The Project Gutenberg eBook ofMei-droom: Een feestelijk verbeeldingsspel in acht tooneelenThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Mei-droom: Een feestelijk verbeeldingsspel in acht tooneelenAuthor: Carel Steven Adama van ScheltemaRelease date: September 4, 2008 [eBook #26530]Most recently updated: January 4, 2021Language: DutchCredits: Produced by Branko Collin and the Online DistributedProofreading Team at https://www.pgdp.net*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MEI-DROOM: EEN FEESTELIJK VERBEELDINGSSPEL IN ACHT TOONEELEN ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: Mei-droom: Een feestelijk verbeeldingsspel in acht tooneelenAuthor: Carel Steven Adama van ScheltemaRelease date: September 4, 2008 [eBook #26530]Most recently updated: January 4, 2021Language: DutchCredits: Produced by Branko Collin and the Online DistributedProofreading Team at https://www.pgdp.net
Title: Mei-droom: Een feestelijk verbeeldingsspel in acht tooneelen
Author: Carel Steven Adama van Scheltema
Author: Carel Steven Adama van Scheltema
Release date: September 4, 2008 [eBook #26530]Most recently updated: January 4, 2021
Language: Dutch
Credits: Produced by Branko Collin and the Online DistributedProofreading Team at https://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MEI-DROOM: EEN FEESTELIJK VERBEELDINGSSPEL IN ACHT TOONEELEN ***
MEI-DROOM DOOR C·S·ADAMA VAN SCHELTEMA
MEI-DROOM DOOR C·S·ADAMA VAN SCHELTEMA
MEI-DROOM
Alle rechten voorbehouden
Alle rechten voorbehouden
TABLE OF CONTENTS„Meidroom”Publisher's catalogTranscriber's notes(Added by the transcriber.)
(Added by the transcriber.)
MEI-DROOMEEN FEESTELIJK VERBEELDINGSSPELIN ACHT TOONEELEN DOORC. S. ADAMA VAN SCHELTEMAROTTERDAM MCMXII W. L. & J. BRUSSE
EEN FEESTELIJK VERBEELDINGSSPELIN ACHT TOONEELEN DOORC. S. ADAMA VAN SCHELTEMA
ROTTERDAM MCMXII W. L. & J. BRUSSE
L. S.Wat hier geboden wordt, wil geen verwerkelijking geven van de theorie omtrent het „drama” in „de Grondslagen eener nieuwe Poëzie” ontwikkeld. Het is slechts als proeve bedoeld van een edel feest-spel ter Mei-viering, picturaal en sculpturaal gezien, – een spel dus vooral van lijn, kleur en beweging, waarbij op een zachten ondergrond van muziek, en in Dalcroze's plastisch verband daarmede, de beweging ontbloeit, omrankt door het ritmische woord, als op zijne beurt een wekker van gedachten en verbeeldingen, waarin de geest zich naar eigen welgevallen kan „ver-meien”.Het is gedacht voor een tooneel, dat beschikt over volledige toerusting, maar kan ook, mits met smaak geleid, in soberder omgeving en met meer bescheiden middelen worden uitgebeeld; terwijl de opvoering ook als openlucht-spel, en dan als een waarlijk „morgen-spel”, kan geschieden. A. v. S.
L. S.
Wat hier geboden wordt, wil geen verwerkelijking geven van de theorie omtrent het „drama” in „de Grondslagen eener nieuwe Poëzie” ontwikkeld. Het is slechts als proeve bedoeld van een edel feest-spel ter Mei-viering, picturaal en sculpturaal gezien, – een spel dus vooral van lijn, kleur en beweging, waarbij op een zachten ondergrond van muziek, en in Dalcroze's plastisch verband daarmede, de beweging ontbloeit, omrankt door het ritmische woord, als op zijne beurt een wekker van gedachten en verbeeldingen, waarin de geest zich naar eigen welgevallen kan „ver-meien”.
Het is gedacht voor een tooneel, dat beschikt over volledige toerusting, maar kan ook, mits met smaak geleid, in soberder omgeving en met meer bescheiden middelen worden uitgebeeld; terwijl de opvoering ook als openlucht-spel, en dan als een waarlijk „morgen-spel”, kan geschieden. A. v. S.
PERSONENDE MANDE VROUWMEIDE GRIJSAARDDE KINDERS zes parenDE JONGEREN zes parenDE GEHUWDEN vijf parenZEVEN DEUGDEN
MEI-DROOMEERSTE TOONEELWeidelandschap, omboord door wilgen en struikgewas, waarlangs witte bloemgroepen met in het midden van den achtergrond ver blauw doorzicht. – Links op den voorgrond een kleine duinachtige heuvel, welke naar rechts zachter dan naar links golvend afglooit en met een nog half groenen takkenbos in de horizontale lijn overgaat. – Op den heuvel, rechts van een kleinen rozerooden meidoornstruik, die naar hen heenbuigt, DE MAN en DE VROUW, twee jonggehuwden, in losse omarming sluimerend, sober gekleed in grijs-en-zwarten toon, zoodat zij, min of meer als een donkerder vlek, afsteken tegen de lichte groene omgeving. – Aanbrekende dag.DE MANzich uit de omarming opheffend tot zittende houdingDe nacht ijlt van mijn doove zinnenEn rooft hun wonderlijken waan, –Het licht daalt door mijn oogen binnenEn doet mijn lippen opengaan.Met de rechterhand wekt hij de vrouw, zijne linker naar den dag uitstrekkend.Zie hoe de teedre weide' ontwaken,Waar stilte met de stilte speelt, –Nog lijkt het leven zonder sprake –Nog lijkt de wereld maar een beeld.De vrouw komt naast hem op.Doch luister –! waar de nevel overDe droomerige struiken vliedt,Rijst uit het licht-geworden looverVan ieder twijg een levend lied!DE VROUWnaast hem zittend, met saamgevouwen handenMijn zingend hart gaat mee naar bovenEn houdt zijn zoete beelden vast,Om er de lente mee te lovenIn 't koor, dat uit de velden wast.Zij ziet rond zich omhoog.Ik voel de tranen op mijn wangen,Als dauw op lente's lief gelaat,Als droppels om mijn oogen hangen,Als spiegels van den dageraad.Zoo draag ik in den dag mijn droomenEn tooi ik onze blijde aard – –Zij slaat de armen wijduit en ziet weifelend voor zich neer.Zoo zie ik Mei ter wereld komen – –Als had ik zelve Mei gebaard!TWEEDE TOONEELVóór de laatste regels heeft de heuvel zich geopend en isMEIte voorschijn getreden. – Zestienjarig meisje in roomwitte travestie, kleine bloote voeten, een stafje omwonden met roze egelantier in de hand, een krans van dezelfde bloemen om het blonde hoofd. – Terwijl de man en de vrouw verwonderd oprijzen, knielt Mei voor hen op een knie. (Hier, gelijk verder, moet bij staande houding van man en vrouw nog ruim voldoende tooneelhoogte boven hen blijven, zonder dat daardoor de in het tooneelbeeld overheerschende verticale lijnen verzwakt worden.)DE MAN en DE VROUWhand in hand, zingendZoo draagt de dag wat ons in droomenDe zoele nacht heeft toegezegd –Zoo zien wij Mei ter wereld komen,Als wies hij uit onze' eigen echt!Mei rijst op, terwijl de man en de vrouw, waar hij begint te spreken, op hunne beurt knielen.MEIrondwijzend met zijn stafje, zingendZie – uit de aardeEn uit den hemelEn uit uw hartenBen ik geboren –Door heel de aardeEn heel den hemel,Door alle hartenBen ik verkoren!Waar ik de weide tooi,Waar ik mijn bloemen strooi,Maak ik de wereld mooi,Maak ik de wereld blij,Breng ik haar liefde bij –Zie ik ben Mei!Waar ik naar boven vaarVolgt mij een vleugelpaar,Wiekt heel een hemelschaar,Maak ik den hemel blij,Hemel en aarde vrij –Zie ik ben Mei!Waar ik u bloemen breng,Waar ik uw harten meng,Waar ik uw tranen pleng,Smelt ik u zij aan zij,Is u mijn ziel nabij –Zie ik ben Mei!DE MAN, DE VROUW, MEIstaande te zamen, zingendHoor de winden henensnellenOm het ieder te vertellen,Dat de meidag (wereld) is ontwaakt –Wei en wilgen wiegt de hoofdenAlsof zij het nauw geloofden,Dat hun sluiers zijn geslaakt!Zie zijn (mijn) adem doet van allenDauw en tranen nedervallen,Blaast van ieder hart den druk –Zie hoe menschen vleugels krijgenOm als vogels op te stijgenIn een hemel van geluk!Parelend van dauw en tranenTreedt de aard in nieuwe banen,En haar liefelijk gezichtLaait in stralend nieuwen luister –Zwaait van 't grondelooze duisterAan het grondelooze licht!Mei loopt zachtjes heen, zich op een lichten ondergrond van de naruischende muziek bewegend en van links naar rechts gaande, – hij raakt met zijn stafje de bloemen en plukt er de kinders uit. – De man en de vrouw, naast elkander staande, zien hem hand in hand na.DE MANom zich heen luisterendHoor het, hoor het kwinkeleerenUit de bloemgeworden wei!Al wat leeft wil jubileerenOm den kleinen blijden Mei.Waar hij glimlacht in den rondeOpent zich een nieuwe knop,Waar zijn bloote voetjes stondenStijgt een bevend liedje op.Volgen wij ons kind en koning,Lichten in zijn lichtend spoor,Gasten in zijn wijde woning,Stemmen in zijn zingend koor!Hij wil den heuvel afgaan, doch de vrouw legt haar linkerhand op zijn schouder en houdt met de andere zijn arm terug.DE VROUWBlijf –! o blijf van hier hem kijken –!Daal niet in dien lichten tuin –Alle lieve dingen lijkenLiever van ons droomend duin.Over zijn schouder gebogen, in overigens dezelfde houding Mei naziende, die de kinders wekt.Hoe dat witte anemoontjeVoor zijn adem openbloeit –!'t Is of ieder geurend kroontjeTot een levend kindje groeit!Zij zinken beiden droomerig tot een liggende houding neer, waarbij zij met den rug op hun rechterarm blijven leunen.En het is – alsof ons eigenHart verdwijnt in zonneschijn –Of wij zelve nederzijgen –En wij zelve bloemen zijn.DERDE TOONEELMei, geheel op het linker-achterplan gekomen, verdwijnt even tusschen het gewas; – dadelijk daarop snort een groote meikever, met het koor van DE KINDERS zoemend en trippelend daarachter, in een wijden boog naar het rechter-voorplan. – De jongetjes (als anemonen) in één kleur, gedempt groen, met een kring van zes witte bloembladen om het hoofd (dubbeltallen, waarvan de bovenste los zijn); de meisjes (als madelieven) in één kleur, licht-groen, met een kring van ongeveer twintig witte (enkele rozige) bloemblaadjes om het hoofd (waarbij eenige losse).DE KINDERSzingend en trippelend achter den meikeverHoe zoemenWij bloemenVan hommel en bij!Wij wuiven, wij stuiven.Wij groeien en bloeienMet Mei!Met Mei!Met Mei!Met de laatste woorden bewegen zij telkens hun hoofdjes heen en weer.Wat snorrenDie torrenEn kevers zoo blij!Zij glanzen, zij dansenDe dagen, en dragenDen Mei!Den Mei!Den Mei!Als boven.De vleugels van den kever gaan open, waaruit Mei te voorschijn stapt; – door zijn stafje aangeraakt, snort de kever rechts naar boven weg. – Mei wendt zich tot den man en de vrouw, van wie de laatste, iets oprijzend, zich op de rechterhand steunt, terwijl beiden verwonderd toezien.MEIop de kinders wijzend, zingendZie mijn geleide –!Van heel de blijdeBloeiende weideBreng ik u beidenDien blonden pluk!Onderwijl gaan de kinders in een kring hand in hand om den heuvel.Voor u ontplooienZij al hun mooieHarten en strooienOm u te tooienHun bonten smuk!Onderwijl plukken de kinders bloembladen uit hun hoofdkrans en strooien die voor den man en de vrouw.Beeld van uw leven,Droombeeld gebleven –Doch dat u evenEen geur mocht gevenVan liefde en geluk!Onderwijl knielen de kinders in een halven kring vóór den man en de vrouw, van wie de eerste zich nu ook, op de rechterhand steunend, opheft en de laatste tot zittende houding rijst. Na Mei's woorden groeit een lichte muziek, op welke de kinders vóór den heuvel dansen. Uit den dans ontwikkelt zich dan een wijde zingende kring om den heuvel, die telkens nauwer wordt, tot zij bij het derde couplet aan den heuvel rusten.DE KINDERSzingende om den heuvelWij geurenEn beurenOns hoofdje u bij!Ons hoedde, ons voeddeMet luchtjes en zuchtjesDe wei!De wei!De wei!Met de laatste woorden bewegen zij hun hoofdje en de als kelken daarnaast opgeheven open handjes heen en weer, van het eene beentje op het andere stappend.En haast erEn blaast erHet windje nabij –Daar draaien en waaienWe als blaadjes en zaadjesVoorbij!Voorbij!Voorbij!Met de laatste woorden bewegen zij hun hoofdje en de handjes ter hoogte van middel en borst heen en weer, en gaan met droomdronken stapjes.Gaat zachtjesMet lachjesOns hoofdje op zij –Dan: – zwijgende – neigendeKomen wij droomenVan Mei!Van Mei!Van Mei!Met het laatste couplet hebben zij zich in dichten halven kring tegen den heuvel gevlijd; – zij bewegen nog hun hoofdjes en neerhangende handjes zacht heen en weer, terwijl zij bij de laatste regels in slaap buigen, naast en boven elkaar, zoodat het schijnt alsof de heuvel bebloeid is. – Mei dekt hen met zijn stafje te ruste en gaat langzaam naar het gewas rechts. – De man rijst droomerig uit zijn half liggende houding naast de vrouw; – met een arm om elkanders middel en met de hoofden tegen elkaars schouder geleund, zien zij voor zich uit.DE MAN't Is of mijn hart zich weder heugtDie eerst' ontroerde lentedagenEn ademt in de blijde vlagenVan eene bloembedolven jeugd.DE VROUW't Is of mijn oogen mijne jeugdEn al de sterren wederzagenBoven de bloesemende hagenAan alle wegen mijner vreugd!Zij maakt haar arm los en ziet rond naar Mei, die op het linker-achterplan gekomen is, terwijl hij de jongeren wekt.Maar zie hoe Mei door 't groene grasHet hooger wazend hout al nadert.En uit het glanzend jong gebladert'Den bloei wekt van een nieuw gewas!DE MAN en DE VROUWoprijzend en staande uitziende, zingendZie! zie hoe Mei een versche vrachtVan groene levens gaat bestijgen –En uit een wolk van witte twijgenOns zegevierend tegenlacht!VIERDE TOONEELMei is van het rechter-voorplan naar het linker-achterplan rondgegaan langs het gewas, waaruit hij, als haalde hij hen van het groene hout, enkele jongeren verzameld heeft, die hem volgen. Een oogenblik in het gewas verdwenen, komt Mei met den stoet van DE JONGEREN, na de eerste woorden van het gezongen couplet, daaruit te voorschijn. – De jongelingen dragen korte buizen met lange sluitende broeken, lichtgeel, met rooden zakdoek om den hals geknoopt, roode boordsels en knoopen, roode roos in het linker knoopsgat en achter het rechteroor, in de linkerhand een tak groen, bloote voeten. De meisjes eveneens in lichtgeel, met een rood sjaaltje om de schouders, roode knoopen en boordsels, een krans roode rozen om het haar, in de rechterhand een tak witte bloesems, bloote voeten. – De jongelingen links, de meisjes rechts, gaan zij paar aan paar, de eene hand, op armslengte afstand, op elkanders schouder en met de andere, waarin de tak blâren of bloesems, tevens een met rozen omvlochten koord omhoog houdende, hetwelk de twee voorsten alleen met beide handen vasthebben, en waarvan Mei, op de schouders van het laatste paar staande, de einden als teugels ophoudt. De stoet komt, als boven, in een boog naar voren en zwenkt dan naar rechts vóór den heuvel, zoodat eerst meer de witte, dan meer de groene takken gezien worden. – De vrouw hangt haar linkerarm om den hals van den man, die met zijn linkerhand hare hand op zijn schouder vasthoudt, terwijl hij zijn rechter om het middel van de vrouw slaat en deze, tegen hem aangeleund, haar vrije arm laat neerhangen. – Mei neemt in zijn linkerhand de rozenteugels en wijst met zijn stafje in de andere voor zich uit.MEIzingendIk spreidde over toppenEn berstende knoppenDen blos van mijn bloed,Door alle rosseBloeiende bosschenSchemert mijn gloed.Van nauwlijks ontbloote,Ontluikende lotenVlocht ik mijn stoet,Mijn rozige teugelsWerden tot vleugelsVoor hun vluggen voet.Behalve het laatste paar, of de beide laatste paren, knielen de andere op een knie; evenzoo Mei, die daarbij met de rechterhand de teugels boven het hoofd heft, zoodat, waar elk paar het rozenkoord iets hooger houdt, dit een zuiver opgaande lijn vormt.Van liefde levende,U liefde gevende,Breng ik den groetDier nauw ontwakendenUw beider blakendeMin te gemoet!Thans knielt ook het laatste paar, waarvan Mei afstapt. – De beide reien, het rozenkoord als een hangende guirlande vóór zich houdend, buigen achtereenvolgens in twee bogen naar voren, ter zijde achter de beide voorste jongelingen en meisjes blijvende, die half naar voren, half naar den heuvel gewend, een kwartet vormen. – Mei blijft op het tweede plan en ziet toe.DE JONGERENRei van jongelingen, zingend naar voren buigendWij zijn de sappen, die trekkenVan wortels tot wuivende kruinen.Wij zijn de tuinders – de tuinen,De driftige spruitende stekken,Wij zijn de adersDe bladers –De boom!Rei van meisjes, zingend naar voren buigendWij zijn de bloemen, die wekkenWier vleugels den hemel injagen,Wij, die het doel uwer dagenMet bloeiende beelden bedekken,Wij zijn de bruidenDe kruiden –De droom!Het kwartet, zingendWij vlechten tot vlammende bandenDen bloei, die uw hart overlaadde,Wij drijven tot stralende dadenWiens hart onder rozen bleef branden,Wij zijn de vleugelsDe teugels –De toom!De paren der beide koren hernemen het laatste couplet, buigen zingend naar elkander toe en vlechten de witte bloesems door de groene takken, waarna de jongelingen de takken overnemen en de jongelingen en meisjes der even paren van plaats verwisselen. Bij het laatste woord heffen zij allen het rozenkoorden den tak triomfeerend omhoog, gelijk eerst het kwartet dat gedaan heeft, waarbij thans alle jongelingen het koord aan hun andere zijde nemen. Het eerste meisje van den achtervleugel leidt nu, nadat de jongelingen en meisjes van den voorsten vleugel zich naar rechts hebben gewend, een rondedans om den heuvel in, waarbij het rozenkoord dus omwisselend tusschen de dansenden heenslingert. Uit den dans vlijen zij zich in een halven kring om den heuvel vóór de kinders. – De man en de vrouw zinken droomerig tot een zittende houding terug, waarbij hij, de rechterhand om haar middel houdend, zich met de linker ter-zijde-achter stut en zij de handen in den schoot vouwt. – Als allen rusten schijnt Mei, die tot daartoe het schouwspel van ter zijde heeft aangezien, in het rechter-zijgewas te verdwijnen. – Te gelijker tijd herneemt de muziek het kindermotief en ontwaken de kinders, die een oogenblik hun kopje opheffen en heen en weer bewegen.DE KINDERSzingend– – – – – –Maar waar isDe MeiDe MeiDe Mei –!De muziek breekt af en de kinders schijnen weer in te slapen.DE VROUW't Is of de Mei, zijn glans vergarend,Ons hart als eene harp bespeeltEn, zelve door de weiden varend,Ons droomend jaagt van beeld tot beeld.DE MAN't Is of de rei van zomerboden,Die om ons droomend leger gleed,Met de ebbe van den nacht gevloden,In 't wassend dagen wedertreedt.Zij keeren zich naar Mei, dien zij zien aankomen. De man houdt de linkerhand boven de oogen, zich thans met de rechter van achter steunend, terwijl de vrouw, tegen hem aanbuigend, op de linkerhand leunt en hare rechter in den schoot houdt.DE MAN en DE VROUWzingendEn zie –! Mei zelf keert tot ons weder!Als eene lentezoelte daaltHij uit een groene wolk van teeder,Ternauw geboren loover neder – –Hij heeft het eerste nest gehaald –!VIJFDE TOONEELDe man stut zich nu, iets achterover leunend, op den rechterarm, terwijl de vrouw, zich voorover naar den stoet buigend, in zijn schoot glijdt en zich daar overheen op den linkerarm steunt, met het hoofd aan zijn borst rustend. – Uit het gewas op het rechter-voorplan komt, als twee elkaar volgende paren, het kwartet van DE GEHUWDEN, gekleed in losse, om de heup gegorde gewaden van paarse kleur, met bruin geboord en met enkele roode bloemen getooid, de mannen zonder baard. Zij dansen den stoet voor met ieder een schaal vol donkere bloemen in de beide handen. – Dadelijk achter hen komt Mei met drie paren gehuwden, in lichtbruine gewaden, met paars geboord en enkele witte bloemen getooid, de mannen gebaard, die aan groen-omloofde koorden een groot nest spelenderwijze voorttrekken. Mei voorop houdt enkel met de linkerhand het meest rechtsche en langste koord, – de gehuwden hebben om en om, een telkens korter koord, dat zij met de rechterhand op den rechterschouder houden en met den linkerarm achter zich omstrengelen. – Het kwartet schaart zich paarsgewijze vóór den heuvel naast elkaar, doch zoo, dat de middelste vrouw en man iets vóór het uiterste paar staan.DE GEHUWDENHet kwartet, zingendWij zijn 't gewas van wijder hemelstralen,Van hooger zon,Die tot den bodem van ons hart kwam dalen –Zoo brengen wij u boordevolle schalenDier levensbron.Zij nemen de bloemen van de schalen, die met licht-uitstralende kristallen gevuld zijn, en drukken zich de bloemen als een krans om het hoofd.Wij zijn 't, die na de wemelende slagenVan 't morgenuurAls zegen der doorgloeide levensdagenVan de'ochtend in den milden middag dragenDien schat van vuur.Zij knielen vóór den heuvel en zetten de schalen neer.Ons, die het eigen duizendvoudig bouwenUit de aarde hief,Ons zijn de zonnetrillende landouwen,Ons is het scheppen – ons het blijde aanschouwenVan 't leven lief!Bij den tweeden regel van het laatste couplet rijzen zij weer op, waarna zij bij de dan volgende regels de armen wijd uiteenslaan, om ze bij de laatste woorden vóór zich te vouwen. – Het laatste couplet wordt dan door de andere paren als koor herhaald, waarna het kwartet zich achter de schalen en dichter bij den heuvel schaart, en Mei tusschen het kwartet en het koor naar voren treedt, terwijl hij aan de naast hem staande vrouw zijn koord overgeeft.MEIsprekendOver heindeverre weiden,Onder hemelhooge luchten,Duiken, schuilen zachte nesten,Wuiven nesten heen en weder,Wuiven, wuiven zij hun teederBroedsel tusschen aard en hemel.Over wuivend verre weiden,In de zee van wind en luchten,Stijgen, duiken vlugge vogels,Duiken, duiken zij ter neder,Brengen voedsel voor hun teederBroedsel tusschen aard en hemel.Over waters, over weiden,Door de nevelverre luchten,Varen stadig vluchten vogels,Vaart hun, vaart hun zacht gevederNaar het wachtend, wazig teederEinde tusschen aard en hemel.Over heindeverre weiden,Onder hemelhooge luchten,Daalt het, daalt het zacht geveder,Daalt het uit de nesten neder,Daalt ter wereld al het teederBroedsel tusschen aard en hemel.ZESDE TOONEELTerwijl Mei bij de laatste woorden van het laatste couplet het eerste koord weer ter hand neemt, rijzen uit het nest de ZEVEN DEUGDEN en zetten zich op den rand; – daarbij spreiden de zes gehuwden, ieder meer naar voren tredend, de koorden straalsgewijze uit (zoodat Mei blijft staan en de voorste man op het voorste plan komt). – Een algemeene en plotselinge beweging naar het nest ontwikkelt zich met de muziek: – het kwartet snelt er heen en knielt vóór den eersten straal (tusschen Mei en de eerste vrouw); de man en de vrouw rijzen op en willen, de vrouw vooraan, den heuvel afdalen, waarna zij aarzelt en omziende den man bij de hand vat; de kinders ontwaken, loopen onstuimig, tusschen de nog neerliggende jongeren, over het rozenkoord en blijven iets achter het kwartet in een halven kring vóór het nest geknield,waarbij zij hun hoofdje en vooruitgestrekte armpjes op de muziek (kindermotief) heen en weer bewegen; de jongelingen en meisjes rijzen dan op hunne beurt en dringen, met het rozenkoord omhoog geheven, voorbij en over de geknielde kinders, tot vóór het nest, doch nog achter het kwartet, waar ook zij knielen. – Dan begint (alles in ritmisch verband met de muziek) de teruggaande beweging even plotseling: – de jongeren laten de armen zakken, rijzen op en, zich omwendend, schijnen zij de lachende kinders met hun rozenkoord in een vaart mede te trekken naar den heuvel, waar alles zich in den vorigen stand herstelt; de man en de vrouw, van wie de laatste den eerste, zijn hand met haar beide handen omvattende, bij het achterwaarts wijken is voorgegaan, zinken evenzoo terug, waarbij thans de man, op den rechterarm over den schoot van de vrouw geleund en de linkerarm achter-naast zich neerhangend, met het hoofd tegen haar borst rust, en de vrouw zich zittende op de beide achterwaartsche armen stut. – Uit de dartel teruggaande beweging groeit een zachter muziek, waarbij het kwartet, dat mede was opgerezen en weifelend was blijven staan, aanvangt te dansen, telkens tusschen de open stralen een der deugden naderend en weer wijkende.DANSBegonnen bij de voorste deugd (dus vóór het buitenste koord), eindigen zij tusschen de koorden van Mei en de eerste vrouw, waar thans de beide paren, het eene met de hand op elkanders schouders, het andere knielende op een knie, een trede vormen voor de deugd, die, zich op den rand van het nest wendende, daarvan neerdaalt en tot vóór de vier schalen naar den heuvel schrijdt. – Het kwartet volgt de deugd tot buiten de koorden, terwijl de eerste vrouw, tot dan naar Mei gekeerd, zich omwendt naar den eersten man. – Nadat de deugd gesproken heeft, haalt het kwartet evenzoo de volgende af, waarna de eerste vrouw haar koord aan Mei overgeeft, de deugd met het kwartet een stap volgt, en op het tweede plan achter Mei gaat staan, die een stap naar voren komt. Zoo vervolgende staat Mei ten slotte met de zeven omloofde koorden in de handen op het voorplan en de groep van zes gehuwden op het tweede plan. –De zeven deugden zijn in zeer licht blauw lang en los gewaad, waaronder bloote voeten, met elk een garf bloemen als zinnebeeld, hetwelk zich in den haartooi sober herhalen kan. – Nadat de eerste deugd gesproken heeft, neemt zij haar garf in den rechterarm en blijft rechts naast de achterste schaal staan; nadat de tweede gesproken heeft, neemt deze haar garf in den linkerarm, – beiden vatten dan de lichtende schaal op en treden naar links.GEESTDRIFTmet een garf hoog opstaande roode papaversIk ben de geestdrift, die naar wijdeEinders van verre vrijheid drijft,Die 't stormend hart bestookt tot strijdenVoor 't doel, dat ze aan den hemel schrijft.BEZONNENHEIDmet een bundel korenhalmen, waarvan afhangen roze en witte heggewindenIk ben bezonnenheid, die dadenEn woorden weegt in 't vroom verstand,En uit haar hemel zacht-beradenHen neerschrijft in een klaar verband.IJVERmet een plok gras vol paardenbloemenIk ben de ijver, ben het streven.Dat woelend door de dagen knaagt,Dat naarstig door het jagend levenEen dichte vracht van plichten draagt.GEDULDmet witte waterlelies op den arm, waarbij de groote groene bladen neerhangenIk ben geduld, dat leerde beiden,En in een kolk van stil gedacht,Ternauw bewogen door het lijden,Aan de'oever van het leven wacht.KENNISmet omhoog staande zonnebloemenIk ben de kennis, die door 't duisterHeelal haar stralen openspreidt,Tot zij bij 't licht van de'eigen luisterDer wereld luister onderscheidt.SCHOONHEIDmet een garf neerhangende groote roode rozenIk ben de schoonheid, zij die zwijgendAl 't hemellicht weer samenbindtEn, in een glimlach nederzijgend,'t Geluk op aarde wedervindt.LIEFDEmet een grooten bloeienden rozerooden meidoorntakIk ben de liefde – in mij ademtWat ik ten doop aan 't leven hield, –Ik ben het, die het al omvademt –Ik ben het, die het al bezielt!Na de laatste woorden, waaruit de muziek ontluikt, werpt zij den meidoorntak den man en de vrouw in den schoot en neemt met beide handen de laatste schaal, waarmede zij naar het midden-voorplan treedt. De andere deugden reien zich hier om haar, terwijl het kwartet, elkaars handen vattend, zich ter zijde op het linker-voorplan schaart.MENUET DER DEUGDENNa den dans schikken de deugden zich vóór het kwartet, waarbij zij de schalen voor zich neerzetten en, met de armen elkaar omstrengelend, ter zijde naar den heuvel zien. – De man en de vrouw zijn bij de woorden van de laatste deugd geheel tot zittende houding opgekomen; zij houden den meidoorntak in hun beider schoot en daar overheen elkanders handen gevat, terwijl zij, naast elkaar gezeten en tegen elkander aanleunend, het vrije been iets ter zijde gebogen, droomerig over de schalen heen staren.DE MAN't Is of mijn hart die wijde woordenAls 't zeil de zilte winden gaart,En met zijn blijbespoelde boordenNaar onbekende zeeën vaart.DE VROUWMij is 't of ik door groene zodenVan maagdelijke weiden treed,Waarin ons beiden, nieuw-genooden,Een zalig zonlicht welkom heet.Mei, die met de groen-omloofde koorden nog bij den dans heeft toegezien, heeft deze daarna over den schouder genomen en is, het leege nest achter zich aantrekkend, bij de laatste woorden van de vrouw, met een stillen glimlach voor zich heen, tusschen het gewas naar rechts verdwenen. Te gelijker tijd glijdt een schaduw over het tooneel (hetgeen een poos iets donkerder blijft) welke den man en de vrouw doet rondzien en Mei's heengaan doet ontwaren, zoodat zij oprijzen en elkaar bij de hand vatten, die zij met den bloemtak ontsteld naar Mei uitstrekken. – De groepen willen op de onrustig groeiende muziek Mei volgen: – de deugden nemen hunne schalen en haasten zich naar rechts, gevolgd door het kwartet, zoodat nu aan de rechterzijde achtereen en van rechts naar links de deugden, het kwartet en het koor van gehuwden geschaard staan. De kinders en de jongeren ontwaken.ALLENzingendZie! maar zie daar!Mei verlaatOnzen lichten levensstaat!Lachend vliedt hij langs de wegen –Waar het nest in groen vergaat – –Bloem en blâren buigen neer,Nu hun kleine lieve heerMet zijn stralenrijken zegenIn een wolk is weggestegen – –Ach! hun zieltjes voelen veeg –Ach! hun hartjes loopen leeg!De beweging zet zich nu onder de jongeren en de kinders voort, die oprijzen en met uitgestrekte handen enkele stappen naar rechts komen, terwijl de man en de vrouw met gezonken handen, thans wat afgezonderd op den halfverlaten heuvel, blijven toezien.DE KINDERSzich neervlijendAch! nu loopt ons hartje leeg,Dat van Mei het meeste kreeg –!DE JONGERENzich neerzettendO! het mooist – het allermeestIs toch Mei voor óns geweest –!DE GEHUWDENneerknielendMaar den schoonsten levenszegenHebben wij van Mei gekregen –!DE DEUGDENstaandeZie van ons zijn luister gloren,Waar wij zelf uit zijn geboren –!Zij heffen de schalen op, waarbij het weer overvloedig licht wordt en Mei met den grijsaard op den achtergrond verschijnt.ZEVENDE TOONEELDE GRIJSAARD in donkerbruine, dunne, wollige pij, sandalen aan de voeten, witte baard en een smalle krans van jonge groene blaadjes om de witte lokken; met de rechterhand steunt hij op een groen-omloofden staf, met de andere rust hij op Mei's schouder, die in de rechterhand zijn roze stafje heeft en met de linkerhand den stengel van een grooten pluisbol omvat houdt, welke boven overhem en den grijsaard heenbuigt. – Bij het verschijnen van Mei en den grijsaard zetten de man en de vrouw zich weder neer en blijven verder zittende, met den arm om elkanders hals en elkaar bij de hand houdend, droomerig toezien.ALLENbehalve de man en de vrouw half oprijzend, zingende tot Mei met den grijsaard gekeerdZie! maar zie daar!Mei komt weer –!Als een kleine lieve heerKeert hij uit zijn schaduw nader,En zijn stralend lijfje houdt,Lijk een boom van bloeiend hout,Onzen ouden witten vader!De beweging naar den grijsaard met Mei zet zich nu voort: – de kinders loopen, tusschen de jongeren en over het rozenkoord, van den heuvel weg naar het achterplan, waar zij zich paar naast paar en hand in hand in twee kleine bogen links en rechts van den grijsaard en Mei scharen. Van rechts komen nu ook de gehuwden met hun kwartet en de deugden, van links de jongeren eenige stappen naar den grijsaard en Mei toe, zoodat thans alleen de man en de vrouw op den verlaten heuvel blijven.DE KINDERSHij, uit wien wij zijn gedegen –!DE JONGERENHij, de zaaier onzer zege –!DE GEHUWDENHij, de herder onzer wegen –!DE DEUGDENHij heeft meest van al gekregen –!De zijgroepen komen nu min of meer in de schaduw, terwijl het volle licht op het midden-achterplan tegen Mei en den grijsaard valt, met de kinders ter zijde.MEIzingend, met zachten inzetNaar de verte verdwaald,Heb ik dien stam gevonden –Heb ik hem hier gehaaldEn met bloemen omwondenEn de lente hergevenAan wien lente ontvlood –Zoo is het leven – –Hierbij slaat Mei de armen vóór zich uiteen, den stengel echter zoo houdend, dat de pluisbol boven hem en den grijsaard blijft, – hij buigt dan het hoofdje achterover en blaast in den pluisbol, waaruit een gedeelte wegdrijft – – dan weer voor zich uitziende, zingt hij den laatsten regel:Zoo is de dood –!DE KINDERSals een zachte, bijna fluisterende echoZoo is het leven – –Zoo is de dood –!Mei en de grijsaard komen thans iets naar voren, in welke beweging de andere groepen deelen.MEIMenig stam, die al zuchtEn al bladerloos wankelt,Om wiens kruin nog een vluchtGroene loovertjes sprankelt.Die daar blinkende bevenAan een wuivende loot –Zoo is het leven – –als boven– – – – – – –Zoo is de dood –!DE KINDERS en DE JONGERENals een zachte echoZoo is het leven – –Zoo is de dood –!Mei met den grijsaard en, in verhouding daarmede, de groepen komen weder enkele stappen naar het voorplan.MEIOp de bloeiende zeeVan die ruischende blârenWiegt hij zwijgende meeAls een mast op de baren –En, ten hemel geheven,Duikt hij zacht in heur schoot –Zoo is het leven – –als boven– – – – – – –Zoo is de dood –!DE KINDERS, DE JONGEREN en DE GEHUWDENals een echoZoo is het leven – –Zoo is de dood –!Bij zijn laatste woorden heeft Mei den leeggeblazen pluisbol in het gewas ter zijde geworpen en is thans met den grijsaard op het voorplan, vlak voor den takkenbos gekomen, te midden van den halven kring der groepen, waarnaast de heuvel zelf buiten het volle licht blijft.DE GRIJSAARDsprekendIk kom met kleinen Mei verlegen naar uw feestOm er mijn beetje groen bij al dien bloei te dragen, –Want boven bloemen, boven 't hooge loover zagenMijn oude oogen naar die schemerende dagen,Waarin het alles – alles anders is geweest.MEIdroomerig sprekendVertel ons vader die herinneringen, –Ik was er bij en wist het eenmaal wel,Maar ik vergat alweer die verre dingen,En 't lijkt zoo lang geleê, – vertel – vertel –!DE KINDERSVertel –!De naastbijzijnden, links en rechts, vlijen zich aan de voeten van den grijsaard, de daaraanvolgenden knielen op een knie, met de hoofdjes en armpjes op elkaars schouders rustend.DE JONGERENVertel –!Links, – de voorsten knielen als de kinders, de volgenden staan met de armen om elkanders schouders geslagen en het hoofd ter zijde gebogen toe te luisteren, de achtersten vóór den voet van den heuvel, welke zelf buiten het tafreel blijft.DE GEHUWDENVertel –!Rechts, – met de armen op elkanders schouder geleund en daar overheen gebogen toeluisterend. – De deugden, de Liefde in het midden, terwijl de twee opvolgenden aan haar beide zijden de lichtende schalen als caryatiden op hethoofd houden, scharen zich inmiddels hand in hand in een halven boog op het tweede plan, achter den grijsaard. – De grijsaard zet zich op den takkenbos te midden van den kring, terwijl Mei met zijn stafje rechts, iets ter zijde achter hem blijft staan.DE GRIJSAARDvoornamelijk tot de kinders sprekendEr was een tijd, voordat het daagde op de aarde,Voor zich der menschen ziel met 't licht heelal verbond,Dat ieder schepsel door een blinden doolhof waardeEn geen het goede woord – den weg ter zonne vond. –Er was een tijd, waarin geen jonge kinderkorenAls blijde wijde rei van bloemen in het veldOp de aarde ontwaakten, maar die ieder nieuw-geboren,Verwonderd, teeder wicht te midden van 't geweldDier wilde wereld stil een krans van zwarte zorgenOm 't droomig hoofdje leî. – Toen groeiden zij op steen,In steenen kelders als in kuilen weggeborgen,Met steenen boven hen, en steenen om hen heen, –Zoo diep – zoo diep daarin, dat zelfs de zonnestralenMaar vaag iets wisten van die hartjes daar beneê.Geen wind waaide van 't veld en fluisterde verhalenVan de'ijlen hemel – en de vogels – en de zee, – –En, zelf een bleeke vlek, heeft menig nooit gewetenHoe groen de wereld was. – Veel werden maar een knop,Veel werden door het lot vertrapt en stukgereten,Veel vroeg geplukt, – en veel – groeiden ondelgbaar op! –Ik zelf was één van hen –!DE KINDERSZoo'n kleine bloem in donker –?DE GRIJSAARDvoornamelijk tot de jongeren sprekendDonker –?– ja donker wel, waar zelfs de warme glansDer blijde liefde maar een weifelend geflonkerIn 't arme leven was, – een bang-gewachte kansIn 't blindelingsche spel – een hoop – een heete wonde –!Hoe beefde liefde als de laatste dunne snaarVan een gedoofd akkoord, – hoe leefde zij als zonde:Een worstelende greep –! en nooit dat wijd gebaarVan wie een wereld aan zijn warme hart wou drukken! –Ach 't leven was een woud, een schemer zonder dag.Een duisternis van strijd en eeuwig onderdrukken,Waar slechts de sterke wies, – tot hij de sterren zag.En toch: – hoeveel dat klom, dat bloeide in 't verborgen,Dat ál maar schoonheid beurde uit die verdoemde laagt' –Dat bouwde in den nacht en wachtte op den morgen – –Totdat de roode dag voor allen heeft gedaagd –!–Zij bloeiden boven mij –!DE JONGERENZoo vele liefdeloozen –?DE GRIJSAARDvoornamelijk tot de gehuwden sprekendO – liefde tóch! – welk hart, dat haar nimmer beleed?Ook zij droegen haar toom – doch zelden met de rozen,Die vroeg ontbladerde' op den bodem van hun leed.En als de lente ging – wat doornen die hen wachttenAan 't zwart-getrapte pad: – de mannen, gauw berooidVan allen bloei, – de vrouwen, ledig van gedachten –Zelfs door geen vaal verdriet met tranen meer getooid.O – liefde tóch! – hoe heeft zij hen door 't leed gedragen,Wier hart het lichtend beeld van 'n leven in zich droeg,Dat ze als een witte ster boven den einder zagen, – –Totdat hun staf 't licht uit de donk're bergen sloeg,En door de grauwe weerld 'n zondvloed van liefde welde,Waarin de oude aarde eind'lijk ging bestaan –!O – liefde was wel de bezieling van die helden,Die voor ons vochten, – die hebben gedáán – gedáán –!–Ik was nog maar een bloem –!DE GEHUWDENEn weet gij nog die jaren –?Het tooneel wordt langzaam iets donkerder, zoodat vooral de schalen schijnen te lichten.DE GRIJSAARDvoor zich heen starendIk weet nog vaag hoe men toen samenkwam en zong, –Ik zie nog vaag die donk're – lange – lange scharenMet kleinen Mei voorop – – doch Mei is eeuwig jong; – –Maar, als het zomert, meen 'k die stemmen soms te hooren,Is 't of mijn oog op eens die verre wereld ziet, – –Dan groeit dat groot visioen – dan ruischt weer in mijn oorenDe zachte echo van een lang-vergeten lied – – –Bij de laatste woorden klinkt gedempt van verre de muziek van een bekenden revolutionnairen zang, – allen luisteren met den grijsaard mede. – Met het einde van de eerste strophe ziet de grijsaard op naar den man en de vrouw, die bij het laatste gedeelte van zijn verhaal allengs uit hun luisterende houding zijn teruggezonken op den heuvel en onder de eerste tonen der muziek zijn ingesluimerd, in juist dezelfde houding als bij den aanvang, – allen zien mede op naar het slapende paar. – Dan legt de grijsaard den vinger op de lippen, rijst op en schrijdt langzaam heen, met den groenen staf in zijn rechterhand enaan zijn linker de kleinste van de kinders, waarachter de anderen volgen en met de zachter klinkende muziek de aftocht begint: – Velen der kinders en der jongeren werpen het sluimerend paar kushandjes toe, anderen houden een vinger op de lippen, of wijzen nog omziende elkander naar het paar, allen gaan zachtjes, als op de teenen, voorbij; de stoet gaat links vóór den heuvel om en wendt zich dan naar het rechter-achterplan, waar hij in 't gewas verdwijnt. – De deugden zijn voor het begin van den aftocht geheel op het achterplan teruggetreden en blijven daar geschaard in denzelfden caryatidenstand. – Op het voorplan blijft Mei alleen over: hij werpt bij de laatste tonen van het al verderaf klinkende lied den beiden slapenden een kushand toe, zwaait met zijn stafje in het rond en slaat op den heuvel – waarbij plots het volle licht terugkeert, hij zelf op de plaats, vanwaar hij verscheen, weer in den heuvel verdwijnt, en de man en de vrouw ontwaken te midden der lichte stilte. – Zij zien naar den bloeienden meidoorntak, die nog op hun schoot in hunne handen ligt, dan omhoog tot den bloeienden struik naar hen heen gebogen; verwonderd kijken zij rond, wrijven zich de oogen uit en zien elkander aan; dan rijzen zij op, geven elkaar glimlachend de hand en dalen, de man thans links, de vrouw rechts, ieder met een loot van den tak, den heuvel af naar het voorste plan, waar de beide zijgordijnen langzaam achter hen dichtschuiven.ACHTSTE TOONEELEPILOOGEenige stappen van elkaar af staande, ten halve tot elkander gewend, zien de man en de vrouw eerst nog mijmerend voor zich uit.DE MAN't Is of de droom van blonde weelde,Die straalde uit de lentelucht,Op eens, met al zijn blijde beelden,Den hemel weer is ingevlucht.DE VROUWAch, laat ons aan het droomen blijven –!Hoe zoet om naar dat droomenlandVan 't wilde leven weg te drijven,Als bloemen aan den waterkant.DE MANtot haar tredend en zijn linkerhand op haar rechterschouder leggendNeen! – schooner is 't waarachtig leven,Schooner dan droomen is de strijd!En meer dan droomen kunnen gevenGeeft ons de groote werklijkheid.DE VROUWhaar rechterhand op zijn linkerschouder leggendDan zal de droom ons leven sterken.Waar wij te zamen, hand in hand,Aan eene nieuwe wereld werkenEn vechten voor 't beloofde land.Zij laten elkander nu los en komen naast elkaar vlak voor het voetlicht, vanwaar zij zich tot de toeschouwers wenden.DE MANZij onze droom voor uwen geestDe schoonheid, die ge in 't leven leest –!Bij de laatste woorden werpt hij een handvol bloesems van den meidoorn over de toeschouwers.DE VROUWOns spel is maar een droom geweest –Ontwaakt gij tot een waarlijk feest –!Bij de laatste woorden werpt zij eveneens een handvol bloesems.Zij strooien daarna de overige bloesems naar de toeschouwers, leggen dan den vinger op de lippen, nemen elk een slip van de dichte gordijnen en halen deze langzaam, op de teenen loopend, naar weerszijden open; met de eene hand het gordijn ophoudend, wijzen zij met de andere daarna de toeschouwers met uitgestrekten vinger op het tafreel daarbinnen: – Allen zijn, als een nog sluimerend toekomstbeeld, op hunne beurt in slaap gezonken; in het midden, tegen den takkenbos geleund, zit Mei, met het hoofd ter zijde op den linkerarm gebogen en in de rechterhand nog het schuin-gevallen stafje ophoudend, terwijl de grijsaard languit, met het witte, groenomloofde hoofd dwars in Mei's schoot rustend en den gezonken groenen staf nog naast zich in de hand, schijnt te sluimeren; aan beide zijden liggen de kinders, de jongeren en de gehuwden, allen neergevlijd en in slapende houdingen; achter Mei en den grijsaard liggen de deugden geknield op eene knie, met de lichtende schalen omhooggeheven, (de Liefde in het midden houdt in iedere hand met de naastknielenden een schaal op, deze houden met den anderen arm de beide naast hen geknielden wederzijds bij de schouders omstrengeld, welke met de beide uitersten wederom een schaal omhooghouden). –De man en de vrouw schuiven de gordijnen weder dicht, en treden bij het sluiten nu tevens zelf daarbinnen.DIT BOEKJE IS GEZET UIT DE HOLLANDSCHE MEDIÆVAL DER LETTERGIETERIJ „AMSTERDAM”, ONTWORPEN DOOR S. H. DE ROOSVAN C. S.ADAMA VAN SCHELTEMAIS VERSCHENENDE GRONDSLAGEN EENER NIEUWE POËZIEUitverkochtEEN WEG VAN VERZENUitverkochtUIT DEN DOOLUitverkochtVAN ZON EN ZOMER3edruk f 0,60, geb. f 1,10ZWERVERSVERZEN3edruk f 0,60, geb. f 1,10EENZAME LIEDJES3edruk f 0,60, geb. f 1,10UIT STILTE EN STRIJD2edruk f 0,60, geb. f 1,10EERSTE OOGSTf 0,90, geb. f 1,50MEIDROOMf 0,60, geb. f 1,10LEVENDE STEDEN: I LONDEN, II DUSSELDORP, III AMSTERDAMper deel f 0,60, geb. f 1,10Enkele exemplaren op geschept Holl. papier per deel f 2,50VOLLEDIGE TITELOPGAVE VAN ALLE WERKEN VERSCHENEN BIJW. L. & J. BRUSSETE ROTTERDAM EN IN IEDEREN BOEKHANDEL TE VERKRIJGEN. JULI 1912.[WHEN ADAM DELVED AND EVE SPAN WHO WAS THEN THE GENTLEMAN]Verkleinde illustratie uit William Morris Kunst en Maatschappij.BELLETTRIE. VERZEN. KUNST.REISBESCHRIJVING.LIEDJES WIJZEN EN PRENTJES.WERKTUIGKUNDE.WETENSCH. ONDERWERPEN.WIJSBEGEERTE.KINDERBOEKEN.OPVOEDING, ONDERWIJS ENZ.BELLETTRIE.Mr. AntonioNIEUWE SCHETSEN UIT DE TWEEDE KAMER ONDER HET MINISTERIE-KUYPER. Met 60 karikaturen van Dirk Nijland. Prijs gecart. f 2,25.Piet van AsscheMARCUS EN THEUS. Met omslag- en bandversiering van D. Nyland. Prijs ing. f 2,90, gebonden f 3,50.M. J. BrusseHET ROSSE LEVEN EN STERVEN VAN DE ZANDSTRAAT. (De Rotterdamsche „Polder” gesloopt.) Met tal van historische afbeeldingen naar teekeningen en fotografieën uit deze internationaal vermaarde nachtbuurt, haar bevolking, en wat de sloopers er van hebben gemaakt. Prijs f 0,90 gebonden f 1,25.M. J. BrusseBOEFJE. Naar het leven verteld, 11e en 12e druk, met een naschrift: „Zeven jaar later”. Goedkoope uitgaaf. Prijs f 0,90, geb. f 1,25.M. J. BrusseBOEFJE. Naar het leven verteld door M. J. Brusse (10edruk). Op veertien steenen in prent gebracht en verlucht met bladversieringen en beginletters door Dirk Nijland. Met een voorrede door Johan de Meester. Gebonden in perkamenten band met gouden stempels. (33 × 27-˝ cM., XX + 166 + 14 × 4 bladzijden. 14 prenten op Japansch papier buiten den tekst). No. 1-100 épreuves d'artiste, gewaarmerkt door den schrijver en den teekenaar met hunne handteekeningen. Prijs f 47,50. No. 101-300 gebonden in linnen f 25,-.Portrait:M. J. Brusse.M. J. BrusseHET NACHTLICHT VAN DE ZEE. 3e 1000-tal. Met een penteekening van Jozef Israëls en een omslagteekening van J. B. Heukelom. Prijs f 0,90, geb. f 1,25.M. J. BrusseLANDLOOPERIJ. 1e druk. Met een kopergravure van Prof. P. Dupont. Een krijtschets van zijn hand is op het omslag gereproduceerd. Nog enkele exemplaren. Prijs geb. f 2,90.M. J. BrusseLANDLOOPERIJ. Zwerftocht van een dagbladschrijver onder stroopers en schooiers. 4e druk. 5e 1000-tal. Goedkoope uitgaaf. Prijs f 0,90, geb. f 1,25.M. J. BrusseSLAVERNIJ VOOR MOOIE KLEEREN. Uit het leven van de „lijders aan confectie”. Omslagteekening van Johan Briedé. 2e druk. Prijs f 0,10.H. C. BuurmanBOHEMIEN-WONING. Een roman uit het pension-leven. Prijs f 2,50, geb. f 3,25.Frans CoenenBURGERMENSCHEN. Prijs f 2,90, gebonden f 3,50.Henri DekkingDE GLAZEN GRAAF. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.Henri DekkingOP DWAALWEGEN. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.Henri DekkingGETROFFENEN. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.Henri DekkingWINTERKONINKJE. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.R. van Genderen StortIDEALEN EN IRONIEËN. Prijs f 2,90, geb. f 3,50.Maxim GorkiSLAAPSTEE. (Nachtasyl). Uit de onderste lagen der samenleving. Tooneelspel in 4 bedrijven, vertaald door Henri Hartog. 2e druk. Prijs f 1,25, geb. f 1,65.L. HammeWOLVEN IN MENSCHENGEDAANTE. Roman uit het Woekeraarsleven, met een voorrede van Mr. Joh. J. Belinfante, Voorz. v. d. Nationale Ver. tot bestrijding van den Woeker. 400 blz. Prijs f 1,90, geb. f 2,50.Henri HartogEEN EIGENWIJS SCHRIJFSTER. (Anna de Savornin Lohman). Prijs f 0,25.Henri HartogSJOFELEN. Verzameling van de nagelaten werken van den schrijver met zijn portret. Voorrede van Lodewijk van Deyssel. Omslag- en bandversiering van Dirk Nijland. Prijs f 2,90, geb. f 3,50.Krede Ben HeikACHMED, GEZEGD DE DORST NAAR HET SCHOONE. Het boek ontluiking. Oorspronkelijke roman, 2e goedkoope druk met portret van den schrijver. Prijs f 1,50, in linnen stempelband f 1,90.Frits LeonhardVROOLIJKE MAKKERS. Oorspronkelijke roman. Prijs f 2,40, geb. f 2,90.Frits LeonhardAAN LAGER WAL. Oorspronkelijke roman. Omslagteekening van J. J. Aarts. Prijs f 2,40, gebonden f 2,90.Frits LeonhardHET KNECHTJE. Oorspronkelijke roman. Omslag- en bandversiering van D. Nijland. Prijs f 2,90, geb. f 3,50.Frits LeonhardKLEINE BANDELOOZEN. Omslag- en bandteekening van D. Nijland. Prijs f 1,50, geb. f 1,90.Frits LeonhardEMIGRANTEN. Tooneelspel in 3 bedrijven. Prijs f 1,25, geb. f 1,60.Virginie LovelingERFELIJK BELAST. Oorspronkelijke roman. Met portret. Prijs f 2,90, geb. f 3,50.Virginie LovelingDE TWISTAPPEL. Oorspronkelijke roman. Prijs f 2,40, geb. f 2,90.Ernst LundquistTALMI. Roman uit het leven te Stockholm. Geautoriseerde vertaling van F. Lahr Jr. Prijs f 2,10, geb. f 2,50.Hans MartinDANSERESJE. Oorspronkelijke roman. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.Hans MartinONDER JONGENS EN MEISJES. Prijs f 2,50, geb. in stempelband f 3,25.J. B. MeerkerkADELBERT VAN HOORNE. Oorspronkelijke roman naar het handschrift van wijlen zijn vriend P. R. Aufetos. schrijver van „Ananda”. Prijs ingenaaid f 3,25, in linnen stempelband f 3,90.Portrait:A. Moresco.Portret doorJ. J. Aartsvoor Journalistieke Manoeuvres met den Zedenspiegel.Pieter van der MeerLEVENS VAN LEED. Met omslag- en bandversiering van D. Nijland. Prijs f 2,50, geb. f 3,25.Johan de MeesterDE MENSCHENLIEFDE IN DE WERKEN VAN ZOLA. Met portret door Steinlen. Prijs f 0,50.Victor de MeyereLANGS DEN STROOM. Prijs f 2,50.A. MorescoJOURNALISTIEKE MANOEUVRES MET DEN ZEDENSPIEGEL. Boekversiering van Prof. J. J. Aarts. Prijs f 1,50, geb. f 1,90.Marie SchmitzUIT UREN VAN VERLANGEN. Oorspronkelijke roman. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.J. C. van Wijck Czn.WERELDLENTE. Roman van hedendaagsche Christelijke Moraal. 280 blz. Prijs f 1,90, geb. f 2,50.Serie: EEN BOEK VANBernard CanterNo. 1. TWEE WEKEN BEDELAAR. 4e druk met 2 portretten. 152 blz. f 0,35, geb. f 0,55.Frans CoenenNo. 2. DE ZOMERGENOEGENS VAN DE FAMILIE KRAMP. 100 blz. Geb. f 0,45.M. J. BrusseNo. 3. IN DE NACHTBUURT. 3e druk. 118 bladz. f 0,35, geb. f 0,55.Henri HartogNo. 4. IN D'R NIEUWE WONING. Realistische novelle. Met 1 portret. 128 blz. Ingenaaid uitverkocht. Geb. f 0,50.Hélène Lapidoth-SwarthNo. 5. LOUISE. Een novelle. 88 bladz. Ingenaaid uitverkocht. Geb. f 0,45.Richard de CneudtNo. 6. DE PRIMUS. Humoristische novelle. 96 bladz. Prijs f 0,25, geb. f 0,45.Frits LeonhardNo. 7. ZWERVELINGEN. 100 bladz. Prijs f 0,25, geb. f 0,45.Lute KlaverNo. 8. DE VRACHTRIJDER VAN WARMELO. 152 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.J. H. SpeenhoffNo. 9. AVONTUURTJES. 2e druk, 88 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.Richard de CneudtNo. 10. DE SECRETARIS DER DEKENIJ. 160 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.Mr. M. G. L. van LoghemNo. 11. PROEFKONIJNTJES. 128 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.M. J. BrusseNo. 12. ACHTER DE COULISSEN. 140 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.J. H. SpeenhoffNo. 13. FILIPHINA'S WONDERLIEFDE. Met 30 teekeningen van den schrijver. 96 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.Ina Boudier BakkerNo. 14. EEN DORRE PLANT. 118 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.Jan FeithNo. 15. TER ZONNE. Een sprookje van vruchtloos vliegen. 100 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.Anna van Gogh-KaulbachNo. 16. LIEFDESSPROKE. 118 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.K. T. Nieulant (Dr. J. A. N. Knuttel)No. 17/18. LIEFDES KRONKELPADEN. De roman van een jongen. Tweede goedkoope druk. 234 bladz. Prijs f 0,60, geb. f 0,90.Henriëtte BeerstecherNo. 19. SCHULDIG. Een roman. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.Daan van der ZeeNo. 20. OFFERS. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.Johan HuizingNo. 21. LIEFDES' WRAAK. Een roman. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.M. J. BrusseNo. 22. SNOK EN SAM. Twee oude bajesklanten. Het ware levensverhaal van twee recidivisten. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.Hélène SwarthNo. 23. SCHIMMETJE. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.Louis CarbinNo. 24. DE GRUWZAME GROT. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.REIS- EN PLAATSBESCHRIJVINGDE HAVEN VAN ROTTERDAM. Een beknopte geïllustreerde beschrijving der Havenwerken. In het Nederlandsch, Fransch, Duitsch, Engelsch en Spaansch uitgegeven door de Gemeente Rotterdam. (Niet in den handel).H. H. van KolIN DE KUSTLANDEN VAN NOORD-AFRIKA. („Het Maghreb”.) Met 32 illustraties naar fotografiën en een kaartje. Prijs f 4,90, fraai geb. f 6,–.G. van LissaNo. 1. BRUSSE'S REISGIDSEN. TWEE WEKEN TE BERLIJN. Geïllustreerde Gids voor Berlijn met een kaart en een spoorwegkaartje. Prijs f 0,50.M. J. BrusseNo. 2. BRUSSE'S REISGIDSEN. DE HARZ. Een Harzreis door M. J. Brusse. Geïllustreerde gids voor den Harz met een uitslaande kaart. Prijs f 0,50.Henri DekkingNo. 3. BRUSSE'S REISGIDSEN. VAN DE ROTTE TOT DE SCHELDE. Dwaaltochten over de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden. Met 30 teekeningen van J. B. Heukelom. Prijs f 0,50.M. J. BrusseandJ. G. VeldheerWITH ROOSEVELT THROUGH HOLLAND by M. J. BRUSSE, Illustrated with 40 pen and ink sketches by J. G. Veldheer. Published by the Holland-Amerika Line. Rotterdam W. L. & J. Brusse. Prijs f 0,90.VERZEN.C. S. Adama van ScheltemaEERSTE OOGST. Bloemlezing door den dichter samengesteld uit Een Weg van Verzen en Uit den Dool. Prijs f 0,90, geb. f 1,40.C. S. Adama van ScheltemaUIT STILTE EN STRIJD. Prijs f 0,60, geb. f 1,10. 2e druk.C. S. Adama van ScheltemaEENZAME LIEDJES. Prijs f 0,60, geb. f 1,10. 3e druk.C. S. Adama van ScheltemaZWERVERSVERZEN. Prijs f 0,60, geb. f 1,10. 3e druk.C. S. Adama van ScheltemaVAN ZON EN ZOMER. Prijs f 0,60, geb. f 1,10. 3e druk.C. S. Adama van ScheltemaUIT DEN DOOL. uitverkocht.C. S. Adama van ScheltemaEEN WEG VAN VERZEN. Geb. f 2,10.C. S. Adama van ScheltemaLEVENDE STEDEN: 1. Londen. 2. Dusseldorp. 3. Amsterdam. Prijs f 0,60, gec. f 1,10 per deel. Enkele exemplaren op geschept Holl. papier à f 2,50 per deel.P. C. BoutensHET TREURSPEL VAN AGAMEMNOON. Naar het Grieksch van Aischylos in Nederlandsche verzen overgezet. Met aanteekeningen. Prijs f 2,50.A. van CollemVAN STAD EN LAND. Prijs f 0,90, geb. f 1,40.Theod. IsleesRECITATIEVEN. I. Mijn land. – Verleden. – Lente. – Herfst. – Ingenium. – Erotiek. – Aan den avond. – Kerkklokken. II. Utopia. – Middeleeuwsch. – Didaktiek. Prijs f 2,50, geb. f 3,50.Hans MartinBEKENTENISSEN. Omslag- en Bandversiering van J. G. Veldheer. Gedrukt op Hollandsch papier. Prijs f 0,90, geb. f 1,40.Percy Bysshe ShelleyALASTOR OF DE GEEST DER EENZAAMHEID. In Nederlandsche Verzen overgebracht door Dr. K. H. de Raaf. Met portret van Shelley. Voorrede door Willem Kloos. Prijs f 0,90.Oscar WildeEEN FLORENTIJNSCHE TRAGEDIE. Vertaald door Dr. K. H. de Raaf. Prijs f 0,60.ZEDE-SPELEN.
MEI-DROOM
EERSTE TOONEELWeidelandschap, omboord door wilgen en struikgewas, waarlangs witte bloemgroepen met in het midden van den achtergrond ver blauw doorzicht. – Links op den voorgrond een kleine duinachtige heuvel, welke naar rechts zachter dan naar links golvend afglooit en met een nog half groenen takkenbos in de horizontale lijn overgaat. – Op den heuvel, rechts van een kleinen rozerooden meidoornstruik, die naar hen heenbuigt, DE MAN en DE VROUW, twee jonggehuwden, in losse omarming sluimerend, sober gekleed in grijs-en-zwarten toon, zoodat zij, min of meer als een donkerder vlek, afsteken tegen de lichte groene omgeving. – Aanbrekende dag.DE MANzich uit de omarming opheffend tot zittende houdingDe nacht ijlt van mijn doove zinnenEn rooft hun wonderlijken waan, –Het licht daalt door mijn oogen binnenEn doet mijn lippen opengaan.Met de rechterhand wekt hij de vrouw, zijne linker naar den dag uitstrekkend.Zie hoe de teedre weide' ontwaken,Waar stilte met de stilte speelt, –Nog lijkt het leven zonder sprake –Nog lijkt de wereld maar een beeld.De vrouw komt naast hem op.Doch luister –! waar de nevel overDe droomerige struiken vliedt,Rijst uit het licht-geworden looverVan ieder twijg een levend lied!DE VROUWnaast hem zittend, met saamgevouwen handenMijn zingend hart gaat mee naar bovenEn houdt zijn zoete beelden vast,Om er de lente mee te lovenIn 't koor, dat uit de velden wast.Zij ziet rond zich omhoog.Ik voel de tranen op mijn wangen,Als dauw op lente's lief gelaat,Als droppels om mijn oogen hangen,Als spiegels van den dageraad.Zoo draag ik in den dag mijn droomenEn tooi ik onze blijde aard – –Zij slaat de armen wijduit en ziet weifelend voor zich neer.Zoo zie ik Mei ter wereld komen – –Als had ik zelve Mei gebaard!
Weidelandschap, omboord door wilgen en struikgewas, waarlangs witte bloemgroepen met in het midden van den achtergrond ver blauw doorzicht. – Links op den voorgrond een kleine duinachtige heuvel, welke naar rechts zachter dan naar links golvend afglooit en met een nog half groenen takkenbos in de horizontale lijn overgaat. – Op den heuvel, rechts van een kleinen rozerooden meidoornstruik, die naar hen heenbuigt, DE MAN en DE VROUW, twee jonggehuwden, in losse omarming sluimerend, sober gekleed in grijs-en-zwarten toon, zoodat zij, min of meer als een donkerder vlek, afsteken tegen de lichte groene omgeving. – Aanbrekende dag.
DE MAN
zich uit de omarming opheffend tot zittende houding
De nacht ijlt van mijn doove zinnenEn rooft hun wonderlijken waan, –Het licht daalt door mijn oogen binnenEn doet mijn lippen opengaan.
De nacht ijlt van mijn doove zinnenEn rooft hun wonderlijken waan, –Het licht daalt door mijn oogen binnenEn doet mijn lippen opengaan.
De nacht ijlt van mijn doove zinnen
En rooft hun wonderlijken waan, –
Het licht daalt door mijn oogen binnen
En doet mijn lippen opengaan.
Met de rechterhand wekt hij de vrouw, zijne linker naar den dag uitstrekkend.
Zie hoe de teedre weide' ontwaken,Waar stilte met de stilte speelt, –Nog lijkt het leven zonder sprake –Nog lijkt de wereld maar een beeld.
Zie hoe de teedre weide' ontwaken,Waar stilte met de stilte speelt, –Nog lijkt het leven zonder sprake –Nog lijkt de wereld maar een beeld.
Zie hoe de teedre weide' ontwaken,
Waar stilte met de stilte speelt, –
Nog lijkt het leven zonder sprake –
Nog lijkt de wereld maar een beeld.
De vrouw komt naast hem op.
Doch luister –! waar de nevel overDe droomerige struiken vliedt,Rijst uit het licht-geworden looverVan ieder twijg een levend lied!
Doch luister –! waar de nevel overDe droomerige struiken vliedt,Rijst uit het licht-geworden looverVan ieder twijg een levend lied!
Doch luister –! waar de nevel over
De droomerige struiken vliedt,
Rijst uit het licht-geworden loover
Van ieder twijg een levend lied!
DE VROUW
naast hem zittend, met saamgevouwen handen
Mijn zingend hart gaat mee naar bovenEn houdt zijn zoete beelden vast,Om er de lente mee te lovenIn 't koor, dat uit de velden wast.
Mijn zingend hart gaat mee naar bovenEn houdt zijn zoete beelden vast,Om er de lente mee te lovenIn 't koor, dat uit de velden wast.
Mijn zingend hart gaat mee naar boven
En houdt zijn zoete beelden vast,
Om er de lente mee te loven
In 't koor, dat uit de velden wast.
Zij ziet rond zich omhoog.
Ik voel de tranen op mijn wangen,Als dauw op lente's lief gelaat,Als droppels om mijn oogen hangen,Als spiegels van den dageraad.Zoo draag ik in den dag mijn droomenEn tooi ik onze blijde aard – –
Ik voel de tranen op mijn wangen,Als dauw op lente's lief gelaat,Als droppels om mijn oogen hangen,Als spiegels van den dageraad.
Ik voel de tranen op mijn wangen,
Als dauw op lente's lief gelaat,
Als droppels om mijn oogen hangen,
Als spiegels van den dageraad.
Zoo draag ik in den dag mijn droomenEn tooi ik onze blijde aard – –
Zoo draag ik in den dag mijn droomen
En tooi ik onze blijde aard – –
Zij slaat de armen wijduit en ziet weifelend voor zich neer.
Zoo zie ik Mei ter wereld komen – –Als had ik zelve Mei gebaard!
Zoo zie ik Mei ter wereld komen – –Als had ik zelve Mei gebaard!
Zoo zie ik Mei ter wereld komen – –
Als had ik zelve Mei gebaard!
TWEEDE TOONEELVóór de laatste regels heeft de heuvel zich geopend en isMEIte voorschijn getreden. – Zestienjarig meisje in roomwitte travestie, kleine bloote voeten, een stafje omwonden met roze egelantier in de hand, een krans van dezelfde bloemen om het blonde hoofd. – Terwijl de man en de vrouw verwonderd oprijzen, knielt Mei voor hen op een knie. (Hier, gelijk verder, moet bij staande houding van man en vrouw nog ruim voldoende tooneelhoogte boven hen blijven, zonder dat daardoor de in het tooneelbeeld overheerschende verticale lijnen verzwakt worden.)DE MAN en DE VROUWhand in hand, zingendZoo draagt de dag wat ons in droomenDe zoele nacht heeft toegezegd –Zoo zien wij Mei ter wereld komen,Als wies hij uit onze' eigen echt!Mei rijst op, terwijl de man en de vrouw, waar hij begint te spreken, op hunne beurt knielen.MEIrondwijzend met zijn stafje, zingendZie – uit de aardeEn uit den hemelEn uit uw hartenBen ik geboren –Door heel de aardeEn heel den hemel,Door alle hartenBen ik verkoren!Waar ik de weide tooi,Waar ik mijn bloemen strooi,Maak ik de wereld mooi,Maak ik de wereld blij,Breng ik haar liefde bij –Zie ik ben Mei!Waar ik naar boven vaarVolgt mij een vleugelpaar,Wiekt heel een hemelschaar,Maak ik den hemel blij,Hemel en aarde vrij –Zie ik ben Mei!Waar ik u bloemen breng,Waar ik uw harten meng,Waar ik uw tranen pleng,Smelt ik u zij aan zij,Is u mijn ziel nabij –Zie ik ben Mei!DE MAN, DE VROUW, MEIstaande te zamen, zingendHoor de winden henensnellenOm het ieder te vertellen,Dat de meidag (wereld) is ontwaakt –Wei en wilgen wiegt de hoofdenAlsof zij het nauw geloofden,Dat hun sluiers zijn geslaakt!Zie zijn (mijn) adem doet van allenDauw en tranen nedervallen,Blaast van ieder hart den druk –Zie hoe menschen vleugels krijgenOm als vogels op te stijgenIn een hemel van geluk!Parelend van dauw en tranenTreedt de aard in nieuwe banen,En haar liefelijk gezichtLaait in stralend nieuwen luister –Zwaait van 't grondelooze duisterAan het grondelooze licht!Mei loopt zachtjes heen, zich op een lichten ondergrond van de naruischende muziek bewegend en van links naar rechts gaande, – hij raakt met zijn stafje de bloemen en plukt er de kinders uit. – De man en de vrouw, naast elkander staande, zien hem hand in hand na.DE MANom zich heen luisterendHoor het, hoor het kwinkeleerenUit de bloemgeworden wei!Al wat leeft wil jubileerenOm den kleinen blijden Mei.Waar hij glimlacht in den rondeOpent zich een nieuwe knop,Waar zijn bloote voetjes stondenStijgt een bevend liedje op.Volgen wij ons kind en koning,Lichten in zijn lichtend spoor,Gasten in zijn wijde woning,Stemmen in zijn zingend koor!Hij wil den heuvel afgaan, doch de vrouw legt haar linkerhand op zijn schouder en houdt met de andere zijn arm terug.DE VROUWBlijf –! o blijf van hier hem kijken –!Daal niet in dien lichten tuin –Alle lieve dingen lijkenLiever van ons droomend duin.Over zijn schouder gebogen, in overigens dezelfde houding Mei naziende, die de kinders wekt.Hoe dat witte anemoontjeVoor zijn adem openbloeit –!'t Is of ieder geurend kroontjeTot een levend kindje groeit!Zij zinken beiden droomerig tot een liggende houding neer, waarbij zij met den rug op hun rechterarm blijven leunen.En het is – alsof ons eigenHart verdwijnt in zonneschijn –Of wij zelve nederzijgen –En wij zelve bloemen zijn.
Vóór de laatste regels heeft de heuvel zich geopend en isMEIte voorschijn getreden. – Zestienjarig meisje in roomwitte travestie, kleine bloote voeten, een stafje omwonden met roze egelantier in de hand, een krans van dezelfde bloemen om het blonde hoofd. – Terwijl de man en de vrouw verwonderd oprijzen, knielt Mei voor hen op een knie. (Hier, gelijk verder, moet bij staande houding van man en vrouw nog ruim voldoende tooneelhoogte boven hen blijven, zonder dat daardoor de in het tooneelbeeld overheerschende verticale lijnen verzwakt worden.)
DE MAN en DE VROUW
hand in hand, zingend
Zoo draagt de dag wat ons in droomenDe zoele nacht heeft toegezegd –Zoo zien wij Mei ter wereld komen,Als wies hij uit onze' eigen echt!
Zoo draagt de dag wat ons in droomenDe zoele nacht heeft toegezegd –Zoo zien wij Mei ter wereld komen,Als wies hij uit onze' eigen echt!
Zoo draagt de dag wat ons in droomen
De zoele nacht heeft toegezegd –
Zoo zien wij Mei ter wereld komen,
Als wies hij uit onze' eigen echt!
Mei rijst op, terwijl de man en de vrouw, waar hij begint te spreken, op hunne beurt knielen.
MEI
rondwijzend met zijn stafje, zingend
Zie – uit de aardeEn uit den hemelEn uit uw hartenBen ik geboren –Door heel de aardeEn heel den hemel,Door alle hartenBen ik verkoren!Waar ik de weide tooi,Waar ik mijn bloemen strooi,Maak ik de wereld mooi,Maak ik de wereld blij,Breng ik haar liefde bij –Zie ik ben Mei!Waar ik naar boven vaarVolgt mij een vleugelpaar,Wiekt heel een hemelschaar,Maak ik den hemel blij,Hemel en aarde vrij –Zie ik ben Mei!Waar ik u bloemen breng,Waar ik uw harten meng,Waar ik uw tranen pleng,Smelt ik u zij aan zij,Is u mijn ziel nabij –Zie ik ben Mei!
Zie – uit de aardeEn uit den hemelEn uit uw hartenBen ik geboren –Door heel de aardeEn heel den hemel,Door alle hartenBen ik verkoren!
Zie – uit de aarde
En uit den hemel
En uit uw harten
Ben ik geboren –
Door heel de aarde
En heel den hemel,
Door alle harten
Ben ik verkoren!
Waar ik de weide tooi,Waar ik mijn bloemen strooi,Maak ik de wereld mooi,Maak ik de wereld blij,Breng ik haar liefde bij –Zie ik ben Mei!
Waar ik de weide tooi,
Waar ik mijn bloemen strooi,
Maak ik de wereld mooi,
Maak ik de wereld blij,
Breng ik haar liefde bij –
Zie ik ben Mei!
Waar ik naar boven vaarVolgt mij een vleugelpaar,Wiekt heel een hemelschaar,Maak ik den hemel blij,Hemel en aarde vrij –Zie ik ben Mei!
Waar ik naar boven vaar
Volgt mij een vleugelpaar,
Wiekt heel een hemelschaar,
Maak ik den hemel blij,
Hemel en aarde vrij –
Zie ik ben Mei!
Waar ik u bloemen breng,Waar ik uw harten meng,Waar ik uw tranen pleng,Smelt ik u zij aan zij,Is u mijn ziel nabij –Zie ik ben Mei!
Waar ik u bloemen breng,
Waar ik uw harten meng,
Waar ik uw tranen pleng,
Smelt ik u zij aan zij,
Is u mijn ziel nabij –
Zie ik ben Mei!
DE MAN, DE VROUW, MEI
staande te zamen, zingend
Hoor de winden henensnellenOm het ieder te vertellen,Dat de meidag (wereld) is ontwaakt –Wei en wilgen wiegt de hoofdenAlsof zij het nauw geloofden,Dat hun sluiers zijn geslaakt!Zie zijn (mijn) adem doet van allenDauw en tranen nedervallen,Blaast van ieder hart den druk –Zie hoe menschen vleugels krijgenOm als vogels op te stijgenIn een hemel van geluk!Parelend van dauw en tranenTreedt de aard in nieuwe banen,En haar liefelijk gezichtLaait in stralend nieuwen luister –Zwaait van 't grondelooze duisterAan het grondelooze licht!
Hoor de winden henensnellenOm het ieder te vertellen,Dat de meidag (wereld) is ontwaakt –Wei en wilgen wiegt de hoofdenAlsof zij het nauw geloofden,Dat hun sluiers zijn geslaakt!
Hoor de winden henensnellen
Om het ieder te vertellen,
Dat de meidag (wereld) is ontwaakt –
Wei en wilgen wiegt de hoofden
Alsof zij het nauw geloofden,
Dat hun sluiers zijn geslaakt!
Zie zijn (mijn) adem doet van allenDauw en tranen nedervallen,Blaast van ieder hart den druk –Zie hoe menschen vleugels krijgenOm als vogels op te stijgenIn een hemel van geluk!
Zie zijn (mijn) adem doet van allen
Dauw en tranen nedervallen,
Blaast van ieder hart den druk –
Zie hoe menschen vleugels krijgen
Om als vogels op te stijgen
In een hemel van geluk!
Parelend van dauw en tranenTreedt de aard in nieuwe banen,En haar liefelijk gezichtLaait in stralend nieuwen luister –Zwaait van 't grondelooze duisterAan het grondelooze licht!
Parelend van dauw en tranen
Treedt de aard in nieuwe banen,
En haar liefelijk gezicht
Laait in stralend nieuwen luister –
Zwaait van 't grondelooze duister
Aan het grondelooze licht!
Mei loopt zachtjes heen, zich op een lichten ondergrond van de naruischende muziek bewegend en van links naar rechts gaande, – hij raakt met zijn stafje de bloemen en plukt er de kinders uit. – De man en de vrouw, naast elkander staande, zien hem hand in hand na.
DE MAN
om zich heen luisterend
Hoor het, hoor het kwinkeleerenUit de bloemgeworden wei!Al wat leeft wil jubileerenOm den kleinen blijden Mei.Waar hij glimlacht in den rondeOpent zich een nieuwe knop,Waar zijn bloote voetjes stondenStijgt een bevend liedje op.Volgen wij ons kind en koning,Lichten in zijn lichtend spoor,Gasten in zijn wijde woning,Stemmen in zijn zingend koor!
Hoor het, hoor het kwinkeleerenUit de bloemgeworden wei!Al wat leeft wil jubileerenOm den kleinen blijden Mei.
Hoor het, hoor het kwinkeleeren
Uit de bloemgeworden wei!
Al wat leeft wil jubileeren
Om den kleinen blijden Mei.
Waar hij glimlacht in den rondeOpent zich een nieuwe knop,Waar zijn bloote voetjes stondenStijgt een bevend liedje op.
Waar hij glimlacht in den ronde
Opent zich een nieuwe knop,
Waar zijn bloote voetjes stonden
Stijgt een bevend liedje op.
Volgen wij ons kind en koning,Lichten in zijn lichtend spoor,Gasten in zijn wijde woning,Stemmen in zijn zingend koor!
Volgen wij ons kind en koning,
Lichten in zijn lichtend spoor,
Gasten in zijn wijde woning,
Stemmen in zijn zingend koor!
Hij wil den heuvel afgaan, doch de vrouw legt haar linkerhand op zijn schouder en houdt met de andere zijn arm terug.
DE VROUW
Blijf –! o blijf van hier hem kijken –!Daal niet in dien lichten tuin –Alle lieve dingen lijkenLiever van ons droomend duin.
Blijf –! o blijf van hier hem kijken –!Daal niet in dien lichten tuin –Alle lieve dingen lijkenLiever van ons droomend duin.
Blijf –! o blijf van hier hem kijken –!
Daal niet in dien lichten tuin –
Alle lieve dingen lijken
Liever van ons droomend duin.
Over zijn schouder gebogen, in overigens dezelfde houding Mei naziende, die de kinders wekt.
Hoe dat witte anemoontjeVoor zijn adem openbloeit –!'t Is of ieder geurend kroontjeTot een levend kindje groeit!
Hoe dat witte anemoontjeVoor zijn adem openbloeit –!'t Is of ieder geurend kroontjeTot een levend kindje groeit!
Hoe dat witte anemoontje
Voor zijn adem openbloeit –!
't Is of ieder geurend kroontje
Tot een levend kindje groeit!
En het is – alsof ons eigenHart verdwijnt in zonneschijn –Of wij zelve nederzijgen –En wij zelve bloemen zijn.
En het is – alsof ons eigenHart verdwijnt in zonneschijn –Of wij zelve nederzijgen –En wij zelve bloemen zijn.
En het is – alsof ons eigen
Hart verdwijnt in zonneschijn –
Of wij zelve nederzijgen –
En wij zelve bloemen zijn.
DERDE TOONEELMei, geheel op het linker-achterplan gekomen, verdwijnt even tusschen het gewas; – dadelijk daarop snort een groote meikever, met het koor van DE KINDERS zoemend en trippelend daarachter, in een wijden boog naar het rechter-voorplan. – De jongetjes (als anemonen) in één kleur, gedempt groen, met een kring van zes witte bloembladen om het hoofd (dubbeltallen, waarvan de bovenste los zijn); de meisjes (als madelieven) in één kleur, licht-groen, met een kring van ongeveer twintig witte (enkele rozige) bloemblaadjes om het hoofd (waarbij eenige losse).DE KINDERSzingend en trippelend achter den meikeverHoe zoemenWij bloemenVan hommel en bij!Wij wuiven, wij stuiven.Wij groeien en bloeienMet Mei!Met Mei!Met Mei!Met de laatste woorden bewegen zij telkens hun hoofdjes heen en weer.Wat snorrenDie torrenEn kevers zoo blij!Zij glanzen, zij dansenDe dagen, en dragenDen Mei!Den Mei!Den Mei!Als boven.De vleugels van den kever gaan open, waaruit Mei te voorschijn stapt; – door zijn stafje aangeraakt, snort de kever rechts naar boven weg. – Mei wendt zich tot den man en de vrouw, van wie de laatste, iets oprijzend, zich op de rechterhand steunt, terwijl beiden verwonderd toezien.MEIop de kinders wijzend, zingendZie mijn geleide –!Van heel de blijdeBloeiende weideBreng ik u beidenDien blonden pluk!Onderwijl gaan de kinders in een kring hand in hand om den heuvel.Voor u ontplooienZij al hun mooieHarten en strooienOm u te tooienHun bonten smuk!Onderwijl plukken de kinders bloembladen uit hun hoofdkrans en strooien die voor den man en de vrouw.Beeld van uw leven,Droombeeld gebleven –Doch dat u evenEen geur mocht gevenVan liefde en geluk!Onderwijl knielen de kinders in een halven kring vóór den man en de vrouw, van wie de eerste zich nu ook, op de rechterhand steunend, opheft en de laatste tot zittende houding rijst. Na Mei's woorden groeit een lichte muziek, op welke de kinders vóór den heuvel dansen. Uit den dans ontwikkelt zich dan een wijde zingende kring om den heuvel, die telkens nauwer wordt, tot zij bij het derde couplet aan den heuvel rusten.DE KINDERSzingende om den heuvelWij geurenEn beurenOns hoofdje u bij!Ons hoedde, ons voeddeMet luchtjes en zuchtjesDe wei!De wei!De wei!Met de laatste woorden bewegen zij hun hoofdje en de als kelken daarnaast opgeheven open handjes heen en weer, van het eene beentje op het andere stappend.En haast erEn blaast erHet windje nabij –Daar draaien en waaienWe als blaadjes en zaadjesVoorbij!Voorbij!Voorbij!Met de laatste woorden bewegen zij hun hoofdje en de handjes ter hoogte van middel en borst heen en weer, en gaan met droomdronken stapjes.Gaat zachtjesMet lachjesOns hoofdje op zij –Dan: – zwijgende – neigendeKomen wij droomenVan Mei!Van Mei!Van Mei!Met het laatste couplet hebben zij zich in dichten halven kring tegen den heuvel gevlijd; – zij bewegen nog hun hoofdjes en neerhangende handjes zacht heen en weer, terwijl zij bij de laatste regels in slaap buigen, naast en boven elkaar, zoodat het schijnt alsof de heuvel bebloeid is. – Mei dekt hen met zijn stafje te ruste en gaat langzaam naar het gewas rechts. – De man rijst droomerig uit zijn half liggende houding naast de vrouw; – met een arm om elkanders middel en met de hoofden tegen elkaars schouder geleund, zien zij voor zich uit.DE MAN't Is of mijn hart zich weder heugtDie eerst' ontroerde lentedagenEn ademt in de blijde vlagenVan eene bloembedolven jeugd.DE VROUW't Is of mijn oogen mijne jeugdEn al de sterren wederzagenBoven de bloesemende hagenAan alle wegen mijner vreugd!Zij maakt haar arm los en ziet rond naar Mei, die op het linker-achterplan gekomen is, terwijl hij de jongeren wekt.Maar zie hoe Mei door 't groene grasHet hooger wazend hout al nadert.En uit het glanzend jong gebladert'Den bloei wekt van een nieuw gewas!DE MAN en DE VROUWoprijzend en staande uitziende, zingendZie! zie hoe Mei een versche vrachtVan groene levens gaat bestijgen –En uit een wolk van witte twijgenOns zegevierend tegenlacht!
Mei, geheel op het linker-achterplan gekomen, verdwijnt even tusschen het gewas; – dadelijk daarop snort een groote meikever, met het koor van DE KINDERS zoemend en trippelend daarachter, in een wijden boog naar het rechter-voorplan. – De jongetjes (als anemonen) in één kleur, gedempt groen, met een kring van zes witte bloembladen om het hoofd (dubbeltallen, waarvan de bovenste los zijn); de meisjes (als madelieven) in één kleur, licht-groen, met een kring van ongeveer twintig witte (enkele rozige) bloemblaadjes om het hoofd (waarbij eenige losse).
DE KINDERS
zingend en trippelend achter den meikever
Hoe zoemenWij bloemenVan hommel en bij!Wij wuiven, wij stuiven.Wij groeien en bloeienMet Mei!Met Mei!Met Mei!
Hoe zoemenWij bloemenVan hommel en bij!Wij wuiven, wij stuiven.Wij groeien en bloeienMet Mei!Met Mei!Met Mei!
Hoe zoemen
Wij bloemen
Van hommel en bij!
Wij wuiven, wij stuiven.
Wij groeien en bloeien
Met Mei!
Met Mei!
Met Mei!
Met de laatste woorden bewegen zij telkens hun hoofdjes heen en weer.
Wat snorrenDie torrenEn kevers zoo blij!Zij glanzen, zij dansenDe dagen, en dragenDen Mei!Den Mei!Den Mei!
Wat snorrenDie torrenEn kevers zoo blij!Zij glanzen, zij dansenDe dagen, en dragenDen Mei!Den Mei!Den Mei!
Wat snorren
Die torren
En kevers zoo blij!
Zij glanzen, zij dansen
De dagen, en dragen
Den Mei!
Den Mei!
Den Mei!
Als boven.
De vleugels van den kever gaan open, waaruit Mei te voorschijn stapt; – door zijn stafje aangeraakt, snort de kever rechts naar boven weg. – Mei wendt zich tot den man en de vrouw, van wie de laatste, iets oprijzend, zich op de rechterhand steunt, terwijl beiden verwonderd toezien.
MEI
op de kinders wijzend, zingend
Zie mijn geleide –!Van heel de blijdeBloeiende weideBreng ik u beidenDien blonden pluk!
Zie mijn geleide –!Van heel de blijdeBloeiende weideBreng ik u beidenDien blonden pluk!
Zie mijn geleide –!
Van heel de blijde
Bloeiende weide
Breng ik u beiden
Dien blonden pluk!
Onderwijl gaan de kinders in een kring hand in hand om den heuvel.
Voor u ontplooienZij al hun mooieHarten en strooienOm u te tooienHun bonten smuk!
Voor u ontplooienZij al hun mooieHarten en strooienOm u te tooienHun bonten smuk!
Voor u ontplooien
Zij al hun mooie
Harten en strooien
Om u te tooien
Hun bonten smuk!
Onderwijl plukken de kinders bloembladen uit hun hoofdkrans en strooien die voor den man en de vrouw.
Beeld van uw leven,Droombeeld gebleven –Doch dat u evenEen geur mocht gevenVan liefde en geluk!
Beeld van uw leven,Droombeeld gebleven –Doch dat u evenEen geur mocht gevenVan liefde en geluk!
Beeld van uw leven,
Droombeeld gebleven –
Doch dat u even
Een geur mocht geven
Van liefde en geluk!
Onderwijl knielen de kinders in een halven kring vóór den man en de vrouw, van wie de eerste zich nu ook, op de rechterhand steunend, opheft en de laatste tot zittende houding rijst. Na Mei's woorden groeit een lichte muziek, op welke de kinders vóór den heuvel dansen. Uit den dans ontwikkelt zich dan een wijde zingende kring om den heuvel, die telkens nauwer wordt, tot zij bij het derde couplet aan den heuvel rusten.
DE KINDERS
zingende om den heuvel
Wij geurenEn beurenOns hoofdje u bij!Ons hoedde, ons voeddeMet luchtjes en zuchtjesDe wei!De wei!De wei!
Wij geurenEn beurenOns hoofdje u bij!Ons hoedde, ons voeddeMet luchtjes en zuchtjesDe wei!De wei!De wei!
Wij geuren
En beuren
Ons hoofdje u bij!
Ons hoedde, ons voedde
Met luchtjes en zuchtjes
De wei!
De wei!
De wei!
Met de laatste woorden bewegen zij hun hoofdje en de als kelken daarnaast opgeheven open handjes heen en weer, van het eene beentje op het andere stappend.
En haast erEn blaast erHet windje nabij –Daar draaien en waaienWe als blaadjes en zaadjesVoorbij!Voorbij!Voorbij!
En haast erEn blaast erHet windje nabij –Daar draaien en waaienWe als blaadjes en zaadjesVoorbij!Voorbij!Voorbij!
En haast er
En blaast er
Het windje nabij –
Daar draaien en waaien
We als blaadjes en zaadjes
Voorbij!
Voorbij!
Voorbij!
Met de laatste woorden bewegen zij hun hoofdje en de handjes ter hoogte van middel en borst heen en weer, en gaan met droomdronken stapjes.
Gaat zachtjesMet lachjesOns hoofdje op zij –Dan: – zwijgende – neigendeKomen wij droomenVan Mei!Van Mei!Van Mei!
Gaat zachtjesMet lachjesOns hoofdje op zij –Dan: – zwijgende – neigendeKomen wij droomenVan Mei!Van Mei!Van Mei!
Gaat zachtjes
Met lachjes
Ons hoofdje op zij –
Dan: – zwijgende – neigende
Komen wij droomen
Van Mei!
Van Mei!
Van Mei!
Met het laatste couplet hebben zij zich in dichten halven kring tegen den heuvel gevlijd; – zij bewegen nog hun hoofdjes en neerhangende handjes zacht heen en weer, terwijl zij bij de laatste regels in slaap buigen, naast en boven elkaar, zoodat het schijnt alsof de heuvel bebloeid is. – Mei dekt hen met zijn stafje te ruste en gaat langzaam naar het gewas rechts. – De man rijst droomerig uit zijn half liggende houding naast de vrouw; – met een arm om elkanders middel en met de hoofden tegen elkaars schouder geleund, zien zij voor zich uit.
DE MAN
't Is of mijn hart zich weder heugtDie eerst' ontroerde lentedagenEn ademt in de blijde vlagenVan eene bloembedolven jeugd.
't Is of mijn hart zich weder heugtDie eerst' ontroerde lentedagenEn ademt in de blijde vlagenVan eene bloembedolven jeugd.
't Is of mijn hart zich weder heugt
Die eerst' ontroerde lentedagen
En ademt in de blijde vlagen
Van eene bloembedolven jeugd.
DE VROUW
't Is of mijn oogen mijne jeugdEn al de sterren wederzagenBoven de bloesemende hagenAan alle wegen mijner vreugd!
't Is of mijn oogen mijne jeugdEn al de sterren wederzagenBoven de bloesemende hagenAan alle wegen mijner vreugd!
't Is of mijn oogen mijne jeugd
En al de sterren wederzagen
Boven de bloesemende hagen
Aan alle wegen mijner vreugd!
Zij maakt haar arm los en ziet rond naar Mei, die op het linker-achterplan gekomen is, terwijl hij de jongeren wekt.
Maar zie hoe Mei door 't groene grasHet hooger wazend hout al nadert.En uit het glanzend jong gebladert'Den bloei wekt van een nieuw gewas!
Maar zie hoe Mei door 't groene grasHet hooger wazend hout al nadert.En uit het glanzend jong gebladert'Den bloei wekt van een nieuw gewas!
Maar zie hoe Mei door 't groene gras
Het hooger wazend hout al nadert.
En uit het glanzend jong gebladert'
Den bloei wekt van een nieuw gewas!
DE MAN en DE VROUW
oprijzend en staande uitziende, zingend
Zie! zie hoe Mei een versche vrachtVan groene levens gaat bestijgen –En uit een wolk van witte twijgenOns zegevierend tegenlacht!
Zie! zie hoe Mei een versche vrachtVan groene levens gaat bestijgen –En uit een wolk van witte twijgenOns zegevierend tegenlacht!
Zie! zie hoe Mei een versche vracht
Van groene levens gaat bestijgen –
En uit een wolk van witte twijgen
Ons zegevierend tegenlacht!
VIERDE TOONEELMei is van het rechter-voorplan naar het linker-achterplan rondgegaan langs het gewas, waaruit hij, als haalde hij hen van het groene hout, enkele jongeren verzameld heeft, die hem volgen. Een oogenblik in het gewas verdwenen, komt Mei met den stoet van DE JONGEREN, na de eerste woorden van het gezongen couplet, daaruit te voorschijn. – De jongelingen dragen korte buizen met lange sluitende broeken, lichtgeel, met rooden zakdoek om den hals geknoopt, roode boordsels en knoopen, roode roos in het linker knoopsgat en achter het rechteroor, in de linkerhand een tak groen, bloote voeten. De meisjes eveneens in lichtgeel, met een rood sjaaltje om de schouders, roode knoopen en boordsels, een krans roode rozen om het haar, in de rechterhand een tak witte bloesems, bloote voeten. – De jongelingen links, de meisjes rechts, gaan zij paar aan paar, de eene hand, op armslengte afstand, op elkanders schouder en met de andere, waarin de tak blâren of bloesems, tevens een met rozen omvlochten koord omhoog houdende, hetwelk de twee voorsten alleen met beide handen vasthebben, en waarvan Mei, op de schouders van het laatste paar staande, de einden als teugels ophoudt. De stoet komt, als boven, in een boog naar voren en zwenkt dan naar rechts vóór den heuvel, zoodat eerst meer de witte, dan meer de groene takken gezien worden. – De vrouw hangt haar linkerarm om den hals van den man, die met zijn linkerhand hare hand op zijn schouder vasthoudt, terwijl hij zijn rechter om het middel van de vrouw slaat en deze, tegen hem aangeleund, haar vrije arm laat neerhangen. – Mei neemt in zijn linkerhand de rozenteugels en wijst met zijn stafje in de andere voor zich uit.MEIzingendIk spreidde over toppenEn berstende knoppenDen blos van mijn bloed,Door alle rosseBloeiende bosschenSchemert mijn gloed.Van nauwlijks ontbloote,Ontluikende lotenVlocht ik mijn stoet,Mijn rozige teugelsWerden tot vleugelsVoor hun vluggen voet.Behalve het laatste paar, of de beide laatste paren, knielen de andere op een knie; evenzoo Mei, die daarbij met de rechterhand de teugels boven het hoofd heft, zoodat, waar elk paar het rozenkoord iets hooger houdt, dit een zuiver opgaande lijn vormt.Van liefde levende,U liefde gevende,Breng ik den groetDier nauw ontwakendenUw beider blakendeMin te gemoet!Thans knielt ook het laatste paar, waarvan Mei afstapt. – De beide reien, het rozenkoord als een hangende guirlande vóór zich houdend, buigen achtereenvolgens in twee bogen naar voren, ter zijde achter de beide voorste jongelingen en meisjes blijvende, die half naar voren, half naar den heuvel gewend, een kwartet vormen. – Mei blijft op het tweede plan en ziet toe.DE JONGERENRei van jongelingen, zingend naar voren buigendWij zijn de sappen, die trekkenVan wortels tot wuivende kruinen.Wij zijn de tuinders – de tuinen,De driftige spruitende stekken,Wij zijn de adersDe bladers –De boom!Rei van meisjes, zingend naar voren buigendWij zijn de bloemen, die wekkenWier vleugels den hemel injagen,Wij, die het doel uwer dagenMet bloeiende beelden bedekken,Wij zijn de bruidenDe kruiden –De droom!Het kwartet, zingendWij vlechten tot vlammende bandenDen bloei, die uw hart overlaadde,Wij drijven tot stralende dadenWiens hart onder rozen bleef branden,Wij zijn de vleugelsDe teugels –De toom!De paren der beide koren hernemen het laatste couplet, buigen zingend naar elkander toe en vlechten de witte bloesems door de groene takken, waarna de jongelingen de takken overnemen en de jongelingen en meisjes der even paren van plaats verwisselen. Bij het laatste woord heffen zij allen het rozenkoorden den tak triomfeerend omhoog, gelijk eerst het kwartet dat gedaan heeft, waarbij thans alle jongelingen het koord aan hun andere zijde nemen. Het eerste meisje van den achtervleugel leidt nu, nadat de jongelingen en meisjes van den voorsten vleugel zich naar rechts hebben gewend, een rondedans om den heuvel in, waarbij het rozenkoord dus omwisselend tusschen de dansenden heenslingert. Uit den dans vlijen zij zich in een halven kring om den heuvel vóór de kinders. – De man en de vrouw zinken droomerig tot een zittende houding terug, waarbij hij, de rechterhand om haar middel houdend, zich met de linker ter-zijde-achter stut en zij de handen in den schoot vouwt. – Als allen rusten schijnt Mei, die tot daartoe het schouwspel van ter zijde heeft aangezien, in het rechter-zijgewas te verdwijnen. – Te gelijker tijd herneemt de muziek het kindermotief en ontwaken de kinders, die een oogenblik hun kopje opheffen en heen en weer bewegen.DE KINDERSzingend– – – – – –Maar waar isDe MeiDe MeiDe Mei –!De muziek breekt af en de kinders schijnen weer in te slapen.DE VROUW't Is of de Mei, zijn glans vergarend,Ons hart als eene harp bespeeltEn, zelve door de weiden varend,Ons droomend jaagt van beeld tot beeld.DE MAN't Is of de rei van zomerboden,Die om ons droomend leger gleed,Met de ebbe van den nacht gevloden,In 't wassend dagen wedertreedt.Zij keeren zich naar Mei, dien zij zien aankomen. De man houdt de linkerhand boven de oogen, zich thans met de rechter van achter steunend, terwijl de vrouw, tegen hem aanbuigend, op de linkerhand leunt en hare rechter in den schoot houdt.DE MAN en DE VROUWzingendEn zie –! Mei zelf keert tot ons weder!Als eene lentezoelte daaltHij uit een groene wolk van teeder,Ternauw geboren loover neder – –Hij heeft het eerste nest gehaald –!
Mei is van het rechter-voorplan naar het linker-achterplan rondgegaan langs het gewas, waaruit hij, als haalde hij hen van het groene hout, enkele jongeren verzameld heeft, die hem volgen. Een oogenblik in het gewas verdwenen, komt Mei met den stoet van DE JONGEREN, na de eerste woorden van het gezongen couplet, daaruit te voorschijn. – De jongelingen dragen korte buizen met lange sluitende broeken, lichtgeel, met rooden zakdoek om den hals geknoopt, roode boordsels en knoopen, roode roos in het linker knoopsgat en achter het rechteroor, in de linkerhand een tak groen, bloote voeten. De meisjes eveneens in lichtgeel, met een rood sjaaltje om de schouders, roode knoopen en boordsels, een krans roode rozen om het haar, in de rechterhand een tak witte bloesems, bloote voeten. – De jongelingen links, de meisjes rechts, gaan zij paar aan paar, de eene hand, op armslengte afstand, op elkanders schouder en met de andere, waarin de tak blâren of bloesems, tevens een met rozen omvlochten koord omhoog houdende, hetwelk de twee voorsten alleen met beide handen vasthebben, en waarvan Mei, op de schouders van het laatste paar staande, de einden als teugels ophoudt. De stoet komt, als boven, in een boog naar voren en zwenkt dan naar rechts vóór den heuvel, zoodat eerst meer de witte, dan meer de groene takken gezien worden. – De vrouw hangt haar linkerarm om den hals van den man, die met zijn linkerhand hare hand op zijn schouder vasthoudt, terwijl hij zijn rechter om het middel van de vrouw slaat en deze, tegen hem aangeleund, haar vrije arm laat neerhangen. – Mei neemt in zijn linkerhand de rozenteugels en wijst met zijn stafje in de andere voor zich uit.
MEI
zingend
Ik spreidde over toppenEn berstende knoppenDen blos van mijn bloed,Door alle rosseBloeiende bosschenSchemert mijn gloed.Van nauwlijks ontbloote,Ontluikende lotenVlocht ik mijn stoet,Mijn rozige teugelsWerden tot vleugelsVoor hun vluggen voet.
Ik spreidde over toppenEn berstende knoppenDen blos van mijn bloed,Door alle rosseBloeiende bosschenSchemert mijn gloed.
Ik spreidde over toppen
En berstende knoppen
Den blos van mijn bloed,
Door alle rosse
Bloeiende bosschen
Schemert mijn gloed.
Van nauwlijks ontbloote,Ontluikende lotenVlocht ik mijn stoet,Mijn rozige teugelsWerden tot vleugelsVoor hun vluggen voet.
Van nauwlijks ontbloote,
Ontluikende loten
Vlocht ik mijn stoet,
Mijn rozige teugels
Werden tot vleugels
Voor hun vluggen voet.
Behalve het laatste paar, of de beide laatste paren, knielen de andere op een knie; evenzoo Mei, die daarbij met de rechterhand de teugels boven het hoofd heft, zoodat, waar elk paar het rozenkoord iets hooger houdt, dit een zuiver opgaande lijn vormt.
Van liefde levende,U liefde gevende,Breng ik den groetDier nauw ontwakendenUw beider blakendeMin te gemoet!
Van liefde levende,U liefde gevende,Breng ik den groetDier nauw ontwakendenUw beider blakendeMin te gemoet!
Van liefde levende,
U liefde gevende,
Breng ik den groet
Dier nauw ontwakenden
Uw beider blakende
Min te gemoet!
Thans knielt ook het laatste paar, waarvan Mei afstapt. – De beide reien, het rozenkoord als een hangende guirlande vóór zich houdend, buigen achtereenvolgens in twee bogen naar voren, ter zijde achter de beide voorste jongelingen en meisjes blijvende, die half naar voren, half naar den heuvel gewend, een kwartet vormen. – Mei blijft op het tweede plan en ziet toe.
DE JONGEREN
Rei van jongelingen, zingend naar voren buigend
Wij zijn de sappen, die trekkenVan wortels tot wuivende kruinen.Wij zijn de tuinders – de tuinen,De driftige spruitende stekken,Wij zijn de adersDe bladers –De boom!
Wij zijn de sappen, die trekkenVan wortels tot wuivende kruinen.Wij zijn de tuinders – de tuinen,De driftige spruitende stekken,Wij zijn de adersDe bladers –De boom!
Wij zijn de sappen, die trekken
Van wortels tot wuivende kruinen.
Wij zijn de tuinders – de tuinen,
De driftige spruitende stekken,
Wij zijn de aders
De bladers –
De boom!
Rei van meisjes, zingend naar voren buigend
Wij zijn de bloemen, die wekkenWier vleugels den hemel injagen,Wij, die het doel uwer dagenMet bloeiende beelden bedekken,Wij zijn de bruidenDe kruiden –De droom!
Wij zijn de bloemen, die wekkenWier vleugels den hemel injagen,Wij, die het doel uwer dagenMet bloeiende beelden bedekken,Wij zijn de bruidenDe kruiden –De droom!
Wij zijn de bloemen, die wekken
Wier vleugels den hemel injagen,
Wij, die het doel uwer dagen
Met bloeiende beelden bedekken,
Wij zijn de bruiden
De kruiden –
De droom!
Het kwartet, zingend
Wij vlechten tot vlammende bandenDen bloei, die uw hart overlaadde,Wij drijven tot stralende dadenWiens hart onder rozen bleef branden,Wij zijn de vleugelsDe teugels –De toom!
Wij vlechten tot vlammende bandenDen bloei, die uw hart overlaadde,Wij drijven tot stralende dadenWiens hart onder rozen bleef branden,Wij zijn de vleugelsDe teugels –De toom!
Wij vlechten tot vlammende banden
Den bloei, die uw hart overlaadde,
Wij drijven tot stralende daden
Wiens hart onder rozen bleef branden,
Wij zijn de vleugels
De teugels –
De toom!
De paren der beide koren hernemen het laatste couplet, buigen zingend naar elkander toe en vlechten de witte bloesems door de groene takken, waarna de jongelingen de takken overnemen en de jongelingen en meisjes der even paren van plaats verwisselen. Bij het laatste woord heffen zij allen het rozenkoorden den tak triomfeerend omhoog, gelijk eerst het kwartet dat gedaan heeft, waarbij thans alle jongelingen het koord aan hun andere zijde nemen. Het eerste meisje van den achtervleugel leidt nu, nadat de jongelingen en meisjes van den voorsten vleugel zich naar rechts hebben gewend, een rondedans om den heuvel in, waarbij het rozenkoord dus omwisselend tusschen de dansenden heenslingert. Uit den dans vlijen zij zich in een halven kring om den heuvel vóór de kinders. – De man en de vrouw zinken droomerig tot een zittende houding terug, waarbij hij, de rechterhand om haar middel houdend, zich met de linker ter-zijde-achter stut en zij de handen in den schoot vouwt. – Als allen rusten schijnt Mei, die tot daartoe het schouwspel van ter zijde heeft aangezien, in het rechter-zijgewas te verdwijnen. – Te gelijker tijd herneemt de muziek het kindermotief en ontwaken de kinders, die een oogenblik hun kopje opheffen en heen en weer bewegen.
DE KINDERS
zingend
– – – – – –Maar waar isDe MeiDe MeiDe Mei –!
– – – – – –Maar waar isDe MeiDe MeiDe Mei –!
– – – – – –
Maar waar is
De Mei
De Mei
De Mei –!
De muziek breekt af en de kinders schijnen weer in te slapen.
DE VROUW
't Is of de Mei, zijn glans vergarend,Ons hart als eene harp bespeeltEn, zelve door de weiden varend,Ons droomend jaagt van beeld tot beeld.
't Is of de Mei, zijn glans vergarend,Ons hart als eene harp bespeeltEn, zelve door de weiden varend,Ons droomend jaagt van beeld tot beeld.
't Is of de Mei, zijn glans vergarend,
Ons hart als eene harp bespeelt
En, zelve door de weiden varend,
Ons droomend jaagt van beeld tot beeld.
DE MAN
't Is of de rei van zomerboden,Die om ons droomend leger gleed,Met de ebbe van den nacht gevloden,In 't wassend dagen wedertreedt.
't Is of de rei van zomerboden,Die om ons droomend leger gleed,Met de ebbe van den nacht gevloden,In 't wassend dagen wedertreedt.
't Is of de rei van zomerboden,
Die om ons droomend leger gleed,
Met de ebbe van den nacht gevloden,
In 't wassend dagen wedertreedt.
Zij keeren zich naar Mei, dien zij zien aankomen. De man houdt de linkerhand boven de oogen, zich thans met de rechter van achter steunend, terwijl de vrouw, tegen hem aanbuigend, op de linkerhand leunt en hare rechter in den schoot houdt.
DE MAN en DE VROUW
zingend
En zie –! Mei zelf keert tot ons weder!Als eene lentezoelte daaltHij uit een groene wolk van teeder,Ternauw geboren loover neder – –Hij heeft het eerste nest gehaald –!
En zie –! Mei zelf keert tot ons weder!Als eene lentezoelte daaltHij uit een groene wolk van teeder,Ternauw geboren loover neder – –Hij heeft het eerste nest gehaald –!
En zie –! Mei zelf keert tot ons weder!
Als eene lentezoelte daalt
Hij uit een groene wolk van teeder,
Ternauw geboren loover neder – –
Hij heeft het eerste nest gehaald –!
VIJFDE TOONEELDe man stut zich nu, iets achterover leunend, op den rechterarm, terwijl de vrouw, zich voorover naar den stoet buigend, in zijn schoot glijdt en zich daar overheen op den linkerarm steunt, met het hoofd aan zijn borst rustend. – Uit het gewas op het rechter-voorplan komt, als twee elkaar volgende paren, het kwartet van DE GEHUWDEN, gekleed in losse, om de heup gegorde gewaden van paarse kleur, met bruin geboord en met enkele roode bloemen getooid, de mannen zonder baard. Zij dansen den stoet voor met ieder een schaal vol donkere bloemen in de beide handen. – Dadelijk achter hen komt Mei met drie paren gehuwden, in lichtbruine gewaden, met paars geboord en enkele witte bloemen getooid, de mannen gebaard, die aan groen-omloofde koorden een groot nest spelenderwijze voorttrekken. Mei voorop houdt enkel met de linkerhand het meest rechtsche en langste koord, – de gehuwden hebben om en om, een telkens korter koord, dat zij met de rechterhand op den rechterschouder houden en met den linkerarm achter zich omstrengelen. – Het kwartet schaart zich paarsgewijze vóór den heuvel naast elkaar, doch zoo, dat de middelste vrouw en man iets vóór het uiterste paar staan.DE GEHUWDENHet kwartet, zingendWij zijn 't gewas van wijder hemelstralen,Van hooger zon,Die tot den bodem van ons hart kwam dalen –Zoo brengen wij u boordevolle schalenDier levensbron.Zij nemen de bloemen van de schalen, die met licht-uitstralende kristallen gevuld zijn, en drukken zich de bloemen als een krans om het hoofd.Wij zijn 't, die na de wemelende slagenVan 't morgenuurAls zegen der doorgloeide levensdagenVan de'ochtend in den milden middag dragenDien schat van vuur.Zij knielen vóór den heuvel en zetten de schalen neer.Ons, die het eigen duizendvoudig bouwenUit de aarde hief,Ons zijn de zonnetrillende landouwen,Ons is het scheppen – ons het blijde aanschouwenVan 't leven lief!Bij den tweeden regel van het laatste couplet rijzen zij weer op, waarna zij bij de dan volgende regels de armen wijd uiteenslaan, om ze bij de laatste woorden vóór zich te vouwen. – Het laatste couplet wordt dan door de andere paren als koor herhaald, waarna het kwartet zich achter de schalen en dichter bij den heuvel schaart, en Mei tusschen het kwartet en het koor naar voren treedt, terwijl hij aan de naast hem staande vrouw zijn koord overgeeft.MEIsprekendOver heindeverre weiden,Onder hemelhooge luchten,Duiken, schuilen zachte nesten,Wuiven nesten heen en weder,Wuiven, wuiven zij hun teederBroedsel tusschen aard en hemel.Over wuivend verre weiden,In de zee van wind en luchten,Stijgen, duiken vlugge vogels,Duiken, duiken zij ter neder,Brengen voedsel voor hun teederBroedsel tusschen aard en hemel.Over waters, over weiden,Door de nevelverre luchten,Varen stadig vluchten vogels,Vaart hun, vaart hun zacht gevederNaar het wachtend, wazig teederEinde tusschen aard en hemel.Over heindeverre weiden,Onder hemelhooge luchten,Daalt het, daalt het zacht geveder,Daalt het uit de nesten neder,Daalt ter wereld al het teederBroedsel tusschen aard en hemel.
De man stut zich nu, iets achterover leunend, op den rechterarm, terwijl de vrouw, zich voorover naar den stoet buigend, in zijn schoot glijdt en zich daar overheen op den linkerarm steunt, met het hoofd aan zijn borst rustend. – Uit het gewas op het rechter-voorplan komt, als twee elkaar volgende paren, het kwartet van DE GEHUWDEN, gekleed in losse, om de heup gegorde gewaden van paarse kleur, met bruin geboord en met enkele roode bloemen getooid, de mannen zonder baard. Zij dansen den stoet voor met ieder een schaal vol donkere bloemen in de beide handen. – Dadelijk achter hen komt Mei met drie paren gehuwden, in lichtbruine gewaden, met paars geboord en enkele witte bloemen getooid, de mannen gebaard, die aan groen-omloofde koorden een groot nest spelenderwijze voorttrekken. Mei voorop houdt enkel met de linkerhand het meest rechtsche en langste koord, – de gehuwden hebben om en om, een telkens korter koord, dat zij met de rechterhand op den rechterschouder houden en met den linkerarm achter zich omstrengelen. – Het kwartet schaart zich paarsgewijze vóór den heuvel naast elkaar, doch zoo, dat de middelste vrouw en man iets vóór het uiterste paar staan.
DE GEHUWDEN
Het kwartet, zingend
Wij zijn 't gewas van wijder hemelstralen,Van hooger zon,Die tot den bodem van ons hart kwam dalen –Zoo brengen wij u boordevolle schalenDier levensbron.
Wij zijn 't gewas van wijder hemelstralen,Van hooger zon,Die tot den bodem van ons hart kwam dalen –Zoo brengen wij u boordevolle schalenDier levensbron.
Wij zijn 't gewas van wijder hemelstralen,
Van hooger zon,
Die tot den bodem van ons hart kwam dalen –
Zoo brengen wij u boordevolle schalen
Dier levensbron.
Zij nemen de bloemen van de schalen, die met licht-uitstralende kristallen gevuld zijn, en drukken zich de bloemen als een krans om het hoofd.
Wij zijn 't, die na de wemelende slagenVan 't morgenuurAls zegen der doorgloeide levensdagenVan de'ochtend in den milden middag dragenDien schat van vuur.
Wij zijn 't, die na de wemelende slagenVan 't morgenuurAls zegen der doorgloeide levensdagenVan de'ochtend in den milden middag dragenDien schat van vuur.
Wij zijn 't, die na de wemelende slagen
Van 't morgenuur
Als zegen der doorgloeide levensdagen
Van de'ochtend in den milden middag dragen
Dien schat van vuur.
Zij knielen vóór den heuvel en zetten de schalen neer.
Ons, die het eigen duizendvoudig bouwenUit de aarde hief,Ons zijn de zonnetrillende landouwen,Ons is het scheppen – ons het blijde aanschouwenVan 't leven lief!
Ons, die het eigen duizendvoudig bouwenUit de aarde hief,Ons zijn de zonnetrillende landouwen,Ons is het scheppen – ons het blijde aanschouwenVan 't leven lief!
Ons, die het eigen duizendvoudig bouwen
Uit de aarde hief,
Ons zijn de zonnetrillende landouwen,
Ons is het scheppen – ons het blijde aanschouwen
Van 't leven lief!
Bij den tweeden regel van het laatste couplet rijzen zij weer op, waarna zij bij de dan volgende regels de armen wijd uiteenslaan, om ze bij de laatste woorden vóór zich te vouwen. – Het laatste couplet wordt dan door de andere paren als koor herhaald, waarna het kwartet zich achter de schalen en dichter bij den heuvel schaart, en Mei tusschen het kwartet en het koor naar voren treedt, terwijl hij aan de naast hem staande vrouw zijn koord overgeeft.
MEI
sprekend
Over heindeverre weiden,Onder hemelhooge luchten,Duiken, schuilen zachte nesten,Wuiven nesten heen en weder,Wuiven, wuiven zij hun teederBroedsel tusschen aard en hemel.Over wuivend verre weiden,In de zee van wind en luchten,Stijgen, duiken vlugge vogels,Duiken, duiken zij ter neder,Brengen voedsel voor hun teederBroedsel tusschen aard en hemel.Over waters, over weiden,Door de nevelverre luchten,Varen stadig vluchten vogels,Vaart hun, vaart hun zacht gevederNaar het wachtend, wazig teederEinde tusschen aard en hemel.Over heindeverre weiden,Onder hemelhooge luchten,Daalt het, daalt het zacht geveder,Daalt het uit de nesten neder,Daalt ter wereld al het teederBroedsel tusschen aard en hemel.
Over heindeverre weiden,Onder hemelhooge luchten,Duiken, schuilen zachte nesten,Wuiven nesten heen en weder,Wuiven, wuiven zij hun teederBroedsel tusschen aard en hemel.
Over heindeverre weiden,
Onder hemelhooge luchten,
Duiken, schuilen zachte nesten,
Wuiven nesten heen en weder,
Wuiven, wuiven zij hun teeder
Broedsel tusschen aard en hemel.
Over wuivend verre weiden,In de zee van wind en luchten,Stijgen, duiken vlugge vogels,Duiken, duiken zij ter neder,Brengen voedsel voor hun teederBroedsel tusschen aard en hemel.
Over wuivend verre weiden,
In de zee van wind en luchten,
Stijgen, duiken vlugge vogels,
Duiken, duiken zij ter neder,
Brengen voedsel voor hun teeder
Broedsel tusschen aard en hemel.
Over waters, over weiden,Door de nevelverre luchten,Varen stadig vluchten vogels,Vaart hun, vaart hun zacht gevederNaar het wachtend, wazig teederEinde tusschen aard en hemel.
Over waters, over weiden,
Door de nevelverre luchten,
Varen stadig vluchten vogels,
Vaart hun, vaart hun zacht geveder
Naar het wachtend, wazig teeder
Einde tusschen aard en hemel.
Over heindeverre weiden,Onder hemelhooge luchten,Daalt het, daalt het zacht geveder,Daalt het uit de nesten neder,Daalt ter wereld al het teederBroedsel tusschen aard en hemel.
Over heindeverre weiden,
Onder hemelhooge luchten,
Daalt het, daalt het zacht geveder,
Daalt het uit de nesten neder,
Daalt ter wereld al het teeder
Broedsel tusschen aard en hemel.
ZESDE TOONEELTerwijl Mei bij de laatste woorden van het laatste couplet het eerste koord weer ter hand neemt, rijzen uit het nest de ZEVEN DEUGDEN en zetten zich op den rand; – daarbij spreiden de zes gehuwden, ieder meer naar voren tredend, de koorden straalsgewijze uit (zoodat Mei blijft staan en de voorste man op het voorste plan komt). – Een algemeene en plotselinge beweging naar het nest ontwikkelt zich met de muziek: – het kwartet snelt er heen en knielt vóór den eersten straal (tusschen Mei en de eerste vrouw); de man en de vrouw rijzen op en willen, de vrouw vooraan, den heuvel afdalen, waarna zij aarzelt en omziende den man bij de hand vat; de kinders ontwaken, loopen onstuimig, tusschen de nog neerliggende jongeren, over het rozenkoord en blijven iets achter het kwartet in een halven kring vóór het nest geknield,waarbij zij hun hoofdje en vooruitgestrekte armpjes op de muziek (kindermotief) heen en weer bewegen; de jongelingen en meisjes rijzen dan op hunne beurt en dringen, met het rozenkoord omhoog geheven, voorbij en over de geknielde kinders, tot vóór het nest, doch nog achter het kwartet, waar ook zij knielen. – Dan begint (alles in ritmisch verband met de muziek) de teruggaande beweging even plotseling: – de jongeren laten de armen zakken, rijzen op en, zich omwendend, schijnen zij de lachende kinders met hun rozenkoord in een vaart mede te trekken naar den heuvel, waar alles zich in den vorigen stand herstelt; de man en de vrouw, van wie de laatste den eerste, zijn hand met haar beide handen omvattende, bij het achterwaarts wijken is voorgegaan, zinken evenzoo terug, waarbij thans de man, op den rechterarm over den schoot van de vrouw geleund en de linkerarm achter-naast zich neerhangend, met het hoofd tegen haar borst rust, en de vrouw zich zittende op de beide achterwaartsche armen stut. – Uit de dartel teruggaande beweging groeit een zachter muziek, waarbij het kwartet, dat mede was opgerezen en weifelend was blijven staan, aanvangt te dansen, telkens tusschen de open stralen een der deugden naderend en weer wijkende.DANSBegonnen bij de voorste deugd (dus vóór het buitenste koord), eindigen zij tusschen de koorden van Mei en de eerste vrouw, waar thans de beide paren, het eene met de hand op elkanders schouders, het andere knielende op een knie, een trede vormen voor de deugd, die, zich op den rand van het nest wendende, daarvan neerdaalt en tot vóór de vier schalen naar den heuvel schrijdt. – Het kwartet volgt de deugd tot buiten de koorden, terwijl de eerste vrouw, tot dan naar Mei gekeerd, zich omwendt naar den eersten man. – Nadat de deugd gesproken heeft, haalt het kwartet evenzoo de volgende af, waarna de eerste vrouw haar koord aan Mei overgeeft, de deugd met het kwartet een stap volgt, en op het tweede plan achter Mei gaat staan, die een stap naar voren komt. Zoo vervolgende staat Mei ten slotte met de zeven omloofde koorden in de handen op het voorplan en de groep van zes gehuwden op het tweede plan. –De zeven deugden zijn in zeer licht blauw lang en los gewaad, waaronder bloote voeten, met elk een garf bloemen als zinnebeeld, hetwelk zich in den haartooi sober herhalen kan. – Nadat de eerste deugd gesproken heeft, neemt zij haar garf in den rechterarm en blijft rechts naast de achterste schaal staan; nadat de tweede gesproken heeft, neemt deze haar garf in den linkerarm, – beiden vatten dan de lichtende schaal op en treden naar links.GEESTDRIFTmet een garf hoog opstaande roode papaversIk ben de geestdrift, die naar wijdeEinders van verre vrijheid drijft,Die 't stormend hart bestookt tot strijdenVoor 't doel, dat ze aan den hemel schrijft.BEZONNENHEIDmet een bundel korenhalmen, waarvan afhangen roze en witte heggewindenIk ben bezonnenheid, die dadenEn woorden weegt in 't vroom verstand,En uit haar hemel zacht-beradenHen neerschrijft in een klaar verband.IJVERmet een plok gras vol paardenbloemenIk ben de ijver, ben het streven.Dat woelend door de dagen knaagt,Dat naarstig door het jagend levenEen dichte vracht van plichten draagt.GEDULDmet witte waterlelies op den arm, waarbij de groote groene bladen neerhangenIk ben geduld, dat leerde beiden,En in een kolk van stil gedacht,Ternauw bewogen door het lijden,Aan de'oever van het leven wacht.KENNISmet omhoog staande zonnebloemenIk ben de kennis, die door 't duisterHeelal haar stralen openspreidt,Tot zij bij 't licht van de'eigen luisterDer wereld luister onderscheidt.SCHOONHEIDmet een garf neerhangende groote roode rozenIk ben de schoonheid, zij die zwijgendAl 't hemellicht weer samenbindtEn, in een glimlach nederzijgend,'t Geluk op aarde wedervindt.LIEFDEmet een grooten bloeienden rozerooden meidoorntakIk ben de liefde – in mij ademtWat ik ten doop aan 't leven hield, –Ik ben het, die het al omvademt –Ik ben het, die het al bezielt!Na de laatste woorden, waaruit de muziek ontluikt, werpt zij den meidoorntak den man en de vrouw in den schoot en neemt met beide handen de laatste schaal, waarmede zij naar het midden-voorplan treedt. De andere deugden reien zich hier om haar, terwijl het kwartet, elkaars handen vattend, zich ter zijde op het linker-voorplan schaart.MENUET DER DEUGDENNa den dans schikken de deugden zich vóór het kwartet, waarbij zij de schalen voor zich neerzetten en, met de armen elkaar omstrengelend, ter zijde naar den heuvel zien. – De man en de vrouw zijn bij de woorden van de laatste deugd geheel tot zittende houding opgekomen; zij houden den meidoorntak in hun beider schoot en daar overheen elkanders handen gevat, terwijl zij, naast elkaar gezeten en tegen elkander aanleunend, het vrije been iets ter zijde gebogen, droomerig over de schalen heen staren.DE MAN't Is of mijn hart die wijde woordenAls 't zeil de zilte winden gaart,En met zijn blijbespoelde boordenNaar onbekende zeeën vaart.DE VROUWMij is 't of ik door groene zodenVan maagdelijke weiden treed,Waarin ons beiden, nieuw-genooden,Een zalig zonlicht welkom heet.Mei, die met de groen-omloofde koorden nog bij den dans heeft toegezien, heeft deze daarna over den schouder genomen en is, het leege nest achter zich aantrekkend, bij de laatste woorden van de vrouw, met een stillen glimlach voor zich heen, tusschen het gewas naar rechts verdwenen. Te gelijker tijd glijdt een schaduw over het tooneel (hetgeen een poos iets donkerder blijft) welke den man en de vrouw doet rondzien en Mei's heengaan doet ontwaren, zoodat zij oprijzen en elkaar bij de hand vatten, die zij met den bloemtak ontsteld naar Mei uitstrekken. – De groepen willen op de onrustig groeiende muziek Mei volgen: – de deugden nemen hunne schalen en haasten zich naar rechts, gevolgd door het kwartet, zoodat nu aan de rechterzijde achtereen en van rechts naar links de deugden, het kwartet en het koor van gehuwden geschaard staan. De kinders en de jongeren ontwaken.ALLENzingendZie! maar zie daar!Mei verlaatOnzen lichten levensstaat!Lachend vliedt hij langs de wegen –Waar het nest in groen vergaat – –Bloem en blâren buigen neer,Nu hun kleine lieve heerMet zijn stralenrijken zegenIn een wolk is weggestegen – –Ach! hun zieltjes voelen veeg –Ach! hun hartjes loopen leeg!De beweging zet zich nu onder de jongeren en de kinders voort, die oprijzen en met uitgestrekte handen enkele stappen naar rechts komen, terwijl de man en de vrouw met gezonken handen, thans wat afgezonderd op den halfverlaten heuvel, blijven toezien.DE KINDERSzich neervlijendAch! nu loopt ons hartje leeg,Dat van Mei het meeste kreeg –!DE JONGERENzich neerzettendO! het mooist – het allermeestIs toch Mei voor óns geweest –!DE GEHUWDENneerknielendMaar den schoonsten levenszegenHebben wij van Mei gekregen –!DE DEUGDENstaandeZie van ons zijn luister gloren,Waar wij zelf uit zijn geboren –!Zij heffen de schalen op, waarbij het weer overvloedig licht wordt en Mei met den grijsaard op den achtergrond verschijnt.
Terwijl Mei bij de laatste woorden van het laatste couplet het eerste koord weer ter hand neemt, rijzen uit het nest de ZEVEN DEUGDEN en zetten zich op den rand; – daarbij spreiden de zes gehuwden, ieder meer naar voren tredend, de koorden straalsgewijze uit (zoodat Mei blijft staan en de voorste man op het voorste plan komt). – Een algemeene en plotselinge beweging naar het nest ontwikkelt zich met de muziek: – het kwartet snelt er heen en knielt vóór den eersten straal (tusschen Mei en de eerste vrouw); de man en de vrouw rijzen op en willen, de vrouw vooraan, den heuvel afdalen, waarna zij aarzelt en omziende den man bij de hand vat; de kinders ontwaken, loopen onstuimig, tusschen de nog neerliggende jongeren, over het rozenkoord en blijven iets achter het kwartet in een halven kring vóór het nest geknield,waarbij zij hun hoofdje en vooruitgestrekte armpjes op de muziek (kindermotief) heen en weer bewegen; de jongelingen en meisjes rijzen dan op hunne beurt en dringen, met het rozenkoord omhoog geheven, voorbij en over de geknielde kinders, tot vóór het nest, doch nog achter het kwartet, waar ook zij knielen. – Dan begint (alles in ritmisch verband met de muziek) de teruggaande beweging even plotseling: – de jongeren laten de armen zakken, rijzen op en, zich omwendend, schijnen zij de lachende kinders met hun rozenkoord in een vaart mede te trekken naar den heuvel, waar alles zich in den vorigen stand herstelt; de man en de vrouw, van wie de laatste den eerste, zijn hand met haar beide handen omvattende, bij het achterwaarts wijken is voorgegaan, zinken evenzoo terug, waarbij thans de man, op den rechterarm over den schoot van de vrouw geleund en de linkerarm achter-naast zich neerhangend, met het hoofd tegen haar borst rust, en de vrouw zich zittende op de beide achterwaartsche armen stut. – Uit de dartel teruggaande beweging groeit een zachter muziek, waarbij het kwartet, dat mede was opgerezen en weifelend was blijven staan, aanvangt te dansen, telkens tusschen de open stralen een der deugden naderend en weer wijkende.
Begonnen bij de voorste deugd (dus vóór het buitenste koord), eindigen zij tusschen de koorden van Mei en de eerste vrouw, waar thans de beide paren, het eene met de hand op elkanders schouders, het andere knielende op een knie, een trede vormen voor de deugd, die, zich op den rand van het nest wendende, daarvan neerdaalt en tot vóór de vier schalen naar den heuvel schrijdt. – Het kwartet volgt de deugd tot buiten de koorden, terwijl de eerste vrouw, tot dan naar Mei gekeerd, zich omwendt naar den eersten man. – Nadat de deugd gesproken heeft, haalt het kwartet evenzoo de volgende af, waarna de eerste vrouw haar koord aan Mei overgeeft, de deugd met het kwartet een stap volgt, en op het tweede plan achter Mei gaat staan, die een stap naar voren komt. Zoo vervolgende staat Mei ten slotte met de zeven omloofde koorden in de handen op het voorplan en de groep van zes gehuwden op het tweede plan. –
De zeven deugden zijn in zeer licht blauw lang en los gewaad, waaronder bloote voeten, met elk een garf bloemen als zinnebeeld, hetwelk zich in den haartooi sober herhalen kan. – Nadat de eerste deugd gesproken heeft, neemt zij haar garf in den rechterarm en blijft rechts naast de achterste schaal staan; nadat de tweede gesproken heeft, neemt deze haar garf in den linkerarm, – beiden vatten dan de lichtende schaal op en treden naar links.
GEESTDRIFT
met een garf hoog opstaande roode papavers
Ik ben de geestdrift, die naar wijdeEinders van verre vrijheid drijft,Die 't stormend hart bestookt tot strijdenVoor 't doel, dat ze aan den hemel schrijft.
Ik ben de geestdrift, die naar wijdeEinders van verre vrijheid drijft,Die 't stormend hart bestookt tot strijdenVoor 't doel, dat ze aan den hemel schrijft.
Ik ben de geestdrift, die naar wijde
Einders van verre vrijheid drijft,
Die 't stormend hart bestookt tot strijden
Voor 't doel, dat ze aan den hemel schrijft.
BEZONNENHEID
met een bundel korenhalmen, waarvan afhangen roze en witte heggewinden
Ik ben bezonnenheid, die dadenEn woorden weegt in 't vroom verstand,En uit haar hemel zacht-beradenHen neerschrijft in een klaar verband.
Ik ben bezonnenheid, die dadenEn woorden weegt in 't vroom verstand,En uit haar hemel zacht-beradenHen neerschrijft in een klaar verband.
Ik ben bezonnenheid, die daden
En woorden weegt in 't vroom verstand,
En uit haar hemel zacht-beraden
Hen neerschrijft in een klaar verband.
IJVER
met een plok gras vol paardenbloemen
Ik ben de ijver, ben het streven.Dat woelend door de dagen knaagt,Dat naarstig door het jagend levenEen dichte vracht van plichten draagt.
Ik ben de ijver, ben het streven.Dat woelend door de dagen knaagt,Dat naarstig door het jagend levenEen dichte vracht van plichten draagt.
Ik ben de ijver, ben het streven.
Dat woelend door de dagen knaagt,
Dat naarstig door het jagend leven
Een dichte vracht van plichten draagt.
GEDULD
met witte waterlelies op den arm, waarbij de groote groene bladen neerhangen
Ik ben geduld, dat leerde beiden,En in een kolk van stil gedacht,Ternauw bewogen door het lijden,Aan de'oever van het leven wacht.
Ik ben geduld, dat leerde beiden,En in een kolk van stil gedacht,Ternauw bewogen door het lijden,Aan de'oever van het leven wacht.
Ik ben geduld, dat leerde beiden,
En in een kolk van stil gedacht,
Ternauw bewogen door het lijden,
Aan de'oever van het leven wacht.
KENNIS
met omhoog staande zonnebloemen
Ik ben de kennis, die door 't duisterHeelal haar stralen openspreidt,Tot zij bij 't licht van de'eigen luisterDer wereld luister onderscheidt.
Ik ben de kennis, die door 't duisterHeelal haar stralen openspreidt,Tot zij bij 't licht van de'eigen luisterDer wereld luister onderscheidt.
Ik ben de kennis, die door 't duister
Heelal haar stralen openspreidt,
Tot zij bij 't licht van de'eigen luister
Der wereld luister onderscheidt.
SCHOONHEID
met een garf neerhangende groote roode rozen
Ik ben de schoonheid, zij die zwijgendAl 't hemellicht weer samenbindtEn, in een glimlach nederzijgend,'t Geluk op aarde wedervindt.
Ik ben de schoonheid, zij die zwijgendAl 't hemellicht weer samenbindtEn, in een glimlach nederzijgend,'t Geluk op aarde wedervindt.
Ik ben de schoonheid, zij die zwijgend
Al 't hemellicht weer samenbindt
En, in een glimlach nederzijgend,
't Geluk op aarde wedervindt.
LIEFDE
met een grooten bloeienden rozerooden meidoorntak
Ik ben de liefde – in mij ademtWat ik ten doop aan 't leven hield, –Ik ben het, die het al omvademt –Ik ben het, die het al bezielt!
Ik ben de liefde – in mij ademtWat ik ten doop aan 't leven hield, –Ik ben het, die het al omvademt –Ik ben het, die het al bezielt!
Ik ben de liefde – in mij ademt
Wat ik ten doop aan 't leven hield, –
Ik ben het, die het al omvademt –
Ik ben het, die het al bezielt!
Na de laatste woorden, waaruit de muziek ontluikt, werpt zij den meidoorntak den man en de vrouw in den schoot en neemt met beide handen de laatste schaal, waarmede zij naar het midden-voorplan treedt. De andere deugden reien zich hier om haar, terwijl het kwartet, elkaars handen vattend, zich ter zijde op het linker-voorplan schaart.
Na den dans schikken de deugden zich vóór het kwartet, waarbij zij de schalen voor zich neerzetten en, met de armen elkaar omstrengelend, ter zijde naar den heuvel zien. – De man en de vrouw zijn bij de woorden van de laatste deugd geheel tot zittende houding opgekomen; zij houden den meidoorntak in hun beider schoot en daar overheen elkanders handen gevat, terwijl zij, naast elkaar gezeten en tegen elkander aanleunend, het vrije been iets ter zijde gebogen, droomerig over de schalen heen staren.
DE MAN
't Is of mijn hart die wijde woordenAls 't zeil de zilte winden gaart,En met zijn blijbespoelde boordenNaar onbekende zeeën vaart.
't Is of mijn hart die wijde woordenAls 't zeil de zilte winden gaart,En met zijn blijbespoelde boordenNaar onbekende zeeën vaart.
't Is of mijn hart die wijde woorden
Als 't zeil de zilte winden gaart,
En met zijn blijbespoelde boorden
Naar onbekende zeeën vaart.
DE VROUW
Mij is 't of ik door groene zodenVan maagdelijke weiden treed,Waarin ons beiden, nieuw-genooden,Een zalig zonlicht welkom heet.
Mij is 't of ik door groene zodenVan maagdelijke weiden treed,Waarin ons beiden, nieuw-genooden,Een zalig zonlicht welkom heet.
Mij is 't of ik door groene zoden
Van maagdelijke weiden treed,
Waarin ons beiden, nieuw-genooden,
Een zalig zonlicht welkom heet.
Mei, die met de groen-omloofde koorden nog bij den dans heeft toegezien, heeft deze daarna over den schouder genomen en is, het leege nest achter zich aantrekkend, bij de laatste woorden van de vrouw, met een stillen glimlach voor zich heen, tusschen het gewas naar rechts verdwenen. Te gelijker tijd glijdt een schaduw over het tooneel (hetgeen een poos iets donkerder blijft) welke den man en de vrouw doet rondzien en Mei's heengaan doet ontwaren, zoodat zij oprijzen en elkaar bij de hand vatten, die zij met den bloemtak ontsteld naar Mei uitstrekken. – De groepen willen op de onrustig groeiende muziek Mei volgen: – de deugden nemen hunne schalen en haasten zich naar rechts, gevolgd door het kwartet, zoodat nu aan de rechterzijde achtereen en van rechts naar links de deugden, het kwartet en het koor van gehuwden geschaard staan. De kinders en de jongeren ontwaken.
ALLEN
zingend
Zie! maar zie daar!Mei verlaatOnzen lichten levensstaat!Lachend vliedt hij langs de wegen –Waar het nest in groen vergaat – –Bloem en blâren buigen neer,Nu hun kleine lieve heerMet zijn stralenrijken zegenIn een wolk is weggestegen – –Ach! hun zieltjes voelen veeg –Ach! hun hartjes loopen leeg!
Zie! maar zie daar!Mei verlaatOnzen lichten levensstaat!Lachend vliedt hij langs de wegen –Waar het nest in groen vergaat – –Bloem en blâren buigen neer,Nu hun kleine lieve heerMet zijn stralenrijken zegenIn een wolk is weggestegen – –Ach! hun zieltjes voelen veeg –Ach! hun hartjes loopen leeg!
Zie! maar zie daar!
Mei verlaat
Onzen lichten levensstaat!
Lachend vliedt hij langs de wegen –
Waar het nest in groen vergaat – –
Bloem en blâren buigen neer,
Nu hun kleine lieve heer
Met zijn stralenrijken zegen
In een wolk is weggestegen – –
Ach! hun zieltjes voelen veeg –
Ach! hun hartjes loopen leeg!
De beweging zet zich nu onder de jongeren en de kinders voort, die oprijzen en met uitgestrekte handen enkele stappen naar rechts komen, terwijl de man en de vrouw met gezonken handen, thans wat afgezonderd op den halfverlaten heuvel, blijven toezien.
DE KINDERS
zich neervlijend
Ach! nu loopt ons hartje leeg,Dat van Mei het meeste kreeg –!
Ach! nu loopt ons hartje leeg,Dat van Mei het meeste kreeg –!
Ach! nu loopt ons hartje leeg,
Dat van Mei het meeste kreeg –!
DE JONGEREN
zich neerzettend
O! het mooist – het allermeestIs toch Mei voor óns geweest –!
O! het mooist – het allermeestIs toch Mei voor óns geweest –!
O! het mooist – het allermeest
Is toch Mei voor óns geweest –!
DE GEHUWDEN
neerknielend
Maar den schoonsten levenszegenHebben wij van Mei gekregen –!
Maar den schoonsten levenszegenHebben wij van Mei gekregen –!
Maar den schoonsten levenszegen
Hebben wij van Mei gekregen –!
DE DEUGDEN
staande
Zie van ons zijn luister gloren,Waar wij zelf uit zijn geboren –!
Zie van ons zijn luister gloren,Waar wij zelf uit zijn geboren –!
Zie van ons zijn luister gloren,
Waar wij zelf uit zijn geboren –!
Zij heffen de schalen op, waarbij het weer overvloedig licht wordt en Mei met den grijsaard op den achtergrond verschijnt.
ZEVENDE TOONEELDE GRIJSAARD in donkerbruine, dunne, wollige pij, sandalen aan de voeten, witte baard en een smalle krans van jonge groene blaadjes om de witte lokken; met de rechterhand steunt hij op een groen-omloofden staf, met de andere rust hij op Mei's schouder, die in de rechterhand zijn roze stafje heeft en met de linkerhand den stengel van een grooten pluisbol omvat houdt, welke boven overhem en den grijsaard heenbuigt. – Bij het verschijnen van Mei en den grijsaard zetten de man en de vrouw zich weder neer en blijven verder zittende, met den arm om elkanders hals en elkaar bij de hand houdend, droomerig toezien.ALLENbehalve de man en de vrouw half oprijzend, zingende tot Mei met den grijsaard gekeerdZie! maar zie daar!Mei komt weer –!Als een kleine lieve heerKeert hij uit zijn schaduw nader,En zijn stralend lijfje houdt,Lijk een boom van bloeiend hout,Onzen ouden witten vader!De beweging naar den grijsaard met Mei zet zich nu voort: – de kinders loopen, tusschen de jongeren en over het rozenkoord, van den heuvel weg naar het achterplan, waar zij zich paar naast paar en hand in hand in twee kleine bogen links en rechts van den grijsaard en Mei scharen. Van rechts komen nu ook de gehuwden met hun kwartet en de deugden, van links de jongeren eenige stappen naar den grijsaard en Mei toe, zoodat thans alleen de man en de vrouw op den verlaten heuvel blijven.DE KINDERSHij, uit wien wij zijn gedegen –!DE JONGERENHij, de zaaier onzer zege –!DE GEHUWDENHij, de herder onzer wegen –!DE DEUGDENHij heeft meest van al gekregen –!De zijgroepen komen nu min of meer in de schaduw, terwijl het volle licht op het midden-achterplan tegen Mei en den grijsaard valt, met de kinders ter zijde.MEIzingend, met zachten inzetNaar de verte verdwaald,Heb ik dien stam gevonden –Heb ik hem hier gehaaldEn met bloemen omwondenEn de lente hergevenAan wien lente ontvlood –Zoo is het leven – –Hierbij slaat Mei de armen vóór zich uiteen, den stengel echter zoo houdend, dat de pluisbol boven hem en den grijsaard blijft, – hij buigt dan het hoofdje achterover en blaast in den pluisbol, waaruit een gedeelte wegdrijft – – dan weer voor zich uitziende, zingt hij den laatsten regel:Zoo is de dood –!DE KINDERSals een zachte, bijna fluisterende echoZoo is het leven – –Zoo is de dood –!Mei en de grijsaard komen thans iets naar voren, in welke beweging de andere groepen deelen.MEIMenig stam, die al zuchtEn al bladerloos wankelt,Om wiens kruin nog een vluchtGroene loovertjes sprankelt.Die daar blinkende bevenAan een wuivende loot –Zoo is het leven – –als boven– – – – – – –Zoo is de dood –!DE KINDERS en DE JONGERENals een zachte echoZoo is het leven – –Zoo is de dood –!Mei met den grijsaard en, in verhouding daarmede, de groepen komen weder enkele stappen naar het voorplan.MEIOp de bloeiende zeeVan die ruischende blârenWiegt hij zwijgende meeAls een mast op de baren –En, ten hemel geheven,Duikt hij zacht in heur schoot –Zoo is het leven – –als boven– – – – – – –Zoo is de dood –!DE KINDERS, DE JONGEREN en DE GEHUWDENals een echoZoo is het leven – –Zoo is de dood –!Bij zijn laatste woorden heeft Mei den leeggeblazen pluisbol in het gewas ter zijde geworpen en is thans met den grijsaard op het voorplan, vlak voor den takkenbos gekomen, te midden van den halven kring der groepen, waarnaast de heuvel zelf buiten het volle licht blijft.DE GRIJSAARDsprekendIk kom met kleinen Mei verlegen naar uw feestOm er mijn beetje groen bij al dien bloei te dragen, –Want boven bloemen, boven 't hooge loover zagenMijn oude oogen naar die schemerende dagen,Waarin het alles – alles anders is geweest.MEIdroomerig sprekendVertel ons vader die herinneringen, –Ik was er bij en wist het eenmaal wel,Maar ik vergat alweer die verre dingen,En 't lijkt zoo lang geleê, – vertel – vertel –!DE KINDERSVertel –!De naastbijzijnden, links en rechts, vlijen zich aan de voeten van den grijsaard, de daaraanvolgenden knielen op een knie, met de hoofdjes en armpjes op elkaars schouders rustend.DE JONGERENVertel –!Links, – de voorsten knielen als de kinders, de volgenden staan met de armen om elkanders schouders geslagen en het hoofd ter zijde gebogen toe te luisteren, de achtersten vóór den voet van den heuvel, welke zelf buiten het tafreel blijft.DE GEHUWDENVertel –!Rechts, – met de armen op elkanders schouder geleund en daar overheen gebogen toeluisterend. – De deugden, de Liefde in het midden, terwijl de twee opvolgenden aan haar beide zijden de lichtende schalen als caryatiden op hethoofd houden, scharen zich inmiddels hand in hand in een halven boog op het tweede plan, achter den grijsaard. – De grijsaard zet zich op den takkenbos te midden van den kring, terwijl Mei met zijn stafje rechts, iets ter zijde achter hem blijft staan.DE GRIJSAARDvoornamelijk tot de kinders sprekendEr was een tijd, voordat het daagde op de aarde,Voor zich der menschen ziel met 't licht heelal verbond,Dat ieder schepsel door een blinden doolhof waardeEn geen het goede woord – den weg ter zonne vond. –Er was een tijd, waarin geen jonge kinderkorenAls blijde wijde rei van bloemen in het veldOp de aarde ontwaakten, maar die ieder nieuw-geboren,Verwonderd, teeder wicht te midden van 't geweldDier wilde wereld stil een krans van zwarte zorgenOm 't droomig hoofdje leî. – Toen groeiden zij op steen,In steenen kelders als in kuilen weggeborgen,Met steenen boven hen, en steenen om hen heen, –Zoo diep – zoo diep daarin, dat zelfs de zonnestralenMaar vaag iets wisten van die hartjes daar beneê.Geen wind waaide van 't veld en fluisterde verhalenVan de'ijlen hemel – en de vogels – en de zee, – –En, zelf een bleeke vlek, heeft menig nooit gewetenHoe groen de wereld was. – Veel werden maar een knop,Veel werden door het lot vertrapt en stukgereten,Veel vroeg geplukt, – en veel – groeiden ondelgbaar op! –Ik zelf was één van hen –!DE KINDERSZoo'n kleine bloem in donker –?DE GRIJSAARDvoornamelijk tot de jongeren sprekendDonker –?– ja donker wel, waar zelfs de warme glansDer blijde liefde maar een weifelend geflonkerIn 't arme leven was, – een bang-gewachte kansIn 't blindelingsche spel – een hoop – een heete wonde –!Hoe beefde liefde als de laatste dunne snaarVan een gedoofd akkoord, – hoe leefde zij als zonde:Een worstelende greep –! en nooit dat wijd gebaarVan wie een wereld aan zijn warme hart wou drukken! –Ach 't leven was een woud, een schemer zonder dag.Een duisternis van strijd en eeuwig onderdrukken,Waar slechts de sterke wies, – tot hij de sterren zag.En toch: – hoeveel dat klom, dat bloeide in 't verborgen,Dat ál maar schoonheid beurde uit die verdoemde laagt' –Dat bouwde in den nacht en wachtte op den morgen – –Totdat de roode dag voor allen heeft gedaagd –!–Zij bloeiden boven mij –!DE JONGERENZoo vele liefdeloozen –?DE GRIJSAARDvoornamelijk tot de gehuwden sprekendO – liefde tóch! – welk hart, dat haar nimmer beleed?Ook zij droegen haar toom – doch zelden met de rozen,Die vroeg ontbladerde' op den bodem van hun leed.En als de lente ging – wat doornen die hen wachttenAan 't zwart-getrapte pad: – de mannen, gauw berooidVan allen bloei, – de vrouwen, ledig van gedachten –Zelfs door geen vaal verdriet met tranen meer getooid.O – liefde tóch! – hoe heeft zij hen door 't leed gedragen,Wier hart het lichtend beeld van 'n leven in zich droeg,Dat ze als een witte ster boven den einder zagen, – –Totdat hun staf 't licht uit de donk're bergen sloeg,En door de grauwe weerld 'n zondvloed van liefde welde,Waarin de oude aarde eind'lijk ging bestaan –!O – liefde was wel de bezieling van die helden,Die voor ons vochten, – die hebben gedáán – gedáán –!–Ik was nog maar een bloem –!DE GEHUWDENEn weet gij nog die jaren –?Het tooneel wordt langzaam iets donkerder, zoodat vooral de schalen schijnen te lichten.DE GRIJSAARDvoor zich heen starendIk weet nog vaag hoe men toen samenkwam en zong, –Ik zie nog vaag die donk're – lange – lange scharenMet kleinen Mei voorop – – doch Mei is eeuwig jong; – –Maar, als het zomert, meen 'k die stemmen soms te hooren,Is 't of mijn oog op eens die verre wereld ziet, – –Dan groeit dat groot visioen – dan ruischt weer in mijn oorenDe zachte echo van een lang-vergeten lied – – –Bij de laatste woorden klinkt gedempt van verre de muziek van een bekenden revolutionnairen zang, – allen luisteren met den grijsaard mede. – Met het einde van de eerste strophe ziet de grijsaard op naar den man en de vrouw, die bij het laatste gedeelte van zijn verhaal allengs uit hun luisterende houding zijn teruggezonken op den heuvel en onder de eerste tonen der muziek zijn ingesluimerd, in juist dezelfde houding als bij den aanvang, – allen zien mede op naar het slapende paar. – Dan legt de grijsaard den vinger op de lippen, rijst op en schrijdt langzaam heen, met den groenen staf in zijn rechterhand enaan zijn linker de kleinste van de kinders, waarachter de anderen volgen en met de zachter klinkende muziek de aftocht begint: – Velen der kinders en der jongeren werpen het sluimerend paar kushandjes toe, anderen houden een vinger op de lippen, of wijzen nog omziende elkander naar het paar, allen gaan zachtjes, als op de teenen, voorbij; de stoet gaat links vóór den heuvel om en wendt zich dan naar het rechter-achterplan, waar hij in 't gewas verdwijnt. – De deugden zijn voor het begin van den aftocht geheel op het achterplan teruggetreden en blijven daar geschaard in denzelfden caryatidenstand. – Op het voorplan blijft Mei alleen over: hij werpt bij de laatste tonen van het al verderaf klinkende lied den beiden slapenden een kushand toe, zwaait met zijn stafje in het rond en slaat op den heuvel – waarbij plots het volle licht terugkeert, hij zelf op de plaats, vanwaar hij verscheen, weer in den heuvel verdwijnt, en de man en de vrouw ontwaken te midden der lichte stilte. – Zij zien naar den bloeienden meidoorntak, die nog op hun schoot in hunne handen ligt, dan omhoog tot den bloeienden struik naar hen heen gebogen; verwonderd kijken zij rond, wrijven zich de oogen uit en zien elkander aan; dan rijzen zij op, geven elkaar glimlachend de hand en dalen, de man thans links, de vrouw rechts, ieder met een loot van den tak, den heuvel af naar het voorste plan, waar de beide zijgordijnen langzaam achter hen dichtschuiven.
DE GRIJSAARD in donkerbruine, dunne, wollige pij, sandalen aan de voeten, witte baard en een smalle krans van jonge groene blaadjes om de witte lokken; met de rechterhand steunt hij op een groen-omloofden staf, met de andere rust hij op Mei's schouder, die in de rechterhand zijn roze stafje heeft en met de linkerhand den stengel van een grooten pluisbol omvat houdt, welke boven overhem en den grijsaard heenbuigt. – Bij het verschijnen van Mei en den grijsaard zetten de man en de vrouw zich weder neer en blijven verder zittende, met den arm om elkanders hals en elkaar bij de hand houdend, droomerig toezien.
ALLEN
behalve de man en de vrouw half oprijzend, zingende tot Mei met den grijsaard gekeerd
Zie! maar zie daar!Mei komt weer –!Als een kleine lieve heerKeert hij uit zijn schaduw nader,En zijn stralend lijfje houdt,Lijk een boom van bloeiend hout,Onzen ouden witten vader!
Zie! maar zie daar!Mei komt weer –!Als een kleine lieve heerKeert hij uit zijn schaduw nader,En zijn stralend lijfje houdt,Lijk een boom van bloeiend hout,Onzen ouden witten vader!
Zie! maar zie daar!
Mei komt weer –!
Als een kleine lieve heer
Keert hij uit zijn schaduw nader,
En zijn stralend lijfje houdt,
Lijk een boom van bloeiend hout,
Onzen ouden witten vader!
De beweging naar den grijsaard met Mei zet zich nu voort: – de kinders loopen, tusschen de jongeren en over het rozenkoord, van den heuvel weg naar het achterplan, waar zij zich paar naast paar en hand in hand in twee kleine bogen links en rechts van den grijsaard en Mei scharen. Van rechts komen nu ook de gehuwden met hun kwartet en de deugden, van links de jongeren eenige stappen naar den grijsaard en Mei toe, zoodat thans alleen de man en de vrouw op den verlaten heuvel blijven.
DE KINDERS
Hij, uit wien wij zijn gedegen –!
Hij, uit wien wij zijn gedegen –!
Hij, uit wien wij zijn gedegen –!
DE JONGEREN
Hij, de zaaier onzer zege –!
Hij, de zaaier onzer zege –!
Hij, de zaaier onzer zege –!
DE GEHUWDEN
Hij, de herder onzer wegen –!
Hij, de herder onzer wegen –!
Hij, de herder onzer wegen –!
DE DEUGDEN
Hij heeft meest van al gekregen –!
Hij heeft meest van al gekregen –!
Hij heeft meest van al gekregen –!
De zijgroepen komen nu min of meer in de schaduw, terwijl het volle licht op het midden-achterplan tegen Mei en den grijsaard valt, met de kinders ter zijde.
MEI
zingend, met zachten inzet
Naar de verte verdwaald,Heb ik dien stam gevonden –Heb ik hem hier gehaaldEn met bloemen omwondenEn de lente hergevenAan wien lente ontvlood –Zoo is het leven – –
Naar de verte verdwaald,Heb ik dien stam gevonden –Heb ik hem hier gehaaldEn met bloemen omwondenEn de lente hergevenAan wien lente ontvlood –Zoo is het leven – –
Naar de verte verdwaald,
Heb ik dien stam gevonden –
Heb ik hem hier gehaald
En met bloemen omwonden
En de lente hergeven
Aan wien lente ontvlood –
Zoo is het leven – –
Hierbij slaat Mei de armen vóór zich uiteen, den stengel echter zoo houdend, dat de pluisbol boven hem en den grijsaard blijft, – hij buigt dan het hoofdje achterover en blaast in den pluisbol, waaruit een gedeelte wegdrijft – – dan weer voor zich uitziende, zingt hij den laatsten regel:
Zoo is de dood –!
Zoo is de dood –!
Zoo is de dood –!
DE KINDERS
als een zachte, bijna fluisterende echo
Zoo is het leven – –Zoo is de dood –!
Zoo is het leven – –Zoo is de dood –!
Zoo is het leven – –
Zoo is de dood –!
Mei en de grijsaard komen thans iets naar voren, in welke beweging de andere groepen deelen.
MEI
Menig stam, die al zuchtEn al bladerloos wankelt,Om wiens kruin nog een vluchtGroene loovertjes sprankelt.Die daar blinkende bevenAan een wuivende loot –Zoo is het leven – –
Menig stam, die al zuchtEn al bladerloos wankelt,Om wiens kruin nog een vluchtGroene loovertjes sprankelt.Die daar blinkende bevenAan een wuivende loot –Zoo is het leven – –
Menig stam, die al zucht
En al bladerloos wankelt,
Om wiens kruin nog een vlucht
Groene loovertjes sprankelt.
Die daar blinkende beven
Aan een wuivende loot –
Zoo is het leven – –
als boven
– – – – – – –Zoo is de dood –!
– – – – – – –Zoo is de dood –!
– – – – – – –
Zoo is de dood –!
DE KINDERS en DE JONGEREN
als een zachte echo
Zoo is het leven – –Zoo is de dood –!
Zoo is het leven – –Zoo is de dood –!
Zoo is het leven – –
Zoo is de dood –!
Mei met den grijsaard en, in verhouding daarmede, de groepen komen weder enkele stappen naar het voorplan.
MEI
Op de bloeiende zeeVan die ruischende blârenWiegt hij zwijgende meeAls een mast op de baren –En, ten hemel geheven,Duikt hij zacht in heur schoot –Zoo is het leven – –
Op de bloeiende zeeVan die ruischende blârenWiegt hij zwijgende meeAls een mast op de baren –En, ten hemel geheven,Duikt hij zacht in heur schoot –Zoo is het leven – –
Op de bloeiende zee
Van die ruischende blâren
Wiegt hij zwijgende mee
Als een mast op de baren –
En, ten hemel geheven,
Duikt hij zacht in heur schoot –
Zoo is het leven – –
als boven
– – – – – – –Zoo is de dood –!
– – – – – – –Zoo is de dood –!
– – – – – – –
Zoo is de dood –!
DE KINDERS, DE JONGEREN en DE GEHUWDEN
als een echo
Zoo is het leven – –Zoo is de dood –!
Zoo is het leven – –Zoo is de dood –!
Zoo is het leven – –
Zoo is de dood –!
Bij zijn laatste woorden heeft Mei den leeggeblazen pluisbol in het gewas ter zijde geworpen en is thans met den grijsaard op het voorplan, vlak voor den takkenbos gekomen, te midden van den halven kring der groepen, waarnaast de heuvel zelf buiten het volle licht blijft.
DE GRIJSAARD
sprekend
Ik kom met kleinen Mei verlegen naar uw feestOm er mijn beetje groen bij al dien bloei te dragen, –Want boven bloemen, boven 't hooge loover zagenMijn oude oogen naar die schemerende dagen,Waarin het alles – alles anders is geweest.
Ik kom met kleinen Mei verlegen naar uw feestOm er mijn beetje groen bij al dien bloei te dragen, –Want boven bloemen, boven 't hooge loover zagenMijn oude oogen naar die schemerende dagen,Waarin het alles – alles anders is geweest.
Ik kom met kleinen Mei verlegen naar uw feest
Om er mijn beetje groen bij al dien bloei te dragen, –
Want boven bloemen, boven 't hooge loover zagen
Mijn oude oogen naar die schemerende dagen,
Waarin het alles – alles anders is geweest.
MEI
droomerig sprekend
Vertel ons vader die herinneringen, –Ik was er bij en wist het eenmaal wel,Maar ik vergat alweer die verre dingen,En 't lijkt zoo lang geleê, – vertel – vertel –!
Vertel ons vader die herinneringen, –Ik was er bij en wist het eenmaal wel,Maar ik vergat alweer die verre dingen,En 't lijkt zoo lang geleê, – vertel – vertel –!
Vertel ons vader die herinneringen, –
Ik was er bij en wist het eenmaal wel,
Maar ik vergat alweer die verre dingen,
En 't lijkt zoo lang geleê, – vertel – vertel –!
DE KINDERS
Vertel –!
Vertel –!
De naastbijzijnden, links en rechts, vlijen zich aan de voeten van den grijsaard, de daaraanvolgenden knielen op een knie, met de hoofdjes en armpjes op elkaars schouders rustend.
DE JONGEREN
Vertel –!
Vertel –!
Vertel –!
Links, – de voorsten knielen als de kinders, de volgenden staan met de armen om elkanders schouders geslagen en het hoofd ter zijde gebogen toe te luisteren, de achtersten vóór den voet van den heuvel, welke zelf buiten het tafreel blijft.
DE GEHUWDEN
Vertel –!
Vertel –!
Vertel –!
Rechts, – met de armen op elkanders schouder geleund en daar overheen gebogen toeluisterend. – De deugden, de Liefde in het midden, terwijl de twee opvolgenden aan haar beide zijden de lichtende schalen als caryatiden op hethoofd houden, scharen zich inmiddels hand in hand in een halven boog op het tweede plan, achter den grijsaard. – De grijsaard zet zich op den takkenbos te midden van den kring, terwijl Mei met zijn stafje rechts, iets ter zijde achter hem blijft staan.
DE GRIJSAARD
voornamelijk tot de kinders sprekend
Er was een tijd, voordat het daagde op de aarde,Voor zich der menschen ziel met 't licht heelal verbond,Dat ieder schepsel door een blinden doolhof waardeEn geen het goede woord – den weg ter zonne vond. –Er was een tijd, waarin geen jonge kinderkorenAls blijde wijde rei van bloemen in het veldOp de aarde ontwaakten, maar die ieder nieuw-geboren,Verwonderd, teeder wicht te midden van 't geweldDier wilde wereld stil een krans van zwarte zorgenOm 't droomig hoofdje leî. – Toen groeiden zij op steen,In steenen kelders als in kuilen weggeborgen,Met steenen boven hen, en steenen om hen heen, –Zoo diep – zoo diep daarin, dat zelfs de zonnestralenMaar vaag iets wisten van die hartjes daar beneê.Geen wind waaide van 't veld en fluisterde verhalenVan de'ijlen hemel – en de vogels – en de zee, – –En, zelf een bleeke vlek, heeft menig nooit gewetenHoe groen de wereld was. – Veel werden maar een knop,Veel werden door het lot vertrapt en stukgereten,Veel vroeg geplukt, – en veel – groeiden ondelgbaar op! –Ik zelf was één van hen –!
Er was een tijd, voordat het daagde op de aarde,Voor zich der menschen ziel met 't licht heelal verbond,Dat ieder schepsel door een blinden doolhof waardeEn geen het goede woord – den weg ter zonne vond. –Er was een tijd, waarin geen jonge kinderkorenAls blijde wijde rei van bloemen in het veldOp de aarde ontwaakten, maar die ieder nieuw-geboren,Verwonderd, teeder wicht te midden van 't geweldDier wilde wereld stil een krans van zwarte zorgenOm 't droomig hoofdje leî. – Toen groeiden zij op steen,In steenen kelders als in kuilen weggeborgen,Met steenen boven hen, en steenen om hen heen, –Zoo diep – zoo diep daarin, dat zelfs de zonnestralenMaar vaag iets wisten van die hartjes daar beneê.Geen wind waaide van 't veld en fluisterde verhalenVan de'ijlen hemel – en de vogels – en de zee, – –En, zelf een bleeke vlek, heeft menig nooit gewetenHoe groen de wereld was. – Veel werden maar een knop,Veel werden door het lot vertrapt en stukgereten,Veel vroeg geplukt, – en veel – groeiden ondelgbaar op! –Ik zelf was één van hen –!
Er was een tijd, voordat het daagde op de aarde,
Voor zich der menschen ziel met 't licht heelal verbond,
Dat ieder schepsel door een blinden doolhof waarde
En geen het goede woord – den weg ter zonne vond. –
Er was een tijd, waarin geen jonge kinderkoren
Als blijde wijde rei van bloemen in het veld
Op de aarde ontwaakten, maar die ieder nieuw-geboren,
Verwonderd, teeder wicht te midden van 't geweld
Dier wilde wereld stil een krans van zwarte zorgen
Om 't droomig hoofdje leî. – Toen groeiden zij op steen,
In steenen kelders als in kuilen weggeborgen,
Met steenen boven hen, en steenen om hen heen, –
Zoo diep – zoo diep daarin, dat zelfs de zonnestralen
Maar vaag iets wisten van die hartjes daar beneê.
Geen wind waaide van 't veld en fluisterde verhalen
Van de'ijlen hemel – en de vogels – en de zee, – –
En, zelf een bleeke vlek, heeft menig nooit geweten
Hoe groen de wereld was. – Veel werden maar een knop,
Veel werden door het lot vertrapt en stukgereten,
Veel vroeg geplukt, – en veel – groeiden ondelgbaar op! –
Ik zelf was één van hen –!
DE KINDERS
Zoo'n kleine bloem in donker –?
Zoo'n kleine bloem in donker –?
Zoo'n kleine bloem in donker –?
DE GRIJSAARD
voornamelijk tot de jongeren sprekend
Donker –?– ja donker wel, waar zelfs de warme glansDer blijde liefde maar een weifelend geflonkerIn 't arme leven was, – een bang-gewachte kansIn 't blindelingsche spel – een hoop – een heete wonde –!Hoe beefde liefde als de laatste dunne snaarVan een gedoofd akkoord, – hoe leefde zij als zonde:Een worstelende greep –! en nooit dat wijd gebaarVan wie een wereld aan zijn warme hart wou drukken! –Ach 't leven was een woud, een schemer zonder dag.Een duisternis van strijd en eeuwig onderdrukken,Waar slechts de sterke wies, – tot hij de sterren zag.En toch: – hoeveel dat klom, dat bloeide in 't verborgen,Dat ál maar schoonheid beurde uit die verdoemde laagt' –Dat bouwde in den nacht en wachtte op den morgen – –Totdat de roode dag voor allen heeft gedaagd –!–Zij bloeiden boven mij –!
Donker –?– ja donker wel, waar zelfs de warme glansDer blijde liefde maar een weifelend geflonkerIn 't arme leven was, – een bang-gewachte kansIn 't blindelingsche spel – een hoop – een heete wonde –!Hoe beefde liefde als de laatste dunne snaarVan een gedoofd akkoord, – hoe leefde zij als zonde:Een worstelende greep –! en nooit dat wijd gebaarVan wie een wereld aan zijn warme hart wou drukken! –Ach 't leven was een woud, een schemer zonder dag.Een duisternis van strijd en eeuwig onderdrukken,Waar slechts de sterke wies, – tot hij de sterren zag.En toch: – hoeveel dat klom, dat bloeide in 't verborgen,Dat ál maar schoonheid beurde uit die verdoemde laagt' –Dat bouwde in den nacht en wachtte op den morgen – –Totdat de roode dag voor allen heeft gedaagd –!–Zij bloeiden boven mij –!
Donker –?– ja donker wel, waar zelfs de warme glans
Der blijde liefde maar een weifelend geflonker
In 't arme leven was, – een bang-gewachte kans
In 't blindelingsche spel – een hoop – een heete wonde –!
Hoe beefde liefde als de laatste dunne snaar
Van een gedoofd akkoord, – hoe leefde zij als zonde:
Een worstelende greep –! en nooit dat wijd gebaar
Van wie een wereld aan zijn warme hart wou drukken! –
Ach 't leven was een woud, een schemer zonder dag.
Een duisternis van strijd en eeuwig onderdrukken,
Waar slechts de sterke wies, – tot hij de sterren zag.
En toch: – hoeveel dat klom, dat bloeide in 't verborgen,
Dat ál maar schoonheid beurde uit die verdoemde laagt' –
Dat bouwde in den nacht en wachtte op den morgen – –
Totdat de roode dag voor allen heeft gedaagd –!–
Zij bloeiden boven mij –!
DE JONGEREN
Zoo vele liefdeloozen –?
Zoo vele liefdeloozen –?
Zoo vele liefdeloozen –?
DE GRIJSAARD
voornamelijk tot de gehuwden sprekend
O – liefde tóch! – welk hart, dat haar nimmer beleed?Ook zij droegen haar toom – doch zelden met de rozen,Die vroeg ontbladerde' op den bodem van hun leed.En als de lente ging – wat doornen die hen wachttenAan 't zwart-getrapte pad: – de mannen, gauw berooidVan allen bloei, – de vrouwen, ledig van gedachten –Zelfs door geen vaal verdriet met tranen meer getooid.O – liefde tóch! – hoe heeft zij hen door 't leed gedragen,Wier hart het lichtend beeld van 'n leven in zich droeg,Dat ze als een witte ster boven den einder zagen, – –Totdat hun staf 't licht uit de donk're bergen sloeg,En door de grauwe weerld 'n zondvloed van liefde welde,Waarin de oude aarde eind'lijk ging bestaan –!O – liefde was wel de bezieling van die helden,Die voor ons vochten, – die hebben gedáán – gedáán –!–Ik was nog maar een bloem –!
O – liefde tóch! – welk hart, dat haar nimmer beleed?Ook zij droegen haar toom – doch zelden met de rozen,Die vroeg ontbladerde' op den bodem van hun leed.En als de lente ging – wat doornen die hen wachttenAan 't zwart-getrapte pad: – de mannen, gauw berooidVan allen bloei, – de vrouwen, ledig van gedachten –Zelfs door geen vaal verdriet met tranen meer getooid.O – liefde tóch! – hoe heeft zij hen door 't leed gedragen,Wier hart het lichtend beeld van 'n leven in zich droeg,Dat ze als een witte ster boven den einder zagen, – –Totdat hun staf 't licht uit de donk're bergen sloeg,En door de grauwe weerld 'n zondvloed van liefde welde,Waarin de oude aarde eind'lijk ging bestaan –!O – liefde was wel de bezieling van die helden,Die voor ons vochten, – die hebben gedáán – gedáán –!–Ik was nog maar een bloem –!
O – liefde tóch! – welk hart, dat haar nimmer beleed?
Ook zij droegen haar toom – doch zelden met de rozen,
Die vroeg ontbladerde' op den bodem van hun leed.
En als de lente ging – wat doornen die hen wachtten
Aan 't zwart-getrapte pad: – de mannen, gauw berooid
Van allen bloei, – de vrouwen, ledig van gedachten –
Zelfs door geen vaal verdriet met tranen meer getooid.
O – liefde tóch! – hoe heeft zij hen door 't leed gedragen,
Wier hart het lichtend beeld van 'n leven in zich droeg,
Dat ze als een witte ster boven den einder zagen, – –
Totdat hun staf 't licht uit de donk're bergen sloeg,
En door de grauwe weerld 'n zondvloed van liefde welde,
Waarin de oude aarde eind'lijk ging bestaan –!
O – liefde was wel de bezieling van die helden,
Die voor ons vochten, – die hebben gedáán – gedáán –!–
Ik was nog maar een bloem –!
DE GEHUWDEN
En weet gij nog die jaren –?
En weet gij nog die jaren –?
En weet gij nog die jaren –?
Het tooneel wordt langzaam iets donkerder, zoodat vooral de schalen schijnen te lichten.
DE GRIJSAARD
voor zich heen starend
Ik weet nog vaag hoe men toen samenkwam en zong, –Ik zie nog vaag die donk're – lange – lange scharenMet kleinen Mei voorop – – doch Mei is eeuwig jong; – –Maar, als het zomert, meen 'k die stemmen soms te hooren,Is 't of mijn oog op eens die verre wereld ziet, – –Dan groeit dat groot visioen – dan ruischt weer in mijn oorenDe zachte echo van een lang-vergeten lied – – –
Ik weet nog vaag hoe men toen samenkwam en zong, –Ik zie nog vaag die donk're – lange – lange scharenMet kleinen Mei voorop – – doch Mei is eeuwig jong; – –Maar, als het zomert, meen 'k die stemmen soms te hooren,Is 't of mijn oog op eens die verre wereld ziet, – –Dan groeit dat groot visioen – dan ruischt weer in mijn oorenDe zachte echo van een lang-vergeten lied – – –
Ik weet nog vaag hoe men toen samenkwam en zong, –
Ik zie nog vaag die donk're – lange – lange scharen
Met kleinen Mei voorop – – doch Mei is eeuwig jong; – –
Maar, als het zomert, meen 'k die stemmen soms te hooren,
Is 't of mijn oog op eens die verre wereld ziet, – –
Dan groeit dat groot visioen – dan ruischt weer in mijn ooren
De zachte echo van een lang-vergeten lied – – –
Bij de laatste woorden klinkt gedempt van verre de muziek van een bekenden revolutionnairen zang, – allen luisteren met den grijsaard mede. – Met het einde van de eerste strophe ziet de grijsaard op naar den man en de vrouw, die bij het laatste gedeelte van zijn verhaal allengs uit hun luisterende houding zijn teruggezonken op den heuvel en onder de eerste tonen der muziek zijn ingesluimerd, in juist dezelfde houding als bij den aanvang, – allen zien mede op naar het slapende paar. – Dan legt de grijsaard den vinger op de lippen, rijst op en schrijdt langzaam heen, met den groenen staf in zijn rechterhand enaan zijn linker de kleinste van de kinders, waarachter de anderen volgen en met de zachter klinkende muziek de aftocht begint: – Velen der kinders en der jongeren werpen het sluimerend paar kushandjes toe, anderen houden een vinger op de lippen, of wijzen nog omziende elkander naar het paar, allen gaan zachtjes, als op de teenen, voorbij; de stoet gaat links vóór den heuvel om en wendt zich dan naar het rechter-achterplan, waar hij in 't gewas verdwijnt. – De deugden zijn voor het begin van den aftocht geheel op het achterplan teruggetreden en blijven daar geschaard in denzelfden caryatidenstand. – Op het voorplan blijft Mei alleen over: hij werpt bij de laatste tonen van het al verderaf klinkende lied den beiden slapenden een kushand toe, zwaait met zijn stafje in het rond en slaat op den heuvel – waarbij plots het volle licht terugkeert, hij zelf op de plaats, vanwaar hij verscheen, weer in den heuvel verdwijnt, en de man en de vrouw ontwaken te midden der lichte stilte. – Zij zien naar den bloeienden meidoorntak, die nog op hun schoot in hunne handen ligt, dan omhoog tot den bloeienden struik naar hen heen gebogen; verwonderd kijken zij rond, wrijven zich de oogen uit en zien elkander aan; dan rijzen zij op, geven elkaar glimlachend de hand en dalen, de man thans links, de vrouw rechts, ieder met een loot van den tak, den heuvel af naar het voorste plan, waar de beide zijgordijnen langzaam achter hen dichtschuiven.
ACHTSTE TOONEELEPILOOGEenige stappen van elkaar af staande, ten halve tot elkander gewend, zien de man en de vrouw eerst nog mijmerend voor zich uit.DE MAN't Is of de droom van blonde weelde,Die straalde uit de lentelucht,Op eens, met al zijn blijde beelden,Den hemel weer is ingevlucht.DE VROUWAch, laat ons aan het droomen blijven –!Hoe zoet om naar dat droomenlandVan 't wilde leven weg te drijven,Als bloemen aan den waterkant.DE MANtot haar tredend en zijn linkerhand op haar rechterschouder leggendNeen! – schooner is 't waarachtig leven,Schooner dan droomen is de strijd!En meer dan droomen kunnen gevenGeeft ons de groote werklijkheid.DE VROUWhaar rechterhand op zijn linkerschouder leggendDan zal de droom ons leven sterken.Waar wij te zamen, hand in hand,Aan eene nieuwe wereld werkenEn vechten voor 't beloofde land.Zij laten elkander nu los en komen naast elkaar vlak voor het voetlicht, vanwaar zij zich tot de toeschouwers wenden.DE MANZij onze droom voor uwen geestDe schoonheid, die ge in 't leven leest –!Bij de laatste woorden werpt hij een handvol bloesems van den meidoorn over de toeschouwers.DE VROUWOns spel is maar een droom geweest –Ontwaakt gij tot een waarlijk feest –!Bij de laatste woorden werpt zij eveneens een handvol bloesems.Zij strooien daarna de overige bloesems naar de toeschouwers, leggen dan den vinger op de lippen, nemen elk een slip van de dichte gordijnen en halen deze langzaam, op de teenen loopend, naar weerszijden open; met de eene hand het gordijn ophoudend, wijzen zij met de andere daarna de toeschouwers met uitgestrekten vinger op het tafreel daarbinnen: – Allen zijn, als een nog sluimerend toekomstbeeld, op hunne beurt in slaap gezonken; in het midden, tegen den takkenbos geleund, zit Mei, met het hoofd ter zijde op den linkerarm gebogen en in de rechterhand nog het schuin-gevallen stafje ophoudend, terwijl de grijsaard languit, met het witte, groenomloofde hoofd dwars in Mei's schoot rustend en den gezonken groenen staf nog naast zich in de hand, schijnt te sluimeren; aan beide zijden liggen de kinders, de jongeren en de gehuwden, allen neergevlijd en in slapende houdingen; achter Mei en den grijsaard liggen de deugden geknield op eene knie, met de lichtende schalen omhooggeheven, (de Liefde in het midden houdt in iedere hand met de naastknielenden een schaal op, deze houden met den anderen arm de beide naast hen geknielden wederzijds bij de schouders omstrengeld, welke met de beide uitersten wederom een schaal omhooghouden). –De man en de vrouw schuiven de gordijnen weder dicht, en treden bij het sluiten nu tevens zelf daarbinnen.
Eenige stappen van elkaar af staande, ten halve tot elkander gewend, zien de man en de vrouw eerst nog mijmerend voor zich uit.
DE MAN
't Is of de droom van blonde weelde,Die straalde uit de lentelucht,Op eens, met al zijn blijde beelden,Den hemel weer is ingevlucht.
't Is of de droom van blonde weelde,Die straalde uit de lentelucht,Op eens, met al zijn blijde beelden,Den hemel weer is ingevlucht.
't Is of de droom van blonde weelde,
Die straalde uit de lentelucht,
Op eens, met al zijn blijde beelden,
Den hemel weer is ingevlucht.
DE VROUW
Ach, laat ons aan het droomen blijven –!Hoe zoet om naar dat droomenlandVan 't wilde leven weg te drijven,Als bloemen aan den waterkant.
Ach, laat ons aan het droomen blijven –!Hoe zoet om naar dat droomenlandVan 't wilde leven weg te drijven,Als bloemen aan den waterkant.
Ach, laat ons aan het droomen blijven –!
Hoe zoet om naar dat droomenland
Van 't wilde leven weg te drijven,
Als bloemen aan den waterkant.
DE MAN
tot haar tredend en zijn linkerhand op haar rechterschouder leggend
Neen! – schooner is 't waarachtig leven,Schooner dan droomen is de strijd!En meer dan droomen kunnen gevenGeeft ons de groote werklijkheid.
Neen! – schooner is 't waarachtig leven,Schooner dan droomen is de strijd!En meer dan droomen kunnen gevenGeeft ons de groote werklijkheid.
Neen! – schooner is 't waarachtig leven,
Schooner dan droomen is de strijd!
En meer dan droomen kunnen geven
Geeft ons de groote werklijkheid.
DE VROUW
haar rechterhand op zijn linkerschouder leggend
Dan zal de droom ons leven sterken.Waar wij te zamen, hand in hand,Aan eene nieuwe wereld werkenEn vechten voor 't beloofde land.
Dan zal de droom ons leven sterken.Waar wij te zamen, hand in hand,Aan eene nieuwe wereld werkenEn vechten voor 't beloofde land.
Dan zal de droom ons leven sterken.
Waar wij te zamen, hand in hand,
Aan eene nieuwe wereld werken
En vechten voor 't beloofde land.
Zij laten elkander nu los en komen naast elkaar vlak voor het voetlicht, vanwaar zij zich tot de toeschouwers wenden.
DE MAN
Zij onze droom voor uwen geestDe schoonheid, die ge in 't leven leest –!
Zij onze droom voor uwen geestDe schoonheid, die ge in 't leven leest –!
Zij onze droom voor uwen geest
De schoonheid, die ge in 't leven leest –!
Bij de laatste woorden werpt hij een handvol bloesems van den meidoorn over de toeschouwers.
DE VROUW
Ons spel is maar een droom geweest –Ontwaakt gij tot een waarlijk feest –!
Ons spel is maar een droom geweest –Ontwaakt gij tot een waarlijk feest –!
Ons spel is maar een droom geweest –
Ontwaakt gij tot een waarlijk feest –!
Bij de laatste woorden werpt zij eveneens een handvol bloesems.Zij strooien daarna de overige bloesems naar de toeschouwers, leggen dan den vinger op de lippen, nemen elk een slip van de dichte gordijnen en halen deze langzaam, op de teenen loopend, naar weerszijden open; met de eene hand het gordijn ophoudend, wijzen zij met de andere daarna de toeschouwers met uitgestrekten vinger op het tafreel daarbinnen: – Allen zijn, als een nog sluimerend toekomstbeeld, op hunne beurt in slaap gezonken; in het midden, tegen den takkenbos geleund, zit Mei, met het hoofd ter zijde op den linkerarm gebogen en in de rechterhand nog het schuin-gevallen stafje ophoudend, terwijl de grijsaard languit, met het witte, groenomloofde hoofd dwars in Mei's schoot rustend en den gezonken groenen staf nog naast zich in de hand, schijnt te sluimeren; aan beide zijden liggen de kinders, de jongeren en de gehuwden, allen neergevlijd en in slapende houdingen; achter Mei en den grijsaard liggen de deugden geknield op eene knie, met de lichtende schalen omhooggeheven, (de Liefde in het midden houdt in iedere hand met de naastknielenden een schaal op, deze houden met den anderen arm de beide naast hen geknielden wederzijds bij de schouders omstrengeld, welke met de beide uitersten wederom een schaal omhooghouden). –
De man en de vrouw schuiven de gordijnen weder dicht, en treden bij het sluiten nu tevens zelf daarbinnen.
DIT BOEKJE IS GEZET UIT DE HOLLANDSCHE MEDIÆVAL DER LETTERGIETERIJ „AMSTERDAM”, ONTWORPEN DOOR S. H. DE ROOS
VAN C. S.ADAMA VAN SCHELTEMAIS VERSCHENEN
BELLETTRIE. VERZEN. KUNST.REISBESCHRIJVING.LIEDJES WIJZEN EN PRENTJES.WERKTUIGKUNDE.WETENSCH. ONDERWERPEN.WIJSBEGEERTE.KINDERBOEKEN.OPVOEDING, ONDERWIJS ENZ.
Mr. AntonioNIEUWE SCHETSEN UIT DE TWEEDE KAMER ONDER HET MINISTERIE-KUYPER. Met 60 karikaturen van Dirk Nijland. Prijs gecart. f 2,25.
Mr. Antonio
NIEUWE SCHETSEN UIT DE TWEEDE KAMER ONDER HET MINISTERIE-KUYPER. Met 60 karikaturen van Dirk Nijland. Prijs gecart. f 2,25.
Piet van AsscheMARCUS EN THEUS. Met omslag- en bandversiering van D. Nyland. Prijs ing. f 2,90, gebonden f 3,50.
Piet van Assche
MARCUS EN THEUS. Met omslag- en bandversiering van D. Nyland. Prijs ing. f 2,90, gebonden f 3,50.
M. J. BrusseHET ROSSE LEVEN EN STERVEN VAN DE ZANDSTRAAT. (De Rotterdamsche „Polder” gesloopt.) Met tal van historische afbeeldingen naar teekeningen en fotografieën uit deze internationaal vermaarde nachtbuurt, haar bevolking, en wat de sloopers er van hebben gemaakt. Prijs f 0,90 gebonden f 1,25.
M. J. Brusse
HET ROSSE LEVEN EN STERVEN VAN DE ZANDSTRAAT. (De Rotterdamsche „Polder” gesloopt.) Met tal van historische afbeeldingen naar teekeningen en fotografieën uit deze internationaal vermaarde nachtbuurt, haar bevolking, en wat de sloopers er van hebben gemaakt. Prijs f 0,90 gebonden f 1,25.
M. J. BrusseBOEFJE. Naar het leven verteld, 11e en 12e druk, met een naschrift: „Zeven jaar later”. Goedkoope uitgaaf. Prijs f 0,90, geb. f 1,25.
M. J. Brusse
BOEFJE. Naar het leven verteld, 11e en 12e druk, met een naschrift: „Zeven jaar later”. Goedkoope uitgaaf. Prijs f 0,90, geb. f 1,25.
M. J. BrusseBOEFJE. Naar het leven verteld door M. J. Brusse (10edruk). Op veertien steenen in prent gebracht en verlucht met bladversieringen en beginletters door Dirk Nijland. Met een voorrede door Johan de Meester. Gebonden in perkamenten band met gouden stempels. (33 × 27-˝ cM., XX + 166 + 14 × 4 bladzijden. 14 prenten op Japansch papier buiten den tekst). No. 1-100 épreuves d'artiste, gewaarmerkt door den schrijver en den teekenaar met hunne handteekeningen. Prijs f 47,50. No. 101-300 gebonden in linnen f 25,-.Portrait:M. J. Brusse.
M. J. Brusse
BOEFJE. Naar het leven verteld door M. J. Brusse (10edruk). Op veertien steenen in prent gebracht en verlucht met bladversieringen en beginletters door Dirk Nijland. Met een voorrede door Johan de Meester. Gebonden in perkamenten band met gouden stempels. (33 × 27-˝ cM., XX + 166 + 14 × 4 bladzijden. 14 prenten op Japansch papier buiten den tekst). No. 1-100 épreuves d'artiste, gewaarmerkt door den schrijver en den teekenaar met hunne handteekeningen. Prijs f 47,50. No. 101-300 gebonden in linnen f 25,-.
Portrait:M. J. Brusse.
M. J. BrusseHET NACHTLICHT VAN DE ZEE. 3e 1000-tal. Met een penteekening van Jozef Israëls en een omslagteekening van J. B. Heukelom. Prijs f 0,90, geb. f 1,25.
M. J. Brusse
HET NACHTLICHT VAN DE ZEE. 3e 1000-tal. Met een penteekening van Jozef Israëls en een omslagteekening van J. B. Heukelom. Prijs f 0,90, geb. f 1,25.
M. J. BrusseLANDLOOPERIJ. 1e druk. Met een kopergravure van Prof. P. Dupont. Een krijtschets van zijn hand is op het omslag gereproduceerd. Nog enkele exemplaren. Prijs geb. f 2,90.
M. J. Brusse
LANDLOOPERIJ. 1e druk. Met een kopergravure van Prof. P. Dupont. Een krijtschets van zijn hand is op het omslag gereproduceerd. Nog enkele exemplaren. Prijs geb. f 2,90.
M. J. BrusseLANDLOOPERIJ. Zwerftocht van een dagbladschrijver onder stroopers en schooiers. 4e druk. 5e 1000-tal. Goedkoope uitgaaf. Prijs f 0,90, geb. f 1,25.
M. J. Brusse
LANDLOOPERIJ. Zwerftocht van een dagbladschrijver onder stroopers en schooiers. 4e druk. 5e 1000-tal. Goedkoope uitgaaf. Prijs f 0,90, geb. f 1,25.
M. J. BrusseSLAVERNIJ VOOR MOOIE KLEEREN. Uit het leven van de „lijders aan confectie”. Omslagteekening van Johan Briedé. 2e druk. Prijs f 0,10.
M. J. Brusse
SLAVERNIJ VOOR MOOIE KLEEREN. Uit het leven van de „lijders aan confectie”. Omslagteekening van Johan Briedé. 2e druk. Prijs f 0,10.
H. C. BuurmanBOHEMIEN-WONING. Een roman uit het pension-leven. Prijs f 2,50, geb. f 3,25.
H. C. Buurman
BOHEMIEN-WONING. Een roman uit het pension-leven. Prijs f 2,50, geb. f 3,25.
Frans CoenenBURGERMENSCHEN. Prijs f 2,90, gebonden f 3,50.
Frans Coenen
BURGERMENSCHEN. Prijs f 2,90, gebonden f 3,50.
Henri DekkingDE GLAZEN GRAAF. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.
Henri Dekking
DE GLAZEN GRAAF. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.
Henri DekkingOP DWAALWEGEN. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.
Henri Dekking
OP DWAALWEGEN. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.
Henri DekkingGETROFFENEN. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.
Henri Dekking
GETROFFENEN. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.
Henri DekkingWINTERKONINKJE. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.
Henri Dekking
WINTERKONINKJE. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.
R. van Genderen StortIDEALEN EN IRONIEËN. Prijs f 2,90, geb. f 3,50.
R. van Genderen Stort
IDEALEN EN IRONIEËN. Prijs f 2,90, geb. f 3,50.
Maxim GorkiSLAAPSTEE. (Nachtasyl). Uit de onderste lagen der samenleving. Tooneelspel in 4 bedrijven, vertaald door Henri Hartog. 2e druk. Prijs f 1,25, geb. f 1,65.
Maxim Gorki
SLAAPSTEE. (Nachtasyl). Uit de onderste lagen der samenleving. Tooneelspel in 4 bedrijven, vertaald door Henri Hartog. 2e druk. Prijs f 1,25, geb. f 1,65.
L. HammeWOLVEN IN MENSCHENGEDAANTE. Roman uit het Woekeraarsleven, met een voorrede van Mr. Joh. J. Belinfante, Voorz. v. d. Nationale Ver. tot bestrijding van den Woeker. 400 blz. Prijs f 1,90, geb. f 2,50.
L. Hamme
WOLVEN IN MENSCHENGEDAANTE. Roman uit het Woekeraarsleven, met een voorrede van Mr. Joh. J. Belinfante, Voorz. v. d. Nationale Ver. tot bestrijding van den Woeker. 400 blz. Prijs f 1,90, geb. f 2,50.
Henri HartogEEN EIGENWIJS SCHRIJFSTER. (Anna de Savornin Lohman). Prijs f 0,25.
Henri Hartog
EEN EIGENWIJS SCHRIJFSTER. (Anna de Savornin Lohman). Prijs f 0,25.
Henri HartogSJOFELEN. Verzameling van de nagelaten werken van den schrijver met zijn portret. Voorrede van Lodewijk van Deyssel. Omslag- en bandversiering van Dirk Nijland. Prijs f 2,90, geb. f 3,50.
Henri Hartog
SJOFELEN. Verzameling van de nagelaten werken van den schrijver met zijn portret. Voorrede van Lodewijk van Deyssel. Omslag- en bandversiering van Dirk Nijland. Prijs f 2,90, geb. f 3,50.
Krede Ben HeikACHMED, GEZEGD DE DORST NAAR HET SCHOONE. Het boek ontluiking. Oorspronkelijke roman, 2e goedkoope druk met portret van den schrijver. Prijs f 1,50, in linnen stempelband f 1,90.
Krede Ben Heik
ACHMED, GEZEGD DE DORST NAAR HET SCHOONE. Het boek ontluiking. Oorspronkelijke roman, 2e goedkoope druk met portret van den schrijver. Prijs f 1,50, in linnen stempelband f 1,90.
Frits LeonhardVROOLIJKE MAKKERS. Oorspronkelijke roman. Prijs f 2,40, geb. f 2,90.
Frits Leonhard
VROOLIJKE MAKKERS. Oorspronkelijke roman. Prijs f 2,40, geb. f 2,90.
Frits LeonhardAAN LAGER WAL. Oorspronkelijke roman. Omslagteekening van J. J. Aarts. Prijs f 2,40, gebonden f 2,90.
Frits Leonhard
AAN LAGER WAL. Oorspronkelijke roman. Omslagteekening van J. J. Aarts. Prijs f 2,40, gebonden f 2,90.
Frits LeonhardHET KNECHTJE. Oorspronkelijke roman. Omslag- en bandversiering van D. Nijland. Prijs f 2,90, geb. f 3,50.
Frits Leonhard
HET KNECHTJE. Oorspronkelijke roman. Omslag- en bandversiering van D. Nijland. Prijs f 2,90, geb. f 3,50.
Frits LeonhardKLEINE BANDELOOZEN. Omslag- en bandteekening van D. Nijland. Prijs f 1,50, geb. f 1,90.
Frits Leonhard
KLEINE BANDELOOZEN. Omslag- en bandteekening van D. Nijland. Prijs f 1,50, geb. f 1,90.
Frits LeonhardEMIGRANTEN. Tooneelspel in 3 bedrijven. Prijs f 1,25, geb. f 1,60.
Frits Leonhard
EMIGRANTEN. Tooneelspel in 3 bedrijven. Prijs f 1,25, geb. f 1,60.
Virginie LovelingERFELIJK BELAST. Oorspronkelijke roman. Met portret. Prijs f 2,90, geb. f 3,50.
Virginie Loveling
ERFELIJK BELAST. Oorspronkelijke roman. Met portret. Prijs f 2,90, geb. f 3,50.
Virginie LovelingDE TWISTAPPEL. Oorspronkelijke roman. Prijs f 2,40, geb. f 2,90.
Virginie Loveling
DE TWISTAPPEL. Oorspronkelijke roman. Prijs f 2,40, geb. f 2,90.
Ernst LundquistTALMI. Roman uit het leven te Stockholm. Geautoriseerde vertaling van F. Lahr Jr. Prijs f 2,10, geb. f 2,50.
Ernst Lundquist
TALMI. Roman uit het leven te Stockholm. Geautoriseerde vertaling van F. Lahr Jr. Prijs f 2,10, geb. f 2,50.
Hans MartinDANSERESJE. Oorspronkelijke roman. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.
Hans Martin
DANSERESJE. Oorspronkelijke roman. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.
Hans MartinONDER JONGENS EN MEISJES. Prijs f 2,50, geb. in stempelband f 3,25.
Hans Martin
ONDER JONGENS EN MEISJES. Prijs f 2,50, geb. in stempelband f 3,25.
J. B. MeerkerkADELBERT VAN HOORNE. Oorspronkelijke roman naar het handschrift van wijlen zijn vriend P. R. Aufetos. schrijver van „Ananda”. Prijs ingenaaid f 3,25, in linnen stempelband f 3,90.Portrait:A. Moresco.Portret doorJ. J. Aartsvoor Journalistieke Manoeuvres met den Zedenspiegel.
J. B. Meerkerk
ADELBERT VAN HOORNE. Oorspronkelijke roman naar het handschrift van wijlen zijn vriend P. R. Aufetos. schrijver van „Ananda”. Prijs ingenaaid f 3,25, in linnen stempelband f 3,90.
Portrait:
A. Moresco.
Portret doorJ. J. Aartsvoor Journalistieke Manoeuvres met den Zedenspiegel.
Pieter van der MeerLEVENS VAN LEED. Met omslag- en bandversiering van D. Nijland. Prijs f 2,50, geb. f 3,25.
Pieter van der Meer
LEVENS VAN LEED. Met omslag- en bandversiering van D. Nijland. Prijs f 2,50, geb. f 3,25.
Johan de MeesterDE MENSCHENLIEFDE IN DE WERKEN VAN ZOLA. Met portret door Steinlen. Prijs f 0,50.
Johan de Meester
DE MENSCHENLIEFDE IN DE WERKEN VAN ZOLA. Met portret door Steinlen. Prijs f 0,50.
Victor de MeyereLANGS DEN STROOM. Prijs f 2,50.
Victor de Meyere
LANGS DEN STROOM. Prijs f 2,50.
A. MorescoJOURNALISTIEKE MANOEUVRES MET DEN ZEDENSPIEGEL. Boekversiering van Prof. J. J. Aarts. Prijs f 1,50, geb. f 1,90.
A. Moresco
JOURNALISTIEKE MANOEUVRES MET DEN ZEDENSPIEGEL. Boekversiering van Prof. J. J. Aarts. Prijs f 1,50, geb. f 1,90.
Marie SchmitzUIT UREN VAN VERLANGEN. Oorspronkelijke roman. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.
Marie Schmitz
UIT UREN VAN VERLANGEN. Oorspronkelijke roman. Prijs f 3,25, geb. f 3,90.
J. C. van Wijck Czn.WERELDLENTE. Roman van hedendaagsche Christelijke Moraal. 280 blz. Prijs f 1,90, geb. f 2,50.
J. C. van Wijck Czn.
WERELDLENTE. Roman van hedendaagsche Christelijke Moraal. 280 blz. Prijs f 1,90, geb. f 2,50.
Bernard CanterNo. 1. TWEE WEKEN BEDELAAR. 4e druk met 2 portretten. 152 blz. f 0,35, geb. f 0,55.
Bernard Canter
No. 1. TWEE WEKEN BEDELAAR. 4e druk met 2 portretten. 152 blz. f 0,35, geb. f 0,55.
Frans CoenenNo. 2. DE ZOMERGENOEGENS VAN DE FAMILIE KRAMP. 100 blz. Geb. f 0,45.
Frans Coenen
No. 2. DE ZOMERGENOEGENS VAN DE FAMILIE KRAMP. 100 blz. Geb. f 0,45.
M. J. BrusseNo. 3. IN DE NACHTBUURT. 3e druk. 118 bladz. f 0,35, geb. f 0,55.
M. J. Brusse
No. 3. IN DE NACHTBUURT. 3e druk. 118 bladz. f 0,35, geb. f 0,55.
Henri HartogNo. 4. IN D'R NIEUWE WONING. Realistische novelle. Met 1 portret. 128 blz. Ingenaaid uitverkocht. Geb. f 0,50.
Henri Hartog
No. 4. IN D'R NIEUWE WONING. Realistische novelle. Met 1 portret. 128 blz. Ingenaaid uitverkocht. Geb. f 0,50.
Hélène Lapidoth-SwarthNo. 5. LOUISE. Een novelle. 88 bladz. Ingenaaid uitverkocht. Geb. f 0,45.
Hélène Lapidoth-Swarth
No. 5. LOUISE. Een novelle. 88 bladz. Ingenaaid uitverkocht. Geb. f 0,45.
Richard de CneudtNo. 6. DE PRIMUS. Humoristische novelle. 96 bladz. Prijs f 0,25, geb. f 0,45.
Richard de Cneudt
No. 6. DE PRIMUS. Humoristische novelle. 96 bladz. Prijs f 0,25, geb. f 0,45.
Frits LeonhardNo. 7. ZWERVELINGEN. 100 bladz. Prijs f 0,25, geb. f 0,45.
Frits Leonhard
No. 7. ZWERVELINGEN. 100 bladz. Prijs f 0,25, geb. f 0,45.
Lute KlaverNo. 8. DE VRACHTRIJDER VAN WARMELO. 152 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Lute Klaver
No. 8. DE VRACHTRIJDER VAN WARMELO. 152 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
J. H. SpeenhoffNo. 9. AVONTUURTJES. 2e druk, 88 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
J. H. Speenhoff
No. 9. AVONTUURTJES. 2e druk, 88 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Richard de CneudtNo. 10. DE SECRETARIS DER DEKENIJ. 160 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Richard de Cneudt
No. 10. DE SECRETARIS DER DEKENIJ. 160 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Mr. M. G. L. van LoghemNo. 11. PROEFKONIJNTJES. 128 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Mr. M. G. L. van Loghem
No. 11. PROEFKONIJNTJES. 128 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
M. J. BrusseNo. 12. ACHTER DE COULISSEN. 140 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
M. J. Brusse
No. 12. ACHTER DE COULISSEN. 140 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
J. H. SpeenhoffNo. 13. FILIPHINA'S WONDERLIEFDE. Met 30 teekeningen van den schrijver. 96 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
J. H. Speenhoff
No. 13. FILIPHINA'S WONDERLIEFDE. Met 30 teekeningen van den schrijver. 96 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Ina Boudier BakkerNo. 14. EEN DORRE PLANT. 118 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Ina Boudier Bakker
No. 14. EEN DORRE PLANT. 118 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Jan FeithNo. 15. TER ZONNE. Een sprookje van vruchtloos vliegen. 100 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Jan Feith
No. 15. TER ZONNE. Een sprookje van vruchtloos vliegen. 100 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Anna van Gogh-KaulbachNo. 16. LIEFDESSPROKE. 118 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Anna van Gogh-Kaulbach
No. 16. LIEFDESSPROKE. 118 bladz. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
K. T. Nieulant (Dr. J. A. N. Knuttel)No. 17/18. LIEFDES KRONKELPADEN. De roman van een jongen. Tweede goedkoope druk. 234 bladz. Prijs f 0,60, geb. f 0,90.
K. T. Nieulant (Dr. J. A. N. Knuttel)
No. 17/18. LIEFDES KRONKELPADEN. De roman van een jongen. Tweede goedkoope druk. 234 bladz. Prijs f 0,60, geb. f 0,90.
Henriëtte BeerstecherNo. 19. SCHULDIG. Een roman. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Henriëtte Beerstecher
No. 19. SCHULDIG. Een roman. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Daan van der ZeeNo. 20. OFFERS. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Daan van der Zee
No. 20. OFFERS. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Johan HuizingNo. 21. LIEFDES' WRAAK. Een roman. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Johan Huizing
No. 21. LIEFDES' WRAAK. Een roman. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
M. J. BrusseNo. 22. SNOK EN SAM. Twee oude bajesklanten. Het ware levensverhaal van twee recidivisten. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
M. J. Brusse
No. 22. SNOK EN SAM. Twee oude bajesklanten. Het ware levensverhaal van twee recidivisten. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Hélène SwarthNo. 23. SCHIMMETJE. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Hélène Swarth
No. 23. SCHIMMETJE. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Louis CarbinNo. 24. DE GRUWZAME GROT. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
Louis Carbin
No. 24. DE GRUWZAME GROT. Prijs f 0,35, geb. f 0,55.
DE HAVEN VAN ROTTERDAM. Een beknopte geïllustreerde beschrijving der Havenwerken. In het Nederlandsch, Fransch, Duitsch, Engelsch en Spaansch uitgegeven door de Gemeente Rotterdam. (Niet in den handel).
DE HAVEN VAN ROTTERDAM. Een beknopte geïllustreerde beschrijving der Havenwerken. In het Nederlandsch, Fransch, Duitsch, Engelsch en Spaansch uitgegeven door de Gemeente Rotterdam. (Niet in den handel).
H. H. van KolIN DE KUSTLANDEN VAN NOORD-AFRIKA. („Het Maghreb”.) Met 32 illustraties naar fotografiën en een kaartje. Prijs f 4,90, fraai geb. f 6,–.
H. H. van Kol
IN DE KUSTLANDEN VAN NOORD-AFRIKA. („Het Maghreb”.) Met 32 illustraties naar fotografiën en een kaartje. Prijs f 4,90, fraai geb. f 6,–.
G. van LissaNo. 1. BRUSSE'S REISGIDSEN. TWEE WEKEN TE BERLIJN. Geïllustreerde Gids voor Berlijn met een kaart en een spoorwegkaartje. Prijs f 0,50.
G. van Lissa
No. 1. BRUSSE'S REISGIDSEN. TWEE WEKEN TE BERLIJN. Geïllustreerde Gids voor Berlijn met een kaart en een spoorwegkaartje. Prijs f 0,50.
M. J. BrusseNo. 2. BRUSSE'S REISGIDSEN. DE HARZ. Een Harzreis door M. J. Brusse. Geïllustreerde gids voor den Harz met een uitslaande kaart. Prijs f 0,50.
M. J. Brusse
No. 2. BRUSSE'S REISGIDSEN. DE HARZ. Een Harzreis door M. J. Brusse. Geïllustreerde gids voor den Harz met een uitslaande kaart. Prijs f 0,50.
Henri DekkingNo. 3. BRUSSE'S REISGIDSEN. VAN DE ROTTE TOT DE SCHELDE. Dwaaltochten over de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden. Met 30 teekeningen van J. B. Heukelom. Prijs f 0,50.
Henri Dekking
No. 3. BRUSSE'S REISGIDSEN. VAN DE ROTTE TOT DE SCHELDE. Dwaaltochten over de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden. Met 30 teekeningen van J. B. Heukelom. Prijs f 0,50.
M. J. BrusseandJ. G. VeldheerWITH ROOSEVELT THROUGH HOLLAND by M. J. BRUSSE, Illustrated with 40 pen and ink sketches by J. G. Veldheer. Published by the Holland-Amerika Line. Rotterdam W. L. & J. Brusse. Prijs f 0,90.
M. J. BrusseandJ. G. Veldheer
WITH ROOSEVELT THROUGH HOLLAND by M. J. BRUSSE, Illustrated with 40 pen and ink sketches by J. G. Veldheer. Published by the Holland-Amerika Line. Rotterdam W. L. & J. Brusse. Prijs f 0,90.
C. S. Adama van ScheltemaEERSTE OOGST. Bloemlezing door den dichter samengesteld uit Een Weg van Verzen en Uit den Dool. Prijs f 0,90, geb. f 1,40.
C. S. Adama van Scheltema
EERSTE OOGST. Bloemlezing door den dichter samengesteld uit Een Weg van Verzen en Uit den Dool. Prijs f 0,90, geb. f 1,40.
C. S. Adama van ScheltemaUIT STILTE EN STRIJD. Prijs f 0,60, geb. f 1,10. 2e druk.
C. S. Adama van Scheltema
UIT STILTE EN STRIJD. Prijs f 0,60, geb. f 1,10. 2e druk.
C. S. Adama van ScheltemaEENZAME LIEDJES. Prijs f 0,60, geb. f 1,10. 3e druk.
C. S. Adama van Scheltema
EENZAME LIEDJES. Prijs f 0,60, geb. f 1,10. 3e druk.
C. S. Adama van ScheltemaZWERVERSVERZEN. Prijs f 0,60, geb. f 1,10. 3e druk.
C. S. Adama van Scheltema
ZWERVERSVERZEN. Prijs f 0,60, geb. f 1,10. 3e druk.
C. S. Adama van ScheltemaVAN ZON EN ZOMER. Prijs f 0,60, geb. f 1,10. 3e druk.
C. S. Adama van Scheltema
VAN ZON EN ZOMER. Prijs f 0,60, geb. f 1,10. 3e druk.
C. S. Adama van ScheltemaUIT DEN DOOL. uitverkocht.
C. S. Adama van Scheltema
UIT DEN DOOL. uitverkocht.
C. S. Adama van ScheltemaEEN WEG VAN VERZEN. Geb. f 2,10.
C. S. Adama van Scheltema
EEN WEG VAN VERZEN. Geb. f 2,10.
C. S. Adama van ScheltemaLEVENDE STEDEN: 1. Londen. 2. Dusseldorp. 3. Amsterdam. Prijs f 0,60, gec. f 1,10 per deel. Enkele exemplaren op geschept Holl. papier à f 2,50 per deel.
C. S. Adama van Scheltema
LEVENDE STEDEN: 1. Londen. 2. Dusseldorp. 3. Amsterdam. Prijs f 0,60, gec. f 1,10 per deel. Enkele exemplaren op geschept Holl. papier à f 2,50 per deel.
P. C. BoutensHET TREURSPEL VAN AGAMEMNOON. Naar het Grieksch van Aischylos in Nederlandsche verzen overgezet. Met aanteekeningen. Prijs f 2,50.
P. C. Boutens
HET TREURSPEL VAN AGAMEMNOON. Naar het Grieksch van Aischylos in Nederlandsche verzen overgezet. Met aanteekeningen. Prijs f 2,50.
A. van CollemVAN STAD EN LAND. Prijs f 0,90, geb. f 1,40.
A. van Collem
VAN STAD EN LAND. Prijs f 0,90, geb. f 1,40.
Theod. IsleesRECITATIEVEN. I. Mijn land. – Verleden. – Lente. – Herfst. – Ingenium. – Erotiek. – Aan den avond. – Kerkklokken. II. Utopia. – Middeleeuwsch. – Didaktiek. Prijs f 2,50, geb. f 3,50.
Theod. Islees
RECITATIEVEN. I. Mijn land. – Verleden. – Lente. – Herfst. – Ingenium. – Erotiek. – Aan den avond. – Kerkklokken. II. Utopia. – Middeleeuwsch. – Didaktiek. Prijs f 2,50, geb. f 3,50.
Hans MartinBEKENTENISSEN. Omslag- en Bandversiering van J. G. Veldheer. Gedrukt op Hollandsch papier. Prijs f 0,90, geb. f 1,40.
Hans Martin
BEKENTENISSEN. Omslag- en Bandversiering van J. G. Veldheer. Gedrukt op Hollandsch papier. Prijs f 0,90, geb. f 1,40.
Percy Bysshe ShelleyALASTOR OF DE GEEST DER EENZAAMHEID. In Nederlandsche Verzen overgebracht door Dr. K. H. de Raaf. Met portret van Shelley. Voorrede door Willem Kloos. Prijs f 0,90.
Percy Bysshe Shelley
ALASTOR OF DE GEEST DER EENZAAMHEID. In Nederlandsche Verzen overgebracht door Dr. K. H. de Raaf. Met portret van Shelley. Voorrede door Willem Kloos. Prijs f 0,90.
Oscar WildeEEN FLORENTIJNSCHE TRAGEDIE. Vertaald door Dr. K. H. de Raaf. Prijs f 0,60.
Oscar Wilde
EEN FLORENTIJNSCHE TRAGEDIE. Vertaald door Dr. K. H. de Raaf. Prijs f 0,60.