“Nu toch niet als een boschwachter,” viel zij in met een ondeugend lachje; “eerder als eene keukenprinses, die maar even uit haar werk is geloopen om inderhaast mee te eten, en dat is maar weinig bezijden de waarheid; ik moet tot het laatste oogenblik zorgen voor de délicatesses, die noodig worden geacht, en zoo ontbreekt mij de lust zoowel als de tijd om toilet te maken.”“Niet eens tijd om een frisch kraagje om te doen, Francis? Dat is toch wat sterk.”“Zijt gij zoo’n fat, Leo, om daarop te letten? Nu ja! ik wil het wel bekennen, aanlingeriesdoe ik niet veel meer, ’t is hier buiten zoo lastig en zoo kostbaar, het is al veel als ik de exigenties van den generaal in dezen kan bevredigen; daarbij, voor wie zou ik mij opknappen? De heeren daar ginds”—zij wees met een gebaar van minachting naar de zaal—“vragen het allereerst of de ommelet goed is gesauteerd en of de farci van den kalkoen genoeghaut goûtheeft.”“Mij dunkt gij moest het doen omdat gij het u zelve schuldig zijt, en ditmaal toch ook voor mij—ja, glimlach maar, ik wil het u toch zeggen, dat ik mij aantafel over u geërgerd heb, al is het waarschijnlijk, dat gij deze ergernis hebt beoogd.”“Gij zijt vindingrijk, Leo.”“Gij hebt zoo even met mijn gebrek aan scherpzinnigheid gespot, ge zult mij nu toestemmen, dat ik u doorzien heb.”“Àpeu près; gij zijt zoo gul met mij lessen te geven, dat ik u op mijne beurt wilde doen verstaan....”“Dat ik u eigenlijk niet welkom ben....”“Gij weet wel beter....”“Eene gastvrouw, die zulk eene opzettelijke nonchalance toont....”“Wil er mee zeggen, dat zij van alle coquetterie heeft afgezien.”“Coquetterie is ook zoo uitsluitend eene eigenschap van ‘de dames,’ dat ik die bij Majoor Frans nooit gewacht zou hebben,” hernam ik; “maar de zucht voor betamelijkheid is eene mannelijke eigenschap, die men met recht van dezen zou mogen eischen; of moet ik Majoor Frans aan de strikte eischen der militaire tenue herinneren?”“Als gij het nu zoo kras opneemt met mijn majoorstitel!” sprak ze met zekere gekrenktheid, terwijl haar kleine voet opnieuw met ongeduld trappelde.“Ik althans ben het niet, die hem u gegeven heb—maar in elk geval moet gij kiezen: Majoor Frans, dieen règlebehoort te zijn, welke uniform hij zich ook kiest, of Freule Francis Mordaunt, die geene vrijheid heeft om zich aan een neef, een gast, met opzettelijke achteloosheid te vertoonen.”“Met er die uitlegging aan te geven, Leo, brengt gij mij waarlijk in groote verlegenheid; want al wilde ik—ik kan u in dezen niet voldoen. Sinds wij hier op de Werve zijn, heb ik niets nieuws laten maken.”“Maar dat is toch zoo lang nog niet.”“’t Is reeds het derde voorjaar, en....”“Dan zijn uwe toiletten niet meer naar de mode, datwil ik toegeven; maar zij kunnen toch smaakvol zijn. En ik ben er zeker van, dat gij u vroeger elegant hebt gekleed.”“Dat geloof ik zelve, hoewel ik niet zelden het verwijt kreeg van bizarrerie, omdat ik zoo mijne eigene ideeën had op dit punt, en er zekere modes waren, die ik niet verkoos na te volgen.”“Nu, ik houd van originaliteit. Kies uit uwe kostumes er een waar de uwe het sterkste in uitkomt, en ik geloof, dat gij er even gracieus als interessant zult uitzien.”“En ik ben zeker, dat het juist andersom zou zijn; gij hebt mij gezien in het kleed, waarin ik mij het meest mij zelve gevoele, en herinner u welk eene figuur ik in uwe oogen heb gemaakt!”“Neen, dat rekent niet meê, gij hadt u toen zoo toegetakeld....”“Als de guurheid van dit seizoen het eischte.”“Al verbergt gij u nog zoo voor mij, Francis, ik heb toch al reeds te veel echt vrouwelijke kwaliteiten bij u waargenomen om mij te laten wijsmaken, dat gij juist in uwe amazone het meest op uw gemak zoudt zijn.”“Als gij mij zoo kwelt, dringt gij mij tot de bekentenis, dat ik alles weggegeven heb, wat ik te missen had, in dien winter, dien ik alleen op de Werve doorbracht; eene arme officiersdochter, die als gouvernante in eene deftige familie moest optreden, en die geen voldoendetrousseaubijeen kon brengen, wendde zich tot mij, die zij rijk waande, om hulp. Ik kon geen geld missen; maar ik had toch wat te geven. Ik berekende dat ik hier al heel weinig kleedij noodig had, en behield niets dan eene enkele zijden japon als zondagskleed, en mijne baltoiletten, die haar evenmin te pas kwamen als mij, doch waar ik nog aan hechtte als souvenir. En nu, Leo! zijt gij ingewijd in ’t geheim mijner ledige garderobe. Oordeel nu zelf, wat ik in dezen voor u doen kan; gij zult toch niet van mij vergen, dat ik hier in danskostuum aan tafel zal verschijnen.”“Hm! hm! wie weet waar ik u nog om plagen zal, als wij eens op de Werve feest vieren!”“Men viert geen feest op de Werve, daartoe hebben we geene gelegenheid en geene aanleiding,” sprak zij wat knorrig en kortaf.“Druk er niet te veel op, Francis!” plaagde ik, “gij kunt niet vooruit weten wat er nog gebeuren kan; ik ben een stijfkop, zooals gij zelve hebt gezegd, en een origineel op mijne wijze zoowel als gij; maar om te beginnen zal ik mij tevreden houden met dien zekeren zijden japon, die u goed zal staan, dat weet ik vooruit; mits gij wat werk maakt van dat prachtige haar en u de moeite geeft de eene of andere parure aan te doen!”“Gij moet weten, Willem, dat ikà tout hasardde sieraden die zij bij Overberg te pand had gegeven, in mijne reistasch had gestoken; maar ik bemerkte wel dat zij nog vooreerst niet te pas zouden komen. Zij vloog op of eene wesp haar gestoken had; hare oogen fonkelden van toorn, en al kon ik hare trekken niet meer onderscheiden, ik ben zeker dat een gloed van verontwaardiging haar op het voorhoofd steeg, terwijl zij op heftigen toon uitviel:“Ik heb geene parures meer: en ikwilze niet hebben, verstaat gij Jonker van Zonshoven! en dit zeg ik u: als ’t u schelen kan of wij vrienden blijven àl of niet, vervolg mij dan nooit weer met uwe zotte invallen. Ik mag wel eens railleeren; dat geeft wat zout aan de conversatie, maar het moet geen bijtend loog worden; en dit is kwetsende ironie, mij van mijne diamanten te spreken, terwijl ik bezig ben u te vertellen, dat ik alles aan mijne relatiën heb opgeofferd.” Ik begreep dat ik werkelijk eene pijnlijke wonde had aangeraakt. Ik had niet van diamanten gesproken, maar zij herdacht aan de hare die voor haar verloren waren, en zij betreurde ze, dat was zeker! Ik had te veel deernis met haar om met hare zwakheid mijn voordeel te doen en te toonen hoezeer zij zich verraden had; ik antwoordde koeltjes:“Maar, beste freule Mordaunt! hoe kon ik dat raden? Al vertelt gij mij dat gij uwe garde-robe hebt geplunderd ten behoeve van een behoeftig jong meisje, dan volgt daaruit immers nog niet.... dat alles wat gij mij daar in één adem mededeelt.”“Gij hebt gelijk; met u moet menles points sur les Izetten, zult gij verstaan, en ik was er aan bezig; maar gij hebt mij zelf van het droevig relaas afgebracht. Grootpapa dan, vond het zorgeloos en tegelijk weelderig leven bij zijn vriend te A. zeer naar zijn smaak en bleef er tot in het voorjaar; hij kwam tot mij terug, geheel genezen van zijne melancholie, maar toch, het bleek dat de kuur wat heel veel had gekost, meer dan hij eigenlijk gerechtigd was er voor te geven. Het leven onder rijken en aanzienlijken is duur, zelfs al geniet men de ruimste gastvrijheid. De generaalsuniform had hij zich niet behoeven aan te schaffen, daar hij nooit als zoodanig in werkelijken dienst was geweest, maar de kolonelstenue was beneden zijn rang, dus hadden wij moeten voorzien in allerlei politieke kleeding, voor ochtend en avond, voor groot en klein diner.... en dan, wat er aan handschoenen en fooien opgaat, als men met de groote wereld moet meedoen! Gij, die in de residentie woont, gij zult er alles van weten, Leo!”“Zoo goed, beste Francis, dat ik mij eens voor al van uitgaan heb onthouden....”“Grootpapa kon dat natuurlijk niet, en daarbij kwam dan nog het spel,” ging zij voort, terwijl zij hare stem nog dieper liet dalen, “het spel waarbij men in één winteravond onder gelach en gejuich sommen verliest, waarmee een gezin voor het gansche seizoen had kunnen onderhouden worden. Helaas! iets dergelijks was met hem gebeurd, zoodat hij keerde met bezwaren die.... oogenblikkelijk voorziening noodig hadden. Ik, die anders nog al raad wist, stond hem als eene verwezene aan te zien, bij die bekentenis. Hij zelf gevoelde veel leed over de zorg en ’t verdriet dat hij mij op den hals hadgehaald, en hij redde zich door de boerderij onder de hand te verkoopen, die ons echter, ik weet niet uit welke oorzaak, niet veel meer opbracht dan het effenen van de gemaakte schulden. En ik! die de stille hoop had gevoed, dat wij hier door zuinigheid en goed overleg wat zouden sparen om de noodige herstellingen aan ’t kasteel te laten doen. Och Leo!” zij drukte mij de hand in hare smartelijke gemoedsbeweging, “dit hoort onder de bitterste teleurstellingen van mijn somber leven. Vol zelfverwijt, en zich bewust dat hij te zwak was om zekere verzoekingen weerstand te bieden, zwoer hij alle verkeer met de wereld af, en hij heeft woord gehouden; maar welhaast verviel hij opnieuw tot de diepste neerslachtigheid, en ik vreesde dat hij van verdriet zou verkwijnen onder het régime dat ik hem moest opleggen, sinds hij mij bekende, dat hij maar twee derden van zijn pensioen in handen kreeg; op het overige was door een onbarmhartigen schuldeischer beslag gelegd. Toen kwam de man ons te hulp, die ik u niet meer behoef te noemen. Luitenant Rolf had zijn pensioen gekregen, en kwam zijn ouden chef opzoeken eer hij zich ergens voor goed vestigde. In de laatste jaren was hij door verandering van regiment van ons verwijderd geweest, maar hij was niet van ons vervreemd. Mijn grootvader had hem geprotegeerd en vele goede diensten gedaan, zonder welke hij nooit tot den officiersrang had kunnen bevorderd worden, ondanks zijne bravoure in den tiendaagschen veldtocht. Al vóór mijne geboorte bekleedde hij in ons huis alle mogelijke functiën die met zijne dienstplichten te vereenigen waren. Zijne zuster was mijne min, en meer, veel meer dan dat; zij bleef mij bij tot in lateren leeftijd, en daar mijne moeder weinige dagen na mijne geboorte bezweek, deed zij al wat in hare macht was om mij moederliefde en moederzorge te betoonen. Ongelukkig ontbrak het haar aan beschaving, aan geestkracht, om de opvoeding van een kind zooals ik was te leiden. Ook heeft zij met de beste intentiën ter wereld mij ridderlijkbedorven, daarin dapper geholpen door sergeant Rolf, die geen grooter pleizier had dan op mijne wenken te vliegen, en die eerder insubordinatie zou hebben begaan tegenover zijn kolonel, dan te weigeren iederen dollen inval van zijn ‘kleinen Majoor,’ zooals hij mij noemde, te gehoorzamen. Is het vreemd, dat ik nog tegen hem den despoot speel?”“Neen! maar nu gij dat zelve toch zoo inziet....”“Zou er betering kunnen zijn, meent gij, doch.... wat zal ik u zeggen;c’est plus fort que moi.... nu, hij heeft het er wel naar gemaakt om wat van mij te lijden.... In vollen ernst, zoo ik hem niet van tijd tot tijd op zijn voorman zette, zou het niet lang duren of hij zou ons naar zijne hand stellen, en het is juist daarop dat ik komen wilde.Zijn bezoek was grootpapa eene welkome afleiding; nu tot kapiteinsrang geklommen, en niet meer in werkelijken dienst, evenals deze zelf, was de distantie genoegzaam weggevallen, om op zekeren voet van gelijkheid met elkaar om te gaan. Ik begreep hoezeer een derde persoon de gezelligheid zou aanbrengen; een persoon meer was zoo’n groot verschil niet bij onze nu eenvoudige leefwijze, een kamer in de dichte nabijheid van grootpapa’s appartement was licht te arrangeeren; als Rolf van zijn pensioen moest leven, kwam die schikking hem zeker te stade; wij sloegen het hem voor en het werd dadelijk aangenomen. Ik hernam mijn commandement over hem, zooals hij zich uitdrukte; hij trachtte zich nuttig te maken op iedere wijze, en zijne goede luim vervroolijkte den generaal, al waren zijn aardigheden noch frisch noch fijn van gestalte; genoeg, ik was tevreden met deze uitkomst: een winter die zich bezwaarlijk had laten aanzien, ging nu vrij rustig en zonder al te groote verveling om; daar kreeg Rolf de tijding, dat hem eene niet onbelangrijke erfenis te beurt was gevallen van een zijner Noord-Brabantsche verwanten. Na eene korte absentie keerde hij tot ons terug en stelde voor te blijven,mits hij zijn aandeel mocht bijdragen tot de menage. Hij was nu bemiddeld en kon geen genadebrood eten, zooals hij het noemde; integendeel, de generaal moest hem toestaan, zoo eens het zijne te doen ter veraangenaming van het leven. Dit scheen billijk, en ik moest wel toestemmen, daar ik wist hoezeer grootpapa, die een verfijnden smaak heeft en op zijne aisances gesteld is, zekere ontberingen met heimelijk leedgevoel droeg; ik gaf dus toe, dat Rolf op zijne eigene hand zekere luxe zou invoeren, maar ik had niet kunnen voorzien welke proportiën deze zucht om het zich goed te maken zoude aannemen. Rolf had nooit levensgenot gekend, en hij achtte nu zijn tijd gekomen om te genieten; de eenige genietingen waarvoor een man op zijn leeftijd, en die voor geenerlei intellectueel genot zin had, nog vatbaar was, waren die van de tong, en grootpapa was het in dezen volkomen met hem eens. Zoo zeer zelfs, dat hij hem in allerlei dwaze verkwistingen liet begaan, zonder zich daar tegen te stellen, ja, die aanmoedigde zooals gij gehoord hebt, zoodat ik hier dagelijks smulpartijen en zwelgerijen moet bijwonenà deux, die mij onuitsprekelijk tegenstaan; ik behoef u niet te zeggen, hoe mijn grootvader zich daarbij verlaagt en vernedert op eene wijze die....” Zij zweeg plotseling; de porte-brisée ging open; Frits, die de tafel had afgenomen in de eetzaal, trad nu binnen en zette de lamp klaar.“Heeft de freule niet om het theeblad gescheld?” vroeg hij.“Is het al zeven uur, Frits?”“Kwartier er over, Freule, en de Generaal is wakker....”“Goed, breng dan het theewater binnen!” Francis keek mij aan met een bitteren lach en beet zich op de lippen over de teleurstelling, dat zij voor ’t oogenblik hare ergernis moest inhouden. Welhaast ook kwam de kapitein binnenrukken; de conversatie aan de theetafel vlotte niet best; de heeren waren wat dof; Francis wat stug enonwillig om aan ’t gesprek deel te nemen, en de kapitein, op hare los neerhangende lokken wijzende, maakte de opmerking, dat de leeuwin hare manen schudde, om ons schrik aan te jagen.“’t Is waar ook!” zei Francis koeltjes; “ik heb verzuimd mijne vlechten in het net te arrangeeren; excuseert mij, heeren!” en weg was zij naar hare kamer; zeker om er hare opgekropte aandoeningen lucht te geven.“’t Is toch zonderling, hoe Francis soms hare buien heeft van nonchalance,” bromde de generaal binnensmonds, haar naziende, toen zij de kamer verliet.“En juist nu er een gast is,” stemde de kapitein in, “dien zij zelve heeft ingehaald! Dat’s onbegrijpelijk!”“Zij weet, dat het eene impolitesse is, en dat zij mij er mee ergert, en toch volgt zij haar eigen hoofd, zonder iets te ontzien,” knorde de generaal nu met luider stem.“Zooals we dat van haar gewend zijn, Excellentie!” zei Rolf lachend; “maar daarvoor is zij ook onze commandant.”Ik wilde met dat koor niet instemmen, zooals gij denken kunt, en toen men dit onderwerp in ’t gesprek liet vallen, zaten wij met ons drieën alles behalve gezellig bijeen, en de generaal had geen ongelijk, toen hij, na nog eene mislukte poging om het discours gaande te houden, een partijtje proponeerde.Ik achtte het voorstel eene uitkomst, en de kapitein had hetfiche-doosje al klaar gezet en Frits gescheld, die het theegoed wegnam, eer ik mijne toestemming had gegeven. Er werd een massief mahoniehouten speeltafeltje uit een hoek gehaald, de lamp in ’t midden gezet, daar volgens Frits “de freule geene waskaarsen had uitgegeven,” en ons spel ving aan; het sprak vanzelf dat wij ombre speelden, en de generaal stelde den prijs van hetfichenog al hoog, naar ’t mij voorkwam.Gij weet, Willem! dat ik volstrekt niet van het spel houd, en dat ik er mij nooit toe laat bewegen, dan op het uiterste. Sinds den dood mijner moeder, die mij nogwel eens in haar whistpartijtje betrok, had ik geene kaarten in handen gehad; ik kan mij dus niet beroemen een geoefend speler te zijn; maar toch eens aan den slag, ben ik niet onverschillig voor de satisfactie, die men heeft van eene moeielijk behaalde overwinning, en ik zag terstond dat ik tegenspelers had, die mij elke zegepraal duur zouden betwisten, en met iedere distractie of onhandigheid lustig hun voordeel zouden doen.Ik behoefde hen maar een paar trekken te zien maken om te weten, dat zij niet slechts geoefende spelers waren, maar ook, dat het spel hun iets anders was dan de uitspanning, die men aangrijpt in een verlegen oogenblik; dat het spel hun ernst was, ja, meer nog dan dat: hun hartstocht was geworden. De generaal vooral bleek zoo gecharmeerd op het spel, dat ik mijns ondanks het mijne verwaarloosde om hem te observeeren, eene belangrijke, maar smartelijke studie, die mij tegelijk een licht deed opgaan over veel wat mij raadselachtig was geweest.De grijsaard onderging als eene gedaanteverwisseling, toen hij de kaarten in handen had. Zijne doffe, slaperige oogen glansden van intelligentie en schoten vonken van geestdrift. Alles aan hem vibreerde; zijne vingertoppen trilden, en toch hielden zij met vaste hand zijn spel gevat, dat hij als met valkenblik overzag en er de leemte van het onze met geometrische zekerheid uit berekende. Zijne fletsche wangen kleurden zich met een flammend rood: zijne neusvleugels zwollen op en trokken zich in, naar de wisseling der kansen, en de zwakke, fijne man, die als gedrukt en gebogen neerzat, was plotseling als aangegrepen door een geest van overmoed en vermetelheid, van waaghalzerij, waaraan hij niet zelden een schitterend succes dankte, en die mij denken deed aan het devies: de fortuin is met den stoute, ook met den stouten speler!“Zeer zeker!” luidde hetantwoordvan von Zwenken, “de fortuin is eene vrouw die men overheerschen moet, zal ze u dienen.”In het gewone leven merkte ik niet, dat hij dezen regel in praktijk bracht: want blijkbaar vreesde hij Francis, daar hij zich alleen zijdelings durfde beklagen over ’t geen hem in haar mishaagde; maar bij het spel maakte hij dien tot waarheid, en met goed geluk.De kapitein, die bij evenveel routine minder vermetelheid had, en vooral minder passie, liet niet na, hem van tijd tot tijd zijne waagstukken te verwijten, maar zij gelukten, en dat was zijn triomf.Ik begreep nu waarom een toertje naar Wiesbaden hem zoo zeer aangelachen had en waarom Francis er zich zoo heftig tegen had verklaard. Het hazardspel aan de groene tafel, de groote winsten door eene enkele wending van het rad, moest zulk een man aantrekken en hij zou er meer voor willen wagen dan hij te missen had. Mij ging nu ook een nieuw licht op over het lijden van Francis, die zeker gedoemd was, elken avond de derde te zijn bij deze overprikkelende uitspanning van haar grootvader, en die dat zeker jammerlijke tijdverspilling achtte; want zij hield van lectuur, dat had ik reeds opgemerkt.Gij kunt berekenen, Willem! dat ik onder deze aanmerkingen en bijgedachten niet altijd zoo scherp op mijn spel lette, of ik beging fouten enbévues, terwijl de heeren mij uitlachten en beknorden, maar niettemin hun voordeel deden met mijne distractiën en mijne inferioriteit, ’t geen ik hun niet ten kwade konde duiden, en de belangwekkende studie, die ik maakte, was mij dat verlies wel waard; dit alles spande mij zoo in, dat ik niet eens over de langdurige afwezigheid van Francis dacht, toen de deur openging en zij zelve binnentrad in groot toilet, en met een glimlach van voldoening mijn uitroep van verbazing, van bewondering, beantwoordend.Onwillekeurig wierp ik mijn kaarten neer en stond op, haar te gemoet. De generaal, die rugwaarts naar de deur zat, keek mij verbaasd en wrevelig aan, niet radend, waaraan mijne onbeleefdheid toe te schrijven; de kapiteinzag om, en stiet eengros motuit van verrassing, eer hij sprak:“Onze Majoor in gala tenu?”“Gij vergist u, kapitein,” repliceerde Francis, “de freule Mordaunt die ter eere van haar neef haar avondtoilet heeft gemaakt.”“Chère cousine, welk eene verrassing! Sta mij toe, u de hand te kussen voor die allerliefste inschikkelijkheid.”“Wel zeker; behandel mij maar eens als eene dame, daarbij vindt uwe courtoisie zich het meest op haar gemak.”“Als gij mij dat toestaat, zal ik mij de eer geven u naar de canapé te geleiden,” sprak ik, haar den arm aanbiedend, dien zij ditmaal niet afwees.“Ik hoop nu maar, dat ik goed in mijne rol zal blijven,” zei ze met een malicieus lachje.“Wat wonderlijke gril is dit nu weer?” bromde de Generaal, grimmig van spijt, want hij had juist een vole in de kleur te declareeren, waarop nu geen acht werd geslagen; “den geheelen dag hebt ge hier rondgeloopen als asschepoester, en nu....”“Is de toovergodin tusschenbeide gekomen, en ik verschijn als prinses! Dat’s de geleidelijke gang van het sprookje, niet waar Leo?”“En het fameuse glazen muiltje ontbreekt zeker niet,” gaf ik ten antwoord naar hare snoezige salonschoentjes ziende, die ik reeds vroeger had opgemerkt, “en ’t is blijkbaar, dat het niemand zal passen, dan onze gracieuze Cendrillon zelve.”“Dat is zoo, maar zij zal zorgen het niet te verliezen.”“Waarom niet?” vroeg ik stoutweg, haar diep in de oogen ziende.“Omdat het ongeraden is den roman van een uur tot eene levenskwestie te maken voor u en voor mij,” gaf zij ten antwoord, terwijl zij zich afwendde.Een levenskwestie! zij wist niet hoezeer zij de waarheid raakte.“Als gij op zulk eene schrale ontknooping denkt, is het dan wel de moeite waard de eerste bladzijde op te slaan?” vroeg ik zacht en mij even tot haar buigende.“Och, waarom niet? ’t is maar eene scène om den avond te korten, die anders geheel aan de speeltafel zou gesleten zijn.”De speeltafel? Het viel mij in, dat ik die voor mijn part in staat van failliet had verlaten; de generaal liet mij niet lang tijd om over dit gebrek aan de orde na te denken.“Dat alles moge nu heel galant en heel geestig zijn, neef! wat gij daar met Francis praat,” riep hij mij toe op knorrigen toon; “maar ’t is geen manier, om zoo van de speeltafel op te staan.”“Excuseer mij, generaal, hier ben ik tot uwe orders,” en met een wenk aan Francis, die mijn leedwezen genoeg uitdrukte, nam ik mijne plaats weer in.“Als de Freule nu mee wilde doen, konden wij precies een partijtje quadrille maken,” sprak Rolf.“Dankje kapitein. Ik wil wel eens vrij van dienst wezen; bepaal liever toertjes; ik ga wat muziek maken in de eetzaal; dat zal niemand hinderen.”Frits had de porte-brisée opgeschoven en er was licht bij de piano. Ik had een Vandaal moeten zijn, zoo ik niet opnieuw eene échappade van de speeltafel had gemaakt om Francis op te leiden. Zij had mij gewaarschuwd, dat onze roman maar kort zoude duren, en ik mocht geen scène van de voorstelling laten verloren gaan. Blijkbaar was zij dat met mij eens; de capricieuse, die voorgaf van alle coquetterie te hebben afgezien, kwam geheel in mijne bedoeling; zij liet zich door mij wegvoeren, en terwijl zij met zekere bevallige achteloosheid haar arm in den mijnen liet rusten, sprak zij op een toon van vertrouwelijkheid, die mij als echte damesgeveinsdheid in de ooren klonk:“Gij ziet nu, hoezeer mijn toilet uit den smaak is.”“Maar toch naar een zeer goeden smaak,” kon ikmij niet onthouden te antwoorden; “en dat weet gij wel, grillige Célimène, al wilt gij mij wijsmaken, dat de vrouw bij u onder gegaan is in....”“Ik weet wat gij meent; spreek het niet uit,” viel zij met zekere gejaagdheid in, en leunde met hare hand op mijn arm om mij te doen zwijgen; “ik zeg u dat ik een oogenblik wil vergeten.... ben ik zoo naar uw zin, dat is alles wat ik wil weten.”Een gul antwoord lag mij op de lippen, maar nog intijds hield ik het terug bij de overweging dat men met haar op niets rekenen kon en dat wijze terughouding in dezen noodzakelijk was.“Ik zou wel moeielijk moeten zijn zoo ik het tegendeel zei,” bracht ik uit, mij zelven tot laconisme dwingende, “want gij hebt u waarlijk gekleed als voor een hofbal, op het decolleté na.”Inderdaad, bij al de élégance van haar toilet, dat uit roze gaze de chambéry bestond, met schitterende zilverlovertjes bezaaid, was haar kleed maar even om den hals vierkant uitgesneden, en nog door eene witte blonde pelerine gedekt, terwijl de wijde mouwen tot over den elleboog hingen en daar weer in witte blonde eindigden, met rosestrikken bezet; een tweede rok van dezelfde luchtige schitterende stof hing in losse plooien als een peplum over den eersten en gaf wat gevuldheid aan het slepende gewaad, die niet door eene crinoline werd opgehouden. Zij had het prachtige haar met zorg gekapt in vlechten, en eenige loshangende lokken, een paar grisanticums die er losjes waren ingestoken, maakten de eenige parure uit; zij droeg geen enkelen diamant, hetzij zij werkelijk niets van dien aard meer bezat, hetzij ze zulken opschik versmaadde. Zeker is het, dat die mengeling van élégance en zedigheid, dat versmaden van sieraad bij zooveel pracht, een fijnen tact verrieden,—of de behendigste coquetterie. Bij vollen dag zou haar toilet zeker het effect hebben gemist: het rose moest wat verflenst zijn en de glimmende lovertjes waren stelligtot koper verkleurd; zelfs bij avond was het op te merken, dat er wat frischheid aan ontbrak, dat zekere met één woord, wat de nuffige dames doet zeggen dat een balkleed geen tweemaal gebruikt kan worden, omdat het reeds bij de eerste maal gechiffoneerd is, en hetgeen de heeren zulke lange gezichten doet trekken, bij de rekeningen der modiste. Bij daglicht zou Francis er gewis hebben uitgezien als eene actrice bij een repetitie in kostuum, zonder de voetlichten en als de zon op het tooneel schijnt; maar het was nu avond, en er was niet te veel licht, en men moest òf kwaden wil òf alleen zucht tot kritiek hebben, om niet voldaan te wezen met den eersten indruk, die allerbekoorlijkst was. Toch merkte ik nu op, juist nu zij voor ’t eerst in een elegant vrouwentoilet, voor mij stond, wat mij bij haar vroegere wonderlijke manier van zich te kleeden ontgaan was: dat hare schoonheid iets bijzonders karakteristieks had, zooals maar zelden bij blondines wordt waargenomen. Ik spreek van schoonheid, ik moest eigenlijk bevalligheid zeggen, want de trekken waren niet geregeld, maar zoo fijn en sprekend, dat ze, vooral bij zekere schraalheid van ’t gelaat, iets scherps hadden. Zoo de groote blauwe oogen het niet goed gemaakt hadden door hunne liefelijkheid, men zou er te veel vermetelheid, te veel beslistheid in hebben opgemerkt, maar dat toch weer vergoed werd door de bewegelijkheid die een opgewekte geest, voor allerlei indruk ontvankelijk, aan het vrouwelijk gelaat kan mededeelen. In hare slechte gewoonte om bij iedere aanleiding met opzet de houding en manieren aan te nemen die haar martialen bijnaam rechtvaardigden, al was die er niet van afkomstig, lag mogelijk meer dan in haar oorspronkelijken aanleg de schuld van die zekere stoutheid, die hare vijandelijkevriendinnenmet den naam van impertinentie bestempelden. Levensomstandigheden en opvoeding, men zou liever moeten zeggen: gebrek aan opvoeding hadden haar in zekeren zin misvormd tot hetgeen zij niet had moeten zijn; zooals vruchtboomenworden geleid en verwrongen tegen hunne natuurlijke richting in. Hoe dat ook zij, gij begrijpt wel, dat dit alles meer reflexies zijnaprès coup, toen ik ’s avonds rustig op mijne kamer de voorvallen en indrukken van den dag kon recapituleeren, dan dat ik ze maakte in de zeer korte oogenblikken, waarin dat onvergetelijk tooneeltje tusschen ons werd afgespeeld; en toch duurde het veel te lang, althans voor den generaal, die mij toeriep:“Als gij bij de piano blijft, jonker Leopold, wees dan zoo goed het ons te zeggen, want uwe partij zoo in den steek te laten is toch wel wat al te onbeleefd.”“Verschoon mij, generaal!” in een wip was ik weer op mijn post bij de speeltafel, na Francis een blik te hebben toegeworpen, waaruit zij mijn leedwezen moest verstaan.“Als gij plan hebt om nog eens te deserteeren, moest gij liever verlof vragen,” sprak de kapitein lachende, “dan zullen wij u behoorlijk uw paspoort geven.”Maar de aardigheid scheen niet in den smaak te vallen van den generaal, want ik zag dezen verbleeken bij het woord deserteeren, en hij wierp den armen Rolf een blik vol verwijt toe over zijne jovialiteit.“Ik beloof den heeren, dat ik mijn best zal doen om mijne geheele aandacht bij het spel te bepalen,” antwoordde ik met meer goeden wil dan vast geloof in ’t volbrengen, want Francis speelde harerzijds een spel, dat mij vrij wat meer interesseerde dan de matadors van den generaal, die eensans prendrehad in de “favorite!”Francis fantaseerde; het was een wilde, bonte fantasie, als had zij al de warrelingen harer strijdige indrukken en gedachten in tonen willen uitspreken; het was schril en onharmonisch, zooals het daar zeker in haar toeging, maar het bewees zekere meesterschap op het instrument.Hoezeer men hare opvoeding ook mocht hebben verwaarloosd, aan leermeesters scheen het haar toch niet te hebben ontbroken. Want dat zij veel wist, veel had gelezen en onderscheidene talen machtig was, had ikreeds opgemerkt, en zij moest van een goed musicus geleerd hebben, dat zij bij machte was over de difficulteiten te zegevieren, die zij zich zelve schiep. Langzamerhand scheen het onweer in haar binnenste af te trekken bij de verluchting die zij zich gaf in die forsche, bijna woeste tonen, en begon zij zich in liefelijker melodieën te uiten, die van zachten weemoed getuigden en daartoe stemden.“Als ze nog maar eens wat aardigs wilde spelen,” fluisterde de kapitein mij toe, “zoo’n marsch uit Robert le Diable of eens iets uit de Muette; in mijn jongen tijd moest ieder die gaan hooren, daar was nog wat aardigheid aan, maar....”“Francis! om ’s Hemels wil, schei uit,of wijmoeten er uitscheiden,” riep nu de generaal als in wanhoop; “ondanks mijne hardhoorendheid, word ik er toch wee van. Is dat een getik en geklinkel! Eerst die akelige snijdende tonen, en nu dat sentimenteel gesuis en getril; de kapitein wordt er roesig van, en wat het ergste is, het geeft den jonker zulke distractie, dat hij allerlei flaters begaat, en zijn eigen, ja, ons beider spel bederft. Neen!mon cher, ik spreek niet te sterk,” zei hij, mij aanziende met zulk eensérieuxen zulk een wrevelig hoofdschudden, dat ik moeite had een glimlach te bedwingen toen hij voortging: “de kapitein heeft daareven eensans prendregewonnen, die hij hadmoetenverliezen, als gij u maar de moeite gegeven hadt op te letten, welke kleur ik uitspeelde.”Ik moest het bekennen: ik beging fout op fout; het was voor mij geen spel meer; het was eene marteling.Francis had het begrepen; zij kwam mij te hulp.Zij staakte haar spel, voegde zich bij de speeltafel en sprak tot den generaal:“Willen wij een compromis sluiten, grootpapa? Gij staat mij Leo af, om mij te accompagneeren; ik zal wat zingen, en gij continueert met den kapitein uw gewoon partijtje piquet.”“Hm, hm, ik zou u dat genoegen willen doen, Francis, maar de jonker heeft zooveel verloren; hij dient toch in de gelegenheid gesteld te worden, om zijne revanche te nemen.”“Gekheid! daar komt toch niets van, dat weet gij vooruit, grootpa!” duwde Francis hem toe, met zekere hardheid.“Om de waarheid te zeggen, generaal, ik hecht er niet aan,” sprak ik, “als het mij gegund wordt, in dezen mijne opinie te zeggen; maar mijn heele doosje is leeg, laat ons afrekenen.”“Afrekenen, onder ons, dat’s malligheid, dat zal niet gebeuren,” viel Francis in, met iets gedecideerds in stem en houding dat mij tegenstond.“Alsikgewonnen had, zou ik er aan hechtenmijnewinsten te berekenen, Freule!” zei ik, tot haar gewend, op een toon, die haar ongepast voorkwam.“Nu! gijlieden zult ook wel niet om een gulden het fiche hebben gespeeld,” hernam zij wat gedwongen, en trad een stap of wat terug.Dat was waar, maar toch hoog genoeg, om mijn verlies bij guldens te berekenen. Ik reikte den kapitein een muntje toe en verzocht de zaak voor mij met den generaal en hem zelven in orde te maken. Francis zag dit aan met eene onbeschrijfelijke uitdrukking van misnoegen. Zij drukte de lippen opeen en werd gloeiend rood, om terstond weer te verbleeken; zij fronste onheilspellend de wenkbrauwen; zij trad opnieuw toe en strekte de hand uit om het papier aan Rolf te ontweldigen, maar ik wierp haar een blik toe, die haar van deze intentie deed afzien.“Mij dacht, freule, dat gij reeds begrepen zoudt hebben hoe onwelvoegelijk in dezen uwe tusschenkomst is,” voegde ik haar toe op korten, strengen toon.“Ook goed! mij is ’t wel, als gij geplunderd wilt worden!” viel zij uit en keerde zich af naar hare piano.De roman van een uur, was al aan de ontknooping,en geen schitterende voorwaar! De generaal was onder dit alles merkwaardig om aan te zien. Hij zweeg; hij zweeg, waar alle convenances hem geboden hadden te spreken; hij zweeg, maar met eene uitdrukking van gelaat, met eene flikkering in het oog, die mij een pijnlijken blik gaven te werpen in zijn karakter. De man van opvoeding, van geboorte, die een eervollen rang in het leger had bekleed, was een speler, een speler niet slechts uit liefhebberij in het nietige spel, maar een speler, wien het om winst was te doen, op welke wijze ook verkregen, klein of groot, van wien ze hem ook toekwam; voor hem was ik eenarmeverwant, het deed er niets toe, hij had gewonnen! hij moest zijne winst opstrijken, de lage hartstocht moest zijne voldoening hebben!Ik voelde wel hoe zeer het fier en onbaatzuchtig gemoed van Francis hieronder lijden moest, maar zij zelve had mij op hare wijze ontstemd. Zij had zich zoo meesterachtig aangesteld met over mij te beschikken als over iets, waarmee zij handelen kon naar welgevallen, dat ik het noodig vond haar te toonen, hoezeer zij zich in dezen in mij had vergist.Ik volgde haar wel naar de eetzaal, maar ik stelde niet voor haar te accompagneeren, en zij, die er vast op rekende, dat haar wil te verstaan en te gehoorzamen voor mij hetzelfde moest zijn, vroeg het mij niet.Eindelijk mij aanziende met zekere mengeling van spijt en laatdunkendheid: “Dus speelt gij niet?”“Ja wel, op mijn tijd, als ik er toe gedisponeerd ben.”“En dat zijt ge nu niet?” hernam zij op een toon, waaruit verrassing en gekrenktheid spraken.“Juist nù niet!”“O zoo!” bracht zij uit, keerde mij den rug toe en sloeg de toetsen zoo forsch aan, dat wij opnieuw wilde, stormachtige klanken moesten verduren.Ik greep eene oude krant en wijdde daaraan geheel mijne opmerkzaamheid; daar liet zij de handen weerlusteloos in den schoot rusten, en nam den spiegel te baat om mij aan te zien, zonder dat ik het merkte, maar ik wilde haar die satisfactie niet geven, en wij fixeerden elkaar nu om strijd, of er niets beters in de wereld te doen viel.Eindelijk preludeerde zij weer, zong het groote alt van Betly, uit deChâlet, en accompagneerde daarbij zich zelve. Zooals ik wel vermoed had, bezat zij een diepe, volle altstem, maar zij deed volstrekt niet haar best, om die te doen uitkomen; zij zong met tergende bravoure het refrein:Liberté chérie,Seul bien de la vie,Règne toujours là!Tra la, la, tra la, la, la, la!Tant pis pour qui s’en fâchera!Ik begreep heel goed waarom; ik wist, hoe haar te vergelden.Ik wierp mijn krant weg, ging bij haar staan naast de piano en fluisterde haar in: “Denkt ge er wel aan hoe de aardige operette afloopt?”“Heel goed! zooals dat altijd geschikt wordt in de komedie; maar in ’t werkelijke leven is het juist omgekeerd, en ik.... ik hecht aan de realiteit!”Juist kwam Frits binnen, om het avondbrood klaar te zetten; er werd gelukkig niet gesoupeerd.De beide heeren waren opgeruimd, de kapitein was luidruchtig en op zijne wijze aardig, al waren zijne aardigheden juist niet van den besten smaak; ik trachtte met hem in te stemmen, al ging het niet van harte, want Francis bleef droog en kortaf tegen ons allen, en toonde mij haar humeur, zelfs nog in de wijze, waarop zij mij even hare vingertoppen toestak, toen wij elkaar goedennacht wenschten.
“Nu toch niet als een boschwachter,” viel zij in met een ondeugend lachje; “eerder als eene keukenprinses, die maar even uit haar werk is geloopen om inderhaast mee te eten, en dat is maar weinig bezijden de waarheid; ik moet tot het laatste oogenblik zorgen voor de délicatesses, die noodig worden geacht, en zoo ontbreekt mij de lust zoowel als de tijd om toilet te maken.”“Niet eens tijd om een frisch kraagje om te doen, Francis? Dat is toch wat sterk.”“Zijt gij zoo’n fat, Leo, om daarop te letten? Nu ja! ik wil het wel bekennen, aanlingeriesdoe ik niet veel meer, ’t is hier buiten zoo lastig en zoo kostbaar, het is al veel als ik de exigenties van den generaal in dezen kan bevredigen; daarbij, voor wie zou ik mij opknappen? De heeren daar ginds”—zij wees met een gebaar van minachting naar de zaal—“vragen het allereerst of de ommelet goed is gesauteerd en of de farci van den kalkoen genoeghaut goûtheeft.”“Mij dunkt gij moest het doen omdat gij het u zelve schuldig zijt, en ditmaal toch ook voor mij—ja, glimlach maar, ik wil het u toch zeggen, dat ik mij aantafel over u geërgerd heb, al is het waarschijnlijk, dat gij deze ergernis hebt beoogd.”“Gij zijt vindingrijk, Leo.”“Gij hebt zoo even met mijn gebrek aan scherpzinnigheid gespot, ge zult mij nu toestemmen, dat ik u doorzien heb.”“Àpeu près; gij zijt zoo gul met mij lessen te geven, dat ik u op mijne beurt wilde doen verstaan....”“Dat ik u eigenlijk niet welkom ben....”“Gij weet wel beter....”“Eene gastvrouw, die zulk eene opzettelijke nonchalance toont....”“Wil er mee zeggen, dat zij van alle coquetterie heeft afgezien.”“Coquetterie is ook zoo uitsluitend eene eigenschap van ‘de dames,’ dat ik die bij Majoor Frans nooit gewacht zou hebben,” hernam ik; “maar de zucht voor betamelijkheid is eene mannelijke eigenschap, die men met recht van dezen zou mogen eischen; of moet ik Majoor Frans aan de strikte eischen der militaire tenue herinneren?”“Als gij het nu zoo kras opneemt met mijn majoorstitel!” sprak ze met zekere gekrenktheid, terwijl haar kleine voet opnieuw met ongeduld trappelde.“Ik althans ben het niet, die hem u gegeven heb—maar in elk geval moet gij kiezen: Majoor Frans, dieen règlebehoort te zijn, welke uniform hij zich ook kiest, of Freule Francis Mordaunt, die geene vrijheid heeft om zich aan een neef, een gast, met opzettelijke achteloosheid te vertoonen.”“Met er die uitlegging aan te geven, Leo, brengt gij mij waarlijk in groote verlegenheid; want al wilde ik—ik kan u in dezen niet voldoen. Sinds wij hier op de Werve zijn, heb ik niets nieuws laten maken.”“Maar dat is toch zoo lang nog niet.”“’t Is reeds het derde voorjaar, en....”“Dan zijn uwe toiletten niet meer naar de mode, datwil ik toegeven; maar zij kunnen toch smaakvol zijn. En ik ben er zeker van, dat gij u vroeger elegant hebt gekleed.”“Dat geloof ik zelve, hoewel ik niet zelden het verwijt kreeg van bizarrerie, omdat ik zoo mijne eigene ideeën had op dit punt, en er zekere modes waren, die ik niet verkoos na te volgen.”“Nu, ik houd van originaliteit. Kies uit uwe kostumes er een waar de uwe het sterkste in uitkomt, en ik geloof, dat gij er even gracieus als interessant zult uitzien.”“En ik ben zeker, dat het juist andersom zou zijn; gij hebt mij gezien in het kleed, waarin ik mij het meest mij zelve gevoele, en herinner u welk eene figuur ik in uwe oogen heb gemaakt!”“Neen, dat rekent niet meê, gij hadt u toen zoo toegetakeld....”“Als de guurheid van dit seizoen het eischte.”“Al verbergt gij u nog zoo voor mij, Francis, ik heb toch al reeds te veel echt vrouwelijke kwaliteiten bij u waargenomen om mij te laten wijsmaken, dat gij juist in uwe amazone het meest op uw gemak zoudt zijn.”“Als gij mij zoo kwelt, dringt gij mij tot de bekentenis, dat ik alles weggegeven heb, wat ik te missen had, in dien winter, dien ik alleen op de Werve doorbracht; eene arme officiersdochter, die als gouvernante in eene deftige familie moest optreden, en die geen voldoendetrousseaubijeen kon brengen, wendde zich tot mij, die zij rijk waande, om hulp. Ik kon geen geld missen; maar ik had toch wat te geven. Ik berekende dat ik hier al heel weinig kleedij noodig had, en behield niets dan eene enkele zijden japon als zondagskleed, en mijne baltoiletten, die haar evenmin te pas kwamen als mij, doch waar ik nog aan hechtte als souvenir. En nu, Leo! zijt gij ingewijd in ’t geheim mijner ledige garderobe. Oordeel nu zelf, wat ik in dezen voor u doen kan; gij zult toch niet van mij vergen, dat ik hier in danskostuum aan tafel zal verschijnen.”“Hm! hm! wie weet waar ik u nog om plagen zal, als wij eens op de Werve feest vieren!”“Men viert geen feest op de Werve, daartoe hebben we geene gelegenheid en geene aanleiding,” sprak zij wat knorrig en kortaf.“Druk er niet te veel op, Francis!” plaagde ik, “gij kunt niet vooruit weten wat er nog gebeuren kan; ik ben een stijfkop, zooals gij zelve hebt gezegd, en een origineel op mijne wijze zoowel als gij; maar om te beginnen zal ik mij tevreden houden met dien zekeren zijden japon, die u goed zal staan, dat weet ik vooruit; mits gij wat werk maakt van dat prachtige haar en u de moeite geeft de eene of andere parure aan te doen!”“Gij moet weten, Willem, dat ikà tout hasardde sieraden die zij bij Overberg te pand had gegeven, in mijne reistasch had gestoken; maar ik bemerkte wel dat zij nog vooreerst niet te pas zouden komen. Zij vloog op of eene wesp haar gestoken had; hare oogen fonkelden van toorn, en al kon ik hare trekken niet meer onderscheiden, ik ben zeker dat een gloed van verontwaardiging haar op het voorhoofd steeg, terwijl zij op heftigen toon uitviel:“Ik heb geene parures meer: en ikwilze niet hebben, verstaat gij Jonker van Zonshoven! en dit zeg ik u: als ’t u schelen kan of wij vrienden blijven àl of niet, vervolg mij dan nooit weer met uwe zotte invallen. Ik mag wel eens railleeren; dat geeft wat zout aan de conversatie, maar het moet geen bijtend loog worden; en dit is kwetsende ironie, mij van mijne diamanten te spreken, terwijl ik bezig ben u te vertellen, dat ik alles aan mijne relatiën heb opgeofferd.” Ik begreep dat ik werkelijk eene pijnlijke wonde had aangeraakt. Ik had niet van diamanten gesproken, maar zij herdacht aan de hare die voor haar verloren waren, en zij betreurde ze, dat was zeker! Ik had te veel deernis met haar om met hare zwakheid mijn voordeel te doen en te toonen hoezeer zij zich verraden had; ik antwoordde koeltjes:“Maar, beste freule Mordaunt! hoe kon ik dat raden? Al vertelt gij mij dat gij uwe garde-robe hebt geplunderd ten behoeve van een behoeftig jong meisje, dan volgt daaruit immers nog niet.... dat alles wat gij mij daar in één adem mededeelt.”“Gij hebt gelijk; met u moet menles points sur les Izetten, zult gij verstaan, en ik was er aan bezig; maar gij hebt mij zelf van het droevig relaas afgebracht. Grootpapa dan, vond het zorgeloos en tegelijk weelderig leven bij zijn vriend te A. zeer naar zijn smaak en bleef er tot in het voorjaar; hij kwam tot mij terug, geheel genezen van zijne melancholie, maar toch, het bleek dat de kuur wat heel veel had gekost, meer dan hij eigenlijk gerechtigd was er voor te geven. Het leven onder rijken en aanzienlijken is duur, zelfs al geniet men de ruimste gastvrijheid. De generaalsuniform had hij zich niet behoeven aan te schaffen, daar hij nooit als zoodanig in werkelijken dienst was geweest, maar de kolonelstenue was beneden zijn rang, dus hadden wij moeten voorzien in allerlei politieke kleeding, voor ochtend en avond, voor groot en klein diner.... en dan, wat er aan handschoenen en fooien opgaat, als men met de groote wereld moet meedoen! Gij, die in de residentie woont, gij zult er alles van weten, Leo!”“Zoo goed, beste Francis, dat ik mij eens voor al van uitgaan heb onthouden....”“Grootpapa kon dat natuurlijk niet, en daarbij kwam dan nog het spel,” ging zij voort, terwijl zij hare stem nog dieper liet dalen, “het spel waarbij men in één winteravond onder gelach en gejuich sommen verliest, waarmee een gezin voor het gansche seizoen had kunnen onderhouden worden. Helaas! iets dergelijks was met hem gebeurd, zoodat hij keerde met bezwaren die.... oogenblikkelijk voorziening noodig hadden. Ik, die anders nog al raad wist, stond hem als eene verwezene aan te zien, bij die bekentenis. Hij zelf gevoelde veel leed over de zorg en ’t verdriet dat hij mij op den hals hadgehaald, en hij redde zich door de boerderij onder de hand te verkoopen, die ons echter, ik weet niet uit welke oorzaak, niet veel meer opbracht dan het effenen van de gemaakte schulden. En ik! die de stille hoop had gevoed, dat wij hier door zuinigheid en goed overleg wat zouden sparen om de noodige herstellingen aan ’t kasteel te laten doen. Och Leo!” zij drukte mij de hand in hare smartelijke gemoedsbeweging, “dit hoort onder de bitterste teleurstellingen van mijn somber leven. Vol zelfverwijt, en zich bewust dat hij te zwak was om zekere verzoekingen weerstand te bieden, zwoer hij alle verkeer met de wereld af, en hij heeft woord gehouden; maar welhaast verviel hij opnieuw tot de diepste neerslachtigheid, en ik vreesde dat hij van verdriet zou verkwijnen onder het régime dat ik hem moest opleggen, sinds hij mij bekende, dat hij maar twee derden van zijn pensioen in handen kreeg; op het overige was door een onbarmhartigen schuldeischer beslag gelegd. Toen kwam de man ons te hulp, die ik u niet meer behoef te noemen. Luitenant Rolf had zijn pensioen gekregen, en kwam zijn ouden chef opzoeken eer hij zich ergens voor goed vestigde. In de laatste jaren was hij door verandering van regiment van ons verwijderd geweest, maar hij was niet van ons vervreemd. Mijn grootvader had hem geprotegeerd en vele goede diensten gedaan, zonder welke hij nooit tot den officiersrang had kunnen bevorderd worden, ondanks zijne bravoure in den tiendaagschen veldtocht. Al vóór mijne geboorte bekleedde hij in ons huis alle mogelijke functiën die met zijne dienstplichten te vereenigen waren. Zijne zuster was mijne min, en meer, veel meer dan dat; zij bleef mij bij tot in lateren leeftijd, en daar mijne moeder weinige dagen na mijne geboorte bezweek, deed zij al wat in hare macht was om mij moederliefde en moederzorge te betoonen. Ongelukkig ontbrak het haar aan beschaving, aan geestkracht, om de opvoeding van een kind zooals ik was te leiden. Ook heeft zij met de beste intentiën ter wereld mij ridderlijkbedorven, daarin dapper geholpen door sergeant Rolf, die geen grooter pleizier had dan op mijne wenken te vliegen, en die eerder insubordinatie zou hebben begaan tegenover zijn kolonel, dan te weigeren iederen dollen inval van zijn ‘kleinen Majoor,’ zooals hij mij noemde, te gehoorzamen. Is het vreemd, dat ik nog tegen hem den despoot speel?”“Neen! maar nu gij dat zelve toch zoo inziet....”“Zou er betering kunnen zijn, meent gij, doch.... wat zal ik u zeggen;c’est plus fort que moi.... nu, hij heeft het er wel naar gemaakt om wat van mij te lijden.... In vollen ernst, zoo ik hem niet van tijd tot tijd op zijn voorman zette, zou het niet lang duren of hij zou ons naar zijne hand stellen, en het is juist daarop dat ik komen wilde.Zijn bezoek was grootpapa eene welkome afleiding; nu tot kapiteinsrang geklommen, en niet meer in werkelijken dienst, evenals deze zelf, was de distantie genoegzaam weggevallen, om op zekeren voet van gelijkheid met elkaar om te gaan. Ik begreep hoezeer een derde persoon de gezelligheid zou aanbrengen; een persoon meer was zoo’n groot verschil niet bij onze nu eenvoudige leefwijze, een kamer in de dichte nabijheid van grootpapa’s appartement was licht te arrangeeren; als Rolf van zijn pensioen moest leven, kwam die schikking hem zeker te stade; wij sloegen het hem voor en het werd dadelijk aangenomen. Ik hernam mijn commandement over hem, zooals hij zich uitdrukte; hij trachtte zich nuttig te maken op iedere wijze, en zijne goede luim vervroolijkte den generaal, al waren zijn aardigheden noch frisch noch fijn van gestalte; genoeg, ik was tevreden met deze uitkomst: een winter die zich bezwaarlijk had laten aanzien, ging nu vrij rustig en zonder al te groote verveling om; daar kreeg Rolf de tijding, dat hem eene niet onbelangrijke erfenis te beurt was gevallen van een zijner Noord-Brabantsche verwanten. Na eene korte absentie keerde hij tot ons terug en stelde voor te blijven,mits hij zijn aandeel mocht bijdragen tot de menage. Hij was nu bemiddeld en kon geen genadebrood eten, zooals hij het noemde; integendeel, de generaal moest hem toestaan, zoo eens het zijne te doen ter veraangenaming van het leven. Dit scheen billijk, en ik moest wel toestemmen, daar ik wist hoezeer grootpapa, die een verfijnden smaak heeft en op zijne aisances gesteld is, zekere ontberingen met heimelijk leedgevoel droeg; ik gaf dus toe, dat Rolf op zijne eigene hand zekere luxe zou invoeren, maar ik had niet kunnen voorzien welke proportiën deze zucht om het zich goed te maken zoude aannemen. Rolf had nooit levensgenot gekend, en hij achtte nu zijn tijd gekomen om te genieten; de eenige genietingen waarvoor een man op zijn leeftijd, en die voor geenerlei intellectueel genot zin had, nog vatbaar was, waren die van de tong, en grootpapa was het in dezen volkomen met hem eens. Zoo zeer zelfs, dat hij hem in allerlei dwaze verkwistingen liet begaan, zonder zich daar tegen te stellen, ja, die aanmoedigde zooals gij gehoord hebt, zoodat ik hier dagelijks smulpartijen en zwelgerijen moet bijwonenà deux, die mij onuitsprekelijk tegenstaan; ik behoef u niet te zeggen, hoe mijn grootvader zich daarbij verlaagt en vernedert op eene wijze die....” Zij zweeg plotseling; de porte-brisée ging open; Frits, die de tafel had afgenomen in de eetzaal, trad nu binnen en zette de lamp klaar.“Heeft de freule niet om het theeblad gescheld?” vroeg hij.“Is het al zeven uur, Frits?”“Kwartier er over, Freule, en de Generaal is wakker....”“Goed, breng dan het theewater binnen!” Francis keek mij aan met een bitteren lach en beet zich op de lippen over de teleurstelling, dat zij voor ’t oogenblik hare ergernis moest inhouden. Welhaast ook kwam de kapitein binnenrukken; de conversatie aan de theetafel vlotte niet best; de heeren waren wat dof; Francis wat stug enonwillig om aan ’t gesprek deel te nemen, en de kapitein, op hare los neerhangende lokken wijzende, maakte de opmerking, dat de leeuwin hare manen schudde, om ons schrik aan te jagen.“’t Is waar ook!” zei Francis koeltjes; “ik heb verzuimd mijne vlechten in het net te arrangeeren; excuseert mij, heeren!” en weg was zij naar hare kamer; zeker om er hare opgekropte aandoeningen lucht te geven.“’t Is toch zonderling, hoe Francis soms hare buien heeft van nonchalance,” bromde de generaal binnensmonds, haar naziende, toen zij de kamer verliet.“En juist nu er een gast is,” stemde de kapitein in, “dien zij zelve heeft ingehaald! Dat’s onbegrijpelijk!”“Zij weet, dat het eene impolitesse is, en dat zij mij er mee ergert, en toch volgt zij haar eigen hoofd, zonder iets te ontzien,” knorde de generaal nu met luider stem.“Zooals we dat van haar gewend zijn, Excellentie!” zei Rolf lachend; “maar daarvoor is zij ook onze commandant.”Ik wilde met dat koor niet instemmen, zooals gij denken kunt, en toen men dit onderwerp in ’t gesprek liet vallen, zaten wij met ons drieën alles behalve gezellig bijeen, en de generaal had geen ongelijk, toen hij, na nog eene mislukte poging om het discours gaande te houden, een partijtje proponeerde.Ik achtte het voorstel eene uitkomst, en de kapitein had hetfiche-doosje al klaar gezet en Frits gescheld, die het theegoed wegnam, eer ik mijne toestemming had gegeven. Er werd een massief mahoniehouten speeltafeltje uit een hoek gehaald, de lamp in ’t midden gezet, daar volgens Frits “de freule geene waskaarsen had uitgegeven,” en ons spel ving aan; het sprak vanzelf dat wij ombre speelden, en de generaal stelde den prijs van hetfichenog al hoog, naar ’t mij voorkwam.Gij weet, Willem! dat ik volstrekt niet van het spel houd, en dat ik er mij nooit toe laat bewegen, dan op het uiterste. Sinds den dood mijner moeder, die mij nogwel eens in haar whistpartijtje betrok, had ik geene kaarten in handen gehad; ik kan mij dus niet beroemen een geoefend speler te zijn; maar toch eens aan den slag, ben ik niet onverschillig voor de satisfactie, die men heeft van eene moeielijk behaalde overwinning, en ik zag terstond dat ik tegenspelers had, die mij elke zegepraal duur zouden betwisten, en met iedere distractie of onhandigheid lustig hun voordeel zouden doen.Ik behoefde hen maar een paar trekken te zien maken om te weten, dat zij niet slechts geoefende spelers waren, maar ook, dat het spel hun iets anders was dan de uitspanning, die men aangrijpt in een verlegen oogenblik; dat het spel hun ernst was, ja, meer nog dan dat: hun hartstocht was geworden. De generaal vooral bleek zoo gecharmeerd op het spel, dat ik mijns ondanks het mijne verwaarloosde om hem te observeeren, eene belangrijke, maar smartelijke studie, die mij tegelijk een licht deed opgaan over veel wat mij raadselachtig was geweest.De grijsaard onderging als eene gedaanteverwisseling, toen hij de kaarten in handen had. Zijne doffe, slaperige oogen glansden van intelligentie en schoten vonken van geestdrift. Alles aan hem vibreerde; zijne vingertoppen trilden, en toch hielden zij met vaste hand zijn spel gevat, dat hij als met valkenblik overzag en er de leemte van het onze met geometrische zekerheid uit berekende. Zijne fletsche wangen kleurden zich met een flammend rood: zijne neusvleugels zwollen op en trokken zich in, naar de wisseling der kansen, en de zwakke, fijne man, die als gedrukt en gebogen neerzat, was plotseling als aangegrepen door een geest van overmoed en vermetelheid, van waaghalzerij, waaraan hij niet zelden een schitterend succes dankte, en die mij denken deed aan het devies: de fortuin is met den stoute, ook met den stouten speler!“Zeer zeker!” luidde hetantwoordvan von Zwenken, “de fortuin is eene vrouw die men overheerschen moet, zal ze u dienen.”In het gewone leven merkte ik niet, dat hij dezen regel in praktijk bracht: want blijkbaar vreesde hij Francis, daar hij zich alleen zijdelings durfde beklagen over ’t geen hem in haar mishaagde; maar bij het spel maakte hij dien tot waarheid, en met goed geluk.De kapitein, die bij evenveel routine minder vermetelheid had, en vooral minder passie, liet niet na, hem van tijd tot tijd zijne waagstukken te verwijten, maar zij gelukten, en dat was zijn triomf.Ik begreep nu waarom een toertje naar Wiesbaden hem zoo zeer aangelachen had en waarom Francis er zich zoo heftig tegen had verklaard. Het hazardspel aan de groene tafel, de groote winsten door eene enkele wending van het rad, moest zulk een man aantrekken en hij zou er meer voor willen wagen dan hij te missen had. Mij ging nu ook een nieuw licht op over het lijden van Francis, die zeker gedoemd was, elken avond de derde te zijn bij deze overprikkelende uitspanning van haar grootvader, en die dat zeker jammerlijke tijdverspilling achtte; want zij hield van lectuur, dat had ik reeds opgemerkt.Gij kunt berekenen, Willem! dat ik onder deze aanmerkingen en bijgedachten niet altijd zoo scherp op mijn spel lette, of ik beging fouten enbévues, terwijl de heeren mij uitlachten en beknorden, maar niettemin hun voordeel deden met mijne distractiën en mijne inferioriteit, ’t geen ik hun niet ten kwade konde duiden, en de belangwekkende studie, die ik maakte, was mij dat verlies wel waard; dit alles spande mij zoo in, dat ik niet eens over de langdurige afwezigheid van Francis dacht, toen de deur openging en zij zelve binnentrad in groot toilet, en met een glimlach van voldoening mijn uitroep van verbazing, van bewondering, beantwoordend.Onwillekeurig wierp ik mijn kaarten neer en stond op, haar te gemoet. De generaal, die rugwaarts naar de deur zat, keek mij verbaasd en wrevelig aan, niet radend, waaraan mijne onbeleefdheid toe te schrijven; de kapiteinzag om, en stiet eengros motuit van verrassing, eer hij sprak:“Onze Majoor in gala tenu?”“Gij vergist u, kapitein,” repliceerde Francis, “de freule Mordaunt die ter eere van haar neef haar avondtoilet heeft gemaakt.”“Chère cousine, welk eene verrassing! Sta mij toe, u de hand te kussen voor die allerliefste inschikkelijkheid.”“Wel zeker; behandel mij maar eens als eene dame, daarbij vindt uwe courtoisie zich het meest op haar gemak.”“Als gij mij dat toestaat, zal ik mij de eer geven u naar de canapé te geleiden,” sprak ik, haar den arm aanbiedend, dien zij ditmaal niet afwees.“Ik hoop nu maar, dat ik goed in mijne rol zal blijven,” zei ze met een malicieus lachje.“Wat wonderlijke gril is dit nu weer?” bromde de Generaal, grimmig van spijt, want hij had juist een vole in de kleur te declareeren, waarop nu geen acht werd geslagen; “den geheelen dag hebt ge hier rondgeloopen als asschepoester, en nu....”“Is de toovergodin tusschenbeide gekomen, en ik verschijn als prinses! Dat’s de geleidelijke gang van het sprookje, niet waar Leo?”“En het fameuse glazen muiltje ontbreekt zeker niet,” gaf ik ten antwoord naar hare snoezige salonschoentjes ziende, die ik reeds vroeger had opgemerkt, “en ’t is blijkbaar, dat het niemand zal passen, dan onze gracieuze Cendrillon zelve.”“Dat is zoo, maar zij zal zorgen het niet te verliezen.”“Waarom niet?” vroeg ik stoutweg, haar diep in de oogen ziende.“Omdat het ongeraden is den roman van een uur tot eene levenskwestie te maken voor u en voor mij,” gaf zij ten antwoord, terwijl zij zich afwendde.Een levenskwestie! zij wist niet hoezeer zij de waarheid raakte.“Als gij op zulk eene schrale ontknooping denkt, is het dan wel de moeite waard de eerste bladzijde op te slaan?” vroeg ik zacht en mij even tot haar buigende.“Och, waarom niet? ’t is maar eene scène om den avond te korten, die anders geheel aan de speeltafel zou gesleten zijn.”De speeltafel? Het viel mij in, dat ik die voor mijn part in staat van failliet had verlaten; de generaal liet mij niet lang tijd om over dit gebrek aan de orde na te denken.“Dat alles moge nu heel galant en heel geestig zijn, neef! wat gij daar met Francis praat,” riep hij mij toe op knorrigen toon; “maar ’t is geen manier, om zoo van de speeltafel op te staan.”“Excuseer mij, generaal, hier ben ik tot uwe orders,” en met een wenk aan Francis, die mijn leedwezen genoeg uitdrukte, nam ik mijne plaats weer in.“Als de Freule nu mee wilde doen, konden wij precies een partijtje quadrille maken,” sprak Rolf.“Dankje kapitein. Ik wil wel eens vrij van dienst wezen; bepaal liever toertjes; ik ga wat muziek maken in de eetzaal; dat zal niemand hinderen.”Frits had de porte-brisée opgeschoven en er was licht bij de piano. Ik had een Vandaal moeten zijn, zoo ik niet opnieuw eene échappade van de speeltafel had gemaakt om Francis op te leiden. Zij had mij gewaarschuwd, dat onze roman maar kort zoude duren, en ik mocht geen scène van de voorstelling laten verloren gaan. Blijkbaar was zij dat met mij eens; de capricieuse, die voorgaf van alle coquetterie te hebben afgezien, kwam geheel in mijne bedoeling; zij liet zich door mij wegvoeren, en terwijl zij met zekere bevallige achteloosheid haar arm in den mijnen liet rusten, sprak zij op een toon van vertrouwelijkheid, die mij als echte damesgeveinsdheid in de ooren klonk:“Gij ziet nu, hoezeer mijn toilet uit den smaak is.”“Maar toch naar een zeer goeden smaak,” kon ikmij niet onthouden te antwoorden; “en dat weet gij wel, grillige Célimène, al wilt gij mij wijsmaken, dat de vrouw bij u onder gegaan is in....”“Ik weet wat gij meent; spreek het niet uit,” viel zij met zekere gejaagdheid in, en leunde met hare hand op mijn arm om mij te doen zwijgen; “ik zeg u dat ik een oogenblik wil vergeten.... ben ik zoo naar uw zin, dat is alles wat ik wil weten.”Een gul antwoord lag mij op de lippen, maar nog intijds hield ik het terug bij de overweging dat men met haar op niets rekenen kon en dat wijze terughouding in dezen noodzakelijk was.“Ik zou wel moeielijk moeten zijn zoo ik het tegendeel zei,” bracht ik uit, mij zelven tot laconisme dwingende, “want gij hebt u waarlijk gekleed als voor een hofbal, op het decolleté na.”Inderdaad, bij al de élégance van haar toilet, dat uit roze gaze de chambéry bestond, met schitterende zilverlovertjes bezaaid, was haar kleed maar even om den hals vierkant uitgesneden, en nog door eene witte blonde pelerine gedekt, terwijl de wijde mouwen tot over den elleboog hingen en daar weer in witte blonde eindigden, met rosestrikken bezet; een tweede rok van dezelfde luchtige schitterende stof hing in losse plooien als een peplum over den eersten en gaf wat gevuldheid aan het slepende gewaad, die niet door eene crinoline werd opgehouden. Zij had het prachtige haar met zorg gekapt in vlechten, en eenige loshangende lokken, een paar grisanticums die er losjes waren ingestoken, maakten de eenige parure uit; zij droeg geen enkelen diamant, hetzij zij werkelijk niets van dien aard meer bezat, hetzij ze zulken opschik versmaadde. Zeker is het, dat die mengeling van élégance en zedigheid, dat versmaden van sieraad bij zooveel pracht, een fijnen tact verrieden,—of de behendigste coquetterie. Bij vollen dag zou haar toilet zeker het effect hebben gemist: het rose moest wat verflenst zijn en de glimmende lovertjes waren stelligtot koper verkleurd; zelfs bij avond was het op te merken, dat er wat frischheid aan ontbrak, dat zekere met één woord, wat de nuffige dames doet zeggen dat een balkleed geen tweemaal gebruikt kan worden, omdat het reeds bij de eerste maal gechiffoneerd is, en hetgeen de heeren zulke lange gezichten doet trekken, bij de rekeningen der modiste. Bij daglicht zou Francis er gewis hebben uitgezien als eene actrice bij een repetitie in kostuum, zonder de voetlichten en als de zon op het tooneel schijnt; maar het was nu avond, en er was niet te veel licht, en men moest òf kwaden wil òf alleen zucht tot kritiek hebben, om niet voldaan te wezen met den eersten indruk, die allerbekoorlijkst was. Toch merkte ik nu op, juist nu zij voor ’t eerst in een elegant vrouwentoilet, voor mij stond, wat mij bij haar vroegere wonderlijke manier van zich te kleeden ontgaan was: dat hare schoonheid iets bijzonders karakteristieks had, zooals maar zelden bij blondines wordt waargenomen. Ik spreek van schoonheid, ik moest eigenlijk bevalligheid zeggen, want de trekken waren niet geregeld, maar zoo fijn en sprekend, dat ze, vooral bij zekere schraalheid van ’t gelaat, iets scherps hadden. Zoo de groote blauwe oogen het niet goed gemaakt hadden door hunne liefelijkheid, men zou er te veel vermetelheid, te veel beslistheid in hebben opgemerkt, maar dat toch weer vergoed werd door de bewegelijkheid die een opgewekte geest, voor allerlei indruk ontvankelijk, aan het vrouwelijk gelaat kan mededeelen. In hare slechte gewoonte om bij iedere aanleiding met opzet de houding en manieren aan te nemen die haar martialen bijnaam rechtvaardigden, al was die er niet van afkomstig, lag mogelijk meer dan in haar oorspronkelijken aanleg de schuld van die zekere stoutheid, die hare vijandelijkevriendinnenmet den naam van impertinentie bestempelden. Levensomstandigheden en opvoeding, men zou liever moeten zeggen: gebrek aan opvoeding hadden haar in zekeren zin misvormd tot hetgeen zij niet had moeten zijn; zooals vruchtboomenworden geleid en verwrongen tegen hunne natuurlijke richting in. Hoe dat ook zij, gij begrijpt wel, dat dit alles meer reflexies zijnaprès coup, toen ik ’s avonds rustig op mijne kamer de voorvallen en indrukken van den dag kon recapituleeren, dan dat ik ze maakte in de zeer korte oogenblikken, waarin dat onvergetelijk tooneeltje tusschen ons werd afgespeeld; en toch duurde het veel te lang, althans voor den generaal, die mij toeriep:“Als gij bij de piano blijft, jonker Leopold, wees dan zoo goed het ons te zeggen, want uwe partij zoo in den steek te laten is toch wel wat al te onbeleefd.”“Verschoon mij, generaal!” in een wip was ik weer op mijn post bij de speeltafel, na Francis een blik te hebben toegeworpen, waaruit zij mijn leedwezen moest verstaan.“Als gij plan hebt om nog eens te deserteeren, moest gij liever verlof vragen,” sprak de kapitein lachende, “dan zullen wij u behoorlijk uw paspoort geven.”Maar de aardigheid scheen niet in den smaak te vallen van den generaal, want ik zag dezen verbleeken bij het woord deserteeren, en hij wierp den armen Rolf een blik vol verwijt toe over zijne jovialiteit.“Ik beloof den heeren, dat ik mijn best zal doen om mijne geheele aandacht bij het spel te bepalen,” antwoordde ik met meer goeden wil dan vast geloof in ’t volbrengen, want Francis speelde harerzijds een spel, dat mij vrij wat meer interesseerde dan de matadors van den generaal, die eensans prendrehad in de “favorite!”Francis fantaseerde; het was een wilde, bonte fantasie, als had zij al de warrelingen harer strijdige indrukken en gedachten in tonen willen uitspreken; het was schril en onharmonisch, zooals het daar zeker in haar toeging, maar het bewees zekere meesterschap op het instrument.Hoezeer men hare opvoeding ook mocht hebben verwaarloosd, aan leermeesters scheen het haar toch niet te hebben ontbroken. Want dat zij veel wist, veel had gelezen en onderscheidene talen machtig was, had ikreeds opgemerkt, en zij moest van een goed musicus geleerd hebben, dat zij bij machte was over de difficulteiten te zegevieren, die zij zich zelve schiep. Langzamerhand scheen het onweer in haar binnenste af te trekken bij de verluchting die zij zich gaf in die forsche, bijna woeste tonen, en begon zij zich in liefelijker melodieën te uiten, die van zachten weemoed getuigden en daartoe stemden.“Als ze nog maar eens wat aardigs wilde spelen,” fluisterde de kapitein mij toe, “zoo’n marsch uit Robert le Diable of eens iets uit de Muette; in mijn jongen tijd moest ieder die gaan hooren, daar was nog wat aardigheid aan, maar....”“Francis! om ’s Hemels wil, schei uit,of wijmoeten er uitscheiden,” riep nu de generaal als in wanhoop; “ondanks mijne hardhoorendheid, word ik er toch wee van. Is dat een getik en geklinkel! Eerst die akelige snijdende tonen, en nu dat sentimenteel gesuis en getril; de kapitein wordt er roesig van, en wat het ergste is, het geeft den jonker zulke distractie, dat hij allerlei flaters begaat, en zijn eigen, ja, ons beider spel bederft. Neen!mon cher, ik spreek niet te sterk,” zei hij, mij aanziende met zulk eensérieuxen zulk een wrevelig hoofdschudden, dat ik moeite had een glimlach te bedwingen toen hij voortging: “de kapitein heeft daareven eensans prendregewonnen, die hij hadmoetenverliezen, als gij u maar de moeite gegeven hadt op te letten, welke kleur ik uitspeelde.”Ik moest het bekennen: ik beging fout op fout; het was voor mij geen spel meer; het was eene marteling.Francis had het begrepen; zij kwam mij te hulp.Zij staakte haar spel, voegde zich bij de speeltafel en sprak tot den generaal:“Willen wij een compromis sluiten, grootpapa? Gij staat mij Leo af, om mij te accompagneeren; ik zal wat zingen, en gij continueert met den kapitein uw gewoon partijtje piquet.”“Hm, hm, ik zou u dat genoegen willen doen, Francis, maar de jonker heeft zooveel verloren; hij dient toch in de gelegenheid gesteld te worden, om zijne revanche te nemen.”“Gekheid! daar komt toch niets van, dat weet gij vooruit, grootpa!” duwde Francis hem toe, met zekere hardheid.“Om de waarheid te zeggen, generaal, ik hecht er niet aan,” sprak ik, “als het mij gegund wordt, in dezen mijne opinie te zeggen; maar mijn heele doosje is leeg, laat ons afrekenen.”“Afrekenen, onder ons, dat’s malligheid, dat zal niet gebeuren,” viel Francis in, met iets gedecideerds in stem en houding dat mij tegenstond.“Alsikgewonnen had, zou ik er aan hechtenmijnewinsten te berekenen, Freule!” zei ik, tot haar gewend, op een toon, die haar ongepast voorkwam.“Nu! gijlieden zult ook wel niet om een gulden het fiche hebben gespeeld,” hernam zij wat gedwongen, en trad een stap of wat terug.Dat was waar, maar toch hoog genoeg, om mijn verlies bij guldens te berekenen. Ik reikte den kapitein een muntje toe en verzocht de zaak voor mij met den generaal en hem zelven in orde te maken. Francis zag dit aan met eene onbeschrijfelijke uitdrukking van misnoegen. Zij drukte de lippen opeen en werd gloeiend rood, om terstond weer te verbleeken; zij fronste onheilspellend de wenkbrauwen; zij trad opnieuw toe en strekte de hand uit om het papier aan Rolf te ontweldigen, maar ik wierp haar een blik toe, die haar van deze intentie deed afzien.“Mij dacht, freule, dat gij reeds begrepen zoudt hebben hoe onwelvoegelijk in dezen uwe tusschenkomst is,” voegde ik haar toe op korten, strengen toon.“Ook goed! mij is ’t wel, als gij geplunderd wilt worden!” viel zij uit en keerde zich af naar hare piano.De roman van een uur, was al aan de ontknooping,en geen schitterende voorwaar! De generaal was onder dit alles merkwaardig om aan te zien. Hij zweeg; hij zweeg, waar alle convenances hem geboden hadden te spreken; hij zweeg, maar met eene uitdrukking van gelaat, met eene flikkering in het oog, die mij een pijnlijken blik gaven te werpen in zijn karakter. De man van opvoeding, van geboorte, die een eervollen rang in het leger had bekleed, was een speler, een speler niet slechts uit liefhebberij in het nietige spel, maar een speler, wien het om winst was te doen, op welke wijze ook verkregen, klein of groot, van wien ze hem ook toekwam; voor hem was ik eenarmeverwant, het deed er niets toe, hij had gewonnen! hij moest zijne winst opstrijken, de lage hartstocht moest zijne voldoening hebben!Ik voelde wel hoe zeer het fier en onbaatzuchtig gemoed van Francis hieronder lijden moest, maar zij zelve had mij op hare wijze ontstemd. Zij had zich zoo meesterachtig aangesteld met over mij te beschikken als over iets, waarmee zij handelen kon naar welgevallen, dat ik het noodig vond haar te toonen, hoezeer zij zich in dezen in mij had vergist.Ik volgde haar wel naar de eetzaal, maar ik stelde niet voor haar te accompagneeren, en zij, die er vast op rekende, dat haar wil te verstaan en te gehoorzamen voor mij hetzelfde moest zijn, vroeg het mij niet.Eindelijk mij aanziende met zekere mengeling van spijt en laatdunkendheid: “Dus speelt gij niet?”“Ja wel, op mijn tijd, als ik er toe gedisponeerd ben.”“En dat zijt ge nu niet?” hernam zij op een toon, waaruit verrassing en gekrenktheid spraken.“Juist nù niet!”“O zoo!” bracht zij uit, keerde mij den rug toe en sloeg de toetsen zoo forsch aan, dat wij opnieuw wilde, stormachtige klanken moesten verduren.Ik greep eene oude krant en wijdde daaraan geheel mijne opmerkzaamheid; daar liet zij de handen weerlusteloos in den schoot rusten, en nam den spiegel te baat om mij aan te zien, zonder dat ik het merkte, maar ik wilde haar die satisfactie niet geven, en wij fixeerden elkaar nu om strijd, of er niets beters in de wereld te doen viel.Eindelijk preludeerde zij weer, zong het groote alt van Betly, uit deChâlet, en accompagneerde daarbij zich zelve. Zooals ik wel vermoed had, bezat zij een diepe, volle altstem, maar zij deed volstrekt niet haar best, om die te doen uitkomen; zij zong met tergende bravoure het refrein:Liberté chérie,Seul bien de la vie,Règne toujours là!Tra la, la, tra la, la, la, la!Tant pis pour qui s’en fâchera!Ik begreep heel goed waarom; ik wist, hoe haar te vergelden.Ik wierp mijn krant weg, ging bij haar staan naast de piano en fluisterde haar in: “Denkt ge er wel aan hoe de aardige operette afloopt?”“Heel goed! zooals dat altijd geschikt wordt in de komedie; maar in ’t werkelijke leven is het juist omgekeerd, en ik.... ik hecht aan de realiteit!”Juist kwam Frits binnen, om het avondbrood klaar te zetten; er werd gelukkig niet gesoupeerd.De beide heeren waren opgeruimd, de kapitein was luidruchtig en op zijne wijze aardig, al waren zijne aardigheden juist niet van den besten smaak; ik trachtte met hem in te stemmen, al ging het niet van harte, want Francis bleef droog en kortaf tegen ons allen, en toonde mij haar humeur, zelfs nog in de wijze, waarop zij mij even hare vingertoppen toestak, toen wij elkaar goedennacht wenschten.
“Nu toch niet als een boschwachter,” viel zij in met een ondeugend lachje; “eerder als eene keukenprinses, die maar even uit haar werk is geloopen om inderhaast mee te eten, en dat is maar weinig bezijden de waarheid; ik moet tot het laatste oogenblik zorgen voor de délicatesses, die noodig worden geacht, en zoo ontbreekt mij de lust zoowel als de tijd om toilet te maken.”
“Niet eens tijd om een frisch kraagje om te doen, Francis? Dat is toch wat sterk.”
“Zijt gij zoo’n fat, Leo, om daarop te letten? Nu ja! ik wil het wel bekennen, aanlingeriesdoe ik niet veel meer, ’t is hier buiten zoo lastig en zoo kostbaar, het is al veel als ik de exigenties van den generaal in dezen kan bevredigen; daarbij, voor wie zou ik mij opknappen? De heeren daar ginds”—zij wees met een gebaar van minachting naar de zaal—“vragen het allereerst of de ommelet goed is gesauteerd en of de farci van den kalkoen genoeghaut goûtheeft.”
“Mij dunkt gij moest het doen omdat gij het u zelve schuldig zijt, en ditmaal toch ook voor mij—ja, glimlach maar, ik wil het u toch zeggen, dat ik mij aantafel over u geërgerd heb, al is het waarschijnlijk, dat gij deze ergernis hebt beoogd.”
“Gij zijt vindingrijk, Leo.”
“Gij hebt zoo even met mijn gebrek aan scherpzinnigheid gespot, ge zult mij nu toestemmen, dat ik u doorzien heb.”
“Àpeu près; gij zijt zoo gul met mij lessen te geven, dat ik u op mijne beurt wilde doen verstaan....”
“Dat ik u eigenlijk niet welkom ben....”
“Gij weet wel beter....”
“Eene gastvrouw, die zulk eene opzettelijke nonchalance toont....”
“Wil er mee zeggen, dat zij van alle coquetterie heeft afgezien.”
“Coquetterie is ook zoo uitsluitend eene eigenschap van ‘de dames,’ dat ik die bij Majoor Frans nooit gewacht zou hebben,” hernam ik; “maar de zucht voor betamelijkheid is eene mannelijke eigenschap, die men met recht van dezen zou mogen eischen; of moet ik Majoor Frans aan de strikte eischen der militaire tenue herinneren?”
“Als gij het nu zoo kras opneemt met mijn majoorstitel!” sprak ze met zekere gekrenktheid, terwijl haar kleine voet opnieuw met ongeduld trappelde.
“Ik althans ben het niet, die hem u gegeven heb—maar in elk geval moet gij kiezen: Majoor Frans, dieen règlebehoort te zijn, welke uniform hij zich ook kiest, of Freule Francis Mordaunt, die geene vrijheid heeft om zich aan een neef, een gast, met opzettelijke achteloosheid te vertoonen.”
“Met er die uitlegging aan te geven, Leo, brengt gij mij waarlijk in groote verlegenheid; want al wilde ik—ik kan u in dezen niet voldoen. Sinds wij hier op de Werve zijn, heb ik niets nieuws laten maken.”
“Maar dat is toch zoo lang nog niet.”
“’t Is reeds het derde voorjaar, en....”
“Dan zijn uwe toiletten niet meer naar de mode, datwil ik toegeven; maar zij kunnen toch smaakvol zijn. En ik ben er zeker van, dat gij u vroeger elegant hebt gekleed.”
“Dat geloof ik zelve, hoewel ik niet zelden het verwijt kreeg van bizarrerie, omdat ik zoo mijne eigene ideeën had op dit punt, en er zekere modes waren, die ik niet verkoos na te volgen.”
“Nu, ik houd van originaliteit. Kies uit uwe kostumes er een waar de uwe het sterkste in uitkomt, en ik geloof, dat gij er even gracieus als interessant zult uitzien.”
“En ik ben zeker, dat het juist andersom zou zijn; gij hebt mij gezien in het kleed, waarin ik mij het meest mij zelve gevoele, en herinner u welk eene figuur ik in uwe oogen heb gemaakt!”
“Neen, dat rekent niet meê, gij hadt u toen zoo toegetakeld....”
“Als de guurheid van dit seizoen het eischte.”
“Al verbergt gij u nog zoo voor mij, Francis, ik heb toch al reeds te veel echt vrouwelijke kwaliteiten bij u waargenomen om mij te laten wijsmaken, dat gij juist in uwe amazone het meest op uw gemak zoudt zijn.”
“Als gij mij zoo kwelt, dringt gij mij tot de bekentenis, dat ik alles weggegeven heb, wat ik te missen had, in dien winter, dien ik alleen op de Werve doorbracht; eene arme officiersdochter, die als gouvernante in eene deftige familie moest optreden, en die geen voldoendetrousseaubijeen kon brengen, wendde zich tot mij, die zij rijk waande, om hulp. Ik kon geen geld missen; maar ik had toch wat te geven. Ik berekende dat ik hier al heel weinig kleedij noodig had, en behield niets dan eene enkele zijden japon als zondagskleed, en mijne baltoiletten, die haar evenmin te pas kwamen als mij, doch waar ik nog aan hechtte als souvenir. En nu, Leo! zijt gij ingewijd in ’t geheim mijner ledige garderobe. Oordeel nu zelf, wat ik in dezen voor u doen kan; gij zult toch niet van mij vergen, dat ik hier in danskostuum aan tafel zal verschijnen.”
“Hm! hm! wie weet waar ik u nog om plagen zal, als wij eens op de Werve feest vieren!”
“Men viert geen feest op de Werve, daartoe hebben we geene gelegenheid en geene aanleiding,” sprak zij wat knorrig en kortaf.
“Druk er niet te veel op, Francis!” plaagde ik, “gij kunt niet vooruit weten wat er nog gebeuren kan; ik ben een stijfkop, zooals gij zelve hebt gezegd, en een origineel op mijne wijze zoowel als gij; maar om te beginnen zal ik mij tevreden houden met dien zekeren zijden japon, die u goed zal staan, dat weet ik vooruit; mits gij wat werk maakt van dat prachtige haar en u de moeite geeft de eene of andere parure aan te doen!”
“Gij moet weten, Willem, dat ikà tout hasardde sieraden die zij bij Overberg te pand had gegeven, in mijne reistasch had gestoken; maar ik bemerkte wel dat zij nog vooreerst niet te pas zouden komen. Zij vloog op of eene wesp haar gestoken had; hare oogen fonkelden van toorn, en al kon ik hare trekken niet meer onderscheiden, ik ben zeker dat een gloed van verontwaardiging haar op het voorhoofd steeg, terwijl zij op heftigen toon uitviel:
“Ik heb geene parures meer: en ikwilze niet hebben, verstaat gij Jonker van Zonshoven! en dit zeg ik u: als ’t u schelen kan of wij vrienden blijven àl of niet, vervolg mij dan nooit weer met uwe zotte invallen. Ik mag wel eens railleeren; dat geeft wat zout aan de conversatie, maar het moet geen bijtend loog worden; en dit is kwetsende ironie, mij van mijne diamanten te spreken, terwijl ik bezig ben u te vertellen, dat ik alles aan mijne relatiën heb opgeofferd.” Ik begreep dat ik werkelijk eene pijnlijke wonde had aangeraakt. Ik had niet van diamanten gesproken, maar zij herdacht aan de hare die voor haar verloren waren, en zij betreurde ze, dat was zeker! Ik had te veel deernis met haar om met hare zwakheid mijn voordeel te doen en te toonen hoezeer zij zich verraden had; ik antwoordde koeltjes:
“Maar, beste freule Mordaunt! hoe kon ik dat raden? Al vertelt gij mij dat gij uwe garde-robe hebt geplunderd ten behoeve van een behoeftig jong meisje, dan volgt daaruit immers nog niet.... dat alles wat gij mij daar in één adem mededeelt.”
“Gij hebt gelijk; met u moet menles points sur les Izetten, zult gij verstaan, en ik was er aan bezig; maar gij hebt mij zelf van het droevig relaas afgebracht. Grootpapa dan, vond het zorgeloos en tegelijk weelderig leven bij zijn vriend te A. zeer naar zijn smaak en bleef er tot in het voorjaar; hij kwam tot mij terug, geheel genezen van zijne melancholie, maar toch, het bleek dat de kuur wat heel veel had gekost, meer dan hij eigenlijk gerechtigd was er voor te geven. Het leven onder rijken en aanzienlijken is duur, zelfs al geniet men de ruimste gastvrijheid. De generaalsuniform had hij zich niet behoeven aan te schaffen, daar hij nooit als zoodanig in werkelijken dienst was geweest, maar de kolonelstenue was beneden zijn rang, dus hadden wij moeten voorzien in allerlei politieke kleeding, voor ochtend en avond, voor groot en klein diner.... en dan, wat er aan handschoenen en fooien opgaat, als men met de groote wereld moet meedoen! Gij, die in de residentie woont, gij zult er alles van weten, Leo!”
“Zoo goed, beste Francis, dat ik mij eens voor al van uitgaan heb onthouden....”
“Grootpapa kon dat natuurlijk niet, en daarbij kwam dan nog het spel,” ging zij voort, terwijl zij hare stem nog dieper liet dalen, “het spel waarbij men in één winteravond onder gelach en gejuich sommen verliest, waarmee een gezin voor het gansche seizoen had kunnen onderhouden worden. Helaas! iets dergelijks was met hem gebeurd, zoodat hij keerde met bezwaren die.... oogenblikkelijk voorziening noodig hadden. Ik, die anders nog al raad wist, stond hem als eene verwezene aan te zien, bij die bekentenis. Hij zelf gevoelde veel leed over de zorg en ’t verdriet dat hij mij op den hals hadgehaald, en hij redde zich door de boerderij onder de hand te verkoopen, die ons echter, ik weet niet uit welke oorzaak, niet veel meer opbracht dan het effenen van de gemaakte schulden. En ik! die de stille hoop had gevoed, dat wij hier door zuinigheid en goed overleg wat zouden sparen om de noodige herstellingen aan ’t kasteel te laten doen. Och Leo!” zij drukte mij de hand in hare smartelijke gemoedsbeweging, “dit hoort onder de bitterste teleurstellingen van mijn somber leven. Vol zelfverwijt, en zich bewust dat hij te zwak was om zekere verzoekingen weerstand te bieden, zwoer hij alle verkeer met de wereld af, en hij heeft woord gehouden; maar welhaast verviel hij opnieuw tot de diepste neerslachtigheid, en ik vreesde dat hij van verdriet zou verkwijnen onder het régime dat ik hem moest opleggen, sinds hij mij bekende, dat hij maar twee derden van zijn pensioen in handen kreeg; op het overige was door een onbarmhartigen schuldeischer beslag gelegd. Toen kwam de man ons te hulp, die ik u niet meer behoef te noemen. Luitenant Rolf had zijn pensioen gekregen, en kwam zijn ouden chef opzoeken eer hij zich ergens voor goed vestigde. In de laatste jaren was hij door verandering van regiment van ons verwijderd geweest, maar hij was niet van ons vervreemd. Mijn grootvader had hem geprotegeerd en vele goede diensten gedaan, zonder welke hij nooit tot den officiersrang had kunnen bevorderd worden, ondanks zijne bravoure in den tiendaagschen veldtocht. Al vóór mijne geboorte bekleedde hij in ons huis alle mogelijke functiën die met zijne dienstplichten te vereenigen waren. Zijne zuster was mijne min, en meer, veel meer dan dat; zij bleef mij bij tot in lateren leeftijd, en daar mijne moeder weinige dagen na mijne geboorte bezweek, deed zij al wat in hare macht was om mij moederliefde en moederzorge te betoonen. Ongelukkig ontbrak het haar aan beschaving, aan geestkracht, om de opvoeding van een kind zooals ik was te leiden. Ook heeft zij met de beste intentiën ter wereld mij ridderlijkbedorven, daarin dapper geholpen door sergeant Rolf, die geen grooter pleizier had dan op mijne wenken te vliegen, en die eerder insubordinatie zou hebben begaan tegenover zijn kolonel, dan te weigeren iederen dollen inval van zijn ‘kleinen Majoor,’ zooals hij mij noemde, te gehoorzamen. Is het vreemd, dat ik nog tegen hem den despoot speel?”
“Neen! maar nu gij dat zelve toch zoo inziet....”
“Zou er betering kunnen zijn, meent gij, doch.... wat zal ik u zeggen;c’est plus fort que moi.... nu, hij heeft het er wel naar gemaakt om wat van mij te lijden.... In vollen ernst, zoo ik hem niet van tijd tot tijd op zijn voorman zette, zou het niet lang duren of hij zou ons naar zijne hand stellen, en het is juist daarop dat ik komen wilde.
Zijn bezoek was grootpapa eene welkome afleiding; nu tot kapiteinsrang geklommen, en niet meer in werkelijken dienst, evenals deze zelf, was de distantie genoegzaam weggevallen, om op zekeren voet van gelijkheid met elkaar om te gaan. Ik begreep hoezeer een derde persoon de gezelligheid zou aanbrengen; een persoon meer was zoo’n groot verschil niet bij onze nu eenvoudige leefwijze, een kamer in de dichte nabijheid van grootpapa’s appartement was licht te arrangeeren; als Rolf van zijn pensioen moest leven, kwam die schikking hem zeker te stade; wij sloegen het hem voor en het werd dadelijk aangenomen. Ik hernam mijn commandement over hem, zooals hij zich uitdrukte; hij trachtte zich nuttig te maken op iedere wijze, en zijne goede luim vervroolijkte den generaal, al waren zijn aardigheden noch frisch noch fijn van gestalte; genoeg, ik was tevreden met deze uitkomst: een winter die zich bezwaarlijk had laten aanzien, ging nu vrij rustig en zonder al te groote verveling om; daar kreeg Rolf de tijding, dat hem eene niet onbelangrijke erfenis te beurt was gevallen van een zijner Noord-Brabantsche verwanten. Na eene korte absentie keerde hij tot ons terug en stelde voor te blijven,mits hij zijn aandeel mocht bijdragen tot de menage. Hij was nu bemiddeld en kon geen genadebrood eten, zooals hij het noemde; integendeel, de generaal moest hem toestaan, zoo eens het zijne te doen ter veraangenaming van het leven. Dit scheen billijk, en ik moest wel toestemmen, daar ik wist hoezeer grootpapa, die een verfijnden smaak heeft en op zijne aisances gesteld is, zekere ontberingen met heimelijk leedgevoel droeg; ik gaf dus toe, dat Rolf op zijne eigene hand zekere luxe zou invoeren, maar ik had niet kunnen voorzien welke proportiën deze zucht om het zich goed te maken zoude aannemen. Rolf had nooit levensgenot gekend, en hij achtte nu zijn tijd gekomen om te genieten; de eenige genietingen waarvoor een man op zijn leeftijd, en die voor geenerlei intellectueel genot zin had, nog vatbaar was, waren die van de tong, en grootpapa was het in dezen volkomen met hem eens. Zoo zeer zelfs, dat hij hem in allerlei dwaze verkwistingen liet begaan, zonder zich daar tegen te stellen, ja, die aanmoedigde zooals gij gehoord hebt, zoodat ik hier dagelijks smulpartijen en zwelgerijen moet bijwonenà deux, die mij onuitsprekelijk tegenstaan; ik behoef u niet te zeggen, hoe mijn grootvader zich daarbij verlaagt en vernedert op eene wijze die....” Zij zweeg plotseling; de porte-brisée ging open; Frits, die de tafel had afgenomen in de eetzaal, trad nu binnen en zette de lamp klaar.
“Heeft de freule niet om het theeblad gescheld?” vroeg hij.
“Is het al zeven uur, Frits?”
“Kwartier er over, Freule, en de Generaal is wakker....”
“Goed, breng dan het theewater binnen!” Francis keek mij aan met een bitteren lach en beet zich op de lippen over de teleurstelling, dat zij voor ’t oogenblik hare ergernis moest inhouden. Welhaast ook kwam de kapitein binnenrukken; de conversatie aan de theetafel vlotte niet best; de heeren waren wat dof; Francis wat stug enonwillig om aan ’t gesprek deel te nemen, en de kapitein, op hare los neerhangende lokken wijzende, maakte de opmerking, dat de leeuwin hare manen schudde, om ons schrik aan te jagen.
“’t Is waar ook!” zei Francis koeltjes; “ik heb verzuimd mijne vlechten in het net te arrangeeren; excuseert mij, heeren!” en weg was zij naar hare kamer; zeker om er hare opgekropte aandoeningen lucht te geven.
“’t Is toch zonderling, hoe Francis soms hare buien heeft van nonchalance,” bromde de generaal binnensmonds, haar naziende, toen zij de kamer verliet.
“En juist nu er een gast is,” stemde de kapitein in, “dien zij zelve heeft ingehaald! Dat’s onbegrijpelijk!”
“Zij weet, dat het eene impolitesse is, en dat zij mij er mee ergert, en toch volgt zij haar eigen hoofd, zonder iets te ontzien,” knorde de generaal nu met luider stem.
“Zooals we dat van haar gewend zijn, Excellentie!” zei Rolf lachend; “maar daarvoor is zij ook onze commandant.”
Ik wilde met dat koor niet instemmen, zooals gij denken kunt, en toen men dit onderwerp in ’t gesprek liet vallen, zaten wij met ons drieën alles behalve gezellig bijeen, en de generaal had geen ongelijk, toen hij, na nog eene mislukte poging om het discours gaande te houden, een partijtje proponeerde.
Ik achtte het voorstel eene uitkomst, en de kapitein had hetfiche-doosje al klaar gezet en Frits gescheld, die het theegoed wegnam, eer ik mijne toestemming had gegeven. Er werd een massief mahoniehouten speeltafeltje uit een hoek gehaald, de lamp in ’t midden gezet, daar volgens Frits “de freule geene waskaarsen had uitgegeven,” en ons spel ving aan; het sprak vanzelf dat wij ombre speelden, en de generaal stelde den prijs van hetfichenog al hoog, naar ’t mij voorkwam.
Gij weet, Willem! dat ik volstrekt niet van het spel houd, en dat ik er mij nooit toe laat bewegen, dan op het uiterste. Sinds den dood mijner moeder, die mij nogwel eens in haar whistpartijtje betrok, had ik geene kaarten in handen gehad; ik kan mij dus niet beroemen een geoefend speler te zijn; maar toch eens aan den slag, ben ik niet onverschillig voor de satisfactie, die men heeft van eene moeielijk behaalde overwinning, en ik zag terstond dat ik tegenspelers had, die mij elke zegepraal duur zouden betwisten, en met iedere distractie of onhandigheid lustig hun voordeel zouden doen.
Ik behoefde hen maar een paar trekken te zien maken om te weten, dat zij niet slechts geoefende spelers waren, maar ook, dat het spel hun iets anders was dan de uitspanning, die men aangrijpt in een verlegen oogenblik; dat het spel hun ernst was, ja, meer nog dan dat: hun hartstocht was geworden. De generaal vooral bleek zoo gecharmeerd op het spel, dat ik mijns ondanks het mijne verwaarloosde om hem te observeeren, eene belangrijke, maar smartelijke studie, die mij tegelijk een licht deed opgaan over veel wat mij raadselachtig was geweest.
De grijsaard onderging als eene gedaanteverwisseling, toen hij de kaarten in handen had. Zijne doffe, slaperige oogen glansden van intelligentie en schoten vonken van geestdrift. Alles aan hem vibreerde; zijne vingertoppen trilden, en toch hielden zij met vaste hand zijn spel gevat, dat hij als met valkenblik overzag en er de leemte van het onze met geometrische zekerheid uit berekende. Zijne fletsche wangen kleurden zich met een flammend rood: zijne neusvleugels zwollen op en trokken zich in, naar de wisseling der kansen, en de zwakke, fijne man, die als gedrukt en gebogen neerzat, was plotseling als aangegrepen door een geest van overmoed en vermetelheid, van waaghalzerij, waaraan hij niet zelden een schitterend succes dankte, en die mij denken deed aan het devies: de fortuin is met den stoute, ook met den stouten speler!
“Zeer zeker!” luidde hetantwoordvan von Zwenken, “de fortuin is eene vrouw die men overheerschen moet, zal ze u dienen.”
In het gewone leven merkte ik niet, dat hij dezen regel in praktijk bracht: want blijkbaar vreesde hij Francis, daar hij zich alleen zijdelings durfde beklagen over ’t geen hem in haar mishaagde; maar bij het spel maakte hij dien tot waarheid, en met goed geluk.
De kapitein, die bij evenveel routine minder vermetelheid had, en vooral minder passie, liet niet na, hem van tijd tot tijd zijne waagstukken te verwijten, maar zij gelukten, en dat was zijn triomf.
Ik begreep nu waarom een toertje naar Wiesbaden hem zoo zeer aangelachen had en waarom Francis er zich zoo heftig tegen had verklaard. Het hazardspel aan de groene tafel, de groote winsten door eene enkele wending van het rad, moest zulk een man aantrekken en hij zou er meer voor willen wagen dan hij te missen had. Mij ging nu ook een nieuw licht op over het lijden van Francis, die zeker gedoemd was, elken avond de derde te zijn bij deze overprikkelende uitspanning van haar grootvader, en die dat zeker jammerlijke tijdverspilling achtte; want zij hield van lectuur, dat had ik reeds opgemerkt.
Gij kunt berekenen, Willem! dat ik onder deze aanmerkingen en bijgedachten niet altijd zoo scherp op mijn spel lette, of ik beging fouten enbévues, terwijl de heeren mij uitlachten en beknorden, maar niettemin hun voordeel deden met mijne distractiën en mijne inferioriteit, ’t geen ik hun niet ten kwade konde duiden, en de belangwekkende studie, die ik maakte, was mij dat verlies wel waard; dit alles spande mij zoo in, dat ik niet eens over de langdurige afwezigheid van Francis dacht, toen de deur openging en zij zelve binnentrad in groot toilet, en met een glimlach van voldoening mijn uitroep van verbazing, van bewondering, beantwoordend.
Onwillekeurig wierp ik mijn kaarten neer en stond op, haar te gemoet. De generaal, die rugwaarts naar de deur zat, keek mij verbaasd en wrevelig aan, niet radend, waaraan mijne onbeleefdheid toe te schrijven; de kapiteinzag om, en stiet eengros motuit van verrassing, eer hij sprak:
“Onze Majoor in gala tenu?”
“Gij vergist u, kapitein,” repliceerde Francis, “de freule Mordaunt die ter eere van haar neef haar avondtoilet heeft gemaakt.”
“Chère cousine, welk eene verrassing! Sta mij toe, u de hand te kussen voor die allerliefste inschikkelijkheid.”
“Wel zeker; behandel mij maar eens als eene dame, daarbij vindt uwe courtoisie zich het meest op haar gemak.”
“Als gij mij dat toestaat, zal ik mij de eer geven u naar de canapé te geleiden,” sprak ik, haar den arm aanbiedend, dien zij ditmaal niet afwees.
“Ik hoop nu maar, dat ik goed in mijne rol zal blijven,” zei ze met een malicieus lachje.
“Wat wonderlijke gril is dit nu weer?” bromde de Generaal, grimmig van spijt, want hij had juist een vole in de kleur te declareeren, waarop nu geen acht werd geslagen; “den geheelen dag hebt ge hier rondgeloopen als asschepoester, en nu....”
“Is de toovergodin tusschenbeide gekomen, en ik verschijn als prinses! Dat’s de geleidelijke gang van het sprookje, niet waar Leo?”
“En het fameuse glazen muiltje ontbreekt zeker niet,” gaf ik ten antwoord naar hare snoezige salonschoentjes ziende, die ik reeds vroeger had opgemerkt, “en ’t is blijkbaar, dat het niemand zal passen, dan onze gracieuze Cendrillon zelve.”
“Dat is zoo, maar zij zal zorgen het niet te verliezen.”
“Waarom niet?” vroeg ik stoutweg, haar diep in de oogen ziende.
“Omdat het ongeraden is den roman van een uur tot eene levenskwestie te maken voor u en voor mij,” gaf zij ten antwoord, terwijl zij zich afwendde.
Een levenskwestie! zij wist niet hoezeer zij de waarheid raakte.
“Als gij op zulk eene schrale ontknooping denkt, is het dan wel de moeite waard de eerste bladzijde op te slaan?” vroeg ik zacht en mij even tot haar buigende.
“Och, waarom niet? ’t is maar eene scène om den avond te korten, die anders geheel aan de speeltafel zou gesleten zijn.”
De speeltafel? Het viel mij in, dat ik die voor mijn part in staat van failliet had verlaten; de generaal liet mij niet lang tijd om over dit gebrek aan de orde na te denken.
“Dat alles moge nu heel galant en heel geestig zijn, neef! wat gij daar met Francis praat,” riep hij mij toe op knorrigen toon; “maar ’t is geen manier, om zoo van de speeltafel op te staan.”
“Excuseer mij, generaal, hier ben ik tot uwe orders,” en met een wenk aan Francis, die mijn leedwezen genoeg uitdrukte, nam ik mijne plaats weer in.
“Als de Freule nu mee wilde doen, konden wij precies een partijtje quadrille maken,” sprak Rolf.
“Dankje kapitein. Ik wil wel eens vrij van dienst wezen; bepaal liever toertjes; ik ga wat muziek maken in de eetzaal; dat zal niemand hinderen.”
Frits had de porte-brisée opgeschoven en er was licht bij de piano. Ik had een Vandaal moeten zijn, zoo ik niet opnieuw eene échappade van de speeltafel had gemaakt om Francis op te leiden. Zij had mij gewaarschuwd, dat onze roman maar kort zoude duren, en ik mocht geen scène van de voorstelling laten verloren gaan. Blijkbaar was zij dat met mij eens; de capricieuse, die voorgaf van alle coquetterie te hebben afgezien, kwam geheel in mijne bedoeling; zij liet zich door mij wegvoeren, en terwijl zij met zekere bevallige achteloosheid haar arm in den mijnen liet rusten, sprak zij op een toon van vertrouwelijkheid, die mij als echte damesgeveinsdheid in de ooren klonk:
“Gij ziet nu, hoezeer mijn toilet uit den smaak is.”
“Maar toch naar een zeer goeden smaak,” kon ikmij niet onthouden te antwoorden; “en dat weet gij wel, grillige Célimène, al wilt gij mij wijsmaken, dat de vrouw bij u onder gegaan is in....”
“Ik weet wat gij meent; spreek het niet uit,” viel zij met zekere gejaagdheid in, en leunde met hare hand op mijn arm om mij te doen zwijgen; “ik zeg u dat ik een oogenblik wil vergeten.... ben ik zoo naar uw zin, dat is alles wat ik wil weten.”
Een gul antwoord lag mij op de lippen, maar nog intijds hield ik het terug bij de overweging dat men met haar op niets rekenen kon en dat wijze terughouding in dezen noodzakelijk was.
“Ik zou wel moeielijk moeten zijn zoo ik het tegendeel zei,” bracht ik uit, mij zelven tot laconisme dwingende, “want gij hebt u waarlijk gekleed als voor een hofbal, op het decolleté na.”
Inderdaad, bij al de élégance van haar toilet, dat uit roze gaze de chambéry bestond, met schitterende zilverlovertjes bezaaid, was haar kleed maar even om den hals vierkant uitgesneden, en nog door eene witte blonde pelerine gedekt, terwijl de wijde mouwen tot over den elleboog hingen en daar weer in witte blonde eindigden, met rosestrikken bezet; een tweede rok van dezelfde luchtige schitterende stof hing in losse plooien als een peplum over den eersten en gaf wat gevuldheid aan het slepende gewaad, die niet door eene crinoline werd opgehouden. Zij had het prachtige haar met zorg gekapt in vlechten, en eenige loshangende lokken, een paar grisanticums die er losjes waren ingestoken, maakten de eenige parure uit; zij droeg geen enkelen diamant, hetzij zij werkelijk niets van dien aard meer bezat, hetzij ze zulken opschik versmaadde. Zeker is het, dat die mengeling van élégance en zedigheid, dat versmaden van sieraad bij zooveel pracht, een fijnen tact verrieden,—of de behendigste coquetterie. Bij vollen dag zou haar toilet zeker het effect hebben gemist: het rose moest wat verflenst zijn en de glimmende lovertjes waren stelligtot koper verkleurd; zelfs bij avond was het op te merken, dat er wat frischheid aan ontbrak, dat zekere met één woord, wat de nuffige dames doet zeggen dat een balkleed geen tweemaal gebruikt kan worden, omdat het reeds bij de eerste maal gechiffoneerd is, en hetgeen de heeren zulke lange gezichten doet trekken, bij de rekeningen der modiste. Bij daglicht zou Francis er gewis hebben uitgezien als eene actrice bij een repetitie in kostuum, zonder de voetlichten en als de zon op het tooneel schijnt; maar het was nu avond, en er was niet te veel licht, en men moest òf kwaden wil òf alleen zucht tot kritiek hebben, om niet voldaan te wezen met den eersten indruk, die allerbekoorlijkst was. Toch merkte ik nu op, juist nu zij voor ’t eerst in een elegant vrouwentoilet, voor mij stond, wat mij bij haar vroegere wonderlijke manier van zich te kleeden ontgaan was: dat hare schoonheid iets bijzonders karakteristieks had, zooals maar zelden bij blondines wordt waargenomen. Ik spreek van schoonheid, ik moest eigenlijk bevalligheid zeggen, want de trekken waren niet geregeld, maar zoo fijn en sprekend, dat ze, vooral bij zekere schraalheid van ’t gelaat, iets scherps hadden. Zoo de groote blauwe oogen het niet goed gemaakt hadden door hunne liefelijkheid, men zou er te veel vermetelheid, te veel beslistheid in hebben opgemerkt, maar dat toch weer vergoed werd door de bewegelijkheid die een opgewekte geest, voor allerlei indruk ontvankelijk, aan het vrouwelijk gelaat kan mededeelen. In hare slechte gewoonte om bij iedere aanleiding met opzet de houding en manieren aan te nemen die haar martialen bijnaam rechtvaardigden, al was die er niet van afkomstig, lag mogelijk meer dan in haar oorspronkelijken aanleg de schuld van die zekere stoutheid, die hare vijandelijkevriendinnenmet den naam van impertinentie bestempelden. Levensomstandigheden en opvoeding, men zou liever moeten zeggen: gebrek aan opvoeding hadden haar in zekeren zin misvormd tot hetgeen zij niet had moeten zijn; zooals vruchtboomenworden geleid en verwrongen tegen hunne natuurlijke richting in. Hoe dat ook zij, gij begrijpt wel, dat dit alles meer reflexies zijnaprès coup, toen ik ’s avonds rustig op mijne kamer de voorvallen en indrukken van den dag kon recapituleeren, dan dat ik ze maakte in de zeer korte oogenblikken, waarin dat onvergetelijk tooneeltje tusschen ons werd afgespeeld; en toch duurde het veel te lang, althans voor den generaal, die mij toeriep:
“Als gij bij de piano blijft, jonker Leopold, wees dan zoo goed het ons te zeggen, want uwe partij zoo in den steek te laten is toch wel wat al te onbeleefd.”
“Verschoon mij, generaal!” in een wip was ik weer op mijn post bij de speeltafel, na Francis een blik te hebben toegeworpen, waaruit zij mijn leedwezen moest verstaan.
“Als gij plan hebt om nog eens te deserteeren, moest gij liever verlof vragen,” sprak de kapitein lachende, “dan zullen wij u behoorlijk uw paspoort geven.”
Maar de aardigheid scheen niet in den smaak te vallen van den generaal, want ik zag dezen verbleeken bij het woord deserteeren, en hij wierp den armen Rolf een blik vol verwijt toe over zijne jovialiteit.
“Ik beloof den heeren, dat ik mijn best zal doen om mijne geheele aandacht bij het spel te bepalen,” antwoordde ik met meer goeden wil dan vast geloof in ’t volbrengen, want Francis speelde harerzijds een spel, dat mij vrij wat meer interesseerde dan de matadors van den generaal, die eensans prendrehad in de “favorite!”
Francis fantaseerde; het was een wilde, bonte fantasie, als had zij al de warrelingen harer strijdige indrukken en gedachten in tonen willen uitspreken; het was schril en onharmonisch, zooals het daar zeker in haar toeging, maar het bewees zekere meesterschap op het instrument.
Hoezeer men hare opvoeding ook mocht hebben verwaarloosd, aan leermeesters scheen het haar toch niet te hebben ontbroken. Want dat zij veel wist, veel had gelezen en onderscheidene talen machtig was, had ikreeds opgemerkt, en zij moest van een goed musicus geleerd hebben, dat zij bij machte was over de difficulteiten te zegevieren, die zij zich zelve schiep. Langzamerhand scheen het onweer in haar binnenste af te trekken bij de verluchting die zij zich gaf in die forsche, bijna woeste tonen, en begon zij zich in liefelijker melodieën te uiten, die van zachten weemoed getuigden en daartoe stemden.
“Als ze nog maar eens wat aardigs wilde spelen,” fluisterde de kapitein mij toe, “zoo’n marsch uit Robert le Diable of eens iets uit de Muette; in mijn jongen tijd moest ieder die gaan hooren, daar was nog wat aardigheid aan, maar....”
“Francis! om ’s Hemels wil, schei uit,of wijmoeten er uitscheiden,” riep nu de generaal als in wanhoop; “ondanks mijne hardhoorendheid, word ik er toch wee van. Is dat een getik en geklinkel! Eerst die akelige snijdende tonen, en nu dat sentimenteel gesuis en getril; de kapitein wordt er roesig van, en wat het ergste is, het geeft den jonker zulke distractie, dat hij allerlei flaters begaat, en zijn eigen, ja, ons beider spel bederft. Neen!mon cher, ik spreek niet te sterk,” zei hij, mij aanziende met zulk eensérieuxen zulk een wrevelig hoofdschudden, dat ik moeite had een glimlach te bedwingen toen hij voortging: “de kapitein heeft daareven eensans prendregewonnen, die hij hadmoetenverliezen, als gij u maar de moeite gegeven hadt op te letten, welke kleur ik uitspeelde.”
Ik moest het bekennen: ik beging fout op fout; het was voor mij geen spel meer; het was eene marteling.
Francis had het begrepen; zij kwam mij te hulp.
Zij staakte haar spel, voegde zich bij de speeltafel en sprak tot den generaal:
“Willen wij een compromis sluiten, grootpapa? Gij staat mij Leo af, om mij te accompagneeren; ik zal wat zingen, en gij continueert met den kapitein uw gewoon partijtje piquet.”
“Hm, hm, ik zou u dat genoegen willen doen, Francis, maar de jonker heeft zooveel verloren; hij dient toch in de gelegenheid gesteld te worden, om zijne revanche te nemen.”
“Gekheid! daar komt toch niets van, dat weet gij vooruit, grootpa!” duwde Francis hem toe, met zekere hardheid.
“Om de waarheid te zeggen, generaal, ik hecht er niet aan,” sprak ik, “als het mij gegund wordt, in dezen mijne opinie te zeggen; maar mijn heele doosje is leeg, laat ons afrekenen.”
“Afrekenen, onder ons, dat’s malligheid, dat zal niet gebeuren,” viel Francis in, met iets gedecideerds in stem en houding dat mij tegenstond.
“Alsikgewonnen had, zou ik er aan hechtenmijnewinsten te berekenen, Freule!” zei ik, tot haar gewend, op een toon, die haar ongepast voorkwam.
“Nu! gijlieden zult ook wel niet om een gulden het fiche hebben gespeeld,” hernam zij wat gedwongen, en trad een stap of wat terug.
Dat was waar, maar toch hoog genoeg, om mijn verlies bij guldens te berekenen. Ik reikte den kapitein een muntje toe en verzocht de zaak voor mij met den generaal en hem zelven in orde te maken. Francis zag dit aan met eene onbeschrijfelijke uitdrukking van misnoegen. Zij drukte de lippen opeen en werd gloeiend rood, om terstond weer te verbleeken; zij fronste onheilspellend de wenkbrauwen; zij trad opnieuw toe en strekte de hand uit om het papier aan Rolf te ontweldigen, maar ik wierp haar een blik toe, die haar van deze intentie deed afzien.
“Mij dacht, freule, dat gij reeds begrepen zoudt hebben hoe onwelvoegelijk in dezen uwe tusschenkomst is,” voegde ik haar toe op korten, strengen toon.
“Ook goed! mij is ’t wel, als gij geplunderd wilt worden!” viel zij uit en keerde zich af naar hare piano.
De roman van een uur, was al aan de ontknooping,en geen schitterende voorwaar! De generaal was onder dit alles merkwaardig om aan te zien. Hij zweeg; hij zweeg, waar alle convenances hem geboden hadden te spreken; hij zweeg, maar met eene uitdrukking van gelaat, met eene flikkering in het oog, die mij een pijnlijken blik gaven te werpen in zijn karakter. De man van opvoeding, van geboorte, die een eervollen rang in het leger had bekleed, was een speler, een speler niet slechts uit liefhebberij in het nietige spel, maar een speler, wien het om winst was te doen, op welke wijze ook verkregen, klein of groot, van wien ze hem ook toekwam; voor hem was ik eenarmeverwant, het deed er niets toe, hij had gewonnen! hij moest zijne winst opstrijken, de lage hartstocht moest zijne voldoening hebben!
Ik voelde wel hoe zeer het fier en onbaatzuchtig gemoed van Francis hieronder lijden moest, maar zij zelve had mij op hare wijze ontstemd. Zij had zich zoo meesterachtig aangesteld met over mij te beschikken als over iets, waarmee zij handelen kon naar welgevallen, dat ik het noodig vond haar te toonen, hoezeer zij zich in dezen in mij had vergist.
Ik volgde haar wel naar de eetzaal, maar ik stelde niet voor haar te accompagneeren, en zij, die er vast op rekende, dat haar wil te verstaan en te gehoorzamen voor mij hetzelfde moest zijn, vroeg het mij niet.
Eindelijk mij aanziende met zekere mengeling van spijt en laatdunkendheid: “Dus speelt gij niet?”
“Ja wel, op mijn tijd, als ik er toe gedisponeerd ben.”
“En dat zijt ge nu niet?” hernam zij op een toon, waaruit verrassing en gekrenktheid spraken.
“Juist nù niet!”
“O zoo!” bracht zij uit, keerde mij den rug toe en sloeg de toetsen zoo forsch aan, dat wij opnieuw wilde, stormachtige klanken moesten verduren.
Ik greep eene oude krant en wijdde daaraan geheel mijne opmerkzaamheid; daar liet zij de handen weerlusteloos in den schoot rusten, en nam den spiegel te baat om mij aan te zien, zonder dat ik het merkte, maar ik wilde haar die satisfactie niet geven, en wij fixeerden elkaar nu om strijd, of er niets beters in de wereld te doen viel.
Eindelijk preludeerde zij weer, zong het groote alt van Betly, uit deChâlet, en accompagneerde daarbij zich zelve. Zooals ik wel vermoed had, bezat zij een diepe, volle altstem, maar zij deed volstrekt niet haar best, om die te doen uitkomen; zij zong met tergende bravoure het refrein:
Liberté chérie,Seul bien de la vie,Règne toujours là!Tra la, la, tra la, la, la, la!Tant pis pour qui s’en fâchera!
Liberté chérie,Seul bien de la vie,Règne toujours là!Tra la, la, tra la, la, la, la!Tant pis pour qui s’en fâchera!
Liberté chérie,
Seul bien de la vie,
Règne toujours là!
Tra la, la, tra la, la, la, la!
Tant pis pour qui s’en fâchera!
Ik begreep heel goed waarom; ik wist, hoe haar te vergelden.
Ik wierp mijn krant weg, ging bij haar staan naast de piano en fluisterde haar in: “Denkt ge er wel aan hoe de aardige operette afloopt?”
“Heel goed! zooals dat altijd geschikt wordt in de komedie; maar in ’t werkelijke leven is het juist omgekeerd, en ik.... ik hecht aan de realiteit!”
Juist kwam Frits binnen, om het avondbrood klaar te zetten; er werd gelukkig niet gesoupeerd.
De beide heeren waren opgeruimd, de kapitein was luidruchtig en op zijne wijze aardig, al waren zijne aardigheden juist niet van den besten smaak; ik trachtte met hem in te stemmen, al ging het niet van harte, want Francis bleef droog en kortaf tegen ons allen, en toonde mij haar humeur, zelfs nog in de wijze, waarop zij mij even hare vingertoppen toestak, toen wij elkaar goedennacht wenschten.