XI.

[Inhoud]XI.DE CASA INGLESE.Den volgenden dag, zoo omstreeks één uur in den namiddag, maakten dokter Antekirrt en Piet Bathory hunne toebereidselen, om van boord te gaan en aan hunne voornemens gevolg te geven.De barkas nam de passagiers op, maar alvorens daarin af te[202]dalen, beval de dokter kapitein Köstrik aan, goed te doen uitkijken naar de aankomst van deElectriek, die ieder oogenblik te wachten was, en droeg hem op, dat vaartuigonmiddellijknaar de wateren derFaraglioni, ook de rotsen van Polyphemus genaamd, te zenden. De scheepsgezagvoerder knikte ten teeken dat hij zijn patroon goed begrepen had.Wanneer het plan gelukte, wanneer Sarcany, of ten minste Zirone en Carpena gevangen genomen waren, dan moest dat snelle bootje hen dadelijk naar Antekirrta overbrengen, waar de dokter de verraders van Triëst en van Rovigno in zijne macht wilde hebben. Zoo waren de plannen, zoo zou moeten gehandeld worden.De barkas stak af. In weinige minuten had zij de trap van de kade van Catania bereikt.Dokter Antekirrt en Piet Bathory waren in het gewone reispak van bergbeklimmers gestoken, die genoopt zullen worden om eene temperatuur te trotseeren, die tot zeven graden onder het vriespunt kan dalen, terwijl zij op het strand nabij de oppervlakte der zee dertig daarboven teekent. Zij hadden een gids bij de afdeeling der Alpenclub op de Via Lincoln No. 17 besproken. Deze wachtte hen met paarden, die te Nicolosi door muildieren zouden vervangen worden, welke laatste dieren steviger op de beenen waren, daarbij als onvermoeibaar geroemd worden en bijgevolg de voorkeur, in zoo’n bergterrein als Sicilië is, verdienden.De stad Catania, welker breedte gering te noemen is in vergelijking met hare lengte, was spoedig doorsneden.Niets duidde den dokter aan, dat hij bespied of gevolgd werd. Hij en Piet Bathory begonnen, na den Belvedère-weg ingeslagen te hebben, te stijgen en dus den invloed te ondervinden van de eerste verheffingen van het Etnasche bergstelsel, waaraan de Sicilianen den naam van Mongobello-berg gegeven hebben en welker doorsnede niet minder dan vijf en twintig mijlen meet, hetgeen voor een voorgebergte nog al aanmerkelijk mag heeten.De weg was natuurlijk zeer geaccidenteerd en uiterst bochtig. Hij week somwijlen van de algemeene richtig af, omlavabeddingen, om basaltrotsen, welker versteening van voor millioenen jaren dagteekent, om droge ravijnen, die in het voorjaar in woeste bergstroomen herschapen worden, te mijden. Dat waren allen terreinhindernissen, die aangetroffen werden in een boschrijke streek, waarin de olijfboomen, de oranjeboomen en de esschen ruimschoots vertegenwoordigd waren, wier takken als met festoenen getooid werden, met slingerlooten van krachtige wingerds en andere klimplanten, die er zich om heen slingerden.Dat was de eerste der drie gordels, die de verschillende hoogten van den vulkaan omvatten, van dien smidsoven, zooals de vertaling[203]van het Phénisische woord Etna luidt, van dien „aardspijker en steunpilaar des hemels”, volgens de aardkundigen van een ander tijdvak, toen de wetenschap der aardkunde nog niet bestond.Na gedurende twee uren gestegen te zijn, konden dokter Antekirrt en zijn jeugdige metgezel Piet Bathory gedurende eene halte van weinige minuten, die meer voor de rijdieren dan voor de ruiters noodzakelijk was, de geheele stad Catania, die trotsche mededingster van Palermo, welke niet minder dan vijf en tachtig duizend inwoners telt, aan hunne voeten ontwaren. Eerst bespeurden zij de lijnen van hare voornaamste straten, die evenwijdig aan de kade liepen; dan de klokketorens en de overwelfde koepelverhevenheden harer honderd bedehuizen; verder de talrijke en schilderachtige kloosters, en eindelijk de huizen, die meerendeels in den trotschen bouwstijl der zeventiende eeuw opgetrokken waren. En dat alles was omgeven, ja omlijst door een band van groene boomen, zoo bevallig, dat weinig steden in Europa er op bogen kunnen zulk een gordel om het middel geslagen te hebben.Vervolgens, verder vooruit, ontwaarden zij de havenkom, welker natuurlijke dijken door den Etna zelven opgetrokken waren, nadat hij hem eerst gedeeltelijk gevuld had bij de schrikkelijke uitbarsting van 1669, die veertien steden en dorpen verwoestte en achttien duizend menschen deed omkomen, door over den omtrek meer dan een millioen kubieke meters lava, zand en vulkanische asch uit te storten en daardoor alles op de schrikkelijkste wijze te verwoesten.Overigens, als de Etna minder woelig in onze negentiende eeuw is, dan heeft hij waarachtig wel eenige aanspraak om tot rust te mogen komen. Men telt inderdaad meer dan dertig uitbarstingen sedert de invoering van het Christendom. Dat Sicilië bij die machtige natuurverschijnselen niet vernietigd is, moet als bewijs gelden dat hare grondvesten stevig zijn. Daarenboven dient opgemerkt te worden, dat de vulkaan zich geen permanenten krater gevormd heeft. Grillig als een jonge dame, verandert hij dienaangaande. De berg barst open, daar waar hij voor het oogenblik den minsten wederstand ondervindt en waar zich dus bij hem een dier vuurspuwende gezwellen vormt, waardoor dan al de lavabestanddeelen, die in zijne ingewanden koken en borrelen, een uitweg vinden. Vandaar het ontstaan van die groote hoeveelheid kleine vulkanen, de Monte Rossi genaamd, dubbelbergen, gevormd in drie maanden tijds door de uitgeworpen asch, zand, steenen en sintels, in 1669 op eene hoogte van honderd zeven en dertig meter, en wier krater aan bijtorentjes gelijk, die rondom den hoofdtoren van eene kathedraal gerangschikt staan, en Frumento, Sinoni, Stornello Crisinio genoemd worden, ongerekend die kraters die in 1809, 1811, 1819,[204]1838, 1852, 1865 en 1878 gevormd en welker trechtervormige bekken de flanken van den hoofdkegel uithollen als de cellen van een honigraat.Toen de toeristen het gehucht Belvedère doorgetrokken waren, sloeg de gids een pad in, om den weg van Travestiéri, dicht bij dien van Nicolosi te bereiken. Men was nog steeds in den eersten gordel van het bergstelsel, die bebouwd kan gerekend worden. Deze strekt zich tot het stedeke uit, dat wil zeggen tot eene hoogte van twee duizend honderd en twintig voeten, of ruim zeshonderd drie en zestig meters.Het was ongeveer vier uren in den namiddag, toen Nicolosi in het gezicht kwam, zonder dat de toeristen op den afstand van vijftien mijlen, welke zij, sedert zij Catania verlieten, afgelegd hadden, eenige kwade ontmoetingen, hetzij in den vorm van wilde zwijnen, hetzij in den vorm van wolven, hetzij in den vorm van bandieten of struikroovers ondervonden hadden.Maar zij hadden nog twintig kilometers te doorloopen, alvorens zij de Casa Inglese zouden bereiken.„Hoelang willen Uwe Excellentiën hier toeven?” vroeg de gids aan de reizigers.„Zoo kort mogelijk,” was het antwoord van dokter Antekirrt, kort afgemeten.„Maar hoe lang zal het duren?” was de wedervraag. „De heeren moeten mij verontschuldigen. Ik dien dat te weten.”„Ik wenschte dezen avond tegen negen uur op onze bestemming aangekomen te zijn.”„Dan blijft ons zeer weinig tijd over, heeren! Dan moeten wij voortmaken, en geen oogenblik verloren laten gaan.”„Gij moet beslissen. Wij zullen niet langer toeven, dan gij ons zult toestaan.”„Maar hoe lang verlangt Uwe Excellentie hier te blijven?” vroeg de gids.„Is veertig minuten te lang?” vroeg dokter Antekirrt, terwijl hij den Siciliaan aankeek.Deze dacht een oogenblik na. Hij scheen zich in een moeielijke berekening te verdiepen.„Veertig minuten? Dat kan,” zei hij eindelijk. „Maar, heeren, gelooft me, geen oogenblik langer.”Ja, het was Pescadospunt. (Bladz. 214.)Ja, het was Pescadospunt. (Bladz. 214.)Het was weinig, maar toch genoeg om een sober maal te gebruiken in een der beide herbergen van het stedeke. Toch moesten de reizigers erkennen, dat de spijzen zoo lekker toebereid waren, dat daardoor de hofmeesters-faam van den Siciliaansche gaarkeukens niet weinig verhoogd werd. Dat kan gerust ter eere gezegd worden van de drieduizend inwoners van Nicolosi, waaronder de bedelaars,[206]die er in menigte krioelen, gerekend moeten worden. Een reebout en vruchten als; druiven, oranje- en granaatappelen; en wijn van San Placido, een uiterst goed merk, dat in de omstreken van Catania gewonnen wordt. Waarlijk er zijn vele steden in Italië, die voor veel aanzienlijker dan Nicolosi doorgaan, en zich gekrenkt zouden gevoelen, daarmede vergeleken te worden, maar waar menige kastelein verlegen zoude staan, om zijne reizigers en overige gasten zoo goed te onthalen, als dat hier geschiedde op de hellingen van den Etna.Voor dat vijf uren geslagen waren,beklauterdendokter Antekirrt, Piet Bathory en de Cataniaansche gids, alle drie op muildieren gezeten, de tweede verdieping van het bergstelsel en bereikten den woudgordel. Die zone wordt zoo niet genoemd, omdat er werkelijk wouden zouden bestaan, of omdat er meer boomen dan elders aangetroffen zouden worden. O, neen, want de houthakkers hebben zich sedert eeuwen bevlijtigd en bevlijtigen zich hier even als elders, nog steeds, om de eeuwenoude en prachtige bosschen te vernielen, die weldra niet anders meer dan in de mythologische herinneringen zullen bestaan. Evenwel werden hier en daar bij wijze van boschjes of groepen, langs delavabeddingen, of op de hellingen der ravijnen en afgronden, beuken, eiken en een soort vijgeboomen, met bijna zwart loof aangetroffen; terwijl in hooger gelegen streeken, dennen, pijnboomen en berken ontwaard werden. Dat die waren blijven staan, was alleen daaraan te danken, dat zij in schier ontoegankelijke terreinen opgeschoten waren, waardoor het vervoer van het hout te moeilijk werd.De vulkanische asch, vermengd met eenige teelaarde, stelde een vruchtbaren bodem daar en strekte tot voedsel van machtige varenstoelen, van esschenkruid, van maluwstruiken, en werd overigens overdekt met een weelderig mostapijt.Tegen acht uren hadden dokter Antekirrt en Piet Bathory reeds eene hoogte van drie duizend voeten bereikt, waar ongeveer de grens op deze breedte van de eeuwigdurende sneeuw aangetroffen wordt. Die sneeuw is op de hellingen van de Etna in zulk eene ontzettende hoeveelheid voorradig, dat geheel Italië en Sicilië daarvan voorzien zouden kunnen worden. Dat was de gordel der zwarte lavabeddingen, der vulkanische asch, der slakken, der sintels, die zich langs eene breede spleet uitstrekt, die een elliptischen vorm aanneemt en de Valle de Bore geheeten wordt.De steile rotswanden van die spleet, welke van duizend tot drie duizend voeten hoog waren, moesten omgetrokken worden, terwijl men in de breuken en hellingen van die steengevaarten, gangen van graniet- en bazaltgesteente bespeuren kon, die door het vulkanisch vuur niet aangetast schenen.Vlak voor onze toeristen verhief zich de eigenlijke kegel van den[207]vulkaan, op welker hellingen zich eenige phanegoramische planten, hier en daar enkele plekken van groen vormden. Die centrale verheffing vormde op zich zelven een geheelen berg—Pelion op Gasa—en vertoonde op een hoogte van drie duizend drie honderd zestien meters boven de oppervlakte der zee een afgeronden top.De bodem trilde reeds merkbaar onder de voeten onzer reizigers. Onder de sneeuwlagen deden zich dreuningen gevoelen, die opgewekt werden door den plutonischen arbeid, welke dat geheele Etnasche bergstelsel voortdurend teistert. Eenige zwaveldampen, die door den wind van de rookpluim des kraters afgesleurd werden, sloegen tot bij den voet van den kegel neer, hetgeen het ademhalen soms bemoeielijkte; terwijl slakken, in vorm niet ongelijk aan gloeiende cokes, op het witte sneeuwveld neervielen, daarin sissend uitbluschten, een klein wit stoomwolkje vormend, maar daarbij een zwart spoor achterlieten.De luchtgesteldheid was toen zeer koud en daalde voorzeker eenige graden beneden het vriespunt, waardoor de ademhaling, ten gevolge van de meerdere ijlheid der lucht, zeer bemoeielijkt werd.Onze bergbeklimmers waren reeds genoodzaakt geweest zich dicht in hunne reismantels te wikkelen. Een scherpe bries streek over de berghelling, zweepte fijne sneeuwkristalletjes van den bodem op en deed ze met haren ijzigen adem in de ruimte dwarrelen en overal doordringen.Van deze hoogte kon men even beneden den grooten vuurmond, waaruit hooge vlammen opstegen, ja als uitgestooten werden, andere mindere kraters ontwaren, die niets anders waren dan smalle solfatara’s, eigenlijke brandende zwavelbronnen of diepe sombere putten, op welker bodem het vulkanische vuur, rood als bloed glinsterde, en waaruit een vuilgele rook, voorzeker niets anders dan zwavelig gas, uitgestooten werd.Steeds werd een dof onafgebroken gerommel vernomen, alsof een onderaardsche orkaan met afnemende en aanwakkerende krachten loeide, zooals een onmetelijke stoomketel zoude razen, wanneer zijn oververhitte damp de zekerheidskleppen deed wijken. Dat gerommel strekte volstrekt niet tot geruststelling.Toch was geene uitbarsting te voorzien en die inwendige woede vertolkte zich slechts door het geluid van den hoofdkrater en van de vulkanische gaten, die den hoofdkegel allerwege doorboorden.Dokter Antekirrt keek op zijn horloge. Het was toen negen uren des avonds.De hemel tintelde van het schitterende licht van duizenden sterren, die met te meer pracht fonkelden, naarmate de dichtheid van den dampkring op die hoogte minder was. De maansikkel was op[208]het punt om in het westen in de Eolische zee onder te gaan. Een zoodanige nacht, doorgebracht op een berg, die geen vulkaan was, zou een onvergelijkelijk verheven schouwspel opgeleverd hebben. Maar, behalve het angstverwekkende gesteun en geloei, door den vuurspuwenden berg veroorzaakt, hadden onze toeristen wel andere zaken in het brein, die hen ongetwijfeld ongevoelig voor die prachtige natuurtafereelen maakten.„Wij moeten dicht bij het doel onzer reis zijn,” zei dokter Antekirrt eindelijk.„Dat dunkt mij ook,” antwoordde Piet, na ook zijn horloge geraadpleegd te hebben.„Wel, gids?” vroeg de dokter, zich tot hunnen begeleider wendende, „wat dunkt u er van?”„Wat is er Excellentie?” vroeg de Siciliaan, als uit een droom ontwakende.Hij had de woordenwisseling van de beide reizigers niet gehoord. Wie weet, waarmede zijne gedachten zich bezig hielden.„Is het nog ver?”„Daar ginds is de Casa Inglese, heeren,” sprak hij, rondom zich ziende, om zich teoriënteeren.Hij wees op een muurvlak, hetwelk op een afstand ontwaard werd en waarin twee vensters en eene deur te bespeuren waren, die door de eigenaardige ligging ten opzichte der hemelstreken voor eene ophooping van sneeuw beveiligd waren gebleven. Dat gebouw lag op een vijftig passen afstand ter linkerzijde en op vier honderd acht en twintig meters beneden den top van den hoofdkegel. Het werd in 1811 door Engelsche officieren op een bergplat met lavabodem, Piano del Lago genaamd, gebouwd.Kort na het tijdstip, waarin dit verhaal speelt, werden de werkzaamheden ondernomen, om de Casa Inglese door de zorgen van het Italiaansche gouvernement en van den gemeenteraad van Catania, in een observatorium te herscheppen, hetgeen ter wille van de wetenschap reeds sedert lang had moeten geschied zijn.Want zij dekten zich achter de vele rotsblokken. (Bladz. 219.)Want zij dekten zich achter de vele rotsblokken. (Bladz. 219.)Dit huis, hetwelk ook de Casa Etnea genoemd werd, is langen tijd door den heer Gamelloso, broeder van den beroemden aardkundige van dien naam,onderhouden, maar was nu juist door de zorgen van de Alpen Club gerestaureerd geworden. Niet ver er van daan werden in de duisternis eenige bouwvallen bespeurd van Romeinschen oorsprong, waaraan men den naam van den „Toren der Wijsgeeren” gegeven heeft. Van dat punt, zoo verzekert de legende, zou Empedocles zich in den brandenden krater gestort hebben, hetgeen eene zonderlinge wijze is, om van zijne voorliefde voor de wijsbegeerte, dat moet men erkennen, te getuigen; tenzij men er toe overhelt de oorzaak van die daad te willen zoeken in de[210]acht dagen eenzaamheid, die de Grieksche wijsgeer in die schrikkelijke streken doorbracht, in welk geval zij begrijpelijk wordt, maar haar dan als de daad eens krankzinnigen moet doen aanmerken.Middelerwijl hadden dokter Antekirrt, Piet Bathory en de gids zich naar de Casa Inglese begeven. Daar aangekomen, klopten zij aan de deur, die onmiddellijk opengedaan werd.In het daaropvolgend oogenblik bevonden zij zich te midden hunner manschappen.Die Casa Inglese bestond alleen uit drie vertrekken, welke slechts een spaarzaam ameublement, namelijk: eene tafel, ettelijke stoelen en eenig keukengereedschap, bevatten. Maar dat was voldoende, om den bergbeklimmers van den Etna, na eene hoogte van twee duizend acht honderd en vijf en tachtig meters, of ruim negen duizend twee honderd voeten bereikt te hebben, eenige rust te laten genieten.Tot dat oogenblik had Luigi Ferrato, uit vrees dat de tegenwoordigheid van zijn klein detachement verraden, of zelfs maar gegist zou kunnen worden, geen vuur laten aanleggen, hoewel de koude zich geducht deed gevoelen. Maar thans was het niet meer noodig dien voorzorgsmaatregel te betrachten, daar Zirone wist dat dokter Antekirrt en Piet Bathory den nacht in de Casa Inglese zouden doorbrengen. Men stookte den haard dan ook met hout, dat in voorraad in de nabijheid van het gebouw gevonden werd, flink op. Weldra knetterden de vlammen, welke de ontbrekende warmte en lucht spoedig herstelden.Intusschen riep dokter Antekirrt Luigi Ferrato ter zijde en vroeg hem:„Heeft zich niets meldenswaardigs sedert uwe aankomst alhier voorgedaan?”„Neen,” antwoordde Luigi, „maar.…”„Ga voort. Maar wat?”„Ik geloof niet, dat onze tegenwoordigheid zoo geheim is gebleven, als wel gewenscht is.”„Niet geheim? Dat zou zeer jammer zijn,” antwoordde dokter Antekirrt niet zonder bezorgdheid.„Neen, zij is niet geheim gebleven,” herhaalde Luigi Ferrato.„Waaruit maakt gij dat op?.… Spreek!.… Misschien vergist gij u wel.”„Ik maak het daaruit op, dat wij sedert ons vertrek van Catania, als ik mij niet bedrieg, door een man gevolgd zijn geworden, die verdwenen is, een poos voordat wij den voet van den vulkaankegel bereikt hebben.”„Dat is inderdaad betreurenswaardig, Luigi,” antwoordde dokter Antekirrt nog meer ernstig.[211]„Dat meen ik ook, heer dokter.… Maar, zeg mij, wat was er aan te doen? Volgens mij niets.”„Daarin hebt gij gelijk; maar dat zou Zirone den lust benemen kunnen, om mij te komen overvallen, vindt gij niet?”„Voorzeker. Dat is de gedachte, die ook bij mij opgekomen is. De kerel is er laf genoeg toe.”„En hebt gij sedert de avond gevallen is, niemand in den omtrek der Casa Inglese zien ronddoolen?”„Niemand, heer dokter.”„Hebt gij u daarvan overtuigd, bijvoorbeeld door de omstreken voorzichtig te doorzoeken?”„Ja, heer dokter. Ik heb de voorzorg zelfs genomen, om in persoon de bouwvallen van den „Toren der Wijsgeeren” te verkennen en te onderzoeken.”„En?”„Zij waren ledig. Ik heb er niemand aangetroffen. De geheele omtrek is eenzaam en verlaten.”„Wij zullen moeten afwachten, Luigi. Er valt niets anders te doen. Dunkt u ook niet?”„Ja, heer dokter,” antwoordde de jonge zeeman. „Wij kunnen niets anders doen, dan bedaard wachten.”„Maar laat een man op uitkijk voor de deur staan. Een schrandere kerel, hoor.”„Goed, heer dokter. Ik zal een mijner beste manschappen op post uitzetten.”„De nacht is helder, niet waar? En het uitzicht onbelemmerd?” vroeg dokter Antekirrt.„Ja, men kan op eenigen afstand zien. De maan is reeds boven den gezichteinder.”„Het is zaak, Luigi, dat wij niet overvallen worden. Dat zou de grootste rampen na zich sleepen.”„Zeer juist gezien, heer dokter. Een overval zou ons allen het leven kosten, inderdaad.”De jeugdige zeeman ging naar buiten, om de bevelen des dokters ten uitvoer te leggen. Daarna ging hij op een houten bankje voor den haard zitten; terwijl zijne manschappen zich rondom hem op ettelijke bosschen stroo uitstrekten. Waarlijk, het was alsof eene bende bandieten thans de Casa Inglese in bezit genomen hadden.Kaap Matifou was intusschen den dokter genaderd en keek hem aan zonder te durven spreken. Maar het was niet moeielijk te begrijpen, wat hem verontrustte.„Gij wilt weten, wat er van Pescadospunt geworden is?” vroeg dokter Antekirrt.[212]De reus knikte bevestigend. Woordenrijk was hij nimmer geweest. Maar in dat oogenblik vooral niet.„Geduld!.… Kaap Matifou. Geduld!.…” maande dokter Antekirrt. „Geduld, mijn vriend!”De Hercules grinnikte; maar op zijn gelaat was te lezen, dat hij wel wat meer gehoopt had.„Hij zal wel spoedig terugkomen.… hoewel hij op dit oogenblik een partij speelt, die hem kan doen hangen.…”„Aan onzen hals?” vulde Piet aan, die het groote kind niet verontrusten wilde over het lot van zijn makker.„Zoooo!” sprak Kaap Matifou met een zucht en een glimlach. Hij scheen het niet begrepen te hebben.Inmiddels verstreek een uur, zonder dat iets de eenzaamheid stoorde, die rondom den centralen bergkegel van den Etna heerschte. Geen enkele schaduw had zich op de sneeuw der helling, die de Plano del Lago omgaf, vertoond. Dat verwekte eene soort van ongeduld en zelfs van onrust, die de dokter en Piet niet bedwingen konden.Wanneer Zirone bij toeval gewaarschuwd was, omtrent de aanwezigheid van het kleine detachement, dan zou hij het nooit wagen durven, om de Casa Inglese aan te vallen. Dan ware alle moeite te vergeefs geweest en kon de geheele onderneming als mislukt beschouwd worden. En toch moest men dien Sarcany zien in handen te krijgen, of bij gebreke van hem zijnen medeplichtige, dien Zirone, om hem zijne geheimen te ontweldigen!Weinige minuten voor tien uren, werd de knal van een geweerschot, dat—zooals men meende—op een halve mijl beneden de Casa Inglese gelost was, vernomen.Allen sprongen op, vlogen naar buiten, keken scherp uit, maar ontwaarden niets, wat hen verdacht voorkwam.„Het was toch een geweerschot?” vroeg Piet Bathory. „Ik heb toch goed gehoord?”„Ja, zeker,” antwoordden verscheidene stemmen. „Ongetwijfeld, het was een geweerschot.”„Wellicht een jager, die hier of daar in het gebergte verdekt op den loer ligt, om een arend of een wild zwijn te schieten,” zei Luigi Ferrato. „Dat zal het zijn.”„Laten wij weer naar binnen gaan,” zei Piet Bathory, blijkbaar zeer teleurgesteld.„Ja, laten wij weer naar binnen gaan,” beaamde de dokter. „Wij moeten vooral vermijden, dat wij gezien worden.”Allen traden binnen. De deur werd zorgvuldig gesloten. Het was toch zeer koud.Maar tien minuten later volgde hen de zeeman, die buiten uitkeek, met versnelden pas.[213]„Gauw, gauw!” riep hij. „Ik heb.…”„Wat?” vroeg Luigi.„Ik heb iemand.…”„Verscheidene mannen?.…”vroeg Piet Bathory. „Kom spreek!”„Neen, neen, niet verscheidene.… Slechts een enkele.”De dokter,Piet, Luigi en Kaap Matifou vlogennaar dedeur; maar zorgden daarbij in de schaduw te blijven.En, inderdaad, een man beklom vlug als een gems, de lavabedding, die de helling van het bergvlak uitmaakte waarop de Casa Inglese stond. Hij was geheel alleen en na weinige sprongen lag hij in de armen, die zich voor hem openden, in die van Kaap Matifou.„Ik heb hem!” riep deze. „Ja, ik heb mijn Pescadospunt!.… Ik heb mijn dierbaren vriend!”Ja, het was Pescadospunt.„Gauw, gauw, achter de muren gedekt, heer dokter!” riep hij, terwijl hij de anderen met zich naar binnentrok.In een ondeelbaaroogenblikwaren allen de Casa Inglese weer binnengestormd, waarvan de deur dadelijk zorgvuldig gesloten en de grootste stilte in acht genomen werd.„Wat is er?” vroeg Piet fluisterend, terwijl hij hem bij een arm greep.„En Zirone?” vroeg de dokter, die den anderen arm vatte. „Wat is van hem geworden?”„Hij komt! heer dokter.… shut!.… Hij komt!.…”„Hebt gij hem kunnen verlaten? Drommels, dat was een gevaarlijk stuk.”„Ja!.… om u te waarschuwen!.… Weinigeoogenblikkengeleden was ik nog bij hem.”„Hij komt dus?.… Dat is boven allen twijfel, niet waar, Pescadospunt?”„Voorzeker!.…”„Wanneer?”„Binnen twintig minuten zal hij hier zijn! Zoolang zal het wellicht niet eens duren, denk ik.”„Des te beter!” sprak dokter Antekirrt, terwijl hij zich vergenoegd de handen wreef.„Neen! des te slechter!” sprak Pescadospunt op hoogst ernstigen toon.„Wat bedoelt ge?”„Ik weet niet hoe en door wien hij gewaarschuwd is,” antwoordde Pescadospunt, „hij weet, dat gij hier voorafgegaan zijt door een twaalftal manschappen!.…”„Ongetwijfeld door dien bergbewoner, die ons bespied heeft,” zei Luigi Ferratoontsteld.[214]„Hoe het ook zij.… en onverschillig door wien ook ingelicht,” antwoordde Pescadospunt, „maar hij weet het!”„En verder? Ga toch voort!.… er is haast; want de te nemen maatregelen hangen er van af.”„Hij heeft begrepen, dat gij hem een strik spant,” gingPescadospuntverder.„Dat is minder!” meende dokter Antekirrt.„Ja, maar.…”„Laat hem maar komen!” riep Piet Bathory uitdagend uit en hief daarbij de vuist op.„Hij zal komen! mijnheer Piet,” zei Pescadospunt, „wees daarvan verzekerd!”„Goed zoo!”„Maar bij de twaalf nieuw aangeworven manschappen, die hij van Malta meebracht, heeft hij nog de rest van zijne bende gevoegd, die heden ochtend te Sante Grotta weergekeerd is.”„Duivels!” zei Luigi. „Dat verandert de zaak aanmerkelijk. Twaalf en.…”„Doet niets!” riep Piet Bathory uit. „Doet altemaal niets! Laat ze maar komen!”„En hoeveel zijn die bandieten te zamen gerekend?” vroeg dokter Antekirrt.„Ongeveer vijftig!”antwoordde Pescadospunt. „Eerder meer, dan minder, heer dokter.”„Duivels!” herhaalde Luigi, en monsterde met de oogen zijne manschappen.„Wat geeft dat?” vroeg Piet minachtend.Dat laatste was zeer luchtig uitgesproken; maar men kon het zich niet ontveinzen, de toestand van den dokter met zijn kleinen hoop, die slechts uit elf zeelieden bestond, waarbij hij gerekend moest worden en Luigi Ferrato, en Piet Bathory, en Kaap Matifou, en Pescadospunt. Zestien man in het geheel tegen vijftig! Voorwaar, dat was netelig. In ieder geval moest er een besluit genomen worden en spoedig ook; want de aanval, die verwacht werd, kon ieder oogenblik geschieden. Talmen was hier niet geoorloofd. Een ieder moest stipt weten, wat hem te doen stond. Evenwel alvorens te beslissen, wenschte dokter Antekirrt van Pescadospunt alles te vernemen, wat voorgevallen was, en ziehier, wat hij te weten kreeg:Dat was Kaap Matifou, die basaltrotsen voortrolde. (Bladz. 222.)Dat was Kaap Matifou, die basaltrotsen voortrolde.(Bladz. 222.)Zirone was dienzelfden ochtend van Catania weergekeerd. Hij had daar den nacht doorgebracht en hij was het, dien de dokter in de tuinen van de villa Bellini had zien rondslenteren en bespieden. Toen hij in het moordhol van Santa Grotta weergekeerd was, vond hij daar een bergbewoner, die hem het bericht bracht, dat een[216]twaalftal manschappen, die uit verschillende richtingen aangekomen waren, de Casa Inglese bezet hadden.Voor Zirone was waarlijk niet meer noodig om den toestand te begrijpen. Hij was het niet, die dokter Antekirrt in een valstrik lokte; maar het was die man, waarvoor men hem gewaarschuwd had, voor wien hij zich te wachten had, welke er hem een spande. Dat was volgens hem duidelijk genoeg en aan geen twijfel meer onderhevig. Pescadospunt drong er evenwel op aan, dat Zirone de Casa Inglese zou aantasten. Hij verzekerde hem dat, al was het bericht, hetwelk hij ontvangen had, ook al juist, zijne Maltezers spoedig met het troepje van den dokter klaar zouden komen. Maar Zirone bleef besluiteloos, omtrent hetgeen hem te doen stond. Zelfs begon hem de aandrang, die Pescadospunt thans trachtte uit te oefenen, zonderling voor te komen, en zelfs zoo, dat hij bevelen gaf om dezen laatste in het geheim, maar toch nauwlettend gade te slaan. Onze grappenmaker bespeurde dat evenwel al heel spoedig. Hij was waarlijk te schrander, om niet te bemerken, dat hij te ver gegaan was, dat de toestand zich gewijzigd had.Om kort te gaan, Zirone zou waarschijnlijk bij zulke onzekere kansen er van af gezien hebben, om te trachten dokter Antekirrt in handen te krijgen, wanneer zijne bende zich niet zoo omstreeks drie uren in den namiddag bij hem vervoegd had. Toen met eene macht van ruim vijftig manschappen onder zijne bevelen, aarzelde hij niet meer. Hij verliet de herberg La Santa Grotta met zijn geheele troep en richtte zijne schreden naar de Casa Inglese; maar hield zich daarbij ver van de gebaande wegen en trok de wildernis door.Hij wachtte dus totdat de bende van Zirone in het gezicht van de Casa Inglese, welker juiste ligging hij niet kende, gekomen was.Het licht dat door de vensterluiken scheen, veroorloofde hem eindelijk om haar te ontwaren, zoo omstreeks half tien in den avond, op minder dan twee mijlen afstands op de helling van den kegelberg. Pescadospunt sprong toen in de richting vooruit. Zirone zond hem eengeweerschotachterna, hetzelfde dat in de Casa Inglese waargenomen werd, maar wat hem niet trof. Met zijne clownsvlugheid was hij weldra buiten bereik, en ziedaar, hoe hij in de Casa Inglese aangekomen was, terwijl hij den aanvallenden troep van Zirone slechts twintig minuten vooruit was.Toen hij zijn verhaal geëindigd had, bedankte de dokter met een innigen handdruk den koenen en schranderen kerel, over hetgeen hij ten uitvoer gelegd had. En dat hij dien dank ten volle verdiend had, begrepen alle aanwezigen.Daarna besprak men hetgeen gedaan moest worden. De toestand was thans ernstig genoeg.De CasaIngleseverlaten en te midden van den nacht den terugtocht[217]ondernemen langs de hellingen van dat woeste bergstelsel, waarvan Zirone en zijne lieden al de paden, al de schuilhoeken, al de moeielijke doorgangen kenden, daaraan viel niet te denken. Dat zou zich aan eene totale vernietiging blootstellen zijn. Het zou honderd malen beter zijn, in dat huis den dag af te wachten, zich daarin te verschansen, en er zich als in een blokhuis te verdedigen, wanneermenmocht aangevallen worden.Als de dag aangebroken zoude zijn en de gelegenheid zich zoude voordoen om af te kunnen trekken, dan zou men het ten minste in het volle licht doen en men zou zich niet blindelings te midden der afgronden, der solfatara’s en der fumarola’s op die scherpe hellingen begeven, die bij het nachtelijke duister slechts de gevaren vermeerderden en de kansen tot verdwalen verdriedubbelden.Men zou dus blijven en weerstand bieden, dat was het genomen besluit. En daaraan hield men zich.De verdedigingsvoorbereidingen werden dadelijk getroffen en onmiddellijk ten uitvoer gelegd.Eerst werden de beide vensterluiken van de Casa Inglese gesloten en de blinden daarvan binnen behoorlijk bevestigd. Als schietgaten werden de openingen benuttigd, welke tusschen de dakregels, bij hunne steunpunten op den voorgevel van het gebouw, gevormd werden. Daartoe eigenden zich die voortreffelijk en hadden het voordeel niet in het oog te vallen.Ieder man was voorzien van een achterlaadgeweer en had een twintigtal patronen in een daarvoor bestemden zak in voorraad. Dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato waren daarenboven in het bezit van revolverpistolen en konden hulp verleenen, waar die noodig zoude zijn. Daartoe zouden zij zich echter evenwel in de onmiddellijke nabijheid der strijdenden ophouden.Kaap Matifou had slechts zijne armen ter zijner beschikking en Pescadospunt slechts zijne handen. Wellicht waren zij niet het slechtste gewapend! Want met die armen en handen wisten die kerels voorbeeldeloos om te gaan.Ongeveer veertig minuten gingen in spanning voorbij, zonder dat er eene poging van aanval vernomen was.Zou Zirone, die begreep, dat dokter Antekirrt, door Pescadospunt verwittigd, zich niet zou laten overvallen, van zijne aanvalsplannen afgezien hebben?Evenwel met vijftig manschappen onder zijne bevelen, met zijne kennis van het omliggend terrein, kon van aarzelen geen sprake zijn. Te veel voordeelen waren aan zijn kant, om de onderneming op te geven. Daarbij de gedachte aan de millioenen van den dokter belette hem een geregeld nadenken.[218]Tegen elf uren ongeveer stoof de zeeman, die buiten op schildwacht stond, plotseling naar binnen.Een troep mannen naderde, terwijl zij zich in drie gedeelten verspreidden, met het doel om deCasaInglese langs de drie genaakbare zijden te omsingelen. De vierde was geheel ongenaakbaar, daar zij tegen de zeer steile hellingen van den krater steunde en derhalve langs dien kant eene ontsnapping onmogelijk was.Toen de beweging van den vijandelijken troep verkend was door de verdedigers, ging men weer naar binnen, en barricadeerde men behoorlijk de deur. Daarna begaf een ieder zich op zijn post achter de schietgaten, en bekwam de noodzakelijke aanbeveling: niet te vuren, dan bij voldoende zekerheid te zullen treffen. Er mocht geene munitie verspild worden!Zirone en zijne bende naderden inmiddels voortdurend, maar langzaam en niet zonder eene zekere mate van voorzichtigheid te betrachten; want zij dekten zich achter de vele rotsblokken, die over het terrein verspreid lagen. Zoo trachtten zij den nok van de Plano del Lago te bereiken. Bij den rand van dien nok lagen verbazend groote trachiet- en bazaltblokken opgestapeld, waarschijnlijk met het doel om de Casa Inglese tegen eene afschuiving van sneeuw gedurende de winterstormen te beveiligen. Die blokken boden den naderenden een uitmuntende dekking aan.Wanneer de aanvallers dien nok zouden bereikt hebben, dan zouden zij nagenoeg onder de vuurlijn van de verdedigers aangekomen zijn, en eene bestorming van het huis kunnen wagen. Zij zouden dan de deur openloopen of een der vensterramen kunnen openbreken en door hun groot getal in staat zijn, de hand op den dokter en op allen, die bij hem waren, te leggen.Plotseling knalde een geweerschot. Een licht wolkje van kruitdamp krulde langs een der schietgaten naar het dak omhoog. Een der aanvallers viel doodelijk getroffen neer. De aanrukkende bende vlood eenige passen achteruit en dook achter de beschermende rotsblokken neer. Dat was het eerste slachtoffer, hetwelk gevallen was.Maar langzamerhand slaagde Zirone er in, door van de terreinplooien behendig gebruik te maken, zijne manschappen meer vooruit te brengen, en hen zelfs tot aan den voet der helling van de Plano del Lago te geleiden.Dat geschiedde evenwel niet zonder dat alweer een twaalftal geweerschoten losgebrand waren, die den gevel van de Casa Inglese verlicht hadden en waardoor weer twee der aanvallers op het sneeuw veld uitgestrekt waren geworden.Toen stiet Zirone een gil uit, die tot sein moest dienen voor eene algemeene bestorming. Hoewel de voorwaartsche beweging alweer ten koste van verscheidene gewonden geschiedde, vloog toch de[219]geheele bende op de Casa Inglese aan. De deur werd door verscheiden kogels doorboord, waardoor binnen het huis twee matrozen ernstig genoeg gekwetst werden, om buiten gevecht gesteld te zijn. Dat was bij het kleine getal der verdedigers ernstig genoeg. De strijdkrachten stonden toch al zoo ongelijk!Toen ontspon zich eene levendige schermutseling. Met hunne pieken en met hunne bijlen slaagden de aanvallers er aanvankelijk in, om de deur en een der vensterblinden ter verbrijzelen. De verdedigers waren toen genoodzaakt een uitval te ondernemen, om de aanvallers te verdrijven. Dat geschiedde te midden van een vrij hevig geweervuur, hetwelk van weerszijden ijverig onderhouden werd. Luigi’s hoed werd door een kogel doorboord en Piet Bathory zou zonder de tusschenkomst van Kaap Matifou, door een lansstoot gewond of gedood zijn, welke een der bandieten hem toebracht. Maar onze Hercules was er ook, en.… met denzelfden piek, dien hij den aanvaller met krachtige vuist ontwrong, velde hij hem met een slag op het hoofd ter neder. Dat was een meesterslag geweest!Kaap Matifou was gedurende den uitval vreeselijk. Hoewel meer dan twintig malen op hem gemikt werd, trof hem toch geen enkele kogel. Wanneer Zirone de overwinning zou behalen, dan was zijn vriend, dan was Pescadospunt bijvoorbaatveroordeeld, en die gedachte verdubbelde de woede van den reus. Hij verrichtte dan ook wonderen.Bij zoo’n hardnekkigen weerstand waren de aanvallers verplicht zich andermaal terug te trekken.De dokter en zijne lotgenooten konden dus binnen de Casa Inglese weerkeeren en zich rekenschap van den toestand geven. Die was, dat moest erkend worden, in het geheel niet opbeurend. Men verloor evenwel den moed niet.„Hoeveel gekwetsten hebben wij?” vroeg dokter Antekirrt aan Piet Bathory en Luigi Ferrato.„Drie,” was het antwoord. „Maar zij zijn vrij ernstig gewond. Ik vrees voor hen.”„Hoe is het met den toestand der munitie? Dat is een voorname quaestie. Er is nog al geschoten!”Luigi onderzocht dat dadelijk. Hij liet zich de patroonzakken door zijne manschappen vertoonen.„De meeste hebben nog slechts tien, enkele twaalf patronen,” antwoordde hij.„En hoe laat is het?”„Ternauwernood middernacht.”Dus nog vier lange uren, alvorens de dag zoude aanbreken. Het werd noodzakelijk, om nog spaarzamer met de munitie om te gaan, ten einde niet ontbloot te zijn, om den aftocht te kunnen[220]dekken, die bij het aanbreken van den dag ondernomen moest worden. Waarlijk, de toestand was verre van rooskleurig. Dat zag ieder der verdedigers volkomen in.Maar als er niet geschoten mocht worden, hoe dan de nadering der aanvallers te beletten? Hoe dan de overrompeling van de Casa Inglese tegen te gaan, wanneer Zirone en zijne bende den stormaanval hervatten? En die zou niet uitblijven!Neen! die zou niet uitblijven; want nadat de bandieten een kwartieruur rust genoten en hunne gekwetsten, achterwaarts gebracht achter een lavabedding, als achter eene verschansing, in veiligheid gesteld hadden, stoven zij weer voorwaarts.Toen, verwoed, en eigenlijk tot razernij vervoerd door den hardnekkigen tegenstand, en vooral door het gezicht van de gesneuvelde en gewonde makkers, beklommen zij de lavabedding, daarna ook de tusschenruimte, die deze van den basaltwal scheidde en verschenen toen aan den nokrand van het bergplat, waarop de Casa Inglese gelegen was. De toestand werd al hachelijker en hachelijker.Geen enkel geweerschot werd op hen gelost, terwijl zij dien afstand aflegden. Zirone besloot daaruit en, zooals wij weten niet zonder reden, dat het den belegerden aan munitie begon te ontbreken. Dat verlevendigde de hoop.Toen wekte hij zijne bende op en bracht haar in vervoering. Het denkbeeld om zich van iemand meester te maken die meer dan honderdmaal millionnair was, was wel geschikt, dat zal de lezer moeten toestemmen, om die schurken van de slechtste soort op te winden. Dat gebeurde dan ook.Hunne geestdrift was zelfs zoodanig, dat zij ditmaal de deur en het venster bemachtigden en zeer zeker het huis stormenderhand genomen zouden hebben, wanneer niet een nieuwe losbranding, thans van zeer nabij afgegeven, er vijf of zes van hen gedood en de overigen teruggedreven had. Zij moesten nogmaals tot aan den voet van de helling van het bergplat terugdeinzen, evenwel niet zonder dat andermaal twee zeelieden gekwetst en buiten gevecht gesteld waren. Het kleine heldentroepje der verdedigers slonk al meer en meer, maar ook de munitie was al weer verminderd.Vier of vijf schoten, dat was alles, wat den verdedigers van de Casa Inglese thans nog overbleef. Onder die omstandigheden werd de aftocht zelfs bij klaarlichten dag bijna onmogelijk. De verdedigers gevoelden dan ook, dat zij onherroepelijk verloren waren, wanneer er geen hulp opdaagde. Dat was voor allen duidelijk.Maar vanwaar zou die hulp komen? Ziet, dat was de vraag, die thans aller brein bezig hield.In dien vuurput smeet hij Zirone neder. (Bladz. 225.)In dien vuurput smeet hij Zirone neder. (Bladz. 225.)Men kon er ongelukkig niet op rekenen, dat Zirone en zijne makkers den aanslag zouden opgeven. Zij waren zeker nog wel[222]veertig in getal, die gezond en goed gewapend waren. Zij wisten, dat men hunne geweerschoten weldra niet meer zou kunnen beantwoorden en daarom herhaalden zij den aanval.Maar.… ziet.…Plotseling rolden kolossale rotsblokken langs de helling van het bergplat naar beneden en verpletterden twee of drie der aanvallende bandieten, alvorens zij zich uit de voeten hadden kunnen maken.Dat was Paap Matifou, die naar buiten geloopen was, en basaltrotsen voortrolde, om die van den nok van de Plano del Lago naar beneden te laten tuimelen. Hij had alle succes van zijn waarlijk practisch middel.Maar dat verdedigingsmiddel was op verre na niet voldoende. Daarenboven, het was te voorzien, dat het weldra uitgeput zou raken; men zou dus moeten bezwijken, of alles in het werk stellen, om van buiten af hulp te erlangen. Van buiten af?.… Ja.… maar hoe?.…Toen kreeg Pescadospunt een inval, dien hij aan niemand wilde mededeelen, vooral niet aan dokter Antekirrt, omdat die wellicht zich tegen de uitvoering verzet zoude hebben. Maar hij deelde zijn plan toen aan Kaap Matifou mede. Ziehier, wat daarvan de slotsom was. De reus luisterde aandachtig.Hij had uit de gesprekken, die in de kroeg van Santa Grotta gehouden waren, vernomen dat een detachement Maréchaussées zich te Casona bevond. Om zich naarCasonate begeven, was slechts een uur tijd noodig en evenveel om terug te komen. Zou het nu geheel onmogelijk zijn, om dat detachement te gaan waarschuwen? Onmogelijk?.… Dat was een raar woord in den mond van Pescadospunt, aan welks bestaan hij zelfs niet geloofde. Maar.… hier was eene voorwaarde te vervullen. Hier moest door de gelederen der belegerende bende gebroken worden, om daarna de westelijke hellingen van het bergstelsel te kunnen bereiken. Anders kon het niet.„Het is noodig, dat ik tusschen hen door kom.…” zei Pescadospunt tot zijn vriend.Deze knikte toestemmend met zijn overgroot hoofd. Ja, dat begreep hij duidelijk.„Dus ik zal doorkomen!” zei Pescadospunt op stellig bevestigenden toon.Dat „dus” was subliem van eenvoud. Kaap Matifou grinnikte van de pret en wreef zich de handen.„Wat duivel!” ging Pescadospunt voort, „men is clown of men is het niet! Is dat zoo niet?”„Daartegen valt niets in te brengen,” zei de reus, die zelden zoo veel sprak.[223]„Luister” sprak Pescadospunt, terwijl hij zijn vriend naar zich toe trok. „Luister!”En nu deelde hij aan Kaap Matifou fluisterend het middel mede, hetwelk hij dacht te bezigen, om hulp te gaan halen.„Maar,.…”meende Kaap Matifou, „gij waagt.… uw leven … Gij waagt alles!”„Dat weet ik wel,” antwoordde Pescadospunt, „maar die waagt, die wint.”„Jawel.… maar.…”„Zwijg maar, ik wil het zoo.”Dat was een waar stopwoord.Pescadospunt weerstreven, dat zou Kaap Matifou nimmer gedurfd hebben!Beiden begaven zich toen naar de westelijke zijde van de Casa Inglese, naar eene plaats, waar een groote voorraad sneeuw door den wind opgehoopt lag.Tien minuten later kwam, terwijl de strijd van weerszijden hardnekkig voortgezet werd, Kaap Matifou weer te voorschijn en rolde een overgrooten sneeuwbal voor zich uit. Toen dreef hij tusschen de rotsblokken, welke de zeelieden steeds op de aanvallers stortten, dien bal, die langs de helling afrolde en tusschen de bende van Zirone doorgleed en op vijftig passen daarachter in de diepte van een kleine terreinplooi bleef liggen.Daar opende zich den sneeuwbal, die door den schok half verbrijzeld was en verleende doortocht aan een klein vlug wezen, dat een weinig slim was, zooals het van zich zelven getuigde.Dat was Pescadospunt! Ja, dat was onze wakkere clown; en dat was het middel, hetwelk hij uitgedacht en ten uitvoer gebracht had.Opgesloten onder eene laag verharde sneeuw als in eene eierschaal, had hij den moed bezeten, zich langs de helling van het talud te laten afrollen, op gevaar van in een afgrond terecht te komen. En nadat hij van die sneeuwlaag bevrijd was, vloog hij langs de zijpaden, die door het bergstelsel kruisten en richtte zich naar den kant van Casona.Het was toen ongeveer één uur na middernacht. Er was dus inderdaad geen tijd te verliezen.Dokter Antekirrt, die op een gegeven oogenblik Pescadospunt miste, riep hem, daar hij meende, dat hij gekwetst was. „Waar die kleine man toch mocht zijn?” vroeg hij zich af.„Pescadospunt!.… Pescadospunt.…” riep hij.„Weg!” zei Kaap Matifou, zoolaconiekmogelijk. „Weg!.… en voor goed ook!”„Weg?” vroeg dokter Antekirrt.„Ja,” knikte de reus.[224]„Waarheen?”„Hulp halen!”„Hulp halen, Kaap Matifou?.… Maar hoe?”„Als een bal.”„Als een bal? Zijt gij krankzinnig geworden?” vroeg dokter Antekirrt verstoord.„Ja! als een bal!” zeiKaapMatifou trotsch, terwijl hij de armen over elkander bewoog om eene wentelende beweging na te bootsen.En hij verhaalde toen zoo duidelijk hem slechts mogelijk was, wat Pescadospunt uitgevoerd had.„Brave kerel!” riep de dokter inderdaad in vervoering uit. „Brave kerel!”En zich tot zijne manschappen wendende:„Moed gehouden, vrienden!” zei hij. „Moed!.… Die bandieten zullen ons niet gevangen nemen!”En men ging voort met rotsblokken op de aanvallers te storten. Maar ook aan dat verdedigingsmiddel kwam weldra gebrek. De geheele voorraad was bijna opgeruimd.Tegen drie uren des morgens waren dokter Antekirrt, Piet Bathory, Luigi Ferrato, Kaap Matifou en de overige manschappen genoodzaakt, terwijl zij hunne gewonden medevoerden, het huis te ontruimen, dat Zirone toen in handen viel. Twintig zijner bandieten waren gedurende den strijd gedood en toch had hij de getalsterkte nog aan zijne zijde. De kleine troep kon dan ook niet anders den aftocht bewerkstelligen dan door langs de hellingen van den centraalkegel op te klauteren, langs die opeenhooping van lavabrokstukken, van sintelslakken en asch, welker top den krater vormde, dat wil zeggen van dien vuurkolk.Allen zochten evenwel eene toevlucht op die hellingen; terwijl zij hunne gewonden medevoerden. Van de driehonderd meters, die de helling van dien sintelkegel meet, doorliepen zij te midden van zwaveldampen, die de wind naar hen toedreef, twee honderd en vijftig meters.De dag begon toen aan te breken en reeds werden in de verte de nokken van het Calabrische gebergte ten oosten van de Straat van Messina gelegen, als met goud getooid.Maar in den toestand, waarin dokter Antekirrt en de zijnen zich bevonden, bood het daglicht zelfs geen kans tot redding aan. Zij moesten steeds terugwijken, de hellingen opklauteren en de laatste patronen verschieten; terwijl Kaap Matifou met menschelijke kracht de laatste rotsblokken voortslingerde.Zij moesten zich dus verloren achten, toeneensklapseen aantal geweerschoten aan den voet van den kegel vernomen werden, gepaard aan woest geschreeuw.[225]Een oogenblik van aarzeling, van weifelmoedigheid openbaarde zich in den bandietentroep. Maar weldra stoof hij uiteen en liet ieder hunner zich langs de hellingen van den berg, zoo snel hij maar kon, afglijden. Zij hadden de maréchaussées herkend, die van Casona, met Pescadospunt aan hun hoofd, opgerukt waren.De stoutmoedige kerel had zelfs niet noodig gehad tot dat dorp door te loopen. De maréchaussées hadden eindelijk de geweerschoten gehoord en bevonden zich reeds op weg. Pescadospunt kwam inderdaad goed van pas, om hen naar de Casa Inglese te geleiden. Geen oogenblik mocht verloren gaan.Toen hernamen de dokter en zijne makkers het offensieve. Kaap Matifou stormde, alsof hij zelf een rotsmassa was, op de meest nabij zijnde boeven, velde er twee van neder, die den tijd niet gehad hadden, om te ontvluchten en stortte zich op Zirone.„Bravo Kaap van mijn hart! Bravo!” riep Pescadospunt, terwijl hij naar hem toeijlde. „Leg hem neer! Laat hem de schouders aan de hielen raken!.… De wedstrijd, heeren! De wedstrijd tusschen Zirone en Kaap Matifou! Nu zult gij iets kostelijks zien! Gij zult voor uw geld niet bedrogen zijn. Treedt binnen heeren! Treedt binnen!”Zirone hoorde dat kermisgeschreeuw. Met de eene hand, die hem vrijgebleven was, schoot hij, ziedend van toorn, zijn revolver op Pescadospunt af.De armekerelrolde op den grond. Blijkbaar was de kleine man ernstig gekwetst.Toen gebeurde er iets verschrikkelijks.Kaap Matifou had Zirone bij den hals gegrepen en sleurde hem voort, zonder dat de ellendeling, die half verworgd was, er iets tegen vermocht.Te vergeefs schreeuwde dokter Antekirrt, die den boosdoener levend in zijne macht wenschte, den reus toe, om hem te sparen!Te vergeefs trachtte Piet Bathory en Luigi Ferrato hem in te halen, welke haast zij daarbij ook betrachtten.Kaap Matifou had slechts ééne gedachte, namelijk: dat Zirone met zijn schot Pescadospunt wellicht doodelijk getroffen had! Toen was hij zich zelven niet meer meester, toen hoorde hij niets meer! Hij bekeek zelfs dat menschelijke overblijfsel niet, hetwelk hij aan het uiteinde van zijn uitgestrekte arm droeg.Hij klom steeds met verhaaste schreden langs de helling van den centraalkegel des vulkaans naar boven. Eindelijk bereikte hij met een laatsten sprong den gapenden mond van eene brandende solfatara. In dien vuurput smeet hij Zirone ter neder.Inmiddels lag Pescadospunt, vrij ernstig gekwetst, op de knie van dokter Antekirrt gesteund, die de wond onderzocht en verbond. Toen Kaap Matifou bij hem teruggekeerd was, stroomden hem de[226]tranen langs de wangen. De arme kerel was letterlijk buiten zich zelven van droefheid en smart.„Wees niet bedroefd, dierbare Kaap! Wees niet bedroefd! Het heeft niets te beteekenen!” stamelde Pescadospunt.Kaap Matifou nam hem in zijne armen, zoo als hij met een kind zoude gedaan hebben, en droeg hem langs de kegelhelling naar beneden; terwijl al de anderen hem volgden en de maréchaussées de laatste vluchtelingen van de bende van Zirone ijverig en onverpoosd nazetten.Zes uren later was de dokter met al de zijnen te Catania terug en scheepten zich dadelijk aan boord van het stoomjachtFerratoin. Luigi leidde daarbij het vervoer en de inscheping der gekwetsten.Pescadospunt werd in de kajuit neergelegd. Met dokter Antekirrt tot geneesheer en Kaap Matifou tot ziekenoppasser, werd hij waarlijk goed verpleegd! Daarenboven, zijne wond—een eenvoudig pistoolschot bij den schouder, vertoonde geen enkel ernstig verschijnsel. De genezing was dus slechts eene quaestie van tijd. Als de lijder behoefte aan slaap had, verhaalde hem Kaap Matifou eene vertelling—steeds dezelfde, de arme reus wist niet meer—en dan sluimerde Pescadospunt zachtkens in, en vond verlichting in eene gezonde rust, bewaakt en gekoesterd, als hij was, door ware vriendschap.Echter kon, in weerwil van alles, niet ontveinsd worden, dat dokter Antekirrts plannen totaal schipbreuk hadden geleden en dat nog wel bij het begin van den ondernomen veldtocht. Na op het punt geweest te zijn, van zelf in handen van Zirone te vallen, was hij er zelf niet in geslaagd om zich van dien makker van Sarcany meester te maken. Dat was noodlottig genoeg! Welke plannen had hij niet reeds daarop gesmeed! O, hij zou dien schoft wel genoopt hebben zijne geheimen mede te deelen!En nu? Nu was dat alles in rook verdwenen! En eigenlijk was dat de schuld van Kaap Matifou.… Maar kon men dien dat wel zoo kwalijk nemen? Hij volgde toch slechts de inspraak van zijn hart!Dan kwam er nog bij, dat, hoewel de dokter er niet tegen op gezien had, om na dien nutteloozen tocht, nog een achttal dagen te Catania te vertoeven, hij geen enkel bericht kon inwinnen omtrent Sarcany. Wanneer die plannen gemaakt had, om Zirone in Sicilië op te zoeken, dan waren zij ongetwijfeld gewijzigd, toen hij met het bericht van den valstrik, die dokter Antekirrt gespannen was, tevens den dood van zijn ouden makker vernam.Er viel dan in weerwil van alles inderdaad niet anders te doen dan Sicilië te verlaten.DeFerratokoos dan ook op den 8stenSeptember weer zee en koerste in allerijl naar het eiland Antekirrta, waar het vaartuig na een zeer voorspoedige reis aankwam.[227]Daar zouden de dokter, Piet en Luigi hunne plannen hervatten, maar die alvorens ten zorgvuldigste herzien en uitwerken. Hun geheele leven bewoog zich toch daar omheen. Het gold thans Carpena terug te vinden. Die toch moest weten, wat er van Sarcany en Silas Toronthal geworden was, en waar die schurken zich ophielden.Ongelukkiglijk voor den Spanjaard, die, wel is waar, door in de kroeg van Santa Grotta achter te blijven, aan de vernietiging der bende van Zirone ontkomen was, bleef zijn goed gesternte hem niet getrouw, en was zijn geluk weldra uit.Inderdaad tien dagen later ontving dokter Antekirrt van een zijner agenten het bericht, dat Carpena te Syracusa in hechtenis genomen was,—niet als medeplichtige van Zirone,—maar voor eene vroegere misdaad, die reeds van voor vijftien jaren geleden dagteekende, voor een moord, dien hij te Almayata, in de provincie Malaga, bedreven had, en waarna hij Spanje, zijn vaderland, verlaten had, om zich te Rovigno in Istrië te vestigen. De lezer ziet, dat de kerel voor schurk in de wieg gelegd was. Hij was zijn karakter getrouw gebleven.Drie weken later werd Carpena, wiens uitlevering door het Spaansche gouvernement verkregen was, naar zijn vaderland overgevoerd en daar tot levenslange galeistraf veroordeeld en naar de Marokkaansche kust, naar het presido van Ceuta, een der voornaamstestrafkoloniënvan Spanje, gezonden.„Eindelijk,” zei Piet Bathory, „is dan toch gerechtigheid geschied en is een dier ellendelingen in het bagno te recht gekomen en dat nog wel voor levenslang!”„Levenslang!.… Neen! waarachtig niet!” antwoordde dokter Antekirrt somber en ernstig.De jongman keek hem onthutst aan. Hij scheen hem niet te begrijpen en was op het punt inlichting te vragen.„Andreas Ferrato is in het bagno overleden!” ging de dokter met hoogst ernstige stem voort, „en daar moet een schurk als Carpena niet sterven! Zoo’n dood zou te eervol voor zulk een booswicht zijn! Vindt gij dat ook niet?”Piet Bathory knikte bevestigend. Hij keek den dokter met een ondervragenden blik aan.„Ja, zoo beschouwd, hebt gij gelijk,” antwoordde hij eindelijk. „Maar wat hebt gij dan anders voor?”Dokter Antekirrt antwoordde niet dadelijk. Het was of hij nadacht. Eindelijk sprak hij toch:„Geduld, Piet! Geduld!”EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.[228]

[Inhoud]XI.DE CASA INGLESE.Den volgenden dag, zoo omstreeks één uur in den namiddag, maakten dokter Antekirrt en Piet Bathory hunne toebereidselen, om van boord te gaan en aan hunne voornemens gevolg te geven.De barkas nam de passagiers op, maar alvorens daarin af te[202]dalen, beval de dokter kapitein Köstrik aan, goed te doen uitkijken naar de aankomst van deElectriek, die ieder oogenblik te wachten was, en droeg hem op, dat vaartuigonmiddellijknaar de wateren derFaraglioni, ook de rotsen van Polyphemus genaamd, te zenden. De scheepsgezagvoerder knikte ten teeken dat hij zijn patroon goed begrepen had.Wanneer het plan gelukte, wanneer Sarcany, of ten minste Zirone en Carpena gevangen genomen waren, dan moest dat snelle bootje hen dadelijk naar Antekirrta overbrengen, waar de dokter de verraders van Triëst en van Rovigno in zijne macht wilde hebben. Zoo waren de plannen, zoo zou moeten gehandeld worden.De barkas stak af. In weinige minuten had zij de trap van de kade van Catania bereikt.Dokter Antekirrt en Piet Bathory waren in het gewone reispak van bergbeklimmers gestoken, die genoopt zullen worden om eene temperatuur te trotseeren, die tot zeven graden onder het vriespunt kan dalen, terwijl zij op het strand nabij de oppervlakte der zee dertig daarboven teekent. Zij hadden een gids bij de afdeeling der Alpenclub op de Via Lincoln No. 17 besproken. Deze wachtte hen met paarden, die te Nicolosi door muildieren zouden vervangen worden, welke laatste dieren steviger op de beenen waren, daarbij als onvermoeibaar geroemd worden en bijgevolg de voorkeur, in zoo’n bergterrein als Sicilië is, verdienden.De stad Catania, welker breedte gering te noemen is in vergelijking met hare lengte, was spoedig doorsneden.Niets duidde den dokter aan, dat hij bespied of gevolgd werd. Hij en Piet Bathory begonnen, na den Belvedère-weg ingeslagen te hebben, te stijgen en dus den invloed te ondervinden van de eerste verheffingen van het Etnasche bergstelsel, waaraan de Sicilianen den naam van Mongobello-berg gegeven hebben en welker doorsnede niet minder dan vijf en twintig mijlen meet, hetgeen voor een voorgebergte nog al aanmerkelijk mag heeten.De weg was natuurlijk zeer geaccidenteerd en uiterst bochtig. Hij week somwijlen van de algemeene richtig af, omlavabeddingen, om basaltrotsen, welker versteening van voor millioenen jaren dagteekent, om droge ravijnen, die in het voorjaar in woeste bergstroomen herschapen worden, te mijden. Dat waren allen terreinhindernissen, die aangetroffen werden in een boschrijke streek, waarin de olijfboomen, de oranjeboomen en de esschen ruimschoots vertegenwoordigd waren, wier takken als met festoenen getooid werden, met slingerlooten van krachtige wingerds en andere klimplanten, die er zich om heen slingerden.Dat was de eerste der drie gordels, die de verschillende hoogten van den vulkaan omvatten, van dien smidsoven, zooals de vertaling[203]van het Phénisische woord Etna luidt, van dien „aardspijker en steunpilaar des hemels”, volgens de aardkundigen van een ander tijdvak, toen de wetenschap der aardkunde nog niet bestond.Na gedurende twee uren gestegen te zijn, konden dokter Antekirrt en zijn jeugdige metgezel Piet Bathory gedurende eene halte van weinige minuten, die meer voor de rijdieren dan voor de ruiters noodzakelijk was, de geheele stad Catania, die trotsche mededingster van Palermo, welke niet minder dan vijf en tachtig duizend inwoners telt, aan hunne voeten ontwaren. Eerst bespeurden zij de lijnen van hare voornaamste straten, die evenwijdig aan de kade liepen; dan de klokketorens en de overwelfde koepelverhevenheden harer honderd bedehuizen; verder de talrijke en schilderachtige kloosters, en eindelijk de huizen, die meerendeels in den trotschen bouwstijl der zeventiende eeuw opgetrokken waren. En dat alles was omgeven, ja omlijst door een band van groene boomen, zoo bevallig, dat weinig steden in Europa er op bogen kunnen zulk een gordel om het middel geslagen te hebben.Vervolgens, verder vooruit, ontwaarden zij de havenkom, welker natuurlijke dijken door den Etna zelven opgetrokken waren, nadat hij hem eerst gedeeltelijk gevuld had bij de schrikkelijke uitbarsting van 1669, die veertien steden en dorpen verwoestte en achttien duizend menschen deed omkomen, door over den omtrek meer dan een millioen kubieke meters lava, zand en vulkanische asch uit te storten en daardoor alles op de schrikkelijkste wijze te verwoesten.Overigens, als de Etna minder woelig in onze negentiende eeuw is, dan heeft hij waarachtig wel eenige aanspraak om tot rust te mogen komen. Men telt inderdaad meer dan dertig uitbarstingen sedert de invoering van het Christendom. Dat Sicilië bij die machtige natuurverschijnselen niet vernietigd is, moet als bewijs gelden dat hare grondvesten stevig zijn. Daarenboven dient opgemerkt te worden, dat de vulkaan zich geen permanenten krater gevormd heeft. Grillig als een jonge dame, verandert hij dienaangaande. De berg barst open, daar waar hij voor het oogenblik den minsten wederstand ondervindt en waar zich dus bij hem een dier vuurspuwende gezwellen vormt, waardoor dan al de lavabestanddeelen, die in zijne ingewanden koken en borrelen, een uitweg vinden. Vandaar het ontstaan van die groote hoeveelheid kleine vulkanen, de Monte Rossi genaamd, dubbelbergen, gevormd in drie maanden tijds door de uitgeworpen asch, zand, steenen en sintels, in 1669 op eene hoogte van honderd zeven en dertig meter, en wier krater aan bijtorentjes gelijk, die rondom den hoofdtoren van eene kathedraal gerangschikt staan, en Frumento, Sinoni, Stornello Crisinio genoemd worden, ongerekend die kraters die in 1809, 1811, 1819,[204]1838, 1852, 1865 en 1878 gevormd en welker trechtervormige bekken de flanken van den hoofdkegel uithollen als de cellen van een honigraat.Toen de toeristen het gehucht Belvedère doorgetrokken waren, sloeg de gids een pad in, om den weg van Travestiéri, dicht bij dien van Nicolosi te bereiken. Men was nog steeds in den eersten gordel van het bergstelsel, die bebouwd kan gerekend worden. Deze strekt zich tot het stedeke uit, dat wil zeggen tot eene hoogte van twee duizend honderd en twintig voeten, of ruim zeshonderd drie en zestig meters.Het was ongeveer vier uren in den namiddag, toen Nicolosi in het gezicht kwam, zonder dat de toeristen op den afstand van vijftien mijlen, welke zij, sedert zij Catania verlieten, afgelegd hadden, eenige kwade ontmoetingen, hetzij in den vorm van wilde zwijnen, hetzij in den vorm van wolven, hetzij in den vorm van bandieten of struikroovers ondervonden hadden.Maar zij hadden nog twintig kilometers te doorloopen, alvorens zij de Casa Inglese zouden bereiken.„Hoelang willen Uwe Excellentiën hier toeven?” vroeg de gids aan de reizigers.„Zoo kort mogelijk,” was het antwoord van dokter Antekirrt, kort afgemeten.„Maar hoe lang zal het duren?” was de wedervraag. „De heeren moeten mij verontschuldigen. Ik dien dat te weten.”„Ik wenschte dezen avond tegen negen uur op onze bestemming aangekomen te zijn.”„Dan blijft ons zeer weinig tijd over, heeren! Dan moeten wij voortmaken, en geen oogenblik verloren laten gaan.”„Gij moet beslissen. Wij zullen niet langer toeven, dan gij ons zult toestaan.”„Maar hoe lang verlangt Uwe Excellentie hier te blijven?” vroeg de gids.„Is veertig minuten te lang?” vroeg dokter Antekirrt, terwijl hij den Siciliaan aankeek.Deze dacht een oogenblik na. Hij scheen zich in een moeielijke berekening te verdiepen.„Veertig minuten? Dat kan,” zei hij eindelijk. „Maar, heeren, gelooft me, geen oogenblik langer.”Ja, het was Pescadospunt. (Bladz. 214.)Ja, het was Pescadospunt. (Bladz. 214.)Het was weinig, maar toch genoeg om een sober maal te gebruiken in een der beide herbergen van het stedeke. Toch moesten de reizigers erkennen, dat de spijzen zoo lekker toebereid waren, dat daardoor de hofmeesters-faam van den Siciliaansche gaarkeukens niet weinig verhoogd werd. Dat kan gerust ter eere gezegd worden van de drieduizend inwoners van Nicolosi, waaronder de bedelaars,[206]die er in menigte krioelen, gerekend moeten worden. Een reebout en vruchten als; druiven, oranje- en granaatappelen; en wijn van San Placido, een uiterst goed merk, dat in de omstreken van Catania gewonnen wordt. Waarlijk er zijn vele steden in Italië, die voor veel aanzienlijker dan Nicolosi doorgaan, en zich gekrenkt zouden gevoelen, daarmede vergeleken te worden, maar waar menige kastelein verlegen zoude staan, om zijne reizigers en overige gasten zoo goed te onthalen, als dat hier geschiedde op de hellingen van den Etna.Voor dat vijf uren geslagen waren,beklauterdendokter Antekirrt, Piet Bathory en de Cataniaansche gids, alle drie op muildieren gezeten, de tweede verdieping van het bergstelsel en bereikten den woudgordel. Die zone wordt zoo niet genoemd, omdat er werkelijk wouden zouden bestaan, of omdat er meer boomen dan elders aangetroffen zouden worden. O, neen, want de houthakkers hebben zich sedert eeuwen bevlijtigd en bevlijtigen zich hier even als elders, nog steeds, om de eeuwenoude en prachtige bosschen te vernielen, die weldra niet anders meer dan in de mythologische herinneringen zullen bestaan. Evenwel werden hier en daar bij wijze van boschjes of groepen, langs delavabeddingen, of op de hellingen der ravijnen en afgronden, beuken, eiken en een soort vijgeboomen, met bijna zwart loof aangetroffen; terwijl in hooger gelegen streeken, dennen, pijnboomen en berken ontwaard werden. Dat die waren blijven staan, was alleen daaraan te danken, dat zij in schier ontoegankelijke terreinen opgeschoten waren, waardoor het vervoer van het hout te moeilijk werd.De vulkanische asch, vermengd met eenige teelaarde, stelde een vruchtbaren bodem daar en strekte tot voedsel van machtige varenstoelen, van esschenkruid, van maluwstruiken, en werd overigens overdekt met een weelderig mostapijt.Tegen acht uren hadden dokter Antekirrt en Piet Bathory reeds eene hoogte van drie duizend voeten bereikt, waar ongeveer de grens op deze breedte van de eeuwigdurende sneeuw aangetroffen wordt. Die sneeuw is op de hellingen van de Etna in zulk eene ontzettende hoeveelheid voorradig, dat geheel Italië en Sicilië daarvan voorzien zouden kunnen worden. Dat was de gordel der zwarte lavabeddingen, der vulkanische asch, der slakken, der sintels, die zich langs eene breede spleet uitstrekt, die een elliptischen vorm aanneemt en de Valle de Bore geheeten wordt.De steile rotswanden van die spleet, welke van duizend tot drie duizend voeten hoog waren, moesten omgetrokken worden, terwijl men in de breuken en hellingen van die steengevaarten, gangen van graniet- en bazaltgesteente bespeuren kon, die door het vulkanisch vuur niet aangetast schenen.Vlak voor onze toeristen verhief zich de eigenlijke kegel van den[207]vulkaan, op welker hellingen zich eenige phanegoramische planten, hier en daar enkele plekken van groen vormden. Die centrale verheffing vormde op zich zelven een geheelen berg—Pelion op Gasa—en vertoonde op een hoogte van drie duizend drie honderd zestien meters boven de oppervlakte der zee een afgeronden top.De bodem trilde reeds merkbaar onder de voeten onzer reizigers. Onder de sneeuwlagen deden zich dreuningen gevoelen, die opgewekt werden door den plutonischen arbeid, welke dat geheele Etnasche bergstelsel voortdurend teistert. Eenige zwaveldampen, die door den wind van de rookpluim des kraters afgesleurd werden, sloegen tot bij den voet van den kegel neer, hetgeen het ademhalen soms bemoeielijkte; terwijl slakken, in vorm niet ongelijk aan gloeiende cokes, op het witte sneeuwveld neervielen, daarin sissend uitbluschten, een klein wit stoomwolkje vormend, maar daarbij een zwart spoor achterlieten.De luchtgesteldheid was toen zeer koud en daalde voorzeker eenige graden beneden het vriespunt, waardoor de ademhaling, ten gevolge van de meerdere ijlheid der lucht, zeer bemoeielijkt werd.Onze bergbeklimmers waren reeds genoodzaakt geweest zich dicht in hunne reismantels te wikkelen. Een scherpe bries streek over de berghelling, zweepte fijne sneeuwkristalletjes van den bodem op en deed ze met haren ijzigen adem in de ruimte dwarrelen en overal doordringen.Van deze hoogte kon men even beneden den grooten vuurmond, waaruit hooge vlammen opstegen, ja als uitgestooten werden, andere mindere kraters ontwaren, die niets anders waren dan smalle solfatara’s, eigenlijke brandende zwavelbronnen of diepe sombere putten, op welker bodem het vulkanische vuur, rood als bloed glinsterde, en waaruit een vuilgele rook, voorzeker niets anders dan zwavelig gas, uitgestooten werd.Steeds werd een dof onafgebroken gerommel vernomen, alsof een onderaardsche orkaan met afnemende en aanwakkerende krachten loeide, zooals een onmetelijke stoomketel zoude razen, wanneer zijn oververhitte damp de zekerheidskleppen deed wijken. Dat gerommel strekte volstrekt niet tot geruststelling.Toch was geene uitbarsting te voorzien en die inwendige woede vertolkte zich slechts door het geluid van den hoofdkrater en van de vulkanische gaten, die den hoofdkegel allerwege doorboorden.Dokter Antekirrt keek op zijn horloge. Het was toen negen uren des avonds.De hemel tintelde van het schitterende licht van duizenden sterren, die met te meer pracht fonkelden, naarmate de dichtheid van den dampkring op die hoogte minder was. De maansikkel was op[208]het punt om in het westen in de Eolische zee onder te gaan. Een zoodanige nacht, doorgebracht op een berg, die geen vulkaan was, zou een onvergelijkelijk verheven schouwspel opgeleverd hebben. Maar, behalve het angstverwekkende gesteun en geloei, door den vuurspuwenden berg veroorzaakt, hadden onze toeristen wel andere zaken in het brein, die hen ongetwijfeld ongevoelig voor die prachtige natuurtafereelen maakten.„Wij moeten dicht bij het doel onzer reis zijn,” zei dokter Antekirrt eindelijk.„Dat dunkt mij ook,” antwoordde Piet, na ook zijn horloge geraadpleegd te hebben.„Wel, gids?” vroeg de dokter, zich tot hunnen begeleider wendende, „wat dunkt u er van?”„Wat is er Excellentie?” vroeg de Siciliaan, als uit een droom ontwakende.Hij had de woordenwisseling van de beide reizigers niet gehoord. Wie weet, waarmede zijne gedachten zich bezig hielden.„Is het nog ver?”„Daar ginds is de Casa Inglese, heeren,” sprak hij, rondom zich ziende, om zich teoriënteeren.Hij wees op een muurvlak, hetwelk op een afstand ontwaard werd en waarin twee vensters en eene deur te bespeuren waren, die door de eigenaardige ligging ten opzichte der hemelstreken voor eene ophooping van sneeuw beveiligd waren gebleven. Dat gebouw lag op een vijftig passen afstand ter linkerzijde en op vier honderd acht en twintig meters beneden den top van den hoofdkegel. Het werd in 1811 door Engelsche officieren op een bergplat met lavabodem, Piano del Lago genaamd, gebouwd.Kort na het tijdstip, waarin dit verhaal speelt, werden de werkzaamheden ondernomen, om de Casa Inglese door de zorgen van het Italiaansche gouvernement en van den gemeenteraad van Catania, in een observatorium te herscheppen, hetgeen ter wille van de wetenschap reeds sedert lang had moeten geschied zijn.Want zij dekten zich achter de vele rotsblokken. (Bladz. 219.)Want zij dekten zich achter de vele rotsblokken. (Bladz. 219.)Dit huis, hetwelk ook de Casa Etnea genoemd werd, is langen tijd door den heer Gamelloso, broeder van den beroemden aardkundige van dien naam,onderhouden, maar was nu juist door de zorgen van de Alpen Club gerestaureerd geworden. Niet ver er van daan werden in de duisternis eenige bouwvallen bespeurd van Romeinschen oorsprong, waaraan men den naam van den „Toren der Wijsgeeren” gegeven heeft. Van dat punt, zoo verzekert de legende, zou Empedocles zich in den brandenden krater gestort hebben, hetgeen eene zonderlinge wijze is, om van zijne voorliefde voor de wijsbegeerte, dat moet men erkennen, te getuigen; tenzij men er toe overhelt de oorzaak van die daad te willen zoeken in de[210]acht dagen eenzaamheid, die de Grieksche wijsgeer in die schrikkelijke streken doorbracht, in welk geval zij begrijpelijk wordt, maar haar dan als de daad eens krankzinnigen moet doen aanmerken.Middelerwijl hadden dokter Antekirrt, Piet Bathory en de gids zich naar de Casa Inglese begeven. Daar aangekomen, klopten zij aan de deur, die onmiddellijk opengedaan werd.In het daaropvolgend oogenblik bevonden zij zich te midden hunner manschappen.Die Casa Inglese bestond alleen uit drie vertrekken, welke slechts een spaarzaam ameublement, namelijk: eene tafel, ettelijke stoelen en eenig keukengereedschap, bevatten. Maar dat was voldoende, om den bergbeklimmers van den Etna, na eene hoogte van twee duizend acht honderd en vijf en tachtig meters, of ruim negen duizend twee honderd voeten bereikt te hebben, eenige rust te laten genieten.Tot dat oogenblik had Luigi Ferrato, uit vrees dat de tegenwoordigheid van zijn klein detachement verraden, of zelfs maar gegist zou kunnen worden, geen vuur laten aanleggen, hoewel de koude zich geducht deed gevoelen. Maar thans was het niet meer noodig dien voorzorgsmaatregel te betrachten, daar Zirone wist dat dokter Antekirrt en Piet Bathory den nacht in de Casa Inglese zouden doorbrengen. Men stookte den haard dan ook met hout, dat in voorraad in de nabijheid van het gebouw gevonden werd, flink op. Weldra knetterden de vlammen, welke de ontbrekende warmte en lucht spoedig herstelden.Intusschen riep dokter Antekirrt Luigi Ferrato ter zijde en vroeg hem:„Heeft zich niets meldenswaardigs sedert uwe aankomst alhier voorgedaan?”„Neen,” antwoordde Luigi, „maar.…”„Ga voort. Maar wat?”„Ik geloof niet, dat onze tegenwoordigheid zoo geheim is gebleven, als wel gewenscht is.”„Niet geheim? Dat zou zeer jammer zijn,” antwoordde dokter Antekirrt niet zonder bezorgdheid.„Neen, zij is niet geheim gebleven,” herhaalde Luigi Ferrato.„Waaruit maakt gij dat op?.… Spreek!.… Misschien vergist gij u wel.”„Ik maak het daaruit op, dat wij sedert ons vertrek van Catania, als ik mij niet bedrieg, door een man gevolgd zijn geworden, die verdwenen is, een poos voordat wij den voet van den vulkaankegel bereikt hebben.”„Dat is inderdaad betreurenswaardig, Luigi,” antwoordde dokter Antekirrt nog meer ernstig.[211]„Dat meen ik ook, heer dokter.… Maar, zeg mij, wat was er aan te doen? Volgens mij niets.”„Daarin hebt gij gelijk; maar dat zou Zirone den lust benemen kunnen, om mij te komen overvallen, vindt gij niet?”„Voorzeker. Dat is de gedachte, die ook bij mij opgekomen is. De kerel is er laf genoeg toe.”„En hebt gij sedert de avond gevallen is, niemand in den omtrek der Casa Inglese zien ronddoolen?”„Niemand, heer dokter.”„Hebt gij u daarvan overtuigd, bijvoorbeeld door de omstreken voorzichtig te doorzoeken?”„Ja, heer dokter. Ik heb de voorzorg zelfs genomen, om in persoon de bouwvallen van den „Toren der Wijsgeeren” te verkennen en te onderzoeken.”„En?”„Zij waren ledig. Ik heb er niemand aangetroffen. De geheele omtrek is eenzaam en verlaten.”„Wij zullen moeten afwachten, Luigi. Er valt niets anders te doen. Dunkt u ook niet?”„Ja, heer dokter,” antwoordde de jonge zeeman. „Wij kunnen niets anders doen, dan bedaard wachten.”„Maar laat een man op uitkijk voor de deur staan. Een schrandere kerel, hoor.”„Goed, heer dokter. Ik zal een mijner beste manschappen op post uitzetten.”„De nacht is helder, niet waar? En het uitzicht onbelemmerd?” vroeg dokter Antekirrt.„Ja, men kan op eenigen afstand zien. De maan is reeds boven den gezichteinder.”„Het is zaak, Luigi, dat wij niet overvallen worden. Dat zou de grootste rampen na zich sleepen.”„Zeer juist gezien, heer dokter. Een overval zou ons allen het leven kosten, inderdaad.”De jeugdige zeeman ging naar buiten, om de bevelen des dokters ten uitvoer te leggen. Daarna ging hij op een houten bankje voor den haard zitten; terwijl zijne manschappen zich rondom hem op ettelijke bosschen stroo uitstrekten. Waarlijk, het was alsof eene bende bandieten thans de Casa Inglese in bezit genomen hadden.Kaap Matifou was intusschen den dokter genaderd en keek hem aan zonder te durven spreken. Maar het was niet moeielijk te begrijpen, wat hem verontrustte.„Gij wilt weten, wat er van Pescadospunt geworden is?” vroeg dokter Antekirrt.[212]De reus knikte bevestigend. Woordenrijk was hij nimmer geweest. Maar in dat oogenblik vooral niet.„Geduld!.… Kaap Matifou. Geduld!.…” maande dokter Antekirrt. „Geduld, mijn vriend!”De Hercules grinnikte; maar op zijn gelaat was te lezen, dat hij wel wat meer gehoopt had.„Hij zal wel spoedig terugkomen.… hoewel hij op dit oogenblik een partij speelt, die hem kan doen hangen.…”„Aan onzen hals?” vulde Piet aan, die het groote kind niet verontrusten wilde over het lot van zijn makker.„Zoooo!” sprak Kaap Matifou met een zucht en een glimlach. Hij scheen het niet begrepen te hebben.Inmiddels verstreek een uur, zonder dat iets de eenzaamheid stoorde, die rondom den centralen bergkegel van den Etna heerschte. Geen enkele schaduw had zich op de sneeuw der helling, die de Plano del Lago omgaf, vertoond. Dat verwekte eene soort van ongeduld en zelfs van onrust, die de dokter en Piet niet bedwingen konden.Wanneer Zirone bij toeval gewaarschuwd was, omtrent de aanwezigheid van het kleine detachement, dan zou hij het nooit wagen durven, om de Casa Inglese aan te vallen. Dan ware alle moeite te vergeefs geweest en kon de geheele onderneming als mislukt beschouwd worden. En toch moest men dien Sarcany zien in handen te krijgen, of bij gebreke van hem zijnen medeplichtige, dien Zirone, om hem zijne geheimen te ontweldigen!Weinige minuten voor tien uren, werd de knal van een geweerschot, dat—zooals men meende—op een halve mijl beneden de Casa Inglese gelost was, vernomen.Allen sprongen op, vlogen naar buiten, keken scherp uit, maar ontwaarden niets, wat hen verdacht voorkwam.„Het was toch een geweerschot?” vroeg Piet Bathory. „Ik heb toch goed gehoord?”„Ja, zeker,” antwoordden verscheidene stemmen. „Ongetwijfeld, het was een geweerschot.”„Wellicht een jager, die hier of daar in het gebergte verdekt op den loer ligt, om een arend of een wild zwijn te schieten,” zei Luigi Ferrato. „Dat zal het zijn.”„Laten wij weer naar binnen gaan,” zei Piet Bathory, blijkbaar zeer teleurgesteld.„Ja, laten wij weer naar binnen gaan,” beaamde de dokter. „Wij moeten vooral vermijden, dat wij gezien worden.”Allen traden binnen. De deur werd zorgvuldig gesloten. Het was toch zeer koud.Maar tien minuten later volgde hen de zeeman, die buiten uitkeek, met versnelden pas.[213]„Gauw, gauw!” riep hij. „Ik heb.…”„Wat?” vroeg Luigi.„Ik heb iemand.…”„Verscheidene mannen?.…”vroeg Piet Bathory. „Kom spreek!”„Neen, neen, niet verscheidene.… Slechts een enkele.”De dokter,Piet, Luigi en Kaap Matifou vlogennaar dedeur; maar zorgden daarbij in de schaduw te blijven.En, inderdaad, een man beklom vlug als een gems, de lavabedding, die de helling van het bergvlak uitmaakte waarop de Casa Inglese stond. Hij was geheel alleen en na weinige sprongen lag hij in de armen, die zich voor hem openden, in die van Kaap Matifou.„Ik heb hem!” riep deze. „Ja, ik heb mijn Pescadospunt!.… Ik heb mijn dierbaren vriend!”Ja, het was Pescadospunt.„Gauw, gauw, achter de muren gedekt, heer dokter!” riep hij, terwijl hij de anderen met zich naar binnentrok.In een ondeelbaaroogenblikwaren allen de Casa Inglese weer binnengestormd, waarvan de deur dadelijk zorgvuldig gesloten en de grootste stilte in acht genomen werd.„Wat is er?” vroeg Piet fluisterend, terwijl hij hem bij een arm greep.„En Zirone?” vroeg de dokter, die den anderen arm vatte. „Wat is van hem geworden?”„Hij komt! heer dokter.… shut!.… Hij komt!.…”„Hebt gij hem kunnen verlaten? Drommels, dat was een gevaarlijk stuk.”„Ja!.… om u te waarschuwen!.… Weinigeoogenblikkengeleden was ik nog bij hem.”„Hij komt dus?.… Dat is boven allen twijfel, niet waar, Pescadospunt?”„Voorzeker!.…”„Wanneer?”„Binnen twintig minuten zal hij hier zijn! Zoolang zal het wellicht niet eens duren, denk ik.”„Des te beter!” sprak dokter Antekirrt, terwijl hij zich vergenoegd de handen wreef.„Neen! des te slechter!” sprak Pescadospunt op hoogst ernstigen toon.„Wat bedoelt ge?”„Ik weet niet hoe en door wien hij gewaarschuwd is,” antwoordde Pescadospunt, „hij weet, dat gij hier voorafgegaan zijt door een twaalftal manschappen!.…”„Ongetwijfeld door dien bergbewoner, die ons bespied heeft,” zei Luigi Ferratoontsteld.[214]„Hoe het ook zij.… en onverschillig door wien ook ingelicht,” antwoordde Pescadospunt, „maar hij weet het!”„En verder? Ga toch voort!.… er is haast; want de te nemen maatregelen hangen er van af.”„Hij heeft begrepen, dat gij hem een strik spant,” gingPescadospuntverder.„Dat is minder!” meende dokter Antekirrt.„Ja, maar.…”„Laat hem maar komen!” riep Piet Bathory uitdagend uit en hief daarbij de vuist op.„Hij zal komen! mijnheer Piet,” zei Pescadospunt, „wees daarvan verzekerd!”„Goed zoo!”„Maar bij de twaalf nieuw aangeworven manschappen, die hij van Malta meebracht, heeft hij nog de rest van zijne bende gevoegd, die heden ochtend te Sante Grotta weergekeerd is.”„Duivels!” zei Luigi. „Dat verandert de zaak aanmerkelijk. Twaalf en.…”„Doet niets!” riep Piet Bathory uit. „Doet altemaal niets! Laat ze maar komen!”„En hoeveel zijn die bandieten te zamen gerekend?” vroeg dokter Antekirrt.„Ongeveer vijftig!”antwoordde Pescadospunt. „Eerder meer, dan minder, heer dokter.”„Duivels!” herhaalde Luigi, en monsterde met de oogen zijne manschappen.„Wat geeft dat?” vroeg Piet minachtend.Dat laatste was zeer luchtig uitgesproken; maar men kon het zich niet ontveinzen, de toestand van den dokter met zijn kleinen hoop, die slechts uit elf zeelieden bestond, waarbij hij gerekend moest worden en Luigi Ferrato, en Piet Bathory, en Kaap Matifou, en Pescadospunt. Zestien man in het geheel tegen vijftig! Voorwaar, dat was netelig. In ieder geval moest er een besluit genomen worden en spoedig ook; want de aanval, die verwacht werd, kon ieder oogenblik geschieden. Talmen was hier niet geoorloofd. Een ieder moest stipt weten, wat hem te doen stond. Evenwel alvorens te beslissen, wenschte dokter Antekirrt van Pescadospunt alles te vernemen, wat voorgevallen was, en ziehier, wat hij te weten kreeg:Dat was Kaap Matifou, die basaltrotsen voortrolde. (Bladz. 222.)Dat was Kaap Matifou, die basaltrotsen voortrolde.(Bladz. 222.)Zirone was dienzelfden ochtend van Catania weergekeerd. Hij had daar den nacht doorgebracht en hij was het, dien de dokter in de tuinen van de villa Bellini had zien rondslenteren en bespieden. Toen hij in het moordhol van Santa Grotta weergekeerd was, vond hij daar een bergbewoner, die hem het bericht bracht, dat een[216]twaalftal manschappen, die uit verschillende richtingen aangekomen waren, de Casa Inglese bezet hadden.Voor Zirone was waarlijk niet meer noodig om den toestand te begrijpen. Hij was het niet, die dokter Antekirrt in een valstrik lokte; maar het was die man, waarvoor men hem gewaarschuwd had, voor wien hij zich te wachten had, welke er hem een spande. Dat was volgens hem duidelijk genoeg en aan geen twijfel meer onderhevig. Pescadospunt drong er evenwel op aan, dat Zirone de Casa Inglese zou aantasten. Hij verzekerde hem dat, al was het bericht, hetwelk hij ontvangen had, ook al juist, zijne Maltezers spoedig met het troepje van den dokter klaar zouden komen. Maar Zirone bleef besluiteloos, omtrent hetgeen hem te doen stond. Zelfs begon hem de aandrang, die Pescadospunt thans trachtte uit te oefenen, zonderling voor te komen, en zelfs zoo, dat hij bevelen gaf om dezen laatste in het geheim, maar toch nauwlettend gade te slaan. Onze grappenmaker bespeurde dat evenwel al heel spoedig. Hij was waarlijk te schrander, om niet te bemerken, dat hij te ver gegaan was, dat de toestand zich gewijzigd had.Om kort te gaan, Zirone zou waarschijnlijk bij zulke onzekere kansen er van af gezien hebben, om te trachten dokter Antekirrt in handen te krijgen, wanneer zijne bende zich niet zoo omstreeks drie uren in den namiddag bij hem vervoegd had. Toen met eene macht van ruim vijftig manschappen onder zijne bevelen, aarzelde hij niet meer. Hij verliet de herberg La Santa Grotta met zijn geheele troep en richtte zijne schreden naar de Casa Inglese; maar hield zich daarbij ver van de gebaande wegen en trok de wildernis door.Hij wachtte dus totdat de bende van Zirone in het gezicht van de Casa Inglese, welker juiste ligging hij niet kende, gekomen was.Het licht dat door de vensterluiken scheen, veroorloofde hem eindelijk om haar te ontwaren, zoo omstreeks half tien in den avond, op minder dan twee mijlen afstands op de helling van den kegelberg. Pescadospunt sprong toen in de richting vooruit. Zirone zond hem eengeweerschotachterna, hetzelfde dat in de Casa Inglese waargenomen werd, maar wat hem niet trof. Met zijne clownsvlugheid was hij weldra buiten bereik, en ziedaar, hoe hij in de Casa Inglese aangekomen was, terwijl hij den aanvallenden troep van Zirone slechts twintig minuten vooruit was.Toen hij zijn verhaal geëindigd had, bedankte de dokter met een innigen handdruk den koenen en schranderen kerel, over hetgeen hij ten uitvoer gelegd had. En dat hij dien dank ten volle verdiend had, begrepen alle aanwezigen.Daarna besprak men hetgeen gedaan moest worden. De toestand was thans ernstig genoeg.De CasaIngleseverlaten en te midden van den nacht den terugtocht[217]ondernemen langs de hellingen van dat woeste bergstelsel, waarvan Zirone en zijne lieden al de paden, al de schuilhoeken, al de moeielijke doorgangen kenden, daaraan viel niet te denken. Dat zou zich aan eene totale vernietiging blootstellen zijn. Het zou honderd malen beter zijn, in dat huis den dag af te wachten, zich daarin te verschansen, en er zich als in een blokhuis te verdedigen, wanneermenmocht aangevallen worden.Als de dag aangebroken zoude zijn en de gelegenheid zich zoude voordoen om af te kunnen trekken, dan zou men het ten minste in het volle licht doen en men zou zich niet blindelings te midden der afgronden, der solfatara’s en der fumarola’s op die scherpe hellingen begeven, die bij het nachtelijke duister slechts de gevaren vermeerderden en de kansen tot verdwalen verdriedubbelden.Men zou dus blijven en weerstand bieden, dat was het genomen besluit. En daaraan hield men zich.De verdedigingsvoorbereidingen werden dadelijk getroffen en onmiddellijk ten uitvoer gelegd.Eerst werden de beide vensterluiken van de Casa Inglese gesloten en de blinden daarvan binnen behoorlijk bevestigd. Als schietgaten werden de openingen benuttigd, welke tusschen de dakregels, bij hunne steunpunten op den voorgevel van het gebouw, gevormd werden. Daartoe eigenden zich die voortreffelijk en hadden het voordeel niet in het oog te vallen.Ieder man was voorzien van een achterlaadgeweer en had een twintigtal patronen in een daarvoor bestemden zak in voorraad. Dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato waren daarenboven in het bezit van revolverpistolen en konden hulp verleenen, waar die noodig zoude zijn. Daartoe zouden zij zich echter evenwel in de onmiddellijke nabijheid der strijdenden ophouden.Kaap Matifou had slechts zijne armen ter zijner beschikking en Pescadospunt slechts zijne handen. Wellicht waren zij niet het slechtste gewapend! Want met die armen en handen wisten die kerels voorbeeldeloos om te gaan.Ongeveer veertig minuten gingen in spanning voorbij, zonder dat er eene poging van aanval vernomen was.Zou Zirone, die begreep, dat dokter Antekirrt, door Pescadospunt verwittigd, zich niet zou laten overvallen, van zijne aanvalsplannen afgezien hebben?Evenwel met vijftig manschappen onder zijne bevelen, met zijne kennis van het omliggend terrein, kon van aarzelen geen sprake zijn. Te veel voordeelen waren aan zijn kant, om de onderneming op te geven. Daarbij de gedachte aan de millioenen van den dokter belette hem een geregeld nadenken.[218]Tegen elf uren ongeveer stoof de zeeman, die buiten op schildwacht stond, plotseling naar binnen.Een troep mannen naderde, terwijl zij zich in drie gedeelten verspreidden, met het doel om deCasaInglese langs de drie genaakbare zijden te omsingelen. De vierde was geheel ongenaakbaar, daar zij tegen de zeer steile hellingen van den krater steunde en derhalve langs dien kant eene ontsnapping onmogelijk was.Toen de beweging van den vijandelijken troep verkend was door de verdedigers, ging men weer naar binnen, en barricadeerde men behoorlijk de deur. Daarna begaf een ieder zich op zijn post achter de schietgaten, en bekwam de noodzakelijke aanbeveling: niet te vuren, dan bij voldoende zekerheid te zullen treffen. Er mocht geene munitie verspild worden!Zirone en zijne bende naderden inmiddels voortdurend, maar langzaam en niet zonder eene zekere mate van voorzichtigheid te betrachten; want zij dekten zich achter de vele rotsblokken, die over het terrein verspreid lagen. Zoo trachtten zij den nok van de Plano del Lago te bereiken. Bij den rand van dien nok lagen verbazend groote trachiet- en bazaltblokken opgestapeld, waarschijnlijk met het doel om de Casa Inglese tegen eene afschuiving van sneeuw gedurende de winterstormen te beveiligen. Die blokken boden den naderenden een uitmuntende dekking aan.Wanneer de aanvallers dien nok zouden bereikt hebben, dan zouden zij nagenoeg onder de vuurlijn van de verdedigers aangekomen zijn, en eene bestorming van het huis kunnen wagen. Zij zouden dan de deur openloopen of een der vensterramen kunnen openbreken en door hun groot getal in staat zijn, de hand op den dokter en op allen, die bij hem waren, te leggen.Plotseling knalde een geweerschot. Een licht wolkje van kruitdamp krulde langs een der schietgaten naar het dak omhoog. Een der aanvallers viel doodelijk getroffen neer. De aanrukkende bende vlood eenige passen achteruit en dook achter de beschermende rotsblokken neer. Dat was het eerste slachtoffer, hetwelk gevallen was.Maar langzamerhand slaagde Zirone er in, door van de terreinplooien behendig gebruik te maken, zijne manschappen meer vooruit te brengen, en hen zelfs tot aan den voet der helling van de Plano del Lago te geleiden.Dat geschiedde evenwel niet zonder dat alweer een twaalftal geweerschoten losgebrand waren, die den gevel van de Casa Inglese verlicht hadden en waardoor weer twee der aanvallers op het sneeuw veld uitgestrekt waren geworden.Toen stiet Zirone een gil uit, die tot sein moest dienen voor eene algemeene bestorming. Hoewel de voorwaartsche beweging alweer ten koste van verscheidene gewonden geschiedde, vloog toch de[219]geheele bende op de Casa Inglese aan. De deur werd door verscheiden kogels doorboord, waardoor binnen het huis twee matrozen ernstig genoeg gekwetst werden, om buiten gevecht gesteld te zijn. Dat was bij het kleine getal der verdedigers ernstig genoeg. De strijdkrachten stonden toch al zoo ongelijk!Toen ontspon zich eene levendige schermutseling. Met hunne pieken en met hunne bijlen slaagden de aanvallers er aanvankelijk in, om de deur en een der vensterblinden ter verbrijzelen. De verdedigers waren toen genoodzaakt een uitval te ondernemen, om de aanvallers te verdrijven. Dat geschiedde te midden van een vrij hevig geweervuur, hetwelk van weerszijden ijverig onderhouden werd. Luigi’s hoed werd door een kogel doorboord en Piet Bathory zou zonder de tusschenkomst van Kaap Matifou, door een lansstoot gewond of gedood zijn, welke een der bandieten hem toebracht. Maar onze Hercules was er ook, en.… met denzelfden piek, dien hij den aanvaller met krachtige vuist ontwrong, velde hij hem met een slag op het hoofd ter neder. Dat was een meesterslag geweest!Kaap Matifou was gedurende den uitval vreeselijk. Hoewel meer dan twintig malen op hem gemikt werd, trof hem toch geen enkele kogel. Wanneer Zirone de overwinning zou behalen, dan was zijn vriend, dan was Pescadospunt bijvoorbaatveroordeeld, en die gedachte verdubbelde de woede van den reus. Hij verrichtte dan ook wonderen.Bij zoo’n hardnekkigen weerstand waren de aanvallers verplicht zich andermaal terug te trekken.De dokter en zijne lotgenooten konden dus binnen de Casa Inglese weerkeeren en zich rekenschap van den toestand geven. Die was, dat moest erkend worden, in het geheel niet opbeurend. Men verloor evenwel den moed niet.„Hoeveel gekwetsten hebben wij?” vroeg dokter Antekirrt aan Piet Bathory en Luigi Ferrato.„Drie,” was het antwoord. „Maar zij zijn vrij ernstig gewond. Ik vrees voor hen.”„Hoe is het met den toestand der munitie? Dat is een voorname quaestie. Er is nog al geschoten!”Luigi onderzocht dat dadelijk. Hij liet zich de patroonzakken door zijne manschappen vertoonen.„De meeste hebben nog slechts tien, enkele twaalf patronen,” antwoordde hij.„En hoe laat is het?”„Ternauwernood middernacht.”Dus nog vier lange uren, alvorens de dag zoude aanbreken. Het werd noodzakelijk, om nog spaarzamer met de munitie om te gaan, ten einde niet ontbloot te zijn, om den aftocht te kunnen[220]dekken, die bij het aanbreken van den dag ondernomen moest worden. Waarlijk, de toestand was verre van rooskleurig. Dat zag ieder der verdedigers volkomen in.Maar als er niet geschoten mocht worden, hoe dan de nadering der aanvallers te beletten? Hoe dan de overrompeling van de Casa Inglese tegen te gaan, wanneer Zirone en zijne bende den stormaanval hervatten? En die zou niet uitblijven!Neen! die zou niet uitblijven; want nadat de bandieten een kwartieruur rust genoten en hunne gekwetsten, achterwaarts gebracht achter een lavabedding, als achter eene verschansing, in veiligheid gesteld hadden, stoven zij weer voorwaarts.Toen, verwoed, en eigenlijk tot razernij vervoerd door den hardnekkigen tegenstand, en vooral door het gezicht van de gesneuvelde en gewonde makkers, beklommen zij de lavabedding, daarna ook de tusschenruimte, die deze van den basaltwal scheidde en verschenen toen aan den nokrand van het bergplat, waarop de Casa Inglese gelegen was. De toestand werd al hachelijker en hachelijker.Geen enkel geweerschot werd op hen gelost, terwijl zij dien afstand aflegden. Zirone besloot daaruit en, zooals wij weten niet zonder reden, dat het den belegerden aan munitie begon te ontbreken. Dat verlevendigde de hoop.Toen wekte hij zijne bende op en bracht haar in vervoering. Het denkbeeld om zich van iemand meester te maken die meer dan honderdmaal millionnair was, was wel geschikt, dat zal de lezer moeten toestemmen, om die schurken van de slechtste soort op te winden. Dat gebeurde dan ook.Hunne geestdrift was zelfs zoodanig, dat zij ditmaal de deur en het venster bemachtigden en zeer zeker het huis stormenderhand genomen zouden hebben, wanneer niet een nieuwe losbranding, thans van zeer nabij afgegeven, er vijf of zes van hen gedood en de overigen teruggedreven had. Zij moesten nogmaals tot aan den voet van de helling van het bergplat terugdeinzen, evenwel niet zonder dat andermaal twee zeelieden gekwetst en buiten gevecht gesteld waren. Het kleine heldentroepje der verdedigers slonk al meer en meer, maar ook de munitie was al weer verminderd.Vier of vijf schoten, dat was alles, wat den verdedigers van de Casa Inglese thans nog overbleef. Onder die omstandigheden werd de aftocht zelfs bij klaarlichten dag bijna onmogelijk. De verdedigers gevoelden dan ook, dat zij onherroepelijk verloren waren, wanneer er geen hulp opdaagde. Dat was voor allen duidelijk.Maar vanwaar zou die hulp komen? Ziet, dat was de vraag, die thans aller brein bezig hield.In dien vuurput smeet hij Zirone neder. (Bladz. 225.)In dien vuurput smeet hij Zirone neder. (Bladz. 225.)Men kon er ongelukkig niet op rekenen, dat Zirone en zijne makkers den aanslag zouden opgeven. Zij waren zeker nog wel[222]veertig in getal, die gezond en goed gewapend waren. Zij wisten, dat men hunne geweerschoten weldra niet meer zou kunnen beantwoorden en daarom herhaalden zij den aanval.Maar.… ziet.…Plotseling rolden kolossale rotsblokken langs de helling van het bergplat naar beneden en verpletterden twee of drie der aanvallende bandieten, alvorens zij zich uit de voeten hadden kunnen maken.Dat was Paap Matifou, die naar buiten geloopen was, en basaltrotsen voortrolde, om die van den nok van de Plano del Lago naar beneden te laten tuimelen. Hij had alle succes van zijn waarlijk practisch middel.Maar dat verdedigingsmiddel was op verre na niet voldoende. Daarenboven, het was te voorzien, dat het weldra uitgeput zou raken; men zou dus moeten bezwijken, of alles in het werk stellen, om van buiten af hulp te erlangen. Van buiten af?.… Ja.… maar hoe?.…Toen kreeg Pescadospunt een inval, dien hij aan niemand wilde mededeelen, vooral niet aan dokter Antekirrt, omdat die wellicht zich tegen de uitvoering verzet zoude hebben. Maar hij deelde zijn plan toen aan Kaap Matifou mede. Ziehier, wat daarvan de slotsom was. De reus luisterde aandachtig.Hij had uit de gesprekken, die in de kroeg van Santa Grotta gehouden waren, vernomen dat een detachement Maréchaussées zich te Casona bevond. Om zich naarCasonate begeven, was slechts een uur tijd noodig en evenveel om terug te komen. Zou het nu geheel onmogelijk zijn, om dat detachement te gaan waarschuwen? Onmogelijk?.… Dat was een raar woord in den mond van Pescadospunt, aan welks bestaan hij zelfs niet geloofde. Maar.… hier was eene voorwaarde te vervullen. Hier moest door de gelederen der belegerende bende gebroken worden, om daarna de westelijke hellingen van het bergstelsel te kunnen bereiken. Anders kon het niet.„Het is noodig, dat ik tusschen hen door kom.…” zei Pescadospunt tot zijn vriend.Deze knikte toestemmend met zijn overgroot hoofd. Ja, dat begreep hij duidelijk.„Dus ik zal doorkomen!” zei Pescadospunt op stellig bevestigenden toon.Dat „dus” was subliem van eenvoud. Kaap Matifou grinnikte van de pret en wreef zich de handen.„Wat duivel!” ging Pescadospunt voort, „men is clown of men is het niet! Is dat zoo niet?”„Daartegen valt niets in te brengen,” zei de reus, die zelden zoo veel sprak.[223]„Luister” sprak Pescadospunt, terwijl hij zijn vriend naar zich toe trok. „Luister!”En nu deelde hij aan Kaap Matifou fluisterend het middel mede, hetwelk hij dacht te bezigen, om hulp te gaan halen.„Maar,.…”meende Kaap Matifou, „gij waagt.… uw leven … Gij waagt alles!”„Dat weet ik wel,” antwoordde Pescadospunt, „maar die waagt, die wint.”„Jawel.… maar.…”„Zwijg maar, ik wil het zoo.”Dat was een waar stopwoord.Pescadospunt weerstreven, dat zou Kaap Matifou nimmer gedurfd hebben!Beiden begaven zich toen naar de westelijke zijde van de Casa Inglese, naar eene plaats, waar een groote voorraad sneeuw door den wind opgehoopt lag.Tien minuten later kwam, terwijl de strijd van weerszijden hardnekkig voortgezet werd, Kaap Matifou weer te voorschijn en rolde een overgrooten sneeuwbal voor zich uit. Toen dreef hij tusschen de rotsblokken, welke de zeelieden steeds op de aanvallers stortten, dien bal, die langs de helling afrolde en tusschen de bende van Zirone doorgleed en op vijftig passen daarachter in de diepte van een kleine terreinplooi bleef liggen.Daar opende zich den sneeuwbal, die door den schok half verbrijzeld was en verleende doortocht aan een klein vlug wezen, dat een weinig slim was, zooals het van zich zelven getuigde.Dat was Pescadospunt! Ja, dat was onze wakkere clown; en dat was het middel, hetwelk hij uitgedacht en ten uitvoer gebracht had.Opgesloten onder eene laag verharde sneeuw als in eene eierschaal, had hij den moed bezeten, zich langs de helling van het talud te laten afrollen, op gevaar van in een afgrond terecht te komen. En nadat hij van die sneeuwlaag bevrijd was, vloog hij langs de zijpaden, die door het bergstelsel kruisten en richtte zich naar den kant van Casona.Het was toen ongeveer één uur na middernacht. Er was dus inderdaad geen tijd te verliezen.Dokter Antekirrt, die op een gegeven oogenblik Pescadospunt miste, riep hem, daar hij meende, dat hij gekwetst was. „Waar die kleine man toch mocht zijn?” vroeg hij zich af.„Pescadospunt!.… Pescadospunt.…” riep hij.„Weg!” zei Kaap Matifou, zoolaconiekmogelijk. „Weg!.… en voor goed ook!”„Weg?” vroeg dokter Antekirrt.„Ja,” knikte de reus.[224]„Waarheen?”„Hulp halen!”„Hulp halen, Kaap Matifou?.… Maar hoe?”„Als een bal.”„Als een bal? Zijt gij krankzinnig geworden?” vroeg dokter Antekirrt verstoord.„Ja! als een bal!” zeiKaapMatifou trotsch, terwijl hij de armen over elkander bewoog om eene wentelende beweging na te bootsen.En hij verhaalde toen zoo duidelijk hem slechts mogelijk was, wat Pescadospunt uitgevoerd had.„Brave kerel!” riep de dokter inderdaad in vervoering uit. „Brave kerel!”En zich tot zijne manschappen wendende:„Moed gehouden, vrienden!” zei hij. „Moed!.… Die bandieten zullen ons niet gevangen nemen!”En men ging voort met rotsblokken op de aanvallers te storten. Maar ook aan dat verdedigingsmiddel kwam weldra gebrek. De geheele voorraad was bijna opgeruimd.Tegen drie uren des morgens waren dokter Antekirrt, Piet Bathory, Luigi Ferrato, Kaap Matifou en de overige manschappen genoodzaakt, terwijl zij hunne gewonden medevoerden, het huis te ontruimen, dat Zirone toen in handen viel. Twintig zijner bandieten waren gedurende den strijd gedood en toch had hij de getalsterkte nog aan zijne zijde. De kleine troep kon dan ook niet anders den aftocht bewerkstelligen dan door langs de hellingen van den centraalkegel op te klauteren, langs die opeenhooping van lavabrokstukken, van sintelslakken en asch, welker top den krater vormde, dat wil zeggen van dien vuurkolk.Allen zochten evenwel eene toevlucht op die hellingen; terwijl zij hunne gewonden medevoerden. Van de driehonderd meters, die de helling van dien sintelkegel meet, doorliepen zij te midden van zwaveldampen, die de wind naar hen toedreef, twee honderd en vijftig meters.De dag begon toen aan te breken en reeds werden in de verte de nokken van het Calabrische gebergte ten oosten van de Straat van Messina gelegen, als met goud getooid.Maar in den toestand, waarin dokter Antekirrt en de zijnen zich bevonden, bood het daglicht zelfs geen kans tot redding aan. Zij moesten steeds terugwijken, de hellingen opklauteren en de laatste patronen verschieten; terwijl Kaap Matifou met menschelijke kracht de laatste rotsblokken voortslingerde.Zij moesten zich dus verloren achten, toeneensklapseen aantal geweerschoten aan den voet van den kegel vernomen werden, gepaard aan woest geschreeuw.[225]Een oogenblik van aarzeling, van weifelmoedigheid openbaarde zich in den bandietentroep. Maar weldra stoof hij uiteen en liet ieder hunner zich langs de hellingen van den berg, zoo snel hij maar kon, afglijden. Zij hadden de maréchaussées herkend, die van Casona, met Pescadospunt aan hun hoofd, opgerukt waren.De stoutmoedige kerel had zelfs niet noodig gehad tot dat dorp door te loopen. De maréchaussées hadden eindelijk de geweerschoten gehoord en bevonden zich reeds op weg. Pescadospunt kwam inderdaad goed van pas, om hen naar de Casa Inglese te geleiden. Geen oogenblik mocht verloren gaan.Toen hernamen de dokter en zijne makkers het offensieve. Kaap Matifou stormde, alsof hij zelf een rotsmassa was, op de meest nabij zijnde boeven, velde er twee van neder, die den tijd niet gehad hadden, om te ontvluchten en stortte zich op Zirone.„Bravo Kaap van mijn hart! Bravo!” riep Pescadospunt, terwijl hij naar hem toeijlde. „Leg hem neer! Laat hem de schouders aan de hielen raken!.… De wedstrijd, heeren! De wedstrijd tusschen Zirone en Kaap Matifou! Nu zult gij iets kostelijks zien! Gij zult voor uw geld niet bedrogen zijn. Treedt binnen heeren! Treedt binnen!”Zirone hoorde dat kermisgeschreeuw. Met de eene hand, die hem vrijgebleven was, schoot hij, ziedend van toorn, zijn revolver op Pescadospunt af.De armekerelrolde op den grond. Blijkbaar was de kleine man ernstig gekwetst.Toen gebeurde er iets verschrikkelijks.Kaap Matifou had Zirone bij den hals gegrepen en sleurde hem voort, zonder dat de ellendeling, die half verworgd was, er iets tegen vermocht.Te vergeefs schreeuwde dokter Antekirrt, die den boosdoener levend in zijne macht wenschte, den reus toe, om hem te sparen!Te vergeefs trachtte Piet Bathory en Luigi Ferrato hem in te halen, welke haast zij daarbij ook betrachtten.Kaap Matifou had slechts ééne gedachte, namelijk: dat Zirone met zijn schot Pescadospunt wellicht doodelijk getroffen had! Toen was hij zich zelven niet meer meester, toen hoorde hij niets meer! Hij bekeek zelfs dat menschelijke overblijfsel niet, hetwelk hij aan het uiteinde van zijn uitgestrekte arm droeg.Hij klom steeds met verhaaste schreden langs de helling van den centraalkegel des vulkaans naar boven. Eindelijk bereikte hij met een laatsten sprong den gapenden mond van eene brandende solfatara. In dien vuurput smeet hij Zirone ter neder.Inmiddels lag Pescadospunt, vrij ernstig gekwetst, op de knie van dokter Antekirrt gesteund, die de wond onderzocht en verbond. Toen Kaap Matifou bij hem teruggekeerd was, stroomden hem de[226]tranen langs de wangen. De arme kerel was letterlijk buiten zich zelven van droefheid en smart.„Wees niet bedroefd, dierbare Kaap! Wees niet bedroefd! Het heeft niets te beteekenen!” stamelde Pescadospunt.Kaap Matifou nam hem in zijne armen, zoo als hij met een kind zoude gedaan hebben, en droeg hem langs de kegelhelling naar beneden; terwijl al de anderen hem volgden en de maréchaussées de laatste vluchtelingen van de bende van Zirone ijverig en onverpoosd nazetten.Zes uren later was de dokter met al de zijnen te Catania terug en scheepten zich dadelijk aan boord van het stoomjachtFerratoin. Luigi leidde daarbij het vervoer en de inscheping der gekwetsten.Pescadospunt werd in de kajuit neergelegd. Met dokter Antekirrt tot geneesheer en Kaap Matifou tot ziekenoppasser, werd hij waarlijk goed verpleegd! Daarenboven, zijne wond—een eenvoudig pistoolschot bij den schouder, vertoonde geen enkel ernstig verschijnsel. De genezing was dus slechts eene quaestie van tijd. Als de lijder behoefte aan slaap had, verhaalde hem Kaap Matifou eene vertelling—steeds dezelfde, de arme reus wist niet meer—en dan sluimerde Pescadospunt zachtkens in, en vond verlichting in eene gezonde rust, bewaakt en gekoesterd, als hij was, door ware vriendschap.Echter kon, in weerwil van alles, niet ontveinsd worden, dat dokter Antekirrts plannen totaal schipbreuk hadden geleden en dat nog wel bij het begin van den ondernomen veldtocht. Na op het punt geweest te zijn, van zelf in handen van Zirone te vallen, was hij er zelf niet in geslaagd om zich van dien makker van Sarcany meester te maken. Dat was noodlottig genoeg! Welke plannen had hij niet reeds daarop gesmeed! O, hij zou dien schoft wel genoopt hebben zijne geheimen mede te deelen!En nu? Nu was dat alles in rook verdwenen! En eigenlijk was dat de schuld van Kaap Matifou.… Maar kon men dien dat wel zoo kwalijk nemen? Hij volgde toch slechts de inspraak van zijn hart!Dan kwam er nog bij, dat, hoewel de dokter er niet tegen op gezien had, om na dien nutteloozen tocht, nog een achttal dagen te Catania te vertoeven, hij geen enkel bericht kon inwinnen omtrent Sarcany. Wanneer die plannen gemaakt had, om Zirone in Sicilië op te zoeken, dan waren zij ongetwijfeld gewijzigd, toen hij met het bericht van den valstrik, die dokter Antekirrt gespannen was, tevens den dood van zijn ouden makker vernam.Er viel dan in weerwil van alles inderdaad niet anders te doen dan Sicilië te verlaten.DeFerratokoos dan ook op den 8stenSeptember weer zee en koerste in allerijl naar het eiland Antekirrta, waar het vaartuig na een zeer voorspoedige reis aankwam.[227]Daar zouden de dokter, Piet en Luigi hunne plannen hervatten, maar die alvorens ten zorgvuldigste herzien en uitwerken. Hun geheele leven bewoog zich toch daar omheen. Het gold thans Carpena terug te vinden. Die toch moest weten, wat er van Sarcany en Silas Toronthal geworden was, en waar die schurken zich ophielden.Ongelukkiglijk voor den Spanjaard, die, wel is waar, door in de kroeg van Santa Grotta achter te blijven, aan de vernietiging der bende van Zirone ontkomen was, bleef zijn goed gesternte hem niet getrouw, en was zijn geluk weldra uit.Inderdaad tien dagen later ontving dokter Antekirrt van een zijner agenten het bericht, dat Carpena te Syracusa in hechtenis genomen was,—niet als medeplichtige van Zirone,—maar voor eene vroegere misdaad, die reeds van voor vijftien jaren geleden dagteekende, voor een moord, dien hij te Almayata, in de provincie Malaga, bedreven had, en waarna hij Spanje, zijn vaderland, verlaten had, om zich te Rovigno in Istrië te vestigen. De lezer ziet, dat de kerel voor schurk in de wieg gelegd was. Hij was zijn karakter getrouw gebleven.Drie weken later werd Carpena, wiens uitlevering door het Spaansche gouvernement verkregen was, naar zijn vaderland overgevoerd en daar tot levenslange galeistraf veroordeeld en naar de Marokkaansche kust, naar het presido van Ceuta, een der voornaamstestrafkoloniënvan Spanje, gezonden.„Eindelijk,” zei Piet Bathory, „is dan toch gerechtigheid geschied en is een dier ellendelingen in het bagno te recht gekomen en dat nog wel voor levenslang!”„Levenslang!.… Neen! waarachtig niet!” antwoordde dokter Antekirrt somber en ernstig.De jongman keek hem onthutst aan. Hij scheen hem niet te begrijpen en was op het punt inlichting te vragen.„Andreas Ferrato is in het bagno overleden!” ging de dokter met hoogst ernstige stem voort, „en daar moet een schurk als Carpena niet sterven! Zoo’n dood zou te eervol voor zulk een booswicht zijn! Vindt gij dat ook niet?”Piet Bathory knikte bevestigend. Hij keek den dokter met een ondervragenden blik aan.„Ja, zoo beschouwd, hebt gij gelijk,” antwoordde hij eindelijk. „Maar wat hebt gij dan anders voor?”Dokter Antekirrt antwoordde niet dadelijk. Het was of hij nadacht. Eindelijk sprak hij toch:„Geduld, Piet! Geduld!”EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.[228]

XI.DE CASA INGLESE.

Den volgenden dag, zoo omstreeks één uur in den namiddag, maakten dokter Antekirrt en Piet Bathory hunne toebereidselen, om van boord te gaan en aan hunne voornemens gevolg te geven.De barkas nam de passagiers op, maar alvorens daarin af te[202]dalen, beval de dokter kapitein Köstrik aan, goed te doen uitkijken naar de aankomst van deElectriek, die ieder oogenblik te wachten was, en droeg hem op, dat vaartuigonmiddellijknaar de wateren derFaraglioni, ook de rotsen van Polyphemus genaamd, te zenden. De scheepsgezagvoerder knikte ten teeken dat hij zijn patroon goed begrepen had.Wanneer het plan gelukte, wanneer Sarcany, of ten minste Zirone en Carpena gevangen genomen waren, dan moest dat snelle bootje hen dadelijk naar Antekirrta overbrengen, waar de dokter de verraders van Triëst en van Rovigno in zijne macht wilde hebben. Zoo waren de plannen, zoo zou moeten gehandeld worden.De barkas stak af. In weinige minuten had zij de trap van de kade van Catania bereikt.Dokter Antekirrt en Piet Bathory waren in het gewone reispak van bergbeklimmers gestoken, die genoopt zullen worden om eene temperatuur te trotseeren, die tot zeven graden onder het vriespunt kan dalen, terwijl zij op het strand nabij de oppervlakte der zee dertig daarboven teekent. Zij hadden een gids bij de afdeeling der Alpenclub op de Via Lincoln No. 17 besproken. Deze wachtte hen met paarden, die te Nicolosi door muildieren zouden vervangen worden, welke laatste dieren steviger op de beenen waren, daarbij als onvermoeibaar geroemd worden en bijgevolg de voorkeur, in zoo’n bergterrein als Sicilië is, verdienden.De stad Catania, welker breedte gering te noemen is in vergelijking met hare lengte, was spoedig doorsneden.Niets duidde den dokter aan, dat hij bespied of gevolgd werd. Hij en Piet Bathory begonnen, na den Belvedère-weg ingeslagen te hebben, te stijgen en dus den invloed te ondervinden van de eerste verheffingen van het Etnasche bergstelsel, waaraan de Sicilianen den naam van Mongobello-berg gegeven hebben en welker doorsnede niet minder dan vijf en twintig mijlen meet, hetgeen voor een voorgebergte nog al aanmerkelijk mag heeten.De weg was natuurlijk zeer geaccidenteerd en uiterst bochtig. Hij week somwijlen van de algemeene richtig af, omlavabeddingen, om basaltrotsen, welker versteening van voor millioenen jaren dagteekent, om droge ravijnen, die in het voorjaar in woeste bergstroomen herschapen worden, te mijden. Dat waren allen terreinhindernissen, die aangetroffen werden in een boschrijke streek, waarin de olijfboomen, de oranjeboomen en de esschen ruimschoots vertegenwoordigd waren, wier takken als met festoenen getooid werden, met slingerlooten van krachtige wingerds en andere klimplanten, die er zich om heen slingerden.Dat was de eerste der drie gordels, die de verschillende hoogten van den vulkaan omvatten, van dien smidsoven, zooals de vertaling[203]van het Phénisische woord Etna luidt, van dien „aardspijker en steunpilaar des hemels”, volgens de aardkundigen van een ander tijdvak, toen de wetenschap der aardkunde nog niet bestond.Na gedurende twee uren gestegen te zijn, konden dokter Antekirrt en zijn jeugdige metgezel Piet Bathory gedurende eene halte van weinige minuten, die meer voor de rijdieren dan voor de ruiters noodzakelijk was, de geheele stad Catania, die trotsche mededingster van Palermo, welke niet minder dan vijf en tachtig duizend inwoners telt, aan hunne voeten ontwaren. Eerst bespeurden zij de lijnen van hare voornaamste straten, die evenwijdig aan de kade liepen; dan de klokketorens en de overwelfde koepelverhevenheden harer honderd bedehuizen; verder de talrijke en schilderachtige kloosters, en eindelijk de huizen, die meerendeels in den trotschen bouwstijl der zeventiende eeuw opgetrokken waren. En dat alles was omgeven, ja omlijst door een band van groene boomen, zoo bevallig, dat weinig steden in Europa er op bogen kunnen zulk een gordel om het middel geslagen te hebben.Vervolgens, verder vooruit, ontwaarden zij de havenkom, welker natuurlijke dijken door den Etna zelven opgetrokken waren, nadat hij hem eerst gedeeltelijk gevuld had bij de schrikkelijke uitbarsting van 1669, die veertien steden en dorpen verwoestte en achttien duizend menschen deed omkomen, door over den omtrek meer dan een millioen kubieke meters lava, zand en vulkanische asch uit te storten en daardoor alles op de schrikkelijkste wijze te verwoesten.Overigens, als de Etna minder woelig in onze negentiende eeuw is, dan heeft hij waarachtig wel eenige aanspraak om tot rust te mogen komen. Men telt inderdaad meer dan dertig uitbarstingen sedert de invoering van het Christendom. Dat Sicilië bij die machtige natuurverschijnselen niet vernietigd is, moet als bewijs gelden dat hare grondvesten stevig zijn. Daarenboven dient opgemerkt te worden, dat de vulkaan zich geen permanenten krater gevormd heeft. Grillig als een jonge dame, verandert hij dienaangaande. De berg barst open, daar waar hij voor het oogenblik den minsten wederstand ondervindt en waar zich dus bij hem een dier vuurspuwende gezwellen vormt, waardoor dan al de lavabestanddeelen, die in zijne ingewanden koken en borrelen, een uitweg vinden. Vandaar het ontstaan van die groote hoeveelheid kleine vulkanen, de Monte Rossi genaamd, dubbelbergen, gevormd in drie maanden tijds door de uitgeworpen asch, zand, steenen en sintels, in 1669 op eene hoogte van honderd zeven en dertig meter, en wier krater aan bijtorentjes gelijk, die rondom den hoofdtoren van eene kathedraal gerangschikt staan, en Frumento, Sinoni, Stornello Crisinio genoemd worden, ongerekend die kraters die in 1809, 1811, 1819,[204]1838, 1852, 1865 en 1878 gevormd en welker trechtervormige bekken de flanken van den hoofdkegel uithollen als de cellen van een honigraat.Toen de toeristen het gehucht Belvedère doorgetrokken waren, sloeg de gids een pad in, om den weg van Travestiéri, dicht bij dien van Nicolosi te bereiken. Men was nog steeds in den eersten gordel van het bergstelsel, die bebouwd kan gerekend worden. Deze strekt zich tot het stedeke uit, dat wil zeggen tot eene hoogte van twee duizend honderd en twintig voeten, of ruim zeshonderd drie en zestig meters.Het was ongeveer vier uren in den namiddag, toen Nicolosi in het gezicht kwam, zonder dat de toeristen op den afstand van vijftien mijlen, welke zij, sedert zij Catania verlieten, afgelegd hadden, eenige kwade ontmoetingen, hetzij in den vorm van wilde zwijnen, hetzij in den vorm van wolven, hetzij in den vorm van bandieten of struikroovers ondervonden hadden.Maar zij hadden nog twintig kilometers te doorloopen, alvorens zij de Casa Inglese zouden bereiken.„Hoelang willen Uwe Excellentiën hier toeven?” vroeg de gids aan de reizigers.„Zoo kort mogelijk,” was het antwoord van dokter Antekirrt, kort afgemeten.„Maar hoe lang zal het duren?” was de wedervraag. „De heeren moeten mij verontschuldigen. Ik dien dat te weten.”„Ik wenschte dezen avond tegen negen uur op onze bestemming aangekomen te zijn.”„Dan blijft ons zeer weinig tijd over, heeren! Dan moeten wij voortmaken, en geen oogenblik verloren laten gaan.”„Gij moet beslissen. Wij zullen niet langer toeven, dan gij ons zult toestaan.”„Maar hoe lang verlangt Uwe Excellentie hier te blijven?” vroeg de gids.„Is veertig minuten te lang?” vroeg dokter Antekirrt, terwijl hij den Siciliaan aankeek.Deze dacht een oogenblik na. Hij scheen zich in een moeielijke berekening te verdiepen.„Veertig minuten? Dat kan,” zei hij eindelijk. „Maar, heeren, gelooft me, geen oogenblik langer.”Ja, het was Pescadospunt. (Bladz. 214.)Ja, het was Pescadospunt. (Bladz. 214.)Het was weinig, maar toch genoeg om een sober maal te gebruiken in een der beide herbergen van het stedeke. Toch moesten de reizigers erkennen, dat de spijzen zoo lekker toebereid waren, dat daardoor de hofmeesters-faam van den Siciliaansche gaarkeukens niet weinig verhoogd werd. Dat kan gerust ter eere gezegd worden van de drieduizend inwoners van Nicolosi, waaronder de bedelaars,[206]die er in menigte krioelen, gerekend moeten worden. Een reebout en vruchten als; druiven, oranje- en granaatappelen; en wijn van San Placido, een uiterst goed merk, dat in de omstreken van Catania gewonnen wordt. Waarlijk er zijn vele steden in Italië, die voor veel aanzienlijker dan Nicolosi doorgaan, en zich gekrenkt zouden gevoelen, daarmede vergeleken te worden, maar waar menige kastelein verlegen zoude staan, om zijne reizigers en overige gasten zoo goed te onthalen, als dat hier geschiedde op de hellingen van den Etna.Voor dat vijf uren geslagen waren,beklauterdendokter Antekirrt, Piet Bathory en de Cataniaansche gids, alle drie op muildieren gezeten, de tweede verdieping van het bergstelsel en bereikten den woudgordel. Die zone wordt zoo niet genoemd, omdat er werkelijk wouden zouden bestaan, of omdat er meer boomen dan elders aangetroffen zouden worden. O, neen, want de houthakkers hebben zich sedert eeuwen bevlijtigd en bevlijtigen zich hier even als elders, nog steeds, om de eeuwenoude en prachtige bosschen te vernielen, die weldra niet anders meer dan in de mythologische herinneringen zullen bestaan. Evenwel werden hier en daar bij wijze van boschjes of groepen, langs delavabeddingen, of op de hellingen der ravijnen en afgronden, beuken, eiken en een soort vijgeboomen, met bijna zwart loof aangetroffen; terwijl in hooger gelegen streeken, dennen, pijnboomen en berken ontwaard werden. Dat die waren blijven staan, was alleen daaraan te danken, dat zij in schier ontoegankelijke terreinen opgeschoten waren, waardoor het vervoer van het hout te moeilijk werd.De vulkanische asch, vermengd met eenige teelaarde, stelde een vruchtbaren bodem daar en strekte tot voedsel van machtige varenstoelen, van esschenkruid, van maluwstruiken, en werd overigens overdekt met een weelderig mostapijt.Tegen acht uren hadden dokter Antekirrt en Piet Bathory reeds eene hoogte van drie duizend voeten bereikt, waar ongeveer de grens op deze breedte van de eeuwigdurende sneeuw aangetroffen wordt. Die sneeuw is op de hellingen van de Etna in zulk eene ontzettende hoeveelheid voorradig, dat geheel Italië en Sicilië daarvan voorzien zouden kunnen worden. Dat was de gordel der zwarte lavabeddingen, der vulkanische asch, der slakken, der sintels, die zich langs eene breede spleet uitstrekt, die een elliptischen vorm aanneemt en de Valle de Bore geheeten wordt.De steile rotswanden van die spleet, welke van duizend tot drie duizend voeten hoog waren, moesten omgetrokken worden, terwijl men in de breuken en hellingen van die steengevaarten, gangen van graniet- en bazaltgesteente bespeuren kon, die door het vulkanisch vuur niet aangetast schenen.Vlak voor onze toeristen verhief zich de eigenlijke kegel van den[207]vulkaan, op welker hellingen zich eenige phanegoramische planten, hier en daar enkele plekken van groen vormden. Die centrale verheffing vormde op zich zelven een geheelen berg—Pelion op Gasa—en vertoonde op een hoogte van drie duizend drie honderd zestien meters boven de oppervlakte der zee een afgeronden top.De bodem trilde reeds merkbaar onder de voeten onzer reizigers. Onder de sneeuwlagen deden zich dreuningen gevoelen, die opgewekt werden door den plutonischen arbeid, welke dat geheele Etnasche bergstelsel voortdurend teistert. Eenige zwaveldampen, die door den wind van de rookpluim des kraters afgesleurd werden, sloegen tot bij den voet van den kegel neer, hetgeen het ademhalen soms bemoeielijkte; terwijl slakken, in vorm niet ongelijk aan gloeiende cokes, op het witte sneeuwveld neervielen, daarin sissend uitbluschten, een klein wit stoomwolkje vormend, maar daarbij een zwart spoor achterlieten.De luchtgesteldheid was toen zeer koud en daalde voorzeker eenige graden beneden het vriespunt, waardoor de ademhaling, ten gevolge van de meerdere ijlheid der lucht, zeer bemoeielijkt werd.Onze bergbeklimmers waren reeds genoodzaakt geweest zich dicht in hunne reismantels te wikkelen. Een scherpe bries streek over de berghelling, zweepte fijne sneeuwkristalletjes van den bodem op en deed ze met haren ijzigen adem in de ruimte dwarrelen en overal doordringen.Van deze hoogte kon men even beneden den grooten vuurmond, waaruit hooge vlammen opstegen, ja als uitgestooten werden, andere mindere kraters ontwaren, die niets anders waren dan smalle solfatara’s, eigenlijke brandende zwavelbronnen of diepe sombere putten, op welker bodem het vulkanische vuur, rood als bloed glinsterde, en waaruit een vuilgele rook, voorzeker niets anders dan zwavelig gas, uitgestooten werd.Steeds werd een dof onafgebroken gerommel vernomen, alsof een onderaardsche orkaan met afnemende en aanwakkerende krachten loeide, zooals een onmetelijke stoomketel zoude razen, wanneer zijn oververhitte damp de zekerheidskleppen deed wijken. Dat gerommel strekte volstrekt niet tot geruststelling.Toch was geene uitbarsting te voorzien en die inwendige woede vertolkte zich slechts door het geluid van den hoofdkrater en van de vulkanische gaten, die den hoofdkegel allerwege doorboorden.Dokter Antekirrt keek op zijn horloge. Het was toen negen uren des avonds.De hemel tintelde van het schitterende licht van duizenden sterren, die met te meer pracht fonkelden, naarmate de dichtheid van den dampkring op die hoogte minder was. De maansikkel was op[208]het punt om in het westen in de Eolische zee onder te gaan. Een zoodanige nacht, doorgebracht op een berg, die geen vulkaan was, zou een onvergelijkelijk verheven schouwspel opgeleverd hebben. Maar, behalve het angstverwekkende gesteun en geloei, door den vuurspuwenden berg veroorzaakt, hadden onze toeristen wel andere zaken in het brein, die hen ongetwijfeld ongevoelig voor die prachtige natuurtafereelen maakten.„Wij moeten dicht bij het doel onzer reis zijn,” zei dokter Antekirrt eindelijk.„Dat dunkt mij ook,” antwoordde Piet, na ook zijn horloge geraadpleegd te hebben.„Wel, gids?” vroeg de dokter, zich tot hunnen begeleider wendende, „wat dunkt u er van?”„Wat is er Excellentie?” vroeg de Siciliaan, als uit een droom ontwakende.Hij had de woordenwisseling van de beide reizigers niet gehoord. Wie weet, waarmede zijne gedachten zich bezig hielden.„Is het nog ver?”„Daar ginds is de Casa Inglese, heeren,” sprak hij, rondom zich ziende, om zich teoriënteeren.Hij wees op een muurvlak, hetwelk op een afstand ontwaard werd en waarin twee vensters en eene deur te bespeuren waren, die door de eigenaardige ligging ten opzichte der hemelstreken voor eene ophooping van sneeuw beveiligd waren gebleven. Dat gebouw lag op een vijftig passen afstand ter linkerzijde en op vier honderd acht en twintig meters beneden den top van den hoofdkegel. Het werd in 1811 door Engelsche officieren op een bergplat met lavabodem, Piano del Lago genaamd, gebouwd.Kort na het tijdstip, waarin dit verhaal speelt, werden de werkzaamheden ondernomen, om de Casa Inglese door de zorgen van het Italiaansche gouvernement en van den gemeenteraad van Catania, in een observatorium te herscheppen, hetgeen ter wille van de wetenschap reeds sedert lang had moeten geschied zijn.Want zij dekten zich achter de vele rotsblokken. (Bladz. 219.)Want zij dekten zich achter de vele rotsblokken. (Bladz. 219.)Dit huis, hetwelk ook de Casa Etnea genoemd werd, is langen tijd door den heer Gamelloso, broeder van den beroemden aardkundige van dien naam,onderhouden, maar was nu juist door de zorgen van de Alpen Club gerestaureerd geworden. Niet ver er van daan werden in de duisternis eenige bouwvallen bespeurd van Romeinschen oorsprong, waaraan men den naam van den „Toren der Wijsgeeren” gegeven heeft. Van dat punt, zoo verzekert de legende, zou Empedocles zich in den brandenden krater gestort hebben, hetgeen eene zonderlinge wijze is, om van zijne voorliefde voor de wijsbegeerte, dat moet men erkennen, te getuigen; tenzij men er toe overhelt de oorzaak van die daad te willen zoeken in de[210]acht dagen eenzaamheid, die de Grieksche wijsgeer in die schrikkelijke streken doorbracht, in welk geval zij begrijpelijk wordt, maar haar dan als de daad eens krankzinnigen moet doen aanmerken.Middelerwijl hadden dokter Antekirrt, Piet Bathory en de gids zich naar de Casa Inglese begeven. Daar aangekomen, klopten zij aan de deur, die onmiddellijk opengedaan werd.In het daaropvolgend oogenblik bevonden zij zich te midden hunner manschappen.Die Casa Inglese bestond alleen uit drie vertrekken, welke slechts een spaarzaam ameublement, namelijk: eene tafel, ettelijke stoelen en eenig keukengereedschap, bevatten. Maar dat was voldoende, om den bergbeklimmers van den Etna, na eene hoogte van twee duizend acht honderd en vijf en tachtig meters, of ruim negen duizend twee honderd voeten bereikt te hebben, eenige rust te laten genieten.Tot dat oogenblik had Luigi Ferrato, uit vrees dat de tegenwoordigheid van zijn klein detachement verraden, of zelfs maar gegist zou kunnen worden, geen vuur laten aanleggen, hoewel de koude zich geducht deed gevoelen. Maar thans was het niet meer noodig dien voorzorgsmaatregel te betrachten, daar Zirone wist dat dokter Antekirrt en Piet Bathory den nacht in de Casa Inglese zouden doorbrengen. Men stookte den haard dan ook met hout, dat in voorraad in de nabijheid van het gebouw gevonden werd, flink op. Weldra knetterden de vlammen, welke de ontbrekende warmte en lucht spoedig herstelden.Intusschen riep dokter Antekirrt Luigi Ferrato ter zijde en vroeg hem:„Heeft zich niets meldenswaardigs sedert uwe aankomst alhier voorgedaan?”„Neen,” antwoordde Luigi, „maar.…”„Ga voort. Maar wat?”„Ik geloof niet, dat onze tegenwoordigheid zoo geheim is gebleven, als wel gewenscht is.”„Niet geheim? Dat zou zeer jammer zijn,” antwoordde dokter Antekirrt niet zonder bezorgdheid.„Neen, zij is niet geheim gebleven,” herhaalde Luigi Ferrato.„Waaruit maakt gij dat op?.… Spreek!.… Misschien vergist gij u wel.”„Ik maak het daaruit op, dat wij sedert ons vertrek van Catania, als ik mij niet bedrieg, door een man gevolgd zijn geworden, die verdwenen is, een poos voordat wij den voet van den vulkaankegel bereikt hebben.”„Dat is inderdaad betreurenswaardig, Luigi,” antwoordde dokter Antekirrt nog meer ernstig.[211]„Dat meen ik ook, heer dokter.… Maar, zeg mij, wat was er aan te doen? Volgens mij niets.”„Daarin hebt gij gelijk; maar dat zou Zirone den lust benemen kunnen, om mij te komen overvallen, vindt gij niet?”„Voorzeker. Dat is de gedachte, die ook bij mij opgekomen is. De kerel is er laf genoeg toe.”„En hebt gij sedert de avond gevallen is, niemand in den omtrek der Casa Inglese zien ronddoolen?”„Niemand, heer dokter.”„Hebt gij u daarvan overtuigd, bijvoorbeeld door de omstreken voorzichtig te doorzoeken?”„Ja, heer dokter. Ik heb de voorzorg zelfs genomen, om in persoon de bouwvallen van den „Toren der Wijsgeeren” te verkennen en te onderzoeken.”„En?”„Zij waren ledig. Ik heb er niemand aangetroffen. De geheele omtrek is eenzaam en verlaten.”„Wij zullen moeten afwachten, Luigi. Er valt niets anders te doen. Dunkt u ook niet?”„Ja, heer dokter,” antwoordde de jonge zeeman. „Wij kunnen niets anders doen, dan bedaard wachten.”„Maar laat een man op uitkijk voor de deur staan. Een schrandere kerel, hoor.”„Goed, heer dokter. Ik zal een mijner beste manschappen op post uitzetten.”„De nacht is helder, niet waar? En het uitzicht onbelemmerd?” vroeg dokter Antekirrt.„Ja, men kan op eenigen afstand zien. De maan is reeds boven den gezichteinder.”„Het is zaak, Luigi, dat wij niet overvallen worden. Dat zou de grootste rampen na zich sleepen.”„Zeer juist gezien, heer dokter. Een overval zou ons allen het leven kosten, inderdaad.”De jeugdige zeeman ging naar buiten, om de bevelen des dokters ten uitvoer te leggen. Daarna ging hij op een houten bankje voor den haard zitten; terwijl zijne manschappen zich rondom hem op ettelijke bosschen stroo uitstrekten. Waarlijk, het was alsof eene bende bandieten thans de Casa Inglese in bezit genomen hadden.Kaap Matifou was intusschen den dokter genaderd en keek hem aan zonder te durven spreken. Maar het was niet moeielijk te begrijpen, wat hem verontrustte.„Gij wilt weten, wat er van Pescadospunt geworden is?” vroeg dokter Antekirrt.[212]De reus knikte bevestigend. Woordenrijk was hij nimmer geweest. Maar in dat oogenblik vooral niet.„Geduld!.… Kaap Matifou. Geduld!.…” maande dokter Antekirrt. „Geduld, mijn vriend!”De Hercules grinnikte; maar op zijn gelaat was te lezen, dat hij wel wat meer gehoopt had.„Hij zal wel spoedig terugkomen.… hoewel hij op dit oogenblik een partij speelt, die hem kan doen hangen.…”„Aan onzen hals?” vulde Piet aan, die het groote kind niet verontrusten wilde over het lot van zijn makker.„Zoooo!” sprak Kaap Matifou met een zucht en een glimlach. Hij scheen het niet begrepen te hebben.Inmiddels verstreek een uur, zonder dat iets de eenzaamheid stoorde, die rondom den centralen bergkegel van den Etna heerschte. Geen enkele schaduw had zich op de sneeuw der helling, die de Plano del Lago omgaf, vertoond. Dat verwekte eene soort van ongeduld en zelfs van onrust, die de dokter en Piet niet bedwingen konden.Wanneer Zirone bij toeval gewaarschuwd was, omtrent de aanwezigheid van het kleine detachement, dan zou hij het nooit wagen durven, om de Casa Inglese aan te vallen. Dan ware alle moeite te vergeefs geweest en kon de geheele onderneming als mislukt beschouwd worden. En toch moest men dien Sarcany zien in handen te krijgen, of bij gebreke van hem zijnen medeplichtige, dien Zirone, om hem zijne geheimen te ontweldigen!Weinige minuten voor tien uren, werd de knal van een geweerschot, dat—zooals men meende—op een halve mijl beneden de Casa Inglese gelost was, vernomen.Allen sprongen op, vlogen naar buiten, keken scherp uit, maar ontwaarden niets, wat hen verdacht voorkwam.„Het was toch een geweerschot?” vroeg Piet Bathory. „Ik heb toch goed gehoord?”„Ja, zeker,” antwoordden verscheidene stemmen. „Ongetwijfeld, het was een geweerschot.”„Wellicht een jager, die hier of daar in het gebergte verdekt op den loer ligt, om een arend of een wild zwijn te schieten,” zei Luigi Ferrato. „Dat zal het zijn.”„Laten wij weer naar binnen gaan,” zei Piet Bathory, blijkbaar zeer teleurgesteld.„Ja, laten wij weer naar binnen gaan,” beaamde de dokter. „Wij moeten vooral vermijden, dat wij gezien worden.”Allen traden binnen. De deur werd zorgvuldig gesloten. Het was toch zeer koud.Maar tien minuten later volgde hen de zeeman, die buiten uitkeek, met versnelden pas.[213]„Gauw, gauw!” riep hij. „Ik heb.…”„Wat?” vroeg Luigi.„Ik heb iemand.…”„Verscheidene mannen?.…”vroeg Piet Bathory. „Kom spreek!”„Neen, neen, niet verscheidene.… Slechts een enkele.”De dokter,Piet, Luigi en Kaap Matifou vlogennaar dedeur; maar zorgden daarbij in de schaduw te blijven.En, inderdaad, een man beklom vlug als een gems, de lavabedding, die de helling van het bergvlak uitmaakte waarop de Casa Inglese stond. Hij was geheel alleen en na weinige sprongen lag hij in de armen, die zich voor hem openden, in die van Kaap Matifou.„Ik heb hem!” riep deze. „Ja, ik heb mijn Pescadospunt!.… Ik heb mijn dierbaren vriend!”Ja, het was Pescadospunt.„Gauw, gauw, achter de muren gedekt, heer dokter!” riep hij, terwijl hij de anderen met zich naar binnentrok.In een ondeelbaaroogenblikwaren allen de Casa Inglese weer binnengestormd, waarvan de deur dadelijk zorgvuldig gesloten en de grootste stilte in acht genomen werd.„Wat is er?” vroeg Piet fluisterend, terwijl hij hem bij een arm greep.„En Zirone?” vroeg de dokter, die den anderen arm vatte. „Wat is van hem geworden?”„Hij komt! heer dokter.… shut!.… Hij komt!.…”„Hebt gij hem kunnen verlaten? Drommels, dat was een gevaarlijk stuk.”„Ja!.… om u te waarschuwen!.… Weinigeoogenblikkengeleden was ik nog bij hem.”„Hij komt dus?.… Dat is boven allen twijfel, niet waar, Pescadospunt?”„Voorzeker!.…”„Wanneer?”„Binnen twintig minuten zal hij hier zijn! Zoolang zal het wellicht niet eens duren, denk ik.”„Des te beter!” sprak dokter Antekirrt, terwijl hij zich vergenoegd de handen wreef.„Neen! des te slechter!” sprak Pescadospunt op hoogst ernstigen toon.„Wat bedoelt ge?”„Ik weet niet hoe en door wien hij gewaarschuwd is,” antwoordde Pescadospunt, „hij weet, dat gij hier voorafgegaan zijt door een twaalftal manschappen!.…”„Ongetwijfeld door dien bergbewoner, die ons bespied heeft,” zei Luigi Ferratoontsteld.[214]„Hoe het ook zij.… en onverschillig door wien ook ingelicht,” antwoordde Pescadospunt, „maar hij weet het!”„En verder? Ga toch voort!.… er is haast; want de te nemen maatregelen hangen er van af.”„Hij heeft begrepen, dat gij hem een strik spant,” gingPescadospuntverder.„Dat is minder!” meende dokter Antekirrt.„Ja, maar.…”„Laat hem maar komen!” riep Piet Bathory uitdagend uit en hief daarbij de vuist op.„Hij zal komen! mijnheer Piet,” zei Pescadospunt, „wees daarvan verzekerd!”„Goed zoo!”„Maar bij de twaalf nieuw aangeworven manschappen, die hij van Malta meebracht, heeft hij nog de rest van zijne bende gevoegd, die heden ochtend te Sante Grotta weergekeerd is.”„Duivels!” zei Luigi. „Dat verandert de zaak aanmerkelijk. Twaalf en.…”„Doet niets!” riep Piet Bathory uit. „Doet altemaal niets! Laat ze maar komen!”„En hoeveel zijn die bandieten te zamen gerekend?” vroeg dokter Antekirrt.„Ongeveer vijftig!”antwoordde Pescadospunt. „Eerder meer, dan minder, heer dokter.”„Duivels!” herhaalde Luigi, en monsterde met de oogen zijne manschappen.„Wat geeft dat?” vroeg Piet minachtend.Dat laatste was zeer luchtig uitgesproken; maar men kon het zich niet ontveinzen, de toestand van den dokter met zijn kleinen hoop, die slechts uit elf zeelieden bestond, waarbij hij gerekend moest worden en Luigi Ferrato, en Piet Bathory, en Kaap Matifou, en Pescadospunt. Zestien man in het geheel tegen vijftig! Voorwaar, dat was netelig. In ieder geval moest er een besluit genomen worden en spoedig ook; want de aanval, die verwacht werd, kon ieder oogenblik geschieden. Talmen was hier niet geoorloofd. Een ieder moest stipt weten, wat hem te doen stond. Evenwel alvorens te beslissen, wenschte dokter Antekirrt van Pescadospunt alles te vernemen, wat voorgevallen was, en ziehier, wat hij te weten kreeg:Dat was Kaap Matifou, die basaltrotsen voortrolde. (Bladz. 222.)Dat was Kaap Matifou, die basaltrotsen voortrolde.(Bladz. 222.)Zirone was dienzelfden ochtend van Catania weergekeerd. Hij had daar den nacht doorgebracht en hij was het, dien de dokter in de tuinen van de villa Bellini had zien rondslenteren en bespieden. Toen hij in het moordhol van Santa Grotta weergekeerd was, vond hij daar een bergbewoner, die hem het bericht bracht, dat een[216]twaalftal manschappen, die uit verschillende richtingen aangekomen waren, de Casa Inglese bezet hadden.Voor Zirone was waarlijk niet meer noodig om den toestand te begrijpen. Hij was het niet, die dokter Antekirrt in een valstrik lokte; maar het was die man, waarvoor men hem gewaarschuwd had, voor wien hij zich te wachten had, welke er hem een spande. Dat was volgens hem duidelijk genoeg en aan geen twijfel meer onderhevig. Pescadospunt drong er evenwel op aan, dat Zirone de Casa Inglese zou aantasten. Hij verzekerde hem dat, al was het bericht, hetwelk hij ontvangen had, ook al juist, zijne Maltezers spoedig met het troepje van den dokter klaar zouden komen. Maar Zirone bleef besluiteloos, omtrent hetgeen hem te doen stond. Zelfs begon hem de aandrang, die Pescadospunt thans trachtte uit te oefenen, zonderling voor te komen, en zelfs zoo, dat hij bevelen gaf om dezen laatste in het geheim, maar toch nauwlettend gade te slaan. Onze grappenmaker bespeurde dat evenwel al heel spoedig. Hij was waarlijk te schrander, om niet te bemerken, dat hij te ver gegaan was, dat de toestand zich gewijzigd had.Om kort te gaan, Zirone zou waarschijnlijk bij zulke onzekere kansen er van af gezien hebben, om te trachten dokter Antekirrt in handen te krijgen, wanneer zijne bende zich niet zoo omstreeks drie uren in den namiddag bij hem vervoegd had. Toen met eene macht van ruim vijftig manschappen onder zijne bevelen, aarzelde hij niet meer. Hij verliet de herberg La Santa Grotta met zijn geheele troep en richtte zijne schreden naar de Casa Inglese; maar hield zich daarbij ver van de gebaande wegen en trok de wildernis door.Hij wachtte dus totdat de bende van Zirone in het gezicht van de Casa Inglese, welker juiste ligging hij niet kende, gekomen was.Het licht dat door de vensterluiken scheen, veroorloofde hem eindelijk om haar te ontwaren, zoo omstreeks half tien in den avond, op minder dan twee mijlen afstands op de helling van den kegelberg. Pescadospunt sprong toen in de richting vooruit. Zirone zond hem eengeweerschotachterna, hetzelfde dat in de Casa Inglese waargenomen werd, maar wat hem niet trof. Met zijne clownsvlugheid was hij weldra buiten bereik, en ziedaar, hoe hij in de Casa Inglese aangekomen was, terwijl hij den aanvallenden troep van Zirone slechts twintig minuten vooruit was.Toen hij zijn verhaal geëindigd had, bedankte de dokter met een innigen handdruk den koenen en schranderen kerel, over hetgeen hij ten uitvoer gelegd had. En dat hij dien dank ten volle verdiend had, begrepen alle aanwezigen.Daarna besprak men hetgeen gedaan moest worden. De toestand was thans ernstig genoeg.De CasaIngleseverlaten en te midden van den nacht den terugtocht[217]ondernemen langs de hellingen van dat woeste bergstelsel, waarvan Zirone en zijne lieden al de paden, al de schuilhoeken, al de moeielijke doorgangen kenden, daaraan viel niet te denken. Dat zou zich aan eene totale vernietiging blootstellen zijn. Het zou honderd malen beter zijn, in dat huis den dag af te wachten, zich daarin te verschansen, en er zich als in een blokhuis te verdedigen, wanneermenmocht aangevallen worden.Als de dag aangebroken zoude zijn en de gelegenheid zich zoude voordoen om af te kunnen trekken, dan zou men het ten minste in het volle licht doen en men zou zich niet blindelings te midden der afgronden, der solfatara’s en der fumarola’s op die scherpe hellingen begeven, die bij het nachtelijke duister slechts de gevaren vermeerderden en de kansen tot verdwalen verdriedubbelden.Men zou dus blijven en weerstand bieden, dat was het genomen besluit. En daaraan hield men zich.De verdedigingsvoorbereidingen werden dadelijk getroffen en onmiddellijk ten uitvoer gelegd.Eerst werden de beide vensterluiken van de Casa Inglese gesloten en de blinden daarvan binnen behoorlijk bevestigd. Als schietgaten werden de openingen benuttigd, welke tusschen de dakregels, bij hunne steunpunten op den voorgevel van het gebouw, gevormd werden. Daartoe eigenden zich die voortreffelijk en hadden het voordeel niet in het oog te vallen.Ieder man was voorzien van een achterlaadgeweer en had een twintigtal patronen in een daarvoor bestemden zak in voorraad. Dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato waren daarenboven in het bezit van revolverpistolen en konden hulp verleenen, waar die noodig zoude zijn. Daartoe zouden zij zich echter evenwel in de onmiddellijke nabijheid der strijdenden ophouden.Kaap Matifou had slechts zijne armen ter zijner beschikking en Pescadospunt slechts zijne handen. Wellicht waren zij niet het slechtste gewapend! Want met die armen en handen wisten die kerels voorbeeldeloos om te gaan.Ongeveer veertig minuten gingen in spanning voorbij, zonder dat er eene poging van aanval vernomen was.Zou Zirone, die begreep, dat dokter Antekirrt, door Pescadospunt verwittigd, zich niet zou laten overvallen, van zijne aanvalsplannen afgezien hebben?Evenwel met vijftig manschappen onder zijne bevelen, met zijne kennis van het omliggend terrein, kon van aarzelen geen sprake zijn. Te veel voordeelen waren aan zijn kant, om de onderneming op te geven. Daarbij de gedachte aan de millioenen van den dokter belette hem een geregeld nadenken.[218]Tegen elf uren ongeveer stoof de zeeman, die buiten op schildwacht stond, plotseling naar binnen.Een troep mannen naderde, terwijl zij zich in drie gedeelten verspreidden, met het doel om deCasaInglese langs de drie genaakbare zijden te omsingelen. De vierde was geheel ongenaakbaar, daar zij tegen de zeer steile hellingen van den krater steunde en derhalve langs dien kant eene ontsnapping onmogelijk was.Toen de beweging van den vijandelijken troep verkend was door de verdedigers, ging men weer naar binnen, en barricadeerde men behoorlijk de deur. Daarna begaf een ieder zich op zijn post achter de schietgaten, en bekwam de noodzakelijke aanbeveling: niet te vuren, dan bij voldoende zekerheid te zullen treffen. Er mocht geene munitie verspild worden!Zirone en zijne bende naderden inmiddels voortdurend, maar langzaam en niet zonder eene zekere mate van voorzichtigheid te betrachten; want zij dekten zich achter de vele rotsblokken, die over het terrein verspreid lagen. Zoo trachtten zij den nok van de Plano del Lago te bereiken. Bij den rand van dien nok lagen verbazend groote trachiet- en bazaltblokken opgestapeld, waarschijnlijk met het doel om de Casa Inglese tegen eene afschuiving van sneeuw gedurende de winterstormen te beveiligen. Die blokken boden den naderenden een uitmuntende dekking aan.Wanneer de aanvallers dien nok zouden bereikt hebben, dan zouden zij nagenoeg onder de vuurlijn van de verdedigers aangekomen zijn, en eene bestorming van het huis kunnen wagen. Zij zouden dan de deur openloopen of een der vensterramen kunnen openbreken en door hun groot getal in staat zijn, de hand op den dokter en op allen, die bij hem waren, te leggen.Plotseling knalde een geweerschot. Een licht wolkje van kruitdamp krulde langs een der schietgaten naar het dak omhoog. Een der aanvallers viel doodelijk getroffen neer. De aanrukkende bende vlood eenige passen achteruit en dook achter de beschermende rotsblokken neer. Dat was het eerste slachtoffer, hetwelk gevallen was.Maar langzamerhand slaagde Zirone er in, door van de terreinplooien behendig gebruik te maken, zijne manschappen meer vooruit te brengen, en hen zelfs tot aan den voet der helling van de Plano del Lago te geleiden.Dat geschiedde evenwel niet zonder dat alweer een twaalftal geweerschoten losgebrand waren, die den gevel van de Casa Inglese verlicht hadden en waardoor weer twee der aanvallers op het sneeuw veld uitgestrekt waren geworden.Toen stiet Zirone een gil uit, die tot sein moest dienen voor eene algemeene bestorming. Hoewel de voorwaartsche beweging alweer ten koste van verscheidene gewonden geschiedde, vloog toch de[219]geheele bende op de Casa Inglese aan. De deur werd door verscheiden kogels doorboord, waardoor binnen het huis twee matrozen ernstig genoeg gekwetst werden, om buiten gevecht gesteld te zijn. Dat was bij het kleine getal der verdedigers ernstig genoeg. De strijdkrachten stonden toch al zoo ongelijk!Toen ontspon zich eene levendige schermutseling. Met hunne pieken en met hunne bijlen slaagden de aanvallers er aanvankelijk in, om de deur en een der vensterblinden ter verbrijzelen. De verdedigers waren toen genoodzaakt een uitval te ondernemen, om de aanvallers te verdrijven. Dat geschiedde te midden van een vrij hevig geweervuur, hetwelk van weerszijden ijverig onderhouden werd. Luigi’s hoed werd door een kogel doorboord en Piet Bathory zou zonder de tusschenkomst van Kaap Matifou, door een lansstoot gewond of gedood zijn, welke een der bandieten hem toebracht. Maar onze Hercules was er ook, en.… met denzelfden piek, dien hij den aanvaller met krachtige vuist ontwrong, velde hij hem met een slag op het hoofd ter neder. Dat was een meesterslag geweest!Kaap Matifou was gedurende den uitval vreeselijk. Hoewel meer dan twintig malen op hem gemikt werd, trof hem toch geen enkele kogel. Wanneer Zirone de overwinning zou behalen, dan was zijn vriend, dan was Pescadospunt bijvoorbaatveroordeeld, en die gedachte verdubbelde de woede van den reus. Hij verrichtte dan ook wonderen.Bij zoo’n hardnekkigen weerstand waren de aanvallers verplicht zich andermaal terug te trekken.De dokter en zijne lotgenooten konden dus binnen de Casa Inglese weerkeeren en zich rekenschap van den toestand geven. Die was, dat moest erkend worden, in het geheel niet opbeurend. Men verloor evenwel den moed niet.„Hoeveel gekwetsten hebben wij?” vroeg dokter Antekirrt aan Piet Bathory en Luigi Ferrato.„Drie,” was het antwoord. „Maar zij zijn vrij ernstig gewond. Ik vrees voor hen.”„Hoe is het met den toestand der munitie? Dat is een voorname quaestie. Er is nog al geschoten!”Luigi onderzocht dat dadelijk. Hij liet zich de patroonzakken door zijne manschappen vertoonen.„De meeste hebben nog slechts tien, enkele twaalf patronen,” antwoordde hij.„En hoe laat is het?”„Ternauwernood middernacht.”Dus nog vier lange uren, alvorens de dag zoude aanbreken. Het werd noodzakelijk, om nog spaarzamer met de munitie om te gaan, ten einde niet ontbloot te zijn, om den aftocht te kunnen[220]dekken, die bij het aanbreken van den dag ondernomen moest worden. Waarlijk, de toestand was verre van rooskleurig. Dat zag ieder der verdedigers volkomen in.Maar als er niet geschoten mocht worden, hoe dan de nadering der aanvallers te beletten? Hoe dan de overrompeling van de Casa Inglese tegen te gaan, wanneer Zirone en zijne bende den stormaanval hervatten? En die zou niet uitblijven!Neen! die zou niet uitblijven; want nadat de bandieten een kwartieruur rust genoten en hunne gekwetsten, achterwaarts gebracht achter een lavabedding, als achter eene verschansing, in veiligheid gesteld hadden, stoven zij weer voorwaarts.Toen, verwoed, en eigenlijk tot razernij vervoerd door den hardnekkigen tegenstand, en vooral door het gezicht van de gesneuvelde en gewonde makkers, beklommen zij de lavabedding, daarna ook de tusschenruimte, die deze van den basaltwal scheidde en verschenen toen aan den nokrand van het bergplat, waarop de Casa Inglese gelegen was. De toestand werd al hachelijker en hachelijker.Geen enkel geweerschot werd op hen gelost, terwijl zij dien afstand aflegden. Zirone besloot daaruit en, zooals wij weten niet zonder reden, dat het den belegerden aan munitie begon te ontbreken. Dat verlevendigde de hoop.Toen wekte hij zijne bende op en bracht haar in vervoering. Het denkbeeld om zich van iemand meester te maken die meer dan honderdmaal millionnair was, was wel geschikt, dat zal de lezer moeten toestemmen, om die schurken van de slechtste soort op te winden. Dat gebeurde dan ook.Hunne geestdrift was zelfs zoodanig, dat zij ditmaal de deur en het venster bemachtigden en zeer zeker het huis stormenderhand genomen zouden hebben, wanneer niet een nieuwe losbranding, thans van zeer nabij afgegeven, er vijf of zes van hen gedood en de overigen teruggedreven had. Zij moesten nogmaals tot aan den voet van de helling van het bergplat terugdeinzen, evenwel niet zonder dat andermaal twee zeelieden gekwetst en buiten gevecht gesteld waren. Het kleine heldentroepje der verdedigers slonk al meer en meer, maar ook de munitie was al weer verminderd.Vier of vijf schoten, dat was alles, wat den verdedigers van de Casa Inglese thans nog overbleef. Onder die omstandigheden werd de aftocht zelfs bij klaarlichten dag bijna onmogelijk. De verdedigers gevoelden dan ook, dat zij onherroepelijk verloren waren, wanneer er geen hulp opdaagde. Dat was voor allen duidelijk.Maar vanwaar zou die hulp komen? Ziet, dat was de vraag, die thans aller brein bezig hield.In dien vuurput smeet hij Zirone neder. (Bladz. 225.)In dien vuurput smeet hij Zirone neder. (Bladz. 225.)Men kon er ongelukkig niet op rekenen, dat Zirone en zijne makkers den aanslag zouden opgeven. Zij waren zeker nog wel[222]veertig in getal, die gezond en goed gewapend waren. Zij wisten, dat men hunne geweerschoten weldra niet meer zou kunnen beantwoorden en daarom herhaalden zij den aanval.Maar.… ziet.…Plotseling rolden kolossale rotsblokken langs de helling van het bergplat naar beneden en verpletterden twee of drie der aanvallende bandieten, alvorens zij zich uit de voeten hadden kunnen maken.Dat was Paap Matifou, die naar buiten geloopen was, en basaltrotsen voortrolde, om die van den nok van de Plano del Lago naar beneden te laten tuimelen. Hij had alle succes van zijn waarlijk practisch middel.Maar dat verdedigingsmiddel was op verre na niet voldoende. Daarenboven, het was te voorzien, dat het weldra uitgeput zou raken; men zou dus moeten bezwijken, of alles in het werk stellen, om van buiten af hulp te erlangen. Van buiten af?.… Ja.… maar hoe?.…Toen kreeg Pescadospunt een inval, dien hij aan niemand wilde mededeelen, vooral niet aan dokter Antekirrt, omdat die wellicht zich tegen de uitvoering verzet zoude hebben. Maar hij deelde zijn plan toen aan Kaap Matifou mede. Ziehier, wat daarvan de slotsom was. De reus luisterde aandachtig.Hij had uit de gesprekken, die in de kroeg van Santa Grotta gehouden waren, vernomen dat een detachement Maréchaussées zich te Casona bevond. Om zich naarCasonate begeven, was slechts een uur tijd noodig en evenveel om terug te komen. Zou het nu geheel onmogelijk zijn, om dat detachement te gaan waarschuwen? Onmogelijk?.… Dat was een raar woord in den mond van Pescadospunt, aan welks bestaan hij zelfs niet geloofde. Maar.… hier was eene voorwaarde te vervullen. Hier moest door de gelederen der belegerende bende gebroken worden, om daarna de westelijke hellingen van het bergstelsel te kunnen bereiken. Anders kon het niet.„Het is noodig, dat ik tusschen hen door kom.…” zei Pescadospunt tot zijn vriend.Deze knikte toestemmend met zijn overgroot hoofd. Ja, dat begreep hij duidelijk.„Dus ik zal doorkomen!” zei Pescadospunt op stellig bevestigenden toon.Dat „dus” was subliem van eenvoud. Kaap Matifou grinnikte van de pret en wreef zich de handen.„Wat duivel!” ging Pescadospunt voort, „men is clown of men is het niet! Is dat zoo niet?”„Daartegen valt niets in te brengen,” zei de reus, die zelden zoo veel sprak.[223]„Luister” sprak Pescadospunt, terwijl hij zijn vriend naar zich toe trok. „Luister!”En nu deelde hij aan Kaap Matifou fluisterend het middel mede, hetwelk hij dacht te bezigen, om hulp te gaan halen.„Maar,.…”meende Kaap Matifou, „gij waagt.… uw leven … Gij waagt alles!”„Dat weet ik wel,” antwoordde Pescadospunt, „maar die waagt, die wint.”„Jawel.… maar.…”„Zwijg maar, ik wil het zoo.”Dat was een waar stopwoord.Pescadospunt weerstreven, dat zou Kaap Matifou nimmer gedurfd hebben!Beiden begaven zich toen naar de westelijke zijde van de Casa Inglese, naar eene plaats, waar een groote voorraad sneeuw door den wind opgehoopt lag.Tien minuten later kwam, terwijl de strijd van weerszijden hardnekkig voortgezet werd, Kaap Matifou weer te voorschijn en rolde een overgrooten sneeuwbal voor zich uit. Toen dreef hij tusschen de rotsblokken, welke de zeelieden steeds op de aanvallers stortten, dien bal, die langs de helling afrolde en tusschen de bende van Zirone doorgleed en op vijftig passen daarachter in de diepte van een kleine terreinplooi bleef liggen.Daar opende zich den sneeuwbal, die door den schok half verbrijzeld was en verleende doortocht aan een klein vlug wezen, dat een weinig slim was, zooals het van zich zelven getuigde.Dat was Pescadospunt! Ja, dat was onze wakkere clown; en dat was het middel, hetwelk hij uitgedacht en ten uitvoer gebracht had.Opgesloten onder eene laag verharde sneeuw als in eene eierschaal, had hij den moed bezeten, zich langs de helling van het talud te laten afrollen, op gevaar van in een afgrond terecht te komen. En nadat hij van die sneeuwlaag bevrijd was, vloog hij langs de zijpaden, die door het bergstelsel kruisten en richtte zich naar den kant van Casona.Het was toen ongeveer één uur na middernacht. Er was dus inderdaad geen tijd te verliezen.Dokter Antekirrt, die op een gegeven oogenblik Pescadospunt miste, riep hem, daar hij meende, dat hij gekwetst was. „Waar die kleine man toch mocht zijn?” vroeg hij zich af.„Pescadospunt!.… Pescadospunt.…” riep hij.„Weg!” zei Kaap Matifou, zoolaconiekmogelijk. „Weg!.… en voor goed ook!”„Weg?” vroeg dokter Antekirrt.„Ja,” knikte de reus.[224]„Waarheen?”„Hulp halen!”„Hulp halen, Kaap Matifou?.… Maar hoe?”„Als een bal.”„Als een bal? Zijt gij krankzinnig geworden?” vroeg dokter Antekirrt verstoord.„Ja! als een bal!” zeiKaapMatifou trotsch, terwijl hij de armen over elkander bewoog om eene wentelende beweging na te bootsen.En hij verhaalde toen zoo duidelijk hem slechts mogelijk was, wat Pescadospunt uitgevoerd had.„Brave kerel!” riep de dokter inderdaad in vervoering uit. „Brave kerel!”En zich tot zijne manschappen wendende:„Moed gehouden, vrienden!” zei hij. „Moed!.… Die bandieten zullen ons niet gevangen nemen!”En men ging voort met rotsblokken op de aanvallers te storten. Maar ook aan dat verdedigingsmiddel kwam weldra gebrek. De geheele voorraad was bijna opgeruimd.Tegen drie uren des morgens waren dokter Antekirrt, Piet Bathory, Luigi Ferrato, Kaap Matifou en de overige manschappen genoodzaakt, terwijl zij hunne gewonden medevoerden, het huis te ontruimen, dat Zirone toen in handen viel. Twintig zijner bandieten waren gedurende den strijd gedood en toch had hij de getalsterkte nog aan zijne zijde. De kleine troep kon dan ook niet anders den aftocht bewerkstelligen dan door langs de hellingen van den centraalkegel op te klauteren, langs die opeenhooping van lavabrokstukken, van sintelslakken en asch, welker top den krater vormde, dat wil zeggen van dien vuurkolk.Allen zochten evenwel eene toevlucht op die hellingen; terwijl zij hunne gewonden medevoerden. Van de driehonderd meters, die de helling van dien sintelkegel meet, doorliepen zij te midden van zwaveldampen, die de wind naar hen toedreef, twee honderd en vijftig meters.De dag begon toen aan te breken en reeds werden in de verte de nokken van het Calabrische gebergte ten oosten van de Straat van Messina gelegen, als met goud getooid.Maar in den toestand, waarin dokter Antekirrt en de zijnen zich bevonden, bood het daglicht zelfs geen kans tot redding aan. Zij moesten steeds terugwijken, de hellingen opklauteren en de laatste patronen verschieten; terwijl Kaap Matifou met menschelijke kracht de laatste rotsblokken voortslingerde.Zij moesten zich dus verloren achten, toeneensklapseen aantal geweerschoten aan den voet van den kegel vernomen werden, gepaard aan woest geschreeuw.[225]Een oogenblik van aarzeling, van weifelmoedigheid openbaarde zich in den bandietentroep. Maar weldra stoof hij uiteen en liet ieder hunner zich langs de hellingen van den berg, zoo snel hij maar kon, afglijden. Zij hadden de maréchaussées herkend, die van Casona, met Pescadospunt aan hun hoofd, opgerukt waren.De stoutmoedige kerel had zelfs niet noodig gehad tot dat dorp door te loopen. De maréchaussées hadden eindelijk de geweerschoten gehoord en bevonden zich reeds op weg. Pescadospunt kwam inderdaad goed van pas, om hen naar de Casa Inglese te geleiden. Geen oogenblik mocht verloren gaan.Toen hernamen de dokter en zijne makkers het offensieve. Kaap Matifou stormde, alsof hij zelf een rotsmassa was, op de meest nabij zijnde boeven, velde er twee van neder, die den tijd niet gehad hadden, om te ontvluchten en stortte zich op Zirone.„Bravo Kaap van mijn hart! Bravo!” riep Pescadospunt, terwijl hij naar hem toeijlde. „Leg hem neer! Laat hem de schouders aan de hielen raken!.… De wedstrijd, heeren! De wedstrijd tusschen Zirone en Kaap Matifou! Nu zult gij iets kostelijks zien! Gij zult voor uw geld niet bedrogen zijn. Treedt binnen heeren! Treedt binnen!”Zirone hoorde dat kermisgeschreeuw. Met de eene hand, die hem vrijgebleven was, schoot hij, ziedend van toorn, zijn revolver op Pescadospunt af.De armekerelrolde op den grond. Blijkbaar was de kleine man ernstig gekwetst.Toen gebeurde er iets verschrikkelijks.Kaap Matifou had Zirone bij den hals gegrepen en sleurde hem voort, zonder dat de ellendeling, die half verworgd was, er iets tegen vermocht.Te vergeefs schreeuwde dokter Antekirrt, die den boosdoener levend in zijne macht wenschte, den reus toe, om hem te sparen!Te vergeefs trachtte Piet Bathory en Luigi Ferrato hem in te halen, welke haast zij daarbij ook betrachtten.Kaap Matifou had slechts ééne gedachte, namelijk: dat Zirone met zijn schot Pescadospunt wellicht doodelijk getroffen had! Toen was hij zich zelven niet meer meester, toen hoorde hij niets meer! Hij bekeek zelfs dat menschelijke overblijfsel niet, hetwelk hij aan het uiteinde van zijn uitgestrekte arm droeg.Hij klom steeds met verhaaste schreden langs de helling van den centraalkegel des vulkaans naar boven. Eindelijk bereikte hij met een laatsten sprong den gapenden mond van eene brandende solfatara. In dien vuurput smeet hij Zirone ter neder.Inmiddels lag Pescadospunt, vrij ernstig gekwetst, op de knie van dokter Antekirrt gesteund, die de wond onderzocht en verbond. Toen Kaap Matifou bij hem teruggekeerd was, stroomden hem de[226]tranen langs de wangen. De arme kerel was letterlijk buiten zich zelven van droefheid en smart.„Wees niet bedroefd, dierbare Kaap! Wees niet bedroefd! Het heeft niets te beteekenen!” stamelde Pescadospunt.Kaap Matifou nam hem in zijne armen, zoo als hij met een kind zoude gedaan hebben, en droeg hem langs de kegelhelling naar beneden; terwijl al de anderen hem volgden en de maréchaussées de laatste vluchtelingen van de bende van Zirone ijverig en onverpoosd nazetten.Zes uren later was de dokter met al de zijnen te Catania terug en scheepten zich dadelijk aan boord van het stoomjachtFerratoin. Luigi leidde daarbij het vervoer en de inscheping der gekwetsten.Pescadospunt werd in de kajuit neergelegd. Met dokter Antekirrt tot geneesheer en Kaap Matifou tot ziekenoppasser, werd hij waarlijk goed verpleegd! Daarenboven, zijne wond—een eenvoudig pistoolschot bij den schouder, vertoonde geen enkel ernstig verschijnsel. De genezing was dus slechts eene quaestie van tijd. Als de lijder behoefte aan slaap had, verhaalde hem Kaap Matifou eene vertelling—steeds dezelfde, de arme reus wist niet meer—en dan sluimerde Pescadospunt zachtkens in, en vond verlichting in eene gezonde rust, bewaakt en gekoesterd, als hij was, door ware vriendschap.Echter kon, in weerwil van alles, niet ontveinsd worden, dat dokter Antekirrts plannen totaal schipbreuk hadden geleden en dat nog wel bij het begin van den ondernomen veldtocht. Na op het punt geweest te zijn, van zelf in handen van Zirone te vallen, was hij er zelf niet in geslaagd om zich van dien makker van Sarcany meester te maken. Dat was noodlottig genoeg! Welke plannen had hij niet reeds daarop gesmeed! O, hij zou dien schoft wel genoopt hebben zijne geheimen mede te deelen!En nu? Nu was dat alles in rook verdwenen! En eigenlijk was dat de schuld van Kaap Matifou.… Maar kon men dien dat wel zoo kwalijk nemen? Hij volgde toch slechts de inspraak van zijn hart!Dan kwam er nog bij, dat, hoewel de dokter er niet tegen op gezien had, om na dien nutteloozen tocht, nog een achttal dagen te Catania te vertoeven, hij geen enkel bericht kon inwinnen omtrent Sarcany. Wanneer die plannen gemaakt had, om Zirone in Sicilië op te zoeken, dan waren zij ongetwijfeld gewijzigd, toen hij met het bericht van den valstrik, die dokter Antekirrt gespannen was, tevens den dood van zijn ouden makker vernam.Er viel dan in weerwil van alles inderdaad niet anders te doen dan Sicilië te verlaten.DeFerratokoos dan ook op den 8stenSeptember weer zee en koerste in allerijl naar het eiland Antekirrta, waar het vaartuig na een zeer voorspoedige reis aankwam.[227]Daar zouden de dokter, Piet en Luigi hunne plannen hervatten, maar die alvorens ten zorgvuldigste herzien en uitwerken. Hun geheele leven bewoog zich toch daar omheen. Het gold thans Carpena terug te vinden. Die toch moest weten, wat er van Sarcany en Silas Toronthal geworden was, en waar die schurken zich ophielden.Ongelukkiglijk voor den Spanjaard, die, wel is waar, door in de kroeg van Santa Grotta achter te blijven, aan de vernietiging der bende van Zirone ontkomen was, bleef zijn goed gesternte hem niet getrouw, en was zijn geluk weldra uit.Inderdaad tien dagen later ontving dokter Antekirrt van een zijner agenten het bericht, dat Carpena te Syracusa in hechtenis genomen was,—niet als medeplichtige van Zirone,—maar voor eene vroegere misdaad, die reeds van voor vijftien jaren geleden dagteekende, voor een moord, dien hij te Almayata, in de provincie Malaga, bedreven had, en waarna hij Spanje, zijn vaderland, verlaten had, om zich te Rovigno in Istrië te vestigen. De lezer ziet, dat de kerel voor schurk in de wieg gelegd was. Hij was zijn karakter getrouw gebleven.Drie weken later werd Carpena, wiens uitlevering door het Spaansche gouvernement verkregen was, naar zijn vaderland overgevoerd en daar tot levenslange galeistraf veroordeeld en naar de Marokkaansche kust, naar het presido van Ceuta, een der voornaamstestrafkoloniënvan Spanje, gezonden.„Eindelijk,” zei Piet Bathory, „is dan toch gerechtigheid geschied en is een dier ellendelingen in het bagno te recht gekomen en dat nog wel voor levenslang!”„Levenslang!.… Neen! waarachtig niet!” antwoordde dokter Antekirrt somber en ernstig.De jongman keek hem onthutst aan. Hij scheen hem niet te begrijpen en was op het punt inlichting te vragen.„Andreas Ferrato is in het bagno overleden!” ging de dokter met hoogst ernstige stem voort, „en daar moet een schurk als Carpena niet sterven! Zoo’n dood zou te eervol voor zulk een booswicht zijn! Vindt gij dat ook niet?”Piet Bathory knikte bevestigend. Hij keek den dokter met een ondervragenden blik aan.„Ja, zoo beschouwd, hebt gij gelijk,” antwoordde hij eindelijk. „Maar wat hebt gij dan anders voor?”Dokter Antekirrt antwoordde niet dadelijk. Het was of hij nadacht. Eindelijk sprak hij toch:„Geduld, Piet! Geduld!”EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.[228]

Den volgenden dag, zoo omstreeks één uur in den namiddag, maakten dokter Antekirrt en Piet Bathory hunne toebereidselen, om van boord te gaan en aan hunne voornemens gevolg te geven.

De barkas nam de passagiers op, maar alvorens daarin af te[202]dalen, beval de dokter kapitein Köstrik aan, goed te doen uitkijken naar de aankomst van deElectriek, die ieder oogenblik te wachten was, en droeg hem op, dat vaartuigonmiddellijknaar de wateren derFaraglioni, ook de rotsen van Polyphemus genaamd, te zenden. De scheepsgezagvoerder knikte ten teeken dat hij zijn patroon goed begrepen had.

Wanneer het plan gelukte, wanneer Sarcany, of ten minste Zirone en Carpena gevangen genomen waren, dan moest dat snelle bootje hen dadelijk naar Antekirrta overbrengen, waar de dokter de verraders van Triëst en van Rovigno in zijne macht wilde hebben. Zoo waren de plannen, zoo zou moeten gehandeld worden.

De barkas stak af. In weinige minuten had zij de trap van de kade van Catania bereikt.

Dokter Antekirrt en Piet Bathory waren in het gewone reispak van bergbeklimmers gestoken, die genoopt zullen worden om eene temperatuur te trotseeren, die tot zeven graden onder het vriespunt kan dalen, terwijl zij op het strand nabij de oppervlakte der zee dertig daarboven teekent. Zij hadden een gids bij de afdeeling der Alpenclub op de Via Lincoln No. 17 besproken. Deze wachtte hen met paarden, die te Nicolosi door muildieren zouden vervangen worden, welke laatste dieren steviger op de beenen waren, daarbij als onvermoeibaar geroemd worden en bijgevolg de voorkeur, in zoo’n bergterrein als Sicilië is, verdienden.

De stad Catania, welker breedte gering te noemen is in vergelijking met hare lengte, was spoedig doorsneden.

Niets duidde den dokter aan, dat hij bespied of gevolgd werd. Hij en Piet Bathory begonnen, na den Belvedère-weg ingeslagen te hebben, te stijgen en dus den invloed te ondervinden van de eerste verheffingen van het Etnasche bergstelsel, waaraan de Sicilianen den naam van Mongobello-berg gegeven hebben en welker doorsnede niet minder dan vijf en twintig mijlen meet, hetgeen voor een voorgebergte nog al aanmerkelijk mag heeten.

De weg was natuurlijk zeer geaccidenteerd en uiterst bochtig. Hij week somwijlen van de algemeene richtig af, omlavabeddingen, om basaltrotsen, welker versteening van voor millioenen jaren dagteekent, om droge ravijnen, die in het voorjaar in woeste bergstroomen herschapen worden, te mijden. Dat waren allen terreinhindernissen, die aangetroffen werden in een boschrijke streek, waarin de olijfboomen, de oranjeboomen en de esschen ruimschoots vertegenwoordigd waren, wier takken als met festoenen getooid werden, met slingerlooten van krachtige wingerds en andere klimplanten, die er zich om heen slingerden.

Dat was de eerste der drie gordels, die de verschillende hoogten van den vulkaan omvatten, van dien smidsoven, zooals de vertaling[203]van het Phénisische woord Etna luidt, van dien „aardspijker en steunpilaar des hemels”, volgens de aardkundigen van een ander tijdvak, toen de wetenschap der aardkunde nog niet bestond.

Na gedurende twee uren gestegen te zijn, konden dokter Antekirrt en zijn jeugdige metgezel Piet Bathory gedurende eene halte van weinige minuten, die meer voor de rijdieren dan voor de ruiters noodzakelijk was, de geheele stad Catania, die trotsche mededingster van Palermo, welke niet minder dan vijf en tachtig duizend inwoners telt, aan hunne voeten ontwaren. Eerst bespeurden zij de lijnen van hare voornaamste straten, die evenwijdig aan de kade liepen; dan de klokketorens en de overwelfde koepelverhevenheden harer honderd bedehuizen; verder de talrijke en schilderachtige kloosters, en eindelijk de huizen, die meerendeels in den trotschen bouwstijl der zeventiende eeuw opgetrokken waren. En dat alles was omgeven, ja omlijst door een band van groene boomen, zoo bevallig, dat weinig steden in Europa er op bogen kunnen zulk een gordel om het middel geslagen te hebben.

Vervolgens, verder vooruit, ontwaarden zij de havenkom, welker natuurlijke dijken door den Etna zelven opgetrokken waren, nadat hij hem eerst gedeeltelijk gevuld had bij de schrikkelijke uitbarsting van 1669, die veertien steden en dorpen verwoestte en achttien duizend menschen deed omkomen, door over den omtrek meer dan een millioen kubieke meters lava, zand en vulkanische asch uit te storten en daardoor alles op de schrikkelijkste wijze te verwoesten.

Overigens, als de Etna minder woelig in onze negentiende eeuw is, dan heeft hij waarachtig wel eenige aanspraak om tot rust te mogen komen. Men telt inderdaad meer dan dertig uitbarstingen sedert de invoering van het Christendom. Dat Sicilië bij die machtige natuurverschijnselen niet vernietigd is, moet als bewijs gelden dat hare grondvesten stevig zijn. Daarenboven dient opgemerkt te worden, dat de vulkaan zich geen permanenten krater gevormd heeft. Grillig als een jonge dame, verandert hij dienaangaande. De berg barst open, daar waar hij voor het oogenblik den minsten wederstand ondervindt en waar zich dus bij hem een dier vuurspuwende gezwellen vormt, waardoor dan al de lavabestanddeelen, die in zijne ingewanden koken en borrelen, een uitweg vinden. Vandaar het ontstaan van die groote hoeveelheid kleine vulkanen, de Monte Rossi genaamd, dubbelbergen, gevormd in drie maanden tijds door de uitgeworpen asch, zand, steenen en sintels, in 1669 op eene hoogte van honderd zeven en dertig meter, en wier krater aan bijtorentjes gelijk, die rondom den hoofdtoren van eene kathedraal gerangschikt staan, en Frumento, Sinoni, Stornello Crisinio genoemd worden, ongerekend die kraters die in 1809, 1811, 1819,[204]1838, 1852, 1865 en 1878 gevormd en welker trechtervormige bekken de flanken van den hoofdkegel uithollen als de cellen van een honigraat.

Toen de toeristen het gehucht Belvedère doorgetrokken waren, sloeg de gids een pad in, om den weg van Travestiéri, dicht bij dien van Nicolosi te bereiken. Men was nog steeds in den eersten gordel van het bergstelsel, die bebouwd kan gerekend worden. Deze strekt zich tot het stedeke uit, dat wil zeggen tot eene hoogte van twee duizend honderd en twintig voeten, of ruim zeshonderd drie en zestig meters.

Het was ongeveer vier uren in den namiddag, toen Nicolosi in het gezicht kwam, zonder dat de toeristen op den afstand van vijftien mijlen, welke zij, sedert zij Catania verlieten, afgelegd hadden, eenige kwade ontmoetingen, hetzij in den vorm van wilde zwijnen, hetzij in den vorm van wolven, hetzij in den vorm van bandieten of struikroovers ondervonden hadden.

Maar zij hadden nog twintig kilometers te doorloopen, alvorens zij de Casa Inglese zouden bereiken.

„Hoelang willen Uwe Excellentiën hier toeven?” vroeg de gids aan de reizigers.

„Zoo kort mogelijk,” was het antwoord van dokter Antekirrt, kort afgemeten.

„Maar hoe lang zal het duren?” was de wedervraag. „De heeren moeten mij verontschuldigen. Ik dien dat te weten.”

„Ik wenschte dezen avond tegen negen uur op onze bestemming aangekomen te zijn.”

„Dan blijft ons zeer weinig tijd over, heeren! Dan moeten wij voortmaken, en geen oogenblik verloren laten gaan.”

„Gij moet beslissen. Wij zullen niet langer toeven, dan gij ons zult toestaan.”

„Maar hoe lang verlangt Uwe Excellentie hier te blijven?” vroeg de gids.

„Is veertig minuten te lang?” vroeg dokter Antekirrt, terwijl hij den Siciliaan aankeek.

Deze dacht een oogenblik na. Hij scheen zich in een moeielijke berekening te verdiepen.

„Veertig minuten? Dat kan,” zei hij eindelijk. „Maar, heeren, gelooft me, geen oogenblik langer.”

Ja, het was Pescadospunt. (Bladz. 214.)Ja, het was Pescadospunt. (Bladz. 214.)

Ja, het was Pescadospunt. (Bladz. 214.)

Het was weinig, maar toch genoeg om een sober maal te gebruiken in een der beide herbergen van het stedeke. Toch moesten de reizigers erkennen, dat de spijzen zoo lekker toebereid waren, dat daardoor de hofmeesters-faam van den Siciliaansche gaarkeukens niet weinig verhoogd werd. Dat kan gerust ter eere gezegd worden van de drieduizend inwoners van Nicolosi, waaronder de bedelaars,[206]die er in menigte krioelen, gerekend moeten worden. Een reebout en vruchten als; druiven, oranje- en granaatappelen; en wijn van San Placido, een uiterst goed merk, dat in de omstreken van Catania gewonnen wordt. Waarlijk er zijn vele steden in Italië, die voor veel aanzienlijker dan Nicolosi doorgaan, en zich gekrenkt zouden gevoelen, daarmede vergeleken te worden, maar waar menige kastelein verlegen zoude staan, om zijne reizigers en overige gasten zoo goed te onthalen, als dat hier geschiedde op de hellingen van den Etna.

Voor dat vijf uren geslagen waren,beklauterdendokter Antekirrt, Piet Bathory en de Cataniaansche gids, alle drie op muildieren gezeten, de tweede verdieping van het bergstelsel en bereikten den woudgordel. Die zone wordt zoo niet genoemd, omdat er werkelijk wouden zouden bestaan, of omdat er meer boomen dan elders aangetroffen zouden worden. O, neen, want de houthakkers hebben zich sedert eeuwen bevlijtigd en bevlijtigen zich hier even als elders, nog steeds, om de eeuwenoude en prachtige bosschen te vernielen, die weldra niet anders meer dan in de mythologische herinneringen zullen bestaan. Evenwel werden hier en daar bij wijze van boschjes of groepen, langs delavabeddingen, of op de hellingen der ravijnen en afgronden, beuken, eiken en een soort vijgeboomen, met bijna zwart loof aangetroffen; terwijl in hooger gelegen streeken, dennen, pijnboomen en berken ontwaard werden. Dat die waren blijven staan, was alleen daaraan te danken, dat zij in schier ontoegankelijke terreinen opgeschoten waren, waardoor het vervoer van het hout te moeilijk werd.

De vulkanische asch, vermengd met eenige teelaarde, stelde een vruchtbaren bodem daar en strekte tot voedsel van machtige varenstoelen, van esschenkruid, van maluwstruiken, en werd overigens overdekt met een weelderig mostapijt.

Tegen acht uren hadden dokter Antekirrt en Piet Bathory reeds eene hoogte van drie duizend voeten bereikt, waar ongeveer de grens op deze breedte van de eeuwigdurende sneeuw aangetroffen wordt. Die sneeuw is op de hellingen van de Etna in zulk eene ontzettende hoeveelheid voorradig, dat geheel Italië en Sicilië daarvan voorzien zouden kunnen worden. Dat was de gordel der zwarte lavabeddingen, der vulkanische asch, der slakken, der sintels, die zich langs eene breede spleet uitstrekt, die een elliptischen vorm aanneemt en de Valle de Bore geheeten wordt.

De steile rotswanden van die spleet, welke van duizend tot drie duizend voeten hoog waren, moesten omgetrokken worden, terwijl men in de breuken en hellingen van die steengevaarten, gangen van graniet- en bazaltgesteente bespeuren kon, die door het vulkanisch vuur niet aangetast schenen.

Vlak voor onze toeristen verhief zich de eigenlijke kegel van den[207]vulkaan, op welker hellingen zich eenige phanegoramische planten, hier en daar enkele plekken van groen vormden. Die centrale verheffing vormde op zich zelven een geheelen berg—Pelion op Gasa—en vertoonde op een hoogte van drie duizend drie honderd zestien meters boven de oppervlakte der zee een afgeronden top.

De bodem trilde reeds merkbaar onder de voeten onzer reizigers. Onder de sneeuwlagen deden zich dreuningen gevoelen, die opgewekt werden door den plutonischen arbeid, welke dat geheele Etnasche bergstelsel voortdurend teistert. Eenige zwaveldampen, die door den wind van de rookpluim des kraters afgesleurd werden, sloegen tot bij den voet van den kegel neer, hetgeen het ademhalen soms bemoeielijkte; terwijl slakken, in vorm niet ongelijk aan gloeiende cokes, op het witte sneeuwveld neervielen, daarin sissend uitbluschten, een klein wit stoomwolkje vormend, maar daarbij een zwart spoor achterlieten.

De luchtgesteldheid was toen zeer koud en daalde voorzeker eenige graden beneden het vriespunt, waardoor de ademhaling, ten gevolge van de meerdere ijlheid der lucht, zeer bemoeielijkt werd.

Onze bergbeklimmers waren reeds genoodzaakt geweest zich dicht in hunne reismantels te wikkelen. Een scherpe bries streek over de berghelling, zweepte fijne sneeuwkristalletjes van den bodem op en deed ze met haren ijzigen adem in de ruimte dwarrelen en overal doordringen.

Van deze hoogte kon men even beneden den grooten vuurmond, waaruit hooge vlammen opstegen, ja als uitgestooten werden, andere mindere kraters ontwaren, die niets anders waren dan smalle solfatara’s, eigenlijke brandende zwavelbronnen of diepe sombere putten, op welker bodem het vulkanische vuur, rood als bloed glinsterde, en waaruit een vuilgele rook, voorzeker niets anders dan zwavelig gas, uitgestooten werd.

Steeds werd een dof onafgebroken gerommel vernomen, alsof een onderaardsche orkaan met afnemende en aanwakkerende krachten loeide, zooals een onmetelijke stoomketel zoude razen, wanneer zijn oververhitte damp de zekerheidskleppen deed wijken. Dat gerommel strekte volstrekt niet tot geruststelling.

Toch was geene uitbarsting te voorzien en die inwendige woede vertolkte zich slechts door het geluid van den hoofdkrater en van de vulkanische gaten, die den hoofdkegel allerwege doorboorden.

Dokter Antekirrt keek op zijn horloge. Het was toen negen uren des avonds.

De hemel tintelde van het schitterende licht van duizenden sterren, die met te meer pracht fonkelden, naarmate de dichtheid van den dampkring op die hoogte minder was. De maansikkel was op[208]het punt om in het westen in de Eolische zee onder te gaan. Een zoodanige nacht, doorgebracht op een berg, die geen vulkaan was, zou een onvergelijkelijk verheven schouwspel opgeleverd hebben. Maar, behalve het angstverwekkende gesteun en geloei, door den vuurspuwenden berg veroorzaakt, hadden onze toeristen wel andere zaken in het brein, die hen ongetwijfeld ongevoelig voor die prachtige natuurtafereelen maakten.

„Wij moeten dicht bij het doel onzer reis zijn,” zei dokter Antekirrt eindelijk.

„Dat dunkt mij ook,” antwoordde Piet, na ook zijn horloge geraadpleegd te hebben.

„Wel, gids?” vroeg de dokter, zich tot hunnen begeleider wendende, „wat dunkt u er van?”

„Wat is er Excellentie?” vroeg de Siciliaan, als uit een droom ontwakende.

Hij had de woordenwisseling van de beide reizigers niet gehoord. Wie weet, waarmede zijne gedachten zich bezig hielden.

„Is het nog ver?”

„Daar ginds is de Casa Inglese, heeren,” sprak hij, rondom zich ziende, om zich teoriënteeren.

Hij wees op een muurvlak, hetwelk op een afstand ontwaard werd en waarin twee vensters en eene deur te bespeuren waren, die door de eigenaardige ligging ten opzichte der hemelstreken voor eene ophooping van sneeuw beveiligd waren gebleven. Dat gebouw lag op een vijftig passen afstand ter linkerzijde en op vier honderd acht en twintig meters beneden den top van den hoofdkegel. Het werd in 1811 door Engelsche officieren op een bergplat met lavabodem, Piano del Lago genaamd, gebouwd.

Kort na het tijdstip, waarin dit verhaal speelt, werden de werkzaamheden ondernomen, om de Casa Inglese door de zorgen van het Italiaansche gouvernement en van den gemeenteraad van Catania, in een observatorium te herscheppen, hetgeen ter wille van de wetenschap reeds sedert lang had moeten geschied zijn.

Want zij dekten zich achter de vele rotsblokken. (Bladz. 219.)Want zij dekten zich achter de vele rotsblokken. (Bladz. 219.)

Want zij dekten zich achter de vele rotsblokken. (Bladz. 219.)

Dit huis, hetwelk ook de Casa Etnea genoemd werd, is langen tijd door den heer Gamelloso, broeder van den beroemden aardkundige van dien naam,onderhouden, maar was nu juist door de zorgen van de Alpen Club gerestaureerd geworden. Niet ver er van daan werden in de duisternis eenige bouwvallen bespeurd van Romeinschen oorsprong, waaraan men den naam van den „Toren der Wijsgeeren” gegeven heeft. Van dat punt, zoo verzekert de legende, zou Empedocles zich in den brandenden krater gestort hebben, hetgeen eene zonderlinge wijze is, om van zijne voorliefde voor de wijsbegeerte, dat moet men erkennen, te getuigen; tenzij men er toe overhelt de oorzaak van die daad te willen zoeken in de[210]acht dagen eenzaamheid, die de Grieksche wijsgeer in die schrikkelijke streken doorbracht, in welk geval zij begrijpelijk wordt, maar haar dan als de daad eens krankzinnigen moet doen aanmerken.

Middelerwijl hadden dokter Antekirrt, Piet Bathory en de gids zich naar de Casa Inglese begeven. Daar aangekomen, klopten zij aan de deur, die onmiddellijk opengedaan werd.

In het daaropvolgend oogenblik bevonden zij zich te midden hunner manschappen.

Die Casa Inglese bestond alleen uit drie vertrekken, welke slechts een spaarzaam ameublement, namelijk: eene tafel, ettelijke stoelen en eenig keukengereedschap, bevatten. Maar dat was voldoende, om den bergbeklimmers van den Etna, na eene hoogte van twee duizend acht honderd en vijf en tachtig meters, of ruim negen duizend twee honderd voeten bereikt te hebben, eenige rust te laten genieten.

Tot dat oogenblik had Luigi Ferrato, uit vrees dat de tegenwoordigheid van zijn klein detachement verraden, of zelfs maar gegist zou kunnen worden, geen vuur laten aanleggen, hoewel de koude zich geducht deed gevoelen. Maar thans was het niet meer noodig dien voorzorgsmaatregel te betrachten, daar Zirone wist dat dokter Antekirrt en Piet Bathory den nacht in de Casa Inglese zouden doorbrengen. Men stookte den haard dan ook met hout, dat in voorraad in de nabijheid van het gebouw gevonden werd, flink op. Weldra knetterden de vlammen, welke de ontbrekende warmte en lucht spoedig herstelden.

Intusschen riep dokter Antekirrt Luigi Ferrato ter zijde en vroeg hem:

„Heeft zich niets meldenswaardigs sedert uwe aankomst alhier voorgedaan?”

„Neen,” antwoordde Luigi, „maar.…”

„Ga voort. Maar wat?”

„Ik geloof niet, dat onze tegenwoordigheid zoo geheim is gebleven, als wel gewenscht is.”

„Niet geheim? Dat zou zeer jammer zijn,” antwoordde dokter Antekirrt niet zonder bezorgdheid.

„Neen, zij is niet geheim gebleven,” herhaalde Luigi Ferrato.

„Waaruit maakt gij dat op?.… Spreek!.… Misschien vergist gij u wel.”

„Ik maak het daaruit op, dat wij sedert ons vertrek van Catania, als ik mij niet bedrieg, door een man gevolgd zijn geworden, die verdwenen is, een poos voordat wij den voet van den vulkaankegel bereikt hebben.”

„Dat is inderdaad betreurenswaardig, Luigi,” antwoordde dokter Antekirrt nog meer ernstig.[211]

„Dat meen ik ook, heer dokter.… Maar, zeg mij, wat was er aan te doen? Volgens mij niets.”

„Daarin hebt gij gelijk; maar dat zou Zirone den lust benemen kunnen, om mij te komen overvallen, vindt gij niet?”

„Voorzeker. Dat is de gedachte, die ook bij mij opgekomen is. De kerel is er laf genoeg toe.”

„En hebt gij sedert de avond gevallen is, niemand in den omtrek der Casa Inglese zien ronddoolen?”

„Niemand, heer dokter.”

„Hebt gij u daarvan overtuigd, bijvoorbeeld door de omstreken voorzichtig te doorzoeken?”

„Ja, heer dokter. Ik heb de voorzorg zelfs genomen, om in persoon de bouwvallen van den „Toren der Wijsgeeren” te verkennen en te onderzoeken.”

„En?”

„Zij waren ledig. Ik heb er niemand aangetroffen. De geheele omtrek is eenzaam en verlaten.”

„Wij zullen moeten afwachten, Luigi. Er valt niets anders te doen. Dunkt u ook niet?”

„Ja, heer dokter,” antwoordde de jonge zeeman. „Wij kunnen niets anders doen, dan bedaard wachten.”

„Maar laat een man op uitkijk voor de deur staan. Een schrandere kerel, hoor.”

„Goed, heer dokter. Ik zal een mijner beste manschappen op post uitzetten.”

„De nacht is helder, niet waar? En het uitzicht onbelemmerd?” vroeg dokter Antekirrt.

„Ja, men kan op eenigen afstand zien. De maan is reeds boven den gezichteinder.”

„Het is zaak, Luigi, dat wij niet overvallen worden. Dat zou de grootste rampen na zich sleepen.”

„Zeer juist gezien, heer dokter. Een overval zou ons allen het leven kosten, inderdaad.”

De jeugdige zeeman ging naar buiten, om de bevelen des dokters ten uitvoer te leggen. Daarna ging hij op een houten bankje voor den haard zitten; terwijl zijne manschappen zich rondom hem op ettelijke bosschen stroo uitstrekten. Waarlijk, het was alsof eene bende bandieten thans de Casa Inglese in bezit genomen hadden.

Kaap Matifou was intusschen den dokter genaderd en keek hem aan zonder te durven spreken. Maar het was niet moeielijk te begrijpen, wat hem verontrustte.

„Gij wilt weten, wat er van Pescadospunt geworden is?” vroeg dokter Antekirrt.[212]

De reus knikte bevestigend. Woordenrijk was hij nimmer geweest. Maar in dat oogenblik vooral niet.

„Geduld!.… Kaap Matifou. Geduld!.…” maande dokter Antekirrt. „Geduld, mijn vriend!”

De Hercules grinnikte; maar op zijn gelaat was te lezen, dat hij wel wat meer gehoopt had.

„Hij zal wel spoedig terugkomen.… hoewel hij op dit oogenblik een partij speelt, die hem kan doen hangen.…”

„Aan onzen hals?” vulde Piet aan, die het groote kind niet verontrusten wilde over het lot van zijn makker.

„Zoooo!” sprak Kaap Matifou met een zucht en een glimlach. Hij scheen het niet begrepen te hebben.

Inmiddels verstreek een uur, zonder dat iets de eenzaamheid stoorde, die rondom den centralen bergkegel van den Etna heerschte. Geen enkele schaduw had zich op de sneeuw der helling, die de Plano del Lago omgaf, vertoond. Dat verwekte eene soort van ongeduld en zelfs van onrust, die de dokter en Piet niet bedwingen konden.

Wanneer Zirone bij toeval gewaarschuwd was, omtrent de aanwezigheid van het kleine detachement, dan zou hij het nooit wagen durven, om de Casa Inglese aan te vallen. Dan ware alle moeite te vergeefs geweest en kon de geheele onderneming als mislukt beschouwd worden. En toch moest men dien Sarcany zien in handen te krijgen, of bij gebreke van hem zijnen medeplichtige, dien Zirone, om hem zijne geheimen te ontweldigen!

Weinige minuten voor tien uren, werd de knal van een geweerschot, dat—zooals men meende—op een halve mijl beneden de Casa Inglese gelost was, vernomen.

Allen sprongen op, vlogen naar buiten, keken scherp uit, maar ontwaarden niets, wat hen verdacht voorkwam.

„Het was toch een geweerschot?” vroeg Piet Bathory. „Ik heb toch goed gehoord?”

„Ja, zeker,” antwoordden verscheidene stemmen. „Ongetwijfeld, het was een geweerschot.”

„Wellicht een jager, die hier of daar in het gebergte verdekt op den loer ligt, om een arend of een wild zwijn te schieten,” zei Luigi Ferrato. „Dat zal het zijn.”

„Laten wij weer naar binnen gaan,” zei Piet Bathory, blijkbaar zeer teleurgesteld.

„Ja, laten wij weer naar binnen gaan,” beaamde de dokter. „Wij moeten vooral vermijden, dat wij gezien worden.”

Allen traden binnen. De deur werd zorgvuldig gesloten. Het was toch zeer koud.

Maar tien minuten later volgde hen de zeeman, die buiten uitkeek, met versnelden pas.[213]

„Gauw, gauw!” riep hij. „Ik heb.…”

„Wat?” vroeg Luigi.

„Ik heb iemand.…”

„Verscheidene mannen?.…”vroeg Piet Bathory. „Kom spreek!”

„Neen, neen, niet verscheidene.… Slechts een enkele.”

De dokter,Piet, Luigi en Kaap Matifou vlogennaar dedeur; maar zorgden daarbij in de schaduw te blijven.

En, inderdaad, een man beklom vlug als een gems, de lavabedding, die de helling van het bergvlak uitmaakte waarop de Casa Inglese stond. Hij was geheel alleen en na weinige sprongen lag hij in de armen, die zich voor hem openden, in die van Kaap Matifou.

„Ik heb hem!” riep deze. „Ja, ik heb mijn Pescadospunt!.… Ik heb mijn dierbaren vriend!”

Ja, het was Pescadospunt.

„Gauw, gauw, achter de muren gedekt, heer dokter!” riep hij, terwijl hij de anderen met zich naar binnentrok.

In een ondeelbaaroogenblikwaren allen de Casa Inglese weer binnengestormd, waarvan de deur dadelijk zorgvuldig gesloten en de grootste stilte in acht genomen werd.

„Wat is er?” vroeg Piet fluisterend, terwijl hij hem bij een arm greep.

„En Zirone?” vroeg de dokter, die den anderen arm vatte. „Wat is van hem geworden?”

„Hij komt! heer dokter.… shut!.… Hij komt!.…”

„Hebt gij hem kunnen verlaten? Drommels, dat was een gevaarlijk stuk.”

„Ja!.… om u te waarschuwen!.… Weinigeoogenblikkengeleden was ik nog bij hem.”

„Hij komt dus?.… Dat is boven allen twijfel, niet waar, Pescadospunt?”

„Voorzeker!.…”

„Wanneer?”

„Binnen twintig minuten zal hij hier zijn! Zoolang zal het wellicht niet eens duren, denk ik.”

„Des te beter!” sprak dokter Antekirrt, terwijl hij zich vergenoegd de handen wreef.

„Neen! des te slechter!” sprak Pescadospunt op hoogst ernstigen toon.

„Wat bedoelt ge?”

„Ik weet niet hoe en door wien hij gewaarschuwd is,” antwoordde Pescadospunt, „hij weet, dat gij hier voorafgegaan zijt door een twaalftal manschappen!.…”

„Ongetwijfeld door dien bergbewoner, die ons bespied heeft,” zei Luigi Ferratoontsteld.[214]

„Hoe het ook zij.… en onverschillig door wien ook ingelicht,” antwoordde Pescadospunt, „maar hij weet het!”

„En verder? Ga toch voort!.… er is haast; want de te nemen maatregelen hangen er van af.”

„Hij heeft begrepen, dat gij hem een strik spant,” gingPescadospuntverder.

„Dat is minder!” meende dokter Antekirrt.

„Ja, maar.…”

„Laat hem maar komen!” riep Piet Bathory uitdagend uit en hief daarbij de vuist op.

„Hij zal komen! mijnheer Piet,” zei Pescadospunt, „wees daarvan verzekerd!”

„Goed zoo!”

„Maar bij de twaalf nieuw aangeworven manschappen, die hij van Malta meebracht, heeft hij nog de rest van zijne bende gevoegd, die heden ochtend te Sante Grotta weergekeerd is.”

„Duivels!” zei Luigi. „Dat verandert de zaak aanmerkelijk. Twaalf en.…”

„Doet niets!” riep Piet Bathory uit. „Doet altemaal niets! Laat ze maar komen!”

„En hoeveel zijn die bandieten te zamen gerekend?” vroeg dokter Antekirrt.

„Ongeveer vijftig!”antwoordde Pescadospunt. „Eerder meer, dan minder, heer dokter.”

„Duivels!” herhaalde Luigi, en monsterde met de oogen zijne manschappen.

„Wat geeft dat?” vroeg Piet minachtend.

Dat laatste was zeer luchtig uitgesproken; maar men kon het zich niet ontveinzen, de toestand van den dokter met zijn kleinen hoop, die slechts uit elf zeelieden bestond, waarbij hij gerekend moest worden en Luigi Ferrato, en Piet Bathory, en Kaap Matifou, en Pescadospunt. Zestien man in het geheel tegen vijftig! Voorwaar, dat was netelig. In ieder geval moest er een besluit genomen worden en spoedig ook; want de aanval, die verwacht werd, kon ieder oogenblik geschieden. Talmen was hier niet geoorloofd. Een ieder moest stipt weten, wat hem te doen stond. Evenwel alvorens te beslissen, wenschte dokter Antekirrt van Pescadospunt alles te vernemen, wat voorgevallen was, en ziehier, wat hij te weten kreeg:

Dat was Kaap Matifou, die basaltrotsen voortrolde. (Bladz. 222.)Dat was Kaap Matifou, die basaltrotsen voortrolde.(Bladz. 222.)

Dat was Kaap Matifou, die basaltrotsen voortrolde.(Bladz. 222.)

Zirone was dienzelfden ochtend van Catania weergekeerd. Hij had daar den nacht doorgebracht en hij was het, dien de dokter in de tuinen van de villa Bellini had zien rondslenteren en bespieden. Toen hij in het moordhol van Santa Grotta weergekeerd was, vond hij daar een bergbewoner, die hem het bericht bracht, dat een[216]twaalftal manschappen, die uit verschillende richtingen aangekomen waren, de Casa Inglese bezet hadden.

Voor Zirone was waarlijk niet meer noodig om den toestand te begrijpen. Hij was het niet, die dokter Antekirrt in een valstrik lokte; maar het was die man, waarvoor men hem gewaarschuwd had, voor wien hij zich te wachten had, welke er hem een spande. Dat was volgens hem duidelijk genoeg en aan geen twijfel meer onderhevig. Pescadospunt drong er evenwel op aan, dat Zirone de Casa Inglese zou aantasten. Hij verzekerde hem dat, al was het bericht, hetwelk hij ontvangen had, ook al juist, zijne Maltezers spoedig met het troepje van den dokter klaar zouden komen. Maar Zirone bleef besluiteloos, omtrent hetgeen hem te doen stond. Zelfs begon hem de aandrang, die Pescadospunt thans trachtte uit te oefenen, zonderling voor te komen, en zelfs zoo, dat hij bevelen gaf om dezen laatste in het geheim, maar toch nauwlettend gade te slaan. Onze grappenmaker bespeurde dat evenwel al heel spoedig. Hij was waarlijk te schrander, om niet te bemerken, dat hij te ver gegaan was, dat de toestand zich gewijzigd had.

Om kort te gaan, Zirone zou waarschijnlijk bij zulke onzekere kansen er van af gezien hebben, om te trachten dokter Antekirrt in handen te krijgen, wanneer zijne bende zich niet zoo omstreeks drie uren in den namiddag bij hem vervoegd had. Toen met eene macht van ruim vijftig manschappen onder zijne bevelen, aarzelde hij niet meer. Hij verliet de herberg La Santa Grotta met zijn geheele troep en richtte zijne schreden naar de Casa Inglese; maar hield zich daarbij ver van de gebaande wegen en trok de wildernis door.

Hij wachtte dus totdat de bende van Zirone in het gezicht van de Casa Inglese, welker juiste ligging hij niet kende, gekomen was.Het licht dat door de vensterluiken scheen, veroorloofde hem eindelijk om haar te ontwaren, zoo omstreeks half tien in den avond, op minder dan twee mijlen afstands op de helling van den kegelberg. Pescadospunt sprong toen in de richting vooruit. Zirone zond hem eengeweerschotachterna, hetzelfde dat in de Casa Inglese waargenomen werd, maar wat hem niet trof. Met zijne clownsvlugheid was hij weldra buiten bereik, en ziedaar, hoe hij in de Casa Inglese aangekomen was, terwijl hij den aanvallenden troep van Zirone slechts twintig minuten vooruit was.

Toen hij zijn verhaal geëindigd had, bedankte de dokter met een innigen handdruk den koenen en schranderen kerel, over hetgeen hij ten uitvoer gelegd had. En dat hij dien dank ten volle verdiend had, begrepen alle aanwezigen.

Daarna besprak men hetgeen gedaan moest worden. De toestand was thans ernstig genoeg.

De CasaIngleseverlaten en te midden van den nacht den terugtocht[217]ondernemen langs de hellingen van dat woeste bergstelsel, waarvan Zirone en zijne lieden al de paden, al de schuilhoeken, al de moeielijke doorgangen kenden, daaraan viel niet te denken. Dat zou zich aan eene totale vernietiging blootstellen zijn. Het zou honderd malen beter zijn, in dat huis den dag af te wachten, zich daarin te verschansen, en er zich als in een blokhuis te verdedigen, wanneermenmocht aangevallen worden.

Als de dag aangebroken zoude zijn en de gelegenheid zich zoude voordoen om af te kunnen trekken, dan zou men het ten minste in het volle licht doen en men zou zich niet blindelings te midden der afgronden, der solfatara’s en der fumarola’s op die scherpe hellingen begeven, die bij het nachtelijke duister slechts de gevaren vermeerderden en de kansen tot verdwalen verdriedubbelden.

Men zou dus blijven en weerstand bieden, dat was het genomen besluit. En daaraan hield men zich.

De verdedigingsvoorbereidingen werden dadelijk getroffen en onmiddellijk ten uitvoer gelegd.

Eerst werden de beide vensterluiken van de Casa Inglese gesloten en de blinden daarvan binnen behoorlijk bevestigd. Als schietgaten werden de openingen benuttigd, welke tusschen de dakregels, bij hunne steunpunten op den voorgevel van het gebouw, gevormd werden. Daartoe eigenden zich die voortreffelijk en hadden het voordeel niet in het oog te vallen.

Ieder man was voorzien van een achterlaadgeweer en had een twintigtal patronen in een daarvoor bestemden zak in voorraad. Dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato waren daarenboven in het bezit van revolverpistolen en konden hulp verleenen, waar die noodig zoude zijn. Daartoe zouden zij zich echter evenwel in de onmiddellijke nabijheid der strijdenden ophouden.

Kaap Matifou had slechts zijne armen ter zijner beschikking en Pescadospunt slechts zijne handen. Wellicht waren zij niet het slechtste gewapend! Want met die armen en handen wisten die kerels voorbeeldeloos om te gaan.

Ongeveer veertig minuten gingen in spanning voorbij, zonder dat er eene poging van aanval vernomen was.

Zou Zirone, die begreep, dat dokter Antekirrt, door Pescadospunt verwittigd, zich niet zou laten overvallen, van zijne aanvalsplannen afgezien hebben?

Evenwel met vijftig manschappen onder zijne bevelen, met zijne kennis van het omliggend terrein, kon van aarzelen geen sprake zijn. Te veel voordeelen waren aan zijn kant, om de onderneming op te geven. Daarbij de gedachte aan de millioenen van den dokter belette hem een geregeld nadenken.[218]

Tegen elf uren ongeveer stoof de zeeman, die buiten op schildwacht stond, plotseling naar binnen.

Een troep mannen naderde, terwijl zij zich in drie gedeelten verspreidden, met het doel om deCasaInglese langs de drie genaakbare zijden te omsingelen. De vierde was geheel ongenaakbaar, daar zij tegen de zeer steile hellingen van den krater steunde en derhalve langs dien kant eene ontsnapping onmogelijk was.

Toen de beweging van den vijandelijken troep verkend was door de verdedigers, ging men weer naar binnen, en barricadeerde men behoorlijk de deur. Daarna begaf een ieder zich op zijn post achter de schietgaten, en bekwam de noodzakelijke aanbeveling: niet te vuren, dan bij voldoende zekerheid te zullen treffen. Er mocht geene munitie verspild worden!

Zirone en zijne bende naderden inmiddels voortdurend, maar langzaam en niet zonder eene zekere mate van voorzichtigheid te betrachten; want zij dekten zich achter de vele rotsblokken, die over het terrein verspreid lagen. Zoo trachtten zij den nok van de Plano del Lago te bereiken. Bij den rand van dien nok lagen verbazend groote trachiet- en bazaltblokken opgestapeld, waarschijnlijk met het doel om de Casa Inglese tegen eene afschuiving van sneeuw gedurende de winterstormen te beveiligen. Die blokken boden den naderenden een uitmuntende dekking aan.

Wanneer de aanvallers dien nok zouden bereikt hebben, dan zouden zij nagenoeg onder de vuurlijn van de verdedigers aangekomen zijn, en eene bestorming van het huis kunnen wagen. Zij zouden dan de deur openloopen of een der vensterramen kunnen openbreken en door hun groot getal in staat zijn, de hand op den dokter en op allen, die bij hem waren, te leggen.

Plotseling knalde een geweerschot. Een licht wolkje van kruitdamp krulde langs een der schietgaten naar het dak omhoog. Een der aanvallers viel doodelijk getroffen neer. De aanrukkende bende vlood eenige passen achteruit en dook achter de beschermende rotsblokken neer. Dat was het eerste slachtoffer, hetwelk gevallen was.

Maar langzamerhand slaagde Zirone er in, door van de terreinplooien behendig gebruik te maken, zijne manschappen meer vooruit te brengen, en hen zelfs tot aan den voet der helling van de Plano del Lago te geleiden.

Dat geschiedde evenwel niet zonder dat alweer een twaalftal geweerschoten losgebrand waren, die den gevel van de Casa Inglese verlicht hadden en waardoor weer twee der aanvallers op het sneeuw veld uitgestrekt waren geworden.

Toen stiet Zirone een gil uit, die tot sein moest dienen voor eene algemeene bestorming. Hoewel de voorwaartsche beweging alweer ten koste van verscheidene gewonden geschiedde, vloog toch de[219]geheele bende op de Casa Inglese aan. De deur werd door verscheiden kogels doorboord, waardoor binnen het huis twee matrozen ernstig genoeg gekwetst werden, om buiten gevecht gesteld te zijn. Dat was bij het kleine getal der verdedigers ernstig genoeg. De strijdkrachten stonden toch al zoo ongelijk!

Toen ontspon zich eene levendige schermutseling. Met hunne pieken en met hunne bijlen slaagden de aanvallers er aanvankelijk in, om de deur en een der vensterblinden ter verbrijzelen. De verdedigers waren toen genoodzaakt een uitval te ondernemen, om de aanvallers te verdrijven. Dat geschiedde te midden van een vrij hevig geweervuur, hetwelk van weerszijden ijverig onderhouden werd. Luigi’s hoed werd door een kogel doorboord en Piet Bathory zou zonder de tusschenkomst van Kaap Matifou, door een lansstoot gewond of gedood zijn, welke een der bandieten hem toebracht. Maar onze Hercules was er ook, en.… met denzelfden piek, dien hij den aanvaller met krachtige vuist ontwrong, velde hij hem met een slag op het hoofd ter neder. Dat was een meesterslag geweest!

Kaap Matifou was gedurende den uitval vreeselijk. Hoewel meer dan twintig malen op hem gemikt werd, trof hem toch geen enkele kogel. Wanneer Zirone de overwinning zou behalen, dan was zijn vriend, dan was Pescadospunt bijvoorbaatveroordeeld, en die gedachte verdubbelde de woede van den reus. Hij verrichtte dan ook wonderen.

Bij zoo’n hardnekkigen weerstand waren de aanvallers verplicht zich andermaal terug te trekken.

De dokter en zijne lotgenooten konden dus binnen de Casa Inglese weerkeeren en zich rekenschap van den toestand geven. Die was, dat moest erkend worden, in het geheel niet opbeurend. Men verloor evenwel den moed niet.

„Hoeveel gekwetsten hebben wij?” vroeg dokter Antekirrt aan Piet Bathory en Luigi Ferrato.

„Drie,” was het antwoord. „Maar zij zijn vrij ernstig gewond. Ik vrees voor hen.”

„Hoe is het met den toestand der munitie? Dat is een voorname quaestie. Er is nog al geschoten!”

Luigi onderzocht dat dadelijk. Hij liet zich de patroonzakken door zijne manschappen vertoonen.

„De meeste hebben nog slechts tien, enkele twaalf patronen,” antwoordde hij.

„En hoe laat is het?”

„Ternauwernood middernacht.”

Dus nog vier lange uren, alvorens de dag zoude aanbreken. Het werd noodzakelijk, om nog spaarzamer met de munitie om te gaan, ten einde niet ontbloot te zijn, om den aftocht te kunnen[220]dekken, die bij het aanbreken van den dag ondernomen moest worden. Waarlijk, de toestand was verre van rooskleurig. Dat zag ieder der verdedigers volkomen in.

Maar als er niet geschoten mocht worden, hoe dan de nadering der aanvallers te beletten? Hoe dan de overrompeling van de Casa Inglese tegen te gaan, wanneer Zirone en zijne bende den stormaanval hervatten? En die zou niet uitblijven!

Neen! die zou niet uitblijven; want nadat de bandieten een kwartieruur rust genoten en hunne gekwetsten, achterwaarts gebracht achter een lavabedding, als achter eene verschansing, in veiligheid gesteld hadden, stoven zij weer voorwaarts.

Toen, verwoed, en eigenlijk tot razernij vervoerd door den hardnekkigen tegenstand, en vooral door het gezicht van de gesneuvelde en gewonde makkers, beklommen zij de lavabedding, daarna ook de tusschenruimte, die deze van den basaltwal scheidde en verschenen toen aan den nokrand van het bergplat, waarop de Casa Inglese gelegen was. De toestand werd al hachelijker en hachelijker.

Geen enkel geweerschot werd op hen gelost, terwijl zij dien afstand aflegden. Zirone besloot daaruit en, zooals wij weten niet zonder reden, dat het den belegerden aan munitie begon te ontbreken. Dat verlevendigde de hoop.

Toen wekte hij zijne bende op en bracht haar in vervoering. Het denkbeeld om zich van iemand meester te maken die meer dan honderdmaal millionnair was, was wel geschikt, dat zal de lezer moeten toestemmen, om die schurken van de slechtste soort op te winden. Dat gebeurde dan ook.

Hunne geestdrift was zelfs zoodanig, dat zij ditmaal de deur en het venster bemachtigden en zeer zeker het huis stormenderhand genomen zouden hebben, wanneer niet een nieuwe losbranding, thans van zeer nabij afgegeven, er vijf of zes van hen gedood en de overigen teruggedreven had. Zij moesten nogmaals tot aan den voet van de helling van het bergplat terugdeinzen, evenwel niet zonder dat andermaal twee zeelieden gekwetst en buiten gevecht gesteld waren. Het kleine heldentroepje der verdedigers slonk al meer en meer, maar ook de munitie was al weer verminderd.

Vier of vijf schoten, dat was alles, wat den verdedigers van de Casa Inglese thans nog overbleef. Onder die omstandigheden werd de aftocht zelfs bij klaarlichten dag bijna onmogelijk. De verdedigers gevoelden dan ook, dat zij onherroepelijk verloren waren, wanneer er geen hulp opdaagde. Dat was voor allen duidelijk.

Maar vanwaar zou die hulp komen? Ziet, dat was de vraag, die thans aller brein bezig hield.

In dien vuurput smeet hij Zirone neder. (Bladz. 225.)In dien vuurput smeet hij Zirone neder. (Bladz. 225.)

In dien vuurput smeet hij Zirone neder. (Bladz. 225.)

Men kon er ongelukkig niet op rekenen, dat Zirone en zijne makkers den aanslag zouden opgeven. Zij waren zeker nog wel[222]veertig in getal, die gezond en goed gewapend waren. Zij wisten, dat men hunne geweerschoten weldra niet meer zou kunnen beantwoorden en daarom herhaalden zij den aanval.

Maar.… ziet.…

Plotseling rolden kolossale rotsblokken langs de helling van het bergplat naar beneden en verpletterden twee of drie der aanvallende bandieten, alvorens zij zich uit de voeten hadden kunnen maken.

Dat was Paap Matifou, die naar buiten geloopen was, en basaltrotsen voortrolde, om die van den nok van de Plano del Lago naar beneden te laten tuimelen. Hij had alle succes van zijn waarlijk practisch middel.

Maar dat verdedigingsmiddel was op verre na niet voldoende. Daarenboven, het was te voorzien, dat het weldra uitgeput zou raken; men zou dus moeten bezwijken, of alles in het werk stellen, om van buiten af hulp te erlangen. Van buiten af?.… Ja.… maar hoe?.…

Toen kreeg Pescadospunt een inval, dien hij aan niemand wilde mededeelen, vooral niet aan dokter Antekirrt, omdat die wellicht zich tegen de uitvoering verzet zoude hebben. Maar hij deelde zijn plan toen aan Kaap Matifou mede. Ziehier, wat daarvan de slotsom was. De reus luisterde aandachtig.

Hij had uit de gesprekken, die in de kroeg van Santa Grotta gehouden waren, vernomen dat een detachement Maréchaussées zich te Casona bevond. Om zich naarCasonate begeven, was slechts een uur tijd noodig en evenveel om terug te komen. Zou het nu geheel onmogelijk zijn, om dat detachement te gaan waarschuwen? Onmogelijk?.… Dat was een raar woord in den mond van Pescadospunt, aan welks bestaan hij zelfs niet geloofde. Maar.… hier was eene voorwaarde te vervullen. Hier moest door de gelederen der belegerende bende gebroken worden, om daarna de westelijke hellingen van het bergstelsel te kunnen bereiken. Anders kon het niet.

„Het is noodig, dat ik tusschen hen door kom.…” zei Pescadospunt tot zijn vriend.

Deze knikte toestemmend met zijn overgroot hoofd. Ja, dat begreep hij duidelijk.

„Dus ik zal doorkomen!” zei Pescadospunt op stellig bevestigenden toon.

Dat „dus” was subliem van eenvoud. Kaap Matifou grinnikte van de pret en wreef zich de handen.

„Wat duivel!” ging Pescadospunt voort, „men is clown of men is het niet! Is dat zoo niet?”

„Daartegen valt niets in te brengen,” zei de reus, die zelden zoo veel sprak.[223]

„Luister” sprak Pescadospunt, terwijl hij zijn vriend naar zich toe trok. „Luister!”

En nu deelde hij aan Kaap Matifou fluisterend het middel mede, hetwelk hij dacht te bezigen, om hulp te gaan halen.

„Maar,.…”meende Kaap Matifou, „gij waagt.… uw leven … Gij waagt alles!”

„Dat weet ik wel,” antwoordde Pescadospunt, „maar die waagt, die wint.”

„Jawel.… maar.…”

„Zwijg maar, ik wil het zoo.”

Dat was een waar stopwoord.

Pescadospunt weerstreven, dat zou Kaap Matifou nimmer gedurfd hebben!

Beiden begaven zich toen naar de westelijke zijde van de Casa Inglese, naar eene plaats, waar een groote voorraad sneeuw door den wind opgehoopt lag.

Tien minuten later kwam, terwijl de strijd van weerszijden hardnekkig voortgezet werd, Kaap Matifou weer te voorschijn en rolde een overgrooten sneeuwbal voor zich uit. Toen dreef hij tusschen de rotsblokken, welke de zeelieden steeds op de aanvallers stortten, dien bal, die langs de helling afrolde en tusschen de bende van Zirone doorgleed en op vijftig passen daarachter in de diepte van een kleine terreinplooi bleef liggen.

Daar opende zich den sneeuwbal, die door den schok half verbrijzeld was en verleende doortocht aan een klein vlug wezen, dat een weinig slim was, zooals het van zich zelven getuigde.

Dat was Pescadospunt! Ja, dat was onze wakkere clown; en dat was het middel, hetwelk hij uitgedacht en ten uitvoer gebracht had.

Opgesloten onder eene laag verharde sneeuw als in eene eierschaal, had hij den moed bezeten, zich langs de helling van het talud te laten afrollen, op gevaar van in een afgrond terecht te komen. En nadat hij van die sneeuwlaag bevrijd was, vloog hij langs de zijpaden, die door het bergstelsel kruisten en richtte zich naar den kant van Casona.

Het was toen ongeveer één uur na middernacht. Er was dus inderdaad geen tijd te verliezen.

Dokter Antekirrt, die op een gegeven oogenblik Pescadospunt miste, riep hem, daar hij meende, dat hij gekwetst was. „Waar die kleine man toch mocht zijn?” vroeg hij zich af.

„Pescadospunt!.… Pescadospunt.…” riep hij.

„Weg!” zei Kaap Matifou, zoolaconiekmogelijk. „Weg!.… en voor goed ook!”

„Weg?” vroeg dokter Antekirrt.

„Ja,” knikte de reus.[224]

„Waarheen?”

„Hulp halen!”

„Hulp halen, Kaap Matifou?.… Maar hoe?”

„Als een bal.”

„Als een bal? Zijt gij krankzinnig geworden?” vroeg dokter Antekirrt verstoord.

„Ja! als een bal!” zeiKaapMatifou trotsch, terwijl hij de armen over elkander bewoog om eene wentelende beweging na te bootsen.

En hij verhaalde toen zoo duidelijk hem slechts mogelijk was, wat Pescadospunt uitgevoerd had.

„Brave kerel!” riep de dokter inderdaad in vervoering uit. „Brave kerel!”

En zich tot zijne manschappen wendende:

„Moed gehouden, vrienden!” zei hij. „Moed!.… Die bandieten zullen ons niet gevangen nemen!”

En men ging voort met rotsblokken op de aanvallers te storten. Maar ook aan dat verdedigingsmiddel kwam weldra gebrek. De geheele voorraad was bijna opgeruimd.

Tegen drie uren des morgens waren dokter Antekirrt, Piet Bathory, Luigi Ferrato, Kaap Matifou en de overige manschappen genoodzaakt, terwijl zij hunne gewonden medevoerden, het huis te ontruimen, dat Zirone toen in handen viel. Twintig zijner bandieten waren gedurende den strijd gedood en toch had hij de getalsterkte nog aan zijne zijde. De kleine troep kon dan ook niet anders den aftocht bewerkstelligen dan door langs de hellingen van den centraalkegel op te klauteren, langs die opeenhooping van lavabrokstukken, van sintelslakken en asch, welker top den krater vormde, dat wil zeggen van dien vuurkolk.

Allen zochten evenwel eene toevlucht op die hellingen; terwijl zij hunne gewonden medevoerden. Van de driehonderd meters, die de helling van dien sintelkegel meet, doorliepen zij te midden van zwaveldampen, die de wind naar hen toedreef, twee honderd en vijftig meters.

De dag begon toen aan te breken en reeds werden in de verte de nokken van het Calabrische gebergte ten oosten van de Straat van Messina gelegen, als met goud getooid.

Maar in den toestand, waarin dokter Antekirrt en de zijnen zich bevonden, bood het daglicht zelfs geen kans tot redding aan. Zij moesten steeds terugwijken, de hellingen opklauteren en de laatste patronen verschieten; terwijl Kaap Matifou met menschelijke kracht de laatste rotsblokken voortslingerde.

Zij moesten zich dus verloren achten, toeneensklapseen aantal geweerschoten aan den voet van den kegel vernomen werden, gepaard aan woest geschreeuw.[225]

Een oogenblik van aarzeling, van weifelmoedigheid openbaarde zich in den bandietentroep. Maar weldra stoof hij uiteen en liet ieder hunner zich langs de hellingen van den berg, zoo snel hij maar kon, afglijden. Zij hadden de maréchaussées herkend, die van Casona, met Pescadospunt aan hun hoofd, opgerukt waren.

De stoutmoedige kerel had zelfs niet noodig gehad tot dat dorp door te loopen. De maréchaussées hadden eindelijk de geweerschoten gehoord en bevonden zich reeds op weg. Pescadospunt kwam inderdaad goed van pas, om hen naar de Casa Inglese te geleiden. Geen oogenblik mocht verloren gaan.

Toen hernamen de dokter en zijne makkers het offensieve. Kaap Matifou stormde, alsof hij zelf een rotsmassa was, op de meest nabij zijnde boeven, velde er twee van neder, die den tijd niet gehad hadden, om te ontvluchten en stortte zich op Zirone.

„Bravo Kaap van mijn hart! Bravo!” riep Pescadospunt, terwijl hij naar hem toeijlde. „Leg hem neer! Laat hem de schouders aan de hielen raken!.… De wedstrijd, heeren! De wedstrijd tusschen Zirone en Kaap Matifou! Nu zult gij iets kostelijks zien! Gij zult voor uw geld niet bedrogen zijn. Treedt binnen heeren! Treedt binnen!”

Zirone hoorde dat kermisgeschreeuw. Met de eene hand, die hem vrijgebleven was, schoot hij, ziedend van toorn, zijn revolver op Pescadospunt af.

De armekerelrolde op den grond. Blijkbaar was de kleine man ernstig gekwetst.

Toen gebeurde er iets verschrikkelijks.

Kaap Matifou had Zirone bij den hals gegrepen en sleurde hem voort, zonder dat de ellendeling, die half verworgd was, er iets tegen vermocht.

Te vergeefs schreeuwde dokter Antekirrt, die den boosdoener levend in zijne macht wenschte, den reus toe, om hem te sparen!

Te vergeefs trachtte Piet Bathory en Luigi Ferrato hem in te halen, welke haast zij daarbij ook betrachtten.

Kaap Matifou had slechts ééne gedachte, namelijk: dat Zirone met zijn schot Pescadospunt wellicht doodelijk getroffen had! Toen was hij zich zelven niet meer meester, toen hoorde hij niets meer! Hij bekeek zelfs dat menschelijke overblijfsel niet, hetwelk hij aan het uiteinde van zijn uitgestrekte arm droeg.

Hij klom steeds met verhaaste schreden langs de helling van den centraalkegel des vulkaans naar boven. Eindelijk bereikte hij met een laatsten sprong den gapenden mond van eene brandende solfatara. In dien vuurput smeet hij Zirone ter neder.

Inmiddels lag Pescadospunt, vrij ernstig gekwetst, op de knie van dokter Antekirrt gesteund, die de wond onderzocht en verbond. Toen Kaap Matifou bij hem teruggekeerd was, stroomden hem de[226]tranen langs de wangen. De arme kerel was letterlijk buiten zich zelven van droefheid en smart.

„Wees niet bedroefd, dierbare Kaap! Wees niet bedroefd! Het heeft niets te beteekenen!” stamelde Pescadospunt.

Kaap Matifou nam hem in zijne armen, zoo als hij met een kind zoude gedaan hebben, en droeg hem langs de kegelhelling naar beneden; terwijl al de anderen hem volgden en de maréchaussées de laatste vluchtelingen van de bende van Zirone ijverig en onverpoosd nazetten.

Zes uren later was de dokter met al de zijnen te Catania terug en scheepten zich dadelijk aan boord van het stoomjachtFerratoin. Luigi leidde daarbij het vervoer en de inscheping der gekwetsten.

Pescadospunt werd in de kajuit neergelegd. Met dokter Antekirrt tot geneesheer en Kaap Matifou tot ziekenoppasser, werd hij waarlijk goed verpleegd! Daarenboven, zijne wond—een eenvoudig pistoolschot bij den schouder, vertoonde geen enkel ernstig verschijnsel. De genezing was dus slechts eene quaestie van tijd. Als de lijder behoefte aan slaap had, verhaalde hem Kaap Matifou eene vertelling—steeds dezelfde, de arme reus wist niet meer—en dan sluimerde Pescadospunt zachtkens in, en vond verlichting in eene gezonde rust, bewaakt en gekoesterd, als hij was, door ware vriendschap.

Echter kon, in weerwil van alles, niet ontveinsd worden, dat dokter Antekirrts plannen totaal schipbreuk hadden geleden en dat nog wel bij het begin van den ondernomen veldtocht. Na op het punt geweest te zijn, van zelf in handen van Zirone te vallen, was hij er zelf niet in geslaagd om zich van dien makker van Sarcany meester te maken. Dat was noodlottig genoeg! Welke plannen had hij niet reeds daarop gesmeed! O, hij zou dien schoft wel genoopt hebben zijne geheimen mede te deelen!

En nu? Nu was dat alles in rook verdwenen! En eigenlijk was dat de schuld van Kaap Matifou.… Maar kon men dien dat wel zoo kwalijk nemen? Hij volgde toch slechts de inspraak van zijn hart!

Dan kwam er nog bij, dat, hoewel de dokter er niet tegen op gezien had, om na dien nutteloozen tocht, nog een achttal dagen te Catania te vertoeven, hij geen enkel bericht kon inwinnen omtrent Sarcany. Wanneer die plannen gemaakt had, om Zirone in Sicilië op te zoeken, dan waren zij ongetwijfeld gewijzigd, toen hij met het bericht van den valstrik, die dokter Antekirrt gespannen was, tevens den dood van zijn ouden makker vernam.

Er viel dan in weerwil van alles inderdaad niet anders te doen dan Sicilië te verlaten.

DeFerratokoos dan ook op den 8stenSeptember weer zee en koerste in allerijl naar het eiland Antekirrta, waar het vaartuig na een zeer voorspoedige reis aankwam.[227]

Daar zouden de dokter, Piet en Luigi hunne plannen hervatten, maar die alvorens ten zorgvuldigste herzien en uitwerken. Hun geheele leven bewoog zich toch daar omheen. Het gold thans Carpena terug te vinden. Die toch moest weten, wat er van Sarcany en Silas Toronthal geworden was, en waar die schurken zich ophielden.

Ongelukkiglijk voor den Spanjaard, die, wel is waar, door in de kroeg van Santa Grotta achter te blijven, aan de vernietiging der bende van Zirone ontkomen was, bleef zijn goed gesternte hem niet getrouw, en was zijn geluk weldra uit.

Inderdaad tien dagen later ontving dokter Antekirrt van een zijner agenten het bericht, dat Carpena te Syracusa in hechtenis genomen was,—niet als medeplichtige van Zirone,—maar voor eene vroegere misdaad, die reeds van voor vijftien jaren geleden dagteekende, voor een moord, dien hij te Almayata, in de provincie Malaga, bedreven had, en waarna hij Spanje, zijn vaderland, verlaten had, om zich te Rovigno in Istrië te vestigen. De lezer ziet, dat de kerel voor schurk in de wieg gelegd was. Hij was zijn karakter getrouw gebleven.

Drie weken later werd Carpena, wiens uitlevering door het Spaansche gouvernement verkregen was, naar zijn vaderland overgevoerd en daar tot levenslange galeistraf veroordeeld en naar de Marokkaansche kust, naar het presido van Ceuta, een der voornaamstestrafkoloniënvan Spanje, gezonden.

„Eindelijk,” zei Piet Bathory, „is dan toch gerechtigheid geschied en is een dier ellendelingen in het bagno te recht gekomen en dat nog wel voor levenslang!”

„Levenslang!.… Neen! waarachtig niet!” antwoordde dokter Antekirrt somber en ernstig.

De jongman keek hem onthutst aan. Hij scheen hem niet te begrijpen en was op het punt inlichting te vragen.

„Andreas Ferrato is in het bagno overleden!” ging de dokter met hoogst ernstige stem voort, „en daar moet een schurk als Carpena niet sterven! Zoo’n dood zou te eervol voor zulk een booswicht zijn! Vindt gij dat ook niet?”

Piet Bathory knikte bevestigend. Hij keek den dokter met een ondervragenden blik aan.

„Ja, zoo beschouwd, hebt gij gelijk,” antwoordde hij eindelijk. „Maar wat hebt gij dan anders voor?”

Dokter Antekirrt antwoordde niet dadelijk. Het was of hij nadacht. Eindelijk sprak hij toch:

„Geduld, Piet! Geduld!”

EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.

[228]


Back to IndexNext