[Inhoud]XVI.Te Gadiatsj.Mensen die zich naar de Kathedraal begeven.Twee dagen na het tochtje op den Dnjéper, dat wij in het vorige hoofdstuk beschreven hebben, was het Zondag, en de zware klokken der stad Gadiatsj, de residentie van den hetman, die door Zijne Majesteit den tsaar van Rusland begunstigd werd, deden haar plechtig gelui hooren en noodigden de geloovigen tot de bijwoning der vroegmissen.De dag was nog nauwelijks aangebroken, en de stad Gadiatsj met al haar nauwe en kromme straten, haar lage gebouwen en haar lommerrijke tuinen, scheen in een half doorzichtigen sluier gehuld te zijn. De menschen, die van alle kanten toestroomden en zich naar de kathedraal begaven, schenen in een donker waas gehuld te zijn.Toch was het, ondanks de schemering, gemakkelijk te[144]zien, dat de meesten hunner tot den militairen stand behoorden.Den vorigen dag had het hard geregend, en de zoele lucht had een verkwikkende frischheid. Alles in de natuur was kalm, alles was nog stil onder de inwoners, zoo kalm en zoo stil, dat men het geluid der voetstappen op de natte straatsteenen hoorde; men zou de dauwdruppels hebben kunnen tellen, die er van de bladeren neervielen.De oude kathedraal scheen door een tuin omgeven te zijn. Men zag er allerlei boomen, die een grooten overvloed van vruchten beloofden.Een vrij talrijke menigte geloovigen had zich in de nabijheid der kathedraal verzameld, en terwijl men het uur afwachtte, waarop de dienst een aanvang zou nemen, sprak iedereen op een fluisterenden toon over allerlei onderwerpen.De oude rondreizende zanger, dien de lezer reeds kent, bevond zich ook onder deze menigte, evenals altijd vergezeld door zijn kleine vriendin, die het oude statige gebouw met eerbied aanstaarde.Hij zat op een trede van de stoep der kerk, als iemand, die van vermoeienis uitgeput is, en vertelde met een langzame en ernstige stem aan een talrijk gehoor, dat hem omgaf, door welke beproevingen de zielen der gestorvenen moeten heengaan, alvorens het hemelsch verblijf te bereiken. “Het is op de aarde, dat men door aanhoudende inspanning den hemel moet verdienen,†zei hij ten slotte.Na zijn verhaal besloten te hebben met een zucht, waarop de zuchten van de meesten der aanwezigen het antwoord gaven, scheen de oude zanger eensklaps in gedachten verzonken geraakt te zijn, en zijn peinzende blikken dwaalden doelloos naar de omringende plaatsen af, die uit de schaduw begonnen te voorschijn te treden.De stilte, die er ontstaan was, werd verbroken door de aankomst van twee jonge kozakken, die in het oog liepen door hun verwonderlijk lange snorren, door hun welgevormde[145]gestalte en door een deftigheid, eigen aan hen, die in beschaafde kringen verkeeren.“Wel bedankt, lief kind!†Blz. 150.“Wel bedankt, lief kind!†Blz. 150.[146]“Goeden dag, goeden dag!†zeiden de jonge kozakken; en zij namen hun mutsen af en zetten deze toen met zooveel bevalligheid weder op, dat men had kunnen denken, dat zij zich nooit met iets anders bezighielden dan met groeten.“Zou onze hetman ook komen?†vroegen verscheidene stemmen te gelijk.“Hij zal komen,†antwoordden de kozakken.Deze woorden, door twee heldere en welluidende stemmen uitgesproken, schenen den zanger uit zijn overpeinzingen te doen ontwaken, en terwijl hij met blijkbaar leedwezen de betere wereld vergat, waarheen zijn droomen hem hadden gebracht, achtte hij het toch zijn plicht, weder naar beneden af te dalen en zich bezig te houden met hetgeen de menigte zou bezighouden.“Mijn oogen zullen dan eindelijk onzen hetman kunnen bewonderen!†zei hij.“Zal de vrouw van den hetman ook meekomen?†vroeg een jonge vrouw.“Die zal ook meekomen,†antwoordden de kozakken.“En zijn schoonzuster?â€â€œHet is waarschijnlijk, dat die ook zal komen.â€â€œWelke schoonzuster?†vroeg de oude zanger.“Wel, de vrouw van den schoonbroeder van onzen hetman, Mefodijewna,†antwoordden verscheidene stemmen hem.“Mefodijewna!†herhaalde de oude zanger. “Bij ons hoort men nooit over haar spreken. Staat zij bij onzen hetman en zijn vrouw in de gunst?â€â€œDat zou ik denken!†antwoordde iemand. “Zij hoeft maar een vinger te verroeren, en alles geschiedt overeenkomstig haar wensen!â€â€œZoo! Dus geniet zij een zeer hooge gunst. Dat is zeker een groot geluk voor haar.â€â€œGunst!†riep met toornige oogen een grijsaard uit. “Gunst! Is dat een woord gemaakt om op zoo’n vrouw toegepast te worden? Mefodijewna, moet u weten, bekommert zich volstrekt[147]niet over de gunsten van iemand, wie het ook zij. Als u haar eenmaal gezien hebt, zult u dat wel begrijpen. Zij is recht als een pijl en men bemerkt gemakkelijk, dat zij het hoofd nooit voor iemand gebogen heeft.â€â€œZij is dan zeker erg trotsch en hoogmoedig?†vroeg de oude zanger.En hij voegde er op een spreukachtigen toon bij:“De hoogmoedige is slechts een zeepbel, die zich alleen opblaast om uiteen te spatten.â€â€œMaar wat zegt u daar, oude man?†vroeg een bejaarde vrouw met een achtenswaardig gelaat, wier oogen van verontwaardiging fonkelden. “Wat zegt u daar? Weet, dat u van haar spreekt, die de eer van de stad en van het land is. Mefodijewna is een weldadige vlam, een lamp in onze duisternis.“Om zoo schitterend te zijn,†hernam de stijfhoofdige zanger, “moet zij zich zeker nooit anders vertoonen dan blinkend van diamanten, bedekt met edelgesteenten, in goud gekleed!â€â€œJe hebt het glad mis,†riep er een uit de menigte uit. “Zij gaat zoo eenvoudig gekleed, dat men haar, als zij niet zulke fonkelend zwarte oogen had, niet van anderen zou kunnen onderscheiden.â€â€œZij kleedt zich als een eenvoudige burgeres,†zei een jonge kozak; “zij hangt de groote dame niet uit, en zij is overal, waar zij kan weldoen, zonder opgemerkt te worden.â€â€œVergeef het mij!†zei de zanger. “Ik heb, zooals ik zie, uw heilige gelasterd, maar zij heeft er niets bij verloren. Ik heb u daardoor tenminste in de gelegenheid gesteld, haar hulde te bewijzen … Zoudt u mij ook kunnen zeggen, jongeman, wie die prachtig gekleede heeren zijn, die men overal in de stad ontmoet? Zouden zij ook heiligen zijn?â€â€œHeiligen! Wel zeker niet. Het zijn vorsten, Moscovitische prinsen. Kunt u dat niet zien aan hun deftigen gang, aan hun oogen, die zij maar half opendoen en aan hun verachtelijk[148]opgetrokken neuzen? Het zijn de gasten van onzen hetman. Acht dagen geleden was zijn huis er zóó vol van, dat de vrienden van de Ukraine er zich ongerust over maakten. Maar, dank zij den invloed van Mefodijewna op haar zuster en op haar schoonbroer, den hetman, zijn er, naar men zegt, al heel wat van hen vertrokken.â€â€œVertrokken! En waarom? Hinderden die trotsche menschen dan iemand?â€â€œVraag dat maar aan Mefodijewna; zij vindt misschien, dat het oogenblik niet gunstig gekozen is, om, terwijl de helft van de Ukraine door de Russische bataljons overweldigd is, zoovele deftige heeren te ontvangen. Dat leidt onzen hetman te veel af.â€â€œOm de waarheid te zeggen,†verzekerde een nieuwe spreker, “vermaakt men zich sedert acht dagen minder in het paleis. De hetman tracht zijn gasten niet meer bij zich te houden. Hij schijnt zich te midden van hen niet op zijn gemak te gevoelen, en men zegt, dat er weldra geen enkele meer in het land zal overblijven.â€Er ontstond plotseling een diep stilzwijgen. Men zag vader Mikaïl de straat langzaam doorloopen en naar de kerkdeur toe gaan. Zij, die zaten, stonden op. Zij, die reeds overeind waren, gingen op hun teenen staan.Vader Mikaïl vertoonde in geheel zijn persoon het beeld van den goeden herder. Zijn gemeenteleden vereerden hem hoog. Men trachtte in het voorbijgaan zijn zegen te ontvangen. Men zag aan zijn geheele houding, dat het niet alleen zijn hand was, welke dien zegen gaf, maar dat deze uit zijn hart kwam.De zanger naderde den geestelijke insgelijks, terwijl hij Maroessia bij de hand hield.“Zegen ons, vader,â€zei hij, “zegen dit kind! Wij komen van verre om God in uw kerk te aanbidden.â€De goede geestelijke sloeg een welwillenden blik op den grijsaard en op het kind.[149]“Vader,†zei de zanger, “ik heb ingezien, dat het grootste vuur te midden der woestijn moet uitgaan, terwijl het groene hout brandt, wanneer het te midden van den haard valt; en ik ben de woestijn ontvlucht uit behoefte om menschen te zien en weer te vinden.â€Toen vader Mikaïl deze woorden hoorde, huiverde hij. Zijn heldere, vriendelijke oogen vestigden zich met bijzondere aandacht op den ouden pelgrim.Hij knikte ten bewijze van instemming met de woorden van den grijsaard en zei tegen hem:“Als ge van verre komt, als ge het geheele land doorkruist hebt, zult ge wel vele smarten gezien en vele gevaren ontmoet hebben. De wegen zijn niet veilig …â€â€œHij, die naakt is,†antwoordde de zanger, “behoeft niet te vreezen, dat men hem zijn hemd zal ontstelen. Hij, die niets anders dan zijn leven te verliezen heeft, brengt de dieven niet in verzoeking, en hij, die geen vrees voor den dood koestert, kan overal heengaan.â€De goede geestelijke huiverde opnieuw.“Staat ons koren nog te velde?†vroeg hij aan den zanger.Vader Mikaïl deed deze vraag langzaam, terwijl hij op ieder woord drukte, ofschoon de vraag zelf toch zoo eenvoudig was.“Ons koren,†antwoordde de zanger, “ligt in eenige streken reeds op den grond, en het zijn niet altijd de eigenaars, die het afgemaaid hebben. Wat het andere betreft, en ik spreek van dat der beste velden, ofschoon het overal nog niet geheel rijp is, geloof ik toch, dat het verstandig zou wezen, niet met de inzameling te wachten. Wie kan de stormen van morgen vooruitzien? Het koren, dat rijp is, staat prachtig, mijn vader!â€â€œDat God u verhoore, mijn zoon!†antwoordde de eerwaardige priester met kalmte; “ik bedank u voor de goede tijding, die ge mij brengt.â€â€œOnze hetman! Onze hetman!†riep men eensklaps van alle kanten.[150]Vader Mikaïl trad de kerk binnen.“Onze hetman ziet er vandaag niet bijzonder vroolijk uit,†merkte iemand onder de menigte op.“Je zou kunnen zeggen, dat hij er knorrig uitziet,†vond een ander.“Ik heb hem eergisteren ontmoet,†vertelde een oude vrouw. “Zijn voorhoofd was toen diep gerimpeld.â€De aankomst van twee andere personen maakte, dat de oude vrouw niet voortging.“De schoonzuster van den hetman,†fluisterde men van alle kanten.“Mefodijewna,†zei er een tegen den ouden zanger, terwijl hij hem aanstiet.Al had men hem dit ook niet gezegd, dan zou deze dat toch wel vermoed hebben. In hetgeen hij gehoord had, was niets overdrevens: het origineel beantwoordde volkomen aan het portret dat de menschen van haar geteekend hadden.Zij ging vlak voorbij Maroessia heen. Bij de laatste trede waagde het kieine meisje het, haar bij de mouw van haar geborduurd gewaad vast te grijpen.“Mevrouw,†zei ze zacht tegen haar, “u hebt dezen zakdoek laten vallen,†en zij bood haar een rooden zakdoek aan.De jonge vrouw bleef staan, keek naar den rooden zakdoek, vervolgens naar de kleine, die haar dien aanbood, en antwoordde:“Wel bedankt, lief kind! Het zou mij gespeten hebben, als ik hem verloren had.â€De groote oogen der beminlijke vrouw vestigden een doordringenden blik op het kind en wendden zich van haar met belangstelling naar den ouden zanger. “Je bent hier niet uit deze streken,†zei zij tegen het kind, “ik heb je ten minste nog nooit gezien; kom je van verre, beste meid?â€â€œVan heel ver,†antwoordde Maroessia.“Dan begrijp ik, waarom je er zoo vermoeid uitziet. Uit welk gedeelte van de Ukraine kom je dan?â€[151]“Dat hoofdje zal nooit al de namen kunnen onthouden van de plaatsen, die zij bezocht heeft,†zei de oude zanger. “Wij hebben vele dingen en vele menschen gezien, Mevrouw, goede en kwade, velden, vernield door de veldslagen, en koren, de laatste hoop van de Ukraine, nog te velde. Maar, God zij dank! wij hebben onzen weg gevonden; zooals men bij ons zegt: ofschoon de bespanning verkeerd is, gaat het rijtuig toch regelrecht naar de markt.â€Ukrains geestelijke.“Zoo,†antwoordde Mefodijewna, “hebben jullie veel gereisd! Welnu, als straks de dienst afgeloopen is, ga dan naar[152]den hetman toe, en vraag of hij niet een paar liederen wil hooren. Aan mij moet ge uw reis vertellen.â€Zij gaf met de hand, bij wijze van liefkoozing, een zacht tikje op de wang van Maroessia en verdween, te midden der menigte, in de kerk.Men hoorde reeds de stem van vader Mikaïl, die den dienst begon.[153]De jonge vrouw keerde zich plotseling om. Blz. 162.De jonge vrouw keerde zich plotseling om. Blz. 162.[154]
[Inhoud]XVI.Te Gadiatsj.Mensen die zich naar de Kathedraal begeven.Twee dagen na het tochtje op den Dnjéper, dat wij in het vorige hoofdstuk beschreven hebben, was het Zondag, en de zware klokken der stad Gadiatsj, de residentie van den hetman, die door Zijne Majesteit den tsaar van Rusland begunstigd werd, deden haar plechtig gelui hooren en noodigden de geloovigen tot de bijwoning der vroegmissen.De dag was nog nauwelijks aangebroken, en de stad Gadiatsj met al haar nauwe en kromme straten, haar lage gebouwen en haar lommerrijke tuinen, scheen in een half doorzichtigen sluier gehuld te zijn. De menschen, die van alle kanten toestroomden en zich naar de kathedraal begaven, schenen in een donker waas gehuld te zijn.Toch was het, ondanks de schemering, gemakkelijk te[144]zien, dat de meesten hunner tot den militairen stand behoorden.Den vorigen dag had het hard geregend, en de zoele lucht had een verkwikkende frischheid. Alles in de natuur was kalm, alles was nog stil onder de inwoners, zoo kalm en zoo stil, dat men het geluid der voetstappen op de natte straatsteenen hoorde; men zou de dauwdruppels hebben kunnen tellen, die er van de bladeren neervielen.De oude kathedraal scheen door een tuin omgeven te zijn. Men zag er allerlei boomen, die een grooten overvloed van vruchten beloofden.Een vrij talrijke menigte geloovigen had zich in de nabijheid der kathedraal verzameld, en terwijl men het uur afwachtte, waarop de dienst een aanvang zou nemen, sprak iedereen op een fluisterenden toon over allerlei onderwerpen.De oude rondreizende zanger, dien de lezer reeds kent, bevond zich ook onder deze menigte, evenals altijd vergezeld door zijn kleine vriendin, die het oude statige gebouw met eerbied aanstaarde.Hij zat op een trede van de stoep der kerk, als iemand, die van vermoeienis uitgeput is, en vertelde met een langzame en ernstige stem aan een talrijk gehoor, dat hem omgaf, door welke beproevingen de zielen der gestorvenen moeten heengaan, alvorens het hemelsch verblijf te bereiken. “Het is op de aarde, dat men door aanhoudende inspanning den hemel moet verdienen,†zei hij ten slotte.Na zijn verhaal besloten te hebben met een zucht, waarop de zuchten van de meesten der aanwezigen het antwoord gaven, scheen de oude zanger eensklaps in gedachten verzonken geraakt te zijn, en zijn peinzende blikken dwaalden doelloos naar de omringende plaatsen af, die uit de schaduw begonnen te voorschijn te treden.De stilte, die er ontstaan was, werd verbroken door de aankomst van twee jonge kozakken, die in het oog liepen door hun verwonderlijk lange snorren, door hun welgevormde[145]gestalte en door een deftigheid, eigen aan hen, die in beschaafde kringen verkeeren.“Wel bedankt, lief kind!†Blz. 150.“Wel bedankt, lief kind!†Blz. 150.[146]“Goeden dag, goeden dag!†zeiden de jonge kozakken; en zij namen hun mutsen af en zetten deze toen met zooveel bevalligheid weder op, dat men had kunnen denken, dat zij zich nooit met iets anders bezighielden dan met groeten.“Zou onze hetman ook komen?†vroegen verscheidene stemmen te gelijk.“Hij zal komen,†antwoordden de kozakken.Deze woorden, door twee heldere en welluidende stemmen uitgesproken, schenen den zanger uit zijn overpeinzingen te doen ontwaken, en terwijl hij met blijkbaar leedwezen de betere wereld vergat, waarheen zijn droomen hem hadden gebracht, achtte hij het toch zijn plicht, weder naar beneden af te dalen en zich bezig te houden met hetgeen de menigte zou bezighouden.“Mijn oogen zullen dan eindelijk onzen hetman kunnen bewonderen!†zei hij.“Zal de vrouw van den hetman ook meekomen?†vroeg een jonge vrouw.“Die zal ook meekomen,†antwoordden de kozakken.“En zijn schoonzuster?â€â€œHet is waarschijnlijk, dat die ook zal komen.â€â€œWelke schoonzuster?†vroeg de oude zanger.“Wel, de vrouw van den schoonbroeder van onzen hetman, Mefodijewna,†antwoordden verscheidene stemmen hem.“Mefodijewna!†herhaalde de oude zanger. “Bij ons hoort men nooit over haar spreken. Staat zij bij onzen hetman en zijn vrouw in de gunst?â€â€œDat zou ik denken!†antwoordde iemand. “Zij hoeft maar een vinger te verroeren, en alles geschiedt overeenkomstig haar wensen!â€â€œZoo! Dus geniet zij een zeer hooge gunst. Dat is zeker een groot geluk voor haar.â€â€œGunst!†riep met toornige oogen een grijsaard uit. “Gunst! Is dat een woord gemaakt om op zoo’n vrouw toegepast te worden? Mefodijewna, moet u weten, bekommert zich volstrekt[147]niet over de gunsten van iemand, wie het ook zij. Als u haar eenmaal gezien hebt, zult u dat wel begrijpen. Zij is recht als een pijl en men bemerkt gemakkelijk, dat zij het hoofd nooit voor iemand gebogen heeft.â€â€œZij is dan zeker erg trotsch en hoogmoedig?†vroeg de oude zanger.En hij voegde er op een spreukachtigen toon bij:“De hoogmoedige is slechts een zeepbel, die zich alleen opblaast om uiteen te spatten.â€â€œMaar wat zegt u daar, oude man?†vroeg een bejaarde vrouw met een achtenswaardig gelaat, wier oogen van verontwaardiging fonkelden. “Wat zegt u daar? Weet, dat u van haar spreekt, die de eer van de stad en van het land is. Mefodijewna is een weldadige vlam, een lamp in onze duisternis.“Om zoo schitterend te zijn,†hernam de stijfhoofdige zanger, “moet zij zich zeker nooit anders vertoonen dan blinkend van diamanten, bedekt met edelgesteenten, in goud gekleed!â€â€œJe hebt het glad mis,†riep er een uit de menigte uit. “Zij gaat zoo eenvoudig gekleed, dat men haar, als zij niet zulke fonkelend zwarte oogen had, niet van anderen zou kunnen onderscheiden.â€â€œZij kleedt zich als een eenvoudige burgeres,†zei een jonge kozak; “zij hangt de groote dame niet uit, en zij is overal, waar zij kan weldoen, zonder opgemerkt te worden.â€â€œVergeef het mij!†zei de zanger. “Ik heb, zooals ik zie, uw heilige gelasterd, maar zij heeft er niets bij verloren. Ik heb u daardoor tenminste in de gelegenheid gesteld, haar hulde te bewijzen … Zoudt u mij ook kunnen zeggen, jongeman, wie die prachtig gekleede heeren zijn, die men overal in de stad ontmoet? Zouden zij ook heiligen zijn?â€â€œHeiligen! Wel zeker niet. Het zijn vorsten, Moscovitische prinsen. Kunt u dat niet zien aan hun deftigen gang, aan hun oogen, die zij maar half opendoen en aan hun verachtelijk[148]opgetrokken neuzen? Het zijn de gasten van onzen hetman. Acht dagen geleden was zijn huis er zóó vol van, dat de vrienden van de Ukraine er zich ongerust over maakten. Maar, dank zij den invloed van Mefodijewna op haar zuster en op haar schoonbroer, den hetman, zijn er, naar men zegt, al heel wat van hen vertrokken.â€â€œVertrokken! En waarom? Hinderden die trotsche menschen dan iemand?â€â€œVraag dat maar aan Mefodijewna; zij vindt misschien, dat het oogenblik niet gunstig gekozen is, om, terwijl de helft van de Ukraine door de Russische bataljons overweldigd is, zoovele deftige heeren te ontvangen. Dat leidt onzen hetman te veel af.â€â€œOm de waarheid te zeggen,†verzekerde een nieuwe spreker, “vermaakt men zich sedert acht dagen minder in het paleis. De hetman tracht zijn gasten niet meer bij zich te houden. Hij schijnt zich te midden van hen niet op zijn gemak te gevoelen, en men zegt, dat er weldra geen enkele meer in het land zal overblijven.â€Er ontstond plotseling een diep stilzwijgen. Men zag vader Mikaïl de straat langzaam doorloopen en naar de kerkdeur toe gaan. Zij, die zaten, stonden op. Zij, die reeds overeind waren, gingen op hun teenen staan.Vader Mikaïl vertoonde in geheel zijn persoon het beeld van den goeden herder. Zijn gemeenteleden vereerden hem hoog. Men trachtte in het voorbijgaan zijn zegen te ontvangen. Men zag aan zijn geheele houding, dat het niet alleen zijn hand was, welke dien zegen gaf, maar dat deze uit zijn hart kwam.De zanger naderde den geestelijke insgelijks, terwijl hij Maroessia bij de hand hield.“Zegen ons, vader,â€zei hij, “zegen dit kind! Wij komen van verre om God in uw kerk te aanbidden.â€De goede geestelijke sloeg een welwillenden blik op den grijsaard en op het kind.[149]“Vader,†zei de zanger, “ik heb ingezien, dat het grootste vuur te midden der woestijn moet uitgaan, terwijl het groene hout brandt, wanneer het te midden van den haard valt; en ik ben de woestijn ontvlucht uit behoefte om menschen te zien en weer te vinden.â€Toen vader Mikaïl deze woorden hoorde, huiverde hij. Zijn heldere, vriendelijke oogen vestigden zich met bijzondere aandacht op den ouden pelgrim.Hij knikte ten bewijze van instemming met de woorden van den grijsaard en zei tegen hem:“Als ge van verre komt, als ge het geheele land doorkruist hebt, zult ge wel vele smarten gezien en vele gevaren ontmoet hebben. De wegen zijn niet veilig …â€â€œHij, die naakt is,†antwoordde de zanger, “behoeft niet te vreezen, dat men hem zijn hemd zal ontstelen. Hij, die niets anders dan zijn leven te verliezen heeft, brengt de dieven niet in verzoeking, en hij, die geen vrees voor den dood koestert, kan overal heengaan.â€De goede geestelijke huiverde opnieuw.“Staat ons koren nog te velde?†vroeg hij aan den zanger.Vader Mikaïl deed deze vraag langzaam, terwijl hij op ieder woord drukte, ofschoon de vraag zelf toch zoo eenvoudig was.“Ons koren,†antwoordde de zanger, “ligt in eenige streken reeds op den grond, en het zijn niet altijd de eigenaars, die het afgemaaid hebben. Wat het andere betreft, en ik spreek van dat der beste velden, ofschoon het overal nog niet geheel rijp is, geloof ik toch, dat het verstandig zou wezen, niet met de inzameling te wachten. Wie kan de stormen van morgen vooruitzien? Het koren, dat rijp is, staat prachtig, mijn vader!â€â€œDat God u verhoore, mijn zoon!†antwoordde de eerwaardige priester met kalmte; “ik bedank u voor de goede tijding, die ge mij brengt.â€â€œOnze hetman! Onze hetman!†riep men eensklaps van alle kanten.[150]Vader Mikaïl trad de kerk binnen.“Onze hetman ziet er vandaag niet bijzonder vroolijk uit,†merkte iemand onder de menigte op.“Je zou kunnen zeggen, dat hij er knorrig uitziet,†vond een ander.“Ik heb hem eergisteren ontmoet,†vertelde een oude vrouw. “Zijn voorhoofd was toen diep gerimpeld.â€De aankomst van twee andere personen maakte, dat de oude vrouw niet voortging.“De schoonzuster van den hetman,†fluisterde men van alle kanten.“Mefodijewna,†zei er een tegen den ouden zanger, terwijl hij hem aanstiet.Al had men hem dit ook niet gezegd, dan zou deze dat toch wel vermoed hebben. In hetgeen hij gehoord had, was niets overdrevens: het origineel beantwoordde volkomen aan het portret dat de menschen van haar geteekend hadden.Zij ging vlak voorbij Maroessia heen. Bij de laatste trede waagde het kieine meisje het, haar bij de mouw van haar geborduurd gewaad vast te grijpen.“Mevrouw,†zei ze zacht tegen haar, “u hebt dezen zakdoek laten vallen,†en zij bood haar een rooden zakdoek aan.De jonge vrouw bleef staan, keek naar den rooden zakdoek, vervolgens naar de kleine, die haar dien aanbood, en antwoordde:“Wel bedankt, lief kind! Het zou mij gespeten hebben, als ik hem verloren had.â€De groote oogen der beminlijke vrouw vestigden een doordringenden blik op het kind en wendden zich van haar met belangstelling naar den ouden zanger. “Je bent hier niet uit deze streken,†zei zij tegen het kind, “ik heb je ten minste nog nooit gezien; kom je van verre, beste meid?â€â€œVan heel ver,†antwoordde Maroessia.“Dan begrijp ik, waarom je er zoo vermoeid uitziet. Uit welk gedeelte van de Ukraine kom je dan?â€[151]“Dat hoofdje zal nooit al de namen kunnen onthouden van de plaatsen, die zij bezocht heeft,†zei de oude zanger. “Wij hebben vele dingen en vele menschen gezien, Mevrouw, goede en kwade, velden, vernield door de veldslagen, en koren, de laatste hoop van de Ukraine, nog te velde. Maar, God zij dank! wij hebben onzen weg gevonden; zooals men bij ons zegt: ofschoon de bespanning verkeerd is, gaat het rijtuig toch regelrecht naar de markt.â€Ukrains geestelijke.“Zoo,†antwoordde Mefodijewna, “hebben jullie veel gereisd! Welnu, als straks de dienst afgeloopen is, ga dan naar[152]den hetman toe, en vraag of hij niet een paar liederen wil hooren. Aan mij moet ge uw reis vertellen.â€Zij gaf met de hand, bij wijze van liefkoozing, een zacht tikje op de wang van Maroessia en verdween, te midden der menigte, in de kerk.Men hoorde reeds de stem van vader Mikaïl, die den dienst begon.[153]De jonge vrouw keerde zich plotseling om. Blz. 162.De jonge vrouw keerde zich plotseling om. Blz. 162.[154]
XVI.Te Gadiatsj.
Mensen die zich naar de Kathedraal begeven.Twee dagen na het tochtje op den Dnjéper, dat wij in het vorige hoofdstuk beschreven hebben, was het Zondag, en de zware klokken der stad Gadiatsj, de residentie van den hetman, die door Zijne Majesteit den tsaar van Rusland begunstigd werd, deden haar plechtig gelui hooren en noodigden de geloovigen tot de bijwoning der vroegmissen.De dag was nog nauwelijks aangebroken, en de stad Gadiatsj met al haar nauwe en kromme straten, haar lage gebouwen en haar lommerrijke tuinen, scheen in een half doorzichtigen sluier gehuld te zijn. De menschen, die van alle kanten toestroomden en zich naar de kathedraal begaven, schenen in een donker waas gehuld te zijn.Toch was het, ondanks de schemering, gemakkelijk te[144]zien, dat de meesten hunner tot den militairen stand behoorden.Den vorigen dag had het hard geregend, en de zoele lucht had een verkwikkende frischheid. Alles in de natuur was kalm, alles was nog stil onder de inwoners, zoo kalm en zoo stil, dat men het geluid der voetstappen op de natte straatsteenen hoorde; men zou de dauwdruppels hebben kunnen tellen, die er van de bladeren neervielen.De oude kathedraal scheen door een tuin omgeven te zijn. Men zag er allerlei boomen, die een grooten overvloed van vruchten beloofden.Een vrij talrijke menigte geloovigen had zich in de nabijheid der kathedraal verzameld, en terwijl men het uur afwachtte, waarop de dienst een aanvang zou nemen, sprak iedereen op een fluisterenden toon over allerlei onderwerpen.De oude rondreizende zanger, dien de lezer reeds kent, bevond zich ook onder deze menigte, evenals altijd vergezeld door zijn kleine vriendin, die het oude statige gebouw met eerbied aanstaarde.Hij zat op een trede van de stoep der kerk, als iemand, die van vermoeienis uitgeput is, en vertelde met een langzame en ernstige stem aan een talrijk gehoor, dat hem omgaf, door welke beproevingen de zielen der gestorvenen moeten heengaan, alvorens het hemelsch verblijf te bereiken. “Het is op de aarde, dat men door aanhoudende inspanning den hemel moet verdienen,†zei hij ten slotte.Na zijn verhaal besloten te hebben met een zucht, waarop de zuchten van de meesten der aanwezigen het antwoord gaven, scheen de oude zanger eensklaps in gedachten verzonken geraakt te zijn, en zijn peinzende blikken dwaalden doelloos naar de omringende plaatsen af, die uit de schaduw begonnen te voorschijn te treden.De stilte, die er ontstaan was, werd verbroken door de aankomst van twee jonge kozakken, die in het oog liepen door hun verwonderlijk lange snorren, door hun welgevormde[145]gestalte en door een deftigheid, eigen aan hen, die in beschaafde kringen verkeeren.“Wel bedankt, lief kind!†Blz. 150.“Wel bedankt, lief kind!†Blz. 150.[146]“Goeden dag, goeden dag!†zeiden de jonge kozakken; en zij namen hun mutsen af en zetten deze toen met zooveel bevalligheid weder op, dat men had kunnen denken, dat zij zich nooit met iets anders bezighielden dan met groeten.“Zou onze hetman ook komen?†vroegen verscheidene stemmen te gelijk.“Hij zal komen,†antwoordden de kozakken.Deze woorden, door twee heldere en welluidende stemmen uitgesproken, schenen den zanger uit zijn overpeinzingen te doen ontwaken, en terwijl hij met blijkbaar leedwezen de betere wereld vergat, waarheen zijn droomen hem hadden gebracht, achtte hij het toch zijn plicht, weder naar beneden af te dalen en zich bezig te houden met hetgeen de menigte zou bezighouden.“Mijn oogen zullen dan eindelijk onzen hetman kunnen bewonderen!†zei hij.“Zal de vrouw van den hetman ook meekomen?†vroeg een jonge vrouw.“Die zal ook meekomen,†antwoordden de kozakken.“En zijn schoonzuster?â€â€œHet is waarschijnlijk, dat die ook zal komen.â€â€œWelke schoonzuster?†vroeg de oude zanger.“Wel, de vrouw van den schoonbroeder van onzen hetman, Mefodijewna,†antwoordden verscheidene stemmen hem.“Mefodijewna!†herhaalde de oude zanger. “Bij ons hoort men nooit over haar spreken. Staat zij bij onzen hetman en zijn vrouw in de gunst?â€â€œDat zou ik denken!†antwoordde iemand. “Zij hoeft maar een vinger te verroeren, en alles geschiedt overeenkomstig haar wensen!â€â€œZoo! Dus geniet zij een zeer hooge gunst. Dat is zeker een groot geluk voor haar.â€â€œGunst!†riep met toornige oogen een grijsaard uit. “Gunst! Is dat een woord gemaakt om op zoo’n vrouw toegepast te worden? Mefodijewna, moet u weten, bekommert zich volstrekt[147]niet over de gunsten van iemand, wie het ook zij. Als u haar eenmaal gezien hebt, zult u dat wel begrijpen. Zij is recht als een pijl en men bemerkt gemakkelijk, dat zij het hoofd nooit voor iemand gebogen heeft.â€â€œZij is dan zeker erg trotsch en hoogmoedig?†vroeg de oude zanger.En hij voegde er op een spreukachtigen toon bij:“De hoogmoedige is slechts een zeepbel, die zich alleen opblaast om uiteen te spatten.â€â€œMaar wat zegt u daar, oude man?†vroeg een bejaarde vrouw met een achtenswaardig gelaat, wier oogen van verontwaardiging fonkelden. “Wat zegt u daar? Weet, dat u van haar spreekt, die de eer van de stad en van het land is. Mefodijewna is een weldadige vlam, een lamp in onze duisternis.“Om zoo schitterend te zijn,†hernam de stijfhoofdige zanger, “moet zij zich zeker nooit anders vertoonen dan blinkend van diamanten, bedekt met edelgesteenten, in goud gekleed!â€â€œJe hebt het glad mis,†riep er een uit de menigte uit. “Zij gaat zoo eenvoudig gekleed, dat men haar, als zij niet zulke fonkelend zwarte oogen had, niet van anderen zou kunnen onderscheiden.â€â€œZij kleedt zich als een eenvoudige burgeres,†zei een jonge kozak; “zij hangt de groote dame niet uit, en zij is overal, waar zij kan weldoen, zonder opgemerkt te worden.â€â€œVergeef het mij!†zei de zanger. “Ik heb, zooals ik zie, uw heilige gelasterd, maar zij heeft er niets bij verloren. Ik heb u daardoor tenminste in de gelegenheid gesteld, haar hulde te bewijzen … Zoudt u mij ook kunnen zeggen, jongeman, wie die prachtig gekleede heeren zijn, die men overal in de stad ontmoet? Zouden zij ook heiligen zijn?â€â€œHeiligen! Wel zeker niet. Het zijn vorsten, Moscovitische prinsen. Kunt u dat niet zien aan hun deftigen gang, aan hun oogen, die zij maar half opendoen en aan hun verachtelijk[148]opgetrokken neuzen? Het zijn de gasten van onzen hetman. Acht dagen geleden was zijn huis er zóó vol van, dat de vrienden van de Ukraine er zich ongerust over maakten. Maar, dank zij den invloed van Mefodijewna op haar zuster en op haar schoonbroer, den hetman, zijn er, naar men zegt, al heel wat van hen vertrokken.â€â€œVertrokken! En waarom? Hinderden die trotsche menschen dan iemand?â€â€œVraag dat maar aan Mefodijewna; zij vindt misschien, dat het oogenblik niet gunstig gekozen is, om, terwijl de helft van de Ukraine door de Russische bataljons overweldigd is, zoovele deftige heeren te ontvangen. Dat leidt onzen hetman te veel af.â€â€œOm de waarheid te zeggen,†verzekerde een nieuwe spreker, “vermaakt men zich sedert acht dagen minder in het paleis. De hetman tracht zijn gasten niet meer bij zich te houden. Hij schijnt zich te midden van hen niet op zijn gemak te gevoelen, en men zegt, dat er weldra geen enkele meer in het land zal overblijven.â€Er ontstond plotseling een diep stilzwijgen. Men zag vader Mikaïl de straat langzaam doorloopen en naar de kerkdeur toe gaan. Zij, die zaten, stonden op. Zij, die reeds overeind waren, gingen op hun teenen staan.Vader Mikaïl vertoonde in geheel zijn persoon het beeld van den goeden herder. Zijn gemeenteleden vereerden hem hoog. Men trachtte in het voorbijgaan zijn zegen te ontvangen. Men zag aan zijn geheele houding, dat het niet alleen zijn hand was, welke dien zegen gaf, maar dat deze uit zijn hart kwam.De zanger naderde den geestelijke insgelijks, terwijl hij Maroessia bij de hand hield.“Zegen ons, vader,â€zei hij, “zegen dit kind! Wij komen van verre om God in uw kerk te aanbidden.â€De goede geestelijke sloeg een welwillenden blik op den grijsaard en op het kind.[149]“Vader,†zei de zanger, “ik heb ingezien, dat het grootste vuur te midden der woestijn moet uitgaan, terwijl het groene hout brandt, wanneer het te midden van den haard valt; en ik ben de woestijn ontvlucht uit behoefte om menschen te zien en weer te vinden.â€Toen vader Mikaïl deze woorden hoorde, huiverde hij. Zijn heldere, vriendelijke oogen vestigden zich met bijzondere aandacht op den ouden pelgrim.Hij knikte ten bewijze van instemming met de woorden van den grijsaard en zei tegen hem:“Als ge van verre komt, als ge het geheele land doorkruist hebt, zult ge wel vele smarten gezien en vele gevaren ontmoet hebben. De wegen zijn niet veilig …â€â€œHij, die naakt is,†antwoordde de zanger, “behoeft niet te vreezen, dat men hem zijn hemd zal ontstelen. Hij, die niets anders dan zijn leven te verliezen heeft, brengt de dieven niet in verzoeking, en hij, die geen vrees voor den dood koestert, kan overal heengaan.â€De goede geestelijke huiverde opnieuw.“Staat ons koren nog te velde?†vroeg hij aan den zanger.Vader Mikaïl deed deze vraag langzaam, terwijl hij op ieder woord drukte, ofschoon de vraag zelf toch zoo eenvoudig was.“Ons koren,†antwoordde de zanger, “ligt in eenige streken reeds op den grond, en het zijn niet altijd de eigenaars, die het afgemaaid hebben. Wat het andere betreft, en ik spreek van dat der beste velden, ofschoon het overal nog niet geheel rijp is, geloof ik toch, dat het verstandig zou wezen, niet met de inzameling te wachten. Wie kan de stormen van morgen vooruitzien? Het koren, dat rijp is, staat prachtig, mijn vader!â€â€œDat God u verhoore, mijn zoon!†antwoordde de eerwaardige priester met kalmte; “ik bedank u voor de goede tijding, die ge mij brengt.â€â€œOnze hetman! Onze hetman!†riep men eensklaps van alle kanten.[150]Vader Mikaïl trad de kerk binnen.“Onze hetman ziet er vandaag niet bijzonder vroolijk uit,†merkte iemand onder de menigte op.“Je zou kunnen zeggen, dat hij er knorrig uitziet,†vond een ander.“Ik heb hem eergisteren ontmoet,†vertelde een oude vrouw. “Zijn voorhoofd was toen diep gerimpeld.â€De aankomst van twee andere personen maakte, dat de oude vrouw niet voortging.“De schoonzuster van den hetman,†fluisterde men van alle kanten.“Mefodijewna,†zei er een tegen den ouden zanger, terwijl hij hem aanstiet.Al had men hem dit ook niet gezegd, dan zou deze dat toch wel vermoed hebben. In hetgeen hij gehoord had, was niets overdrevens: het origineel beantwoordde volkomen aan het portret dat de menschen van haar geteekend hadden.Zij ging vlak voorbij Maroessia heen. Bij de laatste trede waagde het kieine meisje het, haar bij de mouw van haar geborduurd gewaad vast te grijpen.“Mevrouw,†zei ze zacht tegen haar, “u hebt dezen zakdoek laten vallen,†en zij bood haar een rooden zakdoek aan.De jonge vrouw bleef staan, keek naar den rooden zakdoek, vervolgens naar de kleine, die haar dien aanbood, en antwoordde:“Wel bedankt, lief kind! Het zou mij gespeten hebben, als ik hem verloren had.â€De groote oogen der beminlijke vrouw vestigden een doordringenden blik op het kind en wendden zich van haar met belangstelling naar den ouden zanger. “Je bent hier niet uit deze streken,†zei zij tegen het kind, “ik heb je ten minste nog nooit gezien; kom je van verre, beste meid?â€â€œVan heel ver,†antwoordde Maroessia.“Dan begrijp ik, waarom je er zoo vermoeid uitziet. Uit welk gedeelte van de Ukraine kom je dan?â€[151]“Dat hoofdje zal nooit al de namen kunnen onthouden van de plaatsen, die zij bezocht heeft,†zei de oude zanger. “Wij hebben vele dingen en vele menschen gezien, Mevrouw, goede en kwade, velden, vernield door de veldslagen, en koren, de laatste hoop van de Ukraine, nog te velde. Maar, God zij dank! wij hebben onzen weg gevonden; zooals men bij ons zegt: ofschoon de bespanning verkeerd is, gaat het rijtuig toch regelrecht naar de markt.â€Ukrains geestelijke.“Zoo,†antwoordde Mefodijewna, “hebben jullie veel gereisd! Welnu, als straks de dienst afgeloopen is, ga dan naar[152]den hetman toe, en vraag of hij niet een paar liederen wil hooren. Aan mij moet ge uw reis vertellen.â€Zij gaf met de hand, bij wijze van liefkoozing, een zacht tikje op de wang van Maroessia en verdween, te midden der menigte, in de kerk.Men hoorde reeds de stem van vader Mikaïl, die den dienst begon.[153]De jonge vrouw keerde zich plotseling om. Blz. 162.De jonge vrouw keerde zich plotseling om. Blz. 162.[154]
Mensen die zich naar de Kathedraal begeven.
Twee dagen na het tochtje op den Dnjéper, dat wij in het vorige hoofdstuk beschreven hebben, was het Zondag, en de zware klokken der stad Gadiatsj, de residentie van den hetman, die door Zijne Majesteit den tsaar van Rusland begunstigd werd, deden haar plechtig gelui hooren en noodigden de geloovigen tot de bijwoning der vroegmissen.
De dag was nog nauwelijks aangebroken, en de stad Gadiatsj met al haar nauwe en kromme straten, haar lage gebouwen en haar lommerrijke tuinen, scheen in een half doorzichtigen sluier gehuld te zijn. De menschen, die van alle kanten toestroomden en zich naar de kathedraal begaven, schenen in een donker waas gehuld te zijn.
Toch was het, ondanks de schemering, gemakkelijk te[144]zien, dat de meesten hunner tot den militairen stand behoorden.
Den vorigen dag had het hard geregend, en de zoele lucht had een verkwikkende frischheid. Alles in de natuur was kalm, alles was nog stil onder de inwoners, zoo kalm en zoo stil, dat men het geluid der voetstappen op de natte straatsteenen hoorde; men zou de dauwdruppels hebben kunnen tellen, die er van de bladeren neervielen.
De oude kathedraal scheen door een tuin omgeven te zijn. Men zag er allerlei boomen, die een grooten overvloed van vruchten beloofden.
Een vrij talrijke menigte geloovigen had zich in de nabijheid der kathedraal verzameld, en terwijl men het uur afwachtte, waarop de dienst een aanvang zou nemen, sprak iedereen op een fluisterenden toon over allerlei onderwerpen.
De oude rondreizende zanger, dien de lezer reeds kent, bevond zich ook onder deze menigte, evenals altijd vergezeld door zijn kleine vriendin, die het oude statige gebouw met eerbied aanstaarde.
Hij zat op een trede van de stoep der kerk, als iemand, die van vermoeienis uitgeput is, en vertelde met een langzame en ernstige stem aan een talrijk gehoor, dat hem omgaf, door welke beproevingen de zielen der gestorvenen moeten heengaan, alvorens het hemelsch verblijf te bereiken. “Het is op de aarde, dat men door aanhoudende inspanning den hemel moet verdienen,†zei hij ten slotte.
Na zijn verhaal besloten te hebben met een zucht, waarop de zuchten van de meesten der aanwezigen het antwoord gaven, scheen de oude zanger eensklaps in gedachten verzonken geraakt te zijn, en zijn peinzende blikken dwaalden doelloos naar de omringende plaatsen af, die uit de schaduw begonnen te voorschijn te treden.
De stilte, die er ontstaan was, werd verbroken door de aankomst van twee jonge kozakken, die in het oog liepen door hun verwonderlijk lange snorren, door hun welgevormde[145]gestalte en door een deftigheid, eigen aan hen, die in beschaafde kringen verkeeren.
“Wel bedankt, lief kind!†Blz. 150.“Wel bedankt, lief kind!†Blz. 150.
“Wel bedankt, lief kind!†Blz. 150.
[146]
“Goeden dag, goeden dag!†zeiden de jonge kozakken; en zij namen hun mutsen af en zetten deze toen met zooveel bevalligheid weder op, dat men had kunnen denken, dat zij zich nooit met iets anders bezighielden dan met groeten.
“Zou onze hetman ook komen?†vroegen verscheidene stemmen te gelijk.
“Hij zal komen,†antwoordden de kozakken.
Deze woorden, door twee heldere en welluidende stemmen uitgesproken, schenen den zanger uit zijn overpeinzingen te doen ontwaken, en terwijl hij met blijkbaar leedwezen de betere wereld vergat, waarheen zijn droomen hem hadden gebracht, achtte hij het toch zijn plicht, weder naar beneden af te dalen en zich bezig te houden met hetgeen de menigte zou bezighouden.
“Mijn oogen zullen dan eindelijk onzen hetman kunnen bewonderen!†zei hij.
“Zal de vrouw van den hetman ook meekomen?†vroeg een jonge vrouw.
“Die zal ook meekomen,†antwoordden de kozakken.
“En zijn schoonzuster?â€
“Het is waarschijnlijk, dat die ook zal komen.â€
“Welke schoonzuster?†vroeg de oude zanger.
“Wel, de vrouw van den schoonbroeder van onzen hetman, Mefodijewna,†antwoordden verscheidene stemmen hem.
“Mefodijewna!†herhaalde de oude zanger. “Bij ons hoort men nooit over haar spreken. Staat zij bij onzen hetman en zijn vrouw in de gunst?â€
“Dat zou ik denken!†antwoordde iemand. “Zij hoeft maar een vinger te verroeren, en alles geschiedt overeenkomstig haar wensen!â€
“Zoo! Dus geniet zij een zeer hooge gunst. Dat is zeker een groot geluk voor haar.â€
“Gunst!†riep met toornige oogen een grijsaard uit. “Gunst! Is dat een woord gemaakt om op zoo’n vrouw toegepast te worden? Mefodijewna, moet u weten, bekommert zich volstrekt[147]niet over de gunsten van iemand, wie het ook zij. Als u haar eenmaal gezien hebt, zult u dat wel begrijpen. Zij is recht als een pijl en men bemerkt gemakkelijk, dat zij het hoofd nooit voor iemand gebogen heeft.â€
“Zij is dan zeker erg trotsch en hoogmoedig?†vroeg de oude zanger.
En hij voegde er op een spreukachtigen toon bij:
“De hoogmoedige is slechts een zeepbel, die zich alleen opblaast om uiteen te spatten.â€
“Maar wat zegt u daar, oude man?†vroeg een bejaarde vrouw met een achtenswaardig gelaat, wier oogen van verontwaardiging fonkelden. “Wat zegt u daar? Weet, dat u van haar spreekt, die de eer van de stad en van het land is. Mefodijewna is een weldadige vlam, een lamp in onze duisternis.
“Om zoo schitterend te zijn,†hernam de stijfhoofdige zanger, “moet zij zich zeker nooit anders vertoonen dan blinkend van diamanten, bedekt met edelgesteenten, in goud gekleed!â€
“Je hebt het glad mis,†riep er een uit de menigte uit. “Zij gaat zoo eenvoudig gekleed, dat men haar, als zij niet zulke fonkelend zwarte oogen had, niet van anderen zou kunnen onderscheiden.â€
“Zij kleedt zich als een eenvoudige burgeres,†zei een jonge kozak; “zij hangt de groote dame niet uit, en zij is overal, waar zij kan weldoen, zonder opgemerkt te worden.â€
“Vergeef het mij!†zei de zanger. “Ik heb, zooals ik zie, uw heilige gelasterd, maar zij heeft er niets bij verloren. Ik heb u daardoor tenminste in de gelegenheid gesteld, haar hulde te bewijzen … Zoudt u mij ook kunnen zeggen, jongeman, wie die prachtig gekleede heeren zijn, die men overal in de stad ontmoet? Zouden zij ook heiligen zijn?â€
“Heiligen! Wel zeker niet. Het zijn vorsten, Moscovitische prinsen. Kunt u dat niet zien aan hun deftigen gang, aan hun oogen, die zij maar half opendoen en aan hun verachtelijk[148]opgetrokken neuzen? Het zijn de gasten van onzen hetman. Acht dagen geleden was zijn huis er zóó vol van, dat de vrienden van de Ukraine er zich ongerust over maakten. Maar, dank zij den invloed van Mefodijewna op haar zuster en op haar schoonbroer, den hetman, zijn er, naar men zegt, al heel wat van hen vertrokken.â€
“Vertrokken! En waarom? Hinderden die trotsche menschen dan iemand?â€
“Vraag dat maar aan Mefodijewna; zij vindt misschien, dat het oogenblik niet gunstig gekozen is, om, terwijl de helft van de Ukraine door de Russische bataljons overweldigd is, zoovele deftige heeren te ontvangen. Dat leidt onzen hetman te veel af.â€
“Om de waarheid te zeggen,†verzekerde een nieuwe spreker, “vermaakt men zich sedert acht dagen minder in het paleis. De hetman tracht zijn gasten niet meer bij zich te houden. Hij schijnt zich te midden van hen niet op zijn gemak te gevoelen, en men zegt, dat er weldra geen enkele meer in het land zal overblijven.â€
Er ontstond plotseling een diep stilzwijgen. Men zag vader Mikaïl de straat langzaam doorloopen en naar de kerkdeur toe gaan. Zij, die zaten, stonden op. Zij, die reeds overeind waren, gingen op hun teenen staan.
Vader Mikaïl vertoonde in geheel zijn persoon het beeld van den goeden herder. Zijn gemeenteleden vereerden hem hoog. Men trachtte in het voorbijgaan zijn zegen te ontvangen. Men zag aan zijn geheele houding, dat het niet alleen zijn hand was, welke dien zegen gaf, maar dat deze uit zijn hart kwam.
De zanger naderde den geestelijke insgelijks, terwijl hij Maroessia bij de hand hield.
“Zegen ons, vader,â€zei hij, “zegen dit kind! Wij komen van verre om God in uw kerk te aanbidden.â€
De goede geestelijke sloeg een welwillenden blik op den grijsaard en op het kind.[149]
“Vader,†zei de zanger, “ik heb ingezien, dat het grootste vuur te midden der woestijn moet uitgaan, terwijl het groene hout brandt, wanneer het te midden van den haard valt; en ik ben de woestijn ontvlucht uit behoefte om menschen te zien en weer te vinden.â€
Toen vader Mikaïl deze woorden hoorde, huiverde hij. Zijn heldere, vriendelijke oogen vestigden zich met bijzondere aandacht op den ouden pelgrim.
Hij knikte ten bewijze van instemming met de woorden van den grijsaard en zei tegen hem:
“Als ge van verre komt, als ge het geheele land doorkruist hebt, zult ge wel vele smarten gezien en vele gevaren ontmoet hebben. De wegen zijn niet veilig …â€
“Hij, die naakt is,†antwoordde de zanger, “behoeft niet te vreezen, dat men hem zijn hemd zal ontstelen. Hij, die niets anders dan zijn leven te verliezen heeft, brengt de dieven niet in verzoeking, en hij, die geen vrees voor den dood koestert, kan overal heengaan.â€
De goede geestelijke huiverde opnieuw.
“Staat ons koren nog te velde?†vroeg hij aan den zanger.
Vader Mikaïl deed deze vraag langzaam, terwijl hij op ieder woord drukte, ofschoon de vraag zelf toch zoo eenvoudig was.
“Ons koren,†antwoordde de zanger, “ligt in eenige streken reeds op den grond, en het zijn niet altijd de eigenaars, die het afgemaaid hebben. Wat het andere betreft, en ik spreek van dat der beste velden, ofschoon het overal nog niet geheel rijp is, geloof ik toch, dat het verstandig zou wezen, niet met de inzameling te wachten. Wie kan de stormen van morgen vooruitzien? Het koren, dat rijp is, staat prachtig, mijn vader!â€
“Dat God u verhoore, mijn zoon!†antwoordde de eerwaardige priester met kalmte; “ik bedank u voor de goede tijding, die ge mij brengt.â€
“Onze hetman! Onze hetman!†riep men eensklaps van alle kanten.[150]
Vader Mikaïl trad de kerk binnen.
“Onze hetman ziet er vandaag niet bijzonder vroolijk uit,†merkte iemand onder de menigte op.
“Je zou kunnen zeggen, dat hij er knorrig uitziet,†vond een ander.
“Ik heb hem eergisteren ontmoet,†vertelde een oude vrouw. “Zijn voorhoofd was toen diep gerimpeld.â€
De aankomst van twee andere personen maakte, dat de oude vrouw niet voortging.
“De schoonzuster van den hetman,†fluisterde men van alle kanten.
“Mefodijewna,†zei er een tegen den ouden zanger, terwijl hij hem aanstiet.
Al had men hem dit ook niet gezegd, dan zou deze dat toch wel vermoed hebben. In hetgeen hij gehoord had, was niets overdrevens: het origineel beantwoordde volkomen aan het portret dat de menschen van haar geteekend hadden.
Zij ging vlak voorbij Maroessia heen. Bij de laatste trede waagde het kieine meisje het, haar bij de mouw van haar geborduurd gewaad vast te grijpen.
“Mevrouw,†zei ze zacht tegen haar, “u hebt dezen zakdoek laten vallen,†en zij bood haar een rooden zakdoek aan.
De jonge vrouw bleef staan, keek naar den rooden zakdoek, vervolgens naar de kleine, die haar dien aanbood, en antwoordde:
“Wel bedankt, lief kind! Het zou mij gespeten hebben, als ik hem verloren had.â€
De groote oogen der beminlijke vrouw vestigden een doordringenden blik op het kind en wendden zich van haar met belangstelling naar den ouden zanger. “Je bent hier niet uit deze streken,†zei zij tegen het kind, “ik heb je ten minste nog nooit gezien; kom je van verre, beste meid?â€
“Van heel ver,†antwoordde Maroessia.
“Dan begrijp ik, waarom je er zoo vermoeid uitziet. Uit welk gedeelte van de Ukraine kom je dan?â€[151]
“Dat hoofdje zal nooit al de namen kunnen onthouden van de plaatsen, die zij bezocht heeft,†zei de oude zanger. “Wij hebben vele dingen en vele menschen gezien, Mevrouw, goede en kwade, velden, vernield door de veldslagen, en koren, de laatste hoop van de Ukraine, nog te velde. Maar, God zij dank! wij hebben onzen weg gevonden; zooals men bij ons zegt: ofschoon de bespanning verkeerd is, gaat het rijtuig toch regelrecht naar de markt.â€
Ukrains geestelijke.
“Zoo,†antwoordde Mefodijewna, “hebben jullie veel gereisd! Welnu, als straks de dienst afgeloopen is, ga dan naar[152]den hetman toe, en vraag of hij niet een paar liederen wil hooren. Aan mij moet ge uw reis vertellen.â€
Zij gaf met de hand, bij wijze van liefkoozing, een zacht tikje op de wang van Maroessia en verdween, te midden der menigte, in de kerk.
Men hoorde reeds de stem van vader Mikaïl, die den dienst begon.[153]
De jonge vrouw keerde zich plotseling om. Blz. 162.De jonge vrouw keerde zich plotseling om. Blz. 162.
De jonge vrouw keerde zich plotseling om. Blz. 162.
[154]