VIII.Over de vernietiging van Polen.Op hetzelfde oogenblik, waarop de keizer, bekomen van de indrukken van den 14den December, de lijfeigenen weêr vasthechtte aan den grond en hun verwachtingen den bodem insloeg, gaven zij hem een bewijs van hun moedige toewijding, daarmeê bevestigend wat de saâmgezworenen hem hadden meêgedeeld van de bestaande misbruiken, en ze tevens met groot gevaar voor zich zelven ontdekkend. Bij een wapenschouwing, welke de keizer hield, treden vier boeren naar voren en verzoeken hem te spreken. Men stoot hen terug; men beduidt hun, dat zij kunnen te kennen geven wat zij aan den czaar te zeggen hebben; zij willen tot niemand anders dan tot hem spreken. Toen zij toegelaten waren, wierpen zij zich op de knieën, en zei een van hen: “Vadertje, gij wordt bestolen... Ga maar naar Kroonstad, en ge zult zien, dat op de markt, openlijk, in de winkels de tuigage van uw schepen, al wat tot uw marine behoort wordt verkocht.” De keizer zendt er driehonderd man heen; de bazaar (markt) wordt omsingeld, het gestolene wordt gevonden. Een streng onderzoek wordt ingesteld. Kort daarop gaat de scheepstimmerwerf, de bazaar, alles in vlammen op, en het onderzoek verdwijnt tegelijk met den rook.De keizer kon de beteekenis der mannen van den 14den December schatten, toen die ongekunstelde stemmen uit het volk op deze wijs hun onthullingen ondersteunden. Zij hadden hem in hun laatste onderhoudeen wezenlijken dienst bewezen, door hem Rusland in zijn ware gestalte te toonen, als één groote bloedende wond. Zij hadden dezen jongen krijgsman, van aard hard en spotziek, geleerd eerbied te hebben voor het Russische volk, een volk, waaronder mannen voorkwamen, zoo ijverend voor wet en gerechtigheid, dat zij, zelfs in het aanzien van den dood, van willekeurige genade niets weten wilden, en uitriepen: “Laat de wetten haar gang gaan!”Pestel had een dictator gewild, om de administratie te hervormen, te zuiveren. En de wensch van het Russische volk was daar niet ver van af. Het verlangde eenrechtvaardigen rechter, onverbiddelijk tegenover de misdadigers. En zulk een rechter had zich te vermenigvuldigen over ’t geheele rijk. Rusland had niet alleen behoefte aan wetten, maar aan mànnen. Er moesten, tusschen den vader en zijn kinderen, eerlijke rechters gekozen worden, die behoorlijk bezoldigd werden, opdat zij zich niet hoefden te laten omkoopen; er moesten strenge voorbeelden gesteld worden bij de eerste ambtsovertredingen, en zelden, maar met kracht, daartegen opgetreden worden; de eerlijkheid moest bij de rechtbanken en de administratie hersteld, het zedelijk peil der natie verhoogd worden, men moest haar helpen zich te bevrijden van een ingekankerd bederf, haar trapsgewijze waardig maken het beheer over zich zelve te voeren. Het eerste noodige hierbij was, dat er aan de spits, niet een man van genie, stond, maar een met grooten moed bezield, en groot van hart, die, juist door zijn voorbeeld, het Russisch karakter ophief, krachtig maakte, inwijdde in het goede,—in één woord, een heldhaftigopvoeder van het nationale geweten.De keizer was dit geenszins. Omgeven door menschen tegen wie hij een gewettigd wantrouwen koesterde, trachtte hij aanvankelijk alles zelf te doen, maar hij kon de bezwaren niet overwinnen. Hij had niet zoozeer daden te verrichten als wel mannen te scheppen, uitvoerders van zijn wil te kiezen en te maken.Evenals de meeste menschen van dit tijdvak, en verscheiden saâmgezworenen zelfs, geloofde hij vast aan de levende kracht van wetten. Een van hen, Tourgenieff, schijnt in zijn lofwaardig boek de meening te zijn toegedaan, dat Rusland gered zou worden als het deze of gene Engelsche of Fransche wet aannam. De keizer was er eveneens van overtuigd, dat orde in het rijk zou heerschen, als men de groote massa der Russische wetten maar ordende en bijeenbracht. Hij vertrouwde dit reuzenwerk toe aan den wetskenner Speranski. Hierdoor heeft hij grooter dienst bewezen aan de rechtsgeleerdheid dan aan de wetgeving. In den oneindigen chaos van elkaar tegensprekende ukazen, kiest de rechter welke hij wil, en de willekeur is dezelfde.Een strenge regeling van de rechterlijke macht diende vóór alles te gaan. Wat het volk overal vroeg, was eenrechtvaardig rechter. Het had behoefte aan een ernstige opvoeding tot gerechtigheid.Helaas! het noodlot, de hartstocht hebben dit volk op den tegengestelden weg gevoerd: een opvoeding tot ònrechtvaardigheid,—door het tegenover een broedervolk het verderfelijkst bedrijf te doen uitoefenen, dat van den beul.De keizer zòcht den juisten weg, maar hij had in zich een heimelijke drang tot afwijking ervan. Hij hield van rechtvaardigheid, maar met een wreed hart; hij hield ervan uit persoonlijken hoogmoed, als van iets dat hèm toebehoorde, hij beschouwde ze als gerechtigheid van den czaar, niet als gerechtigheid van God.Een steen bevond zich op zijn weg,—en hij is voor altijd uit het spoor geraakt.—Waar gaat hij heen? Niemand weet het.Die steen was Polen.Een noodlottige steen, niet te verbrijzelen, dien men tevergééfs zoekt fijn te stooten. Hij blijft altijd onwrikbaar.Het onderzoek van den 14den December had één ding ontsluierd, dat den keizer moest verwonderen,treffen, zijn hart voor goed ontwapenen, namelijk de zielegrootheid, welke de Polen ten toon spreidden in hun heimelijke betrekkingen tot de Russische saamgezworenen.—Deze laatsten openbaarden zich als Romeinen, en de Polen als ridders. Pestel geloofde, evenals Brutus,1dat men den tyran moet dooden om de tyrannie te dooden. De Polen kwamen daartegen op. Zij betoonden zich barmhartiger voor hun vijand, dan de Russen voor hun meester. Dezen onrechtvaardigen overweldiger, dezen meineedigen souverein, die den draak stak met de grondwet, welke hij zelf verleend had: de Polen drongen erop aan hem te sparen. De goede, grootmoedige kolonel Krzyzanowski, een man met een eerlijk, menschelijk en teeder hart, zei tot den Russischen republikein,dat hij niet had hooren zeggen, dat de Polen ooit hun koningen hadden gedood.Dienzelfden kolonel heeft mevrouw Felinska later in Siberië zien sterven.2Om den zieleadel der Polen naar waarde te schatten, moet men weten dat niet alleen hun wetten waren verkracht, hun vergaderingen een schijnvertooning; dat men hun de openbaarheid der beraadslagingen had ontnomen, enz. enz.; maar dat de keizer hen persoonlijk overleverde aan de luimen, aan de wreedheid van Constantijn.3Men moet weten dat deze boosaardige woestaard, deze tijger-aap, er zijn behagen in stelde de uitgezochtste kwellingen en straffen uit te denken. Het isontzettendom neêr te schrijven, maar hij had, in de onderaardsche kerkerholen van een karmelieterklooster, tot speelbal een gevangene, den ongelukkigen Lukasinski, tegen wien hij zich uitputte in hetverzinnen van al wat het menschelijk vernuft aan zijn slachtoffer kan doen lijden: honger, ketenen, pijnigingen, dorst gedurende weken achtereen (geen water, en zoute haringen als uitsluitend voedsel), en geeselingen, telkens opnieuw toegediend, zoodra hij weêr van zijn wonden genezen was... En dit alles met duivelsch overleg. Constantijn was vóór alles bevreesd, dat hij hem door den dood zou ontsnappen.De man van ijzer en staal, die zooveel martelingen te boven kwam, was een dapper officier van het oude leger. Hij had de laatste woorden, den laatsten adem van Dombrowski opgevangen. Deze aanvoerder en formeerder der beroemd geworden Poolsche legioenen, beklaagde zich erover, toen hij in 1818 stierf, dat zijn heldhaftige kameraden zooveel bloed vergoten hadden voor vreemde belangen, zoo weinig ten bate van Polen-zelf. Sedert dit ernstig woord gesproken werd, groeide een nieuw geslacht op, een nieuwe wereld van helden, van onverschrokken samenzweerders. De eerste was Lukasinski.De tyran voelde bij instinct, dat deze man voor hem een schrikbeeld was, dat in hem de ziel van Polen huisde; in hem zocht hij deze groote, onzichtbare ziel der natie te treffen. Daar hij zijn stilzwijgen niet kon overwinnen, wilde hij hem althans onteeren; men gaf voor dat hij zijn medeplichtigen had verraden. Als dit waar geweest was, zou zijn cipier in zijn woede geen toenemende barbaarschheden tegen hem uitgedacht hebben.Toen in 1830 de Polen de krankzinnige grootmoedigheid aan den dag legden Constantijn te laten ontvluchten, voerde hij geen andere schatten meê, dan alleen dezen gevangene; goud en zilver golden niet zooveel voor zijn onmenschelijkheid als zijn levend speelgoed; bij zijn overijlden aftocht werd hij gevolgd door de schim van een man, aan het affuit van een kanon meêdoogenloos vastgebonden: den rampzaligen Lukasinski...Maar keeren wij terug tot de gebeurtenissen van December 1825. De Poolsche aangeklaagden, de goedekolonel en de anderen, zouden in hun vaderland door het opperste gerechtshof, den senaat, gevonnist worden. Dit lichaam, waarin bijna alleen toegewijde aanhangers van Rusland zitting hadden, scheen blindelings te moeten veroordeelen. De keizer twijfelde er geen oogenblik aan. Maar de macht der openbare meening was toen zoo krachtig, dat zij den senaat op haar kant kreeg. Hij verklaarde de aangeklaagde schuldig, omdat zij het Russisch complot niet hadden ontdekt, dochonschuldig voorzoover Polen betrof; hij veroordeelde hen slechts tot lichte straffen. De voorzitter had den moed aan den czaar te berichten: “Zij hebben zich slechts verbonden voor de handhaving van hun volksbestaan; zij stelden zich op het standpunt van het traktaat van Weenen,4dat dit erkend heeft. Het opperste gerechtshof heeft hierin niets misdadigs noch strafwaardigs kunnen zien.” Welk een overmoedige daad! Men houde hierbij wel in het oog, dat zij niet uitging van het aloude Polen met twintig millioen zielen; maar van het nietige Polen, dat door Alexander om zoo te zeggen, was ingekrompen tot Warschau en zijn stadsgebied.De ijsbeer knerste op de tanden.—En als ik spreek van den beer, bedoel ik Rusland. De vrijspreking verontwaardigde het meerendeel der Russen, bracht hen tot verzet. Zij vonden Polen ondankbaar; moest het, beter behandeld dan Rusland, daar het, althans in schijn, een grondwet had, zich niet gelukkig rekenen? Zij verweten het zijn materiëelen voorspoed, een natuurlijke vrucht van den vrede, maar dien zij voor het werk van den czaar hielden; ook de verfraaiïngen van Warschau (door Poolsch geld tot stand gebracht) en vooral de instelling der territoriale banken, welke aan de Polen een zoo aangename gemakkelijkheid verschaffen om zich te ruïneeren.Toen nu de keizer de opwinding in Rusland aanzag, en dat hij zijn volk aan zijn zijde had, kon hij zijn woede niet langer in bedwang houden. Hij dacht niet meer aan de wetten, noch aan zijn rol van wetgever, van Russischen Justinianus.5Hij gedroeg zich openlijk, volgens zijn natuur, als een Tartaar. Hij wilde zelfs geen verlof geven het vonnis openbaar te maken. Constantijn verlangde niets minder dan een militaire commissie om de veroordeelden dood te schieten. Zij werden naar Siberië gebracht. De Poolsche rechtbank en geheel Polen werden beleedigd en met minachting behandeld.Intusschen begon men den keizer aan ’t verstand te brengen, dat dit kleine land op niets méér recht had dan elke andere Russische provincie. Het bevond zich in een uitzonderingstoestand, die moest opgeheven worden; het diende te worden gebracht onder het algemeene centrale gezag van het rijk. De souvereinen, bewonderaars van Napoleon (vooral van zijn fouten), achten niets hooger in hem dan zijn streven naar centralisatie, welke hem naar dezelfde wetten volken liet besturen met tien verschillende talen en uiteenloopende zeden: de prefectuur van Hamburg en die van Rome. De wetgeleerde en bureaucratische geest, die te Petersburg heerschte, dreef den keizer in beide richtingen, die van onrechtmatige centralisatie en van plompe wetboekvervaardiging. Hij ondernam een onzinnig, een onbegonnen werk, al zou ’t hem ook het leven kosten: de volkomen gelijkmaking van Polen met Rusland, de opslorping, de vernietiging van het Poolsche volksbestaan.De verkeerde wegen, die hierbij konden worden ingeslagen, waren reeds gebaand. Catharina, een godloochenaarster, had tot uitgangspunt tegen Polen het godsdienstig vraagstuk gekozen. Dit is het beste aanvalsmiddel,het krachtigste houvast. Ten eerste steunt men daarbij op de bekrompen vroomheid en dweperij der Russen; vervolgens treft men er Polen door op een punt, waar het de sympathieën van Europa niet bezit. Europa is er spoedig bij, in dit geval, te gelooven, dat heteen zaak van priestersgeldt, en het hult zich in een mantel van rustige onverschilligheid.Wat Polen het meest geschaad heeft, zijn zijn ultra-roomsche verdedigers, die aantoonden dat het juist gebonden was aan wat afsterft en moet òndergaan. Italië zal overwinnen en leven, omdat het den priester eraan gegeven heeft en met Europa meê vooruitgaat. Ierland zinkt hoe langer zoo dieper weg, omdat het zich aan den priester blijft vastklampen, d.w.z. zich buiten Europa plaatst: het heeft zijn leven gezet op wat dood is. Polen is niet dood; het ligt slechts levend in zijn graf, en zal er niet uit opstijgen zoolang het zijn innerlijke tegenspraak niet zal begrijpen, die zijn kracht verlamt en het van de levende wereld vervreemdt. Volk van heldhaftigen en vrijen geest, meent het katholiek te zijn; het is ’t, ja; maar niet van nature, alleen omdat het ’t wil, als verweermiddel tegen Rusland. Het katholicisme is juist de ontkenning van de heldhaftige persoonlijkheid, welke de karaktertrek van de Polen uitmaakt.De paus en de Quotidienne6hebben ’t hun meer dan tienmaal en met reden gezegd: “Als gij katholieken zijt, gehoorzaamt dan, onderwerpt u, draagt het juk van Rusland.”De Montalembert heeft in zijn warmgeschreven verdediging van Polen, uit zijn jeugd dagteekenend (1833), een onberaden woord gebruikt, dat keizer Nicolaas met goud zou betaald hebben. Hij vergelijkt den roem der Polen metdien der Vendéeërs. Het was een even onnauwkeurige als onvoorzichtige gelijkstelling. De Vendée, dat is de burgeroorlog. De Vendéeis de Franschman Frankrijk in den rug aanvallend, terwijl heel Europa het vanvoren aantast.7Geen overeenkomst alzoo met de wettige, eerlijke, heldhaftige worsteling van het ongelukkige Polen tegen den vreemdeling, met Rusland.Dit rijk had, onder het bestuur van Alexander, den vader van het Heilig Verbond,8die zelf aan den invloed gehoorzaamde van mevrouw Krüdener en van de Maistre, in de hooge Poolsche geestelijkheid een der beste werktuigen van den dompersgeest gezien. De bisdommen werden in aantal vermeerderd, ver boven de behoeften der dungezaaide bevolking, en buitensporig bezoldigd. Iedere bisschop kreeg een jaarwedde van zestigduizend Poolsche guldens, één honderdachtduizend, en de primaat hondertwintig-duizend. Wat de lagere geestelijkheid betreft, deze werd ontzien, terwijl men de oogen sloot voor haar eisch de gewone rechtbanken niet te hoeven erkennen.Hoe meer de geest van staatkundige vrijheid en het nationaliteitsgevoel hardvochtig werden onderdrukt, zooveel te meer ontzag men den onafhankelijksheidszin der geestelijkheid. Aan haar werd toegestaan zelve haar eigen zaken, in overeenstemming met Rome, te regelen. Ja, wat meer is, men had haar het ministerie der eerediensten en van het openbaar onderwijs overgelaten, waarin de aartsbisschop-primaat met twee bisschoppen zitting had. Het paleis van Constantijn was het middelpunt der bijgeloovige vroomheid. Zijn gemalin was de steunpilaar van het geestelijk genootschapHet Lam Gods. De zedelijke verstomping van Polen scheen het gemeenschappelijk doel, waarnaar militaire dwingelandij en godsdienstige domperij in roerende overeenstemming streefden.In de groote zaak van het vonnis van het hooggerechtshof rekende Rusland op den steun der acht bisschoppen, die er zitting in hadden. Zij hadden zichkunnen beroepen op hun waardigheid om zich van een oordeel te onthouden. Zij gaven niettemin hun oordeel en verklaarden, den stortvloed der openbare meening volgend, evenals de andere rechters, dat de aangeklaagdenniet schuldig waren voorzoover Polen betrof.De keizer vatte deze vrijspraak als een persoonlijke beleediging op. Hij begon den oorlog tegen de kerk in Polen.De eerste daad, overigens een zeer verstandige, was een algemeene regeling van het geheele openbaar onderwijs, om aan de katholieke geestelijkheid allen invloed op de opvoeding te ontnemen. De tweede daad, weer van dadelijk-aanvallend karakter, bestond hierin, dat een geestelijk genootschap of gerechtshof werd opgericht, om de belangen der Vereenigde Grieken (d.w.z. verbonden aan Rome) te regelen: een genootschap overeenkomstig met dat, ’twelk, onder den keizer, de Grieksche kerk in Rusland beheert. Het was een volk van drie millioen zielen, totdusver aan ’t gezag van den paus onderworpen, dat de czaar zoodoende onder ’t Moscovitisch kerkgezag bracht.Hij wilde nog verder gaan, de Poolsche geestelijkheid beletten in briefwisseling te blijven met den paus, anders dan door bemiddeling van de regeering. Dit werd de oorzaak, dat de geestelijkheid zich aansloot bij de omwenteling van 1830.Zonderlinge samenloop van omstandigheden! Onze Juli-revolutie,9in de eerste plaats begonnen tegen de priesters en de femelarij van den koning, vond op haar weg, als nabootster, België en Polen: priesterrevoluties!Wat meer dan iets anders ertoe bijgedragen heeft om den opstand der Polen een verloren zaak te doen zijn, was vooral dat een belachelijk generaal10aan ’t hoofd werd geplaatst, een man van hetHeilig Hartof hetLam Gods, verdacht, onbekwaam of verraderlijk, die slechts Rusland ontzag en alleen den Poolschen patriotten den oorlog aandeed.De Poolsche omwenteling, onder zulk een treurige leiding, verontschuldigde zich als een revolutie, werd een kruistocht, en keerde zich natuurlijk naar den kant van Rome. Zij verwachtte van den paus zedelijken steun; zij onderstelde dat een bul het volk zou wapenen, de landelijke bevolking in massa zou meêsleuren, den bodem zelf tot opstand brengen. Men moet het erbarmelijk antwoord van Rome lezen, en hoe het zich schandelijk verschuilt achterde mogendheden van den eersten rang, die het lot van Polen zullen bepalen tot algemeene genoegdoening van partijen!Genoegdoening!Er is nooit een meer wreedaardig-spottend woord gesproken!... Het was het oogenblik waarop de keizer, ziende dat Rome en Frankrijk Polen aan zijn lot overlieten, het besluit nam—het te onderdrukken? neen,—het te vernietigen, te doen verdwijnen van den aardbodem.Dit is de grootste misdaad, die ooit begaan is. Men wachte zich wel naar eenigen grond voor vergelijking te zoeken.Men heeft het ondernomenniet alleen Polen te vermoorden, zijn wetten, zijn godsdienst, zijn taal, zijn letterkunde, zijn volksbeschaving,—maar ookde Polen te dooden, hen als ras te vernietigen, de kracht der bevolking te breken, zoodat, wanneer zij als kudde van menschelijke wezens nog bestaat, zij als Poolsche bevolking, met levensvatbaarheid en zedelijk vermogen, verdwenen is.Totdusver had ik ’t zelf niet willen gelooven. Ik had mij altijd hardnekkig voorgenomen de uitdrukking:Polen te dooden, voor niets anders dan louter grootspraak te houden, rhetorische overdrijving. Evenwel, ik moet mij voor overwonnen verklaren. Ik heb onder de oogen de (alsnog onvolledige) reeks vankeizerlijke ukazen, die van jaar tot jaar, op onverstoorbare wijze, het voornemen eener stelselmatige vernietiging ten uitvoer willen brengen.Wat is toch de reden, dat de Polen het eenvoudig werk niet hebben ondernomen den veelbeteekenenden tekst dier afschuwelijke wetten bijeen te brengen en te doen drukken, om daardoor voor hun vijand het groote grafmonument op te richten, dat hem beter zou hebben gekarakteriseerd dan iedere schimprede?Een Tartaarsch veroveraar heeft er eens behagen in gevonden voor zijn roem in de vlakte van Bagdad een pyramide op te richten van honderdduizend doodshoofden. Hoeveel grootscher zou het gedenkteeken zijn, dat wij voorstellen, saamgesteld uit duizenden moordende wetten! Welk een heerlijke Doodstropee!Niets kan hiermeê in vergelijking komen.Het oude Rome meende den Joodschen naam te hebben uitgeroeid. En het deed niets anders dan hem over de gansche aarde te verbreiden. De verdrijving der Joden uit Spanje heeft hun vernietiging toch niet ten gevolge gehad.De Conventie heeft, in een oogenblik van gevaar en woede, door heel Europa in ’t nauw gebracht, in den rug door den opstand van de Vendée aangevallen, den eed gezworen de Vendée te zullen verdelgen. Maar de Vendée is blijven bestaan, en is een der dichtstbevolkte streken van Frankrijk.De onderneming van Lodewijk XIV om de protestanten te bekeeren of uit te roeien biedt meer overeenkomst met de Poolsche vernietiging. Wij vinden, als in Rusland, een reusachtig wetboek, saamgesteld uit wetten ter verbanning en vogelvrijverklaring. Toch is het onderscheid groot. Bij de protestanten-vervolgingen komen geen Tartaarsche razzia’s voor, als in Polen zijn gehouden, geen moordende overplaatsingen van rassen en geslachten. Ook hebben de uitgeweken protestanten niet alleen hun bestaan in Europa gered, maar zij hebben stand gehouden in Frankrijk en zijn er tot voorspoed geraakt, door den geldhandel vooral:zij leenen tegenwoordig geld aan de nakomelingen hunner vervolgers.Neen, niets is te vergelijken met wat in Polen geschied is, niets. Noch wetten, noch het zwaard zouden de bovenmenschelijke verrichting eener zoo verschrikkelijke verwoesting hebben kunnen volvoeren. Slechts twee voorbeelden konden op den weg helpen van krachtdadiger middelen om het doel te bereiken.In Ierland heeft men een volk gezien, dat door overmaat van ellende, zonder mèrkbaar in getalsterkte te verminderen, ontaardde, wegsmolt, geheel verdween. Er bleven nog wel menschen over, maar het ras bestond niet meer.In Frankrijk, heeft men tijdens de laatste jaren van Napoleon, toen de heele mannelijke bevolking regelmatig door den oorlog was weggevoerd, de lichaamslengte zien inkrimpen. Nog eenige jaren zulk een systeem volgehouden, en het ras zou verànderd zijn. Een natie die slechts vernieuwd wordt door zwakken, zieken, verkromden, moet ten slotte ondergaan. In getalsterkte kan zij dezelfde blijven; als macht van eenige beteekenis zal zij weldra verdwijnen.Ziedaar voorbeelden, ziedaar lessen. Door deze middelen tot een te brengen, kunnen wij iets uitrichten in de groote kunst van den dood. Laat ons bij elkander voegen de ellende van Ierland, de lichtingen van Napoleon, de beruchte verordeningen op de verdachten, gevangen genomen volgens de wetten van het Schrikbewind of die van Lodewijk XIV; vermeerderen we al deze westersche middelen met het groote oostersche: de gewelddadige overplantingen van menschen naar hun vijandige klimaten, en het moest wel ongelukkig treffen als hetPolonismeaan al deze vereenigde pogingen weêrstand zou bieden.HetPolonisme, een nieuw woord, dat niet zoozeer een ras als een geestesrichting aanduidt. Polen is niet meer een volk in de gedachte der verdelgers, het is een denkbeeld, het is een leelijke ziel, het is een verbastering van het ware begrip, iets als een ketterij.Dit kenmerkt den strijd en voorspelt het resultaat ervan. Ja, Polen is iets geestelijks, en het heeft niets dan een lichaam tegen zich over. De barbaarsche, wreede kracht die het met zijn grijparmen vasthoudt, vermag alles, behalve om een geest te worden. Zij blijft ruwheid, stof, en wordt het hoe langer zoo meer. Om een ziel in zich te kunnen opnemen, moest zij zelve een ziel zijn, en die is haar ontzegd.Maar nu moet alle dichterlijkheid aan een kant gezet worden, dient de platte werkelijkheid, als zóódanig, dus ook platweg, gezegd te worden, het lage met lage woorden genoemd.Welke macht is het, die in werkelijkheid de uitroeiïng van Polen zich ten doel gesteld heeft? De keizer alleen? De hemel gave ’t! Een ènkel mensch put zich uit. Rusland? In geenen deele; tegenwoordig boezemt het ternauwernood nog medelijden in.Neen, deze doodbrengende macht is noch een mensch, noch een heel volk; het is de geörganiseerde verachtelijkheid, welke men bureaucratie noemt; het is het samenstel van intriganten, vreemde parvenu’s, moeras-insekten van het Noorden, die rondom den keizer krielen en zwermen.Polen is een ding, een zaak.Daarin ligt het geheim.Duizenden menschen, bureaucraten, politiemannen en allerlei ambtenaren, militairen, halve-militairen (zooals er zooveel in Rusland zijn), die allen zijnin de zaakbetrokken, door winstgevende betrekkingen òf door verbeurdverklaringen. De keizer is goed, en hij weet zijn dienaren te beloonen. Een van hen, Adam van Wurtemberg, heeft zich door zijn meester het huis zijner nog levende moeder doen schenken. Hij heeft die moeder aan de deur gezet. Hij heeft het huis van zijn grootmoeder, een ziekelijke tachtigjarige, die niet meer vervoerd kon worden, door kogels doen doorboren.De prooi vermeerdert den honger, de eters vermenigvuldigen zich als de lokspijs overvloedig is. De dooden de vernietiging, die krachten welke men negatief waande, zijn van scheppend vermogen bevonden; zij hebben bewezen een afgrijselijke vruchtbaarheid te bezitten, zij hebben een geslacht gekweekt van kruipend gedierte en knagende wormen. En Rusland wordt tegenwoordig opgegeten door dit gespuis. Onophoudelijk krijgt het stukken van Polen te verslinden.Werpt u dus, wormen, hongerigen, intriganten van alle soort, werpt u op den begeerlijken buit! De zoon van den pope,11die kan lezen, schrijven en proces-verbaal opmaken, krijgt een plaats bij de politie. De jonge man van kleinen adel, die sedert zijn schooltijd verdorven is, hebzuchtig geworden en eergierig, tot alles bereid, zal wel een kamertje weten te vinden in de monstergebouwen der centrale administraties te Sint-Petersburg. Als hij laaghartig is, zal hij wel spoedig bevorderd worden. De promotie gaat zeer snel. Verscheiden hooge ambtenaren van het keizerrijk zijn niet ouder dan dertig jaar. Als zij kans zien in de omgeving van den meester te komen, als zij gelegenheid vinden de eenige zijde te vleien, waar hij vat op zich geeft, zijn woede, dan is hun fortuin gemaakt. Aan hen de zorg om, ter eere van zijn naam, onophoudelijk deze woede op te wekken, bij een op zulk een noodlottige hoogte geplaatst man de duizeling te onderhouden, het valsch poëtisch gevoel te voeden, dat gelegen is in de inbeelding, dat men een volk heeft kunnen vernietigen.Zulke lieden zullen er nooit om verlegen zijn nieuwe ukazen voor te stellen. De heftigheid van den keizer is voor hen een uitnemende bodem ter ontginning; dag en nacht bewerken zij dien. Zij vinden er fortuin, eereambten, hooge posten en plotselinge, onverwachte bevordering, waardoor zij vele rangen overspringen.Verplaatsen wij ons naar het oogenblik van de eerste woede-uiting van den keizer, toen hij het overwonnenPolen in zijn macht had. Een Polen, dat ingekrompen was tot drie millioen menschen, had het gewaagd het zwaard op te heffen tegen een Rusland van vijftig. Die onbeschaamde Polen, een Dembinski bijvoorbeeld, hadden zoo weinig eerbied voor de keizerlijke macht, dat zij met eenige hoopjes mannen de Russische legers van achter en van terzij bestookten, zonder dat men ze kon vatten.Maar nu hàd hij ’t dan in zijn macht, dat Polen; hij bezag ’t met het oog, waarmeê de beer kijkt, die honigvreter uit de bosschen van het Noorden, wanneer hij een bij in de holte van zijn fluweelen poot te pakken heeft. Zal hij haar dezen of den anderen vleugel, of een van haar pooten uittrekken? Hij wil haar niet versmoren, maar langzaam doen omkomen.De eerste daad was, de gevangenen die geen Russen wilden worden, te doen afranselen. Wij hebben al gesproken van de slachting van Kroonstad: aan ieder manacht-duizend stokslagen! Daar men dood gaat bij hoogstens vier-duizend, was men zoo welwillend de patiënten te laten genezen, om de volledige strafoefening mogelijk te maken: deze werd dus bij gedeelten toegepast.Zij die zich wel tot Russen lieten omdoopen, werden naar den Kaukasus gevoerd en daar bij de voorposten geplaatst. De Tscherkessen, voortreffelijke schutters, hadden weldra gerechtigheid aan hen geoefend.De keizer werd in deze genietingen een weinig gestoord door de zwakke, koude en laffe vertoogen van de regeeringen van Engeland en Frankrijk. Maar hij was er volkomen van overtuigd dat het eerste rijk, den kogel zijner nijverheid achter zich aansleepende (een gouden kogel, maar niettemin een zwaren), niets wilde en niets zou doen; en Louis-Philippe nog minder, die tegenover Nicolaas de nederige houding aannam van een koning op zijn knieën. Aan beide zijden schijnvertooningen. En een schijnvertooning was het antwoord. Hij zou aan de overwonnelingen een nieuwe grondwet geven. Deze daad beteekende niets andersdan de vernietiging van Polen. Zij, die haar verlangden, hielden zich voor voldaan.Door de verordening van Februari 1832 werd Polen eenvoudig een onderdeel van het Russische rijk. De Poolsche kroon kon voortaan alleen te Moscou verkregen worden. Geen persoonlijke vrijheid meer noch vrijheid van drukpers. Ook geen landdag meer. Rechters, die naar willekeur konden worden afgezet. Alle posten toegankelijk voor de Russen. Geen ministeriëele verantwoordelijkheid meer. Geen speciaal Poolsch leger meer. De verbeurdverklaring wederom ingesteld. Verbanning buiten Polen, d.w.z. naar Siberië, enz., enz.Maar welke bepalingen dit vreemde staatsstuk dan ook bevatte, het schijnt dat de keizer verontwaardigd was een schaduw van grondwet te moeten behouden. De provinciale staten, die hij in de plaats stelde van den landdag, hield hij voor een buitensporige, onduldbare toegefelijkheid. Door ze toe te staan aan Europa, wilde hij Europa tevens trotseeren. En een maand later, in Maart, liet hij een aanvang maken met de uitvoering van twee afschuwelijke maatregelen, de wegvoering van geheele familiën en de oplichtingen van kinderen.In een enkel gouvernement, dat van Podolië, bevel tot verplaatsing van vijf-duizend familiën (vijf-en-twintig- tot dertig-duizend menschen) van opstandelingen,aan wie hun straf was kwijtgescholden, of vanverdachtepersonen; bevel zenaar de onveilige streken van den Kaukasuste brengen,op onbebouwden grond, in eenatmosfeer van koorts, op twee pas afstands van den vijand.Het antwoord van den gouverneur van Podolië is merkwaardig.—Er zijn, zegt hij, drie klassen van adelijken: deadelijke grondbezitters,—deadelijke bedienden, landbouwers en werklui,—èn deadelijken uit de steden, burgers, advokaten, enz. Het is noodzakelijk zich niet te bepalen tot de eerste klasse, maar vooraluit de beide andere te nemen, “het land van déze lieden te ontvolken.”Dit beroep van verfoeilijke vleierij op de keizerlijke wreedaardigheid werd volkomen begrepen. In zijn brief van 6 (18) April 1832 antwoordt de minister van binnenlandsche zaken, dat Zijne Majesteit de voorschriften heeft bekrachtigd,er eigenhandig aan toevoegende:”Ze moeten niet alleen dienen voor Podolië, maarvoor alle westelijke gouvernementen. Alleen menschen, die in staat zijn te werken, mogen gezonden worden; hun gezinnen kunnen later volgen.”Alzoo moeten zij alleen weggaan, van de hunnen gescheiden; de vrouw en de kinderen blijven achter om van honger in Polen te sterven, de man vertrekt om in den Kaukasus den dood te vinden.Ten slotte voegt de keizer erbij, dat de adelijken van de tweede klasse, de niet-grondbezitters, afzonderlijk zullen gehouden worden,ingedeeld bij de Kozakken, zonder aanraking met de koloniën van hun landgenooten.Dit verschrikkelijk reglement is niet een overgangsmaatregel geweest; het diende en dient nog tot grondslag voor besluiten en daden, die de menschheid doen sidderen.Voor de Fransche conscriptie, die de mannen naar het lot wegnam, heeft men de verschrikking van de Russische lichtingen in de plaats gesteld, waar de mannen gekozen, aangewezen worden naar de luimen des meesters en van publieke agenten. Men oordeele of mannen, verdacht om hun energie, vanPolonismedus, bij deze doorzichtige, partijdige handelwijze zullen gespaard worden. Zij verdwijnen alzoo naar den Kaukasus, en, volgens de verzekering van Paskjewitsch,12keeren zij er nooit van terug. Rusland heeft dáár als ’t ware een afzichtelijke fistelgevonden, door welke het ’t beste bloed van Polen, zijn manlijkheid en zijn kracht, doet wegvloeien. Het houdt ’t land zwak, altijd ziek, als na een aderlating.Al de strengheid van dit stelsel is neêrgekomen op de tweede klasse, die der adelijke boeren, een in zijn wezen militairen stand, en die meer dan de burgers der steden, den waren derden stand van Polen uitmaakte. Men begon met hen te verlagen tot den rang der zoogenaamd vrije boeren van Rusland (odnod-wortzi); vervolgens vond men een middel uit om hen viermaal voor één de bloedschatting te doen betalen. Al de andere onderdanen van het rijk ondergaan de lichting slechts om de twee jaren, zij echter ieder jaar. De anderen geven vijf man op de duizend, zij tien. Zoodat de lasten, die op hen rusten vierdubbel zijn. Deze ongelukkige klasse, uit ongeveer een millioen zielen bestaande, zal op den duur geen weerstand kunnen bieden aan zulk een herhaalde ontzettende aderlating. Niettemin verzekert men mij, dat dit jaar (1851) de keizer vindt, dat de zaken te langzaam vorderen, en dat men zint op middelen hen in massa naar de woestenijen van Zuid-Rusland over te brengen.Wat aan Polen overbleef, de wet van 1832, is door den keizer-zelf vernietigd. Hij heeft in de volgende jaren, een geheele gedaanteverandering van het land ondernomen. Voor de verdeeling van Polen in woiwodschappen heeft hij de Russische indeeling in gouvernementen in de plaats gesteld, de Russische munt ingevoerd ter vervanging van de Poolsche, het Russisch stelsel van maten en gewichten in zwang gebracht voor het decimale en metrische systeem, dat de Polen bezaten, den ouden Juliaanschen kalender hersteld, met afschaffing van den wetenschappelijken Gregoriaanschen, dien alle moderne naties volgen. Hij heeft, om de deur dicht te doen, getracht de Poolsche taal te doen verdwijnen, door haar gebruik op te heffen bij de administratiën; de ambtenaren, die het Russisch niet verstonden, af te zetten, de Russische taal in de Poolsche scholen verplichtend te stellen, aan de jeugdte verbieden haar eigen taal te spreken!—Eenige studenten te Wilna vereenigden zich in ’t geheim om onder elkander Poolsch te spreken; betrapt, opgelicht, aan den staart van Kozakken-paarden gebonden, werden zij voor hun leven soldaat!Dit is, dunkt mij, het gedrochtelijkst, het monsterachtigst-barbaarsch en het tegennatuurlijkst ondernemen, dat zich bedenken laat. De taal, onze dierbare moedertaal, ons allen even lief, waarvan elk woord, elke klank ons aan het vaderland doet denken, herinnert ons alle aandoeningen van het leven, onze wieg, al wat wij liefhadden! Haar uit ons hart te rukken, is ons van ons-zelven los te scheuren. Het wil mij voorkomen dat, ten opzichte van de personen die ons dierbaar waren en die wij moesten verliezen, de klank der dagelijksche woorden niet het minste is, wat ons in de herinnering is gegrift, ja, méér is dan de trekken van het gelaat, meer dan hun gebaar en hun houding en gang. Wat mij het sterkst is bijgebleven van mijn vader, met wien ik acht-en-veertig jaren van mijn leven heb samengeleefd, is zijn stem... Een trilling vaart door mij heen, als ik me verbeeld, dat hij in mijn nabijheid is, mij toespreekt en tot me zegt: “Mijn zoon!”Zeker, heel het hart ligt in de taal: gezin, liefde, het vaderland. Iedere krachtige natie heeft het beste van zich zelve in haar spraak gelegd. De heldhaftige Poolsche taal, trillend van forsche klanken, doet zelfs hem, die de beteekenis der woorden niet kent, de majesteit van den ouden Vrijstaat voeden, en toovert voor het ontvankelijk hart heel de glorie van zijn geschiedenis opnieuw te voorschijn. Men hoort er de kloeke stem der helden in weêrklinken.Het Russisch heeft een aangenamen klank, het is een zoete, het gehoor streelende taal; het heeft iets van de zangerige talen van het Zuiden. Het op te dringen aan Polen, is het nationaal karakter in een gewichtig punt veranderen, is het verzwakken en ontzenuwen.Ik ben overigens geneigd te gelooven, dat, wat mendoor dit barbaarsch verbod vooral wilde bewerken, was Polen te beleedigen, zijn ziel doodelijk te bedroeven, zijn hart te doorboren, waar het ’t zekerst te verwonden was en het ’t meest door zou lijden.Het geschiedde in dien tijd dat de keizer Europa deed dreunen door de beleedigende, verwoede rede, welke hij de overheden van Warschau in het gelaat slingerde. Hij liet niets achterwege om den naam zich waard te maken van een meedoogenloos man te zijn. Toen prinses Sanguszko tot hem kwam om genade te smeeken voor haar jongen man, die naar Siberië moest, liet de keizer zich het vonnis geven, en voegde er eigenhandig aan toe: “te voet.”Zulk een theatraal schrikbestuur is een echt Russisch middel. Men heeft er zich van overtuigd door de wandaad van Kroonstad, ten aanschouwe van heel Europa op een der drukst bezochte plaatsen openlijk bedreven. Men heeft het ook maar al te zeer kunnen zien dit jaar, den 20sten Juli 1851, toen het gerucht zich verbreid had, dat enkele gevangenen zouden begenadigd worden en het viertal, ten antwoord hierop, onmiddellijk werd ter-dood-gebracht.Soms heeft de Russische regeering den schijn aangenomen alsof ze er genoegen in vond voor deze of gene harer daden zich, met bedekten spot, te verdedigen. Bij voorbeeld, in 1842, toen ze te Rome en misschien ook aan andere hoven liet weten, dat, zoo ze zich de bezittingen der Poolsche kerk had toegeëigend, ze dit gedaan hadom ze in het belang dier kerk-zelve beter te beheeren; en dat, wat betreft den kinderroof, waarvan zooveel schande werd gesproken, dezealleen uit barmhartigheidgepleegd was.Uitsluitendom barmhartigheidte oefenen worden nog altijd de kinderen der Joden gestolen. Behalve de razzia’s op groote schaal, welke de Staat houdt, rooven de Kozakken ze onophoudelijk, drijven er handel in en verkoopen ze tegen vastgestelden prijs.De keizerlijkebarmhartigheidhoudt de Poolsche moeders steeds in vreezen en beven. Altijd zijn zij beangst voor nieuwe slagen.Het was in de maand Maart van 1832, toen de keizer juist in de hevigste bui van woede verkeerde, toen hij ’t bevel gaf tot wegvoering van zooveel gezinnen, dat hij de kinderen van mannelijk geslacht, zwervers, weezen,ènarm, van zeven tot zestien jaar, lietvangen(dit is het woord, waarvan zich de raad van administratie bedient). Het bevelschrift kwam onmiddellijk van den generaal-adjudant Tolstoï.Paskjewitsch drukt zich in zijn reglement anders uit; met twee letters verandert hij alles, een verandering, die hij wel niet zonder machtiging des keizers zal aangebracht hebben: hij zegtOFen nieten; hij zegt weezenOFarm; een wreedaardig verschil: immers sedert was het geoorloofd kinderen, diegeen weezenwaren te rooven, alleen maar als ze arme ouders hadden.Het gouvernement van Warschau voegde, toen het dit onmenschelijk bevelschrift liet aanplakken, om de gisting onder het publiek te verminderen en te verzachten, er deze, aan den tekst onbekende, woorden aan toe: de kinderen,die geen toevluchtsoord hadden.In werkelijkheid stal men, over ’t algemeen, nietteminde kinderen van arme ouders, en niettegenstaande de heftige en verschrikkelijke tegenspartelingen van die ouders.Het was een weerzinwekkend tafereel. Na menigen stoet van des nachts opgelichte kinderen, liet men den 17den Mei 1832 er een over dag vertrekken. De moeders liepen achter de karren en reten zich de borsten stuk; verscheidene wierpen zich onder de wielen; ze werden door stokslagen weggejaagd. Den 18den werden wederom een menigte jonge kinderen opgelicht, die werk verrichtten of in de straten ventten. Den 19den werden parochie-scholen leeggehaald. De arme kleinen, op deze wijs heengevoerd, stierven den heelen weg over alsvliegen. Als ze te zwak waren om den tochtvoortte zetten, liet men ze aan hun lot over. De menschen, die in de streek woonden, vonden de lijken dier jonge slachtoffers met hun stukje brood naast zich: ze hadden niet meer de kracht gehad het op te eten.1Een der samenzweerders tegen Julius Caesar, die dezen in 44 v. Chr. vermoordden.2Zie slot vanhoofdstuk V.3Den reeds meermalen genoemden onderkoning van Polen, 1816–1830, broer van de keizers Alexander I en Nicolaas I.4Na den val van Napoleon door de mogendheden gesloten, 1815, om orde te brengen in den ontredderden toestand van Europa.5Keizer van het Oost-Romeinsche rijk (527–565), vooral beroemd door zijn samenstelling van de Romeinsche wetten: corpus juris civilis.6Is, of was, zeker een kerkelijk blad of zoo iets. De vertaler is er niet achter kunnen komen.[Een Frans monarchistisch tijdschrijft, dat verscheen tussen 1790–1792, en opnieuw tussen 1817–1847.—J.H.]71792–’93.8Na den slag van Waterloo aangegaan.9Van 1830.10Chlapicki.11Priester.12Nam in 1831 Warschau in en brak daarna den Poolschen opstand.
VIII.Over de vernietiging van Polen.Op hetzelfde oogenblik, waarop de keizer, bekomen van de indrukken van den 14den December, de lijfeigenen weêr vasthechtte aan den grond en hun verwachtingen den bodem insloeg, gaven zij hem een bewijs van hun moedige toewijding, daarmeê bevestigend wat de saâmgezworenen hem hadden meêgedeeld van de bestaande misbruiken, en ze tevens met groot gevaar voor zich zelven ontdekkend. Bij een wapenschouwing, welke de keizer hield, treden vier boeren naar voren en verzoeken hem te spreken. Men stoot hen terug; men beduidt hun, dat zij kunnen te kennen geven wat zij aan den czaar te zeggen hebben; zij willen tot niemand anders dan tot hem spreken. Toen zij toegelaten waren, wierpen zij zich op de knieën, en zei een van hen: “Vadertje, gij wordt bestolen... Ga maar naar Kroonstad, en ge zult zien, dat op de markt, openlijk, in de winkels de tuigage van uw schepen, al wat tot uw marine behoort wordt verkocht.” De keizer zendt er driehonderd man heen; de bazaar (markt) wordt omsingeld, het gestolene wordt gevonden. Een streng onderzoek wordt ingesteld. Kort daarop gaat de scheepstimmerwerf, de bazaar, alles in vlammen op, en het onderzoek verdwijnt tegelijk met den rook.De keizer kon de beteekenis der mannen van den 14den December schatten, toen die ongekunstelde stemmen uit het volk op deze wijs hun onthullingen ondersteunden. Zij hadden hem in hun laatste onderhoudeen wezenlijken dienst bewezen, door hem Rusland in zijn ware gestalte te toonen, als één groote bloedende wond. Zij hadden dezen jongen krijgsman, van aard hard en spotziek, geleerd eerbied te hebben voor het Russische volk, een volk, waaronder mannen voorkwamen, zoo ijverend voor wet en gerechtigheid, dat zij, zelfs in het aanzien van den dood, van willekeurige genade niets weten wilden, en uitriepen: “Laat de wetten haar gang gaan!”Pestel had een dictator gewild, om de administratie te hervormen, te zuiveren. En de wensch van het Russische volk was daar niet ver van af. Het verlangde eenrechtvaardigen rechter, onverbiddelijk tegenover de misdadigers. En zulk een rechter had zich te vermenigvuldigen over ’t geheele rijk. Rusland had niet alleen behoefte aan wetten, maar aan mànnen. Er moesten, tusschen den vader en zijn kinderen, eerlijke rechters gekozen worden, die behoorlijk bezoldigd werden, opdat zij zich niet hoefden te laten omkoopen; er moesten strenge voorbeelden gesteld worden bij de eerste ambtsovertredingen, en zelden, maar met kracht, daartegen opgetreden worden; de eerlijkheid moest bij de rechtbanken en de administratie hersteld, het zedelijk peil der natie verhoogd worden, men moest haar helpen zich te bevrijden van een ingekankerd bederf, haar trapsgewijze waardig maken het beheer over zich zelve te voeren. Het eerste noodige hierbij was, dat er aan de spits, niet een man van genie, stond, maar een met grooten moed bezield, en groot van hart, die, juist door zijn voorbeeld, het Russisch karakter ophief, krachtig maakte, inwijdde in het goede,—in één woord, een heldhaftigopvoeder van het nationale geweten.De keizer was dit geenszins. Omgeven door menschen tegen wie hij een gewettigd wantrouwen koesterde, trachtte hij aanvankelijk alles zelf te doen, maar hij kon de bezwaren niet overwinnen. Hij had niet zoozeer daden te verrichten als wel mannen te scheppen, uitvoerders van zijn wil te kiezen en te maken.Evenals de meeste menschen van dit tijdvak, en verscheiden saâmgezworenen zelfs, geloofde hij vast aan de levende kracht van wetten. Een van hen, Tourgenieff, schijnt in zijn lofwaardig boek de meening te zijn toegedaan, dat Rusland gered zou worden als het deze of gene Engelsche of Fransche wet aannam. De keizer was er eveneens van overtuigd, dat orde in het rijk zou heerschen, als men de groote massa der Russische wetten maar ordende en bijeenbracht. Hij vertrouwde dit reuzenwerk toe aan den wetskenner Speranski. Hierdoor heeft hij grooter dienst bewezen aan de rechtsgeleerdheid dan aan de wetgeving. In den oneindigen chaos van elkaar tegensprekende ukazen, kiest de rechter welke hij wil, en de willekeur is dezelfde.Een strenge regeling van de rechterlijke macht diende vóór alles te gaan. Wat het volk overal vroeg, was eenrechtvaardig rechter. Het had behoefte aan een ernstige opvoeding tot gerechtigheid.Helaas! het noodlot, de hartstocht hebben dit volk op den tegengestelden weg gevoerd: een opvoeding tot ònrechtvaardigheid,—door het tegenover een broedervolk het verderfelijkst bedrijf te doen uitoefenen, dat van den beul.De keizer zòcht den juisten weg, maar hij had in zich een heimelijke drang tot afwijking ervan. Hij hield van rechtvaardigheid, maar met een wreed hart; hij hield ervan uit persoonlijken hoogmoed, als van iets dat hèm toebehoorde, hij beschouwde ze als gerechtigheid van den czaar, niet als gerechtigheid van God.Een steen bevond zich op zijn weg,—en hij is voor altijd uit het spoor geraakt.—Waar gaat hij heen? Niemand weet het.Die steen was Polen.Een noodlottige steen, niet te verbrijzelen, dien men tevergééfs zoekt fijn te stooten. Hij blijft altijd onwrikbaar.Het onderzoek van den 14den December had één ding ontsluierd, dat den keizer moest verwonderen,treffen, zijn hart voor goed ontwapenen, namelijk de zielegrootheid, welke de Polen ten toon spreidden in hun heimelijke betrekkingen tot de Russische saamgezworenen.—Deze laatsten openbaarden zich als Romeinen, en de Polen als ridders. Pestel geloofde, evenals Brutus,1dat men den tyran moet dooden om de tyrannie te dooden. De Polen kwamen daartegen op. Zij betoonden zich barmhartiger voor hun vijand, dan de Russen voor hun meester. Dezen onrechtvaardigen overweldiger, dezen meineedigen souverein, die den draak stak met de grondwet, welke hij zelf verleend had: de Polen drongen erop aan hem te sparen. De goede, grootmoedige kolonel Krzyzanowski, een man met een eerlijk, menschelijk en teeder hart, zei tot den Russischen republikein,dat hij niet had hooren zeggen, dat de Polen ooit hun koningen hadden gedood.Dienzelfden kolonel heeft mevrouw Felinska later in Siberië zien sterven.2Om den zieleadel der Polen naar waarde te schatten, moet men weten dat niet alleen hun wetten waren verkracht, hun vergaderingen een schijnvertooning; dat men hun de openbaarheid der beraadslagingen had ontnomen, enz. enz.; maar dat de keizer hen persoonlijk overleverde aan de luimen, aan de wreedheid van Constantijn.3Men moet weten dat deze boosaardige woestaard, deze tijger-aap, er zijn behagen in stelde de uitgezochtste kwellingen en straffen uit te denken. Het isontzettendom neêr te schrijven, maar hij had, in de onderaardsche kerkerholen van een karmelieterklooster, tot speelbal een gevangene, den ongelukkigen Lukasinski, tegen wien hij zich uitputte in hetverzinnen van al wat het menschelijk vernuft aan zijn slachtoffer kan doen lijden: honger, ketenen, pijnigingen, dorst gedurende weken achtereen (geen water, en zoute haringen als uitsluitend voedsel), en geeselingen, telkens opnieuw toegediend, zoodra hij weêr van zijn wonden genezen was... En dit alles met duivelsch overleg. Constantijn was vóór alles bevreesd, dat hij hem door den dood zou ontsnappen.De man van ijzer en staal, die zooveel martelingen te boven kwam, was een dapper officier van het oude leger. Hij had de laatste woorden, den laatsten adem van Dombrowski opgevangen. Deze aanvoerder en formeerder der beroemd geworden Poolsche legioenen, beklaagde zich erover, toen hij in 1818 stierf, dat zijn heldhaftige kameraden zooveel bloed vergoten hadden voor vreemde belangen, zoo weinig ten bate van Polen-zelf. Sedert dit ernstig woord gesproken werd, groeide een nieuw geslacht op, een nieuwe wereld van helden, van onverschrokken samenzweerders. De eerste was Lukasinski.De tyran voelde bij instinct, dat deze man voor hem een schrikbeeld was, dat in hem de ziel van Polen huisde; in hem zocht hij deze groote, onzichtbare ziel der natie te treffen. Daar hij zijn stilzwijgen niet kon overwinnen, wilde hij hem althans onteeren; men gaf voor dat hij zijn medeplichtigen had verraden. Als dit waar geweest was, zou zijn cipier in zijn woede geen toenemende barbaarschheden tegen hem uitgedacht hebben.Toen in 1830 de Polen de krankzinnige grootmoedigheid aan den dag legden Constantijn te laten ontvluchten, voerde hij geen andere schatten meê, dan alleen dezen gevangene; goud en zilver golden niet zooveel voor zijn onmenschelijkheid als zijn levend speelgoed; bij zijn overijlden aftocht werd hij gevolgd door de schim van een man, aan het affuit van een kanon meêdoogenloos vastgebonden: den rampzaligen Lukasinski...Maar keeren wij terug tot de gebeurtenissen van December 1825. De Poolsche aangeklaagden, de goedekolonel en de anderen, zouden in hun vaderland door het opperste gerechtshof, den senaat, gevonnist worden. Dit lichaam, waarin bijna alleen toegewijde aanhangers van Rusland zitting hadden, scheen blindelings te moeten veroordeelen. De keizer twijfelde er geen oogenblik aan. Maar de macht der openbare meening was toen zoo krachtig, dat zij den senaat op haar kant kreeg. Hij verklaarde de aangeklaagde schuldig, omdat zij het Russisch complot niet hadden ontdekt, dochonschuldig voorzoover Polen betrof; hij veroordeelde hen slechts tot lichte straffen. De voorzitter had den moed aan den czaar te berichten: “Zij hebben zich slechts verbonden voor de handhaving van hun volksbestaan; zij stelden zich op het standpunt van het traktaat van Weenen,4dat dit erkend heeft. Het opperste gerechtshof heeft hierin niets misdadigs noch strafwaardigs kunnen zien.” Welk een overmoedige daad! Men houde hierbij wel in het oog, dat zij niet uitging van het aloude Polen met twintig millioen zielen; maar van het nietige Polen, dat door Alexander om zoo te zeggen, was ingekrompen tot Warschau en zijn stadsgebied.De ijsbeer knerste op de tanden.—En als ik spreek van den beer, bedoel ik Rusland. De vrijspreking verontwaardigde het meerendeel der Russen, bracht hen tot verzet. Zij vonden Polen ondankbaar; moest het, beter behandeld dan Rusland, daar het, althans in schijn, een grondwet had, zich niet gelukkig rekenen? Zij verweten het zijn materiëelen voorspoed, een natuurlijke vrucht van den vrede, maar dien zij voor het werk van den czaar hielden; ook de verfraaiïngen van Warschau (door Poolsch geld tot stand gebracht) en vooral de instelling der territoriale banken, welke aan de Polen een zoo aangename gemakkelijkheid verschaffen om zich te ruïneeren.Toen nu de keizer de opwinding in Rusland aanzag, en dat hij zijn volk aan zijn zijde had, kon hij zijn woede niet langer in bedwang houden. Hij dacht niet meer aan de wetten, noch aan zijn rol van wetgever, van Russischen Justinianus.5Hij gedroeg zich openlijk, volgens zijn natuur, als een Tartaar. Hij wilde zelfs geen verlof geven het vonnis openbaar te maken. Constantijn verlangde niets minder dan een militaire commissie om de veroordeelden dood te schieten. Zij werden naar Siberië gebracht. De Poolsche rechtbank en geheel Polen werden beleedigd en met minachting behandeld.Intusschen begon men den keizer aan ’t verstand te brengen, dat dit kleine land op niets méér recht had dan elke andere Russische provincie. Het bevond zich in een uitzonderingstoestand, die moest opgeheven worden; het diende te worden gebracht onder het algemeene centrale gezag van het rijk. De souvereinen, bewonderaars van Napoleon (vooral van zijn fouten), achten niets hooger in hem dan zijn streven naar centralisatie, welke hem naar dezelfde wetten volken liet besturen met tien verschillende talen en uiteenloopende zeden: de prefectuur van Hamburg en die van Rome. De wetgeleerde en bureaucratische geest, die te Petersburg heerschte, dreef den keizer in beide richtingen, die van onrechtmatige centralisatie en van plompe wetboekvervaardiging. Hij ondernam een onzinnig, een onbegonnen werk, al zou ’t hem ook het leven kosten: de volkomen gelijkmaking van Polen met Rusland, de opslorping, de vernietiging van het Poolsche volksbestaan.De verkeerde wegen, die hierbij konden worden ingeslagen, waren reeds gebaand. Catharina, een godloochenaarster, had tot uitgangspunt tegen Polen het godsdienstig vraagstuk gekozen. Dit is het beste aanvalsmiddel,het krachtigste houvast. Ten eerste steunt men daarbij op de bekrompen vroomheid en dweperij der Russen; vervolgens treft men er Polen door op een punt, waar het de sympathieën van Europa niet bezit. Europa is er spoedig bij, in dit geval, te gelooven, dat heteen zaak van priestersgeldt, en het hult zich in een mantel van rustige onverschilligheid.Wat Polen het meest geschaad heeft, zijn zijn ultra-roomsche verdedigers, die aantoonden dat het juist gebonden was aan wat afsterft en moet òndergaan. Italië zal overwinnen en leven, omdat het den priester eraan gegeven heeft en met Europa meê vooruitgaat. Ierland zinkt hoe langer zoo dieper weg, omdat het zich aan den priester blijft vastklampen, d.w.z. zich buiten Europa plaatst: het heeft zijn leven gezet op wat dood is. Polen is niet dood; het ligt slechts levend in zijn graf, en zal er niet uit opstijgen zoolang het zijn innerlijke tegenspraak niet zal begrijpen, die zijn kracht verlamt en het van de levende wereld vervreemdt. Volk van heldhaftigen en vrijen geest, meent het katholiek te zijn; het is ’t, ja; maar niet van nature, alleen omdat het ’t wil, als verweermiddel tegen Rusland. Het katholicisme is juist de ontkenning van de heldhaftige persoonlijkheid, welke de karaktertrek van de Polen uitmaakt.De paus en de Quotidienne6hebben ’t hun meer dan tienmaal en met reden gezegd: “Als gij katholieken zijt, gehoorzaamt dan, onderwerpt u, draagt het juk van Rusland.”De Montalembert heeft in zijn warmgeschreven verdediging van Polen, uit zijn jeugd dagteekenend (1833), een onberaden woord gebruikt, dat keizer Nicolaas met goud zou betaald hebben. Hij vergelijkt den roem der Polen metdien der Vendéeërs. Het was een even onnauwkeurige als onvoorzichtige gelijkstelling. De Vendée, dat is de burgeroorlog. De Vendéeis de Franschman Frankrijk in den rug aanvallend, terwijl heel Europa het vanvoren aantast.7Geen overeenkomst alzoo met de wettige, eerlijke, heldhaftige worsteling van het ongelukkige Polen tegen den vreemdeling, met Rusland.Dit rijk had, onder het bestuur van Alexander, den vader van het Heilig Verbond,8die zelf aan den invloed gehoorzaamde van mevrouw Krüdener en van de Maistre, in de hooge Poolsche geestelijkheid een der beste werktuigen van den dompersgeest gezien. De bisdommen werden in aantal vermeerderd, ver boven de behoeften der dungezaaide bevolking, en buitensporig bezoldigd. Iedere bisschop kreeg een jaarwedde van zestigduizend Poolsche guldens, één honderdachtduizend, en de primaat hondertwintig-duizend. Wat de lagere geestelijkheid betreft, deze werd ontzien, terwijl men de oogen sloot voor haar eisch de gewone rechtbanken niet te hoeven erkennen.Hoe meer de geest van staatkundige vrijheid en het nationaliteitsgevoel hardvochtig werden onderdrukt, zooveel te meer ontzag men den onafhankelijksheidszin der geestelijkheid. Aan haar werd toegestaan zelve haar eigen zaken, in overeenstemming met Rome, te regelen. Ja, wat meer is, men had haar het ministerie der eerediensten en van het openbaar onderwijs overgelaten, waarin de aartsbisschop-primaat met twee bisschoppen zitting had. Het paleis van Constantijn was het middelpunt der bijgeloovige vroomheid. Zijn gemalin was de steunpilaar van het geestelijk genootschapHet Lam Gods. De zedelijke verstomping van Polen scheen het gemeenschappelijk doel, waarnaar militaire dwingelandij en godsdienstige domperij in roerende overeenstemming streefden.In de groote zaak van het vonnis van het hooggerechtshof rekende Rusland op den steun der acht bisschoppen, die er zitting in hadden. Zij hadden zichkunnen beroepen op hun waardigheid om zich van een oordeel te onthouden. Zij gaven niettemin hun oordeel en verklaarden, den stortvloed der openbare meening volgend, evenals de andere rechters, dat de aangeklaagdenniet schuldig waren voorzoover Polen betrof.De keizer vatte deze vrijspraak als een persoonlijke beleediging op. Hij begon den oorlog tegen de kerk in Polen.De eerste daad, overigens een zeer verstandige, was een algemeene regeling van het geheele openbaar onderwijs, om aan de katholieke geestelijkheid allen invloed op de opvoeding te ontnemen. De tweede daad, weer van dadelijk-aanvallend karakter, bestond hierin, dat een geestelijk genootschap of gerechtshof werd opgericht, om de belangen der Vereenigde Grieken (d.w.z. verbonden aan Rome) te regelen: een genootschap overeenkomstig met dat, ’twelk, onder den keizer, de Grieksche kerk in Rusland beheert. Het was een volk van drie millioen zielen, totdusver aan ’t gezag van den paus onderworpen, dat de czaar zoodoende onder ’t Moscovitisch kerkgezag bracht.Hij wilde nog verder gaan, de Poolsche geestelijkheid beletten in briefwisseling te blijven met den paus, anders dan door bemiddeling van de regeering. Dit werd de oorzaak, dat de geestelijkheid zich aansloot bij de omwenteling van 1830.Zonderlinge samenloop van omstandigheden! Onze Juli-revolutie,9in de eerste plaats begonnen tegen de priesters en de femelarij van den koning, vond op haar weg, als nabootster, België en Polen: priesterrevoluties!Wat meer dan iets anders ertoe bijgedragen heeft om den opstand der Polen een verloren zaak te doen zijn, was vooral dat een belachelijk generaal10aan ’t hoofd werd geplaatst, een man van hetHeilig Hartof hetLam Gods, verdacht, onbekwaam of verraderlijk, die slechts Rusland ontzag en alleen den Poolschen patriotten den oorlog aandeed.De Poolsche omwenteling, onder zulk een treurige leiding, verontschuldigde zich als een revolutie, werd een kruistocht, en keerde zich natuurlijk naar den kant van Rome. Zij verwachtte van den paus zedelijken steun; zij onderstelde dat een bul het volk zou wapenen, de landelijke bevolking in massa zou meêsleuren, den bodem zelf tot opstand brengen. Men moet het erbarmelijk antwoord van Rome lezen, en hoe het zich schandelijk verschuilt achterde mogendheden van den eersten rang, die het lot van Polen zullen bepalen tot algemeene genoegdoening van partijen!Genoegdoening!Er is nooit een meer wreedaardig-spottend woord gesproken!... Het was het oogenblik waarop de keizer, ziende dat Rome en Frankrijk Polen aan zijn lot overlieten, het besluit nam—het te onderdrukken? neen,—het te vernietigen, te doen verdwijnen van den aardbodem.Dit is de grootste misdaad, die ooit begaan is. Men wachte zich wel naar eenigen grond voor vergelijking te zoeken.Men heeft het ondernomenniet alleen Polen te vermoorden, zijn wetten, zijn godsdienst, zijn taal, zijn letterkunde, zijn volksbeschaving,—maar ookde Polen te dooden, hen als ras te vernietigen, de kracht der bevolking te breken, zoodat, wanneer zij als kudde van menschelijke wezens nog bestaat, zij als Poolsche bevolking, met levensvatbaarheid en zedelijk vermogen, verdwenen is.Totdusver had ik ’t zelf niet willen gelooven. Ik had mij altijd hardnekkig voorgenomen de uitdrukking:Polen te dooden, voor niets anders dan louter grootspraak te houden, rhetorische overdrijving. Evenwel, ik moet mij voor overwonnen verklaren. Ik heb onder de oogen de (alsnog onvolledige) reeks vankeizerlijke ukazen, die van jaar tot jaar, op onverstoorbare wijze, het voornemen eener stelselmatige vernietiging ten uitvoer willen brengen.Wat is toch de reden, dat de Polen het eenvoudig werk niet hebben ondernomen den veelbeteekenenden tekst dier afschuwelijke wetten bijeen te brengen en te doen drukken, om daardoor voor hun vijand het groote grafmonument op te richten, dat hem beter zou hebben gekarakteriseerd dan iedere schimprede?Een Tartaarsch veroveraar heeft er eens behagen in gevonden voor zijn roem in de vlakte van Bagdad een pyramide op te richten van honderdduizend doodshoofden. Hoeveel grootscher zou het gedenkteeken zijn, dat wij voorstellen, saamgesteld uit duizenden moordende wetten! Welk een heerlijke Doodstropee!Niets kan hiermeê in vergelijking komen.Het oude Rome meende den Joodschen naam te hebben uitgeroeid. En het deed niets anders dan hem over de gansche aarde te verbreiden. De verdrijving der Joden uit Spanje heeft hun vernietiging toch niet ten gevolge gehad.De Conventie heeft, in een oogenblik van gevaar en woede, door heel Europa in ’t nauw gebracht, in den rug door den opstand van de Vendée aangevallen, den eed gezworen de Vendée te zullen verdelgen. Maar de Vendée is blijven bestaan, en is een der dichtstbevolkte streken van Frankrijk.De onderneming van Lodewijk XIV om de protestanten te bekeeren of uit te roeien biedt meer overeenkomst met de Poolsche vernietiging. Wij vinden, als in Rusland, een reusachtig wetboek, saamgesteld uit wetten ter verbanning en vogelvrijverklaring. Toch is het onderscheid groot. Bij de protestanten-vervolgingen komen geen Tartaarsche razzia’s voor, als in Polen zijn gehouden, geen moordende overplaatsingen van rassen en geslachten. Ook hebben de uitgeweken protestanten niet alleen hun bestaan in Europa gered, maar zij hebben stand gehouden in Frankrijk en zijn er tot voorspoed geraakt, door den geldhandel vooral:zij leenen tegenwoordig geld aan de nakomelingen hunner vervolgers.Neen, niets is te vergelijken met wat in Polen geschied is, niets. Noch wetten, noch het zwaard zouden de bovenmenschelijke verrichting eener zoo verschrikkelijke verwoesting hebben kunnen volvoeren. Slechts twee voorbeelden konden op den weg helpen van krachtdadiger middelen om het doel te bereiken.In Ierland heeft men een volk gezien, dat door overmaat van ellende, zonder mèrkbaar in getalsterkte te verminderen, ontaardde, wegsmolt, geheel verdween. Er bleven nog wel menschen over, maar het ras bestond niet meer.In Frankrijk, heeft men tijdens de laatste jaren van Napoleon, toen de heele mannelijke bevolking regelmatig door den oorlog was weggevoerd, de lichaamslengte zien inkrimpen. Nog eenige jaren zulk een systeem volgehouden, en het ras zou verànderd zijn. Een natie die slechts vernieuwd wordt door zwakken, zieken, verkromden, moet ten slotte ondergaan. In getalsterkte kan zij dezelfde blijven; als macht van eenige beteekenis zal zij weldra verdwijnen.Ziedaar voorbeelden, ziedaar lessen. Door deze middelen tot een te brengen, kunnen wij iets uitrichten in de groote kunst van den dood. Laat ons bij elkander voegen de ellende van Ierland, de lichtingen van Napoleon, de beruchte verordeningen op de verdachten, gevangen genomen volgens de wetten van het Schrikbewind of die van Lodewijk XIV; vermeerderen we al deze westersche middelen met het groote oostersche: de gewelddadige overplantingen van menschen naar hun vijandige klimaten, en het moest wel ongelukkig treffen als hetPolonismeaan al deze vereenigde pogingen weêrstand zou bieden.HetPolonisme, een nieuw woord, dat niet zoozeer een ras als een geestesrichting aanduidt. Polen is niet meer een volk in de gedachte der verdelgers, het is een denkbeeld, het is een leelijke ziel, het is een verbastering van het ware begrip, iets als een ketterij.Dit kenmerkt den strijd en voorspelt het resultaat ervan. Ja, Polen is iets geestelijks, en het heeft niets dan een lichaam tegen zich over. De barbaarsche, wreede kracht die het met zijn grijparmen vasthoudt, vermag alles, behalve om een geest te worden. Zij blijft ruwheid, stof, en wordt het hoe langer zoo meer. Om een ziel in zich te kunnen opnemen, moest zij zelve een ziel zijn, en die is haar ontzegd.Maar nu moet alle dichterlijkheid aan een kant gezet worden, dient de platte werkelijkheid, als zóódanig, dus ook platweg, gezegd te worden, het lage met lage woorden genoemd.Welke macht is het, die in werkelijkheid de uitroeiïng van Polen zich ten doel gesteld heeft? De keizer alleen? De hemel gave ’t! Een ènkel mensch put zich uit. Rusland? In geenen deele; tegenwoordig boezemt het ternauwernood nog medelijden in.Neen, deze doodbrengende macht is noch een mensch, noch een heel volk; het is de geörganiseerde verachtelijkheid, welke men bureaucratie noemt; het is het samenstel van intriganten, vreemde parvenu’s, moeras-insekten van het Noorden, die rondom den keizer krielen en zwermen.Polen is een ding, een zaak.Daarin ligt het geheim.Duizenden menschen, bureaucraten, politiemannen en allerlei ambtenaren, militairen, halve-militairen (zooals er zooveel in Rusland zijn), die allen zijnin de zaakbetrokken, door winstgevende betrekkingen òf door verbeurdverklaringen. De keizer is goed, en hij weet zijn dienaren te beloonen. Een van hen, Adam van Wurtemberg, heeft zich door zijn meester het huis zijner nog levende moeder doen schenken. Hij heeft die moeder aan de deur gezet. Hij heeft het huis van zijn grootmoeder, een ziekelijke tachtigjarige, die niet meer vervoerd kon worden, door kogels doen doorboren.De prooi vermeerdert den honger, de eters vermenigvuldigen zich als de lokspijs overvloedig is. De dooden de vernietiging, die krachten welke men negatief waande, zijn van scheppend vermogen bevonden; zij hebben bewezen een afgrijselijke vruchtbaarheid te bezitten, zij hebben een geslacht gekweekt van kruipend gedierte en knagende wormen. En Rusland wordt tegenwoordig opgegeten door dit gespuis. Onophoudelijk krijgt het stukken van Polen te verslinden.Werpt u dus, wormen, hongerigen, intriganten van alle soort, werpt u op den begeerlijken buit! De zoon van den pope,11die kan lezen, schrijven en proces-verbaal opmaken, krijgt een plaats bij de politie. De jonge man van kleinen adel, die sedert zijn schooltijd verdorven is, hebzuchtig geworden en eergierig, tot alles bereid, zal wel een kamertje weten te vinden in de monstergebouwen der centrale administraties te Sint-Petersburg. Als hij laaghartig is, zal hij wel spoedig bevorderd worden. De promotie gaat zeer snel. Verscheiden hooge ambtenaren van het keizerrijk zijn niet ouder dan dertig jaar. Als zij kans zien in de omgeving van den meester te komen, als zij gelegenheid vinden de eenige zijde te vleien, waar hij vat op zich geeft, zijn woede, dan is hun fortuin gemaakt. Aan hen de zorg om, ter eere van zijn naam, onophoudelijk deze woede op te wekken, bij een op zulk een noodlottige hoogte geplaatst man de duizeling te onderhouden, het valsch poëtisch gevoel te voeden, dat gelegen is in de inbeelding, dat men een volk heeft kunnen vernietigen.Zulke lieden zullen er nooit om verlegen zijn nieuwe ukazen voor te stellen. De heftigheid van den keizer is voor hen een uitnemende bodem ter ontginning; dag en nacht bewerken zij dien. Zij vinden er fortuin, eereambten, hooge posten en plotselinge, onverwachte bevordering, waardoor zij vele rangen overspringen.Verplaatsen wij ons naar het oogenblik van de eerste woede-uiting van den keizer, toen hij het overwonnenPolen in zijn macht had. Een Polen, dat ingekrompen was tot drie millioen menschen, had het gewaagd het zwaard op te heffen tegen een Rusland van vijftig. Die onbeschaamde Polen, een Dembinski bijvoorbeeld, hadden zoo weinig eerbied voor de keizerlijke macht, dat zij met eenige hoopjes mannen de Russische legers van achter en van terzij bestookten, zonder dat men ze kon vatten.Maar nu hàd hij ’t dan in zijn macht, dat Polen; hij bezag ’t met het oog, waarmeê de beer kijkt, die honigvreter uit de bosschen van het Noorden, wanneer hij een bij in de holte van zijn fluweelen poot te pakken heeft. Zal hij haar dezen of den anderen vleugel, of een van haar pooten uittrekken? Hij wil haar niet versmoren, maar langzaam doen omkomen.De eerste daad was, de gevangenen die geen Russen wilden worden, te doen afranselen. Wij hebben al gesproken van de slachting van Kroonstad: aan ieder manacht-duizend stokslagen! Daar men dood gaat bij hoogstens vier-duizend, was men zoo welwillend de patiënten te laten genezen, om de volledige strafoefening mogelijk te maken: deze werd dus bij gedeelten toegepast.Zij die zich wel tot Russen lieten omdoopen, werden naar den Kaukasus gevoerd en daar bij de voorposten geplaatst. De Tscherkessen, voortreffelijke schutters, hadden weldra gerechtigheid aan hen geoefend.De keizer werd in deze genietingen een weinig gestoord door de zwakke, koude en laffe vertoogen van de regeeringen van Engeland en Frankrijk. Maar hij was er volkomen van overtuigd dat het eerste rijk, den kogel zijner nijverheid achter zich aansleepende (een gouden kogel, maar niettemin een zwaren), niets wilde en niets zou doen; en Louis-Philippe nog minder, die tegenover Nicolaas de nederige houding aannam van een koning op zijn knieën. Aan beide zijden schijnvertooningen. En een schijnvertooning was het antwoord. Hij zou aan de overwonnelingen een nieuwe grondwet geven. Deze daad beteekende niets andersdan de vernietiging van Polen. Zij, die haar verlangden, hielden zich voor voldaan.Door de verordening van Februari 1832 werd Polen eenvoudig een onderdeel van het Russische rijk. De Poolsche kroon kon voortaan alleen te Moscou verkregen worden. Geen persoonlijke vrijheid meer noch vrijheid van drukpers. Ook geen landdag meer. Rechters, die naar willekeur konden worden afgezet. Alle posten toegankelijk voor de Russen. Geen ministeriëele verantwoordelijkheid meer. Geen speciaal Poolsch leger meer. De verbeurdverklaring wederom ingesteld. Verbanning buiten Polen, d.w.z. naar Siberië, enz., enz.Maar welke bepalingen dit vreemde staatsstuk dan ook bevatte, het schijnt dat de keizer verontwaardigd was een schaduw van grondwet te moeten behouden. De provinciale staten, die hij in de plaats stelde van den landdag, hield hij voor een buitensporige, onduldbare toegefelijkheid. Door ze toe te staan aan Europa, wilde hij Europa tevens trotseeren. En een maand later, in Maart, liet hij een aanvang maken met de uitvoering van twee afschuwelijke maatregelen, de wegvoering van geheele familiën en de oplichtingen van kinderen.In een enkel gouvernement, dat van Podolië, bevel tot verplaatsing van vijf-duizend familiën (vijf-en-twintig- tot dertig-duizend menschen) van opstandelingen,aan wie hun straf was kwijtgescholden, of vanverdachtepersonen; bevel zenaar de onveilige streken van den Kaukasuste brengen,op onbebouwden grond, in eenatmosfeer van koorts, op twee pas afstands van den vijand.Het antwoord van den gouverneur van Podolië is merkwaardig.—Er zijn, zegt hij, drie klassen van adelijken: deadelijke grondbezitters,—deadelijke bedienden, landbouwers en werklui,—èn deadelijken uit de steden, burgers, advokaten, enz. Het is noodzakelijk zich niet te bepalen tot de eerste klasse, maar vooraluit de beide andere te nemen, “het land van déze lieden te ontvolken.”Dit beroep van verfoeilijke vleierij op de keizerlijke wreedaardigheid werd volkomen begrepen. In zijn brief van 6 (18) April 1832 antwoordt de minister van binnenlandsche zaken, dat Zijne Majesteit de voorschriften heeft bekrachtigd,er eigenhandig aan toevoegende:”Ze moeten niet alleen dienen voor Podolië, maarvoor alle westelijke gouvernementen. Alleen menschen, die in staat zijn te werken, mogen gezonden worden; hun gezinnen kunnen later volgen.”Alzoo moeten zij alleen weggaan, van de hunnen gescheiden; de vrouw en de kinderen blijven achter om van honger in Polen te sterven, de man vertrekt om in den Kaukasus den dood te vinden.Ten slotte voegt de keizer erbij, dat de adelijken van de tweede klasse, de niet-grondbezitters, afzonderlijk zullen gehouden worden,ingedeeld bij de Kozakken, zonder aanraking met de koloniën van hun landgenooten.Dit verschrikkelijk reglement is niet een overgangsmaatregel geweest; het diende en dient nog tot grondslag voor besluiten en daden, die de menschheid doen sidderen.Voor de Fransche conscriptie, die de mannen naar het lot wegnam, heeft men de verschrikking van de Russische lichtingen in de plaats gesteld, waar de mannen gekozen, aangewezen worden naar de luimen des meesters en van publieke agenten. Men oordeele of mannen, verdacht om hun energie, vanPolonismedus, bij deze doorzichtige, partijdige handelwijze zullen gespaard worden. Zij verdwijnen alzoo naar den Kaukasus, en, volgens de verzekering van Paskjewitsch,12keeren zij er nooit van terug. Rusland heeft dáár als ’t ware een afzichtelijke fistelgevonden, door welke het ’t beste bloed van Polen, zijn manlijkheid en zijn kracht, doet wegvloeien. Het houdt ’t land zwak, altijd ziek, als na een aderlating.Al de strengheid van dit stelsel is neêrgekomen op de tweede klasse, die der adelijke boeren, een in zijn wezen militairen stand, en die meer dan de burgers der steden, den waren derden stand van Polen uitmaakte. Men begon met hen te verlagen tot den rang der zoogenaamd vrije boeren van Rusland (odnod-wortzi); vervolgens vond men een middel uit om hen viermaal voor één de bloedschatting te doen betalen. Al de andere onderdanen van het rijk ondergaan de lichting slechts om de twee jaren, zij echter ieder jaar. De anderen geven vijf man op de duizend, zij tien. Zoodat de lasten, die op hen rusten vierdubbel zijn. Deze ongelukkige klasse, uit ongeveer een millioen zielen bestaande, zal op den duur geen weerstand kunnen bieden aan zulk een herhaalde ontzettende aderlating. Niettemin verzekert men mij, dat dit jaar (1851) de keizer vindt, dat de zaken te langzaam vorderen, en dat men zint op middelen hen in massa naar de woestenijen van Zuid-Rusland over te brengen.Wat aan Polen overbleef, de wet van 1832, is door den keizer-zelf vernietigd. Hij heeft in de volgende jaren, een geheele gedaanteverandering van het land ondernomen. Voor de verdeeling van Polen in woiwodschappen heeft hij de Russische indeeling in gouvernementen in de plaats gesteld, de Russische munt ingevoerd ter vervanging van de Poolsche, het Russisch stelsel van maten en gewichten in zwang gebracht voor het decimale en metrische systeem, dat de Polen bezaten, den ouden Juliaanschen kalender hersteld, met afschaffing van den wetenschappelijken Gregoriaanschen, dien alle moderne naties volgen. Hij heeft, om de deur dicht te doen, getracht de Poolsche taal te doen verdwijnen, door haar gebruik op te heffen bij de administratiën; de ambtenaren, die het Russisch niet verstonden, af te zetten, de Russische taal in de Poolsche scholen verplichtend te stellen, aan de jeugdte verbieden haar eigen taal te spreken!—Eenige studenten te Wilna vereenigden zich in ’t geheim om onder elkander Poolsch te spreken; betrapt, opgelicht, aan den staart van Kozakken-paarden gebonden, werden zij voor hun leven soldaat!Dit is, dunkt mij, het gedrochtelijkst, het monsterachtigst-barbaarsch en het tegennatuurlijkst ondernemen, dat zich bedenken laat. De taal, onze dierbare moedertaal, ons allen even lief, waarvan elk woord, elke klank ons aan het vaderland doet denken, herinnert ons alle aandoeningen van het leven, onze wieg, al wat wij liefhadden! Haar uit ons hart te rukken, is ons van ons-zelven los te scheuren. Het wil mij voorkomen dat, ten opzichte van de personen die ons dierbaar waren en die wij moesten verliezen, de klank der dagelijksche woorden niet het minste is, wat ons in de herinnering is gegrift, ja, méér is dan de trekken van het gelaat, meer dan hun gebaar en hun houding en gang. Wat mij het sterkst is bijgebleven van mijn vader, met wien ik acht-en-veertig jaren van mijn leven heb samengeleefd, is zijn stem... Een trilling vaart door mij heen, als ik me verbeeld, dat hij in mijn nabijheid is, mij toespreekt en tot me zegt: “Mijn zoon!”Zeker, heel het hart ligt in de taal: gezin, liefde, het vaderland. Iedere krachtige natie heeft het beste van zich zelve in haar spraak gelegd. De heldhaftige Poolsche taal, trillend van forsche klanken, doet zelfs hem, die de beteekenis der woorden niet kent, de majesteit van den ouden Vrijstaat voeden, en toovert voor het ontvankelijk hart heel de glorie van zijn geschiedenis opnieuw te voorschijn. Men hoort er de kloeke stem der helden in weêrklinken.Het Russisch heeft een aangenamen klank, het is een zoete, het gehoor streelende taal; het heeft iets van de zangerige talen van het Zuiden. Het op te dringen aan Polen, is het nationaal karakter in een gewichtig punt veranderen, is het verzwakken en ontzenuwen.Ik ben overigens geneigd te gelooven, dat, wat mendoor dit barbaarsch verbod vooral wilde bewerken, was Polen te beleedigen, zijn ziel doodelijk te bedroeven, zijn hart te doorboren, waar het ’t zekerst te verwonden was en het ’t meest door zou lijden.Het geschiedde in dien tijd dat de keizer Europa deed dreunen door de beleedigende, verwoede rede, welke hij de overheden van Warschau in het gelaat slingerde. Hij liet niets achterwege om den naam zich waard te maken van een meedoogenloos man te zijn. Toen prinses Sanguszko tot hem kwam om genade te smeeken voor haar jongen man, die naar Siberië moest, liet de keizer zich het vonnis geven, en voegde er eigenhandig aan toe: “te voet.”Zulk een theatraal schrikbestuur is een echt Russisch middel. Men heeft er zich van overtuigd door de wandaad van Kroonstad, ten aanschouwe van heel Europa op een der drukst bezochte plaatsen openlijk bedreven. Men heeft het ook maar al te zeer kunnen zien dit jaar, den 20sten Juli 1851, toen het gerucht zich verbreid had, dat enkele gevangenen zouden begenadigd worden en het viertal, ten antwoord hierop, onmiddellijk werd ter-dood-gebracht.Soms heeft de Russische regeering den schijn aangenomen alsof ze er genoegen in vond voor deze of gene harer daden zich, met bedekten spot, te verdedigen. Bij voorbeeld, in 1842, toen ze te Rome en misschien ook aan andere hoven liet weten, dat, zoo ze zich de bezittingen der Poolsche kerk had toegeëigend, ze dit gedaan hadom ze in het belang dier kerk-zelve beter te beheeren; en dat, wat betreft den kinderroof, waarvan zooveel schande werd gesproken, dezealleen uit barmhartigheidgepleegd was.Uitsluitendom barmhartigheidte oefenen worden nog altijd de kinderen der Joden gestolen. Behalve de razzia’s op groote schaal, welke de Staat houdt, rooven de Kozakken ze onophoudelijk, drijven er handel in en verkoopen ze tegen vastgestelden prijs.De keizerlijkebarmhartigheidhoudt de Poolsche moeders steeds in vreezen en beven. Altijd zijn zij beangst voor nieuwe slagen.Het was in de maand Maart van 1832, toen de keizer juist in de hevigste bui van woede verkeerde, toen hij ’t bevel gaf tot wegvoering van zooveel gezinnen, dat hij de kinderen van mannelijk geslacht, zwervers, weezen,ènarm, van zeven tot zestien jaar, lietvangen(dit is het woord, waarvan zich de raad van administratie bedient). Het bevelschrift kwam onmiddellijk van den generaal-adjudant Tolstoï.Paskjewitsch drukt zich in zijn reglement anders uit; met twee letters verandert hij alles, een verandering, die hij wel niet zonder machtiging des keizers zal aangebracht hebben: hij zegtOFen nieten; hij zegt weezenOFarm; een wreedaardig verschil: immers sedert was het geoorloofd kinderen, diegeen weezenwaren te rooven, alleen maar als ze arme ouders hadden.Het gouvernement van Warschau voegde, toen het dit onmenschelijk bevelschrift liet aanplakken, om de gisting onder het publiek te verminderen en te verzachten, er deze, aan den tekst onbekende, woorden aan toe: de kinderen,die geen toevluchtsoord hadden.In werkelijkheid stal men, over ’t algemeen, nietteminde kinderen van arme ouders, en niettegenstaande de heftige en verschrikkelijke tegenspartelingen van die ouders.Het was een weerzinwekkend tafereel. Na menigen stoet van des nachts opgelichte kinderen, liet men den 17den Mei 1832 er een over dag vertrekken. De moeders liepen achter de karren en reten zich de borsten stuk; verscheidene wierpen zich onder de wielen; ze werden door stokslagen weggejaagd. Den 18den werden wederom een menigte jonge kinderen opgelicht, die werk verrichtten of in de straten ventten. Den 19den werden parochie-scholen leeggehaald. De arme kleinen, op deze wijs heengevoerd, stierven den heelen weg over alsvliegen. Als ze te zwak waren om den tochtvoortte zetten, liet men ze aan hun lot over. De menschen, die in de streek woonden, vonden de lijken dier jonge slachtoffers met hun stukje brood naast zich: ze hadden niet meer de kracht gehad het op te eten.1Een der samenzweerders tegen Julius Caesar, die dezen in 44 v. Chr. vermoordden.2Zie slot vanhoofdstuk V.3Den reeds meermalen genoemden onderkoning van Polen, 1816–1830, broer van de keizers Alexander I en Nicolaas I.4Na den val van Napoleon door de mogendheden gesloten, 1815, om orde te brengen in den ontredderden toestand van Europa.5Keizer van het Oost-Romeinsche rijk (527–565), vooral beroemd door zijn samenstelling van de Romeinsche wetten: corpus juris civilis.6Is, of was, zeker een kerkelijk blad of zoo iets. De vertaler is er niet achter kunnen komen.[Een Frans monarchistisch tijdschrijft, dat verscheen tussen 1790–1792, en opnieuw tussen 1817–1847.—J.H.]71792–’93.8Na den slag van Waterloo aangegaan.9Van 1830.10Chlapicki.11Priester.12Nam in 1831 Warschau in en brak daarna den Poolschen opstand.
Op hetzelfde oogenblik, waarop de keizer, bekomen van de indrukken van den 14den December, de lijfeigenen weêr vasthechtte aan den grond en hun verwachtingen den bodem insloeg, gaven zij hem een bewijs van hun moedige toewijding, daarmeê bevestigend wat de saâmgezworenen hem hadden meêgedeeld van de bestaande misbruiken, en ze tevens met groot gevaar voor zich zelven ontdekkend. Bij een wapenschouwing, welke de keizer hield, treden vier boeren naar voren en verzoeken hem te spreken. Men stoot hen terug; men beduidt hun, dat zij kunnen te kennen geven wat zij aan den czaar te zeggen hebben; zij willen tot niemand anders dan tot hem spreken. Toen zij toegelaten waren, wierpen zij zich op de knieën, en zei een van hen: “Vadertje, gij wordt bestolen... Ga maar naar Kroonstad, en ge zult zien, dat op de markt, openlijk, in de winkels de tuigage van uw schepen, al wat tot uw marine behoort wordt verkocht.” De keizer zendt er driehonderd man heen; de bazaar (markt) wordt omsingeld, het gestolene wordt gevonden. Een streng onderzoek wordt ingesteld. Kort daarop gaat de scheepstimmerwerf, de bazaar, alles in vlammen op, en het onderzoek verdwijnt tegelijk met den rook.
De keizer kon de beteekenis der mannen van den 14den December schatten, toen die ongekunstelde stemmen uit het volk op deze wijs hun onthullingen ondersteunden. Zij hadden hem in hun laatste onderhoudeen wezenlijken dienst bewezen, door hem Rusland in zijn ware gestalte te toonen, als één groote bloedende wond. Zij hadden dezen jongen krijgsman, van aard hard en spotziek, geleerd eerbied te hebben voor het Russische volk, een volk, waaronder mannen voorkwamen, zoo ijverend voor wet en gerechtigheid, dat zij, zelfs in het aanzien van den dood, van willekeurige genade niets weten wilden, en uitriepen: “Laat de wetten haar gang gaan!”
Pestel had een dictator gewild, om de administratie te hervormen, te zuiveren. En de wensch van het Russische volk was daar niet ver van af. Het verlangde eenrechtvaardigen rechter, onverbiddelijk tegenover de misdadigers. En zulk een rechter had zich te vermenigvuldigen over ’t geheele rijk. Rusland had niet alleen behoefte aan wetten, maar aan mànnen. Er moesten, tusschen den vader en zijn kinderen, eerlijke rechters gekozen worden, die behoorlijk bezoldigd werden, opdat zij zich niet hoefden te laten omkoopen; er moesten strenge voorbeelden gesteld worden bij de eerste ambtsovertredingen, en zelden, maar met kracht, daartegen opgetreden worden; de eerlijkheid moest bij de rechtbanken en de administratie hersteld, het zedelijk peil der natie verhoogd worden, men moest haar helpen zich te bevrijden van een ingekankerd bederf, haar trapsgewijze waardig maken het beheer over zich zelve te voeren. Het eerste noodige hierbij was, dat er aan de spits, niet een man van genie, stond, maar een met grooten moed bezield, en groot van hart, die, juist door zijn voorbeeld, het Russisch karakter ophief, krachtig maakte, inwijdde in het goede,—in één woord, een heldhaftigopvoeder van het nationale geweten.
De keizer was dit geenszins. Omgeven door menschen tegen wie hij een gewettigd wantrouwen koesterde, trachtte hij aanvankelijk alles zelf te doen, maar hij kon de bezwaren niet overwinnen. Hij had niet zoozeer daden te verrichten als wel mannen te scheppen, uitvoerders van zijn wil te kiezen en te maken.
Evenals de meeste menschen van dit tijdvak, en verscheiden saâmgezworenen zelfs, geloofde hij vast aan de levende kracht van wetten. Een van hen, Tourgenieff, schijnt in zijn lofwaardig boek de meening te zijn toegedaan, dat Rusland gered zou worden als het deze of gene Engelsche of Fransche wet aannam. De keizer was er eveneens van overtuigd, dat orde in het rijk zou heerschen, als men de groote massa der Russische wetten maar ordende en bijeenbracht. Hij vertrouwde dit reuzenwerk toe aan den wetskenner Speranski. Hierdoor heeft hij grooter dienst bewezen aan de rechtsgeleerdheid dan aan de wetgeving. In den oneindigen chaos van elkaar tegensprekende ukazen, kiest de rechter welke hij wil, en de willekeur is dezelfde.
Een strenge regeling van de rechterlijke macht diende vóór alles te gaan. Wat het volk overal vroeg, was eenrechtvaardig rechter. Het had behoefte aan een ernstige opvoeding tot gerechtigheid.
Helaas! het noodlot, de hartstocht hebben dit volk op den tegengestelden weg gevoerd: een opvoeding tot ònrechtvaardigheid,—door het tegenover een broedervolk het verderfelijkst bedrijf te doen uitoefenen, dat van den beul.
De keizer zòcht den juisten weg, maar hij had in zich een heimelijke drang tot afwijking ervan. Hij hield van rechtvaardigheid, maar met een wreed hart; hij hield ervan uit persoonlijken hoogmoed, als van iets dat hèm toebehoorde, hij beschouwde ze als gerechtigheid van den czaar, niet als gerechtigheid van God.
Een steen bevond zich op zijn weg,—en hij is voor altijd uit het spoor geraakt.—Waar gaat hij heen? Niemand weet het.
Die steen was Polen.
Een noodlottige steen, niet te verbrijzelen, dien men tevergééfs zoekt fijn te stooten. Hij blijft altijd onwrikbaar.
Het onderzoek van den 14den December had één ding ontsluierd, dat den keizer moest verwonderen,treffen, zijn hart voor goed ontwapenen, namelijk de zielegrootheid, welke de Polen ten toon spreidden in hun heimelijke betrekkingen tot de Russische saamgezworenen.—Deze laatsten openbaarden zich als Romeinen, en de Polen als ridders. Pestel geloofde, evenals Brutus,1dat men den tyran moet dooden om de tyrannie te dooden. De Polen kwamen daartegen op. Zij betoonden zich barmhartiger voor hun vijand, dan de Russen voor hun meester. Dezen onrechtvaardigen overweldiger, dezen meineedigen souverein, die den draak stak met de grondwet, welke hij zelf verleend had: de Polen drongen erop aan hem te sparen. De goede, grootmoedige kolonel Krzyzanowski, een man met een eerlijk, menschelijk en teeder hart, zei tot den Russischen republikein,dat hij niet had hooren zeggen, dat de Polen ooit hun koningen hadden gedood.
Dienzelfden kolonel heeft mevrouw Felinska later in Siberië zien sterven.2
Om den zieleadel der Polen naar waarde te schatten, moet men weten dat niet alleen hun wetten waren verkracht, hun vergaderingen een schijnvertooning; dat men hun de openbaarheid der beraadslagingen had ontnomen, enz. enz.; maar dat de keizer hen persoonlijk overleverde aan de luimen, aan de wreedheid van Constantijn.3Men moet weten dat deze boosaardige woestaard, deze tijger-aap, er zijn behagen in stelde de uitgezochtste kwellingen en straffen uit te denken. Het isontzettendom neêr te schrijven, maar hij had, in de onderaardsche kerkerholen van een karmelieterklooster, tot speelbal een gevangene, den ongelukkigen Lukasinski, tegen wien hij zich uitputte in hetverzinnen van al wat het menschelijk vernuft aan zijn slachtoffer kan doen lijden: honger, ketenen, pijnigingen, dorst gedurende weken achtereen (geen water, en zoute haringen als uitsluitend voedsel), en geeselingen, telkens opnieuw toegediend, zoodra hij weêr van zijn wonden genezen was... En dit alles met duivelsch overleg. Constantijn was vóór alles bevreesd, dat hij hem door den dood zou ontsnappen.
De man van ijzer en staal, die zooveel martelingen te boven kwam, was een dapper officier van het oude leger. Hij had de laatste woorden, den laatsten adem van Dombrowski opgevangen. Deze aanvoerder en formeerder der beroemd geworden Poolsche legioenen, beklaagde zich erover, toen hij in 1818 stierf, dat zijn heldhaftige kameraden zooveel bloed vergoten hadden voor vreemde belangen, zoo weinig ten bate van Polen-zelf. Sedert dit ernstig woord gesproken werd, groeide een nieuw geslacht op, een nieuwe wereld van helden, van onverschrokken samenzweerders. De eerste was Lukasinski.
De tyran voelde bij instinct, dat deze man voor hem een schrikbeeld was, dat in hem de ziel van Polen huisde; in hem zocht hij deze groote, onzichtbare ziel der natie te treffen. Daar hij zijn stilzwijgen niet kon overwinnen, wilde hij hem althans onteeren; men gaf voor dat hij zijn medeplichtigen had verraden. Als dit waar geweest was, zou zijn cipier in zijn woede geen toenemende barbaarschheden tegen hem uitgedacht hebben.
Toen in 1830 de Polen de krankzinnige grootmoedigheid aan den dag legden Constantijn te laten ontvluchten, voerde hij geen andere schatten meê, dan alleen dezen gevangene; goud en zilver golden niet zooveel voor zijn onmenschelijkheid als zijn levend speelgoed; bij zijn overijlden aftocht werd hij gevolgd door de schim van een man, aan het affuit van een kanon meêdoogenloos vastgebonden: den rampzaligen Lukasinski...
Maar keeren wij terug tot de gebeurtenissen van December 1825. De Poolsche aangeklaagden, de goedekolonel en de anderen, zouden in hun vaderland door het opperste gerechtshof, den senaat, gevonnist worden. Dit lichaam, waarin bijna alleen toegewijde aanhangers van Rusland zitting hadden, scheen blindelings te moeten veroordeelen. De keizer twijfelde er geen oogenblik aan. Maar de macht der openbare meening was toen zoo krachtig, dat zij den senaat op haar kant kreeg. Hij verklaarde de aangeklaagde schuldig, omdat zij het Russisch complot niet hadden ontdekt, dochonschuldig voorzoover Polen betrof; hij veroordeelde hen slechts tot lichte straffen. De voorzitter had den moed aan den czaar te berichten: “Zij hebben zich slechts verbonden voor de handhaving van hun volksbestaan; zij stelden zich op het standpunt van het traktaat van Weenen,4dat dit erkend heeft. Het opperste gerechtshof heeft hierin niets misdadigs noch strafwaardigs kunnen zien.” Welk een overmoedige daad! Men houde hierbij wel in het oog, dat zij niet uitging van het aloude Polen met twintig millioen zielen; maar van het nietige Polen, dat door Alexander om zoo te zeggen, was ingekrompen tot Warschau en zijn stadsgebied.
De ijsbeer knerste op de tanden.—En als ik spreek van den beer, bedoel ik Rusland. De vrijspreking verontwaardigde het meerendeel der Russen, bracht hen tot verzet. Zij vonden Polen ondankbaar; moest het, beter behandeld dan Rusland, daar het, althans in schijn, een grondwet had, zich niet gelukkig rekenen? Zij verweten het zijn materiëelen voorspoed, een natuurlijke vrucht van den vrede, maar dien zij voor het werk van den czaar hielden; ook de verfraaiïngen van Warschau (door Poolsch geld tot stand gebracht) en vooral de instelling der territoriale banken, welke aan de Polen een zoo aangename gemakkelijkheid verschaffen om zich te ruïneeren.
Toen nu de keizer de opwinding in Rusland aanzag, en dat hij zijn volk aan zijn zijde had, kon hij zijn woede niet langer in bedwang houden. Hij dacht niet meer aan de wetten, noch aan zijn rol van wetgever, van Russischen Justinianus.5Hij gedroeg zich openlijk, volgens zijn natuur, als een Tartaar. Hij wilde zelfs geen verlof geven het vonnis openbaar te maken. Constantijn verlangde niets minder dan een militaire commissie om de veroordeelden dood te schieten. Zij werden naar Siberië gebracht. De Poolsche rechtbank en geheel Polen werden beleedigd en met minachting behandeld.
Intusschen begon men den keizer aan ’t verstand te brengen, dat dit kleine land op niets méér recht had dan elke andere Russische provincie. Het bevond zich in een uitzonderingstoestand, die moest opgeheven worden; het diende te worden gebracht onder het algemeene centrale gezag van het rijk. De souvereinen, bewonderaars van Napoleon (vooral van zijn fouten), achten niets hooger in hem dan zijn streven naar centralisatie, welke hem naar dezelfde wetten volken liet besturen met tien verschillende talen en uiteenloopende zeden: de prefectuur van Hamburg en die van Rome. De wetgeleerde en bureaucratische geest, die te Petersburg heerschte, dreef den keizer in beide richtingen, die van onrechtmatige centralisatie en van plompe wetboekvervaardiging. Hij ondernam een onzinnig, een onbegonnen werk, al zou ’t hem ook het leven kosten: de volkomen gelijkmaking van Polen met Rusland, de opslorping, de vernietiging van het Poolsche volksbestaan.
De verkeerde wegen, die hierbij konden worden ingeslagen, waren reeds gebaand. Catharina, een godloochenaarster, had tot uitgangspunt tegen Polen het godsdienstig vraagstuk gekozen. Dit is het beste aanvalsmiddel,het krachtigste houvast. Ten eerste steunt men daarbij op de bekrompen vroomheid en dweperij der Russen; vervolgens treft men er Polen door op een punt, waar het de sympathieën van Europa niet bezit. Europa is er spoedig bij, in dit geval, te gelooven, dat heteen zaak van priestersgeldt, en het hult zich in een mantel van rustige onverschilligheid.
Wat Polen het meest geschaad heeft, zijn zijn ultra-roomsche verdedigers, die aantoonden dat het juist gebonden was aan wat afsterft en moet òndergaan. Italië zal overwinnen en leven, omdat het den priester eraan gegeven heeft en met Europa meê vooruitgaat. Ierland zinkt hoe langer zoo dieper weg, omdat het zich aan den priester blijft vastklampen, d.w.z. zich buiten Europa plaatst: het heeft zijn leven gezet op wat dood is. Polen is niet dood; het ligt slechts levend in zijn graf, en zal er niet uit opstijgen zoolang het zijn innerlijke tegenspraak niet zal begrijpen, die zijn kracht verlamt en het van de levende wereld vervreemdt. Volk van heldhaftigen en vrijen geest, meent het katholiek te zijn; het is ’t, ja; maar niet van nature, alleen omdat het ’t wil, als verweermiddel tegen Rusland. Het katholicisme is juist de ontkenning van de heldhaftige persoonlijkheid, welke de karaktertrek van de Polen uitmaakt.
De paus en de Quotidienne6hebben ’t hun meer dan tienmaal en met reden gezegd: “Als gij katholieken zijt, gehoorzaamt dan, onderwerpt u, draagt het juk van Rusland.”
De Montalembert heeft in zijn warmgeschreven verdediging van Polen, uit zijn jeugd dagteekenend (1833), een onberaden woord gebruikt, dat keizer Nicolaas met goud zou betaald hebben. Hij vergelijkt den roem der Polen metdien der Vendéeërs. Het was een even onnauwkeurige als onvoorzichtige gelijkstelling. De Vendée, dat is de burgeroorlog. De Vendéeis de Franschman Frankrijk in den rug aanvallend, terwijl heel Europa het vanvoren aantast.7Geen overeenkomst alzoo met de wettige, eerlijke, heldhaftige worsteling van het ongelukkige Polen tegen den vreemdeling, met Rusland.
Dit rijk had, onder het bestuur van Alexander, den vader van het Heilig Verbond,8die zelf aan den invloed gehoorzaamde van mevrouw Krüdener en van de Maistre, in de hooge Poolsche geestelijkheid een der beste werktuigen van den dompersgeest gezien. De bisdommen werden in aantal vermeerderd, ver boven de behoeften der dungezaaide bevolking, en buitensporig bezoldigd. Iedere bisschop kreeg een jaarwedde van zestigduizend Poolsche guldens, één honderdachtduizend, en de primaat hondertwintig-duizend. Wat de lagere geestelijkheid betreft, deze werd ontzien, terwijl men de oogen sloot voor haar eisch de gewone rechtbanken niet te hoeven erkennen.
Hoe meer de geest van staatkundige vrijheid en het nationaliteitsgevoel hardvochtig werden onderdrukt, zooveel te meer ontzag men den onafhankelijksheidszin der geestelijkheid. Aan haar werd toegestaan zelve haar eigen zaken, in overeenstemming met Rome, te regelen. Ja, wat meer is, men had haar het ministerie der eerediensten en van het openbaar onderwijs overgelaten, waarin de aartsbisschop-primaat met twee bisschoppen zitting had. Het paleis van Constantijn was het middelpunt der bijgeloovige vroomheid. Zijn gemalin was de steunpilaar van het geestelijk genootschapHet Lam Gods. De zedelijke verstomping van Polen scheen het gemeenschappelijk doel, waarnaar militaire dwingelandij en godsdienstige domperij in roerende overeenstemming streefden.
In de groote zaak van het vonnis van het hooggerechtshof rekende Rusland op den steun der acht bisschoppen, die er zitting in hadden. Zij hadden zichkunnen beroepen op hun waardigheid om zich van een oordeel te onthouden. Zij gaven niettemin hun oordeel en verklaarden, den stortvloed der openbare meening volgend, evenals de andere rechters, dat de aangeklaagdenniet schuldig waren voorzoover Polen betrof.
De keizer vatte deze vrijspraak als een persoonlijke beleediging op. Hij begon den oorlog tegen de kerk in Polen.
De eerste daad, overigens een zeer verstandige, was een algemeene regeling van het geheele openbaar onderwijs, om aan de katholieke geestelijkheid allen invloed op de opvoeding te ontnemen. De tweede daad, weer van dadelijk-aanvallend karakter, bestond hierin, dat een geestelijk genootschap of gerechtshof werd opgericht, om de belangen der Vereenigde Grieken (d.w.z. verbonden aan Rome) te regelen: een genootschap overeenkomstig met dat, ’twelk, onder den keizer, de Grieksche kerk in Rusland beheert. Het was een volk van drie millioen zielen, totdusver aan ’t gezag van den paus onderworpen, dat de czaar zoodoende onder ’t Moscovitisch kerkgezag bracht.
Hij wilde nog verder gaan, de Poolsche geestelijkheid beletten in briefwisseling te blijven met den paus, anders dan door bemiddeling van de regeering. Dit werd de oorzaak, dat de geestelijkheid zich aansloot bij de omwenteling van 1830.
Zonderlinge samenloop van omstandigheden! Onze Juli-revolutie,9in de eerste plaats begonnen tegen de priesters en de femelarij van den koning, vond op haar weg, als nabootster, België en Polen: priesterrevoluties!
Wat meer dan iets anders ertoe bijgedragen heeft om den opstand der Polen een verloren zaak te doen zijn, was vooral dat een belachelijk generaal10aan ’t hoofd werd geplaatst, een man van hetHeilig Hartof hetLam Gods, verdacht, onbekwaam of verraderlijk, die slechts Rusland ontzag en alleen den Poolschen patriotten den oorlog aandeed.
De Poolsche omwenteling, onder zulk een treurige leiding, verontschuldigde zich als een revolutie, werd een kruistocht, en keerde zich natuurlijk naar den kant van Rome. Zij verwachtte van den paus zedelijken steun; zij onderstelde dat een bul het volk zou wapenen, de landelijke bevolking in massa zou meêsleuren, den bodem zelf tot opstand brengen. Men moet het erbarmelijk antwoord van Rome lezen, en hoe het zich schandelijk verschuilt achterde mogendheden van den eersten rang, die het lot van Polen zullen bepalen tot algemeene genoegdoening van partijen!
Genoegdoening!Er is nooit een meer wreedaardig-spottend woord gesproken!... Het was het oogenblik waarop de keizer, ziende dat Rome en Frankrijk Polen aan zijn lot overlieten, het besluit nam—het te onderdrukken? neen,—het te vernietigen, te doen verdwijnen van den aardbodem.
Dit is de grootste misdaad, die ooit begaan is. Men wachte zich wel naar eenigen grond voor vergelijking te zoeken.
Men heeft het ondernomenniet alleen Polen te vermoorden, zijn wetten, zijn godsdienst, zijn taal, zijn letterkunde, zijn volksbeschaving,—maar ookde Polen te dooden, hen als ras te vernietigen, de kracht der bevolking te breken, zoodat, wanneer zij als kudde van menschelijke wezens nog bestaat, zij als Poolsche bevolking, met levensvatbaarheid en zedelijk vermogen, verdwenen is.
Totdusver had ik ’t zelf niet willen gelooven. Ik had mij altijd hardnekkig voorgenomen de uitdrukking:Polen te dooden, voor niets anders dan louter grootspraak te houden, rhetorische overdrijving. Evenwel, ik moet mij voor overwonnen verklaren. Ik heb onder de oogen de (alsnog onvolledige) reeks vankeizerlijke ukazen, die van jaar tot jaar, op onverstoorbare wijze, het voornemen eener stelselmatige vernietiging ten uitvoer willen brengen.
Wat is toch de reden, dat de Polen het eenvoudig werk niet hebben ondernomen den veelbeteekenenden tekst dier afschuwelijke wetten bijeen te brengen en te doen drukken, om daardoor voor hun vijand het groote grafmonument op te richten, dat hem beter zou hebben gekarakteriseerd dan iedere schimprede?
Een Tartaarsch veroveraar heeft er eens behagen in gevonden voor zijn roem in de vlakte van Bagdad een pyramide op te richten van honderdduizend doodshoofden. Hoeveel grootscher zou het gedenkteeken zijn, dat wij voorstellen, saamgesteld uit duizenden moordende wetten! Welk een heerlijke Doodstropee!
Niets kan hiermeê in vergelijking komen.
Het oude Rome meende den Joodschen naam te hebben uitgeroeid. En het deed niets anders dan hem over de gansche aarde te verbreiden. De verdrijving der Joden uit Spanje heeft hun vernietiging toch niet ten gevolge gehad.
De Conventie heeft, in een oogenblik van gevaar en woede, door heel Europa in ’t nauw gebracht, in den rug door den opstand van de Vendée aangevallen, den eed gezworen de Vendée te zullen verdelgen. Maar de Vendée is blijven bestaan, en is een der dichtstbevolkte streken van Frankrijk.
De onderneming van Lodewijk XIV om de protestanten te bekeeren of uit te roeien biedt meer overeenkomst met de Poolsche vernietiging. Wij vinden, als in Rusland, een reusachtig wetboek, saamgesteld uit wetten ter verbanning en vogelvrijverklaring. Toch is het onderscheid groot. Bij de protestanten-vervolgingen komen geen Tartaarsche razzia’s voor, als in Polen zijn gehouden, geen moordende overplaatsingen van rassen en geslachten. Ook hebben de uitgeweken protestanten niet alleen hun bestaan in Europa gered, maar zij hebben stand gehouden in Frankrijk en zijn er tot voorspoed geraakt, door den geldhandel vooral:zij leenen tegenwoordig geld aan de nakomelingen hunner vervolgers.
Neen, niets is te vergelijken met wat in Polen geschied is, niets. Noch wetten, noch het zwaard zouden de bovenmenschelijke verrichting eener zoo verschrikkelijke verwoesting hebben kunnen volvoeren. Slechts twee voorbeelden konden op den weg helpen van krachtdadiger middelen om het doel te bereiken.
In Ierland heeft men een volk gezien, dat door overmaat van ellende, zonder mèrkbaar in getalsterkte te verminderen, ontaardde, wegsmolt, geheel verdween. Er bleven nog wel menschen over, maar het ras bestond niet meer.
In Frankrijk, heeft men tijdens de laatste jaren van Napoleon, toen de heele mannelijke bevolking regelmatig door den oorlog was weggevoerd, de lichaamslengte zien inkrimpen. Nog eenige jaren zulk een systeem volgehouden, en het ras zou verànderd zijn. Een natie die slechts vernieuwd wordt door zwakken, zieken, verkromden, moet ten slotte ondergaan. In getalsterkte kan zij dezelfde blijven; als macht van eenige beteekenis zal zij weldra verdwijnen.
Ziedaar voorbeelden, ziedaar lessen. Door deze middelen tot een te brengen, kunnen wij iets uitrichten in de groote kunst van den dood. Laat ons bij elkander voegen de ellende van Ierland, de lichtingen van Napoleon, de beruchte verordeningen op de verdachten, gevangen genomen volgens de wetten van het Schrikbewind of die van Lodewijk XIV; vermeerderen we al deze westersche middelen met het groote oostersche: de gewelddadige overplantingen van menschen naar hun vijandige klimaten, en het moest wel ongelukkig treffen als hetPolonismeaan al deze vereenigde pogingen weêrstand zou bieden.
HetPolonisme, een nieuw woord, dat niet zoozeer een ras als een geestesrichting aanduidt. Polen is niet meer een volk in de gedachte der verdelgers, het is een denkbeeld, het is een leelijke ziel, het is een verbastering van het ware begrip, iets als een ketterij.
Dit kenmerkt den strijd en voorspelt het resultaat ervan. Ja, Polen is iets geestelijks, en het heeft niets dan een lichaam tegen zich over. De barbaarsche, wreede kracht die het met zijn grijparmen vasthoudt, vermag alles, behalve om een geest te worden. Zij blijft ruwheid, stof, en wordt het hoe langer zoo meer. Om een ziel in zich te kunnen opnemen, moest zij zelve een ziel zijn, en die is haar ontzegd.
Maar nu moet alle dichterlijkheid aan een kant gezet worden, dient de platte werkelijkheid, als zóódanig, dus ook platweg, gezegd te worden, het lage met lage woorden genoemd.
Welke macht is het, die in werkelijkheid de uitroeiïng van Polen zich ten doel gesteld heeft? De keizer alleen? De hemel gave ’t! Een ènkel mensch put zich uit. Rusland? In geenen deele; tegenwoordig boezemt het ternauwernood nog medelijden in.
Neen, deze doodbrengende macht is noch een mensch, noch een heel volk; het is de geörganiseerde verachtelijkheid, welke men bureaucratie noemt; het is het samenstel van intriganten, vreemde parvenu’s, moeras-insekten van het Noorden, die rondom den keizer krielen en zwermen.
Polen is een ding, een zaak.Daarin ligt het geheim.
Duizenden menschen, bureaucraten, politiemannen en allerlei ambtenaren, militairen, halve-militairen (zooals er zooveel in Rusland zijn), die allen zijnin de zaakbetrokken, door winstgevende betrekkingen òf door verbeurdverklaringen. De keizer is goed, en hij weet zijn dienaren te beloonen. Een van hen, Adam van Wurtemberg, heeft zich door zijn meester het huis zijner nog levende moeder doen schenken. Hij heeft die moeder aan de deur gezet. Hij heeft het huis van zijn grootmoeder, een ziekelijke tachtigjarige, die niet meer vervoerd kon worden, door kogels doen doorboren.
De prooi vermeerdert den honger, de eters vermenigvuldigen zich als de lokspijs overvloedig is. De dooden de vernietiging, die krachten welke men negatief waande, zijn van scheppend vermogen bevonden; zij hebben bewezen een afgrijselijke vruchtbaarheid te bezitten, zij hebben een geslacht gekweekt van kruipend gedierte en knagende wormen. En Rusland wordt tegenwoordig opgegeten door dit gespuis. Onophoudelijk krijgt het stukken van Polen te verslinden.
Werpt u dus, wormen, hongerigen, intriganten van alle soort, werpt u op den begeerlijken buit! De zoon van den pope,11die kan lezen, schrijven en proces-verbaal opmaken, krijgt een plaats bij de politie. De jonge man van kleinen adel, die sedert zijn schooltijd verdorven is, hebzuchtig geworden en eergierig, tot alles bereid, zal wel een kamertje weten te vinden in de monstergebouwen der centrale administraties te Sint-Petersburg. Als hij laaghartig is, zal hij wel spoedig bevorderd worden. De promotie gaat zeer snel. Verscheiden hooge ambtenaren van het keizerrijk zijn niet ouder dan dertig jaar. Als zij kans zien in de omgeving van den meester te komen, als zij gelegenheid vinden de eenige zijde te vleien, waar hij vat op zich geeft, zijn woede, dan is hun fortuin gemaakt. Aan hen de zorg om, ter eere van zijn naam, onophoudelijk deze woede op te wekken, bij een op zulk een noodlottige hoogte geplaatst man de duizeling te onderhouden, het valsch poëtisch gevoel te voeden, dat gelegen is in de inbeelding, dat men een volk heeft kunnen vernietigen.
Zulke lieden zullen er nooit om verlegen zijn nieuwe ukazen voor te stellen. De heftigheid van den keizer is voor hen een uitnemende bodem ter ontginning; dag en nacht bewerken zij dien. Zij vinden er fortuin, eereambten, hooge posten en plotselinge, onverwachte bevordering, waardoor zij vele rangen overspringen.
Verplaatsen wij ons naar het oogenblik van de eerste woede-uiting van den keizer, toen hij het overwonnenPolen in zijn macht had. Een Polen, dat ingekrompen was tot drie millioen menschen, had het gewaagd het zwaard op te heffen tegen een Rusland van vijftig. Die onbeschaamde Polen, een Dembinski bijvoorbeeld, hadden zoo weinig eerbied voor de keizerlijke macht, dat zij met eenige hoopjes mannen de Russische legers van achter en van terzij bestookten, zonder dat men ze kon vatten.
Maar nu hàd hij ’t dan in zijn macht, dat Polen; hij bezag ’t met het oog, waarmeê de beer kijkt, die honigvreter uit de bosschen van het Noorden, wanneer hij een bij in de holte van zijn fluweelen poot te pakken heeft. Zal hij haar dezen of den anderen vleugel, of een van haar pooten uittrekken? Hij wil haar niet versmoren, maar langzaam doen omkomen.
De eerste daad was, de gevangenen die geen Russen wilden worden, te doen afranselen. Wij hebben al gesproken van de slachting van Kroonstad: aan ieder manacht-duizend stokslagen! Daar men dood gaat bij hoogstens vier-duizend, was men zoo welwillend de patiënten te laten genezen, om de volledige strafoefening mogelijk te maken: deze werd dus bij gedeelten toegepast.
Zij die zich wel tot Russen lieten omdoopen, werden naar den Kaukasus gevoerd en daar bij de voorposten geplaatst. De Tscherkessen, voortreffelijke schutters, hadden weldra gerechtigheid aan hen geoefend.
De keizer werd in deze genietingen een weinig gestoord door de zwakke, koude en laffe vertoogen van de regeeringen van Engeland en Frankrijk. Maar hij was er volkomen van overtuigd dat het eerste rijk, den kogel zijner nijverheid achter zich aansleepende (een gouden kogel, maar niettemin een zwaren), niets wilde en niets zou doen; en Louis-Philippe nog minder, die tegenover Nicolaas de nederige houding aannam van een koning op zijn knieën. Aan beide zijden schijnvertooningen. En een schijnvertooning was het antwoord. Hij zou aan de overwonnelingen een nieuwe grondwet geven. Deze daad beteekende niets andersdan de vernietiging van Polen. Zij, die haar verlangden, hielden zich voor voldaan.
Door de verordening van Februari 1832 werd Polen eenvoudig een onderdeel van het Russische rijk. De Poolsche kroon kon voortaan alleen te Moscou verkregen worden. Geen persoonlijke vrijheid meer noch vrijheid van drukpers. Ook geen landdag meer. Rechters, die naar willekeur konden worden afgezet. Alle posten toegankelijk voor de Russen. Geen ministeriëele verantwoordelijkheid meer. Geen speciaal Poolsch leger meer. De verbeurdverklaring wederom ingesteld. Verbanning buiten Polen, d.w.z. naar Siberië, enz., enz.
Maar welke bepalingen dit vreemde staatsstuk dan ook bevatte, het schijnt dat de keizer verontwaardigd was een schaduw van grondwet te moeten behouden. De provinciale staten, die hij in de plaats stelde van den landdag, hield hij voor een buitensporige, onduldbare toegefelijkheid. Door ze toe te staan aan Europa, wilde hij Europa tevens trotseeren. En een maand later, in Maart, liet hij een aanvang maken met de uitvoering van twee afschuwelijke maatregelen, de wegvoering van geheele familiën en de oplichtingen van kinderen.
In een enkel gouvernement, dat van Podolië, bevel tot verplaatsing van vijf-duizend familiën (vijf-en-twintig- tot dertig-duizend menschen) van opstandelingen,aan wie hun straf was kwijtgescholden, of vanverdachtepersonen; bevel zenaar de onveilige streken van den Kaukasuste brengen,op onbebouwden grond, in eenatmosfeer van koorts, op twee pas afstands van den vijand.
Het antwoord van den gouverneur van Podolië is merkwaardig.—Er zijn, zegt hij, drie klassen van adelijken: deadelijke grondbezitters,—deadelijke bedienden, landbouwers en werklui,—èn deadelijken uit de steden, burgers, advokaten, enz. Het is noodzakelijk zich niet te bepalen tot de eerste klasse, maar vooraluit de beide andere te nemen, “het land van déze lieden te ontvolken.”
Dit beroep van verfoeilijke vleierij op de keizerlijke wreedaardigheid werd volkomen begrepen. In zijn brief van 6 (18) April 1832 antwoordt de minister van binnenlandsche zaken, dat Zijne Majesteit de voorschriften heeft bekrachtigd,er eigenhandig aan toevoegende:”Ze moeten niet alleen dienen voor Podolië, maarvoor alle westelijke gouvernementen. Alleen menschen, die in staat zijn te werken, mogen gezonden worden; hun gezinnen kunnen later volgen.”
Alzoo moeten zij alleen weggaan, van de hunnen gescheiden; de vrouw en de kinderen blijven achter om van honger in Polen te sterven, de man vertrekt om in den Kaukasus den dood te vinden.
Ten slotte voegt de keizer erbij, dat de adelijken van de tweede klasse, de niet-grondbezitters, afzonderlijk zullen gehouden worden,ingedeeld bij de Kozakken, zonder aanraking met de koloniën van hun landgenooten.
Dit verschrikkelijk reglement is niet een overgangsmaatregel geweest; het diende en dient nog tot grondslag voor besluiten en daden, die de menschheid doen sidderen.
Voor de Fransche conscriptie, die de mannen naar het lot wegnam, heeft men de verschrikking van de Russische lichtingen in de plaats gesteld, waar de mannen gekozen, aangewezen worden naar de luimen des meesters en van publieke agenten. Men oordeele of mannen, verdacht om hun energie, vanPolonismedus, bij deze doorzichtige, partijdige handelwijze zullen gespaard worden. Zij verdwijnen alzoo naar den Kaukasus, en, volgens de verzekering van Paskjewitsch,12keeren zij er nooit van terug. Rusland heeft dáár als ’t ware een afzichtelijke fistelgevonden, door welke het ’t beste bloed van Polen, zijn manlijkheid en zijn kracht, doet wegvloeien. Het houdt ’t land zwak, altijd ziek, als na een aderlating.
Al de strengheid van dit stelsel is neêrgekomen op de tweede klasse, die der adelijke boeren, een in zijn wezen militairen stand, en die meer dan de burgers der steden, den waren derden stand van Polen uitmaakte. Men begon met hen te verlagen tot den rang der zoogenaamd vrije boeren van Rusland (odnod-wortzi); vervolgens vond men een middel uit om hen viermaal voor één de bloedschatting te doen betalen. Al de andere onderdanen van het rijk ondergaan de lichting slechts om de twee jaren, zij echter ieder jaar. De anderen geven vijf man op de duizend, zij tien. Zoodat de lasten, die op hen rusten vierdubbel zijn. Deze ongelukkige klasse, uit ongeveer een millioen zielen bestaande, zal op den duur geen weerstand kunnen bieden aan zulk een herhaalde ontzettende aderlating. Niettemin verzekert men mij, dat dit jaar (1851) de keizer vindt, dat de zaken te langzaam vorderen, en dat men zint op middelen hen in massa naar de woestenijen van Zuid-Rusland over te brengen.
Wat aan Polen overbleef, de wet van 1832, is door den keizer-zelf vernietigd. Hij heeft in de volgende jaren, een geheele gedaanteverandering van het land ondernomen. Voor de verdeeling van Polen in woiwodschappen heeft hij de Russische indeeling in gouvernementen in de plaats gesteld, de Russische munt ingevoerd ter vervanging van de Poolsche, het Russisch stelsel van maten en gewichten in zwang gebracht voor het decimale en metrische systeem, dat de Polen bezaten, den ouden Juliaanschen kalender hersteld, met afschaffing van den wetenschappelijken Gregoriaanschen, dien alle moderne naties volgen. Hij heeft, om de deur dicht te doen, getracht de Poolsche taal te doen verdwijnen, door haar gebruik op te heffen bij de administratiën; de ambtenaren, die het Russisch niet verstonden, af te zetten, de Russische taal in de Poolsche scholen verplichtend te stellen, aan de jeugdte verbieden haar eigen taal te spreken!—Eenige studenten te Wilna vereenigden zich in ’t geheim om onder elkander Poolsch te spreken; betrapt, opgelicht, aan den staart van Kozakken-paarden gebonden, werden zij voor hun leven soldaat!
Dit is, dunkt mij, het gedrochtelijkst, het monsterachtigst-barbaarsch en het tegennatuurlijkst ondernemen, dat zich bedenken laat. De taal, onze dierbare moedertaal, ons allen even lief, waarvan elk woord, elke klank ons aan het vaderland doet denken, herinnert ons alle aandoeningen van het leven, onze wieg, al wat wij liefhadden! Haar uit ons hart te rukken, is ons van ons-zelven los te scheuren. Het wil mij voorkomen dat, ten opzichte van de personen die ons dierbaar waren en die wij moesten verliezen, de klank der dagelijksche woorden niet het minste is, wat ons in de herinnering is gegrift, ja, méér is dan de trekken van het gelaat, meer dan hun gebaar en hun houding en gang. Wat mij het sterkst is bijgebleven van mijn vader, met wien ik acht-en-veertig jaren van mijn leven heb samengeleefd, is zijn stem... Een trilling vaart door mij heen, als ik me verbeeld, dat hij in mijn nabijheid is, mij toespreekt en tot me zegt: “Mijn zoon!”
Zeker, heel het hart ligt in de taal: gezin, liefde, het vaderland. Iedere krachtige natie heeft het beste van zich zelve in haar spraak gelegd. De heldhaftige Poolsche taal, trillend van forsche klanken, doet zelfs hem, die de beteekenis der woorden niet kent, de majesteit van den ouden Vrijstaat voeden, en toovert voor het ontvankelijk hart heel de glorie van zijn geschiedenis opnieuw te voorschijn. Men hoort er de kloeke stem der helden in weêrklinken.
Het Russisch heeft een aangenamen klank, het is een zoete, het gehoor streelende taal; het heeft iets van de zangerige talen van het Zuiden. Het op te dringen aan Polen, is het nationaal karakter in een gewichtig punt veranderen, is het verzwakken en ontzenuwen.
Ik ben overigens geneigd te gelooven, dat, wat mendoor dit barbaarsch verbod vooral wilde bewerken, was Polen te beleedigen, zijn ziel doodelijk te bedroeven, zijn hart te doorboren, waar het ’t zekerst te verwonden was en het ’t meest door zou lijden.
Het geschiedde in dien tijd dat de keizer Europa deed dreunen door de beleedigende, verwoede rede, welke hij de overheden van Warschau in het gelaat slingerde. Hij liet niets achterwege om den naam zich waard te maken van een meedoogenloos man te zijn. Toen prinses Sanguszko tot hem kwam om genade te smeeken voor haar jongen man, die naar Siberië moest, liet de keizer zich het vonnis geven, en voegde er eigenhandig aan toe: “te voet.”
Zulk een theatraal schrikbestuur is een echt Russisch middel. Men heeft er zich van overtuigd door de wandaad van Kroonstad, ten aanschouwe van heel Europa op een der drukst bezochte plaatsen openlijk bedreven. Men heeft het ook maar al te zeer kunnen zien dit jaar, den 20sten Juli 1851, toen het gerucht zich verbreid had, dat enkele gevangenen zouden begenadigd worden en het viertal, ten antwoord hierop, onmiddellijk werd ter-dood-gebracht.
Soms heeft de Russische regeering den schijn aangenomen alsof ze er genoegen in vond voor deze of gene harer daden zich, met bedekten spot, te verdedigen. Bij voorbeeld, in 1842, toen ze te Rome en misschien ook aan andere hoven liet weten, dat, zoo ze zich de bezittingen der Poolsche kerk had toegeëigend, ze dit gedaan hadom ze in het belang dier kerk-zelve beter te beheeren; en dat, wat betreft den kinderroof, waarvan zooveel schande werd gesproken, dezealleen uit barmhartigheidgepleegd was.
Uitsluitendom barmhartigheidte oefenen worden nog altijd de kinderen der Joden gestolen. Behalve de razzia’s op groote schaal, welke de Staat houdt, rooven de Kozakken ze onophoudelijk, drijven er handel in en verkoopen ze tegen vastgestelden prijs.
De keizerlijkebarmhartigheidhoudt de Poolsche moeders steeds in vreezen en beven. Altijd zijn zij beangst voor nieuwe slagen.
Het was in de maand Maart van 1832, toen de keizer juist in de hevigste bui van woede verkeerde, toen hij ’t bevel gaf tot wegvoering van zooveel gezinnen, dat hij de kinderen van mannelijk geslacht, zwervers, weezen,ènarm, van zeven tot zestien jaar, lietvangen(dit is het woord, waarvan zich de raad van administratie bedient). Het bevelschrift kwam onmiddellijk van den generaal-adjudant Tolstoï.
Paskjewitsch drukt zich in zijn reglement anders uit; met twee letters verandert hij alles, een verandering, die hij wel niet zonder machtiging des keizers zal aangebracht hebben: hij zegtOFen nieten; hij zegt weezenOFarm; een wreedaardig verschil: immers sedert was het geoorloofd kinderen, diegeen weezenwaren te rooven, alleen maar als ze arme ouders hadden.
Het gouvernement van Warschau voegde, toen het dit onmenschelijk bevelschrift liet aanplakken, om de gisting onder het publiek te verminderen en te verzachten, er deze, aan den tekst onbekende, woorden aan toe: de kinderen,die geen toevluchtsoord hadden.
In werkelijkheid stal men, over ’t algemeen, nietteminde kinderen van arme ouders, en niettegenstaande de heftige en verschrikkelijke tegenspartelingen van die ouders.
Het was een weerzinwekkend tafereel. Na menigen stoet van des nachts opgelichte kinderen, liet men den 17den Mei 1832 er een over dag vertrekken. De moeders liepen achter de karren en reten zich de borsten stuk; verscheidene wierpen zich onder de wielen; ze werden door stokslagen weggejaagd. Den 18den werden wederom een menigte jonge kinderen opgelicht, die werk verrichtten of in de straten ventten. Den 19den werden parochie-scholen leeggehaald. De arme kleinen, op deze wijs heengevoerd, stierven den heelen weg over alsvliegen. Als ze te zwak waren om den tochtvoortte zetten, liet men ze aan hun lot over. De menschen, die in de streek woonden, vonden de lijken dier jonge slachtoffers met hun stukje brood naast zich: ze hadden niet meer de kracht gehad het op te eten.
1Een der samenzweerders tegen Julius Caesar, die dezen in 44 v. Chr. vermoordden.2Zie slot vanhoofdstuk V.3Den reeds meermalen genoemden onderkoning van Polen, 1816–1830, broer van de keizers Alexander I en Nicolaas I.4Na den val van Napoleon door de mogendheden gesloten, 1815, om orde te brengen in den ontredderden toestand van Europa.5Keizer van het Oost-Romeinsche rijk (527–565), vooral beroemd door zijn samenstelling van de Romeinsche wetten: corpus juris civilis.6Is, of was, zeker een kerkelijk blad of zoo iets. De vertaler is er niet achter kunnen komen.[Een Frans monarchistisch tijdschrijft, dat verscheen tussen 1790–1792, en opnieuw tussen 1817–1847.—J.H.]71792–’93.8Na den slag van Waterloo aangegaan.9Van 1830.10Chlapicki.11Priester.12Nam in 1831 Warschau in en brak daarna den Poolschen opstand.
1Een der samenzweerders tegen Julius Caesar, die dezen in 44 v. Chr. vermoordden.
2Zie slot vanhoofdstuk V.
3Den reeds meermalen genoemden onderkoning van Polen, 1816–1830, broer van de keizers Alexander I en Nicolaas I.
4Na den val van Napoleon door de mogendheden gesloten, 1815, om orde te brengen in den ontredderden toestand van Europa.
5Keizer van het Oost-Romeinsche rijk (527–565), vooral beroemd door zijn samenstelling van de Romeinsche wetten: corpus juris civilis.
6Is, of was, zeker een kerkelijk blad of zoo iets. De vertaler is er niet achter kunnen komen.
[Een Frans monarchistisch tijdschrijft, dat verscheen tussen 1790–1792, en opnieuw tussen 1817–1847.—J.H.]
71792–’93.
8Na den slag van Waterloo aangegaan.
9Van 1830.
10Chlapicki.
11Priester.
12Nam in 1831 Warschau in en brak daarna den Poolschen opstand.