[Inhoud]III.Tusschen gewar van melkbooten aan ’t Westerdok, stuurde kaptein de stadshaven in. Tegenover „Tuinders Geluk”, waren al de drie andere booten, binnengeankerd.Over den dwars dooreengestapelden warrel van kisten en manden sprongen de venters en vrouwen heen en weer, in woeligen stroom, overgolfd door snik-heete stanken. Van den „netoares” kreeg elk veiler ’n papiertje in de handen gestopt, waarop stond, hoe veel en van wie hij te vorderen had, bij teruggang naar Wiereland.—In gistenden warrel, als ’n opgejaagde horde begon uiteenkluwing van kisten en manden, weggesjouwd, verdragen op nekken en koppen.—Aan den walkant, in ’t zomerochtendgloeien, wemelde ’t van licht-bruine handkarren, waar de verhuurder in z’n zonnig-wit overhemd, bedrijvig doorheen manoeuvreerde, met elk venter wat snaterend en lollend. Vischvrouwen in kort-blauwe, roodbaaien rokken, en witflodderige jakkies, kanaljeus-aanhalig gekapt met de stijfbereepte haarkrullen, drongen, woelden in gillerigen kakel en ratel tusschen de enge karrengangetjes, opgejaagd, verhit snuffelend en schetterend, vastgrijpend de groenboeren om aardbeienwaar. Halsbloote Zeedijkers en stadsventers,[163]met lawaaierige blousen, opgedirkt in heeten lok en streel met rooie strikjes om blank naakt, verdrongen de losse kijkers, paften vooruit, met hun borstzwaren zwel van lijf, pronkend in ’t vroolijke getinkel en gerammel van hun koralen snoertjes met gouden slootjes, in glans begoten. Op één hoek drongen samen, jodenmannetjes en jodenvrouwtjes, schuchter-brutaal,bang-overmoedig tegelijk. Van de boot àf, dromden, bonkten en zwoegden de venters, botsend tegen elkaar op, in gejaagden loer, ieder naar zijn huurkar. Telkens vàn hun plaats, joegen ze weer naar de boot, rukten en bonkten hùn waar uit den burcht van kisten, stormend in stortvloed terug, weer tegen elkaar opbonkend met nieuwe bakken en manden, dat ze verknelden tusschen hun eigen vrachten. Woest krijschten de vrouwen en mannen, die bakken of manden hadden gegrepen van anderen, er niet meer verder mee wilden sjouwen.—Hassel.. hier:.. Has.. selll!.. jou bakke!—Bierbrouwèr!.. pak d’r an!—Bier.. broùwèrr! schreeuwde een naast den eersten krijscher, die ook ’n bak van dien venter had losgewoeld,—pak-àn! jou bakke!Tusschen de aangolvende massa, waar gloeiender tempo van koortsige jacht en verkoophartstocht doorheen zwol, ging woelender angst van niet-gauw-genoeg bij hun markt te zijn. Zon laaide, priemde, verzengde alles, sloeg in fellen kleurbrand de golvende, wemelende scharrelmassa. En telkens àndere kerels sjouwden atlas-vrachten àf, van de boot naar hun karren, duwden in vloek en krijsch de Zeedijkwijven en joodjes op zij, die brutaler en heeter rond hun bakken en waàr opdrongen.—Eindelijk, na de eerste ontkronkeling van kisten en sjouwers, dobberden weer, met hebzucht-haat elkaar be-venijnend, de koopsters rond de groenboeren.—Tuk op aardbei, barstte er ’n heete dingdrift los, van allen tegelijk, als één vloedstorm, één aanrukking van feros jaagleven, brandend lawaai van stemmen, in de klater-schroeiende zon, die begloeide de kleurkleeren, de vruchten, en te zengen vlamde in de bakken. Breed bejakte vischwijven; joodsche mummieïg verdroogde groenteventertjes,[164]met broeistank van zomersche zwoegmisere, verwalmend van d’r geteisterde lijven; kruiers, leegloopers met loenschig heeten oogstaar, venters en tuinders, woelden en krioelden rond de boot en aardbei-bakken.—Uitpuil-oogen gretigden overal waar vruchtjes òpgesjouwd werden. Vraat-zuchtige monden beefden rood-wreed en verwrongen van zenuwtrekken. Koop-hartstocht gierde en raasde door den zonne-brand van poer en scharrel. Van alle hoeken, nu manden en bakken losgestapeld rondgingen, sloeg ’t vruchtenrood uit, ’t gloeivuur van aardbei, tegen ’t blauwe hemelvuur van smoor-heeten Juli-brand. Op koppen en ruggen, de vruchten, sla, tuinboonen, aardappelen, doppers en wortelen, werden versjouwd, en hitsender, helscher joeg ’t schorre gekrijsch van kerels met verkeerde bakken, door de losgewoelde groepen.—Joap Kerredaik!—hier hain! donderde rauw in zwel van drift, ’n stem.—Vrouw Zeune!.… jai doar!!.. is d’r op kommende wège!—Vrouw Engels.… daa’s jou goed! mô jai da’ nie tù je staike?Rauw er doorheen brulde ’n venter, barstend van drift, met verzenuwden zweetmond, z’n kop doortrokken van bietrooie vlekken, in zwoeghitte:—Gais Kerredaik kòm! of ik donder je bakke teuge de grond.… ikke kèn hullie nie langerst hewwe! se benne d’r swoàr aa’s ’n lokemetief!.…—Gaa’-ais! Kerre.… dàik! bazuinde ’n ander tuinder, in rauwen woesten krijsch, ingekneld tusschen groenboeren en meiden. Vastgebeukt met loodzware bakvracht, zat ie tusschen drie karren in, en wilder krijschte hij om verlossing naar Kerredijk, die zèlf praatjes verlolde met ’n Zeedijkster.Wilder en ziedender stroomde ’n krioelbende langs en òm hem zonder dat ie z’n eigen waar kon raken. Te dansen van moordende drift stond ie, vloekend bakken tegen buik en keel aangedrukt, z’n zweetkop, zóó heet en rood-verzwollen, dat ’t leek of ie met z’n tronie in ’n menie-pot gesmakt was.—Bij hoeken en brokken was handel aan walkant al begonnen.[165]Dirk had ’n bak of tien, niet te gebruiken voor z’n klanten, verkocht aan ’n dikke meid, die op z’n karkruk wiegeldijend en breed-uit d’r zwiepende beenen, met mandjes zat te spelen.——Nou seg erijs blondje.… vleide ze zoetig-Amsterdamsch, dat Dirk ’n huiver van wellust voelde kruipen door z’n korpus, feur die daar as je d’r nou ’s drie sint seit!.… drie pop de honderd!.… hai je dèn je b’komst?—Bi je bedwaild geep! donder moar op! he jòu neudig! die vaif veur vier pop!.. gain duut minder!.. je ken d’r bai main nie figelaire!.…Dikke dij-meid zat onrustiger op karkruk te wiebelen. Vòòr d’r neus zag ze Ka al, met ’r blanke jak wurmen tusschen karren-kronkel, om naar Dirk toe te dringen. Telkens keek ze van ’r zachten dij-wiebel òp naar Dirk, die norsch-stom z’n rommel bonkend weer in de kar terugschikte; rekende ze haastig uit, met mijmer-oogen luchtblauw in, nàtellend op haar vingers en d’r witte schort topfijn betingelend, hoe hoog dàn ieder mandje kwam te staan. Eén dij, schort-omspannen, drukte nu breed-uit op de kruk, onder plooiigen wriemel en kreuk van rokken-spul. En telkens aanhalig, met knipoogjes en zoetig lachje, probeerde ze Dirk’s kijkers in te staren, geil, verliefderig.——Nou blondje.. toe noù!..Vlak achter de meid opgedrongen, ademhaalde in snurkerig gerucht, vuilneuzig zusje, dat toekeek, bleekgoor en stil. En rond de karren schreeuwden jochies en meisjes, liederlijk en vuil, als dolle duiveltjes in schel getier, tusschen elk engtetje en doorgangetje inkruipend en gierend. Van allen kant was nu de koopwaar losgebroken en uitgestald; smoorvolle karren als gloeiende karossen, bestapeld vóór den wal, beschaterd, en beblakerd van zonnevuur; ’t rood dat zengde, ’t oranje dat gloeide van hitte en ’t losgestorte groen, woelzee van gewas en vruchten. Hoog, in den dampenden gouddag, joelde en broeide kleurleven en sjacher daar sàmen, in den geluiden vermokerenden daver van zonne-begloeide stofstad. Golfwild en steigerend, sloeg en beukte de heete scharrel van vrouwlui en kerels dooréén.—[166]Ontzaglijk, in ruwe reuzenmacht van dondergeweld, zwel van krijsch en stemmenraas, schalden de geluiden door de snikheete lucht. In grilligen drom, wrongen de groenboeren tusschen de karren. Van allen kant klonk gepingel, gekrijsch als van schrei en lachstemmen, om geld, gèld. Toe- en afslag rumoerde. In dreun en rhytmus schokten koopers áán, verdwenen er weer, hier van elkaar geduwd, daar weer bijééngebotst, verkolkt in passiestroom van heeten sjacher, onder vloek en raas, tusschen gedrang en hitte. Schooierende sjouwers en kruiers wachtten, stoeiden met meiden in vuilen handgrabbel naar rokkenspul.—Dirk was met z’n vette schommeldame net afgehandeld. Ze had de bakken gekregen en breed, voor d’r buik, schort omgevouwen, werkte ze de kisten van de kar, terwijl hij geen vin verroerde. Telkens drong ze tusschen de kar-engten terug, sjouwde ze nieuwe vracht mee.—D’r zware kop schudde, ’r stijf bereepte krullen schudden, ’r oorbellen schudden, en wijder spande jakje òpen, bij vet-blanken wellusthals. Met ’r ingeperst, naar voren gebukt lijf, ’r breeë wiegende hangborsten op de bakken gekneld, armen in breeden span om d’r vracht uitgebogen, stapte ze zweetzwaar en snelademend vóórt, op de kort-stevige beenen, dòòr de venters en vrouw-stoeten heenzuigend; met d’r lijf teruggebonkt, op zij gewaggeld, toch doorporrend, tot ze bij ’r eigen kar, dood op en blazend, ’r boel kon neersmakken.Dirk keek ’r na, loom-kalm. Dat waren de eerste warme centen in z’n hand, lolde ’t in hem. ’n lekkere markt.—.… kaike.… da waa’s net effe acht uur, da kon t’met.… En nou had ie nog ’n lollige reperoatie.. mit de maid.… ’n afsproàkie veur d’ aêre week.… Da’ gong … ’n vetje!.. lang nie mis.. Heere mejeepie! kaik! d’r stong sai te haige!… bloas jai moar maid.… da’ mo’k ook doen veur main kossie!.. kaik.… nou brenge de kooters d’r nog bakke noà!.…Overal onder de venters was bestiaal gestoei met meiden; braakten vloeken en getier los, dierlijk en broeierig. Tusschen het dondergeraas van groote stad, ’t mokergeweld van bierkarren, van rijtuigen en trem-jacht, schel geklinkel en gebengel,[167]bonkerde de groote stadsscharrel, mokerde ’t havenhart. En overal rondom, geklakker van paardhoeven op keien in het barende roezemoes van kreten en schreeuwen, in den ontwakenden ochtendwemel.—Tusschen gedonder en gewarrel van melkbooten, vrachtschepen en tuinders verder op, scharrelden de venters, verhit in dollen woordstoei rond de meiden, onder wellust-schater en vloek, verkoopend hun waar. En de wijven, zinnen-dronken met d’r bevende hartstochtmonden, hun felle oogen,—oogen vol van liederlijk begeeren, rood van kanaljeuze passie-vlam,—lieten zich bestoeien, soms èven in schijn-afweer beproestend de knappe boeren van Wiereland, die grepen en knepen in d’r blanke borsten, in d’r warme lijven, d’r vette armen, gespannen en saamgesnoerd in witte jakken, d’r schommel-dijen voluptueus zwellend onder heet-rooie en blauwe rokken.—Dol keken de kerels zich op dat blanke vleesch. Dronken luisterden ze naar de tartende kanaljeuse meidentaal, en gretig roken, snoven, dronken ze in den zonnegloei, den zweetwasem van hun blanke lijven, verblind en bezwijmeld door ’t hel-witte jakkies-spel, de witte schorten, de rooie lintjes en kraalsnoertjes, de lichte rokken en boezelaars, zondoordoopt in felle helheid van barnend zomerlicht.—Telkens meer blauwe en rooie onderrokken zwierden in uitschulpenden zwaai van de karkrukken naar de boot. Fel gloeiden de kittelende, zwierslaande slootjes op kralensnoertjes, om de varkenshalzen, en felketsend, in verblindende hoogheid van begloeid wit, dromden dan hier, dan daar, de jàk- en blousen-meiden tusschen ’t vruchtenrood, ’t groen, tusschen ’t geblaker en gezoem van gonzende, heete kleuren.—Dirk zocht naar z’n kruier, want alle venters hadden hun vasten man, die de kar duwde in den zwoegenden ommegang rond hun stadswijk. Eindelijk door ’n woeligen drom heen, zag Dirk zijn helper. ’n Schreeuw, rauw, geweldig, ’n arm-pagaaiend gebaar, nijdige veeg door de lucht bòven de koppen der venters, en de kruier wurmde op ’m aan, tusschen ’t gedrang.[168]Langzaam hotsten en ratelden de karren weg van den wal, met de opgestapelde, pronkende waar, de grommende stad in, stad van gebarsten muren en hooge huizen, in zonkleurigen gloei van gevelsteen en beblakerde keien, brandende stad van ratelend rumoer en gloeistoffige zonnigheid.—Wijven met karren, armelijk vergeelde joodsche vrouwtjes, en donkerkrulharige joodsche groenteventertjes in mandrillig rad beweeg van uitbuilenden mond, rimpelige voorkoppen en vooruitgezwollen lippen, donker en harig,—bleven op ’n hoopje elkaar nog wat toeschreeuwen bij den wal, met heete gebaren en kefferige schorre stemmen.Zon moordde en zengde tusschen ze in, als reuzebom, die hel vonkend schroot uitgeslingerd had naar de, in goud-gloei gewiegde zonne-aárde, toortswalmige hitte verschroeiend op karwanden, vruchten en steenen. Alles stond in Juligloei, dreunenden lichtval, goud en fel wit-vurig. En hemeldom, strak, tusschen de huisblokken uit, boven ’t Westerdok, waar teerwalm zonnig rookte, barnde als blauwvuur. Aan overkant, tusschen woeling van melkbooten gloeide blauw, blauw van vaten.—Vatengerucht, metaalhol, jolig en dartel klankte òp bij bonzingen van karren, tusschen stadsgejoel. Uit de heet-zonnige straatbrokjes in ’t verschiet, fel-begloeid in brokkelige gevellijnen van pleister en rooden baksteen, schetterde òp orgeldreun, kanaljeuze stem van zonne-stad.—Langs den wal zwermden nog treuzelende groenboeren van de andere booten, tusschen melkvaten en karren. Eindelijk, ook dáár ratelden de karren met de roode en groene furie van vruchten, de stof-zonnende wijken in, verdwenen langzaam kerels en waar om straathoeken en pleinbochten, in ’t hartje van ’t gerucht-zwellende, gloeiende en dreunende stads-leven.—
[Inhoud]III.Tusschen gewar van melkbooten aan ’t Westerdok, stuurde kaptein de stadshaven in. Tegenover „Tuinders Geluk”, waren al de drie andere booten, binnengeankerd.Over den dwars dooreengestapelden warrel van kisten en manden sprongen de venters en vrouwen heen en weer, in woeligen stroom, overgolfd door snik-heete stanken. Van den „netoares” kreeg elk veiler ’n papiertje in de handen gestopt, waarop stond, hoe veel en van wie hij te vorderen had, bij teruggang naar Wiereland.—In gistenden warrel, als ’n opgejaagde horde begon uiteenkluwing van kisten en manden, weggesjouwd, verdragen op nekken en koppen.—Aan den walkant, in ’t zomerochtendgloeien, wemelde ’t van licht-bruine handkarren, waar de verhuurder in z’n zonnig-wit overhemd, bedrijvig doorheen manoeuvreerde, met elk venter wat snaterend en lollend. Vischvrouwen in kort-blauwe, roodbaaien rokken, en witflodderige jakkies, kanaljeus-aanhalig gekapt met de stijfbereepte haarkrullen, drongen, woelden in gillerigen kakel en ratel tusschen de enge karrengangetjes, opgejaagd, verhit snuffelend en schetterend, vastgrijpend de groenboeren om aardbeienwaar. Halsbloote Zeedijkers en stadsventers,[163]met lawaaierige blousen, opgedirkt in heeten lok en streel met rooie strikjes om blank naakt, verdrongen de losse kijkers, paften vooruit, met hun borstzwaren zwel van lijf, pronkend in ’t vroolijke getinkel en gerammel van hun koralen snoertjes met gouden slootjes, in glans begoten. Op één hoek drongen samen, jodenmannetjes en jodenvrouwtjes, schuchter-brutaal,bang-overmoedig tegelijk. Van de boot àf, dromden, bonkten en zwoegden de venters, botsend tegen elkaar op, in gejaagden loer, ieder naar zijn huurkar. Telkens vàn hun plaats, joegen ze weer naar de boot, rukten en bonkten hùn waar uit den burcht van kisten, stormend in stortvloed terug, weer tegen elkaar opbonkend met nieuwe bakken en manden, dat ze verknelden tusschen hun eigen vrachten. Woest krijschten de vrouwen en mannen, die bakken of manden hadden gegrepen van anderen, er niet meer verder mee wilden sjouwen.—Hassel.. hier:.. Has.. selll!.. jou bakke!—Bierbrouwèr!.. pak d’r an!—Bier.. broùwèrr! schreeuwde een naast den eersten krijscher, die ook ’n bak van dien venter had losgewoeld,—pak-àn! jou bakke!Tusschen de aangolvende massa, waar gloeiender tempo van koortsige jacht en verkoophartstocht doorheen zwol, ging woelender angst van niet-gauw-genoeg bij hun markt te zijn. Zon laaide, priemde, verzengde alles, sloeg in fellen kleurbrand de golvende, wemelende scharrelmassa. En telkens àndere kerels sjouwden atlas-vrachten àf, van de boot naar hun karren, duwden in vloek en krijsch de Zeedijkwijven en joodjes op zij, die brutaler en heeter rond hun bakken en waàr opdrongen.—Eindelijk, na de eerste ontkronkeling van kisten en sjouwers, dobberden weer, met hebzucht-haat elkaar be-venijnend, de koopsters rond de groenboeren.—Tuk op aardbei, barstte er ’n heete dingdrift los, van allen tegelijk, als één vloedstorm, één aanrukking van feros jaagleven, brandend lawaai van stemmen, in de klater-schroeiende zon, die begloeide de kleurkleeren, de vruchten, en te zengen vlamde in de bakken. Breed bejakte vischwijven; joodsche mummieïg verdroogde groenteventertjes,[164]met broeistank van zomersche zwoegmisere, verwalmend van d’r geteisterde lijven; kruiers, leegloopers met loenschig heeten oogstaar, venters en tuinders, woelden en krioelden rond de boot en aardbei-bakken.—Uitpuil-oogen gretigden overal waar vruchtjes òpgesjouwd werden. Vraat-zuchtige monden beefden rood-wreed en verwrongen van zenuwtrekken. Koop-hartstocht gierde en raasde door den zonne-brand van poer en scharrel. Van alle hoeken, nu manden en bakken losgestapeld rondgingen, sloeg ’t vruchtenrood uit, ’t gloeivuur van aardbei, tegen ’t blauwe hemelvuur van smoor-heeten Juli-brand. Op koppen en ruggen, de vruchten, sla, tuinboonen, aardappelen, doppers en wortelen, werden versjouwd, en hitsender, helscher joeg ’t schorre gekrijsch van kerels met verkeerde bakken, door de losgewoelde groepen.—Joap Kerredaik!—hier hain! donderde rauw in zwel van drift, ’n stem.—Vrouw Zeune!.… jai doar!!.. is d’r op kommende wège!—Vrouw Engels.… daa’s jou goed! mô jai da’ nie tù je staike?Rauw er doorheen brulde ’n venter, barstend van drift, met verzenuwden zweetmond, z’n kop doortrokken van bietrooie vlekken, in zwoeghitte:—Gais Kerredaik kòm! of ik donder je bakke teuge de grond.… ikke kèn hullie nie langerst hewwe! se benne d’r swoàr aa’s ’n lokemetief!.…—Gaa’-ais! Kerre.… dàik! bazuinde ’n ander tuinder, in rauwen woesten krijsch, ingekneld tusschen groenboeren en meiden. Vastgebeukt met loodzware bakvracht, zat ie tusschen drie karren in, en wilder krijschte hij om verlossing naar Kerredijk, die zèlf praatjes verlolde met ’n Zeedijkster.Wilder en ziedender stroomde ’n krioelbende langs en òm hem zonder dat ie z’n eigen waar kon raken. Te dansen van moordende drift stond ie, vloekend bakken tegen buik en keel aangedrukt, z’n zweetkop, zóó heet en rood-verzwollen, dat ’t leek of ie met z’n tronie in ’n menie-pot gesmakt was.—Bij hoeken en brokken was handel aan walkant al begonnen.[165]Dirk had ’n bak of tien, niet te gebruiken voor z’n klanten, verkocht aan ’n dikke meid, die op z’n karkruk wiegeldijend en breed-uit d’r zwiepende beenen, met mandjes zat te spelen.——Nou seg erijs blondje.… vleide ze zoetig-Amsterdamsch, dat Dirk ’n huiver van wellust voelde kruipen door z’n korpus, feur die daar as je d’r nou ’s drie sint seit!.… drie pop de honderd!.… hai je dèn je b’komst?—Bi je bedwaild geep! donder moar op! he jòu neudig! die vaif veur vier pop!.. gain duut minder!.. je ken d’r bai main nie figelaire!.…Dikke dij-meid zat onrustiger op karkruk te wiebelen. Vòòr d’r neus zag ze Ka al, met ’r blanke jak wurmen tusschen karren-kronkel, om naar Dirk toe te dringen. Telkens keek ze van ’r zachten dij-wiebel òp naar Dirk, die norsch-stom z’n rommel bonkend weer in de kar terugschikte; rekende ze haastig uit, met mijmer-oogen luchtblauw in, nàtellend op haar vingers en d’r witte schort topfijn betingelend, hoe hoog dàn ieder mandje kwam te staan. Eén dij, schort-omspannen, drukte nu breed-uit op de kruk, onder plooiigen wriemel en kreuk van rokken-spul. En telkens aanhalig, met knipoogjes en zoetig lachje, probeerde ze Dirk’s kijkers in te staren, geil, verliefderig.——Nou blondje.. toe noù!..Vlak achter de meid opgedrongen, ademhaalde in snurkerig gerucht, vuilneuzig zusje, dat toekeek, bleekgoor en stil. En rond de karren schreeuwden jochies en meisjes, liederlijk en vuil, als dolle duiveltjes in schel getier, tusschen elk engtetje en doorgangetje inkruipend en gierend. Van allen kant was nu de koopwaar losgebroken en uitgestald; smoorvolle karren als gloeiende karossen, bestapeld vóór den wal, beschaterd, en beblakerd van zonnevuur; ’t rood dat zengde, ’t oranje dat gloeide van hitte en ’t losgestorte groen, woelzee van gewas en vruchten. Hoog, in den dampenden gouddag, joelde en broeide kleurleven en sjacher daar sàmen, in den geluiden vermokerenden daver van zonne-begloeide stofstad. Golfwild en steigerend, sloeg en beukte de heete scharrel van vrouwlui en kerels dooréén.—[166]Ontzaglijk, in ruwe reuzenmacht van dondergeweld, zwel van krijsch en stemmenraas, schalden de geluiden door de snikheete lucht. In grilligen drom, wrongen de groenboeren tusschen de karren. Van allen kant klonk gepingel, gekrijsch als van schrei en lachstemmen, om geld, gèld. Toe- en afslag rumoerde. In dreun en rhytmus schokten koopers áán, verdwenen er weer, hier van elkaar geduwd, daar weer bijééngebotst, verkolkt in passiestroom van heeten sjacher, onder vloek en raas, tusschen gedrang en hitte. Schooierende sjouwers en kruiers wachtten, stoeiden met meiden in vuilen handgrabbel naar rokkenspul.—Dirk was met z’n vette schommeldame net afgehandeld. Ze had de bakken gekregen en breed, voor d’r buik, schort omgevouwen, werkte ze de kisten van de kar, terwijl hij geen vin verroerde. Telkens drong ze tusschen de kar-engten terug, sjouwde ze nieuwe vracht mee.—D’r zware kop schudde, ’r stijf bereepte krullen schudden, ’r oorbellen schudden, en wijder spande jakje òpen, bij vet-blanken wellusthals. Met ’r ingeperst, naar voren gebukt lijf, ’r breeë wiegende hangborsten op de bakken gekneld, armen in breeden span om d’r vracht uitgebogen, stapte ze zweetzwaar en snelademend vóórt, op de kort-stevige beenen, dòòr de venters en vrouw-stoeten heenzuigend; met d’r lijf teruggebonkt, op zij gewaggeld, toch doorporrend, tot ze bij ’r eigen kar, dood op en blazend, ’r boel kon neersmakken.Dirk keek ’r na, loom-kalm. Dat waren de eerste warme centen in z’n hand, lolde ’t in hem. ’n lekkere markt.—.… kaike.… da waa’s net effe acht uur, da kon t’met.… En nou had ie nog ’n lollige reperoatie.. mit de maid.… ’n afsproàkie veur d’ aêre week.… Da’ gong … ’n vetje!.. lang nie mis.. Heere mejeepie! kaik! d’r stong sai te haige!… bloas jai moar maid.… da’ mo’k ook doen veur main kossie!.. kaik.… nou brenge de kooters d’r nog bakke noà!.…Overal onder de venters was bestiaal gestoei met meiden; braakten vloeken en getier los, dierlijk en broeierig. Tusschen het dondergeraas van groote stad, ’t mokergeweld van bierkarren, van rijtuigen en trem-jacht, schel geklinkel en gebengel,[167]bonkerde de groote stadsscharrel, mokerde ’t havenhart. En overal rondom, geklakker van paardhoeven op keien in het barende roezemoes van kreten en schreeuwen, in den ontwakenden ochtendwemel.—Tusschen gedonder en gewarrel van melkbooten, vrachtschepen en tuinders verder op, scharrelden de venters, verhit in dollen woordstoei rond de meiden, onder wellust-schater en vloek, verkoopend hun waar. En de wijven, zinnen-dronken met d’r bevende hartstochtmonden, hun felle oogen,—oogen vol van liederlijk begeeren, rood van kanaljeuze passie-vlam,—lieten zich bestoeien, soms èven in schijn-afweer beproestend de knappe boeren van Wiereland, die grepen en knepen in d’r blanke borsten, in d’r warme lijven, d’r vette armen, gespannen en saamgesnoerd in witte jakken, d’r schommel-dijen voluptueus zwellend onder heet-rooie en blauwe rokken.—Dol keken de kerels zich op dat blanke vleesch. Dronken luisterden ze naar de tartende kanaljeuse meidentaal, en gretig roken, snoven, dronken ze in den zonnegloei, den zweetwasem van hun blanke lijven, verblind en bezwijmeld door ’t hel-witte jakkies-spel, de witte schorten, de rooie lintjes en kraalsnoertjes, de lichte rokken en boezelaars, zondoordoopt in felle helheid van barnend zomerlicht.—Telkens meer blauwe en rooie onderrokken zwierden in uitschulpenden zwaai van de karkrukken naar de boot. Fel gloeiden de kittelende, zwierslaande slootjes op kralensnoertjes, om de varkenshalzen, en felketsend, in verblindende hoogheid van begloeid wit, dromden dan hier, dan daar, de jàk- en blousen-meiden tusschen ’t vruchtenrood, ’t groen, tusschen ’t geblaker en gezoem van gonzende, heete kleuren.—Dirk zocht naar z’n kruier, want alle venters hadden hun vasten man, die de kar duwde in den zwoegenden ommegang rond hun stadswijk. Eindelijk door ’n woeligen drom heen, zag Dirk zijn helper. ’n Schreeuw, rauw, geweldig, ’n arm-pagaaiend gebaar, nijdige veeg door de lucht bòven de koppen der venters, en de kruier wurmde op ’m aan, tusschen ’t gedrang.[168]Langzaam hotsten en ratelden de karren weg van den wal, met de opgestapelde, pronkende waar, de grommende stad in, stad van gebarsten muren en hooge huizen, in zonkleurigen gloei van gevelsteen en beblakerde keien, brandende stad van ratelend rumoer en gloeistoffige zonnigheid.—Wijven met karren, armelijk vergeelde joodsche vrouwtjes, en donkerkrulharige joodsche groenteventertjes in mandrillig rad beweeg van uitbuilenden mond, rimpelige voorkoppen en vooruitgezwollen lippen, donker en harig,—bleven op ’n hoopje elkaar nog wat toeschreeuwen bij den wal, met heete gebaren en kefferige schorre stemmen.Zon moordde en zengde tusschen ze in, als reuzebom, die hel vonkend schroot uitgeslingerd had naar de, in goud-gloei gewiegde zonne-aárde, toortswalmige hitte verschroeiend op karwanden, vruchten en steenen. Alles stond in Juligloei, dreunenden lichtval, goud en fel wit-vurig. En hemeldom, strak, tusschen de huisblokken uit, boven ’t Westerdok, waar teerwalm zonnig rookte, barnde als blauwvuur. Aan overkant, tusschen woeling van melkbooten gloeide blauw, blauw van vaten.—Vatengerucht, metaalhol, jolig en dartel klankte òp bij bonzingen van karren, tusschen stadsgejoel. Uit de heet-zonnige straatbrokjes in ’t verschiet, fel-begloeid in brokkelige gevellijnen van pleister en rooden baksteen, schetterde òp orgeldreun, kanaljeuze stem van zonne-stad.—Langs den wal zwermden nog treuzelende groenboeren van de andere booten, tusschen melkvaten en karren. Eindelijk, ook dáár ratelden de karren met de roode en groene furie van vruchten, de stof-zonnende wijken in, verdwenen langzaam kerels en waar om straathoeken en pleinbochten, in ’t hartje van ’t gerucht-zwellende, gloeiende en dreunende stads-leven.—
[Inhoud]III.Tusschen gewar van melkbooten aan ’t Westerdok, stuurde kaptein de stadshaven in. Tegenover „Tuinders Geluk”, waren al de drie andere booten, binnengeankerd.Over den dwars dooreengestapelden warrel van kisten en manden sprongen de venters en vrouwen heen en weer, in woeligen stroom, overgolfd door snik-heete stanken. Van den „netoares” kreeg elk veiler ’n papiertje in de handen gestopt, waarop stond, hoe veel en van wie hij te vorderen had, bij teruggang naar Wiereland.—In gistenden warrel, als ’n opgejaagde horde begon uiteenkluwing van kisten en manden, weggesjouwd, verdragen op nekken en koppen.—Aan den walkant, in ’t zomerochtendgloeien, wemelde ’t van licht-bruine handkarren, waar de verhuurder in z’n zonnig-wit overhemd, bedrijvig doorheen manoeuvreerde, met elk venter wat snaterend en lollend. Vischvrouwen in kort-blauwe, roodbaaien rokken, en witflodderige jakkies, kanaljeus-aanhalig gekapt met de stijfbereepte haarkrullen, drongen, woelden in gillerigen kakel en ratel tusschen de enge karrengangetjes, opgejaagd, verhit snuffelend en schetterend, vastgrijpend de groenboeren om aardbeienwaar. Halsbloote Zeedijkers en stadsventers,[163]met lawaaierige blousen, opgedirkt in heeten lok en streel met rooie strikjes om blank naakt, verdrongen de losse kijkers, paften vooruit, met hun borstzwaren zwel van lijf, pronkend in ’t vroolijke getinkel en gerammel van hun koralen snoertjes met gouden slootjes, in glans begoten. Op één hoek drongen samen, jodenmannetjes en jodenvrouwtjes, schuchter-brutaal,bang-overmoedig tegelijk. Van de boot àf, dromden, bonkten en zwoegden de venters, botsend tegen elkaar op, in gejaagden loer, ieder naar zijn huurkar. Telkens vàn hun plaats, joegen ze weer naar de boot, rukten en bonkten hùn waar uit den burcht van kisten, stormend in stortvloed terug, weer tegen elkaar opbonkend met nieuwe bakken en manden, dat ze verknelden tusschen hun eigen vrachten. Woest krijschten de vrouwen en mannen, die bakken of manden hadden gegrepen van anderen, er niet meer verder mee wilden sjouwen.—Hassel.. hier:.. Has.. selll!.. jou bakke!—Bierbrouwèr!.. pak d’r an!—Bier.. broùwèrr! schreeuwde een naast den eersten krijscher, die ook ’n bak van dien venter had losgewoeld,—pak-àn! jou bakke!Tusschen de aangolvende massa, waar gloeiender tempo van koortsige jacht en verkoophartstocht doorheen zwol, ging woelender angst van niet-gauw-genoeg bij hun markt te zijn. Zon laaide, priemde, verzengde alles, sloeg in fellen kleurbrand de golvende, wemelende scharrelmassa. En telkens àndere kerels sjouwden atlas-vrachten àf, van de boot naar hun karren, duwden in vloek en krijsch de Zeedijkwijven en joodjes op zij, die brutaler en heeter rond hun bakken en waàr opdrongen.—Eindelijk, na de eerste ontkronkeling van kisten en sjouwers, dobberden weer, met hebzucht-haat elkaar be-venijnend, de koopsters rond de groenboeren.—Tuk op aardbei, barstte er ’n heete dingdrift los, van allen tegelijk, als één vloedstorm, één aanrukking van feros jaagleven, brandend lawaai van stemmen, in de klater-schroeiende zon, die begloeide de kleurkleeren, de vruchten, en te zengen vlamde in de bakken. Breed bejakte vischwijven; joodsche mummieïg verdroogde groenteventertjes,[164]met broeistank van zomersche zwoegmisere, verwalmend van d’r geteisterde lijven; kruiers, leegloopers met loenschig heeten oogstaar, venters en tuinders, woelden en krioelden rond de boot en aardbei-bakken.—Uitpuil-oogen gretigden overal waar vruchtjes òpgesjouwd werden. Vraat-zuchtige monden beefden rood-wreed en verwrongen van zenuwtrekken. Koop-hartstocht gierde en raasde door den zonne-brand van poer en scharrel. Van alle hoeken, nu manden en bakken losgestapeld rondgingen, sloeg ’t vruchtenrood uit, ’t gloeivuur van aardbei, tegen ’t blauwe hemelvuur van smoor-heeten Juli-brand. Op koppen en ruggen, de vruchten, sla, tuinboonen, aardappelen, doppers en wortelen, werden versjouwd, en hitsender, helscher joeg ’t schorre gekrijsch van kerels met verkeerde bakken, door de losgewoelde groepen.—Joap Kerredaik!—hier hain! donderde rauw in zwel van drift, ’n stem.—Vrouw Zeune!.… jai doar!!.. is d’r op kommende wège!—Vrouw Engels.… daa’s jou goed! mô jai da’ nie tù je staike?Rauw er doorheen brulde ’n venter, barstend van drift, met verzenuwden zweetmond, z’n kop doortrokken van bietrooie vlekken, in zwoeghitte:—Gais Kerredaik kòm! of ik donder je bakke teuge de grond.… ikke kèn hullie nie langerst hewwe! se benne d’r swoàr aa’s ’n lokemetief!.…—Gaa’-ais! Kerre.… dàik! bazuinde ’n ander tuinder, in rauwen woesten krijsch, ingekneld tusschen groenboeren en meiden. Vastgebeukt met loodzware bakvracht, zat ie tusschen drie karren in, en wilder krijschte hij om verlossing naar Kerredijk, die zèlf praatjes verlolde met ’n Zeedijkster.Wilder en ziedender stroomde ’n krioelbende langs en òm hem zonder dat ie z’n eigen waar kon raken. Te dansen van moordende drift stond ie, vloekend bakken tegen buik en keel aangedrukt, z’n zweetkop, zóó heet en rood-verzwollen, dat ’t leek of ie met z’n tronie in ’n menie-pot gesmakt was.—Bij hoeken en brokken was handel aan walkant al begonnen.[165]Dirk had ’n bak of tien, niet te gebruiken voor z’n klanten, verkocht aan ’n dikke meid, die op z’n karkruk wiegeldijend en breed-uit d’r zwiepende beenen, met mandjes zat te spelen.——Nou seg erijs blondje.… vleide ze zoetig-Amsterdamsch, dat Dirk ’n huiver van wellust voelde kruipen door z’n korpus, feur die daar as je d’r nou ’s drie sint seit!.… drie pop de honderd!.… hai je dèn je b’komst?—Bi je bedwaild geep! donder moar op! he jòu neudig! die vaif veur vier pop!.. gain duut minder!.. je ken d’r bai main nie figelaire!.…Dikke dij-meid zat onrustiger op karkruk te wiebelen. Vòòr d’r neus zag ze Ka al, met ’r blanke jak wurmen tusschen karren-kronkel, om naar Dirk toe te dringen. Telkens keek ze van ’r zachten dij-wiebel òp naar Dirk, die norsch-stom z’n rommel bonkend weer in de kar terugschikte; rekende ze haastig uit, met mijmer-oogen luchtblauw in, nàtellend op haar vingers en d’r witte schort topfijn betingelend, hoe hoog dàn ieder mandje kwam te staan. Eén dij, schort-omspannen, drukte nu breed-uit op de kruk, onder plooiigen wriemel en kreuk van rokken-spul. En telkens aanhalig, met knipoogjes en zoetig lachje, probeerde ze Dirk’s kijkers in te staren, geil, verliefderig.——Nou blondje.. toe noù!..Vlak achter de meid opgedrongen, ademhaalde in snurkerig gerucht, vuilneuzig zusje, dat toekeek, bleekgoor en stil. En rond de karren schreeuwden jochies en meisjes, liederlijk en vuil, als dolle duiveltjes in schel getier, tusschen elk engtetje en doorgangetje inkruipend en gierend. Van allen kant was nu de koopwaar losgebroken en uitgestald; smoorvolle karren als gloeiende karossen, bestapeld vóór den wal, beschaterd, en beblakerd van zonnevuur; ’t rood dat zengde, ’t oranje dat gloeide van hitte en ’t losgestorte groen, woelzee van gewas en vruchten. Hoog, in den dampenden gouddag, joelde en broeide kleurleven en sjacher daar sàmen, in den geluiden vermokerenden daver van zonne-begloeide stofstad. Golfwild en steigerend, sloeg en beukte de heete scharrel van vrouwlui en kerels dooréén.—[166]Ontzaglijk, in ruwe reuzenmacht van dondergeweld, zwel van krijsch en stemmenraas, schalden de geluiden door de snikheete lucht. In grilligen drom, wrongen de groenboeren tusschen de karren. Van allen kant klonk gepingel, gekrijsch als van schrei en lachstemmen, om geld, gèld. Toe- en afslag rumoerde. In dreun en rhytmus schokten koopers áán, verdwenen er weer, hier van elkaar geduwd, daar weer bijééngebotst, verkolkt in passiestroom van heeten sjacher, onder vloek en raas, tusschen gedrang en hitte. Schooierende sjouwers en kruiers wachtten, stoeiden met meiden in vuilen handgrabbel naar rokkenspul.—Dirk was met z’n vette schommeldame net afgehandeld. Ze had de bakken gekregen en breed, voor d’r buik, schort omgevouwen, werkte ze de kisten van de kar, terwijl hij geen vin verroerde. Telkens drong ze tusschen de kar-engten terug, sjouwde ze nieuwe vracht mee.—D’r zware kop schudde, ’r stijf bereepte krullen schudden, ’r oorbellen schudden, en wijder spande jakje òpen, bij vet-blanken wellusthals. Met ’r ingeperst, naar voren gebukt lijf, ’r breeë wiegende hangborsten op de bakken gekneld, armen in breeden span om d’r vracht uitgebogen, stapte ze zweetzwaar en snelademend vóórt, op de kort-stevige beenen, dòòr de venters en vrouw-stoeten heenzuigend; met d’r lijf teruggebonkt, op zij gewaggeld, toch doorporrend, tot ze bij ’r eigen kar, dood op en blazend, ’r boel kon neersmakken.Dirk keek ’r na, loom-kalm. Dat waren de eerste warme centen in z’n hand, lolde ’t in hem. ’n lekkere markt.—.… kaike.… da waa’s net effe acht uur, da kon t’met.… En nou had ie nog ’n lollige reperoatie.. mit de maid.… ’n afsproàkie veur d’ aêre week.… Da’ gong … ’n vetje!.. lang nie mis.. Heere mejeepie! kaik! d’r stong sai te haige!… bloas jai moar maid.… da’ mo’k ook doen veur main kossie!.. kaik.… nou brenge de kooters d’r nog bakke noà!.…Overal onder de venters was bestiaal gestoei met meiden; braakten vloeken en getier los, dierlijk en broeierig. Tusschen het dondergeraas van groote stad, ’t mokergeweld van bierkarren, van rijtuigen en trem-jacht, schel geklinkel en gebengel,[167]bonkerde de groote stadsscharrel, mokerde ’t havenhart. En overal rondom, geklakker van paardhoeven op keien in het barende roezemoes van kreten en schreeuwen, in den ontwakenden ochtendwemel.—Tusschen gedonder en gewarrel van melkbooten, vrachtschepen en tuinders verder op, scharrelden de venters, verhit in dollen woordstoei rond de meiden, onder wellust-schater en vloek, verkoopend hun waar. En de wijven, zinnen-dronken met d’r bevende hartstochtmonden, hun felle oogen,—oogen vol van liederlijk begeeren, rood van kanaljeuze passie-vlam,—lieten zich bestoeien, soms èven in schijn-afweer beproestend de knappe boeren van Wiereland, die grepen en knepen in d’r blanke borsten, in d’r warme lijven, d’r vette armen, gespannen en saamgesnoerd in witte jakken, d’r schommel-dijen voluptueus zwellend onder heet-rooie en blauwe rokken.—Dol keken de kerels zich op dat blanke vleesch. Dronken luisterden ze naar de tartende kanaljeuse meidentaal, en gretig roken, snoven, dronken ze in den zonnegloei, den zweetwasem van hun blanke lijven, verblind en bezwijmeld door ’t hel-witte jakkies-spel, de witte schorten, de rooie lintjes en kraalsnoertjes, de lichte rokken en boezelaars, zondoordoopt in felle helheid van barnend zomerlicht.—Telkens meer blauwe en rooie onderrokken zwierden in uitschulpenden zwaai van de karkrukken naar de boot. Fel gloeiden de kittelende, zwierslaande slootjes op kralensnoertjes, om de varkenshalzen, en felketsend, in verblindende hoogheid van begloeid wit, dromden dan hier, dan daar, de jàk- en blousen-meiden tusschen ’t vruchtenrood, ’t groen, tusschen ’t geblaker en gezoem van gonzende, heete kleuren.—Dirk zocht naar z’n kruier, want alle venters hadden hun vasten man, die de kar duwde in den zwoegenden ommegang rond hun stadswijk. Eindelijk door ’n woeligen drom heen, zag Dirk zijn helper. ’n Schreeuw, rauw, geweldig, ’n arm-pagaaiend gebaar, nijdige veeg door de lucht bòven de koppen der venters, en de kruier wurmde op ’m aan, tusschen ’t gedrang.[168]Langzaam hotsten en ratelden de karren weg van den wal, met de opgestapelde, pronkende waar, de grommende stad in, stad van gebarsten muren en hooge huizen, in zonkleurigen gloei van gevelsteen en beblakerde keien, brandende stad van ratelend rumoer en gloeistoffige zonnigheid.—Wijven met karren, armelijk vergeelde joodsche vrouwtjes, en donkerkrulharige joodsche groenteventertjes in mandrillig rad beweeg van uitbuilenden mond, rimpelige voorkoppen en vooruitgezwollen lippen, donker en harig,—bleven op ’n hoopje elkaar nog wat toeschreeuwen bij den wal, met heete gebaren en kefferige schorre stemmen.Zon moordde en zengde tusschen ze in, als reuzebom, die hel vonkend schroot uitgeslingerd had naar de, in goud-gloei gewiegde zonne-aárde, toortswalmige hitte verschroeiend op karwanden, vruchten en steenen. Alles stond in Juligloei, dreunenden lichtval, goud en fel wit-vurig. En hemeldom, strak, tusschen de huisblokken uit, boven ’t Westerdok, waar teerwalm zonnig rookte, barnde als blauwvuur. Aan overkant, tusschen woeling van melkbooten gloeide blauw, blauw van vaten.—Vatengerucht, metaalhol, jolig en dartel klankte òp bij bonzingen van karren, tusschen stadsgejoel. Uit de heet-zonnige straatbrokjes in ’t verschiet, fel-begloeid in brokkelige gevellijnen van pleister en rooden baksteen, schetterde òp orgeldreun, kanaljeuze stem van zonne-stad.—Langs den wal zwermden nog treuzelende groenboeren van de andere booten, tusschen melkvaten en karren. Eindelijk, ook dáár ratelden de karren met de roode en groene furie van vruchten, de stof-zonnende wijken in, verdwenen langzaam kerels en waar om straathoeken en pleinbochten, in ’t hartje van ’t gerucht-zwellende, gloeiende en dreunende stads-leven.—
[Inhoud]III.Tusschen gewar van melkbooten aan ’t Westerdok, stuurde kaptein de stadshaven in. Tegenover „Tuinders Geluk”, waren al de drie andere booten, binnengeankerd.Over den dwars dooreengestapelden warrel van kisten en manden sprongen de venters en vrouwen heen en weer, in woeligen stroom, overgolfd door snik-heete stanken. Van den „netoares” kreeg elk veiler ’n papiertje in de handen gestopt, waarop stond, hoe veel en van wie hij te vorderen had, bij teruggang naar Wiereland.—In gistenden warrel, als ’n opgejaagde horde begon uiteenkluwing van kisten en manden, weggesjouwd, verdragen op nekken en koppen.—Aan den walkant, in ’t zomerochtendgloeien, wemelde ’t van licht-bruine handkarren, waar de verhuurder in z’n zonnig-wit overhemd, bedrijvig doorheen manoeuvreerde, met elk venter wat snaterend en lollend. Vischvrouwen in kort-blauwe, roodbaaien rokken, en witflodderige jakkies, kanaljeus-aanhalig gekapt met de stijfbereepte haarkrullen, drongen, woelden in gillerigen kakel en ratel tusschen de enge karrengangetjes, opgejaagd, verhit snuffelend en schetterend, vastgrijpend de groenboeren om aardbeienwaar. Halsbloote Zeedijkers en stadsventers,[163]met lawaaierige blousen, opgedirkt in heeten lok en streel met rooie strikjes om blank naakt, verdrongen de losse kijkers, paften vooruit, met hun borstzwaren zwel van lijf, pronkend in ’t vroolijke getinkel en gerammel van hun koralen snoertjes met gouden slootjes, in glans begoten. Op één hoek drongen samen, jodenmannetjes en jodenvrouwtjes, schuchter-brutaal,bang-overmoedig tegelijk. Van de boot àf, dromden, bonkten en zwoegden de venters, botsend tegen elkaar op, in gejaagden loer, ieder naar zijn huurkar. Telkens vàn hun plaats, joegen ze weer naar de boot, rukten en bonkten hùn waar uit den burcht van kisten, stormend in stortvloed terug, weer tegen elkaar opbonkend met nieuwe bakken en manden, dat ze verknelden tusschen hun eigen vrachten. Woest krijschten de vrouwen en mannen, die bakken of manden hadden gegrepen van anderen, er niet meer verder mee wilden sjouwen.—Hassel.. hier:.. Has.. selll!.. jou bakke!—Bierbrouwèr!.. pak d’r an!—Bier.. broùwèrr! schreeuwde een naast den eersten krijscher, die ook ’n bak van dien venter had losgewoeld,—pak-àn! jou bakke!Tusschen de aangolvende massa, waar gloeiender tempo van koortsige jacht en verkoophartstocht doorheen zwol, ging woelender angst van niet-gauw-genoeg bij hun markt te zijn. Zon laaide, priemde, verzengde alles, sloeg in fellen kleurbrand de golvende, wemelende scharrelmassa. En telkens àndere kerels sjouwden atlas-vrachten àf, van de boot naar hun karren, duwden in vloek en krijsch de Zeedijkwijven en joodjes op zij, die brutaler en heeter rond hun bakken en waàr opdrongen.—Eindelijk, na de eerste ontkronkeling van kisten en sjouwers, dobberden weer, met hebzucht-haat elkaar be-venijnend, de koopsters rond de groenboeren.—Tuk op aardbei, barstte er ’n heete dingdrift los, van allen tegelijk, als één vloedstorm, één aanrukking van feros jaagleven, brandend lawaai van stemmen, in de klater-schroeiende zon, die begloeide de kleurkleeren, de vruchten, en te zengen vlamde in de bakken. Breed bejakte vischwijven; joodsche mummieïg verdroogde groenteventertjes,[164]met broeistank van zomersche zwoegmisere, verwalmend van d’r geteisterde lijven; kruiers, leegloopers met loenschig heeten oogstaar, venters en tuinders, woelden en krioelden rond de boot en aardbei-bakken.—Uitpuil-oogen gretigden overal waar vruchtjes òpgesjouwd werden. Vraat-zuchtige monden beefden rood-wreed en verwrongen van zenuwtrekken. Koop-hartstocht gierde en raasde door den zonne-brand van poer en scharrel. Van alle hoeken, nu manden en bakken losgestapeld rondgingen, sloeg ’t vruchtenrood uit, ’t gloeivuur van aardbei, tegen ’t blauwe hemelvuur van smoor-heeten Juli-brand. Op koppen en ruggen, de vruchten, sla, tuinboonen, aardappelen, doppers en wortelen, werden versjouwd, en hitsender, helscher joeg ’t schorre gekrijsch van kerels met verkeerde bakken, door de losgewoelde groepen.—Joap Kerredaik!—hier hain! donderde rauw in zwel van drift, ’n stem.—Vrouw Zeune!.… jai doar!!.. is d’r op kommende wège!—Vrouw Engels.… daa’s jou goed! mô jai da’ nie tù je staike?Rauw er doorheen brulde ’n venter, barstend van drift, met verzenuwden zweetmond, z’n kop doortrokken van bietrooie vlekken, in zwoeghitte:—Gais Kerredaik kòm! of ik donder je bakke teuge de grond.… ikke kèn hullie nie langerst hewwe! se benne d’r swoàr aa’s ’n lokemetief!.…—Gaa’-ais! Kerre.… dàik! bazuinde ’n ander tuinder, in rauwen woesten krijsch, ingekneld tusschen groenboeren en meiden. Vastgebeukt met loodzware bakvracht, zat ie tusschen drie karren in, en wilder krijschte hij om verlossing naar Kerredijk, die zèlf praatjes verlolde met ’n Zeedijkster.Wilder en ziedender stroomde ’n krioelbende langs en òm hem zonder dat ie z’n eigen waar kon raken. Te dansen van moordende drift stond ie, vloekend bakken tegen buik en keel aangedrukt, z’n zweetkop, zóó heet en rood-verzwollen, dat ’t leek of ie met z’n tronie in ’n menie-pot gesmakt was.—Bij hoeken en brokken was handel aan walkant al begonnen.[165]Dirk had ’n bak of tien, niet te gebruiken voor z’n klanten, verkocht aan ’n dikke meid, die op z’n karkruk wiegeldijend en breed-uit d’r zwiepende beenen, met mandjes zat te spelen.——Nou seg erijs blondje.… vleide ze zoetig-Amsterdamsch, dat Dirk ’n huiver van wellust voelde kruipen door z’n korpus, feur die daar as je d’r nou ’s drie sint seit!.… drie pop de honderd!.… hai je dèn je b’komst?—Bi je bedwaild geep! donder moar op! he jòu neudig! die vaif veur vier pop!.. gain duut minder!.. je ken d’r bai main nie figelaire!.…Dikke dij-meid zat onrustiger op karkruk te wiebelen. Vòòr d’r neus zag ze Ka al, met ’r blanke jak wurmen tusschen karren-kronkel, om naar Dirk toe te dringen. Telkens keek ze van ’r zachten dij-wiebel òp naar Dirk, die norsch-stom z’n rommel bonkend weer in de kar terugschikte; rekende ze haastig uit, met mijmer-oogen luchtblauw in, nàtellend op haar vingers en d’r witte schort topfijn betingelend, hoe hoog dàn ieder mandje kwam te staan. Eén dij, schort-omspannen, drukte nu breed-uit op de kruk, onder plooiigen wriemel en kreuk van rokken-spul. En telkens aanhalig, met knipoogjes en zoetig lachje, probeerde ze Dirk’s kijkers in te staren, geil, verliefderig.——Nou blondje.. toe noù!..Vlak achter de meid opgedrongen, ademhaalde in snurkerig gerucht, vuilneuzig zusje, dat toekeek, bleekgoor en stil. En rond de karren schreeuwden jochies en meisjes, liederlijk en vuil, als dolle duiveltjes in schel getier, tusschen elk engtetje en doorgangetje inkruipend en gierend. Van allen kant was nu de koopwaar losgebroken en uitgestald; smoorvolle karren als gloeiende karossen, bestapeld vóór den wal, beschaterd, en beblakerd van zonnevuur; ’t rood dat zengde, ’t oranje dat gloeide van hitte en ’t losgestorte groen, woelzee van gewas en vruchten. Hoog, in den dampenden gouddag, joelde en broeide kleurleven en sjacher daar sàmen, in den geluiden vermokerenden daver van zonne-begloeide stofstad. Golfwild en steigerend, sloeg en beukte de heete scharrel van vrouwlui en kerels dooréén.—[166]Ontzaglijk, in ruwe reuzenmacht van dondergeweld, zwel van krijsch en stemmenraas, schalden de geluiden door de snikheete lucht. In grilligen drom, wrongen de groenboeren tusschen de karren. Van allen kant klonk gepingel, gekrijsch als van schrei en lachstemmen, om geld, gèld. Toe- en afslag rumoerde. In dreun en rhytmus schokten koopers áán, verdwenen er weer, hier van elkaar geduwd, daar weer bijééngebotst, verkolkt in passiestroom van heeten sjacher, onder vloek en raas, tusschen gedrang en hitte. Schooierende sjouwers en kruiers wachtten, stoeiden met meiden in vuilen handgrabbel naar rokkenspul.—Dirk was met z’n vette schommeldame net afgehandeld. Ze had de bakken gekregen en breed, voor d’r buik, schort omgevouwen, werkte ze de kisten van de kar, terwijl hij geen vin verroerde. Telkens drong ze tusschen de kar-engten terug, sjouwde ze nieuwe vracht mee.—D’r zware kop schudde, ’r stijf bereepte krullen schudden, ’r oorbellen schudden, en wijder spande jakje òpen, bij vet-blanken wellusthals. Met ’r ingeperst, naar voren gebukt lijf, ’r breeë wiegende hangborsten op de bakken gekneld, armen in breeden span om d’r vracht uitgebogen, stapte ze zweetzwaar en snelademend vóórt, op de kort-stevige beenen, dòòr de venters en vrouw-stoeten heenzuigend; met d’r lijf teruggebonkt, op zij gewaggeld, toch doorporrend, tot ze bij ’r eigen kar, dood op en blazend, ’r boel kon neersmakken.Dirk keek ’r na, loom-kalm. Dat waren de eerste warme centen in z’n hand, lolde ’t in hem. ’n lekkere markt.—.… kaike.… da waa’s net effe acht uur, da kon t’met.… En nou had ie nog ’n lollige reperoatie.. mit de maid.… ’n afsproàkie veur d’ aêre week.… Da’ gong … ’n vetje!.. lang nie mis.. Heere mejeepie! kaik! d’r stong sai te haige!… bloas jai moar maid.… da’ mo’k ook doen veur main kossie!.. kaik.… nou brenge de kooters d’r nog bakke noà!.…Overal onder de venters was bestiaal gestoei met meiden; braakten vloeken en getier los, dierlijk en broeierig. Tusschen het dondergeraas van groote stad, ’t mokergeweld van bierkarren, van rijtuigen en trem-jacht, schel geklinkel en gebengel,[167]bonkerde de groote stadsscharrel, mokerde ’t havenhart. En overal rondom, geklakker van paardhoeven op keien in het barende roezemoes van kreten en schreeuwen, in den ontwakenden ochtendwemel.—Tusschen gedonder en gewarrel van melkbooten, vrachtschepen en tuinders verder op, scharrelden de venters, verhit in dollen woordstoei rond de meiden, onder wellust-schater en vloek, verkoopend hun waar. En de wijven, zinnen-dronken met d’r bevende hartstochtmonden, hun felle oogen,—oogen vol van liederlijk begeeren, rood van kanaljeuze passie-vlam,—lieten zich bestoeien, soms èven in schijn-afweer beproestend de knappe boeren van Wiereland, die grepen en knepen in d’r blanke borsten, in d’r warme lijven, d’r vette armen, gespannen en saamgesnoerd in witte jakken, d’r schommel-dijen voluptueus zwellend onder heet-rooie en blauwe rokken.—Dol keken de kerels zich op dat blanke vleesch. Dronken luisterden ze naar de tartende kanaljeuse meidentaal, en gretig roken, snoven, dronken ze in den zonnegloei, den zweetwasem van hun blanke lijven, verblind en bezwijmeld door ’t hel-witte jakkies-spel, de witte schorten, de rooie lintjes en kraalsnoertjes, de lichte rokken en boezelaars, zondoordoopt in felle helheid van barnend zomerlicht.—Telkens meer blauwe en rooie onderrokken zwierden in uitschulpenden zwaai van de karkrukken naar de boot. Fel gloeiden de kittelende, zwierslaande slootjes op kralensnoertjes, om de varkenshalzen, en felketsend, in verblindende hoogheid van begloeid wit, dromden dan hier, dan daar, de jàk- en blousen-meiden tusschen ’t vruchtenrood, ’t groen, tusschen ’t geblaker en gezoem van gonzende, heete kleuren.—Dirk zocht naar z’n kruier, want alle venters hadden hun vasten man, die de kar duwde in den zwoegenden ommegang rond hun stadswijk. Eindelijk door ’n woeligen drom heen, zag Dirk zijn helper. ’n Schreeuw, rauw, geweldig, ’n arm-pagaaiend gebaar, nijdige veeg door de lucht bòven de koppen der venters, en de kruier wurmde op ’m aan, tusschen ’t gedrang.[168]Langzaam hotsten en ratelden de karren weg van den wal, met de opgestapelde, pronkende waar, de grommende stad in, stad van gebarsten muren en hooge huizen, in zonkleurigen gloei van gevelsteen en beblakerde keien, brandende stad van ratelend rumoer en gloeistoffige zonnigheid.—Wijven met karren, armelijk vergeelde joodsche vrouwtjes, en donkerkrulharige joodsche groenteventertjes in mandrillig rad beweeg van uitbuilenden mond, rimpelige voorkoppen en vooruitgezwollen lippen, donker en harig,—bleven op ’n hoopje elkaar nog wat toeschreeuwen bij den wal, met heete gebaren en kefferige schorre stemmen.Zon moordde en zengde tusschen ze in, als reuzebom, die hel vonkend schroot uitgeslingerd had naar de, in goud-gloei gewiegde zonne-aárde, toortswalmige hitte verschroeiend op karwanden, vruchten en steenen. Alles stond in Juligloei, dreunenden lichtval, goud en fel wit-vurig. En hemeldom, strak, tusschen de huisblokken uit, boven ’t Westerdok, waar teerwalm zonnig rookte, barnde als blauwvuur. Aan overkant, tusschen woeling van melkbooten gloeide blauw, blauw van vaten.—Vatengerucht, metaalhol, jolig en dartel klankte òp bij bonzingen van karren, tusschen stadsgejoel. Uit de heet-zonnige straatbrokjes in ’t verschiet, fel-begloeid in brokkelige gevellijnen van pleister en rooden baksteen, schetterde òp orgeldreun, kanaljeuze stem van zonne-stad.—Langs den wal zwermden nog treuzelende groenboeren van de andere booten, tusschen melkvaten en karren. Eindelijk, ook dáár ratelden de karren met de roode en groene furie van vruchten, de stof-zonnende wijken in, verdwenen langzaam kerels en waar om straathoeken en pleinbochten, in ’t hartje van ’t gerucht-zwellende, gloeiende en dreunende stads-leven.—
[Inhoud]III.Tusschen gewar van melkbooten aan ’t Westerdok, stuurde kaptein de stadshaven in. Tegenover „Tuinders Geluk”, waren al de drie andere booten, binnengeankerd.Over den dwars dooreengestapelden warrel van kisten en manden sprongen de venters en vrouwen heen en weer, in woeligen stroom, overgolfd door snik-heete stanken. Van den „netoares” kreeg elk veiler ’n papiertje in de handen gestopt, waarop stond, hoe veel en van wie hij te vorderen had, bij teruggang naar Wiereland.—In gistenden warrel, als ’n opgejaagde horde begon uiteenkluwing van kisten en manden, weggesjouwd, verdragen op nekken en koppen.—Aan den walkant, in ’t zomerochtendgloeien, wemelde ’t van licht-bruine handkarren, waar de verhuurder in z’n zonnig-wit overhemd, bedrijvig doorheen manoeuvreerde, met elk venter wat snaterend en lollend. Vischvrouwen in kort-blauwe, roodbaaien rokken, en witflodderige jakkies, kanaljeus-aanhalig gekapt met de stijfbereepte haarkrullen, drongen, woelden in gillerigen kakel en ratel tusschen de enge karrengangetjes, opgejaagd, verhit snuffelend en schetterend, vastgrijpend de groenboeren om aardbeienwaar. Halsbloote Zeedijkers en stadsventers,[163]met lawaaierige blousen, opgedirkt in heeten lok en streel met rooie strikjes om blank naakt, verdrongen de losse kijkers, paften vooruit, met hun borstzwaren zwel van lijf, pronkend in ’t vroolijke getinkel en gerammel van hun koralen snoertjes met gouden slootjes, in glans begoten. Op één hoek drongen samen, jodenmannetjes en jodenvrouwtjes, schuchter-brutaal,bang-overmoedig tegelijk. Van de boot àf, dromden, bonkten en zwoegden de venters, botsend tegen elkaar op, in gejaagden loer, ieder naar zijn huurkar. Telkens vàn hun plaats, joegen ze weer naar de boot, rukten en bonkten hùn waar uit den burcht van kisten, stormend in stortvloed terug, weer tegen elkaar opbonkend met nieuwe bakken en manden, dat ze verknelden tusschen hun eigen vrachten. Woest krijschten de vrouwen en mannen, die bakken of manden hadden gegrepen van anderen, er niet meer verder mee wilden sjouwen.—Hassel.. hier:.. Has.. selll!.. jou bakke!—Bierbrouwèr!.. pak d’r an!—Bier.. broùwèrr! schreeuwde een naast den eersten krijscher, die ook ’n bak van dien venter had losgewoeld,—pak-àn! jou bakke!Tusschen de aangolvende massa, waar gloeiender tempo van koortsige jacht en verkoophartstocht doorheen zwol, ging woelender angst van niet-gauw-genoeg bij hun markt te zijn. Zon laaide, priemde, verzengde alles, sloeg in fellen kleurbrand de golvende, wemelende scharrelmassa. En telkens àndere kerels sjouwden atlas-vrachten àf, van de boot naar hun karren, duwden in vloek en krijsch de Zeedijkwijven en joodjes op zij, die brutaler en heeter rond hun bakken en waàr opdrongen.—Eindelijk, na de eerste ontkronkeling van kisten en sjouwers, dobberden weer, met hebzucht-haat elkaar be-venijnend, de koopsters rond de groenboeren.—Tuk op aardbei, barstte er ’n heete dingdrift los, van allen tegelijk, als één vloedstorm, één aanrukking van feros jaagleven, brandend lawaai van stemmen, in de klater-schroeiende zon, die begloeide de kleurkleeren, de vruchten, en te zengen vlamde in de bakken. Breed bejakte vischwijven; joodsche mummieïg verdroogde groenteventertjes,[164]met broeistank van zomersche zwoegmisere, verwalmend van d’r geteisterde lijven; kruiers, leegloopers met loenschig heeten oogstaar, venters en tuinders, woelden en krioelden rond de boot en aardbei-bakken.—Uitpuil-oogen gretigden overal waar vruchtjes òpgesjouwd werden. Vraat-zuchtige monden beefden rood-wreed en verwrongen van zenuwtrekken. Koop-hartstocht gierde en raasde door den zonne-brand van poer en scharrel. Van alle hoeken, nu manden en bakken losgestapeld rondgingen, sloeg ’t vruchtenrood uit, ’t gloeivuur van aardbei, tegen ’t blauwe hemelvuur van smoor-heeten Juli-brand. Op koppen en ruggen, de vruchten, sla, tuinboonen, aardappelen, doppers en wortelen, werden versjouwd, en hitsender, helscher joeg ’t schorre gekrijsch van kerels met verkeerde bakken, door de losgewoelde groepen.—Joap Kerredaik!—hier hain! donderde rauw in zwel van drift, ’n stem.—Vrouw Zeune!.… jai doar!!.. is d’r op kommende wège!—Vrouw Engels.… daa’s jou goed! mô jai da’ nie tù je staike?Rauw er doorheen brulde ’n venter, barstend van drift, met verzenuwden zweetmond, z’n kop doortrokken van bietrooie vlekken, in zwoeghitte:—Gais Kerredaik kòm! of ik donder je bakke teuge de grond.… ikke kèn hullie nie langerst hewwe! se benne d’r swoàr aa’s ’n lokemetief!.…—Gaa’-ais! Kerre.… dàik! bazuinde ’n ander tuinder, in rauwen woesten krijsch, ingekneld tusschen groenboeren en meiden. Vastgebeukt met loodzware bakvracht, zat ie tusschen drie karren in, en wilder krijschte hij om verlossing naar Kerredijk, die zèlf praatjes verlolde met ’n Zeedijkster.Wilder en ziedender stroomde ’n krioelbende langs en òm hem zonder dat ie z’n eigen waar kon raken. Te dansen van moordende drift stond ie, vloekend bakken tegen buik en keel aangedrukt, z’n zweetkop, zóó heet en rood-verzwollen, dat ’t leek of ie met z’n tronie in ’n menie-pot gesmakt was.—Bij hoeken en brokken was handel aan walkant al begonnen.[165]Dirk had ’n bak of tien, niet te gebruiken voor z’n klanten, verkocht aan ’n dikke meid, die op z’n karkruk wiegeldijend en breed-uit d’r zwiepende beenen, met mandjes zat te spelen.——Nou seg erijs blondje.… vleide ze zoetig-Amsterdamsch, dat Dirk ’n huiver van wellust voelde kruipen door z’n korpus, feur die daar as je d’r nou ’s drie sint seit!.… drie pop de honderd!.… hai je dèn je b’komst?—Bi je bedwaild geep! donder moar op! he jòu neudig! die vaif veur vier pop!.. gain duut minder!.. je ken d’r bai main nie figelaire!.…Dikke dij-meid zat onrustiger op karkruk te wiebelen. Vòòr d’r neus zag ze Ka al, met ’r blanke jak wurmen tusschen karren-kronkel, om naar Dirk toe te dringen. Telkens keek ze van ’r zachten dij-wiebel òp naar Dirk, die norsch-stom z’n rommel bonkend weer in de kar terugschikte; rekende ze haastig uit, met mijmer-oogen luchtblauw in, nàtellend op haar vingers en d’r witte schort topfijn betingelend, hoe hoog dàn ieder mandje kwam te staan. Eén dij, schort-omspannen, drukte nu breed-uit op de kruk, onder plooiigen wriemel en kreuk van rokken-spul. En telkens aanhalig, met knipoogjes en zoetig lachje, probeerde ze Dirk’s kijkers in te staren, geil, verliefderig.——Nou blondje.. toe noù!..Vlak achter de meid opgedrongen, ademhaalde in snurkerig gerucht, vuilneuzig zusje, dat toekeek, bleekgoor en stil. En rond de karren schreeuwden jochies en meisjes, liederlijk en vuil, als dolle duiveltjes in schel getier, tusschen elk engtetje en doorgangetje inkruipend en gierend. Van allen kant was nu de koopwaar losgebroken en uitgestald; smoorvolle karren als gloeiende karossen, bestapeld vóór den wal, beschaterd, en beblakerd van zonnevuur; ’t rood dat zengde, ’t oranje dat gloeide van hitte en ’t losgestorte groen, woelzee van gewas en vruchten. Hoog, in den dampenden gouddag, joelde en broeide kleurleven en sjacher daar sàmen, in den geluiden vermokerenden daver van zonne-begloeide stofstad. Golfwild en steigerend, sloeg en beukte de heete scharrel van vrouwlui en kerels dooréén.—[166]Ontzaglijk, in ruwe reuzenmacht van dondergeweld, zwel van krijsch en stemmenraas, schalden de geluiden door de snikheete lucht. In grilligen drom, wrongen de groenboeren tusschen de karren. Van allen kant klonk gepingel, gekrijsch als van schrei en lachstemmen, om geld, gèld. Toe- en afslag rumoerde. In dreun en rhytmus schokten koopers áán, verdwenen er weer, hier van elkaar geduwd, daar weer bijééngebotst, verkolkt in passiestroom van heeten sjacher, onder vloek en raas, tusschen gedrang en hitte. Schooierende sjouwers en kruiers wachtten, stoeiden met meiden in vuilen handgrabbel naar rokkenspul.—Dirk was met z’n vette schommeldame net afgehandeld. Ze had de bakken gekregen en breed, voor d’r buik, schort omgevouwen, werkte ze de kisten van de kar, terwijl hij geen vin verroerde. Telkens drong ze tusschen de kar-engten terug, sjouwde ze nieuwe vracht mee.—D’r zware kop schudde, ’r stijf bereepte krullen schudden, ’r oorbellen schudden, en wijder spande jakje òpen, bij vet-blanken wellusthals. Met ’r ingeperst, naar voren gebukt lijf, ’r breeë wiegende hangborsten op de bakken gekneld, armen in breeden span om d’r vracht uitgebogen, stapte ze zweetzwaar en snelademend vóórt, op de kort-stevige beenen, dòòr de venters en vrouw-stoeten heenzuigend; met d’r lijf teruggebonkt, op zij gewaggeld, toch doorporrend, tot ze bij ’r eigen kar, dood op en blazend, ’r boel kon neersmakken.Dirk keek ’r na, loom-kalm. Dat waren de eerste warme centen in z’n hand, lolde ’t in hem. ’n lekkere markt.—.… kaike.… da waa’s net effe acht uur, da kon t’met.… En nou had ie nog ’n lollige reperoatie.. mit de maid.… ’n afsproàkie veur d’ aêre week.… Da’ gong … ’n vetje!.. lang nie mis.. Heere mejeepie! kaik! d’r stong sai te haige!… bloas jai moar maid.… da’ mo’k ook doen veur main kossie!.. kaik.… nou brenge de kooters d’r nog bakke noà!.…Overal onder de venters was bestiaal gestoei met meiden; braakten vloeken en getier los, dierlijk en broeierig. Tusschen het dondergeraas van groote stad, ’t mokergeweld van bierkarren, van rijtuigen en trem-jacht, schel geklinkel en gebengel,[167]bonkerde de groote stadsscharrel, mokerde ’t havenhart. En overal rondom, geklakker van paardhoeven op keien in het barende roezemoes van kreten en schreeuwen, in den ontwakenden ochtendwemel.—Tusschen gedonder en gewarrel van melkbooten, vrachtschepen en tuinders verder op, scharrelden de venters, verhit in dollen woordstoei rond de meiden, onder wellust-schater en vloek, verkoopend hun waar. En de wijven, zinnen-dronken met d’r bevende hartstochtmonden, hun felle oogen,—oogen vol van liederlijk begeeren, rood van kanaljeuze passie-vlam,—lieten zich bestoeien, soms èven in schijn-afweer beproestend de knappe boeren van Wiereland, die grepen en knepen in d’r blanke borsten, in d’r warme lijven, d’r vette armen, gespannen en saamgesnoerd in witte jakken, d’r schommel-dijen voluptueus zwellend onder heet-rooie en blauwe rokken.—Dol keken de kerels zich op dat blanke vleesch. Dronken luisterden ze naar de tartende kanaljeuse meidentaal, en gretig roken, snoven, dronken ze in den zonnegloei, den zweetwasem van hun blanke lijven, verblind en bezwijmeld door ’t hel-witte jakkies-spel, de witte schorten, de rooie lintjes en kraalsnoertjes, de lichte rokken en boezelaars, zondoordoopt in felle helheid van barnend zomerlicht.—Telkens meer blauwe en rooie onderrokken zwierden in uitschulpenden zwaai van de karkrukken naar de boot. Fel gloeiden de kittelende, zwierslaande slootjes op kralensnoertjes, om de varkenshalzen, en felketsend, in verblindende hoogheid van begloeid wit, dromden dan hier, dan daar, de jàk- en blousen-meiden tusschen ’t vruchtenrood, ’t groen, tusschen ’t geblaker en gezoem van gonzende, heete kleuren.—Dirk zocht naar z’n kruier, want alle venters hadden hun vasten man, die de kar duwde in den zwoegenden ommegang rond hun stadswijk. Eindelijk door ’n woeligen drom heen, zag Dirk zijn helper. ’n Schreeuw, rauw, geweldig, ’n arm-pagaaiend gebaar, nijdige veeg door de lucht bòven de koppen der venters, en de kruier wurmde op ’m aan, tusschen ’t gedrang.[168]Langzaam hotsten en ratelden de karren weg van den wal, met de opgestapelde, pronkende waar, de grommende stad in, stad van gebarsten muren en hooge huizen, in zonkleurigen gloei van gevelsteen en beblakerde keien, brandende stad van ratelend rumoer en gloeistoffige zonnigheid.—Wijven met karren, armelijk vergeelde joodsche vrouwtjes, en donkerkrulharige joodsche groenteventertjes in mandrillig rad beweeg van uitbuilenden mond, rimpelige voorkoppen en vooruitgezwollen lippen, donker en harig,—bleven op ’n hoopje elkaar nog wat toeschreeuwen bij den wal, met heete gebaren en kefferige schorre stemmen.Zon moordde en zengde tusschen ze in, als reuzebom, die hel vonkend schroot uitgeslingerd had naar de, in goud-gloei gewiegde zonne-aárde, toortswalmige hitte verschroeiend op karwanden, vruchten en steenen. Alles stond in Juligloei, dreunenden lichtval, goud en fel wit-vurig. En hemeldom, strak, tusschen de huisblokken uit, boven ’t Westerdok, waar teerwalm zonnig rookte, barnde als blauwvuur. Aan overkant, tusschen woeling van melkbooten gloeide blauw, blauw van vaten.—Vatengerucht, metaalhol, jolig en dartel klankte òp bij bonzingen van karren, tusschen stadsgejoel. Uit de heet-zonnige straatbrokjes in ’t verschiet, fel-begloeid in brokkelige gevellijnen van pleister en rooden baksteen, schetterde òp orgeldreun, kanaljeuze stem van zonne-stad.—Langs den wal zwermden nog treuzelende groenboeren van de andere booten, tusschen melkvaten en karren. Eindelijk, ook dáár ratelden de karren met de roode en groene furie van vruchten, de stof-zonnende wijken in, verdwenen langzaam kerels en waar om straathoeken en pleinbochten, in ’t hartje van ’t gerucht-zwellende, gloeiende en dreunende stads-leven.—
[Inhoud]III.Tusschen gewar van melkbooten aan ’t Westerdok, stuurde kaptein de stadshaven in. Tegenover „Tuinders Geluk”, waren al de drie andere booten, binnengeankerd.Over den dwars dooreengestapelden warrel van kisten en manden sprongen de venters en vrouwen heen en weer, in woeligen stroom, overgolfd door snik-heete stanken. Van den „netoares” kreeg elk veiler ’n papiertje in de handen gestopt, waarop stond, hoe veel en van wie hij te vorderen had, bij teruggang naar Wiereland.—In gistenden warrel, als ’n opgejaagde horde begon uiteenkluwing van kisten en manden, weggesjouwd, verdragen op nekken en koppen.—Aan den walkant, in ’t zomerochtendgloeien, wemelde ’t van licht-bruine handkarren, waar de verhuurder in z’n zonnig-wit overhemd, bedrijvig doorheen manoeuvreerde, met elk venter wat snaterend en lollend. Vischvrouwen in kort-blauwe, roodbaaien rokken, en witflodderige jakkies, kanaljeus-aanhalig gekapt met de stijfbereepte haarkrullen, drongen, woelden in gillerigen kakel en ratel tusschen de enge karrengangetjes, opgejaagd, verhit snuffelend en schetterend, vastgrijpend de groenboeren om aardbeienwaar. Halsbloote Zeedijkers en stadsventers,[163]met lawaaierige blousen, opgedirkt in heeten lok en streel met rooie strikjes om blank naakt, verdrongen de losse kijkers, paften vooruit, met hun borstzwaren zwel van lijf, pronkend in ’t vroolijke getinkel en gerammel van hun koralen snoertjes met gouden slootjes, in glans begoten. Op één hoek drongen samen, jodenmannetjes en jodenvrouwtjes, schuchter-brutaal,bang-overmoedig tegelijk. Van de boot àf, dromden, bonkten en zwoegden de venters, botsend tegen elkaar op, in gejaagden loer, ieder naar zijn huurkar. Telkens vàn hun plaats, joegen ze weer naar de boot, rukten en bonkten hùn waar uit den burcht van kisten, stormend in stortvloed terug, weer tegen elkaar opbonkend met nieuwe bakken en manden, dat ze verknelden tusschen hun eigen vrachten. Woest krijschten de vrouwen en mannen, die bakken of manden hadden gegrepen van anderen, er niet meer verder mee wilden sjouwen.—Hassel.. hier:.. Has.. selll!.. jou bakke!—Bierbrouwèr!.. pak d’r an!—Bier.. broùwèrr! schreeuwde een naast den eersten krijscher, die ook ’n bak van dien venter had losgewoeld,—pak-àn! jou bakke!Tusschen de aangolvende massa, waar gloeiender tempo van koortsige jacht en verkoophartstocht doorheen zwol, ging woelender angst van niet-gauw-genoeg bij hun markt te zijn. Zon laaide, priemde, verzengde alles, sloeg in fellen kleurbrand de golvende, wemelende scharrelmassa. En telkens àndere kerels sjouwden atlas-vrachten àf, van de boot naar hun karren, duwden in vloek en krijsch de Zeedijkwijven en joodjes op zij, die brutaler en heeter rond hun bakken en waàr opdrongen.—Eindelijk, na de eerste ontkronkeling van kisten en sjouwers, dobberden weer, met hebzucht-haat elkaar be-venijnend, de koopsters rond de groenboeren.—Tuk op aardbei, barstte er ’n heete dingdrift los, van allen tegelijk, als één vloedstorm, één aanrukking van feros jaagleven, brandend lawaai van stemmen, in de klater-schroeiende zon, die begloeide de kleurkleeren, de vruchten, en te zengen vlamde in de bakken. Breed bejakte vischwijven; joodsche mummieïg verdroogde groenteventertjes,[164]met broeistank van zomersche zwoegmisere, verwalmend van d’r geteisterde lijven; kruiers, leegloopers met loenschig heeten oogstaar, venters en tuinders, woelden en krioelden rond de boot en aardbei-bakken.—Uitpuil-oogen gretigden overal waar vruchtjes òpgesjouwd werden. Vraat-zuchtige monden beefden rood-wreed en verwrongen van zenuwtrekken. Koop-hartstocht gierde en raasde door den zonne-brand van poer en scharrel. Van alle hoeken, nu manden en bakken losgestapeld rondgingen, sloeg ’t vruchtenrood uit, ’t gloeivuur van aardbei, tegen ’t blauwe hemelvuur van smoor-heeten Juli-brand. Op koppen en ruggen, de vruchten, sla, tuinboonen, aardappelen, doppers en wortelen, werden versjouwd, en hitsender, helscher joeg ’t schorre gekrijsch van kerels met verkeerde bakken, door de losgewoelde groepen.—Joap Kerredaik!—hier hain! donderde rauw in zwel van drift, ’n stem.—Vrouw Zeune!.… jai doar!!.. is d’r op kommende wège!—Vrouw Engels.… daa’s jou goed! mô jai da’ nie tù je staike?Rauw er doorheen brulde ’n venter, barstend van drift, met verzenuwden zweetmond, z’n kop doortrokken van bietrooie vlekken, in zwoeghitte:—Gais Kerredaik kòm! of ik donder je bakke teuge de grond.… ikke kèn hullie nie langerst hewwe! se benne d’r swoàr aa’s ’n lokemetief!.…—Gaa’-ais! Kerre.… dàik! bazuinde ’n ander tuinder, in rauwen woesten krijsch, ingekneld tusschen groenboeren en meiden. Vastgebeukt met loodzware bakvracht, zat ie tusschen drie karren in, en wilder krijschte hij om verlossing naar Kerredijk, die zèlf praatjes verlolde met ’n Zeedijkster.Wilder en ziedender stroomde ’n krioelbende langs en òm hem zonder dat ie z’n eigen waar kon raken. Te dansen van moordende drift stond ie, vloekend bakken tegen buik en keel aangedrukt, z’n zweetkop, zóó heet en rood-verzwollen, dat ’t leek of ie met z’n tronie in ’n menie-pot gesmakt was.—Bij hoeken en brokken was handel aan walkant al begonnen.[165]Dirk had ’n bak of tien, niet te gebruiken voor z’n klanten, verkocht aan ’n dikke meid, die op z’n karkruk wiegeldijend en breed-uit d’r zwiepende beenen, met mandjes zat te spelen.——Nou seg erijs blondje.… vleide ze zoetig-Amsterdamsch, dat Dirk ’n huiver van wellust voelde kruipen door z’n korpus, feur die daar as je d’r nou ’s drie sint seit!.… drie pop de honderd!.… hai je dèn je b’komst?—Bi je bedwaild geep! donder moar op! he jòu neudig! die vaif veur vier pop!.. gain duut minder!.. je ken d’r bai main nie figelaire!.…Dikke dij-meid zat onrustiger op karkruk te wiebelen. Vòòr d’r neus zag ze Ka al, met ’r blanke jak wurmen tusschen karren-kronkel, om naar Dirk toe te dringen. Telkens keek ze van ’r zachten dij-wiebel òp naar Dirk, die norsch-stom z’n rommel bonkend weer in de kar terugschikte; rekende ze haastig uit, met mijmer-oogen luchtblauw in, nàtellend op haar vingers en d’r witte schort topfijn betingelend, hoe hoog dàn ieder mandje kwam te staan. Eén dij, schort-omspannen, drukte nu breed-uit op de kruk, onder plooiigen wriemel en kreuk van rokken-spul. En telkens aanhalig, met knipoogjes en zoetig lachje, probeerde ze Dirk’s kijkers in te staren, geil, verliefderig.——Nou blondje.. toe noù!..Vlak achter de meid opgedrongen, ademhaalde in snurkerig gerucht, vuilneuzig zusje, dat toekeek, bleekgoor en stil. En rond de karren schreeuwden jochies en meisjes, liederlijk en vuil, als dolle duiveltjes in schel getier, tusschen elk engtetje en doorgangetje inkruipend en gierend. Van allen kant was nu de koopwaar losgebroken en uitgestald; smoorvolle karren als gloeiende karossen, bestapeld vóór den wal, beschaterd, en beblakerd van zonnevuur; ’t rood dat zengde, ’t oranje dat gloeide van hitte en ’t losgestorte groen, woelzee van gewas en vruchten. Hoog, in den dampenden gouddag, joelde en broeide kleurleven en sjacher daar sàmen, in den geluiden vermokerenden daver van zonne-begloeide stofstad. Golfwild en steigerend, sloeg en beukte de heete scharrel van vrouwlui en kerels dooréén.—[166]Ontzaglijk, in ruwe reuzenmacht van dondergeweld, zwel van krijsch en stemmenraas, schalden de geluiden door de snikheete lucht. In grilligen drom, wrongen de groenboeren tusschen de karren. Van allen kant klonk gepingel, gekrijsch als van schrei en lachstemmen, om geld, gèld. Toe- en afslag rumoerde. In dreun en rhytmus schokten koopers áán, verdwenen er weer, hier van elkaar geduwd, daar weer bijééngebotst, verkolkt in passiestroom van heeten sjacher, onder vloek en raas, tusschen gedrang en hitte. Schooierende sjouwers en kruiers wachtten, stoeiden met meiden in vuilen handgrabbel naar rokkenspul.—Dirk was met z’n vette schommeldame net afgehandeld. Ze had de bakken gekregen en breed, voor d’r buik, schort omgevouwen, werkte ze de kisten van de kar, terwijl hij geen vin verroerde. Telkens drong ze tusschen de kar-engten terug, sjouwde ze nieuwe vracht mee.—D’r zware kop schudde, ’r stijf bereepte krullen schudden, ’r oorbellen schudden, en wijder spande jakje òpen, bij vet-blanken wellusthals. Met ’r ingeperst, naar voren gebukt lijf, ’r breeë wiegende hangborsten op de bakken gekneld, armen in breeden span om d’r vracht uitgebogen, stapte ze zweetzwaar en snelademend vóórt, op de kort-stevige beenen, dòòr de venters en vrouw-stoeten heenzuigend; met d’r lijf teruggebonkt, op zij gewaggeld, toch doorporrend, tot ze bij ’r eigen kar, dood op en blazend, ’r boel kon neersmakken.Dirk keek ’r na, loom-kalm. Dat waren de eerste warme centen in z’n hand, lolde ’t in hem. ’n lekkere markt.—.… kaike.… da waa’s net effe acht uur, da kon t’met.… En nou had ie nog ’n lollige reperoatie.. mit de maid.… ’n afsproàkie veur d’ aêre week.… Da’ gong … ’n vetje!.. lang nie mis.. Heere mejeepie! kaik! d’r stong sai te haige!… bloas jai moar maid.… da’ mo’k ook doen veur main kossie!.. kaik.… nou brenge de kooters d’r nog bakke noà!.…Overal onder de venters was bestiaal gestoei met meiden; braakten vloeken en getier los, dierlijk en broeierig. Tusschen het dondergeraas van groote stad, ’t mokergeweld van bierkarren, van rijtuigen en trem-jacht, schel geklinkel en gebengel,[167]bonkerde de groote stadsscharrel, mokerde ’t havenhart. En overal rondom, geklakker van paardhoeven op keien in het barende roezemoes van kreten en schreeuwen, in den ontwakenden ochtendwemel.—Tusschen gedonder en gewarrel van melkbooten, vrachtschepen en tuinders verder op, scharrelden de venters, verhit in dollen woordstoei rond de meiden, onder wellust-schater en vloek, verkoopend hun waar. En de wijven, zinnen-dronken met d’r bevende hartstochtmonden, hun felle oogen,—oogen vol van liederlijk begeeren, rood van kanaljeuze passie-vlam,—lieten zich bestoeien, soms èven in schijn-afweer beproestend de knappe boeren van Wiereland, die grepen en knepen in d’r blanke borsten, in d’r warme lijven, d’r vette armen, gespannen en saamgesnoerd in witte jakken, d’r schommel-dijen voluptueus zwellend onder heet-rooie en blauwe rokken.—Dol keken de kerels zich op dat blanke vleesch. Dronken luisterden ze naar de tartende kanaljeuse meidentaal, en gretig roken, snoven, dronken ze in den zonnegloei, den zweetwasem van hun blanke lijven, verblind en bezwijmeld door ’t hel-witte jakkies-spel, de witte schorten, de rooie lintjes en kraalsnoertjes, de lichte rokken en boezelaars, zondoordoopt in felle helheid van barnend zomerlicht.—Telkens meer blauwe en rooie onderrokken zwierden in uitschulpenden zwaai van de karkrukken naar de boot. Fel gloeiden de kittelende, zwierslaande slootjes op kralensnoertjes, om de varkenshalzen, en felketsend, in verblindende hoogheid van begloeid wit, dromden dan hier, dan daar, de jàk- en blousen-meiden tusschen ’t vruchtenrood, ’t groen, tusschen ’t geblaker en gezoem van gonzende, heete kleuren.—Dirk zocht naar z’n kruier, want alle venters hadden hun vasten man, die de kar duwde in den zwoegenden ommegang rond hun stadswijk. Eindelijk door ’n woeligen drom heen, zag Dirk zijn helper. ’n Schreeuw, rauw, geweldig, ’n arm-pagaaiend gebaar, nijdige veeg door de lucht bòven de koppen der venters, en de kruier wurmde op ’m aan, tusschen ’t gedrang.[168]Langzaam hotsten en ratelden de karren weg van den wal, met de opgestapelde, pronkende waar, de grommende stad in, stad van gebarsten muren en hooge huizen, in zonkleurigen gloei van gevelsteen en beblakerde keien, brandende stad van ratelend rumoer en gloeistoffige zonnigheid.—Wijven met karren, armelijk vergeelde joodsche vrouwtjes, en donkerkrulharige joodsche groenteventertjes in mandrillig rad beweeg van uitbuilenden mond, rimpelige voorkoppen en vooruitgezwollen lippen, donker en harig,—bleven op ’n hoopje elkaar nog wat toeschreeuwen bij den wal, met heete gebaren en kefferige schorre stemmen.Zon moordde en zengde tusschen ze in, als reuzebom, die hel vonkend schroot uitgeslingerd had naar de, in goud-gloei gewiegde zonne-aárde, toortswalmige hitte verschroeiend op karwanden, vruchten en steenen. Alles stond in Juligloei, dreunenden lichtval, goud en fel wit-vurig. En hemeldom, strak, tusschen de huisblokken uit, boven ’t Westerdok, waar teerwalm zonnig rookte, barnde als blauwvuur. Aan overkant, tusschen woeling van melkbooten gloeide blauw, blauw van vaten.—Vatengerucht, metaalhol, jolig en dartel klankte òp bij bonzingen van karren, tusschen stadsgejoel. Uit de heet-zonnige straatbrokjes in ’t verschiet, fel-begloeid in brokkelige gevellijnen van pleister en rooden baksteen, schetterde òp orgeldreun, kanaljeuze stem van zonne-stad.—Langs den wal zwermden nog treuzelende groenboeren van de andere booten, tusschen melkvaten en karren. Eindelijk, ook dáár ratelden de karren met de roode en groene furie van vruchten, de stof-zonnende wijken in, verdwenen langzaam kerels en waar om straathoeken en pleinbochten, in ’t hartje van ’t gerucht-zwellende, gloeiende en dreunende stads-leven.—
III.
Tusschen gewar van melkbooten aan ’t Westerdok, stuurde kaptein de stadshaven in. Tegenover „Tuinders Geluk”, waren al de drie andere booten, binnengeankerd.Over den dwars dooreengestapelden warrel van kisten en manden sprongen de venters en vrouwen heen en weer, in woeligen stroom, overgolfd door snik-heete stanken. Van den „netoares” kreeg elk veiler ’n papiertje in de handen gestopt, waarop stond, hoe veel en van wie hij te vorderen had, bij teruggang naar Wiereland.—In gistenden warrel, als ’n opgejaagde horde begon uiteenkluwing van kisten en manden, weggesjouwd, verdragen op nekken en koppen.—Aan den walkant, in ’t zomerochtendgloeien, wemelde ’t van licht-bruine handkarren, waar de verhuurder in z’n zonnig-wit overhemd, bedrijvig doorheen manoeuvreerde, met elk venter wat snaterend en lollend. Vischvrouwen in kort-blauwe, roodbaaien rokken, en witflodderige jakkies, kanaljeus-aanhalig gekapt met de stijfbereepte haarkrullen, drongen, woelden in gillerigen kakel en ratel tusschen de enge karrengangetjes, opgejaagd, verhit snuffelend en schetterend, vastgrijpend de groenboeren om aardbeienwaar. Halsbloote Zeedijkers en stadsventers,[163]met lawaaierige blousen, opgedirkt in heeten lok en streel met rooie strikjes om blank naakt, verdrongen de losse kijkers, paften vooruit, met hun borstzwaren zwel van lijf, pronkend in ’t vroolijke getinkel en gerammel van hun koralen snoertjes met gouden slootjes, in glans begoten. Op één hoek drongen samen, jodenmannetjes en jodenvrouwtjes, schuchter-brutaal,bang-overmoedig tegelijk. Van de boot àf, dromden, bonkten en zwoegden de venters, botsend tegen elkaar op, in gejaagden loer, ieder naar zijn huurkar. Telkens vàn hun plaats, joegen ze weer naar de boot, rukten en bonkten hùn waar uit den burcht van kisten, stormend in stortvloed terug, weer tegen elkaar opbonkend met nieuwe bakken en manden, dat ze verknelden tusschen hun eigen vrachten. Woest krijschten de vrouwen en mannen, die bakken of manden hadden gegrepen van anderen, er niet meer verder mee wilden sjouwen.—Hassel.. hier:.. Has.. selll!.. jou bakke!—Bierbrouwèr!.. pak d’r an!—Bier.. broùwèrr! schreeuwde een naast den eersten krijscher, die ook ’n bak van dien venter had losgewoeld,—pak-àn! jou bakke!Tusschen de aangolvende massa, waar gloeiender tempo van koortsige jacht en verkoophartstocht doorheen zwol, ging woelender angst van niet-gauw-genoeg bij hun markt te zijn. Zon laaide, priemde, verzengde alles, sloeg in fellen kleurbrand de golvende, wemelende scharrelmassa. En telkens àndere kerels sjouwden atlas-vrachten àf, van de boot naar hun karren, duwden in vloek en krijsch de Zeedijkwijven en joodjes op zij, die brutaler en heeter rond hun bakken en waàr opdrongen.—Eindelijk, na de eerste ontkronkeling van kisten en sjouwers, dobberden weer, met hebzucht-haat elkaar be-venijnend, de koopsters rond de groenboeren.—Tuk op aardbei, barstte er ’n heete dingdrift los, van allen tegelijk, als één vloedstorm, één aanrukking van feros jaagleven, brandend lawaai van stemmen, in de klater-schroeiende zon, die begloeide de kleurkleeren, de vruchten, en te zengen vlamde in de bakken. Breed bejakte vischwijven; joodsche mummieïg verdroogde groenteventertjes,[164]met broeistank van zomersche zwoegmisere, verwalmend van d’r geteisterde lijven; kruiers, leegloopers met loenschig heeten oogstaar, venters en tuinders, woelden en krioelden rond de boot en aardbei-bakken.—Uitpuil-oogen gretigden overal waar vruchtjes òpgesjouwd werden. Vraat-zuchtige monden beefden rood-wreed en verwrongen van zenuwtrekken. Koop-hartstocht gierde en raasde door den zonne-brand van poer en scharrel. Van alle hoeken, nu manden en bakken losgestapeld rondgingen, sloeg ’t vruchtenrood uit, ’t gloeivuur van aardbei, tegen ’t blauwe hemelvuur van smoor-heeten Juli-brand. Op koppen en ruggen, de vruchten, sla, tuinboonen, aardappelen, doppers en wortelen, werden versjouwd, en hitsender, helscher joeg ’t schorre gekrijsch van kerels met verkeerde bakken, door de losgewoelde groepen.—Joap Kerredaik!—hier hain! donderde rauw in zwel van drift, ’n stem.—Vrouw Zeune!.… jai doar!!.. is d’r op kommende wège!—Vrouw Engels.… daa’s jou goed! mô jai da’ nie tù je staike?Rauw er doorheen brulde ’n venter, barstend van drift, met verzenuwden zweetmond, z’n kop doortrokken van bietrooie vlekken, in zwoeghitte:—Gais Kerredaik kòm! of ik donder je bakke teuge de grond.… ikke kèn hullie nie langerst hewwe! se benne d’r swoàr aa’s ’n lokemetief!.…—Gaa’-ais! Kerre.… dàik! bazuinde ’n ander tuinder, in rauwen woesten krijsch, ingekneld tusschen groenboeren en meiden. Vastgebeukt met loodzware bakvracht, zat ie tusschen drie karren in, en wilder krijschte hij om verlossing naar Kerredijk, die zèlf praatjes verlolde met ’n Zeedijkster.Wilder en ziedender stroomde ’n krioelbende langs en òm hem zonder dat ie z’n eigen waar kon raken. Te dansen van moordende drift stond ie, vloekend bakken tegen buik en keel aangedrukt, z’n zweetkop, zóó heet en rood-verzwollen, dat ’t leek of ie met z’n tronie in ’n menie-pot gesmakt was.—Bij hoeken en brokken was handel aan walkant al begonnen.[165]Dirk had ’n bak of tien, niet te gebruiken voor z’n klanten, verkocht aan ’n dikke meid, die op z’n karkruk wiegeldijend en breed-uit d’r zwiepende beenen, met mandjes zat te spelen.——Nou seg erijs blondje.… vleide ze zoetig-Amsterdamsch, dat Dirk ’n huiver van wellust voelde kruipen door z’n korpus, feur die daar as je d’r nou ’s drie sint seit!.… drie pop de honderd!.… hai je dèn je b’komst?—Bi je bedwaild geep! donder moar op! he jòu neudig! die vaif veur vier pop!.. gain duut minder!.. je ken d’r bai main nie figelaire!.…Dikke dij-meid zat onrustiger op karkruk te wiebelen. Vòòr d’r neus zag ze Ka al, met ’r blanke jak wurmen tusschen karren-kronkel, om naar Dirk toe te dringen. Telkens keek ze van ’r zachten dij-wiebel òp naar Dirk, die norsch-stom z’n rommel bonkend weer in de kar terugschikte; rekende ze haastig uit, met mijmer-oogen luchtblauw in, nàtellend op haar vingers en d’r witte schort topfijn betingelend, hoe hoog dàn ieder mandje kwam te staan. Eén dij, schort-omspannen, drukte nu breed-uit op de kruk, onder plooiigen wriemel en kreuk van rokken-spul. En telkens aanhalig, met knipoogjes en zoetig lachje, probeerde ze Dirk’s kijkers in te staren, geil, verliefderig.——Nou blondje.. toe noù!..Vlak achter de meid opgedrongen, ademhaalde in snurkerig gerucht, vuilneuzig zusje, dat toekeek, bleekgoor en stil. En rond de karren schreeuwden jochies en meisjes, liederlijk en vuil, als dolle duiveltjes in schel getier, tusschen elk engtetje en doorgangetje inkruipend en gierend. Van allen kant was nu de koopwaar losgebroken en uitgestald; smoorvolle karren als gloeiende karossen, bestapeld vóór den wal, beschaterd, en beblakerd van zonnevuur; ’t rood dat zengde, ’t oranje dat gloeide van hitte en ’t losgestorte groen, woelzee van gewas en vruchten. Hoog, in den dampenden gouddag, joelde en broeide kleurleven en sjacher daar sàmen, in den geluiden vermokerenden daver van zonne-begloeide stofstad. Golfwild en steigerend, sloeg en beukte de heete scharrel van vrouwlui en kerels dooréén.—[166]Ontzaglijk, in ruwe reuzenmacht van dondergeweld, zwel van krijsch en stemmenraas, schalden de geluiden door de snikheete lucht. In grilligen drom, wrongen de groenboeren tusschen de karren. Van allen kant klonk gepingel, gekrijsch als van schrei en lachstemmen, om geld, gèld. Toe- en afslag rumoerde. In dreun en rhytmus schokten koopers áán, verdwenen er weer, hier van elkaar geduwd, daar weer bijééngebotst, verkolkt in passiestroom van heeten sjacher, onder vloek en raas, tusschen gedrang en hitte. Schooierende sjouwers en kruiers wachtten, stoeiden met meiden in vuilen handgrabbel naar rokkenspul.—Dirk was met z’n vette schommeldame net afgehandeld. Ze had de bakken gekregen en breed, voor d’r buik, schort omgevouwen, werkte ze de kisten van de kar, terwijl hij geen vin verroerde. Telkens drong ze tusschen de kar-engten terug, sjouwde ze nieuwe vracht mee.—D’r zware kop schudde, ’r stijf bereepte krullen schudden, ’r oorbellen schudden, en wijder spande jakje òpen, bij vet-blanken wellusthals. Met ’r ingeperst, naar voren gebukt lijf, ’r breeë wiegende hangborsten op de bakken gekneld, armen in breeden span om d’r vracht uitgebogen, stapte ze zweetzwaar en snelademend vóórt, op de kort-stevige beenen, dòòr de venters en vrouw-stoeten heenzuigend; met d’r lijf teruggebonkt, op zij gewaggeld, toch doorporrend, tot ze bij ’r eigen kar, dood op en blazend, ’r boel kon neersmakken.Dirk keek ’r na, loom-kalm. Dat waren de eerste warme centen in z’n hand, lolde ’t in hem. ’n lekkere markt.—.… kaike.… da waa’s net effe acht uur, da kon t’met.… En nou had ie nog ’n lollige reperoatie.. mit de maid.… ’n afsproàkie veur d’ aêre week.… Da’ gong … ’n vetje!.. lang nie mis.. Heere mejeepie! kaik! d’r stong sai te haige!… bloas jai moar maid.… da’ mo’k ook doen veur main kossie!.. kaik.… nou brenge de kooters d’r nog bakke noà!.…Overal onder de venters was bestiaal gestoei met meiden; braakten vloeken en getier los, dierlijk en broeierig. Tusschen het dondergeraas van groote stad, ’t mokergeweld van bierkarren, van rijtuigen en trem-jacht, schel geklinkel en gebengel,[167]bonkerde de groote stadsscharrel, mokerde ’t havenhart. En overal rondom, geklakker van paardhoeven op keien in het barende roezemoes van kreten en schreeuwen, in den ontwakenden ochtendwemel.—Tusschen gedonder en gewarrel van melkbooten, vrachtschepen en tuinders verder op, scharrelden de venters, verhit in dollen woordstoei rond de meiden, onder wellust-schater en vloek, verkoopend hun waar. En de wijven, zinnen-dronken met d’r bevende hartstochtmonden, hun felle oogen,—oogen vol van liederlijk begeeren, rood van kanaljeuze passie-vlam,—lieten zich bestoeien, soms èven in schijn-afweer beproestend de knappe boeren van Wiereland, die grepen en knepen in d’r blanke borsten, in d’r warme lijven, d’r vette armen, gespannen en saamgesnoerd in witte jakken, d’r schommel-dijen voluptueus zwellend onder heet-rooie en blauwe rokken.—Dol keken de kerels zich op dat blanke vleesch. Dronken luisterden ze naar de tartende kanaljeuse meidentaal, en gretig roken, snoven, dronken ze in den zonnegloei, den zweetwasem van hun blanke lijven, verblind en bezwijmeld door ’t hel-witte jakkies-spel, de witte schorten, de rooie lintjes en kraalsnoertjes, de lichte rokken en boezelaars, zondoordoopt in felle helheid van barnend zomerlicht.—Telkens meer blauwe en rooie onderrokken zwierden in uitschulpenden zwaai van de karkrukken naar de boot. Fel gloeiden de kittelende, zwierslaande slootjes op kralensnoertjes, om de varkenshalzen, en felketsend, in verblindende hoogheid van begloeid wit, dromden dan hier, dan daar, de jàk- en blousen-meiden tusschen ’t vruchtenrood, ’t groen, tusschen ’t geblaker en gezoem van gonzende, heete kleuren.—Dirk zocht naar z’n kruier, want alle venters hadden hun vasten man, die de kar duwde in den zwoegenden ommegang rond hun stadswijk. Eindelijk door ’n woeligen drom heen, zag Dirk zijn helper. ’n Schreeuw, rauw, geweldig, ’n arm-pagaaiend gebaar, nijdige veeg door de lucht bòven de koppen der venters, en de kruier wurmde op ’m aan, tusschen ’t gedrang.[168]Langzaam hotsten en ratelden de karren weg van den wal, met de opgestapelde, pronkende waar, de grommende stad in, stad van gebarsten muren en hooge huizen, in zonkleurigen gloei van gevelsteen en beblakerde keien, brandende stad van ratelend rumoer en gloeistoffige zonnigheid.—Wijven met karren, armelijk vergeelde joodsche vrouwtjes, en donkerkrulharige joodsche groenteventertjes in mandrillig rad beweeg van uitbuilenden mond, rimpelige voorkoppen en vooruitgezwollen lippen, donker en harig,—bleven op ’n hoopje elkaar nog wat toeschreeuwen bij den wal, met heete gebaren en kefferige schorre stemmen.Zon moordde en zengde tusschen ze in, als reuzebom, die hel vonkend schroot uitgeslingerd had naar de, in goud-gloei gewiegde zonne-aárde, toortswalmige hitte verschroeiend op karwanden, vruchten en steenen. Alles stond in Juligloei, dreunenden lichtval, goud en fel wit-vurig. En hemeldom, strak, tusschen de huisblokken uit, boven ’t Westerdok, waar teerwalm zonnig rookte, barnde als blauwvuur. Aan overkant, tusschen woeling van melkbooten gloeide blauw, blauw van vaten.—Vatengerucht, metaalhol, jolig en dartel klankte òp bij bonzingen van karren, tusschen stadsgejoel. Uit de heet-zonnige straatbrokjes in ’t verschiet, fel-begloeid in brokkelige gevellijnen van pleister en rooden baksteen, schetterde òp orgeldreun, kanaljeuze stem van zonne-stad.—Langs den wal zwermden nog treuzelende groenboeren van de andere booten, tusschen melkvaten en karren. Eindelijk, ook dáár ratelden de karren met de roode en groene furie van vruchten, de stof-zonnende wijken in, verdwenen langzaam kerels en waar om straathoeken en pleinbochten, in ’t hartje van ’t gerucht-zwellende, gloeiende en dreunende stads-leven.—
Tusschen gewar van melkbooten aan ’t Westerdok, stuurde kaptein de stadshaven in. Tegenover „Tuinders Geluk”, waren al de drie andere booten, binnengeankerd.
Over den dwars dooreengestapelden warrel van kisten en manden sprongen de venters en vrouwen heen en weer, in woeligen stroom, overgolfd door snik-heete stanken. Van den „netoares” kreeg elk veiler ’n papiertje in de handen gestopt, waarop stond, hoe veel en van wie hij te vorderen had, bij teruggang naar Wiereland.—
In gistenden warrel, als ’n opgejaagde horde begon uiteenkluwing van kisten en manden, weggesjouwd, verdragen op nekken en koppen.—
Aan den walkant, in ’t zomerochtendgloeien, wemelde ’t van licht-bruine handkarren, waar de verhuurder in z’n zonnig-wit overhemd, bedrijvig doorheen manoeuvreerde, met elk venter wat snaterend en lollend. Vischvrouwen in kort-blauwe, roodbaaien rokken, en witflodderige jakkies, kanaljeus-aanhalig gekapt met de stijfbereepte haarkrullen, drongen, woelden in gillerigen kakel en ratel tusschen de enge karrengangetjes, opgejaagd, verhit snuffelend en schetterend, vastgrijpend de groenboeren om aardbeienwaar. Halsbloote Zeedijkers en stadsventers,[163]met lawaaierige blousen, opgedirkt in heeten lok en streel met rooie strikjes om blank naakt, verdrongen de losse kijkers, paften vooruit, met hun borstzwaren zwel van lijf, pronkend in ’t vroolijke getinkel en gerammel van hun koralen snoertjes met gouden slootjes, in glans begoten. Op één hoek drongen samen, jodenmannetjes en jodenvrouwtjes, schuchter-brutaal,bang-overmoedig tegelijk. Van de boot àf, dromden, bonkten en zwoegden de venters, botsend tegen elkaar op, in gejaagden loer, ieder naar zijn huurkar. Telkens vàn hun plaats, joegen ze weer naar de boot, rukten en bonkten hùn waar uit den burcht van kisten, stormend in stortvloed terug, weer tegen elkaar opbonkend met nieuwe bakken en manden, dat ze verknelden tusschen hun eigen vrachten. Woest krijschten de vrouwen en mannen, die bakken of manden hadden gegrepen van anderen, er niet meer verder mee wilden sjouwen.
—Hassel.. hier:.. Has.. selll!.. jou bakke!
—Bierbrouwèr!.. pak d’r an!
—Bier.. broùwèrr! schreeuwde een naast den eersten krijscher, die ook ’n bak van dien venter had losgewoeld,—pak-àn! jou bakke!
Tusschen de aangolvende massa, waar gloeiender tempo van koortsige jacht en verkoophartstocht doorheen zwol, ging woelender angst van niet-gauw-genoeg bij hun markt te zijn. Zon laaide, priemde, verzengde alles, sloeg in fellen kleurbrand de golvende, wemelende scharrelmassa. En telkens àndere kerels sjouwden atlas-vrachten àf, van de boot naar hun karren, duwden in vloek en krijsch de Zeedijkwijven en joodjes op zij, die brutaler en heeter rond hun bakken en waàr opdrongen.—Eindelijk, na de eerste ontkronkeling van kisten en sjouwers, dobberden weer, met hebzucht-haat elkaar be-venijnend, de koopsters rond de groenboeren.—Tuk op aardbei, barstte er ’n heete dingdrift los, van allen tegelijk, als één vloedstorm, één aanrukking van feros jaagleven, brandend lawaai van stemmen, in de klater-schroeiende zon, die begloeide de kleurkleeren, de vruchten, en te zengen vlamde in de bakken. Breed bejakte vischwijven; joodsche mummieïg verdroogde groenteventertjes,[164]met broeistank van zomersche zwoegmisere, verwalmend van d’r geteisterde lijven; kruiers, leegloopers met loenschig heeten oogstaar, venters en tuinders, woelden en krioelden rond de boot en aardbei-bakken.—Uitpuil-oogen gretigden overal waar vruchtjes òpgesjouwd werden. Vraat-zuchtige monden beefden rood-wreed en verwrongen van zenuwtrekken. Koop-hartstocht gierde en raasde door den zonne-brand van poer en scharrel. Van alle hoeken, nu manden en bakken losgestapeld rondgingen, sloeg ’t vruchtenrood uit, ’t gloeivuur van aardbei, tegen ’t blauwe hemelvuur van smoor-heeten Juli-brand. Op koppen en ruggen, de vruchten, sla, tuinboonen, aardappelen, doppers en wortelen, werden versjouwd, en hitsender, helscher joeg ’t schorre gekrijsch van kerels met verkeerde bakken, door de losgewoelde groepen.
—Joap Kerredaik!—hier hain! donderde rauw in zwel van drift, ’n stem.
—Vrouw Zeune!.… jai doar!!.. is d’r op kommende wège!
—Vrouw Engels.… daa’s jou goed! mô jai da’ nie tù je staike?
Rauw er doorheen brulde ’n venter, barstend van drift, met verzenuwden zweetmond, z’n kop doortrokken van bietrooie vlekken, in zwoeghitte:
—Gais Kerredaik kòm! of ik donder je bakke teuge de grond.… ikke kèn hullie nie langerst hewwe! se benne d’r swoàr aa’s ’n lokemetief!.…
—Gaa’-ais! Kerre.… dàik! bazuinde ’n ander tuinder, in rauwen woesten krijsch, ingekneld tusschen groenboeren en meiden. Vastgebeukt met loodzware bakvracht, zat ie tusschen drie karren in, en wilder krijschte hij om verlossing naar Kerredijk, die zèlf praatjes verlolde met ’n Zeedijkster.
Wilder en ziedender stroomde ’n krioelbende langs en òm hem zonder dat ie z’n eigen waar kon raken. Te dansen van moordende drift stond ie, vloekend bakken tegen buik en keel aangedrukt, z’n zweetkop, zóó heet en rood-verzwollen, dat ’t leek of ie met z’n tronie in ’n menie-pot gesmakt was.—
Bij hoeken en brokken was handel aan walkant al begonnen.[165]Dirk had ’n bak of tien, niet te gebruiken voor z’n klanten, verkocht aan ’n dikke meid, die op z’n karkruk wiegeldijend en breed-uit d’r zwiepende beenen, met mandjes zat te spelen.—
—Nou seg erijs blondje.… vleide ze zoetig-Amsterdamsch, dat Dirk ’n huiver van wellust voelde kruipen door z’n korpus, feur die daar as je d’r nou ’s drie sint seit!.… drie pop de honderd!.… hai je dèn je b’komst?
—Bi je bedwaild geep! donder moar op! he jòu neudig! die vaif veur vier pop!.. gain duut minder!.. je ken d’r bai main nie figelaire!.…
Dikke dij-meid zat onrustiger op karkruk te wiebelen. Vòòr d’r neus zag ze Ka al, met ’r blanke jak wurmen tusschen karren-kronkel, om naar Dirk toe te dringen. Telkens keek ze van ’r zachten dij-wiebel òp naar Dirk, die norsch-stom z’n rommel bonkend weer in de kar terugschikte; rekende ze haastig uit, met mijmer-oogen luchtblauw in, nàtellend op haar vingers en d’r witte schort topfijn betingelend, hoe hoog dàn ieder mandje kwam te staan. Eén dij, schort-omspannen, drukte nu breed-uit op de kruk, onder plooiigen wriemel en kreuk van rokken-spul. En telkens aanhalig, met knipoogjes en zoetig lachje, probeerde ze Dirk’s kijkers in te staren, geil, verliefderig.—
—Nou blondje.. toe noù!..
Vlak achter de meid opgedrongen, ademhaalde in snurkerig gerucht, vuilneuzig zusje, dat toekeek, bleekgoor en stil. En rond de karren schreeuwden jochies en meisjes, liederlijk en vuil, als dolle duiveltjes in schel getier, tusschen elk engtetje en doorgangetje inkruipend en gierend. Van allen kant was nu de koopwaar losgebroken en uitgestald; smoorvolle karren als gloeiende karossen, bestapeld vóór den wal, beschaterd, en beblakerd van zonnevuur; ’t rood dat zengde, ’t oranje dat gloeide van hitte en ’t losgestorte groen, woelzee van gewas en vruchten. Hoog, in den dampenden gouddag, joelde en broeide kleurleven en sjacher daar sàmen, in den geluiden vermokerenden daver van zonne-begloeide stofstad. Golfwild en steigerend, sloeg en beukte de heete scharrel van vrouwlui en kerels dooréén.—[166]
Ontzaglijk, in ruwe reuzenmacht van dondergeweld, zwel van krijsch en stemmenraas, schalden de geluiden door de snikheete lucht. In grilligen drom, wrongen de groenboeren tusschen de karren. Van allen kant klonk gepingel, gekrijsch als van schrei en lachstemmen, om geld, gèld. Toe- en afslag rumoerde. In dreun en rhytmus schokten koopers áán, verdwenen er weer, hier van elkaar geduwd, daar weer bijééngebotst, verkolkt in passiestroom van heeten sjacher, onder vloek en raas, tusschen gedrang en hitte. Schooierende sjouwers en kruiers wachtten, stoeiden met meiden in vuilen handgrabbel naar rokkenspul.—Dirk was met z’n vette schommeldame net afgehandeld. Ze had de bakken gekregen en breed, voor d’r buik, schort omgevouwen, werkte ze de kisten van de kar, terwijl hij geen vin verroerde. Telkens drong ze tusschen de kar-engten terug, sjouwde ze nieuwe vracht mee.—D’r zware kop schudde, ’r stijf bereepte krullen schudden, ’r oorbellen schudden, en wijder spande jakje òpen, bij vet-blanken wellusthals. Met ’r ingeperst, naar voren gebukt lijf, ’r breeë wiegende hangborsten op de bakken gekneld, armen in breeden span om d’r vracht uitgebogen, stapte ze zweetzwaar en snelademend vóórt, op de kort-stevige beenen, dòòr de venters en vrouw-stoeten heenzuigend; met d’r lijf teruggebonkt, op zij gewaggeld, toch doorporrend, tot ze bij ’r eigen kar, dood op en blazend, ’r boel kon neersmakken.
Dirk keek ’r na, loom-kalm. Dat waren de eerste warme centen in z’n hand, lolde ’t in hem. ’n lekkere markt.—.… kaike.… da waa’s net effe acht uur, da kon t’met.… En nou had ie nog ’n lollige reperoatie.. mit de maid.… ’n afsproàkie veur d’ aêre week.… Da’ gong … ’n vetje!.. lang nie mis.. Heere mejeepie! kaik! d’r stong sai te haige!… bloas jai moar maid.… da’ mo’k ook doen veur main kossie!.. kaik.… nou brenge de kooters d’r nog bakke noà!.…
Overal onder de venters was bestiaal gestoei met meiden; braakten vloeken en getier los, dierlijk en broeierig. Tusschen het dondergeraas van groote stad, ’t mokergeweld van bierkarren, van rijtuigen en trem-jacht, schel geklinkel en gebengel,[167]bonkerde de groote stadsscharrel, mokerde ’t havenhart. En overal rondom, geklakker van paardhoeven op keien in het barende roezemoes van kreten en schreeuwen, in den ontwakenden ochtendwemel.—
Tusschen gedonder en gewarrel van melkbooten, vrachtschepen en tuinders verder op, scharrelden de venters, verhit in dollen woordstoei rond de meiden, onder wellust-schater en vloek, verkoopend hun waar. En de wijven, zinnen-dronken met d’r bevende hartstochtmonden, hun felle oogen,—oogen vol van liederlijk begeeren, rood van kanaljeuze passie-vlam,—lieten zich bestoeien, soms èven in schijn-afweer beproestend de knappe boeren van Wiereland, die grepen en knepen in d’r blanke borsten, in d’r warme lijven, d’r vette armen, gespannen en saamgesnoerd in witte jakken, d’r schommel-dijen voluptueus zwellend onder heet-rooie en blauwe rokken.—
Dol keken de kerels zich op dat blanke vleesch. Dronken luisterden ze naar de tartende kanaljeuse meidentaal, en gretig roken, snoven, dronken ze in den zonnegloei, den zweetwasem van hun blanke lijven, verblind en bezwijmeld door ’t hel-witte jakkies-spel, de witte schorten, de rooie lintjes en kraalsnoertjes, de lichte rokken en boezelaars, zondoordoopt in felle helheid van barnend zomerlicht.—
Telkens meer blauwe en rooie onderrokken zwierden in uitschulpenden zwaai van de karkrukken naar de boot. Fel gloeiden de kittelende, zwierslaande slootjes op kralensnoertjes, om de varkenshalzen, en felketsend, in verblindende hoogheid van begloeid wit, dromden dan hier, dan daar, de jàk- en blousen-meiden tusschen ’t vruchtenrood, ’t groen, tusschen ’t geblaker en gezoem van gonzende, heete kleuren.—
Dirk zocht naar z’n kruier, want alle venters hadden hun vasten man, die de kar duwde in den zwoegenden ommegang rond hun stadswijk. Eindelijk door ’n woeligen drom heen, zag Dirk zijn helper. ’n Schreeuw, rauw, geweldig, ’n arm-pagaaiend gebaar, nijdige veeg door de lucht bòven de koppen der venters, en de kruier wurmde op ’m aan, tusschen ’t gedrang.[168]
Langzaam hotsten en ratelden de karren weg van den wal, met de opgestapelde, pronkende waar, de grommende stad in, stad van gebarsten muren en hooge huizen, in zonkleurigen gloei van gevelsteen en beblakerde keien, brandende stad van ratelend rumoer en gloeistoffige zonnigheid.—
Wijven met karren, armelijk vergeelde joodsche vrouwtjes, en donkerkrulharige joodsche groenteventertjes in mandrillig rad beweeg van uitbuilenden mond, rimpelige voorkoppen en vooruitgezwollen lippen, donker en harig,—bleven op ’n hoopje elkaar nog wat toeschreeuwen bij den wal, met heete gebaren en kefferige schorre stemmen.
Zon moordde en zengde tusschen ze in, als reuzebom, die hel vonkend schroot uitgeslingerd had naar de, in goud-gloei gewiegde zonne-aárde, toortswalmige hitte verschroeiend op karwanden, vruchten en steenen. Alles stond in Juligloei, dreunenden lichtval, goud en fel wit-vurig. En hemeldom, strak, tusschen de huisblokken uit, boven ’t Westerdok, waar teerwalm zonnig rookte, barnde als blauwvuur. Aan overkant, tusschen woeling van melkbooten gloeide blauw, blauw van vaten.—Vatengerucht, metaalhol, jolig en dartel klankte òp bij bonzingen van karren, tusschen stadsgejoel. Uit de heet-zonnige straatbrokjes in ’t verschiet, fel-begloeid in brokkelige gevellijnen van pleister en rooden baksteen, schetterde òp orgeldreun, kanaljeuze stem van zonne-stad.—Langs den wal zwermden nog treuzelende groenboeren van de andere booten, tusschen melkvaten en karren. Eindelijk, ook dáár ratelden de karren met de roode en groene furie van vruchten, de stof-zonnende wijken in, verdwenen langzaam kerels en waar om straathoeken en pleinbochten, in ’t hartje van ’t gerucht-zwellende, gloeiende en dreunende stads-leven.—