Sit side by side, full summed in all their powersSelf reverend each and reverencing eachDistinct in individualities;But like each other even as those who love.”“Dat is ’t juist, dat is ’t!” juichte zij, in verrukking mijne hand vattend en die aan hare lippen brengende. “Maar nu,dearest!Laat ons gaan, want anders slaan ze alarm in het kasteel!”Die gissing bleek waarheid. Rolf en Frits stonden met angstige gezichten naar ons uit te kijken toen wij aankwamen; maar de generaal was niet uit zijn humeur, zooals wij vermoed hadden; integendeel hij was druk bezig met zijne papieren toen wij binnentraden; arm in arm, zooals Francis het gewild had, om hem terstond op de hoogte te brengen van onze verhouding. Maar hij lette daar niet op; hij gunde ons den tijd niet om hem iets te zeggen.“Francis!” riep hij, een brief in de hoogte houdende, met stralende oogen en een gelaat of hij verjongd ware. “Waarom zijt gij toch zoo lang uitgebleven, nu ik u zulk goed nieuws heb mee te deelen.”“En ik u, grootpapa! Maar wat is er? Gij ziet er zoo triomfantelijk uit, en dat midden in die deftige akten! De erfenis van tante Roselaer is toch niet gekomen?”“Dat scheelt niet veel, mijn beste kind; althans het komt op hetzelfde uit. De erfgenaam van tante Roselaer vraagt u ten huwelijk. Het blijkt dat hij er door haar testament toe verplicht is, maar ik twijfel er niet aan, of het is eene verplichting waaraan hij van ganscher harte voldoet.”De generaal zag mij aan; ik glimlachte en knikte hem toe, maar ik vond toch dat Overberg en van Beek zich wel wat veel gehaast hadden om die zaak zoo officieel te behandelen. Ik ware liever zelf de eerste geweest om haar met deze mededeeling te verrassen.Zij liet mijn arm los, en den generaal naderend, sprak zij luid en vast:“Het spijt mij, grootvader! dat ik u teleurstellen moet, omdat het u zoozeer schijnt te verblijden; maar die mijnheer komt te laat, want ik wilde u juist vertellen dat ik mijn woord gegeven heb aan mijn neef Leopold van Zonshoven.”“Nu, kindlief! zooveel te beter, want de erfgenaam van tante Roselaer, de heer van den Runenberg, zooals hij in deze akte wordt genoemd, en uw neef Leopold van Zonshoven zijn een!”“Dat is niet waar! Zeg dat het niet waar is, Leo!” riep zij in heftige ontroering, mijn arm vattende.“Dan zou ik eene onwaarheid zeggen, Francis!” sprak ik lachende, “want het is niet anders, die gelukkige ben ik. Het verschil voor u is alleen, dat gij uw woord gegeven hebt aan een armen drommel, en dat hij als de betooverde prins in het sprookje optreedt als millionair! Mij dunkt, dat verschil kan geene onaangename verrassing zijn voor u.”“Geene onaangename verrassing voor mij!” riep zij uit met bliksemend oog en hooggekleurde wangen. “Als ik verneem, dat gij mij zóó lang een masker hebt voorgehouden, dat ik voor uw gelaat nam! Gij hebt mij achting weten in te boezemen door die fiere waardigheid, waarmede gij uwe armoede wist te dragen, door dien nobelen zin, die werkzaamheid en de zware worsteling met het leven koos boven laagheid! En zoozeer kunt gij u in mij vergissen, dat gij meent mij eene aangename verrassing te bereiden als gij zegt dat dit alles maar vermomming is geweest en dat de bedelaarsmantel slechts den betooverden prins heeft verborgen tot de comedie aan de ontknooping was.Fair! fair indeed!” ging zij voort met smartelijke bitterheid, terwijl er tranen opwelden in de fonkelende oogen. “En dat is nu een edelman, een man onder duizenden, dien ik meende gevonden te hebben, dien ik mijn meerdere achtte, dien ik mijnonbegrensd vertrouwen heb geschonken.... en die doet mij dit aan! En gij meent dat ik het luchtig zal opnemen. Gij hebt u vreeselijk misrekend, jonker Leopold van Zonshoven! Ik heb mijn hart gegeven aan den jonker zonder fortuin, in wiens eerlijkheid en oprechtheid ik geloofde als in mij zelve, beter dan in mij zelve, want ik rekende op zijne vastheid en kalmte om mijne woeste en ongeregelde schreden te besturen. Maar voor den schatrijken erfgenaam van tante Roselaer, een intrigant, die eene erfenis accapareert en daartoe de vrouw trouwt die men hem aanwijst, voor dezen heb ik niets dan..... mijne verachting.”Ik had er wel niet op kunnen bedacht zijn, dat zij het zóó zoude opvatten, dat zij in mijne handelwijze zou zien, wat ik met de hand op het hart kon verklaren, dat ik er niet in had gelegd. Maar nu zij het zóó opnam, kwam het mij het beste voor, haar alles wat er in haar omging te laten uitspreken. Ik wist immers dat ik mij zegevierend kon rechtvaardigen als ik haar slechts den brief van tante Roselaer voorlegde; ik wist dat het mij niet al te zwaar zou vallen mijnnot guiltyte pleiten; alleen, dit was het oogenblik daartoe niet. Maar er was wat te hoog kon loopen en wat mij die zelfbeheersching kon doen verliezen, die ik juist zoo noodig had. De gloed der bitterheid, der verontwaardiging steeg ook mij naar het voorhoofd, toen ik dat laatste woord hoorde.“Uwe verachting, Francis! Bezin u, eer gij zulke uitdrukkingen bezigt tegen mij! Ik weet het, gij zijt heftig in uwe opvattingen en hartstochtelijk in uwe uitingen; ik weet ook, dat zij u diep berouwen als gij er later van terugkomt; maar toch, wees voorzichtig en bedenk u wel, eer gij den man dien gij uwe liefde hebt geschonken benamingen toevoegt, die nog wel nimmer op hem zijn toegepast en die hij niet voornemens is van wie ook straffeloos aan te hooren.”“Straf mij, als ik u bidden mag, met een aanzoekin te trekken dat ik toch moet afwijzen,” sprak zij hoonend. “Als er kwestie is van beleediging, dan benikde beleedigde; want gij hebt mij bedrogen; gij hebt gehuicheld; gij zijt hier binnengeslopen als een spion; gij hebt uw goochelspel zoolang voortgezet tot gij zeker waart van uwe prooi, in den onzinnigen waan dat ik niet zou kunnen, niet zou durven terugtreden, als gij mij eens tot de bekentenis mijner zwakheid hadt gebracht. Gij zijt slim geweest, jonker van Zonshoven en behendig op uwe wijze, en toch verbaast mij uwe verblinding, dat gij zoo weinig inzicht hebt gehad van mijn karakter. Eene misleiding vergeef ik nooit.”“Ik heb u niet willen misleiden, Francis!” sprak ik op zachten, bedaarden toon. “Ik heb alleen de waarheid verzwegen, omdat ik uw persoon, uw karakter wilde leeren kennen eer ik mij uitsprak. Ik heb uwe liefde willen verwerven eer ik het officieel, het beslissend aanzoek waagde, ziedaar alles!”“Gij zijt valsch geweest, gij hebt voorgewend dat gij mij liefhadt; dat geloof ik niet meer. Gij kwaamt hier een zaak doen, dat is alles! Gij kwaamt de hand zoeken die u een millioen moest aanbrengen. Het is waar, ik heb u mijne achting, ik heb u mijne liefde geschonken; maar niet aan u, zooals gij daar nu voor mij staat. Dit alles berust op een valschen grond, en nu die tooneeldecoratie wegvalt, stort ook al het overige mee in, en, ik herhaal het, gij zijt voor mij te dieper gevallen, naarmate ik u hooger heb gesteld. Wees zeker, dat ik niet over mijne hand laat beschikken, door anderen, dooden of levenden, en, versta mij wel.... gij zijt afgewezen! Afgewezen! afgewezen!” herhaalde zij, telkens luider en scherper; en toen zij het laatste “afgewezen!” bijna gillend had uitgeroepen, viel zij bleek als eene doode in een armstoel neer.Ik zelf stond gedurende dit tooneel tegen een stoel te leunen, een steun dien ik hoog noodig had om niet te wankelen. Levenslang zal het mij heugen, wat ikdoorstond in die vreeselijke ure, en toch is het mij onbeschrijfelijk; ik kan alleen zeggen, dat ik eene gewaarwording had of mijn hart verkilde, en of het daar binnen in mij doodsch en ledig werd op eenmaal. Ik ook had mijne smart wel willen uitgillen zooals Francis, maar ik moest mij zelven beheerschen, ik moest het. Mij dunkt, zooals het mij ging, moet het den soldaat gaan in den slag, onder den kogelregen, bij ’t gebulder der kanonnen. Hij weet dat hij staande moet blijven en strijden, of verachtelijk vluchten; en zij mocht mij verachtelijk noemen,verachtelijkzijn in hare oogen wilde ik niet. De goede Rolf had zich teruggetrokken op den achtergrond van ’t vertrek en had tranen in de oogen. De goedhartige ziel, die van haar alles kon verdragen en het lakoniek langs zich neer liet glijden, sidderde van angst dat ik het zou opnemen zooals het klonk. De generaal, wien het angstzweet op het voorhoofd parelde, zat handenwringend van schrik en spijt in den armstoel waaruit hij niet kon oprijzen.“Francis, Francis!” viel hij nu in. “Laat u toch niet zoo ver vervoeren in uwe dwaze gekrenktheid. Sla uw eigen geluk, óns aller welvaart niet zoo roekeloos onzinnig den bodem in, nu gij het in uwe macht hebt. Bedenk, dat de Werve verhypothekeerd is tot den laatsten steen, dat de renten in de laatste zes maanden onbetaald zijn gebleven, dank zij de tusschenkomst van jonker Leopold die Overberg heeft gesust; dat het kasteel bij een publieken verkoop niet een derde zou opbrengen van de schuld waarmee het bezwaard is, en dat wij het alleen danken aan de edelmoedigheid van onzen neef van Zonshoven, als er van zoo iets geen sprake zal zijn. Hij wil de Werve met al hare bezwaren van mij overnemen, en mij daarvoor een vast jaarlijksch inkomen toestaan, dat mij een rustigen ouderdom waarborgt, maar.... gij moet zijne vrouw worden, anders valt dat gansche plan in duigen; begrijpt dat toch en beleedig den man niet, die het zoo goed met ons voorheeft! Ons lot is geheelin zijne handen, en gij werpt hem verwijtingen naar het hoofd, die bijkans onvergefelijk zijn. Toch zal hij nog kunnen vergeven, indien gij niet volhardt bij uwe onzinnige afwijzing, ik ben er zeker van, want hij heeft u lief, ik heb dit lang geraden. Maar wij hebben hier niet alleen met hem te doen, wij hebben te doen met een uitersten wil, met executeurs, met een procureur, met alle eischen en vormen die de wet voorschrijft. Hier is een ernstig, verstandig antwoord noodig en kan men niet volstaan met invectieven en exclamaties. Wat zal ik aan den heer Overberg schrijven?”Francis had zeker maar half naar zijne toespraak geluisterd; zij was hem alleen niet in de rede gevallen, omdat zij nog worstelde met hare eigene aandoeningen, die zij trachtte te bekampen; nu echter, gesommeerd tot eene beslissing, rees zij op en sprak met eene stem die eenigszins dof en schor klonk, maar die helaas geene vastheid miste:“Mij dunkt, grootvader! daar is maar één antwoord. Schrijf aan dien Overberg, dat freule Mordaunt hare hand niet laat weggeven bij testamentaire dispositie van wie ook; dat zij zich zelve te hoog schat om voor een millioen verkocht te worden, en dat zij het aanzoek van jonker van Zonshoven formeel heeft afgewezen.”Ik wil u wel bekennen, Willem! dat ik mij in dien oogenblik zóó gekrenkt en geschokt voelde, dat ik er aan dacht haar bij het woord te vatten; maar op eens viel het mij in, met wie ik te doen had, dat zij nog altijd Majoor Frans was, die in zekere gevallen alleen zoude zwichten voorplus fort qu’elle; daarbij, er lag in hare weigering zelf eene grootheid van karakter, eene waardeering van het mijne, al miskende zij mijne handelwijze in dit oogenblik, die mij wel moed gaf op de toekomst, wel moed om tot het uiterste te volharden zooals de overledene van mij had verlangd, zooals bovenal het hart mij ingaf, dat nog voor haar sprak. Ik begreep, dat ik al wat er beleedigends was in hare uitingen langsmij moest laten neerglijden, tot zij in staat zou zijn mijne handelwijze uit een ander oogpunt te beschouwen. Ik twijfelde er niet aan of ik zou haar eenmaal daartoe brengen. Ik wist mij niet vrij van alle schuld; ik had meer openheid moeten gebruiken, waar zij zelve zooveel rondborstigheid had getoond; maar, ik wist mij toch vrij van de schuld die zij mij toedichtte, ik wist niets gepleegd te hebben wat haar tot minachting recht gaf.“Francis!” sprak ik met al de kalmte en de vastheid die ik bemachtigen kon over mijne innerlijke geschoktheid, “gij doet mij onrecht, grootelijks onrecht; maar gij zijt nu niet in een gemoedstoestand om dat in te zien; ik zal mij over zeker gebrek aan openheid met u verantwoorden, als ik u in staat acht zulke verantwoording met kalmte aan te hooren; ik zal mij echter nooit verlagen zulke betichtingen als gij daar even uitspraakt op te vatten of te weerleggen. In een gewoon geval zou zulke afwijzing als de uwe voldoende zijn om een man af te schrikken voor altoos, en zoo wij zeker gesprek niet hadden gevoerd op de heide bij onze eerste ontmoeting, zou eene enkele weigering afdoende zijn geweest voor immer; maar ik moet u herinneren aan mijne verklaring, dat ik voor geene hindernissen zou terugwijken, als ik mij voorgesteld hadzekerdoel te bereiken; het geschil liep toen reeds over het verkrijgen van uwe hand.... ik liet u mijn ernst als scherts opvatten, want ik kon in dienzelfden oogenblik eene dame die geene dame wilde zijn, eene jonkvrouw die zich zonder spijt Majoor Frans liet noemen, niet zonder nadere kennis mijne hand bieden. Ik ook, freule Mordaunt, heb achting genoeg voor mij zelven, om niet zoo roekeloos eene verbintenis voor het leven aan te gaan. Ik wilde zien, zien uit eigene oogen, en niet in den blinde rondtasten.“Als gij het bespieden noemt, naar uw zin, naar uw aard, naar uw verleden te vorschen, ja dan heb ik u bespied; maar het is niet geweest dan met het oog op uw geluk en op het mijne. En nu, ik heb de zekerheidgekregen, dat gij mij liefhebt, zooals ik u, dat wij elkander waardig zijn, dat onze verbintenis voor ons beiden eene levenskwestie is; gij hebt mij geen uur geleden vrijwillig en met blijdschap uw woord gegeven; zoo acht ik uwe afwijzing voor een uitval waaraan ik mij niet zal storen, want ik zal niet dulden, dat gij door eene verkeerde opvatting in een oogenblik van drift baldadig dàtgene verbreekt, dat gij zelf uw levensgeluk hebt genoemd, en waaraan ook het mijne hangt. Ik heb de zekerheid uwer liefde, ik heb uwwoord! Ik houd u bij dat woord, ik zal u dwingen gelukkig te zijn. Generaal! schrijf aan Overberg, aan van Beek, dat Freule Mordaunt mij hare hand heeft toegezegd, en dat de overdracht van de Werve kan doorgaan.”“Daarvoor ismijnetoestemming noodig,” sprak Francis, die bleek maar roerloos met strakken blik en onbewogen trekken naar mij had zitten luisteren. Maar dat is niet juist; zij had zich afgewend, als ging datgene wat ik sprak haar niet meer aan. Nu eerst toonde zij weer deelneming in ’t geen er voorviel, maar om ons tegen te staan.Ik was vast besloten den strijd niet op te geven.“Volstrekt niet, Freule,” beet ik haar toe. “Uw grootvader is de eenige rechthebbende op het kasteel, en zijn testament, dat u zijne rechten overdraagt, is niet van kracht bij zijn leven!”“En dan nòg,” verzuchtte von Zwenken. “Och! of zij den toestand inzag als ik....”“Welaan, Oom! laat u niet door haar weerstand afschrikken; schrijf aan die heeren zooals ik u opgaf, en stoor u niet aan al het overige; gij weet te goed wat er volgen gaat, zoo gij het tegendeel deedt.”“Hij geeft u leugens in de pen, hij hecht aan zijn millioen, dat is duidelijk!” riep Francis tergend.“Zoo doe ik, Freule!” hernam ik, haar fier en vast in de oogen ziende, “en allermeest om u. Gij zijt mijne verloofde en wij hebben geen tweeërlei belang.”“Francis! Francis!” vermaande de generaal, wien het hachelijke van den toestand tot een ongekende hoogte van moed opvoerde, “gij raast tegen een man die de edelmoedigheid zelf is, die ons allen in het verderf kan storten en die niets wil dan ons redden, als gij de reddende hand maar wilt aangrijpen.... Vergeet het niet, hij kan de Werve laten verkoopen, als wij die niet bij vrijwillige overeenkomst in zijne handen stellen.”“’t Is mogelijk! ’t is mogelijk, dat hij in ’t geheim de macht heeft weten te verkrijgen om ons als bedelaars van de Werve te verjagen, maar hij kan mij toch niet dwingen zijne vrouw te worden,” voegde zij hem toe.Och, zij was toch verschoonlijk; allerlei smart en teleurstelling trof haar tegelijk; twijfel aan mij en de zekerheid dat haar grootvader haar bedrogen en geruïneerd had! Moest een karakter als het hare niet tot woestheid toe geprikkeld worden? Maar zoo mild en verschoonend toonde ik mij niet aan haar in dien oogenblik.“Dat zullen we zien!” antwoordde ik vast, en zeker wat forscher dan ik zelf had gewild, want zij liep op mij toe met een drift, die waarlijk erger dan snerpende woorden te duchten gaf.“Dwang, dwang! Mij dwang aandoen?” riep ze heftig en forsch; maar toch trad zij terug voor den blik dien ik op haar richtte, die blik waarvan men mij gezegd had, dat hij mij op den tempelheer gelijken deed.“Gij, Leo!” mijn naam ontsnapte haar als een diepe weeklacht; zij deinsde af tot in den uitersten hoek van het vertrek en bleef staan zoo stijf gedrukt tegen het goudleeren behangsel, of zij zich daarmee vereenzelvigen wilde.Ik wist dat ik haar verslagen had, maar zij was daarom niet verzoend.“Dwang, Francis! als het moet,” hervatte ik; “maar ik ben er zeker van, er zal geen andere dwang noodig zijn dan die van uwe eigene consciëntie, die u zeggenzal, dat gij mij voldoening schuldig zijt. Vaarwel! ik ga heen om u rust te laten tot kalm beraad, maar toch, bedenk u niet te lang, want.... ik ben maar een mensch en mijne lankmoedigheid is, vrees ik, niet grenzenloos. Gij hebt mij in mijn eergevoel gekwetst; gij hebt mijn hart gewond; laat die wonden niet te lang bloeden; want ze zouden ongeneeslijk kunnen zijn.”Ik wierp nogmaals een blik op haar, nu met zacht verwijt, maar zij zag mij strak en wezenloos aan, of zij niets meer begreep. Ik schudde den generaal de hand, die zwijgend het hoofd boog met tranen in de oogen, en ging langs Francis voorbij, zonder meer naar haar om te zien.Rolf liep mij na en smeekte mij, niets van alles wat Francis mij aangedaan had ernstig op te vatten, en bovenal het kasteel niet te verlaten.“Zoo is zij, als er eens iets bij haar inslaat,” sprak de goede stakkerd; “maar over een uur zal zij berouw hebben, ik ben er zeker van; de bui was te hevig om lang aan te houden.”Doch mijn besluit was genomen. Ik beval aan Frits, die mij met stomme verbazing aanstaarde, het wagentje van de Pauwelsen te laten voorkomen, en ging naar mijne kamer om mijn koffer te pakken, langzaam en werktuigelijk, dat beken ik, en altijd luisterend of ik ook een welbekenden stap de trap hoorde opkomen, of niet een driftige tik op de deur mij Francis zou aanmelden, berouwvol en gereed ter verzoening. Maar die hoop werd deerlijk teleurgesteld; zij kwam niet; zij was nog niet ontnuchterd uit den roes, want bij haar was in waarheid de toorn eene kortstondige dronkenschap.Zoo de hoop mij niet eenigszins opgericht had gehouden zou ik verpletterd zijn geweest. Het was ook schrikkelijk, in de haven te zijn en nòg schipbreuk te lijden! Zóó wakker geschud te worden uit den zaligsten droom der liefde; neen! geen droom, de werkelijkheid werd verdrongen, in het uiterste contrast met de liefelijke beloftender eerste. Wie mij dat een uur te voren geprofeteerd had, zou ik helder hebben uitgelachen! En toch, dat was dezelfde vrouw, dezelfde die als aan mijne voeten had geknield, en mijne hand had gekust in de verrukking der liefde, zij die nu als eene furie tegen mij woedde en mij zoo onbarmhartig verstiet.En dat was geene coquette, die met valsche teederheid mijn hart had verwonnen, om het met koele wreedheid te vertreden in hetzelfde uur. Neen! zij was waar in de overgave der liefde als in de wilde smart van haar toorn; zij leed zelve; zij leed mogelijk meer nog dan ik; zij was ondanks alles achtenswaardig in hare verontwaardiging, al berustte die ook op eene misvatting. Bij later, kalmer zelfonderzoek moest ik bekennen, dat ik rechter, opener weg had kunnen gaan, bij een karakter als het hare, dan dien ik had ingeslagen; maar toen ik den eersten stap deed moest ik ook bij haar nog in den blinde tasten en voorzichtig zijn, en later volgde uit de eerste schrede iedere andere. Ik heb dit alles geboet met bittere zielesmart, met een lijden, dat ik nu niet meer herdenken of beschrijven wil.Ik wist wel hoe ik op staanden voet hare achting had kunnen herwinnen: met afstand te doen van de erfenis; en ik beken u, dat ik er eene wijle aan dacht; maar beter beraad zeide mij dat het een don Quichotisme zou zijn, waardoor niemand ware gebaat en dat ons allen aan armoede en ellende prijs gaf. Zeker is het, dat alle schatten van tante Roselaer mij niet zooveel geluk kunnen aanbrengen als Francis alleen, zoo zij zich eindelijk gewonnen geeft; maar even zeker is het, dat zij die fortuin niet ontberen kan, als zij voldoen moet aan alle verplichtingen, die zij nu eenmaal onafwijsbaar acht. Zij heeft gezond verstand genoeg om dit zelve in te zien als zij kalmer zal zijn; daarom is het noodig dat zij den geheelen toestand en mijne handelwijze daarin helder kan overzien. Daartoe zond ik haar, zoodra ik te Z— was aangekomen en mij eenigszins had hervat,den brief van tante Sophie, dien ik kieschheidshalve had willen terughouden. Ik voegde er slechts enkele woorden bij, overtuigd dat de waarheid voor zich zelve zou spreken. Zij kon er ten minste uit leeren dat ik zoomin om de erfenis had geïntrigeerd als zij, en dat zoo de testatrice de middelaarster was geweest van onze kennismaking, het verkrijgen van hare hand voor mij niet was het middel om in ’t bezit der erfenis te geraken, en dat mijn volharden tot het uiterste geschiedde om harentwil en om dien van haar grootvader, geenszins uit lage belangzucht waarvan zij mij zou moeten vrijpleiten.Daar het omslachtig schrijven van Tante R— een pakket vormde dat te zwaar was voor de post, vertrouwde ik het aan den kellner om het met den vrachtrijder mee te geven, die elken dag geregeld op de Werve verscheen. Gerust op de bezorging, gaf ik mij over aan de hoop op een goede uitkomst en verkeerde dien dag in eene vreeselijke spanning, die met ieder uur klom en, toen er tegen den avond noch brief noch bode verscheen, mij alle verwisseling van hoop en vrees tot volslagen wanhoop deed doorgaan. Ik bracht den bangsten nacht van mijn leven door, en toen de morgen daagde, en een deel van den middag verliep zonder dat er eenig bericht van de Werve kwam, overviel mij eene gewaarwording van leegte en onverschilligheid; de uiterste graad van mismoedigheid; in dien toestand had ik maar één verlangen: te Z— alles af te doen wat nog door mij verricht moest worden, en naar den Haag terug te keeren.Overberg wilde met alle geweld dat ik nog blijven zou. Ik weet niet of hij iets begreep van mijn toestand, maar ik verzweeg hem mijnéchecen wendde voor, dat ik om eene dringende zaak naar huis moest. Om hem te voldoen teekende ik alle stukken, die hij mij voorlegde, gaf hem de volmacht die hij begeerde en nam afscheid met de verzekering, dat ik terug zou keeren zoo ras de aangelegenheden in den Haag het mij vergunden.Inderdaad riep er mij niets dan mijn eigen verlangenen die onweerstaanbare begeerte om thuis te zijn, als men zich onwel gevoelt. Zoodra ik maar weer terug was in mijne eigene rustige kamer, zou ik beter worden, en alles zou goed gaan, stelde ik mij voor; desnoods zou ik weer werken om mij te retrempeeren! nam rijtuig tot aan het eerste station, en kwam in den laten avond waar ik zijn wilde, waar ik genezing hoopte te vinden.
Sit side by side, full summed in all their powersSelf reverend each and reverencing eachDistinct in individualities;But like each other even as those who love.”“Dat is ’t juist, dat is ’t!” juichte zij, in verrukking mijne hand vattend en die aan hare lippen brengende. “Maar nu,dearest!Laat ons gaan, want anders slaan ze alarm in het kasteel!”Die gissing bleek waarheid. Rolf en Frits stonden met angstige gezichten naar ons uit te kijken toen wij aankwamen; maar de generaal was niet uit zijn humeur, zooals wij vermoed hadden; integendeel hij was druk bezig met zijne papieren toen wij binnentraden; arm in arm, zooals Francis het gewild had, om hem terstond op de hoogte te brengen van onze verhouding. Maar hij lette daar niet op; hij gunde ons den tijd niet om hem iets te zeggen.“Francis!” riep hij, een brief in de hoogte houdende, met stralende oogen en een gelaat of hij verjongd ware. “Waarom zijt gij toch zoo lang uitgebleven, nu ik u zulk goed nieuws heb mee te deelen.”“En ik u, grootpapa! Maar wat is er? Gij ziet er zoo triomfantelijk uit, en dat midden in die deftige akten! De erfenis van tante Roselaer is toch niet gekomen?”“Dat scheelt niet veel, mijn beste kind; althans het komt op hetzelfde uit. De erfgenaam van tante Roselaer vraagt u ten huwelijk. Het blijkt dat hij er door haar testament toe verplicht is, maar ik twijfel er niet aan, of het is eene verplichting waaraan hij van ganscher harte voldoet.”De generaal zag mij aan; ik glimlachte en knikte hem toe, maar ik vond toch dat Overberg en van Beek zich wel wat veel gehaast hadden om die zaak zoo officieel te behandelen. Ik ware liever zelf de eerste geweest om haar met deze mededeeling te verrassen.Zij liet mijn arm los, en den generaal naderend, sprak zij luid en vast:“Het spijt mij, grootvader! dat ik u teleurstellen moet, omdat het u zoozeer schijnt te verblijden; maar die mijnheer komt te laat, want ik wilde u juist vertellen dat ik mijn woord gegeven heb aan mijn neef Leopold van Zonshoven.”“Nu, kindlief! zooveel te beter, want de erfgenaam van tante Roselaer, de heer van den Runenberg, zooals hij in deze akte wordt genoemd, en uw neef Leopold van Zonshoven zijn een!”“Dat is niet waar! Zeg dat het niet waar is, Leo!” riep zij in heftige ontroering, mijn arm vattende.“Dan zou ik eene onwaarheid zeggen, Francis!” sprak ik lachende, “want het is niet anders, die gelukkige ben ik. Het verschil voor u is alleen, dat gij uw woord gegeven hebt aan een armen drommel, en dat hij als de betooverde prins in het sprookje optreedt als millionair! Mij dunkt, dat verschil kan geene onaangename verrassing zijn voor u.”“Geene onaangename verrassing voor mij!” riep zij uit met bliksemend oog en hooggekleurde wangen. “Als ik verneem, dat gij mij zóó lang een masker hebt voorgehouden, dat ik voor uw gelaat nam! Gij hebt mij achting weten in te boezemen door die fiere waardigheid, waarmede gij uwe armoede wist te dragen, door dien nobelen zin, die werkzaamheid en de zware worsteling met het leven koos boven laagheid! En zoozeer kunt gij u in mij vergissen, dat gij meent mij eene aangename verrassing te bereiden als gij zegt dat dit alles maar vermomming is geweest en dat de bedelaarsmantel slechts den betooverden prins heeft verborgen tot de comedie aan de ontknooping was.Fair! fair indeed!” ging zij voort met smartelijke bitterheid, terwijl er tranen opwelden in de fonkelende oogen. “En dat is nu een edelman, een man onder duizenden, dien ik meende gevonden te hebben, dien ik mijn meerdere achtte, dien ik mijnonbegrensd vertrouwen heb geschonken.... en die doet mij dit aan! En gij meent dat ik het luchtig zal opnemen. Gij hebt u vreeselijk misrekend, jonker Leopold van Zonshoven! Ik heb mijn hart gegeven aan den jonker zonder fortuin, in wiens eerlijkheid en oprechtheid ik geloofde als in mij zelve, beter dan in mij zelve, want ik rekende op zijne vastheid en kalmte om mijne woeste en ongeregelde schreden te besturen. Maar voor den schatrijken erfgenaam van tante Roselaer, een intrigant, die eene erfenis accapareert en daartoe de vrouw trouwt die men hem aanwijst, voor dezen heb ik niets dan..... mijne verachting.”Ik had er wel niet op kunnen bedacht zijn, dat zij het zóó zoude opvatten, dat zij in mijne handelwijze zou zien, wat ik met de hand op het hart kon verklaren, dat ik er niet in had gelegd. Maar nu zij het zóó opnam, kwam het mij het beste voor, haar alles wat er in haar omging te laten uitspreken. Ik wist immers dat ik mij zegevierend kon rechtvaardigen als ik haar slechts den brief van tante Roselaer voorlegde; ik wist dat het mij niet al te zwaar zou vallen mijnnot guiltyte pleiten; alleen, dit was het oogenblik daartoe niet. Maar er was wat te hoog kon loopen en wat mij die zelfbeheersching kon doen verliezen, die ik juist zoo noodig had. De gloed der bitterheid, der verontwaardiging steeg ook mij naar het voorhoofd, toen ik dat laatste woord hoorde.“Uwe verachting, Francis! Bezin u, eer gij zulke uitdrukkingen bezigt tegen mij! Ik weet het, gij zijt heftig in uwe opvattingen en hartstochtelijk in uwe uitingen; ik weet ook, dat zij u diep berouwen als gij er later van terugkomt; maar toch, wees voorzichtig en bedenk u wel, eer gij den man dien gij uwe liefde hebt geschonken benamingen toevoegt, die nog wel nimmer op hem zijn toegepast en die hij niet voornemens is van wie ook straffeloos aan te hooren.”“Straf mij, als ik u bidden mag, met een aanzoekin te trekken dat ik toch moet afwijzen,” sprak zij hoonend. “Als er kwestie is van beleediging, dan benikde beleedigde; want gij hebt mij bedrogen; gij hebt gehuicheld; gij zijt hier binnengeslopen als een spion; gij hebt uw goochelspel zoolang voortgezet tot gij zeker waart van uwe prooi, in den onzinnigen waan dat ik niet zou kunnen, niet zou durven terugtreden, als gij mij eens tot de bekentenis mijner zwakheid hadt gebracht. Gij zijt slim geweest, jonker van Zonshoven en behendig op uwe wijze, en toch verbaast mij uwe verblinding, dat gij zoo weinig inzicht hebt gehad van mijn karakter. Eene misleiding vergeef ik nooit.”“Ik heb u niet willen misleiden, Francis!” sprak ik op zachten, bedaarden toon. “Ik heb alleen de waarheid verzwegen, omdat ik uw persoon, uw karakter wilde leeren kennen eer ik mij uitsprak. Ik heb uwe liefde willen verwerven eer ik het officieel, het beslissend aanzoek waagde, ziedaar alles!”“Gij zijt valsch geweest, gij hebt voorgewend dat gij mij liefhadt; dat geloof ik niet meer. Gij kwaamt hier een zaak doen, dat is alles! Gij kwaamt de hand zoeken die u een millioen moest aanbrengen. Het is waar, ik heb u mijne achting, ik heb u mijne liefde geschonken; maar niet aan u, zooals gij daar nu voor mij staat. Dit alles berust op een valschen grond, en nu die tooneeldecoratie wegvalt, stort ook al het overige mee in, en, ik herhaal het, gij zijt voor mij te dieper gevallen, naarmate ik u hooger heb gesteld. Wees zeker, dat ik niet over mijne hand laat beschikken, door anderen, dooden of levenden, en, versta mij wel.... gij zijt afgewezen! Afgewezen! afgewezen!” herhaalde zij, telkens luider en scherper; en toen zij het laatste “afgewezen!” bijna gillend had uitgeroepen, viel zij bleek als eene doode in een armstoel neer.Ik zelf stond gedurende dit tooneel tegen een stoel te leunen, een steun dien ik hoog noodig had om niet te wankelen. Levenslang zal het mij heugen, wat ikdoorstond in die vreeselijke ure, en toch is het mij onbeschrijfelijk; ik kan alleen zeggen, dat ik eene gewaarwording had of mijn hart verkilde, en of het daar binnen in mij doodsch en ledig werd op eenmaal. Ik ook had mijne smart wel willen uitgillen zooals Francis, maar ik moest mij zelven beheerschen, ik moest het. Mij dunkt, zooals het mij ging, moet het den soldaat gaan in den slag, onder den kogelregen, bij ’t gebulder der kanonnen. Hij weet dat hij staande moet blijven en strijden, of verachtelijk vluchten; en zij mocht mij verachtelijk noemen,verachtelijkzijn in hare oogen wilde ik niet. De goede Rolf had zich teruggetrokken op den achtergrond van ’t vertrek en had tranen in de oogen. De goedhartige ziel, die van haar alles kon verdragen en het lakoniek langs zich neer liet glijden, sidderde van angst dat ik het zou opnemen zooals het klonk. De generaal, wien het angstzweet op het voorhoofd parelde, zat handenwringend van schrik en spijt in den armstoel waaruit hij niet kon oprijzen.“Francis, Francis!” viel hij nu in. “Laat u toch niet zoo ver vervoeren in uwe dwaze gekrenktheid. Sla uw eigen geluk, óns aller welvaart niet zoo roekeloos onzinnig den bodem in, nu gij het in uwe macht hebt. Bedenk, dat de Werve verhypothekeerd is tot den laatsten steen, dat de renten in de laatste zes maanden onbetaald zijn gebleven, dank zij de tusschenkomst van jonker Leopold die Overberg heeft gesust; dat het kasteel bij een publieken verkoop niet een derde zou opbrengen van de schuld waarmee het bezwaard is, en dat wij het alleen danken aan de edelmoedigheid van onzen neef van Zonshoven, als er van zoo iets geen sprake zal zijn. Hij wil de Werve met al hare bezwaren van mij overnemen, en mij daarvoor een vast jaarlijksch inkomen toestaan, dat mij een rustigen ouderdom waarborgt, maar.... gij moet zijne vrouw worden, anders valt dat gansche plan in duigen; begrijpt dat toch en beleedig den man niet, die het zoo goed met ons voorheeft! Ons lot is geheelin zijne handen, en gij werpt hem verwijtingen naar het hoofd, die bijkans onvergefelijk zijn. Toch zal hij nog kunnen vergeven, indien gij niet volhardt bij uwe onzinnige afwijzing, ik ben er zeker van, want hij heeft u lief, ik heb dit lang geraden. Maar wij hebben hier niet alleen met hem te doen, wij hebben te doen met een uitersten wil, met executeurs, met een procureur, met alle eischen en vormen die de wet voorschrijft. Hier is een ernstig, verstandig antwoord noodig en kan men niet volstaan met invectieven en exclamaties. Wat zal ik aan den heer Overberg schrijven?”Francis had zeker maar half naar zijne toespraak geluisterd; zij was hem alleen niet in de rede gevallen, omdat zij nog worstelde met hare eigene aandoeningen, die zij trachtte te bekampen; nu echter, gesommeerd tot eene beslissing, rees zij op en sprak met eene stem die eenigszins dof en schor klonk, maar die helaas geene vastheid miste:“Mij dunkt, grootvader! daar is maar één antwoord. Schrijf aan dien Overberg, dat freule Mordaunt hare hand niet laat weggeven bij testamentaire dispositie van wie ook; dat zij zich zelve te hoog schat om voor een millioen verkocht te worden, en dat zij het aanzoek van jonker van Zonshoven formeel heeft afgewezen.”Ik wil u wel bekennen, Willem! dat ik mij in dien oogenblik zóó gekrenkt en geschokt voelde, dat ik er aan dacht haar bij het woord te vatten; maar op eens viel het mij in, met wie ik te doen had, dat zij nog altijd Majoor Frans was, die in zekere gevallen alleen zoude zwichten voorplus fort qu’elle; daarbij, er lag in hare weigering zelf eene grootheid van karakter, eene waardeering van het mijne, al miskende zij mijne handelwijze in dit oogenblik, die mij wel moed gaf op de toekomst, wel moed om tot het uiterste te volharden zooals de overledene van mij had verlangd, zooals bovenal het hart mij ingaf, dat nog voor haar sprak. Ik begreep, dat ik al wat er beleedigends was in hare uitingen langsmij moest laten neerglijden, tot zij in staat zou zijn mijne handelwijze uit een ander oogpunt te beschouwen. Ik twijfelde er niet aan of ik zou haar eenmaal daartoe brengen. Ik wist mij niet vrij van alle schuld; ik had meer openheid moeten gebruiken, waar zij zelve zooveel rondborstigheid had getoond; maar, ik wist mij toch vrij van de schuld die zij mij toedichtte, ik wist niets gepleegd te hebben wat haar tot minachting recht gaf.“Francis!” sprak ik met al de kalmte en de vastheid die ik bemachtigen kon over mijne innerlijke geschoktheid, “gij doet mij onrecht, grootelijks onrecht; maar gij zijt nu niet in een gemoedstoestand om dat in te zien; ik zal mij over zeker gebrek aan openheid met u verantwoorden, als ik u in staat acht zulke verantwoording met kalmte aan te hooren; ik zal mij echter nooit verlagen zulke betichtingen als gij daar even uitspraakt op te vatten of te weerleggen. In een gewoon geval zou zulke afwijzing als de uwe voldoende zijn om een man af te schrikken voor altoos, en zoo wij zeker gesprek niet hadden gevoerd op de heide bij onze eerste ontmoeting, zou eene enkele weigering afdoende zijn geweest voor immer; maar ik moet u herinneren aan mijne verklaring, dat ik voor geene hindernissen zou terugwijken, als ik mij voorgesteld hadzekerdoel te bereiken; het geschil liep toen reeds over het verkrijgen van uwe hand.... ik liet u mijn ernst als scherts opvatten, want ik kon in dienzelfden oogenblik eene dame die geene dame wilde zijn, eene jonkvrouw die zich zonder spijt Majoor Frans liet noemen, niet zonder nadere kennis mijne hand bieden. Ik ook, freule Mordaunt, heb achting genoeg voor mij zelven, om niet zoo roekeloos eene verbintenis voor het leven aan te gaan. Ik wilde zien, zien uit eigene oogen, en niet in den blinde rondtasten.“Als gij het bespieden noemt, naar uw zin, naar uw aard, naar uw verleden te vorschen, ja dan heb ik u bespied; maar het is niet geweest dan met het oog op uw geluk en op het mijne. En nu, ik heb de zekerheidgekregen, dat gij mij liefhebt, zooals ik u, dat wij elkander waardig zijn, dat onze verbintenis voor ons beiden eene levenskwestie is; gij hebt mij geen uur geleden vrijwillig en met blijdschap uw woord gegeven; zoo acht ik uwe afwijzing voor een uitval waaraan ik mij niet zal storen, want ik zal niet dulden, dat gij door eene verkeerde opvatting in een oogenblik van drift baldadig dàtgene verbreekt, dat gij zelf uw levensgeluk hebt genoemd, en waaraan ook het mijne hangt. Ik heb de zekerheid uwer liefde, ik heb uwwoord! Ik houd u bij dat woord, ik zal u dwingen gelukkig te zijn. Generaal! schrijf aan Overberg, aan van Beek, dat Freule Mordaunt mij hare hand heeft toegezegd, en dat de overdracht van de Werve kan doorgaan.”“Daarvoor ismijnetoestemming noodig,” sprak Francis, die bleek maar roerloos met strakken blik en onbewogen trekken naar mij had zitten luisteren. Maar dat is niet juist; zij had zich afgewend, als ging datgene wat ik sprak haar niet meer aan. Nu eerst toonde zij weer deelneming in ’t geen er voorviel, maar om ons tegen te staan.Ik was vast besloten den strijd niet op te geven.“Volstrekt niet, Freule,” beet ik haar toe. “Uw grootvader is de eenige rechthebbende op het kasteel, en zijn testament, dat u zijne rechten overdraagt, is niet van kracht bij zijn leven!”“En dan nòg,” verzuchtte von Zwenken. “Och! of zij den toestand inzag als ik....”“Welaan, Oom! laat u niet door haar weerstand afschrikken; schrijf aan die heeren zooals ik u opgaf, en stoor u niet aan al het overige; gij weet te goed wat er volgen gaat, zoo gij het tegendeel deedt.”“Hij geeft u leugens in de pen, hij hecht aan zijn millioen, dat is duidelijk!” riep Francis tergend.“Zoo doe ik, Freule!” hernam ik, haar fier en vast in de oogen ziende, “en allermeest om u. Gij zijt mijne verloofde en wij hebben geen tweeërlei belang.”“Francis! Francis!” vermaande de generaal, wien het hachelijke van den toestand tot een ongekende hoogte van moed opvoerde, “gij raast tegen een man die de edelmoedigheid zelf is, die ons allen in het verderf kan storten en die niets wil dan ons redden, als gij de reddende hand maar wilt aangrijpen.... Vergeet het niet, hij kan de Werve laten verkoopen, als wij die niet bij vrijwillige overeenkomst in zijne handen stellen.”“’t Is mogelijk! ’t is mogelijk, dat hij in ’t geheim de macht heeft weten te verkrijgen om ons als bedelaars van de Werve te verjagen, maar hij kan mij toch niet dwingen zijne vrouw te worden,” voegde zij hem toe.Och, zij was toch verschoonlijk; allerlei smart en teleurstelling trof haar tegelijk; twijfel aan mij en de zekerheid dat haar grootvader haar bedrogen en geruïneerd had! Moest een karakter als het hare niet tot woestheid toe geprikkeld worden? Maar zoo mild en verschoonend toonde ik mij niet aan haar in dien oogenblik.“Dat zullen we zien!” antwoordde ik vast, en zeker wat forscher dan ik zelf had gewild, want zij liep op mij toe met een drift, die waarlijk erger dan snerpende woorden te duchten gaf.“Dwang, dwang! Mij dwang aandoen?” riep ze heftig en forsch; maar toch trad zij terug voor den blik dien ik op haar richtte, die blik waarvan men mij gezegd had, dat hij mij op den tempelheer gelijken deed.“Gij, Leo!” mijn naam ontsnapte haar als een diepe weeklacht; zij deinsde af tot in den uitersten hoek van het vertrek en bleef staan zoo stijf gedrukt tegen het goudleeren behangsel, of zij zich daarmee vereenzelvigen wilde.Ik wist dat ik haar verslagen had, maar zij was daarom niet verzoend.“Dwang, Francis! als het moet,” hervatte ik; “maar ik ben er zeker van, er zal geen andere dwang noodig zijn dan die van uwe eigene consciëntie, die u zeggenzal, dat gij mij voldoening schuldig zijt. Vaarwel! ik ga heen om u rust te laten tot kalm beraad, maar toch, bedenk u niet te lang, want.... ik ben maar een mensch en mijne lankmoedigheid is, vrees ik, niet grenzenloos. Gij hebt mij in mijn eergevoel gekwetst; gij hebt mijn hart gewond; laat die wonden niet te lang bloeden; want ze zouden ongeneeslijk kunnen zijn.”Ik wierp nogmaals een blik op haar, nu met zacht verwijt, maar zij zag mij strak en wezenloos aan, of zij niets meer begreep. Ik schudde den generaal de hand, die zwijgend het hoofd boog met tranen in de oogen, en ging langs Francis voorbij, zonder meer naar haar om te zien.Rolf liep mij na en smeekte mij, niets van alles wat Francis mij aangedaan had ernstig op te vatten, en bovenal het kasteel niet te verlaten.“Zoo is zij, als er eens iets bij haar inslaat,” sprak de goede stakkerd; “maar over een uur zal zij berouw hebben, ik ben er zeker van; de bui was te hevig om lang aan te houden.”Doch mijn besluit was genomen. Ik beval aan Frits, die mij met stomme verbazing aanstaarde, het wagentje van de Pauwelsen te laten voorkomen, en ging naar mijne kamer om mijn koffer te pakken, langzaam en werktuigelijk, dat beken ik, en altijd luisterend of ik ook een welbekenden stap de trap hoorde opkomen, of niet een driftige tik op de deur mij Francis zou aanmelden, berouwvol en gereed ter verzoening. Maar die hoop werd deerlijk teleurgesteld; zij kwam niet; zij was nog niet ontnuchterd uit den roes, want bij haar was in waarheid de toorn eene kortstondige dronkenschap.Zoo de hoop mij niet eenigszins opgericht had gehouden zou ik verpletterd zijn geweest. Het was ook schrikkelijk, in de haven te zijn en nòg schipbreuk te lijden! Zóó wakker geschud te worden uit den zaligsten droom der liefde; neen! geen droom, de werkelijkheid werd verdrongen, in het uiterste contrast met de liefelijke beloftender eerste. Wie mij dat een uur te voren geprofeteerd had, zou ik helder hebben uitgelachen! En toch, dat was dezelfde vrouw, dezelfde die als aan mijne voeten had geknield, en mijne hand had gekust in de verrukking der liefde, zij die nu als eene furie tegen mij woedde en mij zoo onbarmhartig verstiet.En dat was geene coquette, die met valsche teederheid mijn hart had verwonnen, om het met koele wreedheid te vertreden in hetzelfde uur. Neen! zij was waar in de overgave der liefde als in de wilde smart van haar toorn; zij leed zelve; zij leed mogelijk meer nog dan ik; zij was ondanks alles achtenswaardig in hare verontwaardiging, al berustte die ook op eene misvatting. Bij later, kalmer zelfonderzoek moest ik bekennen, dat ik rechter, opener weg had kunnen gaan, bij een karakter als het hare, dan dien ik had ingeslagen; maar toen ik den eersten stap deed moest ik ook bij haar nog in den blinde tasten en voorzichtig zijn, en later volgde uit de eerste schrede iedere andere. Ik heb dit alles geboet met bittere zielesmart, met een lijden, dat ik nu niet meer herdenken of beschrijven wil.Ik wist wel hoe ik op staanden voet hare achting had kunnen herwinnen: met afstand te doen van de erfenis; en ik beken u, dat ik er eene wijle aan dacht; maar beter beraad zeide mij dat het een don Quichotisme zou zijn, waardoor niemand ware gebaat en dat ons allen aan armoede en ellende prijs gaf. Zeker is het, dat alle schatten van tante Roselaer mij niet zooveel geluk kunnen aanbrengen als Francis alleen, zoo zij zich eindelijk gewonnen geeft; maar even zeker is het, dat zij die fortuin niet ontberen kan, als zij voldoen moet aan alle verplichtingen, die zij nu eenmaal onafwijsbaar acht. Zij heeft gezond verstand genoeg om dit zelve in te zien als zij kalmer zal zijn; daarom is het noodig dat zij den geheelen toestand en mijne handelwijze daarin helder kan overzien. Daartoe zond ik haar, zoodra ik te Z— was aangekomen en mij eenigszins had hervat,den brief van tante Sophie, dien ik kieschheidshalve had willen terughouden. Ik voegde er slechts enkele woorden bij, overtuigd dat de waarheid voor zich zelve zou spreken. Zij kon er ten minste uit leeren dat ik zoomin om de erfenis had geïntrigeerd als zij, en dat zoo de testatrice de middelaarster was geweest van onze kennismaking, het verkrijgen van hare hand voor mij niet was het middel om in ’t bezit der erfenis te geraken, en dat mijn volharden tot het uiterste geschiedde om harentwil en om dien van haar grootvader, geenszins uit lage belangzucht waarvan zij mij zou moeten vrijpleiten.Daar het omslachtig schrijven van Tante R— een pakket vormde dat te zwaar was voor de post, vertrouwde ik het aan den kellner om het met den vrachtrijder mee te geven, die elken dag geregeld op de Werve verscheen. Gerust op de bezorging, gaf ik mij over aan de hoop op een goede uitkomst en verkeerde dien dag in eene vreeselijke spanning, die met ieder uur klom en, toen er tegen den avond noch brief noch bode verscheen, mij alle verwisseling van hoop en vrees tot volslagen wanhoop deed doorgaan. Ik bracht den bangsten nacht van mijn leven door, en toen de morgen daagde, en een deel van den middag verliep zonder dat er eenig bericht van de Werve kwam, overviel mij eene gewaarwording van leegte en onverschilligheid; de uiterste graad van mismoedigheid; in dien toestand had ik maar één verlangen: te Z— alles af te doen wat nog door mij verricht moest worden, en naar den Haag terug te keeren.Overberg wilde met alle geweld dat ik nog blijven zou. Ik weet niet of hij iets begreep van mijn toestand, maar ik verzweeg hem mijnéchecen wendde voor, dat ik om eene dringende zaak naar huis moest. Om hem te voldoen teekende ik alle stukken, die hij mij voorlegde, gaf hem de volmacht die hij begeerde en nam afscheid met de verzekering, dat ik terug zou keeren zoo ras de aangelegenheden in den Haag het mij vergunden.Inderdaad riep er mij niets dan mijn eigen verlangenen die onweerstaanbare begeerte om thuis te zijn, als men zich onwel gevoelt. Zoodra ik maar weer terug was in mijne eigene rustige kamer, zou ik beter worden, en alles zou goed gaan, stelde ik mij voor; desnoods zou ik weer werken om mij te retrempeeren! nam rijtuig tot aan het eerste station, en kwam in den laten avond waar ik zijn wilde, waar ik genezing hoopte te vinden.
Sit side by side, full summed in all their powers
Sit side by side, full summed in all their powers
Sit side by side, full summed in all their powers
Self reverend each and reverencing eachDistinct in individualities;But like each other even as those who love.”
Self reverend each and reverencing eachDistinct in individualities;But like each other even as those who love.”
Self reverend each and reverencing each
Distinct in individualities;
But like each other even as those who love.”
“Dat is ’t juist, dat is ’t!” juichte zij, in verrukking mijne hand vattend en die aan hare lippen brengende. “Maar nu,dearest!Laat ons gaan, want anders slaan ze alarm in het kasteel!”
Die gissing bleek waarheid. Rolf en Frits stonden met angstige gezichten naar ons uit te kijken toen wij aankwamen; maar de generaal was niet uit zijn humeur, zooals wij vermoed hadden; integendeel hij was druk bezig met zijne papieren toen wij binnentraden; arm in arm, zooals Francis het gewild had, om hem terstond op de hoogte te brengen van onze verhouding. Maar hij lette daar niet op; hij gunde ons den tijd niet om hem iets te zeggen.
“Francis!” riep hij, een brief in de hoogte houdende, met stralende oogen en een gelaat of hij verjongd ware. “Waarom zijt gij toch zoo lang uitgebleven, nu ik u zulk goed nieuws heb mee te deelen.”
“En ik u, grootpapa! Maar wat is er? Gij ziet er zoo triomfantelijk uit, en dat midden in die deftige akten! De erfenis van tante Roselaer is toch niet gekomen?”
“Dat scheelt niet veel, mijn beste kind; althans het komt op hetzelfde uit. De erfgenaam van tante Roselaer vraagt u ten huwelijk. Het blijkt dat hij er door haar testament toe verplicht is, maar ik twijfel er niet aan, of het is eene verplichting waaraan hij van ganscher harte voldoet.”
De generaal zag mij aan; ik glimlachte en knikte hem toe, maar ik vond toch dat Overberg en van Beek zich wel wat veel gehaast hadden om die zaak zoo officieel te behandelen. Ik ware liever zelf de eerste geweest om haar met deze mededeeling te verrassen.Zij liet mijn arm los, en den generaal naderend, sprak zij luid en vast:
“Het spijt mij, grootvader! dat ik u teleurstellen moet, omdat het u zoozeer schijnt te verblijden; maar die mijnheer komt te laat, want ik wilde u juist vertellen dat ik mijn woord gegeven heb aan mijn neef Leopold van Zonshoven.”
“Nu, kindlief! zooveel te beter, want de erfgenaam van tante Roselaer, de heer van den Runenberg, zooals hij in deze akte wordt genoemd, en uw neef Leopold van Zonshoven zijn een!”
“Dat is niet waar! Zeg dat het niet waar is, Leo!” riep zij in heftige ontroering, mijn arm vattende.
“Dan zou ik eene onwaarheid zeggen, Francis!” sprak ik lachende, “want het is niet anders, die gelukkige ben ik. Het verschil voor u is alleen, dat gij uw woord gegeven hebt aan een armen drommel, en dat hij als de betooverde prins in het sprookje optreedt als millionair! Mij dunkt, dat verschil kan geene onaangename verrassing zijn voor u.”
“Geene onaangename verrassing voor mij!” riep zij uit met bliksemend oog en hooggekleurde wangen. “Als ik verneem, dat gij mij zóó lang een masker hebt voorgehouden, dat ik voor uw gelaat nam! Gij hebt mij achting weten in te boezemen door die fiere waardigheid, waarmede gij uwe armoede wist te dragen, door dien nobelen zin, die werkzaamheid en de zware worsteling met het leven koos boven laagheid! En zoozeer kunt gij u in mij vergissen, dat gij meent mij eene aangename verrassing te bereiden als gij zegt dat dit alles maar vermomming is geweest en dat de bedelaarsmantel slechts den betooverden prins heeft verborgen tot de comedie aan de ontknooping was.Fair! fair indeed!” ging zij voort met smartelijke bitterheid, terwijl er tranen opwelden in de fonkelende oogen. “En dat is nu een edelman, een man onder duizenden, dien ik meende gevonden te hebben, dien ik mijn meerdere achtte, dien ik mijnonbegrensd vertrouwen heb geschonken.... en die doet mij dit aan! En gij meent dat ik het luchtig zal opnemen. Gij hebt u vreeselijk misrekend, jonker Leopold van Zonshoven! Ik heb mijn hart gegeven aan den jonker zonder fortuin, in wiens eerlijkheid en oprechtheid ik geloofde als in mij zelve, beter dan in mij zelve, want ik rekende op zijne vastheid en kalmte om mijne woeste en ongeregelde schreden te besturen. Maar voor den schatrijken erfgenaam van tante Roselaer, een intrigant, die eene erfenis accapareert en daartoe de vrouw trouwt die men hem aanwijst, voor dezen heb ik niets dan..... mijne verachting.”
Ik had er wel niet op kunnen bedacht zijn, dat zij het zóó zoude opvatten, dat zij in mijne handelwijze zou zien, wat ik met de hand op het hart kon verklaren, dat ik er niet in had gelegd. Maar nu zij het zóó opnam, kwam het mij het beste voor, haar alles wat er in haar omging te laten uitspreken. Ik wist immers dat ik mij zegevierend kon rechtvaardigen als ik haar slechts den brief van tante Roselaer voorlegde; ik wist dat het mij niet al te zwaar zou vallen mijnnot guiltyte pleiten; alleen, dit was het oogenblik daartoe niet. Maar er was wat te hoog kon loopen en wat mij die zelfbeheersching kon doen verliezen, die ik juist zoo noodig had. De gloed der bitterheid, der verontwaardiging steeg ook mij naar het voorhoofd, toen ik dat laatste woord hoorde.
“Uwe verachting, Francis! Bezin u, eer gij zulke uitdrukkingen bezigt tegen mij! Ik weet het, gij zijt heftig in uwe opvattingen en hartstochtelijk in uwe uitingen; ik weet ook, dat zij u diep berouwen als gij er later van terugkomt; maar toch, wees voorzichtig en bedenk u wel, eer gij den man dien gij uwe liefde hebt geschonken benamingen toevoegt, die nog wel nimmer op hem zijn toegepast en die hij niet voornemens is van wie ook straffeloos aan te hooren.”
“Straf mij, als ik u bidden mag, met een aanzoekin te trekken dat ik toch moet afwijzen,” sprak zij hoonend. “Als er kwestie is van beleediging, dan benikde beleedigde; want gij hebt mij bedrogen; gij hebt gehuicheld; gij zijt hier binnengeslopen als een spion; gij hebt uw goochelspel zoolang voortgezet tot gij zeker waart van uwe prooi, in den onzinnigen waan dat ik niet zou kunnen, niet zou durven terugtreden, als gij mij eens tot de bekentenis mijner zwakheid hadt gebracht. Gij zijt slim geweest, jonker van Zonshoven en behendig op uwe wijze, en toch verbaast mij uwe verblinding, dat gij zoo weinig inzicht hebt gehad van mijn karakter. Eene misleiding vergeef ik nooit.”
“Ik heb u niet willen misleiden, Francis!” sprak ik op zachten, bedaarden toon. “Ik heb alleen de waarheid verzwegen, omdat ik uw persoon, uw karakter wilde leeren kennen eer ik mij uitsprak. Ik heb uwe liefde willen verwerven eer ik het officieel, het beslissend aanzoek waagde, ziedaar alles!”
“Gij zijt valsch geweest, gij hebt voorgewend dat gij mij liefhadt; dat geloof ik niet meer. Gij kwaamt hier een zaak doen, dat is alles! Gij kwaamt de hand zoeken die u een millioen moest aanbrengen. Het is waar, ik heb u mijne achting, ik heb u mijne liefde geschonken; maar niet aan u, zooals gij daar nu voor mij staat. Dit alles berust op een valschen grond, en nu die tooneeldecoratie wegvalt, stort ook al het overige mee in, en, ik herhaal het, gij zijt voor mij te dieper gevallen, naarmate ik u hooger heb gesteld. Wees zeker, dat ik niet over mijne hand laat beschikken, door anderen, dooden of levenden, en, versta mij wel.... gij zijt afgewezen! Afgewezen! afgewezen!” herhaalde zij, telkens luider en scherper; en toen zij het laatste “afgewezen!” bijna gillend had uitgeroepen, viel zij bleek als eene doode in een armstoel neer.
Ik zelf stond gedurende dit tooneel tegen een stoel te leunen, een steun dien ik hoog noodig had om niet te wankelen. Levenslang zal het mij heugen, wat ikdoorstond in die vreeselijke ure, en toch is het mij onbeschrijfelijk; ik kan alleen zeggen, dat ik eene gewaarwording had of mijn hart verkilde, en of het daar binnen in mij doodsch en ledig werd op eenmaal. Ik ook had mijne smart wel willen uitgillen zooals Francis, maar ik moest mij zelven beheerschen, ik moest het. Mij dunkt, zooals het mij ging, moet het den soldaat gaan in den slag, onder den kogelregen, bij ’t gebulder der kanonnen. Hij weet dat hij staande moet blijven en strijden, of verachtelijk vluchten; en zij mocht mij verachtelijk noemen,verachtelijkzijn in hare oogen wilde ik niet. De goede Rolf had zich teruggetrokken op den achtergrond van ’t vertrek en had tranen in de oogen. De goedhartige ziel, die van haar alles kon verdragen en het lakoniek langs zich neer liet glijden, sidderde van angst dat ik het zou opnemen zooals het klonk. De generaal, wien het angstzweet op het voorhoofd parelde, zat handenwringend van schrik en spijt in den armstoel waaruit hij niet kon oprijzen.
“Francis, Francis!” viel hij nu in. “Laat u toch niet zoo ver vervoeren in uwe dwaze gekrenktheid. Sla uw eigen geluk, óns aller welvaart niet zoo roekeloos onzinnig den bodem in, nu gij het in uwe macht hebt. Bedenk, dat de Werve verhypothekeerd is tot den laatsten steen, dat de renten in de laatste zes maanden onbetaald zijn gebleven, dank zij de tusschenkomst van jonker Leopold die Overberg heeft gesust; dat het kasteel bij een publieken verkoop niet een derde zou opbrengen van de schuld waarmee het bezwaard is, en dat wij het alleen danken aan de edelmoedigheid van onzen neef van Zonshoven, als er van zoo iets geen sprake zal zijn. Hij wil de Werve met al hare bezwaren van mij overnemen, en mij daarvoor een vast jaarlijksch inkomen toestaan, dat mij een rustigen ouderdom waarborgt, maar.... gij moet zijne vrouw worden, anders valt dat gansche plan in duigen; begrijpt dat toch en beleedig den man niet, die het zoo goed met ons voorheeft! Ons lot is geheelin zijne handen, en gij werpt hem verwijtingen naar het hoofd, die bijkans onvergefelijk zijn. Toch zal hij nog kunnen vergeven, indien gij niet volhardt bij uwe onzinnige afwijzing, ik ben er zeker van, want hij heeft u lief, ik heb dit lang geraden. Maar wij hebben hier niet alleen met hem te doen, wij hebben te doen met een uitersten wil, met executeurs, met een procureur, met alle eischen en vormen die de wet voorschrijft. Hier is een ernstig, verstandig antwoord noodig en kan men niet volstaan met invectieven en exclamaties. Wat zal ik aan den heer Overberg schrijven?”
Francis had zeker maar half naar zijne toespraak geluisterd; zij was hem alleen niet in de rede gevallen, omdat zij nog worstelde met hare eigene aandoeningen, die zij trachtte te bekampen; nu echter, gesommeerd tot eene beslissing, rees zij op en sprak met eene stem die eenigszins dof en schor klonk, maar die helaas geene vastheid miste:
“Mij dunkt, grootvader! daar is maar één antwoord. Schrijf aan dien Overberg, dat freule Mordaunt hare hand niet laat weggeven bij testamentaire dispositie van wie ook; dat zij zich zelve te hoog schat om voor een millioen verkocht te worden, en dat zij het aanzoek van jonker van Zonshoven formeel heeft afgewezen.”
Ik wil u wel bekennen, Willem! dat ik mij in dien oogenblik zóó gekrenkt en geschokt voelde, dat ik er aan dacht haar bij het woord te vatten; maar op eens viel het mij in, met wie ik te doen had, dat zij nog altijd Majoor Frans was, die in zekere gevallen alleen zoude zwichten voorplus fort qu’elle; daarbij, er lag in hare weigering zelf eene grootheid van karakter, eene waardeering van het mijne, al miskende zij mijne handelwijze in dit oogenblik, die mij wel moed gaf op de toekomst, wel moed om tot het uiterste te volharden zooals de overledene van mij had verlangd, zooals bovenal het hart mij ingaf, dat nog voor haar sprak. Ik begreep, dat ik al wat er beleedigends was in hare uitingen langsmij moest laten neerglijden, tot zij in staat zou zijn mijne handelwijze uit een ander oogpunt te beschouwen. Ik twijfelde er niet aan of ik zou haar eenmaal daartoe brengen. Ik wist mij niet vrij van alle schuld; ik had meer openheid moeten gebruiken, waar zij zelve zooveel rondborstigheid had getoond; maar, ik wist mij toch vrij van de schuld die zij mij toedichtte, ik wist niets gepleegd te hebben wat haar tot minachting recht gaf.
“Francis!” sprak ik met al de kalmte en de vastheid die ik bemachtigen kon over mijne innerlijke geschoktheid, “gij doet mij onrecht, grootelijks onrecht; maar gij zijt nu niet in een gemoedstoestand om dat in te zien; ik zal mij over zeker gebrek aan openheid met u verantwoorden, als ik u in staat acht zulke verantwoording met kalmte aan te hooren; ik zal mij echter nooit verlagen zulke betichtingen als gij daar even uitspraakt op te vatten of te weerleggen. In een gewoon geval zou zulke afwijzing als de uwe voldoende zijn om een man af te schrikken voor altoos, en zoo wij zeker gesprek niet hadden gevoerd op de heide bij onze eerste ontmoeting, zou eene enkele weigering afdoende zijn geweest voor immer; maar ik moet u herinneren aan mijne verklaring, dat ik voor geene hindernissen zou terugwijken, als ik mij voorgesteld hadzekerdoel te bereiken; het geschil liep toen reeds over het verkrijgen van uwe hand.... ik liet u mijn ernst als scherts opvatten, want ik kon in dienzelfden oogenblik eene dame die geene dame wilde zijn, eene jonkvrouw die zich zonder spijt Majoor Frans liet noemen, niet zonder nadere kennis mijne hand bieden. Ik ook, freule Mordaunt, heb achting genoeg voor mij zelven, om niet zoo roekeloos eene verbintenis voor het leven aan te gaan. Ik wilde zien, zien uit eigene oogen, en niet in den blinde rondtasten.
“Als gij het bespieden noemt, naar uw zin, naar uw aard, naar uw verleden te vorschen, ja dan heb ik u bespied; maar het is niet geweest dan met het oog op uw geluk en op het mijne. En nu, ik heb de zekerheidgekregen, dat gij mij liefhebt, zooals ik u, dat wij elkander waardig zijn, dat onze verbintenis voor ons beiden eene levenskwestie is; gij hebt mij geen uur geleden vrijwillig en met blijdschap uw woord gegeven; zoo acht ik uwe afwijzing voor een uitval waaraan ik mij niet zal storen, want ik zal niet dulden, dat gij door eene verkeerde opvatting in een oogenblik van drift baldadig dàtgene verbreekt, dat gij zelf uw levensgeluk hebt genoemd, en waaraan ook het mijne hangt. Ik heb de zekerheid uwer liefde, ik heb uwwoord! Ik houd u bij dat woord, ik zal u dwingen gelukkig te zijn. Generaal! schrijf aan Overberg, aan van Beek, dat Freule Mordaunt mij hare hand heeft toegezegd, en dat de overdracht van de Werve kan doorgaan.”
“Daarvoor ismijnetoestemming noodig,” sprak Francis, die bleek maar roerloos met strakken blik en onbewogen trekken naar mij had zitten luisteren. Maar dat is niet juist; zij had zich afgewend, als ging datgene wat ik sprak haar niet meer aan. Nu eerst toonde zij weer deelneming in ’t geen er voorviel, maar om ons tegen te staan.
Ik was vast besloten den strijd niet op te geven.
“Volstrekt niet, Freule,” beet ik haar toe. “Uw grootvader is de eenige rechthebbende op het kasteel, en zijn testament, dat u zijne rechten overdraagt, is niet van kracht bij zijn leven!”
“En dan nòg,” verzuchtte von Zwenken. “Och! of zij den toestand inzag als ik....”
“Welaan, Oom! laat u niet door haar weerstand afschrikken; schrijf aan die heeren zooals ik u opgaf, en stoor u niet aan al het overige; gij weet te goed wat er volgen gaat, zoo gij het tegendeel deedt.”
“Hij geeft u leugens in de pen, hij hecht aan zijn millioen, dat is duidelijk!” riep Francis tergend.
“Zoo doe ik, Freule!” hernam ik, haar fier en vast in de oogen ziende, “en allermeest om u. Gij zijt mijne verloofde en wij hebben geen tweeërlei belang.”
“Francis! Francis!” vermaande de generaal, wien het hachelijke van den toestand tot een ongekende hoogte van moed opvoerde, “gij raast tegen een man die de edelmoedigheid zelf is, die ons allen in het verderf kan storten en die niets wil dan ons redden, als gij de reddende hand maar wilt aangrijpen.... Vergeet het niet, hij kan de Werve laten verkoopen, als wij die niet bij vrijwillige overeenkomst in zijne handen stellen.”
“’t Is mogelijk! ’t is mogelijk, dat hij in ’t geheim de macht heeft weten te verkrijgen om ons als bedelaars van de Werve te verjagen, maar hij kan mij toch niet dwingen zijne vrouw te worden,” voegde zij hem toe.
Och, zij was toch verschoonlijk; allerlei smart en teleurstelling trof haar tegelijk; twijfel aan mij en de zekerheid dat haar grootvader haar bedrogen en geruïneerd had! Moest een karakter als het hare niet tot woestheid toe geprikkeld worden? Maar zoo mild en verschoonend toonde ik mij niet aan haar in dien oogenblik.
“Dat zullen we zien!” antwoordde ik vast, en zeker wat forscher dan ik zelf had gewild, want zij liep op mij toe met een drift, die waarlijk erger dan snerpende woorden te duchten gaf.
“Dwang, dwang! Mij dwang aandoen?” riep ze heftig en forsch; maar toch trad zij terug voor den blik dien ik op haar richtte, die blik waarvan men mij gezegd had, dat hij mij op den tempelheer gelijken deed.
“Gij, Leo!” mijn naam ontsnapte haar als een diepe weeklacht; zij deinsde af tot in den uitersten hoek van het vertrek en bleef staan zoo stijf gedrukt tegen het goudleeren behangsel, of zij zich daarmee vereenzelvigen wilde.
Ik wist dat ik haar verslagen had, maar zij was daarom niet verzoend.
“Dwang, Francis! als het moet,” hervatte ik; “maar ik ben er zeker van, er zal geen andere dwang noodig zijn dan die van uwe eigene consciëntie, die u zeggenzal, dat gij mij voldoening schuldig zijt. Vaarwel! ik ga heen om u rust te laten tot kalm beraad, maar toch, bedenk u niet te lang, want.... ik ben maar een mensch en mijne lankmoedigheid is, vrees ik, niet grenzenloos. Gij hebt mij in mijn eergevoel gekwetst; gij hebt mijn hart gewond; laat die wonden niet te lang bloeden; want ze zouden ongeneeslijk kunnen zijn.”
Ik wierp nogmaals een blik op haar, nu met zacht verwijt, maar zij zag mij strak en wezenloos aan, of zij niets meer begreep. Ik schudde den generaal de hand, die zwijgend het hoofd boog met tranen in de oogen, en ging langs Francis voorbij, zonder meer naar haar om te zien.
Rolf liep mij na en smeekte mij, niets van alles wat Francis mij aangedaan had ernstig op te vatten, en bovenal het kasteel niet te verlaten.
“Zoo is zij, als er eens iets bij haar inslaat,” sprak de goede stakkerd; “maar over een uur zal zij berouw hebben, ik ben er zeker van; de bui was te hevig om lang aan te houden.”
Doch mijn besluit was genomen. Ik beval aan Frits, die mij met stomme verbazing aanstaarde, het wagentje van de Pauwelsen te laten voorkomen, en ging naar mijne kamer om mijn koffer te pakken, langzaam en werktuigelijk, dat beken ik, en altijd luisterend of ik ook een welbekenden stap de trap hoorde opkomen, of niet een driftige tik op de deur mij Francis zou aanmelden, berouwvol en gereed ter verzoening. Maar die hoop werd deerlijk teleurgesteld; zij kwam niet; zij was nog niet ontnuchterd uit den roes, want bij haar was in waarheid de toorn eene kortstondige dronkenschap.
Zoo de hoop mij niet eenigszins opgericht had gehouden zou ik verpletterd zijn geweest. Het was ook schrikkelijk, in de haven te zijn en nòg schipbreuk te lijden! Zóó wakker geschud te worden uit den zaligsten droom der liefde; neen! geen droom, de werkelijkheid werd verdrongen, in het uiterste contrast met de liefelijke beloftender eerste. Wie mij dat een uur te voren geprofeteerd had, zou ik helder hebben uitgelachen! En toch, dat was dezelfde vrouw, dezelfde die als aan mijne voeten had geknield, en mijne hand had gekust in de verrukking der liefde, zij die nu als eene furie tegen mij woedde en mij zoo onbarmhartig verstiet.
En dat was geene coquette, die met valsche teederheid mijn hart had verwonnen, om het met koele wreedheid te vertreden in hetzelfde uur. Neen! zij was waar in de overgave der liefde als in de wilde smart van haar toorn; zij leed zelve; zij leed mogelijk meer nog dan ik; zij was ondanks alles achtenswaardig in hare verontwaardiging, al berustte die ook op eene misvatting. Bij later, kalmer zelfonderzoek moest ik bekennen, dat ik rechter, opener weg had kunnen gaan, bij een karakter als het hare, dan dien ik had ingeslagen; maar toen ik den eersten stap deed moest ik ook bij haar nog in den blinde tasten en voorzichtig zijn, en later volgde uit de eerste schrede iedere andere. Ik heb dit alles geboet met bittere zielesmart, met een lijden, dat ik nu niet meer herdenken of beschrijven wil.
Ik wist wel hoe ik op staanden voet hare achting had kunnen herwinnen: met afstand te doen van de erfenis; en ik beken u, dat ik er eene wijle aan dacht; maar beter beraad zeide mij dat het een don Quichotisme zou zijn, waardoor niemand ware gebaat en dat ons allen aan armoede en ellende prijs gaf. Zeker is het, dat alle schatten van tante Roselaer mij niet zooveel geluk kunnen aanbrengen als Francis alleen, zoo zij zich eindelijk gewonnen geeft; maar even zeker is het, dat zij die fortuin niet ontberen kan, als zij voldoen moet aan alle verplichtingen, die zij nu eenmaal onafwijsbaar acht. Zij heeft gezond verstand genoeg om dit zelve in te zien als zij kalmer zal zijn; daarom is het noodig dat zij den geheelen toestand en mijne handelwijze daarin helder kan overzien. Daartoe zond ik haar, zoodra ik te Z— was aangekomen en mij eenigszins had hervat,den brief van tante Sophie, dien ik kieschheidshalve had willen terughouden. Ik voegde er slechts enkele woorden bij, overtuigd dat de waarheid voor zich zelve zou spreken. Zij kon er ten minste uit leeren dat ik zoomin om de erfenis had geïntrigeerd als zij, en dat zoo de testatrice de middelaarster was geweest van onze kennismaking, het verkrijgen van hare hand voor mij niet was het middel om in ’t bezit der erfenis te geraken, en dat mijn volharden tot het uiterste geschiedde om harentwil en om dien van haar grootvader, geenszins uit lage belangzucht waarvan zij mij zou moeten vrijpleiten.
Daar het omslachtig schrijven van Tante R— een pakket vormde dat te zwaar was voor de post, vertrouwde ik het aan den kellner om het met den vrachtrijder mee te geven, die elken dag geregeld op de Werve verscheen. Gerust op de bezorging, gaf ik mij over aan de hoop op een goede uitkomst en verkeerde dien dag in eene vreeselijke spanning, die met ieder uur klom en, toen er tegen den avond noch brief noch bode verscheen, mij alle verwisseling van hoop en vrees tot volslagen wanhoop deed doorgaan. Ik bracht den bangsten nacht van mijn leven door, en toen de morgen daagde, en een deel van den middag verliep zonder dat er eenig bericht van de Werve kwam, overviel mij eene gewaarwording van leegte en onverschilligheid; de uiterste graad van mismoedigheid; in dien toestand had ik maar één verlangen: te Z— alles af te doen wat nog door mij verricht moest worden, en naar den Haag terug te keeren.
Overberg wilde met alle geweld dat ik nog blijven zou. Ik weet niet of hij iets begreep van mijn toestand, maar ik verzweeg hem mijnéchecen wendde voor, dat ik om eene dringende zaak naar huis moest. Om hem te voldoen teekende ik alle stukken, die hij mij voorlegde, gaf hem de volmacht die hij begeerde en nam afscheid met de verzekering, dat ik terug zou keeren zoo ras de aangelegenheden in den Haag het mij vergunden.
Inderdaad riep er mij niets dan mijn eigen verlangenen die onweerstaanbare begeerte om thuis te zijn, als men zich onwel gevoelt. Zoodra ik maar weer terug was in mijne eigene rustige kamer, zou ik beter worden, en alles zou goed gaan, stelde ik mij voor; desnoods zou ik weer werken om mij te retrempeeren! nam rijtuig tot aan het eerste station, en kwam in den laten avond waar ik zijn wilde, waar ik genezing hoopte te vinden.