IX.Simon had de vergadering niet bijgewoond. Sedert eenigen tijd had hij bespeurd, dat de goden hem niet, als vroeger, welgezind waren en ging hij om met het denkbeeld dat hem eene groote, onafwendbare ramp boven het hoofd hing. Het was begonnen op zijn huwelijksdag, toen de fakkels van den bruiloftsstoet door den wind gebluscht waren. Het was sedert altijd voortgegaan, telkens een schaduw werpend op zijn huwelijksleven, hem herinnerend aan hetgeen hij zoo gaarne vergeten wilde. Dan eens was het een vreemde, zwarte hond, die onverwachts zijne woning binnenliep; of een balk, die zonder merkbare aanleiding kraakte; of een met wijn gevulde beker, die plotseling werd omgeworpen. Het scheen als wilde de godheid hem zelf allen zweem van twijfel ontnemen en hem overstelpen met de zekerheid van hare ongenade. Simon verborg zooveel mogelijk de groote droefenis, welke zich bij het waarnemen van al die veege teekenen over hem uitstortte en beijverde zich Demetriate vrijwaren voor alle invloeden, die de aanstaande geboorte van hun kind zouden kunnen schaden, al was hij ook overtuigd dat hijzelf die geboorte niet zou beleven.Het gesprek, kort na zijn huwelijk met zijne vrouw gehouden, had goede vruchten gedragen. Van dat oogenblik af, had het werktuigelijke hetwelk de meeste Atheensche vrouwen in de behartiging der huishoudelijke zaken kenmerkte, bij Demetria plaats gemaakt voor eene vreugdevolle toewijding. In den aanvang hokte er hier en daar wel eens iets; het koorn werd niet steeds dadelijk op de droogste, de wijn op de koelste plaats van het huis in bewaring gebracht; het gebeurde wel eens dat een slaaf en slavin vertrouwelijker omgang hadden dan in het belang eener welvoegelijke dienstvervulling wenschelijk was; het kwam voor dat Simon iets verlangde wat zich niet in huis bevond en er toch behoorde te wezen. En Demetria, juist omdat zij er op gesteld was alles goed te doen, voelde zich alsdan diep ongelukkig; zij bloosde van verlegenheid en vreesde telkens dat Simon haar geheel ongeschiktzou achten voor de eervolle taak, die hij haar had opgedragen. Simon had de grootste moeite haar bij zulke gelegenheden te troosten en te verzekeren, dat de wijsheid eerst met de ondervinding komt en ook de jongeling meermalen faalt alvorens hij de mannelijke plichten naar behooren weet te vervullen.Demetria ontving vaak bezoeken van vriendinnen welke kwamen uitvisschen, of zij met goed gevolg vóór den eersten huwelijksnacht den door Solon voorgeschreven appel had genuttigd, die de zekerheid moest verschaffen dat het huwelijk niet onvruchtbaar zou blijven. Met verbazing vernamen deze de wijze waarop Simon het huwelijksleven opvatte. Inwendig waren ze verschrikkelijk jaloersch, doch tegenover elkander veinsden zij den man te beklagen, die op zoo onverantwoordelijke wijze van alle gezag in huis afstand deed. «Dat wordt een huishouden als van Alkinoös, den Phaiaken-koning. Ge weet wel, toen Odysseus op Scheria geland was, zeide Athene tot hem dat hij vooral zich eerst moest wenden tot de koningin Arete; Alkinoös kwam er minder op aan. Maar zooiets behoort toch eigenlijk niet aldus te wezen.»Simon en Demetria oordeelden het aldus uitstekend en te grooter was dan ook het gevoel van weemoed hetwelk eerstgenoemde vervulde nu hij voorzag, dat zijn geluk van zoo korten duur zou wezen. Hij had reeds gepoogd zich omtrent de gezindheid der goden zekerheid te verschaffen; in voorteekenen toch kon men zich vergissen en er waren zelfs lieden, die er minder aan hechtten, maar de ondervinding bij een offer opgedaan was betrouwbaarder. En zoo had hij voor eenige dagen zich opgemaakt om een offer te brengen aan den oppergod, hopende dat Zeus het in genade mocht aannemen, al had hij dan ook wellicht onwetend iets misdaan. Doch terwijl men naar het altaar schreed, was hij gestruikeld en de krans hem van het hoofd gevallen; van dat oogenblik af werd het offer nutteloos, daar het toch door de godheid niet aanvaard zou worden. Nog had hij eene laatste uitkomst gezocht en besloten zijne toevlucht te nemen tot de mantiek, berustend op het beginsel dat de goden bewustheid bezitten omtrent de toekomsten genegen zijn desgevraagd den twijfel der hulpelooze stervelingen op te lossen. En zoo was het geschied dat hij op den dag der volksvergadering zich buiten Athene had begeven, overtuigd van alsdan in zijne raadpleging niet gestoord te zullen worden. Hij had, in noordwestelijke richting gaande, den loop des Kephissos eenigen tijd gevolgd tot hij, het olijvenwoud aan den oever verlatend, eene kleine, licht glooiende vlakte had bereikt. Daar had hij zich nedergezet, met het gelaat naar het Noorden, zoodat hem het gunstige Oosten ter rechter-, het ongunstige Westen ter linkerzijde was gelegen. Hij had bij zichzelf uitgemaakt dat de vogelvlucht hem de gewenschte zekerheid zou verschaffen; de richting, door deze gevolgd, zou hem het begeerde uitsluitsel geven. En zoo zat hij daar, vóór zich starend in neerslachtige afwachting, vreezend wat komen zou, hopend, in den aanvang althans, dat zich geen vogel zou vertoonen; dat was wel niet een gunstige beschikking maar toch ook geen bepaald ongunstige en liet nog eene kleine plaats open voor de hoop, die, naar hijzelf op hetfeest van Pheidippides had betoogd, den stervelingen blijft schoon al het andere hun ontging. Doch, naarmate hij langer wachtte en toen geen vogel verscheen, ging hij anders denken. Neen! nog liever een ongunstig teeken dan in het geheel geen. In het laatste geval toch duurde de twijfel, die hem reeds zoo lang pijnigde, alweder voort; hij gaf de voorkeur aan eindelijke zekerheid, zij het dan ook....Daar hoorde hij achter zich, in het olijvenwoud, geritsel. Hij zag om en bespeurde een lijster, die met kleine pasjes uit het bosch trippelde, hier en daar een insect van den grond pikkend. Beiden, de man en de vogel, bemerkten elkander in hetzelfde oogenblik en beiden schrikten van elkander, de man wellicht het meest. De lijster sloeg de vleugels uit en nam zijn vaart, snorrend vlak langs Simons gelaat, in ongunstige richting, van links naar rechts.Terwijl Simon niet ver van den Kephissos gezeten was en in Athene het bloedige drama, zoo straks verhaald, werd afgespeeld, bevond Demetria zich alleen in het vrouwenvertrekharer woning. Zij had met een gebaar dat haar in den laatsten tijd eigen was geworden, de handen over den schoot gevouwen en was verzonken in gepeinzen over de toekomst. Maar die toekomst lag voor haar slechts weinige maanden verder en de ééne, groote gebeurtenis, die te wachten stond, hield al hare gedachten bezig. Zou dan ter deure worden uitgestoken een strook wol, het teeken, in verband met de huiselijke bemoeiing der vrouw, dat een meisje was geboren? Of wel zou het de olijftak wezen, symbool van het toekomstig optreden des mans in het burgerlijk leven? Zij hoopte bijna het eerste; zij voelde zich zóó zalig in haar rustig geluk als zij zich niet kon voorstellen dat een man, met al zijne bezigheden en beslommeringen, ooit zou kunnen wezen. Doch, aan den anderen kant, zou hare dochter immer een echtgenoot kunnen vinden gelijk Simon en niet hoogst waarschijnlijk een leven te gemoet gaan als de meeste Atheensche vrouwen? Dan moest het liever een jongen wezen; zij zou hem met Simon opvoeden tot een godvreezend en flink man; zij zouden hemsteeds voorhouden wat Glaukos in de Ilias zegt, dat zijn vader hèm bij zijn vertrek naar Troje heeft ingescherpt:Altijd de eerste te zijn, uitstekende boven de andren.Simon had haar dat voorgelezen en toen had ze dadelijk het vers in haar geheugen geprent; dát was een mooie zinspreuk om een jongeling op zijn levensweg mede te geven. En zij moest glimlachen, bespeurende hoe de nog niet geboren knaap, die misschien een meisje zou wezen, in hare verbeelding reeds jongeling geworden was! Zij stelde zich toen weder het pasgeboren kind voor, hoe het kort na de geboorte om den met kransen en loof versierden haard werd rondgedragen en hoe het op den tienden dag een naam ontving, waarbij een groot feest gehouden en geofferd werd aan de godheden wien meer bijzonder der kinderen opvoeding en verpleging ter harte gingen. Op dat feest brachten de gasten allerlei geschenken voor den jonggeborene mede: gouden ringetjes, halve maantjes, zwaardjes, zilveren kettinkjes, klappertjes en kokertjes, met een bijzonder soort zaadkorrels gevuld tot afwering vantoovermiddelen en bezweringen. Zij zelve had die kleine zaakjes altijd zorgvuldig bewaard en was er steeds erg aan gehecht geweest. En toen ze als jong meisje voor een paar jaar door die zware ziekte was bezocht en reeds den zwarten sluier had aanschouwd, dien de dood haar voorhield, had zij gevraagd dat al die dingetjes, met haar poppen, in een mandje, door een platten steen bedekt, op haar graf zouden geplaatst worden en dat men om dat mandje een akanthos zou leiden; die zou dan mandje en steen met zijn gebladerte omwelven en, naar ze stellig meende, zou dat geheel een bekoorlijken aanblik opleveren. Zij wist niet hoe het kwam, maar zij had in dat tijdvak, nacht op nacht slapeloos terneder liggend, altijd aan dat mandje en dien akanthos gedacht en zich langzamerhand eene volkomen duidelijke voorstelling van het geheel gemaakt: omgebogen bladeren van verschillende hoogte zouden het voor het oog verscholen mandje omgeven, terwijl een dier bladeren, krachtiger dan de overige zich verheffend, op het midden van den deksteen als bloem zou ontluiken.Aan den beeldhouwer Rhoikos had zij later die voorstelling medegedeeld; hij had met belangstellende verbazing hare beschrijving aangehoord en opgetogen uitgeroepen: «Maar kind! hoe komt ge daaraan? Dat is een uitstekend motief voor een nieuwen kapiteelvorm!» Dat alles herinnerde zij zich terwijl ze daar in haar kalme lichamelijke en geestelijke rust zat te peinzen en plotseling, naarmate al die beelden uit vervlogen dagen voor haren geest verrezen, herinnerde zij zich tevens iets dat zij meende reeds lang vergeten te zijn: het grafschrift, door haar vriendinnetje Erinna gedurende hare ziekte vervaardigd. Ja! zóó was het; en half overluid, langzaam, droomerig, herhaalde zij de verzen, één voor één weder opdoemend uit den nevel, die ze bedekte:Zuilen die rijst op mijn graf en marmren Sirenen daarboven;Doodsurn, gij die bedekt wat van mijn assche nog rest,Brengt mijnen groet aan den wandlaar die hier aan deez’ heuvel voorbijgaat,’t Zij hij Athener zich prijst, ’t zij hij als vreemdeling naakt.Zegt hem ook dat deze tombe een doode maagd houdt omvangen,Die zoo ongaarne verliet ’t stralende licht van de zon;Zegt hem dat men mij noemde Demetria; zegt dat ErinnaOp haar speelnootjes graf jammrend deez’ letteren schreef.Een geruisch deed haar omzien. Simon trad binnen. In Athene teruggekeerd, had hij den moord der Perzische gezanten vernomen en de overtuiging ontvangen, dat de thans onvermijdelijk geworden oorlog zijn doodvonnis zou wezen. Doch, met ijzeren wil, was hij er in geslaagd zich boven de omstandigheden te verheffen. «Wanneer ik het leven laat,» had hij tot zichzelf gesproken, «zal dat leven hebben kunnen strekken tot verdediging des vaderlands. En het vaderland staat boven het huisgezin; het welzijn van den staat boven dat van den enkelen mensch. Wat zijn wij, rampzalige stervelingen? Als de bladeren, die afvallen en verdorren, zijn de kinderen der menschen; spraak- en gevoelloos dwalen de schimmen der afgestorvenen rond, tenzij er een Odysseus verschijne, die haar voor eene korte pooze het bewustzijn weet te schenken. Het ware den mensch beter, aan hetgeen voorbijgaat zijn hart niet te hechten.»Doch toen hij Demetria aanschouwde, kwamen de laatste woorden hem toch minder juist voor, dan toen hij ze zoo even in de eenzaamheid had geuit.X.Het kamp der Atheners was opgeslagen ten zuidwesten van het vlek Marathon, tegen de hellingen van den Pentelikos. Miltiades, die, tot strateeg gekozen, van den aanvang af, hoezeer het commando tusschen hem en de negen andere strategen dagelijks afwisselde, door een ieder als de ziel der nationale verdediging beschouwd was, had besloten zich geenszins tot de verdediging van Athene te bepalen; hij vreesde de woelingen der Perzischgezinde partij, die elders reeds Eretria in handen des vijands gespeeld had. En zoo was men uitgerukt, zonder bepaald plan, vrij overhaast, want nauwelijks waren de strategen benoemd of Attische burgers, van Chalkis vluchtend, hadden vol ontzetting de nadering der Perzen aangekondigd. Eene bezetting was in Atheneachtergelaten, zoodat het veldleger niet meer bedroeg dan negenduizend hopliten, zwaargewapende voetknechten, en duizend slaven, die als schilddragers en lichtgewapenden dienst konden doen. Op marsch had men vernomen, dat de Perzen voornemens waren te landen in de baai van Marathon, welks vlakte, met eene lengte van negentien op eene breedte van drie kilometer, een uitstekend terrein aanbood voor hunne ruiterij, alleen reeds even sterk als de Atheensche troepen, en vanwaar Hippias den vijand zonder bezwaar naar Athene meende te kunnen leiden. Van dat oogenblik lag het voor de hand eene positie in te nemen, die den heerweg naar de hoofdstad dekte en de Atheensche bevelhebbers in staat stelde de gansche vlakte met het oog te beheerschen en iedere beweging des vijands gade te slaan. De positie was trouwens uitstekend gekozen en door de rotsachtige gesteldheid van het terrein benevens de aangelegde schanswerken zeer gemakkelijk ook tegen eene groote overmacht te verdedigen.Het was de zestiende der maand Metageitnion1.Reeds verscheidene dagen hadden beide legers tegenover elkander gestaan, de Atheners langzamerhand aan den aanblik der Perzen gewennend, deze laatsten, naar men meende, overleggend, hoe de geduchte positie en daarmede den weg naar Athene te forceeren. Een duizendtal Plataiërs hadden zich nog bij Miltiades gevoegd, zoodat de Helleensche strijdkrachten juist één tiende van die des vijands bedroegen. Maar voor een viertal dagen had Miltiades zich tot zijne troepen gewend en gevraagd, wie bereid was onmiddellijk naar Sparta te vertrekken ten einde aldaar, met uiteenzetting van den stand der zaken, nogmaals uitdrukkelijk op het zenden van spoedige en krachtige hulp aan te dringen. Tal van mannen hadden zich aangeboden, zoodat het lot moest beslissen en dit had Pheidippides, Simons zwager, aangewezen, die kort geleden zijn twintigsten verjaardag had gevierd en dus bij het veldleger ingedeeld was. Pheidippides gevoelde zich zeer gelukkig,al dadelijk het vaderland een gewichtigen dienst te kunnen bewijzen en had zich onmiddellijk op weg begeven, de beenen reppend met nog meer toewijding dan ten vorigen jare bij de Panathenaiën. De gesteldheid van het terrein maakte het gebruik van een paard onmogelijk; de weg moest te voet worden afgelegd.Simon bevond zich des morgens in gezelschap van den reusachtigen Kynaigeiros vóór de van paalwerk opgetrokken en met loof bedekte hut, welke hij met Pheidippides deelde. Naast hen stond een boer uit Marathon, bezig te verhalen hoe hij in den omtrek van het Perzische kamp een dareikos gevonden had. En hij toonde, met een tevreden gelaat, den dareikos aan de beide mannen: een fraai goudstuk met het beeld van koning Dareios aan de eene, dat van een boogschutter, op ééne knie neergebogen, aan de andere zijde. De boer was opgetogen over de rijke kleeding der Perzen, over hun fraaie paarden en had veel te vertellen van de zonderlinge volksstammen, die met hen medetrokken en hij sprak zoo veel en zoo lang, dat Simon vanverlangen begon te branden dat alles ook eens van nabij te aanschouwen en met eigen oogen te zien.«Ik heb lust,» zeide hij tot Kynaigeiros,«aan Stesilaos»—den strateeg, dien dag met het commando belast—«vergunning te vragen het Perzische kamp te verspieden. De begroeide heuvels rondom maken het gemakkelijk den vijand tot op een kleinen afstand onbemerkt te naderen.»Kynaigeiros raadde het af: «Bedenk dat ge een volk van barbaren over u hebt, onbetrouwbaar en wreed; een volk dat Eretria tot den grond afgebrand en alle inwoners, vriend en vijand, in slavernij weggevoerd heeft.»«Kunnen wij Atheners, die hunne gezanten vermoordden, een rechtmatig verwijt tot hen richten? Athene heeft den naam vaak ondoordachte handelingen te verrichten, die echter door de goden telkenmale ten goede worden geleid. Moge dit wederom geschieden in het beslissend uur dat nadert.»Op dat oogenblik vernam hij een ontevreden gebrom en omziende bespeurde hij Labes, denMolossischen hond van Pheidippides, die het leger gevolgd en gedurende zijns meesters afwezigheid aan Simons zorgen toevertrouwd was, uit de hut treden. Het kolossale dier was blijkbaar niet in zijn humeur; zonder op Simon te letten liep het door naar het schanswerk dat het kamp daar ter plaatse omgaf, zette er de voorpooten tegen zoodat het in de vlakte kon zien en liet een luid geblaf hooren. Simon volgde den blik des honds en bemerkte weldra de oorzaak van diens ontstemming. Sedert eenige dagen verscheen keer op keer voor de legerplaats een fraaie windhond uit het Perzische leger, van Egyptisch ras, met lange, rechtopstaande ooren, zooals men ze op de oude Egyptische monumenten en onder den naam vansloughiin onveranderde gedaante in het huidige Egypte aantreft. Dit dier nu, langzamerhand door het toewerpen van voedsel vertrouwelijk gemaakt, had zich ook heden in de nabijheid gewaagd en daarmede de groote ontevredenheid van Labes opgewekt, wiens zware stem in steeds dieper bastonen begon te weerklinken. En die houdingdes honds bracht Simon op een denkbeeld, dat hij ijlings uitvoerde.«St! Labes!» zeide hij, het dier aanhitsend, en Labes, wiens booze luim weinig aansporing noodig had, vloog over de verschansing en op den vreemden hond aan. Deze was zoozeer verdiept in de kennismaking met het been, hem juist door een hopliet toegeworpen, dat hij ook in verband met het uit het kamp opstijgende geruisch de komst zijns natuurgenoots niet bemerkte vóór deze hem in den nek gevat en gevoelig geknauwd had. Met een verbaasd gejank liet hij zijn been in den steek en nam zijn onverwachten vijand met een toornigen blik op; doch diens geweldige gestalte ontwarend en zichzelf blijkbaar meer voor de lange jacht op gazellen dan voor een tweegevecht berekend achtend, maakte hij ijlings rechtsomkeert en verdween in de richting van het Perzische kamp, slechts korten tijd achtervolgd door Labes, die weldra zijn eigen minderheid op het gebied van den wedloop moest erkennen en tevreden met de behaalde overwinning kwispelstaartend terugkeerde.Van den uitslag van dit gevecht had Simon het afhankelijk gemaakt of hij aan zijn voornemen gevolg zou geven, dan wel niet. Nu de victorie aan Helleensche zijde gebleven was, meende hij daarin een wenk te zien om in eerstgenoemden zin te handelen. Bevorens nam hij uit den nauwhalzigen korf, waarin de hopliet zijne levensmiddelen bewaarde, een stuk gezouten vleesch en een paar olijven, ten einde niet met ledige maag den tocht te ondernemen. Hij bood Kynaigeiros aan, den maaltijd te deelen, maar deze weigerde en reciteerde, op zijn zware lans leunend, de verzen van Kallinos:In mijn lanspunt bevindt zich mijn gerstebrood; ’k heb in mijn lanspuntIsmaros’ wijn en ik drink als ik mijn lans slechts bezit.Simon at derhalve alleen en begaf zich na verlof van den bevelvoerenden strateeg op weg, ten einde zoo mogelijk iets naders omtrent het Perzische leger te weten te komen. Een groote mate van rustigen moed vervulde sinds eenige dagen hem en zijne medekrijgers; een machtig vertrouwen op den triomf der grootenationale zaak, op den bijstand der goden en niet het minst van Pallas Athene, die reeds zoo vaak had getoond hoezeer zij der onder hare hoede staande stad genegen was. De zenuwachtige spanning, die maanden achtereen in Athene geheerscht en een uitweg gezocht had in den moord der gezanten, was geheel verdwenen zoodra de oorlog vaststond en men zich in het veld bevond, buiten den invloed der partijen, overtuigd dat men geen enkelen verrader in zijne rijen telde. Wel is waar hadden de meeste Helleensche steden uit vrees of kwaadwilligheid de Perzische zijde gekozen, doch Sparta had hulp toegezegd. En Sparta alléén gold voor velen. Simon herinnerde zich hoe hij door een ooggetuige den aanval had hooren beschrijven der Spartaansche phalanx. Met afgemeten passen, op de maat van het fluitspel en onder het zingen van een marschlied, rukten de gelederen op den vijand los, de hopliten vooraan, daarachter de heloten, die over de eerste rijen steenen en speren te midden der vijanden slingerden en dezen bij het vooruitdringen met knotsslagen afmaakten.De krijgsman, in den purperen mantel gehuld en het hoofd bekranst, geheel achter het geweldige schild verborgen, stootte, de tanden op de lip, met zwaard of lans er op los en week nooit van de zijde des nevenmans. Zóó had Simon een aanval der Spartanen hooren schilderen en hij hoopte van harte er weldra zelf getuige van te kunnen zijn. Wanneer zij zich onmiddellijk na de aankomst van Pheidippides op weg hadden begeven, waaraan hij niet twijfelde, konden zij over een paar dagen het kamp bereiken.Aldus peinzende stapte hij voort door de eikenbosschen waarmede de uitloopers van den Pentelikos, die zich in het zuidelijk gedeelte der vlakte glooiend tot aan de zee uitstrekten, bedekt waren; lichtgewapend, slechts met helm en zwaard. De eerste was niet meer zoo fraai als toen Demetria dien op zijn hoofd had geplaatst, prachtig gepoetst en gepolijst. Maar hij paste uitstekend en was niet zwaar, van het gewone soort, met beugel en beweegbare wangstukken, heel wat anders dan de helm van Pheidippides, die weer watbijzonders had moeten hebben en zich een Korinthisch model aangeschaft had, het geheele gelaat bedekkend, het bovenste gedeelte zelf een aangezicht verbeeldend, met een vuurrood geverfden paardestaart op den kam en allerlei mythologische voorstellingen in verhooging op de vlakken, erg mooi, maar zeer lastig in het gebruik. Zoo was Pheidippides altijd; hij kocht telkens dure zaken, die hem al heel spoedig verveelden. En hij herdacht hoe hij Pheidippides het eerst had aanschouwd, hardloopend op het feest der godin, terwijl hij op het oogenblik eveneens aan het hardloopen was in dienst van het vaderland, op zijn terugtocht, in Megaris waarschijnlijk of even in Attika. Hij herdacht verder, met een tintje van weemoed, hoe Demetria zich voor eenigen tijd op eens was gaan blanketten, in de vaste overtuiging, daar al hare vriendinnen het deden, dat het heel mooi stond en erg in zijn smaak zou vallen. Doch hij had er niets van willen weten. «Mijn liefste Demetria,» had hij gezegd, «wanneer ge me vroegt hoedanig de toestandvan ons vermogen is en ik legde u een volkomen leugenachtigen staat daarvan over, zoudt ge dan tevreden zijn?» «Voorzeker niet.» «En gelooft ge dan datiktevreden ben, nu ik eene Demetria aanschouw, geheel anders dan zij in werkelijkheid is? Toon ik niet genoegzaam dat ook de omhelzingen eener ongeverfde Demetria mij voldoende behagen? En mocht u dat anders toeschijnen, meent ge dat ge uwen echtgenoot met dien valschen schijn zoudt kunnen bedriegen?» Sedert had hij de blanketdoos niet meer gezien. Toen was, kort geleden, het scheidensuur gekomen, nadat ze hem zelf zijne uitrusting en wapenen had aangelegd: helm en lederen kolder met beweegbare schouderstukken, eng sluitend en beneden den gordel, waaraan het zwaard hing, in eene dubbele rij strooken uitloopend; de armen halverwege ontbloot; de beenen bedekt door metalen platen, van boven de knie tot den enkel reikend; over den rechter schouder een tweede gordel, waaraan het ronde schild, met een gedreven uil prijkend, was opgehangen. Zoo had hij voor haar gestaan, met de veertienvoet lange lans in de hand en ze had den moed gevonden hem toe te lachen door haar tranen heen. En met fierheid herdacht hij het woord dat zij gesproken had bij het afscheid, het woord, een Helleensche vrouw waardig, doch dat weinig Helleensche vrouwen zouden gevonden hebben. Hij had op zijn zwaard wijzend gezegd: «Het is wat kort, vergeleken bij de Perzische kromme sabels.» En zij had geantwoord: «Dan hebt ge slechts een stap meer voorwaarts te doen.» Ja! hij had goed gezien op het feest der Panathenaien; dat zestienjarige meisje met die rosbruine krulletjes was een goede, moedige vrouw geworden.Sedert eenigen tijd ving zijn oor een steeds aanzettend en verward gegons op. Het was de samensmelting der tallooze geluiden, die uit het vijandelijke kamp opstegen: commando’s van bevelhebbers, soldatenliederen, paardengehinnik, wapengekletter en honderd andere. Hij had, al peinzend, zijn doel niet uit het oog verloren en nam zijne richting langzamerhand zuidwaarts, wel zorg dragend zich binnen den boschrand te houden en behoedzamerloopend naarmate hij zijne bestemming naderde. De boomen werden trouwens kleiner en schaarscher; de eiken hadden plaats gemaakt voor struikgewas en hij voelde hoe de rotsgrond der heuvels langzamerhand door een drassiger bodem werd vervangen. Het bevreemdde hem; hij meende dat alleen de noordoosthoek moerassig was. «Hoe komt,» dacht hij, «Hippias, die Attika en de vlakte van Marathon zoo goed kent, er toe de Perzen hier positie te doen nemen? Het terrein moge geschikt zijn voor de ruiterij, maar bij eene nederlaag, met de zee van achteren en moerassen terzijde, komt er van het leger niet veel terecht.» Hij was thans dicht bij den vijand en als er geen struiken tusschen hen hadden gestaan, zou hij het kamp bespeurd hebben; uit de ineenvloeiing van klanken, die tot hem opsteeg, begonnen zich reeds enkele in zijn nabijheid af te scheiden: schetterende tonen eener barbaarsche muziek, van den een of anderen half wilden volksstam, uitdagend voor een oogenblik de lucht in sprankelend en plotseling verstommend; daarna een getrappel van paarden, die voortgeleidwerden, met het geschreeuw der geleiders er tusschen, in onbekende neusgeluiden. Hij liet zich neder op handen en voeten, omzichtig verder kruipend, toen hem bliksemsnel iets voorbij de oogen vloog en hij schier in hetzelfde oogenblik half geworgd ter aarde lag. Simon, de zoon van Panaitios, was door eenige onbereden Sagartische ruiters, die uit fourageeren waren en wier nadering hij door de weekheid van het terrein niet bespeurd had, met hun nationaal werptuig, den lazzo, gestrikt.111 September 490 v. C.XI.Simon was gebracht naar het hoofdkwartier, de tent van Datis, een Meder, die met den jongeren Artaphernes, zoon van den stadhouder te Sardes, het opperbevel voerde. Hij had heel wat bekijks gehad op zijn tocht door het kamp en zelf een uitstekend gedeeltelijk overzicht van het Perzische leger ontvangen, al was het dan ook juist niet op de door hem gewenschte wijze. Woeste horden was hij voorbijgegaan, in schier primitieven natuurstaat,alleen met een lijfdoek om de heupen of wel de eene helft van het lichaam met vermiljoen, het andere met krijt geverfd, gewapend met vuursteenpuntige of slechts in het vuur geharde lansen, het hoofd bedekt met een ongelooide paardehuid, de ooren steil omhoog, de manen langs den rug fladderend. Perzische keurtroepen met tulband, schubbenpantser, wapenrok met halve mouwen, wijde, lange broek, korte werpspiets van kornoeljehout, dolk, boog en koker benevens het omvangrijk, puntig uitloopend teenen schild dat tijdens het gevecht rechtop in de aarde werd geplaatst ten einde den schutter de gelegenheid te geven gedekt zijn pijlen af te schieten. En daarnaast de tallooze meer of min beschaafde volksstammen van het onmetelijke rijk, dat zich seder Kambyses over twee werelddeelen uitstrekte: Egyptenaren met wit linnen kolders, draagbanden over de schouders, armen en beenen half ontbloot, met houten knuppels, van ijzeren knoppen voorzien, gewapend; Sarangers met wapenrokken in schreeuwende kleuren en laarzen tot aan deknie; Ethiopiërs in leeuwen- en panterhuiden gedost, gewapend met bogen van twee meter lengte; Arabieren in wijde, tot op de voeten afhangende en om de heupen gegorde japonnen, in deftige waardigheid naast hunne dromedarissen gezeten. Hier en daar wapperde een banier met de Perzische kleuren, blauw, rood en goud. En het trof Simon dat zich behalve de eigenlijke krijgslieden zoo verbazend veel personen in het kamp bevonden, die naar zijne opvatting van den oorlog beter tehuis gebleven waren: leger- en trosknechten, veel meer dan noodig scheen; vrouwen en kinderen en lichtekooien, van allerlei aard en slag. Het was een ontzettend gewriemel van menschen, zonder tucht en eenheid, met geweldig veel drukte en weinig orde; de bevelhebbers schreeuwend en vloekend, de minderen onwillig en slecht gedrild; een reusachtige lappendeken van honderden kleuren en tinten, door onbekwame hand in elkander gezet en bij de minste krachtige aanraking vaneen scheurend. Maar wat het meest Simons aandacht trok, was het groot aantal paarden dathij op zijn weg ontmoette. Hij zag er overal, bij troepjes van twintig, vijftig, honderd, glanzig en rond door het rustige leven in de vette Marathonsche weiden. En alle bewogen zich in dezelfde richting, strandwaarts, waarom begreep hij niet.Simon brak zich trouwens met de oplossing dezer vraag niet bijzonder het hoofd, want hij was vast overtuigd dat zijn laatste uur geslagen was en hij zijn avondmaal bij Hades zou nuttigen. De noodelooze wreedheid der Perzen was bekend; de gruwelen, vroeger te Miletos, thans te Naxos, Karystos en Eretria gepleegd, lieten daaromtrent geen twijfel over. Hij betreurde het, dat zijn dood niet, zooals hij gehoopt had, aan het vaderland ten zegen zou strekken en bereidde zich voor te sterven gelijk het den Helleen tegenover den barbaar betaamde.Zoo stond hij, nog steeds met het werpkoord om den hals, te midden der Sagartiërs, bij wie zich een Perzisch hoofdman had gevoegd, die hunne taal machtig was en als tolk bij Datis zou optreden. Daar trad de opperbevelhebberbinnen in gezelschap van een tweetal mindere krijgshoofden, in een purperen onderkleed, bedekt door een oppergewaad van scharlakenrood en wit, waarop met goud- en zilverdraad arenden en valken waren gestikt. Zijn linkerhand rustte op de met turkooizen en opalen versierde greep van het kromme zwaard. Beide mannen zagen elkander strak in het gelaat en Simon kon niet ontkennen, dat de Perzische krijger met zijn aristocratische, matte gelaatskleur en blauwzwarten, goed onderhouden baard, in zijn schitterend kostuum dat hij met waardigheid droeg, een hoogst gunstigen indruk maakte. Datis hoorde het verslag der gevangenneming oplettend aan, waarop de Sagartiërs, na Simon van den lazzo bevrijd te hebben, met hun geleider verdwenen.«Hoe is uw naam?» vroeg Datis na hun vertrek in tamelijk zuiver Helleensch.«Simon, zoon van Panaitios.»«Gij komt uit het kamp der Atheners?»«Ja.»«En met welk doel?»«Om het Perzische kamp te verkennen.»«Ge waart niet bevreesd den dood te vinden op dien tocht?»«De Hellenen vreezen den dood niet, die voor eene goede zaak wordt ondergaan. Zulk een dood is geen onheil en slechts voor onheil behoort men bevreesd te zijn.»Het antwoord scheen Datis te bevallen; hij knikte goedkeurend en vervolgde:«De dood is derhalve naar het u toeschijnt niet steeds een onheil?»«Hij kan integendeel de hoogste zaligheid wezen.»«En hoe?»Simon bedacht zich een oogenblik. Hij kwam tot het besluit, dat een aanschouwelijk voorbeeld beter binnen den geestelijken gezichtskring van een barbaar zou vallen, dan een omstandig betoog. En hij verhaalde het gebeurde met Kleobis en Biton, de beide jonge mannen uit Argos, die, toen hunne moeder als priesteres van Hera een godsdienstig feest in het heiligdom der godin wenschte bij te wonen en de ossen, die haar wagen zouden trekken, niet verschenen, zichzelf daarvoor spanden en de oude vrouwnaar den anderhalf uur ver gelegen tempel voerden. Het verzamelde volk had in luide bewoordingen de opofferende liefde der zonen, het onovertrefbaar geluk der moeder geprezen. Toen had deze in dankbare verrukking zich tot Hera gewend en gesmeekt dat deze haren zonen de schoonste belooning, de grootste weldaad mocht doen deelachtig worden, die den mensch kan te beurt vallen. En ziet! de beide jongelingen hadden zich, na het godsdienstig feest te hebben bijgewoond, in den tempel ter ruste gelegd en waren niet ontwaakt. Aldus had Hera de bede der moeder verhoord.Datis peinsde een oogenblik en sprak: «Ik dank u, Simon, zoon van Panaitios, voor uw schoon verhaal. Ge zeidet terecht dat de dood niet steeds een onheil is te noemen en zalig acht ik dan ook hen, die vallen zullen in den naderenden strijd, want voorzeker is het den mensch vaak beter te sterven dan te leven.»Verbaasd zag Simon het legerhoofd in het gelaat. Was dat een barbaar, de Pers met het fraaie, mannelijke gelaat waarover een droefgeestige tint lag; de man, die zoo wijze enernstige woorden uitte? Hij en alle Atheners met hem, hadden zich blijkbaar vergist in hunne beoordeeling van de geestelijke ontwikkeling des vijands.«Is het waar,» vroeg de bevelhebber wederom, «dat in Hellas de overwinnaar bij de Olympische spelen slechts een krans als zegeprijs ontvangt?»«Geen andere prijs valt hem ten deel.»«Een dergelijke prijs heeft dan voorzeker luttel waarde voor den man, die hem ontving.»«Integendeel; als een kostelijk en onwaardeerbaar goed wordt hij door den overwinnaar bewaard; geen heerlijker gave zou hem kunnen worden geschonken.»«Gij zijt wonderlijke lieden, gij Hellenen,» ging Datis voort. «Hoe nu? Het bezit van een bladerkrans maakt u gelukkig en ge verlangt als loon van de zege goud, zilver noch edelgesteenten! Ik wensch nog meer van u te vernemen; deel mijnen maaltijd, Simon; ge zijt heden mijn gast.»Datis met zijne beide onderbevelhebbers en Simon plaatsten zich aan den disch, die op des meesters bevel werd voorgediend. Simon verbaasdezich niet langer. De innemende vormen van het legerhoofd hadden hunne werking niet gemist en zonder de minste terughouding wisselden Pers en Helleen van gedachten, behagen scheppend in elkanders opvattingen, verschil van inzicht waardeerend ook bij vasthouden van eigen meening. En naarmate zij spraken, herinnerde Simon zich andere bijzonderheden, den indruk bevestigend dat men de Perzen ten onrechte barbaren noemde. Zoo was, toen Miltiades uit den Chersonosos naar Athene vluchtte, zijn oudste zoon Metiochos door den vijand gevangen genomen en voor Dareios gevoerd. Algemeen had men gevreesd dat de jonge man ter dood zou worden gebracht, doch in plaats daarvan was hij door den koning in vriendschap opgenomen en met weldaden overladen. Neen! ook deze was geen barbaar; hij zou hem, keerde hij ongerept terug, bevechten met al de kracht, die in hem was, doch de Perzen waren ontegenzeggelijk gansch andere menschen dan algemeen in Hellas werd aangenomen.De twee andere bevelhebbers, de Helleenschetaal niet machtig, hadden intusschen veelal met elkander gesproken en geweldig veel wijn gedronken. Ook Datis had zich hierin niet onbetuigd gelaten en groote bekers geledigd, zonder merkbaren invloed evenwel dan alleen dat zijn gesprek levendiger werd en hij zich in de vreemde taal vrijmoediger begon te uiten dan tot nogtoe. Simon achtte het verstandig de meest mogelijke matigheid te betrachten en met beminnelijke hoffelijkheid liet de gastheer hem geheel vrij zijn beker te vullen naarmate hem dit al of niet behaagde.«Ik begrijp niet, Simon,» zeide de Pers, «hoe ge aan de democratie boven de monarchie de voorkeur geeft. Wordt ge niet liever door een edelen leeuw dan door een morsigen ever geregeerd?»Simon wilde antwoorden. Plotseling werd de zware draperie, welke den voorhang der tent vormde, ter zijde geschoven en een schildwacht vroeg gehoor. Een man was door een patrouille betrapt, op zijn post slapend, en hij wachtte buiten. Moest men hem voor den veldheer brengen?«Ja!» antwoordde Datis. Hij was op eens zeer stil geworden en stond op, zwaar van den wijn. Tusschen de mannen der patrouille werd de nalatige binnengebracht. Het was een Milyer, onaanzienlijk van gestalte, op het hoofd een helm met vederbos en ijzeren ossenhoorns, een korte wapenrok aan het lijf, de beenen met purperen lappen omwonden, een speer in de hand. Hij beefde over al zijn leden en was eerst niet in staat te antwoorden toen Datis hem in zijn eigen taal de oorzaak zijner overtreding vroeg. De veldheer hield zich blijkbaar met moeite in, op het punt los te barsten, alleen zich bedwingend omdat hij er anders blijkbaar geen woord uit zou krijgen. Eindelijk kwam het: de schuldige had drie uren achtereen in de brandende zon gestaan tot hij het niet meer uit kon houden; toen had hij zich naar een boschje begeven vlak naast zijn post, met het voornemen daarop weder terug te keeren tegen den tijd dat hij zou worden afgelost. Maar in het boschje, in de schaduw, was het hem te sterk geworden bij die hitte en was hij ingeslapen. Hij wierp zich tot slotvan zijn verhaal op de knieën, jammerend en huilend, sidderend de handen omhoog heffend tot zijn geduchten meester, over den grond kruipend in akelige onzekerheid omtrent zijn lot.Maar Datis was onder het verhaal van den man allengs in eene geweldige verbolgenheid ontstoken. De aderen op zijn voorhoofd zwollen; de oogen liepen rood op en een diep, dof gebrom als van een wild dier rees in zijn keel. De groote massa wijn, die tot nogtoe onder gunstige omstandigheden slechts zijne beminnelijke eigenschappen sterker had doen uitkomen, wekte thans het onbedwongen dierlijke van zijn karakter tot heftigen storm. En toen de ander geeindigd had, barstte hij los, in godslasterlijke taal, vloekend en brullend, zonder eenige zelfbeheersching of poging daartoe, zichzelf opwindend tot woedende razernij. De lijdelijke houding des mans, die ineenkromp voor zijne voeten, in sprakelooze ontzetting over den bodem rollend, bedolven onder dien stortvloed van vreeselijkheden, prikkelde hem nog te meer, tot hij heesch en schor moest ophouden, rondziende overal om een nieuwenuitweg te vinden voor zijn toorn, waar woorden ontbraken. Toen, met een sprong ter zijde, gretig bukkend, nam hij een boog en koker, op een divan liggend en, met het schuim op den mond, in rauwe kreten, riep hij tot de krijgslieden, die in stomme onderworpenheid toehoorden:«Neemt hem op! Dáár! dáár! tegen den wand!»En zij gehoorzaamden en grepen den ellendige, reeds meer dood dan levend, en richtten hem omhoog, achteruit stappend, tegen den wand. Daar bleef hij staan, wezenloos, starend voor zich uit in doffe berusting.Datis, den boog in de hand, keerde om en begaf zich met groote schreden naar de tegenovergestelde zijde der tent. Allen weken eerbiedig, den meester in zijn toorn kennend, wetend dat een ieder, die het wagen mocht zich op zijn weg te plaatsen, vermorzeld zou worden. De Milyer, die des veldheers bewegingen met het oog gevolgd had, begreep wat hem wachtte en tevens dat verder smeeken nutteloos zou wezen; hij liet het hoofd op de borst hangen en wachtte zijn lot af. Ter bestemderplaatse aangekomen nam Datis een pijl en legde dien op den boog. Hij had voor het uiterlijk althans zijne bedaardheid terug erlangd en, zich tot Simon richtend, sprak hij:«Op welke wijze handelt gij, Atheners, met krijgslieden, die hun plicht vergeten?»«Wij onderzoeken hunne schuld wanneer onze geest zijne volle helderheid bezit en handelen naar dat onderzoek ons voorschrijft,» luidde het antwoord.«Zoo doen ook de Perzen en zij zijn van meening, dat de geest nooit helderder is dan wanneer de beker is rondgegaan. Het plan van den veldtocht, die u de vrijheid zal kosten, werd vastgesteld na een feestgelag van Dareios.»Simon herinnerde zich hoe ook Kynaigeiros hem verhaald had dat de Perzen gewoon waren het ontwerp van een krijgstocht in dronkenschap te beramen om het den volgenden dag, ontnuchterd, nogmaals te bespreken. Doch tot verdere beschouwingen werd hem geen tijd gelaten. Met forsche hand den vingerdikken leeuwendarm spannend, legde Datis op den Milyer aan en deed den pijl van den boogsnorren. Het was een meesterlijk schot en in het hart getroffen viel zijn slachtoffer met een lichte trilling dood neder. Het lijk werd weggebracht; niemand sprak een woord; men beschouwde de willekeur van des konings plaatsvervanger als eene geheel natuurlijke zaak. Wederom richtte Datis zich tot den Athener en sprak:«Simon, zoon van Panaitios, gij kunt gaan. Zeg aan de uwen bij uwe terugkomst wat ge gezien hebt: dat de Pers moed weet te eeren en schuld weet te straffen. Ik dank u voor uw bezoek en als over weinige dagen Athene aan mijne voeten ligt, zal ik er trotsch op wezen gezegepraald te hebben over mannen als gij.—Geleid den Athener buiten het kamp,» ging hij voort, zich tot den hoofdman der patrouille wendend, «en met uw leven staat ge er voor in dat hem geen leed geschiede.»Simon aarzelde. Een waardig antwoord op de snorkende taal des veldheers lag hem op de lippen, doch hij begreep het gevaarlijke en nuttelooze van een woordenstrijd met den beschonken en geprikkelden Pers en zweeg.Het leven van één Athener woog tegenover de tiendubbele macht des vijands te zwaar om het zonder noodzakelijkheid in de weegschaal te stellen.«Vaarwel, Datis,» sprak hij alleen en ging, door de patrouille begeleid. Hij zag, buiten gekomen, vreemd op; gedurende zijn verblijf in Datis’ tent was de avond gevallen en de maan, die den vorigen dag vol was geweest, verlichtte het uitgestrekte Perzische kamp en de heuvelrijen terzijde. Thans werd hij door een ander gedeelte der legerplaats geleid dan in den voorafgeganen middag en hij aanschouwde met verbazing wederom nieuwe, onbekende volksstammen, die hun beken hadden uitgestort in den geweldigen stroom, tot Hellas’ verderf ontketend: Assyriërs met metalen stormhoed, waaronder de regelmatig naast elkander aangebrachte lokken in stijve krullen naar beneden hingen; Kaspiërs met pelsrokken en korte, kromme sabels; Thrakiërs met een vossekop als hoofddeksel, hooge laarzen van muilezelvel, werpspiets, schild en dolk; Saken, de beste schutters van het leger, met spitse mutsen,wijde, lange broeken, boog en strijdbijl. Er kwam geen eind aan de bonte tentoonstelling van volken en kleederdrachten. En wederom werd Simon getroffen door het groot aantal paarden dat voorbijkwam, zonder uitzondering in de richting van het strand; telkens moest hij met zijne geleiders stilstaan of uitwijken. Eens waren het er wel tweehonderd tegelijk, alle sneeuwwit; dat waren Nisaiïsche paarden der Onsterfelijken, de tienduizend man sterke, adellijke, steeds op hetzelfde aantal gehouden lijfwacht des konings. Hij ontmoette er eene afdeeling van met hun veldteeken, een gouden adelaar met uitgespreide vleugels; zij droegen gouden harnassen en gouden granaatappels aan de schachten der lansen; zoo stapten zij voort, schitterend en blinkend in het maanlicht.Op eenigen afstand van het kamp werd Simon door de patrouille verlaten en hij nam den terugtocht aan, langs denzelfden weg dien hij des morgens had afgelegd. De belangrijke zaken, welke hij gedurende de laatste uren gezien had, hielden zijn geest onafgebroken bezig. Eerst het ontzaggelijke Perzische leger,een logge, lompe massa zonder samenhang en eenheid, juist zooals Kynaigeiros van zijn vader Euphorion vernomen had, halve wilden naast weeke poppen met meer bedienden en deernen dan hun eigen aantal bedroeg. En ook de beroemde lijfwacht had weinig indruk op hem gemaakt; prachtige gestalten voor een godsdienstige parade, maar weinig te vreezen met hun gouden harnassen en kostbare hoofdwrongen met diamanten aigrettes. Alleen de sterke ruiterij boezemde hem bezorgdheid in; het Atheensche leger telde uitsluitend voetknechten en met schrik stelde hij zich voor al die paarden, welke hij ontmoet had, en nog duizenden bovendien met krijgslieden op den rug in een wilden aanval. En wederom vroeg hij zich af waarom ze toch alle weggeleid werden, in dezelfde richting, naar het strand.Toen herdacht hij zijne ontmoeting met Datis, die eerst zulk een gunstigen indruk op hem gemaakt had maar weldra, onder den invloed van wijn en drift, een geheel ander man gebleken was te zijn. Hij kwam terug op zijn oordeel van straks; ja! hij was een barbaar,de Perzische veldheer, niet in den zin van een altijd ruw en ongevoelig man, maar van iemand, die alle zelfbeheersching mist; van wien telkens te vreezen valt dat hij een volgend oogenblik de tegenvoeter van zichzelf zal wezen; die heden weent bij een aandoenlijk schouwspel en morgen met de grootste onaandoenlijkheid eigenhandig bloed vergiet; door de improvisatie van het leven schokkend voortgejaagd, niet zelf dat leven na strenge voorbereiding en lange oefening ordenend en besturend. Hij was een barbaar, de veldheer, die zijn tienduizenden opvoerde tegen dat Athene, tot welks zonen Simon het zich thans meer dan ooit eene eer rekende te behooren, nu hij den afstand kon meten, welke hem ook van den meest ontwikkelden Aziaat scheidde. Neen, nimmer zou de godin toestaan dat hare stad en burcht aan de voeten zouden liggen der horden, welke hij zoo even had gadegeslagen.Simon had het struikgewas aan den zeekant verlaten en een tamelijk hoogen, onbegroeiden heuvel beklommen waarachter de eikenbosschen aanvingen, die zich tot het Atheensche kamp onafgebrokenuitstrekten. En op den door witten maanglans overgoten top aangekomen, gevoelde Simon, in dien verrukkelijken nazomernacht, met Perzië achter, Athene vóór zich, een heilige aandoening zich van hem meester maken en een gebed tot de godheid ontvlood, eer hij het zelf wist, zijn mond. «O Pallas Athene!» riep hij uit, de handen omhoog richtend, «of met welken anderen naam het u behaagt genoemd te worden, bescherm uw violenomkranste stad in de ure die naakt. En indien ge genadig mijne bede verhoort, Pallas Athene! zoo doe mij een teeken geworden, hetzij aardschok of donderslag of vogelvlucht, dat uw steun mij gewis zij.»Hij sprak en bleef onbewegelijk staan in zijn biddende houding, de oogen naar den glanzenden hemel gericht. En plotseling voer hem eene rilling door de leden van dankbare religieuse ontroering. Want, tegen het blauwe uitspansel boven hem, verschenen twee scherpgeteekende, witte gestalten, te paard, op het hoofd een eivormigen helm met een schitterende ster gekroond, een speer in de hand. Zij waren in levendig onderhoud gewikkelden Simon, hoezeer hij geen enkel geluid vernam, bespeurde duidelijk hare handbewegingen evenals de zich reppende pooten der rossen en de halzen en koppen, die nu en dan zich brieschend bewogen. En aan hun attributen herkende Simon zonder aarzeling de tweelingbroeders van Helena, de Dioskouren, die reeds voor het eind van den Trojaanschen oorlog gestorven en als tweelingsterren aan den hemel opgenomen waren: Kastor, den geduchten ruiter en Polydeukes, den ongeëvenaarden vuistvechter. Zij reden van het Oosten naar het Westen, in een lange baan, als wit marmeren spookachtige beelden op den blauwen achtergrond tot ze, heel ver, aan den horizon verdwenen.Dat was het teeken door Pallas Athene aan Simon gezonden, opdat hij verzekerd mocht zijn, dat zij in de komende ure hare stad zou bijstaan. Jubelend dankte hij Athenes schutsgodin, nu hij wist, dat de naderende strijd de stad ongerept zou laten. Zijn blik legde in tegenovergestelde richting de baan weder af, zoo even op het spoor der witte ruiters gevolgd,van het Westen naar het Oosten, tot hij gevestigd bleef op een schouwspel dat hem vervulde met schier niet minder verbazing dan het zoo even bespeurde.Van den top des heuvels was het Perzische kamp door de gesteldheid van het terrein aan het oog onttrokken, doch daarentegen aanschouwde men de zuidelijke zijde der halfcirkelvormige baai van Marathon en het daarvoor gelegen strand; gedeelten, die straks den omhoog gerichten blik van Simon niet getroffen hadden. Op dat onbewogen, helder verlichte zeevlak lag de Perzische vloot voor anker, de groote galeien van het troepenvervoer op den achtergrond, roerloos, als waren zij vastgegroeid in het water; dicht aan de kust de logge, buikige schepen voor het paardentransport, in een lange rij, zoover hij zien kon. Van elk dier transportschepen was een brug te water gelaten en over al die bruggen werden paarden in de schepen gevoerd en nog eens paarden en wederom paarden, heel klein op zoo grooten afstand. Zij kwamen van het strand, waadden een korte poos vóór zij debruggen betraden, en het was Simon als hoorde hij het geluid hunner hoeven zoo vaak zij vasten voet kregen op de planken, en de kreten hunner geleiders, die heel wat te stellen hadden met de opdringende dieren, weelderig na dagen van rust en goed voedsel. Daar ging juist, op een der schepen, een stoet sneeuwwitte paarden der Onsterfelijken naar binnen, telkens meer en nog meer. De schepen wiegelden zacht heen en weder, in de branding.Toen begreep Simon welke de reden was dat hij op zijne beide tochten door het Perzische kamp zoo ontzettend veel paarden had ontmoet. De dieren werden in alle stilte ingescheept. Was het omdat de weiden van Marathon hun geen genoegzaam voedsel meer aanboden? Of wanhoopte de bevelhebber wellicht aan de mogelijkheid om de geduchte stelling der Atheners te forceeren en zou het geheele leger volgen om op een ander punt der Attische kust te landen, vanwaar Athene met minder gevaar te bereiken was en men gemakkelijker voeling kon krijgen met de Perzischgezinde partij aldaar? Het laatste kwam hem het waarschijnlijkstvoor. Hoe het zij, de ontdekking was van onberekenbaar groot belang en met vluggen tred repte hij zich door de bosschen naar het kamp der zijnen.Nauwelijks had hij, door den wachtpost herkend en toegelaten, de buitenste schanswerken betreden of hij zag op eenigen afstand een groep mannen naderen, in druk gesprek. Hij herkende Miltiades wiens commando van één dag—het was even na middernacht—juist was ingetreden, in gezelschap van een drietal andere strategen en den polemarch Kallimachos, den archon met de leiding der oorlogszaken van den Atheenschen staat belast. Bij hen bevond zich Pheidippides, zoo even van zijn looptocht naar Sparta teruggekeerd, vol rechtmatigen trots over de wijze waarop hij zijne taak vervuld had. De afstand van tweehonderdvijftig kilometer, die Marathon van Sparta scheidt, was beide keeren binnen tweemaal vierentwintig uren door hem afgelegd. Hij had dan ook eene uitdrukking van tevreden gewichtigheid op zijn gelaat, nog een weinig bleek na de geweldige inspanning; zichgeheel man voelend, met plotselinge opflikkeringen van pretmakerige ondeugd in zijn vioolkleurige oogen. Hij was bezig den uitslag van zijne zending te verhalen, met veel woorden, om er lang van te genieten: een godsdienstig voorschrift belette de Spartanen zich op marsch te begeven voordat de maan vol was. Dit nu had voor anderhalven dag plaats gehad; zij konden dus, zwaargewapend als zij waren, over twee dagen zijn aangekomen.Simon voegde zich bij de groep en deed op zijne beurt verslag van hetgeen hem overkomen was. Miltiades hoorde hem met belangstelling aan, de doordringende, heldere oogen voortdurend op zijn gelaat gevestigd. Hij prees Simon wegens zijn kloeke onderneming, met de beschermende welwillendheid en nederbuigende voornaamheid, die hem in Athene zooveel vijanden berokkend en zijne keus tot strateeg in de weegschaal gesteld hadden, maar zijn eigen waarde kennend en zich weinig bekommerend om het oordeel zijner landgenooten. Hij wenschte hem geluk met de hooge gunst waarin Simon blijkbaar bij degoden stond, nu hij zonder letsel uit zoo hachelijken toestand was teruggekeerd. En Simon dankte den grooten krijgsman voor zijne woorden, doch verhaalde niet wat hemzelf omtrent der goden gezindheid ontwijfelbaar was gebleken.Miltiades ontbood de overige strategen en begaf zich met hen en den polemarch naar zijne hut ten einde te bespreken wat na het door Pheidippides en Simon medegedeelde te doen stond. De beide laatstgenoemden traden hun gemeenschappelijk verblijf binnen en Pheidippides deed nogmaals aan zijn zwager een omstandig verhaal van zijn tocht, de woorden met zorg kiezend ter waardige inkleeding van een zoo gewichtig feit, tot zij zich eindelijk vermoeid ter rust begaven.
IX.Simon had de vergadering niet bijgewoond. Sedert eenigen tijd had hij bespeurd, dat de goden hem niet, als vroeger, welgezind waren en ging hij om met het denkbeeld dat hem eene groote, onafwendbare ramp boven het hoofd hing. Het was begonnen op zijn huwelijksdag, toen de fakkels van den bruiloftsstoet door den wind gebluscht waren. Het was sedert altijd voortgegaan, telkens een schaduw werpend op zijn huwelijksleven, hem herinnerend aan hetgeen hij zoo gaarne vergeten wilde. Dan eens was het een vreemde, zwarte hond, die onverwachts zijne woning binnenliep; of een balk, die zonder merkbare aanleiding kraakte; of een met wijn gevulde beker, die plotseling werd omgeworpen. Het scheen als wilde de godheid hem zelf allen zweem van twijfel ontnemen en hem overstelpen met de zekerheid van hare ongenade. Simon verborg zooveel mogelijk de groote droefenis, welke zich bij het waarnemen van al die veege teekenen over hem uitstortte en beijverde zich Demetriate vrijwaren voor alle invloeden, die de aanstaande geboorte van hun kind zouden kunnen schaden, al was hij ook overtuigd dat hijzelf die geboorte niet zou beleven.Het gesprek, kort na zijn huwelijk met zijne vrouw gehouden, had goede vruchten gedragen. Van dat oogenblik af, had het werktuigelijke hetwelk de meeste Atheensche vrouwen in de behartiging der huishoudelijke zaken kenmerkte, bij Demetria plaats gemaakt voor eene vreugdevolle toewijding. In den aanvang hokte er hier en daar wel eens iets; het koorn werd niet steeds dadelijk op de droogste, de wijn op de koelste plaats van het huis in bewaring gebracht; het gebeurde wel eens dat een slaaf en slavin vertrouwelijker omgang hadden dan in het belang eener welvoegelijke dienstvervulling wenschelijk was; het kwam voor dat Simon iets verlangde wat zich niet in huis bevond en er toch behoorde te wezen. En Demetria, juist omdat zij er op gesteld was alles goed te doen, voelde zich alsdan diep ongelukkig; zij bloosde van verlegenheid en vreesde telkens dat Simon haar geheel ongeschiktzou achten voor de eervolle taak, die hij haar had opgedragen. Simon had de grootste moeite haar bij zulke gelegenheden te troosten en te verzekeren, dat de wijsheid eerst met de ondervinding komt en ook de jongeling meermalen faalt alvorens hij de mannelijke plichten naar behooren weet te vervullen.Demetria ontving vaak bezoeken van vriendinnen welke kwamen uitvisschen, of zij met goed gevolg vóór den eersten huwelijksnacht den door Solon voorgeschreven appel had genuttigd, die de zekerheid moest verschaffen dat het huwelijk niet onvruchtbaar zou blijven. Met verbazing vernamen deze de wijze waarop Simon het huwelijksleven opvatte. Inwendig waren ze verschrikkelijk jaloersch, doch tegenover elkander veinsden zij den man te beklagen, die op zoo onverantwoordelijke wijze van alle gezag in huis afstand deed. «Dat wordt een huishouden als van Alkinoös, den Phaiaken-koning. Ge weet wel, toen Odysseus op Scheria geland was, zeide Athene tot hem dat hij vooral zich eerst moest wenden tot de koningin Arete; Alkinoös kwam er minder op aan. Maar zooiets behoort toch eigenlijk niet aldus te wezen.»Simon en Demetria oordeelden het aldus uitstekend en te grooter was dan ook het gevoel van weemoed hetwelk eerstgenoemde vervulde nu hij voorzag, dat zijn geluk van zoo korten duur zou wezen. Hij had reeds gepoogd zich omtrent de gezindheid der goden zekerheid te verschaffen; in voorteekenen toch kon men zich vergissen en er waren zelfs lieden, die er minder aan hechtten, maar de ondervinding bij een offer opgedaan was betrouwbaarder. En zoo had hij voor eenige dagen zich opgemaakt om een offer te brengen aan den oppergod, hopende dat Zeus het in genade mocht aannemen, al had hij dan ook wellicht onwetend iets misdaan. Doch terwijl men naar het altaar schreed, was hij gestruikeld en de krans hem van het hoofd gevallen; van dat oogenblik af werd het offer nutteloos, daar het toch door de godheid niet aanvaard zou worden. Nog had hij eene laatste uitkomst gezocht en besloten zijne toevlucht te nemen tot de mantiek, berustend op het beginsel dat de goden bewustheid bezitten omtrent de toekomsten genegen zijn desgevraagd den twijfel der hulpelooze stervelingen op te lossen. En zoo was het geschied dat hij op den dag der volksvergadering zich buiten Athene had begeven, overtuigd van alsdan in zijne raadpleging niet gestoord te zullen worden. Hij had, in noordwestelijke richting gaande, den loop des Kephissos eenigen tijd gevolgd tot hij, het olijvenwoud aan den oever verlatend, eene kleine, licht glooiende vlakte had bereikt. Daar had hij zich nedergezet, met het gelaat naar het Noorden, zoodat hem het gunstige Oosten ter rechter-, het ongunstige Westen ter linkerzijde was gelegen. Hij had bij zichzelf uitgemaakt dat de vogelvlucht hem de gewenschte zekerheid zou verschaffen; de richting, door deze gevolgd, zou hem het begeerde uitsluitsel geven. En zoo zat hij daar, vóór zich starend in neerslachtige afwachting, vreezend wat komen zou, hopend, in den aanvang althans, dat zich geen vogel zou vertoonen; dat was wel niet een gunstige beschikking maar toch ook geen bepaald ongunstige en liet nog eene kleine plaats open voor de hoop, die, naar hijzelf op hetfeest van Pheidippides had betoogd, den stervelingen blijft schoon al het andere hun ontging. Doch, naarmate hij langer wachtte en toen geen vogel verscheen, ging hij anders denken. Neen! nog liever een ongunstig teeken dan in het geheel geen. In het laatste geval toch duurde de twijfel, die hem reeds zoo lang pijnigde, alweder voort; hij gaf de voorkeur aan eindelijke zekerheid, zij het dan ook....Daar hoorde hij achter zich, in het olijvenwoud, geritsel. Hij zag om en bespeurde een lijster, die met kleine pasjes uit het bosch trippelde, hier en daar een insect van den grond pikkend. Beiden, de man en de vogel, bemerkten elkander in hetzelfde oogenblik en beiden schrikten van elkander, de man wellicht het meest. De lijster sloeg de vleugels uit en nam zijn vaart, snorrend vlak langs Simons gelaat, in ongunstige richting, van links naar rechts.Terwijl Simon niet ver van den Kephissos gezeten was en in Athene het bloedige drama, zoo straks verhaald, werd afgespeeld, bevond Demetria zich alleen in het vrouwenvertrekharer woning. Zij had met een gebaar dat haar in den laatsten tijd eigen was geworden, de handen over den schoot gevouwen en was verzonken in gepeinzen over de toekomst. Maar die toekomst lag voor haar slechts weinige maanden verder en de ééne, groote gebeurtenis, die te wachten stond, hield al hare gedachten bezig. Zou dan ter deure worden uitgestoken een strook wol, het teeken, in verband met de huiselijke bemoeiing der vrouw, dat een meisje was geboren? Of wel zou het de olijftak wezen, symbool van het toekomstig optreden des mans in het burgerlijk leven? Zij hoopte bijna het eerste; zij voelde zich zóó zalig in haar rustig geluk als zij zich niet kon voorstellen dat een man, met al zijne bezigheden en beslommeringen, ooit zou kunnen wezen. Doch, aan den anderen kant, zou hare dochter immer een echtgenoot kunnen vinden gelijk Simon en niet hoogst waarschijnlijk een leven te gemoet gaan als de meeste Atheensche vrouwen? Dan moest het liever een jongen wezen; zij zou hem met Simon opvoeden tot een godvreezend en flink man; zij zouden hemsteeds voorhouden wat Glaukos in de Ilias zegt, dat zijn vader hèm bij zijn vertrek naar Troje heeft ingescherpt:Altijd de eerste te zijn, uitstekende boven de andren.Simon had haar dat voorgelezen en toen had ze dadelijk het vers in haar geheugen geprent; dát was een mooie zinspreuk om een jongeling op zijn levensweg mede te geven. En zij moest glimlachen, bespeurende hoe de nog niet geboren knaap, die misschien een meisje zou wezen, in hare verbeelding reeds jongeling geworden was! Zij stelde zich toen weder het pasgeboren kind voor, hoe het kort na de geboorte om den met kransen en loof versierden haard werd rondgedragen en hoe het op den tienden dag een naam ontving, waarbij een groot feest gehouden en geofferd werd aan de godheden wien meer bijzonder der kinderen opvoeding en verpleging ter harte gingen. Op dat feest brachten de gasten allerlei geschenken voor den jonggeborene mede: gouden ringetjes, halve maantjes, zwaardjes, zilveren kettinkjes, klappertjes en kokertjes, met een bijzonder soort zaadkorrels gevuld tot afwering vantoovermiddelen en bezweringen. Zij zelve had die kleine zaakjes altijd zorgvuldig bewaard en was er steeds erg aan gehecht geweest. En toen ze als jong meisje voor een paar jaar door die zware ziekte was bezocht en reeds den zwarten sluier had aanschouwd, dien de dood haar voorhield, had zij gevraagd dat al die dingetjes, met haar poppen, in een mandje, door een platten steen bedekt, op haar graf zouden geplaatst worden en dat men om dat mandje een akanthos zou leiden; die zou dan mandje en steen met zijn gebladerte omwelven en, naar ze stellig meende, zou dat geheel een bekoorlijken aanblik opleveren. Zij wist niet hoe het kwam, maar zij had in dat tijdvak, nacht op nacht slapeloos terneder liggend, altijd aan dat mandje en dien akanthos gedacht en zich langzamerhand eene volkomen duidelijke voorstelling van het geheel gemaakt: omgebogen bladeren van verschillende hoogte zouden het voor het oog verscholen mandje omgeven, terwijl een dier bladeren, krachtiger dan de overige zich verheffend, op het midden van den deksteen als bloem zou ontluiken.Aan den beeldhouwer Rhoikos had zij later die voorstelling medegedeeld; hij had met belangstellende verbazing hare beschrijving aangehoord en opgetogen uitgeroepen: «Maar kind! hoe komt ge daaraan? Dat is een uitstekend motief voor een nieuwen kapiteelvorm!» Dat alles herinnerde zij zich terwijl ze daar in haar kalme lichamelijke en geestelijke rust zat te peinzen en plotseling, naarmate al die beelden uit vervlogen dagen voor haren geest verrezen, herinnerde zij zich tevens iets dat zij meende reeds lang vergeten te zijn: het grafschrift, door haar vriendinnetje Erinna gedurende hare ziekte vervaardigd. Ja! zóó was het; en half overluid, langzaam, droomerig, herhaalde zij de verzen, één voor één weder opdoemend uit den nevel, die ze bedekte:Zuilen die rijst op mijn graf en marmren Sirenen daarboven;Doodsurn, gij die bedekt wat van mijn assche nog rest,Brengt mijnen groet aan den wandlaar die hier aan deez’ heuvel voorbijgaat,’t Zij hij Athener zich prijst, ’t zij hij als vreemdeling naakt.Zegt hem ook dat deze tombe een doode maagd houdt omvangen,Die zoo ongaarne verliet ’t stralende licht van de zon;Zegt hem dat men mij noemde Demetria; zegt dat ErinnaOp haar speelnootjes graf jammrend deez’ letteren schreef.Een geruisch deed haar omzien. Simon trad binnen. In Athene teruggekeerd, had hij den moord der Perzische gezanten vernomen en de overtuiging ontvangen, dat de thans onvermijdelijk geworden oorlog zijn doodvonnis zou wezen. Doch, met ijzeren wil, was hij er in geslaagd zich boven de omstandigheden te verheffen. «Wanneer ik het leven laat,» had hij tot zichzelf gesproken, «zal dat leven hebben kunnen strekken tot verdediging des vaderlands. En het vaderland staat boven het huisgezin; het welzijn van den staat boven dat van den enkelen mensch. Wat zijn wij, rampzalige stervelingen? Als de bladeren, die afvallen en verdorren, zijn de kinderen der menschen; spraak- en gevoelloos dwalen de schimmen der afgestorvenen rond, tenzij er een Odysseus verschijne, die haar voor eene korte pooze het bewustzijn weet te schenken. Het ware den mensch beter, aan hetgeen voorbijgaat zijn hart niet te hechten.»Doch toen hij Demetria aanschouwde, kwamen de laatste woorden hem toch minder juist voor, dan toen hij ze zoo even in de eenzaamheid had geuit.
Simon had de vergadering niet bijgewoond. Sedert eenigen tijd had hij bespeurd, dat de goden hem niet, als vroeger, welgezind waren en ging hij om met het denkbeeld dat hem eene groote, onafwendbare ramp boven het hoofd hing. Het was begonnen op zijn huwelijksdag, toen de fakkels van den bruiloftsstoet door den wind gebluscht waren. Het was sedert altijd voortgegaan, telkens een schaduw werpend op zijn huwelijksleven, hem herinnerend aan hetgeen hij zoo gaarne vergeten wilde. Dan eens was het een vreemde, zwarte hond, die onverwachts zijne woning binnenliep; of een balk, die zonder merkbare aanleiding kraakte; of een met wijn gevulde beker, die plotseling werd omgeworpen. Het scheen als wilde de godheid hem zelf allen zweem van twijfel ontnemen en hem overstelpen met de zekerheid van hare ongenade. Simon verborg zooveel mogelijk de groote droefenis, welke zich bij het waarnemen van al die veege teekenen over hem uitstortte en beijverde zich Demetriate vrijwaren voor alle invloeden, die de aanstaande geboorte van hun kind zouden kunnen schaden, al was hij ook overtuigd dat hijzelf die geboorte niet zou beleven.
Het gesprek, kort na zijn huwelijk met zijne vrouw gehouden, had goede vruchten gedragen. Van dat oogenblik af, had het werktuigelijke hetwelk de meeste Atheensche vrouwen in de behartiging der huishoudelijke zaken kenmerkte, bij Demetria plaats gemaakt voor eene vreugdevolle toewijding. In den aanvang hokte er hier en daar wel eens iets; het koorn werd niet steeds dadelijk op de droogste, de wijn op de koelste plaats van het huis in bewaring gebracht; het gebeurde wel eens dat een slaaf en slavin vertrouwelijker omgang hadden dan in het belang eener welvoegelijke dienstvervulling wenschelijk was; het kwam voor dat Simon iets verlangde wat zich niet in huis bevond en er toch behoorde te wezen. En Demetria, juist omdat zij er op gesteld was alles goed te doen, voelde zich alsdan diep ongelukkig; zij bloosde van verlegenheid en vreesde telkens dat Simon haar geheel ongeschiktzou achten voor de eervolle taak, die hij haar had opgedragen. Simon had de grootste moeite haar bij zulke gelegenheden te troosten en te verzekeren, dat de wijsheid eerst met de ondervinding komt en ook de jongeling meermalen faalt alvorens hij de mannelijke plichten naar behooren weet te vervullen.
Demetria ontving vaak bezoeken van vriendinnen welke kwamen uitvisschen, of zij met goed gevolg vóór den eersten huwelijksnacht den door Solon voorgeschreven appel had genuttigd, die de zekerheid moest verschaffen dat het huwelijk niet onvruchtbaar zou blijven. Met verbazing vernamen deze de wijze waarop Simon het huwelijksleven opvatte. Inwendig waren ze verschrikkelijk jaloersch, doch tegenover elkander veinsden zij den man te beklagen, die op zoo onverantwoordelijke wijze van alle gezag in huis afstand deed. «Dat wordt een huishouden als van Alkinoös, den Phaiaken-koning. Ge weet wel, toen Odysseus op Scheria geland was, zeide Athene tot hem dat hij vooral zich eerst moest wenden tot de koningin Arete; Alkinoös kwam er minder op aan. Maar zooiets behoort toch eigenlijk niet aldus te wezen.»
Simon en Demetria oordeelden het aldus uitstekend en te grooter was dan ook het gevoel van weemoed hetwelk eerstgenoemde vervulde nu hij voorzag, dat zijn geluk van zoo korten duur zou wezen. Hij had reeds gepoogd zich omtrent de gezindheid der goden zekerheid te verschaffen; in voorteekenen toch kon men zich vergissen en er waren zelfs lieden, die er minder aan hechtten, maar de ondervinding bij een offer opgedaan was betrouwbaarder. En zoo had hij voor eenige dagen zich opgemaakt om een offer te brengen aan den oppergod, hopende dat Zeus het in genade mocht aannemen, al had hij dan ook wellicht onwetend iets misdaan. Doch terwijl men naar het altaar schreed, was hij gestruikeld en de krans hem van het hoofd gevallen; van dat oogenblik af werd het offer nutteloos, daar het toch door de godheid niet aanvaard zou worden. Nog had hij eene laatste uitkomst gezocht en besloten zijne toevlucht te nemen tot de mantiek, berustend op het beginsel dat de goden bewustheid bezitten omtrent de toekomsten genegen zijn desgevraagd den twijfel der hulpelooze stervelingen op te lossen. En zoo was het geschied dat hij op den dag der volksvergadering zich buiten Athene had begeven, overtuigd van alsdan in zijne raadpleging niet gestoord te zullen worden. Hij had, in noordwestelijke richting gaande, den loop des Kephissos eenigen tijd gevolgd tot hij, het olijvenwoud aan den oever verlatend, eene kleine, licht glooiende vlakte had bereikt. Daar had hij zich nedergezet, met het gelaat naar het Noorden, zoodat hem het gunstige Oosten ter rechter-, het ongunstige Westen ter linkerzijde was gelegen. Hij had bij zichzelf uitgemaakt dat de vogelvlucht hem de gewenschte zekerheid zou verschaffen; de richting, door deze gevolgd, zou hem het begeerde uitsluitsel geven. En zoo zat hij daar, vóór zich starend in neerslachtige afwachting, vreezend wat komen zou, hopend, in den aanvang althans, dat zich geen vogel zou vertoonen; dat was wel niet een gunstige beschikking maar toch ook geen bepaald ongunstige en liet nog eene kleine plaats open voor de hoop, die, naar hijzelf op hetfeest van Pheidippides had betoogd, den stervelingen blijft schoon al het andere hun ontging. Doch, naarmate hij langer wachtte en toen geen vogel verscheen, ging hij anders denken. Neen! nog liever een ongunstig teeken dan in het geheel geen. In het laatste geval toch duurde de twijfel, die hem reeds zoo lang pijnigde, alweder voort; hij gaf de voorkeur aan eindelijke zekerheid, zij het dan ook....
Daar hoorde hij achter zich, in het olijvenwoud, geritsel. Hij zag om en bespeurde een lijster, die met kleine pasjes uit het bosch trippelde, hier en daar een insect van den grond pikkend. Beiden, de man en de vogel, bemerkten elkander in hetzelfde oogenblik en beiden schrikten van elkander, de man wellicht het meest. De lijster sloeg de vleugels uit en nam zijn vaart, snorrend vlak langs Simons gelaat, in ongunstige richting, van links naar rechts.
Terwijl Simon niet ver van den Kephissos gezeten was en in Athene het bloedige drama, zoo straks verhaald, werd afgespeeld, bevond Demetria zich alleen in het vrouwenvertrekharer woning. Zij had met een gebaar dat haar in den laatsten tijd eigen was geworden, de handen over den schoot gevouwen en was verzonken in gepeinzen over de toekomst. Maar die toekomst lag voor haar slechts weinige maanden verder en de ééne, groote gebeurtenis, die te wachten stond, hield al hare gedachten bezig. Zou dan ter deure worden uitgestoken een strook wol, het teeken, in verband met de huiselijke bemoeiing der vrouw, dat een meisje was geboren? Of wel zou het de olijftak wezen, symbool van het toekomstig optreden des mans in het burgerlijk leven? Zij hoopte bijna het eerste; zij voelde zich zóó zalig in haar rustig geluk als zij zich niet kon voorstellen dat een man, met al zijne bezigheden en beslommeringen, ooit zou kunnen wezen. Doch, aan den anderen kant, zou hare dochter immer een echtgenoot kunnen vinden gelijk Simon en niet hoogst waarschijnlijk een leven te gemoet gaan als de meeste Atheensche vrouwen? Dan moest het liever een jongen wezen; zij zou hem met Simon opvoeden tot een godvreezend en flink man; zij zouden hemsteeds voorhouden wat Glaukos in de Ilias zegt, dat zijn vader hèm bij zijn vertrek naar Troje heeft ingescherpt:
Altijd de eerste te zijn, uitstekende boven de andren.
Altijd de eerste te zijn, uitstekende boven de andren.
Simon had haar dat voorgelezen en toen had ze dadelijk het vers in haar geheugen geprent; dát was een mooie zinspreuk om een jongeling op zijn levensweg mede te geven. En zij moest glimlachen, bespeurende hoe de nog niet geboren knaap, die misschien een meisje zou wezen, in hare verbeelding reeds jongeling geworden was! Zij stelde zich toen weder het pasgeboren kind voor, hoe het kort na de geboorte om den met kransen en loof versierden haard werd rondgedragen en hoe het op den tienden dag een naam ontving, waarbij een groot feest gehouden en geofferd werd aan de godheden wien meer bijzonder der kinderen opvoeding en verpleging ter harte gingen. Op dat feest brachten de gasten allerlei geschenken voor den jonggeborene mede: gouden ringetjes, halve maantjes, zwaardjes, zilveren kettinkjes, klappertjes en kokertjes, met een bijzonder soort zaadkorrels gevuld tot afwering vantoovermiddelen en bezweringen. Zij zelve had die kleine zaakjes altijd zorgvuldig bewaard en was er steeds erg aan gehecht geweest. En toen ze als jong meisje voor een paar jaar door die zware ziekte was bezocht en reeds den zwarten sluier had aanschouwd, dien de dood haar voorhield, had zij gevraagd dat al die dingetjes, met haar poppen, in een mandje, door een platten steen bedekt, op haar graf zouden geplaatst worden en dat men om dat mandje een akanthos zou leiden; die zou dan mandje en steen met zijn gebladerte omwelven en, naar ze stellig meende, zou dat geheel een bekoorlijken aanblik opleveren. Zij wist niet hoe het kwam, maar zij had in dat tijdvak, nacht op nacht slapeloos terneder liggend, altijd aan dat mandje en dien akanthos gedacht en zich langzamerhand eene volkomen duidelijke voorstelling van het geheel gemaakt: omgebogen bladeren van verschillende hoogte zouden het voor het oog verscholen mandje omgeven, terwijl een dier bladeren, krachtiger dan de overige zich verheffend, op het midden van den deksteen als bloem zou ontluiken.Aan den beeldhouwer Rhoikos had zij later die voorstelling medegedeeld; hij had met belangstellende verbazing hare beschrijving aangehoord en opgetogen uitgeroepen: «Maar kind! hoe komt ge daaraan? Dat is een uitstekend motief voor een nieuwen kapiteelvorm!» Dat alles herinnerde zij zich terwijl ze daar in haar kalme lichamelijke en geestelijke rust zat te peinzen en plotseling, naarmate al die beelden uit vervlogen dagen voor haren geest verrezen, herinnerde zij zich tevens iets dat zij meende reeds lang vergeten te zijn: het grafschrift, door haar vriendinnetje Erinna gedurende hare ziekte vervaardigd. Ja! zóó was het; en half overluid, langzaam, droomerig, herhaalde zij de verzen, één voor één weder opdoemend uit den nevel, die ze bedekte:
Zuilen die rijst op mijn graf en marmren Sirenen daarboven;Doodsurn, gij die bedekt wat van mijn assche nog rest,Brengt mijnen groet aan den wandlaar die hier aan deez’ heuvel voorbijgaat,’t Zij hij Athener zich prijst, ’t zij hij als vreemdeling naakt.Zegt hem ook dat deze tombe een doode maagd houdt omvangen,Die zoo ongaarne verliet ’t stralende licht van de zon;Zegt hem dat men mij noemde Demetria; zegt dat ErinnaOp haar speelnootjes graf jammrend deez’ letteren schreef.
Zuilen die rijst op mijn graf en marmren Sirenen daarboven;
Doodsurn, gij die bedekt wat van mijn assche nog rest,
Brengt mijnen groet aan den wandlaar die hier aan deez’ heuvel voorbijgaat,
’t Zij hij Athener zich prijst, ’t zij hij als vreemdeling naakt.
Zegt hem ook dat deze tombe een doode maagd houdt omvangen,
Die zoo ongaarne verliet ’t stralende licht van de zon;
Zegt hem dat men mij noemde Demetria; zegt dat Erinna
Op haar speelnootjes graf jammrend deez’ letteren schreef.
Een geruisch deed haar omzien. Simon trad binnen. In Athene teruggekeerd, had hij den moord der Perzische gezanten vernomen en de overtuiging ontvangen, dat de thans onvermijdelijk geworden oorlog zijn doodvonnis zou wezen. Doch, met ijzeren wil, was hij er in geslaagd zich boven de omstandigheden te verheffen. «Wanneer ik het leven laat,» had hij tot zichzelf gesproken, «zal dat leven hebben kunnen strekken tot verdediging des vaderlands. En het vaderland staat boven het huisgezin; het welzijn van den staat boven dat van den enkelen mensch. Wat zijn wij, rampzalige stervelingen? Als de bladeren, die afvallen en verdorren, zijn de kinderen der menschen; spraak- en gevoelloos dwalen de schimmen der afgestorvenen rond, tenzij er een Odysseus verschijne, die haar voor eene korte pooze het bewustzijn weet te schenken. Het ware den mensch beter, aan hetgeen voorbijgaat zijn hart niet te hechten.»
Doch toen hij Demetria aanschouwde, kwamen de laatste woorden hem toch minder juist voor, dan toen hij ze zoo even in de eenzaamheid had geuit.
X.Het kamp der Atheners was opgeslagen ten zuidwesten van het vlek Marathon, tegen de hellingen van den Pentelikos. Miltiades, die, tot strateeg gekozen, van den aanvang af, hoezeer het commando tusschen hem en de negen andere strategen dagelijks afwisselde, door een ieder als de ziel der nationale verdediging beschouwd was, had besloten zich geenszins tot de verdediging van Athene te bepalen; hij vreesde de woelingen der Perzischgezinde partij, die elders reeds Eretria in handen des vijands gespeeld had. En zoo was men uitgerukt, zonder bepaald plan, vrij overhaast, want nauwelijks waren de strategen benoemd of Attische burgers, van Chalkis vluchtend, hadden vol ontzetting de nadering der Perzen aangekondigd. Eene bezetting was in Atheneachtergelaten, zoodat het veldleger niet meer bedroeg dan negenduizend hopliten, zwaargewapende voetknechten, en duizend slaven, die als schilddragers en lichtgewapenden dienst konden doen. Op marsch had men vernomen, dat de Perzen voornemens waren te landen in de baai van Marathon, welks vlakte, met eene lengte van negentien op eene breedte van drie kilometer, een uitstekend terrein aanbood voor hunne ruiterij, alleen reeds even sterk als de Atheensche troepen, en vanwaar Hippias den vijand zonder bezwaar naar Athene meende te kunnen leiden. Van dat oogenblik lag het voor de hand eene positie in te nemen, die den heerweg naar de hoofdstad dekte en de Atheensche bevelhebbers in staat stelde de gansche vlakte met het oog te beheerschen en iedere beweging des vijands gade te slaan. De positie was trouwens uitstekend gekozen en door de rotsachtige gesteldheid van het terrein benevens de aangelegde schanswerken zeer gemakkelijk ook tegen eene groote overmacht te verdedigen.Het was de zestiende der maand Metageitnion1.Reeds verscheidene dagen hadden beide legers tegenover elkander gestaan, de Atheners langzamerhand aan den aanblik der Perzen gewennend, deze laatsten, naar men meende, overleggend, hoe de geduchte positie en daarmede den weg naar Athene te forceeren. Een duizendtal Plataiërs hadden zich nog bij Miltiades gevoegd, zoodat de Helleensche strijdkrachten juist één tiende van die des vijands bedroegen. Maar voor een viertal dagen had Miltiades zich tot zijne troepen gewend en gevraagd, wie bereid was onmiddellijk naar Sparta te vertrekken ten einde aldaar, met uiteenzetting van den stand der zaken, nogmaals uitdrukkelijk op het zenden van spoedige en krachtige hulp aan te dringen. Tal van mannen hadden zich aangeboden, zoodat het lot moest beslissen en dit had Pheidippides, Simons zwager, aangewezen, die kort geleden zijn twintigsten verjaardag had gevierd en dus bij het veldleger ingedeeld was. Pheidippides gevoelde zich zeer gelukkig,al dadelijk het vaderland een gewichtigen dienst te kunnen bewijzen en had zich onmiddellijk op weg begeven, de beenen reppend met nog meer toewijding dan ten vorigen jare bij de Panathenaiën. De gesteldheid van het terrein maakte het gebruik van een paard onmogelijk; de weg moest te voet worden afgelegd.Simon bevond zich des morgens in gezelschap van den reusachtigen Kynaigeiros vóór de van paalwerk opgetrokken en met loof bedekte hut, welke hij met Pheidippides deelde. Naast hen stond een boer uit Marathon, bezig te verhalen hoe hij in den omtrek van het Perzische kamp een dareikos gevonden had. En hij toonde, met een tevreden gelaat, den dareikos aan de beide mannen: een fraai goudstuk met het beeld van koning Dareios aan de eene, dat van een boogschutter, op ééne knie neergebogen, aan de andere zijde. De boer was opgetogen over de rijke kleeding der Perzen, over hun fraaie paarden en had veel te vertellen van de zonderlinge volksstammen, die met hen medetrokken en hij sprak zoo veel en zoo lang, dat Simon vanverlangen begon te branden dat alles ook eens van nabij te aanschouwen en met eigen oogen te zien.«Ik heb lust,» zeide hij tot Kynaigeiros,«aan Stesilaos»—den strateeg, dien dag met het commando belast—«vergunning te vragen het Perzische kamp te verspieden. De begroeide heuvels rondom maken het gemakkelijk den vijand tot op een kleinen afstand onbemerkt te naderen.»Kynaigeiros raadde het af: «Bedenk dat ge een volk van barbaren over u hebt, onbetrouwbaar en wreed; een volk dat Eretria tot den grond afgebrand en alle inwoners, vriend en vijand, in slavernij weggevoerd heeft.»«Kunnen wij Atheners, die hunne gezanten vermoordden, een rechtmatig verwijt tot hen richten? Athene heeft den naam vaak ondoordachte handelingen te verrichten, die echter door de goden telkenmale ten goede worden geleid. Moge dit wederom geschieden in het beslissend uur dat nadert.»Op dat oogenblik vernam hij een ontevreden gebrom en omziende bespeurde hij Labes, denMolossischen hond van Pheidippides, die het leger gevolgd en gedurende zijns meesters afwezigheid aan Simons zorgen toevertrouwd was, uit de hut treden. Het kolossale dier was blijkbaar niet in zijn humeur; zonder op Simon te letten liep het door naar het schanswerk dat het kamp daar ter plaatse omgaf, zette er de voorpooten tegen zoodat het in de vlakte kon zien en liet een luid geblaf hooren. Simon volgde den blik des honds en bemerkte weldra de oorzaak van diens ontstemming. Sedert eenige dagen verscheen keer op keer voor de legerplaats een fraaie windhond uit het Perzische leger, van Egyptisch ras, met lange, rechtopstaande ooren, zooals men ze op de oude Egyptische monumenten en onder den naam vansloughiin onveranderde gedaante in het huidige Egypte aantreft. Dit dier nu, langzamerhand door het toewerpen van voedsel vertrouwelijk gemaakt, had zich ook heden in de nabijheid gewaagd en daarmede de groote ontevredenheid van Labes opgewekt, wiens zware stem in steeds dieper bastonen begon te weerklinken. En die houdingdes honds bracht Simon op een denkbeeld, dat hij ijlings uitvoerde.«St! Labes!» zeide hij, het dier aanhitsend, en Labes, wiens booze luim weinig aansporing noodig had, vloog over de verschansing en op den vreemden hond aan. Deze was zoozeer verdiept in de kennismaking met het been, hem juist door een hopliet toegeworpen, dat hij ook in verband met het uit het kamp opstijgende geruisch de komst zijns natuurgenoots niet bemerkte vóór deze hem in den nek gevat en gevoelig geknauwd had. Met een verbaasd gejank liet hij zijn been in den steek en nam zijn onverwachten vijand met een toornigen blik op; doch diens geweldige gestalte ontwarend en zichzelf blijkbaar meer voor de lange jacht op gazellen dan voor een tweegevecht berekend achtend, maakte hij ijlings rechtsomkeert en verdween in de richting van het Perzische kamp, slechts korten tijd achtervolgd door Labes, die weldra zijn eigen minderheid op het gebied van den wedloop moest erkennen en tevreden met de behaalde overwinning kwispelstaartend terugkeerde.Van den uitslag van dit gevecht had Simon het afhankelijk gemaakt of hij aan zijn voornemen gevolg zou geven, dan wel niet. Nu de victorie aan Helleensche zijde gebleven was, meende hij daarin een wenk te zien om in eerstgenoemden zin te handelen. Bevorens nam hij uit den nauwhalzigen korf, waarin de hopliet zijne levensmiddelen bewaarde, een stuk gezouten vleesch en een paar olijven, ten einde niet met ledige maag den tocht te ondernemen. Hij bood Kynaigeiros aan, den maaltijd te deelen, maar deze weigerde en reciteerde, op zijn zware lans leunend, de verzen van Kallinos:In mijn lanspunt bevindt zich mijn gerstebrood; ’k heb in mijn lanspuntIsmaros’ wijn en ik drink als ik mijn lans slechts bezit.Simon at derhalve alleen en begaf zich na verlof van den bevelvoerenden strateeg op weg, ten einde zoo mogelijk iets naders omtrent het Perzische leger te weten te komen. Een groote mate van rustigen moed vervulde sinds eenige dagen hem en zijne medekrijgers; een machtig vertrouwen op den triomf der grootenationale zaak, op den bijstand der goden en niet het minst van Pallas Athene, die reeds zoo vaak had getoond hoezeer zij der onder hare hoede staande stad genegen was. De zenuwachtige spanning, die maanden achtereen in Athene geheerscht en een uitweg gezocht had in den moord der gezanten, was geheel verdwenen zoodra de oorlog vaststond en men zich in het veld bevond, buiten den invloed der partijen, overtuigd dat men geen enkelen verrader in zijne rijen telde. Wel is waar hadden de meeste Helleensche steden uit vrees of kwaadwilligheid de Perzische zijde gekozen, doch Sparta had hulp toegezegd. En Sparta alléén gold voor velen. Simon herinnerde zich hoe hij door een ooggetuige den aanval had hooren beschrijven der Spartaansche phalanx. Met afgemeten passen, op de maat van het fluitspel en onder het zingen van een marschlied, rukten de gelederen op den vijand los, de hopliten vooraan, daarachter de heloten, die over de eerste rijen steenen en speren te midden der vijanden slingerden en dezen bij het vooruitdringen met knotsslagen afmaakten.De krijgsman, in den purperen mantel gehuld en het hoofd bekranst, geheel achter het geweldige schild verborgen, stootte, de tanden op de lip, met zwaard of lans er op los en week nooit van de zijde des nevenmans. Zóó had Simon een aanval der Spartanen hooren schilderen en hij hoopte van harte er weldra zelf getuige van te kunnen zijn. Wanneer zij zich onmiddellijk na de aankomst van Pheidippides op weg hadden begeven, waaraan hij niet twijfelde, konden zij over een paar dagen het kamp bereiken.Aldus peinzende stapte hij voort door de eikenbosschen waarmede de uitloopers van den Pentelikos, die zich in het zuidelijk gedeelte der vlakte glooiend tot aan de zee uitstrekten, bedekt waren; lichtgewapend, slechts met helm en zwaard. De eerste was niet meer zoo fraai als toen Demetria dien op zijn hoofd had geplaatst, prachtig gepoetst en gepolijst. Maar hij paste uitstekend en was niet zwaar, van het gewone soort, met beugel en beweegbare wangstukken, heel wat anders dan de helm van Pheidippides, die weer watbijzonders had moeten hebben en zich een Korinthisch model aangeschaft had, het geheele gelaat bedekkend, het bovenste gedeelte zelf een aangezicht verbeeldend, met een vuurrood geverfden paardestaart op den kam en allerlei mythologische voorstellingen in verhooging op de vlakken, erg mooi, maar zeer lastig in het gebruik. Zoo was Pheidippides altijd; hij kocht telkens dure zaken, die hem al heel spoedig verveelden. En hij herdacht hoe hij Pheidippides het eerst had aanschouwd, hardloopend op het feest der godin, terwijl hij op het oogenblik eveneens aan het hardloopen was in dienst van het vaderland, op zijn terugtocht, in Megaris waarschijnlijk of even in Attika. Hij herdacht verder, met een tintje van weemoed, hoe Demetria zich voor eenigen tijd op eens was gaan blanketten, in de vaste overtuiging, daar al hare vriendinnen het deden, dat het heel mooi stond en erg in zijn smaak zou vallen. Doch hij had er niets van willen weten. «Mijn liefste Demetria,» had hij gezegd, «wanneer ge me vroegt hoedanig de toestandvan ons vermogen is en ik legde u een volkomen leugenachtigen staat daarvan over, zoudt ge dan tevreden zijn?» «Voorzeker niet.» «En gelooft ge dan datiktevreden ben, nu ik eene Demetria aanschouw, geheel anders dan zij in werkelijkheid is? Toon ik niet genoegzaam dat ook de omhelzingen eener ongeverfde Demetria mij voldoende behagen? En mocht u dat anders toeschijnen, meent ge dat ge uwen echtgenoot met dien valschen schijn zoudt kunnen bedriegen?» Sedert had hij de blanketdoos niet meer gezien. Toen was, kort geleden, het scheidensuur gekomen, nadat ze hem zelf zijne uitrusting en wapenen had aangelegd: helm en lederen kolder met beweegbare schouderstukken, eng sluitend en beneden den gordel, waaraan het zwaard hing, in eene dubbele rij strooken uitloopend; de armen halverwege ontbloot; de beenen bedekt door metalen platen, van boven de knie tot den enkel reikend; over den rechter schouder een tweede gordel, waaraan het ronde schild, met een gedreven uil prijkend, was opgehangen. Zoo had hij voor haar gestaan, met de veertienvoet lange lans in de hand en ze had den moed gevonden hem toe te lachen door haar tranen heen. En met fierheid herdacht hij het woord dat zij gesproken had bij het afscheid, het woord, een Helleensche vrouw waardig, doch dat weinig Helleensche vrouwen zouden gevonden hebben. Hij had op zijn zwaard wijzend gezegd: «Het is wat kort, vergeleken bij de Perzische kromme sabels.» En zij had geantwoord: «Dan hebt ge slechts een stap meer voorwaarts te doen.» Ja! hij had goed gezien op het feest der Panathenaien; dat zestienjarige meisje met die rosbruine krulletjes was een goede, moedige vrouw geworden.Sedert eenigen tijd ving zijn oor een steeds aanzettend en verward gegons op. Het was de samensmelting der tallooze geluiden, die uit het vijandelijke kamp opstegen: commando’s van bevelhebbers, soldatenliederen, paardengehinnik, wapengekletter en honderd andere. Hij had, al peinzend, zijn doel niet uit het oog verloren en nam zijne richting langzamerhand zuidwaarts, wel zorg dragend zich binnen den boschrand te houden en behoedzamerloopend naarmate hij zijne bestemming naderde. De boomen werden trouwens kleiner en schaarscher; de eiken hadden plaats gemaakt voor struikgewas en hij voelde hoe de rotsgrond der heuvels langzamerhand door een drassiger bodem werd vervangen. Het bevreemdde hem; hij meende dat alleen de noordoosthoek moerassig was. «Hoe komt,» dacht hij, «Hippias, die Attika en de vlakte van Marathon zoo goed kent, er toe de Perzen hier positie te doen nemen? Het terrein moge geschikt zijn voor de ruiterij, maar bij eene nederlaag, met de zee van achteren en moerassen terzijde, komt er van het leger niet veel terecht.» Hij was thans dicht bij den vijand en als er geen struiken tusschen hen hadden gestaan, zou hij het kamp bespeurd hebben; uit de ineenvloeiing van klanken, die tot hem opsteeg, begonnen zich reeds enkele in zijn nabijheid af te scheiden: schetterende tonen eener barbaarsche muziek, van den een of anderen half wilden volksstam, uitdagend voor een oogenblik de lucht in sprankelend en plotseling verstommend; daarna een getrappel van paarden, die voortgeleidwerden, met het geschreeuw der geleiders er tusschen, in onbekende neusgeluiden. Hij liet zich neder op handen en voeten, omzichtig verder kruipend, toen hem bliksemsnel iets voorbij de oogen vloog en hij schier in hetzelfde oogenblik half geworgd ter aarde lag. Simon, de zoon van Panaitios, was door eenige onbereden Sagartische ruiters, die uit fourageeren waren en wier nadering hij door de weekheid van het terrein niet bespeurd had, met hun nationaal werptuig, den lazzo, gestrikt.111 September 490 v. C.
Het kamp der Atheners was opgeslagen ten zuidwesten van het vlek Marathon, tegen de hellingen van den Pentelikos. Miltiades, die, tot strateeg gekozen, van den aanvang af, hoezeer het commando tusschen hem en de negen andere strategen dagelijks afwisselde, door een ieder als de ziel der nationale verdediging beschouwd was, had besloten zich geenszins tot de verdediging van Athene te bepalen; hij vreesde de woelingen der Perzischgezinde partij, die elders reeds Eretria in handen des vijands gespeeld had. En zoo was men uitgerukt, zonder bepaald plan, vrij overhaast, want nauwelijks waren de strategen benoemd of Attische burgers, van Chalkis vluchtend, hadden vol ontzetting de nadering der Perzen aangekondigd. Eene bezetting was in Atheneachtergelaten, zoodat het veldleger niet meer bedroeg dan negenduizend hopliten, zwaargewapende voetknechten, en duizend slaven, die als schilddragers en lichtgewapenden dienst konden doen. Op marsch had men vernomen, dat de Perzen voornemens waren te landen in de baai van Marathon, welks vlakte, met eene lengte van negentien op eene breedte van drie kilometer, een uitstekend terrein aanbood voor hunne ruiterij, alleen reeds even sterk als de Atheensche troepen, en vanwaar Hippias den vijand zonder bezwaar naar Athene meende te kunnen leiden. Van dat oogenblik lag het voor de hand eene positie in te nemen, die den heerweg naar de hoofdstad dekte en de Atheensche bevelhebbers in staat stelde de gansche vlakte met het oog te beheerschen en iedere beweging des vijands gade te slaan. De positie was trouwens uitstekend gekozen en door de rotsachtige gesteldheid van het terrein benevens de aangelegde schanswerken zeer gemakkelijk ook tegen eene groote overmacht te verdedigen.
Het was de zestiende der maand Metageitnion1.Reeds verscheidene dagen hadden beide legers tegenover elkander gestaan, de Atheners langzamerhand aan den aanblik der Perzen gewennend, deze laatsten, naar men meende, overleggend, hoe de geduchte positie en daarmede den weg naar Athene te forceeren. Een duizendtal Plataiërs hadden zich nog bij Miltiades gevoegd, zoodat de Helleensche strijdkrachten juist één tiende van die des vijands bedroegen. Maar voor een viertal dagen had Miltiades zich tot zijne troepen gewend en gevraagd, wie bereid was onmiddellijk naar Sparta te vertrekken ten einde aldaar, met uiteenzetting van den stand der zaken, nogmaals uitdrukkelijk op het zenden van spoedige en krachtige hulp aan te dringen. Tal van mannen hadden zich aangeboden, zoodat het lot moest beslissen en dit had Pheidippides, Simons zwager, aangewezen, die kort geleden zijn twintigsten verjaardag had gevierd en dus bij het veldleger ingedeeld was. Pheidippides gevoelde zich zeer gelukkig,al dadelijk het vaderland een gewichtigen dienst te kunnen bewijzen en had zich onmiddellijk op weg begeven, de beenen reppend met nog meer toewijding dan ten vorigen jare bij de Panathenaiën. De gesteldheid van het terrein maakte het gebruik van een paard onmogelijk; de weg moest te voet worden afgelegd.
Simon bevond zich des morgens in gezelschap van den reusachtigen Kynaigeiros vóór de van paalwerk opgetrokken en met loof bedekte hut, welke hij met Pheidippides deelde. Naast hen stond een boer uit Marathon, bezig te verhalen hoe hij in den omtrek van het Perzische kamp een dareikos gevonden had. En hij toonde, met een tevreden gelaat, den dareikos aan de beide mannen: een fraai goudstuk met het beeld van koning Dareios aan de eene, dat van een boogschutter, op ééne knie neergebogen, aan de andere zijde. De boer was opgetogen over de rijke kleeding der Perzen, over hun fraaie paarden en had veel te vertellen van de zonderlinge volksstammen, die met hen medetrokken en hij sprak zoo veel en zoo lang, dat Simon vanverlangen begon te branden dat alles ook eens van nabij te aanschouwen en met eigen oogen te zien.
«Ik heb lust,» zeide hij tot Kynaigeiros,«aan Stesilaos»—den strateeg, dien dag met het commando belast—«vergunning te vragen het Perzische kamp te verspieden. De begroeide heuvels rondom maken het gemakkelijk den vijand tot op een kleinen afstand onbemerkt te naderen.»
Kynaigeiros raadde het af: «Bedenk dat ge een volk van barbaren over u hebt, onbetrouwbaar en wreed; een volk dat Eretria tot den grond afgebrand en alle inwoners, vriend en vijand, in slavernij weggevoerd heeft.»
«Kunnen wij Atheners, die hunne gezanten vermoordden, een rechtmatig verwijt tot hen richten? Athene heeft den naam vaak ondoordachte handelingen te verrichten, die echter door de goden telkenmale ten goede worden geleid. Moge dit wederom geschieden in het beslissend uur dat nadert.»
Op dat oogenblik vernam hij een ontevreden gebrom en omziende bespeurde hij Labes, denMolossischen hond van Pheidippides, die het leger gevolgd en gedurende zijns meesters afwezigheid aan Simons zorgen toevertrouwd was, uit de hut treden. Het kolossale dier was blijkbaar niet in zijn humeur; zonder op Simon te letten liep het door naar het schanswerk dat het kamp daar ter plaatse omgaf, zette er de voorpooten tegen zoodat het in de vlakte kon zien en liet een luid geblaf hooren. Simon volgde den blik des honds en bemerkte weldra de oorzaak van diens ontstemming. Sedert eenige dagen verscheen keer op keer voor de legerplaats een fraaie windhond uit het Perzische leger, van Egyptisch ras, met lange, rechtopstaande ooren, zooals men ze op de oude Egyptische monumenten en onder den naam vansloughiin onveranderde gedaante in het huidige Egypte aantreft. Dit dier nu, langzamerhand door het toewerpen van voedsel vertrouwelijk gemaakt, had zich ook heden in de nabijheid gewaagd en daarmede de groote ontevredenheid van Labes opgewekt, wiens zware stem in steeds dieper bastonen begon te weerklinken. En die houdingdes honds bracht Simon op een denkbeeld, dat hij ijlings uitvoerde.
«St! Labes!» zeide hij, het dier aanhitsend, en Labes, wiens booze luim weinig aansporing noodig had, vloog over de verschansing en op den vreemden hond aan. Deze was zoozeer verdiept in de kennismaking met het been, hem juist door een hopliet toegeworpen, dat hij ook in verband met het uit het kamp opstijgende geruisch de komst zijns natuurgenoots niet bemerkte vóór deze hem in den nek gevat en gevoelig geknauwd had. Met een verbaasd gejank liet hij zijn been in den steek en nam zijn onverwachten vijand met een toornigen blik op; doch diens geweldige gestalte ontwarend en zichzelf blijkbaar meer voor de lange jacht op gazellen dan voor een tweegevecht berekend achtend, maakte hij ijlings rechtsomkeert en verdween in de richting van het Perzische kamp, slechts korten tijd achtervolgd door Labes, die weldra zijn eigen minderheid op het gebied van den wedloop moest erkennen en tevreden met de behaalde overwinning kwispelstaartend terugkeerde.
Van den uitslag van dit gevecht had Simon het afhankelijk gemaakt of hij aan zijn voornemen gevolg zou geven, dan wel niet. Nu de victorie aan Helleensche zijde gebleven was, meende hij daarin een wenk te zien om in eerstgenoemden zin te handelen. Bevorens nam hij uit den nauwhalzigen korf, waarin de hopliet zijne levensmiddelen bewaarde, een stuk gezouten vleesch en een paar olijven, ten einde niet met ledige maag den tocht te ondernemen. Hij bood Kynaigeiros aan, den maaltijd te deelen, maar deze weigerde en reciteerde, op zijn zware lans leunend, de verzen van Kallinos:
In mijn lanspunt bevindt zich mijn gerstebrood; ’k heb in mijn lanspuntIsmaros’ wijn en ik drink als ik mijn lans slechts bezit.
In mijn lanspunt bevindt zich mijn gerstebrood; ’k heb in mijn lanspunt
Ismaros’ wijn en ik drink als ik mijn lans slechts bezit.
Simon at derhalve alleen en begaf zich na verlof van den bevelvoerenden strateeg op weg, ten einde zoo mogelijk iets naders omtrent het Perzische leger te weten te komen. Een groote mate van rustigen moed vervulde sinds eenige dagen hem en zijne medekrijgers; een machtig vertrouwen op den triomf der grootenationale zaak, op den bijstand der goden en niet het minst van Pallas Athene, die reeds zoo vaak had getoond hoezeer zij der onder hare hoede staande stad genegen was. De zenuwachtige spanning, die maanden achtereen in Athene geheerscht en een uitweg gezocht had in den moord der gezanten, was geheel verdwenen zoodra de oorlog vaststond en men zich in het veld bevond, buiten den invloed der partijen, overtuigd dat men geen enkelen verrader in zijne rijen telde. Wel is waar hadden de meeste Helleensche steden uit vrees of kwaadwilligheid de Perzische zijde gekozen, doch Sparta had hulp toegezegd. En Sparta alléén gold voor velen. Simon herinnerde zich hoe hij door een ooggetuige den aanval had hooren beschrijven der Spartaansche phalanx. Met afgemeten passen, op de maat van het fluitspel en onder het zingen van een marschlied, rukten de gelederen op den vijand los, de hopliten vooraan, daarachter de heloten, die over de eerste rijen steenen en speren te midden der vijanden slingerden en dezen bij het vooruitdringen met knotsslagen afmaakten.De krijgsman, in den purperen mantel gehuld en het hoofd bekranst, geheel achter het geweldige schild verborgen, stootte, de tanden op de lip, met zwaard of lans er op los en week nooit van de zijde des nevenmans. Zóó had Simon een aanval der Spartanen hooren schilderen en hij hoopte van harte er weldra zelf getuige van te kunnen zijn. Wanneer zij zich onmiddellijk na de aankomst van Pheidippides op weg hadden begeven, waaraan hij niet twijfelde, konden zij over een paar dagen het kamp bereiken.
Aldus peinzende stapte hij voort door de eikenbosschen waarmede de uitloopers van den Pentelikos, die zich in het zuidelijk gedeelte der vlakte glooiend tot aan de zee uitstrekten, bedekt waren; lichtgewapend, slechts met helm en zwaard. De eerste was niet meer zoo fraai als toen Demetria dien op zijn hoofd had geplaatst, prachtig gepoetst en gepolijst. Maar hij paste uitstekend en was niet zwaar, van het gewone soort, met beugel en beweegbare wangstukken, heel wat anders dan de helm van Pheidippides, die weer watbijzonders had moeten hebben en zich een Korinthisch model aangeschaft had, het geheele gelaat bedekkend, het bovenste gedeelte zelf een aangezicht verbeeldend, met een vuurrood geverfden paardestaart op den kam en allerlei mythologische voorstellingen in verhooging op de vlakken, erg mooi, maar zeer lastig in het gebruik. Zoo was Pheidippides altijd; hij kocht telkens dure zaken, die hem al heel spoedig verveelden. En hij herdacht hoe hij Pheidippides het eerst had aanschouwd, hardloopend op het feest der godin, terwijl hij op het oogenblik eveneens aan het hardloopen was in dienst van het vaderland, op zijn terugtocht, in Megaris waarschijnlijk of even in Attika. Hij herdacht verder, met een tintje van weemoed, hoe Demetria zich voor eenigen tijd op eens was gaan blanketten, in de vaste overtuiging, daar al hare vriendinnen het deden, dat het heel mooi stond en erg in zijn smaak zou vallen. Doch hij had er niets van willen weten. «Mijn liefste Demetria,» had hij gezegd, «wanneer ge me vroegt hoedanig de toestandvan ons vermogen is en ik legde u een volkomen leugenachtigen staat daarvan over, zoudt ge dan tevreden zijn?» «Voorzeker niet.» «En gelooft ge dan datiktevreden ben, nu ik eene Demetria aanschouw, geheel anders dan zij in werkelijkheid is? Toon ik niet genoegzaam dat ook de omhelzingen eener ongeverfde Demetria mij voldoende behagen? En mocht u dat anders toeschijnen, meent ge dat ge uwen echtgenoot met dien valschen schijn zoudt kunnen bedriegen?» Sedert had hij de blanketdoos niet meer gezien. Toen was, kort geleden, het scheidensuur gekomen, nadat ze hem zelf zijne uitrusting en wapenen had aangelegd: helm en lederen kolder met beweegbare schouderstukken, eng sluitend en beneden den gordel, waaraan het zwaard hing, in eene dubbele rij strooken uitloopend; de armen halverwege ontbloot; de beenen bedekt door metalen platen, van boven de knie tot den enkel reikend; over den rechter schouder een tweede gordel, waaraan het ronde schild, met een gedreven uil prijkend, was opgehangen. Zoo had hij voor haar gestaan, met de veertienvoet lange lans in de hand en ze had den moed gevonden hem toe te lachen door haar tranen heen. En met fierheid herdacht hij het woord dat zij gesproken had bij het afscheid, het woord, een Helleensche vrouw waardig, doch dat weinig Helleensche vrouwen zouden gevonden hebben. Hij had op zijn zwaard wijzend gezegd: «Het is wat kort, vergeleken bij de Perzische kromme sabels.» En zij had geantwoord: «Dan hebt ge slechts een stap meer voorwaarts te doen.» Ja! hij had goed gezien op het feest der Panathenaien; dat zestienjarige meisje met die rosbruine krulletjes was een goede, moedige vrouw geworden.
Sedert eenigen tijd ving zijn oor een steeds aanzettend en verward gegons op. Het was de samensmelting der tallooze geluiden, die uit het vijandelijke kamp opstegen: commando’s van bevelhebbers, soldatenliederen, paardengehinnik, wapengekletter en honderd andere. Hij had, al peinzend, zijn doel niet uit het oog verloren en nam zijne richting langzamerhand zuidwaarts, wel zorg dragend zich binnen den boschrand te houden en behoedzamerloopend naarmate hij zijne bestemming naderde. De boomen werden trouwens kleiner en schaarscher; de eiken hadden plaats gemaakt voor struikgewas en hij voelde hoe de rotsgrond der heuvels langzamerhand door een drassiger bodem werd vervangen. Het bevreemdde hem; hij meende dat alleen de noordoosthoek moerassig was. «Hoe komt,» dacht hij, «Hippias, die Attika en de vlakte van Marathon zoo goed kent, er toe de Perzen hier positie te doen nemen? Het terrein moge geschikt zijn voor de ruiterij, maar bij eene nederlaag, met de zee van achteren en moerassen terzijde, komt er van het leger niet veel terecht.» Hij was thans dicht bij den vijand en als er geen struiken tusschen hen hadden gestaan, zou hij het kamp bespeurd hebben; uit de ineenvloeiing van klanken, die tot hem opsteeg, begonnen zich reeds enkele in zijn nabijheid af te scheiden: schetterende tonen eener barbaarsche muziek, van den een of anderen half wilden volksstam, uitdagend voor een oogenblik de lucht in sprankelend en plotseling verstommend; daarna een getrappel van paarden, die voortgeleidwerden, met het geschreeuw der geleiders er tusschen, in onbekende neusgeluiden. Hij liet zich neder op handen en voeten, omzichtig verder kruipend, toen hem bliksemsnel iets voorbij de oogen vloog en hij schier in hetzelfde oogenblik half geworgd ter aarde lag. Simon, de zoon van Panaitios, was door eenige onbereden Sagartische ruiters, die uit fourageeren waren en wier nadering hij door de weekheid van het terrein niet bespeurd had, met hun nationaal werptuig, den lazzo, gestrikt.
111 September 490 v. C.
111 September 490 v. C.
XI.Simon was gebracht naar het hoofdkwartier, de tent van Datis, een Meder, die met den jongeren Artaphernes, zoon van den stadhouder te Sardes, het opperbevel voerde. Hij had heel wat bekijks gehad op zijn tocht door het kamp en zelf een uitstekend gedeeltelijk overzicht van het Perzische leger ontvangen, al was het dan ook juist niet op de door hem gewenschte wijze. Woeste horden was hij voorbijgegaan, in schier primitieven natuurstaat,alleen met een lijfdoek om de heupen of wel de eene helft van het lichaam met vermiljoen, het andere met krijt geverfd, gewapend met vuursteenpuntige of slechts in het vuur geharde lansen, het hoofd bedekt met een ongelooide paardehuid, de ooren steil omhoog, de manen langs den rug fladderend. Perzische keurtroepen met tulband, schubbenpantser, wapenrok met halve mouwen, wijde, lange broek, korte werpspiets van kornoeljehout, dolk, boog en koker benevens het omvangrijk, puntig uitloopend teenen schild dat tijdens het gevecht rechtop in de aarde werd geplaatst ten einde den schutter de gelegenheid te geven gedekt zijn pijlen af te schieten. En daarnaast de tallooze meer of min beschaafde volksstammen van het onmetelijke rijk, dat zich seder Kambyses over twee werelddeelen uitstrekte: Egyptenaren met wit linnen kolders, draagbanden over de schouders, armen en beenen half ontbloot, met houten knuppels, van ijzeren knoppen voorzien, gewapend; Sarangers met wapenrokken in schreeuwende kleuren en laarzen tot aan deknie; Ethiopiërs in leeuwen- en panterhuiden gedost, gewapend met bogen van twee meter lengte; Arabieren in wijde, tot op de voeten afhangende en om de heupen gegorde japonnen, in deftige waardigheid naast hunne dromedarissen gezeten. Hier en daar wapperde een banier met de Perzische kleuren, blauw, rood en goud. En het trof Simon dat zich behalve de eigenlijke krijgslieden zoo verbazend veel personen in het kamp bevonden, die naar zijne opvatting van den oorlog beter tehuis gebleven waren: leger- en trosknechten, veel meer dan noodig scheen; vrouwen en kinderen en lichtekooien, van allerlei aard en slag. Het was een ontzettend gewriemel van menschen, zonder tucht en eenheid, met geweldig veel drukte en weinig orde; de bevelhebbers schreeuwend en vloekend, de minderen onwillig en slecht gedrild; een reusachtige lappendeken van honderden kleuren en tinten, door onbekwame hand in elkander gezet en bij de minste krachtige aanraking vaneen scheurend. Maar wat het meest Simons aandacht trok, was het groot aantal paarden dathij op zijn weg ontmoette. Hij zag er overal, bij troepjes van twintig, vijftig, honderd, glanzig en rond door het rustige leven in de vette Marathonsche weiden. En alle bewogen zich in dezelfde richting, strandwaarts, waarom begreep hij niet.Simon brak zich trouwens met de oplossing dezer vraag niet bijzonder het hoofd, want hij was vast overtuigd dat zijn laatste uur geslagen was en hij zijn avondmaal bij Hades zou nuttigen. De noodelooze wreedheid der Perzen was bekend; de gruwelen, vroeger te Miletos, thans te Naxos, Karystos en Eretria gepleegd, lieten daaromtrent geen twijfel over. Hij betreurde het, dat zijn dood niet, zooals hij gehoopt had, aan het vaderland ten zegen zou strekken en bereidde zich voor te sterven gelijk het den Helleen tegenover den barbaar betaamde.Zoo stond hij, nog steeds met het werpkoord om den hals, te midden der Sagartiërs, bij wie zich een Perzisch hoofdman had gevoegd, die hunne taal machtig was en als tolk bij Datis zou optreden. Daar trad de opperbevelhebberbinnen in gezelschap van een tweetal mindere krijgshoofden, in een purperen onderkleed, bedekt door een oppergewaad van scharlakenrood en wit, waarop met goud- en zilverdraad arenden en valken waren gestikt. Zijn linkerhand rustte op de met turkooizen en opalen versierde greep van het kromme zwaard. Beide mannen zagen elkander strak in het gelaat en Simon kon niet ontkennen, dat de Perzische krijger met zijn aristocratische, matte gelaatskleur en blauwzwarten, goed onderhouden baard, in zijn schitterend kostuum dat hij met waardigheid droeg, een hoogst gunstigen indruk maakte. Datis hoorde het verslag der gevangenneming oplettend aan, waarop de Sagartiërs, na Simon van den lazzo bevrijd te hebben, met hun geleider verdwenen.«Hoe is uw naam?» vroeg Datis na hun vertrek in tamelijk zuiver Helleensch.«Simon, zoon van Panaitios.»«Gij komt uit het kamp der Atheners?»«Ja.»«En met welk doel?»«Om het Perzische kamp te verkennen.»«Ge waart niet bevreesd den dood te vinden op dien tocht?»«De Hellenen vreezen den dood niet, die voor eene goede zaak wordt ondergaan. Zulk een dood is geen onheil en slechts voor onheil behoort men bevreesd te zijn.»Het antwoord scheen Datis te bevallen; hij knikte goedkeurend en vervolgde:«De dood is derhalve naar het u toeschijnt niet steeds een onheil?»«Hij kan integendeel de hoogste zaligheid wezen.»«En hoe?»Simon bedacht zich een oogenblik. Hij kwam tot het besluit, dat een aanschouwelijk voorbeeld beter binnen den geestelijken gezichtskring van een barbaar zou vallen, dan een omstandig betoog. En hij verhaalde het gebeurde met Kleobis en Biton, de beide jonge mannen uit Argos, die, toen hunne moeder als priesteres van Hera een godsdienstig feest in het heiligdom der godin wenschte bij te wonen en de ossen, die haar wagen zouden trekken, niet verschenen, zichzelf daarvoor spanden en de oude vrouwnaar den anderhalf uur ver gelegen tempel voerden. Het verzamelde volk had in luide bewoordingen de opofferende liefde der zonen, het onovertrefbaar geluk der moeder geprezen. Toen had deze in dankbare verrukking zich tot Hera gewend en gesmeekt dat deze haren zonen de schoonste belooning, de grootste weldaad mocht doen deelachtig worden, die den mensch kan te beurt vallen. En ziet! de beide jongelingen hadden zich, na het godsdienstig feest te hebben bijgewoond, in den tempel ter ruste gelegd en waren niet ontwaakt. Aldus had Hera de bede der moeder verhoord.Datis peinsde een oogenblik en sprak: «Ik dank u, Simon, zoon van Panaitios, voor uw schoon verhaal. Ge zeidet terecht dat de dood niet steeds een onheil is te noemen en zalig acht ik dan ook hen, die vallen zullen in den naderenden strijd, want voorzeker is het den mensch vaak beter te sterven dan te leven.»Verbaasd zag Simon het legerhoofd in het gelaat. Was dat een barbaar, de Pers met het fraaie, mannelijke gelaat waarover een droefgeestige tint lag; de man, die zoo wijze enernstige woorden uitte? Hij en alle Atheners met hem, hadden zich blijkbaar vergist in hunne beoordeeling van de geestelijke ontwikkeling des vijands.«Is het waar,» vroeg de bevelhebber wederom, «dat in Hellas de overwinnaar bij de Olympische spelen slechts een krans als zegeprijs ontvangt?»«Geen andere prijs valt hem ten deel.»«Een dergelijke prijs heeft dan voorzeker luttel waarde voor den man, die hem ontving.»«Integendeel; als een kostelijk en onwaardeerbaar goed wordt hij door den overwinnaar bewaard; geen heerlijker gave zou hem kunnen worden geschonken.»«Gij zijt wonderlijke lieden, gij Hellenen,» ging Datis voort. «Hoe nu? Het bezit van een bladerkrans maakt u gelukkig en ge verlangt als loon van de zege goud, zilver noch edelgesteenten! Ik wensch nog meer van u te vernemen; deel mijnen maaltijd, Simon; ge zijt heden mijn gast.»Datis met zijne beide onderbevelhebbers en Simon plaatsten zich aan den disch, die op des meesters bevel werd voorgediend. Simon verbaasdezich niet langer. De innemende vormen van het legerhoofd hadden hunne werking niet gemist en zonder de minste terughouding wisselden Pers en Helleen van gedachten, behagen scheppend in elkanders opvattingen, verschil van inzicht waardeerend ook bij vasthouden van eigen meening. En naarmate zij spraken, herinnerde Simon zich andere bijzonderheden, den indruk bevestigend dat men de Perzen ten onrechte barbaren noemde. Zoo was, toen Miltiades uit den Chersonosos naar Athene vluchtte, zijn oudste zoon Metiochos door den vijand gevangen genomen en voor Dareios gevoerd. Algemeen had men gevreesd dat de jonge man ter dood zou worden gebracht, doch in plaats daarvan was hij door den koning in vriendschap opgenomen en met weldaden overladen. Neen! ook deze was geen barbaar; hij zou hem, keerde hij ongerept terug, bevechten met al de kracht, die in hem was, doch de Perzen waren ontegenzeggelijk gansch andere menschen dan algemeen in Hellas werd aangenomen.De twee andere bevelhebbers, de Helleenschetaal niet machtig, hadden intusschen veelal met elkander gesproken en geweldig veel wijn gedronken. Ook Datis had zich hierin niet onbetuigd gelaten en groote bekers geledigd, zonder merkbaren invloed evenwel dan alleen dat zijn gesprek levendiger werd en hij zich in de vreemde taal vrijmoediger begon te uiten dan tot nogtoe. Simon achtte het verstandig de meest mogelijke matigheid te betrachten en met beminnelijke hoffelijkheid liet de gastheer hem geheel vrij zijn beker te vullen naarmate hem dit al of niet behaagde.«Ik begrijp niet, Simon,» zeide de Pers, «hoe ge aan de democratie boven de monarchie de voorkeur geeft. Wordt ge niet liever door een edelen leeuw dan door een morsigen ever geregeerd?»Simon wilde antwoorden. Plotseling werd de zware draperie, welke den voorhang der tent vormde, ter zijde geschoven en een schildwacht vroeg gehoor. Een man was door een patrouille betrapt, op zijn post slapend, en hij wachtte buiten. Moest men hem voor den veldheer brengen?«Ja!» antwoordde Datis. Hij was op eens zeer stil geworden en stond op, zwaar van den wijn. Tusschen de mannen der patrouille werd de nalatige binnengebracht. Het was een Milyer, onaanzienlijk van gestalte, op het hoofd een helm met vederbos en ijzeren ossenhoorns, een korte wapenrok aan het lijf, de beenen met purperen lappen omwonden, een speer in de hand. Hij beefde over al zijn leden en was eerst niet in staat te antwoorden toen Datis hem in zijn eigen taal de oorzaak zijner overtreding vroeg. De veldheer hield zich blijkbaar met moeite in, op het punt los te barsten, alleen zich bedwingend omdat hij er anders blijkbaar geen woord uit zou krijgen. Eindelijk kwam het: de schuldige had drie uren achtereen in de brandende zon gestaan tot hij het niet meer uit kon houden; toen had hij zich naar een boschje begeven vlak naast zijn post, met het voornemen daarop weder terug te keeren tegen den tijd dat hij zou worden afgelost. Maar in het boschje, in de schaduw, was het hem te sterk geworden bij die hitte en was hij ingeslapen. Hij wierp zich tot slotvan zijn verhaal op de knieën, jammerend en huilend, sidderend de handen omhoog heffend tot zijn geduchten meester, over den grond kruipend in akelige onzekerheid omtrent zijn lot.Maar Datis was onder het verhaal van den man allengs in eene geweldige verbolgenheid ontstoken. De aderen op zijn voorhoofd zwollen; de oogen liepen rood op en een diep, dof gebrom als van een wild dier rees in zijn keel. De groote massa wijn, die tot nogtoe onder gunstige omstandigheden slechts zijne beminnelijke eigenschappen sterker had doen uitkomen, wekte thans het onbedwongen dierlijke van zijn karakter tot heftigen storm. En toen de ander geeindigd had, barstte hij los, in godslasterlijke taal, vloekend en brullend, zonder eenige zelfbeheersching of poging daartoe, zichzelf opwindend tot woedende razernij. De lijdelijke houding des mans, die ineenkromp voor zijne voeten, in sprakelooze ontzetting over den bodem rollend, bedolven onder dien stortvloed van vreeselijkheden, prikkelde hem nog te meer, tot hij heesch en schor moest ophouden, rondziende overal om een nieuwenuitweg te vinden voor zijn toorn, waar woorden ontbraken. Toen, met een sprong ter zijde, gretig bukkend, nam hij een boog en koker, op een divan liggend en, met het schuim op den mond, in rauwe kreten, riep hij tot de krijgslieden, die in stomme onderworpenheid toehoorden:«Neemt hem op! Dáár! dáár! tegen den wand!»En zij gehoorzaamden en grepen den ellendige, reeds meer dood dan levend, en richtten hem omhoog, achteruit stappend, tegen den wand. Daar bleef hij staan, wezenloos, starend voor zich uit in doffe berusting.Datis, den boog in de hand, keerde om en begaf zich met groote schreden naar de tegenovergestelde zijde der tent. Allen weken eerbiedig, den meester in zijn toorn kennend, wetend dat een ieder, die het wagen mocht zich op zijn weg te plaatsen, vermorzeld zou worden. De Milyer, die des veldheers bewegingen met het oog gevolgd had, begreep wat hem wachtte en tevens dat verder smeeken nutteloos zou wezen; hij liet het hoofd op de borst hangen en wachtte zijn lot af. Ter bestemderplaatse aangekomen nam Datis een pijl en legde dien op den boog. Hij had voor het uiterlijk althans zijne bedaardheid terug erlangd en, zich tot Simon richtend, sprak hij:«Op welke wijze handelt gij, Atheners, met krijgslieden, die hun plicht vergeten?»«Wij onderzoeken hunne schuld wanneer onze geest zijne volle helderheid bezit en handelen naar dat onderzoek ons voorschrijft,» luidde het antwoord.«Zoo doen ook de Perzen en zij zijn van meening, dat de geest nooit helderder is dan wanneer de beker is rondgegaan. Het plan van den veldtocht, die u de vrijheid zal kosten, werd vastgesteld na een feestgelag van Dareios.»Simon herinnerde zich hoe ook Kynaigeiros hem verhaald had dat de Perzen gewoon waren het ontwerp van een krijgstocht in dronkenschap te beramen om het den volgenden dag, ontnuchterd, nogmaals te bespreken. Doch tot verdere beschouwingen werd hem geen tijd gelaten. Met forsche hand den vingerdikken leeuwendarm spannend, legde Datis op den Milyer aan en deed den pijl van den boogsnorren. Het was een meesterlijk schot en in het hart getroffen viel zijn slachtoffer met een lichte trilling dood neder. Het lijk werd weggebracht; niemand sprak een woord; men beschouwde de willekeur van des konings plaatsvervanger als eene geheel natuurlijke zaak. Wederom richtte Datis zich tot den Athener en sprak:«Simon, zoon van Panaitios, gij kunt gaan. Zeg aan de uwen bij uwe terugkomst wat ge gezien hebt: dat de Pers moed weet te eeren en schuld weet te straffen. Ik dank u voor uw bezoek en als over weinige dagen Athene aan mijne voeten ligt, zal ik er trotsch op wezen gezegepraald te hebben over mannen als gij.—Geleid den Athener buiten het kamp,» ging hij voort, zich tot den hoofdman der patrouille wendend, «en met uw leven staat ge er voor in dat hem geen leed geschiede.»Simon aarzelde. Een waardig antwoord op de snorkende taal des veldheers lag hem op de lippen, doch hij begreep het gevaarlijke en nuttelooze van een woordenstrijd met den beschonken en geprikkelden Pers en zweeg.Het leven van één Athener woog tegenover de tiendubbele macht des vijands te zwaar om het zonder noodzakelijkheid in de weegschaal te stellen.«Vaarwel, Datis,» sprak hij alleen en ging, door de patrouille begeleid. Hij zag, buiten gekomen, vreemd op; gedurende zijn verblijf in Datis’ tent was de avond gevallen en de maan, die den vorigen dag vol was geweest, verlichtte het uitgestrekte Perzische kamp en de heuvelrijen terzijde. Thans werd hij door een ander gedeelte der legerplaats geleid dan in den voorafgeganen middag en hij aanschouwde met verbazing wederom nieuwe, onbekende volksstammen, die hun beken hadden uitgestort in den geweldigen stroom, tot Hellas’ verderf ontketend: Assyriërs met metalen stormhoed, waaronder de regelmatig naast elkander aangebrachte lokken in stijve krullen naar beneden hingen; Kaspiërs met pelsrokken en korte, kromme sabels; Thrakiërs met een vossekop als hoofddeksel, hooge laarzen van muilezelvel, werpspiets, schild en dolk; Saken, de beste schutters van het leger, met spitse mutsen,wijde, lange broeken, boog en strijdbijl. Er kwam geen eind aan de bonte tentoonstelling van volken en kleederdrachten. En wederom werd Simon getroffen door het groot aantal paarden dat voorbijkwam, zonder uitzondering in de richting van het strand; telkens moest hij met zijne geleiders stilstaan of uitwijken. Eens waren het er wel tweehonderd tegelijk, alle sneeuwwit; dat waren Nisaiïsche paarden der Onsterfelijken, de tienduizend man sterke, adellijke, steeds op hetzelfde aantal gehouden lijfwacht des konings. Hij ontmoette er eene afdeeling van met hun veldteeken, een gouden adelaar met uitgespreide vleugels; zij droegen gouden harnassen en gouden granaatappels aan de schachten der lansen; zoo stapten zij voort, schitterend en blinkend in het maanlicht.Op eenigen afstand van het kamp werd Simon door de patrouille verlaten en hij nam den terugtocht aan, langs denzelfden weg dien hij des morgens had afgelegd. De belangrijke zaken, welke hij gedurende de laatste uren gezien had, hielden zijn geest onafgebroken bezig. Eerst het ontzaggelijke Perzische leger,een logge, lompe massa zonder samenhang en eenheid, juist zooals Kynaigeiros van zijn vader Euphorion vernomen had, halve wilden naast weeke poppen met meer bedienden en deernen dan hun eigen aantal bedroeg. En ook de beroemde lijfwacht had weinig indruk op hem gemaakt; prachtige gestalten voor een godsdienstige parade, maar weinig te vreezen met hun gouden harnassen en kostbare hoofdwrongen met diamanten aigrettes. Alleen de sterke ruiterij boezemde hem bezorgdheid in; het Atheensche leger telde uitsluitend voetknechten en met schrik stelde hij zich voor al die paarden, welke hij ontmoet had, en nog duizenden bovendien met krijgslieden op den rug in een wilden aanval. En wederom vroeg hij zich af waarom ze toch alle weggeleid werden, in dezelfde richting, naar het strand.Toen herdacht hij zijne ontmoeting met Datis, die eerst zulk een gunstigen indruk op hem gemaakt had maar weldra, onder den invloed van wijn en drift, een geheel ander man gebleken was te zijn. Hij kwam terug op zijn oordeel van straks; ja! hij was een barbaar,de Perzische veldheer, niet in den zin van een altijd ruw en ongevoelig man, maar van iemand, die alle zelfbeheersching mist; van wien telkens te vreezen valt dat hij een volgend oogenblik de tegenvoeter van zichzelf zal wezen; die heden weent bij een aandoenlijk schouwspel en morgen met de grootste onaandoenlijkheid eigenhandig bloed vergiet; door de improvisatie van het leven schokkend voortgejaagd, niet zelf dat leven na strenge voorbereiding en lange oefening ordenend en besturend. Hij was een barbaar, de veldheer, die zijn tienduizenden opvoerde tegen dat Athene, tot welks zonen Simon het zich thans meer dan ooit eene eer rekende te behooren, nu hij den afstand kon meten, welke hem ook van den meest ontwikkelden Aziaat scheidde. Neen, nimmer zou de godin toestaan dat hare stad en burcht aan de voeten zouden liggen der horden, welke hij zoo even had gadegeslagen.Simon had het struikgewas aan den zeekant verlaten en een tamelijk hoogen, onbegroeiden heuvel beklommen waarachter de eikenbosschen aanvingen, die zich tot het Atheensche kamp onafgebrokenuitstrekten. En op den door witten maanglans overgoten top aangekomen, gevoelde Simon, in dien verrukkelijken nazomernacht, met Perzië achter, Athene vóór zich, een heilige aandoening zich van hem meester maken en een gebed tot de godheid ontvlood, eer hij het zelf wist, zijn mond. «O Pallas Athene!» riep hij uit, de handen omhoog richtend, «of met welken anderen naam het u behaagt genoemd te worden, bescherm uw violenomkranste stad in de ure die naakt. En indien ge genadig mijne bede verhoort, Pallas Athene! zoo doe mij een teeken geworden, hetzij aardschok of donderslag of vogelvlucht, dat uw steun mij gewis zij.»Hij sprak en bleef onbewegelijk staan in zijn biddende houding, de oogen naar den glanzenden hemel gericht. En plotseling voer hem eene rilling door de leden van dankbare religieuse ontroering. Want, tegen het blauwe uitspansel boven hem, verschenen twee scherpgeteekende, witte gestalten, te paard, op het hoofd een eivormigen helm met een schitterende ster gekroond, een speer in de hand. Zij waren in levendig onderhoud gewikkelden Simon, hoezeer hij geen enkel geluid vernam, bespeurde duidelijk hare handbewegingen evenals de zich reppende pooten der rossen en de halzen en koppen, die nu en dan zich brieschend bewogen. En aan hun attributen herkende Simon zonder aarzeling de tweelingbroeders van Helena, de Dioskouren, die reeds voor het eind van den Trojaanschen oorlog gestorven en als tweelingsterren aan den hemel opgenomen waren: Kastor, den geduchten ruiter en Polydeukes, den ongeëvenaarden vuistvechter. Zij reden van het Oosten naar het Westen, in een lange baan, als wit marmeren spookachtige beelden op den blauwen achtergrond tot ze, heel ver, aan den horizon verdwenen.Dat was het teeken door Pallas Athene aan Simon gezonden, opdat hij verzekerd mocht zijn, dat zij in de komende ure hare stad zou bijstaan. Jubelend dankte hij Athenes schutsgodin, nu hij wist, dat de naderende strijd de stad ongerept zou laten. Zijn blik legde in tegenovergestelde richting de baan weder af, zoo even op het spoor der witte ruiters gevolgd,van het Westen naar het Oosten, tot hij gevestigd bleef op een schouwspel dat hem vervulde met schier niet minder verbazing dan het zoo even bespeurde.Van den top des heuvels was het Perzische kamp door de gesteldheid van het terrein aan het oog onttrokken, doch daarentegen aanschouwde men de zuidelijke zijde der halfcirkelvormige baai van Marathon en het daarvoor gelegen strand; gedeelten, die straks den omhoog gerichten blik van Simon niet getroffen hadden. Op dat onbewogen, helder verlichte zeevlak lag de Perzische vloot voor anker, de groote galeien van het troepenvervoer op den achtergrond, roerloos, als waren zij vastgegroeid in het water; dicht aan de kust de logge, buikige schepen voor het paardentransport, in een lange rij, zoover hij zien kon. Van elk dier transportschepen was een brug te water gelaten en over al die bruggen werden paarden in de schepen gevoerd en nog eens paarden en wederom paarden, heel klein op zoo grooten afstand. Zij kwamen van het strand, waadden een korte poos vóór zij debruggen betraden, en het was Simon als hoorde hij het geluid hunner hoeven zoo vaak zij vasten voet kregen op de planken, en de kreten hunner geleiders, die heel wat te stellen hadden met de opdringende dieren, weelderig na dagen van rust en goed voedsel. Daar ging juist, op een der schepen, een stoet sneeuwwitte paarden der Onsterfelijken naar binnen, telkens meer en nog meer. De schepen wiegelden zacht heen en weder, in de branding.Toen begreep Simon welke de reden was dat hij op zijne beide tochten door het Perzische kamp zoo ontzettend veel paarden had ontmoet. De dieren werden in alle stilte ingescheept. Was het omdat de weiden van Marathon hun geen genoegzaam voedsel meer aanboden? Of wanhoopte de bevelhebber wellicht aan de mogelijkheid om de geduchte stelling der Atheners te forceeren en zou het geheele leger volgen om op een ander punt der Attische kust te landen, vanwaar Athene met minder gevaar te bereiken was en men gemakkelijker voeling kon krijgen met de Perzischgezinde partij aldaar? Het laatste kwam hem het waarschijnlijkstvoor. Hoe het zij, de ontdekking was van onberekenbaar groot belang en met vluggen tred repte hij zich door de bosschen naar het kamp der zijnen.Nauwelijks had hij, door den wachtpost herkend en toegelaten, de buitenste schanswerken betreden of hij zag op eenigen afstand een groep mannen naderen, in druk gesprek. Hij herkende Miltiades wiens commando van één dag—het was even na middernacht—juist was ingetreden, in gezelschap van een drietal andere strategen en den polemarch Kallimachos, den archon met de leiding der oorlogszaken van den Atheenschen staat belast. Bij hen bevond zich Pheidippides, zoo even van zijn looptocht naar Sparta teruggekeerd, vol rechtmatigen trots over de wijze waarop hij zijne taak vervuld had. De afstand van tweehonderdvijftig kilometer, die Marathon van Sparta scheidt, was beide keeren binnen tweemaal vierentwintig uren door hem afgelegd. Hij had dan ook eene uitdrukking van tevreden gewichtigheid op zijn gelaat, nog een weinig bleek na de geweldige inspanning; zichgeheel man voelend, met plotselinge opflikkeringen van pretmakerige ondeugd in zijn vioolkleurige oogen. Hij was bezig den uitslag van zijne zending te verhalen, met veel woorden, om er lang van te genieten: een godsdienstig voorschrift belette de Spartanen zich op marsch te begeven voordat de maan vol was. Dit nu had voor anderhalven dag plaats gehad; zij konden dus, zwaargewapend als zij waren, over twee dagen zijn aangekomen.Simon voegde zich bij de groep en deed op zijne beurt verslag van hetgeen hem overkomen was. Miltiades hoorde hem met belangstelling aan, de doordringende, heldere oogen voortdurend op zijn gelaat gevestigd. Hij prees Simon wegens zijn kloeke onderneming, met de beschermende welwillendheid en nederbuigende voornaamheid, die hem in Athene zooveel vijanden berokkend en zijne keus tot strateeg in de weegschaal gesteld hadden, maar zijn eigen waarde kennend en zich weinig bekommerend om het oordeel zijner landgenooten. Hij wenschte hem geluk met de hooge gunst waarin Simon blijkbaar bij degoden stond, nu hij zonder letsel uit zoo hachelijken toestand was teruggekeerd. En Simon dankte den grooten krijgsman voor zijne woorden, doch verhaalde niet wat hemzelf omtrent der goden gezindheid ontwijfelbaar was gebleken.Miltiades ontbood de overige strategen en begaf zich met hen en den polemarch naar zijne hut ten einde te bespreken wat na het door Pheidippides en Simon medegedeelde te doen stond. De beide laatstgenoemden traden hun gemeenschappelijk verblijf binnen en Pheidippides deed nogmaals aan zijn zwager een omstandig verhaal van zijn tocht, de woorden met zorg kiezend ter waardige inkleeding van een zoo gewichtig feit, tot zij zich eindelijk vermoeid ter rust begaven.
Simon was gebracht naar het hoofdkwartier, de tent van Datis, een Meder, die met den jongeren Artaphernes, zoon van den stadhouder te Sardes, het opperbevel voerde. Hij had heel wat bekijks gehad op zijn tocht door het kamp en zelf een uitstekend gedeeltelijk overzicht van het Perzische leger ontvangen, al was het dan ook juist niet op de door hem gewenschte wijze. Woeste horden was hij voorbijgegaan, in schier primitieven natuurstaat,alleen met een lijfdoek om de heupen of wel de eene helft van het lichaam met vermiljoen, het andere met krijt geverfd, gewapend met vuursteenpuntige of slechts in het vuur geharde lansen, het hoofd bedekt met een ongelooide paardehuid, de ooren steil omhoog, de manen langs den rug fladderend. Perzische keurtroepen met tulband, schubbenpantser, wapenrok met halve mouwen, wijde, lange broek, korte werpspiets van kornoeljehout, dolk, boog en koker benevens het omvangrijk, puntig uitloopend teenen schild dat tijdens het gevecht rechtop in de aarde werd geplaatst ten einde den schutter de gelegenheid te geven gedekt zijn pijlen af te schieten. En daarnaast de tallooze meer of min beschaafde volksstammen van het onmetelijke rijk, dat zich seder Kambyses over twee werelddeelen uitstrekte: Egyptenaren met wit linnen kolders, draagbanden over de schouders, armen en beenen half ontbloot, met houten knuppels, van ijzeren knoppen voorzien, gewapend; Sarangers met wapenrokken in schreeuwende kleuren en laarzen tot aan deknie; Ethiopiërs in leeuwen- en panterhuiden gedost, gewapend met bogen van twee meter lengte; Arabieren in wijde, tot op de voeten afhangende en om de heupen gegorde japonnen, in deftige waardigheid naast hunne dromedarissen gezeten. Hier en daar wapperde een banier met de Perzische kleuren, blauw, rood en goud. En het trof Simon dat zich behalve de eigenlijke krijgslieden zoo verbazend veel personen in het kamp bevonden, die naar zijne opvatting van den oorlog beter tehuis gebleven waren: leger- en trosknechten, veel meer dan noodig scheen; vrouwen en kinderen en lichtekooien, van allerlei aard en slag. Het was een ontzettend gewriemel van menschen, zonder tucht en eenheid, met geweldig veel drukte en weinig orde; de bevelhebbers schreeuwend en vloekend, de minderen onwillig en slecht gedrild; een reusachtige lappendeken van honderden kleuren en tinten, door onbekwame hand in elkander gezet en bij de minste krachtige aanraking vaneen scheurend. Maar wat het meest Simons aandacht trok, was het groot aantal paarden dathij op zijn weg ontmoette. Hij zag er overal, bij troepjes van twintig, vijftig, honderd, glanzig en rond door het rustige leven in de vette Marathonsche weiden. En alle bewogen zich in dezelfde richting, strandwaarts, waarom begreep hij niet.
Simon brak zich trouwens met de oplossing dezer vraag niet bijzonder het hoofd, want hij was vast overtuigd dat zijn laatste uur geslagen was en hij zijn avondmaal bij Hades zou nuttigen. De noodelooze wreedheid der Perzen was bekend; de gruwelen, vroeger te Miletos, thans te Naxos, Karystos en Eretria gepleegd, lieten daaromtrent geen twijfel over. Hij betreurde het, dat zijn dood niet, zooals hij gehoopt had, aan het vaderland ten zegen zou strekken en bereidde zich voor te sterven gelijk het den Helleen tegenover den barbaar betaamde.
Zoo stond hij, nog steeds met het werpkoord om den hals, te midden der Sagartiërs, bij wie zich een Perzisch hoofdman had gevoegd, die hunne taal machtig was en als tolk bij Datis zou optreden. Daar trad de opperbevelhebberbinnen in gezelschap van een tweetal mindere krijgshoofden, in een purperen onderkleed, bedekt door een oppergewaad van scharlakenrood en wit, waarop met goud- en zilverdraad arenden en valken waren gestikt. Zijn linkerhand rustte op de met turkooizen en opalen versierde greep van het kromme zwaard. Beide mannen zagen elkander strak in het gelaat en Simon kon niet ontkennen, dat de Perzische krijger met zijn aristocratische, matte gelaatskleur en blauwzwarten, goed onderhouden baard, in zijn schitterend kostuum dat hij met waardigheid droeg, een hoogst gunstigen indruk maakte. Datis hoorde het verslag der gevangenneming oplettend aan, waarop de Sagartiërs, na Simon van den lazzo bevrijd te hebben, met hun geleider verdwenen.
«Hoe is uw naam?» vroeg Datis na hun vertrek in tamelijk zuiver Helleensch.
«Simon, zoon van Panaitios.»
«Gij komt uit het kamp der Atheners?»
«Ja.»
«En met welk doel?»
«Om het Perzische kamp te verkennen.»
«Ge waart niet bevreesd den dood te vinden op dien tocht?»
«De Hellenen vreezen den dood niet, die voor eene goede zaak wordt ondergaan. Zulk een dood is geen onheil en slechts voor onheil behoort men bevreesd te zijn.»
Het antwoord scheen Datis te bevallen; hij knikte goedkeurend en vervolgde:
«De dood is derhalve naar het u toeschijnt niet steeds een onheil?»
«Hij kan integendeel de hoogste zaligheid wezen.»
«En hoe?»
Simon bedacht zich een oogenblik. Hij kwam tot het besluit, dat een aanschouwelijk voorbeeld beter binnen den geestelijken gezichtskring van een barbaar zou vallen, dan een omstandig betoog. En hij verhaalde het gebeurde met Kleobis en Biton, de beide jonge mannen uit Argos, die, toen hunne moeder als priesteres van Hera een godsdienstig feest in het heiligdom der godin wenschte bij te wonen en de ossen, die haar wagen zouden trekken, niet verschenen, zichzelf daarvoor spanden en de oude vrouwnaar den anderhalf uur ver gelegen tempel voerden. Het verzamelde volk had in luide bewoordingen de opofferende liefde der zonen, het onovertrefbaar geluk der moeder geprezen. Toen had deze in dankbare verrukking zich tot Hera gewend en gesmeekt dat deze haren zonen de schoonste belooning, de grootste weldaad mocht doen deelachtig worden, die den mensch kan te beurt vallen. En ziet! de beide jongelingen hadden zich, na het godsdienstig feest te hebben bijgewoond, in den tempel ter ruste gelegd en waren niet ontwaakt. Aldus had Hera de bede der moeder verhoord.
Datis peinsde een oogenblik en sprak: «Ik dank u, Simon, zoon van Panaitios, voor uw schoon verhaal. Ge zeidet terecht dat de dood niet steeds een onheil is te noemen en zalig acht ik dan ook hen, die vallen zullen in den naderenden strijd, want voorzeker is het den mensch vaak beter te sterven dan te leven.»
Verbaasd zag Simon het legerhoofd in het gelaat. Was dat een barbaar, de Pers met het fraaie, mannelijke gelaat waarover een droefgeestige tint lag; de man, die zoo wijze enernstige woorden uitte? Hij en alle Atheners met hem, hadden zich blijkbaar vergist in hunne beoordeeling van de geestelijke ontwikkeling des vijands.
«Is het waar,» vroeg de bevelhebber wederom, «dat in Hellas de overwinnaar bij de Olympische spelen slechts een krans als zegeprijs ontvangt?»
«Geen andere prijs valt hem ten deel.»
«Een dergelijke prijs heeft dan voorzeker luttel waarde voor den man, die hem ontving.»
«Integendeel; als een kostelijk en onwaardeerbaar goed wordt hij door den overwinnaar bewaard; geen heerlijker gave zou hem kunnen worden geschonken.»
«Gij zijt wonderlijke lieden, gij Hellenen,» ging Datis voort. «Hoe nu? Het bezit van een bladerkrans maakt u gelukkig en ge verlangt als loon van de zege goud, zilver noch edelgesteenten! Ik wensch nog meer van u te vernemen; deel mijnen maaltijd, Simon; ge zijt heden mijn gast.»
Datis met zijne beide onderbevelhebbers en Simon plaatsten zich aan den disch, die op des meesters bevel werd voorgediend. Simon verbaasdezich niet langer. De innemende vormen van het legerhoofd hadden hunne werking niet gemist en zonder de minste terughouding wisselden Pers en Helleen van gedachten, behagen scheppend in elkanders opvattingen, verschil van inzicht waardeerend ook bij vasthouden van eigen meening. En naarmate zij spraken, herinnerde Simon zich andere bijzonderheden, den indruk bevestigend dat men de Perzen ten onrechte barbaren noemde. Zoo was, toen Miltiades uit den Chersonosos naar Athene vluchtte, zijn oudste zoon Metiochos door den vijand gevangen genomen en voor Dareios gevoerd. Algemeen had men gevreesd dat de jonge man ter dood zou worden gebracht, doch in plaats daarvan was hij door den koning in vriendschap opgenomen en met weldaden overladen. Neen! ook deze was geen barbaar; hij zou hem, keerde hij ongerept terug, bevechten met al de kracht, die in hem was, doch de Perzen waren ontegenzeggelijk gansch andere menschen dan algemeen in Hellas werd aangenomen.
De twee andere bevelhebbers, de Helleenschetaal niet machtig, hadden intusschen veelal met elkander gesproken en geweldig veel wijn gedronken. Ook Datis had zich hierin niet onbetuigd gelaten en groote bekers geledigd, zonder merkbaren invloed evenwel dan alleen dat zijn gesprek levendiger werd en hij zich in de vreemde taal vrijmoediger begon te uiten dan tot nogtoe. Simon achtte het verstandig de meest mogelijke matigheid te betrachten en met beminnelijke hoffelijkheid liet de gastheer hem geheel vrij zijn beker te vullen naarmate hem dit al of niet behaagde.
«Ik begrijp niet, Simon,» zeide de Pers, «hoe ge aan de democratie boven de monarchie de voorkeur geeft. Wordt ge niet liever door een edelen leeuw dan door een morsigen ever geregeerd?»
Simon wilde antwoorden. Plotseling werd de zware draperie, welke den voorhang der tent vormde, ter zijde geschoven en een schildwacht vroeg gehoor. Een man was door een patrouille betrapt, op zijn post slapend, en hij wachtte buiten. Moest men hem voor den veldheer brengen?
«Ja!» antwoordde Datis. Hij was op eens zeer stil geworden en stond op, zwaar van den wijn. Tusschen de mannen der patrouille werd de nalatige binnengebracht. Het was een Milyer, onaanzienlijk van gestalte, op het hoofd een helm met vederbos en ijzeren ossenhoorns, een korte wapenrok aan het lijf, de beenen met purperen lappen omwonden, een speer in de hand. Hij beefde over al zijn leden en was eerst niet in staat te antwoorden toen Datis hem in zijn eigen taal de oorzaak zijner overtreding vroeg. De veldheer hield zich blijkbaar met moeite in, op het punt los te barsten, alleen zich bedwingend omdat hij er anders blijkbaar geen woord uit zou krijgen. Eindelijk kwam het: de schuldige had drie uren achtereen in de brandende zon gestaan tot hij het niet meer uit kon houden; toen had hij zich naar een boschje begeven vlak naast zijn post, met het voornemen daarop weder terug te keeren tegen den tijd dat hij zou worden afgelost. Maar in het boschje, in de schaduw, was het hem te sterk geworden bij die hitte en was hij ingeslapen. Hij wierp zich tot slotvan zijn verhaal op de knieën, jammerend en huilend, sidderend de handen omhoog heffend tot zijn geduchten meester, over den grond kruipend in akelige onzekerheid omtrent zijn lot.
Maar Datis was onder het verhaal van den man allengs in eene geweldige verbolgenheid ontstoken. De aderen op zijn voorhoofd zwollen; de oogen liepen rood op en een diep, dof gebrom als van een wild dier rees in zijn keel. De groote massa wijn, die tot nogtoe onder gunstige omstandigheden slechts zijne beminnelijke eigenschappen sterker had doen uitkomen, wekte thans het onbedwongen dierlijke van zijn karakter tot heftigen storm. En toen de ander geeindigd had, barstte hij los, in godslasterlijke taal, vloekend en brullend, zonder eenige zelfbeheersching of poging daartoe, zichzelf opwindend tot woedende razernij. De lijdelijke houding des mans, die ineenkromp voor zijne voeten, in sprakelooze ontzetting over den bodem rollend, bedolven onder dien stortvloed van vreeselijkheden, prikkelde hem nog te meer, tot hij heesch en schor moest ophouden, rondziende overal om een nieuwenuitweg te vinden voor zijn toorn, waar woorden ontbraken. Toen, met een sprong ter zijde, gretig bukkend, nam hij een boog en koker, op een divan liggend en, met het schuim op den mond, in rauwe kreten, riep hij tot de krijgslieden, die in stomme onderworpenheid toehoorden:
«Neemt hem op! Dáár! dáár! tegen den wand!»
En zij gehoorzaamden en grepen den ellendige, reeds meer dood dan levend, en richtten hem omhoog, achteruit stappend, tegen den wand. Daar bleef hij staan, wezenloos, starend voor zich uit in doffe berusting.
Datis, den boog in de hand, keerde om en begaf zich met groote schreden naar de tegenovergestelde zijde der tent. Allen weken eerbiedig, den meester in zijn toorn kennend, wetend dat een ieder, die het wagen mocht zich op zijn weg te plaatsen, vermorzeld zou worden. De Milyer, die des veldheers bewegingen met het oog gevolgd had, begreep wat hem wachtte en tevens dat verder smeeken nutteloos zou wezen; hij liet het hoofd op de borst hangen en wachtte zijn lot af. Ter bestemderplaatse aangekomen nam Datis een pijl en legde dien op den boog. Hij had voor het uiterlijk althans zijne bedaardheid terug erlangd en, zich tot Simon richtend, sprak hij:
«Op welke wijze handelt gij, Atheners, met krijgslieden, die hun plicht vergeten?»
«Wij onderzoeken hunne schuld wanneer onze geest zijne volle helderheid bezit en handelen naar dat onderzoek ons voorschrijft,» luidde het antwoord.
«Zoo doen ook de Perzen en zij zijn van meening, dat de geest nooit helderder is dan wanneer de beker is rondgegaan. Het plan van den veldtocht, die u de vrijheid zal kosten, werd vastgesteld na een feestgelag van Dareios.»
Simon herinnerde zich hoe ook Kynaigeiros hem verhaald had dat de Perzen gewoon waren het ontwerp van een krijgstocht in dronkenschap te beramen om het den volgenden dag, ontnuchterd, nogmaals te bespreken. Doch tot verdere beschouwingen werd hem geen tijd gelaten. Met forsche hand den vingerdikken leeuwendarm spannend, legde Datis op den Milyer aan en deed den pijl van den boogsnorren. Het was een meesterlijk schot en in het hart getroffen viel zijn slachtoffer met een lichte trilling dood neder. Het lijk werd weggebracht; niemand sprak een woord; men beschouwde de willekeur van des konings plaatsvervanger als eene geheel natuurlijke zaak. Wederom richtte Datis zich tot den Athener en sprak:
«Simon, zoon van Panaitios, gij kunt gaan. Zeg aan de uwen bij uwe terugkomst wat ge gezien hebt: dat de Pers moed weet te eeren en schuld weet te straffen. Ik dank u voor uw bezoek en als over weinige dagen Athene aan mijne voeten ligt, zal ik er trotsch op wezen gezegepraald te hebben over mannen als gij.—Geleid den Athener buiten het kamp,» ging hij voort, zich tot den hoofdman der patrouille wendend, «en met uw leven staat ge er voor in dat hem geen leed geschiede.»
Simon aarzelde. Een waardig antwoord op de snorkende taal des veldheers lag hem op de lippen, doch hij begreep het gevaarlijke en nuttelooze van een woordenstrijd met den beschonken en geprikkelden Pers en zweeg.Het leven van één Athener woog tegenover de tiendubbele macht des vijands te zwaar om het zonder noodzakelijkheid in de weegschaal te stellen.
«Vaarwel, Datis,» sprak hij alleen en ging, door de patrouille begeleid. Hij zag, buiten gekomen, vreemd op; gedurende zijn verblijf in Datis’ tent was de avond gevallen en de maan, die den vorigen dag vol was geweest, verlichtte het uitgestrekte Perzische kamp en de heuvelrijen terzijde. Thans werd hij door een ander gedeelte der legerplaats geleid dan in den voorafgeganen middag en hij aanschouwde met verbazing wederom nieuwe, onbekende volksstammen, die hun beken hadden uitgestort in den geweldigen stroom, tot Hellas’ verderf ontketend: Assyriërs met metalen stormhoed, waaronder de regelmatig naast elkander aangebrachte lokken in stijve krullen naar beneden hingen; Kaspiërs met pelsrokken en korte, kromme sabels; Thrakiërs met een vossekop als hoofddeksel, hooge laarzen van muilezelvel, werpspiets, schild en dolk; Saken, de beste schutters van het leger, met spitse mutsen,wijde, lange broeken, boog en strijdbijl. Er kwam geen eind aan de bonte tentoonstelling van volken en kleederdrachten. En wederom werd Simon getroffen door het groot aantal paarden dat voorbijkwam, zonder uitzondering in de richting van het strand; telkens moest hij met zijne geleiders stilstaan of uitwijken. Eens waren het er wel tweehonderd tegelijk, alle sneeuwwit; dat waren Nisaiïsche paarden der Onsterfelijken, de tienduizend man sterke, adellijke, steeds op hetzelfde aantal gehouden lijfwacht des konings. Hij ontmoette er eene afdeeling van met hun veldteeken, een gouden adelaar met uitgespreide vleugels; zij droegen gouden harnassen en gouden granaatappels aan de schachten der lansen; zoo stapten zij voort, schitterend en blinkend in het maanlicht.
Op eenigen afstand van het kamp werd Simon door de patrouille verlaten en hij nam den terugtocht aan, langs denzelfden weg dien hij des morgens had afgelegd. De belangrijke zaken, welke hij gedurende de laatste uren gezien had, hielden zijn geest onafgebroken bezig. Eerst het ontzaggelijke Perzische leger,een logge, lompe massa zonder samenhang en eenheid, juist zooals Kynaigeiros van zijn vader Euphorion vernomen had, halve wilden naast weeke poppen met meer bedienden en deernen dan hun eigen aantal bedroeg. En ook de beroemde lijfwacht had weinig indruk op hem gemaakt; prachtige gestalten voor een godsdienstige parade, maar weinig te vreezen met hun gouden harnassen en kostbare hoofdwrongen met diamanten aigrettes. Alleen de sterke ruiterij boezemde hem bezorgdheid in; het Atheensche leger telde uitsluitend voetknechten en met schrik stelde hij zich voor al die paarden, welke hij ontmoet had, en nog duizenden bovendien met krijgslieden op den rug in een wilden aanval. En wederom vroeg hij zich af waarom ze toch alle weggeleid werden, in dezelfde richting, naar het strand.
Toen herdacht hij zijne ontmoeting met Datis, die eerst zulk een gunstigen indruk op hem gemaakt had maar weldra, onder den invloed van wijn en drift, een geheel ander man gebleken was te zijn. Hij kwam terug op zijn oordeel van straks; ja! hij was een barbaar,de Perzische veldheer, niet in den zin van een altijd ruw en ongevoelig man, maar van iemand, die alle zelfbeheersching mist; van wien telkens te vreezen valt dat hij een volgend oogenblik de tegenvoeter van zichzelf zal wezen; die heden weent bij een aandoenlijk schouwspel en morgen met de grootste onaandoenlijkheid eigenhandig bloed vergiet; door de improvisatie van het leven schokkend voortgejaagd, niet zelf dat leven na strenge voorbereiding en lange oefening ordenend en besturend. Hij was een barbaar, de veldheer, die zijn tienduizenden opvoerde tegen dat Athene, tot welks zonen Simon het zich thans meer dan ooit eene eer rekende te behooren, nu hij den afstand kon meten, welke hem ook van den meest ontwikkelden Aziaat scheidde. Neen, nimmer zou de godin toestaan dat hare stad en burcht aan de voeten zouden liggen der horden, welke hij zoo even had gadegeslagen.
Simon had het struikgewas aan den zeekant verlaten en een tamelijk hoogen, onbegroeiden heuvel beklommen waarachter de eikenbosschen aanvingen, die zich tot het Atheensche kamp onafgebrokenuitstrekten. En op den door witten maanglans overgoten top aangekomen, gevoelde Simon, in dien verrukkelijken nazomernacht, met Perzië achter, Athene vóór zich, een heilige aandoening zich van hem meester maken en een gebed tot de godheid ontvlood, eer hij het zelf wist, zijn mond. «O Pallas Athene!» riep hij uit, de handen omhoog richtend, «of met welken anderen naam het u behaagt genoemd te worden, bescherm uw violenomkranste stad in de ure die naakt. En indien ge genadig mijne bede verhoort, Pallas Athene! zoo doe mij een teeken geworden, hetzij aardschok of donderslag of vogelvlucht, dat uw steun mij gewis zij.»
Hij sprak en bleef onbewegelijk staan in zijn biddende houding, de oogen naar den glanzenden hemel gericht. En plotseling voer hem eene rilling door de leden van dankbare religieuse ontroering. Want, tegen het blauwe uitspansel boven hem, verschenen twee scherpgeteekende, witte gestalten, te paard, op het hoofd een eivormigen helm met een schitterende ster gekroond, een speer in de hand. Zij waren in levendig onderhoud gewikkelden Simon, hoezeer hij geen enkel geluid vernam, bespeurde duidelijk hare handbewegingen evenals de zich reppende pooten der rossen en de halzen en koppen, die nu en dan zich brieschend bewogen. En aan hun attributen herkende Simon zonder aarzeling de tweelingbroeders van Helena, de Dioskouren, die reeds voor het eind van den Trojaanschen oorlog gestorven en als tweelingsterren aan den hemel opgenomen waren: Kastor, den geduchten ruiter en Polydeukes, den ongeëvenaarden vuistvechter. Zij reden van het Oosten naar het Westen, in een lange baan, als wit marmeren spookachtige beelden op den blauwen achtergrond tot ze, heel ver, aan den horizon verdwenen.
Dat was het teeken door Pallas Athene aan Simon gezonden, opdat hij verzekerd mocht zijn, dat zij in de komende ure hare stad zou bijstaan. Jubelend dankte hij Athenes schutsgodin, nu hij wist, dat de naderende strijd de stad ongerept zou laten. Zijn blik legde in tegenovergestelde richting de baan weder af, zoo even op het spoor der witte ruiters gevolgd,van het Westen naar het Oosten, tot hij gevestigd bleef op een schouwspel dat hem vervulde met schier niet minder verbazing dan het zoo even bespeurde.
Van den top des heuvels was het Perzische kamp door de gesteldheid van het terrein aan het oog onttrokken, doch daarentegen aanschouwde men de zuidelijke zijde der halfcirkelvormige baai van Marathon en het daarvoor gelegen strand; gedeelten, die straks den omhoog gerichten blik van Simon niet getroffen hadden. Op dat onbewogen, helder verlichte zeevlak lag de Perzische vloot voor anker, de groote galeien van het troepenvervoer op den achtergrond, roerloos, als waren zij vastgegroeid in het water; dicht aan de kust de logge, buikige schepen voor het paardentransport, in een lange rij, zoover hij zien kon. Van elk dier transportschepen was een brug te water gelaten en over al die bruggen werden paarden in de schepen gevoerd en nog eens paarden en wederom paarden, heel klein op zoo grooten afstand. Zij kwamen van het strand, waadden een korte poos vóór zij debruggen betraden, en het was Simon als hoorde hij het geluid hunner hoeven zoo vaak zij vasten voet kregen op de planken, en de kreten hunner geleiders, die heel wat te stellen hadden met de opdringende dieren, weelderig na dagen van rust en goed voedsel. Daar ging juist, op een der schepen, een stoet sneeuwwitte paarden der Onsterfelijken naar binnen, telkens meer en nog meer. De schepen wiegelden zacht heen en weder, in de branding.
Toen begreep Simon welke de reden was dat hij op zijne beide tochten door het Perzische kamp zoo ontzettend veel paarden had ontmoet. De dieren werden in alle stilte ingescheept. Was het omdat de weiden van Marathon hun geen genoegzaam voedsel meer aanboden? Of wanhoopte de bevelhebber wellicht aan de mogelijkheid om de geduchte stelling der Atheners te forceeren en zou het geheele leger volgen om op een ander punt der Attische kust te landen, vanwaar Athene met minder gevaar te bereiken was en men gemakkelijker voeling kon krijgen met de Perzischgezinde partij aldaar? Het laatste kwam hem het waarschijnlijkstvoor. Hoe het zij, de ontdekking was van onberekenbaar groot belang en met vluggen tred repte hij zich door de bosschen naar het kamp der zijnen.
Nauwelijks had hij, door den wachtpost herkend en toegelaten, de buitenste schanswerken betreden of hij zag op eenigen afstand een groep mannen naderen, in druk gesprek. Hij herkende Miltiades wiens commando van één dag—het was even na middernacht—juist was ingetreden, in gezelschap van een drietal andere strategen en den polemarch Kallimachos, den archon met de leiding der oorlogszaken van den Atheenschen staat belast. Bij hen bevond zich Pheidippides, zoo even van zijn looptocht naar Sparta teruggekeerd, vol rechtmatigen trots over de wijze waarop hij zijne taak vervuld had. De afstand van tweehonderdvijftig kilometer, die Marathon van Sparta scheidt, was beide keeren binnen tweemaal vierentwintig uren door hem afgelegd. Hij had dan ook eene uitdrukking van tevreden gewichtigheid op zijn gelaat, nog een weinig bleek na de geweldige inspanning; zichgeheel man voelend, met plotselinge opflikkeringen van pretmakerige ondeugd in zijn vioolkleurige oogen. Hij was bezig den uitslag van zijne zending te verhalen, met veel woorden, om er lang van te genieten: een godsdienstig voorschrift belette de Spartanen zich op marsch te begeven voordat de maan vol was. Dit nu had voor anderhalven dag plaats gehad; zij konden dus, zwaargewapend als zij waren, over twee dagen zijn aangekomen.
Simon voegde zich bij de groep en deed op zijne beurt verslag van hetgeen hem overkomen was. Miltiades hoorde hem met belangstelling aan, de doordringende, heldere oogen voortdurend op zijn gelaat gevestigd. Hij prees Simon wegens zijn kloeke onderneming, met de beschermende welwillendheid en nederbuigende voornaamheid, die hem in Athene zooveel vijanden berokkend en zijne keus tot strateeg in de weegschaal gesteld hadden, maar zijn eigen waarde kennend en zich weinig bekommerend om het oordeel zijner landgenooten. Hij wenschte hem geluk met de hooge gunst waarin Simon blijkbaar bij degoden stond, nu hij zonder letsel uit zoo hachelijken toestand was teruggekeerd. En Simon dankte den grooten krijgsman voor zijne woorden, doch verhaalde niet wat hemzelf omtrent der goden gezindheid ontwijfelbaar was gebleken.
Miltiades ontbood de overige strategen en begaf zich met hen en den polemarch naar zijne hut ten einde te bespreken wat na het door Pheidippides en Simon medegedeelde te doen stond. De beide laatstgenoemden traden hun gemeenschappelijk verblijf binnen en Pheidippides deed nogmaals aan zijn zwager een omstandig verhaal van zijn tocht, de woorden met zorg kiezend ter waardige inkleeding van een zoo gewichtig feit, tot zij zich eindelijk vermoeid ter rust begaven.