“Sachez donc qu’en ce domaineD’où me chasse encore ta haineEn seigneur j’ai commandé.”dat wil zeggen, altijd in absentie van den vrijheeren titre; ik was maar de vermoedelijke erfgenaam, een vermoeden, dat, helaas! wel nimmer tot zekerheid zal komen.”Het begon mij te schemeren, toen Francis, verontwaardigd over zijn lossen, schertsenden toon, in zoo schril contrast met de treurige werkelijkheid, inviel met de klare waarheid: “Mijnheer is.... Rudolf von Zwenken, de zoon van mijn grootvader.”“Oom te zeggen valt mijne allerliefste nicht altijd wat zwaar, en dat is mijne schuld.Vous voilà en pays de connaissance, neef van Zonshoven!” ging Rudolf voort, nu op zijn vroegeren luchthartigen toon; “maar zij moest mij toestaan hare presentatie eenigszins te rectificeeren. Er bestaat geen Rudolf von Zwenken meer; hij is burgerlijk dood.”“En zedelijk!” verzuchtte Fancis halfluid.“En zoo hij onder dezen naam wilde ressusciteeren,” hervatte hij, zonder zich aan de soufflet van Francis te storen, “zou hij zoo iets begaan als een zelfmoord; want hij zou het grootste gevaar loopen om gevangen genomen en gefusileerd te worden, zonder pardon.”“En dit wetende, en na alles wat er gedaan is om u aan dit gevaar te onttrekken, u nog weer hier te vertoonen, dat is onverantwoordelijk,” viel Francis in.“My dear!wie of wat zegt ù dan, dat ik mij hier vertoonen kom? Representaties geven wij hier in de provincie, dat is waar; maar wie zich dáár bij den volke vertoont is master Richard Smithson, en wel zóó goed gegrimeerd, dat kolonel von Zwenken zelf vóór hem zou staan zonder zijn zoon te herkennen.”“Dat’s heel gelukkig, want zulk eene herkenning zou hem den dood aandoen, daar ben ik zeker van,” sprak Francis met hardheid.“O! là!dearestFrancis! gij overdrijft. Mijn heer vader is nooit zoo bijzonder teergevoelig geweest als het mij gold; maar dat doet er niet toe. Hij zal nooit weten wie master Smithson is, en deze zal hem nooit onder de oogen komen. Maar ’t is een ander geval met Rudolf von Zwenken, die hier is om in alle eerbiedigheid een onderhoud met zijn vader te hebben en die daartoe uwe tusschenkomst inroept, Francis!”“Tevergeefs, mijnheer! Gij kunt uw vader niet spreken en zult hem niet weerzien,” zei Francis met beslistheid.“Hoe nu! gij zoudt mij daartoe uwe medewerking weigeren? Dat zou geene hardheid zijn, dat zou onmenschelijk wezen.”“Als ik menschelijkheid heb te betoonen, is het allereerst aan uw vader, en dezen moet ik beschermen tegen ’t geen gij hem nu opnieuw wilt aandoen.”“Maar lieve, beste kind! versta mij dan toch. Ik wil hem niets aandoen dan zijne hand kussen en hem vergiffenis vragen. Daartoe heb ik mij over allerlei bezwaren en vermoeienissen heen gesteld; ik heb drie uren aaneen te paard gezeten, omdat ik de diligence niet durfde gebruiken; ik heb twee uur geloopen; ik heb mij tot de schemering in de ruïne verscholen; ik ben den bekenden tuinmuur overgeklommen met gevaar van armen of beenen te breken; ik berekende hoe ik hier ongemerkt binnen kon sluipen; ik zag licht op de logeerkamer en dacht aan niets dan aan mijn vader en aan uwe goedheid; ik vergat hoe groot een zondaar ik zijn moet in uwe oogen en, ik waagde mijneentree de chambrehier, die niet van de makkelijkste was, dank zij de weinige voorkomendheid van Jonker Leopold; en dat alles zou nu tevergeefs zijn doorgeworsteld? Neen, Francis!my darling!dat gaat niet. Gij zult u beter beraden, gij zult mij dien eenen droppel lafenis op mijn hobbelig pad niet onthouden; gij zult mij de gelegenheid schenken mijn vader weer te zien, hem te verrassen!”“Dat zal ik zekernietdoen, en gij weet dat ik een vasten wil heb, als mijn besluit is genomen.”“Maar gij hebt toch een menschelijk hart, al is ’t geen heel week, vrouwelijk. Dan begrijp ik wel wat uwe bijgedachte is en waarom gij weigert. Gij meent dat ik kom als de verloren zoon, platzak thuis, na van den zwijnendraf te walgen, ’t Is juist omgekeerd.”“Profaneer niet, Rudolf,” vermaande Francis streng.“Ik profaneer niet, ik gaf alleen de tegenstelling. Ikkom terug, niet uit behoefte, maar omdat het mij beter gaat; ik kom ruim zeshonderd gulden brengen als begin van restitutie. Wat dunkt u! als papa deze portefeuille, met die mooiegreenbacksgevuld, morgenochtend bij het ontwaken op zijne kussens vond, zou hij dan zijn verloren zoon, die onder zulke gunstige omstandigheden terugkeert, niet met blijdschap de armen openen?”“Neen, Rudolf! zeker niet! hij zou vreeselijk schrikken en al de vroegere jammer en ellende, de vrees voor schande zou opnieuw over hem komen; daar is meer verloren gegaan dan geld alleen, dat weet gij wel! De eer is verbeurd, en ziedaar wat uw vader u nooit kan vergeven. En spreek niet van teruggave; die kleine som, onbeteekenend in vergelijking van de zware offers die er voor u gebracht zijn, kan niet opwegen tegen hetgeen wij voor u gedaan, door u geleden hebben, en waarmede wij meenden voor ’t minst rust en vergetelheid gekocht te hebben.”Rudolf boog het hoofd, zuchtte en bleef zwijgen in diepe verslagenheid.Ik was met hem bewogen; ik had eene merkwaardige verandering opgemerkt in zijn gelaat, toen Francis hem zoo alle hoop ontnam; zijn verbleeken, de gespannen trekken, iets vochtigs dat de guitige oogen plotseling verduisterde, wekten mijn medegevoel in hooge mate. Hoe kon men zoo hard zijn voor een medemensch die gevallen was, als Francis bleek dit te zijn voor dezen ongelukkigen bloedverwant! Van die zijde had ik haar nog niet leeren kennen, al wist ik hoe Majoor Frans in drift kon uitvallen; hare trekken zelfs namen dien strakken kouden ernst aan, die haar meer dan ooit op eene Romeinsche matrone deed gelijken, die deugd geene deugd acht, als zij niet boven het menschelijke gaat. Juist ditmaal viel zij niet uit in ruwe woorden; zij bleef kalm en waardig, maar er was eene uitdrukking van minachting in haar oog, die hem wien het gold verpletteren moest. Als Francis mij ooit zoo kon aanzien, zou hetuit wezen tusschen mij en haar. Al griefde het mij, ik kon niet tusschen beide treden. Er moest een reden zijn voor hare onverbiddelijke strengheid die ik niet kon doorgronden; tot zoolang moest ik mij onzijdig houden, te eer daar zij mij als met voordacht tot haar getuige had begeerd bij dit tooneel.Eindelijk hief Rudolf zich op uit zijne gebogene houding, schonk zich een glas water in, dat hij in één teug ledigde, trad toen naar Francis toe, en de armen over elkaar kruisende, sprak hij haar aan op gansch veranderden toon:“Luister eens freule Mordaunt! het komt mij voor dat gij, onder pretext van over ons huis te waken, mijn vader in zonderlinge voogdij houdt, en dat gij, zonder nog zijn wil te kennen, u met ongemeene hardheid verzet tegen eene verzoening tusschen hem en mij; en het is wel vreemd, dat eene nicht,maareene nicht, hier de rol speelt van een oudsten broeder, wangunstig op het goed onthaal van den verloren zoon!”“Och! met uw verloren zoon!” riep Francis toornig; “gij zijt de verloren zoon niet, gij geeft alleen toe aan eene opwelling vansensiblerie, die voldoening eischt, zooals gij altijd toegegeven hebt aan uwe lusten en hartstochten, ze mochten kosten wat het wilde.”“Wees ten minste niet bang, dat de schade ditmaal aan uwe zijde zal zijn!” viel hij in met zekere bitterheid. “Gij weet immers wel dat ik, verzoend of niet, geen aanspraak zal maken op de nalatenschap van mijn vader, die usans contestezal toevallen, daar ik noch den wil, noch de gelegenheid heb om mijn recht in dezen te laten gelden!”“Dat mankeert er nog maar aan, dat gij mij van baatzucht verdenkt!” viel Francis in met sprekende verontwaardiging.“Ik verdenk u niet; integendeel, ik ga gebukt onder het wicht van uwe edelmoedigheid en mijne verplichtingen, ik zeg het alleen om u gerust te stellen omtrent demogelijke gevolgen van mijne verzoening met uw grootvader. Voor de wereld ben ik Richard Smithson, die te New-York burgerrecht heeft verkregen, laat mij nu een oogenblik Rudolf von Zwenken zijn, die zijn vader nog eenmaal wenscht weer te zien om hem vaarwel te zeggen voor eeuwig! Waarom zoudt gij u hiertegen verzetten?”“Omdat uw vaarwel voor eeuwig niets verzekert voor de toekomst; gij komt altijd weer.”“Maar als ik eenmaal niet berusten wil in uwe weigering, als ik mij niet stoor aan uw verzet; als ik uit den eigen mond van mijn vader wil hooren, dat hij mij haat en verstoot! Wat belet mij hem op te zoeken? Ik weet nog heel goed den weg hier in huis; denkelijk zal ik hem nu in de groote goudleeren kamer vinden. De oude Frits, zoo hij mij tegenkomt, zal schrikken, maar mij niet afwijzen; de andere bedienden....”“Zullen u evenmin terughouden; uw vader is zoo arm, dat wij het met dien eenen oppasser moeten doen! Als gij het er dus op toeligt om den zwakken ouden man te overvallen, kunt gij uw gang gaan; niemand zal u weerhouden. Maar dit eene moet ik u waarschuwen: gij zult Rolf bij hem vinden! Rolf die u van ouds kent en die het consigne van zijn overste zal gehoorzamen, wat het hem ook kosten moge. Voorziet gij niet, als ik, het tooneel dat dan volgen zal?”“De drommel hale dien Rolf; wat doet die oude roffiaan nu ook hier!” riep Rudolf verdrietelijk, en hij liet zich als verslagen op de sofa neervallen.“Die oude roffiaan doet alles wat hij kan, meer dan hij moest, om het lot te verzachten van uw vader, dien gij ongelukkig hebt gemaakt! Is het misschien daarom dat gij hem verwenscht?” sprak Francis onbarmhartig, hoewel zij zag, dat de ongelukkige vernederde man de handen voor de oogen bracht om de tranen te verbergen, die hij niet langer kon terughouden.“Mijne ellende zou niet volkomen zijn zoo uwe minachting haar niet voltooide,” riep Rudolf ondersnikken, “en ik die zoo welgemoed en opgewekt herwaarts heen was gekomen!....”Ik kon mij niet begrijpen hoe Francis, die zorg had voor een gekwetsten hond, bijtende loog kon storten in de wonde van een lijdend mensch, hoe schuldig hij ook zijn mocht. Ik voelde bitterheid tegen haar in mij opwellen, en ik voelde mij geroepen den patiënt te bemoedigen tegen hare bedoeling in.“Mijnheer Rudolf!” sprak ik, “sta mij toe de tusschenpersoon te zijn om uwe samenkomst met den generaal voor te bereiden, sinds freule Mordaunt daartegen opziet!....”“Geef u geene moeite, Jonker van Zonshoven!” hernam Francis stroef en met hoogheid. “Ik zie er niet tegen op, maar ik weet, dat het vruchteloos zal zijn; en daarom is het beter hierin niets te doen. Mijnheer Rudolf zal zich herinneren, dat ik, ik zelve, eenmaal onder tranen mijn grootvader te voet ben gevallen om hem te verbidden zijn zoon niet onverzoend in de ballingschap te zenden, en dat het tot niets heeft geleid dan tot heftiger smart en toorn.”“Dan zal ik moeten berusten,” sprak Rudolf verbleekend en in de houding der diepste moedeloosheid. Blijkbaar ontbrak het den forschgebouwden, luchthartigen man aan wilskracht, aan energie tot weerstand.“Ja! gij moet berusten, als gij den grijsaard werkelijk nog eenige liefde toedraagt,” hervatte Francis. “Ik wil u niet hard vallen om die eerste beweging die u hierheen dreef; ik wil gelooven dat zij uit het hart voortkwam zonder bijoogmerk; maar bedenk het wèl, gij zelf hebt het gerucht van uw dood hier doen verspreiden en waarschijnlijk gemaakt.”“Ik was dit verplicht om mijne veiligheid en ter geruststelling van mijn vader, die mij altijd in gevaar waande van opnieuw gevangen genomen en geëxecuteerd te worden!”“Welnu dan, dat gevaar is niet verminderd, zelfs nietna al de jaren van vrijwillige ballingschap; de krijgswet is onverbiddelijk, gij erkent het zelf, evenals het eergevoel van uw vader! Het gerucht van uw dood is tot hem gekomen; hij gelooft er aan, hij heeft er zich over getroost.”“Al heel gemakkelijk, zooals ik nu inzie.”“Neen! het heeft hem smart en strijd gekost, dat kan ik getuigen; maar toch, nù is er kalmte gekomen, gevoel van veiligheid en onbezorgdheid op dit punt; de wonde is tot een litteeken geworden, dat maar bij enkele oogenblikken nog van pijn trilt. Waartoe dit nu weer op te rijten; waartoe, zelfs bij de mogelijkheid (en die stel ik niet) dat hem het weerzien niet smartelijk schokken of vertoornen zou, hem die rust, die zwaar bekampte rust, te verstoren? Hij vreest nu geene rampen, hij vreest nu geene schande meer voor u; die zekerheid houdt op zoo ras hij weet, dat gij leeft en den overmoed hebt gehad in het vaderland terug te keeren. Alle angsten en zorgen, die zijne grijsheid vervroegd hebben, zullen hem dan opnieuw overvallen; hij zal rust noch duur hebben eer hij u weer veilig over de grenzen weet, en het zal u nog wel heugen hoeveel moeite en bezwaren dat ons herhaaldelijk heeft gekost.”“Het is waar, maar al te waar! Ik ben een ondankbare loshoofd, aan dat alles niet te denken. Ik zal mij dan maar getroosten, weer heen te gaan zooals ik gekomen ben,” verzuchtte Rudolf, en hief zich op met de matheid van iemand die zonder lust of kracht een zwaren tocht meent te moeten aanvaarden.“Maar gij zult niet gaan zonder u wat verkwikt en verfrischt te hebben,” sprak Francis met goedheid, nu zij zeker was van hare overwinning. Ik verblijdde mij dat zij er uit zich zelve toe kwam; want het stond bij mij vast, dat ik Rudolf von Zwenken niet vermoeid en aemechtig uit zijns vaders huis zou laten heentrekken.“Ik zal u wat brood en vleesch bezorgen; neef Leopold zal wel toestaan dat gij hier nog wat uitrust.”“En als het zijn kan een glas wijn; want sinds mijn luncheon te twee uren, en nog wel in een boerenherberg, heb ik niets gebruikt.”“Ik zal voor u zorgen.”“En als Frits komt klaarzetten, zal ik mij achter het ledikant verschuilen,” zei Rudolf.“Het is niet noodig; het is veel eenvoudiger dat ik u zelf kom bedienen,” antwoordde Francis, terwijl zij het vertrek verliet.“Br! geen katje om zonder handschoenen aan te tasten, onze majoor!” riep Rudolf uit, zoodra hij hare voetstappen niet meer hoorde. “’t Is me waarachtig, of ik in ’t schimmenrijk ben aangeland en voor de vierschaar van Minos sta, als zij mij met haar koelen, doorborenden blik aankijkt. Maar toch een goed en trouw hart; op mijn woord van eer, een hart uit duizenden.”“Ik had van dat goede hart wel wat minder strafheid gewenscht jegens een bloedverwant die in ’t ongeluk is,” liet ik mij ontvallen.“Wat zal ik u zeggen; zij kent mij eigenlijk niet dan uit de mededeelingen van mijn vader, bijgevolg van de ongunstigste zijde; den enkelen keer waarin het toeval, laat ik liever zeggen mijn ongeluk en mijne schuld, haar met mij in aanraking bracht, was het altijd onder omstandigheden die volstrekt niet geschikt waren om haar gunstig voor mij te stemmen. Het kostte haar moeite, zorg en geld. Ja! ik vrees zelfs dat ik hare reputatie schade heb gedaan zonder het te willen. Destijds was zij nog diep begaan met mijne rampspoeden en overwoog zij, in hare zucht om mij te hulp te komen, evenmin hetqu’en dira-t-onals ik, die onbedacht genoeg was om dat niet te berekenen. Zeker, ik had niet te Z. moeten komen, zonder te weten hoe ik ontvangen zou worden; maar toen ik er eens was, bleek het dat ik mij verschuilen moest in een armzalig herbergje om niet zelfs onder mijne vermomming herkend te worden. In mijns vaders huis durfde ik niet weer binnendringen, nadat deze zelfmij door zijn adjudant als een onbekenden landlooper aan de deur had laten afwijzen. Toch wilde ik Francis nog zien en spreken, en ik had haar een belangrijken dienst te vragen. Zoo gaf zij mijrendez-vousop zekere afgelegene wandelplaats, waar in den regel geen sterveling den voet zet dan op zon- en feestdagen; maar zooals het altijd gaat, ditmaal werden wij er betrapt en bespied, door den een of anderen leeglooper die er zijnfortvan maakte nieuwtjes te verzamelen; en schoon ons onderhoud dood onschuldig was, ja, tot strengheid toe ernstig van hare zijde, was het toch een canavas waarop de ploerten en ploertinnen van ’t kleine stadje allerlei moois en leelijks borduurden tot hare schade! De klare zuivere waarheid had haar geen nadeel kunnen berokkenen en zou slechts hare hulpvaardigheid in ’t ware licht hebben gesteld, daar zij tot hare diamanten toe had opgeofferd om mij armen zwerver voort te helpen buiten haar grootvader om; maar de fabeltjes die men daarop bouwde en elkaar in de ooren fluisterde, moesten haar declineeren in de publieke opinie. Ik heb dat later van anderen gehoord, toen ik buiten staat was er iets tegen te doen, al had ik mij zelven willen prijs geven om haar te verdedigen. Het is waar, men verzekerde mij tegelijk dat Francis zich er volstrekt niet aan stoorde en veel te fier was om zich daar niet over heen te zetten; maar toch, als er zoo iets in de lucht hangt tegen eene vrouw, dan wordt het haar voelbaar gemaakt of zij ’t erkennen wil of niet, en deze vergeeft het nooit aan hem die er de oorzaak van is.”“Dat zou wel kunnen zijn, en nu begrijp ik de uitdrukking van bitterheid, waarmee zij mij eens in de rede viel toen ik haar van hare parure sprak! Het is zeer verklaarbaar; en toch, ik zou haar nog hooger achten om hare edelmoedigheid, zoo zij u daarover geenerancunehield.”“Pouâh!dan zou zij volmaakt zijn; en de volmaakte vrouw die is,passez-moi la comparaison, evenmin tevinden als een paard dat alle goede kwaliteiten in zich vereenigt, zonder een enkel gebrek! Daarom magmy dearFrancis met mij leven zooals zij goedvindt; al wil zij mij schoppen en bijten als eene weerbarstige merrie, ik zal het hoofd er onder buigen; ik ben weerloos tegen haar en....”Hij zweeg. Francis kwam terug, hare provisie in een mand aan den arm dragende.Zij dekte voor ons op de groote marmeren tafel; zij had rijkelijk voor brood en vleesch gezorgd, en zette een flesch wijn met twee glazen neer, terwijl zij mij zeide:“Leo! doe mij het genoegen en soupeer met mijnheer Rudolf; ik zal een pretext zoeken voor uwe absentie daar beneden.”“Het zou mij waarlijk moeielijk vallen den generaal nu te zien en te spreken zonder iets te laten merken.”“Dat zou heel verkeerd zijn; als gij deernis hebt met den grijsaard, moet gij mij helpen om de onweerswolk van zijn hoofd te laten afdrijven zonder dat hij er iets van heeft bemerkt.”De “onweerswolk” had zich intusschen te goed gedaan aan het brood en vleesch, dat hij met verbazende gretigheid en gulzigheid verslond, dronk een paar glazen wijn achtereen uit en scheen nu genoeg bij kracht, om nog eens een aanval op de schikkelijkheid van Francis te wagen.“Francis!my darling, zou ik den nacht hier niet mogen doorbrengen?—in alle geheimzinnigheid dat spreekt vanzelf,” voegde hij er bij, ziende dat zij het voorhoofd fronste.“Ik zou het wel willen voor u Rudolf! maar ik zou niet weten waar.”“Och kom! er zijn zooveel logeerkamers in mijns vaders huis.”“Kamers genoeg; maar in den vleugel waar de generaal en Rolf logeeren kan ik u niet huisvesten, dat spreekt vanzelf; en hier in dezen is geen ander vertrekmeer gemeubeld dan de logeerkamer van Jonker Leopold alleen.”“Maar ik vraag niet naar meubels; ik zou in den stal op het stroo kunnen slapen, als het niet gevaarlijk was tegenover den koetsier.”“Er is hier geen koetsier meer,” zei Francis eenigszins verbleekend.“Hoe nu, hebt ge over u kunnen verkrijgen om Harry Blount te ontslaan?”“Harry Blount is dood!” antwoordde Francis zonder op te zien, met eene doffe stem.“Harry Blount dood! hoe heeft die flinke jongen die malligheid kunnen begaan! Hij zou even dertig zijn, zoo ik me niet bedrieg. Ik heb hem zelf nog leeren rijden toen hij mij alsgroomwerd toegevoegd op zijn dertiende jaar; zijn vader was een juweel van een piqueur; dien dank ik het nog dat ik nu mijn brood kan verdienen! Wel! wel! zoo is de stal hier opgeruimd. Maar Francis! mijn engel, gij ziet er zoo ontdaan uit, daar moet meer aan vast zijn; hebt ge uw mooie rijpaardje ook al van de hand moeten doen?”“Neen! neen! dat niet. Tancred wordt verzorgd bij de Pauwelsen; maar ’t herdenken aan Harry Blount is mij zoo schrikkelijk; ik—ik ben de oorzaak van zijn dood!”“Kom, gekheid, daar geloof ik niets van; weer vrouwelijke overdrijving! Ge moogt hem zoo eens eventjes, in een oogenblik van vivaciteit....” hij maakte eene geste of hij een karwats in de hand hield, “maar dat heeft hij van mij ook gehad, dat zou hem den dood niet doen, en gij zult hem toch niet vermoord hebben?”“Neen! God weet wat ik er voor had willen doen en dragen om den armen trouwen man in het leven te behouden; maar toch ligt de schuld aan mij. Het was op een rijtoer; wij hadden de mooie blauwgrijze schimmels moeten wegdoen.”“Surely I am to be dammed!” riep Rudolf; “dat prachtige span, mijn arme vader!”“Ja Rudolf, het was er toe gekomen; maar dat was nu juist uwe schuld niet; hij had, ik weet niet meer welk verlies geleden; wij hadden nu een nieuweling dien wij met het eene paard, dat wij nog behouden hadden, te zamen in het tuig zouden wennen, en Harry meende het alleen te doen; maar gij weet, ik val wat koppig als ik mij eens iets in ’t hoofd heb gezet; ik begreep dat ik er bij moest zijn; ik wilde de teugels voeren, schoon Harry het ernstig afraadde! Afraden was twijfel aan mijne behendigheid, aan mijne vaste hand; ik kon dat niet dragen—een zware afrijwagen,—ik naast Harry op den bok, ik nam de leidsels; het ging den rechten breeden straatweg op, die van Z. naar het dorp voert, en al ging het met inspanning, met overspanning zelfs! Rudolf! het ging goed! ik kreeg ze toch tot gedweeheid.”“Bravo! dat dacht ik wel!”“Och, juicht niet om dien jammerlijken triomf, die nu mijn leven vergalt; toen juichte ik ook, en in mijn overmoed lachte ik Harry uit, die het hoofd schudde en voorzichtigheid preekte. Ja, Leo! gij moogt, gij moet het wel hooren welk een schepsel ik ben, als mijn zelfgevoel, mijn trots wordt geprikkeld. Ik vond het noodig de paarden eens ferm te laten loopen, om de zegepraal op hun onwil te verzekeren; Harry was het met mij eens, maar wilde dat ik nu verder het bestier aan hem zoude overlaten; hij zag mij hijgen van vermoeienis en wees naar de lucht, waar men een onweer zag opkomen.“Wij moeten terugkeeren, Freule! of er gebeurt een ongeluk,” sprak hij, “tenzij ge mij de leidsels overgeeft, want hier is een mannenhand noodig.” En reeds omklemde hij de mijne, om zich daarvan meester te maken.Ik kon die aanmatiging niet dulden; de wereldorde scheen mij omgekeerd, dat hij mij wilde dwingen, een koetsier, een wezen dat ik als kind reeds als mijn lijfeigene had beschouwd.Ik wees hem terug, met drift, met gekrenktheid, enwilde ’t niet opgeven. Op hetzelfde oogenblik, als had de hemel mij willen waarschuwen, of mijn overmoed straffen, schoot er een felle bliksemstraal neer; de donder rolde, de paarden schrikten, werden schichtig, steigerden. Blount sprong van den bok, denkelijk met het kloeke besluit om zich voor de paarden te werpen en ze te doen stilstaan, of met geweld om te wenden, hetzij uit zucht tot zelfbehoud en om te ontkomen aan het gevaar dat hij voorzag. Van schrik verlamd over zijn radeloos beginnen, liet ik de leidsels schieten.... en.... de verwilderde dieren gingen door! gingen door over het lichaam van Blount, die zijn sprong had gemist. In ontzetting, in wilde wanhoop waagde ik zelve den sprong, die mij het leven had kunnen kosten, doch die door de stoutheid zelve mij redde; de dreuning van den schok had mij alleen duizelig gemaakt. Toen ik weer tot mij zelve kwam was het om te zien wat er gebeurd was, wat mij levenslang als eene bloedschuld zal drukken. Harry Blount lag verpletterd ter aarde en heeft geen uur meer geleefd!Bleek als ware zij zelve een lijk, zonk Francis op de sofa en eindigde onder snikken:“Ziedaar, Rudolf, waarom ik nooit weer van dien ongelukkige kan hooren zonder dat dit afgrijselijk tooneel mij weer levendig voor de oogen staat.”“Het is almachtig jammer, Francis!” sprak Rudolf, ook bewogen, “en ik zou voor u wenschen dat ik in plaats van Blount dat ongeluk had gehad; dat was een lastpost minder voor u geweest, en die ferme jongen had nog pleizier kunnen hebben van zijn leven. Maar nu het anders is uitgevallen, moet gij het u maar niet te veel aantrekken; er gebeuren zoo dikwijls zulke ongelukken, zonder dat men daarom zich beschuldigt; gij hadt er immers ook mee om koud kunnen zijn, kindlief! Ik heb er zelf ook al wat van beleefd, dat kan ik zeggen; ik heb er menigeen van ’t paard zien vallen die niet weer opstond. Doch wat zal men daar tegen doen;wachten tot je beurt komt en er maar niet te veel aan denken, dat is het beste.”“Maar zoo luchtig kan ik het niet opnemen,” viel Francis in met gesmoorde stem. “Ik kan er mij wel somtijds over heen zetten, en mij zelve wijsmaken dat hetgeen gebeurd is zoomin door mij bedoeld was als ik het heb kunnen voorkomen, maar toch.... het zelfverwijt komt altijd weer boven. ’t Is de knagende worm, dien men wel verdooven, maar niet dooden kan. Ik ben zeker dat neef Leopold niet van uw gevoelen is,” hervatte zij meer levendig, en mij aanziende als om mijn antwoord uit te lokken.“Neen, Francis! luchtig opnemen zou ik het zeker niet, maar evenmin vertwijfelen om de rust der consciëntie terug te vinden als zulke wroeging mij pijnigde.”Zij zag mij aan met diep zwaarmoedigen blik en haalde moedeloos de schouders op.Ik kon haar zoo niet zien, zonder haar iets te zeggen van ’t geen mij sinds lang op het hart lag. Ik ging naar haar toe, legde met een onwillekeurige beweging mijne hand op haar schouder en fluisterde haar toe:“Francis! gij hebt geen vrede met de menschen, gij hebt geen vrede met u zelve,—waarom zoekt gij geen vrede met God?”“Wie zegt u dat ik dienietzoek, Leo? Maar”—zij zuchtte—“die laat zich niet vinden, zelfs niet in zwaren strijd en boete.”“Omdat gij niet op de rechte wijze zoekt, geloof mij daarin. Ik weet er ook iets van.”“Gij, Leo?” sprak zij met een ongeloovig hoofdschudden; “zoo gij in mijn geval waart, gij zoudt er onder gedrukt blijven als ik!”“Neen! ik zou mij oprichten, want ik zou met een ootmoedig hart het ‘onze Vader’ bidden, en in praktijk brengen.”“Hoe meent gij dat?” Zij zette groote verwonderde oogen op.“Ik zou geene vrijheid vinden het: ‘Vergeef ons onze schulden’ uit te spreken. Ik zou niet durven rekenen op de verhooring zoo ik er niet zelf in volle oprechtheid kon bijvoegen: ‘gelijk wij vergeven onze schuldenaren.’ Dit, Francis! ontbreekt u; vergun mij het u te zeggen; gij zijt hard voor dien man dáár, die onze medebroeder is in de schuld; vergeef hem van harte wat hij tegen u misdeed, en....”“Maar dit is hem sinds lang vergeven, Leo! geloof mij daarin,” zeide zij halfluid; “hetgeen ik tegen hem heb, is niet wat hij mij heeft toegebracht, maar allereerst dat, dat men niet op hem aan kan; hij geeft driemaal in een uur zijn ‘eerewoord’ en toch....”“Ik geloof waarachtig, dat neef Leopold een sermoen tegen u houdt, arm kind!” sprak nu Rudolf, die intusschen aan de tafel was gaan zitten en in alle genoeglijkheid zijn souper had afgemaakt; “dat moest hij niet doen, hij moest u niet moeilijk vallen, althans niet om mijnentwil, en te eer omdat het ons afbrengt van het punt in kwestie, dat voor mij hoofdzaak is, namelijk of gij mij hier onder dak wilt houden, dan wel of ik mijn fortuin moet zoeken in de ruïne; een kil nachtverblijf, als men geen mantel bij zich heeft, en dat nog killer wordt als men denkt aan het vaderlijke kasteel, dat zoo dicht bij en zoo ruim is.”“Het zou hard zijn, ik erken het, u hier huisvesting te weigeren; en toch ik weet er geen raad op,” zei Francis; “deze vleugel, de eenige waar ik u veilig toelaten kan, is zoo schrikkelijk verarmd en verwaarloosd; er zijn kamers genoeg, maar niet één meer gemeubeld.”“Och, wat geef ik daarom! Is er nergens een matras te vinden die ik op de planken kan neerleggen?”“Die is er juist niet;sindsjaren is er alles leeg en overgelaten aan ratten en muizen, om van de spinnen niet te spreken. In dit oogenblik is daar waarlijk niets aan te veranderen.”Rudolf zuchtte en hernam:“Ik geef anders niet om een weinigje stof, en voor ratten en muizen ben ik niet bang; ik heb in mijne omzwervingen soms in een tent geslapen en mij met de decoraties toegedekt.”“Kamers waar in geen jaren iemand een voet heeft gezet.... neen, het gaat niet, het is al te akelig; er is geene mogelijkheid daar nu iets aan te doen zonder dat het in huis opschudding geeft,” sprak Francis nu zelve met leedwezen; “toch weet ik er wel iets op, maar....”“En waarom kan mijnheer Rudolf niet in deze kamer logeeren?” viel ik in, hare aarzeling ziende.“Dat zou u mogelijk geneeren, Leo!”“Maar ik wil welgênelijden voor den zoon van den huize, wiens recht mij te sterker aanspreekt, naarmate hij een uitgestootene is; ik zal mijnheer Rudolf mijn ledikant afstaan.”“Neen! neen!” riep deze met levendigheid, “’t zou al heel mooi zijn, zoo gij mij toestond den nacht op deze sofa door te brengen, als Francis dat goedvindt.”“Dat is afgesproken,” zei Francis; “maar Rudolf, dan belooft gij mij vast in den vroegen morgen stil weg te trekken.... het is de verjaardag van grootvader en....”“Juist daarom was ik gekomen!”“Hebt gij daar nog aan gedacht!”“Zeker! en daarom meende ik.... is het dan volstrekt onmogelijk, Francis?”“’t Is de ergste dag dien gij uitkiezen kondt; er komen allerlei menschen van het dorp; Willibald komt ook!”“Hm! ’t is of alles hier tegen mij samenzweert. Nu; in ’s Hemels naam, ik zal heengaan; mijne hand daarop, Francis.”“Ik zal u nóg eens op het woord vertrouwen, Rudolf!” sprak zij, hem de hand reikende. “En nu vaarwel, het wordt tijd dat ik ga; ik heb de oude heeren al veel te lang alleen gelaten.”“Ga! maar neem toch de portefeuille aan als restitutievoor u zelve; als een zwakke poging om iets te vergoeden voor alles wat ik u schuldig ben; het spijt mij alleen dat het niet meer is. Ik kom wel uit Amerika, maar een echteoncle d’Amérique, die met millioenen dollars speelt, ben ik helaas niet, en ik zal het wel nooit worden; maar toch, neem wat ik geven kan; mij dunkt, die mooiegreenbacksmoeten u aanlachen.” Hij deed de portefeuille open en toonde haar het fijne bankpapier.“Zijn ze echt, Rudolf?” vroeg zij, hem diep en scherp in de oogen ziende.“Maar Francis! bij God! wat beteekent die achterdocht; waar ziet gij mij voor aan!” riep hij, terwijl een donkere gloed zijn voorhoofd overtoog. “Het is waar, ik heb dwaasheden begaan, fouten, misslagen, die mij voor misdrijven worden aangerekend. Ik ben een onverbeterlijk loshoofd die niet rusten kan in de ruste; ik heb zwaar en herhaaldelijk tegen de discipline gezondigd, een onvergefelijk vergrijp in de oogen van mijn vader, dat is zoo; ik heb veel geld verkwist, veel te veel, helaas! want ik heb geteerd op het ouderlijk erfdeel dat nog niet het mijne was, ik heb mijn vader meer gekost dan het blijkt dat hij geven kón; ik ontken mijne schuld niet, ik weet dat ik veel gedaan heb wat strafbaar is in de oogen der menschen, en als ik hard word bejegend, zeg ik tegen mij zelf: ‘Rudolf, mor nu maar niet, je hebt het verdiend;’maar dat alles belet niet, dat ik mij nog herinner, dat ik van afkomst een patriciër ben, de zoon van een eervol hoofdofficier, en dat ik ook nog mijn vonkje eergevoel heb, al meent gij dat het heelemaal is uitgedoofd; en daarom zeg ik u: met bedriegelijke handelingen van zulken aard als gij daar onderstelt, Francis, heb ik mij nooit ingelaten; ik zou nog eerder in een verlegen oogenblik een dief of een moordenaar kunnen worden, dan opzettelijk bedrog plegen, en ik heb nooit iets gedaan dat iemand het recht kan geven mij als falsaris aan te zien, en gij, Francis! gij die wel mijne schuld maar ook mijne rampspoeden kent, gij die,begaan met mijn ongeluk, zoo dikmaals voor mij gesproken hebt, hoe komt zulke schrikkelijke verdenking tegen mij bij u op?”“Ik wenschte dat het niets dan eene verdenking ware, Rudolf,” hernam Francis, die strak en onbewogen had geluisterd; “maar helaas! wij hebben de bewijzen en..”“De bewijzen dat ik een falsaris ben?” vroeg hij levendig en kennelijk in de smartelijkste verbazing.“Valsche wissels door u uitgegeven; de namaak van uws vaders hand.... ja! die zijn in ons bezit; ’t is mogelijk dat ik er geen verstand van heb, maar ik meende dat zoo iets met het bedrijf van een falsaris gelijk staat.”“Dat doet het ook! Maar gij zult toch niet staande houden, datikdaaraan schuldig ben?”“Zooals ik zeg, de bewijzen van uwe schuld zijn in mijne hand, en zij kosten mij duur genoeg om gelijk te hebben tegen u. Ik wil het vergeven, Rudolf! met al het andere, want Leo heeft mij niet tevergeefs herinnerd, dat wij geene schuldvergiffenis hebben te hopen, waar wij zelven zonder verschooning zijn; maar.... de waarheid is waarheid, en de feiten zijn het die tegen u getuigen!”“Dat kan niet zijn, Francis! hier moet een misverstand plaats hebben, een schrikkelijk misverstand, dat ik u om Godswil bidde mij op te helderen; want als mijn vader en gij dat van mij gelooven, dan verwondert het mij niet meer dat hij mij liever dood waant dan te wenschen mij levend voor zich te zien, en evenmin dat gij, gij die vroeger zooveel deernis met mij hadt, nu met zoo diepe verachting op mij neerziet!”“Maar er valt niet anders te verklaren dan dat de wissels aan kolonel von Zwenken gepresenteerd zijn en dat wij ze gehonoreerd hebben, omdat er bij protest, bij verklaring van valschheid, een ergerlijk proces uit gevolgd zou zijn, dat u niet had kunnen treffen, omdat gij toen reeds lang aan de andre zijde van den Oceaan waart, maar dat uw vader gedwongen zou hebben reedstoen zijn ontslag te nemen uit den dienst, daar zijn naam, zijn eer er bij in ’t spel was!”“Maar Francis, gebruik toch uw verstand! Al wilt gij het ergste van mij gelooven, overweeg of dit misdrijf door mij gepleegd kàn zijn. Ik ben een zwak mensch, een jammerlijkepanier percé, ik erken het, maar ik ben toch geen monster; en een monster zou ik moeten zijn om zoo iets tegen mijn vader te doen. En dat zou ik juist gedaan hebben in den onrustigen tijd van mijn kortstondig en gejaagd verblijf te Z—? Juist in dien tijd, dat gij bezig waart het uiterste voor mij te doen om mij op fatsoenlijke wijze voor een nieuwe onderneming naar Amerika uit te rusten. Juist in dien tijd toen ik tot op het laatste toe hoopte, verzoend van mijn vader te scheiden?”“Juist daarom acht ik uwe handelwijze nog te meer misdadig.”“Maar zij houdt het nog vol! Maar het is om razend te worden! Wat zegt gij er van, Jonker Leopold?”“Het feit moet bestaan, anders zou freule Mordaunt er niet zoo vast aan gelooven....”“Mijn Hemel, Leo! daar heb ik wel mijne redenen voor; toen die akelige papieren ons aangrimden, was ik maar pas meerderjarig geworden, en daar grootvader mij bekende dat hij niets had te missen om ze te voldoen heb ik er het grootste deel van mijn toch al niet schitterend vermogen voor opgeofferd! Mij dunkt,j’ai payé pour savoir!Ongelukkig heeft grootpapa de voldane wissels in zijne bewaring gehouden; ik kan ze dus Rudolf niet laten zien om hem te overtuigen.”“Maar als ik ze zag, zou ikukunnen overtuigen. Ik ben voorwaar zoo’n vaardig scribent niet om eens anders hand te kunnen nadoen; en dan nog de hand van vader, zulk fijn, keurig, geregeld schrift! Al kon ik er millionnair mee worden, ik zou er geen kans toe zien.”“Ik geloof u,” sprak ik, hem de hand drukkend.“Dat doet mij goed;” en tranen sprongen den ongelukkigeuit de oogen. “Maar dat zij mij niet gelooft, zij, dat smart mij. Als er een schelmstuk gepleegd is, waarom moet ik het dan juist gedaan hebben? Kan de kolonel, die zijn verloftijd gewoonlijk aan de badplaatsen placht door te brengen, niet in aanraking zijn gekomen met zulk slag van lieden, die wel degelijk tot zoo iets in staat zijn?”“Grootvader heeft in de laatste vier jaar zijn huis niet verlaten. Alleen toen wij ons naar de Werve retireerden heeft hij het winterseizoen doorgebracht bij vrienden te Arnhem.”“Dus.... geneest men van zekere passie?” vroeg Rudolf, even de schouders ophalende met eene mengeling van snaaksheid en ironie.“Faute d’occasion; wij hebben hier niets meer dan Rolf om zijn partijtje te maken.”“Welnu, kan die Rolf hem die poets niet hebben gespeeld?”“Rolf! het trouwste en eerlijkste schepsel dat er is! Rolf, die zijne oogen zou uitgraven om zijn generaal een verdriet te besparen: Rolf, die op zijn best goed genoeg schrijven kan om een rapport op te maken! Rolf? Neen, Rudolf! zoek den schuldige elders. Rolf is tot zoo iets niet in staat.”“Nu,ikben er ook niet toe in staat,” sprak hij nu met drift, terwijl hij zoo heftig op den grond stampte, dat zijn sporen kletterden. Daarop de portefeuille aan Francis toereikende, zei hij:“Degreenbackszijn echt; gij kunt er bij den eersten bankier den besten Hollandsche rijksdaalders voor krijgen. Neem ze, ten bewijze dat gij mij gelooft....”“Ik wil het gelooven, Rudolf! Maar mij dunkt, dan kunt gij ze zelf ook wel gebruiken.”“O, wat dat betreft! Maar gij kunt ze gerust aannemen; er kleeft niets aan dan mijn eigen zweet en bloed. Ze zijn zuur verdiend, maar eerlijk; althans als mijn beroep in uwe ooren geen al te harden klank heeft.”“Ik weet niet welk beroep gij uitoefent; gij ziet er uit als een piqueur.”“Ik ben kunstrijder! Ik benpremier sujet de voltigebij het Great Equestrian circus van master Stonehorse uit Baltimore, met tweehonderd dollars appointement ’s maands.... Gij zwijgt, Francis! Gij vindt dat zeker wel wat heel erg, niet waar? Kunstenmaker?”“Neen! Mij dunkt, gij hebt al erger bij de hand gehad; dat is ten minste een mannelijk beroep, waarbij moed en behendigheid te pas komen, en ik kan mij begrijpen dat een man in uw geval het aangrijpt. Daarbij,” voegde zij er bij met een melancholiek glimlachje, “gij zijt net als ik: gij hebt altijd van paarden gehouden.”“Wel wat te veel, want die liefhebberij heeft mij duizenden gekost. Maar dat isl’histoire ancienne!voor ’t oogenblik ben ik te paard geholpen en op den weg der fortuin. Dus,my dear, kunt gij gerust deze kleinigheid van mij aannemen op afrekening.”“Neen, Rudolf! dat doe ik zeker niet. Ik ken u veel te goed om niet te weten dat gij vandaag weggeeft wat gij overmorgen noodig kunt hebben. U met geld helpen kan ik niet meer; maar wat ik gegeven heb neem ik niet terug. Ons helpt dat toch niet, en uw beroep heeft zijne hachelijke zijde.”“Aan wien zegt gij het! Van ’t paard vallen en den nek breken is nog het ergste niet; maar zooals ’t gisteren nog gebeurde dat er een een schop van een paard kreeg, een kreng van een hengst, die hem op de borst raakte, zoodat hij een bloedspuwing kreeg daar hij voor zijn leven de rente van zal genieten. En de arme drommel heeft vrouw en kind.”“Wel!” zei Francis, “mij dunkt dan hebt gij al eene goede plaatsing voor dat geld.”“Hm ja! ’t idée is zoo kwaad niet; met master Brown deelen;poor soul!En dat nogal een clown, zoo tragisch eindigen.”“Nú zijn we het eens,” zei Francis, tevreden dat zijhem van zijn inval had afgebracht. “Rust goed uit en laat mij nu gaan; morgen in de vroegte zien wij elkander nog.”“Hoe zoo?”“Wel, om u uit te laten, ’t Is onnoodig dat ge weer langs het balkon naar beneden en over den tuinmuur klimt.”“Ah bah! dat komt er niet op aan:Premier sujet de voltige, parbleu!Maar als gij mij absoluut uitlaten wilt, om zeker te zijn van mijne verwijdering, dan is het wat anders....”“Ik heb gezegd, dat ik u nog ééns vertrouwen zou; ik neem mijn woord niet terug. Goedennacht! Leo, vergeet uw souper niet geheel!”“Weg was zij; maar ik voelde geene behoefte haar raad op te volgen, en na het goede voorbeeld dat Rudolf op dit punt gegeven had, bleef er voor mij eigenlijk ook niet veel meer te doen. Toch noodigde hij mij een glas wijn met hem te drinken, en het zijne aanstootende sprak hij: “Ik weet niet recht of ik u feliciteeren mag, jonker, maar ik geloof waarachtig, dat onze allerliefste majoor haar kolonel heeft gevonden.”Ik haalde de schouders op: ik had geen lust om met iemand van zijn slag over Francis te spreken.“Meent gij misschien, dat ik geen oogen heb om dat te zien? Ik ken de vrouwen, dat verzeker ik u. Ze hebben mij genoeg gekost om met waarheid te zeggen: ik ken ze. In mijne omzwervingen heb ik ze ontmoet van alle kleuren en gestalten; en mijne nicht, al is ze duizendmaal Majoor Frans, is toch eene vrouw—eene vrouw met een mannengemoed—zooals Queen Bess van zich zelve placht te zeggen; maar die heeft toch haar Leycester gevonden. Zoo ook Francis. Ik weet niet wat gij in uw schild voert, maar mij dunkt, gij hebt slechts te willen....
“Sachez donc qu’en ce domaineD’où me chasse encore ta haineEn seigneur j’ai commandé.”dat wil zeggen, altijd in absentie van den vrijheeren titre; ik was maar de vermoedelijke erfgenaam, een vermoeden, dat, helaas! wel nimmer tot zekerheid zal komen.”Het begon mij te schemeren, toen Francis, verontwaardigd over zijn lossen, schertsenden toon, in zoo schril contrast met de treurige werkelijkheid, inviel met de klare waarheid: “Mijnheer is.... Rudolf von Zwenken, de zoon van mijn grootvader.”“Oom te zeggen valt mijne allerliefste nicht altijd wat zwaar, en dat is mijne schuld.Vous voilà en pays de connaissance, neef van Zonshoven!” ging Rudolf voort, nu op zijn vroegeren luchthartigen toon; “maar zij moest mij toestaan hare presentatie eenigszins te rectificeeren. Er bestaat geen Rudolf von Zwenken meer; hij is burgerlijk dood.”“En zedelijk!” verzuchtte Fancis halfluid.“En zoo hij onder dezen naam wilde ressusciteeren,” hervatte hij, zonder zich aan de soufflet van Francis te storen, “zou hij zoo iets begaan als een zelfmoord; want hij zou het grootste gevaar loopen om gevangen genomen en gefusileerd te worden, zonder pardon.”“En dit wetende, en na alles wat er gedaan is om u aan dit gevaar te onttrekken, u nog weer hier te vertoonen, dat is onverantwoordelijk,” viel Francis in.“My dear!wie of wat zegt ù dan, dat ik mij hier vertoonen kom? Representaties geven wij hier in de provincie, dat is waar; maar wie zich dáár bij den volke vertoont is master Richard Smithson, en wel zóó goed gegrimeerd, dat kolonel von Zwenken zelf vóór hem zou staan zonder zijn zoon te herkennen.”“Dat’s heel gelukkig, want zulk eene herkenning zou hem den dood aandoen, daar ben ik zeker van,” sprak Francis met hardheid.“O! là!dearestFrancis! gij overdrijft. Mijn heer vader is nooit zoo bijzonder teergevoelig geweest als het mij gold; maar dat doet er niet toe. Hij zal nooit weten wie master Smithson is, en deze zal hem nooit onder de oogen komen. Maar ’t is een ander geval met Rudolf von Zwenken, die hier is om in alle eerbiedigheid een onderhoud met zijn vader te hebben en die daartoe uwe tusschenkomst inroept, Francis!”“Tevergeefs, mijnheer! Gij kunt uw vader niet spreken en zult hem niet weerzien,” zei Francis met beslistheid.“Hoe nu! gij zoudt mij daartoe uwe medewerking weigeren? Dat zou geene hardheid zijn, dat zou onmenschelijk wezen.”“Als ik menschelijkheid heb te betoonen, is het allereerst aan uw vader, en dezen moet ik beschermen tegen ’t geen gij hem nu opnieuw wilt aandoen.”“Maar lieve, beste kind! versta mij dan toch. Ik wil hem niets aandoen dan zijne hand kussen en hem vergiffenis vragen. Daartoe heb ik mij over allerlei bezwaren en vermoeienissen heen gesteld; ik heb drie uren aaneen te paard gezeten, omdat ik de diligence niet durfde gebruiken; ik heb twee uur geloopen; ik heb mij tot de schemering in de ruïne verscholen; ik ben den bekenden tuinmuur overgeklommen met gevaar van armen of beenen te breken; ik berekende hoe ik hier ongemerkt binnen kon sluipen; ik zag licht op de logeerkamer en dacht aan niets dan aan mijn vader en aan uwe goedheid; ik vergat hoe groot een zondaar ik zijn moet in uwe oogen en, ik waagde mijneentree de chambrehier, die niet van de makkelijkste was, dank zij de weinige voorkomendheid van Jonker Leopold; en dat alles zou nu tevergeefs zijn doorgeworsteld? Neen, Francis!my darling!dat gaat niet. Gij zult u beter beraden, gij zult mij dien eenen droppel lafenis op mijn hobbelig pad niet onthouden; gij zult mij de gelegenheid schenken mijn vader weer te zien, hem te verrassen!”“Dat zal ik zekernietdoen, en gij weet dat ik een vasten wil heb, als mijn besluit is genomen.”“Maar gij hebt toch een menschelijk hart, al is ’t geen heel week, vrouwelijk. Dan begrijp ik wel wat uwe bijgedachte is en waarom gij weigert. Gij meent dat ik kom als de verloren zoon, platzak thuis, na van den zwijnendraf te walgen, ’t Is juist omgekeerd.”“Profaneer niet, Rudolf,” vermaande Francis streng.“Ik profaneer niet, ik gaf alleen de tegenstelling. Ikkom terug, niet uit behoefte, maar omdat het mij beter gaat; ik kom ruim zeshonderd gulden brengen als begin van restitutie. Wat dunkt u! als papa deze portefeuille, met die mooiegreenbacksgevuld, morgenochtend bij het ontwaken op zijne kussens vond, zou hij dan zijn verloren zoon, die onder zulke gunstige omstandigheden terugkeert, niet met blijdschap de armen openen?”“Neen, Rudolf! zeker niet! hij zou vreeselijk schrikken en al de vroegere jammer en ellende, de vrees voor schande zou opnieuw over hem komen; daar is meer verloren gegaan dan geld alleen, dat weet gij wel! De eer is verbeurd, en ziedaar wat uw vader u nooit kan vergeven. En spreek niet van teruggave; die kleine som, onbeteekenend in vergelijking van de zware offers die er voor u gebracht zijn, kan niet opwegen tegen hetgeen wij voor u gedaan, door u geleden hebben, en waarmede wij meenden voor ’t minst rust en vergetelheid gekocht te hebben.”Rudolf boog het hoofd, zuchtte en bleef zwijgen in diepe verslagenheid.Ik was met hem bewogen; ik had eene merkwaardige verandering opgemerkt in zijn gelaat, toen Francis hem zoo alle hoop ontnam; zijn verbleeken, de gespannen trekken, iets vochtigs dat de guitige oogen plotseling verduisterde, wekten mijn medegevoel in hooge mate. Hoe kon men zoo hard zijn voor een medemensch die gevallen was, als Francis bleek dit te zijn voor dezen ongelukkigen bloedverwant! Van die zijde had ik haar nog niet leeren kennen, al wist ik hoe Majoor Frans in drift kon uitvallen; hare trekken zelfs namen dien strakken kouden ernst aan, die haar meer dan ooit op eene Romeinsche matrone deed gelijken, die deugd geene deugd acht, als zij niet boven het menschelijke gaat. Juist ditmaal viel zij niet uit in ruwe woorden; zij bleef kalm en waardig, maar er was eene uitdrukking van minachting in haar oog, die hem wien het gold verpletteren moest. Als Francis mij ooit zoo kon aanzien, zou hetuit wezen tusschen mij en haar. Al griefde het mij, ik kon niet tusschen beide treden. Er moest een reden zijn voor hare onverbiddelijke strengheid die ik niet kon doorgronden; tot zoolang moest ik mij onzijdig houden, te eer daar zij mij als met voordacht tot haar getuige had begeerd bij dit tooneel.Eindelijk hief Rudolf zich op uit zijne gebogene houding, schonk zich een glas water in, dat hij in één teug ledigde, trad toen naar Francis toe, en de armen over elkaar kruisende, sprak hij haar aan op gansch veranderden toon:“Luister eens freule Mordaunt! het komt mij voor dat gij, onder pretext van over ons huis te waken, mijn vader in zonderlinge voogdij houdt, en dat gij, zonder nog zijn wil te kennen, u met ongemeene hardheid verzet tegen eene verzoening tusschen hem en mij; en het is wel vreemd, dat eene nicht,maareene nicht, hier de rol speelt van een oudsten broeder, wangunstig op het goed onthaal van den verloren zoon!”“Och! met uw verloren zoon!” riep Francis toornig; “gij zijt de verloren zoon niet, gij geeft alleen toe aan eene opwelling vansensiblerie, die voldoening eischt, zooals gij altijd toegegeven hebt aan uwe lusten en hartstochten, ze mochten kosten wat het wilde.”“Wees ten minste niet bang, dat de schade ditmaal aan uwe zijde zal zijn!” viel hij in met zekere bitterheid. “Gij weet immers wel dat ik, verzoend of niet, geen aanspraak zal maken op de nalatenschap van mijn vader, die usans contestezal toevallen, daar ik noch den wil, noch de gelegenheid heb om mijn recht in dezen te laten gelden!”“Dat mankeert er nog maar aan, dat gij mij van baatzucht verdenkt!” viel Francis in met sprekende verontwaardiging.“Ik verdenk u niet; integendeel, ik ga gebukt onder het wicht van uwe edelmoedigheid en mijne verplichtingen, ik zeg het alleen om u gerust te stellen omtrent demogelijke gevolgen van mijne verzoening met uw grootvader. Voor de wereld ben ik Richard Smithson, die te New-York burgerrecht heeft verkregen, laat mij nu een oogenblik Rudolf von Zwenken zijn, die zijn vader nog eenmaal wenscht weer te zien om hem vaarwel te zeggen voor eeuwig! Waarom zoudt gij u hiertegen verzetten?”“Omdat uw vaarwel voor eeuwig niets verzekert voor de toekomst; gij komt altijd weer.”“Maar als ik eenmaal niet berusten wil in uwe weigering, als ik mij niet stoor aan uw verzet; als ik uit den eigen mond van mijn vader wil hooren, dat hij mij haat en verstoot! Wat belet mij hem op te zoeken? Ik weet nog heel goed den weg hier in huis; denkelijk zal ik hem nu in de groote goudleeren kamer vinden. De oude Frits, zoo hij mij tegenkomt, zal schrikken, maar mij niet afwijzen; de andere bedienden....”“Zullen u evenmin terughouden; uw vader is zoo arm, dat wij het met dien eenen oppasser moeten doen! Als gij het er dus op toeligt om den zwakken ouden man te overvallen, kunt gij uw gang gaan; niemand zal u weerhouden. Maar dit eene moet ik u waarschuwen: gij zult Rolf bij hem vinden! Rolf die u van ouds kent en die het consigne van zijn overste zal gehoorzamen, wat het hem ook kosten moge. Voorziet gij niet, als ik, het tooneel dat dan volgen zal?”“De drommel hale dien Rolf; wat doet die oude roffiaan nu ook hier!” riep Rudolf verdrietelijk, en hij liet zich als verslagen op de sofa neervallen.“Die oude roffiaan doet alles wat hij kan, meer dan hij moest, om het lot te verzachten van uw vader, dien gij ongelukkig hebt gemaakt! Is het misschien daarom dat gij hem verwenscht?” sprak Francis onbarmhartig, hoewel zij zag, dat de ongelukkige vernederde man de handen voor de oogen bracht om de tranen te verbergen, die hij niet langer kon terughouden.“Mijne ellende zou niet volkomen zijn zoo uwe minachting haar niet voltooide,” riep Rudolf ondersnikken, “en ik die zoo welgemoed en opgewekt herwaarts heen was gekomen!....”Ik kon mij niet begrijpen hoe Francis, die zorg had voor een gekwetsten hond, bijtende loog kon storten in de wonde van een lijdend mensch, hoe schuldig hij ook zijn mocht. Ik voelde bitterheid tegen haar in mij opwellen, en ik voelde mij geroepen den patiënt te bemoedigen tegen hare bedoeling in.“Mijnheer Rudolf!” sprak ik, “sta mij toe de tusschenpersoon te zijn om uwe samenkomst met den generaal voor te bereiden, sinds freule Mordaunt daartegen opziet!....”“Geef u geene moeite, Jonker van Zonshoven!” hernam Francis stroef en met hoogheid. “Ik zie er niet tegen op, maar ik weet, dat het vruchteloos zal zijn; en daarom is het beter hierin niets te doen. Mijnheer Rudolf zal zich herinneren, dat ik, ik zelve, eenmaal onder tranen mijn grootvader te voet ben gevallen om hem te verbidden zijn zoon niet onverzoend in de ballingschap te zenden, en dat het tot niets heeft geleid dan tot heftiger smart en toorn.”“Dan zal ik moeten berusten,” sprak Rudolf verbleekend en in de houding der diepste moedeloosheid. Blijkbaar ontbrak het den forschgebouwden, luchthartigen man aan wilskracht, aan energie tot weerstand.“Ja! gij moet berusten, als gij den grijsaard werkelijk nog eenige liefde toedraagt,” hervatte Francis. “Ik wil u niet hard vallen om die eerste beweging die u hierheen dreef; ik wil gelooven dat zij uit het hart voortkwam zonder bijoogmerk; maar bedenk het wèl, gij zelf hebt het gerucht van uw dood hier doen verspreiden en waarschijnlijk gemaakt.”“Ik was dit verplicht om mijne veiligheid en ter geruststelling van mijn vader, die mij altijd in gevaar waande van opnieuw gevangen genomen en geëxecuteerd te worden!”“Welnu dan, dat gevaar is niet verminderd, zelfs nietna al de jaren van vrijwillige ballingschap; de krijgswet is onverbiddelijk, gij erkent het zelf, evenals het eergevoel van uw vader! Het gerucht van uw dood is tot hem gekomen; hij gelooft er aan, hij heeft er zich over getroost.”“Al heel gemakkelijk, zooals ik nu inzie.”“Neen! het heeft hem smart en strijd gekost, dat kan ik getuigen; maar toch, nù is er kalmte gekomen, gevoel van veiligheid en onbezorgdheid op dit punt; de wonde is tot een litteeken geworden, dat maar bij enkele oogenblikken nog van pijn trilt. Waartoe dit nu weer op te rijten; waartoe, zelfs bij de mogelijkheid (en die stel ik niet) dat hem het weerzien niet smartelijk schokken of vertoornen zou, hem die rust, die zwaar bekampte rust, te verstoren? Hij vreest nu geene rampen, hij vreest nu geene schande meer voor u; die zekerheid houdt op zoo ras hij weet, dat gij leeft en den overmoed hebt gehad in het vaderland terug te keeren. Alle angsten en zorgen, die zijne grijsheid vervroegd hebben, zullen hem dan opnieuw overvallen; hij zal rust noch duur hebben eer hij u weer veilig over de grenzen weet, en het zal u nog wel heugen hoeveel moeite en bezwaren dat ons herhaaldelijk heeft gekost.”“Het is waar, maar al te waar! Ik ben een ondankbare loshoofd, aan dat alles niet te denken. Ik zal mij dan maar getroosten, weer heen te gaan zooals ik gekomen ben,” verzuchtte Rudolf, en hief zich op met de matheid van iemand die zonder lust of kracht een zwaren tocht meent te moeten aanvaarden.“Maar gij zult niet gaan zonder u wat verkwikt en verfrischt te hebben,” sprak Francis met goedheid, nu zij zeker was van hare overwinning. Ik verblijdde mij dat zij er uit zich zelve toe kwam; want het stond bij mij vast, dat ik Rudolf von Zwenken niet vermoeid en aemechtig uit zijns vaders huis zou laten heentrekken.“Ik zal u wat brood en vleesch bezorgen; neef Leopold zal wel toestaan dat gij hier nog wat uitrust.”“En als het zijn kan een glas wijn; want sinds mijn luncheon te twee uren, en nog wel in een boerenherberg, heb ik niets gebruikt.”“Ik zal voor u zorgen.”“En als Frits komt klaarzetten, zal ik mij achter het ledikant verschuilen,” zei Rudolf.“Het is niet noodig; het is veel eenvoudiger dat ik u zelf kom bedienen,” antwoordde Francis, terwijl zij het vertrek verliet.“Br! geen katje om zonder handschoenen aan te tasten, onze majoor!” riep Rudolf uit, zoodra hij hare voetstappen niet meer hoorde. “’t Is me waarachtig, of ik in ’t schimmenrijk ben aangeland en voor de vierschaar van Minos sta, als zij mij met haar koelen, doorborenden blik aankijkt. Maar toch een goed en trouw hart; op mijn woord van eer, een hart uit duizenden.”“Ik had van dat goede hart wel wat minder strafheid gewenscht jegens een bloedverwant die in ’t ongeluk is,” liet ik mij ontvallen.“Wat zal ik u zeggen; zij kent mij eigenlijk niet dan uit de mededeelingen van mijn vader, bijgevolg van de ongunstigste zijde; den enkelen keer waarin het toeval, laat ik liever zeggen mijn ongeluk en mijne schuld, haar met mij in aanraking bracht, was het altijd onder omstandigheden die volstrekt niet geschikt waren om haar gunstig voor mij te stemmen. Het kostte haar moeite, zorg en geld. Ja! ik vrees zelfs dat ik hare reputatie schade heb gedaan zonder het te willen. Destijds was zij nog diep begaan met mijne rampspoeden en overwoog zij, in hare zucht om mij te hulp te komen, evenmin hetqu’en dira-t-onals ik, die onbedacht genoeg was om dat niet te berekenen. Zeker, ik had niet te Z. moeten komen, zonder te weten hoe ik ontvangen zou worden; maar toen ik er eens was, bleek het dat ik mij verschuilen moest in een armzalig herbergje om niet zelfs onder mijne vermomming herkend te worden. In mijns vaders huis durfde ik niet weer binnendringen, nadat deze zelfmij door zijn adjudant als een onbekenden landlooper aan de deur had laten afwijzen. Toch wilde ik Francis nog zien en spreken, en ik had haar een belangrijken dienst te vragen. Zoo gaf zij mijrendez-vousop zekere afgelegene wandelplaats, waar in den regel geen sterveling den voet zet dan op zon- en feestdagen; maar zooals het altijd gaat, ditmaal werden wij er betrapt en bespied, door den een of anderen leeglooper die er zijnfortvan maakte nieuwtjes te verzamelen; en schoon ons onderhoud dood onschuldig was, ja, tot strengheid toe ernstig van hare zijde, was het toch een canavas waarop de ploerten en ploertinnen van ’t kleine stadje allerlei moois en leelijks borduurden tot hare schade! De klare zuivere waarheid had haar geen nadeel kunnen berokkenen en zou slechts hare hulpvaardigheid in ’t ware licht hebben gesteld, daar zij tot hare diamanten toe had opgeofferd om mij armen zwerver voort te helpen buiten haar grootvader om; maar de fabeltjes die men daarop bouwde en elkaar in de ooren fluisterde, moesten haar declineeren in de publieke opinie. Ik heb dat later van anderen gehoord, toen ik buiten staat was er iets tegen te doen, al had ik mij zelven willen prijs geven om haar te verdedigen. Het is waar, men verzekerde mij tegelijk dat Francis zich er volstrekt niet aan stoorde en veel te fier was om zich daar niet over heen te zetten; maar toch, als er zoo iets in de lucht hangt tegen eene vrouw, dan wordt het haar voelbaar gemaakt of zij ’t erkennen wil of niet, en deze vergeeft het nooit aan hem die er de oorzaak van is.”“Dat zou wel kunnen zijn, en nu begrijp ik de uitdrukking van bitterheid, waarmee zij mij eens in de rede viel toen ik haar van hare parure sprak! Het is zeer verklaarbaar; en toch, ik zou haar nog hooger achten om hare edelmoedigheid, zoo zij u daarover geenerancunehield.”“Pouâh!dan zou zij volmaakt zijn; en de volmaakte vrouw die is,passez-moi la comparaison, evenmin tevinden als een paard dat alle goede kwaliteiten in zich vereenigt, zonder een enkel gebrek! Daarom magmy dearFrancis met mij leven zooals zij goedvindt; al wil zij mij schoppen en bijten als eene weerbarstige merrie, ik zal het hoofd er onder buigen; ik ben weerloos tegen haar en....”Hij zweeg. Francis kwam terug, hare provisie in een mand aan den arm dragende.Zij dekte voor ons op de groote marmeren tafel; zij had rijkelijk voor brood en vleesch gezorgd, en zette een flesch wijn met twee glazen neer, terwijl zij mij zeide:“Leo! doe mij het genoegen en soupeer met mijnheer Rudolf; ik zal een pretext zoeken voor uwe absentie daar beneden.”“Het zou mij waarlijk moeielijk vallen den generaal nu te zien en te spreken zonder iets te laten merken.”“Dat zou heel verkeerd zijn; als gij deernis hebt met den grijsaard, moet gij mij helpen om de onweerswolk van zijn hoofd te laten afdrijven zonder dat hij er iets van heeft bemerkt.”De “onweerswolk” had zich intusschen te goed gedaan aan het brood en vleesch, dat hij met verbazende gretigheid en gulzigheid verslond, dronk een paar glazen wijn achtereen uit en scheen nu genoeg bij kracht, om nog eens een aanval op de schikkelijkheid van Francis te wagen.“Francis!my darling, zou ik den nacht hier niet mogen doorbrengen?—in alle geheimzinnigheid dat spreekt vanzelf,” voegde hij er bij, ziende dat zij het voorhoofd fronste.“Ik zou het wel willen voor u Rudolf! maar ik zou niet weten waar.”“Och kom! er zijn zooveel logeerkamers in mijns vaders huis.”“Kamers genoeg; maar in den vleugel waar de generaal en Rolf logeeren kan ik u niet huisvesten, dat spreekt vanzelf; en hier in dezen is geen ander vertrekmeer gemeubeld dan de logeerkamer van Jonker Leopold alleen.”“Maar ik vraag niet naar meubels; ik zou in den stal op het stroo kunnen slapen, als het niet gevaarlijk was tegenover den koetsier.”“Er is hier geen koetsier meer,” zei Francis eenigszins verbleekend.“Hoe nu, hebt ge over u kunnen verkrijgen om Harry Blount te ontslaan?”“Harry Blount is dood!” antwoordde Francis zonder op te zien, met eene doffe stem.“Harry Blount dood! hoe heeft die flinke jongen die malligheid kunnen begaan! Hij zou even dertig zijn, zoo ik me niet bedrieg. Ik heb hem zelf nog leeren rijden toen hij mij alsgroomwerd toegevoegd op zijn dertiende jaar; zijn vader was een juweel van een piqueur; dien dank ik het nog dat ik nu mijn brood kan verdienen! Wel! wel! zoo is de stal hier opgeruimd. Maar Francis! mijn engel, gij ziet er zoo ontdaan uit, daar moet meer aan vast zijn; hebt ge uw mooie rijpaardje ook al van de hand moeten doen?”“Neen! neen! dat niet. Tancred wordt verzorgd bij de Pauwelsen; maar ’t herdenken aan Harry Blount is mij zoo schrikkelijk; ik—ik ben de oorzaak van zijn dood!”“Kom, gekheid, daar geloof ik niets van; weer vrouwelijke overdrijving! Ge moogt hem zoo eens eventjes, in een oogenblik van vivaciteit....” hij maakte eene geste of hij een karwats in de hand hield, “maar dat heeft hij van mij ook gehad, dat zou hem den dood niet doen, en gij zult hem toch niet vermoord hebben?”“Neen! God weet wat ik er voor had willen doen en dragen om den armen trouwen man in het leven te behouden; maar toch ligt de schuld aan mij. Het was op een rijtoer; wij hadden de mooie blauwgrijze schimmels moeten wegdoen.”“Surely I am to be dammed!” riep Rudolf; “dat prachtige span, mijn arme vader!”“Ja Rudolf, het was er toe gekomen; maar dat was nu juist uwe schuld niet; hij had, ik weet niet meer welk verlies geleden; wij hadden nu een nieuweling dien wij met het eene paard, dat wij nog behouden hadden, te zamen in het tuig zouden wennen, en Harry meende het alleen te doen; maar gij weet, ik val wat koppig als ik mij eens iets in ’t hoofd heb gezet; ik begreep dat ik er bij moest zijn; ik wilde de teugels voeren, schoon Harry het ernstig afraadde! Afraden was twijfel aan mijne behendigheid, aan mijne vaste hand; ik kon dat niet dragen—een zware afrijwagen,—ik naast Harry op den bok, ik nam de leidsels; het ging den rechten breeden straatweg op, die van Z. naar het dorp voert, en al ging het met inspanning, met overspanning zelfs! Rudolf! het ging goed! ik kreeg ze toch tot gedweeheid.”“Bravo! dat dacht ik wel!”“Och, juicht niet om dien jammerlijken triomf, die nu mijn leven vergalt; toen juichte ik ook, en in mijn overmoed lachte ik Harry uit, die het hoofd schudde en voorzichtigheid preekte. Ja, Leo! gij moogt, gij moet het wel hooren welk een schepsel ik ben, als mijn zelfgevoel, mijn trots wordt geprikkeld. Ik vond het noodig de paarden eens ferm te laten loopen, om de zegepraal op hun onwil te verzekeren; Harry was het met mij eens, maar wilde dat ik nu verder het bestier aan hem zoude overlaten; hij zag mij hijgen van vermoeienis en wees naar de lucht, waar men een onweer zag opkomen.“Wij moeten terugkeeren, Freule! of er gebeurt een ongeluk,” sprak hij, “tenzij ge mij de leidsels overgeeft, want hier is een mannenhand noodig.” En reeds omklemde hij de mijne, om zich daarvan meester te maken.Ik kon die aanmatiging niet dulden; de wereldorde scheen mij omgekeerd, dat hij mij wilde dwingen, een koetsier, een wezen dat ik als kind reeds als mijn lijfeigene had beschouwd.Ik wees hem terug, met drift, met gekrenktheid, enwilde ’t niet opgeven. Op hetzelfde oogenblik, als had de hemel mij willen waarschuwen, of mijn overmoed straffen, schoot er een felle bliksemstraal neer; de donder rolde, de paarden schrikten, werden schichtig, steigerden. Blount sprong van den bok, denkelijk met het kloeke besluit om zich voor de paarden te werpen en ze te doen stilstaan, of met geweld om te wenden, hetzij uit zucht tot zelfbehoud en om te ontkomen aan het gevaar dat hij voorzag. Van schrik verlamd over zijn radeloos beginnen, liet ik de leidsels schieten.... en.... de verwilderde dieren gingen door! gingen door over het lichaam van Blount, die zijn sprong had gemist. In ontzetting, in wilde wanhoop waagde ik zelve den sprong, die mij het leven had kunnen kosten, doch die door de stoutheid zelve mij redde; de dreuning van den schok had mij alleen duizelig gemaakt. Toen ik weer tot mij zelve kwam was het om te zien wat er gebeurd was, wat mij levenslang als eene bloedschuld zal drukken. Harry Blount lag verpletterd ter aarde en heeft geen uur meer geleefd!Bleek als ware zij zelve een lijk, zonk Francis op de sofa en eindigde onder snikken:“Ziedaar, Rudolf, waarom ik nooit weer van dien ongelukkige kan hooren zonder dat dit afgrijselijk tooneel mij weer levendig voor de oogen staat.”“Het is almachtig jammer, Francis!” sprak Rudolf, ook bewogen, “en ik zou voor u wenschen dat ik in plaats van Blount dat ongeluk had gehad; dat was een lastpost minder voor u geweest, en die ferme jongen had nog pleizier kunnen hebben van zijn leven. Maar nu het anders is uitgevallen, moet gij het u maar niet te veel aantrekken; er gebeuren zoo dikwijls zulke ongelukken, zonder dat men daarom zich beschuldigt; gij hadt er immers ook mee om koud kunnen zijn, kindlief! Ik heb er zelf ook al wat van beleefd, dat kan ik zeggen; ik heb er menigeen van ’t paard zien vallen die niet weer opstond. Doch wat zal men daar tegen doen;wachten tot je beurt komt en er maar niet te veel aan denken, dat is het beste.”“Maar zoo luchtig kan ik het niet opnemen,” viel Francis in met gesmoorde stem. “Ik kan er mij wel somtijds over heen zetten, en mij zelve wijsmaken dat hetgeen gebeurd is zoomin door mij bedoeld was als ik het heb kunnen voorkomen, maar toch.... het zelfverwijt komt altijd weer boven. ’t Is de knagende worm, dien men wel verdooven, maar niet dooden kan. Ik ben zeker dat neef Leopold niet van uw gevoelen is,” hervatte zij meer levendig, en mij aanziende als om mijn antwoord uit te lokken.“Neen, Francis! luchtig opnemen zou ik het zeker niet, maar evenmin vertwijfelen om de rust der consciëntie terug te vinden als zulke wroeging mij pijnigde.”Zij zag mij aan met diep zwaarmoedigen blik en haalde moedeloos de schouders op.Ik kon haar zoo niet zien, zonder haar iets te zeggen van ’t geen mij sinds lang op het hart lag. Ik ging naar haar toe, legde met een onwillekeurige beweging mijne hand op haar schouder en fluisterde haar toe:“Francis! gij hebt geen vrede met de menschen, gij hebt geen vrede met u zelve,—waarom zoekt gij geen vrede met God?”“Wie zegt u dat ik dienietzoek, Leo? Maar”—zij zuchtte—“die laat zich niet vinden, zelfs niet in zwaren strijd en boete.”“Omdat gij niet op de rechte wijze zoekt, geloof mij daarin. Ik weet er ook iets van.”“Gij, Leo?” sprak zij met een ongeloovig hoofdschudden; “zoo gij in mijn geval waart, gij zoudt er onder gedrukt blijven als ik!”“Neen! ik zou mij oprichten, want ik zou met een ootmoedig hart het ‘onze Vader’ bidden, en in praktijk brengen.”“Hoe meent gij dat?” Zij zette groote verwonderde oogen op.“Ik zou geene vrijheid vinden het: ‘Vergeef ons onze schulden’ uit te spreken. Ik zou niet durven rekenen op de verhooring zoo ik er niet zelf in volle oprechtheid kon bijvoegen: ‘gelijk wij vergeven onze schuldenaren.’ Dit, Francis! ontbreekt u; vergun mij het u te zeggen; gij zijt hard voor dien man dáár, die onze medebroeder is in de schuld; vergeef hem van harte wat hij tegen u misdeed, en....”“Maar dit is hem sinds lang vergeven, Leo! geloof mij daarin,” zeide zij halfluid; “hetgeen ik tegen hem heb, is niet wat hij mij heeft toegebracht, maar allereerst dat, dat men niet op hem aan kan; hij geeft driemaal in een uur zijn ‘eerewoord’ en toch....”“Ik geloof waarachtig, dat neef Leopold een sermoen tegen u houdt, arm kind!” sprak nu Rudolf, die intusschen aan de tafel was gaan zitten en in alle genoeglijkheid zijn souper had afgemaakt; “dat moest hij niet doen, hij moest u niet moeilijk vallen, althans niet om mijnentwil, en te eer omdat het ons afbrengt van het punt in kwestie, dat voor mij hoofdzaak is, namelijk of gij mij hier onder dak wilt houden, dan wel of ik mijn fortuin moet zoeken in de ruïne; een kil nachtverblijf, als men geen mantel bij zich heeft, en dat nog killer wordt als men denkt aan het vaderlijke kasteel, dat zoo dicht bij en zoo ruim is.”“Het zou hard zijn, ik erken het, u hier huisvesting te weigeren; en toch ik weet er geen raad op,” zei Francis; “deze vleugel, de eenige waar ik u veilig toelaten kan, is zoo schrikkelijk verarmd en verwaarloosd; er zijn kamers genoeg, maar niet één meer gemeubeld.”“Och, wat geef ik daarom! Is er nergens een matras te vinden die ik op de planken kan neerleggen?”“Die is er juist niet;sindsjaren is er alles leeg en overgelaten aan ratten en muizen, om van de spinnen niet te spreken. In dit oogenblik is daar waarlijk niets aan te veranderen.”Rudolf zuchtte en hernam:“Ik geef anders niet om een weinigje stof, en voor ratten en muizen ben ik niet bang; ik heb in mijne omzwervingen soms in een tent geslapen en mij met de decoraties toegedekt.”“Kamers waar in geen jaren iemand een voet heeft gezet.... neen, het gaat niet, het is al te akelig; er is geene mogelijkheid daar nu iets aan te doen zonder dat het in huis opschudding geeft,” sprak Francis nu zelve met leedwezen; “toch weet ik er wel iets op, maar....”“En waarom kan mijnheer Rudolf niet in deze kamer logeeren?” viel ik in, hare aarzeling ziende.“Dat zou u mogelijk geneeren, Leo!”“Maar ik wil welgênelijden voor den zoon van den huize, wiens recht mij te sterker aanspreekt, naarmate hij een uitgestootene is; ik zal mijnheer Rudolf mijn ledikant afstaan.”“Neen! neen!” riep deze met levendigheid, “’t zou al heel mooi zijn, zoo gij mij toestond den nacht op deze sofa door te brengen, als Francis dat goedvindt.”“Dat is afgesproken,” zei Francis; “maar Rudolf, dan belooft gij mij vast in den vroegen morgen stil weg te trekken.... het is de verjaardag van grootvader en....”“Juist daarom was ik gekomen!”“Hebt gij daar nog aan gedacht!”“Zeker! en daarom meende ik.... is het dan volstrekt onmogelijk, Francis?”“’t Is de ergste dag dien gij uitkiezen kondt; er komen allerlei menschen van het dorp; Willibald komt ook!”“Hm! ’t is of alles hier tegen mij samenzweert. Nu; in ’s Hemels naam, ik zal heengaan; mijne hand daarop, Francis.”“Ik zal u nóg eens op het woord vertrouwen, Rudolf!” sprak zij, hem de hand reikende. “En nu vaarwel, het wordt tijd dat ik ga; ik heb de oude heeren al veel te lang alleen gelaten.”“Ga! maar neem toch de portefeuille aan als restitutievoor u zelve; als een zwakke poging om iets te vergoeden voor alles wat ik u schuldig ben; het spijt mij alleen dat het niet meer is. Ik kom wel uit Amerika, maar een echteoncle d’Amérique, die met millioenen dollars speelt, ben ik helaas niet, en ik zal het wel nooit worden; maar toch, neem wat ik geven kan; mij dunkt, die mooiegreenbacksmoeten u aanlachen.” Hij deed de portefeuille open en toonde haar het fijne bankpapier.“Zijn ze echt, Rudolf?” vroeg zij, hem diep en scherp in de oogen ziende.“Maar Francis! bij God! wat beteekent die achterdocht; waar ziet gij mij voor aan!” riep hij, terwijl een donkere gloed zijn voorhoofd overtoog. “Het is waar, ik heb dwaasheden begaan, fouten, misslagen, die mij voor misdrijven worden aangerekend. Ik ben een onverbeterlijk loshoofd die niet rusten kan in de ruste; ik heb zwaar en herhaaldelijk tegen de discipline gezondigd, een onvergefelijk vergrijp in de oogen van mijn vader, dat is zoo; ik heb veel geld verkwist, veel te veel, helaas! want ik heb geteerd op het ouderlijk erfdeel dat nog niet het mijne was, ik heb mijn vader meer gekost dan het blijkt dat hij geven kón; ik ontken mijne schuld niet, ik weet dat ik veel gedaan heb wat strafbaar is in de oogen der menschen, en als ik hard word bejegend, zeg ik tegen mij zelf: ‘Rudolf, mor nu maar niet, je hebt het verdiend;’maar dat alles belet niet, dat ik mij nog herinner, dat ik van afkomst een patriciër ben, de zoon van een eervol hoofdofficier, en dat ik ook nog mijn vonkje eergevoel heb, al meent gij dat het heelemaal is uitgedoofd; en daarom zeg ik u: met bedriegelijke handelingen van zulken aard als gij daar onderstelt, Francis, heb ik mij nooit ingelaten; ik zou nog eerder in een verlegen oogenblik een dief of een moordenaar kunnen worden, dan opzettelijk bedrog plegen, en ik heb nooit iets gedaan dat iemand het recht kan geven mij als falsaris aan te zien, en gij, Francis! gij die wel mijne schuld maar ook mijne rampspoeden kent, gij die,begaan met mijn ongeluk, zoo dikmaals voor mij gesproken hebt, hoe komt zulke schrikkelijke verdenking tegen mij bij u op?”“Ik wenschte dat het niets dan eene verdenking ware, Rudolf,” hernam Francis, die strak en onbewogen had geluisterd; “maar helaas! wij hebben de bewijzen en..”“De bewijzen dat ik een falsaris ben?” vroeg hij levendig en kennelijk in de smartelijkste verbazing.“Valsche wissels door u uitgegeven; de namaak van uws vaders hand.... ja! die zijn in ons bezit; ’t is mogelijk dat ik er geen verstand van heb, maar ik meende dat zoo iets met het bedrijf van een falsaris gelijk staat.”“Dat doet het ook! Maar gij zult toch niet staande houden, datikdaaraan schuldig ben?”“Zooals ik zeg, de bewijzen van uwe schuld zijn in mijne hand, en zij kosten mij duur genoeg om gelijk te hebben tegen u. Ik wil het vergeven, Rudolf! met al het andere, want Leo heeft mij niet tevergeefs herinnerd, dat wij geene schuldvergiffenis hebben te hopen, waar wij zelven zonder verschooning zijn; maar.... de waarheid is waarheid, en de feiten zijn het die tegen u getuigen!”“Dat kan niet zijn, Francis! hier moet een misverstand plaats hebben, een schrikkelijk misverstand, dat ik u om Godswil bidde mij op te helderen; want als mijn vader en gij dat van mij gelooven, dan verwondert het mij niet meer dat hij mij liever dood waant dan te wenschen mij levend voor zich te zien, en evenmin dat gij, gij die vroeger zooveel deernis met mij hadt, nu met zoo diepe verachting op mij neerziet!”“Maar er valt niet anders te verklaren dan dat de wissels aan kolonel von Zwenken gepresenteerd zijn en dat wij ze gehonoreerd hebben, omdat er bij protest, bij verklaring van valschheid, een ergerlijk proces uit gevolgd zou zijn, dat u niet had kunnen treffen, omdat gij toen reeds lang aan de andre zijde van den Oceaan waart, maar dat uw vader gedwongen zou hebben reedstoen zijn ontslag te nemen uit den dienst, daar zijn naam, zijn eer er bij in ’t spel was!”“Maar Francis, gebruik toch uw verstand! Al wilt gij het ergste van mij gelooven, overweeg of dit misdrijf door mij gepleegd kàn zijn. Ik ben een zwak mensch, een jammerlijkepanier percé, ik erken het, maar ik ben toch geen monster; en een monster zou ik moeten zijn om zoo iets tegen mijn vader te doen. En dat zou ik juist gedaan hebben in den onrustigen tijd van mijn kortstondig en gejaagd verblijf te Z—? Juist in dien tijd, dat gij bezig waart het uiterste voor mij te doen om mij op fatsoenlijke wijze voor een nieuwe onderneming naar Amerika uit te rusten. Juist in dien tijd toen ik tot op het laatste toe hoopte, verzoend van mijn vader te scheiden?”“Juist daarom acht ik uwe handelwijze nog te meer misdadig.”“Maar zij houdt het nog vol! Maar het is om razend te worden! Wat zegt gij er van, Jonker Leopold?”“Het feit moet bestaan, anders zou freule Mordaunt er niet zoo vast aan gelooven....”“Mijn Hemel, Leo! daar heb ik wel mijne redenen voor; toen die akelige papieren ons aangrimden, was ik maar pas meerderjarig geworden, en daar grootvader mij bekende dat hij niets had te missen om ze te voldoen heb ik er het grootste deel van mijn toch al niet schitterend vermogen voor opgeofferd! Mij dunkt,j’ai payé pour savoir!Ongelukkig heeft grootpapa de voldane wissels in zijne bewaring gehouden; ik kan ze dus Rudolf niet laten zien om hem te overtuigen.”“Maar als ik ze zag, zou ikukunnen overtuigen. Ik ben voorwaar zoo’n vaardig scribent niet om eens anders hand te kunnen nadoen; en dan nog de hand van vader, zulk fijn, keurig, geregeld schrift! Al kon ik er millionnair mee worden, ik zou er geen kans toe zien.”“Ik geloof u,” sprak ik, hem de hand drukkend.“Dat doet mij goed;” en tranen sprongen den ongelukkigeuit de oogen. “Maar dat zij mij niet gelooft, zij, dat smart mij. Als er een schelmstuk gepleegd is, waarom moet ik het dan juist gedaan hebben? Kan de kolonel, die zijn verloftijd gewoonlijk aan de badplaatsen placht door te brengen, niet in aanraking zijn gekomen met zulk slag van lieden, die wel degelijk tot zoo iets in staat zijn?”“Grootvader heeft in de laatste vier jaar zijn huis niet verlaten. Alleen toen wij ons naar de Werve retireerden heeft hij het winterseizoen doorgebracht bij vrienden te Arnhem.”“Dus.... geneest men van zekere passie?” vroeg Rudolf, even de schouders ophalende met eene mengeling van snaaksheid en ironie.“Faute d’occasion; wij hebben hier niets meer dan Rolf om zijn partijtje te maken.”“Welnu, kan die Rolf hem die poets niet hebben gespeeld?”“Rolf! het trouwste en eerlijkste schepsel dat er is! Rolf, die zijne oogen zou uitgraven om zijn generaal een verdriet te besparen: Rolf, die op zijn best goed genoeg schrijven kan om een rapport op te maken! Rolf? Neen, Rudolf! zoek den schuldige elders. Rolf is tot zoo iets niet in staat.”“Nu,ikben er ook niet toe in staat,” sprak hij nu met drift, terwijl hij zoo heftig op den grond stampte, dat zijn sporen kletterden. Daarop de portefeuille aan Francis toereikende, zei hij:“Degreenbackszijn echt; gij kunt er bij den eersten bankier den besten Hollandsche rijksdaalders voor krijgen. Neem ze, ten bewijze dat gij mij gelooft....”“Ik wil het gelooven, Rudolf! Maar mij dunkt, dan kunt gij ze zelf ook wel gebruiken.”“O, wat dat betreft! Maar gij kunt ze gerust aannemen; er kleeft niets aan dan mijn eigen zweet en bloed. Ze zijn zuur verdiend, maar eerlijk; althans als mijn beroep in uwe ooren geen al te harden klank heeft.”“Ik weet niet welk beroep gij uitoefent; gij ziet er uit als een piqueur.”“Ik ben kunstrijder! Ik benpremier sujet de voltigebij het Great Equestrian circus van master Stonehorse uit Baltimore, met tweehonderd dollars appointement ’s maands.... Gij zwijgt, Francis! Gij vindt dat zeker wel wat heel erg, niet waar? Kunstenmaker?”“Neen! Mij dunkt, gij hebt al erger bij de hand gehad; dat is ten minste een mannelijk beroep, waarbij moed en behendigheid te pas komen, en ik kan mij begrijpen dat een man in uw geval het aangrijpt. Daarbij,” voegde zij er bij met een melancholiek glimlachje, “gij zijt net als ik: gij hebt altijd van paarden gehouden.”“Wel wat te veel, want die liefhebberij heeft mij duizenden gekost. Maar dat isl’histoire ancienne!voor ’t oogenblik ben ik te paard geholpen en op den weg der fortuin. Dus,my dear, kunt gij gerust deze kleinigheid van mij aannemen op afrekening.”“Neen, Rudolf! dat doe ik zeker niet. Ik ken u veel te goed om niet te weten dat gij vandaag weggeeft wat gij overmorgen noodig kunt hebben. U met geld helpen kan ik niet meer; maar wat ik gegeven heb neem ik niet terug. Ons helpt dat toch niet, en uw beroep heeft zijne hachelijke zijde.”“Aan wien zegt gij het! Van ’t paard vallen en den nek breken is nog het ergste niet; maar zooals ’t gisteren nog gebeurde dat er een een schop van een paard kreeg, een kreng van een hengst, die hem op de borst raakte, zoodat hij een bloedspuwing kreeg daar hij voor zijn leven de rente van zal genieten. En de arme drommel heeft vrouw en kind.”“Wel!” zei Francis, “mij dunkt dan hebt gij al eene goede plaatsing voor dat geld.”“Hm ja! ’t idée is zoo kwaad niet; met master Brown deelen;poor soul!En dat nogal een clown, zoo tragisch eindigen.”“Nú zijn we het eens,” zei Francis, tevreden dat zijhem van zijn inval had afgebracht. “Rust goed uit en laat mij nu gaan; morgen in de vroegte zien wij elkander nog.”“Hoe zoo?”“Wel, om u uit te laten, ’t Is onnoodig dat ge weer langs het balkon naar beneden en over den tuinmuur klimt.”“Ah bah! dat komt er niet op aan:Premier sujet de voltige, parbleu!Maar als gij mij absoluut uitlaten wilt, om zeker te zijn van mijne verwijdering, dan is het wat anders....”“Ik heb gezegd, dat ik u nog ééns vertrouwen zou; ik neem mijn woord niet terug. Goedennacht! Leo, vergeet uw souper niet geheel!”“Weg was zij; maar ik voelde geene behoefte haar raad op te volgen, en na het goede voorbeeld dat Rudolf op dit punt gegeven had, bleef er voor mij eigenlijk ook niet veel meer te doen. Toch noodigde hij mij een glas wijn met hem te drinken, en het zijne aanstootende sprak hij: “Ik weet niet recht of ik u feliciteeren mag, jonker, maar ik geloof waarachtig, dat onze allerliefste majoor haar kolonel heeft gevonden.”Ik haalde de schouders op: ik had geen lust om met iemand van zijn slag over Francis te spreken.“Meent gij misschien, dat ik geen oogen heb om dat te zien? Ik ken de vrouwen, dat verzeker ik u. Ze hebben mij genoeg gekost om met waarheid te zeggen: ik ken ze. In mijne omzwervingen heb ik ze ontmoet van alle kleuren en gestalten; en mijne nicht, al is ze duizendmaal Majoor Frans, is toch eene vrouw—eene vrouw met een mannengemoed—zooals Queen Bess van zich zelve placht te zeggen; maar die heeft toch haar Leycester gevonden. Zoo ook Francis. Ik weet niet wat gij in uw schild voert, maar mij dunkt, gij hebt slechts te willen....
“Sachez donc qu’en ce domaineD’où me chasse encore ta haineEn seigneur j’ai commandé.”
“Sachez donc qu’en ce domaineD’où me chasse encore ta haineEn seigneur j’ai commandé.”
“Sachez donc qu’en ce domaine
D’où me chasse encore ta haine
En seigneur j’ai commandé.”
dat wil zeggen, altijd in absentie van den vrijheeren titre; ik was maar de vermoedelijke erfgenaam, een vermoeden, dat, helaas! wel nimmer tot zekerheid zal komen.”
Het begon mij te schemeren, toen Francis, verontwaardigd over zijn lossen, schertsenden toon, in zoo schril contrast met de treurige werkelijkheid, inviel met de klare waarheid: “Mijnheer is.... Rudolf von Zwenken, de zoon van mijn grootvader.”
“Oom te zeggen valt mijne allerliefste nicht altijd wat zwaar, en dat is mijne schuld.Vous voilà en pays de connaissance, neef van Zonshoven!” ging Rudolf voort, nu op zijn vroegeren luchthartigen toon; “maar zij moest mij toestaan hare presentatie eenigszins te rectificeeren. Er bestaat geen Rudolf von Zwenken meer; hij is burgerlijk dood.”
“En zedelijk!” verzuchtte Fancis halfluid.
“En zoo hij onder dezen naam wilde ressusciteeren,” hervatte hij, zonder zich aan de soufflet van Francis te storen, “zou hij zoo iets begaan als een zelfmoord; want hij zou het grootste gevaar loopen om gevangen genomen en gefusileerd te worden, zonder pardon.”
“En dit wetende, en na alles wat er gedaan is om u aan dit gevaar te onttrekken, u nog weer hier te vertoonen, dat is onverantwoordelijk,” viel Francis in.
“My dear!wie of wat zegt ù dan, dat ik mij hier vertoonen kom? Representaties geven wij hier in de provincie, dat is waar; maar wie zich dáár bij den volke vertoont is master Richard Smithson, en wel zóó goed gegrimeerd, dat kolonel von Zwenken zelf vóór hem zou staan zonder zijn zoon te herkennen.”
“Dat’s heel gelukkig, want zulk eene herkenning zou hem den dood aandoen, daar ben ik zeker van,” sprak Francis met hardheid.
“O! là!dearestFrancis! gij overdrijft. Mijn heer vader is nooit zoo bijzonder teergevoelig geweest als het mij gold; maar dat doet er niet toe. Hij zal nooit weten wie master Smithson is, en deze zal hem nooit onder de oogen komen. Maar ’t is een ander geval met Rudolf von Zwenken, die hier is om in alle eerbiedigheid een onderhoud met zijn vader te hebben en die daartoe uwe tusschenkomst inroept, Francis!”
“Tevergeefs, mijnheer! Gij kunt uw vader niet spreken en zult hem niet weerzien,” zei Francis met beslistheid.
“Hoe nu! gij zoudt mij daartoe uwe medewerking weigeren? Dat zou geene hardheid zijn, dat zou onmenschelijk wezen.”
“Als ik menschelijkheid heb te betoonen, is het allereerst aan uw vader, en dezen moet ik beschermen tegen ’t geen gij hem nu opnieuw wilt aandoen.”
“Maar lieve, beste kind! versta mij dan toch. Ik wil hem niets aandoen dan zijne hand kussen en hem vergiffenis vragen. Daartoe heb ik mij over allerlei bezwaren en vermoeienissen heen gesteld; ik heb drie uren aaneen te paard gezeten, omdat ik de diligence niet durfde gebruiken; ik heb twee uur geloopen; ik heb mij tot de schemering in de ruïne verscholen; ik ben den bekenden tuinmuur overgeklommen met gevaar van armen of beenen te breken; ik berekende hoe ik hier ongemerkt binnen kon sluipen; ik zag licht op de logeerkamer en dacht aan niets dan aan mijn vader en aan uwe goedheid; ik vergat hoe groot een zondaar ik zijn moet in uwe oogen en, ik waagde mijneentree de chambrehier, die niet van de makkelijkste was, dank zij de weinige voorkomendheid van Jonker Leopold; en dat alles zou nu tevergeefs zijn doorgeworsteld? Neen, Francis!my darling!dat gaat niet. Gij zult u beter beraden, gij zult mij dien eenen droppel lafenis op mijn hobbelig pad niet onthouden; gij zult mij de gelegenheid schenken mijn vader weer te zien, hem te verrassen!”
“Dat zal ik zekernietdoen, en gij weet dat ik een vasten wil heb, als mijn besluit is genomen.”
“Maar gij hebt toch een menschelijk hart, al is ’t geen heel week, vrouwelijk. Dan begrijp ik wel wat uwe bijgedachte is en waarom gij weigert. Gij meent dat ik kom als de verloren zoon, platzak thuis, na van den zwijnendraf te walgen, ’t Is juist omgekeerd.”
“Profaneer niet, Rudolf,” vermaande Francis streng.
“Ik profaneer niet, ik gaf alleen de tegenstelling. Ikkom terug, niet uit behoefte, maar omdat het mij beter gaat; ik kom ruim zeshonderd gulden brengen als begin van restitutie. Wat dunkt u! als papa deze portefeuille, met die mooiegreenbacksgevuld, morgenochtend bij het ontwaken op zijne kussens vond, zou hij dan zijn verloren zoon, die onder zulke gunstige omstandigheden terugkeert, niet met blijdschap de armen openen?”
“Neen, Rudolf! zeker niet! hij zou vreeselijk schrikken en al de vroegere jammer en ellende, de vrees voor schande zou opnieuw over hem komen; daar is meer verloren gegaan dan geld alleen, dat weet gij wel! De eer is verbeurd, en ziedaar wat uw vader u nooit kan vergeven. En spreek niet van teruggave; die kleine som, onbeteekenend in vergelijking van de zware offers die er voor u gebracht zijn, kan niet opwegen tegen hetgeen wij voor u gedaan, door u geleden hebben, en waarmede wij meenden voor ’t minst rust en vergetelheid gekocht te hebben.”
Rudolf boog het hoofd, zuchtte en bleef zwijgen in diepe verslagenheid.
Ik was met hem bewogen; ik had eene merkwaardige verandering opgemerkt in zijn gelaat, toen Francis hem zoo alle hoop ontnam; zijn verbleeken, de gespannen trekken, iets vochtigs dat de guitige oogen plotseling verduisterde, wekten mijn medegevoel in hooge mate. Hoe kon men zoo hard zijn voor een medemensch die gevallen was, als Francis bleek dit te zijn voor dezen ongelukkigen bloedverwant! Van die zijde had ik haar nog niet leeren kennen, al wist ik hoe Majoor Frans in drift kon uitvallen; hare trekken zelfs namen dien strakken kouden ernst aan, die haar meer dan ooit op eene Romeinsche matrone deed gelijken, die deugd geene deugd acht, als zij niet boven het menschelijke gaat. Juist ditmaal viel zij niet uit in ruwe woorden; zij bleef kalm en waardig, maar er was eene uitdrukking van minachting in haar oog, die hem wien het gold verpletteren moest. Als Francis mij ooit zoo kon aanzien, zou hetuit wezen tusschen mij en haar. Al griefde het mij, ik kon niet tusschen beide treden. Er moest een reden zijn voor hare onverbiddelijke strengheid die ik niet kon doorgronden; tot zoolang moest ik mij onzijdig houden, te eer daar zij mij als met voordacht tot haar getuige had begeerd bij dit tooneel.
Eindelijk hief Rudolf zich op uit zijne gebogene houding, schonk zich een glas water in, dat hij in één teug ledigde, trad toen naar Francis toe, en de armen over elkaar kruisende, sprak hij haar aan op gansch veranderden toon:
“Luister eens freule Mordaunt! het komt mij voor dat gij, onder pretext van over ons huis te waken, mijn vader in zonderlinge voogdij houdt, en dat gij, zonder nog zijn wil te kennen, u met ongemeene hardheid verzet tegen eene verzoening tusschen hem en mij; en het is wel vreemd, dat eene nicht,maareene nicht, hier de rol speelt van een oudsten broeder, wangunstig op het goed onthaal van den verloren zoon!”
“Och! met uw verloren zoon!” riep Francis toornig; “gij zijt de verloren zoon niet, gij geeft alleen toe aan eene opwelling vansensiblerie, die voldoening eischt, zooals gij altijd toegegeven hebt aan uwe lusten en hartstochten, ze mochten kosten wat het wilde.”
“Wees ten minste niet bang, dat de schade ditmaal aan uwe zijde zal zijn!” viel hij in met zekere bitterheid. “Gij weet immers wel dat ik, verzoend of niet, geen aanspraak zal maken op de nalatenschap van mijn vader, die usans contestezal toevallen, daar ik noch den wil, noch de gelegenheid heb om mijn recht in dezen te laten gelden!”
“Dat mankeert er nog maar aan, dat gij mij van baatzucht verdenkt!” viel Francis in met sprekende verontwaardiging.
“Ik verdenk u niet; integendeel, ik ga gebukt onder het wicht van uwe edelmoedigheid en mijne verplichtingen, ik zeg het alleen om u gerust te stellen omtrent demogelijke gevolgen van mijne verzoening met uw grootvader. Voor de wereld ben ik Richard Smithson, die te New-York burgerrecht heeft verkregen, laat mij nu een oogenblik Rudolf von Zwenken zijn, die zijn vader nog eenmaal wenscht weer te zien om hem vaarwel te zeggen voor eeuwig! Waarom zoudt gij u hiertegen verzetten?”
“Omdat uw vaarwel voor eeuwig niets verzekert voor de toekomst; gij komt altijd weer.”
“Maar als ik eenmaal niet berusten wil in uwe weigering, als ik mij niet stoor aan uw verzet; als ik uit den eigen mond van mijn vader wil hooren, dat hij mij haat en verstoot! Wat belet mij hem op te zoeken? Ik weet nog heel goed den weg hier in huis; denkelijk zal ik hem nu in de groote goudleeren kamer vinden. De oude Frits, zoo hij mij tegenkomt, zal schrikken, maar mij niet afwijzen; de andere bedienden....”
“Zullen u evenmin terughouden; uw vader is zoo arm, dat wij het met dien eenen oppasser moeten doen! Als gij het er dus op toeligt om den zwakken ouden man te overvallen, kunt gij uw gang gaan; niemand zal u weerhouden. Maar dit eene moet ik u waarschuwen: gij zult Rolf bij hem vinden! Rolf die u van ouds kent en die het consigne van zijn overste zal gehoorzamen, wat het hem ook kosten moge. Voorziet gij niet, als ik, het tooneel dat dan volgen zal?”
“De drommel hale dien Rolf; wat doet die oude roffiaan nu ook hier!” riep Rudolf verdrietelijk, en hij liet zich als verslagen op de sofa neervallen.
“Die oude roffiaan doet alles wat hij kan, meer dan hij moest, om het lot te verzachten van uw vader, dien gij ongelukkig hebt gemaakt! Is het misschien daarom dat gij hem verwenscht?” sprak Francis onbarmhartig, hoewel zij zag, dat de ongelukkige vernederde man de handen voor de oogen bracht om de tranen te verbergen, die hij niet langer kon terughouden.
“Mijne ellende zou niet volkomen zijn zoo uwe minachting haar niet voltooide,” riep Rudolf ondersnikken, “en ik die zoo welgemoed en opgewekt herwaarts heen was gekomen!....”
Ik kon mij niet begrijpen hoe Francis, die zorg had voor een gekwetsten hond, bijtende loog kon storten in de wonde van een lijdend mensch, hoe schuldig hij ook zijn mocht. Ik voelde bitterheid tegen haar in mij opwellen, en ik voelde mij geroepen den patiënt te bemoedigen tegen hare bedoeling in.
“Mijnheer Rudolf!” sprak ik, “sta mij toe de tusschenpersoon te zijn om uwe samenkomst met den generaal voor te bereiden, sinds freule Mordaunt daartegen opziet!....”
“Geef u geene moeite, Jonker van Zonshoven!” hernam Francis stroef en met hoogheid. “Ik zie er niet tegen op, maar ik weet, dat het vruchteloos zal zijn; en daarom is het beter hierin niets te doen. Mijnheer Rudolf zal zich herinneren, dat ik, ik zelve, eenmaal onder tranen mijn grootvader te voet ben gevallen om hem te verbidden zijn zoon niet onverzoend in de ballingschap te zenden, en dat het tot niets heeft geleid dan tot heftiger smart en toorn.”
“Dan zal ik moeten berusten,” sprak Rudolf verbleekend en in de houding der diepste moedeloosheid. Blijkbaar ontbrak het den forschgebouwden, luchthartigen man aan wilskracht, aan energie tot weerstand.
“Ja! gij moet berusten, als gij den grijsaard werkelijk nog eenige liefde toedraagt,” hervatte Francis. “Ik wil u niet hard vallen om die eerste beweging die u hierheen dreef; ik wil gelooven dat zij uit het hart voortkwam zonder bijoogmerk; maar bedenk het wèl, gij zelf hebt het gerucht van uw dood hier doen verspreiden en waarschijnlijk gemaakt.”
“Ik was dit verplicht om mijne veiligheid en ter geruststelling van mijn vader, die mij altijd in gevaar waande van opnieuw gevangen genomen en geëxecuteerd te worden!”
“Welnu dan, dat gevaar is niet verminderd, zelfs nietna al de jaren van vrijwillige ballingschap; de krijgswet is onverbiddelijk, gij erkent het zelf, evenals het eergevoel van uw vader! Het gerucht van uw dood is tot hem gekomen; hij gelooft er aan, hij heeft er zich over getroost.”
“Al heel gemakkelijk, zooals ik nu inzie.”
“Neen! het heeft hem smart en strijd gekost, dat kan ik getuigen; maar toch, nù is er kalmte gekomen, gevoel van veiligheid en onbezorgdheid op dit punt; de wonde is tot een litteeken geworden, dat maar bij enkele oogenblikken nog van pijn trilt. Waartoe dit nu weer op te rijten; waartoe, zelfs bij de mogelijkheid (en die stel ik niet) dat hem het weerzien niet smartelijk schokken of vertoornen zou, hem die rust, die zwaar bekampte rust, te verstoren? Hij vreest nu geene rampen, hij vreest nu geene schande meer voor u; die zekerheid houdt op zoo ras hij weet, dat gij leeft en den overmoed hebt gehad in het vaderland terug te keeren. Alle angsten en zorgen, die zijne grijsheid vervroegd hebben, zullen hem dan opnieuw overvallen; hij zal rust noch duur hebben eer hij u weer veilig over de grenzen weet, en het zal u nog wel heugen hoeveel moeite en bezwaren dat ons herhaaldelijk heeft gekost.”
“Het is waar, maar al te waar! Ik ben een ondankbare loshoofd, aan dat alles niet te denken. Ik zal mij dan maar getroosten, weer heen te gaan zooals ik gekomen ben,” verzuchtte Rudolf, en hief zich op met de matheid van iemand die zonder lust of kracht een zwaren tocht meent te moeten aanvaarden.
“Maar gij zult niet gaan zonder u wat verkwikt en verfrischt te hebben,” sprak Francis met goedheid, nu zij zeker was van hare overwinning. Ik verblijdde mij dat zij er uit zich zelve toe kwam; want het stond bij mij vast, dat ik Rudolf von Zwenken niet vermoeid en aemechtig uit zijns vaders huis zou laten heentrekken.
“Ik zal u wat brood en vleesch bezorgen; neef Leopold zal wel toestaan dat gij hier nog wat uitrust.”
“En als het zijn kan een glas wijn; want sinds mijn luncheon te twee uren, en nog wel in een boerenherberg, heb ik niets gebruikt.”
“Ik zal voor u zorgen.”
“En als Frits komt klaarzetten, zal ik mij achter het ledikant verschuilen,” zei Rudolf.
“Het is niet noodig; het is veel eenvoudiger dat ik u zelf kom bedienen,” antwoordde Francis, terwijl zij het vertrek verliet.
“Br! geen katje om zonder handschoenen aan te tasten, onze majoor!” riep Rudolf uit, zoodra hij hare voetstappen niet meer hoorde. “’t Is me waarachtig, of ik in ’t schimmenrijk ben aangeland en voor de vierschaar van Minos sta, als zij mij met haar koelen, doorborenden blik aankijkt. Maar toch een goed en trouw hart; op mijn woord van eer, een hart uit duizenden.”
“Ik had van dat goede hart wel wat minder strafheid gewenscht jegens een bloedverwant die in ’t ongeluk is,” liet ik mij ontvallen.
“Wat zal ik u zeggen; zij kent mij eigenlijk niet dan uit de mededeelingen van mijn vader, bijgevolg van de ongunstigste zijde; den enkelen keer waarin het toeval, laat ik liever zeggen mijn ongeluk en mijne schuld, haar met mij in aanraking bracht, was het altijd onder omstandigheden die volstrekt niet geschikt waren om haar gunstig voor mij te stemmen. Het kostte haar moeite, zorg en geld. Ja! ik vrees zelfs dat ik hare reputatie schade heb gedaan zonder het te willen. Destijds was zij nog diep begaan met mijne rampspoeden en overwoog zij, in hare zucht om mij te hulp te komen, evenmin hetqu’en dira-t-onals ik, die onbedacht genoeg was om dat niet te berekenen. Zeker, ik had niet te Z. moeten komen, zonder te weten hoe ik ontvangen zou worden; maar toen ik er eens was, bleek het dat ik mij verschuilen moest in een armzalig herbergje om niet zelfs onder mijne vermomming herkend te worden. In mijns vaders huis durfde ik niet weer binnendringen, nadat deze zelfmij door zijn adjudant als een onbekenden landlooper aan de deur had laten afwijzen. Toch wilde ik Francis nog zien en spreken, en ik had haar een belangrijken dienst te vragen. Zoo gaf zij mijrendez-vousop zekere afgelegene wandelplaats, waar in den regel geen sterveling den voet zet dan op zon- en feestdagen; maar zooals het altijd gaat, ditmaal werden wij er betrapt en bespied, door den een of anderen leeglooper die er zijnfortvan maakte nieuwtjes te verzamelen; en schoon ons onderhoud dood onschuldig was, ja, tot strengheid toe ernstig van hare zijde, was het toch een canavas waarop de ploerten en ploertinnen van ’t kleine stadje allerlei moois en leelijks borduurden tot hare schade! De klare zuivere waarheid had haar geen nadeel kunnen berokkenen en zou slechts hare hulpvaardigheid in ’t ware licht hebben gesteld, daar zij tot hare diamanten toe had opgeofferd om mij armen zwerver voort te helpen buiten haar grootvader om; maar de fabeltjes die men daarop bouwde en elkaar in de ooren fluisterde, moesten haar declineeren in de publieke opinie. Ik heb dat later van anderen gehoord, toen ik buiten staat was er iets tegen te doen, al had ik mij zelven willen prijs geven om haar te verdedigen. Het is waar, men verzekerde mij tegelijk dat Francis zich er volstrekt niet aan stoorde en veel te fier was om zich daar niet over heen te zetten; maar toch, als er zoo iets in de lucht hangt tegen eene vrouw, dan wordt het haar voelbaar gemaakt of zij ’t erkennen wil of niet, en deze vergeeft het nooit aan hem die er de oorzaak van is.”
“Dat zou wel kunnen zijn, en nu begrijp ik de uitdrukking van bitterheid, waarmee zij mij eens in de rede viel toen ik haar van hare parure sprak! Het is zeer verklaarbaar; en toch, ik zou haar nog hooger achten om hare edelmoedigheid, zoo zij u daarover geenerancunehield.”
“Pouâh!dan zou zij volmaakt zijn; en de volmaakte vrouw die is,passez-moi la comparaison, evenmin tevinden als een paard dat alle goede kwaliteiten in zich vereenigt, zonder een enkel gebrek! Daarom magmy dearFrancis met mij leven zooals zij goedvindt; al wil zij mij schoppen en bijten als eene weerbarstige merrie, ik zal het hoofd er onder buigen; ik ben weerloos tegen haar en....”
Hij zweeg. Francis kwam terug, hare provisie in een mand aan den arm dragende.
Zij dekte voor ons op de groote marmeren tafel; zij had rijkelijk voor brood en vleesch gezorgd, en zette een flesch wijn met twee glazen neer, terwijl zij mij zeide:
“Leo! doe mij het genoegen en soupeer met mijnheer Rudolf; ik zal een pretext zoeken voor uwe absentie daar beneden.”
“Het zou mij waarlijk moeielijk vallen den generaal nu te zien en te spreken zonder iets te laten merken.”
“Dat zou heel verkeerd zijn; als gij deernis hebt met den grijsaard, moet gij mij helpen om de onweerswolk van zijn hoofd te laten afdrijven zonder dat hij er iets van heeft bemerkt.”
De “onweerswolk” had zich intusschen te goed gedaan aan het brood en vleesch, dat hij met verbazende gretigheid en gulzigheid verslond, dronk een paar glazen wijn achtereen uit en scheen nu genoeg bij kracht, om nog eens een aanval op de schikkelijkheid van Francis te wagen.
“Francis!my darling, zou ik den nacht hier niet mogen doorbrengen?—in alle geheimzinnigheid dat spreekt vanzelf,” voegde hij er bij, ziende dat zij het voorhoofd fronste.
“Ik zou het wel willen voor u Rudolf! maar ik zou niet weten waar.”
“Och kom! er zijn zooveel logeerkamers in mijns vaders huis.”
“Kamers genoeg; maar in den vleugel waar de generaal en Rolf logeeren kan ik u niet huisvesten, dat spreekt vanzelf; en hier in dezen is geen ander vertrekmeer gemeubeld dan de logeerkamer van Jonker Leopold alleen.”
“Maar ik vraag niet naar meubels; ik zou in den stal op het stroo kunnen slapen, als het niet gevaarlijk was tegenover den koetsier.”
“Er is hier geen koetsier meer,” zei Francis eenigszins verbleekend.
“Hoe nu, hebt ge over u kunnen verkrijgen om Harry Blount te ontslaan?”
“Harry Blount is dood!” antwoordde Francis zonder op te zien, met eene doffe stem.
“Harry Blount dood! hoe heeft die flinke jongen die malligheid kunnen begaan! Hij zou even dertig zijn, zoo ik me niet bedrieg. Ik heb hem zelf nog leeren rijden toen hij mij alsgroomwerd toegevoegd op zijn dertiende jaar; zijn vader was een juweel van een piqueur; dien dank ik het nog dat ik nu mijn brood kan verdienen! Wel! wel! zoo is de stal hier opgeruimd. Maar Francis! mijn engel, gij ziet er zoo ontdaan uit, daar moet meer aan vast zijn; hebt ge uw mooie rijpaardje ook al van de hand moeten doen?”
“Neen! neen! dat niet. Tancred wordt verzorgd bij de Pauwelsen; maar ’t herdenken aan Harry Blount is mij zoo schrikkelijk; ik—ik ben de oorzaak van zijn dood!”
“Kom, gekheid, daar geloof ik niets van; weer vrouwelijke overdrijving! Ge moogt hem zoo eens eventjes, in een oogenblik van vivaciteit....” hij maakte eene geste of hij een karwats in de hand hield, “maar dat heeft hij van mij ook gehad, dat zou hem den dood niet doen, en gij zult hem toch niet vermoord hebben?”
“Neen! God weet wat ik er voor had willen doen en dragen om den armen trouwen man in het leven te behouden; maar toch ligt de schuld aan mij. Het was op een rijtoer; wij hadden de mooie blauwgrijze schimmels moeten wegdoen.”
“Surely I am to be dammed!” riep Rudolf; “dat prachtige span, mijn arme vader!”
“Ja Rudolf, het was er toe gekomen; maar dat was nu juist uwe schuld niet; hij had, ik weet niet meer welk verlies geleden; wij hadden nu een nieuweling dien wij met het eene paard, dat wij nog behouden hadden, te zamen in het tuig zouden wennen, en Harry meende het alleen te doen; maar gij weet, ik val wat koppig als ik mij eens iets in ’t hoofd heb gezet; ik begreep dat ik er bij moest zijn; ik wilde de teugels voeren, schoon Harry het ernstig afraadde! Afraden was twijfel aan mijne behendigheid, aan mijne vaste hand; ik kon dat niet dragen—een zware afrijwagen,—ik naast Harry op den bok, ik nam de leidsels; het ging den rechten breeden straatweg op, die van Z. naar het dorp voert, en al ging het met inspanning, met overspanning zelfs! Rudolf! het ging goed! ik kreeg ze toch tot gedweeheid.”
“Bravo! dat dacht ik wel!”
“Och, juicht niet om dien jammerlijken triomf, die nu mijn leven vergalt; toen juichte ik ook, en in mijn overmoed lachte ik Harry uit, die het hoofd schudde en voorzichtigheid preekte. Ja, Leo! gij moogt, gij moet het wel hooren welk een schepsel ik ben, als mijn zelfgevoel, mijn trots wordt geprikkeld. Ik vond het noodig de paarden eens ferm te laten loopen, om de zegepraal op hun onwil te verzekeren; Harry was het met mij eens, maar wilde dat ik nu verder het bestier aan hem zoude overlaten; hij zag mij hijgen van vermoeienis en wees naar de lucht, waar men een onweer zag opkomen.
“Wij moeten terugkeeren, Freule! of er gebeurt een ongeluk,” sprak hij, “tenzij ge mij de leidsels overgeeft, want hier is een mannenhand noodig.” En reeds omklemde hij de mijne, om zich daarvan meester te maken.
Ik kon die aanmatiging niet dulden; de wereldorde scheen mij omgekeerd, dat hij mij wilde dwingen, een koetsier, een wezen dat ik als kind reeds als mijn lijfeigene had beschouwd.
Ik wees hem terug, met drift, met gekrenktheid, enwilde ’t niet opgeven. Op hetzelfde oogenblik, als had de hemel mij willen waarschuwen, of mijn overmoed straffen, schoot er een felle bliksemstraal neer; de donder rolde, de paarden schrikten, werden schichtig, steigerden. Blount sprong van den bok, denkelijk met het kloeke besluit om zich voor de paarden te werpen en ze te doen stilstaan, of met geweld om te wenden, hetzij uit zucht tot zelfbehoud en om te ontkomen aan het gevaar dat hij voorzag. Van schrik verlamd over zijn radeloos beginnen, liet ik de leidsels schieten.... en.... de verwilderde dieren gingen door! gingen door over het lichaam van Blount, die zijn sprong had gemist. In ontzetting, in wilde wanhoop waagde ik zelve den sprong, die mij het leven had kunnen kosten, doch die door de stoutheid zelve mij redde; de dreuning van den schok had mij alleen duizelig gemaakt. Toen ik weer tot mij zelve kwam was het om te zien wat er gebeurd was, wat mij levenslang als eene bloedschuld zal drukken. Harry Blount lag verpletterd ter aarde en heeft geen uur meer geleefd!
Bleek als ware zij zelve een lijk, zonk Francis op de sofa en eindigde onder snikken:
“Ziedaar, Rudolf, waarom ik nooit weer van dien ongelukkige kan hooren zonder dat dit afgrijselijk tooneel mij weer levendig voor de oogen staat.”
“Het is almachtig jammer, Francis!” sprak Rudolf, ook bewogen, “en ik zou voor u wenschen dat ik in plaats van Blount dat ongeluk had gehad; dat was een lastpost minder voor u geweest, en die ferme jongen had nog pleizier kunnen hebben van zijn leven. Maar nu het anders is uitgevallen, moet gij het u maar niet te veel aantrekken; er gebeuren zoo dikwijls zulke ongelukken, zonder dat men daarom zich beschuldigt; gij hadt er immers ook mee om koud kunnen zijn, kindlief! Ik heb er zelf ook al wat van beleefd, dat kan ik zeggen; ik heb er menigeen van ’t paard zien vallen die niet weer opstond. Doch wat zal men daar tegen doen;wachten tot je beurt komt en er maar niet te veel aan denken, dat is het beste.”
“Maar zoo luchtig kan ik het niet opnemen,” viel Francis in met gesmoorde stem. “Ik kan er mij wel somtijds over heen zetten, en mij zelve wijsmaken dat hetgeen gebeurd is zoomin door mij bedoeld was als ik het heb kunnen voorkomen, maar toch.... het zelfverwijt komt altijd weer boven. ’t Is de knagende worm, dien men wel verdooven, maar niet dooden kan. Ik ben zeker dat neef Leopold niet van uw gevoelen is,” hervatte zij meer levendig, en mij aanziende als om mijn antwoord uit te lokken.
“Neen, Francis! luchtig opnemen zou ik het zeker niet, maar evenmin vertwijfelen om de rust der consciëntie terug te vinden als zulke wroeging mij pijnigde.”
Zij zag mij aan met diep zwaarmoedigen blik en haalde moedeloos de schouders op.
Ik kon haar zoo niet zien, zonder haar iets te zeggen van ’t geen mij sinds lang op het hart lag. Ik ging naar haar toe, legde met een onwillekeurige beweging mijne hand op haar schouder en fluisterde haar toe:
“Francis! gij hebt geen vrede met de menschen, gij hebt geen vrede met u zelve,—waarom zoekt gij geen vrede met God?”
“Wie zegt u dat ik dienietzoek, Leo? Maar”—zij zuchtte—“die laat zich niet vinden, zelfs niet in zwaren strijd en boete.”
“Omdat gij niet op de rechte wijze zoekt, geloof mij daarin. Ik weet er ook iets van.”
“Gij, Leo?” sprak zij met een ongeloovig hoofdschudden; “zoo gij in mijn geval waart, gij zoudt er onder gedrukt blijven als ik!”
“Neen! ik zou mij oprichten, want ik zou met een ootmoedig hart het ‘onze Vader’ bidden, en in praktijk brengen.”
“Hoe meent gij dat?” Zij zette groote verwonderde oogen op.
“Ik zou geene vrijheid vinden het: ‘Vergeef ons onze schulden’ uit te spreken. Ik zou niet durven rekenen op de verhooring zoo ik er niet zelf in volle oprechtheid kon bijvoegen: ‘gelijk wij vergeven onze schuldenaren.’ Dit, Francis! ontbreekt u; vergun mij het u te zeggen; gij zijt hard voor dien man dáár, die onze medebroeder is in de schuld; vergeef hem van harte wat hij tegen u misdeed, en....”
“Maar dit is hem sinds lang vergeven, Leo! geloof mij daarin,” zeide zij halfluid; “hetgeen ik tegen hem heb, is niet wat hij mij heeft toegebracht, maar allereerst dat, dat men niet op hem aan kan; hij geeft driemaal in een uur zijn ‘eerewoord’ en toch....”
“Ik geloof waarachtig, dat neef Leopold een sermoen tegen u houdt, arm kind!” sprak nu Rudolf, die intusschen aan de tafel was gaan zitten en in alle genoeglijkheid zijn souper had afgemaakt; “dat moest hij niet doen, hij moest u niet moeilijk vallen, althans niet om mijnentwil, en te eer omdat het ons afbrengt van het punt in kwestie, dat voor mij hoofdzaak is, namelijk of gij mij hier onder dak wilt houden, dan wel of ik mijn fortuin moet zoeken in de ruïne; een kil nachtverblijf, als men geen mantel bij zich heeft, en dat nog killer wordt als men denkt aan het vaderlijke kasteel, dat zoo dicht bij en zoo ruim is.”
“Het zou hard zijn, ik erken het, u hier huisvesting te weigeren; en toch ik weet er geen raad op,” zei Francis; “deze vleugel, de eenige waar ik u veilig toelaten kan, is zoo schrikkelijk verarmd en verwaarloosd; er zijn kamers genoeg, maar niet één meer gemeubeld.”
“Och, wat geef ik daarom! Is er nergens een matras te vinden die ik op de planken kan neerleggen?”
“Die is er juist niet;sindsjaren is er alles leeg en overgelaten aan ratten en muizen, om van de spinnen niet te spreken. In dit oogenblik is daar waarlijk niets aan te veranderen.”
Rudolf zuchtte en hernam:
“Ik geef anders niet om een weinigje stof, en voor ratten en muizen ben ik niet bang; ik heb in mijne omzwervingen soms in een tent geslapen en mij met de decoraties toegedekt.”
“Kamers waar in geen jaren iemand een voet heeft gezet.... neen, het gaat niet, het is al te akelig; er is geene mogelijkheid daar nu iets aan te doen zonder dat het in huis opschudding geeft,” sprak Francis nu zelve met leedwezen; “toch weet ik er wel iets op, maar....”
“En waarom kan mijnheer Rudolf niet in deze kamer logeeren?” viel ik in, hare aarzeling ziende.
“Dat zou u mogelijk geneeren, Leo!”
“Maar ik wil welgênelijden voor den zoon van den huize, wiens recht mij te sterker aanspreekt, naarmate hij een uitgestootene is; ik zal mijnheer Rudolf mijn ledikant afstaan.”
“Neen! neen!” riep deze met levendigheid, “’t zou al heel mooi zijn, zoo gij mij toestond den nacht op deze sofa door te brengen, als Francis dat goedvindt.”
“Dat is afgesproken,” zei Francis; “maar Rudolf, dan belooft gij mij vast in den vroegen morgen stil weg te trekken.... het is de verjaardag van grootvader en....”
“Juist daarom was ik gekomen!”
“Hebt gij daar nog aan gedacht!”
“Zeker! en daarom meende ik.... is het dan volstrekt onmogelijk, Francis?”
“’t Is de ergste dag dien gij uitkiezen kondt; er komen allerlei menschen van het dorp; Willibald komt ook!”
“Hm! ’t is of alles hier tegen mij samenzweert. Nu; in ’s Hemels naam, ik zal heengaan; mijne hand daarop, Francis.”
“Ik zal u nóg eens op het woord vertrouwen, Rudolf!” sprak zij, hem de hand reikende. “En nu vaarwel, het wordt tijd dat ik ga; ik heb de oude heeren al veel te lang alleen gelaten.”
“Ga! maar neem toch de portefeuille aan als restitutievoor u zelve; als een zwakke poging om iets te vergoeden voor alles wat ik u schuldig ben; het spijt mij alleen dat het niet meer is. Ik kom wel uit Amerika, maar een echteoncle d’Amérique, die met millioenen dollars speelt, ben ik helaas niet, en ik zal het wel nooit worden; maar toch, neem wat ik geven kan; mij dunkt, die mooiegreenbacksmoeten u aanlachen.” Hij deed de portefeuille open en toonde haar het fijne bankpapier.
“Zijn ze echt, Rudolf?” vroeg zij, hem diep en scherp in de oogen ziende.
“Maar Francis! bij God! wat beteekent die achterdocht; waar ziet gij mij voor aan!” riep hij, terwijl een donkere gloed zijn voorhoofd overtoog. “Het is waar, ik heb dwaasheden begaan, fouten, misslagen, die mij voor misdrijven worden aangerekend. Ik ben een onverbeterlijk loshoofd die niet rusten kan in de ruste; ik heb zwaar en herhaaldelijk tegen de discipline gezondigd, een onvergefelijk vergrijp in de oogen van mijn vader, dat is zoo; ik heb veel geld verkwist, veel te veel, helaas! want ik heb geteerd op het ouderlijk erfdeel dat nog niet het mijne was, ik heb mijn vader meer gekost dan het blijkt dat hij geven kón; ik ontken mijne schuld niet, ik weet dat ik veel gedaan heb wat strafbaar is in de oogen der menschen, en als ik hard word bejegend, zeg ik tegen mij zelf: ‘Rudolf, mor nu maar niet, je hebt het verdiend;’maar dat alles belet niet, dat ik mij nog herinner, dat ik van afkomst een patriciër ben, de zoon van een eervol hoofdofficier, en dat ik ook nog mijn vonkje eergevoel heb, al meent gij dat het heelemaal is uitgedoofd; en daarom zeg ik u: met bedriegelijke handelingen van zulken aard als gij daar onderstelt, Francis, heb ik mij nooit ingelaten; ik zou nog eerder in een verlegen oogenblik een dief of een moordenaar kunnen worden, dan opzettelijk bedrog plegen, en ik heb nooit iets gedaan dat iemand het recht kan geven mij als falsaris aan te zien, en gij, Francis! gij die wel mijne schuld maar ook mijne rampspoeden kent, gij die,begaan met mijn ongeluk, zoo dikmaals voor mij gesproken hebt, hoe komt zulke schrikkelijke verdenking tegen mij bij u op?”
“Ik wenschte dat het niets dan eene verdenking ware, Rudolf,” hernam Francis, die strak en onbewogen had geluisterd; “maar helaas! wij hebben de bewijzen en..”
“De bewijzen dat ik een falsaris ben?” vroeg hij levendig en kennelijk in de smartelijkste verbazing.
“Valsche wissels door u uitgegeven; de namaak van uws vaders hand.... ja! die zijn in ons bezit; ’t is mogelijk dat ik er geen verstand van heb, maar ik meende dat zoo iets met het bedrijf van een falsaris gelijk staat.”
“Dat doet het ook! Maar gij zult toch niet staande houden, datikdaaraan schuldig ben?”
“Zooals ik zeg, de bewijzen van uwe schuld zijn in mijne hand, en zij kosten mij duur genoeg om gelijk te hebben tegen u. Ik wil het vergeven, Rudolf! met al het andere, want Leo heeft mij niet tevergeefs herinnerd, dat wij geene schuldvergiffenis hebben te hopen, waar wij zelven zonder verschooning zijn; maar.... de waarheid is waarheid, en de feiten zijn het die tegen u getuigen!”
“Dat kan niet zijn, Francis! hier moet een misverstand plaats hebben, een schrikkelijk misverstand, dat ik u om Godswil bidde mij op te helderen; want als mijn vader en gij dat van mij gelooven, dan verwondert het mij niet meer dat hij mij liever dood waant dan te wenschen mij levend voor zich te zien, en evenmin dat gij, gij die vroeger zooveel deernis met mij hadt, nu met zoo diepe verachting op mij neerziet!”
“Maar er valt niet anders te verklaren dan dat de wissels aan kolonel von Zwenken gepresenteerd zijn en dat wij ze gehonoreerd hebben, omdat er bij protest, bij verklaring van valschheid, een ergerlijk proces uit gevolgd zou zijn, dat u niet had kunnen treffen, omdat gij toen reeds lang aan de andre zijde van den Oceaan waart, maar dat uw vader gedwongen zou hebben reedstoen zijn ontslag te nemen uit den dienst, daar zijn naam, zijn eer er bij in ’t spel was!”
“Maar Francis, gebruik toch uw verstand! Al wilt gij het ergste van mij gelooven, overweeg of dit misdrijf door mij gepleegd kàn zijn. Ik ben een zwak mensch, een jammerlijkepanier percé, ik erken het, maar ik ben toch geen monster; en een monster zou ik moeten zijn om zoo iets tegen mijn vader te doen. En dat zou ik juist gedaan hebben in den onrustigen tijd van mijn kortstondig en gejaagd verblijf te Z—? Juist in dien tijd, dat gij bezig waart het uiterste voor mij te doen om mij op fatsoenlijke wijze voor een nieuwe onderneming naar Amerika uit te rusten. Juist in dien tijd toen ik tot op het laatste toe hoopte, verzoend van mijn vader te scheiden?”
“Juist daarom acht ik uwe handelwijze nog te meer misdadig.”
“Maar zij houdt het nog vol! Maar het is om razend te worden! Wat zegt gij er van, Jonker Leopold?”
“Het feit moet bestaan, anders zou freule Mordaunt er niet zoo vast aan gelooven....”
“Mijn Hemel, Leo! daar heb ik wel mijne redenen voor; toen die akelige papieren ons aangrimden, was ik maar pas meerderjarig geworden, en daar grootvader mij bekende dat hij niets had te missen om ze te voldoen heb ik er het grootste deel van mijn toch al niet schitterend vermogen voor opgeofferd! Mij dunkt,j’ai payé pour savoir!Ongelukkig heeft grootpapa de voldane wissels in zijne bewaring gehouden; ik kan ze dus Rudolf niet laten zien om hem te overtuigen.”
“Maar als ik ze zag, zou ikukunnen overtuigen. Ik ben voorwaar zoo’n vaardig scribent niet om eens anders hand te kunnen nadoen; en dan nog de hand van vader, zulk fijn, keurig, geregeld schrift! Al kon ik er millionnair mee worden, ik zou er geen kans toe zien.”
“Ik geloof u,” sprak ik, hem de hand drukkend.
“Dat doet mij goed;” en tranen sprongen den ongelukkigeuit de oogen. “Maar dat zij mij niet gelooft, zij, dat smart mij. Als er een schelmstuk gepleegd is, waarom moet ik het dan juist gedaan hebben? Kan de kolonel, die zijn verloftijd gewoonlijk aan de badplaatsen placht door te brengen, niet in aanraking zijn gekomen met zulk slag van lieden, die wel degelijk tot zoo iets in staat zijn?”
“Grootvader heeft in de laatste vier jaar zijn huis niet verlaten. Alleen toen wij ons naar de Werve retireerden heeft hij het winterseizoen doorgebracht bij vrienden te Arnhem.”
“Dus.... geneest men van zekere passie?” vroeg Rudolf, even de schouders ophalende met eene mengeling van snaaksheid en ironie.
“Faute d’occasion; wij hebben hier niets meer dan Rolf om zijn partijtje te maken.”
“Welnu, kan die Rolf hem die poets niet hebben gespeeld?”
“Rolf! het trouwste en eerlijkste schepsel dat er is! Rolf, die zijne oogen zou uitgraven om zijn generaal een verdriet te besparen: Rolf, die op zijn best goed genoeg schrijven kan om een rapport op te maken! Rolf? Neen, Rudolf! zoek den schuldige elders. Rolf is tot zoo iets niet in staat.”
“Nu,ikben er ook niet toe in staat,” sprak hij nu met drift, terwijl hij zoo heftig op den grond stampte, dat zijn sporen kletterden. Daarop de portefeuille aan Francis toereikende, zei hij:
“Degreenbackszijn echt; gij kunt er bij den eersten bankier den besten Hollandsche rijksdaalders voor krijgen. Neem ze, ten bewijze dat gij mij gelooft....”
“Ik wil het gelooven, Rudolf! Maar mij dunkt, dan kunt gij ze zelf ook wel gebruiken.”
“O, wat dat betreft! Maar gij kunt ze gerust aannemen; er kleeft niets aan dan mijn eigen zweet en bloed. Ze zijn zuur verdiend, maar eerlijk; althans als mijn beroep in uwe ooren geen al te harden klank heeft.”
“Ik weet niet welk beroep gij uitoefent; gij ziet er uit als een piqueur.”
“Ik ben kunstrijder! Ik benpremier sujet de voltigebij het Great Equestrian circus van master Stonehorse uit Baltimore, met tweehonderd dollars appointement ’s maands.... Gij zwijgt, Francis! Gij vindt dat zeker wel wat heel erg, niet waar? Kunstenmaker?”
“Neen! Mij dunkt, gij hebt al erger bij de hand gehad; dat is ten minste een mannelijk beroep, waarbij moed en behendigheid te pas komen, en ik kan mij begrijpen dat een man in uw geval het aangrijpt. Daarbij,” voegde zij er bij met een melancholiek glimlachje, “gij zijt net als ik: gij hebt altijd van paarden gehouden.”
“Wel wat te veel, want die liefhebberij heeft mij duizenden gekost. Maar dat isl’histoire ancienne!voor ’t oogenblik ben ik te paard geholpen en op den weg der fortuin. Dus,my dear, kunt gij gerust deze kleinigheid van mij aannemen op afrekening.”
“Neen, Rudolf! dat doe ik zeker niet. Ik ken u veel te goed om niet te weten dat gij vandaag weggeeft wat gij overmorgen noodig kunt hebben. U met geld helpen kan ik niet meer; maar wat ik gegeven heb neem ik niet terug. Ons helpt dat toch niet, en uw beroep heeft zijne hachelijke zijde.”
“Aan wien zegt gij het! Van ’t paard vallen en den nek breken is nog het ergste niet; maar zooals ’t gisteren nog gebeurde dat er een een schop van een paard kreeg, een kreng van een hengst, die hem op de borst raakte, zoodat hij een bloedspuwing kreeg daar hij voor zijn leven de rente van zal genieten. En de arme drommel heeft vrouw en kind.”
“Wel!” zei Francis, “mij dunkt dan hebt gij al eene goede plaatsing voor dat geld.”
“Hm ja! ’t idée is zoo kwaad niet; met master Brown deelen;poor soul!En dat nogal een clown, zoo tragisch eindigen.”
“Nú zijn we het eens,” zei Francis, tevreden dat zijhem van zijn inval had afgebracht. “Rust goed uit en laat mij nu gaan; morgen in de vroegte zien wij elkander nog.”
“Hoe zoo?”
“Wel, om u uit te laten, ’t Is onnoodig dat ge weer langs het balkon naar beneden en over den tuinmuur klimt.”
“Ah bah! dat komt er niet op aan:Premier sujet de voltige, parbleu!Maar als gij mij absoluut uitlaten wilt, om zeker te zijn van mijne verwijdering, dan is het wat anders....”
“Ik heb gezegd, dat ik u nog ééns vertrouwen zou; ik neem mijn woord niet terug. Goedennacht! Leo, vergeet uw souper niet geheel!”
“Weg was zij; maar ik voelde geene behoefte haar raad op te volgen, en na het goede voorbeeld dat Rudolf op dit punt gegeven had, bleef er voor mij eigenlijk ook niet veel meer te doen. Toch noodigde hij mij een glas wijn met hem te drinken, en het zijne aanstootende sprak hij: “Ik weet niet recht of ik u feliciteeren mag, jonker, maar ik geloof waarachtig, dat onze allerliefste majoor haar kolonel heeft gevonden.”
Ik haalde de schouders op: ik had geen lust om met iemand van zijn slag over Francis te spreken.
“Meent gij misschien, dat ik geen oogen heb om dat te zien? Ik ken de vrouwen, dat verzeker ik u. Ze hebben mij genoeg gekost om met waarheid te zeggen: ik ken ze. In mijne omzwervingen heb ik ze ontmoet van alle kleuren en gestalten; en mijne nicht, al is ze duizendmaal Majoor Frans, is toch eene vrouw—eene vrouw met een mannengemoed—zooals Queen Bess van zich zelve placht te zeggen; maar die heeft toch haar Leycester gevonden. Zoo ook Francis. Ik weet niet wat gij in uw schild voert, maar mij dunkt, gij hebt slechts te willen....