[Inhoud]IV.De laatste inzet.De salons van den Vreemdelingen-Kring—gewoonlijk Casino geheeten—waren sedert elf uren geopend. Hoewel het getal spelers nog zeer beperkt was, waren toch reeds eenige roulette-tafels ter wille van de ongeduldigen aan den gang. En het was daar rondom, dat thans die weinige aanwezigen gezeten of gegroepeerd waren.De stand dezer tafels was vooraf nagegaan en zoo noodig hersteld geworden; want het is van het uiterste belang dat zij volkomen waterpas staan. En inderdaad, het geringste gebrek te dien opzichte zou toch invloed kunnen hebben op den knikker, die langs de ronddraaiende schijf voortloopt. Dat zou opgemerkt worden en de arglistige spelers zouden dat spoedig in de gaten hebben en daarmede zeer ten nadeele van de bank hun voordeel kunnen doen.Op ieder der zes roulette-tafels waren zestig duizend franken, zoowel in goud als in zilverspecie en in papiergeld nedergelegd. Op ieder der twee trente et quarante-tafels honderd vijftig duizend franken. Dat is de gewone inzet der bank, in afwachting dat het gunstige seizoen geopend wordt, en het is zeer zeldzaam, dat het bestuur der inrichting genoopt wordt, die eerste fondsen-verstrekking aan te vullen. Met hare zoo gunstige kansen moet zij steeds winnen. Is dus het spel op zich zelf reeds als onzedelijk te beschouwen, het is daarenboven dom, want de speler staat tegenover de bank met zeer ongelijke kansen. Hij wordt als het ware opgelicht en afgezet.Rondom ieder der roulette-tafels hadden reeds acht croupiers, met hunne harken in de hand, de plaatsen ingenomen, die voor hen bestemd waren. Naast hen zaten of stonden de spelers, of de toeschouwers in gespannen verwachting.[77]In de salons wandelden de inspecteurs en de opzichters op en neer en hielden het oog zoowel op de croupiers als op hunne slachtoffers, terwijl talrijke kellners heen en weer liepen, om het publiek te bedienen. Om een denkbeeld te geven van het gewemel, dat hier plaats kan hebben, valt mede te deelen, dat niet minder dan honderd en vijftig geëmployeerden in de speelzalen van Monte Carlo heen en weder drentelen. Een ware legermacht inderdaad.Tegen half een in den namiddag bracht de trein van Nizza zijn gewoon contingent van spelers aan. Zij waren dien dag wellicht talrijker dan anders. Die serie van zeventien malen de roode kleur van daags te voren, had haren natuurlijken invloed niet gemist. Een ieder wilde een kijkje komen nemen, of zich zoo iets niet zou herhalen.Dit werkte als eene nieuwe aantrekkingskracht, en een ieder, die van het toeval des spels leefde of daaraan offerde, was gekomen om met belangstelling het vervolg van zoo’n serie te zien en op te merken.De salons waren een uur later gevuld. Men koutte natuurlijk over die zonderlinge uitkomst, evenwel met zachte stem. Niets stemt meer akelig dan dat gefluister in die onmetelijke zalen, welker versieringen met verguldsel overladen zijn, die weelderig gemeubeld en door prachtige kronen en kandelabres verlicht zijn, zonder nog de olielampen te vermelden, die van groene oogenschermen voorzien zijn, en voornamelijk boven de speeltafels aangebracht zijn.Wat hier, in weerwil van de menigte, die er zich verdringt, den boventoon voert, is niet het geluid der gesprekken, maar wel het metaalachtige gerinkel der gouden of zilveren muntstukken, die geteld, of op het groene kleed geworpen worden, ook het geritsel van de bankbiljetten, alsmede het voortdurende: „rood wint en kleur” of „zeventien, zwart, oneven,” door de eentonige en onverschillige stem des speldrijvers uitgegalmd.Dat alles levert een treurig gezicht op, dat een diepen blik in den afgrond der menschelijke hartstochten gunt.Evenwel twee der voornaamste verliezers van den vorigen dag waren nog niet in de speelsalons verschenen. Reeds waren eenige spelers op het punt om verschillende kansen te volgen en te wagen, om de veine te grijpen, hetzij bij de roulette, hetzij bij de trente et quarante-tafel. Maar de afwisselingen van winst en verlies wogen tegen elkander op, en niets duidde er op, dat het verschijnsel van den vorigen dag zich weer zou voordoen.Tegen drie uren eerst traden Sarcany en Silas Toronthal het Casino binnen.Voordat zij in de speelzalen verschenen, wandelden zij de ruime zaal op en neer, waarin zij weldra de algemeene nieuwsgierigheid[78]tot zich trokken. Men bekeek hen, men bespiedde hen, men vroeg zich af of zij den strijd weer zouden aanbinden met het noodlot, dat hun den vorigen dag zoo vijandig, zoo noodlottig was geweest.Eenige zoogenaamde professoren hadden van de gelegenheid wel willen gebruik maken om hun onfeilbare martingalen of kunstgrepen om te winnen, aan den man te brengen, indien de nieuw aangekomenen maar genaakbaar geweest waren. Maar de bankier Silas Toronthal zag er zeer verstrooid uit, en merkte niet op, hetgeen rondom hem voorviel. Sarcany was meer koelbloedig, meer gesloten dan ooit. Het was, alsof hij beider lot in handen had en, van zekere zijde beschouwd, was dat ook zoo.Beiden waren, als het ware, in zich zelven gekeerd, nu zij den laatsten inzet gingen wagen.Onder de vele personen, die hen met die bijzondere nieuwsgierigheid hadden gadegeslagen, welke men aan ernstige lijders of aan veroordeelden verleent, bevond zich een vreemdeling, die vast besloten scheen, om hen geen oogenblik uit het oog te verliezen.Dat was een jonge man, twee en twintig of drie en twintig jaren oud, met een fijn besneden gelaat en schrander uiterlijk en spitse neus—een van die neuzen, die, als het ware, meer toekijken dan ruiken.—Zijne oogen waren bijzonder doordringend, maar verscholen zich achter een bril met eenvoudige beschermende glazen. Hij scheen zeer levendig en het was alsof hij kwikzilver in de aderen had. Hij hield dan ook de handen angstvallig in de zakken van zijn overjas, om hen te beletten gebaren te maken, terwijl hij zijne voeten noodzaakte om met de hielen op dezelfde lijn aan elkander gesloten te zijn, om des te zekerder te zijn, dat zij zoodoende op de plaats bleven. Hij was zeer fatsoenlijk gekleed, hoewel er aan zijn kleeding niets ten offer gebracht was, om de overdreven eischen van de modedwaasheid te bevredigen. Er was dan ook niets in zijne houding op te merken, dat naar gezochte voornaamheid zweemde, hoewel hij zich waarschijnlijk niet zeer op zijn gemak voelde in die nauwsluitende kleedingstukken, die den glans der nieuwheid nog bezaten.Zoo iets zal wel niemand bevreemden, want dat jonge mensch was niemand anders dan Pescadospunt in eigen persoon.Buiten in den tuin stond hem Kaap Matifou geduldig te wachten. Beide vrienden waren dus te Monte Carlo weer vereenigd.Wie zal er aan twijfelen, dat zij voor rekening van dokter Antekirrt in dit paradijs, of in deze hel, door het Monacosche gebied gevormd, gekomen waren?Zij waren daags te voren door de vlet van deElectric 2, behoorende tot de vloot van het eiland Antekirrta, op de kaap van Monte Carlo zonder meer ontscheept. Bagage hadden zij niet noodig geacht.[79]Met welk doel waren zij hier gekomen? Wat voerde hen hier heen, in die plaats des verderfs?Wij zullen het straks vernemen. De ontwikkeling van het verhaal zal ons wel tot de ontknooping voeren.Twee dagen nadat Carpena aan boord van deFerratogebracht was geworden, was hij, in weerwil van zijn protest en zijne tegenspartelingen, in een der onderaardsche casematten van het eiland Antekirrta gekerkerd geworden. Daar begreep die ontsnapte van het Spaansche presidio al heel spoedig, dat hij slechts de eene gevangenis tegen eene andere verwisseld had. In plaats van te behooren tot het personeel van veroordeelden onder het juk van den gouverneur van Ceuta, was hij, evenwel zonder dat hij het wist, in de macht van dokter Antekirrt.Waar bevond hij zich? Dat wist hij niet. Dat kon hij onmogelijk raden, hoezeer hij zijn brein ook aftobde.Had hij bij de verandering gewonnen? Dat vroeg hij zich niet zonder ongerustheid af. Hij was besloten om alles te doen, alles in het werk te stellen, om zijn toestand te verbeteren.Hij aarzelde dan ook geen oogenblik, om op de eerste aanmaning, die hem door den dokter zelven gedaan werd, met de grootste openhartigheid te antwoorden.Of hij denTriësterbankier Silas Toronthal al dan niet kende?Daarop antwoordde hij ontkennend.Sarcany dan?Ja, dien kende hij, hoewel hij hem slechts zelden en dan nog met groote tusschenpoozen gezien had.Of Sarcany met Zirone en zijne bende in betrekking stond, sedert deze op het eiland Sicilië werkzaam was en de omstreken van Catania onveilig maakte?Carpena antwoordde daarop bevestigend, daar Sarcany op Sicilië verwacht werd, en hij daar zeer zeker aangekomen zou zijn, wanneer hij geen bericht had bekomen van den ongelukkigen afloop van den tocht, waarbij Zirone omgekomen was.Waar was Sarcany thans? luidde vervolgens de vraag van dokter Antekirrt.Te Monte Carlo, wanneer hij ten minste die stad niet binnen kort verlaten had. Daar had hij sedert eenigen tijd zijn verblijf gevestigd en was daar waarschijnlijk in gezelschap van den bankier Silas Toronthal.Meer wist Carpena niet en meer kon hij dus ook niet vertellen. Maar het medegedeelde was voldoende voor dokter Antekirrt, om den veldtocht te beginnen.Het is buiten kijf, dat de Spanjaard de drijfveer niet kende, waarom hem de dokter van Ceuta had doen ontsnappen, waarom hij zich van zijn persoon had meester gemaakt. Ook kon Carpena[80]niet gissen, dat zijn verraad jegens Andreas Ferrato gekend was door hem, die hem ondervroeg. Daarenboven wist hij ook niet, dat Luigi de zoon was van den visscher van Rovigno.Carpena werd in eene donkere casemat opgesloten, waarin hij nog strenger bewaakt werd dan dat ooit in de gevangenis van Ceuta geschied was. Hij zou met niemand in aanraking komen, totdat zijn lot beslist zoude zijn.Zoo was dan een der drie verraders, die de bloedige ontknooping van deTriëstersamenzwering veroorzaakt hadden, in handen van dokter Antekirrt. Dezen bleef dus nog de taak over, om de twee anderen te achterhalen, wat niet moeielijk meer kon zijn, daar Carpena thans medegedeeld had, waar ze gevonden konden worden.Daar evenwel de dokter en Piet Bathory door Silas Toronthal en Sarcany herkend konden worden, scheen het hun geraden niet eerder persoonlijk op te treden, dan wanneer zulks met zekerheid van te zullen slagen kon geschieden. Maar nu men het spoor der beide medeplichtigen teruggevonden had, kwam het er voornamelijk op aan, hen, in afwachting dat de gelegenheid zich zou voor doen om daadwerkelijk te handelen, niet meer uit het oog te verliezen.Daarom werd Pescadospunt naar Monaco gezonden met opdracht om hen overal te volgen, waarheen zij gaan zouden. Kaap Matifou vergezelde hem, om hem des vereischt met zijne stevige vuisten bij te springen, terwijl dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi ook derwaarts met deFerratozouden vertrekken, wanneer het gunstige oogenblik aangebroken zou zijn. Zooals men ziet, werden de mazen van het net al meer en meer om de schuldigen dichtgetrokken.De beide akrobaten waren midden in den nacht te Monte Carlo aangekomen en waren des morgens dadelijk aan den arbeid getogen. Het was hen niet moeielijk gevallen, het hôtel uit te vinden, waar Silas Toronthal en zijn medeplichtige Sarcany hun intrek genomen hadden. Terwijl Kaap Matifou, in afwachting dat de avond viel, in den omtrek van Monte Carlo rondwandelde, zag Pescadospunt, die zorgvuldig de wacht hield en niets liet ontglippen, de beide vennooten tegen een uur in den namiddag naar buiten treden. Het scheen den wakkeren verspieder toe, dat de bankier Silas Toronthal zeer neerslachtig was en bitter weinig sprak, hoewel Sarcany zijn best deed om het onderhoud levendig te houden. In de morgenuren had Pescadospunt hooren verhalen, wat daags te voren in de speelzalen van Monte Carlo plaats gevonden had, namelijk die ongeloofelijke reeks van de roode kleur, die zoovele slachtoffers gemaakt had en waaronder voornamelijk Sarcany en Silas Toronthal aangehaald werden. Met zijne aangeboren schranderheid besloot de wakkere kerel daaruit, dat hun onderhoud daarover moest loopen, en in het bijzonder over het kwade gesternte, dat hen vervolgd had.[81][82]Bovendien vernam hij, dat die beide spelers niet alleen ten gevolge van die noodlottige reeks, maar ook vroeger en vooral in de laatste dagen groote sommen verloren hadden, waaruit hij alweer met niet minder schranderheid de gevolgtrekking maakte, dat hunne laatste hulpmiddelen nagenoeg uitgeput moesten zijn, en dat het oogenblik naderde, waarop dokter Antekirrt daadwerkelijk en met vrucht zou kunnen optreden. Waarlijk, de dokter had een meesterlijke greep gedaan, toen hij de beide akrobaten voor zijn dienst aanwierf.Pescadospunt volgde hen van verre. (Bladz. 84.)Pescadospunt volgde hen van verre. (Bladz.84.)Die mededeelingen werden des morgens dadelijk door Pescadospunt, evenwel zonder iemand te noemen, aan een bekend adres te LaVallettaop het eiland Malta getelegrafeerd, vanwaar zij langs een particulieren draad snel naar het eiland Antekirrta overgeseind werden.Toen Sarcany en Silas Toronthal het gebouw van het Casino van Monte Carlo binnentraden, stapte Pescadospunt achter hen aan. Toen zij de salons van de roulette en van het trente-et-quarante binnengingen, volgde hij hen ook.Het was toen juist drie uren in den namiddag. De heldere metalen klok van het torentje van het Casino verkondigde dat luid genoeg, terwijl de nagalm over de watervlakte van de Middellandsche zee wegstierf.Het spel begon toen levendiger te worden, hoewel er nog geen groote geestdrift heerschte.De bankier en zijn makker wandelden eerst de zalen rond. Hier en daar bleven zij gedurende eenige oogenblikken bij sommige speeltafels staan, sloegen den gang van het spel gade, maar onthielden zich blijkbaar stelselmatig er deel aan te nemen.Pescadospunt verloor hen niet uit het oog, terwijl hij als een onbedreven nieuwsgierige op en neder slenterde. Hij meende zelfs, om hunne aandacht niet te trekken, hier en daar een paar vijf francstukken op de kolommen of op de nummers der roulette te moeten wagen. Die verloor hij natuurlijk; het moet evenwel erkend worden, hij deed dat met de meest mogelijke onverschilligheid. Maar waarom had hij ook niet den uitmuntenden raad gevolgd, die hem een professor, een beunhaas in het spel, in vertrouwen gegeven had? Ja, waarom niet? Was het betweterij?„Om te slagen in het spel,” had deze gezegd, „moet men er zich op toeleggen, om de kleine inzetten te verliezen en de groote te winnen! Daarin bestaat het geheele geheim, mijnheer!”Pescadospunt knikte den raadgever gedachteloos toe; maar drentelde verder.Het sloeg vier uren op de groote pendule in de speelzaal, waarin zij zich bevonden, toen Silas Toronthal en Sarcany het geschikte oogenblik gekomen achtten, om de veine „den tand te voelen”, zooals[83]zij dat uitdrukten. Verscheidene plaatsen waren nog onbezet bij eene der roulette-tafels. Beiden namen daaraan plaats en wel tegenover elkander, en weldra zag de roulettehouder zich niet alleen door spelers omringd, maar ook door eene talrijke menigte toeschouwers, die begeerig waren den revanche-strijd te aanschouwen, dien de twee ongelukkige spelers van den vorigen dag te leveren hadden. Aller aandacht was natuurlijk ten hoogste geprikkeld. Men verdrong zich als het ware.Pescadospunt had natuurlijk gezorgd in de eerste rij der nieuwsgierigen plaats te nemen, en was, zooals wel te bedenken is, niet een der minsten van hen, die belangstelling in de lotswisselingen van de begonnen partij stelden.Gedurende het eerste uur wogen de kansen nagenoeg tegen elkander op. Winst en verlies stonden gelijk.Om die kansen des te beter te verdeelen, volgden Silas Toronthal en Sarcany natuurlijk niet hetzelfde spel. Zij zetten ieder afzonderlijk op en maakten zoo verscheidene belangrijke winsten, zoowel op de eenvoudige als op de meer samengestelde combinatiën, die bij de roulette gebruikelijk zijn. Maar het lot besliste niet voor en niet tegen hen.Maar tusschen vier en zes uren scheen het lot te keeren en hen zeer te begunstigen.Het maximum van inzet, dat bij de roulette zes duizend franken bedraagt, werd herhaaldelijk door hen op volle nummers gewonnen. De gelaatstrekken der bankhouders waren nog strakker dan gewoonlijk.De handen en vingers van Silas Toronthal beefden koortsachtig, wanneer hij ze over het groene laken uitstrekte, hetzij om zijn inzet ter gewilde plaatse bij te schuiven, hetzij om de goudstukken en de bankbiljetten van onder de harken der croupiers naar zich toe te halen.Sarcany integendeel was zichzelven steeds meester. Hij liet geen enkele der gewaarwordingen, die zijne ziel bestormden, op zijn gelaat bespeuren. Hij vergenoegde zich zijnen medeplichtige met den blik aan te moedigen; want het was Silas Toronthal, die, alles wel beschouwd, de gunstige kansen van het oogenblik in zijn voordeel had.Hoewel Pescadospunt als in een halven roes verkeerde, door het heen en weer geschuif van al die goudstukken, en door het geritsel van al die bankbiljetten veroorzaakt, verzuimde hij geen oogenblik die beide mannen met de grootste aandacht gade te slaan, Hij vroeg zich af, of zij voorzichtig genoeg zouden zijn, om bij tijds met spelen op te houden, ten einde het vermogen, dat zij bezig waren te verwerven, te behouden.Toen kwam de gedachte bij hem op, dat wanneer Silas Toronthal[84]en Sarcany verstandig genoeg waren, om zoo te handelen, wat hij echter betwijfelde, zij geneigd konden wezen om Monte Carlo te verlaten, ten einde naar een anderen hoek van Europa te vluchten, waar zij dan weer opgespoord moesten worden. En als zij geen geldgebrek zouden hebben, zouden zij moeielijk in de macht van dokter Antekirrt vallen.„Het zal, alles wel beschouwd, beter zijn,” mompelde hij in zich zelven, „dat zij alles, ja alles verliezen. Ik geloof niet, dat ik mij vergis, maar die schoft van een Sarcany is er de man niet naar om het spel te midden van de gunsten der veine te staken. Enfin, wij zullen zien en geheel naar omstandigheden handelen.”Wat ook dienaangaande de meeningen en het hopen van Pescadospunt waren, de gelukkige kansen verlieten onze twee medeplichtigen voorloopig niet. Zij zouden inderdaad de bank drie malen reeds hebben doen springen, wanneer de speelchef niet telkenmale toevoeging aan het aanwezige kasgeld van twintig duizend franken bewerkstelligd had.Dat was waarlijk eene buitengewone gebeurtenis voor de toeschouwers van dien strijd, waarvan het meerendeel de beide spelers zeer genegen scheen. Was dat niet als eene soort weerwraak, genomen op die onbeschofte reeks van de roode kleur, waarvan de administratie der bank den vorigen dag zoo ruimschoots geprofiteerd had.Toen Silas Toronthal en Sarcany eindelijk tegen half zeven met spelen ophielden, hadden zij, toen de rekening nauwkeurig opgemaakt werd, eene winst gemaakt, die ruim twintig duizend louis d’or te boven ging. Zij stonden toen op en verlieten de roulette tafel. Silas Toronthal liep met wankelende schreden, alsof hij een weinig dronken was. Dat was hij evenwel niet van sterken drank of van zware wijnen, maar wel van opgewondenheid, ook van vermoeienis der hersenen. Hij zag bleek van aandoening en was genoodzaakt herhaalde malen te blazen, alsof de lucht zijner longen hem benauwde.Zijn makker was kalm, ja gevoelloos gebleven; maar die bewaakte den bankier en vreesde niets meer of minder, dan dat deze trachten zou te ontvluchten met de eenige honderd duizend franken, die met zooveel moeite terug gewonnen waren, om zich zoo aan zijne heerschappij te onttrekken. Nu hij meer geld had, was dit niet geheel onmogelijk.Beiden verlieten de speelzaal en het Casino, daalden daarna de trap van het hooge bordes af en richtten hunne schreden naar hun hôtel, alwaar zij eenige uren wenschten uit te rusten van die aandoeningen.Pescadospunt volgde hen van verre, evenwel zoo dat zij hem niet bespeuren konden.[85]Toen hij buiten kwam, ontwaarde hij bij een der kiosken van den tuin Kaap Matifou, die heel gemakkelijk op een bank gezeten was en in wijsgeerige beschouwingen verdiept scheen.Wijsgeerige beschouwingen van een Hercules? Welken omvang zouden die wel gehad hebben?Pescadospunt ging tot hem en nam op zijne aanwijzing geen plaats naast zijn vriend op de bank.„Kom,” zeide hij integendeel met eenigszins gejaagde en kort afgebroken stem.„Is het oogenblik gekomen?” vroeg Kaap Matifou, die dadelijk opstond en mede wilde gaan.„Welk oogenblik?”„Hou je me voor den gek?” vroeg de reus gemelijk. „Pescadospunt zou mij niet begrijpen?”„Neen, waarachtig niet. Ik begrijp je niet. Welk oogenblik?” vroeg de kleine man ongeduldig.„Het oogenblik van … van … je weet wel.… Och, je wilt mij niet verstaan.…”„O, van ten tooneele te verschijnen?” riep Pescadospunt uit, wien een licht plotseling opging.„Juist!”„Neen, mijn waarde Kaap!… Nog niet!… Blijf nog maar wat ter zijde!…” was het antwoord.„Drommels!” pruttelde de reus. „Ik beken het volgaarne, ik begin mij gruwelijk met dat niets-doen te vervelen.”„Hebt ge al gegeten?” vroeg zijn vriend hem met alle belangstelling. „Ik hoop van ja.”„Ja, Pescadospunt, en goed ook! Daaraan schort het mij niet,” antwoordde Kaap Matifou met een zucht.„Ik feliciteer je wel! Ik heb de maag bij mijne hielen zitten, zoo laag is zij gezakt.”„Dat is laag! Maar, Pescadospunt, dan zit dat lichaamsdeel bij jou niet op z’n plaats.”„Niet waar? Want dat is de plaats van een fatsoenlijke maag niet.”„Dat dunkt me ook. Maar, vertel mij. Hoe komt dat zoo? Gij hebt toch zoovele behoeften niet.”„Wees gerust, ik zal mijn maag wel weer naar boven werken, als ik tijd heb. Intusschen.…”„Intusschen? Gij spreekt er van, of gij bij dat werk eene domme-kracht wilt bezigen.”„Ga hier niet van de plaats, voordat ge me terug gezien hebt, Kaap Matifou! Begrepen?”„Daar kunt ge op aan!” bromde de athleet. „Maar het begint knapjes saai te worden.”[86]Pescadospunt ijlde naar den hellenden weg, dien Sarcany en Silas Toronthal thans afdaalden.Toen hij de verzekering bekomen had, dat de beide medeplichtigen zich het diner in hunne vertrekken hadden laten voordienen, nam Pescadospunt den tijd om plaats te nemen aan de table d’hôte van het hôtel. Het was tijd, want de arme kerel had werkelijk honger. Maar in een half uur tijd had hij, zooals hij Kaap Matifou verzekerd had, zijn maag weer omhoog en op de normale plaats gebracht, welke dat orgaan in het menschelijke lichaam moet innemen. Hij veegde zijn lippen met zijn servet af, en loosde een zucht van voldaanheid.…Daarna stak hij een overheerlijke sigaar, een echte Panatella op, ging naar buiten en stelde zich vóór het hôtel verdekt op, om zijn bespieden voort te zetten. Hij was een onbetaalbare kerel voor dengeen, die hem wist te gebruiken.„Waarachtig, ik ben in de wieg gelegd om schildwacht te spelen!” mompelde hij. „Ik ben mijn loopbaan misgeloopen. Maar, wat er aan te doen? Het is thans geen tijd meer om soldaat te gaan worden. Daartoe is het te laat.”Hij wandelde achter een perk sierstruiken op en neer, en peinsde over de aangelegenheden, die hij te behartigen had.De eenige vraag, die hij zich in het onderhavige geval inderdaad stellen kon, was:„Zouden de heeren Sarcany en Toronthal heden avond naar het Casino terugkeeren of niet?”Tegen tien uren verschenen Silas Toronthal en Sarcany in de omlijsting van de deur van het hôtel. Pescadospunt meende te hooren en te begrijpen, dat zij vrij levendig met elkander kibbelden.Klaarblijkelijk poogde de bankier voor de laatste maal weerstand te bieden aan de verleidingen en aan het lastige aandringen van zijn medeplichtige. Deze ging zelfs verder; want hij eindigde met op bevelenden toon te zeggen:„Het moet, Silas!… Ik wil het!… Zoo gij niet naar mij hoort … dan blijven de gevolgen voor uwe rekening.”Het overige ging door den afstand voor Pescadospunt verloren.De beide medeplichtigen stapten daarop den hellenden weg weer op, die naar den tuin van het Casino Monte Carlo voert. Pescadospunt volgde hen onmiddellijk, zonder evenwel tot zijn grooten spijt, verder iets van hun onderhoud te kunnen vernemen.Ziehier evenwel wat Sarcany, op een toon die geen tegenspraak duldde, zeide tot den bankier, die in zijn tegenstand dadelijk merkbaar verflauwde.„Thans ophouden, Silas Toronthal, nu de veine teruggekomen is, dat zou dwaasheid zijn!… Het is, of gij het hoofd kwijt zijt!…[87]Wat, wij zouden bij de ongelukkigste kansen, het spel als gekken doorgezet hebben, en nu de kans gekeerd is, zouden wij het spel niet als wijzen forceeren?… Wat, wij hebben eene eenige gelegenheid misschien, eene gelegenheid, die wellicht zich niet meer aanbieden zal, om het lot te overmeesteren, om de fortuin te bemachtigen, en wij zouden haar door onze schuld laten ontsnappen?… Dat zou al te dwaas zijn, niet waar?”„Maar,…” poogde de ongelukkige te zeggen. „Als wij alles eens verloren?… Denk daar toch aan.”Sarcany liet hem evenwel niet verder aan het woord, maar hernam oogenblikkelijk:„Silas, voelt gij dan niet dat de veine!…”„Als zij maar niet uitgeput is!” mompelde Silas Toronthal uiterst neerslachtig. „Ik heb zoo’n voorgevoel.”„Neen! honderdmaal neen! Zij is niet uitgeput!” hernam Sarcany met drift. „Dat is, bij God, zoo niet uit te leggen, maar dat gevoelt men; zoo iets doordringt iemand tot in het merg der beenderen!… Een millioen wacht ons heden avond op de speeltafels van het Casino!… Ja, een millioen!… hoort ge, een millioen! En ik zal die laten ontsnappen!… Bij den duivel! dat moogt gij ook niet, Silas Toronthal. Neen, dat moogt gij niet!”„Speel gij dan, Sarcany!… Ik voel dat ik zeer ongelukkig zal wezen,” stamelde de bankier.„Ik?”„Ja, gij!”„Ik!… Ik alleen spelen?… Neen, waarachtig niet!… Wij spelen samen!… Ja!… En als ik moest kiezen tusschen ons tweeën, dan zou ik aan u mijn plaats inruimen. De fortuin gaat persoonlijk te werk en het is buiten kijf, dat zij u heden toelacht!… Speel dus en gij zult winnen.…”„Maar.…”„Zwijg!… ik wil het!… Er valt hier niet meer op terug te komen,” sprak de verleider op kort afgebroken toon.Wat Sarcany wilde, was in het kort, dat Silas Toronthal zich niet zou vergenoegen met de eenige honderd duizend franken, die hem veroorloofd zouden hebben aan zijne heerschappij te ontsnappen. Wat hij wilde, was, dat zijn medeplichtige weer de millionnair van weleer of straatarm zou worden. Was hij rijk, dan kon hij voortgaan te leven, zooals hij gedaan had; arm, dan zou hij Sarcany wel moeten volgen, overal waar die hem voeren wilde. In beide gevallen zou hij niets meer van hem te vreezen hebben. Neen, niets! Niets!Daarenboven, hoewel Silas Toronthal poogde weerstand te bieden, was dat geheel te vergeefs; want hij gevoelde thans al de hartstochten[88]van den speler ongeketend in zich woelen. Te midden van den ellendigen toestand, waartoe hij vervallen was, ondervond hij tegelijkertijd zoowel vrees als aandrang om naar de speelzalen van het Casino te Monte Carlo terug te keeren. De woorden van Sarcany goten vloeiend vuur in zijne aderen. Ja, hij zag het, hij begreep het, de fortuin had zich naar hem gewend en wel met zoodanige standvastigheid gedurende de laatste uren, welke hij aan de speeltafel doorbracht, dat het onvergeeflijk, ja onverantwoordelijk zoude zijn om thans de partij op te geven! Neen, dat kon, dat mocht niet! Hij was dan ook weldra vast besloten te doen, wat Sarcany verlangde.Die dwaas!Evenals alle spelers, zijne evenbeelden, stelde Silas Toronthal op rekening van het tegenwoordige, wat niet anders dan tot het verledene kan behooren! In plaats van te zeggen: het gelukheeftmij toegelachen,—wat inderdaad waar was,—prevelde hij: het geluklachtmij toe—wat onwaar was! En toch, in het brein van allen, die plaats rondom de speeltafels nemen, wordt geene andere redeneering gevoerd! Zij allen vergeten maar al te zeer, wat een der grootste wiskunstenaars van Frankrijk nog kort geleden zoo schrander en zoo juist ter snede zeide:„Het toeval heeft slechts grillen, geene gewoonten!”Intusschen waren Sarcany en Silas Toronthal, steeds gevolgd door Pescadospunt, tot voor het Casino genaderd. Daar stonden zij nog een oogenblik stil. Het was inderdaad alsof zij voor de poorten des tempels andermaal weifelden.„Silas,” vermaande Sarcany toen, „Silas, geene aarzeling!… Gij zijt vast besloten om te spelen, niet waar?”„Ja!” antwoordde de bankier, die zijn moed als ’t ware met beide handen greep. „Ja, ik ben vast besloten!”„Ja, maar bepaald besloten? Denk er om, geen aarzelen, geen weifelen! Vast besloten!”„Bepaald en vast besloten … om alles te wagen, ten einde alles te winnen!” ging Silas Toronthal, wiens aarzelingen als nachtschimmen verdwenen, zoodra zijn voet de eerste trede van de trap van het bordes, dat tot de speelzalen toegang verleende, aangeraakt had, koortsachtig voort: „Ik zal het noodlot tarten! Ik zal de fortuin dwingen!”„Ik wil geen invloed op u uitoefenen!” hernam Sarcany met zachte stem en teemend.„Dat hoeft ook niet,” antwoordde Silas Toronthal kort af, maar met hartstochtelijke stem.„Gij moet niet mijne ingeving, maar de uwe volgen. Gij zijt het gelukskind, niet ik.”„Juist.”[89]Eza, een adelaarsnest. (Bladz. 96.)Eza, een adelaarsnest. (Bladz.96.)[90]„Die ingeving kan u niet misleiden. Wees daarvan ten volle overtuigd. Die zal u op geen dwaalspoor brengen.”„Dat denk ik ook.”„Zult ge weer plaats aan de roulette-tafel nemen? Of hebt gij een ander voornemen?”„Neen,… ik wensch bij het trente-et-quarante-spel op te zetten!” antwoordde Silas Toronthal, terwijl zij het gebouw binnentraden.„Gij hebt gelijk, Silas! Hoor slechts naar uwe ingeving!… De roulette heeft u bijna een vermogen verschaft, het trente-et-quarante zal het overige wel verrichten!”Beiden traden de salons binnen en wandelden eerst een poos op en neer. Tien minuten later zag Pescadospunt hen plaats nemen aan een der trente-et-quarante-tafels, waaromheen zich dadelijk het meerendeel der spelers schaarden.Daar kunnen inderdaad meer stoutmoedige zetten gedaan worden. Daar zijn de kansen van het spel meer eenvoudig, daar is ook het maximum van inzet twaalf duizend franken, en in weinige oogenblikken kan de speler groote verliezen, maar ook groote winsten maken. Rondom die tafels is het dan ook, dat de groote spelers bij voorkeur plaats nemen. Daar eindelijk ontluiken groote vermogens of worden die met zulk eene duizelingwekkende snelheid verspeeld, dat de Beurzen te Parijs, te New-York, te Londen of te Amsterdam er jaloersch op zouden kunnen zijn.Toen hij eenmaal aan de trente-et-quarante-tafel had plaats genomen, was Silas Toronthal alle zijne vroegere angsten vergeten. Hij speelde nu niet angstig, maar met eene soort van razernij, of wat juister is, als een man, die weldra het hoofd kwijt zal zijn. Kon men daarenboven ernstig meenen, dat er eene manier van spelen bestaat, eene manier om zijn geld op te offeren? Klaarblijkelijk neen, hoewel de beunhazen en de hartstochtelijke spelers het tegendeel beweren. Men is en blijft, wanneer men speelt, de slaaf van het toeval. En dat willen of wenschen die verblinden niet in te zien.Silas Toronthal speelde dus, terwijl Sarcany, wiens belang bij die laatste partij dubbel gold en die steeds winner was, welke ook de afloop zou zijn, hem nauwkeurig op de vingers keek en van iedere winst of verlies aanteekening hield.In de eerste uren, wogen de afwisselingen van winst en verlies tegen elkander op. Toch scheen de fortuin naar den kant van Silas Toronthal te willen overhellen. Dat was uit de laatste uitkomsten, meenden zij, duidelijk op te maken.Toen meenden hij en Sarcany zeker van den goeden uitslag te zijn. Hunne oogen schitterden van begeerlijkheid.Zij hitsten elkander op, zooals men dat noemt; zij moedigden elkander aan en plaatsten niet anders meer dan de hoogst toegestane[91]inzetten op het groene kleed. De lezer weet dat dat inzetten van twaalf duizend franken zijn.Maar weldra hernam de bank, die over eene onwrikbare koelbloedigheid beschikt, die zich niet laat medeslepen door de dwaasheden van eene krankzinnige vervoering, en welker belangen door het vastgestelde maximum, den speler opgelegd, beschermd wordt, geheel en al het voordeel.Toen leden de medeplichtigen achtereenvolgens schrikkelijke verliezen. Het was alsof het geld langs een hellend vlak wegstroomde!Al de winst, die Silas Toronthal in den namiddag behaald had, vervloog voor en na.De bankier was schrikkelijk om aan te zien. Zijn gelaat was verwrongen en vuurrood en toonde aan, hoedanig het bloed hem naar het hoofd steeg. Zijne oogen stonden verwilderd en schier uitpuilend. Hij klemde zich vast aan de tafelranden, aan zijn stoel, aan de pakjes bankbiljetten, aan de rolletjes goudstukken, die zijne hand niet kon loslaten. En dat alles geschiedde met stuipachtige bewegingen, met zenuwachtige trillingen, met spiertrekkingen, met schokken evenals een man zou overkomen, die op ’t punt is van te verdrinken! Er was niemand om hem op den rand van den afgrond te weerhouden! Geene hand, die hem toegestoken werd, om hem te redden! Sarcany deed geen enkele poging, om hem van die noodlottige plek te sleuren, om hem heen te voeren, alvorens zijn ondergang volkomen was, voor dat zijn hoofd verdwenen was onder de toeijlende golf van het verderf!Het was omstreeks tien uren, toen Silas Toronthal zijn laatsten inzet, zijn laatste maximum waagde. Hij won … won nog eens, verloor daarna … verloor nogmaals en was toen alles kwijt! Toen hij met berooid hoofd opstond, werd hij bestormd door dien afschuwelijk wreedaardigen wensch, dat de bovenverdiepingen der Salons van het Casino mochten instorten, om hem en met hem al diegenen te verpletteren, die zich daarin bewogen. Hij bezat niets meer—niets meer van de millioenen, die hij met zijn bankiershuis verdiend had, niets meer van de millioenen, die hem als uitslag van zijn afschuwelijk verraad van het vermogen van graaf Mathias Sandorf ten deel waren gevallen! Het noodlot had onverbiddelijk uitspraak gedaan. De bankier was doodarm.Silas Toronthal, vergezeld van Sarcany, die toen zijn gevangenbewaarder scheen te zijn, verliet de speelzalen, stapte het gebouw door en ijlde buiten het Casino. Beiden vluchtten vervolgens als het ware langs de square naar de voetpaden, die naar La Turbia opklommen. Het was, alsof zij vreesden achtervolgd te worden.Pescadospunt was hen evenwel reeds op het spoor. Maar hij spoedde zich in het voorbijgaan naar zijn vriend Kaap Matifou en sleurde dien[92]van zijne bank af, waarop deHerculeshalf ingedommeld lag, en schreeuwde hem toe:„Op! en spoedig!… De oogen open en de beenen gebruikt! Drommels, het oogenblik is daar!”„Wat is daar?” riep de reus, zoo uit den dommel wakker geschud, onthutst uit. „Wat is daar?”„Kom maar, wij hebben geen tijd om te babbelen,” antwoordde Pescadospunt gejaagd.En beiden ijlden op het spoor voort, dat zij niet meer wilden verliezen. Het was tijd ook.Sarcany en Silas Toronthal bleven intusschen in allerijl naast elkander voortstappen en stegen steeds, terwijl zij de kronkelende en klimmende paden volgden, die langs de hellingen van het bergterrein te midden van olijf- en oranje-boschjes voerden. Die grillige kronkelingen en wendingen veroorloofden aan Pescadospunt en aan Kaap Matifou, om hen niet uit het oog te verliezen, hoewel zij geen woord konden verstaan van hetgeen de beide medeplichtigen spraken.„Keer naar het hôtel terug, Silas Toronthal,” herhaalde Sarcany onophoudelijk met bevelende stem, „keer terug … en herneem uwe koelbloedigheid.… Het is alsof gij krankzinnig zijt.”„Neen!… Ik keer niet naar het hôtel terug,” kreet Silas Toronthal, met onaangenaam klinkende stem.„Kom, het moet!… Laat u door mij raden.… Laat u door mij geleiden.… Er is nog herstel mogelijk.”„Neen, zeg ik u.… Wij zijn tot den bedelstaf gebracht.… En dat alles is uwe, uwe schuld, Sarcany!”„Kom, wees nu niet dwaas.… Anders zijt gij zoo verstandig.… Hoe is het mogelijk zich zoo op te winden?”„Wij moeten scheiden, Sarcany.… Ik wil u niet meer zien!… Ik wil.… Ik wil verre van hier … ver, zeer ver!”„Scheiden?… Waarom?… Zeg mij!… Is dat nu niet het dwaaste denkbeeld, dat bij u opkomen kan?”„Ik wil.… Hoort gij, Sarcany.… Ik wil.… Ik ben uwe tegenwoordigheid moede. U heb ik alles te danken.”„Gij zult mij volgen, Silas Toronthal. Morgen zullen wij Monte Carlo verlaten!… Er blijft ons geld genoeg over om Tetuan te bereiken, en daar zullen wij onze taak voleindigen. Gij weet wel, dat wij daar niet zonder middelen zullen zijn.”„Neen!… Neen!… Duizendmaal neen!… Ik wil niet … en daarmee uit!” kreet de rampzalige.„Maar, waarom niet?”„Laat mij, Sarcany, laat mij!” riep Silas Toronthal uit. „Laat mij, of ik bega een ongeluk!”En hij stootte zijn makker gewelddadig terug, toen deze hem wilde[93]grijpen. Daarna stoof hij met zooveel vaart vooruit, dat Sarcany moeite had, om hem weer in te halen. Geheel onbewust van hetgeen hij deed of omtrent hetgeen rondom hem voorviel, liep Silas Toronthal veel kans in de steile ravijnen te storten, waarboven en waarlangs zich het net der tuinpaden uitspreidde. Eene enkele gedachte huisde nog in het brein van den ongelukkigen bankier tot bedwelmens toe, dat was: Monte Carlo te ontvluchten, waar hij zijn ondergang gevonden had, en Sarcany te ontvluchten, wiens raadgevingen hem zoo verderfelijk geweest waren en zoo ellendig gemaakt hadden. Hij wilde in één woord vluchten, en het aan het toeval overlaten, waarheen hij zich zoude wenden, zonder te weten, wat van hem worden zou.Sarcany gevoelde wel, dat hij geen macht meer op zijn medeplichtige zou kunnen uitoefenen, dat die op het punt was aan zijn invloed te ontsnappen! O! wanneer de bankier niet bekend was met geheimen, die hem in het verderf konden storten, of hem voor het allerminst de laatste partij, die hij nog spelen wilde, kon doen verliezen, dan zou hij zich al zeer weinig bekommerd hebben over dien man, dien hij tot aan den rand van den afgrond gesleurd had! Maar, alvorens in dien afgrond te storten, kon Silas Toronthal een laatsten gevaarlijken kreet slaken, en die kreet moest vermeden, moest verstikt worden, al moest dat ook door middel van eene misdaad geschieden!Toen, in dat oogenblik was er van de gedachte aan die misdaad, waartoe hij in zijn binnenste besloten was, tot de daadwerkelijke uitvoering slechts een pas te maken en Sarcany aarzelde geen oogenblik dien pas uit te voeren. Wat hij op weg naar Tetuan, in de eenzaamheid derMarokkaanschevelden wilde uitvoeren, zou hij dat niet, dezen zelfden nacht op deze plek, die weldra geheel eenzaam en verlaten zoude zijn, kunnen doen? Die gedachte bestormde wild en woest zijn misdadig brein.Maar op dit uur werden toch nog te veel menschen, die zich verlaat hadden, op dien weg tusschen Monte Carlo en la Turbia ontmoet. Nog te veel wezens bewogen zich op die hellingen en klommen haar op of daalden haar af. Een kreet, een schreeuw van Silas Toronthal zou hen kunnen doen te hulp schieten, en de moordenaar wilde, dat de moord onder zoodanige omstandigheden geschiedde, dat nimmer eenige achterdocht hem zoude kunnen bereiken. Dat noodzaakte hem gebiedend te wachten. Hooger, daar ginds la Turbia voorbij, over de Monacosche grenzen, op dien bergachtigen weg, die zich op meer dan twee duizend voeten boven de oppervlakte der zee, aan de flanken van het eerste voorgebergte der Zeealpen vastklemde, zou Sarcany zeker en zonder gevaar kunnen toestooten. Wie zou daar zijn slachtoffer te hulp komen? Hoe zou[94]daar het lijk van Silas Toronthal in de diepte van die peillooze, sombere ravijnen, die langs den weg aangetroffen werden, weer gevonden worden?Evenwel wilde Sarcany een laatste maal zijn medeplichtige weerhouden en een laatste poging aanwenden, hem naar Monte Carlo naar het hôtel terug te voeren. Die poging zou evenwel deerlijk mislukken.„Kom, Silas Toronthal, kom!” zei hij, terwijl hij zijn makker bij den arm greep. „Kom dan toch, zeg ik u!”„Neen!… Laat mij! Laat mij!…” kreet de bankier; terwijl hij zijn makker met verbeten woede terugstootte.„Morgen zullen wij het spel hervatten!… Ik heb nog eenig geld.… Morgen kunnen wij alles terugwinnen.”„Neen, neen! Laat mij …” riep Silas Toronthal met eene van razernij trillende stem uit.Wanneer hij bij machte geweest ware, om met Sarcany te worstelen; wanneer hij met dolk of revolver gewapend geweest ware, dan zou hij voorzeker niet geaarzeld hebben, om zich over al het kwaad, dat hem zijn vroegere Tripolitaansche agent berokkend had, te wreken. Hij zou dan toegestooten hebben, al had hij daarna ook het hoofd op het schavot moeten brengen.Met een woest handgebaar, waaraan de toorn nog meer spierkracht verleende, stootte Silas Toronthal Sarcany terug; daarna ijlde hij voort naar den laatsten draai van het pad en daalde langs eenige trappen af, die den weg vormden in den rotswand waartusschen kleine terrasvormige tuinen uitgehouwen waren. Hij had weldra de voornaamste straat van Turbia bereikt, die op den smallen zadelrug uitkomt, die den Hondskop van de bergmassa van Ayel afscheidt, en de vroegere grensscheiding tusschen Italië en Frankrijk uitmaakt.„Welnu, als gij het dan zoo wilt, ga dan, Silas,” riep Sarcany hem voor de laatste maal achterna. „Ga, maar ge zult niet ver loopen. Dat verzeker ik u!”En daarna rechts wendende, overschreed hij eene kleine omheining, uit losse steenen opgetrokken, stak een schuinhellenden tuin dwars over, regelde zijne schreden dermate, dat hij voor Silas Toronthal op den grooten weg zoude uitkomen. Daar wilde hij zijn vroegeren medeplichtige opwachten, om met hem af te rekenen.Al hadden Pescadospunt en Kaap Matifou ook al niets van die woordenwisseling kunnen hooren, zoo hadden zij toch duidelijk waargenomen met hoeveel geweld de bankier Sarcany had teruggestooten en hadden zij gezien, hoe de laatstgenoemde in de schaduw der boomgroepen verdween.„De duivel mengt zich in het spel,” riep Pescadospunt uit. „Gauw, gauw!”[95]„Denkt ge?” vroeg Kaap Matifou, terwijl hij zijn vriend met verwonderde blikken poogde aan te kijken, wat bij de heerschende duisternis mislukte.„Waarachtig!… De voornaamste ontsnapt ons waarschijnlijk.… Gauw!… Gauw! Wij moeten ons haasten!”„Och kom, die kerels kunnen toch niet vliegen!” sprak Kaap Matifou gemelijk.„Dat moest er nog maar bij komen …” hijgde Pescadospunt schier wanhopig.„Wat?”„Dat de andere ons ook ontsnapte! Dat zou iets moois voor ons zijn! Wat zou Dokter Antekirrt wel zeggen?”„Dat kan niet.”„Gelukkig ook. Die Toronthal zal weldra onze krijgsgevangene zijn!… Opgepast, Kaap!”„Dat meen ik ook. Wees intusschen gerust, ik zal oppassen, Pescadospunt.”„Daarenboven, er valt hier niet te kiezen … Kom vooruit, waarde Kaap, vooruit!”En voortspoedende hadden zij Silas Toronthal weldra ingehaald. Dat merkten zij weldra.Deze besteeg snel de straat van Turbia. Nadat hij de kleine verhevenheid, waarop de Augustustoren verrijst, voorbij geijld was, liep hij met vlugge schreden langs de huizen, welker deuren reeds gesloten waren, en bevond zich weldra op den weg der Kroonlijst.Pescadospunt en Kaap Matifou volgden hem op een afstand van ongeveer vijftig passen en verloren hem niet uit het oog.De weg der Corniche of der Kroonlijst is het overblijfsel van eene oude Romeinsche heerbaan. Van Turbia af daalt zij langs de berghellingen, te midden van prachtige rotspartijen, van alleen staande kegelheuvels, van diepe afgronden, die zich tot bij de spoorbaan uitstrekken, welke langs de kuststrook aangelegd is, naar Nizza af. Over den spoorweg heen, waren bij den helderen sterrenhemel en bij het zachte licht der maan, die in het oosten opkwam, in het nevelig verschiet zes baaien te ontwaren, alsmede het Hospitaaleiland, de monding van de Var, de golf van Juan, de Lerinische eilanden, de golf van Napocila, het schiereiland van Garoupa, de kaap van Antibes en daarachter als een verheven achtergrond: het Esterelgebergte. Hier en daar schitterden havenlichten, zooals dat van Beaulieu, hetwelk aan den voet der steile oevers van Klein-Afrika opgericht is, dat van Villafranca, hetwelk door den Leuzaberg beheerscht wordt. Vervolgens werden nog eenige signaallichten van visschersvaartuigen ontwaard, die zich in de kalme wateroppervlakte spiegelden.[96]Het was toen iets later dan middernacht. In de verte stierf het metalen geluid van een klokkentoren weg.Op dit oogenblik was Silas Toronthal aan het einde der Turbiastraat gekomen en verliet thans den weg der Kroonlijst en spoedde zich op een pad voort, dat rechtstreeks naar Eza voert, hetwelk een adelaarsnest genoemd moet worden, alwaar een half barbaarsche bevolking, boven op dien rotsblok, te midden van woeste pijnboomen en wild struikgewas, huist. Dat pad was volmaakt eenzaam. De waanzinnige bankier volgde het gedurende een poos, zonder den pas te vertragen, zonder het hoofd om te keeren, ten einde achterwaarts te zien. Plotseling wendde hij zich ter linkerzijde langs een smal padje, dat den hoogen rotsmuur van de kuststrook, waarlangs de spoorbaan en de rijweg onder een tunnel aangelegd zijn, scheidde en schier raakte.Pescadospunt en Kaap Matifou volgden den radelooze op den voet en verloren hem niet uit het oog.Op honderd passen verder ongeveer bleef Silas Toronthal eindelijk stilstaan. Hij was op eene rots gesprongen, die loodrecht boven een afgrond hing, waarvan de zool eenige honderd meter lager door de deininggolven der Middellandsche zee, die er donderend tegen brak, gezweept werd.Wat wilde Silas Toronthal daar doen? Dat vroegen de twee vrienden zich met ontzetting af.Was eene gedachte aan zelfmoord in dat ziekelijke brein opgekomen? Zou hij zich willen van kant maken?Wilde hij, door in dien afgrond te springen, een einde aan zijn ellendig bestaan maken?„Duizend duivels!” riep Pescadospunt uit. „Dat zou onze geheele rekening in de war sturen!”„Ik doe er evenveel duivels bij,” antwoordde Kaap Matifou. „Maar wat moeten die duivels? Wat is er aan de hand?”„Wij moeten hem levend hebben! Kaap, wij moeten dien kerel levend aan dokter Antekirrt overleveren.”„Dat ’s waar ook,” beaamde Kaap Matifou beteuterd. „Drommels ja, dat is waar ook!”„Grijp hem,” riep Pescadospunt, „en houd hem goed vast! Grijp hem, maar verworg hem niet!”Maar nauwelijks hadden beiden ongeveer twintig passen afgelegd, toen zij een man ter rechterzijde van het pad zagen verschijnen. Deze gleed als het ware langs de helling tusschen mastiek- en mirten-struiken door en sloop blijkbaar naar de rots, waarop Silas Toronthal zich bevond. Het was alsof een verscheurend gedierte naderde.Dat was Sarcany. De beide acrobaten herkenden hem dadelijk. Menkonzich trouwens daarin niet vergissen.[97]Waar Kaap Matifou, vanuit zee gezien, zich voordeed als een mythologische Proteus. (Bladz. 100.)Waar Kaap Matifou, vanuit zee gezien, zich voordeed als een mythologische Proteus. (Bladz.100.)[98]„Drommels!” mompelde Pescadospunt tusschen de tanden. „Daar is die andere nu ook!”„Wie is er nu weer?” vroeg de reus, die eensklaps stil bleef staan. „Zeg, wie is er nu weer?”„Het is niet onmogelijk, dat die schurk zijn makker een handje wil helpen, dat hij hem een duwtje wil geven, om hem van deze wereld naar de andere te zenden.…”„Dat is zelfs zeer waarschijnlijk.… Dat bespaart ons de moeite, dunkt me.”„Welnu, Kaap Matifou, gij den eenen en ik den anderen. Dan hebben wij ze beiden.”Maar Sarcany was stil blijven staan.… Hij had iets gehoord … en wilde niet herkend worden.…Plotseling ontsnapte een ijselijke vloek aan zijne lippen. Daarna ijlde hij rechts af en verdween, alvorens Pescadospunt hem had kunnen bereiken, te midden van het struikgewas.Toen Silas Toronthal een oogenblik later in den afgrond wilde springen, werd hij door Kaap Matifou gegrepen en op den weg teruggebracht.„Laat mij!…”riep hij. „Laat mij!… Wat moet gij van mij hebben?… Wilt gij geld?… Ik heb het niet.”„Wij zouden u een misstap laten doen, die u het leven zou kunnen kosten, mijnheer Toronthal,” antwoordde Pescadospunt. „Dat nooit!”„Dat nooit!” herhaalde Kaap Matifou. „Geloof ons, inderdaad, dat nooit!”De slimme Pescadospunt was op dit voorval, hetwelk zijne instructiën niet voorzien konden, natuurlijk niet voorbereid geweest. Maar al was Sarcany ook al ontsnapt, zoo was toch Silas Toronthal in den val, en er bleef thans slechts over, om hem naar Antekirrta over te voeren, alwaar hij met al de eerbetuigingen, die hem rechtens toekwamen, zoude ontvangen worden. Dat was de eindbeslissing, waartoe onze beide akrobaten besloten.„Wilt ge u tegen verminderden prijs met den vervoer van mijnheer belasten?” vroeg Pescadospunt aan Kaap Matifou.„Volgaarne,” antwoordde deze. „Hij zal het bij mij goed hebben. Hij zal niets te betalen hebben en daarentegen goed eten en drinken krijgen.”Silas Toronthal had zelfs geen besef meer van hetgeen met hem voorviel, en kon dan ook geen weerstand bieden. Pescadospunt stapte vooruit en daalde langs een steil voetpad, dat langs een afgrond naar het strand leidde. Hij werd onmiddellijk door Kaap Matifou gevolgd, die het bewustelooze lichaam van den bankier nu eens voortsleepte, dan weer eens op zijne schouders torschte, zoo als hij met een stout kind zoude gedaan hebben.[99]Die afdaling was uiterst moeielijk, en inderdaad, zonder de buitengewone behendigheid van Pescadospunt, en zonder de buitengewone lichaamskracht van Kaap Matifou, zoude een ongeluk onvermijdelijk gebeurd zijn, en zouden twee van die drie mannen naar beneden gestort zijn, waar zij een oogenblikkelijken dood zouden gevonden hebben.Eindelijk evenwel bereikten zij, na zeker twintig malen hun leven gewaagd te hebben, de laatste rotslagen, die met de oppervlakte der zee gelijk waren. Daar bestond de kuststrook uit eene aaneenschakeling van kleine inhammen, die grillig in de rotswanden ingesneden waren. De wanden dier kleine baaien waren steil en hoog en hadden eene roode kleur, afkomstig van ijzerverbindingen, waaruit het gesteente bestond, maar waardoor zij aan de golfjes van de branding eene akelige bloedkleur verleenden.De dag begon juist aan te breken, toen Pescadospunt eene schuilplaats in een van die uithollingen van den oever ontdekte, die voorzeker door een der geologische beroeringen in vroegere eeuwen gevormd was. Daarin werd Silas Toronthal op den oever neergelegd, om onder bewaking van Kaap Matifou een poos te verwijlen.Toen deze den bankier, die er niets van scheen te bemerken en zich ook niet verontrustte, daarheen gebracht had, zei Pescadospunt tot Kaap Matifou:„Ge blijft bij hem, niet waar, Kaap? Luister als je blieft goed naar mij”.„Ja, ik luister. Ik zal bij hem blijven, zoolang als ge wilt, Pescadospunt.”„Ook al blijf ik twaalf uren weg? Dat is lang, niet waar, Kaap Matifou?”„Zeker.… Maar, wees gerust, ik zal bij hem blijven. Als ik dat beloof, gebeurt het ook.”„Zonder te eten?”…„Drommels, zonder eten?… Maar alles wel beschouwd, wat zal dat er toe doen?”„Zoo zonder ontbijt?”„Bah, als ik hedenochtend niet ontbijt”, antwoordde de reus, „zal ik van avond bij het diner mijn schade inhalen. Ik zal dan voor twee eten.”„En als gij niet dineert, Kaap Matifou? Hoort ge, dat wordt ernstiger!”„Bah!… Dan zal ik voor vier soupeeren”, antwoordde de edele kerel kalm en gelaten.Kaap Matifou nam toen zoodanig plaats op een rots, dat hij zijn gevangene geen seconde uit het oog verloor. Pescadospunt volgde van zijn kant den zeeoever van baai tot baai en richtte zijn schreden naar den kant van Monaco. Het was geen gemakkelijke weg, die hier[100]over dat rotsachtig strand met zijne scherpe punten te volgen was.Pescadospunt zou evenwel zoo langen tijd niet behoeven weg te blijven, als hij eerst berekend had. In minder dan twee uren had hij deElektriekopgespoord. Deze lag ten anker in een van die eenzame kreken, die door een aaneenschakeling van rotsen tegen de deininggolven uit volle zee beveiligd waren. Een uur later kwam het vlugge vaartuig voor de monding der smalle baai aan, waar Kaap Matifou, van uit zee gezien, zich voordeed als een mythologische Proteus, die de kudden van Neptunus weidde. Hij was van de plaats niet afgeweest en had den bankier niet uit het oog verloren.Het duurde niet lang, of Silas Toronthal en Kaap Matifou waren aan boord ingescheept. Men had daarbij noch kustbewakers, noch ambtenaren van de in- en uitgaande rechten, noch zelfs kustvisschers ontwaard. Zoodra de inscheping volbracht was, sloeg deElektriekmet volle kracht vooruit, verliet de golf van Genua, stevende de Tyrrheensche zee in en richtte den boeg naar het eiland Antekirrta in de Syrtische zee.
[Inhoud]IV.De laatste inzet.De salons van den Vreemdelingen-Kring—gewoonlijk Casino geheeten—waren sedert elf uren geopend. Hoewel het getal spelers nog zeer beperkt was, waren toch reeds eenige roulette-tafels ter wille van de ongeduldigen aan den gang. En het was daar rondom, dat thans die weinige aanwezigen gezeten of gegroepeerd waren.De stand dezer tafels was vooraf nagegaan en zoo noodig hersteld geworden; want het is van het uiterste belang dat zij volkomen waterpas staan. En inderdaad, het geringste gebrek te dien opzichte zou toch invloed kunnen hebben op den knikker, die langs de ronddraaiende schijf voortloopt. Dat zou opgemerkt worden en de arglistige spelers zouden dat spoedig in de gaten hebben en daarmede zeer ten nadeele van de bank hun voordeel kunnen doen.Op ieder der zes roulette-tafels waren zestig duizend franken, zoowel in goud als in zilverspecie en in papiergeld nedergelegd. Op ieder der twee trente et quarante-tafels honderd vijftig duizend franken. Dat is de gewone inzet der bank, in afwachting dat het gunstige seizoen geopend wordt, en het is zeer zeldzaam, dat het bestuur der inrichting genoopt wordt, die eerste fondsen-verstrekking aan te vullen. Met hare zoo gunstige kansen moet zij steeds winnen. Is dus het spel op zich zelf reeds als onzedelijk te beschouwen, het is daarenboven dom, want de speler staat tegenover de bank met zeer ongelijke kansen. Hij wordt als het ware opgelicht en afgezet.Rondom ieder der roulette-tafels hadden reeds acht croupiers, met hunne harken in de hand, de plaatsen ingenomen, die voor hen bestemd waren. Naast hen zaten of stonden de spelers, of de toeschouwers in gespannen verwachting.[77]In de salons wandelden de inspecteurs en de opzichters op en neer en hielden het oog zoowel op de croupiers als op hunne slachtoffers, terwijl talrijke kellners heen en weer liepen, om het publiek te bedienen. Om een denkbeeld te geven van het gewemel, dat hier plaats kan hebben, valt mede te deelen, dat niet minder dan honderd en vijftig geëmployeerden in de speelzalen van Monte Carlo heen en weder drentelen. Een ware legermacht inderdaad.Tegen half een in den namiddag bracht de trein van Nizza zijn gewoon contingent van spelers aan. Zij waren dien dag wellicht talrijker dan anders. Die serie van zeventien malen de roode kleur van daags te voren, had haren natuurlijken invloed niet gemist. Een ieder wilde een kijkje komen nemen, of zich zoo iets niet zou herhalen.Dit werkte als eene nieuwe aantrekkingskracht, en een ieder, die van het toeval des spels leefde of daaraan offerde, was gekomen om met belangstelling het vervolg van zoo’n serie te zien en op te merken.De salons waren een uur later gevuld. Men koutte natuurlijk over die zonderlinge uitkomst, evenwel met zachte stem. Niets stemt meer akelig dan dat gefluister in die onmetelijke zalen, welker versieringen met verguldsel overladen zijn, die weelderig gemeubeld en door prachtige kronen en kandelabres verlicht zijn, zonder nog de olielampen te vermelden, die van groene oogenschermen voorzien zijn, en voornamelijk boven de speeltafels aangebracht zijn.Wat hier, in weerwil van de menigte, die er zich verdringt, den boventoon voert, is niet het geluid der gesprekken, maar wel het metaalachtige gerinkel der gouden of zilveren muntstukken, die geteld, of op het groene kleed geworpen worden, ook het geritsel van de bankbiljetten, alsmede het voortdurende: „rood wint en kleur” of „zeventien, zwart, oneven,” door de eentonige en onverschillige stem des speldrijvers uitgegalmd.Dat alles levert een treurig gezicht op, dat een diepen blik in den afgrond der menschelijke hartstochten gunt.Evenwel twee der voornaamste verliezers van den vorigen dag waren nog niet in de speelsalons verschenen. Reeds waren eenige spelers op het punt om verschillende kansen te volgen en te wagen, om de veine te grijpen, hetzij bij de roulette, hetzij bij de trente et quarante-tafel. Maar de afwisselingen van winst en verlies wogen tegen elkander op, en niets duidde er op, dat het verschijnsel van den vorigen dag zich weer zou voordoen.Tegen drie uren eerst traden Sarcany en Silas Toronthal het Casino binnen.Voordat zij in de speelzalen verschenen, wandelden zij de ruime zaal op en neer, waarin zij weldra de algemeene nieuwsgierigheid[78]tot zich trokken. Men bekeek hen, men bespiedde hen, men vroeg zich af of zij den strijd weer zouden aanbinden met het noodlot, dat hun den vorigen dag zoo vijandig, zoo noodlottig was geweest.Eenige zoogenaamde professoren hadden van de gelegenheid wel willen gebruik maken om hun onfeilbare martingalen of kunstgrepen om te winnen, aan den man te brengen, indien de nieuw aangekomenen maar genaakbaar geweest waren. Maar de bankier Silas Toronthal zag er zeer verstrooid uit, en merkte niet op, hetgeen rondom hem voorviel. Sarcany was meer koelbloedig, meer gesloten dan ooit. Het was, alsof hij beider lot in handen had en, van zekere zijde beschouwd, was dat ook zoo.Beiden waren, als het ware, in zich zelven gekeerd, nu zij den laatsten inzet gingen wagen.Onder de vele personen, die hen met die bijzondere nieuwsgierigheid hadden gadegeslagen, welke men aan ernstige lijders of aan veroordeelden verleent, bevond zich een vreemdeling, die vast besloten scheen, om hen geen oogenblik uit het oog te verliezen.Dat was een jonge man, twee en twintig of drie en twintig jaren oud, met een fijn besneden gelaat en schrander uiterlijk en spitse neus—een van die neuzen, die, als het ware, meer toekijken dan ruiken.—Zijne oogen waren bijzonder doordringend, maar verscholen zich achter een bril met eenvoudige beschermende glazen. Hij scheen zeer levendig en het was alsof hij kwikzilver in de aderen had. Hij hield dan ook de handen angstvallig in de zakken van zijn overjas, om hen te beletten gebaren te maken, terwijl hij zijne voeten noodzaakte om met de hielen op dezelfde lijn aan elkander gesloten te zijn, om des te zekerder te zijn, dat zij zoodoende op de plaats bleven. Hij was zeer fatsoenlijk gekleed, hoewel er aan zijn kleeding niets ten offer gebracht was, om de overdreven eischen van de modedwaasheid te bevredigen. Er was dan ook niets in zijne houding op te merken, dat naar gezochte voornaamheid zweemde, hoewel hij zich waarschijnlijk niet zeer op zijn gemak voelde in die nauwsluitende kleedingstukken, die den glans der nieuwheid nog bezaten.Zoo iets zal wel niemand bevreemden, want dat jonge mensch was niemand anders dan Pescadospunt in eigen persoon.Buiten in den tuin stond hem Kaap Matifou geduldig te wachten. Beide vrienden waren dus te Monte Carlo weer vereenigd.Wie zal er aan twijfelen, dat zij voor rekening van dokter Antekirrt in dit paradijs, of in deze hel, door het Monacosche gebied gevormd, gekomen waren?Zij waren daags te voren door de vlet van deElectric 2, behoorende tot de vloot van het eiland Antekirrta, op de kaap van Monte Carlo zonder meer ontscheept. Bagage hadden zij niet noodig geacht.[79]Met welk doel waren zij hier gekomen? Wat voerde hen hier heen, in die plaats des verderfs?Wij zullen het straks vernemen. De ontwikkeling van het verhaal zal ons wel tot de ontknooping voeren.Twee dagen nadat Carpena aan boord van deFerratogebracht was geworden, was hij, in weerwil van zijn protest en zijne tegenspartelingen, in een der onderaardsche casematten van het eiland Antekirrta gekerkerd geworden. Daar begreep die ontsnapte van het Spaansche presidio al heel spoedig, dat hij slechts de eene gevangenis tegen eene andere verwisseld had. In plaats van te behooren tot het personeel van veroordeelden onder het juk van den gouverneur van Ceuta, was hij, evenwel zonder dat hij het wist, in de macht van dokter Antekirrt.Waar bevond hij zich? Dat wist hij niet. Dat kon hij onmogelijk raden, hoezeer hij zijn brein ook aftobde.Had hij bij de verandering gewonnen? Dat vroeg hij zich niet zonder ongerustheid af. Hij was besloten om alles te doen, alles in het werk te stellen, om zijn toestand te verbeteren.Hij aarzelde dan ook geen oogenblik, om op de eerste aanmaning, die hem door den dokter zelven gedaan werd, met de grootste openhartigheid te antwoorden.Of hij denTriësterbankier Silas Toronthal al dan niet kende?Daarop antwoordde hij ontkennend.Sarcany dan?Ja, dien kende hij, hoewel hij hem slechts zelden en dan nog met groote tusschenpoozen gezien had.Of Sarcany met Zirone en zijne bende in betrekking stond, sedert deze op het eiland Sicilië werkzaam was en de omstreken van Catania onveilig maakte?Carpena antwoordde daarop bevestigend, daar Sarcany op Sicilië verwacht werd, en hij daar zeer zeker aangekomen zou zijn, wanneer hij geen bericht had bekomen van den ongelukkigen afloop van den tocht, waarbij Zirone omgekomen was.Waar was Sarcany thans? luidde vervolgens de vraag van dokter Antekirrt.Te Monte Carlo, wanneer hij ten minste die stad niet binnen kort verlaten had. Daar had hij sedert eenigen tijd zijn verblijf gevestigd en was daar waarschijnlijk in gezelschap van den bankier Silas Toronthal.Meer wist Carpena niet en meer kon hij dus ook niet vertellen. Maar het medegedeelde was voldoende voor dokter Antekirrt, om den veldtocht te beginnen.Het is buiten kijf, dat de Spanjaard de drijfveer niet kende, waarom hem de dokter van Ceuta had doen ontsnappen, waarom hij zich van zijn persoon had meester gemaakt. Ook kon Carpena[80]niet gissen, dat zijn verraad jegens Andreas Ferrato gekend was door hem, die hem ondervroeg. Daarenboven wist hij ook niet, dat Luigi de zoon was van den visscher van Rovigno.Carpena werd in eene donkere casemat opgesloten, waarin hij nog strenger bewaakt werd dan dat ooit in de gevangenis van Ceuta geschied was. Hij zou met niemand in aanraking komen, totdat zijn lot beslist zoude zijn.Zoo was dan een der drie verraders, die de bloedige ontknooping van deTriëstersamenzwering veroorzaakt hadden, in handen van dokter Antekirrt. Dezen bleef dus nog de taak over, om de twee anderen te achterhalen, wat niet moeielijk meer kon zijn, daar Carpena thans medegedeeld had, waar ze gevonden konden worden.Daar evenwel de dokter en Piet Bathory door Silas Toronthal en Sarcany herkend konden worden, scheen het hun geraden niet eerder persoonlijk op te treden, dan wanneer zulks met zekerheid van te zullen slagen kon geschieden. Maar nu men het spoor der beide medeplichtigen teruggevonden had, kwam het er voornamelijk op aan, hen, in afwachting dat de gelegenheid zich zou voor doen om daadwerkelijk te handelen, niet meer uit het oog te verliezen.Daarom werd Pescadospunt naar Monaco gezonden met opdracht om hen overal te volgen, waarheen zij gaan zouden. Kaap Matifou vergezelde hem, om hem des vereischt met zijne stevige vuisten bij te springen, terwijl dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi ook derwaarts met deFerratozouden vertrekken, wanneer het gunstige oogenblik aangebroken zou zijn. Zooals men ziet, werden de mazen van het net al meer en meer om de schuldigen dichtgetrokken.De beide akrobaten waren midden in den nacht te Monte Carlo aangekomen en waren des morgens dadelijk aan den arbeid getogen. Het was hen niet moeielijk gevallen, het hôtel uit te vinden, waar Silas Toronthal en zijn medeplichtige Sarcany hun intrek genomen hadden. Terwijl Kaap Matifou, in afwachting dat de avond viel, in den omtrek van Monte Carlo rondwandelde, zag Pescadospunt, die zorgvuldig de wacht hield en niets liet ontglippen, de beide vennooten tegen een uur in den namiddag naar buiten treden. Het scheen den wakkeren verspieder toe, dat de bankier Silas Toronthal zeer neerslachtig was en bitter weinig sprak, hoewel Sarcany zijn best deed om het onderhoud levendig te houden. In de morgenuren had Pescadospunt hooren verhalen, wat daags te voren in de speelzalen van Monte Carlo plaats gevonden had, namelijk die ongeloofelijke reeks van de roode kleur, die zoovele slachtoffers gemaakt had en waaronder voornamelijk Sarcany en Silas Toronthal aangehaald werden. Met zijne aangeboren schranderheid besloot de wakkere kerel daaruit, dat hun onderhoud daarover moest loopen, en in het bijzonder over het kwade gesternte, dat hen vervolgd had.[81][82]Bovendien vernam hij, dat die beide spelers niet alleen ten gevolge van die noodlottige reeks, maar ook vroeger en vooral in de laatste dagen groote sommen verloren hadden, waaruit hij alweer met niet minder schranderheid de gevolgtrekking maakte, dat hunne laatste hulpmiddelen nagenoeg uitgeput moesten zijn, en dat het oogenblik naderde, waarop dokter Antekirrt daadwerkelijk en met vrucht zou kunnen optreden. Waarlijk, de dokter had een meesterlijke greep gedaan, toen hij de beide akrobaten voor zijn dienst aanwierf.Pescadospunt volgde hen van verre. (Bladz. 84.)Pescadospunt volgde hen van verre. (Bladz.84.)Die mededeelingen werden des morgens dadelijk door Pescadospunt, evenwel zonder iemand te noemen, aan een bekend adres te LaVallettaop het eiland Malta getelegrafeerd, vanwaar zij langs een particulieren draad snel naar het eiland Antekirrta overgeseind werden.Toen Sarcany en Silas Toronthal het gebouw van het Casino van Monte Carlo binnentraden, stapte Pescadospunt achter hen aan. Toen zij de salons van de roulette en van het trente-et-quarante binnengingen, volgde hij hen ook.Het was toen juist drie uren in den namiddag. De heldere metalen klok van het torentje van het Casino verkondigde dat luid genoeg, terwijl de nagalm over de watervlakte van de Middellandsche zee wegstierf.Het spel begon toen levendiger te worden, hoewel er nog geen groote geestdrift heerschte.De bankier en zijn makker wandelden eerst de zalen rond. Hier en daar bleven zij gedurende eenige oogenblikken bij sommige speeltafels staan, sloegen den gang van het spel gade, maar onthielden zich blijkbaar stelselmatig er deel aan te nemen.Pescadospunt verloor hen niet uit het oog, terwijl hij als een onbedreven nieuwsgierige op en neder slenterde. Hij meende zelfs, om hunne aandacht niet te trekken, hier en daar een paar vijf francstukken op de kolommen of op de nummers der roulette te moeten wagen. Die verloor hij natuurlijk; het moet evenwel erkend worden, hij deed dat met de meest mogelijke onverschilligheid. Maar waarom had hij ook niet den uitmuntenden raad gevolgd, die hem een professor, een beunhaas in het spel, in vertrouwen gegeven had? Ja, waarom niet? Was het betweterij?„Om te slagen in het spel,” had deze gezegd, „moet men er zich op toeleggen, om de kleine inzetten te verliezen en de groote te winnen! Daarin bestaat het geheele geheim, mijnheer!”Pescadospunt knikte den raadgever gedachteloos toe; maar drentelde verder.Het sloeg vier uren op de groote pendule in de speelzaal, waarin zij zich bevonden, toen Silas Toronthal en Sarcany het geschikte oogenblik gekomen achtten, om de veine „den tand te voelen”, zooals[83]zij dat uitdrukten. Verscheidene plaatsen waren nog onbezet bij eene der roulette-tafels. Beiden namen daaraan plaats en wel tegenover elkander, en weldra zag de roulettehouder zich niet alleen door spelers omringd, maar ook door eene talrijke menigte toeschouwers, die begeerig waren den revanche-strijd te aanschouwen, dien de twee ongelukkige spelers van den vorigen dag te leveren hadden. Aller aandacht was natuurlijk ten hoogste geprikkeld. Men verdrong zich als het ware.Pescadospunt had natuurlijk gezorgd in de eerste rij der nieuwsgierigen plaats te nemen, en was, zooals wel te bedenken is, niet een der minsten van hen, die belangstelling in de lotswisselingen van de begonnen partij stelden.Gedurende het eerste uur wogen de kansen nagenoeg tegen elkander op. Winst en verlies stonden gelijk.Om die kansen des te beter te verdeelen, volgden Silas Toronthal en Sarcany natuurlijk niet hetzelfde spel. Zij zetten ieder afzonderlijk op en maakten zoo verscheidene belangrijke winsten, zoowel op de eenvoudige als op de meer samengestelde combinatiën, die bij de roulette gebruikelijk zijn. Maar het lot besliste niet voor en niet tegen hen.Maar tusschen vier en zes uren scheen het lot te keeren en hen zeer te begunstigen.Het maximum van inzet, dat bij de roulette zes duizend franken bedraagt, werd herhaaldelijk door hen op volle nummers gewonnen. De gelaatstrekken der bankhouders waren nog strakker dan gewoonlijk.De handen en vingers van Silas Toronthal beefden koortsachtig, wanneer hij ze over het groene laken uitstrekte, hetzij om zijn inzet ter gewilde plaatse bij te schuiven, hetzij om de goudstukken en de bankbiljetten van onder de harken der croupiers naar zich toe te halen.Sarcany integendeel was zichzelven steeds meester. Hij liet geen enkele der gewaarwordingen, die zijne ziel bestormden, op zijn gelaat bespeuren. Hij vergenoegde zich zijnen medeplichtige met den blik aan te moedigen; want het was Silas Toronthal, die, alles wel beschouwd, de gunstige kansen van het oogenblik in zijn voordeel had.Hoewel Pescadospunt als in een halven roes verkeerde, door het heen en weer geschuif van al die goudstukken, en door het geritsel van al die bankbiljetten veroorzaakt, verzuimde hij geen oogenblik die beide mannen met de grootste aandacht gade te slaan, Hij vroeg zich af, of zij voorzichtig genoeg zouden zijn, om bij tijds met spelen op te houden, ten einde het vermogen, dat zij bezig waren te verwerven, te behouden.Toen kwam de gedachte bij hem op, dat wanneer Silas Toronthal[84]en Sarcany verstandig genoeg waren, om zoo te handelen, wat hij echter betwijfelde, zij geneigd konden wezen om Monte Carlo te verlaten, ten einde naar een anderen hoek van Europa te vluchten, waar zij dan weer opgespoord moesten worden. En als zij geen geldgebrek zouden hebben, zouden zij moeielijk in de macht van dokter Antekirrt vallen.„Het zal, alles wel beschouwd, beter zijn,” mompelde hij in zich zelven, „dat zij alles, ja alles verliezen. Ik geloof niet, dat ik mij vergis, maar die schoft van een Sarcany is er de man niet naar om het spel te midden van de gunsten der veine te staken. Enfin, wij zullen zien en geheel naar omstandigheden handelen.”Wat ook dienaangaande de meeningen en het hopen van Pescadospunt waren, de gelukkige kansen verlieten onze twee medeplichtigen voorloopig niet. Zij zouden inderdaad de bank drie malen reeds hebben doen springen, wanneer de speelchef niet telkenmale toevoeging aan het aanwezige kasgeld van twintig duizend franken bewerkstelligd had.Dat was waarlijk eene buitengewone gebeurtenis voor de toeschouwers van dien strijd, waarvan het meerendeel de beide spelers zeer genegen scheen. Was dat niet als eene soort weerwraak, genomen op die onbeschofte reeks van de roode kleur, waarvan de administratie der bank den vorigen dag zoo ruimschoots geprofiteerd had.Toen Silas Toronthal en Sarcany eindelijk tegen half zeven met spelen ophielden, hadden zij, toen de rekening nauwkeurig opgemaakt werd, eene winst gemaakt, die ruim twintig duizend louis d’or te boven ging. Zij stonden toen op en verlieten de roulette tafel. Silas Toronthal liep met wankelende schreden, alsof hij een weinig dronken was. Dat was hij evenwel niet van sterken drank of van zware wijnen, maar wel van opgewondenheid, ook van vermoeienis der hersenen. Hij zag bleek van aandoening en was genoodzaakt herhaalde malen te blazen, alsof de lucht zijner longen hem benauwde.Zijn makker was kalm, ja gevoelloos gebleven; maar die bewaakte den bankier en vreesde niets meer of minder, dan dat deze trachten zou te ontvluchten met de eenige honderd duizend franken, die met zooveel moeite terug gewonnen waren, om zich zoo aan zijne heerschappij te onttrekken. Nu hij meer geld had, was dit niet geheel onmogelijk.Beiden verlieten de speelzaal en het Casino, daalden daarna de trap van het hooge bordes af en richtten hunne schreden naar hun hôtel, alwaar zij eenige uren wenschten uit te rusten van die aandoeningen.Pescadospunt volgde hen van verre, evenwel zoo dat zij hem niet bespeuren konden.[85]Toen hij buiten kwam, ontwaarde hij bij een der kiosken van den tuin Kaap Matifou, die heel gemakkelijk op een bank gezeten was en in wijsgeerige beschouwingen verdiept scheen.Wijsgeerige beschouwingen van een Hercules? Welken omvang zouden die wel gehad hebben?Pescadospunt ging tot hem en nam op zijne aanwijzing geen plaats naast zijn vriend op de bank.„Kom,” zeide hij integendeel met eenigszins gejaagde en kort afgebroken stem.„Is het oogenblik gekomen?” vroeg Kaap Matifou, die dadelijk opstond en mede wilde gaan.„Welk oogenblik?”„Hou je me voor den gek?” vroeg de reus gemelijk. „Pescadospunt zou mij niet begrijpen?”„Neen, waarachtig niet. Ik begrijp je niet. Welk oogenblik?” vroeg de kleine man ongeduldig.„Het oogenblik van … van … je weet wel.… Och, je wilt mij niet verstaan.…”„O, van ten tooneele te verschijnen?” riep Pescadospunt uit, wien een licht plotseling opging.„Juist!”„Neen, mijn waarde Kaap!… Nog niet!… Blijf nog maar wat ter zijde!…” was het antwoord.„Drommels!” pruttelde de reus. „Ik beken het volgaarne, ik begin mij gruwelijk met dat niets-doen te vervelen.”„Hebt ge al gegeten?” vroeg zijn vriend hem met alle belangstelling. „Ik hoop van ja.”„Ja, Pescadospunt, en goed ook! Daaraan schort het mij niet,” antwoordde Kaap Matifou met een zucht.„Ik feliciteer je wel! Ik heb de maag bij mijne hielen zitten, zoo laag is zij gezakt.”„Dat is laag! Maar, Pescadospunt, dan zit dat lichaamsdeel bij jou niet op z’n plaats.”„Niet waar? Want dat is de plaats van een fatsoenlijke maag niet.”„Dat dunkt me ook. Maar, vertel mij. Hoe komt dat zoo? Gij hebt toch zoovele behoeften niet.”„Wees gerust, ik zal mijn maag wel weer naar boven werken, als ik tijd heb. Intusschen.…”„Intusschen? Gij spreekt er van, of gij bij dat werk eene domme-kracht wilt bezigen.”„Ga hier niet van de plaats, voordat ge me terug gezien hebt, Kaap Matifou! Begrepen?”„Daar kunt ge op aan!” bromde de athleet. „Maar het begint knapjes saai te worden.”[86]Pescadospunt ijlde naar den hellenden weg, dien Sarcany en Silas Toronthal thans afdaalden.Toen hij de verzekering bekomen had, dat de beide medeplichtigen zich het diner in hunne vertrekken hadden laten voordienen, nam Pescadospunt den tijd om plaats te nemen aan de table d’hôte van het hôtel. Het was tijd, want de arme kerel had werkelijk honger. Maar in een half uur tijd had hij, zooals hij Kaap Matifou verzekerd had, zijn maag weer omhoog en op de normale plaats gebracht, welke dat orgaan in het menschelijke lichaam moet innemen. Hij veegde zijn lippen met zijn servet af, en loosde een zucht van voldaanheid.…Daarna stak hij een overheerlijke sigaar, een echte Panatella op, ging naar buiten en stelde zich vóór het hôtel verdekt op, om zijn bespieden voort te zetten. Hij was een onbetaalbare kerel voor dengeen, die hem wist te gebruiken.„Waarachtig, ik ben in de wieg gelegd om schildwacht te spelen!” mompelde hij. „Ik ben mijn loopbaan misgeloopen. Maar, wat er aan te doen? Het is thans geen tijd meer om soldaat te gaan worden. Daartoe is het te laat.”Hij wandelde achter een perk sierstruiken op en neer, en peinsde over de aangelegenheden, die hij te behartigen had.De eenige vraag, die hij zich in het onderhavige geval inderdaad stellen kon, was:„Zouden de heeren Sarcany en Toronthal heden avond naar het Casino terugkeeren of niet?”Tegen tien uren verschenen Silas Toronthal en Sarcany in de omlijsting van de deur van het hôtel. Pescadospunt meende te hooren en te begrijpen, dat zij vrij levendig met elkander kibbelden.Klaarblijkelijk poogde de bankier voor de laatste maal weerstand te bieden aan de verleidingen en aan het lastige aandringen van zijn medeplichtige. Deze ging zelfs verder; want hij eindigde met op bevelenden toon te zeggen:„Het moet, Silas!… Ik wil het!… Zoo gij niet naar mij hoort … dan blijven de gevolgen voor uwe rekening.”Het overige ging door den afstand voor Pescadospunt verloren.De beide medeplichtigen stapten daarop den hellenden weg weer op, die naar den tuin van het Casino Monte Carlo voert. Pescadospunt volgde hen onmiddellijk, zonder evenwel tot zijn grooten spijt, verder iets van hun onderhoud te kunnen vernemen.Ziehier evenwel wat Sarcany, op een toon die geen tegenspraak duldde, zeide tot den bankier, die in zijn tegenstand dadelijk merkbaar verflauwde.„Thans ophouden, Silas Toronthal, nu de veine teruggekomen is, dat zou dwaasheid zijn!… Het is, of gij het hoofd kwijt zijt!…[87]Wat, wij zouden bij de ongelukkigste kansen, het spel als gekken doorgezet hebben, en nu de kans gekeerd is, zouden wij het spel niet als wijzen forceeren?… Wat, wij hebben eene eenige gelegenheid misschien, eene gelegenheid, die wellicht zich niet meer aanbieden zal, om het lot te overmeesteren, om de fortuin te bemachtigen, en wij zouden haar door onze schuld laten ontsnappen?… Dat zou al te dwaas zijn, niet waar?”„Maar,…” poogde de ongelukkige te zeggen. „Als wij alles eens verloren?… Denk daar toch aan.”Sarcany liet hem evenwel niet verder aan het woord, maar hernam oogenblikkelijk:„Silas, voelt gij dan niet dat de veine!…”„Als zij maar niet uitgeput is!” mompelde Silas Toronthal uiterst neerslachtig. „Ik heb zoo’n voorgevoel.”„Neen! honderdmaal neen! Zij is niet uitgeput!” hernam Sarcany met drift. „Dat is, bij God, zoo niet uit te leggen, maar dat gevoelt men; zoo iets doordringt iemand tot in het merg der beenderen!… Een millioen wacht ons heden avond op de speeltafels van het Casino!… Ja, een millioen!… hoort ge, een millioen! En ik zal die laten ontsnappen!… Bij den duivel! dat moogt gij ook niet, Silas Toronthal. Neen, dat moogt gij niet!”„Speel gij dan, Sarcany!… Ik voel dat ik zeer ongelukkig zal wezen,” stamelde de bankier.„Ik?”„Ja, gij!”„Ik!… Ik alleen spelen?… Neen, waarachtig niet!… Wij spelen samen!… Ja!… En als ik moest kiezen tusschen ons tweeën, dan zou ik aan u mijn plaats inruimen. De fortuin gaat persoonlijk te werk en het is buiten kijf, dat zij u heden toelacht!… Speel dus en gij zult winnen.…”„Maar.…”„Zwijg!… ik wil het!… Er valt hier niet meer op terug te komen,” sprak de verleider op kort afgebroken toon.Wat Sarcany wilde, was in het kort, dat Silas Toronthal zich niet zou vergenoegen met de eenige honderd duizend franken, die hem veroorloofd zouden hebben aan zijne heerschappij te ontsnappen. Wat hij wilde, was, dat zijn medeplichtige weer de millionnair van weleer of straatarm zou worden. Was hij rijk, dan kon hij voortgaan te leven, zooals hij gedaan had; arm, dan zou hij Sarcany wel moeten volgen, overal waar die hem voeren wilde. In beide gevallen zou hij niets meer van hem te vreezen hebben. Neen, niets! Niets!Daarenboven, hoewel Silas Toronthal poogde weerstand te bieden, was dat geheel te vergeefs; want hij gevoelde thans al de hartstochten[88]van den speler ongeketend in zich woelen. Te midden van den ellendigen toestand, waartoe hij vervallen was, ondervond hij tegelijkertijd zoowel vrees als aandrang om naar de speelzalen van het Casino te Monte Carlo terug te keeren. De woorden van Sarcany goten vloeiend vuur in zijne aderen. Ja, hij zag het, hij begreep het, de fortuin had zich naar hem gewend en wel met zoodanige standvastigheid gedurende de laatste uren, welke hij aan de speeltafel doorbracht, dat het onvergeeflijk, ja onverantwoordelijk zoude zijn om thans de partij op te geven! Neen, dat kon, dat mocht niet! Hij was dan ook weldra vast besloten te doen, wat Sarcany verlangde.Die dwaas!Evenals alle spelers, zijne evenbeelden, stelde Silas Toronthal op rekening van het tegenwoordige, wat niet anders dan tot het verledene kan behooren! In plaats van te zeggen: het gelukheeftmij toegelachen,—wat inderdaad waar was,—prevelde hij: het geluklachtmij toe—wat onwaar was! En toch, in het brein van allen, die plaats rondom de speeltafels nemen, wordt geene andere redeneering gevoerd! Zij allen vergeten maar al te zeer, wat een der grootste wiskunstenaars van Frankrijk nog kort geleden zoo schrander en zoo juist ter snede zeide:„Het toeval heeft slechts grillen, geene gewoonten!”Intusschen waren Sarcany en Silas Toronthal, steeds gevolgd door Pescadospunt, tot voor het Casino genaderd. Daar stonden zij nog een oogenblik stil. Het was inderdaad alsof zij voor de poorten des tempels andermaal weifelden.„Silas,” vermaande Sarcany toen, „Silas, geene aarzeling!… Gij zijt vast besloten om te spelen, niet waar?”„Ja!” antwoordde de bankier, die zijn moed als ’t ware met beide handen greep. „Ja, ik ben vast besloten!”„Ja, maar bepaald besloten? Denk er om, geen aarzelen, geen weifelen! Vast besloten!”„Bepaald en vast besloten … om alles te wagen, ten einde alles te winnen!” ging Silas Toronthal, wiens aarzelingen als nachtschimmen verdwenen, zoodra zijn voet de eerste trede van de trap van het bordes, dat tot de speelzalen toegang verleende, aangeraakt had, koortsachtig voort: „Ik zal het noodlot tarten! Ik zal de fortuin dwingen!”„Ik wil geen invloed op u uitoefenen!” hernam Sarcany met zachte stem en teemend.„Dat hoeft ook niet,” antwoordde Silas Toronthal kort af, maar met hartstochtelijke stem.„Gij moet niet mijne ingeving, maar de uwe volgen. Gij zijt het gelukskind, niet ik.”„Juist.”[89]Eza, een adelaarsnest. (Bladz. 96.)Eza, een adelaarsnest. (Bladz.96.)[90]„Die ingeving kan u niet misleiden. Wees daarvan ten volle overtuigd. Die zal u op geen dwaalspoor brengen.”„Dat denk ik ook.”„Zult ge weer plaats aan de roulette-tafel nemen? Of hebt gij een ander voornemen?”„Neen,… ik wensch bij het trente-et-quarante-spel op te zetten!” antwoordde Silas Toronthal, terwijl zij het gebouw binnentraden.„Gij hebt gelijk, Silas! Hoor slechts naar uwe ingeving!… De roulette heeft u bijna een vermogen verschaft, het trente-et-quarante zal het overige wel verrichten!”Beiden traden de salons binnen en wandelden eerst een poos op en neer. Tien minuten later zag Pescadospunt hen plaats nemen aan een der trente-et-quarante-tafels, waaromheen zich dadelijk het meerendeel der spelers schaarden.Daar kunnen inderdaad meer stoutmoedige zetten gedaan worden. Daar zijn de kansen van het spel meer eenvoudig, daar is ook het maximum van inzet twaalf duizend franken, en in weinige oogenblikken kan de speler groote verliezen, maar ook groote winsten maken. Rondom die tafels is het dan ook, dat de groote spelers bij voorkeur plaats nemen. Daar eindelijk ontluiken groote vermogens of worden die met zulk eene duizelingwekkende snelheid verspeeld, dat de Beurzen te Parijs, te New-York, te Londen of te Amsterdam er jaloersch op zouden kunnen zijn.Toen hij eenmaal aan de trente-et-quarante-tafel had plaats genomen, was Silas Toronthal alle zijne vroegere angsten vergeten. Hij speelde nu niet angstig, maar met eene soort van razernij, of wat juister is, als een man, die weldra het hoofd kwijt zal zijn. Kon men daarenboven ernstig meenen, dat er eene manier van spelen bestaat, eene manier om zijn geld op te offeren? Klaarblijkelijk neen, hoewel de beunhazen en de hartstochtelijke spelers het tegendeel beweren. Men is en blijft, wanneer men speelt, de slaaf van het toeval. En dat willen of wenschen die verblinden niet in te zien.Silas Toronthal speelde dus, terwijl Sarcany, wiens belang bij die laatste partij dubbel gold en die steeds winner was, welke ook de afloop zou zijn, hem nauwkeurig op de vingers keek en van iedere winst of verlies aanteekening hield.In de eerste uren, wogen de afwisselingen van winst en verlies tegen elkander op. Toch scheen de fortuin naar den kant van Silas Toronthal te willen overhellen. Dat was uit de laatste uitkomsten, meenden zij, duidelijk op te maken.Toen meenden hij en Sarcany zeker van den goeden uitslag te zijn. Hunne oogen schitterden van begeerlijkheid.Zij hitsten elkander op, zooals men dat noemt; zij moedigden elkander aan en plaatsten niet anders meer dan de hoogst toegestane[91]inzetten op het groene kleed. De lezer weet dat dat inzetten van twaalf duizend franken zijn.Maar weldra hernam de bank, die over eene onwrikbare koelbloedigheid beschikt, die zich niet laat medeslepen door de dwaasheden van eene krankzinnige vervoering, en welker belangen door het vastgestelde maximum, den speler opgelegd, beschermd wordt, geheel en al het voordeel.Toen leden de medeplichtigen achtereenvolgens schrikkelijke verliezen. Het was alsof het geld langs een hellend vlak wegstroomde!Al de winst, die Silas Toronthal in den namiddag behaald had, vervloog voor en na.De bankier was schrikkelijk om aan te zien. Zijn gelaat was verwrongen en vuurrood en toonde aan, hoedanig het bloed hem naar het hoofd steeg. Zijne oogen stonden verwilderd en schier uitpuilend. Hij klemde zich vast aan de tafelranden, aan zijn stoel, aan de pakjes bankbiljetten, aan de rolletjes goudstukken, die zijne hand niet kon loslaten. En dat alles geschiedde met stuipachtige bewegingen, met zenuwachtige trillingen, met spiertrekkingen, met schokken evenals een man zou overkomen, die op ’t punt is van te verdrinken! Er was niemand om hem op den rand van den afgrond te weerhouden! Geene hand, die hem toegestoken werd, om hem te redden! Sarcany deed geen enkele poging, om hem van die noodlottige plek te sleuren, om hem heen te voeren, alvorens zijn ondergang volkomen was, voor dat zijn hoofd verdwenen was onder de toeijlende golf van het verderf!Het was omstreeks tien uren, toen Silas Toronthal zijn laatsten inzet, zijn laatste maximum waagde. Hij won … won nog eens, verloor daarna … verloor nogmaals en was toen alles kwijt! Toen hij met berooid hoofd opstond, werd hij bestormd door dien afschuwelijk wreedaardigen wensch, dat de bovenverdiepingen der Salons van het Casino mochten instorten, om hem en met hem al diegenen te verpletteren, die zich daarin bewogen. Hij bezat niets meer—niets meer van de millioenen, die hij met zijn bankiershuis verdiend had, niets meer van de millioenen, die hem als uitslag van zijn afschuwelijk verraad van het vermogen van graaf Mathias Sandorf ten deel waren gevallen! Het noodlot had onverbiddelijk uitspraak gedaan. De bankier was doodarm.Silas Toronthal, vergezeld van Sarcany, die toen zijn gevangenbewaarder scheen te zijn, verliet de speelzalen, stapte het gebouw door en ijlde buiten het Casino. Beiden vluchtten vervolgens als het ware langs de square naar de voetpaden, die naar La Turbia opklommen. Het was, alsof zij vreesden achtervolgd te worden.Pescadospunt was hen evenwel reeds op het spoor. Maar hij spoedde zich in het voorbijgaan naar zijn vriend Kaap Matifou en sleurde dien[92]van zijne bank af, waarop deHerculeshalf ingedommeld lag, en schreeuwde hem toe:„Op! en spoedig!… De oogen open en de beenen gebruikt! Drommels, het oogenblik is daar!”„Wat is daar?” riep de reus, zoo uit den dommel wakker geschud, onthutst uit. „Wat is daar?”„Kom maar, wij hebben geen tijd om te babbelen,” antwoordde Pescadospunt gejaagd.En beiden ijlden op het spoor voort, dat zij niet meer wilden verliezen. Het was tijd ook.Sarcany en Silas Toronthal bleven intusschen in allerijl naast elkander voortstappen en stegen steeds, terwijl zij de kronkelende en klimmende paden volgden, die langs de hellingen van het bergterrein te midden van olijf- en oranje-boschjes voerden. Die grillige kronkelingen en wendingen veroorloofden aan Pescadospunt en aan Kaap Matifou, om hen niet uit het oog te verliezen, hoewel zij geen woord konden verstaan van hetgeen de beide medeplichtigen spraken.„Keer naar het hôtel terug, Silas Toronthal,” herhaalde Sarcany onophoudelijk met bevelende stem, „keer terug … en herneem uwe koelbloedigheid.… Het is alsof gij krankzinnig zijt.”„Neen!… Ik keer niet naar het hôtel terug,” kreet Silas Toronthal, met onaangenaam klinkende stem.„Kom, het moet!… Laat u door mij raden.… Laat u door mij geleiden.… Er is nog herstel mogelijk.”„Neen, zeg ik u.… Wij zijn tot den bedelstaf gebracht.… En dat alles is uwe, uwe schuld, Sarcany!”„Kom, wees nu niet dwaas.… Anders zijt gij zoo verstandig.… Hoe is het mogelijk zich zoo op te winden?”„Wij moeten scheiden, Sarcany.… Ik wil u niet meer zien!… Ik wil.… Ik wil verre van hier … ver, zeer ver!”„Scheiden?… Waarom?… Zeg mij!… Is dat nu niet het dwaaste denkbeeld, dat bij u opkomen kan?”„Ik wil.… Hoort gij, Sarcany.… Ik wil.… Ik ben uwe tegenwoordigheid moede. U heb ik alles te danken.”„Gij zult mij volgen, Silas Toronthal. Morgen zullen wij Monte Carlo verlaten!… Er blijft ons geld genoeg over om Tetuan te bereiken, en daar zullen wij onze taak voleindigen. Gij weet wel, dat wij daar niet zonder middelen zullen zijn.”„Neen!… Neen!… Duizendmaal neen!… Ik wil niet … en daarmee uit!” kreet de rampzalige.„Maar, waarom niet?”„Laat mij, Sarcany, laat mij!” riep Silas Toronthal uit. „Laat mij, of ik bega een ongeluk!”En hij stootte zijn makker gewelddadig terug, toen deze hem wilde[93]grijpen. Daarna stoof hij met zooveel vaart vooruit, dat Sarcany moeite had, om hem weer in te halen. Geheel onbewust van hetgeen hij deed of omtrent hetgeen rondom hem voorviel, liep Silas Toronthal veel kans in de steile ravijnen te storten, waarboven en waarlangs zich het net der tuinpaden uitspreidde. Eene enkele gedachte huisde nog in het brein van den ongelukkigen bankier tot bedwelmens toe, dat was: Monte Carlo te ontvluchten, waar hij zijn ondergang gevonden had, en Sarcany te ontvluchten, wiens raadgevingen hem zoo verderfelijk geweest waren en zoo ellendig gemaakt hadden. Hij wilde in één woord vluchten, en het aan het toeval overlaten, waarheen hij zich zoude wenden, zonder te weten, wat van hem worden zou.Sarcany gevoelde wel, dat hij geen macht meer op zijn medeplichtige zou kunnen uitoefenen, dat die op het punt was aan zijn invloed te ontsnappen! O! wanneer de bankier niet bekend was met geheimen, die hem in het verderf konden storten, of hem voor het allerminst de laatste partij, die hij nog spelen wilde, kon doen verliezen, dan zou hij zich al zeer weinig bekommerd hebben over dien man, dien hij tot aan den rand van den afgrond gesleurd had! Maar, alvorens in dien afgrond te storten, kon Silas Toronthal een laatsten gevaarlijken kreet slaken, en die kreet moest vermeden, moest verstikt worden, al moest dat ook door middel van eene misdaad geschieden!Toen, in dat oogenblik was er van de gedachte aan die misdaad, waartoe hij in zijn binnenste besloten was, tot de daadwerkelijke uitvoering slechts een pas te maken en Sarcany aarzelde geen oogenblik dien pas uit te voeren. Wat hij op weg naar Tetuan, in de eenzaamheid derMarokkaanschevelden wilde uitvoeren, zou hij dat niet, dezen zelfden nacht op deze plek, die weldra geheel eenzaam en verlaten zoude zijn, kunnen doen? Die gedachte bestormde wild en woest zijn misdadig brein.Maar op dit uur werden toch nog te veel menschen, die zich verlaat hadden, op dien weg tusschen Monte Carlo en la Turbia ontmoet. Nog te veel wezens bewogen zich op die hellingen en klommen haar op of daalden haar af. Een kreet, een schreeuw van Silas Toronthal zou hen kunnen doen te hulp schieten, en de moordenaar wilde, dat de moord onder zoodanige omstandigheden geschiedde, dat nimmer eenige achterdocht hem zoude kunnen bereiken. Dat noodzaakte hem gebiedend te wachten. Hooger, daar ginds la Turbia voorbij, over de Monacosche grenzen, op dien bergachtigen weg, die zich op meer dan twee duizend voeten boven de oppervlakte der zee, aan de flanken van het eerste voorgebergte der Zeealpen vastklemde, zou Sarcany zeker en zonder gevaar kunnen toestooten. Wie zou daar zijn slachtoffer te hulp komen? Hoe zou[94]daar het lijk van Silas Toronthal in de diepte van die peillooze, sombere ravijnen, die langs den weg aangetroffen werden, weer gevonden worden?Evenwel wilde Sarcany een laatste maal zijn medeplichtige weerhouden en een laatste poging aanwenden, hem naar Monte Carlo naar het hôtel terug te voeren. Die poging zou evenwel deerlijk mislukken.„Kom, Silas Toronthal, kom!” zei hij, terwijl hij zijn makker bij den arm greep. „Kom dan toch, zeg ik u!”„Neen!… Laat mij! Laat mij!…” kreet de bankier; terwijl hij zijn makker met verbeten woede terugstootte.„Morgen zullen wij het spel hervatten!… Ik heb nog eenig geld.… Morgen kunnen wij alles terugwinnen.”„Neen, neen! Laat mij …” riep Silas Toronthal met eene van razernij trillende stem uit.Wanneer hij bij machte geweest ware, om met Sarcany te worstelen; wanneer hij met dolk of revolver gewapend geweest ware, dan zou hij voorzeker niet geaarzeld hebben, om zich over al het kwaad, dat hem zijn vroegere Tripolitaansche agent berokkend had, te wreken. Hij zou dan toegestooten hebben, al had hij daarna ook het hoofd op het schavot moeten brengen.Met een woest handgebaar, waaraan de toorn nog meer spierkracht verleende, stootte Silas Toronthal Sarcany terug; daarna ijlde hij voort naar den laatsten draai van het pad en daalde langs eenige trappen af, die den weg vormden in den rotswand waartusschen kleine terrasvormige tuinen uitgehouwen waren. Hij had weldra de voornaamste straat van Turbia bereikt, die op den smallen zadelrug uitkomt, die den Hondskop van de bergmassa van Ayel afscheidt, en de vroegere grensscheiding tusschen Italië en Frankrijk uitmaakt.„Welnu, als gij het dan zoo wilt, ga dan, Silas,” riep Sarcany hem voor de laatste maal achterna. „Ga, maar ge zult niet ver loopen. Dat verzeker ik u!”En daarna rechts wendende, overschreed hij eene kleine omheining, uit losse steenen opgetrokken, stak een schuinhellenden tuin dwars over, regelde zijne schreden dermate, dat hij voor Silas Toronthal op den grooten weg zoude uitkomen. Daar wilde hij zijn vroegeren medeplichtige opwachten, om met hem af te rekenen.Al hadden Pescadospunt en Kaap Matifou ook al niets van die woordenwisseling kunnen hooren, zoo hadden zij toch duidelijk waargenomen met hoeveel geweld de bankier Sarcany had teruggestooten en hadden zij gezien, hoe de laatstgenoemde in de schaduw der boomgroepen verdween.„De duivel mengt zich in het spel,” riep Pescadospunt uit. „Gauw, gauw!”[95]„Denkt ge?” vroeg Kaap Matifou, terwijl hij zijn vriend met verwonderde blikken poogde aan te kijken, wat bij de heerschende duisternis mislukte.„Waarachtig!… De voornaamste ontsnapt ons waarschijnlijk.… Gauw!… Gauw! Wij moeten ons haasten!”„Och kom, die kerels kunnen toch niet vliegen!” sprak Kaap Matifou gemelijk.„Dat moest er nog maar bij komen …” hijgde Pescadospunt schier wanhopig.„Wat?”„Dat de andere ons ook ontsnapte! Dat zou iets moois voor ons zijn! Wat zou Dokter Antekirrt wel zeggen?”„Dat kan niet.”„Gelukkig ook. Die Toronthal zal weldra onze krijgsgevangene zijn!… Opgepast, Kaap!”„Dat meen ik ook. Wees intusschen gerust, ik zal oppassen, Pescadospunt.”„Daarenboven, er valt hier niet te kiezen … Kom vooruit, waarde Kaap, vooruit!”En voortspoedende hadden zij Silas Toronthal weldra ingehaald. Dat merkten zij weldra.Deze besteeg snel de straat van Turbia. Nadat hij de kleine verhevenheid, waarop de Augustustoren verrijst, voorbij geijld was, liep hij met vlugge schreden langs de huizen, welker deuren reeds gesloten waren, en bevond zich weldra op den weg der Kroonlijst.Pescadospunt en Kaap Matifou volgden hem op een afstand van ongeveer vijftig passen en verloren hem niet uit het oog.De weg der Corniche of der Kroonlijst is het overblijfsel van eene oude Romeinsche heerbaan. Van Turbia af daalt zij langs de berghellingen, te midden van prachtige rotspartijen, van alleen staande kegelheuvels, van diepe afgronden, die zich tot bij de spoorbaan uitstrekken, welke langs de kuststrook aangelegd is, naar Nizza af. Over den spoorweg heen, waren bij den helderen sterrenhemel en bij het zachte licht der maan, die in het oosten opkwam, in het nevelig verschiet zes baaien te ontwaren, alsmede het Hospitaaleiland, de monding van de Var, de golf van Juan, de Lerinische eilanden, de golf van Napocila, het schiereiland van Garoupa, de kaap van Antibes en daarachter als een verheven achtergrond: het Esterelgebergte. Hier en daar schitterden havenlichten, zooals dat van Beaulieu, hetwelk aan den voet der steile oevers van Klein-Afrika opgericht is, dat van Villafranca, hetwelk door den Leuzaberg beheerscht wordt. Vervolgens werden nog eenige signaallichten van visschersvaartuigen ontwaard, die zich in de kalme wateroppervlakte spiegelden.[96]Het was toen iets later dan middernacht. In de verte stierf het metalen geluid van een klokkentoren weg.Op dit oogenblik was Silas Toronthal aan het einde der Turbiastraat gekomen en verliet thans den weg der Kroonlijst en spoedde zich op een pad voort, dat rechtstreeks naar Eza voert, hetwelk een adelaarsnest genoemd moet worden, alwaar een half barbaarsche bevolking, boven op dien rotsblok, te midden van woeste pijnboomen en wild struikgewas, huist. Dat pad was volmaakt eenzaam. De waanzinnige bankier volgde het gedurende een poos, zonder den pas te vertragen, zonder het hoofd om te keeren, ten einde achterwaarts te zien. Plotseling wendde hij zich ter linkerzijde langs een smal padje, dat den hoogen rotsmuur van de kuststrook, waarlangs de spoorbaan en de rijweg onder een tunnel aangelegd zijn, scheidde en schier raakte.Pescadospunt en Kaap Matifou volgden den radelooze op den voet en verloren hem niet uit het oog.Op honderd passen verder ongeveer bleef Silas Toronthal eindelijk stilstaan. Hij was op eene rots gesprongen, die loodrecht boven een afgrond hing, waarvan de zool eenige honderd meter lager door de deininggolven der Middellandsche zee, die er donderend tegen brak, gezweept werd.Wat wilde Silas Toronthal daar doen? Dat vroegen de twee vrienden zich met ontzetting af.Was eene gedachte aan zelfmoord in dat ziekelijke brein opgekomen? Zou hij zich willen van kant maken?Wilde hij, door in dien afgrond te springen, een einde aan zijn ellendig bestaan maken?„Duizend duivels!” riep Pescadospunt uit. „Dat zou onze geheele rekening in de war sturen!”„Ik doe er evenveel duivels bij,” antwoordde Kaap Matifou. „Maar wat moeten die duivels? Wat is er aan de hand?”„Wij moeten hem levend hebben! Kaap, wij moeten dien kerel levend aan dokter Antekirrt overleveren.”„Dat ’s waar ook,” beaamde Kaap Matifou beteuterd. „Drommels ja, dat is waar ook!”„Grijp hem,” riep Pescadospunt, „en houd hem goed vast! Grijp hem, maar verworg hem niet!”Maar nauwelijks hadden beiden ongeveer twintig passen afgelegd, toen zij een man ter rechterzijde van het pad zagen verschijnen. Deze gleed als het ware langs de helling tusschen mastiek- en mirten-struiken door en sloop blijkbaar naar de rots, waarop Silas Toronthal zich bevond. Het was alsof een verscheurend gedierte naderde.Dat was Sarcany. De beide acrobaten herkenden hem dadelijk. Menkonzich trouwens daarin niet vergissen.[97]Waar Kaap Matifou, vanuit zee gezien, zich voordeed als een mythologische Proteus. (Bladz. 100.)Waar Kaap Matifou, vanuit zee gezien, zich voordeed als een mythologische Proteus. (Bladz.100.)[98]„Drommels!” mompelde Pescadospunt tusschen de tanden. „Daar is die andere nu ook!”„Wie is er nu weer?” vroeg de reus, die eensklaps stil bleef staan. „Zeg, wie is er nu weer?”„Het is niet onmogelijk, dat die schurk zijn makker een handje wil helpen, dat hij hem een duwtje wil geven, om hem van deze wereld naar de andere te zenden.…”„Dat is zelfs zeer waarschijnlijk.… Dat bespaart ons de moeite, dunkt me.”„Welnu, Kaap Matifou, gij den eenen en ik den anderen. Dan hebben wij ze beiden.”Maar Sarcany was stil blijven staan.… Hij had iets gehoord … en wilde niet herkend worden.…Plotseling ontsnapte een ijselijke vloek aan zijne lippen. Daarna ijlde hij rechts af en verdween, alvorens Pescadospunt hem had kunnen bereiken, te midden van het struikgewas.Toen Silas Toronthal een oogenblik later in den afgrond wilde springen, werd hij door Kaap Matifou gegrepen en op den weg teruggebracht.„Laat mij!…”riep hij. „Laat mij!… Wat moet gij van mij hebben?… Wilt gij geld?… Ik heb het niet.”„Wij zouden u een misstap laten doen, die u het leven zou kunnen kosten, mijnheer Toronthal,” antwoordde Pescadospunt. „Dat nooit!”„Dat nooit!” herhaalde Kaap Matifou. „Geloof ons, inderdaad, dat nooit!”De slimme Pescadospunt was op dit voorval, hetwelk zijne instructiën niet voorzien konden, natuurlijk niet voorbereid geweest. Maar al was Sarcany ook al ontsnapt, zoo was toch Silas Toronthal in den val, en er bleef thans slechts over, om hem naar Antekirrta over te voeren, alwaar hij met al de eerbetuigingen, die hem rechtens toekwamen, zoude ontvangen worden. Dat was de eindbeslissing, waartoe onze beide akrobaten besloten.„Wilt ge u tegen verminderden prijs met den vervoer van mijnheer belasten?” vroeg Pescadospunt aan Kaap Matifou.„Volgaarne,” antwoordde deze. „Hij zal het bij mij goed hebben. Hij zal niets te betalen hebben en daarentegen goed eten en drinken krijgen.”Silas Toronthal had zelfs geen besef meer van hetgeen met hem voorviel, en kon dan ook geen weerstand bieden. Pescadospunt stapte vooruit en daalde langs een steil voetpad, dat langs een afgrond naar het strand leidde. Hij werd onmiddellijk door Kaap Matifou gevolgd, die het bewustelooze lichaam van den bankier nu eens voortsleepte, dan weer eens op zijne schouders torschte, zoo als hij met een stout kind zoude gedaan hebben.[99]Die afdaling was uiterst moeielijk, en inderdaad, zonder de buitengewone behendigheid van Pescadospunt, en zonder de buitengewone lichaamskracht van Kaap Matifou, zoude een ongeluk onvermijdelijk gebeurd zijn, en zouden twee van die drie mannen naar beneden gestort zijn, waar zij een oogenblikkelijken dood zouden gevonden hebben.Eindelijk evenwel bereikten zij, na zeker twintig malen hun leven gewaagd te hebben, de laatste rotslagen, die met de oppervlakte der zee gelijk waren. Daar bestond de kuststrook uit eene aaneenschakeling van kleine inhammen, die grillig in de rotswanden ingesneden waren. De wanden dier kleine baaien waren steil en hoog en hadden eene roode kleur, afkomstig van ijzerverbindingen, waaruit het gesteente bestond, maar waardoor zij aan de golfjes van de branding eene akelige bloedkleur verleenden.De dag begon juist aan te breken, toen Pescadospunt eene schuilplaats in een van die uithollingen van den oever ontdekte, die voorzeker door een der geologische beroeringen in vroegere eeuwen gevormd was. Daarin werd Silas Toronthal op den oever neergelegd, om onder bewaking van Kaap Matifou een poos te verwijlen.Toen deze den bankier, die er niets van scheen te bemerken en zich ook niet verontrustte, daarheen gebracht had, zei Pescadospunt tot Kaap Matifou:„Ge blijft bij hem, niet waar, Kaap? Luister als je blieft goed naar mij”.„Ja, ik luister. Ik zal bij hem blijven, zoolang als ge wilt, Pescadospunt.”„Ook al blijf ik twaalf uren weg? Dat is lang, niet waar, Kaap Matifou?”„Zeker.… Maar, wees gerust, ik zal bij hem blijven. Als ik dat beloof, gebeurt het ook.”„Zonder te eten?”…„Drommels, zonder eten?… Maar alles wel beschouwd, wat zal dat er toe doen?”„Zoo zonder ontbijt?”„Bah, als ik hedenochtend niet ontbijt”, antwoordde de reus, „zal ik van avond bij het diner mijn schade inhalen. Ik zal dan voor twee eten.”„En als gij niet dineert, Kaap Matifou? Hoort ge, dat wordt ernstiger!”„Bah!… Dan zal ik voor vier soupeeren”, antwoordde de edele kerel kalm en gelaten.Kaap Matifou nam toen zoodanig plaats op een rots, dat hij zijn gevangene geen seconde uit het oog verloor. Pescadospunt volgde van zijn kant den zeeoever van baai tot baai en richtte zijn schreden naar den kant van Monaco. Het was geen gemakkelijke weg, die hier[100]over dat rotsachtig strand met zijne scherpe punten te volgen was.Pescadospunt zou evenwel zoo langen tijd niet behoeven weg te blijven, als hij eerst berekend had. In minder dan twee uren had hij deElektriekopgespoord. Deze lag ten anker in een van die eenzame kreken, die door een aaneenschakeling van rotsen tegen de deininggolven uit volle zee beveiligd waren. Een uur later kwam het vlugge vaartuig voor de monding der smalle baai aan, waar Kaap Matifou, van uit zee gezien, zich voordeed als een mythologische Proteus, die de kudden van Neptunus weidde. Hij was van de plaats niet afgeweest en had den bankier niet uit het oog verloren.Het duurde niet lang, of Silas Toronthal en Kaap Matifou waren aan boord ingescheept. Men had daarbij noch kustbewakers, noch ambtenaren van de in- en uitgaande rechten, noch zelfs kustvisschers ontwaard. Zoodra de inscheping volbracht was, sloeg deElektriekmet volle kracht vooruit, verliet de golf van Genua, stevende de Tyrrheensche zee in en richtte den boeg naar het eiland Antekirrta in de Syrtische zee.
IV.De laatste inzet.
De salons van den Vreemdelingen-Kring—gewoonlijk Casino geheeten—waren sedert elf uren geopend. Hoewel het getal spelers nog zeer beperkt was, waren toch reeds eenige roulette-tafels ter wille van de ongeduldigen aan den gang. En het was daar rondom, dat thans die weinige aanwezigen gezeten of gegroepeerd waren.De stand dezer tafels was vooraf nagegaan en zoo noodig hersteld geworden; want het is van het uiterste belang dat zij volkomen waterpas staan. En inderdaad, het geringste gebrek te dien opzichte zou toch invloed kunnen hebben op den knikker, die langs de ronddraaiende schijf voortloopt. Dat zou opgemerkt worden en de arglistige spelers zouden dat spoedig in de gaten hebben en daarmede zeer ten nadeele van de bank hun voordeel kunnen doen.Op ieder der zes roulette-tafels waren zestig duizend franken, zoowel in goud als in zilverspecie en in papiergeld nedergelegd. Op ieder der twee trente et quarante-tafels honderd vijftig duizend franken. Dat is de gewone inzet der bank, in afwachting dat het gunstige seizoen geopend wordt, en het is zeer zeldzaam, dat het bestuur der inrichting genoopt wordt, die eerste fondsen-verstrekking aan te vullen. Met hare zoo gunstige kansen moet zij steeds winnen. Is dus het spel op zich zelf reeds als onzedelijk te beschouwen, het is daarenboven dom, want de speler staat tegenover de bank met zeer ongelijke kansen. Hij wordt als het ware opgelicht en afgezet.Rondom ieder der roulette-tafels hadden reeds acht croupiers, met hunne harken in de hand, de plaatsen ingenomen, die voor hen bestemd waren. Naast hen zaten of stonden de spelers, of de toeschouwers in gespannen verwachting.[77]In de salons wandelden de inspecteurs en de opzichters op en neer en hielden het oog zoowel op de croupiers als op hunne slachtoffers, terwijl talrijke kellners heen en weer liepen, om het publiek te bedienen. Om een denkbeeld te geven van het gewemel, dat hier plaats kan hebben, valt mede te deelen, dat niet minder dan honderd en vijftig geëmployeerden in de speelzalen van Monte Carlo heen en weder drentelen. Een ware legermacht inderdaad.Tegen half een in den namiddag bracht de trein van Nizza zijn gewoon contingent van spelers aan. Zij waren dien dag wellicht talrijker dan anders. Die serie van zeventien malen de roode kleur van daags te voren, had haren natuurlijken invloed niet gemist. Een ieder wilde een kijkje komen nemen, of zich zoo iets niet zou herhalen.Dit werkte als eene nieuwe aantrekkingskracht, en een ieder, die van het toeval des spels leefde of daaraan offerde, was gekomen om met belangstelling het vervolg van zoo’n serie te zien en op te merken.De salons waren een uur later gevuld. Men koutte natuurlijk over die zonderlinge uitkomst, evenwel met zachte stem. Niets stemt meer akelig dan dat gefluister in die onmetelijke zalen, welker versieringen met verguldsel overladen zijn, die weelderig gemeubeld en door prachtige kronen en kandelabres verlicht zijn, zonder nog de olielampen te vermelden, die van groene oogenschermen voorzien zijn, en voornamelijk boven de speeltafels aangebracht zijn.Wat hier, in weerwil van de menigte, die er zich verdringt, den boventoon voert, is niet het geluid der gesprekken, maar wel het metaalachtige gerinkel der gouden of zilveren muntstukken, die geteld, of op het groene kleed geworpen worden, ook het geritsel van de bankbiljetten, alsmede het voortdurende: „rood wint en kleur” of „zeventien, zwart, oneven,” door de eentonige en onverschillige stem des speldrijvers uitgegalmd.Dat alles levert een treurig gezicht op, dat een diepen blik in den afgrond der menschelijke hartstochten gunt.Evenwel twee der voornaamste verliezers van den vorigen dag waren nog niet in de speelsalons verschenen. Reeds waren eenige spelers op het punt om verschillende kansen te volgen en te wagen, om de veine te grijpen, hetzij bij de roulette, hetzij bij de trente et quarante-tafel. Maar de afwisselingen van winst en verlies wogen tegen elkander op, en niets duidde er op, dat het verschijnsel van den vorigen dag zich weer zou voordoen.Tegen drie uren eerst traden Sarcany en Silas Toronthal het Casino binnen.Voordat zij in de speelzalen verschenen, wandelden zij de ruime zaal op en neer, waarin zij weldra de algemeene nieuwsgierigheid[78]tot zich trokken. Men bekeek hen, men bespiedde hen, men vroeg zich af of zij den strijd weer zouden aanbinden met het noodlot, dat hun den vorigen dag zoo vijandig, zoo noodlottig was geweest.Eenige zoogenaamde professoren hadden van de gelegenheid wel willen gebruik maken om hun onfeilbare martingalen of kunstgrepen om te winnen, aan den man te brengen, indien de nieuw aangekomenen maar genaakbaar geweest waren. Maar de bankier Silas Toronthal zag er zeer verstrooid uit, en merkte niet op, hetgeen rondom hem voorviel. Sarcany was meer koelbloedig, meer gesloten dan ooit. Het was, alsof hij beider lot in handen had en, van zekere zijde beschouwd, was dat ook zoo.Beiden waren, als het ware, in zich zelven gekeerd, nu zij den laatsten inzet gingen wagen.Onder de vele personen, die hen met die bijzondere nieuwsgierigheid hadden gadegeslagen, welke men aan ernstige lijders of aan veroordeelden verleent, bevond zich een vreemdeling, die vast besloten scheen, om hen geen oogenblik uit het oog te verliezen.Dat was een jonge man, twee en twintig of drie en twintig jaren oud, met een fijn besneden gelaat en schrander uiterlijk en spitse neus—een van die neuzen, die, als het ware, meer toekijken dan ruiken.—Zijne oogen waren bijzonder doordringend, maar verscholen zich achter een bril met eenvoudige beschermende glazen. Hij scheen zeer levendig en het was alsof hij kwikzilver in de aderen had. Hij hield dan ook de handen angstvallig in de zakken van zijn overjas, om hen te beletten gebaren te maken, terwijl hij zijne voeten noodzaakte om met de hielen op dezelfde lijn aan elkander gesloten te zijn, om des te zekerder te zijn, dat zij zoodoende op de plaats bleven. Hij was zeer fatsoenlijk gekleed, hoewel er aan zijn kleeding niets ten offer gebracht was, om de overdreven eischen van de modedwaasheid te bevredigen. Er was dan ook niets in zijne houding op te merken, dat naar gezochte voornaamheid zweemde, hoewel hij zich waarschijnlijk niet zeer op zijn gemak voelde in die nauwsluitende kleedingstukken, die den glans der nieuwheid nog bezaten.Zoo iets zal wel niemand bevreemden, want dat jonge mensch was niemand anders dan Pescadospunt in eigen persoon.Buiten in den tuin stond hem Kaap Matifou geduldig te wachten. Beide vrienden waren dus te Monte Carlo weer vereenigd.Wie zal er aan twijfelen, dat zij voor rekening van dokter Antekirrt in dit paradijs, of in deze hel, door het Monacosche gebied gevormd, gekomen waren?Zij waren daags te voren door de vlet van deElectric 2, behoorende tot de vloot van het eiland Antekirrta, op de kaap van Monte Carlo zonder meer ontscheept. Bagage hadden zij niet noodig geacht.[79]Met welk doel waren zij hier gekomen? Wat voerde hen hier heen, in die plaats des verderfs?Wij zullen het straks vernemen. De ontwikkeling van het verhaal zal ons wel tot de ontknooping voeren.Twee dagen nadat Carpena aan boord van deFerratogebracht was geworden, was hij, in weerwil van zijn protest en zijne tegenspartelingen, in een der onderaardsche casematten van het eiland Antekirrta gekerkerd geworden. Daar begreep die ontsnapte van het Spaansche presidio al heel spoedig, dat hij slechts de eene gevangenis tegen eene andere verwisseld had. In plaats van te behooren tot het personeel van veroordeelden onder het juk van den gouverneur van Ceuta, was hij, evenwel zonder dat hij het wist, in de macht van dokter Antekirrt.Waar bevond hij zich? Dat wist hij niet. Dat kon hij onmogelijk raden, hoezeer hij zijn brein ook aftobde.Had hij bij de verandering gewonnen? Dat vroeg hij zich niet zonder ongerustheid af. Hij was besloten om alles te doen, alles in het werk te stellen, om zijn toestand te verbeteren.Hij aarzelde dan ook geen oogenblik, om op de eerste aanmaning, die hem door den dokter zelven gedaan werd, met de grootste openhartigheid te antwoorden.Of hij denTriësterbankier Silas Toronthal al dan niet kende?Daarop antwoordde hij ontkennend.Sarcany dan?Ja, dien kende hij, hoewel hij hem slechts zelden en dan nog met groote tusschenpoozen gezien had.Of Sarcany met Zirone en zijne bende in betrekking stond, sedert deze op het eiland Sicilië werkzaam was en de omstreken van Catania onveilig maakte?Carpena antwoordde daarop bevestigend, daar Sarcany op Sicilië verwacht werd, en hij daar zeer zeker aangekomen zou zijn, wanneer hij geen bericht had bekomen van den ongelukkigen afloop van den tocht, waarbij Zirone omgekomen was.Waar was Sarcany thans? luidde vervolgens de vraag van dokter Antekirrt.Te Monte Carlo, wanneer hij ten minste die stad niet binnen kort verlaten had. Daar had hij sedert eenigen tijd zijn verblijf gevestigd en was daar waarschijnlijk in gezelschap van den bankier Silas Toronthal.Meer wist Carpena niet en meer kon hij dus ook niet vertellen. Maar het medegedeelde was voldoende voor dokter Antekirrt, om den veldtocht te beginnen.Het is buiten kijf, dat de Spanjaard de drijfveer niet kende, waarom hem de dokter van Ceuta had doen ontsnappen, waarom hij zich van zijn persoon had meester gemaakt. Ook kon Carpena[80]niet gissen, dat zijn verraad jegens Andreas Ferrato gekend was door hem, die hem ondervroeg. Daarenboven wist hij ook niet, dat Luigi de zoon was van den visscher van Rovigno.Carpena werd in eene donkere casemat opgesloten, waarin hij nog strenger bewaakt werd dan dat ooit in de gevangenis van Ceuta geschied was. Hij zou met niemand in aanraking komen, totdat zijn lot beslist zoude zijn.Zoo was dan een der drie verraders, die de bloedige ontknooping van deTriëstersamenzwering veroorzaakt hadden, in handen van dokter Antekirrt. Dezen bleef dus nog de taak over, om de twee anderen te achterhalen, wat niet moeielijk meer kon zijn, daar Carpena thans medegedeeld had, waar ze gevonden konden worden.Daar evenwel de dokter en Piet Bathory door Silas Toronthal en Sarcany herkend konden worden, scheen het hun geraden niet eerder persoonlijk op te treden, dan wanneer zulks met zekerheid van te zullen slagen kon geschieden. Maar nu men het spoor der beide medeplichtigen teruggevonden had, kwam het er voornamelijk op aan, hen, in afwachting dat de gelegenheid zich zou voor doen om daadwerkelijk te handelen, niet meer uit het oog te verliezen.Daarom werd Pescadospunt naar Monaco gezonden met opdracht om hen overal te volgen, waarheen zij gaan zouden. Kaap Matifou vergezelde hem, om hem des vereischt met zijne stevige vuisten bij te springen, terwijl dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi ook derwaarts met deFerratozouden vertrekken, wanneer het gunstige oogenblik aangebroken zou zijn. Zooals men ziet, werden de mazen van het net al meer en meer om de schuldigen dichtgetrokken.De beide akrobaten waren midden in den nacht te Monte Carlo aangekomen en waren des morgens dadelijk aan den arbeid getogen. Het was hen niet moeielijk gevallen, het hôtel uit te vinden, waar Silas Toronthal en zijn medeplichtige Sarcany hun intrek genomen hadden. Terwijl Kaap Matifou, in afwachting dat de avond viel, in den omtrek van Monte Carlo rondwandelde, zag Pescadospunt, die zorgvuldig de wacht hield en niets liet ontglippen, de beide vennooten tegen een uur in den namiddag naar buiten treden. Het scheen den wakkeren verspieder toe, dat de bankier Silas Toronthal zeer neerslachtig was en bitter weinig sprak, hoewel Sarcany zijn best deed om het onderhoud levendig te houden. In de morgenuren had Pescadospunt hooren verhalen, wat daags te voren in de speelzalen van Monte Carlo plaats gevonden had, namelijk die ongeloofelijke reeks van de roode kleur, die zoovele slachtoffers gemaakt had en waaronder voornamelijk Sarcany en Silas Toronthal aangehaald werden. Met zijne aangeboren schranderheid besloot de wakkere kerel daaruit, dat hun onderhoud daarover moest loopen, en in het bijzonder over het kwade gesternte, dat hen vervolgd had.[81][82]Bovendien vernam hij, dat die beide spelers niet alleen ten gevolge van die noodlottige reeks, maar ook vroeger en vooral in de laatste dagen groote sommen verloren hadden, waaruit hij alweer met niet minder schranderheid de gevolgtrekking maakte, dat hunne laatste hulpmiddelen nagenoeg uitgeput moesten zijn, en dat het oogenblik naderde, waarop dokter Antekirrt daadwerkelijk en met vrucht zou kunnen optreden. Waarlijk, de dokter had een meesterlijke greep gedaan, toen hij de beide akrobaten voor zijn dienst aanwierf.Pescadospunt volgde hen van verre. (Bladz. 84.)Pescadospunt volgde hen van verre. (Bladz.84.)Die mededeelingen werden des morgens dadelijk door Pescadospunt, evenwel zonder iemand te noemen, aan een bekend adres te LaVallettaop het eiland Malta getelegrafeerd, vanwaar zij langs een particulieren draad snel naar het eiland Antekirrta overgeseind werden.Toen Sarcany en Silas Toronthal het gebouw van het Casino van Monte Carlo binnentraden, stapte Pescadospunt achter hen aan. Toen zij de salons van de roulette en van het trente-et-quarante binnengingen, volgde hij hen ook.Het was toen juist drie uren in den namiddag. De heldere metalen klok van het torentje van het Casino verkondigde dat luid genoeg, terwijl de nagalm over de watervlakte van de Middellandsche zee wegstierf.Het spel begon toen levendiger te worden, hoewel er nog geen groote geestdrift heerschte.De bankier en zijn makker wandelden eerst de zalen rond. Hier en daar bleven zij gedurende eenige oogenblikken bij sommige speeltafels staan, sloegen den gang van het spel gade, maar onthielden zich blijkbaar stelselmatig er deel aan te nemen.Pescadospunt verloor hen niet uit het oog, terwijl hij als een onbedreven nieuwsgierige op en neder slenterde. Hij meende zelfs, om hunne aandacht niet te trekken, hier en daar een paar vijf francstukken op de kolommen of op de nummers der roulette te moeten wagen. Die verloor hij natuurlijk; het moet evenwel erkend worden, hij deed dat met de meest mogelijke onverschilligheid. Maar waarom had hij ook niet den uitmuntenden raad gevolgd, die hem een professor, een beunhaas in het spel, in vertrouwen gegeven had? Ja, waarom niet? Was het betweterij?„Om te slagen in het spel,” had deze gezegd, „moet men er zich op toeleggen, om de kleine inzetten te verliezen en de groote te winnen! Daarin bestaat het geheele geheim, mijnheer!”Pescadospunt knikte den raadgever gedachteloos toe; maar drentelde verder.Het sloeg vier uren op de groote pendule in de speelzaal, waarin zij zich bevonden, toen Silas Toronthal en Sarcany het geschikte oogenblik gekomen achtten, om de veine „den tand te voelen”, zooals[83]zij dat uitdrukten. Verscheidene plaatsen waren nog onbezet bij eene der roulette-tafels. Beiden namen daaraan plaats en wel tegenover elkander, en weldra zag de roulettehouder zich niet alleen door spelers omringd, maar ook door eene talrijke menigte toeschouwers, die begeerig waren den revanche-strijd te aanschouwen, dien de twee ongelukkige spelers van den vorigen dag te leveren hadden. Aller aandacht was natuurlijk ten hoogste geprikkeld. Men verdrong zich als het ware.Pescadospunt had natuurlijk gezorgd in de eerste rij der nieuwsgierigen plaats te nemen, en was, zooals wel te bedenken is, niet een der minsten van hen, die belangstelling in de lotswisselingen van de begonnen partij stelden.Gedurende het eerste uur wogen de kansen nagenoeg tegen elkander op. Winst en verlies stonden gelijk.Om die kansen des te beter te verdeelen, volgden Silas Toronthal en Sarcany natuurlijk niet hetzelfde spel. Zij zetten ieder afzonderlijk op en maakten zoo verscheidene belangrijke winsten, zoowel op de eenvoudige als op de meer samengestelde combinatiën, die bij de roulette gebruikelijk zijn. Maar het lot besliste niet voor en niet tegen hen.Maar tusschen vier en zes uren scheen het lot te keeren en hen zeer te begunstigen.Het maximum van inzet, dat bij de roulette zes duizend franken bedraagt, werd herhaaldelijk door hen op volle nummers gewonnen. De gelaatstrekken der bankhouders waren nog strakker dan gewoonlijk.De handen en vingers van Silas Toronthal beefden koortsachtig, wanneer hij ze over het groene laken uitstrekte, hetzij om zijn inzet ter gewilde plaatse bij te schuiven, hetzij om de goudstukken en de bankbiljetten van onder de harken der croupiers naar zich toe te halen.Sarcany integendeel was zichzelven steeds meester. Hij liet geen enkele der gewaarwordingen, die zijne ziel bestormden, op zijn gelaat bespeuren. Hij vergenoegde zich zijnen medeplichtige met den blik aan te moedigen; want het was Silas Toronthal, die, alles wel beschouwd, de gunstige kansen van het oogenblik in zijn voordeel had.Hoewel Pescadospunt als in een halven roes verkeerde, door het heen en weer geschuif van al die goudstukken, en door het geritsel van al die bankbiljetten veroorzaakt, verzuimde hij geen oogenblik die beide mannen met de grootste aandacht gade te slaan, Hij vroeg zich af, of zij voorzichtig genoeg zouden zijn, om bij tijds met spelen op te houden, ten einde het vermogen, dat zij bezig waren te verwerven, te behouden.Toen kwam de gedachte bij hem op, dat wanneer Silas Toronthal[84]en Sarcany verstandig genoeg waren, om zoo te handelen, wat hij echter betwijfelde, zij geneigd konden wezen om Monte Carlo te verlaten, ten einde naar een anderen hoek van Europa te vluchten, waar zij dan weer opgespoord moesten worden. En als zij geen geldgebrek zouden hebben, zouden zij moeielijk in de macht van dokter Antekirrt vallen.„Het zal, alles wel beschouwd, beter zijn,” mompelde hij in zich zelven, „dat zij alles, ja alles verliezen. Ik geloof niet, dat ik mij vergis, maar die schoft van een Sarcany is er de man niet naar om het spel te midden van de gunsten der veine te staken. Enfin, wij zullen zien en geheel naar omstandigheden handelen.”Wat ook dienaangaande de meeningen en het hopen van Pescadospunt waren, de gelukkige kansen verlieten onze twee medeplichtigen voorloopig niet. Zij zouden inderdaad de bank drie malen reeds hebben doen springen, wanneer de speelchef niet telkenmale toevoeging aan het aanwezige kasgeld van twintig duizend franken bewerkstelligd had.Dat was waarlijk eene buitengewone gebeurtenis voor de toeschouwers van dien strijd, waarvan het meerendeel de beide spelers zeer genegen scheen. Was dat niet als eene soort weerwraak, genomen op die onbeschofte reeks van de roode kleur, waarvan de administratie der bank den vorigen dag zoo ruimschoots geprofiteerd had.Toen Silas Toronthal en Sarcany eindelijk tegen half zeven met spelen ophielden, hadden zij, toen de rekening nauwkeurig opgemaakt werd, eene winst gemaakt, die ruim twintig duizend louis d’or te boven ging. Zij stonden toen op en verlieten de roulette tafel. Silas Toronthal liep met wankelende schreden, alsof hij een weinig dronken was. Dat was hij evenwel niet van sterken drank of van zware wijnen, maar wel van opgewondenheid, ook van vermoeienis der hersenen. Hij zag bleek van aandoening en was genoodzaakt herhaalde malen te blazen, alsof de lucht zijner longen hem benauwde.Zijn makker was kalm, ja gevoelloos gebleven; maar die bewaakte den bankier en vreesde niets meer of minder, dan dat deze trachten zou te ontvluchten met de eenige honderd duizend franken, die met zooveel moeite terug gewonnen waren, om zich zoo aan zijne heerschappij te onttrekken. Nu hij meer geld had, was dit niet geheel onmogelijk.Beiden verlieten de speelzaal en het Casino, daalden daarna de trap van het hooge bordes af en richtten hunne schreden naar hun hôtel, alwaar zij eenige uren wenschten uit te rusten van die aandoeningen.Pescadospunt volgde hen van verre, evenwel zoo dat zij hem niet bespeuren konden.[85]Toen hij buiten kwam, ontwaarde hij bij een der kiosken van den tuin Kaap Matifou, die heel gemakkelijk op een bank gezeten was en in wijsgeerige beschouwingen verdiept scheen.Wijsgeerige beschouwingen van een Hercules? Welken omvang zouden die wel gehad hebben?Pescadospunt ging tot hem en nam op zijne aanwijzing geen plaats naast zijn vriend op de bank.„Kom,” zeide hij integendeel met eenigszins gejaagde en kort afgebroken stem.„Is het oogenblik gekomen?” vroeg Kaap Matifou, die dadelijk opstond en mede wilde gaan.„Welk oogenblik?”„Hou je me voor den gek?” vroeg de reus gemelijk. „Pescadospunt zou mij niet begrijpen?”„Neen, waarachtig niet. Ik begrijp je niet. Welk oogenblik?” vroeg de kleine man ongeduldig.„Het oogenblik van … van … je weet wel.… Och, je wilt mij niet verstaan.…”„O, van ten tooneele te verschijnen?” riep Pescadospunt uit, wien een licht plotseling opging.„Juist!”„Neen, mijn waarde Kaap!… Nog niet!… Blijf nog maar wat ter zijde!…” was het antwoord.„Drommels!” pruttelde de reus. „Ik beken het volgaarne, ik begin mij gruwelijk met dat niets-doen te vervelen.”„Hebt ge al gegeten?” vroeg zijn vriend hem met alle belangstelling. „Ik hoop van ja.”„Ja, Pescadospunt, en goed ook! Daaraan schort het mij niet,” antwoordde Kaap Matifou met een zucht.„Ik feliciteer je wel! Ik heb de maag bij mijne hielen zitten, zoo laag is zij gezakt.”„Dat is laag! Maar, Pescadospunt, dan zit dat lichaamsdeel bij jou niet op z’n plaats.”„Niet waar? Want dat is de plaats van een fatsoenlijke maag niet.”„Dat dunkt me ook. Maar, vertel mij. Hoe komt dat zoo? Gij hebt toch zoovele behoeften niet.”„Wees gerust, ik zal mijn maag wel weer naar boven werken, als ik tijd heb. Intusschen.…”„Intusschen? Gij spreekt er van, of gij bij dat werk eene domme-kracht wilt bezigen.”„Ga hier niet van de plaats, voordat ge me terug gezien hebt, Kaap Matifou! Begrepen?”„Daar kunt ge op aan!” bromde de athleet. „Maar het begint knapjes saai te worden.”[86]Pescadospunt ijlde naar den hellenden weg, dien Sarcany en Silas Toronthal thans afdaalden.Toen hij de verzekering bekomen had, dat de beide medeplichtigen zich het diner in hunne vertrekken hadden laten voordienen, nam Pescadospunt den tijd om plaats te nemen aan de table d’hôte van het hôtel. Het was tijd, want de arme kerel had werkelijk honger. Maar in een half uur tijd had hij, zooals hij Kaap Matifou verzekerd had, zijn maag weer omhoog en op de normale plaats gebracht, welke dat orgaan in het menschelijke lichaam moet innemen. Hij veegde zijn lippen met zijn servet af, en loosde een zucht van voldaanheid.…Daarna stak hij een overheerlijke sigaar, een echte Panatella op, ging naar buiten en stelde zich vóór het hôtel verdekt op, om zijn bespieden voort te zetten. Hij was een onbetaalbare kerel voor dengeen, die hem wist te gebruiken.„Waarachtig, ik ben in de wieg gelegd om schildwacht te spelen!” mompelde hij. „Ik ben mijn loopbaan misgeloopen. Maar, wat er aan te doen? Het is thans geen tijd meer om soldaat te gaan worden. Daartoe is het te laat.”Hij wandelde achter een perk sierstruiken op en neer, en peinsde over de aangelegenheden, die hij te behartigen had.De eenige vraag, die hij zich in het onderhavige geval inderdaad stellen kon, was:„Zouden de heeren Sarcany en Toronthal heden avond naar het Casino terugkeeren of niet?”Tegen tien uren verschenen Silas Toronthal en Sarcany in de omlijsting van de deur van het hôtel. Pescadospunt meende te hooren en te begrijpen, dat zij vrij levendig met elkander kibbelden.Klaarblijkelijk poogde de bankier voor de laatste maal weerstand te bieden aan de verleidingen en aan het lastige aandringen van zijn medeplichtige. Deze ging zelfs verder; want hij eindigde met op bevelenden toon te zeggen:„Het moet, Silas!… Ik wil het!… Zoo gij niet naar mij hoort … dan blijven de gevolgen voor uwe rekening.”Het overige ging door den afstand voor Pescadospunt verloren.De beide medeplichtigen stapten daarop den hellenden weg weer op, die naar den tuin van het Casino Monte Carlo voert. Pescadospunt volgde hen onmiddellijk, zonder evenwel tot zijn grooten spijt, verder iets van hun onderhoud te kunnen vernemen.Ziehier evenwel wat Sarcany, op een toon die geen tegenspraak duldde, zeide tot den bankier, die in zijn tegenstand dadelijk merkbaar verflauwde.„Thans ophouden, Silas Toronthal, nu de veine teruggekomen is, dat zou dwaasheid zijn!… Het is, of gij het hoofd kwijt zijt!…[87]Wat, wij zouden bij de ongelukkigste kansen, het spel als gekken doorgezet hebben, en nu de kans gekeerd is, zouden wij het spel niet als wijzen forceeren?… Wat, wij hebben eene eenige gelegenheid misschien, eene gelegenheid, die wellicht zich niet meer aanbieden zal, om het lot te overmeesteren, om de fortuin te bemachtigen, en wij zouden haar door onze schuld laten ontsnappen?… Dat zou al te dwaas zijn, niet waar?”„Maar,…” poogde de ongelukkige te zeggen. „Als wij alles eens verloren?… Denk daar toch aan.”Sarcany liet hem evenwel niet verder aan het woord, maar hernam oogenblikkelijk:„Silas, voelt gij dan niet dat de veine!…”„Als zij maar niet uitgeput is!” mompelde Silas Toronthal uiterst neerslachtig. „Ik heb zoo’n voorgevoel.”„Neen! honderdmaal neen! Zij is niet uitgeput!” hernam Sarcany met drift. „Dat is, bij God, zoo niet uit te leggen, maar dat gevoelt men; zoo iets doordringt iemand tot in het merg der beenderen!… Een millioen wacht ons heden avond op de speeltafels van het Casino!… Ja, een millioen!… hoort ge, een millioen! En ik zal die laten ontsnappen!… Bij den duivel! dat moogt gij ook niet, Silas Toronthal. Neen, dat moogt gij niet!”„Speel gij dan, Sarcany!… Ik voel dat ik zeer ongelukkig zal wezen,” stamelde de bankier.„Ik?”„Ja, gij!”„Ik!… Ik alleen spelen?… Neen, waarachtig niet!… Wij spelen samen!… Ja!… En als ik moest kiezen tusschen ons tweeën, dan zou ik aan u mijn plaats inruimen. De fortuin gaat persoonlijk te werk en het is buiten kijf, dat zij u heden toelacht!… Speel dus en gij zult winnen.…”„Maar.…”„Zwijg!… ik wil het!… Er valt hier niet meer op terug te komen,” sprak de verleider op kort afgebroken toon.Wat Sarcany wilde, was in het kort, dat Silas Toronthal zich niet zou vergenoegen met de eenige honderd duizend franken, die hem veroorloofd zouden hebben aan zijne heerschappij te ontsnappen. Wat hij wilde, was, dat zijn medeplichtige weer de millionnair van weleer of straatarm zou worden. Was hij rijk, dan kon hij voortgaan te leven, zooals hij gedaan had; arm, dan zou hij Sarcany wel moeten volgen, overal waar die hem voeren wilde. In beide gevallen zou hij niets meer van hem te vreezen hebben. Neen, niets! Niets!Daarenboven, hoewel Silas Toronthal poogde weerstand te bieden, was dat geheel te vergeefs; want hij gevoelde thans al de hartstochten[88]van den speler ongeketend in zich woelen. Te midden van den ellendigen toestand, waartoe hij vervallen was, ondervond hij tegelijkertijd zoowel vrees als aandrang om naar de speelzalen van het Casino te Monte Carlo terug te keeren. De woorden van Sarcany goten vloeiend vuur in zijne aderen. Ja, hij zag het, hij begreep het, de fortuin had zich naar hem gewend en wel met zoodanige standvastigheid gedurende de laatste uren, welke hij aan de speeltafel doorbracht, dat het onvergeeflijk, ja onverantwoordelijk zoude zijn om thans de partij op te geven! Neen, dat kon, dat mocht niet! Hij was dan ook weldra vast besloten te doen, wat Sarcany verlangde.Die dwaas!Evenals alle spelers, zijne evenbeelden, stelde Silas Toronthal op rekening van het tegenwoordige, wat niet anders dan tot het verledene kan behooren! In plaats van te zeggen: het gelukheeftmij toegelachen,—wat inderdaad waar was,—prevelde hij: het geluklachtmij toe—wat onwaar was! En toch, in het brein van allen, die plaats rondom de speeltafels nemen, wordt geene andere redeneering gevoerd! Zij allen vergeten maar al te zeer, wat een der grootste wiskunstenaars van Frankrijk nog kort geleden zoo schrander en zoo juist ter snede zeide:„Het toeval heeft slechts grillen, geene gewoonten!”Intusschen waren Sarcany en Silas Toronthal, steeds gevolgd door Pescadospunt, tot voor het Casino genaderd. Daar stonden zij nog een oogenblik stil. Het was inderdaad alsof zij voor de poorten des tempels andermaal weifelden.„Silas,” vermaande Sarcany toen, „Silas, geene aarzeling!… Gij zijt vast besloten om te spelen, niet waar?”„Ja!” antwoordde de bankier, die zijn moed als ’t ware met beide handen greep. „Ja, ik ben vast besloten!”„Ja, maar bepaald besloten? Denk er om, geen aarzelen, geen weifelen! Vast besloten!”„Bepaald en vast besloten … om alles te wagen, ten einde alles te winnen!” ging Silas Toronthal, wiens aarzelingen als nachtschimmen verdwenen, zoodra zijn voet de eerste trede van de trap van het bordes, dat tot de speelzalen toegang verleende, aangeraakt had, koortsachtig voort: „Ik zal het noodlot tarten! Ik zal de fortuin dwingen!”„Ik wil geen invloed op u uitoefenen!” hernam Sarcany met zachte stem en teemend.„Dat hoeft ook niet,” antwoordde Silas Toronthal kort af, maar met hartstochtelijke stem.„Gij moet niet mijne ingeving, maar de uwe volgen. Gij zijt het gelukskind, niet ik.”„Juist.”[89]Eza, een adelaarsnest. (Bladz. 96.)Eza, een adelaarsnest. (Bladz.96.)[90]„Die ingeving kan u niet misleiden. Wees daarvan ten volle overtuigd. Die zal u op geen dwaalspoor brengen.”„Dat denk ik ook.”„Zult ge weer plaats aan de roulette-tafel nemen? Of hebt gij een ander voornemen?”„Neen,… ik wensch bij het trente-et-quarante-spel op te zetten!” antwoordde Silas Toronthal, terwijl zij het gebouw binnentraden.„Gij hebt gelijk, Silas! Hoor slechts naar uwe ingeving!… De roulette heeft u bijna een vermogen verschaft, het trente-et-quarante zal het overige wel verrichten!”Beiden traden de salons binnen en wandelden eerst een poos op en neer. Tien minuten later zag Pescadospunt hen plaats nemen aan een der trente-et-quarante-tafels, waaromheen zich dadelijk het meerendeel der spelers schaarden.Daar kunnen inderdaad meer stoutmoedige zetten gedaan worden. Daar zijn de kansen van het spel meer eenvoudig, daar is ook het maximum van inzet twaalf duizend franken, en in weinige oogenblikken kan de speler groote verliezen, maar ook groote winsten maken. Rondom die tafels is het dan ook, dat de groote spelers bij voorkeur plaats nemen. Daar eindelijk ontluiken groote vermogens of worden die met zulk eene duizelingwekkende snelheid verspeeld, dat de Beurzen te Parijs, te New-York, te Londen of te Amsterdam er jaloersch op zouden kunnen zijn.Toen hij eenmaal aan de trente-et-quarante-tafel had plaats genomen, was Silas Toronthal alle zijne vroegere angsten vergeten. Hij speelde nu niet angstig, maar met eene soort van razernij, of wat juister is, als een man, die weldra het hoofd kwijt zal zijn. Kon men daarenboven ernstig meenen, dat er eene manier van spelen bestaat, eene manier om zijn geld op te offeren? Klaarblijkelijk neen, hoewel de beunhazen en de hartstochtelijke spelers het tegendeel beweren. Men is en blijft, wanneer men speelt, de slaaf van het toeval. En dat willen of wenschen die verblinden niet in te zien.Silas Toronthal speelde dus, terwijl Sarcany, wiens belang bij die laatste partij dubbel gold en die steeds winner was, welke ook de afloop zou zijn, hem nauwkeurig op de vingers keek en van iedere winst of verlies aanteekening hield.In de eerste uren, wogen de afwisselingen van winst en verlies tegen elkander op. Toch scheen de fortuin naar den kant van Silas Toronthal te willen overhellen. Dat was uit de laatste uitkomsten, meenden zij, duidelijk op te maken.Toen meenden hij en Sarcany zeker van den goeden uitslag te zijn. Hunne oogen schitterden van begeerlijkheid.Zij hitsten elkander op, zooals men dat noemt; zij moedigden elkander aan en plaatsten niet anders meer dan de hoogst toegestane[91]inzetten op het groene kleed. De lezer weet dat dat inzetten van twaalf duizend franken zijn.Maar weldra hernam de bank, die over eene onwrikbare koelbloedigheid beschikt, die zich niet laat medeslepen door de dwaasheden van eene krankzinnige vervoering, en welker belangen door het vastgestelde maximum, den speler opgelegd, beschermd wordt, geheel en al het voordeel.Toen leden de medeplichtigen achtereenvolgens schrikkelijke verliezen. Het was alsof het geld langs een hellend vlak wegstroomde!Al de winst, die Silas Toronthal in den namiddag behaald had, vervloog voor en na.De bankier was schrikkelijk om aan te zien. Zijn gelaat was verwrongen en vuurrood en toonde aan, hoedanig het bloed hem naar het hoofd steeg. Zijne oogen stonden verwilderd en schier uitpuilend. Hij klemde zich vast aan de tafelranden, aan zijn stoel, aan de pakjes bankbiljetten, aan de rolletjes goudstukken, die zijne hand niet kon loslaten. En dat alles geschiedde met stuipachtige bewegingen, met zenuwachtige trillingen, met spiertrekkingen, met schokken evenals een man zou overkomen, die op ’t punt is van te verdrinken! Er was niemand om hem op den rand van den afgrond te weerhouden! Geene hand, die hem toegestoken werd, om hem te redden! Sarcany deed geen enkele poging, om hem van die noodlottige plek te sleuren, om hem heen te voeren, alvorens zijn ondergang volkomen was, voor dat zijn hoofd verdwenen was onder de toeijlende golf van het verderf!Het was omstreeks tien uren, toen Silas Toronthal zijn laatsten inzet, zijn laatste maximum waagde. Hij won … won nog eens, verloor daarna … verloor nogmaals en was toen alles kwijt! Toen hij met berooid hoofd opstond, werd hij bestormd door dien afschuwelijk wreedaardigen wensch, dat de bovenverdiepingen der Salons van het Casino mochten instorten, om hem en met hem al diegenen te verpletteren, die zich daarin bewogen. Hij bezat niets meer—niets meer van de millioenen, die hij met zijn bankiershuis verdiend had, niets meer van de millioenen, die hem als uitslag van zijn afschuwelijk verraad van het vermogen van graaf Mathias Sandorf ten deel waren gevallen! Het noodlot had onverbiddelijk uitspraak gedaan. De bankier was doodarm.Silas Toronthal, vergezeld van Sarcany, die toen zijn gevangenbewaarder scheen te zijn, verliet de speelzalen, stapte het gebouw door en ijlde buiten het Casino. Beiden vluchtten vervolgens als het ware langs de square naar de voetpaden, die naar La Turbia opklommen. Het was, alsof zij vreesden achtervolgd te worden.Pescadospunt was hen evenwel reeds op het spoor. Maar hij spoedde zich in het voorbijgaan naar zijn vriend Kaap Matifou en sleurde dien[92]van zijne bank af, waarop deHerculeshalf ingedommeld lag, en schreeuwde hem toe:„Op! en spoedig!… De oogen open en de beenen gebruikt! Drommels, het oogenblik is daar!”„Wat is daar?” riep de reus, zoo uit den dommel wakker geschud, onthutst uit. „Wat is daar?”„Kom maar, wij hebben geen tijd om te babbelen,” antwoordde Pescadospunt gejaagd.En beiden ijlden op het spoor voort, dat zij niet meer wilden verliezen. Het was tijd ook.Sarcany en Silas Toronthal bleven intusschen in allerijl naast elkander voortstappen en stegen steeds, terwijl zij de kronkelende en klimmende paden volgden, die langs de hellingen van het bergterrein te midden van olijf- en oranje-boschjes voerden. Die grillige kronkelingen en wendingen veroorloofden aan Pescadospunt en aan Kaap Matifou, om hen niet uit het oog te verliezen, hoewel zij geen woord konden verstaan van hetgeen de beide medeplichtigen spraken.„Keer naar het hôtel terug, Silas Toronthal,” herhaalde Sarcany onophoudelijk met bevelende stem, „keer terug … en herneem uwe koelbloedigheid.… Het is alsof gij krankzinnig zijt.”„Neen!… Ik keer niet naar het hôtel terug,” kreet Silas Toronthal, met onaangenaam klinkende stem.„Kom, het moet!… Laat u door mij raden.… Laat u door mij geleiden.… Er is nog herstel mogelijk.”„Neen, zeg ik u.… Wij zijn tot den bedelstaf gebracht.… En dat alles is uwe, uwe schuld, Sarcany!”„Kom, wees nu niet dwaas.… Anders zijt gij zoo verstandig.… Hoe is het mogelijk zich zoo op te winden?”„Wij moeten scheiden, Sarcany.… Ik wil u niet meer zien!… Ik wil.… Ik wil verre van hier … ver, zeer ver!”„Scheiden?… Waarom?… Zeg mij!… Is dat nu niet het dwaaste denkbeeld, dat bij u opkomen kan?”„Ik wil.… Hoort gij, Sarcany.… Ik wil.… Ik ben uwe tegenwoordigheid moede. U heb ik alles te danken.”„Gij zult mij volgen, Silas Toronthal. Morgen zullen wij Monte Carlo verlaten!… Er blijft ons geld genoeg over om Tetuan te bereiken, en daar zullen wij onze taak voleindigen. Gij weet wel, dat wij daar niet zonder middelen zullen zijn.”„Neen!… Neen!… Duizendmaal neen!… Ik wil niet … en daarmee uit!” kreet de rampzalige.„Maar, waarom niet?”„Laat mij, Sarcany, laat mij!” riep Silas Toronthal uit. „Laat mij, of ik bega een ongeluk!”En hij stootte zijn makker gewelddadig terug, toen deze hem wilde[93]grijpen. Daarna stoof hij met zooveel vaart vooruit, dat Sarcany moeite had, om hem weer in te halen. Geheel onbewust van hetgeen hij deed of omtrent hetgeen rondom hem voorviel, liep Silas Toronthal veel kans in de steile ravijnen te storten, waarboven en waarlangs zich het net der tuinpaden uitspreidde. Eene enkele gedachte huisde nog in het brein van den ongelukkigen bankier tot bedwelmens toe, dat was: Monte Carlo te ontvluchten, waar hij zijn ondergang gevonden had, en Sarcany te ontvluchten, wiens raadgevingen hem zoo verderfelijk geweest waren en zoo ellendig gemaakt hadden. Hij wilde in één woord vluchten, en het aan het toeval overlaten, waarheen hij zich zoude wenden, zonder te weten, wat van hem worden zou.Sarcany gevoelde wel, dat hij geen macht meer op zijn medeplichtige zou kunnen uitoefenen, dat die op het punt was aan zijn invloed te ontsnappen! O! wanneer de bankier niet bekend was met geheimen, die hem in het verderf konden storten, of hem voor het allerminst de laatste partij, die hij nog spelen wilde, kon doen verliezen, dan zou hij zich al zeer weinig bekommerd hebben over dien man, dien hij tot aan den rand van den afgrond gesleurd had! Maar, alvorens in dien afgrond te storten, kon Silas Toronthal een laatsten gevaarlijken kreet slaken, en die kreet moest vermeden, moest verstikt worden, al moest dat ook door middel van eene misdaad geschieden!Toen, in dat oogenblik was er van de gedachte aan die misdaad, waartoe hij in zijn binnenste besloten was, tot de daadwerkelijke uitvoering slechts een pas te maken en Sarcany aarzelde geen oogenblik dien pas uit te voeren. Wat hij op weg naar Tetuan, in de eenzaamheid derMarokkaanschevelden wilde uitvoeren, zou hij dat niet, dezen zelfden nacht op deze plek, die weldra geheel eenzaam en verlaten zoude zijn, kunnen doen? Die gedachte bestormde wild en woest zijn misdadig brein.Maar op dit uur werden toch nog te veel menschen, die zich verlaat hadden, op dien weg tusschen Monte Carlo en la Turbia ontmoet. Nog te veel wezens bewogen zich op die hellingen en klommen haar op of daalden haar af. Een kreet, een schreeuw van Silas Toronthal zou hen kunnen doen te hulp schieten, en de moordenaar wilde, dat de moord onder zoodanige omstandigheden geschiedde, dat nimmer eenige achterdocht hem zoude kunnen bereiken. Dat noodzaakte hem gebiedend te wachten. Hooger, daar ginds la Turbia voorbij, over de Monacosche grenzen, op dien bergachtigen weg, die zich op meer dan twee duizend voeten boven de oppervlakte der zee, aan de flanken van het eerste voorgebergte der Zeealpen vastklemde, zou Sarcany zeker en zonder gevaar kunnen toestooten. Wie zou daar zijn slachtoffer te hulp komen? Hoe zou[94]daar het lijk van Silas Toronthal in de diepte van die peillooze, sombere ravijnen, die langs den weg aangetroffen werden, weer gevonden worden?Evenwel wilde Sarcany een laatste maal zijn medeplichtige weerhouden en een laatste poging aanwenden, hem naar Monte Carlo naar het hôtel terug te voeren. Die poging zou evenwel deerlijk mislukken.„Kom, Silas Toronthal, kom!” zei hij, terwijl hij zijn makker bij den arm greep. „Kom dan toch, zeg ik u!”„Neen!… Laat mij! Laat mij!…” kreet de bankier; terwijl hij zijn makker met verbeten woede terugstootte.„Morgen zullen wij het spel hervatten!… Ik heb nog eenig geld.… Morgen kunnen wij alles terugwinnen.”„Neen, neen! Laat mij …” riep Silas Toronthal met eene van razernij trillende stem uit.Wanneer hij bij machte geweest ware, om met Sarcany te worstelen; wanneer hij met dolk of revolver gewapend geweest ware, dan zou hij voorzeker niet geaarzeld hebben, om zich over al het kwaad, dat hem zijn vroegere Tripolitaansche agent berokkend had, te wreken. Hij zou dan toegestooten hebben, al had hij daarna ook het hoofd op het schavot moeten brengen.Met een woest handgebaar, waaraan de toorn nog meer spierkracht verleende, stootte Silas Toronthal Sarcany terug; daarna ijlde hij voort naar den laatsten draai van het pad en daalde langs eenige trappen af, die den weg vormden in den rotswand waartusschen kleine terrasvormige tuinen uitgehouwen waren. Hij had weldra de voornaamste straat van Turbia bereikt, die op den smallen zadelrug uitkomt, die den Hondskop van de bergmassa van Ayel afscheidt, en de vroegere grensscheiding tusschen Italië en Frankrijk uitmaakt.„Welnu, als gij het dan zoo wilt, ga dan, Silas,” riep Sarcany hem voor de laatste maal achterna. „Ga, maar ge zult niet ver loopen. Dat verzeker ik u!”En daarna rechts wendende, overschreed hij eene kleine omheining, uit losse steenen opgetrokken, stak een schuinhellenden tuin dwars over, regelde zijne schreden dermate, dat hij voor Silas Toronthal op den grooten weg zoude uitkomen. Daar wilde hij zijn vroegeren medeplichtige opwachten, om met hem af te rekenen.Al hadden Pescadospunt en Kaap Matifou ook al niets van die woordenwisseling kunnen hooren, zoo hadden zij toch duidelijk waargenomen met hoeveel geweld de bankier Sarcany had teruggestooten en hadden zij gezien, hoe de laatstgenoemde in de schaduw der boomgroepen verdween.„De duivel mengt zich in het spel,” riep Pescadospunt uit. „Gauw, gauw!”[95]„Denkt ge?” vroeg Kaap Matifou, terwijl hij zijn vriend met verwonderde blikken poogde aan te kijken, wat bij de heerschende duisternis mislukte.„Waarachtig!… De voornaamste ontsnapt ons waarschijnlijk.… Gauw!… Gauw! Wij moeten ons haasten!”„Och kom, die kerels kunnen toch niet vliegen!” sprak Kaap Matifou gemelijk.„Dat moest er nog maar bij komen …” hijgde Pescadospunt schier wanhopig.„Wat?”„Dat de andere ons ook ontsnapte! Dat zou iets moois voor ons zijn! Wat zou Dokter Antekirrt wel zeggen?”„Dat kan niet.”„Gelukkig ook. Die Toronthal zal weldra onze krijgsgevangene zijn!… Opgepast, Kaap!”„Dat meen ik ook. Wees intusschen gerust, ik zal oppassen, Pescadospunt.”„Daarenboven, er valt hier niet te kiezen … Kom vooruit, waarde Kaap, vooruit!”En voortspoedende hadden zij Silas Toronthal weldra ingehaald. Dat merkten zij weldra.Deze besteeg snel de straat van Turbia. Nadat hij de kleine verhevenheid, waarop de Augustustoren verrijst, voorbij geijld was, liep hij met vlugge schreden langs de huizen, welker deuren reeds gesloten waren, en bevond zich weldra op den weg der Kroonlijst.Pescadospunt en Kaap Matifou volgden hem op een afstand van ongeveer vijftig passen en verloren hem niet uit het oog.De weg der Corniche of der Kroonlijst is het overblijfsel van eene oude Romeinsche heerbaan. Van Turbia af daalt zij langs de berghellingen, te midden van prachtige rotspartijen, van alleen staande kegelheuvels, van diepe afgronden, die zich tot bij de spoorbaan uitstrekken, welke langs de kuststrook aangelegd is, naar Nizza af. Over den spoorweg heen, waren bij den helderen sterrenhemel en bij het zachte licht der maan, die in het oosten opkwam, in het nevelig verschiet zes baaien te ontwaren, alsmede het Hospitaaleiland, de monding van de Var, de golf van Juan, de Lerinische eilanden, de golf van Napocila, het schiereiland van Garoupa, de kaap van Antibes en daarachter als een verheven achtergrond: het Esterelgebergte. Hier en daar schitterden havenlichten, zooals dat van Beaulieu, hetwelk aan den voet der steile oevers van Klein-Afrika opgericht is, dat van Villafranca, hetwelk door den Leuzaberg beheerscht wordt. Vervolgens werden nog eenige signaallichten van visschersvaartuigen ontwaard, die zich in de kalme wateroppervlakte spiegelden.[96]Het was toen iets later dan middernacht. In de verte stierf het metalen geluid van een klokkentoren weg.Op dit oogenblik was Silas Toronthal aan het einde der Turbiastraat gekomen en verliet thans den weg der Kroonlijst en spoedde zich op een pad voort, dat rechtstreeks naar Eza voert, hetwelk een adelaarsnest genoemd moet worden, alwaar een half barbaarsche bevolking, boven op dien rotsblok, te midden van woeste pijnboomen en wild struikgewas, huist. Dat pad was volmaakt eenzaam. De waanzinnige bankier volgde het gedurende een poos, zonder den pas te vertragen, zonder het hoofd om te keeren, ten einde achterwaarts te zien. Plotseling wendde hij zich ter linkerzijde langs een smal padje, dat den hoogen rotsmuur van de kuststrook, waarlangs de spoorbaan en de rijweg onder een tunnel aangelegd zijn, scheidde en schier raakte.Pescadospunt en Kaap Matifou volgden den radelooze op den voet en verloren hem niet uit het oog.Op honderd passen verder ongeveer bleef Silas Toronthal eindelijk stilstaan. Hij was op eene rots gesprongen, die loodrecht boven een afgrond hing, waarvan de zool eenige honderd meter lager door de deininggolven der Middellandsche zee, die er donderend tegen brak, gezweept werd.Wat wilde Silas Toronthal daar doen? Dat vroegen de twee vrienden zich met ontzetting af.Was eene gedachte aan zelfmoord in dat ziekelijke brein opgekomen? Zou hij zich willen van kant maken?Wilde hij, door in dien afgrond te springen, een einde aan zijn ellendig bestaan maken?„Duizend duivels!” riep Pescadospunt uit. „Dat zou onze geheele rekening in de war sturen!”„Ik doe er evenveel duivels bij,” antwoordde Kaap Matifou. „Maar wat moeten die duivels? Wat is er aan de hand?”„Wij moeten hem levend hebben! Kaap, wij moeten dien kerel levend aan dokter Antekirrt overleveren.”„Dat ’s waar ook,” beaamde Kaap Matifou beteuterd. „Drommels ja, dat is waar ook!”„Grijp hem,” riep Pescadospunt, „en houd hem goed vast! Grijp hem, maar verworg hem niet!”Maar nauwelijks hadden beiden ongeveer twintig passen afgelegd, toen zij een man ter rechterzijde van het pad zagen verschijnen. Deze gleed als het ware langs de helling tusschen mastiek- en mirten-struiken door en sloop blijkbaar naar de rots, waarop Silas Toronthal zich bevond. Het was alsof een verscheurend gedierte naderde.Dat was Sarcany. De beide acrobaten herkenden hem dadelijk. Menkonzich trouwens daarin niet vergissen.[97]Waar Kaap Matifou, vanuit zee gezien, zich voordeed als een mythologische Proteus. (Bladz. 100.)Waar Kaap Matifou, vanuit zee gezien, zich voordeed als een mythologische Proteus. (Bladz.100.)[98]„Drommels!” mompelde Pescadospunt tusschen de tanden. „Daar is die andere nu ook!”„Wie is er nu weer?” vroeg de reus, die eensklaps stil bleef staan. „Zeg, wie is er nu weer?”„Het is niet onmogelijk, dat die schurk zijn makker een handje wil helpen, dat hij hem een duwtje wil geven, om hem van deze wereld naar de andere te zenden.…”„Dat is zelfs zeer waarschijnlijk.… Dat bespaart ons de moeite, dunkt me.”„Welnu, Kaap Matifou, gij den eenen en ik den anderen. Dan hebben wij ze beiden.”Maar Sarcany was stil blijven staan.… Hij had iets gehoord … en wilde niet herkend worden.…Plotseling ontsnapte een ijselijke vloek aan zijne lippen. Daarna ijlde hij rechts af en verdween, alvorens Pescadospunt hem had kunnen bereiken, te midden van het struikgewas.Toen Silas Toronthal een oogenblik later in den afgrond wilde springen, werd hij door Kaap Matifou gegrepen en op den weg teruggebracht.„Laat mij!…”riep hij. „Laat mij!… Wat moet gij van mij hebben?… Wilt gij geld?… Ik heb het niet.”„Wij zouden u een misstap laten doen, die u het leven zou kunnen kosten, mijnheer Toronthal,” antwoordde Pescadospunt. „Dat nooit!”„Dat nooit!” herhaalde Kaap Matifou. „Geloof ons, inderdaad, dat nooit!”De slimme Pescadospunt was op dit voorval, hetwelk zijne instructiën niet voorzien konden, natuurlijk niet voorbereid geweest. Maar al was Sarcany ook al ontsnapt, zoo was toch Silas Toronthal in den val, en er bleef thans slechts over, om hem naar Antekirrta over te voeren, alwaar hij met al de eerbetuigingen, die hem rechtens toekwamen, zoude ontvangen worden. Dat was de eindbeslissing, waartoe onze beide akrobaten besloten.„Wilt ge u tegen verminderden prijs met den vervoer van mijnheer belasten?” vroeg Pescadospunt aan Kaap Matifou.„Volgaarne,” antwoordde deze. „Hij zal het bij mij goed hebben. Hij zal niets te betalen hebben en daarentegen goed eten en drinken krijgen.”Silas Toronthal had zelfs geen besef meer van hetgeen met hem voorviel, en kon dan ook geen weerstand bieden. Pescadospunt stapte vooruit en daalde langs een steil voetpad, dat langs een afgrond naar het strand leidde. Hij werd onmiddellijk door Kaap Matifou gevolgd, die het bewustelooze lichaam van den bankier nu eens voortsleepte, dan weer eens op zijne schouders torschte, zoo als hij met een stout kind zoude gedaan hebben.[99]Die afdaling was uiterst moeielijk, en inderdaad, zonder de buitengewone behendigheid van Pescadospunt, en zonder de buitengewone lichaamskracht van Kaap Matifou, zoude een ongeluk onvermijdelijk gebeurd zijn, en zouden twee van die drie mannen naar beneden gestort zijn, waar zij een oogenblikkelijken dood zouden gevonden hebben.Eindelijk evenwel bereikten zij, na zeker twintig malen hun leven gewaagd te hebben, de laatste rotslagen, die met de oppervlakte der zee gelijk waren. Daar bestond de kuststrook uit eene aaneenschakeling van kleine inhammen, die grillig in de rotswanden ingesneden waren. De wanden dier kleine baaien waren steil en hoog en hadden eene roode kleur, afkomstig van ijzerverbindingen, waaruit het gesteente bestond, maar waardoor zij aan de golfjes van de branding eene akelige bloedkleur verleenden.De dag begon juist aan te breken, toen Pescadospunt eene schuilplaats in een van die uithollingen van den oever ontdekte, die voorzeker door een der geologische beroeringen in vroegere eeuwen gevormd was. Daarin werd Silas Toronthal op den oever neergelegd, om onder bewaking van Kaap Matifou een poos te verwijlen.Toen deze den bankier, die er niets van scheen te bemerken en zich ook niet verontrustte, daarheen gebracht had, zei Pescadospunt tot Kaap Matifou:„Ge blijft bij hem, niet waar, Kaap? Luister als je blieft goed naar mij”.„Ja, ik luister. Ik zal bij hem blijven, zoolang als ge wilt, Pescadospunt.”„Ook al blijf ik twaalf uren weg? Dat is lang, niet waar, Kaap Matifou?”„Zeker.… Maar, wees gerust, ik zal bij hem blijven. Als ik dat beloof, gebeurt het ook.”„Zonder te eten?”…„Drommels, zonder eten?… Maar alles wel beschouwd, wat zal dat er toe doen?”„Zoo zonder ontbijt?”„Bah, als ik hedenochtend niet ontbijt”, antwoordde de reus, „zal ik van avond bij het diner mijn schade inhalen. Ik zal dan voor twee eten.”„En als gij niet dineert, Kaap Matifou? Hoort ge, dat wordt ernstiger!”„Bah!… Dan zal ik voor vier soupeeren”, antwoordde de edele kerel kalm en gelaten.Kaap Matifou nam toen zoodanig plaats op een rots, dat hij zijn gevangene geen seconde uit het oog verloor. Pescadospunt volgde van zijn kant den zeeoever van baai tot baai en richtte zijn schreden naar den kant van Monaco. Het was geen gemakkelijke weg, die hier[100]over dat rotsachtig strand met zijne scherpe punten te volgen was.Pescadospunt zou evenwel zoo langen tijd niet behoeven weg te blijven, als hij eerst berekend had. In minder dan twee uren had hij deElektriekopgespoord. Deze lag ten anker in een van die eenzame kreken, die door een aaneenschakeling van rotsen tegen de deininggolven uit volle zee beveiligd waren. Een uur later kwam het vlugge vaartuig voor de monding der smalle baai aan, waar Kaap Matifou, van uit zee gezien, zich voordeed als een mythologische Proteus, die de kudden van Neptunus weidde. Hij was van de plaats niet afgeweest en had den bankier niet uit het oog verloren.Het duurde niet lang, of Silas Toronthal en Kaap Matifou waren aan boord ingescheept. Men had daarbij noch kustbewakers, noch ambtenaren van de in- en uitgaande rechten, noch zelfs kustvisschers ontwaard. Zoodra de inscheping volbracht was, sloeg deElektriekmet volle kracht vooruit, verliet de golf van Genua, stevende de Tyrrheensche zee in en richtte den boeg naar het eiland Antekirrta in de Syrtische zee.
De salons van den Vreemdelingen-Kring—gewoonlijk Casino geheeten—waren sedert elf uren geopend. Hoewel het getal spelers nog zeer beperkt was, waren toch reeds eenige roulette-tafels ter wille van de ongeduldigen aan den gang. En het was daar rondom, dat thans die weinige aanwezigen gezeten of gegroepeerd waren.
De stand dezer tafels was vooraf nagegaan en zoo noodig hersteld geworden; want het is van het uiterste belang dat zij volkomen waterpas staan. En inderdaad, het geringste gebrek te dien opzichte zou toch invloed kunnen hebben op den knikker, die langs de ronddraaiende schijf voortloopt. Dat zou opgemerkt worden en de arglistige spelers zouden dat spoedig in de gaten hebben en daarmede zeer ten nadeele van de bank hun voordeel kunnen doen.
Op ieder der zes roulette-tafels waren zestig duizend franken, zoowel in goud als in zilverspecie en in papiergeld nedergelegd. Op ieder der twee trente et quarante-tafels honderd vijftig duizend franken. Dat is de gewone inzet der bank, in afwachting dat het gunstige seizoen geopend wordt, en het is zeer zeldzaam, dat het bestuur der inrichting genoopt wordt, die eerste fondsen-verstrekking aan te vullen. Met hare zoo gunstige kansen moet zij steeds winnen. Is dus het spel op zich zelf reeds als onzedelijk te beschouwen, het is daarenboven dom, want de speler staat tegenover de bank met zeer ongelijke kansen. Hij wordt als het ware opgelicht en afgezet.
Rondom ieder der roulette-tafels hadden reeds acht croupiers, met hunne harken in de hand, de plaatsen ingenomen, die voor hen bestemd waren. Naast hen zaten of stonden de spelers, of de toeschouwers in gespannen verwachting.[77]
In de salons wandelden de inspecteurs en de opzichters op en neer en hielden het oog zoowel op de croupiers als op hunne slachtoffers, terwijl talrijke kellners heen en weer liepen, om het publiek te bedienen. Om een denkbeeld te geven van het gewemel, dat hier plaats kan hebben, valt mede te deelen, dat niet minder dan honderd en vijftig geëmployeerden in de speelzalen van Monte Carlo heen en weder drentelen. Een ware legermacht inderdaad.
Tegen half een in den namiddag bracht de trein van Nizza zijn gewoon contingent van spelers aan. Zij waren dien dag wellicht talrijker dan anders. Die serie van zeventien malen de roode kleur van daags te voren, had haren natuurlijken invloed niet gemist. Een ieder wilde een kijkje komen nemen, of zich zoo iets niet zou herhalen.
Dit werkte als eene nieuwe aantrekkingskracht, en een ieder, die van het toeval des spels leefde of daaraan offerde, was gekomen om met belangstelling het vervolg van zoo’n serie te zien en op te merken.
De salons waren een uur later gevuld. Men koutte natuurlijk over die zonderlinge uitkomst, evenwel met zachte stem. Niets stemt meer akelig dan dat gefluister in die onmetelijke zalen, welker versieringen met verguldsel overladen zijn, die weelderig gemeubeld en door prachtige kronen en kandelabres verlicht zijn, zonder nog de olielampen te vermelden, die van groene oogenschermen voorzien zijn, en voornamelijk boven de speeltafels aangebracht zijn.
Wat hier, in weerwil van de menigte, die er zich verdringt, den boventoon voert, is niet het geluid der gesprekken, maar wel het metaalachtige gerinkel der gouden of zilveren muntstukken, die geteld, of op het groene kleed geworpen worden, ook het geritsel van de bankbiljetten, alsmede het voortdurende: „rood wint en kleur” of „zeventien, zwart, oneven,” door de eentonige en onverschillige stem des speldrijvers uitgegalmd.
Dat alles levert een treurig gezicht op, dat een diepen blik in den afgrond der menschelijke hartstochten gunt.
Evenwel twee der voornaamste verliezers van den vorigen dag waren nog niet in de speelsalons verschenen. Reeds waren eenige spelers op het punt om verschillende kansen te volgen en te wagen, om de veine te grijpen, hetzij bij de roulette, hetzij bij de trente et quarante-tafel. Maar de afwisselingen van winst en verlies wogen tegen elkander op, en niets duidde er op, dat het verschijnsel van den vorigen dag zich weer zou voordoen.
Tegen drie uren eerst traden Sarcany en Silas Toronthal het Casino binnen.
Voordat zij in de speelzalen verschenen, wandelden zij de ruime zaal op en neer, waarin zij weldra de algemeene nieuwsgierigheid[78]tot zich trokken. Men bekeek hen, men bespiedde hen, men vroeg zich af of zij den strijd weer zouden aanbinden met het noodlot, dat hun den vorigen dag zoo vijandig, zoo noodlottig was geweest.
Eenige zoogenaamde professoren hadden van de gelegenheid wel willen gebruik maken om hun onfeilbare martingalen of kunstgrepen om te winnen, aan den man te brengen, indien de nieuw aangekomenen maar genaakbaar geweest waren. Maar de bankier Silas Toronthal zag er zeer verstrooid uit, en merkte niet op, hetgeen rondom hem voorviel. Sarcany was meer koelbloedig, meer gesloten dan ooit. Het was, alsof hij beider lot in handen had en, van zekere zijde beschouwd, was dat ook zoo.
Beiden waren, als het ware, in zich zelven gekeerd, nu zij den laatsten inzet gingen wagen.
Onder de vele personen, die hen met die bijzondere nieuwsgierigheid hadden gadegeslagen, welke men aan ernstige lijders of aan veroordeelden verleent, bevond zich een vreemdeling, die vast besloten scheen, om hen geen oogenblik uit het oog te verliezen.
Dat was een jonge man, twee en twintig of drie en twintig jaren oud, met een fijn besneden gelaat en schrander uiterlijk en spitse neus—een van die neuzen, die, als het ware, meer toekijken dan ruiken.—Zijne oogen waren bijzonder doordringend, maar verscholen zich achter een bril met eenvoudige beschermende glazen. Hij scheen zeer levendig en het was alsof hij kwikzilver in de aderen had. Hij hield dan ook de handen angstvallig in de zakken van zijn overjas, om hen te beletten gebaren te maken, terwijl hij zijne voeten noodzaakte om met de hielen op dezelfde lijn aan elkander gesloten te zijn, om des te zekerder te zijn, dat zij zoodoende op de plaats bleven. Hij was zeer fatsoenlijk gekleed, hoewel er aan zijn kleeding niets ten offer gebracht was, om de overdreven eischen van de modedwaasheid te bevredigen. Er was dan ook niets in zijne houding op te merken, dat naar gezochte voornaamheid zweemde, hoewel hij zich waarschijnlijk niet zeer op zijn gemak voelde in die nauwsluitende kleedingstukken, die den glans der nieuwheid nog bezaten.
Zoo iets zal wel niemand bevreemden, want dat jonge mensch was niemand anders dan Pescadospunt in eigen persoon.
Buiten in den tuin stond hem Kaap Matifou geduldig te wachten. Beide vrienden waren dus te Monte Carlo weer vereenigd.
Wie zal er aan twijfelen, dat zij voor rekening van dokter Antekirrt in dit paradijs, of in deze hel, door het Monacosche gebied gevormd, gekomen waren?
Zij waren daags te voren door de vlet van deElectric 2, behoorende tot de vloot van het eiland Antekirrta, op de kaap van Monte Carlo zonder meer ontscheept. Bagage hadden zij niet noodig geacht.[79]
Met welk doel waren zij hier gekomen? Wat voerde hen hier heen, in die plaats des verderfs?
Wij zullen het straks vernemen. De ontwikkeling van het verhaal zal ons wel tot de ontknooping voeren.
Twee dagen nadat Carpena aan boord van deFerratogebracht was geworden, was hij, in weerwil van zijn protest en zijne tegenspartelingen, in een der onderaardsche casematten van het eiland Antekirrta gekerkerd geworden. Daar begreep die ontsnapte van het Spaansche presidio al heel spoedig, dat hij slechts de eene gevangenis tegen eene andere verwisseld had. In plaats van te behooren tot het personeel van veroordeelden onder het juk van den gouverneur van Ceuta, was hij, evenwel zonder dat hij het wist, in de macht van dokter Antekirrt.
Waar bevond hij zich? Dat wist hij niet. Dat kon hij onmogelijk raden, hoezeer hij zijn brein ook aftobde.
Had hij bij de verandering gewonnen? Dat vroeg hij zich niet zonder ongerustheid af. Hij was besloten om alles te doen, alles in het werk te stellen, om zijn toestand te verbeteren.
Hij aarzelde dan ook geen oogenblik, om op de eerste aanmaning, die hem door den dokter zelven gedaan werd, met de grootste openhartigheid te antwoorden.
Of hij denTriësterbankier Silas Toronthal al dan niet kende?
Daarop antwoordde hij ontkennend.
Sarcany dan?
Ja, dien kende hij, hoewel hij hem slechts zelden en dan nog met groote tusschenpoozen gezien had.
Of Sarcany met Zirone en zijne bende in betrekking stond, sedert deze op het eiland Sicilië werkzaam was en de omstreken van Catania onveilig maakte?
Carpena antwoordde daarop bevestigend, daar Sarcany op Sicilië verwacht werd, en hij daar zeer zeker aangekomen zou zijn, wanneer hij geen bericht had bekomen van den ongelukkigen afloop van den tocht, waarbij Zirone omgekomen was.
Waar was Sarcany thans? luidde vervolgens de vraag van dokter Antekirrt.
Te Monte Carlo, wanneer hij ten minste die stad niet binnen kort verlaten had. Daar had hij sedert eenigen tijd zijn verblijf gevestigd en was daar waarschijnlijk in gezelschap van den bankier Silas Toronthal.
Meer wist Carpena niet en meer kon hij dus ook niet vertellen. Maar het medegedeelde was voldoende voor dokter Antekirrt, om den veldtocht te beginnen.
Het is buiten kijf, dat de Spanjaard de drijfveer niet kende, waarom hem de dokter van Ceuta had doen ontsnappen, waarom hij zich van zijn persoon had meester gemaakt. Ook kon Carpena[80]niet gissen, dat zijn verraad jegens Andreas Ferrato gekend was door hem, die hem ondervroeg. Daarenboven wist hij ook niet, dat Luigi de zoon was van den visscher van Rovigno.
Carpena werd in eene donkere casemat opgesloten, waarin hij nog strenger bewaakt werd dan dat ooit in de gevangenis van Ceuta geschied was. Hij zou met niemand in aanraking komen, totdat zijn lot beslist zoude zijn.
Zoo was dan een der drie verraders, die de bloedige ontknooping van deTriëstersamenzwering veroorzaakt hadden, in handen van dokter Antekirrt. Dezen bleef dus nog de taak over, om de twee anderen te achterhalen, wat niet moeielijk meer kon zijn, daar Carpena thans medegedeeld had, waar ze gevonden konden worden.
Daar evenwel de dokter en Piet Bathory door Silas Toronthal en Sarcany herkend konden worden, scheen het hun geraden niet eerder persoonlijk op te treden, dan wanneer zulks met zekerheid van te zullen slagen kon geschieden. Maar nu men het spoor der beide medeplichtigen teruggevonden had, kwam het er voornamelijk op aan, hen, in afwachting dat de gelegenheid zich zou voor doen om daadwerkelijk te handelen, niet meer uit het oog te verliezen.
Daarom werd Pescadospunt naar Monaco gezonden met opdracht om hen overal te volgen, waarheen zij gaan zouden. Kaap Matifou vergezelde hem, om hem des vereischt met zijne stevige vuisten bij te springen, terwijl dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi ook derwaarts met deFerratozouden vertrekken, wanneer het gunstige oogenblik aangebroken zou zijn. Zooals men ziet, werden de mazen van het net al meer en meer om de schuldigen dichtgetrokken.
De beide akrobaten waren midden in den nacht te Monte Carlo aangekomen en waren des morgens dadelijk aan den arbeid getogen. Het was hen niet moeielijk gevallen, het hôtel uit te vinden, waar Silas Toronthal en zijn medeplichtige Sarcany hun intrek genomen hadden. Terwijl Kaap Matifou, in afwachting dat de avond viel, in den omtrek van Monte Carlo rondwandelde, zag Pescadospunt, die zorgvuldig de wacht hield en niets liet ontglippen, de beide vennooten tegen een uur in den namiddag naar buiten treden. Het scheen den wakkeren verspieder toe, dat de bankier Silas Toronthal zeer neerslachtig was en bitter weinig sprak, hoewel Sarcany zijn best deed om het onderhoud levendig te houden. In de morgenuren had Pescadospunt hooren verhalen, wat daags te voren in de speelzalen van Monte Carlo plaats gevonden had, namelijk die ongeloofelijke reeks van de roode kleur, die zoovele slachtoffers gemaakt had en waaronder voornamelijk Sarcany en Silas Toronthal aangehaald werden. Met zijne aangeboren schranderheid besloot de wakkere kerel daaruit, dat hun onderhoud daarover moest loopen, en in het bijzonder over het kwade gesternte, dat hen vervolgd had.[81][82]Bovendien vernam hij, dat die beide spelers niet alleen ten gevolge van die noodlottige reeks, maar ook vroeger en vooral in de laatste dagen groote sommen verloren hadden, waaruit hij alweer met niet minder schranderheid de gevolgtrekking maakte, dat hunne laatste hulpmiddelen nagenoeg uitgeput moesten zijn, en dat het oogenblik naderde, waarop dokter Antekirrt daadwerkelijk en met vrucht zou kunnen optreden. Waarlijk, de dokter had een meesterlijke greep gedaan, toen hij de beide akrobaten voor zijn dienst aanwierf.
Pescadospunt volgde hen van verre. (Bladz. 84.)Pescadospunt volgde hen van verre. (Bladz.84.)
Pescadospunt volgde hen van verre. (Bladz.84.)
Die mededeelingen werden des morgens dadelijk door Pescadospunt, evenwel zonder iemand te noemen, aan een bekend adres te LaVallettaop het eiland Malta getelegrafeerd, vanwaar zij langs een particulieren draad snel naar het eiland Antekirrta overgeseind werden.
Toen Sarcany en Silas Toronthal het gebouw van het Casino van Monte Carlo binnentraden, stapte Pescadospunt achter hen aan. Toen zij de salons van de roulette en van het trente-et-quarante binnengingen, volgde hij hen ook.
Het was toen juist drie uren in den namiddag. De heldere metalen klok van het torentje van het Casino verkondigde dat luid genoeg, terwijl de nagalm over de watervlakte van de Middellandsche zee wegstierf.
Het spel begon toen levendiger te worden, hoewel er nog geen groote geestdrift heerschte.
De bankier en zijn makker wandelden eerst de zalen rond. Hier en daar bleven zij gedurende eenige oogenblikken bij sommige speeltafels staan, sloegen den gang van het spel gade, maar onthielden zich blijkbaar stelselmatig er deel aan te nemen.
Pescadospunt verloor hen niet uit het oog, terwijl hij als een onbedreven nieuwsgierige op en neder slenterde. Hij meende zelfs, om hunne aandacht niet te trekken, hier en daar een paar vijf francstukken op de kolommen of op de nummers der roulette te moeten wagen. Die verloor hij natuurlijk; het moet evenwel erkend worden, hij deed dat met de meest mogelijke onverschilligheid. Maar waarom had hij ook niet den uitmuntenden raad gevolgd, die hem een professor, een beunhaas in het spel, in vertrouwen gegeven had? Ja, waarom niet? Was het betweterij?
„Om te slagen in het spel,” had deze gezegd, „moet men er zich op toeleggen, om de kleine inzetten te verliezen en de groote te winnen! Daarin bestaat het geheele geheim, mijnheer!”
Pescadospunt knikte den raadgever gedachteloos toe; maar drentelde verder.
Het sloeg vier uren op de groote pendule in de speelzaal, waarin zij zich bevonden, toen Silas Toronthal en Sarcany het geschikte oogenblik gekomen achtten, om de veine „den tand te voelen”, zooals[83]zij dat uitdrukten. Verscheidene plaatsen waren nog onbezet bij eene der roulette-tafels. Beiden namen daaraan plaats en wel tegenover elkander, en weldra zag de roulettehouder zich niet alleen door spelers omringd, maar ook door eene talrijke menigte toeschouwers, die begeerig waren den revanche-strijd te aanschouwen, dien de twee ongelukkige spelers van den vorigen dag te leveren hadden. Aller aandacht was natuurlijk ten hoogste geprikkeld. Men verdrong zich als het ware.
Pescadospunt had natuurlijk gezorgd in de eerste rij der nieuwsgierigen plaats te nemen, en was, zooals wel te bedenken is, niet een der minsten van hen, die belangstelling in de lotswisselingen van de begonnen partij stelden.
Gedurende het eerste uur wogen de kansen nagenoeg tegen elkander op. Winst en verlies stonden gelijk.
Om die kansen des te beter te verdeelen, volgden Silas Toronthal en Sarcany natuurlijk niet hetzelfde spel. Zij zetten ieder afzonderlijk op en maakten zoo verscheidene belangrijke winsten, zoowel op de eenvoudige als op de meer samengestelde combinatiën, die bij de roulette gebruikelijk zijn. Maar het lot besliste niet voor en niet tegen hen.
Maar tusschen vier en zes uren scheen het lot te keeren en hen zeer te begunstigen.
Het maximum van inzet, dat bij de roulette zes duizend franken bedraagt, werd herhaaldelijk door hen op volle nummers gewonnen. De gelaatstrekken der bankhouders waren nog strakker dan gewoonlijk.
De handen en vingers van Silas Toronthal beefden koortsachtig, wanneer hij ze over het groene laken uitstrekte, hetzij om zijn inzet ter gewilde plaatse bij te schuiven, hetzij om de goudstukken en de bankbiljetten van onder de harken der croupiers naar zich toe te halen.
Sarcany integendeel was zichzelven steeds meester. Hij liet geen enkele der gewaarwordingen, die zijne ziel bestormden, op zijn gelaat bespeuren. Hij vergenoegde zich zijnen medeplichtige met den blik aan te moedigen; want het was Silas Toronthal, die, alles wel beschouwd, de gunstige kansen van het oogenblik in zijn voordeel had.
Hoewel Pescadospunt als in een halven roes verkeerde, door het heen en weer geschuif van al die goudstukken, en door het geritsel van al die bankbiljetten veroorzaakt, verzuimde hij geen oogenblik die beide mannen met de grootste aandacht gade te slaan, Hij vroeg zich af, of zij voorzichtig genoeg zouden zijn, om bij tijds met spelen op te houden, ten einde het vermogen, dat zij bezig waren te verwerven, te behouden.
Toen kwam de gedachte bij hem op, dat wanneer Silas Toronthal[84]en Sarcany verstandig genoeg waren, om zoo te handelen, wat hij echter betwijfelde, zij geneigd konden wezen om Monte Carlo te verlaten, ten einde naar een anderen hoek van Europa te vluchten, waar zij dan weer opgespoord moesten worden. En als zij geen geldgebrek zouden hebben, zouden zij moeielijk in de macht van dokter Antekirrt vallen.
„Het zal, alles wel beschouwd, beter zijn,” mompelde hij in zich zelven, „dat zij alles, ja alles verliezen. Ik geloof niet, dat ik mij vergis, maar die schoft van een Sarcany is er de man niet naar om het spel te midden van de gunsten der veine te staken. Enfin, wij zullen zien en geheel naar omstandigheden handelen.”
Wat ook dienaangaande de meeningen en het hopen van Pescadospunt waren, de gelukkige kansen verlieten onze twee medeplichtigen voorloopig niet. Zij zouden inderdaad de bank drie malen reeds hebben doen springen, wanneer de speelchef niet telkenmale toevoeging aan het aanwezige kasgeld van twintig duizend franken bewerkstelligd had.
Dat was waarlijk eene buitengewone gebeurtenis voor de toeschouwers van dien strijd, waarvan het meerendeel de beide spelers zeer genegen scheen. Was dat niet als eene soort weerwraak, genomen op die onbeschofte reeks van de roode kleur, waarvan de administratie der bank den vorigen dag zoo ruimschoots geprofiteerd had.
Toen Silas Toronthal en Sarcany eindelijk tegen half zeven met spelen ophielden, hadden zij, toen de rekening nauwkeurig opgemaakt werd, eene winst gemaakt, die ruim twintig duizend louis d’or te boven ging. Zij stonden toen op en verlieten de roulette tafel. Silas Toronthal liep met wankelende schreden, alsof hij een weinig dronken was. Dat was hij evenwel niet van sterken drank of van zware wijnen, maar wel van opgewondenheid, ook van vermoeienis der hersenen. Hij zag bleek van aandoening en was genoodzaakt herhaalde malen te blazen, alsof de lucht zijner longen hem benauwde.
Zijn makker was kalm, ja gevoelloos gebleven; maar die bewaakte den bankier en vreesde niets meer of minder, dan dat deze trachten zou te ontvluchten met de eenige honderd duizend franken, die met zooveel moeite terug gewonnen waren, om zich zoo aan zijne heerschappij te onttrekken. Nu hij meer geld had, was dit niet geheel onmogelijk.
Beiden verlieten de speelzaal en het Casino, daalden daarna de trap van het hooge bordes af en richtten hunne schreden naar hun hôtel, alwaar zij eenige uren wenschten uit te rusten van die aandoeningen.
Pescadospunt volgde hen van verre, evenwel zoo dat zij hem niet bespeuren konden.[85]
Toen hij buiten kwam, ontwaarde hij bij een der kiosken van den tuin Kaap Matifou, die heel gemakkelijk op een bank gezeten was en in wijsgeerige beschouwingen verdiept scheen.
Wijsgeerige beschouwingen van een Hercules? Welken omvang zouden die wel gehad hebben?
Pescadospunt ging tot hem en nam op zijne aanwijzing geen plaats naast zijn vriend op de bank.
„Kom,” zeide hij integendeel met eenigszins gejaagde en kort afgebroken stem.
„Is het oogenblik gekomen?” vroeg Kaap Matifou, die dadelijk opstond en mede wilde gaan.
„Welk oogenblik?”
„Hou je me voor den gek?” vroeg de reus gemelijk. „Pescadospunt zou mij niet begrijpen?”
„Neen, waarachtig niet. Ik begrijp je niet. Welk oogenblik?” vroeg de kleine man ongeduldig.
„Het oogenblik van … van … je weet wel.… Och, je wilt mij niet verstaan.…”
„O, van ten tooneele te verschijnen?” riep Pescadospunt uit, wien een licht plotseling opging.
„Juist!”
„Neen, mijn waarde Kaap!… Nog niet!… Blijf nog maar wat ter zijde!…” was het antwoord.
„Drommels!” pruttelde de reus. „Ik beken het volgaarne, ik begin mij gruwelijk met dat niets-doen te vervelen.”
„Hebt ge al gegeten?” vroeg zijn vriend hem met alle belangstelling. „Ik hoop van ja.”
„Ja, Pescadospunt, en goed ook! Daaraan schort het mij niet,” antwoordde Kaap Matifou met een zucht.
„Ik feliciteer je wel! Ik heb de maag bij mijne hielen zitten, zoo laag is zij gezakt.”
„Dat is laag! Maar, Pescadospunt, dan zit dat lichaamsdeel bij jou niet op z’n plaats.”
„Niet waar? Want dat is de plaats van een fatsoenlijke maag niet.”
„Dat dunkt me ook. Maar, vertel mij. Hoe komt dat zoo? Gij hebt toch zoovele behoeften niet.”
„Wees gerust, ik zal mijn maag wel weer naar boven werken, als ik tijd heb. Intusschen.…”
„Intusschen? Gij spreekt er van, of gij bij dat werk eene domme-kracht wilt bezigen.”
„Ga hier niet van de plaats, voordat ge me terug gezien hebt, Kaap Matifou! Begrepen?”
„Daar kunt ge op aan!” bromde de athleet. „Maar het begint knapjes saai te worden.”[86]
Pescadospunt ijlde naar den hellenden weg, dien Sarcany en Silas Toronthal thans afdaalden.
Toen hij de verzekering bekomen had, dat de beide medeplichtigen zich het diner in hunne vertrekken hadden laten voordienen, nam Pescadospunt den tijd om plaats te nemen aan de table d’hôte van het hôtel. Het was tijd, want de arme kerel had werkelijk honger. Maar in een half uur tijd had hij, zooals hij Kaap Matifou verzekerd had, zijn maag weer omhoog en op de normale plaats gebracht, welke dat orgaan in het menschelijke lichaam moet innemen. Hij veegde zijn lippen met zijn servet af, en loosde een zucht van voldaanheid.…
Daarna stak hij een overheerlijke sigaar, een echte Panatella op, ging naar buiten en stelde zich vóór het hôtel verdekt op, om zijn bespieden voort te zetten. Hij was een onbetaalbare kerel voor dengeen, die hem wist te gebruiken.
„Waarachtig, ik ben in de wieg gelegd om schildwacht te spelen!” mompelde hij. „Ik ben mijn loopbaan misgeloopen. Maar, wat er aan te doen? Het is thans geen tijd meer om soldaat te gaan worden. Daartoe is het te laat.”
Hij wandelde achter een perk sierstruiken op en neer, en peinsde over de aangelegenheden, die hij te behartigen had.
De eenige vraag, die hij zich in het onderhavige geval inderdaad stellen kon, was:
„Zouden de heeren Sarcany en Toronthal heden avond naar het Casino terugkeeren of niet?”
Tegen tien uren verschenen Silas Toronthal en Sarcany in de omlijsting van de deur van het hôtel. Pescadospunt meende te hooren en te begrijpen, dat zij vrij levendig met elkander kibbelden.
Klaarblijkelijk poogde de bankier voor de laatste maal weerstand te bieden aan de verleidingen en aan het lastige aandringen van zijn medeplichtige. Deze ging zelfs verder; want hij eindigde met op bevelenden toon te zeggen:
„Het moet, Silas!… Ik wil het!… Zoo gij niet naar mij hoort … dan blijven de gevolgen voor uwe rekening.”
Het overige ging door den afstand voor Pescadospunt verloren.
De beide medeplichtigen stapten daarop den hellenden weg weer op, die naar den tuin van het Casino Monte Carlo voert. Pescadospunt volgde hen onmiddellijk, zonder evenwel tot zijn grooten spijt, verder iets van hun onderhoud te kunnen vernemen.
Ziehier evenwel wat Sarcany, op een toon die geen tegenspraak duldde, zeide tot den bankier, die in zijn tegenstand dadelijk merkbaar verflauwde.
„Thans ophouden, Silas Toronthal, nu de veine teruggekomen is, dat zou dwaasheid zijn!… Het is, of gij het hoofd kwijt zijt!…[87]Wat, wij zouden bij de ongelukkigste kansen, het spel als gekken doorgezet hebben, en nu de kans gekeerd is, zouden wij het spel niet als wijzen forceeren?… Wat, wij hebben eene eenige gelegenheid misschien, eene gelegenheid, die wellicht zich niet meer aanbieden zal, om het lot te overmeesteren, om de fortuin te bemachtigen, en wij zouden haar door onze schuld laten ontsnappen?… Dat zou al te dwaas zijn, niet waar?”
„Maar,…” poogde de ongelukkige te zeggen. „Als wij alles eens verloren?… Denk daar toch aan.”
Sarcany liet hem evenwel niet verder aan het woord, maar hernam oogenblikkelijk:
„Silas, voelt gij dan niet dat de veine!…”
„Als zij maar niet uitgeput is!” mompelde Silas Toronthal uiterst neerslachtig. „Ik heb zoo’n voorgevoel.”
„Neen! honderdmaal neen! Zij is niet uitgeput!” hernam Sarcany met drift. „Dat is, bij God, zoo niet uit te leggen, maar dat gevoelt men; zoo iets doordringt iemand tot in het merg der beenderen!… Een millioen wacht ons heden avond op de speeltafels van het Casino!… Ja, een millioen!… hoort ge, een millioen! En ik zal die laten ontsnappen!… Bij den duivel! dat moogt gij ook niet, Silas Toronthal. Neen, dat moogt gij niet!”
„Speel gij dan, Sarcany!… Ik voel dat ik zeer ongelukkig zal wezen,” stamelde de bankier.
„Ik?”
„Ja, gij!”
„Ik!… Ik alleen spelen?… Neen, waarachtig niet!… Wij spelen samen!… Ja!… En als ik moest kiezen tusschen ons tweeën, dan zou ik aan u mijn plaats inruimen. De fortuin gaat persoonlijk te werk en het is buiten kijf, dat zij u heden toelacht!… Speel dus en gij zult winnen.…”
„Maar.…”
„Zwijg!… ik wil het!… Er valt hier niet meer op terug te komen,” sprak de verleider op kort afgebroken toon.
Wat Sarcany wilde, was in het kort, dat Silas Toronthal zich niet zou vergenoegen met de eenige honderd duizend franken, die hem veroorloofd zouden hebben aan zijne heerschappij te ontsnappen. Wat hij wilde, was, dat zijn medeplichtige weer de millionnair van weleer of straatarm zou worden. Was hij rijk, dan kon hij voortgaan te leven, zooals hij gedaan had; arm, dan zou hij Sarcany wel moeten volgen, overal waar die hem voeren wilde. In beide gevallen zou hij niets meer van hem te vreezen hebben. Neen, niets! Niets!
Daarenboven, hoewel Silas Toronthal poogde weerstand te bieden, was dat geheel te vergeefs; want hij gevoelde thans al de hartstochten[88]van den speler ongeketend in zich woelen. Te midden van den ellendigen toestand, waartoe hij vervallen was, ondervond hij tegelijkertijd zoowel vrees als aandrang om naar de speelzalen van het Casino te Monte Carlo terug te keeren. De woorden van Sarcany goten vloeiend vuur in zijne aderen. Ja, hij zag het, hij begreep het, de fortuin had zich naar hem gewend en wel met zoodanige standvastigheid gedurende de laatste uren, welke hij aan de speeltafel doorbracht, dat het onvergeeflijk, ja onverantwoordelijk zoude zijn om thans de partij op te geven! Neen, dat kon, dat mocht niet! Hij was dan ook weldra vast besloten te doen, wat Sarcany verlangde.
Die dwaas!
Evenals alle spelers, zijne evenbeelden, stelde Silas Toronthal op rekening van het tegenwoordige, wat niet anders dan tot het verledene kan behooren! In plaats van te zeggen: het gelukheeftmij toegelachen,—wat inderdaad waar was,—prevelde hij: het geluklachtmij toe—wat onwaar was! En toch, in het brein van allen, die plaats rondom de speeltafels nemen, wordt geene andere redeneering gevoerd! Zij allen vergeten maar al te zeer, wat een der grootste wiskunstenaars van Frankrijk nog kort geleden zoo schrander en zoo juist ter snede zeide:
„Het toeval heeft slechts grillen, geene gewoonten!”
Intusschen waren Sarcany en Silas Toronthal, steeds gevolgd door Pescadospunt, tot voor het Casino genaderd. Daar stonden zij nog een oogenblik stil. Het was inderdaad alsof zij voor de poorten des tempels andermaal weifelden.
„Silas,” vermaande Sarcany toen, „Silas, geene aarzeling!… Gij zijt vast besloten om te spelen, niet waar?”
„Ja!” antwoordde de bankier, die zijn moed als ’t ware met beide handen greep. „Ja, ik ben vast besloten!”
„Ja, maar bepaald besloten? Denk er om, geen aarzelen, geen weifelen! Vast besloten!”
„Bepaald en vast besloten … om alles te wagen, ten einde alles te winnen!” ging Silas Toronthal, wiens aarzelingen als nachtschimmen verdwenen, zoodra zijn voet de eerste trede van de trap van het bordes, dat tot de speelzalen toegang verleende, aangeraakt had, koortsachtig voort: „Ik zal het noodlot tarten! Ik zal de fortuin dwingen!”
„Ik wil geen invloed op u uitoefenen!” hernam Sarcany met zachte stem en teemend.
„Dat hoeft ook niet,” antwoordde Silas Toronthal kort af, maar met hartstochtelijke stem.
„Gij moet niet mijne ingeving, maar de uwe volgen. Gij zijt het gelukskind, niet ik.”
„Juist.”[89]
Eza, een adelaarsnest. (Bladz. 96.)Eza, een adelaarsnest. (Bladz.96.)
Eza, een adelaarsnest. (Bladz.96.)
[90]
„Die ingeving kan u niet misleiden. Wees daarvan ten volle overtuigd. Die zal u op geen dwaalspoor brengen.”
„Dat denk ik ook.”
„Zult ge weer plaats aan de roulette-tafel nemen? Of hebt gij een ander voornemen?”
„Neen,… ik wensch bij het trente-et-quarante-spel op te zetten!” antwoordde Silas Toronthal, terwijl zij het gebouw binnentraden.
„Gij hebt gelijk, Silas! Hoor slechts naar uwe ingeving!… De roulette heeft u bijna een vermogen verschaft, het trente-et-quarante zal het overige wel verrichten!”
Beiden traden de salons binnen en wandelden eerst een poos op en neer. Tien minuten later zag Pescadospunt hen plaats nemen aan een der trente-et-quarante-tafels, waaromheen zich dadelijk het meerendeel der spelers schaarden.
Daar kunnen inderdaad meer stoutmoedige zetten gedaan worden. Daar zijn de kansen van het spel meer eenvoudig, daar is ook het maximum van inzet twaalf duizend franken, en in weinige oogenblikken kan de speler groote verliezen, maar ook groote winsten maken. Rondom die tafels is het dan ook, dat de groote spelers bij voorkeur plaats nemen. Daar eindelijk ontluiken groote vermogens of worden die met zulk eene duizelingwekkende snelheid verspeeld, dat de Beurzen te Parijs, te New-York, te Londen of te Amsterdam er jaloersch op zouden kunnen zijn.
Toen hij eenmaal aan de trente-et-quarante-tafel had plaats genomen, was Silas Toronthal alle zijne vroegere angsten vergeten. Hij speelde nu niet angstig, maar met eene soort van razernij, of wat juister is, als een man, die weldra het hoofd kwijt zal zijn. Kon men daarenboven ernstig meenen, dat er eene manier van spelen bestaat, eene manier om zijn geld op te offeren? Klaarblijkelijk neen, hoewel de beunhazen en de hartstochtelijke spelers het tegendeel beweren. Men is en blijft, wanneer men speelt, de slaaf van het toeval. En dat willen of wenschen die verblinden niet in te zien.
Silas Toronthal speelde dus, terwijl Sarcany, wiens belang bij die laatste partij dubbel gold en die steeds winner was, welke ook de afloop zou zijn, hem nauwkeurig op de vingers keek en van iedere winst of verlies aanteekening hield.
In de eerste uren, wogen de afwisselingen van winst en verlies tegen elkander op. Toch scheen de fortuin naar den kant van Silas Toronthal te willen overhellen. Dat was uit de laatste uitkomsten, meenden zij, duidelijk op te maken.
Toen meenden hij en Sarcany zeker van den goeden uitslag te zijn. Hunne oogen schitterden van begeerlijkheid.
Zij hitsten elkander op, zooals men dat noemt; zij moedigden elkander aan en plaatsten niet anders meer dan de hoogst toegestane[91]inzetten op het groene kleed. De lezer weet dat dat inzetten van twaalf duizend franken zijn.
Maar weldra hernam de bank, die over eene onwrikbare koelbloedigheid beschikt, die zich niet laat medeslepen door de dwaasheden van eene krankzinnige vervoering, en welker belangen door het vastgestelde maximum, den speler opgelegd, beschermd wordt, geheel en al het voordeel.
Toen leden de medeplichtigen achtereenvolgens schrikkelijke verliezen. Het was alsof het geld langs een hellend vlak wegstroomde!
Al de winst, die Silas Toronthal in den namiddag behaald had, vervloog voor en na.
De bankier was schrikkelijk om aan te zien. Zijn gelaat was verwrongen en vuurrood en toonde aan, hoedanig het bloed hem naar het hoofd steeg. Zijne oogen stonden verwilderd en schier uitpuilend. Hij klemde zich vast aan de tafelranden, aan zijn stoel, aan de pakjes bankbiljetten, aan de rolletjes goudstukken, die zijne hand niet kon loslaten. En dat alles geschiedde met stuipachtige bewegingen, met zenuwachtige trillingen, met spiertrekkingen, met schokken evenals een man zou overkomen, die op ’t punt is van te verdrinken! Er was niemand om hem op den rand van den afgrond te weerhouden! Geene hand, die hem toegestoken werd, om hem te redden! Sarcany deed geen enkele poging, om hem van die noodlottige plek te sleuren, om hem heen te voeren, alvorens zijn ondergang volkomen was, voor dat zijn hoofd verdwenen was onder de toeijlende golf van het verderf!
Het was omstreeks tien uren, toen Silas Toronthal zijn laatsten inzet, zijn laatste maximum waagde. Hij won … won nog eens, verloor daarna … verloor nogmaals en was toen alles kwijt! Toen hij met berooid hoofd opstond, werd hij bestormd door dien afschuwelijk wreedaardigen wensch, dat de bovenverdiepingen der Salons van het Casino mochten instorten, om hem en met hem al diegenen te verpletteren, die zich daarin bewogen. Hij bezat niets meer—niets meer van de millioenen, die hij met zijn bankiershuis verdiend had, niets meer van de millioenen, die hem als uitslag van zijn afschuwelijk verraad van het vermogen van graaf Mathias Sandorf ten deel waren gevallen! Het noodlot had onverbiddelijk uitspraak gedaan. De bankier was doodarm.
Silas Toronthal, vergezeld van Sarcany, die toen zijn gevangenbewaarder scheen te zijn, verliet de speelzalen, stapte het gebouw door en ijlde buiten het Casino. Beiden vluchtten vervolgens als het ware langs de square naar de voetpaden, die naar La Turbia opklommen. Het was, alsof zij vreesden achtervolgd te worden.
Pescadospunt was hen evenwel reeds op het spoor. Maar hij spoedde zich in het voorbijgaan naar zijn vriend Kaap Matifou en sleurde dien[92]van zijne bank af, waarop deHerculeshalf ingedommeld lag, en schreeuwde hem toe:
„Op! en spoedig!… De oogen open en de beenen gebruikt! Drommels, het oogenblik is daar!”
„Wat is daar?” riep de reus, zoo uit den dommel wakker geschud, onthutst uit. „Wat is daar?”
„Kom maar, wij hebben geen tijd om te babbelen,” antwoordde Pescadospunt gejaagd.
En beiden ijlden op het spoor voort, dat zij niet meer wilden verliezen. Het was tijd ook.
Sarcany en Silas Toronthal bleven intusschen in allerijl naast elkander voortstappen en stegen steeds, terwijl zij de kronkelende en klimmende paden volgden, die langs de hellingen van het bergterrein te midden van olijf- en oranje-boschjes voerden. Die grillige kronkelingen en wendingen veroorloofden aan Pescadospunt en aan Kaap Matifou, om hen niet uit het oog te verliezen, hoewel zij geen woord konden verstaan van hetgeen de beide medeplichtigen spraken.
„Keer naar het hôtel terug, Silas Toronthal,” herhaalde Sarcany onophoudelijk met bevelende stem, „keer terug … en herneem uwe koelbloedigheid.… Het is alsof gij krankzinnig zijt.”
„Neen!… Ik keer niet naar het hôtel terug,” kreet Silas Toronthal, met onaangenaam klinkende stem.
„Kom, het moet!… Laat u door mij raden.… Laat u door mij geleiden.… Er is nog herstel mogelijk.”
„Neen, zeg ik u.… Wij zijn tot den bedelstaf gebracht.… En dat alles is uwe, uwe schuld, Sarcany!”
„Kom, wees nu niet dwaas.… Anders zijt gij zoo verstandig.… Hoe is het mogelijk zich zoo op te winden?”
„Wij moeten scheiden, Sarcany.… Ik wil u niet meer zien!… Ik wil.… Ik wil verre van hier … ver, zeer ver!”
„Scheiden?… Waarom?… Zeg mij!… Is dat nu niet het dwaaste denkbeeld, dat bij u opkomen kan?”
„Ik wil.… Hoort gij, Sarcany.… Ik wil.… Ik ben uwe tegenwoordigheid moede. U heb ik alles te danken.”
„Gij zult mij volgen, Silas Toronthal. Morgen zullen wij Monte Carlo verlaten!… Er blijft ons geld genoeg over om Tetuan te bereiken, en daar zullen wij onze taak voleindigen. Gij weet wel, dat wij daar niet zonder middelen zullen zijn.”
„Neen!… Neen!… Duizendmaal neen!… Ik wil niet … en daarmee uit!” kreet de rampzalige.
„Maar, waarom niet?”
„Laat mij, Sarcany, laat mij!” riep Silas Toronthal uit. „Laat mij, of ik bega een ongeluk!”
En hij stootte zijn makker gewelddadig terug, toen deze hem wilde[93]grijpen. Daarna stoof hij met zooveel vaart vooruit, dat Sarcany moeite had, om hem weer in te halen. Geheel onbewust van hetgeen hij deed of omtrent hetgeen rondom hem voorviel, liep Silas Toronthal veel kans in de steile ravijnen te storten, waarboven en waarlangs zich het net der tuinpaden uitspreidde. Eene enkele gedachte huisde nog in het brein van den ongelukkigen bankier tot bedwelmens toe, dat was: Monte Carlo te ontvluchten, waar hij zijn ondergang gevonden had, en Sarcany te ontvluchten, wiens raadgevingen hem zoo verderfelijk geweest waren en zoo ellendig gemaakt hadden. Hij wilde in één woord vluchten, en het aan het toeval overlaten, waarheen hij zich zoude wenden, zonder te weten, wat van hem worden zou.
Sarcany gevoelde wel, dat hij geen macht meer op zijn medeplichtige zou kunnen uitoefenen, dat die op het punt was aan zijn invloed te ontsnappen! O! wanneer de bankier niet bekend was met geheimen, die hem in het verderf konden storten, of hem voor het allerminst de laatste partij, die hij nog spelen wilde, kon doen verliezen, dan zou hij zich al zeer weinig bekommerd hebben over dien man, dien hij tot aan den rand van den afgrond gesleurd had! Maar, alvorens in dien afgrond te storten, kon Silas Toronthal een laatsten gevaarlijken kreet slaken, en die kreet moest vermeden, moest verstikt worden, al moest dat ook door middel van eene misdaad geschieden!
Toen, in dat oogenblik was er van de gedachte aan die misdaad, waartoe hij in zijn binnenste besloten was, tot de daadwerkelijke uitvoering slechts een pas te maken en Sarcany aarzelde geen oogenblik dien pas uit te voeren. Wat hij op weg naar Tetuan, in de eenzaamheid derMarokkaanschevelden wilde uitvoeren, zou hij dat niet, dezen zelfden nacht op deze plek, die weldra geheel eenzaam en verlaten zoude zijn, kunnen doen? Die gedachte bestormde wild en woest zijn misdadig brein.
Maar op dit uur werden toch nog te veel menschen, die zich verlaat hadden, op dien weg tusschen Monte Carlo en la Turbia ontmoet. Nog te veel wezens bewogen zich op die hellingen en klommen haar op of daalden haar af. Een kreet, een schreeuw van Silas Toronthal zou hen kunnen doen te hulp schieten, en de moordenaar wilde, dat de moord onder zoodanige omstandigheden geschiedde, dat nimmer eenige achterdocht hem zoude kunnen bereiken. Dat noodzaakte hem gebiedend te wachten. Hooger, daar ginds la Turbia voorbij, over de Monacosche grenzen, op dien bergachtigen weg, die zich op meer dan twee duizend voeten boven de oppervlakte der zee, aan de flanken van het eerste voorgebergte der Zeealpen vastklemde, zou Sarcany zeker en zonder gevaar kunnen toestooten. Wie zou daar zijn slachtoffer te hulp komen? Hoe zou[94]daar het lijk van Silas Toronthal in de diepte van die peillooze, sombere ravijnen, die langs den weg aangetroffen werden, weer gevonden worden?
Evenwel wilde Sarcany een laatste maal zijn medeplichtige weerhouden en een laatste poging aanwenden, hem naar Monte Carlo naar het hôtel terug te voeren. Die poging zou evenwel deerlijk mislukken.
„Kom, Silas Toronthal, kom!” zei hij, terwijl hij zijn makker bij den arm greep. „Kom dan toch, zeg ik u!”
„Neen!… Laat mij! Laat mij!…” kreet de bankier; terwijl hij zijn makker met verbeten woede terugstootte.
„Morgen zullen wij het spel hervatten!… Ik heb nog eenig geld.… Morgen kunnen wij alles terugwinnen.”
„Neen, neen! Laat mij …” riep Silas Toronthal met eene van razernij trillende stem uit.
Wanneer hij bij machte geweest ware, om met Sarcany te worstelen; wanneer hij met dolk of revolver gewapend geweest ware, dan zou hij voorzeker niet geaarzeld hebben, om zich over al het kwaad, dat hem zijn vroegere Tripolitaansche agent berokkend had, te wreken. Hij zou dan toegestooten hebben, al had hij daarna ook het hoofd op het schavot moeten brengen.
Met een woest handgebaar, waaraan de toorn nog meer spierkracht verleende, stootte Silas Toronthal Sarcany terug; daarna ijlde hij voort naar den laatsten draai van het pad en daalde langs eenige trappen af, die den weg vormden in den rotswand waartusschen kleine terrasvormige tuinen uitgehouwen waren. Hij had weldra de voornaamste straat van Turbia bereikt, die op den smallen zadelrug uitkomt, die den Hondskop van de bergmassa van Ayel afscheidt, en de vroegere grensscheiding tusschen Italië en Frankrijk uitmaakt.
„Welnu, als gij het dan zoo wilt, ga dan, Silas,” riep Sarcany hem voor de laatste maal achterna. „Ga, maar ge zult niet ver loopen. Dat verzeker ik u!”
En daarna rechts wendende, overschreed hij eene kleine omheining, uit losse steenen opgetrokken, stak een schuinhellenden tuin dwars over, regelde zijne schreden dermate, dat hij voor Silas Toronthal op den grooten weg zoude uitkomen. Daar wilde hij zijn vroegeren medeplichtige opwachten, om met hem af te rekenen.
Al hadden Pescadospunt en Kaap Matifou ook al niets van die woordenwisseling kunnen hooren, zoo hadden zij toch duidelijk waargenomen met hoeveel geweld de bankier Sarcany had teruggestooten en hadden zij gezien, hoe de laatstgenoemde in de schaduw der boomgroepen verdween.
„De duivel mengt zich in het spel,” riep Pescadospunt uit. „Gauw, gauw!”[95]
„Denkt ge?” vroeg Kaap Matifou, terwijl hij zijn vriend met verwonderde blikken poogde aan te kijken, wat bij de heerschende duisternis mislukte.
„Waarachtig!… De voornaamste ontsnapt ons waarschijnlijk.… Gauw!… Gauw! Wij moeten ons haasten!”
„Och kom, die kerels kunnen toch niet vliegen!” sprak Kaap Matifou gemelijk.
„Dat moest er nog maar bij komen …” hijgde Pescadospunt schier wanhopig.
„Wat?”
„Dat de andere ons ook ontsnapte! Dat zou iets moois voor ons zijn! Wat zou Dokter Antekirrt wel zeggen?”
„Dat kan niet.”
„Gelukkig ook. Die Toronthal zal weldra onze krijgsgevangene zijn!… Opgepast, Kaap!”
„Dat meen ik ook. Wees intusschen gerust, ik zal oppassen, Pescadospunt.”
„Daarenboven, er valt hier niet te kiezen … Kom vooruit, waarde Kaap, vooruit!”
En voortspoedende hadden zij Silas Toronthal weldra ingehaald. Dat merkten zij weldra.
Deze besteeg snel de straat van Turbia. Nadat hij de kleine verhevenheid, waarop de Augustustoren verrijst, voorbij geijld was, liep hij met vlugge schreden langs de huizen, welker deuren reeds gesloten waren, en bevond zich weldra op den weg der Kroonlijst.
Pescadospunt en Kaap Matifou volgden hem op een afstand van ongeveer vijftig passen en verloren hem niet uit het oog.
De weg der Corniche of der Kroonlijst is het overblijfsel van eene oude Romeinsche heerbaan. Van Turbia af daalt zij langs de berghellingen, te midden van prachtige rotspartijen, van alleen staande kegelheuvels, van diepe afgronden, die zich tot bij de spoorbaan uitstrekken, welke langs de kuststrook aangelegd is, naar Nizza af. Over den spoorweg heen, waren bij den helderen sterrenhemel en bij het zachte licht der maan, die in het oosten opkwam, in het nevelig verschiet zes baaien te ontwaren, alsmede het Hospitaaleiland, de monding van de Var, de golf van Juan, de Lerinische eilanden, de golf van Napocila, het schiereiland van Garoupa, de kaap van Antibes en daarachter als een verheven achtergrond: het Esterelgebergte. Hier en daar schitterden havenlichten, zooals dat van Beaulieu, hetwelk aan den voet der steile oevers van Klein-Afrika opgericht is, dat van Villafranca, hetwelk door den Leuzaberg beheerscht wordt. Vervolgens werden nog eenige signaallichten van visschersvaartuigen ontwaard, die zich in de kalme wateroppervlakte spiegelden.[96]
Het was toen iets later dan middernacht. In de verte stierf het metalen geluid van een klokkentoren weg.
Op dit oogenblik was Silas Toronthal aan het einde der Turbiastraat gekomen en verliet thans den weg der Kroonlijst en spoedde zich op een pad voort, dat rechtstreeks naar Eza voert, hetwelk een adelaarsnest genoemd moet worden, alwaar een half barbaarsche bevolking, boven op dien rotsblok, te midden van woeste pijnboomen en wild struikgewas, huist. Dat pad was volmaakt eenzaam. De waanzinnige bankier volgde het gedurende een poos, zonder den pas te vertragen, zonder het hoofd om te keeren, ten einde achterwaarts te zien. Plotseling wendde hij zich ter linkerzijde langs een smal padje, dat den hoogen rotsmuur van de kuststrook, waarlangs de spoorbaan en de rijweg onder een tunnel aangelegd zijn, scheidde en schier raakte.
Pescadospunt en Kaap Matifou volgden den radelooze op den voet en verloren hem niet uit het oog.
Op honderd passen verder ongeveer bleef Silas Toronthal eindelijk stilstaan. Hij was op eene rots gesprongen, die loodrecht boven een afgrond hing, waarvan de zool eenige honderd meter lager door de deininggolven der Middellandsche zee, die er donderend tegen brak, gezweept werd.
Wat wilde Silas Toronthal daar doen? Dat vroegen de twee vrienden zich met ontzetting af.
Was eene gedachte aan zelfmoord in dat ziekelijke brein opgekomen? Zou hij zich willen van kant maken?
Wilde hij, door in dien afgrond te springen, een einde aan zijn ellendig bestaan maken?
„Duizend duivels!” riep Pescadospunt uit. „Dat zou onze geheele rekening in de war sturen!”
„Ik doe er evenveel duivels bij,” antwoordde Kaap Matifou. „Maar wat moeten die duivels? Wat is er aan de hand?”
„Wij moeten hem levend hebben! Kaap, wij moeten dien kerel levend aan dokter Antekirrt overleveren.”
„Dat ’s waar ook,” beaamde Kaap Matifou beteuterd. „Drommels ja, dat is waar ook!”
„Grijp hem,” riep Pescadospunt, „en houd hem goed vast! Grijp hem, maar verworg hem niet!”
Maar nauwelijks hadden beiden ongeveer twintig passen afgelegd, toen zij een man ter rechterzijde van het pad zagen verschijnen. Deze gleed als het ware langs de helling tusschen mastiek- en mirten-struiken door en sloop blijkbaar naar de rots, waarop Silas Toronthal zich bevond. Het was alsof een verscheurend gedierte naderde.
Dat was Sarcany. De beide acrobaten herkenden hem dadelijk. Menkonzich trouwens daarin niet vergissen.[97]
Waar Kaap Matifou, vanuit zee gezien, zich voordeed als een mythologische Proteus. (Bladz. 100.)Waar Kaap Matifou, vanuit zee gezien, zich voordeed als een mythologische Proteus. (Bladz.100.)
Waar Kaap Matifou, vanuit zee gezien, zich voordeed als een mythologische Proteus. (Bladz.100.)
[98]
„Drommels!” mompelde Pescadospunt tusschen de tanden. „Daar is die andere nu ook!”
„Wie is er nu weer?” vroeg de reus, die eensklaps stil bleef staan. „Zeg, wie is er nu weer?”
„Het is niet onmogelijk, dat die schurk zijn makker een handje wil helpen, dat hij hem een duwtje wil geven, om hem van deze wereld naar de andere te zenden.…”
„Dat is zelfs zeer waarschijnlijk.… Dat bespaart ons de moeite, dunkt me.”
„Welnu, Kaap Matifou, gij den eenen en ik den anderen. Dan hebben wij ze beiden.”
Maar Sarcany was stil blijven staan.… Hij had iets gehoord … en wilde niet herkend worden.…
Plotseling ontsnapte een ijselijke vloek aan zijne lippen. Daarna ijlde hij rechts af en verdween, alvorens Pescadospunt hem had kunnen bereiken, te midden van het struikgewas.
Toen Silas Toronthal een oogenblik later in den afgrond wilde springen, werd hij door Kaap Matifou gegrepen en op den weg teruggebracht.
„Laat mij!…”riep hij. „Laat mij!… Wat moet gij van mij hebben?… Wilt gij geld?… Ik heb het niet.”
„Wij zouden u een misstap laten doen, die u het leven zou kunnen kosten, mijnheer Toronthal,” antwoordde Pescadospunt. „Dat nooit!”
„Dat nooit!” herhaalde Kaap Matifou. „Geloof ons, inderdaad, dat nooit!”
De slimme Pescadospunt was op dit voorval, hetwelk zijne instructiën niet voorzien konden, natuurlijk niet voorbereid geweest. Maar al was Sarcany ook al ontsnapt, zoo was toch Silas Toronthal in den val, en er bleef thans slechts over, om hem naar Antekirrta over te voeren, alwaar hij met al de eerbetuigingen, die hem rechtens toekwamen, zoude ontvangen worden. Dat was de eindbeslissing, waartoe onze beide akrobaten besloten.
„Wilt ge u tegen verminderden prijs met den vervoer van mijnheer belasten?” vroeg Pescadospunt aan Kaap Matifou.
„Volgaarne,” antwoordde deze. „Hij zal het bij mij goed hebben. Hij zal niets te betalen hebben en daarentegen goed eten en drinken krijgen.”
Silas Toronthal had zelfs geen besef meer van hetgeen met hem voorviel, en kon dan ook geen weerstand bieden. Pescadospunt stapte vooruit en daalde langs een steil voetpad, dat langs een afgrond naar het strand leidde. Hij werd onmiddellijk door Kaap Matifou gevolgd, die het bewustelooze lichaam van den bankier nu eens voortsleepte, dan weer eens op zijne schouders torschte, zoo als hij met een stout kind zoude gedaan hebben.[99]
Die afdaling was uiterst moeielijk, en inderdaad, zonder de buitengewone behendigheid van Pescadospunt, en zonder de buitengewone lichaamskracht van Kaap Matifou, zoude een ongeluk onvermijdelijk gebeurd zijn, en zouden twee van die drie mannen naar beneden gestort zijn, waar zij een oogenblikkelijken dood zouden gevonden hebben.
Eindelijk evenwel bereikten zij, na zeker twintig malen hun leven gewaagd te hebben, de laatste rotslagen, die met de oppervlakte der zee gelijk waren. Daar bestond de kuststrook uit eene aaneenschakeling van kleine inhammen, die grillig in de rotswanden ingesneden waren. De wanden dier kleine baaien waren steil en hoog en hadden eene roode kleur, afkomstig van ijzerverbindingen, waaruit het gesteente bestond, maar waardoor zij aan de golfjes van de branding eene akelige bloedkleur verleenden.
De dag begon juist aan te breken, toen Pescadospunt eene schuilplaats in een van die uithollingen van den oever ontdekte, die voorzeker door een der geologische beroeringen in vroegere eeuwen gevormd was. Daarin werd Silas Toronthal op den oever neergelegd, om onder bewaking van Kaap Matifou een poos te verwijlen.
Toen deze den bankier, die er niets van scheen te bemerken en zich ook niet verontrustte, daarheen gebracht had, zei Pescadospunt tot Kaap Matifou:
„Ge blijft bij hem, niet waar, Kaap? Luister als je blieft goed naar mij”.
„Ja, ik luister. Ik zal bij hem blijven, zoolang als ge wilt, Pescadospunt.”
„Ook al blijf ik twaalf uren weg? Dat is lang, niet waar, Kaap Matifou?”
„Zeker.… Maar, wees gerust, ik zal bij hem blijven. Als ik dat beloof, gebeurt het ook.”
„Zonder te eten?”…
„Drommels, zonder eten?… Maar alles wel beschouwd, wat zal dat er toe doen?”
„Zoo zonder ontbijt?”
„Bah, als ik hedenochtend niet ontbijt”, antwoordde de reus, „zal ik van avond bij het diner mijn schade inhalen. Ik zal dan voor twee eten.”
„En als gij niet dineert, Kaap Matifou? Hoort ge, dat wordt ernstiger!”
„Bah!… Dan zal ik voor vier soupeeren”, antwoordde de edele kerel kalm en gelaten.
Kaap Matifou nam toen zoodanig plaats op een rots, dat hij zijn gevangene geen seconde uit het oog verloor. Pescadospunt volgde van zijn kant den zeeoever van baai tot baai en richtte zijn schreden naar den kant van Monaco. Het was geen gemakkelijke weg, die hier[100]over dat rotsachtig strand met zijne scherpe punten te volgen was.
Pescadospunt zou evenwel zoo langen tijd niet behoeven weg te blijven, als hij eerst berekend had. In minder dan twee uren had hij deElektriekopgespoord. Deze lag ten anker in een van die eenzame kreken, die door een aaneenschakeling van rotsen tegen de deininggolven uit volle zee beveiligd waren. Een uur later kwam het vlugge vaartuig voor de monding der smalle baai aan, waar Kaap Matifou, van uit zee gezien, zich voordeed als een mythologische Proteus, die de kudden van Neptunus weidde. Hij was van de plaats niet afgeweest en had den bankier niet uit het oog verloren.
Het duurde niet lang, of Silas Toronthal en Kaap Matifou waren aan boord ingescheept. Men had daarbij noch kustbewakers, noch ambtenaren van de in- en uitgaande rechten, noch zelfs kustvisschers ontwaard. Zoodra de inscheping volbracht was, sloeg deElektriekmet volle kracht vooruit, verliet de golf van Genua, stevende de Tyrrheensche zee in en richtte den boeg naar het eiland Antekirrta in de Syrtische zee.