[Inhoud]VIII.Het Ooievaars-feest.Tripoli, in het TurkschTarablus Giharb, ook Tripolitanië geheeten, is de meest Oostelijke der Berberijsche Staten en ligt aan de Middellandsche zee tusschen Tunis en Egypte en beslaat met de daartoe behoorende landstreken Fezzan en Barka, eene oppervlakte van ruim zestien duizend twee honderd vierkante geografische mijlen. Tripoli vormt eene vlakte, waarover slechts hier en daar uitloopers van het Atlasgebergte zich uitstrekken, en is vooral langs de kust zeer zandig. Terwijl de westelijke kustlanden vrij goed besproeid en vruchtbaar zijn, is het landschap Sort, hetwelk woestijn beteekent, ten oosten van kaap Mesurata, aan de Golf van Sidra gelegen, zeer onvruchtbaar en bedekt met duinen en moerassen, welke laatsten met zout water gedrenkt zijn. In het binnenland strekt de vlakte Westwaarts zich uit tot aan de Zwarte Bergen, die ongeveer 2700 voet hoog zijn en de noordelijke grenzen van Fezzan vormen en daar door diepe ouaddi’s of rivieren doorsneden zijn, welke hier en daar aan een weligen plantengroei het aanschijn verleenen.Het klimaat is in Tripoli over het algemeen gezond en de winter wordt er vervangen door den regentijd.Tripoli is bevolkt door 1,550,000 inwoners, die in de steden tot de Mooren en op het land tot de ArabischeBedouïnenen de Berbers behooren. Allen zijn natuurlijk belijders van den Mohammedaanschen godsdienst. Daarenboven zijn er ook veel Israëlieten, terwijl er in de stad Tripoli ook nog een paar honderd Europeanen, meest Italianen, aangetroffen worden.DeBedouïnenhouden zich vooral bezig met de veeteelt, en de Mooren met den handel, vooral met den karavaanhandel. De nijverheid is in dat rijk weinig ontwikkeld; maar levert toch fraaie zijden, wollen en katoenen stoffen, wapens, lederen en metalen voorwerpen. De Tripolitaansche Staat vormt een ejalect of onderhoorigheid van het Turksche rijk en wordt namens den Sultan van Constantinopel bestuurd door een gouverneur-generaal.„Wat ziet gij toch in dat komfoor?” (Bladz. 154.)„Wat ziet gij toch in dat komfoor?” (Bladz.154.)De stad Tripoli, in het Arabisch Tarabolus geheeten, is op eene landtong aan de Middellandsche Zee gelegen. Zij wordt beschermd door hooge muren, bezit een fraai paleis voor den gouverneur-generaal, heeft nauwe maar zindelijke straten en eene door flinke batterijen[157][158]gedekte haven voor den zeehandel met Europa en den binnenlandschen handel met Afrika. In de stad telt men twaalf moskeeën, onderscheidene synagogen, eene Roomsch-Katholieke kapel, vele openbare baden, bazaars, karavancera’s, scholen, hôtels, enz. Er bestaat een levendige handel in corduaanleder, in wollen en zijden stoffen en zij telt eene bevolking van dertig duizend zielen.Deze stad is het aloude Oea en in haren onmiddellijken omtrek vindt men nog vele oudheden.Zij behoorde weleer tot het naburige Karthago en vormde daarvan de Regio Syrtica of de Syrtische landstreek. Na den tweeden Punischen oorlog werd zij door de Romeinen ten prooi gelaten aan de Numidische koningen, en na de onderwerping van dezen, bij de Romeinsche provincie Afrika gevoegd.Nadat in de derde eeuw na Christus, het gebied der drie steden Oea, Sabrata en Groot Deptis tot ééne provincie verheven was, ontstond de Grieksche naam Tripolis of Drie Steden. Na den inval der Arabieren in de VIIdeeeuw, deelde de stad het lot van het overige Barbarije.In 1509 werd de stad Tripoli door de Spanjaarden onder graaf Pietro van Navarra veroverd en aan het gezag van een Spaanschen stadhouder onderworpen. Keizer Karel V gaf haar in 1530 in leen aan de ridders van Sint Jan, maar reeds in 1551 werd zij door de Turken heroverd en was na dien tijd de hoofdzetel der zeerovers aan de Afrikaansche kust. In 1681 deed Koning Lodewijk XIV de Tripolitaansche zeeschuimers door den admiraal Duquesne in de haven van Seios aantasten, waarbij vele hunner schepen in den grond geboord werden. In 1685 bombardeerde de maarschalk d’Estrées de stad met zoo goed gevolg, dat de Dey den vrede met een half millioen livres koopen moest. In 1714 maakte de Turksche Pacha Hamed Bey zich nagenoeg onafhankelijk van de Porte, doordien hij aan deze enkel een jaarlijksche schatting betaalde en de dynastie der Karamanli stichtte. In 1728 ondernamen de Franschen eene expeditie tegen Tripoli, die met de verwoesting der stad eindigde. Evenwel vernietigde eerst de verovering vanAlgiersdoor de Franschen in 1830 de te Tripoli gevestigde zeeschuimers. In 1835 eindelijk ontzette de Porte het Huis Karamanli van zijne heerschappij en voegde Tripoli als een ejalect aan het Turksche rijk.Die aardrijks- en geschiedkundige bijzonderheden zullen den lezer gewis niet onwelkom geweest zijn, en kunnen wij thans ons verhaal vervolgen.Het uitgestreke plein van SoungEttélaté, dat zich ten oosten buiten de muren van Tripoli uitspreidt, leverde op den 23stenNovember een zonderlingen aanblik op. Dien dag zou men onmogelijk hebben kunnen zeggen, of dat plein woest of wel vruchtbaar was. Op zijne[159]oppervlakte wemelde het toch inderdaad van veelkleurige tenten, die met roode kwasten uitgemonsterd en met vlaggen versierd waren en de meest schelle kleuren te zien gaven, van gourbis, welks tentlinnen versleten en veelvuldig versteld, den bewoners daarvan slechts onvolkomen beschutting kon verleenen tegen den invloed van den „gibly,” een drogen en heeten wind, die uit het zuiden waait. Hier en daar werden groepen van paarden ontwaard, die op oostersche wijze getuigd waren, van kameelen, die op het zand uitgestrekt lagen en wier hoofd veel op een half geledigd vat geleek, van kleine ezels, die niet veel grooter waren dan groote honden, van muildieren met die overgroote zadels getuigd, welker lepel en zadelknop als een bult van een kameel uitsteekt. Verder waren daar ruiters, met het geweer op den rug, met de knieën ter hoogte van de borst, met de voeten in stijgbeugels, die wel eenigermate op sloffen gelijken, met een dubbele sabel aan den koppel, die dan te midden van eene groote menigte van mannen, vrouwen en kinderen rond galoppeerden, zonder zich te bekreunen, of zij ook iemand in het voorbijgaan overrijden en verpletteren konden. Eindelijk werden daar ook nog inboorlingen aangetroffen, die bijna eenvormig met de Barbarijsche „haouly” gekleed waren, waaronder men geen man van eene vrouw zou kunnen onderscheiden, wanneer de mannen namelijk de plooien van dat kleed of die soort deken niet ter hoogte hunner borst met een koperen knoop vastmaakten, terwijl de vrouwen de voorslip zoodanig over het gelaat trekken, dat slechts het linker oog zichtbaar is. De onderkleeding van die haouly, die slechts een soort wollen mantel is, verschilt volgens de klasse, waartoe de drager behoort. De armen dragen haar over de naakte huid, de welgestelden dragen daaronder het vest en de breede broek der Arabieren; de rijken hebben prachtige kleedingstukken, geruit wit met blauw, waaronder zij een tweede haouly van gaas dragen, die uit wol met zijde doorweven bestaat en op een hemd, dat met gouden koortjes versierd is, gedragen wordt.Waren het alleen Tripolitanen, die daar op dat plein verzameld waren?Zeker niet. In den omtrek van de hoofdstad verdrongen zich kooplieden van Ghadamès en Sohna en werden gevolgd door eene escorte van zwarte slaven. Dan waren daar Joden en Jodinnen uit de omliggende provinciën. De laatstbedoelden hadden het gelaat ongesluierd, waren volgens hunne geaardheid vet en droegen zeer onsmaakvolle broeken. Verder wemelden daar negers uit de naburige plaatsen die hunne ellendige dorpen verlaten hadden, om hier de feestelijkheden te komen bijwonen. Deze droegen zeer weinig linnengoed, daarentegen veel sieraden bestaande uit ruwe koperen armbanden, halssnoeren van schelpen, reeksen van dierentanden,[160]zilveren ringen in de ooren en in het neusbeen. Dan nog werden daar ontwaard Benoulienen, Awagairren, die den omtrek der Syrtische baai bewonen en die uit den dadelboom, die in hun land groeit, wijn, vruchten, brood en confituren trekken. En eindelijk te midden van die opeenhooping van Mooren, Berbers, Turken, Bedouïnen en zelfs Moucafirs, zooals de Europeanen genoemd worden, paradeerden pacha’s, cheiks’s, kadi’s, kaid’s, in één woord al de voornamen van die buurt, die door de menigte van raja’s drongen, welke laatsten nederig en voorzichtig uitweken voor de ontbloote sabel der soldaten of voor den politiestok der rapties, wanneer de gouverneur-generaal van dat Afrikaansche bewind van die Turksche provincie, welker administratie—zooals wij weten—van den Sultan van Constantinopel afhankelijk is, in zijne voorname en verheven onverschilligheid voorbijging.Men telt, zooals reeds gezegd werd, meer dan vijftienhonderdduizend bewoners in het Regentschap Tripoli, met een garnizoen van duizend soldaten. Hierbij dient gevoegd te worden een duizendtal voor de Djebel-, en vijfhonderd voor de Cyrenaïsche streken. De hoofdplaats Tripoli, alleen in de bevolkingstelling opgenomen, bevat niet meer dan dertig of hoogstens vijf en dertig duizend zielen. Dien dag kon evenwel gerekend worden, dat het aantal dier bevolking minstens verdubbeld was, door den toevloed van nieuwsgierigen, die van het geheele regentschap samengestroomd waren. Die landbewoners hadden evenwel geen onderkomen in de hoofdstad des rijks gezocht. Want een zoo groote menigte zou noch tusschen de weinig rekbare walmuren van de versterkte omheining, noch in de woningen, die door het slechte gehalte der gebezigde bouwmaterialen, weldra in een staat van puinhoopen verkeeren, noch in de nauwe en smalle ongeplaveide straten en stegen, waarin voor het meerendeel zelfs de vrije toetreding van lucht ontzegd is, noch in de havenvoorstad, alwaar zich de consulaten bevinden, noch in het westerkwartier, waar de Joodsche volksstam krioelt, noch in het overige gedeelte der stad, dat ter beschikking van het Muzelmansche ras is gebleven, een beschikbare ruimte tot onderkomen aangetroffen hebben. Dat ware inderdaad eene volkomen onmogelijkheid geweest.Maar het plein Soung-Ettelâtch was uitgestrekt genoeg, om de vele vreemdelingen te bevatten, die samengekomen waren, om het Ooievaars-feest bij te wonen, dat eene legende tot grondslag heeft, welke steeds eenstemmig in de oostelijke landen van Afrika herdacht wordt. Wij zullen straks wel zien waarin dat Ooievaars-feest bestaat.Hier en daar sprongen ruiters rond en schoten hunne lange geweren en ruiterpistolen af. (Bladz. 172.)Hier en daar sprongen ruiters rond en schoten hunne lange geweren en ruiterpistolen af. (Bladz.172.)Die vlakte met haar geel zand, die door de zee bij langdurige oostewinden somtijds overstroomd wordt, kan beschouwd worden als een stukje van de Sahara-woestijn. Zij omgeeft de stad langs drie[161][162]kanten en heeft eene breedte van nagenoeg een kilometer. Als eene tegenstelling, die schril afsteekt, ontwikkelt zich aan hare zuidelijke grensscheiding de oase Menehié, met hare gebouwen, welker muren van witheid schitteren; met hare tuinen, die met behulp van magere koeien, die het water met een lederen drijfriem uit de diepe putten te voorschijn halen, besproeid worden; met hare bosschen van dadelpalmen, oranje- en citroenboomen; met hare steeds groene struiken, met bloemen overdekt; met hare antilopen, hare gazellen, hare flamingo’s. Die oase is een uitgestrekt afgesloten geheel, waarin eene zeer nijvere bevolking leeft, die niet minder dan dertig duizend zielen telt en grootendeels van de veeteelt, den akkerbouw en karavaanhandel bestaat.Daarachter wordt de eigenlijke woestijn aangetroffen, die op geen enkel punt van het uitgestrekte Afrika de kust van de Middellandsche zee zoo nabij komt. De woestijn, met hare beweeglijke duinvormingen, met hare onmetelijke uitgestrektheid van zand, waarvan de baron de Krafft zoo juist gezegd heeft, „dat de wind daarop even gemakkelijk golven veroorzaakt als op de zee”; een wareLybischeoceaan, waarop zelfs de nevel niet ontbreekt, die evenwel uit onvoelbare stof bestaat.Het Tripolitaansche rijk—een grondgebied bijna zoo groot als dat van Frankrijk—strekt zich tusschen het Regentschap Tunis, Egypte en de Sahara uit, en heeft eene kustlijn van ruim drie honderd kilometer langs de Middellandsche zee.Het was in deze provincie dat Sarcany, na Tetuan verlaten te hebben, eene schuilplaats gezocht had. Die streek kon gerekend worden te behooren tot de minst bekende van Noord-Afrika, waar iemand zich dus gevoegelijk kon verbergen, zonder de vrees te koesteren, althans van wege Europeesche autoriteiten ontdekt te zullen worden. Hij was in Tripoli geboren en dat land was het tooneel zijner eerste heldendaden geweest. Hij deed dus niets meer dan naar zijn bakermat terugkeeren. Daarenboven was hij, zooals de lezer zich ongetwijfeld herinneren zal, geaffilieerd aan het zoo gevreesde bondgenootschap van Noord-Afrika en kon hij daar op werkelijke hulp van de Senousisten rekenen, welker belangen hij steeds in den vreemde ijverig had voorgestaan en voor wie hij steeds inkoopen van wapenen en munitiën had verricht. Het was vooral als agent dier dweepers, dat hij indertijd Silas Toronthal zeer veel geld had laten verdienen.Toen hij dan ook te Tripoli aankwam, had hij huisvesting gevonden in de woning van den Moquaddem Sidi Hassan, het erkende opperhoofd van de Sectegenooten in het district. Bij dien man was hij volkomen te huis.Na de ontvoering van Silas Toronthal op den weg naar Nizza,[163]eene ontvoering die voor Sarcany onverklaarbaar was gebleven, had deze Monte Carlo verlaten. Eenige duizenden franken, de laatste van vroegere winsten, die hij niet als laatsten inzet gewaagd had, hadden hem veroorloofd, om in de onkosten zijner reis te voorzien en aan de overige mogelijke gebeurlijkheden het hoofd te bieden. En onder die gebeurlijkheden behoorde de mogelijkheid, dat Silas Toronthal, inderdaad door de wanhoop vervoerd, er toe besloten kon hebben, zich op hem te willen wreken, hetzij door het verleden aan het licht te brengen, hetzij door den toestand van Sava bloot te leggen. Want de bankier wist maar al te goed, dat het jonge meisje zich te Tetuan in de macht van Namir bevond. Die overwegingen waren oorzaak, dat Sarcany besloot Marokko zoo spoedig mogelijk te verlaten. Want daar gevoelde hij zich niet meer veilig.Dat was voorwaar zeer voorzichtig handelen; want zooals de lezer reeds weet, had Silas Toronthal niet lang gedraald met de mededeeling in welk land en in welke stad het rampzalige jonge meisje zich onder het toezicht van het Marokkaansche wijf bevond. Een enkele handdruk van Kaap Matifou was voldoende geweest, om hem tot die mededeeling over te halen; meer niet!Sarcany had dus het besluit genomen, om in het Regentschap Tripoli eene schuilplaats te zoeken, alwaar hem de aanvals- en verdedigingsmiddelen niet zouden ontbreken. Maar hij begreep,—en dat zag dokter Antekirrt zeer goed in,—dat het reizen derwaarts met een der pakketbooten, die de kustvaart uitoefenen, of met de Algerijnsche spoorbaan te veel gevaren voor hem zou opleveren. Hij gaf er dan ook de voorkeur aan, zich bij eene karavaan van Senousisten te voegen, die naar de Cyrenaïsche landstreek op weg was, en van de gelegenheid gebruik te maken, om in de voornaamste villayets van Marokko, Algiers en het Tunische grondgebied nieuwe geaffiliëerden voor het eedgenootschap aan te werven. Zijn reis had dus, zooals men ziet, een dubbel doel.Die karavaan, die zeer wel de vijfhonderd uren afstand tusschen Tetuan en Tripoli zou afleggen, en daarbij de noorder-zoom der woestein dacht zou volgen, vertrok op den 12denOctober van eerstgenoemde plaats.Sava was thans geheel aan de genade of ongenade van hem, die haar ontvoerde, overgeleverd; maar hare standvastigheid, haar zelfvertrouwen was daarom niet geschokt. Noch de bedreigingen van Namir, noch de toorn van Sarcany scheen haar te deren. Het jonge meisje ontwikkelde eene wilskracht, die een ieder ongelooflijk moet voorkomen.Bij haar vertrek telde de karavaan reeds een vijftigtal Khouâns of geaffiliëerden, die onder de leiding van een imam, een geestelijke, die hen op militairen voet organiseerde, ingedeeld waren. Er was[164]daarbij geen kwestie, om de provinciën door te trekken, die aan het Fransche gezag onderworpen zijn en waar hun doortocht moeielijkheden zou kunnen ondervinden. Zij zou die langs de zuidelijke grenzen geheel en al ontwijken.Het Afrikaansche vasteland vormt, door de gedaante van het kustland van Algiers en Tunis, een grooten boog tot aan de westkust van de Groote Syrtische zee, die plotseling naar het zuiden insnijdt. Daaruit volgt natuurlijk, dat de kortste weg van Tetuan naar Tripoli is de koorde welke dezen boog onderspant. En die weg voert niet noordelijker dan Lagouât, een der laatste Fransche steden op de grenzen der Sahara gelegen.De karavaan trok, na het Marokkaansche keizerrijk verlaten te hebben, langs de grenzen van die rijke Algerijnsche provinciën, welke men voorgesteld heeft „Nieuw Frankrijk” te heeten, en die inderdaad wel Frankrijk zelf mogen heeten, met meer recht dan Nieuw Caledonië, Nieuw-Holland, Nieuw-Schotland, die veel minder op Schotland, Holland en Caledonië, dan Algiers op Frankrijk gelijken. Daarenboven, eene zee van slechts dertig uren breedte, scheidt dat land van het Fransche grondgebied, en met onze tegenwoordige gemeenschapsmiddelen mag die zee geen scheidsmuur heeten.In het Beni-Matansche, zoowel als in de Oulad Nail en de Charfat-El-Hamal-streken, vermeerderde de karavaan nog met een zeker getal geaffiliëerden. Hare sterkte was dan ook tot ruim drie honderd man gestegen, toen zij het Tunische kustland, op de grens der Syrtische zee bereikte. Zij had toen slechts den oever te volgen, terwijl zij andermaal nieuwe leden onder de Khouâns in de vele dorpen dier provincie aanwierf, en waarbij Sarcany al zijn invloed en schranderheid bezigde.De karavaan kwam op den 20stenNovember bij de grenzen van het regentschap aan, na eene reis van ruim zes weken.Dus op het oogenblik, toen dat Ooievaarsfeest met groote plechtigheid en omhaal zou gevierd worden, waren Sarcany en Namir nog slechts sedert drie dagen de gasten van den Moquaddem Sidi Hassan, wiens woning thans tot gevangenis van Sava Sandorf strekte. Waarlijk, de karavaan had zich wel gehaast, want zij had gedurende de negen en dertig dagen, die zij tot de reis besteed had, een groot traject afgelegd.De woning van den Moquaddem, welke door een slanken minarettoren beheerscht werd, had met hare witgekalkte muren, waarin volstrekt geen vensters, maar wel hier en daar schietgaten gebroken waren, met hare gecreneleerde terrassen, met hare smalle en lage deur, wel eenigszins het uiterlijk van eene kleine vesting, of beter van een zeer sterk blokhuis. Het was ook inderdaad een ware zaoaiya, welke buiten de stad gelegen was, op de grens tusschen de[165]zandvlakte en de aanplantingen van Menehié, welker akkers, omgeven door een hoog staketsel, tot bij het grondgebied der oase voortdrongen.Het innerlijke dier woning vertoonde den gewonen bouwtrant der Arabische huizen, met dien verstande dat die bouwtrant hier als het ware verdriedubbeld was, hetgeen te beduiden heeft, dat er drie patio’s of binnenplaatsen te tellen waren. Rondom elk dier patio’s ontwikkelde zich een vierkant van galerijen met hare zuiltjes en kanteelbogen, waarop de verschillende vertrekken van de woning, die voor het meerendeel zeer rijk gemeubeld waren, uitkwamen. De vloeren dier galerijen waren met kostbare marmersteenen ingelegd, en de zuilen daarvan kunstig gebeeldhouwd.Op het tweede binnenplein vonden de bezoekers of de gasten van den Moquaddem eene ruime „stufa”, een soort van vestibule of van hall, waarin reeds meer dan eene raadbelegging onder de leiding van Sidi Hassan door de Senousisten had plaats gehad. Dat was eigenlijk het vertrek, waarin de saamgezworenen krijgsraad hielden.Maar behalve dat die woning eene natuurlijke bescherming in hare hooge en doelmatig aangelegde muren vond, bevatte zij bovendien een zeer talrijk personeel, dat tot hare verdediging veel kon bijbrengen, ingeval van aanval van den kant der zwervende Barbaresken, die steeds mogelijk was, of zelfs van den kant der Tripolitaansche autoriteiten, die steeds poogden de Senousisten der provincie aan zich te onderwerpen, hetgeen tot heden niet gelukt was.Die woning bezat een garnizoen van ruim vijftig geaffiliëerden, die, uitmuntend bewapend, niet alleen ter verdediging, maar ook tot aanval konden dienen. Die mannen, gekozen onder de meest dweepzieken, waren uitmuntend geoefend.Slechts een enkele deur verleende toegang tot die zaoaiya; die deur was daarenboven uitermate dik en stevig met ijzerwerk beslagen. Men zou haar niet gemakkelijk opengebroken hebben, en slaagde dat ook al, dan zou haar drempel nog niet zoo gemakkelijk te overschrijden zijn; want dan eerst begon het ernstige gevecht.Sarcany had dus bij den Moquaddem eene veilige schuilplaats gevonden.Daar hoopte hij zijne heillooze plannen tot een goed einde te voeren.Zijn huwelijk met Sava moest hem een zeer aanzienlijk vermogen verzekeren, en hij kon desnoods op den bijstand van het eedgenootschap rekenen, wiens belangen bij zijn welslagen direct betrokken waren. Die dweepers zouden niet aarzelen, hem bij zijne snoode plannen bij te staan.Wat de geaffiliëerden betrof, die van Tunis aangekomen of in de villayets aangenomen waren, deze hadden zich in de Menehié-oase verspreid; maar waren toch gereed, om op het eerste sein te zamen te komen.[166]Dat Ooievaars-feest zou, zonder dat de Tripolitaansche politie zulks gissen kon, juist de plannen der Senousisten in de hand werken. Daar op die vlakte van Soung-Ettélaté zouden de Khouâns van noordelijk Afrika het wachtwoord der mufti’s komen ontvangen, om hunne concentratie op Cyrenaïsch gondgebied te bewerkstelligen en een waar rijk van zeeschuimers onder de machtige bevelen van een kalief te stichten, hetgeen met de overoude neigingen van die strandbewoners maar al te zeer strookte.Daartoe waren de omstandigheden zeer gunstig, wijl het eedgenootschap juist in de villayet Ben Ghazi, de voornaamste der Cyrenaïsche streken, reeds het grootste ledental telde, hetwelk geheel tot handelen gereed was.Den dag, waarop het Ooievaars-feest in het Tripolitaansche rijk gevierd zou worden, drentelden drie vreemdelingen op de vlakte van Soung-Ettélaté, tusschen de menigte, welke zich daar bevond, rond.Niemand zou die vreemdelingen, onder hunne Arabische kleeding, voor Moucafirs, voor Europeanen herkend hebben. De oudste der drie droeg daarenboven zijn kostuum met eene gemakkelijkheid, die slechts door eene langdurige gewoonte kon verkregen worden. Men zag het hem aan, dat hij den tulband en de Chlamyde (bovenkleed) meer gedragen had.Dat was dokter Antekirrt, die van Piet Bathory en Luigi Ferrato vergezeld was.Pescadospunt en Kaap Matifou waren in de stad gebleven, waar zij zich met zekere voorbereidende werkzaamheden bezighielden. Ongetwijfeld zouden zij ten tooneele verschijnen, wanneer daartoe het oogenblik gekomen zou zijn. Zij beiden zouden toch in de beraamde plannen de voornaamste rol te vervullen hebben, zooals de lezer wel zien zal.Het was ter nauwernood vier en twintig uren geleden, sedert deElektriek2 in den namiddag onder beschutting van die uitgestrekte rotsen, welke voor de haven van Tripoli een natuurlijken dam vormen, ten anker gekomen was.De overtocht was, zoowel bij de heen- als bij de terugreis, voorspoedig geweest.Men had zich slechts drie uren opgehouden te Philippeville, aan de kleine kreek Filfila gelegen; overigens niet. En dat oponthoud was nog geschied, om zich Arabische kleeding aan te schaffen. Daarna was deElektriekonmiddellijk vertrokken, zonder dat hare aanwezigheid in de Numidische golf de aandacht getrokken had. Hare geringe verhevenheid boven de oppervlakte van het water had haar daarbij uitnemend gediend.Dus, toen de dokter Antekirrt en zijne metgezellen ontscheept waren,—niet op de kaden van Tripoli, maar op de rotsen der buitenhaven—waren het geen vijf Europeanen, die voet aan wal[167]gezet hadden op den bodem van het Tripolitaansche grondgebied, maar waren het vijf Oosterlingen, wiens kleeding de aandacht niet kon trekken. Misschien zouden Piet Bathory en Luigi Ferrato zich, in die kleeding gestoken, door de ongewoonte voor scherpziende toeschouwers verraden hebben; maar Pescadospunt en Kaap Matifou, gewoon aan de veelvuldige gedaanteverwisselingen en verkleedingen der kermispotsenmakers, waren er geheel op hun gemak in, en bewogen zich als volbloed Arabieren. Die beide grappenmakers konden evenwel een glimlach niet verbergen, wanneer zij elkander aankeken.Toen de nacht ingevallen was, ging deElektriekzich verschuilen aan de andere zijde van de haven in eene der veelvuldige kreeken van die slecht bewaakte kust. Daar moest dat vaartuig zich gereed houden, om op ieder uur van den nacht of van den dag zee te kunnen kiezen. Aan die opdracht werd natuurlijk stipt voldaan.Zoodra dokter Antekirrt en zijne metgezellen ontscheept waren, stapten zij langs den rotsachtigen oever voort en volgden daarna den van groote rotsblokken vervaardigden kadedam, die naar Bab-el-Bahr voerde, traden de zeepoort binnen en bevonden zich weldra te midden van de nauwe straten der stad.Het eerste hôtel, dat zij op hunnen weg ontmoetten,—en de keus was niet moeielijk, want er waren er niet veel,—scheen hun voldoende toe, om er ettelijke dagen, misschien slechts weinige uren door te brengen. Zij toonden zich daar als bescheiden lieden, en gaven voor eenvoudige Tunische kooplieden te zijn, die bij hunne doorreis te Tripoli van de gelegenheid wilden gebruik maken, om het Ooievaars-feest bij te wonen. Daar dokter Antekirrt het Arabisch even zuiver en juist sprak als de overige taaleigens van de Middellandsche zee, zoo kon zijne spraak hem niet verraden.De kastelein ontving de vijf reizigers, die hem de eer wilden aandoen in zijne inrichting af te stappen, uiterst voorkomend. Het was een dik man, die zeer praatziek was. Daarvan maakte dokter Antekirrt behendig gebruik, en vernam zoodoende zaken, die hem bijzonder belang inboezemden. Al dadelijk wist hij, dat eene karavaan kort geleden van Marokko in het Tripolitaansche rijk was aangekomen. Daarna vernam hij, dat Sarcany, die in het Regentschap zeer bekend was, van die karavaan deel had uitgemaakt en dat hij thans de gastvrijheid genoot in de woning van den beroemden Moquaddem Sidi Hassan in de zaouiya op de vlakte van Soung Ettélaté.Dat was de reden, waarom dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato, na de meest mogelijke voorzorgen genomen te hebben, zich dienzelfden avond nog begeven hadden te midden der menigte van nomaden op de vlakte van Soung Ettélaté. Zij bespiedden[168]al wandelende de woning van den Moquaddem Si-Hassan, op den zoom van de Oase Menehié gelegen.Daar was dus Sava Sandorf opgesloten! In die sterke woning bevond zich dus het eenige kind van den graaf.Sedert het verblijf van dokter Antekirrt te Ragusa, waren nimmer vader en dochter dichter bij elkander geweest dan thans! En toch, door hoeveel hinderpalen waren zij niet gescheiden!Het was niet alleen een schier onoverkomelijke muur, die het grootste beletsel daarstelde!Inderdaad, Piet Bathory was in die oogenblikken tot alles in staat, zelfs om met Sarcany te onderhandelen, om Sava maar aan zijne macht te ontrukken. Graaf Mathias Sandorf en hij waren bereid, om hem die wenschen te laten verwezenlijken, welke de ellendeling begeerde! En toch, zij konden en mochten niet vergeten, dat zij recht moesten uitoefenen over den verrader van professor Stephanus Bathory en van graaf Ladislas Zathmar!Intusschen moesten zij in de omstandigheden, waarin zij zich vonden, erkennen, dat de bemachtiging van Sarcany en debevrijdingvan Sava Sandorf uit het huis van den Moquaddem Sidi Hassan eene bijna onuitvoerbare taak was. De moeielijkheden waren schier onoverkomelijk, dat kon onmogelijk ontveinsd worden.Zou men in plaats van geweld, dat toch geen kans van welslagen aanbood, list moeten gebruiken? En zou het feest, dat den volgenden dag gevierd zou worden, daartoe gelegenheid geven? Ja, dat zou het zonder twijfel. Pescadospunt had daaromtrent een plan ontworpen, en het was met dit plan, dat dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato zich dien avond onledig hielden. Ieders rol moest goed besproken worden, om in het gewichtigste oogenblik geene teleurstelling, die alles verijdelen kon, te ondervinden.Bij de uitvoering van dat plan zou de moedige ontwerper zijn leven wagen; maar gelukte het hem de woning van den Moquaddem Sidi Hassan binnen te dringen, dan was er veel kans, dat hij er in slagen zou, Sava Sandorf te ontvoeren. Niets scheen voor den moed en de behendigheid van Pescadospunt onuitvoerbaar.Het was dus ter uitvoering van het vastgestelde plan, hetwelk wij bij zijne ontwikkeling vernemen zullen, dat dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato zich daags daarna, tegen drie uren des namiddags, ter bespieding op de vlakte van Soung Ettélaté bevonden, terwijl Pescadospunt en Kaap Matifou zich intusschen voorbereidden voor de rol, die zij te midden van het bedrijvigste gedeelte van het feest te vervullen zouden hebben.Maar Kaap Matifou kende geen aanvallen van zwakte. (Bladz. 176).Maar Kaap Matifou kende geen aanvallen van zwakte. (Bladz.176).Op dat uur bestond er nog niets, dat een voorgevoel kon geven[169][170]van het leven, van het spektakel en van de beweging, waarvan de vlakte het schouwspel ging leveren, wanneer zij bij het vallen van den avond door ontelbare fakkels zoude verlicht worden. Ter nauwernood kon te midden van die dicht opeengepakte menigte het komen en gaan opgemerkt worden van de Senousistische saamgezworenen, die, zeer eenvoudig gekleed, elkander slechts door een soort van vrijmetselaarsteeken de bevelen hunner opperhoofden mededeelden.Het is evenwel hier de plaats, om eene Oostersche of beter Afrikaansche legende mede te deelen, waarvan de voornaamste bijzonderheden bij dat Ooievaars-feest, hetwelk eene groote aantrekkingskracht voor de Muselmansche bevolking heeft, in herinnering gebracht zouden worden.Op het Afrikaansche Vasteland bestond in vroeger tijden een ras van Djins. Die Djins bewoonden onder den naam van Bou-lhebers een uitgestrekt grondgebied, hetwelk op de grens van de Hamada-woestijn tusschen de Tripolitaansche en de Fezzaansche rijken gelegen was. Het was een machtige volkstam, die zeer woest en dus ook uitermate gevreesd was. Hij was oneerlijk, trouweloos, twistziek en onmenschelijk wreed. Geen Afrikaansche souverein had er nog terecht mede kunnen komen. Zij hadden weerstand weten te bieden aan iedere poging, om hen aan tucht te gewennen.Het gebeurde eens, dat de profeet Soeleyman eene poging aanwendde, niet om de Djins aan te vallen of te onderwerpen, maar om hen tot het goede te bekeeren. Te dien einde zond hij hen een zijner apostelen, om hun de liefde tot het goede en den haat voor het kwade te prediken. Het was verloren moeite! Die woeste horden grepen den zendeling en brachten hem wreedaardig ter dood. Zij ontzagen zich niet den heiligen man eerst te spietsen en hem verder, alvorens hij dood was, langzaam te verbranden.Dat de Djins zooveel stoutmoedigheid aan den dag legden, vond daarin zijn oorzaak, dat hun land afgelegen en zeer moeielijk te bereiken was. Zij wisten, dat geen naburig vorst zijne legerscharen in die streken durfde wagen. Zij meenden daarenboven, dat niemand den profeet Soeleyman zou gaan overbrieven, welk onthaal zijn zendeling ten deel gevallen was.Daarin vergisten zij zich evenwel. Allah waakte er over, dat de misdaad gestraft zoude worden.Een groot aantal ooievaars was, daar het winter in Noordelijk Europa was, in het land aanwezig. Zooals de lezer wel weten zal, zijn dat vogels, tot het geslacht der steltloopers behoorende, van zeer kuische zeden, die eene buitengewone schranderheid gepaard aan eene groote opmerkingsgave bezitten. De legende beweert toch, dat zij nimmer eene landstreek bewonen, welker naam op een[171]geldstuk voorkomt1, omdat het geld de bron is van alle kwaad en de machtigste hefboom is, die den mensch in den afgrond zijner bedorven hartstochten drijft.Nu hadden die ooievaars de verdorvenheid, waarin de Djins leefden, opgemerkt. Zij hadden den gruwelijken moord gezien en kwamen in eene groote vergadering bij elkander, om te beraadslagen en besloten daarin een hunner naar den profeet Soeleyman af te vaardigen, ten einde zijnen gerechten toorn over de moordenaars van den zendeling te doen ontbranden.De profeet riep dadelijk zijne „hiep” of lievelingskoeriers tot zich en gaf hen bevel al de ooievaars van de geheele wereld in de bovenstreken van Afrika bijeen te brengen.Dat geschiedde natuurlijk, en toen de ontelbare scharen van die vogels voor den profeet Soeleyman vergaderd waren,—zooals de legende woordelijk verhaalt,—vormden zij eene wolk, welker schaduw de geheele landstreek, tusschen Mezda en Morseug, had kunnen bedekken.Toen greep op bevel van den profeet ieder dier langsnavels een steen in den bek en vloog naar het land der Djins. En terwijl zij daarboven zweefden, steenigden zij dat slechte ras, welker zielen voor de eeuwigheid in het binnenste der Hamada-woestijn opgesloten zitten. Waarlijk, eene gerechte straf voor zulk een snoode daad!Dat is de fabel, die als het ware ten tooneele zoude gevoerd worden, en welker voorstelling het eigenlijke feest zou vormen. Eenige honderden ooievaars waren onder onmetelijke netten, die op de vlakte van Soung Ettélaté uitgespannen waren, verzameld. Daar wachtten zij, voor het meerendeel zooals gewoonlijk op één poot rustende, het uur der bevrijding af, terwijl zij door het geklepper met hunne lange snavels soms een gerommel in de lucht veroorzaakten, hetwelk wel iets van het geroffel van een menigte tamboers op hunne trommen had. Op een gegeven teeken moesten de netten plotseling verdwijnen en de vogels in de ruimte opstijgen, om gevaarlooze en nagemaakte steenen van weeke klei te midden van het gehuil der toeschouwers, het getoet der blaasinstrumenten en de losbranding van ontelbare geweren en verlicht door eene menigte fakkels met veelkleurige vlammen, op de opeengepakte geloovigen te laten neervallen.Pescadospunt was met het program van dat feest bekend, en dat was het, hetwelk hem op de gedachte gebracht had, er eene rol in te vervullen. Wellicht zou hij onder de gegeven omstandigheden,[172]die veel verwarring zouden daarstellen, gelegenheid vinden in het huis van den Moquaddem Sidi Hassan te dringen.Op het oogenblik toen de zon onderging, werd op het fort of kasteel van Tripoli een zwaar kanonschot gelost, dat het sein was, hetwelk door het publiek op de vlakte van Soung Ettélaté zoo lang en ongeduldig verbeid was. Statig rolde het zware geluid voort, wekte al de echo’s der omstreken op, en stierf eindelijk als een ver verwijderde donder weg.Dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato waren eerst als het ware verdoofd door het vreeselijke spektakel, dat zich in het eerste oogenblik van alle kanten hooren deed; vervolgens werden zij verblind door de duizenden lichtjes die op de vlakte schitterden. Het was, of de geheele Soung Ettélaté met al de sterren des firmaments getooid was.Toen dat kanonschot losbrandde, was die menigte van Nomaden nog bezig met hun avondmaal te nuttigen. Hier zag men er zich te goed doen aan gebraden schapenvleesch. Elders werd pilau met kippenvleesch er bij verorberd door hen, die Turk waren of daarvoor wenschten door te gaan; op eene andere plek ontwaarde men bij vermogende Arabieren couscoussou; verder zag men een eenvoudige „bazina,” eene soort pap van gruttemeel met olie gekookt, die het gewone voedsel uitmaakte van die arme drommels, evenals elders het meest talrijk, die meer koperen „mehbouhs” dan gouden „mictals” op zak hadden; eindelijk ontwaarde men overal en inderdaad met stroomen, de „lagby,” een soort vruchtensap, afkomstig van den dadelpalm, dat wanneer het evenals het bier gegist heeft, zooveel alcohol bevat, dat het meer dan smoordronken, ja, dat het stapelgek maakt.2Eenige minuten nadat het kanonschot gedreund had, waren allen, mannen, vrouwen, kinderen, Turken, Arabieren,Khouânsen Negers reeds als buiten zich zelven van opgewondenheid. Het was waarlijk noodig, dat de koperen blaasinstrumenten van die barbaarsche orchesten buitengewoon geluidmakend waren, om zich te midden van dat menschelijk spektakel te kunnen doen vernemen. Hier en daar sprongen ruiters met hunne paarden rond en schoten hunne lange geweren en hunne ruiterpistolen af, terwijl vuurwerk afgestoken werd en moorslagen knalden, alsof het geschut was, dat losgebrand werd te midden van een leven, hetwelk onmogelijk te beschrijven zoude zijn.Hier was een negerhoofd, dat, potsierlijk aangekleed, met rammelende beentjes aan zijn buikgordel, terwijl zijn gelaat door een[173]duivelsch mombakkes bedekt was, en bij het licht van walmende toortsen, en aangevuurd door het geroffel op houten trommen en door het klagend opdreunen van een eentonig gezang, een dertigtal zwarte kroeskoppen, die te midden van een kring van stuiptrekkende vrouwen, welke in de handen klapten, hunne vertooning opvoerden, tot den dans aanmoedigde.Elders waren er wilde Aïssassouas, die tot het uiterste door godsdienstige en alcoholische3opgewondenheid vervoerd waren en met opgespoten gelaatstrekken en met uitpuilende oogen, hout tusschen de tanden maalden, op ijzer kauwden, zich diepe insnijdingen in de huid maakten, met gloeiende kolen goochelden, zich door afgrijselijke slangen lieten omwikkelen, die hen aan de handen, aan de wangen, aan de lippen beten, en die zij met gelijke munt betaalden door hun bloedige staarten te verorberen.Maar in weerwil van dat aanlokkelijke schouwspel, drong de menigte weldra volijverig op naar den kant van het huis van den Moquaddem Sidi Hassan, alsof eene nieuwe en meer belangwekkende vertooning haar daarheen getrokken had.En inderdaad, daar bevonden zich twee mannen, de een buitengewoon groot en dik, de andere buitengewoon klein en slank. Het waren twee akrobaten, wier opmerkenswaardige krachts- en behendigheidsoefeningen, die te midden van eene vierdubbele rij toeschouwers uitgevoerd werden, de meest levendige toejuichingen, die door een Tripolitaanschen mond konden uitgestoten worden, verwierven. Het was daar om hooren en zien te doen vergaan.Het waren Pescadospunt en Kaap Matifou, die waarlijk geheel en al op dreef waren.Zij hadden eene plek uitgekozen, om hunne kermisvertooning op te voeren, welke slechts op weinige passen afstand van de woning van den Moquaddem Sidi Hassan gelegen was. Beiden hadden voor deze bijzondere gelegenheid hun baantje van voorheen, hun baantje van kenniskunstenaars ter hand genomen. Zij waren behoorlijk gekleed in een gelegenheidspakje, dat zij van Arabische stoffen vervaardigd hadden, en hoopten op daverende toejuichingen.„Je zult toch niet te zeer verroest wezen?” had Pescadospunt alvorens te beginnen aan Kaap Matifou gevraagd.„Verroest?… Wat meen je?” had de reus gevraagd. „Ik ben toch geen oude spijker, denk ik?”[174]„Neen, dat weet ik wel; maar ik vraag je, of je soms stijf in de gewrichten geworden bent?”„Neen, volstrekt niet,” antwoordde Kaap Matifou. „Dat zul je wel ondervinden.”„En je deinst voor geene oefening terug … Voor geen enkele? Bedenk je wel.”„Neen, voor geen enkele. Maar wat zal het doel van die oefening wezen? Zeg mij toch.”„Het doel moet wezen om die lummels in vervoering te brengen. Zul je daarvoor niet terugdeinzen?”„Ik!… ooit terugdeinzen!… Kom, je houdt mij voor den gek,” sprak Kaap Matifou verstoord.„Zelfs, wanneer je …”Pescadospunt scheen te aarzelen.„Wat? Ga toch voort. Je bent anders zoo spraakzaam en thans sta je te kieskauwen.”„Nu ja, zelfs wanneer je keisteenen met de tanden moet fijnmalen?” vroeg de kleine man.„Is dat alles?” was de ietwat kleinachtende wedervraag van den reus.„Of slangen oppeuzelen?”„Slangen?”Thans scheen Kaap Matifou te aarzelen.„Ja, slangen!”„Gekookt?” vroeg Kaap Matifou. „Gekookt of rauw, daarin bestaat onderscheid.”„Neen, rauw! waarde Kaap. Geheel rauw.”„Rauw?… Br! br!”„En nog wel levend!”Kaap Matifou had een leelijk gezicht getrokken; maar als het moest zijn, dan was hij besloten om slangen te eten, evenals een eenvoudige Aïssasoua. Hij pruttelde evenwel nog iets tegen.„Moeten wij dat voor ons pleizier doen?” vroeg hij na een poos bedenkens.„Voor ons pleizier neen,” antwoordde Pescadospunt met een guitigen glimlach op de lippen.„Maar waartoe dan die gekheid?”„Zooals ik je gezegd heb, om die lummels in vervoering te brengen.”„Loop heen!” had de reus geantwoord. „Voor die schoeljes eet ik geen slangen. Als het nog Europeanen, als het nog Franschen waren! Dan was het wat anders.”„Och, die kerels kunnen ons ook niet schelen,” antwoordde Pescadospunt, hartelijk lachende.[175]„Maar, waarom dan?”„Kaaplief, je schijnt maar niet te kunnen begrijpen.”„Maar, wat dan?”„Dat we eene rol spelen. Wij moeten het groote doel bevorderen. Wij moeten de bevrijding van juffrouw Sava bewerken.”„Met levende slangen te eten?” vroeg de reus hoofdschuddend. „Als ik dat er mee bewerken kan, ben ik bereid een frikadel van alle slangen der wereld te maken en die op te peuzelen.”Dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato bevonden zich onder de menigte van toeschouwers en verloren hunne makkers niet uit het oog, hoewel zij zich te midden van dien ontzaglijken menschendrom de grootste inspanning daartoe moesten getroosten.Neen, Kaap Matifou was niet verroest! Hij had niets van zijne buitengewone kracht verloren. Vijf of zes Arabieren, en nog wel van de stevigsten uit een geheelen hoop, hadden een kans gewaagd door met hem te worstelen. Maar zij lagen al heel spoedig op den grond uitgestrekt, met de schouders in aanraking met het maaiveld, zooals de akrobatische uitdrukking luidt.Daarna volvoerden beide kunstenaars te zamen goocheltoeren, die de Arabieren, daar verzameld, in verrukking brachten, vooral toen zij elkander behendig brandende fakkels toewierpen, die overgaande van de hand van Pescadospunt in die van Kaap Matifou, hare vurige zigzags kruisten. Dat verwekte algemeene verbazing.En toch kon dat publiek, waarvoor zij werkten, terecht moeielijk te bevredigen zijn.Er bevonden zich toch onder die menigte een vrij groot aantal van hen, die de half wilde Touaregs hadden leeren bewonderen, welker lenigheid en behendigheid aan die der vlugste diersoorten mag gelijk gesteld worden, zooals weleer met veel ophef in het bewonderingwekkend program van den beroemden kermistroep van Bracca aangekondigd werd. Die kenners en bewonderaars hadden toch gelegenheid gehad den stoutmoedigen Mustapha, den Samson der woestijn, het kanonmensch toe te juichen, „wien de koningin van Groot Brittanje en Ierland door haren kamerdienaar, bij gelegenheid van dergelijke voorstellingen te Londen, had laten verzoeken, niet meer zijne oefeningen te herhalen, bevreesd als de vorstin was, dat er een ongeluk zoude gebeuren!”Maar Kaap Matifou was onvergelijkelijk bij zijne krachtsvertooningen en hij behoefde voor geen mededinger bevreesd te zijn. Neen, voor niemand ter wereld, al ware het Hercules, de goddelijke zoon van Alcmene, in eigen persoon geweest.Eindelijk kwam er eene laatste oefening, die de geestdrift van die cosmopolitische menigte, welke de Europeesche kunstenaars omgaf, ten top voerde. En hoewel die oefening voor de Europeesche[176]kermisspellenoud en versleten mocht heeten, scheen zij hier voor de Tripolitaansche nieuwsgierigen nog de aantrekkelijkheid der nieuwheid te hebben.De toeschouwers verdrongen dan ook elkander, ja verpletterden zich schier rondom de beide kunstenaars, die bij afwezigheid der zon in dit uur bij fakkellicht werkten.Kaap Matifou had een staak gegrepen, die vijf en twintig of dertig voet lang was en hield hem met beide handen, die op zijne borst rustten, loodrecht omhoog. Pescadospunt klom met een behendigheid van een aap langs dien staak naar boven, en bij het uiteinde gekomen, nam hij daar, terwijl hij den staak onrustbarend deed buigen, de meest bevallige houdingen aan. Inderdaad, het was een verrukkelijk maar uiterst moeielijk kunststuk. Een zwak oogenblik bij hem, die den staak torste, en een val kon niet uitblijven. En die val moest voor den armen Pescadospunt noodlottig zijn.Maar Kaap Matifou kende geene aanvallen van zwakte. Hij stond daar, met achterover gebogen hoofd en vooruitgestrekte borst, onwrikbaar stevig als de rots, waarvan hij den naam voerde, hoewel hij bij zijne pogingen om den staak met den daarop kunsten-vertoonenden Pescadospunt in evenwicht te houden, trappelde, zich keerde en draaide en langzamerhand van plaats veranderde.Toen hij eindelijk in de onmiddellijke nabijheid van den heiningmuur van Sidi Hassan’s woning gekomen was, dreef hij de vermetelheid zoo ver en ontwikkelde zooveel kracht, om den staak van zijne borst op te tillen, in de rechterhand te nemen en dien arm uit te strekken, terwijl Pescadospunt daarboven den stand aannam van den Roem en evenals die wufte godin kushandjes aan de menigte toezond. Het was inderdaad eene bevallige vertooning.De saamgepakte Arabieren en Negers waren buiten zich zelven van bewondering. Zij stieten schelle kreten uit, klapten woest met de voeten. Gelukkig, dat het geen planken vloer was, waarop zij stonden. Neen, waarlijk, dat moest erkend worden; zoo iets had de Samson der woestijn, de koene Mustapha, de stoutmoedigste der Touaregs, niet durven ten uitvoer leggen. De geestdrift was dan ook ten top; want zulke krachtsontwikkeling was inderdaad nog nooit waargenomen.In dit oogenblik dreunde op het onverwachtst een kanonschot van de wallen der citadel van Tripoli.Op dat sein vlogen de honderden ooievaars op, die eensklaps bevrijd werden van de onmetelijke netten, die hen gevangen hielden, stegen in de lucht op, terwijl zij, onder het uitvoeren van een klepperend concert, waarop met een onmetelijk geschreeuw, door de menschen aangeheven, geantwoord werd, eene hagelbui van nagemaakte steenen lieten neervallen, die natuurlijk niemand konden[177][178]deeren, daar zij, zooals gezegd werd, van weeke klei vervaardigd waren.Maar die deur was gesloten. (Bladz. 181.)Maar die deur was gesloten. (Bladz.181.)Dat was het glanspunt van het feest. De vogels van den profeet Soleyman leidden evenwel de aandacht zeer af.Men zou gezegd hebben, dat al de krankzinnigen-gestichten van Europa, Azië en Afrika plotseling ontruimd waren, en dat hunne bewoners op eens op de vlakte van Soung-Ettélaté in het Tripolitaansche Regentschap bij elkander gebracht waren; zulk een vreeselijk spektakel werd daar door die saamgeschoolde en opgewonden menigte aangeheven. Evenwel, alsof hare bewoners doof en stom waren, nog erger, alsof zij uitgestorven waren, was de woning van den Moquaddem Sidi Hassan hardnekkig gesloten gebleven gedurende die uren van algemeene vroolijkheid, en geen enkele bediende of huisgenoot was aan de deur of op de terrassen verschenen. Het was alsof daarin geen nieuwsgierigen, geen belangstellenden in het feest behoorden.Maar ziet! In hetzelfde oogenblik, toen al de fakkels, die het feest verlicht hadden, na de opstijging der ooievaars, plotseling uitgebluscht waren, was ook Pescadospunt eensklaps verdwenen, alsof hij met de getrouwe vogels van den profeet Soleyman hemelwaarts gevlogen was. Dat was inderdaad uiterst merkwaardig.Waar was hij heen gevaren?…Wat was er van hem geworden?Ja, wat? Dat wist niemand te verklaren. Daarop was geen antwoord te geven.Toch scheen Kaap Matifou zich omtrent die verdwijning niet veel te bekommeren. Nadat hij zijn staak in de lucht opgeworpen en hem vele buitelingen had laten maken, ving hij hem behendig bij het andere einde op, liet hem ronddraaien en bogen beschrijven, zooals de meest ervaren tamboer-majoor met zijn dikgeknopten stok zoude gedaan hebben. Het wegmoffelen van Pescadospunt scheen voor hem de natuurlijkste zaak der wereld te zijn. Hij keek met eene zelfvoldaanheid rond, alsof die goochelpartij tot het program behoorde.De bewondering der toeschouwers was intusschen ten top gestegen en hunne geestdrift uitte zich dan ook door een ontzaglijk hoerah, dat tot voorbij de uiterste grenzen der oase moest gehoord worden. Niemand hunner twijfelde er aan, of de behendige acrobaat was door de ruimte naar het rijk der Ooievaars vertrokken en was bij den profeet Soleyman aangeland.Het onverklaarbare bekoort in den regel de menigte het meest. Daarmede is zij steeds te verschalken.[179]1En Nederland, waar vele Ooievaars wonen en welks naam toch op de muntstukken voorkomt? Vert.↑2In Ned. Indië heeft men denzelfden drank, Sagoeweer genaamd, afkomstig van de Arenga saccharifera. Vert.↑3Zou hier wel van alcoholische opgewondenheid kunnen gesproken worden? Mahommedaansche bevolkingen gebruiken uiterst zeldzaam alcoholische dranken, daarentegen geven zij zich te meer aan het gebruik of beter het misbruik van opium, van haschich of dergelijke narcotische verdoovingsmiddelen over. Jules Verne schijnt zich vergist te hebben. Vert.↑
[Inhoud]VIII.Het Ooievaars-feest.Tripoli, in het TurkschTarablus Giharb, ook Tripolitanië geheeten, is de meest Oostelijke der Berberijsche Staten en ligt aan de Middellandsche zee tusschen Tunis en Egypte en beslaat met de daartoe behoorende landstreken Fezzan en Barka, eene oppervlakte van ruim zestien duizend twee honderd vierkante geografische mijlen. Tripoli vormt eene vlakte, waarover slechts hier en daar uitloopers van het Atlasgebergte zich uitstrekken, en is vooral langs de kust zeer zandig. Terwijl de westelijke kustlanden vrij goed besproeid en vruchtbaar zijn, is het landschap Sort, hetwelk woestijn beteekent, ten oosten van kaap Mesurata, aan de Golf van Sidra gelegen, zeer onvruchtbaar en bedekt met duinen en moerassen, welke laatsten met zout water gedrenkt zijn. In het binnenland strekt de vlakte Westwaarts zich uit tot aan de Zwarte Bergen, die ongeveer 2700 voet hoog zijn en de noordelijke grenzen van Fezzan vormen en daar door diepe ouaddi’s of rivieren doorsneden zijn, welke hier en daar aan een weligen plantengroei het aanschijn verleenen.Het klimaat is in Tripoli over het algemeen gezond en de winter wordt er vervangen door den regentijd.Tripoli is bevolkt door 1,550,000 inwoners, die in de steden tot de Mooren en op het land tot de ArabischeBedouïnenen de Berbers behooren. Allen zijn natuurlijk belijders van den Mohammedaanschen godsdienst. Daarenboven zijn er ook veel Israëlieten, terwijl er in de stad Tripoli ook nog een paar honderd Europeanen, meest Italianen, aangetroffen worden.DeBedouïnenhouden zich vooral bezig met de veeteelt, en de Mooren met den handel, vooral met den karavaanhandel. De nijverheid is in dat rijk weinig ontwikkeld; maar levert toch fraaie zijden, wollen en katoenen stoffen, wapens, lederen en metalen voorwerpen. De Tripolitaansche Staat vormt een ejalect of onderhoorigheid van het Turksche rijk en wordt namens den Sultan van Constantinopel bestuurd door een gouverneur-generaal.„Wat ziet gij toch in dat komfoor?” (Bladz. 154.)„Wat ziet gij toch in dat komfoor?” (Bladz.154.)De stad Tripoli, in het Arabisch Tarabolus geheeten, is op eene landtong aan de Middellandsche Zee gelegen. Zij wordt beschermd door hooge muren, bezit een fraai paleis voor den gouverneur-generaal, heeft nauwe maar zindelijke straten en eene door flinke batterijen[157][158]gedekte haven voor den zeehandel met Europa en den binnenlandschen handel met Afrika. In de stad telt men twaalf moskeeën, onderscheidene synagogen, eene Roomsch-Katholieke kapel, vele openbare baden, bazaars, karavancera’s, scholen, hôtels, enz. Er bestaat een levendige handel in corduaanleder, in wollen en zijden stoffen en zij telt eene bevolking van dertig duizend zielen.Deze stad is het aloude Oea en in haren onmiddellijken omtrek vindt men nog vele oudheden.Zij behoorde weleer tot het naburige Karthago en vormde daarvan de Regio Syrtica of de Syrtische landstreek. Na den tweeden Punischen oorlog werd zij door de Romeinen ten prooi gelaten aan de Numidische koningen, en na de onderwerping van dezen, bij de Romeinsche provincie Afrika gevoegd.Nadat in de derde eeuw na Christus, het gebied der drie steden Oea, Sabrata en Groot Deptis tot ééne provincie verheven was, ontstond de Grieksche naam Tripolis of Drie Steden. Na den inval der Arabieren in de VIIdeeeuw, deelde de stad het lot van het overige Barbarije.In 1509 werd de stad Tripoli door de Spanjaarden onder graaf Pietro van Navarra veroverd en aan het gezag van een Spaanschen stadhouder onderworpen. Keizer Karel V gaf haar in 1530 in leen aan de ridders van Sint Jan, maar reeds in 1551 werd zij door de Turken heroverd en was na dien tijd de hoofdzetel der zeerovers aan de Afrikaansche kust. In 1681 deed Koning Lodewijk XIV de Tripolitaansche zeeschuimers door den admiraal Duquesne in de haven van Seios aantasten, waarbij vele hunner schepen in den grond geboord werden. In 1685 bombardeerde de maarschalk d’Estrées de stad met zoo goed gevolg, dat de Dey den vrede met een half millioen livres koopen moest. In 1714 maakte de Turksche Pacha Hamed Bey zich nagenoeg onafhankelijk van de Porte, doordien hij aan deze enkel een jaarlijksche schatting betaalde en de dynastie der Karamanli stichtte. In 1728 ondernamen de Franschen eene expeditie tegen Tripoli, die met de verwoesting der stad eindigde. Evenwel vernietigde eerst de verovering vanAlgiersdoor de Franschen in 1830 de te Tripoli gevestigde zeeschuimers. In 1835 eindelijk ontzette de Porte het Huis Karamanli van zijne heerschappij en voegde Tripoli als een ejalect aan het Turksche rijk.Die aardrijks- en geschiedkundige bijzonderheden zullen den lezer gewis niet onwelkom geweest zijn, en kunnen wij thans ons verhaal vervolgen.Het uitgestreke plein van SoungEttélaté, dat zich ten oosten buiten de muren van Tripoli uitspreidt, leverde op den 23stenNovember een zonderlingen aanblik op. Dien dag zou men onmogelijk hebben kunnen zeggen, of dat plein woest of wel vruchtbaar was. Op zijne[159]oppervlakte wemelde het toch inderdaad van veelkleurige tenten, die met roode kwasten uitgemonsterd en met vlaggen versierd waren en de meest schelle kleuren te zien gaven, van gourbis, welks tentlinnen versleten en veelvuldig versteld, den bewoners daarvan slechts onvolkomen beschutting kon verleenen tegen den invloed van den „gibly,” een drogen en heeten wind, die uit het zuiden waait. Hier en daar werden groepen van paarden ontwaard, die op oostersche wijze getuigd waren, van kameelen, die op het zand uitgestrekt lagen en wier hoofd veel op een half geledigd vat geleek, van kleine ezels, die niet veel grooter waren dan groote honden, van muildieren met die overgroote zadels getuigd, welker lepel en zadelknop als een bult van een kameel uitsteekt. Verder waren daar ruiters, met het geweer op den rug, met de knieën ter hoogte van de borst, met de voeten in stijgbeugels, die wel eenigermate op sloffen gelijken, met een dubbele sabel aan den koppel, die dan te midden van eene groote menigte van mannen, vrouwen en kinderen rond galoppeerden, zonder zich te bekreunen, of zij ook iemand in het voorbijgaan overrijden en verpletteren konden. Eindelijk werden daar ook nog inboorlingen aangetroffen, die bijna eenvormig met de Barbarijsche „haouly” gekleed waren, waaronder men geen man van eene vrouw zou kunnen onderscheiden, wanneer de mannen namelijk de plooien van dat kleed of die soort deken niet ter hoogte hunner borst met een koperen knoop vastmaakten, terwijl de vrouwen de voorslip zoodanig over het gelaat trekken, dat slechts het linker oog zichtbaar is. De onderkleeding van die haouly, die slechts een soort wollen mantel is, verschilt volgens de klasse, waartoe de drager behoort. De armen dragen haar over de naakte huid, de welgestelden dragen daaronder het vest en de breede broek der Arabieren; de rijken hebben prachtige kleedingstukken, geruit wit met blauw, waaronder zij een tweede haouly van gaas dragen, die uit wol met zijde doorweven bestaat en op een hemd, dat met gouden koortjes versierd is, gedragen wordt.Waren het alleen Tripolitanen, die daar op dat plein verzameld waren?Zeker niet. In den omtrek van de hoofdstad verdrongen zich kooplieden van Ghadamès en Sohna en werden gevolgd door eene escorte van zwarte slaven. Dan waren daar Joden en Jodinnen uit de omliggende provinciën. De laatstbedoelden hadden het gelaat ongesluierd, waren volgens hunne geaardheid vet en droegen zeer onsmaakvolle broeken. Verder wemelden daar negers uit de naburige plaatsen die hunne ellendige dorpen verlaten hadden, om hier de feestelijkheden te komen bijwonen. Deze droegen zeer weinig linnengoed, daarentegen veel sieraden bestaande uit ruwe koperen armbanden, halssnoeren van schelpen, reeksen van dierentanden,[160]zilveren ringen in de ooren en in het neusbeen. Dan nog werden daar ontwaard Benoulienen, Awagairren, die den omtrek der Syrtische baai bewonen en die uit den dadelboom, die in hun land groeit, wijn, vruchten, brood en confituren trekken. En eindelijk te midden van die opeenhooping van Mooren, Berbers, Turken, Bedouïnen en zelfs Moucafirs, zooals de Europeanen genoemd worden, paradeerden pacha’s, cheiks’s, kadi’s, kaid’s, in één woord al de voornamen van die buurt, die door de menigte van raja’s drongen, welke laatsten nederig en voorzichtig uitweken voor de ontbloote sabel der soldaten of voor den politiestok der rapties, wanneer de gouverneur-generaal van dat Afrikaansche bewind van die Turksche provincie, welker administratie—zooals wij weten—van den Sultan van Constantinopel afhankelijk is, in zijne voorname en verheven onverschilligheid voorbijging.Men telt, zooals reeds gezegd werd, meer dan vijftienhonderdduizend bewoners in het Regentschap Tripoli, met een garnizoen van duizend soldaten. Hierbij dient gevoegd te worden een duizendtal voor de Djebel-, en vijfhonderd voor de Cyrenaïsche streken. De hoofdplaats Tripoli, alleen in de bevolkingstelling opgenomen, bevat niet meer dan dertig of hoogstens vijf en dertig duizend zielen. Dien dag kon evenwel gerekend worden, dat het aantal dier bevolking minstens verdubbeld was, door den toevloed van nieuwsgierigen, die van het geheele regentschap samengestroomd waren. Die landbewoners hadden evenwel geen onderkomen in de hoofdstad des rijks gezocht. Want een zoo groote menigte zou noch tusschen de weinig rekbare walmuren van de versterkte omheining, noch in de woningen, die door het slechte gehalte der gebezigde bouwmaterialen, weldra in een staat van puinhoopen verkeeren, noch in de nauwe en smalle ongeplaveide straten en stegen, waarin voor het meerendeel zelfs de vrije toetreding van lucht ontzegd is, noch in de havenvoorstad, alwaar zich de consulaten bevinden, noch in het westerkwartier, waar de Joodsche volksstam krioelt, noch in het overige gedeelte der stad, dat ter beschikking van het Muzelmansche ras is gebleven, een beschikbare ruimte tot onderkomen aangetroffen hebben. Dat ware inderdaad eene volkomen onmogelijkheid geweest.Maar het plein Soung-Ettelâtch was uitgestrekt genoeg, om de vele vreemdelingen te bevatten, die samengekomen waren, om het Ooievaars-feest bij te wonen, dat eene legende tot grondslag heeft, welke steeds eenstemmig in de oostelijke landen van Afrika herdacht wordt. Wij zullen straks wel zien waarin dat Ooievaars-feest bestaat.Hier en daar sprongen ruiters rond en schoten hunne lange geweren en ruiterpistolen af. (Bladz. 172.)Hier en daar sprongen ruiters rond en schoten hunne lange geweren en ruiterpistolen af. (Bladz.172.)Die vlakte met haar geel zand, die door de zee bij langdurige oostewinden somtijds overstroomd wordt, kan beschouwd worden als een stukje van de Sahara-woestijn. Zij omgeeft de stad langs drie[161][162]kanten en heeft eene breedte van nagenoeg een kilometer. Als eene tegenstelling, die schril afsteekt, ontwikkelt zich aan hare zuidelijke grensscheiding de oase Menehié, met hare gebouwen, welker muren van witheid schitteren; met hare tuinen, die met behulp van magere koeien, die het water met een lederen drijfriem uit de diepe putten te voorschijn halen, besproeid worden; met hare bosschen van dadelpalmen, oranje- en citroenboomen; met hare steeds groene struiken, met bloemen overdekt; met hare antilopen, hare gazellen, hare flamingo’s. Die oase is een uitgestrekt afgesloten geheel, waarin eene zeer nijvere bevolking leeft, die niet minder dan dertig duizend zielen telt en grootendeels van de veeteelt, den akkerbouw en karavaanhandel bestaat.Daarachter wordt de eigenlijke woestijn aangetroffen, die op geen enkel punt van het uitgestrekte Afrika de kust van de Middellandsche zee zoo nabij komt. De woestijn, met hare beweeglijke duinvormingen, met hare onmetelijke uitgestrektheid van zand, waarvan de baron de Krafft zoo juist gezegd heeft, „dat de wind daarop even gemakkelijk golven veroorzaakt als op de zee”; een wareLybischeoceaan, waarop zelfs de nevel niet ontbreekt, die evenwel uit onvoelbare stof bestaat.Het Tripolitaansche rijk—een grondgebied bijna zoo groot als dat van Frankrijk—strekt zich tusschen het Regentschap Tunis, Egypte en de Sahara uit, en heeft eene kustlijn van ruim drie honderd kilometer langs de Middellandsche zee.Het was in deze provincie dat Sarcany, na Tetuan verlaten te hebben, eene schuilplaats gezocht had. Die streek kon gerekend worden te behooren tot de minst bekende van Noord-Afrika, waar iemand zich dus gevoegelijk kon verbergen, zonder de vrees te koesteren, althans van wege Europeesche autoriteiten ontdekt te zullen worden. Hij was in Tripoli geboren en dat land was het tooneel zijner eerste heldendaden geweest. Hij deed dus niets meer dan naar zijn bakermat terugkeeren. Daarenboven was hij, zooals de lezer zich ongetwijfeld herinneren zal, geaffilieerd aan het zoo gevreesde bondgenootschap van Noord-Afrika en kon hij daar op werkelijke hulp van de Senousisten rekenen, welker belangen hij steeds in den vreemde ijverig had voorgestaan en voor wie hij steeds inkoopen van wapenen en munitiën had verricht. Het was vooral als agent dier dweepers, dat hij indertijd Silas Toronthal zeer veel geld had laten verdienen.Toen hij dan ook te Tripoli aankwam, had hij huisvesting gevonden in de woning van den Moquaddem Sidi Hassan, het erkende opperhoofd van de Sectegenooten in het district. Bij dien man was hij volkomen te huis.Na de ontvoering van Silas Toronthal op den weg naar Nizza,[163]eene ontvoering die voor Sarcany onverklaarbaar was gebleven, had deze Monte Carlo verlaten. Eenige duizenden franken, de laatste van vroegere winsten, die hij niet als laatsten inzet gewaagd had, hadden hem veroorloofd, om in de onkosten zijner reis te voorzien en aan de overige mogelijke gebeurlijkheden het hoofd te bieden. En onder die gebeurlijkheden behoorde de mogelijkheid, dat Silas Toronthal, inderdaad door de wanhoop vervoerd, er toe besloten kon hebben, zich op hem te willen wreken, hetzij door het verleden aan het licht te brengen, hetzij door den toestand van Sava bloot te leggen. Want de bankier wist maar al te goed, dat het jonge meisje zich te Tetuan in de macht van Namir bevond. Die overwegingen waren oorzaak, dat Sarcany besloot Marokko zoo spoedig mogelijk te verlaten. Want daar gevoelde hij zich niet meer veilig.Dat was voorwaar zeer voorzichtig handelen; want zooals de lezer reeds weet, had Silas Toronthal niet lang gedraald met de mededeeling in welk land en in welke stad het rampzalige jonge meisje zich onder het toezicht van het Marokkaansche wijf bevond. Een enkele handdruk van Kaap Matifou was voldoende geweest, om hem tot die mededeeling over te halen; meer niet!Sarcany had dus het besluit genomen, om in het Regentschap Tripoli eene schuilplaats te zoeken, alwaar hem de aanvals- en verdedigingsmiddelen niet zouden ontbreken. Maar hij begreep,—en dat zag dokter Antekirrt zeer goed in,—dat het reizen derwaarts met een der pakketbooten, die de kustvaart uitoefenen, of met de Algerijnsche spoorbaan te veel gevaren voor hem zou opleveren. Hij gaf er dan ook de voorkeur aan, zich bij eene karavaan van Senousisten te voegen, die naar de Cyrenaïsche landstreek op weg was, en van de gelegenheid gebruik te maken, om in de voornaamste villayets van Marokko, Algiers en het Tunische grondgebied nieuwe geaffiliëerden voor het eedgenootschap aan te werven. Zijn reis had dus, zooals men ziet, een dubbel doel.Die karavaan, die zeer wel de vijfhonderd uren afstand tusschen Tetuan en Tripoli zou afleggen, en daarbij de noorder-zoom der woestein dacht zou volgen, vertrok op den 12denOctober van eerstgenoemde plaats.Sava was thans geheel aan de genade of ongenade van hem, die haar ontvoerde, overgeleverd; maar hare standvastigheid, haar zelfvertrouwen was daarom niet geschokt. Noch de bedreigingen van Namir, noch de toorn van Sarcany scheen haar te deren. Het jonge meisje ontwikkelde eene wilskracht, die een ieder ongelooflijk moet voorkomen.Bij haar vertrek telde de karavaan reeds een vijftigtal Khouâns of geaffiliëerden, die onder de leiding van een imam, een geestelijke, die hen op militairen voet organiseerde, ingedeeld waren. Er was[164]daarbij geen kwestie, om de provinciën door te trekken, die aan het Fransche gezag onderworpen zijn en waar hun doortocht moeielijkheden zou kunnen ondervinden. Zij zou die langs de zuidelijke grenzen geheel en al ontwijken.Het Afrikaansche vasteland vormt, door de gedaante van het kustland van Algiers en Tunis, een grooten boog tot aan de westkust van de Groote Syrtische zee, die plotseling naar het zuiden insnijdt. Daaruit volgt natuurlijk, dat de kortste weg van Tetuan naar Tripoli is de koorde welke dezen boog onderspant. En die weg voert niet noordelijker dan Lagouât, een der laatste Fransche steden op de grenzen der Sahara gelegen.De karavaan trok, na het Marokkaansche keizerrijk verlaten te hebben, langs de grenzen van die rijke Algerijnsche provinciën, welke men voorgesteld heeft „Nieuw Frankrijk” te heeten, en die inderdaad wel Frankrijk zelf mogen heeten, met meer recht dan Nieuw Caledonië, Nieuw-Holland, Nieuw-Schotland, die veel minder op Schotland, Holland en Caledonië, dan Algiers op Frankrijk gelijken. Daarenboven, eene zee van slechts dertig uren breedte, scheidt dat land van het Fransche grondgebied, en met onze tegenwoordige gemeenschapsmiddelen mag die zee geen scheidsmuur heeten.In het Beni-Matansche, zoowel als in de Oulad Nail en de Charfat-El-Hamal-streken, vermeerderde de karavaan nog met een zeker getal geaffiliëerden. Hare sterkte was dan ook tot ruim drie honderd man gestegen, toen zij het Tunische kustland, op de grens der Syrtische zee bereikte. Zij had toen slechts den oever te volgen, terwijl zij andermaal nieuwe leden onder de Khouâns in de vele dorpen dier provincie aanwierf, en waarbij Sarcany al zijn invloed en schranderheid bezigde.De karavaan kwam op den 20stenNovember bij de grenzen van het regentschap aan, na eene reis van ruim zes weken.Dus op het oogenblik, toen dat Ooievaarsfeest met groote plechtigheid en omhaal zou gevierd worden, waren Sarcany en Namir nog slechts sedert drie dagen de gasten van den Moquaddem Sidi Hassan, wiens woning thans tot gevangenis van Sava Sandorf strekte. Waarlijk, de karavaan had zich wel gehaast, want zij had gedurende de negen en dertig dagen, die zij tot de reis besteed had, een groot traject afgelegd.De woning van den Moquaddem, welke door een slanken minarettoren beheerscht werd, had met hare witgekalkte muren, waarin volstrekt geen vensters, maar wel hier en daar schietgaten gebroken waren, met hare gecreneleerde terrassen, met hare smalle en lage deur, wel eenigszins het uiterlijk van eene kleine vesting, of beter van een zeer sterk blokhuis. Het was ook inderdaad een ware zaoaiya, welke buiten de stad gelegen was, op de grens tusschen de[165]zandvlakte en de aanplantingen van Menehié, welker akkers, omgeven door een hoog staketsel, tot bij het grondgebied der oase voortdrongen.Het innerlijke dier woning vertoonde den gewonen bouwtrant der Arabische huizen, met dien verstande dat die bouwtrant hier als het ware verdriedubbeld was, hetgeen te beduiden heeft, dat er drie patio’s of binnenplaatsen te tellen waren. Rondom elk dier patio’s ontwikkelde zich een vierkant van galerijen met hare zuiltjes en kanteelbogen, waarop de verschillende vertrekken van de woning, die voor het meerendeel zeer rijk gemeubeld waren, uitkwamen. De vloeren dier galerijen waren met kostbare marmersteenen ingelegd, en de zuilen daarvan kunstig gebeeldhouwd.Op het tweede binnenplein vonden de bezoekers of de gasten van den Moquaddem eene ruime „stufa”, een soort van vestibule of van hall, waarin reeds meer dan eene raadbelegging onder de leiding van Sidi Hassan door de Senousisten had plaats gehad. Dat was eigenlijk het vertrek, waarin de saamgezworenen krijgsraad hielden.Maar behalve dat die woning eene natuurlijke bescherming in hare hooge en doelmatig aangelegde muren vond, bevatte zij bovendien een zeer talrijk personeel, dat tot hare verdediging veel kon bijbrengen, ingeval van aanval van den kant der zwervende Barbaresken, die steeds mogelijk was, of zelfs van den kant der Tripolitaansche autoriteiten, die steeds poogden de Senousisten der provincie aan zich te onderwerpen, hetgeen tot heden niet gelukt was.Die woning bezat een garnizoen van ruim vijftig geaffiliëerden, die, uitmuntend bewapend, niet alleen ter verdediging, maar ook tot aanval konden dienen. Die mannen, gekozen onder de meest dweepzieken, waren uitmuntend geoefend.Slechts een enkele deur verleende toegang tot die zaoaiya; die deur was daarenboven uitermate dik en stevig met ijzerwerk beslagen. Men zou haar niet gemakkelijk opengebroken hebben, en slaagde dat ook al, dan zou haar drempel nog niet zoo gemakkelijk te overschrijden zijn; want dan eerst begon het ernstige gevecht.Sarcany had dus bij den Moquaddem eene veilige schuilplaats gevonden.Daar hoopte hij zijne heillooze plannen tot een goed einde te voeren.Zijn huwelijk met Sava moest hem een zeer aanzienlijk vermogen verzekeren, en hij kon desnoods op den bijstand van het eedgenootschap rekenen, wiens belangen bij zijn welslagen direct betrokken waren. Die dweepers zouden niet aarzelen, hem bij zijne snoode plannen bij te staan.Wat de geaffiliëerden betrof, die van Tunis aangekomen of in de villayets aangenomen waren, deze hadden zich in de Menehié-oase verspreid; maar waren toch gereed, om op het eerste sein te zamen te komen.[166]Dat Ooievaars-feest zou, zonder dat de Tripolitaansche politie zulks gissen kon, juist de plannen der Senousisten in de hand werken. Daar op die vlakte van Soung-Ettélaté zouden de Khouâns van noordelijk Afrika het wachtwoord der mufti’s komen ontvangen, om hunne concentratie op Cyrenaïsch gondgebied te bewerkstelligen en een waar rijk van zeeschuimers onder de machtige bevelen van een kalief te stichten, hetgeen met de overoude neigingen van die strandbewoners maar al te zeer strookte.Daartoe waren de omstandigheden zeer gunstig, wijl het eedgenootschap juist in de villayet Ben Ghazi, de voornaamste der Cyrenaïsche streken, reeds het grootste ledental telde, hetwelk geheel tot handelen gereed was.Den dag, waarop het Ooievaars-feest in het Tripolitaansche rijk gevierd zou worden, drentelden drie vreemdelingen op de vlakte van Soung-Ettélaté, tusschen de menigte, welke zich daar bevond, rond.Niemand zou die vreemdelingen, onder hunne Arabische kleeding, voor Moucafirs, voor Europeanen herkend hebben. De oudste der drie droeg daarenboven zijn kostuum met eene gemakkelijkheid, die slechts door eene langdurige gewoonte kon verkregen worden. Men zag het hem aan, dat hij den tulband en de Chlamyde (bovenkleed) meer gedragen had.Dat was dokter Antekirrt, die van Piet Bathory en Luigi Ferrato vergezeld was.Pescadospunt en Kaap Matifou waren in de stad gebleven, waar zij zich met zekere voorbereidende werkzaamheden bezighielden. Ongetwijfeld zouden zij ten tooneele verschijnen, wanneer daartoe het oogenblik gekomen zou zijn. Zij beiden zouden toch in de beraamde plannen de voornaamste rol te vervullen hebben, zooals de lezer wel zien zal.Het was ter nauwernood vier en twintig uren geleden, sedert deElektriek2 in den namiddag onder beschutting van die uitgestrekte rotsen, welke voor de haven van Tripoli een natuurlijken dam vormen, ten anker gekomen was.De overtocht was, zoowel bij de heen- als bij de terugreis, voorspoedig geweest.Men had zich slechts drie uren opgehouden te Philippeville, aan de kleine kreek Filfila gelegen; overigens niet. En dat oponthoud was nog geschied, om zich Arabische kleeding aan te schaffen. Daarna was deElektriekonmiddellijk vertrokken, zonder dat hare aanwezigheid in de Numidische golf de aandacht getrokken had. Hare geringe verhevenheid boven de oppervlakte van het water had haar daarbij uitnemend gediend.Dus, toen de dokter Antekirrt en zijne metgezellen ontscheept waren,—niet op de kaden van Tripoli, maar op de rotsen der buitenhaven—waren het geen vijf Europeanen, die voet aan wal[167]gezet hadden op den bodem van het Tripolitaansche grondgebied, maar waren het vijf Oosterlingen, wiens kleeding de aandacht niet kon trekken. Misschien zouden Piet Bathory en Luigi Ferrato zich, in die kleeding gestoken, door de ongewoonte voor scherpziende toeschouwers verraden hebben; maar Pescadospunt en Kaap Matifou, gewoon aan de veelvuldige gedaanteverwisselingen en verkleedingen der kermispotsenmakers, waren er geheel op hun gemak in, en bewogen zich als volbloed Arabieren. Die beide grappenmakers konden evenwel een glimlach niet verbergen, wanneer zij elkander aankeken.Toen de nacht ingevallen was, ging deElektriekzich verschuilen aan de andere zijde van de haven in eene der veelvuldige kreeken van die slecht bewaakte kust. Daar moest dat vaartuig zich gereed houden, om op ieder uur van den nacht of van den dag zee te kunnen kiezen. Aan die opdracht werd natuurlijk stipt voldaan.Zoodra dokter Antekirrt en zijne metgezellen ontscheept waren, stapten zij langs den rotsachtigen oever voort en volgden daarna den van groote rotsblokken vervaardigden kadedam, die naar Bab-el-Bahr voerde, traden de zeepoort binnen en bevonden zich weldra te midden van de nauwe straten der stad.Het eerste hôtel, dat zij op hunnen weg ontmoetten,—en de keus was niet moeielijk, want er waren er niet veel,—scheen hun voldoende toe, om er ettelijke dagen, misschien slechts weinige uren door te brengen. Zij toonden zich daar als bescheiden lieden, en gaven voor eenvoudige Tunische kooplieden te zijn, die bij hunne doorreis te Tripoli van de gelegenheid wilden gebruik maken, om het Ooievaars-feest bij te wonen. Daar dokter Antekirrt het Arabisch even zuiver en juist sprak als de overige taaleigens van de Middellandsche zee, zoo kon zijne spraak hem niet verraden.De kastelein ontving de vijf reizigers, die hem de eer wilden aandoen in zijne inrichting af te stappen, uiterst voorkomend. Het was een dik man, die zeer praatziek was. Daarvan maakte dokter Antekirrt behendig gebruik, en vernam zoodoende zaken, die hem bijzonder belang inboezemden. Al dadelijk wist hij, dat eene karavaan kort geleden van Marokko in het Tripolitaansche rijk was aangekomen. Daarna vernam hij, dat Sarcany, die in het Regentschap zeer bekend was, van die karavaan deel had uitgemaakt en dat hij thans de gastvrijheid genoot in de woning van den beroemden Moquaddem Sidi Hassan in de zaouiya op de vlakte van Soung Ettélaté.Dat was de reden, waarom dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato, na de meest mogelijke voorzorgen genomen te hebben, zich dienzelfden avond nog begeven hadden te midden der menigte van nomaden op de vlakte van Soung Ettélaté. Zij bespiedden[168]al wandelende de woning van den Moquaddem Si-Hassan, op den zoom van de Oase Menehié gelegen.Daar was dus Sava Sandorf opgesloten! In die sterke woning bevond zich dus het eenige kind van den graaf.Sedert het verblijf van dokter Antekirrt te Ragusa, waren nimmer vader en dochter dichter bij elkander geweest dan thans! En toch, door hoeveel hinderpalen waren zij niet gescheiden!Het was niet alleen een schier onoverkomelijke muur, die het grootste beletsel daarstelde!Inderdaad, Piet Bathory was in die oogenblikken tot alles in staat, zelfs om met Sarcany te onderhandelen, om Sava maar aan zijne macht te ontrukken. Graaf Mathias Sandorf en hij waren bereid, om hem die wenschen te laten verwezenlijken, welke de ellendeling begeerde! En toch, zij konden en mochten niet vergeten, dat zij recht moesten uitoefenen over den verrader van professor Stephanus Bathory en van graaf Ladislas Zathmar!Intusschen moesten zij in de omstandigheden, waarin zij zich vonden, erkennen, dat de bemachtiging van Sarcany en debevrijdingvan Sava Sandorf uit het huis van den Moquaddem Sidi Hassan eene bijna onuitvoerbare taak was. De moeielijkheden waren schier onoverkomelijk, dat kon onmogelijk ontveinsd worden.Zou men in plaats van geweld, dat toch geen kans van welslagen aanbood, list moeten gebruiken? En zou het feest, dat den volgenden dag gevierd zou worden, daartoe gelegenheid geven? Ja, dat zou het zonder twijfel. Pescadospunt had daaromtrent een plan ontworpen, en het was met dit plan, dat dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato zich dien avond onledig hielden. Ieders rol moest goed besproken worden, om in het gewichtigste oogenblik geene teleurstelling, die alles verijdelen kon, te ondervinden.Bij de uitvoering van dat plan zou de moedige ontwerper zijn leven wagen; maar gelukte het hem de woning van den Moquaddem Sidi Hassan binnen te dringen, dan was er veel kans, dat hij er in slagen zou, Sava Sandorf te ontvoeren. Niets scheen voor den moed en de behendigheid van Pescadospunt onuitvoerbaar.Het was dus ter uitvoering van het vastgestelde plan, hetwelk wij bij zijne ontwikkeling vernemen zullen, dat dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato zich daags daarna, tegen drie uren des namiddags, ter bespieding op de vlakte van Soung Ettélaté bevonden, terwijl Pescadospunt en Kaap Matifou zich intusschen voorbereidden voor de rol, die zij te midden van het bedrijvigste gedeelte van het feest te vervullen zouden hebben.Maar Kaap Matifou kende geen aanvallen van zwakte. (Bladz. 176).Maar Kaap Matifou kende geen aanvallen van zwakte. (Bladz.176).Op dat uur bestond er nog niets, dat een voorgevoel kon geven[169][170]van het leven, van het spektakel en van de beweging, waarvan de vlakte het schouwspel ging leveren, wanneer zij bij het vallen van den avond door ontelbare fakkels zoude verlicht worden. Ter nauwernood kon te midden van die dicht opeengepakte menigte het komen en gaan opgemerkt worden van de Senousistische saamgezworenen, die, zeer eenvoudig gekleed, elkander slechts door een soort van vrijmetselaarsteeken de bevelen hunner opperhoofden mededeelden.Het is evenwel hier de plaats, om eene Oostersche of beter Afrikaansche legende mede te deelen, waarvan de voornaamste bijzonderheden bij dat Ooievaars-feest, hetwelk eene groote aantrekkingskracht voor de Muselmansche bevolking heeft, in herinnering gebracht zouden worden.Op het Afrikaansche Vasteland bestond in vroeger tijden een ras van Djins. Die Djins bewoonden onder den naam van Bou-lhebers een uitgestrekt grondgebied, hetwelk op de grens van de Hamada-woestijn tusschen de Tripolitaansche en de Fezzaansche rijken gelegen was. Het was een machtige volkstam, die zeer woest en dus ook uitermate gevreesd was. Hij was oneerlijk, trouweloos, twistziek en onmenschelijk wreed. Geen Afrikaansche souverein had er nog terecht mede kunnen komen. Zij hadden weerstand weten te bieden aan iedere poging, om hen aan tucht te gewennen.Het gebeurde eens, dat de profeet Soeleyman eene poging aanwendde, niet om de Djins aan te vallen of te onderwerpen, maar om hen tot het goede te bekeeren. Te dien einde zond hij hen een zijner apostelen, om hun de liefde tot het goede en den haat voor het kwade te prediken. Het was verloren moeite! Die woeste horden grepen den zendeling en brachten hem wreedaardig ter dood. Zij ontzagen zich niet den heiligen man eerst te spietsen en hem verder, alvorens hij dood was, langzaam te verbranden.Dat de Djins zooveel stoutmoedigheid aan den dag legden, vond daarin zijn oorzaak, dat hun land afgelegen en zeer moeielijk te bereiken was. Zij wisten, dat geen naburig vorst zijne legerscharen in die streken durfde wagen. Zij meenden daarenboven, dat niemand den profeet Soeleyman zou gaan overbrieven, welk onthaal zijn zendeling ten deel gevallen was.Daarin vergisten zij zich evenwel. Allah waakte er over, dat de misdaad gestraft zoude worden.Een groot aantal ooievaars was, daar het winter in Noordelijk Europa was, in het land aanwezig. Zooals de lezer wel weten zal, zijn dat vogels, tot het geslacht der steltloopers behoorende, van zeer kuische zeden, die eene buitengewone schranderheid gepaard aan eene groote opmerkingsgave bezitten. De legende beweert toch, dat zij nimmer eene landstreek bewonen, welker naam op een[171]geldstuk voorkomt1, omdat het geld de bron is van alle kwaad en de machtigste hefboom is, die den mensch in den afgrond zijner bedorven hartstochten drijft.Nu hadden die ooievaars de verdorvenheid, waarin de Djins leefden, opgemerkt. Zij hadden den gruwelijken moord gezien en kwamen in eene groote vergadering bij elkander, om te beraadslagen en besloten daarin een hunner naar den profeet Soeleyman af te vaardigen, ten einde zijnen gerechten toorn over de moordenaars van den zendeling te doen ontbranden.De profeet riep dadelijk zijne „hiep” of lievelingskoeriers tot zich en gaf hen bevel al de ooievaars van de geheele wereld in de bovenstreken van Afrika bijeen te brengen.Dat geschiedde natuurlijk, en toen de ontelbare scharen van die vogels voor den profeet Soeleyman vergaderd waren,—zooals de legende woordelijk verhaalt,—vormden zij eene wolk, welker schaduw de geheele landstreek, tusschen Mezda en Morseug, had kunnen bedekken.Toen greep op bevel van den profeet ieder dier langsnavels een steen in den bek en vloog naar het land der Djins. En terwijl zij daarboven zweefden, steenigden zij dat slechte ras, welker zielen voor de eeuwigheid in het binnenste der Hamada-woestijn opgesloten zitten. Waarlijk, eene gerechte straf voor zulk een snoode daad!Dat is de fabel, die als het ware ten tooneele zoude gevoerd worden, en welker voorstelling het eigenlijke feest zou vormen. Eenige honderden ooievaars waren onder onmetelijke netten, die op de vlakte van Soung Ettélaté uitgespannen waren, verzameld. Daar wachtten zij, voor het meerendeel zooals gewoonlijk op één poot rustende, het uur der bevrijding af, terwijl zij door het geklepper met hunne lange snavels soms een gerommel in de lucht veroorzaakten, hetwelk wel iets van het geroffel van een menigte tamboers op hunne trommen had. Op een gegeven teeken moesten de netten plotseling verdwijnen en de vogels in de ruimte opstijgen, om gevaarlooze en nagemaakte steenen van weeke klei te midden van het gehuil der toeschouwers, het getoet der blaasinstrumenten en de losbranding van ontelbare geweren en verlicht door eene menigte fakkels met veelkleurige vlammen, op de opeengepakte geloovigen te laten neervallen.Pescadospunt was met het program van dat feest bekend, en dat was het, hetwelk hem op de gedachte gebracht had, er eene rol in te vervullen. Wellicht zou hij onder de gegeven omstandigheden,[172]die veel verwarring zouden daarstellen, gelegenheid vinden in het huis van den Moquaddem Sidi Hassan te dringen.Op het oogenblik toen de zon onderging, werd op het fort of kasteel van Tripoli een zwaar kanonschot gelost, dat het sein was, hetwelk door het publiek op de vlakte van Soung Ettélaté zoo lang en ongeduldig verbeid was. Statig rolde het zware geluid voort, wekte al de echo’s der omstreken op, en stierf eindelijk als een ver verwijderde donder weg.Dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato waren eerst als het ware verdoofd door het vreeselijke spektakel, dat zich in het eerste oogenblik van alle kanten hooren deed; vervolgens werden zij verblind door de duizenden lichtjes die op de vlakte schitterden. Het was, of de geheele Soung Ettélaté met al de sterren des firmaments getooid was.Toen dat kanonschot losbrandde, was die menigte van Nomaden nog bezig met hun avondmaal te nuttigen. Hier zag men er zich te goed doen aan gebraden schapenvleesch. Elders werd pilau met kippenvleesch er bij verorberd door hen, die Turk waren of daarvoor wenschten door te gaan; op eene andere plek ontwaarde men bij vermogende Arabieren couscoussou; verder zag men een eenvoudige „bazina,” eene soort pap van gruttemeel met olie gekookt, die het gewone voedsel uitmaakte van die arme drommels, evenals elders het meest talrijk, die meer koperen „mehbouhs” dan gouden „mictals” op zak hadden; eindelijk ontwaarde men overal en inderdaad met stroomen, de „lagby,” een soort vruchtensap, afkomstig van den dadelpalm, dat wanneer het evenals het bier gegist heeft, zooveel alcohol bevat, dat het meer dan smoordronken, ja, dat het stapelgek maakt.2Eenige minuten nadat het kanonschot gedreund had, waren allen, mannen, vrouwen, kinderen, Turken, Arabieren,Khouânsen Negers reeds als buiten zich zelven van opgewondenheid. Het was waarlijk noodig, dat de koperen blaasinstrumenten van die barbaarsche orchesten buitengewoon geluidmakend waren, om zich te midden van dat menschelijk spektakel te kunnen doen vernemen. Hier en daar sprongen ruiters met hunne paarden rond en schoten hunne lange geweren en hunne ruiterpistolen af, terwijl vuurwerk afgestoken werd en moorslagen knalden, alsof het geschut was, dat losgebrand werd te midden van een leven, hetwelk onmogelijk te beschrijven zoude zijn.Hier was een negerhoofd, dat, potsierlijk aangekleed, met rammelende beentjes aan zijn buikgordel, terwijl zijn gelaat door een[173]duivelsch mombakkes bedekt was, en bij het licht van walmende toortsen, en aangevuurd door het geroffel op houten trommen en door het klagend opdreunen van een eentonig gezang, een dertigtal zwarte kroeskoppen, die te midden van een kring van stuiptrekkende vrouwen, welke in de handen klapten, hunne vertooning opvoerden, tot den dans aanmoedigde.Elders waren er wilde Aïssassouas, die tot het uiterste door godsdienstige en alcoholische3opgewondenheid vervoerd waren en met opgespoten gelaatstrekken en met uitpuilende oogen, hout tusschen de tanden maalden, op ijzer kauwden, zich diepe insnijdingen in de huid maakten, met gloeiende kolen goochelden, zich door afgrijselijke slangen lieten omwikkelen, die hen aan de handen, aan de wangen, aan de lippen beten, en die zij met gelijke munt betaalden door hun bloedige staarten te verorberen.Maar in weerwil van dat aanlokkelijke schouwspel, drong de menigte weldra volijverig op naar den kant van het huis van den Moquaddem Sidi Hassan, alsof eene nieuwe en meer belangwekkende vertooning haar daarheen getrokken had.En inderdaad, daar bevonden zich twee mannen, de een buitengewoon groot en dik, de andere buitengewoon klein en slank. Het waren twee akrobaten, wier opmerkenswaardige krachts- en behendigheidsoefeningen, die te midden van eene vierdubbele rij toeschouwers uitgevoerd werden, de meest levendige toejuichingen, die door een Tripolitaanschen mond konden uitgestoten worden, verwierven. Het was daar om hooren en zien te doen vergaan.Het waren Pescadospunt en Kaap Matifou, die waarlijk geheel en al op dreef waren.Zij hadden eene plek uitgekozen, om hunne kermisvertooning op te voeren, welke slechts op weinige passen afstand van de woning van den Moquaddem Sidi Hassan gelegen was. Beiden hadden voor deze bijzondere gelegenheid hun baantje van voorheen, hun baantje van kenniskunstenaars ter hand genomen. Zij waren behoorlijk gekleed in een gelegenheidspakje, dat zij van Arabische stoffen vervaardigd hadden, en hoopten op daverende toejuichingen.„Je zult toch niet te zeer verroest wezen?” had Pescadospunt alvorens te beginnen aan Kaap Matifou gevraagd.„Verroest?… Wat meen je?” had de reus gevraagd. „Ik ben toch geen oude spijker, denk ik?”[174]„Neen, dat weet ik wel; maar ik vraag je, of je soms stijf in de gewrichten geworden bent?”„Neen, volstrekt niet,” antwoordde Kaap Matifou. „Dat zul je wel ondervinden.”„En je deinst voor geene oefening terug … Voor geen enkele? Bedenk je wel.”„Neen, voor geen enkele. Maar wat zal het doel van die oefening wezen? Zeg mij toch.”„Het doel moet wezen om die lummels in vervoering te brengen. Zul je daarvoor niet terugdeinzen?”„Ik!… ooit terugdeinzen!… Kom, je houdt mij voor den gek,” sprak Kaap Matifou verstoord.„Zelfs, wanneer je …”Pescadospunt scheen te aarzelen.„Wat? Ga toch voort. Je bent anders zoo spraakzaam en thans sta je te kieskauwen.”„Nu ja, zelfs wanneer je keisteenen met de tanden moet fijnmalen?” vroeg de kleine man.„Is dat alles?” was de ietwat kleinachtende wedervraag van den reus.„Of slangen oppeuzelen?”„Slangen?”Thans scheen Kaap Matifou te aarzelen.„Ja, slangen!”„Gekookt?” vroeg Kaap Matifou. „Gekookt of rauw, daarin bestaat onderscheid.”„Neen, rauw! waarde Kaap. Geheel rauw.”„Rauw?… Br! br!”„En nog wel levend!”Kaap Matifou had een leelijk gezicht getrokken; maar als het moest zijn, dan was hij besloten om slangen te eten, evenals een eenvoudige Aïssasoua. Hij pruttelde evenwel nog iets tegen.„Moeten wij dat voor ons pleizier doen?” vroeg hij na een poos bedenkens.„Voor ons pleizier neen,” antwoordde Pescadospunt met een guitigen glimlach op de lippen.„Maar waartoe dan die gekheid?”„Zooals ik je gezegd heb, om die lummels in vervoering te brengen.”„Loop heen!” had de reus geantwoord. „Voor die schoeljes eet ik geen slangen. Als het nog Europeanen, als het nog Franschen waren! Dan was het wat anders.”„Och, die kerels kunnen ons ook niet schelen,” antwoordde Pescadospunt, hartelijk lachende.[175]„Maar, waarom dan?”„Kaaplief, je schijnt maar niet te kunnen begrijpen.”„Maar, wat dan?”„Dat we eene rol spelen. Wij moeten het groote doel bevorderen. Wij moeten de bevrijding van juffrouw Sava bewerken.”„Met levende slangen te eten?” vroeg de reus hoofdschuddend. „Als ik dat er mee bewerken kan, ben ik bereid een frikadel van alle slangen der wereld te maken en die op te peuzelen.”Dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato bevonden zich onder de menigte van toeschouwers en verloren hunne makkers niet uit het oog, hoewel zij zich te midden van dien ontzaglijken menschendrom de grootste inspanning daartoe moesten getroosten.Neen, Kaap Matifou was niet verroest! Hij had niets van zijne buitengewone kracht verloren. Vijf of zes Arabieren, en nog wel van de stevigsten uit een geheelen hoop, hadden een kans gewaagd door met hem te worstelen. Maar zij lagen al heel spoedig op den grond uitgestrekt, met de schouders in aanraking met het maaiveld, zooals de akrobatische uitdrukking luidt.Daarna volvoerden beide kunstenaars te zamen goocheltoeren, die de Arabieren, daar verzameld, in verrukking brachten, vooral toen zij elkander behendig brandende fakkels toewierpen, die overgaande van de hand van Pescadospunt in die van Kaap Matifou, hare vurige zigzags kruisten. Dat verwekte algemeene verbazing.En toch kon dat publiek, waarvoor zij werkten, terecht moeielijk te bevredigen zijn.Er bevonden zich toch onder die menigte een vrij groot aantal van hen, die de half wilde Touaregs hadden leeren bewonderen, welker lenigheid en behendigheid aan die der vlugste diersoorten mag gelijk gesteld worden, zooals weleer met veel ophef in het bewonderingwekkend program van den beroemden kermistroep van Bracca aangekondigd werd. Die kenners en bewonderaars hadden toch gelegenheid gehad den stoutmoedigen Mustapha, den Samson der woestijn, het kanonmensch toe te juichen, „wien de koningin van Groot Brittanje en Ierland door haren kamerdienaar, bij gelegenheid van dergelijke voorstellingen te Londen, had laten verzoeken, niet meer zijne oefeningen te herhalen, bevreesd als de vorstin was, dat er een ongeluk zoude gebeuren!”Maar Kaap Matifou was onvergelijkelijk bij zijne krachtsvertooningen en hij behoefde voor geen mededinger bevreesd te zijn. Neen, voor niemand ter wereld, al ware het Hercules, de goddelijke zoon van Alcmene, in eigen persoon geweest.Eindelijk kwam er eene laatste oefening, die de geestdrift van die cosmopolitische menigte, welke de Europeesche kunstenaars omgaf, ten top voerde. En hoewel die oefening voor de Europeesche[176]kermisspellenoud en versleten mocht heeten, scheen zij hier voor de Tripolitaansche nieuwsgierigen nog de aantrekkelijkheid der nieuwheid te hebben.De toeschouwers verdrongen dan ook elkander, ja verpletterden zich schier rondom de beide kunstenaars, die bij afwezigheid der zon in dit uur bij fakkellicht werkten.Kaap Matifou had een staak gegrepen, die vijf en twintig of dertig voet lang was en hield hem met beide handen, die op zijne borst rustten, loodrecht omhoog. Pescadospunt klom met een behendigheid van een aap langs dien staak naar boven, en bij het uiteinde gekomen, nam hij daar, terwijl hij den staak onrustbarend deed buigen, de meest bevallige houdingen aan. Inderdaad, het was een verrukkelijk maar uiterst moeielijk kunststuk. Een zwak oogenblik bij hem, die den staak torste, en een val kon niet uitblijven. En die val moest voor den armen Pescadospunt noodlottig zijn.Maar Kaap Matifou kende geene aanvallen van zwakte. Hij stond daar, met achterover gebogen hoofd en vooruitgestrekte borst, onwrikbaar stevig als de rots, waarvan hij den naam voerde, hoewel hij bij zijne pogingen om den staak met den daarop kunsten-vertoonenden Pescadospunt in evenwicht te houden, trappelde, zich keerde en draaide en langzamerhand van plaats veranderde.Toen hij eindelijk in de onmiddellijke nabijheid van den heiningmuur van Sidi Hassan’s woning gekomen was, dreef hij de vermetelheid zoo ver en ontwikkelde zooveel kracht, om den staak van zijne borst op te tillen, in de rechterhand te nemen en dien arm uit te strekken, terwijl Pescadospunt daarboven den stand aannam van den Roem en evenals die wufte godin kushandjes aan de menigte toezond. Het was inderdaad eene bevallige vertooning.De saamgepakte Arabieren en Negers waren buiten zich zelven van bewondering. Zij stieten schelle kreten uit, klapten woest met de voeten. Gelukkig, dat het geen planken vloer was, waarop zij stonden. Neen, waarlijk, dat moest erkend worden; zoo iets had de Samson der woestijn, de koene Mustapha, de stoutmoedigste der Touaregs, niet durven ten uitvoer leggen. De geestdrift was dan ook ten top; want zulke krachtsontwikkeling was inderdaad nog nooit waargenomen.In dit oogenblik dreunde op het onverwachtst een kanonschot van de wallen der citadel van Tripoli.Op dat sein vlogen de honderden ooievaars op, die eensklaps bevrijd werden van de onmetelijke netten, die hen gevangen hielden, stegen in de lucht op, terwijl zij, onder het uitvoeren van een klepperend concert, waarop met een onmetelijk geschreeuw, door de menschen aangeheven, geantwoord werd, eene hagelbui van nagemaakte steenen lieten neervallen, die natuurlijk niemand konden[177][178]deeren, daar zij, zooals gezegd werd, van weeke klei vervaardigd waren.Maar die deur was gesloten. (Bladz. 181.)Maar die deur was gesloten. (Bladz.181.)Dat was het glanspunt van het feest. De vogels van den profeet Soleyman leidden evenwel de aandacht zeer af.Men zou gezegd hebben, dat al de krankzinnigen-gestichten van Europa, Azië en Afrika plotseling ontruimd waren, en dat hunne bewoners op eens op de vlakte van Soung-Ettélaté in het Tripolitaansche Regentschap bij elkander gebracht waren; zulk een vreeselijk spektakel werd daar door die saamgeschoolde en opgewonden menigte aangeheven. Evenwel, alsof hare bewoners doof en stom waren, nog erger, alsof zij uitgestorven waren, was de woning van den Moquaddem Sidi Hassan hardnekkig gesloten gebleven gedurende die uren van algemeene vroolijkheid, en geen enkele bediende of huisgenoot was aan de deur of op de terrassen verschenen. Het was alsof daarin geen nieuwsgierigen, geen belangstellenden in het feest behoorden.Maar ziet! In hetzelfde oogenblik, toen al de fakkels, die het feest verlicht hadden, na de opstijging der ooievaars, plotseling uitgebluscht waren, was ook Pescadospunt eensklaps verdwenen, alsof hij met de getrouwe vogels van den profeet Soleyman hemelwaarts gevlogen was. Dat was inderdaad uiterst merkwaardig.Waar was hij heen gevaren?…Wat was er van hem geworden?Ja, wat? Dat wist niemand te verklaren. Daarop was geen antwoord te geven.Toch scheen Kaap Matifou zich omtrent die verdwijning niet veel te bekommeren. Nadat hij zijn staak in de lucht opgeworpen en hem vele buitelingen had laten maken, ving hij hem behendig bij het andere einde op, liet hem ronddraaien en bogen beschrijven, zooals de meest ervaren tamboer-majoor met zijn dikgeknopten stok zoude gedaan hebben. Het wegmoffelen van Pescadospunt scheen voor hem de natuurlijkste zaak der wereld te zijn. Hij keek met eene zelfvoldaanheid rond, alsof die goochelpartij tot het program behoorde.De bewondering der toeschouwers was intusschen ten top gestegen en hunne geestdrift uitte zich dan ook door een ontzaglijk hoerah, dat tot voorbij de uiterste grenzen der oase moest gehoord worden. Niemand hunner twijfelde er aan, of de behendige acrobaat was door de ruimte naar het rijk der Ooievaars vertrokken en was bij den profeet Soleyman aangeland.Het onverklaarbare bekoort in den regel de menigte het meest. Daarmede is zij steeds te verschalken.[179]1En Nederland, waar vele Ooievaars wonen en welks naam toch op de muntstukken voorkomt? Vert.↑2In Ned. Indië heeft men denzelfden drank, Sagoeweer genaamd, afkomstig van de Arenga saccharifera. Vert.↑3Zou hier wel van alcoholische opgewondenheid kunnen gesproken worden? Mahommedaansche bevolkingen gebruiken uiterst zeldzaam alcoholische dranken, daarentegen geven zij zich te meer aan het gebruik of beter het misbruik van opium, van haschich of dergelijke narcotische verdoovingsmiddelen over. Jules Verne schijnt zich vergist te hebben. Vert.↑
VIII.Het Ooievaars-feest.
Tripoli, in het TurkschTarablus Giharb, ook Tripolitanië geheeten, is de meest Oostelijke der Berberijsche Staten en ligt aan de Middellandsche zee tusschen Tunis en Egypte en beslaat met de daartoe behoorende landstreken Fezzan en Barka, eene oppervlakte van ruim zestien duizend twee honderd vierkante geografische mijlen. Tripoli vormt eene vlakte, waarover slechts hier en daar uitloopers van het Atlasgebergte zich uitstrekken, en is vooral langs de kust zeer zandig. Terwijl de westelijke kustlanden vrij goed besproeid en vruchtbaar zijn, is het landschap Sort, hetwelk woestijn beteekent, ten oosten van kaap Mesurata, aan de Golf van Sidra gelegen, zeer onvruchtbaar en bedekt met duinen en moerassen, welke laatsten met zout water gedrenkt zijn. In het binnenland strekt de vlakte Westwaarts zich uit tot aan de Zwarte Bergen, die ongeveer 2700 voet hoog zijn en de noordelijke grenzen van Fezzan vormen en daar door diepe ouaddi’s of rivieren doorsneden zijn, welke hier en daar aan een weligen plantengroei het aanschijn verleenen.Het klimaat is in Tripoli over het algemeen gezond en de winter wordt er vervangen door den regentijd.Tripoli is bevolkt door 1,550,000 inwoners, die in de steden tot de Mooren en op het land tot de ArabischeBedouïnenen de Berbers behooren. Allen zijn natuurlijk belijders van den Mohammedaanschen godsdienst. Daarenboven zijn er ook veel Israëlieten, terwijl er in de stad Tripoli ook nog een paar honderd Europeanen, meest Italianen, aangetroffen worden.DeBedouïnenhouden zich vooral bezig met de veeteelt, en de Mooren met den handel, vooral met den karavaanhandel. De nijverheid is in dat rijk weinig ontwikkeld; maar levert toch fraaie zijden, wollen en katoenen stoffen, wapens, lederen en metalen voorwerpen. De Tripolitaansche Staat vormt een ejalect of onderhoorigheid van het Turksche rijk en wordt namens den Sultan van Constantinopel bestuurd door een gouverneur-generaal.„Wat ziet gij toch in dat komfoor?” (Bladz. 154.)„Wat ziet gij toch in dat komfoor?” (Bladz.154.)De stad Tripoli, in het Arabisch Tarabolus geheeten, is op eene landtong aan de Middellandsche Zee gelegen. Zij wordt beschermd door hooge muren, bezit een fraai paleis voor den gouverneur-generaal, heeft nauwe maar zindelijke straten en eene door flinke batterijen[157][158]gedekte haven voor den zeehandel met Europa en den binnenlandschen handel met Afrika. In de stad telt men twaalf moskeeën, onderscheidene synagogen, eene Roomsch-Katholieke kapel, vele openbare baden, bazaars, karavancera’s, scholen, hôtels, enz. Er bestaat een levendige handel in corduaanleder, in wollen en zijden stoffen en zij telt eene bevolking van dertig duizend zielen.Deze stad is het aloude Oea en in haren onmiddellijken omtrek vindt men nog vele oudheden.Zij behoorde weleer tot het naburige Karthago en vormde daarvan de Regio Syrtica of de Syrtische landstreek. Na den tweeden Punischen oorlog werd zij door de Romeinen ten prooi gelaten aan de Numidische koningen, en na de onderwerping van dezen, bij de Romeinsche provincie Afrika gevoegd.Nadat in de derde eeuw na Christus, het gebied der drie steden Oea, Sabrata en Groot Deptis tot ééne provincie verheven was, ontstond de Grieksche naam Tripolis of Drie Steden. Na den inval der Arabieren in de VIIdeeeuw, deelde de stad het lot van het overige Barbarije.In 1509 werd de stad Tripoli door de Spanjaarden onder graaf Pietro van Navarra veroverd en aan het gezag van een Spaanschen stadhouder onderworpen. Keizer Karel V gaf haar in 1530 in leen aan de ridders van Sint Jan, maar reeds in 1551 werd zij door de Turken heroverd en was na dien tijd de hoofdzetel der zeerovers aan de Afrikaansche kust. In 1681 deed Koning Lodewijk XIV de Tripolitaansche zeeschuimers door den admiraal Duquesne in de haven van Seios aantasten, waarbij vele hunner schepen in den grond geboord werden. In 1685 bombardeerde de maarschalk d’Estrées de stad met zoo goed gevolg, dat de Dey den vrede met een half millioen livres koopen moest. In 1714 maakte de Turksche Pacha Hamed Bey zich nagenoeg onafhankelijk van de Porte, doordien hij aan deze enkel een jaarlijksche schatting betaalde en de dynastie der Karamanli stichtte. In 1728 ondernamen de Franschen eene expeditie tegen Tripoli, die met de verwoesting der stad eindigde. Evenwel vernietigde eerst de verovering vanAlgiersdoor de Franschen in 1830 de te Tripoli gevestigde zeeschuimers. In 1835 eindelijk ontzette de Porte het Huis Karamanli van zijne heerschappij en voegde Tripoli als een ejalect aan het Turksche rijk.Die aardrijks- en geschiedkundige bijzonderheden zullen den lezer gewis niet onwelkom geweest zijn, en kunnen wij thans ons verhaal vervolgen.Het uitgestreke plein van SoungEttélaté, dat zich ten oosten buiten de muren van Tripoli uitspreidt, leverde op den 23stenNovember een zonderlingen aanblik op. Dien dag zou men onmogelijk hebben kunnen zeggen, of dat plein woest of wel vruchtbaar was. Op zijne[159]oppervlakte wemelde het toch inderdaad van veelkleurige tenten, die met roode kwasten uitgemonsterd en met vlaggen versierd waren en de meest schelle kleuren te zien gaven, van gourbis, welks tentlinnen versleten en veelvuldig versteld, den bewoners daarvan slechts onvolkomen beschutting kon verleenen tegen den invloed van den „gibly,” een drogen en heeten wind, die uit het zuiden waait. Hier en daar werden groepen van paarden ontwaard, die op oostersche wijze getuigd waren, van kameelen, die op het zand uitgestrekt lagen en wier hoofd veel op een half geledigd vat geleek, van kleine ezels, die niet veel grooter waren dan groote honden, van muildieren met die overgroote zadels getuigd, welker lepel en zadelknop als een bult van een kameel uitsteekt. Verder waren daar ruiters, met het geweer op den rug, met de knieën ter hoogte van de borst, met de voeten in stijgbeugels, die wel eenigermate op sloffen gelijken, met een dubbele sabel aan den koppel, die dan te midden van eene groote menigte van mannen, vrouwen en kinderen rond galoppeerden, zonder zich te bekreunen, of zij ook iemand in het voorbijgaan overrijden en verpletteren konden. Eindelijk werden daar ook nog inboorlingen aangetroffen, die bijna eenvormig met de Barbarijsche „haouly” gekleed waren, waaronder men geen man van eene vrouw zou kunnen onderscheiden, wanneer de mannen namelijk de plooien van dat kleed of die soort deken niet ter hoogte hunner borst met een koperen knoop vastmaakten, terwijl de vrouwen de voorslip zoodanig over het gelaat trekken, dat slechts het linker oog zichtbaar is. De onderkleeding van die haouly, die slechts een soort wollen mantel is, verschilt volgens de klasse, waartoe de drager behoort. De armen dragen haar over de naakte huid, de welgestelden dragen daaronder het vest en de breede broek der Arabieren; de rijken hebben prachtige kleedingstukken, geruit wit met blauw, waaronder zij een tweede haouly van gaas dragen, die uit wol met zijde doorweven bestaat en op een hemd, dat met gouden koortjes versierd is, gedragen wordt.Waren het alleen Tripolitanen, die daar op dat plein verzameld waren?Zeker niet. In den omtrek van de hoofdstad verdrongen zich kooplieden van Ghadamès en Sohna en werden gevolgd door eene escorte van zwarte slaven. Dan waren daar Joden en Jodinnen uit de omliggende provinciën. De laatstbedoelden hadden het gelaat ongesluierd, waren volgens hunne geaardheid vet en droegen zeer onsmaakvolle broeken. Verder wemelden daar negers uit de naburige plaatsen die hunne ellendige dorpen verlaten hadden, om hier de feestelijkheden te komen bijwonen. Deze droegen zeer weinig linnengoed, daarentegen veel sieraden bestaande uit ruwe koperen armbanden, halssnoeren van schelpen, reeksen van dierentanden,[160]zilveren ringen in de ooren en in het neusbeen. Dan nog werden daar ontwaard Benoulienen, Awagairren, die den omtrek der Syrtische baai bewonen en die uit den dadelboom, die in hun land groeit, wijn, vruchten, brood en confituren trekken. En eindelijk te midden van die opeenhooping van Mooren, Berbers, Turken, Bedouïnen en zelfs Moucafirs, zooals de Europeanen genoemd worden, paradeerden pacha’s, cheiks’s, kadi’s, kaid’s, in één woord al de voornamen van die buurt, die door de menigte van raja’s drongen, welke laatsten nederig en voorzichtig uitweken voor de ontbloote sabel der soldaten of voor den politiestok der rapties, wanneer de gouverneur-generaal van dat Afrikaansche bewind van die Turksche provincie, welker administratie—zooals wij weten—van den Sultan van Constantinopel afhankelijk is, in zijne voorname en verheven onverschilligheid voorbijging.Men telt, zooals reeds gezegd werd, meer dan vijftienhonderdduizend bewoners in het Regentschap Tripoli, met een garnizoen van duizend soldaten. Hierbij dient gevoegd te worden een duizendtal voor de Djebel-, en vijfhonderd voor de Cyrenaïsche streken. De hoofdplaats Tripoli, alleen in de bevolkingstelling opgenomen, bevat niet meer dan dertig of hoogstens vijf en dertig duizend zielen. Dien dag kon evenwel gerekend worden, dat het aantal dier bevolking minstens verdubbeld was, door den toevloed van nieuwsgierigen, die van het geheele regentschap samengestroomd waren. Die landbewoners hadden evenwel geen onderkomen in de hoofdstad des rijks gezocht. Want een zoo groote menigte zou noch tusschen de weinig rekbare walmuren van de versterkte omheining, noch in de woningen, die door het slechte gehalte der gebezigde bouwmaterialen, weldra in een staat van puinhoopen verkeeren, noch in de nauwe en smalle ongeplaveide straten en stegen, waarin voor het meerendeel zelfs de vrije toetreding van lucht ontzegd is, noch in de havenvoorstad, alwaar zich de consulaten bevinden, noch in het westerkwartier, waar de Joodsche volksstam krioelt, noch in het overige gedeelte der stad, dat ter beschikking van het Muzelmansche ras is gebleven, een beschikbare ruimte tot onderkomen aangetroffen hebben. Dat ware inderdaad eene volkomen onmogelijkheid geweest.Maar het plein Soung-Ettelâtch was uitgestrekt genoeg, om de vele vreemdelingen te bevatten, die samengekomen waren, om het Ooievaars-feest bij te wonen, dat eene legende tot grondslag heeft, welke steeds eenstemmig in de oostelijke landen van Afrika herdacht wordt. Wij zullen straks wel zien waarin dat Ooievaars-feest bestaat.Hier en daar sprongen ruiters rond en schoten hunne lange geweren en ruiterpistolen af. (Bladz. 172.)Hier en daar sprongen ruiters rond en schoten hunne lange geweren en ruiterpistolen af. (Bladz.172.)Die vlakte met haar geel zand, die door de zee bij langdurige oostewinden somtijds overstroomd wordt, kan beschouwd worden als een stukje van de Sahara-woestijn. Zij omgeeft de stad langs drie[161][162]kanten en heeft eene breedte van nagenoeg een kilometer. Als eene tegenstelling, die schril afsteekt, ontwikkelt zich aan hare zuidelijke grensscheiding de oase Menehié, met hare gebouwen, welker muren van witheid schitteren; met hare tuinen, die met behulp van magere koeien, die het water met een lederen drijfriem uit de diepe putten te voorschijn halen, besproeid worden; met hare bosschen van dadelpalmen, oranje- en citroenboomen; met hare steeds groene struiken, met bloemen overdekt; met hare antilopen, hare gazellen, hare flamingo’s. Die oase is een uitgestrekt afgesloten geheel, waarin eene zeer nijvere bevolking leeft, die niet minder dan dertig duizend zielen telt en grootendeels van de veeteelt, den akkerbouw en karavaanhandel bestaat.Daarachter wordt de eigenlijke woestijn aangetroffen, die op geen enkel punt van het uitgestrekte Afrika de kust van de Middellandsche zee zoo nabij komt. De woestijn, met hare beweeglijke duinvormingen, met hare onmetelijke uitgestrektheid van zand, waarvan de baron de Krafft zoo juist gezegd heeft, „dat de wind daarop even gemakkelijk golven veroorzaakt als op de zee”; een wareLybischeoceaan, waarop zelfs de nevel niet ontbreekt, die evenwel uit onvoelbare stof bestaat.Het Tripolitaansche rijk—een grondgebied bijna zoo groot als dat van Frankrijk—strekt zich tusschen het Regentschap Tunis, Egypte en de Sahara uit, en heeft eene kustlijn van ruim drie honderd kilometer langs de Middellandsche zee.Het was in deze provincie dat Sarcany, na Tetuan verlaten te hebben, eene schuilplaats gezocht had. Die streek kon gerekend worden te behooren tot de minst bekende van Noord-Afrika, waar iemand zich dus gevoegelijk kon verbergen, zonder de vrees te koesteren, althans van wege Europeesche autoriteiten ontdekt te zullen worden. Hij was in Tripoli geboren en dat land was het tooneel zijner eerste heldendaden geweest. Hij deed dus niets meer dan naar zijn bakermat terugkeeren. Daarenboven was hij, zooals de lezer zich ongetwijfeld herinneren zal, geaffilieerd aan het zoo gevreesde bondgenootschap van Noord-Afrika en kon hij daar op werkelijke hulp van de Senousisten rekenen, welker belangen hij steeds in den vreemde ijverig had voorgestaan en voor wie hij steeds inkoopen van wapenen en munitiën had verricht. Het was vooral als agent dier dweepers, dat hij indertijd Silas Toronthal zeer veel geld had laten verdienen.Toen hij dan ook te Tripoli aankwam, had hij huisvesting gevonden in de woning van den Moquaddem Sidi Hassan, het erkende opperhoofd van de Sectegenooten in het district. Bij dien man was hij volkomen te huis.Na de ontvoering van Silas Toronthal op den weg naar Nizza,[163]eene ontvoering die voor Sarcany onverklaarbaar was gebleven, had deze Monte Carlo verlaten. Eenige duizenden franken, de laatste van vroegere winsten, die hij niet als laatsten inzet gewaagd had, hadden hem veroorloofd, om in de onkosten zijner reis te voorzien en aan de overige mogelijke gebeurlijkheden het hoofd te bieden. En onder die gebeurlijkheden behoorde de mogelijkheid, dat Silas Toronthal, inderdaad door de wanhoop vervoerd, er toe besloten kon hebben, zich op hem te willen wreken, hetzij door het verleden aan het licht te brengen, hetzij door den toestand van Sava bloot te leggen. Want de bankier wist maar al te goed, dat het jonge meisje zich te Tetuan in de macht van Namir bevond. Die overwegingen waren oorzaak, dat Sarcany besloot Marokko zoo spoedig mogelijk te verlaten. Want daar gevoelde hij zich niet meer veilig.Dat was voorwaar zeer voorzichtig handelen; want zooals de lezer reeds weet, had Silas Toronthal niet lang gedraald met de mededeeling in welk land en in welke stad het rampzalige jonge meisje zich onder het toezicht van het Marokkaansche wijf bevond. Een enkele handdruk van Kaap Matifou was voldoende geweest, om hem tot die mededeeling over te halen; meer niet!Sarcany had dus het besluit genomen, om in het Regentschap Tripoli eene schuilplaats te zoeken, alwaar hem de aanvals- en verdedigingsmiddelen niet zouden ontbreken. Maar hij begreep,—en dat zag dokter Antekirrt zeer goed in,—dat het reizen derwaarts met een der pakketbooten, die de kustvaart uitoefenen, of met de Algerijnsche spoorbaan te veel gevaren voor hem zou opleveren. Hij gaf er dan ook de voorkeur aan, zich bij eene karavaan van Senousisten te voegen, die naar de Cyrenaïsche landstreek op weg was, en van de gelegenheid gebruik te maken, om in de voornaamste villayets van Marokko, Algiers en het Tunische grondgebied nieuwe geaffiliëerden voor het eedgenootschap aan te werven. Zijn reis had dus, zooals men ziet, een dubbel doel.Die karavaan, die zeer wel de vijfhonderd uren afstand tusschen Tetuan en Tripoli zou afleggen, en daarbij de noorder-zoom der woestein dacht zou volgen, vertrok op den 12denOctober van eerstgenoemde plaats.Sava was thans geheel aan de genade of ongenade van hem, die haar ontvoerde, overgeleverd; maar hare standvastigheid, haar zelfvertrouwen was daarom niet geschokt. Noch de bedreigingen van Namir, noch de toorn van Sarcany scheen haar te deren. Het jonge meisje ontwikkelde eene wilskracht, die een ieder ongelooflijk moet voorkomen.Bij haar vertrek telde de karavaan reeds een vijftigtal Khouâns of geaffiliëerden, die onder de leiding van een imam, een geestelijke, die hen op militairen voet organiseerde, ingedeeld waren. Er was[164]daarbij geen kwestie, om de provinciën door te trekken, die aan het Fransche gezag onderworpen zijn en waar hun doortocht moeielijkheden zou kunnen ondervinden. Zij zou die langs de zuidelijke grenzen geheel en al ontwijken.Het Afrikaansche vasteland vormt, door de gedaante van het kustland van Algiers en Tunis, een grooten boog tot aan de westkust van de Groote Syrtische zee, die plotseling naar het zuiden insnijdt. Daaruit volgt natuurlijk, dat de kortste weg van Tetuan naar Tripoli is de koorde welke dezen boog onderspant. En die weg voert niet noordelijker dan Lagouât, een der laatste Fransche steden op de grenzen der Sahara gelegen.De karavaan trok, na het Marokkaansche keizerrijk verlaten te hebben, langs de grenzen van die rijke Algerijnsche provinciën, welke men voorgesteld heeft „Nieuw Frankrijk” te heeten, en die inderdaad wel Frankrijk zelf mogen heeten, met meer recht dan Nieuw Caledonië, Nieuw-Holland, Nieuw-Schotland, die veel minder op Schotland, Holland en Caledonië, dan Algiers op Frankrijk gelijken. Daarenboven, eene zee van slechts dertig uren breedte, scheidt dat land van het Fransche grondgebied, en met onze tegenwoordige gemeenschapsmiddelen mag die zee geen scheidsmuur heeten.In het Beni-Matansche, zoowel als in de Oulad Nail en de Charfat-El-Hamal-streken, vermeerderde de karavaan nog met een zeker getal geaffiliëerden. Hare sterkte was dan ook tot ruim drie honderd man gestegen, toen zij het Tunische kustland, op de grens der Syrtische zee bereikte. Zij had toen slechts den oever te volgen, terwijl zij andermaal nieuwe leden onder de Khouâns in de vele dorpen dier provincie aanwierf, en waarbij Sarcany al zijn invloed en schranderheid bezigde.De karavaan kwam op den 20stenNovember bij de grenzen van het regentschap aan, na eene reis van ruim zes weken.Dus op het oogenblik, toen dat Ooievaarsfeest met groote plechtigheid en omhaal zou gevierd worden, waren Sarcany en Namir nog slechts sedert drie dagen de gasten van den Moquaddem Sidi Hassan, wiens woning thans tot gevangenis van Sava Sandorf strekte. Waarlijk, de karavaan had zich wel gehaast, want zij had gedurende de negen en dertig dagen, die zij tot de reis besteed had, een groot traject afgelegd.De woning van den Moquaddem, welke door een slanken minarettoren beheerscht werd, had met hare witgekalkte muren, waarin volstrekt geen vensters, maar wel hier en daar schietgaten gebroken waren, met hare gecreneleerde terrassen, met hare smalle en lage deur, wel eenigszins het uiterlijk van eene kleine vesting, of beter van een zeer sterk blokhuis. Het was ook inderdaad een ware zaoaiya, welke buiten de stad gelegen was, op de grens tusschen de[165]zandvlakte en de aanplantingen van Menehié, welker akkers, omgeven door een hoog staketsel, tot bij het grondgebied der oase voortdrongen.Het innerlijke dier woning vertoonde den gewonen bouwtrant der Arabische huizen, met dien verstande dat die bouwtrant hier als het ware verdriedubbeld was, hetgeen te beduiden heeft, dat er drie patio’s of binnenplaatsen te tellen waren. Rondom elk dier patio’s ontwikkelde zich een vierkant van galerijen met hare zuiltjes en kanteelbogen, waarop de verschillende vertrekken van de woning, die voor het meerendeel zeer rijk gemeubeld waren, uitkwamen. De vloeren dier galerijen waren met kostbare marmersteenen ingelegd, en de zuilen daarvan kunstig gebeeldhouwd.Op het tweede binnenplein vonden de bezoekers of de gasten van den Moquaddem eene ruime „stufa”, een soort van vestibule of van hall, waarin reeds meer dan eene raadbelegging onder de leiding van Sidi Hassan door de Senousisten had plaats gehad. Dat was eigenlijk het vertrek, waarin de saamgezworenen krijgsraad hielden.Maar behalve dat die woning eene natuurlijke bescherming in hare hooge en doelmatig aangelegde muren vond, bevatte zij bovendien een zeer talrijk personeel, dat tot hare verdediging veel kon bijbrengen, ingeval van aanval van den kant der zwervende Barbaresken, die steeds mogelijk was, of zelfs van den kant der Tripolitaansche autoriteiten, die steeds poogden de Senousisten der provincie aan zich te onderwerpen, hetgeen tot heden niet gelukt was.Die woning bezat een garnizoen van ruim vijftig geaffiliëerden, die, uitmuntend bewapend, niet alleen ter verdediging, maar ook tot aanval konden dienen. Die mannen, gekozen onder de meest dweepzieken, waren uitmuntend geoefend.Slechts een enkele deur verleende toegang tot die zaoaiya; die deur was daarenboven uitermate dik en stevig met ijzerwerk beslagen. Men zou haar niet gemakkelijk opengebroken hebben, en slaagde dat ook al, dan zou haar drempel nog niet zoo gemakkelijk te overschrijden zijn; want dan eerst begon het ernstige gevecht.Sarcany had dus bij den Moquaddem eene veilige schuilplaats gevonden.Daar hoopte hij zijne heillooze plannen tot een goed einde te voeren.Zijn huwelijk met Sava moest hem een zeer aanzienlijk vermogen verzekeren, en hij kon desnoods op den bijstand van het eedgenootschap rekenen, wiens belangen bij zijn welslagen direct betrokken waren. Die dweepers zouden niet aarzelen, hem bij zijne snoode plannen bij te staan.Wat de geaffiliëerden betrof, die van Tunis aangekomen of in de villayets aangenomen waren, deze hadden zich in de Menehié-oase verspreid; maar waren toch gereed, om op het eerste sein te zamen te komen.[166]Dat Ooievaars-feest zou, zonder dat de Tripolitaansche politie zulks gissen kon, juist de plannen der Senousisten in de hand werken. Daar op die vlakte van Soung-Ettélaté zouden de Khouâns van noordelijk Afrika het wachtwoord der mufti’s komen ontvangen, om hunne concentratie op Cyrenaïsch gondgebied te bewerkstelligen en een waar rijk van zeeschuimers onder de machtige bevelen van een kalief te stichten, hetgeen met de overoude neigingen van die strandbewoners maar al te zeer strookte.Daartoe waren de omstandigheden zeer gunstig, wijl het eedgenootschap juist in de villayet Ben Ghazi, de voornaamste der Cyrenaïsche streken, reeds het grootste ledental telde, hetwelk geheel tot handelen gereed was.Den dag, waarop het Ooievaars-feest in het Tripolitaansche rijk gevierd zou worden, drentelden drie vreemdelingen op de vlakte van Soung-Ettélaté, tusschen de menigte, welke zich daar bevond, rond.Niemand zou die vreemdelingen, onder hunne Arabische kleeding, voor Moucafirs, voor Europeanen herkend hebben. De oudste der drie droeg daarenboven zijn kostuum met eene gemakkelijkheid, die slechts door eene langdurige gewoonte kon verkregen worden. Men zag het hem aan, dat hij den tulband en de Chlamyde (bovenkleed) meer gedragen had.Dat was dokter Antekirrt, die van Piet Bathory en Luigi Ferrato vergezeld was.Pescadospunt en Kaap Matifou waren in de stad gebleven, waar zij zich met zekere voorbereidende werkzaamheden bezighielden. Ongetwijfeld zouden zij ten tooneele verschijnen, wanneer daartoe het oogenblik gekomen zou zijn. Zij beiden zouden toch in de beraamde plannen de voornaamste rol te vervullen hebben, zooals de lezer wel zien zal.Het was ter nauwernood vier en twintig uren geleden, sedert deElektriek2 in den namiddag onder beschutting van die uitgestrekte rotsen, welke voor de haven van Tripoli een natuurlijken dam vormen, ten anker gekomen was.De overtocht was, zoowel bij de heen- als bij de terugreis, voorspoedig geweest.Men had zich slechts drie uren opgehouden te Philippeville, aan de kleine kreek Filfila gelegen; overigens niet. En dat oponthoud was nog geschied, om zich Arabische kleeding aan te schaffen. Daarna was deElektriekonmiddellijk vertrokken, zonder dat hare aanwezigheid in de Numidische golf de aandacht getrokken had. Hare geringe verhevenheid boven de oppervlakte van het water had haar daarbij uitnemend gediend.Dus, toen de dokter Antekirrt en zijne metgezellen ontscheept waren,—niet op de kaden van Tripoli, maar op de rotsen der buitenhaven—waren het geen vijf Europeanen, die voet aan wal[167]gezet hadden op den bodem van het Tripolitaansche grondgebied, maar waren het vijf Oosterlingen, wiens kleeding de aandacht niet kon trekken. Misschien zouden Piet Bathory en Luigi Ferrato zich, in die kleeding gestoken, door de ongewoonte voor scherpziende toeschouwers verraden hebben; maar Pescadospunt en Kaap Matifou, gewoon aan de veelvuldige gedaanteverwisselingen en verkleedingen der kermispotsenmakers, waren er geheel op hun gemak in, en bewogen zich als volbloed Arabieren. Die beide grappenmakers konden evenwel een glimlach niet verbergen, wanneer zij elkander aankeken.Toen de nacht ingevallen was, ging deElektriekzich verschuilen aan de andere zijde van de haven in eene der veelvuldige kreeken van die slecht bewaakte kust. Daar moest dat vaartuig zich gereed houden, om op ieder uur van den nacht of van den dag zee te kunnen kiezen. Aan die opdracht werd natuurlijk stipt voldaan.Zoodra dokter Antekirrt en zijne metgezellen ontscheept waren, stapten zij langs den rotsachtigen oever voort en volgden daarna den van groote rotsblokken vervaardigden kadedam, die naar Bab-el-Bahr voerde, traden de zeepoort binnen en bevonden zich weldra te midden van de nauwe straten der stad.Het eerste hôtel, dat zij op hunnen weg ontmoetten,—en de keus was niet moeielijk, want er waren er niet veel,—scheen hun voldoende toe, om er ettelijke dagen, misschien slechts weinige uren door te brengen. Zij toonden zich daar als bescheiden lieden, en gaven voor eenvoudige Tunische kooplieden te zijn, die bij hunne doorreis te Tripoli van de gelegenheid wilden gebruik maken, om het Ooievaars-feest bij te wonen. Daar dokter Antekirrt het Arabisch even zuiver en juist sprak als de overige taaleigens van de Middellandsche zee, zoo kon zijne spraak hem niet verraden.De kastelein ontving de vijf reizigers, die hem de eer wilden aandoen in zijne inrichting af te stappen, uiterst voorkomend. Het was een dik man, die zeer praatziek was. Daarvan maakte dokter Antekirrt behendig gebruik, en vernam zoodoende zaken, die hem bijzonder belang inboezemden. Al dadelijk wist hij, dat eene karavaan kort geleden van Marokko in het Tripolitaansche rijk was aangekomen. Daarna vernam hij, dat Sarcany, die in het Regentschap zeer bekend was, van die karavaan deel had uitgemaakt en dat hij thans de gastvrijheid genoot in de woning van den beroemden Moquaddem Sidi Hassan in de zaouiya op de vlakte van Soung Ettélaté.Dat was de reden, waarom dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato, na de meest mogelijke voorzorgen genomen te hebben, zich dienzelfden avond nog begeven hadden te midden der menigte van nomaden op de vlakte van Soung Ettélaté. Zij bespiedden[168]al wandelende de woning van den Moquaddem Si-Hassan, op den zoom van de Oase Menehié gelegen.Daar was dus Sava Sandorf opgesloten! In die sterke woning bevond zich dus het eenige kind van den graaf.Sedert het verblijf van dokter Antekirrt te Ragusa, waren nimmer vader en dochter dichter bij elkander geweest dan thans! En toch, door hoeveel hinderpalen waren zij niet gescheiden!Het was niet alleen een schier onoverkomelijke muur, die het grootste beletsel daarstelde!Inderdaad, Piet Bathory was in die oogenblikken tot alles in staat, zelfs om met Sarcany te onderhandelen, om Sava maar aan zijne macht te ontrukken. Graaf Mathias Sandorf en hij waren bereid, om hem die wenschen te laten verwezenlijken, welke de ellendeling begeerde! En toch, zij konden en mochten niet vergeten, dat zij recht moesten uitoefenen over den verrader van professor Stephanus Bathory en van graaf Ladislas Zathmar!Intusschen moesten zij in de omstandigheden, waarin zij zich vonden, erkennen, dat de bemachtiging van Sarcany en debevrijdingvan Sava Sandorf uit het huis van den Moquaddem Sidi Hassan eene bijna onuitvoerbare taak was. De moeielijkheden waren schier onoverkomelijk, dat kon onmogelijk ontveinsd worden.Zou men in plaats van geweld, dat toch geen kans van welslagen aanbood, list moeten gebruiken? En zou het feest, dat den volgenden dag gevierd zou worden, daartoe gelegenheid geven? Ja, dat zou het zonder twijfel. Pescadospunt had daaromtrent een plan ontworpen, en het was met dit plan, dat dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato zich dien avond onledig hielden. Ieders rol moest goed besproken worden, om in het gewichtigste oogenblik geene teleurstelling, die alles verijdelen kon, te ondervinden.Bij de uitvoering van dat plan zou de moedige ontwerper zijn leven wagen; maar gelukte het hem de woning van den Moquaddem Sidi Hassan binnen te dringen, dan was er veel kans, dat hij er in slagen zou, Sava Sandorf te ontvoeren. Niets scheen voor den moed en de behendigheid van Pescadospunt onuitvoerbaar.Het was dus ter uitvoering van het vastgestelde plan, hetwelk wij bij zijne ontwikkeling vernemen zullen, dat dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato zich daags daarna, tegen drie uren des namiddags, ter bespieding op de vlakte van Soung Ettélaté bevonden, terwijl Pescadospunt en Kaap Matifou zich intusschen voorbereidden voor de rol, die zij te midden van het bedrijvigste gedeelte van het feest te vervullen zouden hebben.Maar Kaap Matifou kende geen aanvallen van zwakte. (Bladz. 176).Maar Kaap Matifou kende geen aanvallen van zwakte. (Bladz.176).Op dat uur bestond er nog niets, dat een voorgevoel kon geven[169][170]van het leven, van het spektakel en van de beweging, waarvan de vlakte het schouwspel ging leveren, wanneer zij bij het vallen van den avond door ontelbare fakkels zoude verlicht worden. Ter nauwernood kon te midden van die dicht opeengepakte menigte het komen en gaan opgemerkt worden van de Senousistische saamgezworenen, die, zeer eenvoudig gekleed, elkander slechts door een soort van vrijmetselaarsteeken de bevelen hunner opperhoofden mededeelden.Het is evenwel hier de plaats, om eene Oostersche of beter Afrikaansche legende mede te deelen, waarvan de voornaamste bijzonderheden bij dat Ooievaars-feest, hetwelk eene groote aantrekkingskracht voor de Muselmansche bevolking heeft, in herinnering gebracht zouden worden.Op het Afrikaansche Vasteland bestond in vroeger tijden een ras van Djins. Die Djins bewoonden onder den naam van Bou-lhebers een uitgestrekt grondgebied, hetwelk op de grens van de Hamada-woestijn tusschen de Tripolitaansche en de Fezzaansche rijken gelegen was. Het was een machtige volkstam, die zeer woest en dus ook uitermate gevreesd was. Hij was oneerlijk, trouweloos, twistziek en onmenschelijk wreed. Geen Afrikaansche souverein had er nog terecht mede kunnen komen. Zij hadden weerstand weten te bieden aan iedere poging, om hen aan tucht te gewennen.Het gebeurde eens, dat de profeet Soeleyman eene poging aanwendde, niet om de Djins aan te vallen of te onderwerpen, maar om hen tot het goede te bekeeren. Te dien einde zond hij hen een zijner apostelen, om hun de liefde tot het goede en den haat voor het kwade te prediken. Het was verloren moeite! Die woeste horden grepen den zendeling en brachten hem wreedaardig ter dood. Zij ontzagen zich niet den heiligen man eerst te spietsen en hem verder, alvorens hij dood was, langzaam te verbranden.Dat de Djins zooveel stoutmoedigheid aan den dag legden, vond daarin zijn oorzaak, dat hun land afgelegen en zeer moeielijk te bereiken was. Zij wisten, dat geen naburig vorst zijne legerscharen in die streken durfde wagen. Zij meenden daarenboven, dat niemand den profeet Soeleyman zou gaan overbrieven, welk onthaal zijn zendeling ten deel gevallen was.Daarin vergisten zij zich evenwel. Allah waakte er over, dat de misdaad gestraft zoude worden.Een groot aantal ooievaars was, daar het winter in Noordelijk Europa was, in het land aanwezig. Zooals de lezer wel weten zal, zijn dat vogels, tot het geslacht der steltloopers behoorende, van zeer kuische zeden, die eene buitengewone schranderheid gepaard aan eene groote opmerkingsgave bezitten. De legende beweert toch, dat zij nimmer eene landstreek bewonen, welker naam op een[171]geldstuk voorkomt1, omdat het geld de bron is van alle kwaad en de machtigste hefboom is, die den mensch in den afgrond zijner bedorven hartstochten drijft.Nu hadden die ooievaars de verdorvenheid, waarin de Djins leefden, opgemerkt. Zij hadden den gruwelijken moord gezien en kwamen in eene groote vergadering bij elkander, om te beraadslagen en besloten daarin een hunner naar den profeet Soeleyman af te vaardigen, ten einde zijnen gerechten toorn over de moordenaars van den zendeling te doen ontbranden.De profeet riep dadelijk zijne „hiep” of lievelingskoeriers tot zich en gaf hen bevel al de ooievaars van de geheele wereld in de bovenstreken van Afrika bijeen te brengen.Dat geschiedde natuurlijk, en toen de ontelbare scharen van die vogels voor den profeet Soeleyman vergaderd waren,—zooals de legende woordelijk verhaalt,—vormden zij eene wolk, welker schaduw de geheele landstreek, tusschen Mezda en Morseug, had kunnen bedekken.Toen greep op bevel van den profeet ieder dier langsnavels een steen in den bek en vloog naar het land der Djins. En terwijl zij daarboven zweefden, steenigden zij dat slechte ras, welker zielen voor de eeuwigheid in het binnenste der Hamada-woestijn opgesloten zitten. Waarlijk, eene gerechte straf voor zulk een snoode daad!Dat is de fabel, die als het ware ten tooneele zoude gevoerd worden, en welker voorstelling het eigenlijke feest zou vormen. Eenige honderden ooievaars waren onder onmetelijke netten, die op de vlakte van Soung Ettélaté uitgespannen waren, verzameld. Daar wachtten zij, voor het meerendeel zooals gewoonlijk op één poot rustende, het uur der bevrijding af, terwijl zij door het geklepper met hunne lange snavels soms een gerommel in de lucht veroorzaakten, hetwelk wel iets van het geroffel van een menigte tamboers op hunne trommen had. Op een gegeven teeken moesten de netten plotseling verdwijnen en de vogels in de ruimte opstijgen, om gevaarlooze en nagemaakte steenen van weeke klei te midden van het gehuil der toeschouwers, het getoet der blaasinstrumenten en de losbranding van ontelbare geweren en verlicht door eene menigte fakkels met veelkleurige vlammen, op de opeengepakte geloovigen te laten neervallen.Pescadospunt was met het program van dat feest bekend, en dat was het, hetwelk hem op de gedachte gebracht had, er eene rol in te vervullen. Wellicht zou hij onder de gegeven omstandigheden,[172]die veel verwarring zouden daarstellen, gelegenheid vinden in het huis van den Moquaddem Sidi Hassan te dringen.Op het oogenblik toen de zon onderging, werd op het fort of kasteel van Tripoli een zwaar kanonschot gelost, dat het sein was, hetwelk door het publiek op de vlakte van Soung Ettélaté zoo lang en ongeduldig verbeid was. Statig rolde het zware geluid voort, wekte al de echo’s der omstreken op, en stierf eindelijk als een ver verwijderde donder weg.Dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato waren eerst als het ware verdoofd door het vreeselijke spektakel, dat zich in het eerste oogenblik van alle kanten hooren deed; vervolgens werden zij verblind door de duizenden lichtjes die op de vlakte schitterden. Het was, of de geheele Soung Ettélaté met al de sterren des firmaments getooid was.Toen dat kanonschot losbrandde, was die menigte van Nomaden nog bezig met hun avondmaal te nuttigen. Hier zag men er zich te goed doen aan gebraden schapenvleesch. Elders werd pilau met kippenvleesch er bij verorberd door hen, die Turk waren of daarvoor wenschten door te gaan; op eene andere plek ontwaarde men bij vermogende Arabieren couscoussou; verder zag men een eenvoudige „bazina,” eene soort pap van gruttemeel met olie gekookt, die het gewone voedsel uitmaakte van die arme drommels, evenals elders het meest talrijk, die meer koperen „mehbouhs” dan gouden „mictals” op zak hadden; eindelijk ontwaarde men overal en inderdaad met stroomen, de „lagby,” een soort vruchtensap, afkomstig van den dadelpalm, dat wanneer het evenals het bier gegist heeft, zooveel alcohol bevat, dat het meer dan smoordronken, ja, dat het stapelgek maakt.2Eenige minuten nadat het kanonschot gedreund had, waren allen, mannen, vrouwen, kinderen, Turken, Arabieren,Khouânsen Negers reeds als buiten zich zelven van opgewondenheid. Het was waarlijk noodig, dat de koperen blaasinstrumenten van die barbaarsche orchesten buitengewoon geluidmakend waren, om zich te midden van dat menschelijk spektakel te kunnen doen vernemen. Hier en daar sprongen ruiters met hunne paarden rond en schoten hunne lange geweren en hunne ruiterpistolen af, terwijl vuurwerk afgestoken werd en moorslagen knalden, alsof het geschut was, dat losgebrand werd te midden van een leven, hetwelk onmogelijk te beschrijven zoude zijn.Hier was een negerhoofd, dat, potsierlijk aangekleed, met rammelende beentjes aan zijn buikgordel, terwijl zijn gelaat door een[173]duivelsch mombakkes bedekt was, en bij het licht van walmende toortsen, en aangevuurd door het geroffel op houten trommen en door het klagend opdreunen van een eentonig gezang, een dertigtal zwarte kroeskoppen, die te midden van een kring van stuiptrekkende vrouwen, welke in de handen klapten, hunne vertooning opvoerden, tot den dans aanmoedigde.Elders waren er wilde Aïssassouas, die tot het uiterste door godsdienstige en alcoholische3opgewondenheid vervoerd waren en met opgespoten gelaatstrekken en met uitpuilende oogen, hout tusschen de tanden maalden, op ijzer kauwden, zich diepe insnijdingen in de huid maakten, met gloeiende kolen goochelden, zich door afgrijselijke slangen lieten omwikkelen, die hen aan de handen, aan de wangen, aan de lippen beten, en die zij met gelijke munt betaalden door hun bloedige staarten te verorberen.Maar in weerwil van dat aanlokkelijke schouwspel, drong de menigte weldra volijverig op naar den kant van het huis van den Moquaddem Sidi Hassan, alsof eene nieuwe en meer belangwekkende vertooning haar daarheen getrokken had.En inderdaad, daar bevonden zich twee mannen, de een buitengewoon groot en dik, de andere buitengewoon klein en slank. Het waren twee akrobaten, wier opmerkenswaardige krachts- en behendigheidsoefeningen, die te midden van eene vierdubbele rij toeschouwers uitgevoerd werden, de meest levendige toejuichingen, die door een Tripolitaanschen mond konden uitgestoten worden, verwierven. Het was daar om hooren en zien te doen vergaan.Het waren Pescadospunt en Kaap Matifou, die waarlijk geheel en al op dreef waren.Zij hadden eene plek uitgekozen, om hunne kermisvertooning op te voeren, welke slechts op weinige passen afstand van de woning van den Moquaddem Sidi Hassan gelegen was. Beiden hadden voor deze bijzondere gelegenheid hun baantje van voorheen, hun baantje van kenniskunstenaars ter hand genomen. Zij waren behoorlijk gekleed in een gelegenheidspakje, dat zij van Arabische stoffen vervaardigd hadden, en hoopten op daverende toejuichingen.„Je zult toch niet te zeer verroest wezen?” had Pescadospunt alvorens te beginnen aan Kaap Matifou gevraagd.„Verroest?… Wat meen je?” had de reus gevraagd. „Ik ben toch geen oude spijker, denk ik?”[174]„Neen, dat weet ik wel; maar ik vraag je, of je soms stijf in de gewrichten geworden bent?”„Neen, volstrekt niet,” antwoordde Kaap Matifou. „Dat zul je wel ondervinden.”„En je deinst voor geene oefening terug … Voor geen enkele? Bedenk je wel.”„Neen, voor geen enkele. Maar wat zal het doel van die oefening wezen? Zeg mij toch.”„Het doel moet wezen om die lummels in vervoering te brengen. Zul je daarvoor niet terugdeinzen?”„Ik!… ooit terugdeinzen!… Kom, je houdt mij voor den gek,” sprak Kaap Matifou verstoord.„Zelfs, wanneer je …”Pescadospunt scheen te aarzelen.„Wat? Ga toch voort. Je bent anders zoo spraakzaam en thans sta je te kieskauwen.”„Nu ja, zelfs wanneer je keisteenen met de tanden moet fijnmalen?” vroeg de kleine man.„Is dat alles?” was de ietwat kleinachtende wedervraag van den reus.„Of slangen oppeuzelen?”„Slangen?”Thans scheen Kaap Matifou te aarzelen.„Ja, slangen!”„Gekookt?” vroeg Kaap Matifou. „Gekookt of rauw, daarin bestaat onderscheid.”„Neen, rauw! waarde Kaap. Geheel rauw.”„Rauw?… Br! br!”„En nog wel levend!”Kaap Matifou had een leelijk gezicht getrokken; maar als het moest zijn, dan was hij besloten om slangen te eten, evenals een eenvoudige Aïssasoua. Hij pruttelde evenwel nog iets tegen.„Moeten wij dat voor ons pleizier doen?” vroeg hij na een poos bedenkens.„Voor ons pleizier neen,” antwoordde Pescadospunt met een guitigen glimlach op de lippen.„Maar waartoe dan die gekheid?”„Zooals ik je gezegd heb, om die lummels in vervoering te brengen.”„Loop heen!” had de reus geantwoord. „Voor die schoeljes eet ik geen slangen. Als het nog Europeanen, als het nog Franschen waren! Dan was het wat anders.”„Och, die kerels kunnen ons ook niet schelen,” antwoordde Pescadospunt, hartelijk lachende.[175]„Maar, waarom dan?”„Kaaplief, je schijnt maar niet te kunnen begrijpen.”„Maar, wat dan?”„Dat we eene rol spelen. Wij moeten het groote doel bevorderen. Wij moeten de bevrijding van juffrouw Sava bewerken.”„Met levende slangen te eten?” vroeg de reus hoofdschuddend. „Als ik dat er mee bewerken kan, ben ik bereid een frikadel van alle slangen der wereld te maken en die op te peuzelen.”Dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato bevonden zich onder de menigte van toeschouwers en verloren hunne makkers niet uit het oog, hoewel zij zich te midden van dien ontzaglijken menschendrom de grootste inspanning daartoe moesten getroosten.Neen, Kaap Matifou was niet verroest! Hij had niets van zijne buitengewone kracht verloren. Vijf of zes Arabieren, en nog wel van de stevigsten uit een geheelen hoop, hadden een kans gewaagd door met hem te worstelen. Maar zij lagen al heel spoedig op den grond uitgestrekt, met de schouders in aanraking met het maaiveld, zooals de akrobatische uitdrukking luidt.Daarna volvoerden beide kunstenaars te zamen goocheltoeren, die de Arabieren, daar verzameld, in verrukking brachten, vooral toen zij elkander behendig brandende fakkels toewierpen, die overgaande van de hand van Pescadospunt in die van Kaap Matifou, hare vurige zigzags kruisten. Dat verwekte algemeene verbazing.En toch kon dat publiek, waarvoor zij werkten, terecht moeielijk te bevredigen zijn.Er bevonden zich toch onder die menigte een vrij groot aantal van hen, die de half wilde Touaregs hadden leeren bewonderen, welker lenigheid en behendigheid aan die der vlugste diersoorten mag gelijk gesteld worden, zooals weleer met veel ophef in het bewonderingwekkend program van den beroemden kermistroep van Bracca aangekondigd werd. Die kenners en bewonderaars hadden toch gelegenheid gehad den stoutmoedigen Mustapha, den Samson der woestijn, het kanonmensch toe te juichen, „wien de koningin van Groot Brittanje en Ierland door haren kamerdienaar, bij gelegenheid van dergelijke voorstellingen te Londen, had laten verzoeken, niet meer zijne oefeningen te herhalen, bevreesd als de vorstin was, dat er een ongeluk zoude gebeuren!”Maar Kaap Matifou was onvergelijkelijk bij zijne krachtsvertooningen en hij behoefde voor geen mededinger bevreesd te zijn. Neen, voor niemand ter wereld, al ware het Hercules, de goddelijke zoon van Alcmene, in eigen persoon geweest.Eindelijk kwam er eene laatste oefening, die de geestdrift van die cosmopolitische menigte, welke de Europeesche kunstenaars omgaf, ten top voerde. En hoewel die oefening voor de Europeesche[176]kermisspellenoud en versleten mocht heeten, scheen zij hier voor de Tripolitaansche nieuwsgierigen nog de aantrekkelijkheid der nieuwheid te hebben.De toeschouwers verdrongen dan ook elkander, ja verpletterden zich schier rondom de beide kunstenaars, die bij afwezigheid der zon in dit uur bij fakkellicht werkten.Kaap Matifou had een staak gegrepen, die vijf en twintig of dertig voet lang was en hield hem met beide handen, die op zijne borst rustten, loodrecht omhoog. Pescadospunt klom met een behendigheid van een aap langs dien staak naar boven, en bij het uiteinde gekomen, nam hij daar, terwijl hij den staak onrustbarend deed buigen, de meest bevallige houdingen aan. Inderdaad, het was een verrukkelijk maar uiterst moeielijk kunststuk. Een zwak oogenblik bij hem, die den staak torste, en een val kon niet uitblijven. En die val moest voor den armen Pescadospunt noodlottig zijn.Maar Kaap Matifou kende geene aanvallen van zwakte. Hij stond daar, met achterover gebogen hoofd en vooruitgestrekte borst, onwrikbaar stevig als de rots, waarvan hij den naam voerde, hoewel hij bij zijne pogingen om den staak met den daarop kunsten-vertoonenden Pescadospunt in evenwicht te houden, trappelde, zich keerde en draaide en langzamerhand van plaats veranderde.Toen hij eindelijk in de onmiddellijke nabijheid van den heiningmuur van Sidi Hassan’s woning gekomen was, dreef hij de vermetelheid zoo ver en ontwikkelde zooveel kracht, om den staak van zijne borst op te tillen, in de rechterhand te nemen en dien arm uit te strekken, terwijl Pescadospunt daarboven den stand aannam van den Roem en evenals die wufte godin kushandjes aan de menigte toezond. Het was inderdaad eene bevallige vertooning.De saamgepakte Arabieren en Negers waren buiten zich zelven van bewondering. Zij stieten schelle kreten uit, klapten woest met de voeten. Gelukkig, dat het geen planken vloer was, waarop zij stonden. Neen, waarlijk, dat moest erkend worden; zoo iets had de Samson der woestijn, de koene Mustapha, de stoutmoedigste der Touaregs, niet durven ten uitvoer leggen. De geestdrift was dan ook ten top; want zulke krachtsontwikkeling was inderdaad nog nooit waargenomen.In dit oogenblik dreunde op het onverwachtst een kanonschot van de wallen der citadel van Tripoli.Op dat sein vlogen de honderden ooievaars op, die eensklaps bevrijd werden van de onmetelijke netten, die hen gevangen hielden, stegen in de lucht op, terwijl zij, onder het uitvoeren van een klepperend concert, waarop met een onmetelijk geschreeuw, door de menschen aangeheven, geantwoord werd, eene hagelbui van nagemaakte steenen lieten neervallen, die natuurlijk niemand konden[177][178]deeren, daar zij, zooals gezegd werd, van weeke klei vervaardigd waren.Maar die deur was gesloten. (Bladz. 181.)Maar die deur was gesloten. (Bladz.181.)Dat was het glanspunt van het feest. De vogels van den profeet Soleyman leidden evenwel de aandacht zeer af.Men zou gezegd hebben, dat al de krankzinnigen-gestichten van Europa, Azië en Afrika plotseling ontruimd waren, en dat hunne bewoners op eens op de vlakte van Soung-Ettélaté in het Tripolitaansche Regentschap bij elkander gebracht waren; zulk een vreeselijk spektakel werd daar door die saamgeschoolde en opgewonden menigte aangeheven. Evenwel, alsof hare bewoners doof en stom waren, nog erger, alsof zij uitgestorven waren, was de woning van den Moquaddem Sidi Hassan hardnekkig gesloten gebleven gedurende die uren van algemeene vroolijkheid, en geen enkele bediende of huisgenoot was aan de deur of op de terrassen verschenen. Het was alsof daarin geen nieuwsgierigen, geen belangstellenden in het feest behoorden.Maar ziet! In hetzelfde oogenblik, toen al de fakkels, die het feest verlicht hadden, na de opstijging der ooievaars, plotseling uitgebluscht waren, was ook Pescadospunt eensklaps verdwenen, alsof hij met de getrouwe vogels van den profeet Soleyman hemelwaarts gevlogen was. Dat was inderdaad uiterst merkwaardig.Waar was hij heen gevaren?…Wat was er van hem geworden?Ja, wat? Dat wist niemand te verklaren. Daarop was geen antwoord te geven.Toch scheen Kaap Matifou zich omtrent die verdwijning niet veel te bekommeren. Nadat hij zijn staak in de lucht opgeworpen en hem vele buitelingen had laten maken, ving hij hem behendig bij het andere einde op, liet hem ronddraaien en bogen beschrijven, zooals de meest ervaren tamboer-majoor met zijn dikgeknopten stok zoude gedaan hebben. Het wegmoffelen van Pescadospunt scheen voor hem de natuurlijkste zaak der wereld te zijn. Hij keek met eene zelfvoldaanheid rond, alsof die goochelpartij tot het program behoorde.De bewondering der toeschouwers was intusschen ten top gestegen en hunne geestdrift uitte zich dan ook door een ontzaglijk hoerah, dat tot voorbij de uiterste grenzen der oase moest gehoord worden. Niemand hunner twijfelde er aan, of de behendige acrobaat was door de ruimte naar het rijk der Ooievaars vertrokken en was bij den profeet Soleyman aangeland.Het onverklaarbare bekoort in den regel de menigte het meest. Daarmede is zij steeds te verschalken.[179]
Tripoli, in het TurkschTarablus Giharb, ook Tripolitanië geheeten, is de meest Oostelijke der Berberijsche Staten en ligt aan de Middellandsche zee tusschen Tunis en Egypte en beslaat met de daartoe behoorende landstreken Fezzan en Barka, eene oppervlakte van ruim zestien duizend twee honderd vierkante geografische mijlen. Tripoli vormt eene vlakte, waarover slechts hier en daar uitloopers van het Atlasgebergte zich uitstrekken, en is vooral langs de kust zeer zandig. Terwijl de westelijke kustlanden vrij goed besproeid en vruchtbaar zijn, is het landschap Sort, hetwelk woestijn beteekent, ten oosten van kaap Mesurata, aan de Golf van Sidra gelegen, zeer onvruchtbaar en bedekt met duinen en moerassen, welke laatsten met zout water gedrenkt zijn. In het binnenland strekt de vlakte Westwaarts zich uit tot aan de Zwarte Bergen, die ongeveer 2700 voet hoog zijn en de noordelijke grenzen van Fezzan vormen en daar door diepe ouaddi’s of rivieren doorsneden zijn, welke hier en daar aan een weligen plantengroei het aanschijn verleenen.
Het klimaat is in Tripoli over het algemeen gezond en de winter wordt er vervangen door den regentijd.
Tripoli is bevolkt door 1,550,000 inwoners, die in de steden tot de Mooren en op het land tot de ArabischeBedouïnenen de Berbers behooren. Allen zijn natuurlijk belijders van den Mohammedaanschen godsdienst. Daarenboven zijn er ook veel Israëlieten, terwijl er in de stad Tripoli ook nog een paar honderd Europeanen, meest Italianen, aangetroffen worden.
DeBedouïnenhouden zich vooral bezig met de veeteelt, en de Mooren met den handel, vooral met den karavaanhandel. De nijverheid is in dat rijk weinig ontwikkeld; maar levert toch fraaie zijden, wollen en katoenen stoffen, wapens, lederen en metalen voorwerpen. De Tripolitaansche Staat vormt een ejalect of onderhoorigheid van het Turksche rijk en wordt namens den Sultan van Constantinopel bestuurd door een gouverneur-generaal.
„Wat ziet gij toch in dat komfoor?” (Bladz. 154.)„Wat ziet gij toch in dat komfoor?” (Bladz.154.)
„Wat ziet gij toch in dat komfoor?” (Bladz.154.)
De stad Tripoli, in het Arabisch Tarabolus geheeten, is op eene landtong aan de Middellandsche Zee gelegen. Zij wordt beschermd door hooge muren, bezit een fraai paleis voor den gouverneur-generaal, heeft nauwe maar zindelijke straten en eene door flinke batterijen[157][158]gedekte haven voor den zeehandel met Europa en den binnenlandschen handel met Afrika. In de stad telt men twaalf moskeeën, onderscheidene synagogen, eene Roomsch-Katholieke kapel, vele openbare baden, bazaars, karavancera’s, scholen, hôtels, enz. Er bestaat een levendige handel in corduaanleder, in wollen en zijden stoffen en zij telt eene bevolking van dertig duizend zielen.
Deze stad is het aloude Oea en in haren onmiddellijken omtrek vindt men nog vele oudheden.
Zij behoorde weleer tot het naburige Karthago en vormde daarvan de Regio Syrtica of de Syrtische landstreek. Na den tweeden Punischen oorlog werd zij door de Romeinen ten prooi gelaten aan de Numidische koningen, en na de onderwerping van dezen, bij de Romeinsche provincie Afrika gevoegd.
Nadat in de derde eeuw na Christus, het gebied der drie steden Oea, Sabrata en Groot Deptis tot ééne provincie verheven was, ontstond de Grieksche naam Tripolis of Drie Steden. Na den inval der Arabieren in de VIIdeeeuw, deelde de stad het lot van het overige Barbarije.
In 1509 werd de stad Tripoli door de Spanjaarden onder graaf Pietro van Navarra veroverd en aan het gezag van een Spaanschen stadhouder onderworpen. Keizer Karel V gaf haar in 1530 in leen aan de ridders van Sint Jan, maar reeds in 1551 werd zij door de Turken heroverd en was na dien tijd de hoofdzetel der zeerovers aan de Afrikaansche kust. In 1681 deed Koning Lodewijk XIV de Tripolitaansche zeeschuimers door den admiraal Duquesne in de haven van Seios aantasten, waarbij vele hunner schepen in den grond geboord werden. In 1685 bombardeerde de maarschalk d’Estrées de stad met zoo goed gevolg, dat de Dey den vrede met een half millioen livres koopen moest. In 1714 maakte de Turksche Pacha Hamed Bey zich nagenoeg onafhankelijk van de Porte, doordien hij aan deze enkel een jaarlijksche schatting betaalde en de dynastie der Karamanli stichtte. In 1728 ondernamen de Franschen eene expeditie tegen Tripoli, die met de verwoesting der stad eindigde. Evenwel vernietigde eerst de verovering vanAlgiersdoor de Franschen in 1830 de te Tripoli gevestigde zeeschuimers. In 1835 eindelijk ontzette de Porte het Huis Karamanli van zijne heerschappij en voegde Tripoli als een ejalect aan het Turksche rijk.
Die aardrijks- en geschiedkundige bijzonderheden zullen den lezer gewis niet onwelkom geweest zijn, en kunnen wij thans ons verhaal vervolgen.
Het uitgestreke plein van SoungEttélaté, dat zich ten oosten buiten de muren van Tripoli uitspreidt, leverde op den 23stenNovember een zonderlingen aanblik op. Dien dag zou men onmogelijk hebben kunnen zeggen, of dat plein woest of wel vruchtbaar was. Op zijne[159]oppervlakte wemelde het toch inderdaad van veelkleurige tenten, die met roode kwasten uitgemonsterd en met vlaggen versierd waren en de meest schelle kleuren te zien gaven, van gourbis, welks tentlinnen versleten en veelvuldig versteld, den bewoners daarvan slechts onvolkomen beschutting kon verleenen tegen den invloed van den „gibly,” een drogen en heeten wind, die uit het zuiden waait. Hier en daar werden groepen van paarden ontwaard, die op oostersche wijze getuigd waren, van kameelen, die op het zand uitgestrekt lagen en wier hoofd veel op een half geledigd vat geleek, van kleine ezels, die niet veel grooter waren dan groote honden, van muildieren met die overgroote zadels getuigd, welker lepel en zadelknop als een bult van een kameel uitsteekt. Verder waren daar ruiters, met het geweer op den rug, met de knieën ter hoogte van de borst, met de voeten in stijgbeugels, die wel eenigermate op sloffen gelijken, met een dubbele sabel aan den koppel, die dan te midden van eene groote menigte van mannen, vrouwen en kinderen rond galoppeerden, zonder zich te bekreunen, of zij ook iemand in het voorbijgaan overrijden en verpletteren konden. Eindelijk werden daar ook nog inboorlingen aangetroffen, die bijna eenvormig met de Barbarijsche „haouly” gekleed waren, waaronder men geen man van eene vrouw zou kunnen onderscheiden, wanneer de mannen namelijk de plooien van dat kleed of die soort deken niet ter hoogte hunner borst met een koperen knoop vastmaakten, terwijl de vrouwen de voorslip zoodanig over het gelaat trekken, dat slechts het linker oog zichtbaar is. De onderkleeding van die haouly, die slechts een soort wollen mantel is, verschilt volgens de klasse, waartoe de drager behoort. De armen dragen haar over de naakte huid, de welgestelden dragen daaronder het vest en de breede broek der Arabieren; de rijken hebben prachtige kleedingstukken, geruit wit met blauw, waaronder zij een tweede haouly van gaas dragen, die uit wol met zijde doorweven bestaat en op een hemd, dat met gouden koortjes versierd is, gedragen wordt.
Waren het alleen Tripolitanen, die daar op dat plein verzameld waren?
Zeker niet. In den omtrek van de hoofdstad verdrongen zich kooplieden van Ghadamès en Sohna en werden gevolgd door eene escorte van zwarte slaven. Dan waren daar Joden en Jodinnen uit de omliggende provinciën. De laatstbedoelden hadden het gelaat ongesluierd, waren volgens hunne geaardheid vet en droegen zeer onsmaakvolle broeken. Verder wemelden daar negers uit de naburige plaatsen die hunne ellendige dorpen verlaten hadden, om hier de feestelijkheden te komen bijwonen. Deze droegen zeer weinig linnengoed, daarentegen veel sieraden bestaande uit ruwe koperen armbanden, halssnoeren van schelpen, reeksen van dierentanden,[160]zilveren ringen in de ooren en in het neusbeen. Dan nog werden daar ontwaard Benoulienen, Awagairren, die den omtrek der Syrtische baai bewonen en die uit den dadelboom, die in hun land groeit, wijn, vruchten, brood en confituren trekken. En eindelijk te midden van die opeenhooping van Mooren, Berbers, Turken, Bedouïnen en zelfs Moucafirs, zooals de Europeanen genoemd worden, paradeerden pacha’s, cheiks’s, kadi’s, kaid’s, in één woord al de voornamen van die buurt, die door de menigte van raja’s drongen, welke laatsten nederig en voorzichtig uitweken voor de ontbloote sabel der soldaten of voor den politiestok der rapties, wanneer de gouverneur-generaal van dat Afrikaansche bewind van die Turksche provincie, welker administratie—zooals wij weten—van den Sultan van Constantinopel afhankelijk is, in zijne voorname en verheven onverschilligheid voorbijging.
Men telt, zooals reeds gezegd werd, meer dan vijftienhonderdduizend bewoners in het Regentschap Tripoli, met een garnizoen van duizend soldaten. Hierbij dient gevoegd te worden een duizendtal voor de Djebel-, en vijfhonderd voor de Cyrenaïsche streken. De hoofdplaats Tripoli, alleen in de bevolkingstelling opgenomen, bevat niet meer dan dertig of hoogstens vijf en dertig duizend zielen. Dien dag kon evenwel gerekend worden, dat het aantal dier bevolking minstens verdubbeld was, door den toevloed van nieuwsgierigen, die van het geheele regentschap samengestroomd waren. Die landbewoners hadden evenwel geen onderkomen in de hoofdstad des rijks gezocht. Want een zoo groote menigte zou noch tusschen de weinig rekbare walmuren van de versterkte omheining, noch in de woningen, die door het slechte gehalte der gebezigde bouwmaterialen, weldra in een staat van puinhoopen verkeeren, noch in de nauwe en smalle ongeplaveide straten en stegen, waarin voor het meerendeel zelfs de vrije toetreding van lucht ontzegd is, noch in de havenvoorstad, alwaar zich de consulaten bevinden, noch in het westerkwartier, waar de Joodsche volksstam krioelt, noch in het overige gedeelte der stad, dat ter beschikking van het Muzelmansche ras is gebleven, een beschikbare ruimte tot onderkomen aangetroffen hebben. Dat ware inderdaad eene volkomen onmogelijkheid geweest.
Maar het plein Soung-Ettelâtch was uitgestrekt genoeg, om de vele vreemdelingen te bevatten, die samengekomen waren, om het Ooievaars-feest bij te wonen, dat eene legende tot grondslag heeft, welke steeds eenstemmig in de oostelijke landen van Afrika herdacht wordt. Wij zullen straks wel zien waarin dat Ooievaars-feest bestaat.
Hier en daar sprongen ruiters rond en schoten hunne lange geweren en ruiterpistolen af. (Bladz. 172.)Hier en daar sprongen ruiters rond en schoten hunne lange geweren en ruiterpistolen af. (Bladz.172.)
Hier en daar sprongen ruiters rond en schoten hunne lange geweren en ruiterpistolen af. (Bladz.172.)
Die vlakte met haar geel zand, die door de zee bij langdurige oostewinden somtijds overstroomd wordt, kan beschouwd worden als een stukje van de Sahara-woestijn. Zij omgeeft de stad langs drie[161][162]kanten en heeft eene breedte van nagenoeg een kilometer. Als eene tegenstelling, die schril afsteekt, ontwikkelt zich aan hare zuidelijke grensscheiding de oase Menehié, met hare gebouwen, welker muren van witheid schitteren; met hare tuinen, die met behulp van magere koeien, die het water met een lederen drijfriem uit de diepe putten te voorschijn halen, besproeid worden; met hare bosschen van dadelpalmen, oranje- en citroenboomen; met hare steeds groene struiken, met bloemen overdekt; met hare antilopen, hare gazellen, hare flamingo’s. Die oase is een uitgestrekt afgesloten geheel, waarin eene zeer nijvere bevolking leeft, die niet minder dan dertig duizend zielen telt en grootendeels van de veeteelt, den akkerbouw en karavaanhandel bestaat.
Daarachter wordt de eigenlijke woestijn aangetroffen, die op geen enkel punt van het uitgestrekte Afrika de kust van de Middellandsche zee zoo nabij komt. De woestijn, met hare beweeglijke duinvormingen, met hare onmetelijke uitgestrektheid van zand, waarvan de baron de Krafft zoo juist gezegd heeft, „dat de wind daarop even gemakkelijk golven veroorzaakt als op de zee”; een wareLybischeoceaan, waarop zelfs de nevel niet ontbreekt, die evenwel uit onvoelbare stof bestaat.
Het Tripolitaansche rijk—een grondgebied bijna zoo groot als dat van Frankrijk—strekt zich tusschen het Regentschap Tunis, Egypte en de Sahara uit, en heeft eene kustlijn van ruim drie honderd kilometer langs de Middellandsche zee.
Het was in deze provincie dat Sarcany, na Tetuan verlaten te hebben, eene schuilplaats gezocht had. Die streek kon gerekend worden te behooren tot de minst bekende van Noord-Afrika, waar iemand zich dus gevoegelijk kon verbergen, zonder de vrees te koesteren, althans van wege Europeesche autoriteiten ontdekt te zullen worden. Hij was in Tripoli geboren en dat land was het tooneel zijner eerste heldendaden geweest. Hij deed dus niets meer dan naar zijn bakermat terugkeeren. Daarenboven was hij, zooals de lezer zich ongetwijfeld herinneren zal, geaffilieerd aan het zoo gevreesde bondgenootschap van Noord-Afrika en kon hij daar op werkelijke hulp van de Senousisten rekenen, welker belangen hij steeds in den vreemde ijverig had voorgestaan en voor wie hij steeds inkoopen van wapenen en munitiën had verricht. Het was vooral als agent dier dweepers, dat hij indertijd Silas Toronthal zeer veel geld had laten verdienen.
Toen hij dan ook te Tripoli aankwam, had hij huisvesting gevonden in de woning van den Moquaddem Sidi Hassan, het erkende opperhoofd van de Sectegenooten in het district. Bij dien man was hij volkomen te huis.
Na de ontvoering van Silas Toronthal op den weg naar Nizza,[163]eene ontvoering die voor Sarcany onverklaarbaar was gebleven, had deze Monte Carlo verlaten. Eenige duizenden franken, de laatste van vroegere winsten, die hij niet als laatsten inzet gewaagd had, hadden hem veroorloofd, om in de onkosten zijner reis te voorzien en aan de overige mogelijke gebeurlijkheden het hoofd te bieden. En onder die gebeurlijkheden behoorde de mogelijkheid, dat Silas Toronthal, inderdaad door de wanhoop vervoerd, er toe besloten kon hebben, zich op hem te willen wreken, hetzij door het verleden aan het licht te brengen, hetzij door den toestand van Sava bloot te leggen. Want de bankier wist maar al te goed, dat het jonge meisje zich te Tetuan in de macht van Namir bevond. Die overwegingen waren oorzaak, dat Sarcany besloot Marokko zoo spoedig mogelijk te verlaten. Want daar gevoelde hij zich niet meer veilig.
Dat was voorwaar zeer voorzichtig handelen; want zooals de lezer reeds weet, had Silas Toronthal niet lang gedraald met de mededeeling in welk land en in welke stad het rampzalige jonge meisje zich onder het toezicht van het Marokkaansche wijf bevond. Een enkele handdruk van Kaap Matifou was voldoende geweest, om hem tot die mededeeling over te halen; meer niet!
Sarcany had dus het besluit genomen, om in het Regentschap Tripoli eene schuilplaats te zoeken, alwaar hem de aanvals- en verdedigingsmiddelen niet zouden ontbreken. Maar hij begreep,—en dat zag dokter Antekirrt zeer goed in,—dat het reizen derwaarts met een der pakketbooten, die de kustvaart uitoefenen, of met de Algerijnsche spoorbaan te veel gevaren voor hem zou opleveren. Hij gaf er dan ook de voorkeur aan, zich bij eene karavaan van Senousisten te voegen, die naar de Cyrenaïsche landstreek op weg was, en van de gelegenheid gebruik te maken, om in de voornaamste villayets van Marokko, Algiers en het Tunische grondgebied nieuwe geaffiliëerden voor het eedgenootschap aan te werven. Zijn reis had dus, zooals men ziet, een dubbel doel.
Die karavaan, die zeer wel de vijfhonderd uren afstand tusschen Tetuan en Tripoli zou afleggen, en daarbij de noorder-zoom der woestein dacht zou volgen, vertrok op den 12denOctober van eerstgenoemde plaats.
Sava was thans geheel aan de genade of ongenade van hem, die haar ontvoerde, overgeleverd; maar hare standvastigheid, haar zelfvertrouwen was daarom niet geschokt. Noch de bedreigingen van Namir, noch de toorn van Sarcany scheen haar te deren. Het jonge meisje ontwikkelde eene wilskracht, die een ieder ongelooflijk moet voorkomen.
Bij haar vertrek telde de karavaan reeds een vijftigtal Khouâns of geaffiliëerden, die onder de leiding van een imam, een geestelijke, die hen op militairen voet organiseerde, ingedeeld waren. Er was[164]daarbij geen kwestie, om de provinciën door te trekken, die aan het Fransche gezag onderworpen zijn en waar hun doortocht moeielijkheden zou kunnen ondervinden. Zij zou die langs de zuidelijke grenzen geheel en al ontwijken.
Het Afrikaansche vasteland vormt, door de gedaante van het kustland van Algiers en Tunis, een grooten boog tot aan de westkust van de Groote Syrtische zee, die plotseling naar het zuiden insnijdt. Daaruit volgt natuurlijk, dat de kortste weg van Tetuan naar Tripoli is de koorde welke dezen boog onderspant. En die weg voert niet noordelijker dan Lagouât, een der laatste Fransche steden op de grenzen der Sahara gelegen.
De karavaan trok, na het Marokkaansche keizerrijk verlaten te hebben, langs de grenzen van die rijke Algerijnsche provinciën, welke men voorgesteld heeft „Nieuw Frankrijk” te heeten, en die inderdaad wel Frankrijk zelf mogen heeten, met meer recht dan Nieuw Caledonië, Nieuw-Holland, Nieuw-Schotland, die veel minder op Schotland, Holland en Caledonië, dan Algiers op Frankrijk gelijken. Daarenboven, eene zee van slechts dertig uren breedte, scheidt dat land van het Fransche grondgebied, en met onze tegenwoordige gemeenschapsmiddelen mag die zee geen scheidsmuur heeten.
In het Beni-Matansche, zoowel als in de Oulad Nail en de Charfat-El-Hamal-streken, vermeerderde de karavaan nog met een zeker getal geaffiliëerden. Hare sterkte was dan ook tot ruim drie honderd man gestegen, toen zij het Tunische kustland, op de grens der Syrtische zee bereikte. Zij had toen slechts den oever te volgen, terwijl zij andermaal nieuwe leden onder de Khouâns in de vele dorpen dier provincie aanwierf, en waarbij Sarcany al zijn invloed en schranderheid bezigde.
De karavaan kwam op den 20stenNovember bij de grenzen van het regentschap aan, na eene reis van ruim zes weken.
Dus op het oogenblik, toen dat Ooievaarsfeest met groote plechtigheid en omhaal zou gevierd worden, waren Sarcany en Namir nog slechts sedert drie dagen de gasten van den Moquaddem Sidi Hassan, wiens woning thans tot gevangenis van Sava Sandorf strekte. Waarlijk, de karavaan had zich wel gehaast, want zij had gedurende de negen en dertig dagen, die zij tot de reis besteed had, een groot traject afgelegd.
De woning van den Moquaddem, welke door een slanken minarettoren beheerscht werd, had met hare witgekalkte muren, waarin volstrekt geen vensters, maar wel hier en daar schietgaten gebroken waren, met hare gecreneleerde terrassen, met hare smalle en lage deur, wel eenigszins het uiterlijk van eene kleine vesting, of beter van een zeer sterk blokhuis. Het was ook inderdaad een ware zaoaiya, welke buiten de stad gelegen was, op de grens tusschen de[165]zandvlakte en de aanplantingen van Menehié, welker akkers, omgeven door een hoog staketsel, tot bij het grondgebied der oase voortdrongen.
Het innerlijke dier woning vertoonde den gewonen bouwtrant der Arabische huizen, met dien verstande dat die bouwtrant hier als het ware verdriedubbeld was, hetgeen te beduiden heeft, dat er drie patio’s of binnenplaatsen te tellen waren. Rondom elk dier patio’s ontwikkelde zich een vierkant van galerijen met hare zuiltjes en kanteelbogen, waarop de verschillende vertrekken van de woning, die voor het meerendeel zeer rijk gemeubeld waren, uitkwamen. De vloeren dier galerijen waren met kostbare marmersteenen ingelegd, en de zuilen daarvan kunstig gebeeldhouwd.
Op het tweede binnenplein vonden de bezoekers of de gasten van den Moquaddem eene ruime „stufa”, een soort van vestibule of van hall, waarin reeds meer dan eene raadbelegging onder de leiding van Sidi Hassan door de Senousisten had plaats gehad. Dat was eigenlijk het vertrek, waarin de saamgezworenen krijgsraad hielden.
Maar behalve dat die woning eene natuurlijke bescherming in hare hooge en doelmatig aangelegde muren vond, bevatte zij bovendien een zeer talrijk personeel, dat tot hare verdediging veel kon bijbrengen, ingeval van aanval van den kant der zwervende Barbaresken, die steeds mogelijk was, of zelfs van den kant der Tripolitaansche autoriteiten, die steeds poogden de Senousisten der provincie aan zich te onderwerpen, hetgeen tot heden niet gelukt was.
Die woning bezat een garnizoen van ruim vijftig geaffiliëerden, die, uitmuntend bewapend, niet alleen ter verdediging, maar ook tot aanval konden dienen. Die mannen, gekozen onder de meest dweepzieken, waren uitmuntend geoefend.
Slechts een enkele deur verleende toegang tot die zaoaiya; die deur was daarenboven uitermate dik en stevig met ijzerwerk beslagen. Men zou haar niet gemakkelijk opengebroken hebben, en slaagde dat ook al, dan zou haar drempel nog niet zoo gemakkelijk te overschrijden zijn; want dan eerst begon het ernstige gevecht.
Sarcany had dus bij den Moquaddem eene veilige schuilplaats gevonden.
Daar hoopte hij zijne heillooze plannen tot een goed einde te voeren.
Zijn huwelijk met Sava moest hem een zeer aanzienlijk vermogen verzekeren, en hij kon desnoods op den bijstand van het eedgenootschap rekenen, wiens belangen bij zijn welslagen direct betrokken waren. Die dweepers zouden niet aarzelen, hem bij zijne snoode plannen bij te staan.
Wat de geaffiliëerden betrof, die van Tunis aangekomen of in de villayets aangenomen waren, deze hadden zich in de Menehié-oase verspreid; maar waren toch gereed, om op het eerste sein te zamen te komen.[166]
Dat Ooievaars-feest zou, zonder dat de Tripolitaansche politie zulks gissen kon, juist de plannen der Senousisten in de hand werken. Daar op die vlakte van Soung-Ettélaté zouden de Khouâns van noordelijk Afrika het wachtwoord der mufti’s komen ontvangen, om hunne concentratie op Cyrenaïsch gondgebied te bewerkstelligen en een waar rijk van zeeschuimers onder de machtige bevelen van een kalief te stichten, hetgeen met de overoude neigingen van die strandbewoners maar al te zeer strookte.
Daartoe waren de omstandigheden zeer gunstig, wijl het eedgenootschap juist in de villayet Ben Ghazi, de voornaamste der Cyrenaïsche streken, reeds het grootste ledental telde, hetwelk geheel tot handelen gereed was.
Den dag, waarop het Ooievaars-feest in het Tripolitaansche rijk gevierd zou worden, drentelden drie vreemdelingen op de vlakte van Soung-Ettélaté, tusschen de menigte, welke zich daar bevond, rond.
Niemand zou die vreemdelingen, onder hunne Arabische kleeding, voor Moucafirs, voor Europeanen herkend hebben. De oudste der drie droeg daarenboven zijn kostuum met eene gemakkelijkheid, die slechts door eene langdurige gewoonte kon verkregen worden. Men zag het hem aan, dat hij den tulband en de Chlamyde (bovenkleed) meer gedragen had.
Dat was dokter Antekirrt, die van Piet Bathory en Luigi Ferrato vergezeld was.
Pescadospunt en Kaap Matifou waren in de stad gebleven, waar zij zich met zekere voorbereidende werkzaamheden bezighielden. Ongetwijfeld zouden zij ten tooneele verschijnen, wanneer daartoe het oogenblik gekomen zou zijn. Zij beiden zouden toch in de beraamde plannen de voornaamste rol te vervullen hebben, zooals de lezer wel zien zal.
Het was ter nauwernood vier en twintig uren geleden, sedert deElektriek2 in den namiddag onder beschutting van die uitgestrekte rotsen, welke voor de haven van Tripoli een natuurlijken dam vormen, ten anker gekomen was.
De overtocht was, zoowel bij de heen- als bij de terugreis, voorspoedig geweest.Men had zich slechts drie uren opgehouden te Philippeville, aan de kleine kreek Filfila gelegen; overigens niet. En dat oponthoud was nog geschied, om zich Arabische kleeding aan te schaffen. Daarna was deElektriekonmiddellijk vertrokken, zonder dat hare aanwezigheid in de Numidische golf de aandacht getrokken had. Hare geringe verhevenheid boven de oppervlakte van het water had haar daarbij uitnemend gediend.
Dus, toen de dokter Antekirrt en zijne metgezellen ontscheept waren,—niet op de kaden van Tripoli, maar op de rotsen der buitenhaven—waren het geen vijf Europeanen, die voet aan wal[167]gezet hadden op den bodem van het Tripolitaansche grondgebied, maar waren het vijf Oosterlingen, wiens kleeding de aandacht niet kon trekken. Misschien zouden Piet Bathory en Luigi Ferrato zich, in die kleeding gestoken, door de ongewoonte voor scherpziende toeschouwers verraden hebben; maar Pescadospunt en Kaap Matifou, gewoon aan de veelvuldige gedaanteverwisselingen en verkleedingen der kermispotsenmakers, waren er geheel op hun gemak in, en bewogen zich als volbloed Arabieren. Die beide grappenmakers konden evenwel een glimlach niet verbergen, wanneer zij elkander aankeken.
Toen de nacht ingevallen was, ging deElektriekzich verschuilen aan de andere zijde van de haven in eene der veelvuldige kreeken van die slecht bewaakte kust. Daar moest dat vaartuig zich gereed houden, om op ieder uur van den nacht of van den dag zee te kunnen kiezen. Aan die opdracht werd natuurlijk stipt voldaan.
Zoodra dokter Antekirrt en zijne metgezellen ontscheept waren, stapten zij langs den rotsachtigen oever voort en volgden daarna den van groote rotsblokken vervaardigden kadedam, die naar Bab-el-Bahr voerde, traden de zeepoort binnen en bevonden zich weldra te midden van de nauwe straten der stad.
Het eerste hôtel, dat zij op hunnen weg ontmoetten,—en de keus was niet moeielijk, want er waren er niet veel,—scheen hun voldoende toe, om er ettelijke dagen, misschien slechts weinige uren door te brengen. Zij toonden zich daar als bescheiden lieden, en gaven voor eenvoudige Tunische kooplieden te zijn, die bij hunne doorreis te Tripoli van de gelegenheid wilden gebruik maken, om het Ooievaars-feest bij te wonen. Daar dokter Antekirrt het Arabisch even zuiver en juist sprak als de overige taaleigens van de Middellandsche zee, zoo kon zijne spraak hem niet verraden.
De kastelein ontving de vijf reizigers, die hem de eer wilden aandoen in zijne inrichting af te stappen, uiterst voorkomend. Het was een dik man, die zeer praatziek was. Daarvan maakte dokter Antekirrt behendig gebruik, en vernam zoodoende zaken, die hem bijzonder belang inboezemden. Al dadelijk wist hij, dat eene karavaan kort geleden van Marokko in het Tripolitaansche rijk was aangekomen. Daarna vernam hij, dat Sarcany, die in het Regentschap zeer bekend was, van die karavaan deel had uitgemaakt en dat hij thans de gastvrijheid genoot in de woning van den beroemden Moquaddem Sidi Hassan in de zaouiya op de vlakte van Soung Ettélaté.
Dat was de reden, waarom dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato, na de meest mogelijke voorzorgen genomen te hebben, zich dienzelfden avond nog begeven hadden te midden der menigte van nomaden op de vlakte van Soung Ettélaté. Zij bespiedden[168]al wandelende de woning van den Moquaddem Si-Hassan, op den zoom van de Oase Menehié gelegen.
Daar was dus Sava Sandorf opgesloten! In die sterke woning bevond zich dus het eenige kind van den graaf.
Sedert het verblijf van dokter Antekirrt te Ragusa, waren nimmer vader en dochter dichter bij elkander geweest dan thans! En toch, door hoeveel hinderpalen waren zij niet gescheiden!
Het was niet alleen een schier onoverkomelijke muur, die het grootste beletsel daarstelde!
Inderdaad, Piet Bathory was in die oogenblikken tot alles in staat, zelfs om met Sarcany te onderhandelen, om Sava maar aan zijne macht te ontrukken. Graaf Mathias Sandorf en hij waren bereid, om hem die wenschen te laten verwezenlijken, welke de ellendeling begeerde! En toch, zij konden en mochten niet vergeten, dat zij recht moesten uitoefenen over den verrader van professor Stephanus Bathory en van graaf Ladislas Zathmar!
Intusschen moesten zij in de omstandigheden, waarin zij zich vonden, erkennen, dat de bemachtiging van Sarcany en debevrijdingvan Sava Sandorf uit het huis van den Moquaddem Sidi Hassan eene bijna onuitvoerbare taak was. De moeielijkheden waren schier onoverkomelijk, dat kon onmogelijk ontveinsd worden.
Zou men in plaats van geweld, dat toch geen kans van welslagen aanbood, list moeten gebruiken? En zou het feest, dat den volgenden dag gevierd zou worden, daartoe gelegenheid geven? Ja, dat zou het zonder twijfel. Pescadospunt had daaromtrent een plan ontworpen, en het was met dit plan, dat dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato zich dien avond onledig hielden. Ieders rol moest goed besproken worden, om in het gewichtigste oogenblik geene teleurstelling, die alles verijdelen kon, te ondervinden.
Bij de uitvoering van dat plan zou de moedige ontwerper zijn leven wagen; maar gelukte het hem de woning van den Moquaddem Sidi Hassan binnen te dringen, dan was er veel kans, dat hij er in slagen zou, Sava Sandorf te ontvoeren. Niets scheen voor den moed en de behendigheid van Pescadospunt onuitvoerbaar.
Het was dus ter uitvoering van het vastgestelde plan, hetwelk wij bij zijne ontwikkeling vernemen zullen, dat dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato zich daags daarna, tegen drie uren des namiddags, ter bespieding op de vlakte van Soung Ettélaté bevonden, terwijl Pescadospunt en Kaap Matifou zich intusschen voorbereidden voor de rol, die zij te midden van het bedrijvigste gedeelte van het feest te vervullen zouden hebben.
Maar Kaap Matifou kende geen aanvallen van zwakte. (Bladz. 176).Maar Kaap Matifou kende geen aanvallen van zwakte. (Bladz.176).
Maar Kaap Matifou kende geen aanvallen van zwakte. (Bladz.176).
Op dat uur bestond er nog niets, dat een voorgevoel kon geven[169][170]van het leven, van het spektakel en van de beweging, waarvan de vlakte het schouwspel ging leveren, wanneer zij bij het vallen van den avond door ontelbare fakkels zoude verlicht worden. Ter nauwernood kon te midden van die dicht opeengepakte menigte het komen en gaan opgemerkt worden van de Senousistische saamgezworenen, die, zeer eenvoudig gekleed, elkander slechts door een soort van vrijmetselaarsteeken de bevelen hunner opperhoofden mededeelden.
Het is evenwel hier de plaats, om eene Oostersche of beter Afrikaansche legende mede te deelen, waarvan de voornaamste bijzonderheden bij dat Ooievaars-feest, hetwelk eene groote aantrekkingskracht voor de Muselmansche bevolking heeft, in herinnering gebracht zouden worden.
Op het Afrikaansche Vasteland bestond in vroeger tijden een ras van Djins. Die Djins bewoonden onder den naam van Bou-lhebers een uitgestrekt grondgebied, hetwelk op de grens van de Hamada-woestijn tusschen de Tripolitaansche en de Fezzaansche rijken gelegen was. Het was een machtige volkstam, die zeer woest en dus ook uitermate gevreesd was. Hij was oneerlijk, trouweloos, twistziek en onmenschelijk wreed. Geen Afrikaansche souverein had er nog terecht mede kunnen komen. Zij hadden weerstand weten te bieden aan iedere poging, om hen aan tucht te gewennen.
Het gebeurde eens, dat de profeet Soeleyman eene poging aanwendde, niet om de Djins aan te vallen of te onderwerpen, maar om hen tot het goede te bekeeren. Te dien einde zond hij hen een zijner apostelen, om hun de liefde tot het goede en den haat voor het kwade te prediken. Het was verloren moeite! Die woeste horden grepen den zendeling en brachten hem wreedaardig ter dood. Zij ontzagen zich niet den heiligen man eerst te spietsen en hem verder, alvorens hij dood was, langzaam te verbranden.
Dat de Djins zooveel stoutmoedigheid aan den dag legden, vond daarin zijn oorzaak, dat hun land afgelegen en zeer moeielijk te bereiken was. Zij wisten, dat geen naburig vorst zijne legerscharen in die streken durfde wagen. Zij meenden daarenboven, dat niemand den profeet Soeleyman zou gaan overbrieven, welk onthaal zijn zendeling ten deel gevallen was.
Daarin vergisten zij zich evenwel. Allah waakte er over, dat de misdaad gestraft zoude worden.
Een groot aantal ooievaars was, daar het winter in Noordelijk Europa was, in het land aanwezig. Zooals de lezer wel weten zal, zijn dat vogels, tot het geslacht der steltloopers behoorende, van zeer kuische zeden, die eene buitengewone schranderheid gepaard aan eene groote opmerkingsgave bezitten. De legende beweert toch, dat zij nimmer eene landstreek bewonen, welker naam op een[171]geldstuk voorkomt1, omdat het geld de bron is van alle kwaad en de machtigste hefboom is, die den mensch in den afgrond zijner bedorven hartstochten drijft.
Nu hadden die ooievaars de verdorvenheid, waarin de Djins leefden, opgemerkt. Zij hadden den gruwelijken moord gezien en kwamen in eene groote vergadering bij elkander, om te beraadslagen en besloten daarin een hunner naar den profeet Soeleyman af te vaardigen, ten einde zijnen gerechten toorn over de moordenaars van den zendeling te doen ontbranden.
De profeet riep dadelijk zijne „hiep” of lievelingskoeriers tot zich en gaf hen bevel al de ooievaars van de geheele wereld in de bovenstreken van Afrika bijeen te brengen.
Dat geschiedde natuurlijk, en toen de ontelbare scharen van die vogels voor den profeet Soeleyman vergaderd waren,—zooals de legende woordelijk verhaalt,—vormden zij eene wolk, welker schaduw de geheele landstreek, tusschen Mezda en Morseug, had kunnen bedekken.
Toen greep op bevel van den profeet ieder dier langsnavels een steen in den bek en vloog naar het land der Djins. En terwijl zij daarboven zweefden, steenigden zij dat slechte ras, welker zielen voor de eeuwigheid in het binnenste der Hamada-woestijn opgesloten zitten. Waarlijk, eene gerechte straf voor zulk een snoode daad!
Dat is de fabel, die als het ware ten tooneele zoude gevoerd worden, en welker voorstelling het eigenlijke feest zou vormen. Eenige honderden ooievaars waren onder onmetelijke netten, die op de vlakte van Soung Ettélaté uitgespannen waren, verzameld. Daar wachtten zij, voor het meerendeel zooals gewoonlijk op één poot rustende, het uur der bevrijding af, terwijl zij door het geklepper met hunne lange snavels soms een gerommel in de lucht veroorzaakten, hetwelk wel iets van het geroffel van een menigte tamboers op hunne trommen had. Op een gegeven teeken moesten de netten plotseling verdwijnen en de vogels in de ruimte opstijgen, om gevaarlooze en nagemaakte steenen van weeke klei te midden van het gehuil der toeschouwers, het getoet der blaasinstrumenten en de losbranding van ontelbare geweren en verlicht door eene menigte fakkels met veelkleurige vlammen, op de opeengepakte geloovigen te laten neervallen.
Pescadospunt was met het program van dat feest bekend, en dat was het, hetwelk hem op de gedachte gebracht had, er eene rol in te vervullen. Wellicht zou hij onder de gegeven omstandigheden,[172]die veel verwarring zouden daarstellen, gelegenheid vinden in het huis van den Moquaddem Sidi Hassan te dringen.
Op het oogenblik toen de zon onderging, werd op het fort of kasteel van Tripoli een zwaar kanonschot gelost, dat het sein was, hetwelk door het publiek op de vlakte van Soung Ettélaté zoo lang en ongeduldig verbeid was. Statig rolde het zware geluid voort, wekte al de echo’s der omstreken op, en stierf eindelijk als een ver verwijderde donder weg.
Dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato waren eerst als het ware verdoofd door het vreeselijke spektakel, dat zich in het eerste oogenblik van alle kanten hooren deed; vervolgens werden zij verblind door de duizenden lichtjes die op de vlakte schitterden. Het was, of de geheele Soung Ettélaté met al de sterren des firmaments getooid was.
Toen dat kanonschot losbrandde, was die menigte van Nomaden nog bezig met hun avondmaal te nuttigen. Hier zag men er zich te goed doen aan gebraden schapenvleesch. Elders werd pilau met kippenvleesch er bij verorberd door hen, die Turk waren of daarvoor wenschten door te gaan; op eene andere plek ontwaarde men bij vermogende Arabieren couscoussou; verder zag men een eenvoudige „bazina,” eene soort pap van gruttemeel met olie gekookt, die het gewone voedsel uitmaakte van die arme drommels, evenals elders het meest talrijk, die meer koperen „mehbouhs” dan gouden „mictals” op zak hadden; eindelijk ontwaarde men overal en inderdaad met stroomen, de „lagby,” een soort vruchtensap, afkomstig van den dadelpalm, dat wanneer het evenals het bier gegist heeft, zooveel alcohol bevat, dat het meer dan smoordronken, ja, dat het stapelgek maakt.2
Eenige minuten nadat het kanonschot gedreund had, waren allen, mannen, vrouwen, kinderen, Turken, Arabieren,Khouânsen Negers reeds als buiten zich zelven van opgewondenheid. Het was waarlijk noodig, dat de koperen blaasinstrumenten van die barbaarsche orchesten buitengewoon geluidmakend waren, om zich te midden van dat menschelijk spektakel te kunnen doen vernemen. Hier en daar sprongen ruiters met hunne paarden rond en schoten hunne lange geweren en hunne ruiterpistolen af, terwijl vuurwerk afgestoken werd en moorslagen knalden, alsof het geschut was, dat losgebrand werd te midden van een leven, hetwelk onmogelijk te beschrijven zoude zijn.
Hier was een negerhoofd, dat, potsierlijk aangekleed, met rammelende beentjes aan zijn buikgordel, terwijl zijn gelaat door een[173]duivelsch mombakkes bedekt was, en bij het licht van walmende toortsen, en aangevuurd door het geroffel op houten trommen en door het klagend opdreunen van een eentonig gezang, een dertigtal zwarte kroeskoppen, die te midden van een kring van stuiptrekkende vrouwen, welke in de handen klapten, hunne vertooning opvoerden, tot den dans aanmoedigde.
Elders waren er wilde Aïssassouas, die tot het uiterste door godsdienstige en alcoholische3opgewondenheid vervoerd waren en met opgespoten gelaatstrekken en met uitpuilende oogen, hout tusschen de tanden maalden, op ijzer kauwden, zich diepe insnijdingen in de huid maakten, met gloeiende kolen goochelden, zich door afgrijselijke slangen lieten omwikkelen, die hen aan de handen, aan de wangen, aan de lippen beten, en die zij met gelijke munt betaalden door hun bloedige staarten te verorberen.
Maar in weerwil van dat aanlokkelijke schouwspel, drong de menigte weldra volijverig op naar den kant van het huis van den Moquaddem Sidi Hassan, alsof eene nieuwe en meer belangwekkende vertooning haar daarheen getrokken had.
En inderdaad, daar bevonden zich twee mannen, de een buitengewoon groot en dik, de andere buitengewoon klein en slank. Het waren twee akrobaten, wier opmerkenswaardige krachts- en behendigheidsoefeningen, die te midden van eene vierdubbele rij toeschouwers uitgevoerd werden, de meest levendige toejuichingen, die door een Tripolitaanschen mond konden uitgestoten worden, verwierven. Het was daar om hooren en zien te doen vergaan.
Het waren Pescadospunt en Kaap Matifou, die waarlijk geheel en al op dreef waren.
Zij hadden eene plek uitgekozen, om hunne kermisvertooning op te voeren, welke slechts op weinige passen afstand van de woning van den Moquaddem Sidi Hassan gelegen was. Beiden hadden voor deze bijzondere gelegenheid hun baantje van voorheen, hun baantje van kenniskunstenaars ter hand genomen. Zij waren behoorlijk gekleed in een gelegenheidspakje, dat zij van Arabische stoffen vervaardigd hadden, en hoopten op daverende toejuichingen.
„Je zult toch niet te zeer verroest wezen?” had Pescadospunt alvorens te beginnen aan Kaap Matifou gevraagd.
„Verroest?… Wat meen je?” had de reus gevraagd. „Ik ben toch geen oude spijker, denk ik?”[174]
„Neen, dat weet ik wel; maar ik vraag je, of je soms stijf in de gewrichten geworden bent?”
„Neen, volstrekt niet,” antwoordde Kaap Matifou. „Dat zul je wel ondervinden.”
„En je deinst voor geene oefening terug … Voor geen enkele? Bedenk je wel.”
„Neen, voor geen enkele. Maar wat zal het doel van die oefening wezen? Zeg mij toch.”
„Het doel moet wezen om die lummels in vervoering te brengen. Zul je daarvoor niet terugdeinzen?”
„Ik!… ooit terugdeinzen!… Kom, je houdt mij voor den gek,” sprak Kaap Matifou verstoord.
„Zelfs, wanneer je …”
Pescadospunt scheen te aarzelen.
„Wat? Ga toch voort. Je bent anders zoo spraakzaam en thans sta je te kieskauwen.”
„Nu ja, zelfs wanneer je keisteenen met de tanden moet fijnmalen?” vroeg de kleine man.
„Is dat alles?” was de ietwat kleinachtende wedervraag van den reus.
„Of slangen oppeuzelen?”
„Slangen?”
Thans scheen Kaap Matifou te aarzelen.
„Ja, slangen!”
„Gekookt?” vroeg Kaap Matifou. „Gekookt of rauw, daarin bestaat onderscheid.”
„Neen, rauw! waarde Kaap. Geheel rauw.”
„Rauw?… Br! br!”
„En nog wel levend!”
Kaap Matifou had een leelijk gezicht getrokken; maar als het moest zijn, dan was hij besloten om slangen te eten, evenals een eenvoudige Aïssasoua. Hij pruttelde evenwel nog iets tegen.
„Moeten wij dat voor ons pleizier doen?” vroeg hij na een poos bedenkens.
„Voor ons pleizier neen,” antwoordde Pescadospunt met een guitigen glimlach op de lippen.
„Maar waartoe dan die gekheid?”
„Zooals ik je gezegd heb, om die lummels in vervoering te brengen.”
„Loop heen!” had de reus geantwoord. „Voor die schoeljes eet ik geen slangen. Als het nog Europeanen, als het nog Franschen waren! Dan was het wat anders.”
„Och, die kerels kunnen ons ook niet schelen,” antwoordde Pescadospunt, hartelijk lachende.[175]
„Maar, waarom dan?”
„Kaaplief, je schijnt maar niet te kunnen begrijpen.”
„Maar, wat dan?”
„Dat we eene rol spelen. Wij moeten het groote doel bevorderen. Wij moeten de bevrijding van juffrouw Sava bewerken.”
„Met levende slangen te eten?” vroeg de reus hoofdschuddend. „Als ik dat er mee bewerken kan, ben ik bereid een frikadel van alle slangen der wereld te maken en die op te peuzelen.”
Dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato bevonden zich onder de menigte van toeschouwers en verloren hunne makkers niet uit het oog, hoewel zij zich te midden van dien ontzaglijken menschendrom de grootste inspanning daartoe moesten getroosten.
Neen, Kaap Matifou was niet verroest! Hij had niets van zijne buitengewone kracht verloren. Vijf of zes Arabieren, en nog wel van de stevigsten uit een geheelen hoop, hadden een kans gewaagd door met hem te worstelen. Maar zij lagen al heel spoedig op den grond uitgestrekt, met de schouders in aanraking met het maaiveld, zooals de akrobatische uitdrukking luidt.
Daarna volvoerden beide kunstenaars te zamen goocheltoeren, die de Arabieren, daar verzameld, in verrukking brachten, vooral toen zij elkander behendig brandende fakkels toewierpen, die overgaande van de hand van Pescadospunt in die van Kaap Matifou, hare vurige zigzags kruisten. Dat verwekte algemeene verbazing.
En toch kon dat publiek, waarvoor zij werkten, terecht moeielijk te bevredigen zijn.
Er bevonden zich toch onder die menigte een vrij groot aantal van hen, die de half wilde Touaregs hadden leeren bewonderen, welker lenigheid en behendigheid aan die der vlugste diersoorten mag gelijk gesteld worden, zooals weleer met veel ophef in het bewonderingwekkend program van den beroemden kermistroep van Bracca aangekondigd werd. Die kenners en bewonderaars hadden toch gelegenheid gehad den stoutmoedigen Mustapha, den Samson der woestijn, het kanonmensch toe te juichen, „wien de koningin van Groot Brittanje en Ierland door haren kamerdienaar, bij gelegenheid van dergelijke voorstellingen te Londen, had laten verzoeken, niet meer zijne oefeningen te herhalen, bevreesd als de vorstin was, dat er een ongeluk zoude gebeuren!”
Maar Kaap Matifou was onvergelijkelijk bij zijne krachtsvertooningen en hij behoefde voor geen mededinger bevreesd te zijn. Neen, voor niemand ter wereld, al ware het Hercules, de goddelijke zoon van Alcmene, in eigen persoon geweest.
Eindelijk kwam er eene laatste oefening, die de geestdrift van die cosmopolitische menigte, welke de Europeesche kunstenaars omgaf, ten top voerde. En hoewel die oefening voor de Europeesche[176]kermisspellenoud en versleten mocht heeten, scheen zij hier voor de Tripolitaansche nieuwsgierigen nog de aantrekkelijkheid der nieuwheid te hebben.
De toeschouwers verdrongen dan ook elkander, ja verpletterden zich schier rondom de beide kunstenaars, die bij afwezigheid der zon in dit uur bij fakkellicht werkten.
Kaap Matifou had een staak gegrepen, die vijf en twintig of dertig voet lang was en hield hem met beide handen, die op zijne borst rustten, loodrecht omhoog. Pescadospunt klom met een behendigheid van een aap langs dien staak naar boven, en bij het uiteinde gekomen, nam hij daar, terwijl hij den staak onrustbarend deed buigen, de meest bevallige houdingen aan. Inderdaad, het was een verrukkelijk maar uiterst moeielijk kunststuk. Een zwak oogenblik bij hem, die den staak torste, en een val kon niet uitblijven. En die val moest voor den armen Pescadospunt noodlottig zijn.
Maar Kaap Matifou kende geene aanvallen van zwakte. Hij stond daar, met achterover gebogen hoofd en vooruitgestrekte borst, onwrikbaar stevig als de rots, waarvan hij den naam voerde, hoewel hij bij zijne pogingen om den staak met den daarop kunsten-vertoonenden Pescadospunt in evenwicht te houden, trappelde, zich keerde en draaide en langzamerhand van plaats veranderde.
Toen hij eindelijk in de onmiddellijke nabijheid van den heiningmuur van Sidi Hassan’s woning gekomen was, dreef hij de vermetelheid zoo ver en ontwikkelde zooveel kracht, om den staak van zijne borst op te tillen, in de rechterhand te nemen en dien arm uit te strekken, terwijl Pescadospunt daarboven den stand aannam van den Roem en evenals die wufte godin kushandjes aan de menigte toezond. Het was inderdaad eene bevallige vertooning.
De saamgepakte Arabieren en Negers waren buiten zich zelven van bewondering. Zij stieten schelle kreten uit, klapten woest met de voeten. Gelukkig, dat het geen planken vloer was, waarop zij stonden. Neen, waarlijk, dat moest erkend worden; zoo iets had de Samson der woestijn, de koene Mustapha, de stoutmoedigste der Touaregs, niet durven ten uitvoer leggen. De geestdrift was dan ook ten top; want zulke krachtsontwikkeling was inderdaad nog nooit waargenomen.
In dit oogenblik dreunde op het onverwachtst een kanonschot van de wallen der citadel van Tripoli.
Op dat sein vlogen de honderden ooievaars op, die eensklaps bevrijd werden van de onmetelijke netten, die hen gevangen hielden, stegen in de lucht op, terwijl zij, onder het uitvoeren van een klepperend concert, waarop met een onmetelijk geschreeuw, door de menschen aangeheven, geantwoord werd, eene hagelbui van nagemaakte steenen lieten neervallen, die natuurlijk niemand konden[177][178]deeren, daar zij, zooals gezegd werd, van weeke klei vervaardigd waren.
Maar die deur was gesloten. (Bladz. 181.)Maar die deur was gesloten. (Bladz.181.)
Maar die deur was gesloten. (Bladz.181.)
Dat was het glanspunt van het feest. De vogels van den profeet Soleyman leidden evenwel de aandacht zeer af.
Men zou gezegd hebben, dat al de krankzinnigen-gestichten van Europa, Azië en Afrika plotseling ontruimd waren, en dat hunne bewoners op eens op de vlakte van Soung-Ettélaté in het Tripolitaansche Regentschap bij elkander gebracht waren; zulk een vreeselijk spektakel werd daar door die saamgeschoolde en opgewonden menigte aangeheven. Evenwel, alsof hare bewoners doof en stom waren, nog erger, alsof zij uitgestorven waren, was de woning van den Moquaddem Sidi Hassan hardnekkig gesloten gebleven gedurende die uren van algemeene vroolijkheid, en geen enkele bediende of huisgenoot was aan de deur of op de terrassen verschenen. Het was alsof daarin geen nieuwsgierigen, geen belangstellenden in het feest behoorden.
Maar ziet! In hetzelfde oogenblik, toen al de fakkels, die het feest verlicht hadden, na de opstijging der ooievaars, plotseling uitgebluscht waren, was ook Pescadospunt eensklaps verdwenen, alsof hij met de getrouwe vogels van den profeet Soleyman hemelwaarts gevlogen was. Dat was inderdaad uiterst merkwaardig.
Waar was hij heen gevaren?…
Wat was er van hem geworden?
Ja, wat? Dat wist niemand te verklaren. Daarop was geen antwoord te geven.
Toch scheen Kaap Matifou zich omtrent die verdwijning niet veel te bekommeren. Nadat hij zijn staak in de lucht opgeworpen en hem vele buitelingen had laten maken, ving hij hem behendig bij het andere einde op, liet hem ronddraaien en bogen beschrijven, zooals de meest ervaren tamboer-majoor met zijn dikgeknopten stok zoude gedaan hebben. Het wegmoffelen van Pescadospunt scheen voor hem de natuurlijkste zaak der wereld te zijn. Hij keek met eene zelfvoldaanheid rond, alsof die goochelpartij tot het program behoorde.
De bewondering der toeschouwers was intusschen ten top gestegen en hunne geestdrift uitte zich dan ook door een ontzaglijk hoerah, dat tot voorbij de uiterste grenzen der oase moest gehoord worden. Niemand hunner twijfelde er aan, of de behendige acrobaat was door de ruimte naar het rijk der Ooievaars vertrokken en was bij den profeet Soleyman aangeland.
Het onverklaarbare bekoort in den regel de menigte het meest. Daarmede is zij steeds te verschalken.[179]
1En Nederland, waar vele Ooievaars wonen en welks naam toch op de muntstukken voorkomt? Vert.↑2In Ned. Indië heeft men denzelfden drank, Sagoeweer genaamd, afkomstig van de Arenga saccharifera. Vert.↑3Zou hier wel van alcoholische opgewondenheid kunnen gesproken worden? Mahommedaansche bevolkingen gebruiken uiterst zeldzaam alcoholische dranken, daarentegen geven zij zich te meer aan het gebruik of beter het misbruik van opium, van haschich of dergelijke narcotische verdoovingsmiddelen over. Jules Verne schijnt zich vergist te hebben. Vert.↑
1En Nederland, waar vele Ooievaars wonen en welks naam toch op de muntstukken voorkomt? Vert.↑2In Ned. Indië heeft men denzelfden drank, Sagoeweer genaamd, afkomstig van de Arenga saccharifera. Vert.↑3Zou hier wel van alcoholische opgewondenheid kunnen gesproken worden? Mahommedaansche bevolkingen gebruiken uiterst zeldzaam alcoholische dranken, daarentegen geven zij zich te meer aan het gebruik of beter het misbruik van opium, van haschich of dergelijke narcotische verdoovingsmiddelen over. Jules Verne schijnt zich vergist te hebben. Vert.↑
1En Nederland, waar vele Ooievaars wonen en welks naam toch op de muntstukken voorkomt? Vert.↑
1En Nederland, waar vele Ooievaars wonen en welks naam toch op de muntstukken voorkomt? Vert.↑
2In Ned. Indië heeft men denzelfden drank, Sagoeweer genaamd, afkomstig van de Arenga saccharifera. Vert.↑
2In Ned. Indië heeft men denzelfden drank, Sagoeweer genaamd, afkomstig van de Arenga saccharifera. Vert.↑
3Zou hier wel van alcoholische opgewondenheid kunnen gesproken worden? Mahommedaansche bevolkingen gebruiken uiterst zeldzaam alcoholische dranken, daarentegen geven zij zich te meer aan het gebruik of beter het misbruik van opium, van haschich of dergelijke narcotische verdoovingsmiddelen over. Jules Verne schijnt zich vergist te hebben. Vert.↑
3Zou hier wel van alcoholische opgewondenheid kunnen gesproken worden? Mahommedaansche bevolkingen gebruiken uiterst zeldzaam alcoholische dranken, daarentegen geven zij zich te meer aan het gebruik of beter het misbruik van opium, van haschich of dergelijke narcotische verdoovingsmiddelen over. Jules Verne schijnt zich vergist te hebben. Vert.↑