw van den hemel; des morgens waaiden de winden uit het Noorden, bliezen over de zee tot zij staalkleurde; dan kwam de zon door en scheen ze nog heel warm een paar uren lang met een enkele vlaag, koud, aan de hoeken der straten, verraderlijk in eens aanflapperend; dan, tegen vier uur, half vijf, bluschte de zon en bleef de atmosfeer alleen hare kilte uitademen, ijzig aan de open haven, tusschen de witte paleizen, in straten en op pleinen.Het was een ongezonde tijd: de keizerin en Berengar hadden[180]een kou gevat op een rijtoer in een open rijtuig; ze hielden beiden hunne kamer en Othomar, op zijne beurt, kwam ze opzoeken; de keizerin hoestte, de kleine prins had koorts; er waren nooit zoovele zieken als in dezen tijd, beweerden de doktoren. En eene melancholie bleef hangen in de ruimte van het Imperiaal, over de geheele stad, waar men, in de opera en op de feesten, de keizerlijke familie niet meer verschijnen zag. Nooit waren de dagelijksche diners in het Imperiaal zoo kort geweest, met zoo weinig genoodigden, en het maakte een onoverkomelijk treurigen indruk, de keizerin niet te zien naast den keizer, in hare delicate, fijn vorstelijke majesteit, maar de prinses Thera, aan wie het onmogelijk scheen de barsche, ontevreden trekken van Oscar te doen opklaren. Othomar wist niet, dat men zich over de keizerin zelfs ongerust maakte; zij ontving hem altijd met alle blijmoedigheid, die zij, trots hare pijn op de borst, kon verzamelen; de doktoren zeiden hem niets, niemand gaf hem de bulletins, men wilde hem sparen en ook, men maakte zich in het Imperiaal zelve minder ongerust dan in de stad, dan door het land.Maar de kleine prins ontving Othomar met minder zachtmoedigheid dan de keizerin en het waren iederen dag stille woeden, bouderies op de doktoren, die hem in zijn bedje hielden.Eens dat de kroonprins Berengar kwam zien, waren zij bij hem, de doktoren; de koorts was gestegen, maar het prinsje wilde uit zijn bed; hij was stout, schold, had zelfs den goedigen dokter met zijn dikken kop, geslagen, geranseld met de kleine gebalde vuist.—Zoodra je beter bent, Berengar, sprak Othomar, diehem eerst bestraft had; zal ik je iets geven.—Wat dan? vroeg de jongen begeerig. Maar ik ben nu al beter.—Neen, neen, je moet doen wat de doktoren zeggen en niet tegenstribbelen.—En wat krijg ik dan?Othomar zag hem lang aan.—Wat krijg ik dan? herhaalde het kind.—Dat mag ik nog niet zeggen, Berengar; eigenlijk is het nu nog wel wat groot voor je.[181]—Wat dan; een paard?—Neen, het is niet zoo groot als een paard, maar zwaarder; vraag er niet meer naar, en raad er ook niet naar, maar wees gehoorzaam; dan wordt je beter en dan krijg je het.—Zwaarder dan een paard en niet zoo groot … peinsde Berengar met gloeiende wangen.Het hoofd gebogen op de borst, slepend, keerde Othomar naar zijne kamer terug. Uren bleef hij er stil, zwaarmoedig zitten in dezelfde houding; als gewoonlijk verscheen hij niet aan het diner en at nauwelijks van wat Andro hem diende. Toen wilde hij zich uitstrekken op de bank, nam een boek om te lezen, maar legde het weêr neêr en hief zich op, als met een plotselinge impulsie.—Waarom niet nu? dacht hij! waarom altijd uitstellen …De avond viel, maar de bovengalerijen van het paleis waren nog niet verlicht; door die duisterende schaduw heen zijne matheid voortslepende, ging Othomar naar de antichambres van den keizer. De kamerheer diende hem aan.Oscar zat aan zijne schrijftafel, een pen in de hand.—Stoor ik u, papa? Of kan ik u spreken.—Neen, je stoort me niet … Ben je bij mama geweest?—Ja, van middag; ze was nog al wel, maar Berengar had koorts.De keizer zag hem aan.—Erger dan van morgen?—Ik weet niet; hij gloeide nog al …De keizer stond op.—Heb je me te spreken?—Ja papa.—Wacht dan even. Ik ben na van morgen nog niet bij Berengar geweest.Hij ging, liet de deur aanstaan.Othomar bleef alleen. Hij was gaan zitten. Hij zag rond in het groote kabinet, dat hij zoo goed kende van hunne ochtendberaadslagingen met den Rijkskanselier. In den laatsten tijd had hij ze echter niet meer bijgewoond. Hij bedacht wat hij zeggen zoû; intusschen dwaalden zijne oogen om; ze vielen op den grooten spiegel met vergulde krullen; iets bevreemde hem. Toen stond hij op en ging naar het glas toe.[182]—Ik dacht toch, dat het daarboven verweerd was, meende hij; ik kan me toch zoo niet vergissen. Zoû het vernieuwd zijn geworden?Hij stond nog bij den spiegel, toen Oscar terugkwam.—Berengar is niets wel; de koorts neemt toe, sprak hij, en de klank van zijne stem weifelde. Mama is bij hem …In de suggestie zijner eigene overdenkingen viel het Othomar niet op, dat de kleine prins zeker moest zijn zieker geworden, zoo de keizerin, zelve lijdende, bij hem was.—En waarover hadt je me te spreken? vroeg de keizer, toen de prins zwijgen bleef.—Over Berengar, papa.—Over Berengar?—Over Berengar en mij. Ik heb ons vergeleken, papa. Wij zijn broêrs, wij zijn beiden uw zonen. Wie van ons, gelooft u, dat het meeste heeft van … u … en van onze voorvaderen?—Waar wil je naar toe, Othomar?—Naar het recht, papa. Naar rechtvaardigheid. De natuur is soms onrechtvaardig en blind; ze had Berengar eerst moeten laten geboren worden en dan mij … of mij maar zelfs niet.—Nog eens, waar wil je naar toe, Othomar?—Ziet u dat niet in, papa? Ik zal het u zeggen. Is Berengar niet meer vorst dan ik? Is hij daarom niet uw lieveling? En zoû ik hem van zijn natuurlijk recht moeten ontrooven, ter wille van mijn traditioneel recht? Ik wil afstand voor hem doen, papa. Afstand van alles, van al mijn rechten.—De jongen is gek, mompelde Oscar.—Van al mijn rechten, herhaalde Othomar, droomerig, als zag hij de toekomst: zijn kleinen broêr, gekroond.—Othomar, ijl je? vroeg de keizer.—Papa, ik ijl niet. Wat ik zeg, heb ik dagen, weken misschien overdacht; ik weet het niet: de tijd gaat voorbij … Wat ik u zeg, heb ik met Mama overwogen; ze heeft er om gesnikt, maar mij niet tegengesproken. Ze ziet het ook zoo in … En wat ik u zeg staat vast; ik ben er toe besloten en niets zal er mij van terugbrengen … Ik hoû van Berengar; ik sta hem gaarne alles af en ik zal bidden, dat hij gelukkig wordt[183]door mijn geschenk. Ik ben overtuigd—en u is het ook—dat Berengar een beter keizer zal zijn dan ik. Wat bezit ik er voor talenten voor …?Hij haalde radeloos zijne schouders op met eene zenuwachtige siddering, die ze schokte.—Geene, antwoordde hij zichzelven. Ik heb er geene, ik kan niets. Ik kan niet beslissen—als nu—, ik kan niet handelen, ik zal altijd iemand zijn van gedachte. En waarom zoû ik dan keizer zijn en hij niets meer dan de opperbevelhebber van mijn leger of mijn vloot? Dat kan immers niet goed zijn; dat kan zoo niet bedoeld zijn door de natuur … Papa, ik geef het hem, mijn recht van eerstgeborene en ik … ik zal wel leven als het moet …De keizer, de ellebogen op de tafel, de handen onder de kin, had hem aangehoord, staarde hem aan met zijne kleine toegeknepen oogen.—Je meent dat alles? vroeg hij.—Ja papa.—Je ijlt niet?—Neen papa, ik ijl niet.—Dan ben je gek.De keizer stond op.—Dan ben je gek, zeg ik je. Othomar, zie in, dat je gek bent en kom tot je verstand terug; wordt niet geheel krankzinnig.—Waarom noemt u me krankzinnig, papa? Kàn u het niet met me eens zijn, dat Berengar beter zou zijn dan ik?De wreede blikken van zijn vader doorpriemden Othomar.—Neen, daarin ben je niet krankzinnig; daarin heb je gelijk …—En waarom ben ik dan krankzinnig, omdat ik, om die reden, afstand wil doen, ten behoeve van hem?—Omdat dat niet gebeuren kan, Othomar.—Welke is de wet, die het verbiedt?—Mijn wil, Othomar.De prins hief zich hoog op.—Uw wil? riep hij; uw wil? U erkent, dat ik niet meer vorst ben, dan alleen van geboorte? U erkent, dat Berengar wel uw eigen keizerkracht heeft en u wilt, uwiltniet, dat ik[184]afstand doe? En u denkt, dat ik me neêr zal leggen bij dien wil …?Hij stiet een heeschen lach uit.—Neen, papa, ik zal me niet aan dien wil storen. In alles kan u uw wil doorzetten, maar hierin niet. Al riep u uw heele leger bij elkaâr, dan kon u dit toch niet dwingen. Er is een einde aan menschelijken wil, papa, en niets, niets, niets kan mij beletten, dat ik mijzelven ongeschikt vind tot regeeren en dat ik geen kroon dragenwil!De keizer had Othomars polsen gegrepen; zijn heete adem siste in Othomars gezicht.—Verdomde jongen! knarstte hij tusschen zijne groote witte tanden. Lammeling! Je hebt gelijk, je hebt niets van een keizer; je zal er nooit iets van hebben. Als ik niet beter wist, zoû ik zeggen, dat je de zoon was van een lakei. Je hebt gelijk, je bent ongeschikt. Je bent niets, jou past onze kroon niet. En toch, al moest ik je opsluiten in een gevangenis, zoodat niemand je laagheden hooren kon, je zùlt geen afstand doen. Het einde van mijn wil is verder dan jij het ziet. Hoor je? Je zult het niet doen, je zult geen afstand doen, al moest ik je van dit oogenblik af, als een schande, verbergen voor de wereld. Jouw verslapte hersenen begrijpen dat niet, niet waar? Je begrijpt niet, waarom ik meer hoû van Berengar, dan van een lafbek als jij, en hem toch niet in jouw plaats mijn opvolger wil zien? Dan zal ik het je moeten zeggen. Ik wil dat niet, om de wereld geen getuige te maken van de ontaarding van ons geslacht. Ik wil niet, dat ze ziet, hoe ellendig het verzwakt is in jou, en ik zoû je eerder … je eerder kunnen vermoorden, dan dulden, dat je afstand deed!Woest had Oscar den prins bij de schouders genomen, hem achteruit geduwd op een bank, waarop hij, zittende, neêrzonk; als een prooi bleef hij hem omknellen in zijn greep van sterke handen.—Maar ik zeg je, ging de keizer voort; ik zeg je, je bent de zoonnietvan een lakei: je bent mijn zoon, en ik zal je niet vermoorden, omdat ik je vader ben. Alleen dit wil ik je zeggen, Othomar: je had me hiervoor kunnen sparen. Ik geloof, dat je hoog denkt van je fijngevoeligheid, maar je bezit zelfs niet het eenvoudigste gevoel. Je voelt zelfs niet, dat je een[185]laagheid hebt bedacht, de laagheid van een proletariër, een slaaf, een paria, een ellendeling. Je hebt zelfs geen oogenblik gevoeld, wat voor een leed je mij zoû doen met die laagheid. Je zag, dat ik meer hield van je broêr; je dacht, dat ik je laf plan goed zoû vinden. Geen oogenblik kwam het in je op, dat jemijmet die lafheid het grootste verdriet zoû doen, dat ik ooit kon ondervinden …!Verpletterd was Othomar op de bank ineengezakt. Hij kon niet meer onderscheiden wat recht was en wat waar; hij kende zichzelven niet meer op dit oogenblik; als geesels striemden de woorden van zijn vader hem de ziel. En hij voelde zich geene kracht er tegen op te komen; de beleedigende verwijtingen hielden hem afgeranseld neêr. Laagheid en schande, krankzinnigheid en ontaarding, hij ging er in onder; hij zwolg de modder er van in, tot hij er in stikte. En dat hij er niet in stikte en ademen bleef, leven bleef, dat de dag klaar om hem heen was, de dingen onveranderd waren, de wereld daarbuiten niets wist, dit alles werd hem wanhoop. Een oogenblik dacht hij aan zijne moeder. Maar hij wilde het zwart, den dood, om zich te verbergen, zichzelven en zijne schande, zijne ontaarding, de melaatschheid van zijn paria-gemoed … Het flitste door hem heen in de seconde na dien laatsten striem van verwijt over zijne ineengezonken ziel. Hij wist, dat Oscar altijd een revolver geladen had in een open loket van zijne schrijftafel. Zijne hersenen spanden zich in bedenken, hoe dit wapen te bereiken. Hij was opgestaan, had het loket genaderd: in eens sprong hij er op af, strekte zijne hand uit en greep het pistool …Dacht Oscar, dat zijn zoon verbijsterd was door zijne laatste woorden en nu het leven wenschte van zijn vader? Doorzag hij die extaze naar zelfvernietiging in zijn kind, ging door zijn sidderend brein heen die gruwel van gedachte, dat zelfvernietiging … het laatste heil voor den paria zoû zijn? Wat ook, instinctmatig toch stortte hij op Othomar toe. Maar de prins, licht, ontsprong hem, richtte de revolver, de oogen dol, het gelaat verwrongen, in wezenlooze wanhoop opzichzelven, op zijn eigen voorhoofd, waarop de aderen blauw zwollen …—Othomar! brulde de keizer.[186]Op dit oogenblik ijlden stappen buiten aan, klonken verwarde woorden in de antichambre en de markies van Xardi, adjudant van den keizer, ontzet, in verwarring, smeet de deur wijd open …—Sire! riep hij uit; de keizerin vraagt of Uwe Majesteit oogenblikkelijk bij prins Berengar komt …Het schot was afgegaan, in den muur. Het bloed drupte van Othomars oor. De keizer had den prins beetgepakt en hem het nog vijfmaal geladen pistool ontrukt; ook het tweede schot ging in dat korte oogenblik van strijd af, in het plafond. Wezenloos bleef Othomar staan.—Markies! beet de keizer Xardi toe; weet niet wat u denkt, maar ik zeg u dit: u heeft niets gezien, u denkt niets. Wat hier gebeurde vóór u binnenkwam … is niet gebeurd.Dreigend strekte hij den vinger naar Xardi uit.—Mocht u óoit vergeten, markies, dat het niet gebeurd is, dan zal ik ook vergeten wie u is, al laat u ook uw stamboom opklimmen tot voor den onze!Doodsbleek stond Xardi voor zijn keizer.—Mijn God! Sire …—Wat doet u het kabinet van uw vorst op die onhebbelijke manier binnenkomen? De hertog van Xara laat zich zelfs aandienen, markies!—Sire …—Wat? Spreek op!—Hare Majesteit …—Wat, Hare Majesteit?—Prins Berengar … de koorts is gestegen: hij ijlt, Sire en de doktoren …De keizer was verbleekt.—Hij is dood? vroeg hij woest. Zeg het in eens.—Niet dood, Sire, maar …—Maar wat?—Maar de doktoren … hebben geen hoop …Met een vloek van smart duwde de keizer den adjudant weg en stortte zich voort, de kamer uit.De kroonprins was blijven staan. Het leven kwam tot hem terug; eene werkelijkheid van smart, uit nachtmerrie geboren. Zijne oogen liepen vol tranen.[187]—Xardi … smeekte hij; je Huis was altijd trouw aan ons Huis; zweer me, dat je zwijgen zal.In ontzetting zag de markies den kroonprins aan.—Hoogheid …—Zweer me, Xardi.—Ik zweer het U, Hoogheid, sprak de adjudant gedempt, en strekte zijne vingers uit naar het crucifix, aan den muur.Othomar drukte zijne hand.—Is prins Berengar …Hij kon nauwelijks spreken.—Is prins Berengar in eens zoo ziek geworden …?—De koorts stijgt ieder oogenblik, Hoogheid, en hij ijlt …—Ik ga er heen, sprak Othomar.Hij sponsde zich met den zakdoek het bloed van het oor en hield het, dadelijk doorweekte, batist er tegen aan.In de laatste antichambre ging hij voorbij den kamerheer en zag schuin naar hem. Xardi stond even stil.—De hertog van Xara heeft zich licht verwond, sprak hij. Hij onderzocht iets aan de revolver van den keizer, toen ik binnenkwam en hij schrikte: twee schoten gingen af.—Ik heb ze gehoord, fluisterde de kamerheer bleek.—Er was bijna een ongeluk gebeurd …Zij zwegen even, hunne blikken begrepen elkaâr. Eene huivering liep over hunne ruggen. De nacht scheen als met wolken van onheil kil te dalen over het paleis.—En … de kleine prins …? vroeg de kamerheer rillende.Xardi haalde de schouders op; zijne oogen werden vochtig om ingeboren liefde, eeuwen oud, voor zijne vorsten.—Sterft … sprak hij dof.
Het waren de dagen van het najaar; dikwijls vergrauwde het zonneblauw van den hemel; des morgens waaiden de winden uit het Noorden, bliezen over de zee tot zij staalkleurde; dan kwam de zon door en scheen ze nog heel warm een paar uren lang met een enkele vlaag, koud, aan de hoeken der straten, verraderlijk in eens aanflapperend; dan, tegen vier uur, half vijf, bluschte de zon en bleef de atmosfeer alleen hare kilte uitademen, ijzig aan de open haven, tusschen de witte paleizen, in straten en op pleinen.
Het was een ongezonde tijd: de keizerin en Berengar hadden[180]een kou gevat op een rijtoer in een open rijtuig; ze hielden beiden hunne kamer en Othomar, op zijne beurt, kwam ze opzoeken; de keizerin hoestte, de kleine prins had koorts; er waren nooit zoovele zieken als in dezen tijd, beweerden de doktoren. En eene melancholie bleef hangen in de ruimte van het Imperiaal, over de geheele stad, waar men, in de opera en op de feesten, de keizerlijke familie niet meer verschijnen zag. Nooit waren de dagelijksche diners in het Imperiaal zoo kort geweest, met zoo weinig genoodigden, en het maakte een onoverkomelijk treurigen indruk, de keizerin niet te zien naast den keizer, in hare delicate, fijn vorstelijke majesteit, maar de prinses Thera, aan wie het onmogelijk scheen de barsche, ontevreden trekken van Oscar te doen opklaren. Othomar wist niet, dat men zich over de keizerin zelfs ongerust maakte; zij ontving hem altijd met alle blijmoedigheid, die zij, trots hare pijn op de borst, kon verzamelen; de doktoren zeiden hem niets, niemand gaf hem de bulletins, men wilde hem sparen en ook, men maakte zich in het Imperiaal zelve minder ongerust dan in de stad, dan door het land.
Maar de kleine prins ontving Othomar met minder zachtmoedigheid dan de keizerin en het waren iederen dag stille woeden, bouderies op de doktoren, die hem in zijn bedje hielden.
Eens dat de kroonprins Berengar kwam zien, waren zij bij hem, de doktoren; de koorts was gestegen, maar het prinsje wilde uit zijn bed; hij was stout, schold, had zelfs den goedigen dokter met zijn dikken kop, geslagen, geranseld met de kleine gebalde vuist.
—Zoodra je beter bent, Berengar, sprak Othomar, diehem eerst bestraft had; zal ik je iets geven.
—Wat dan? vroeg de jongen begeerig. Maar ik ben nu al beter.
—Neen, neen, je moet doen wat de doktoren zeggen en niet tegenstribbelen.
—En wat krijg ik dan?
Othomar zag hem lang aan.
—Wat krijg ik dan? herhaalde het kind.
—Dat mag ik nog niet zeggen, Berengar; eigenlijk is het nu nog wel wat groot voor je.[181]
—Wat dan; een paard?
—Neen, het is niet zoo groot als een paard, maar zwaarder; vraag er niet meer naar, en raad er ook niet naar, maar wees gehoorzaam; dan wordt je beter en dan krijg je het.
—Zwaarder dan een paard en niet zoo groot … peinsde Berengar met gloeiende wangen.
Het hoofd gebogen op de borst, slepend, keerde Othomar naar zijne kamer terug. Uren bleef hij er stil, zwaarmoedig zitten in dezelfde houding; als gewoonlijk verscheen hij niet aan het diner en at nauwelijks van wat Andro hem diende. Toen wilde hij zich uitstrekken op de bank, nam een boek om te lezen, maar legde het weêr neêr en hief zich op, als met een plotselinge impulsie.
—Waarom niet nu? dacht hij! waarom altijd uitstellen …
De avond viel, maar de bovengalerijen van het paleis waren nog niet verlicht; door die duisterende schaduw heen zijne matheid voortslepende, ging Othomar naar de antichambres van den keizer. De kamerheer diende hem aan.
Oscar zat aan zijne schrijftafel, een pen in de hand.
—Stoor ik u, papa? Of kan ik u spreken.
—Neen, je stoort me niet … Ben je bij mama geweest?
—Ja, van middag; ze was nog al wel, maar Berengar had koorts.
De keizer zag hem aan.
—Erger dan van morgen?
—Ik weet niet; hij gloeide nog al …
De keizer stond op.
—Heb je me te spreken?
—Ja papa.
—Wacht dan even. Ik ben na van morgen nog niet bij Berengar geweest.
Hij ging, liet de deur aanstaan.
Othomar bleef alleen. Hij was gaan zitten. Hij zag rond in het groote kabinet, dat hij zoo goed kende van hunne ochtendberaadslagingen met den Rijkskanselier. In den laatsten tijd had hij ze echter niet meer bijgewoond. Hij bedacht wat hij zeggen zoû; intusschen dwaalden zijne oogen om; ze vielen op den grooten spiegel met vergulde krullen; iets bevreemde hem. Toen stond hij op en ging naar het glas toe.[182]
—Ik dacht toch, dat het daarboven verweerd was, meende hij; ik kan me toch zoo niet vergissen. Zoû het vernieuwd zijn geworden?
Hij stond nog bij den spiegel, toen Oscar terugkwam.
—Berengar is niets wel; de koorts neemt toe, sprak hij, en de klank van zijne stem weifelde. Mama is bij hem …
In de suggestie zijner eigene overdenkingen viel het Othomar niet op, dat de kleine prins zeker moest zijn zieker geworden, zoo de keizerin, zelve lijdende, bij hem was.
—En waarover hadt je me te spreken? vroeg de keizer, toen de prins zwijgen bleef.
—Over Berengar, papa.
—Over Berengar?
—Over Berengar en mij. Ik heb ons vergeleken, papa. Wij zijn broêrs, wij zijn beiden uw zonen. Wie van ons, gelooft u, dat het meeste heeft van … u … en van onze voorvaderen?
—Waar wil je naar toe, Othomar?
—Naar het recht, papa. Naar rechtvaardigheid. De natuur is soms onrechtvaardig en blind; ze had Berengar eerst moeten laten geboren worden en dan mij … of mij maar zelfs niet.
—Nog eens, waar wil je naar toe, Othomar?
—Ziet u dat niet in, papa? Ik zal het u zeggen. Is Berengar niet meer vorst dan ik? Is hij daarom niet uw lieveling? En zoû ik hem van zijn natuurlijk recht moeten ontrooven, ter wille van mijn traditioneel recht? Ik wil afstand voor hem doen, papa. Afstand van alles, van al mijn rechten.
—De jongen is gek, mompelde Oscar.
—Van al mijn rechten, herhaalde Othomar, droomerig, als zag hij de toekomst: zijn kleinen broêr, gekroond.
—Othomar, ijl je? vroeg de keizer.
—Papa, ik ijl niet. Wat ik zeg, heb ik dagen, weken misschien overdacht; ik weet het niet: de tijd gaat voorbij … Wat ik u zeg, heb ik met Mama overwogen; ze heeft er om gesnikt, maar mij niet tegengesproken. Ze ziet het ook zoo in … En wat ik u zeg staat vast; ik ben er toe besloten en niets zal er mij van terugbrengen … Ik hoû van Berengar; ik sta hem gaarne alles af en ik zal bidden, dat hij gelukkig wordt[183]door mijn geschenk. Ik ben overtuigd—en u is het ook—dat Berengar een beter keizer zal zijn dan ik. Wat bezit ik er voor talenten voor …?
Hij haalde radeloos zijne schouders op met eene zenuwachtige siddering, die ze schokte.
—Geene, antwoordde hij zichzelven. Ik heb er geene, ik kan niets. Ik kan niet beslissen—als nu—, ik kan niet handelen, ik zal altijd iemand zijn van gedachte. En waarom zoû ik dan keizer zijn en hij niets meer dan de opperbevelhebber van mijn leger of mijn vloot? Dat kan immers niet goed zijn; dat kan zoo niet bedoeld zijn door de natuur … Papa, ik geef het hem, mijn recht van eerstgeborene en ik … ik zal wel leven als het moet …
De keizer, de ellebogen op de tafel, de handen onder de kin, had hem aangehoord, staarde hem aan met zijne kleine toegeknepen oogen.
—Je meent dat alles? vroeg hij.
—Ja papa.
—Je ijlt niet?
—Neen papa, ik ijl niet.
—Dan ben je gek.
De keizer stond op.
—Dan ben je gek, zeg ik je. Othomar, zie in, dat je gek bent en kom tot je verstand terug; wordt niet geheel krankzinnig.
—Waarom noemt u me krankzinnig, papa? Kàn u het niet met me eens zijn, dat Berengar beter zou zijn dan ik?
De wreede blikken van zijn vader doorpriemden Othomar.
—Neen, daarin ben je niet krankzinnig; daarin heb je gelijk …
—En waarom ben ik dan krankzinnig, omdat ik, om die reden, afstand wil doen, ten behoeve van hem?
—Omdat dat niet gebeuren kan, Othomar.
—Welke is de wet, die het verbiedt?
—Mijn wil, Othomar.
De prins hief zich hoog op.
—Uw wil? riep hij; uw wil? U erkent, dat ik niet meer vorst ben, dan alleen van geboorte? U erkent, dat Berengar wel uw eigen keizerkracht heeft en u wilt, uwiltniet, dat ik[184]afstand doe? En u denkt, dat ik me neêr zal leggen bij dien wil …?
Hij stiet een heeschen lach uit.
—Neen, papa, ik zal me niet aan dien wil storen. In alles kan u uw wil doorzetten, maar hierin niet. Al riep u uw heele leger bij elkaâr, dan kon u dit toch niet dwingen. Er is een einde aan menschelijken wil, papa, en niets, niets, niets kan mij beletten, dat ik mijzelven ongeschikt vind tot regeeren en dat ik geen kroon dragenwil!
De keizer had Othomars polsen gegrepen; zijn heete adem siste in Othomars gezicht.
—Verdomde jongen! knarstte hij tusschen zijne groote witte tanden. Lammeling! Je hebt gelijk, je hebt niets van een keizer; je zal er nooit iets van hebben. Als ik niet beter wist, zoû ik zeggen, dat je de zoon was van een lakei. Je hebt gelijk, je bent ongeschikt. Je bent niets, jou past onze kroon niet. En toch, al moest ik je opsluiten in een gevangenis, zoodat niemand je laagheden hooren kon, je zùlt geen afstand doen. Het einde van mijn wil is verder dan jij het ziet. Hoor je? Je zult het niet doen, je zult geen afstand doen, al moest ik je van dit oogenblik af, als een schande, verbergen voor de wereld. Jouw verslapte hersenen begrijpen dat niet, niet waar? Je begrijpt niet, waarom ik meer hoû van Berengar, dan van een lafbek als jij, en hem toch niet in jouw plaats mijn opvolger wil zien? Dan zal ik het je moeten zeggen. Ik wil dat niet, om de wereld geen getuige te maken van de ontaarding van ons geslacht. Ik wil niet, dat ze ziet, hoe ellendig het verzwakt is in jou, en ik zoû je eerder … je eerder kunnen vermoorden, dan dulden, dat je afstand deed!
Woest had Oscar den prins bij de schouders genomen, hem achteruit geduwd op een bank, waarop hij, zittende, neêrzonk; als een prooi bleef hij hem omknellen in zijn greep van sterke handen.
—Maar ik zeg je, ging de keizer voort; ik zeg je, je bent de zoonnietvan een lakei: je bent mijn zoon, en ik zal je niet vermoorden, omdat ik je vader ben. Alleen dit wil ik je zeggen, Othomar: je had me hiervoor kunnen sparen. Ik geloof, dat je hoog denkt van je fijngevoeligheid, maar je bezit zelfs niet het eenvoudigste gevoel. Je voelt zelfs niet, dat je een[185]laagheid hebt bedacht, de laagheid van een proletariër, een slaaf, een paria, een ellendeling. Je hebt zelfs geen oogenblik gevoeld, wat voor een leed je mij zoû doen met die laagheid. Je zag, dat ik meer hield van je broêr; je dacht, dat ik je laf plan goed zoû vinden. Geen oogenblik kwam het in je op, dat jemijmet die lafheid het grootste verdriet zoû doen, dat ik ooit kon ondervinden …!
Verpletterd was Othomar op de bank ineengezakt. Hij kon niet meer onderscheiden wat recht was en wat waar; hij kende zichzelven niet meer op dit oogenblik; als geesels striemden de woorden van zijn vader hem de ziel. En hij voelde zich geene kracht er tegen op te komen; de beleedigende verwijtingen hielden hem afgeranseld neêr. Laagheid en schande, krankzinnigheid en ontaarding, hij ging er in onder; hij zwolg de modder er van in, tot hij er in stikte. En dat hij er niet in stikte en ademen bleef, leven bleef, dat de dag klaar om hem heen was, de dingen onveranderd waren, de wereld daarbuiten niets wist, dit alles werd hem wanhoop. Een oogenblik dacht hij aan zijne moeder. Maar hij wilde het zwart, den dood, om zich te verbergen, zichzelven en zijne schande, zijne ontaarding, de melaatschheid van zijn paria-gemoed … Het flitste door hem heen in de seconde na dien laatsten striem van verwijt over zijne ineengezonken ziel. Hij wist, dat Oscar altijd een revolver geladen had in een open loket van zijne schrijftafel. Zijne hersenen spanden zich in bedenken, hoe dit wapen te bereiken. Hij was opgestaan, had het loket genaderd: in eens sprong hij er op af, strekte zijne hand uit en greep het pistool …
Dacht Oscar, dat zijn zoon verbijsterd was door zijne laatste woorden en nu het leven wenschte van zijn vader? Doorzag hij die extaze naar zelfvernietiging in zijn kind, ging door zijn sidderend brein heen die gruwel van gedachte, dat zelfvernietiging … het laatste heil voor den paria zoû zijn? Wat ook, instinctmatig toch stortte hij op Othomar toe. Maar de prins, licht, ontsprong hem, richtte de revolver, de oogen dol, het gelaat verwrongen, in wezenlooze wanhoop opzichzelven, op zijn eigen voorhoofd, waarop de aderen blauw zwollen …
—Othomar! brulde de keizer.[186]
Op dit oogenblik ijlden stappen buiten aan, klonken verwarde woorden in de antichambre en de markies van Xardi, adjudant van den keizer, ontzet, in verwarring, smeet de deur wijd open …
—Sire! riep hij uit; de keizerin vraagt of Uwe Majesteit oogenblikkelijk bij prins Berengar komt …
Het schot was afgegaan, in den muur. Het bloed drupte van Othomars oor. De keizer had den prins beetgepakt en hem het nog vijfmaal geladen pistool ontrukt; ook het tweede schot ging in dat korte oogenblik van strijd af, in het plafond. Wezenloos bleef Othomar staan.
—Markies! beet de keizer Xardi toe; weet niet wat u denkt, maar ik zeg u dit: u heeft niets gezien, u denkt niets. Wat hier gebeurde vóór u binnenkwam … is niet gebeurd.
Dreigend strekte hij den vinger naar Xardi uit.
—Mocht u óoit vergeten, markies, dat het niet gebeurd is, dan zal ik ook vergeten wie u is, al laat u ook uw stamboom opklimmen tot voor den onze!
Doodsbleek stond Xardi voor zijn keizer.
—Mijn God! Sire …
—Wat doet u het kabinet van uw vorst op die onhebbelijke manier binnenkomen? De hertog van Xara laat zich zelfs aandienen, markies!
—Sire …
—Wat? Spreek op!
—Hare Majesteit …
—Wat, Hare Majesteit?
—Prins Berengar … de koorts is gestegen: hij ijlt, Sire en de doktoren …
De keizer was verbleekt.
—Hij is dood? vroeg hij woest. Zeg het in eens.
—Niet dood, Sire, maar …
—Maar wat?
—Maar de doktoren … hebben geen hoop …
Met een vloek van smart duwde de keizer den adjudant weg en stortte zich voort, de kamer uit.
De kroonprins was blijven staan. Het leven kwam tot hem terug; eene werkelijkheid van smart, uit nachtmerrie geboren. Zijne oogen liepen vol tranen.[187]
—Xardi … smeekte hij; je Huis was altijd trouw aan ons Huis; zweer me, dat je zwijgen zal.
In ontzetting zag de markies den kroonprins aan.
—Hoogheid …
—Zweer me, Xardi.
—Ik zweer het U, Hoogheid, sprak de adjudant gedempt, en strekte zijne vingers uit naar het crucifix, aan den muur.
Othomar drukte zijne hand.
—Is prins Berengar …
Hij kon nauwelijks spreken.
—Is prins Berengar in eens zoo ziek geworden …?
—De koorts stijgt ieder oogenblik, Hoogheid, en hij ijlt …
—Ik ga er heen, sprak Othomar.
Hij sponsde zich met den zakdoek het bloed van het oor en hield het, dadelijk doorweekte, batist er tegen aan.
In de laatste antichambre ging hij voorbij den kamerheer en zag schuin naar hem. Xardi stond even stil.
—De hertog van Xara heeft zich licht verwond, sprak hij. Hij onderzocht iets aan de revolver van den keizer, toen ik binnenkwam en hij schrikte: twee schoten gingen af.
—Ik heb ze gehoord, fluisterde de kamerheer bleek.
—Er was bijna een ongeluk gebeurd …
Zij zwegen even, hunne blikken begrepen elkaâr. Eene huivering liep over hunne ruggen. De nacht scheen als met wolken van onheil kil te dalen over het paleis.
—En … de kleine prins …? vroeg de kamerheer rillende.
Xardi haalde de schouders op; zijne oogen werden vochtig om ingeboren liefde, eeuwen oud, voor zijne vorsten.
—Sterft … sprak hij dof.