II.

[Inhoud]II.In festoenen hing zoo de Meidag te tooveren, was wintergrauw in Wiereland weggezakt, goudde ’t licht, schooner soms waar geen bollenakkers te koortsen geurden, in de tuinen, op stille laantjes en paadjes; lichtgesprenkel van zon, splinterend rond drommen, goudgroen boomblaar. Omjubeld van licht en kleur stonden de landwerkers in den Meidag, in pracht van werkgebaar, op de groene akkers, warm-rood en blauw bekield, in ’t opene zonneveld of kleurschemerend tusschen rijzenpaadjes.Plots kwam Meimaand weifelen, verstierf de goudpracht van de jubelende dagen. Als in zatten wellust leien de bollenakkers elken dag weer hun geuren uit te hijgen, tusschen het geploeter der kerels, die niets meer zagen van kleurpracht rondom. Plots was daar, dampige horizon aangewaasd, wuifden wolkenslierten als reuzige veeren, berkenzilverend den hemel door, trok grijzig luchtspel uit zee áán. ’t Groen dreef in tintige wazen, en Hollandsch-ijl, dampte er weer gebroken licht door ’t landschap.De kleurlyriek van Mei donkerde àl zwaarder weg, achter luchtgrauw en zilverende gevaarten. Hengelaars, éven achter[290]Wierelandsch haventje, in polderbegin, stonden onrustig aan de rustieke weidammetjes in ’t watervlak te turen, dat soms schitterspatte, zilvervloeiend en rimpelend, of stug terugkaatste wolkdreigende regenlucht, ontzaglijk welvend over polderruimte, waar het stille zilte licht, wijd-neergeplast, nattig glansde over veld en wei. ’s Avonds vooral, lei Wierelandsche polder, stil en oneindig, steeg er dampige watergeur uit de kronkelende plassen, soms éven lichtelijk doortint van avondrood, ging er koele rietfluister langs slootjes en kwaakte er stijgende kikkerzang uit de droomerige, innige oevertjes. Vochtig en doorzilverd wasemden de dagen daar uit. Soms droef plots, in ’t verguurde weer, eenzaamden boven fort en dijken, vage kerktorentjes, als violette puntjes op horizonrond. En zacht, in wissel-licht, schemerden de avonden weer aan, ruischte en fonteinde ’t riet, teer en geheimvol, als fluisterend van nog komende zoete Mei-verlangens; doofde droomerig, op kleine sloepjes en schuitjes, weggegroend tusschen slootkantjes en pluimriet, de kleuren en tinten stil uit. En áánwieken kwam in breede zeilvlucht en zwier, ’n ooievaar door de eenzaame polderlucht, steeg aan anderen kant òp, van donkerende weivlakte, klein leeuwerikbeestje, uitparelend hóóg, zoeten zang, als gewiegde toontjes van fluitlied, stijgend in jubel, doorslierd van zilveren klankjes, tègen het late wolkenspel in, al hooger zwevend tusschen oneindigheid van donkerend weigroen en wijd-eenzame avondlucht.Er ging gemor onder de tuinders van Wiereland en omtrek. Snerpende vorst hield ’s nachts aan. Wat jonge groente stond gelig, blad-verdord, doorspoeld van regen en ’s nachts vroren fijne vruchtbloesems dood. Schade, schade van allen kant. Nergens meer schoot ’t gewas de aarde uit. Alles klefde en modderde vuil. Overal was geloer van angstige tuinderskoppen naar den grond, op de bedden, angstig gekijk naar onheil en schade. ’t Weer bleef dreigen kil, en windguurte vlijmde langs de akkers, de kerels in ’t gezicht, dat hun handen soms krampten in kou-onmacht.—Da sel main ’n loatertje worre, gromden ze tegen elkaar,[291]in nood voor hun oogst. Mee klaagden de kweekers, die bang waren voor hun bollen.Aan Duinkijk, naar zee, stond ’n groepje tuinders te praten, met één kerel op den akker.—Daa’s puur bot afspronge van alle weer, zei dof ’n lange uit ’t stoetje.—Daa’s net, de vorst hep hier huishoue.… kaik t’met alle blommetjes dood op die oarbai-bedde.… en kaik die frambose.… die appele!.… die pruime!.… kaik kaik! die peere! d’r is kwoalik veur vier duite meer àn!Stil liep ’t stoetje door, bleef de werker op z’n akkers, zorgelijk turend naar z’n bedden en vruchtboomen.Dagen op dagen bleef regen drenken en vorst door de aarde killen, vunsde er vocht uit regengrond, dampig en nattig. Onrustig joegen de tuinders elkaar òp in hun verborgen angst. Dat was nog nooit gezien, zoo slechte maand.Toen plots, sloeg Meiweer òm, kwam goudpracht weer lichten in goudgroenen gloed over het volgedromde boomenstedeke en dorp.—Heel vroeg in de ochtenden, blankte en purperde de bloesempracht van vruchtboomen weer, als nooit te voren.Uit de beukenlaan liep ’n lange, magere tuinder met de zeis op den rug, zilveren bliksems vlijmend en flitsend boven z’n hoofd, als zenboom bewoog op z’n krommige schouers. Achter dichtgegroeide, begroende rijzenlaantjes met erwten, op de akkers, klonk klare mannestem, zangerig en diep, in de hooge gouen lichtglorie en morgenblauwte, tusschen zang van kerse-diefjes, alt-volle melodiëerende merels en nachtegaalslag, schuchter, toch vloeiend. Eén wild getjirp en getjilp, fluiterig gedraal van zoet-lokkende lentezangetjes en geluidjes, waar doorhéén galmde, in vibreerende sonore diepte, de menschenstem, verborgen achter ’t groen van vruchtboomen en haag, dat ’t daverde door de zoet-geurende zonneruimte. Overal harpte takkensier in moestuinen, en weelde-bloeseming. De groene hagedoorn stroomde van licht, en op al de labyrinthpaadjes en laantjes verjubelde groen-goud, lagen hoog doorzond, de doodstille wegjes in den reinen Meiglans om Wiereland, volgestrooid en doorwaaid met[292]zoetsten geur, licht-bedroesemend in zwijmel. In pracht van stilte en licht, stond ’t wilde hakhout rondom te dauw-druppen, en bladergroen te zwemmen in zonnegoud. Wondere lentelicht dauwde en vloeide er, één sneeuwing van maagde-blank uit de vruchtboompjes, in hun mystieke gratie van heerlijken takgroei, geheimvol neigende standen, als spraken ze ’n taal van zachte tinten, gebukt onder het zware, vrucht-sappige leven. De boomen en boompjes, van noot, morel, peer, appel en pruim dààr, harpten in bruidswit, bloesemsneeuw, in blankste gamma, overwaaid met goudstof dat er van kapellenvleugels poeiert, blank-ijl, in het dansende dronken geurlicht. De bloesemen erop, breed-uit in takwiegeling, als stille glans-ruikers van heilige pracht, toch beschroomd in hun overvloed, teer in hun maagde-adem, als verblankte bruidszielen, omstraald door de Meitoortsen van goudglans.Verwrongen de takken, de kleine verkromde stammetjes gebukt, ernstig van vol leven dat ze droegen, stonden andere pereboompjes weer als geheiligde kommuniekinders, in gewijde schittering, stil nu en hoogblank, in het zachte groene land, roerloos. Tusschen die in weer, op ’t doordauwde grasgefonkel rijden òp, zacht-rose sneeuwige appelboompjes, als hooggegroeide boeketten, in zacht-wadend goud; stammetjes, bescheiden teruggekrompen, als in angst voor de zoete purpering van bloesemweelde. Weer andere, kleiner en ranker, gebogen in bidhouding, heilige bekoring van groei, stil gebaar van schoonheid, toch overzegend met lichtende bloeseming, ònder de hoogeren, in luisterend leven. En overal van de paden, op lichte koele wuifjes, zoelde ààn, geur van linden, kastanje en sering.In wondre verjonging praalde het stugge grauwe winterstedeke weer, van goudschemer en groen. Langs de weggetjes, woest gestruik bij slooten, zeefde Meilicht, stonden hoogslanke, wilde waterboeketten, fijnrose koekoek. Teere zilvering blankte langs de greppeling, woest doorgroeide oeverbeekjes, hoog belommerd, met zilverend pluimgras, riet, goud-gloeijende brem en doovenetel. Felle boterbloempjes glansden als gepolijst; en overal[293]rondom, hooggele toetjes en vlekjes van roze koekoek, even paars getoorts van hondsdraf, laag gekruip van madeliefjes en akkerhoorn.—Soms in de blanke Meimaand, uit de fijne darteling van lichtende glanzen en deinende, brooze tinten, schoten òp hoog-roode papavers, kopjes-wiegelend op slanke stengeling.Ook de straatjes van Wiereland, nauwe kronkel van arbeiderswijkjes, zwommen in bloeseming en geur, groenden in boomenpracht, waaiden vol Meihoning en doordrènkende grasgeur. Overal waaide ’t vol lichtjes en zonneflitsjes, vol goud-gevonk en lommering, zoemde gevleugel van insekten en goudhaantjes, die aandreven als vurige arabeske, in slingerende lijn door de lucht, vliegjes met groenstalige schijnseltjes en goud-beschubde lijfjes.Zoo bleef de Meiemaand rondgaan in ’t stedeke en dorpjes-zeeweg. Door de tuinen en uitgebloeide bollenvelden, vergeurden de seringen hun weemoedsgeur in avondrood, kwam ’t schemergoud in nog heiliger nimbusval glanzen, roodblond en gloedloos, droom-teer, als van bijbelschen boschbrand, niets verterend. ’t Licht verstierf over de kleine, stille dorpshuisjes, even néervloeiend voor de raampjes, plintjes, kozijnen, ze bewasemend vol rooden goudglans, als staarden ze òp de ruitjes, naar de Zon, die wijd-plechtig verzonk, in wolken van wond’re violet, en staartglans van pauwendauw.

[Inhoud]II.In festoenen hing zoo de Meidag te tooveren, was wintergrauw in Wiereland weggezakt, goudde ’t licht, schooner soms waar geen bollenakkers te koortsen geurden, in de tuinen, op stille laantjes en paadjes; lichtgesprenkel van zon, splinterend rond drommen, goudgroen boomblaar. Omjubeld van licht en kleur stonden de landwerkers in den Meidag, in pracht van werkgebaar, op de groene akkers, warm-rood en blauw bekield, in ’t opene zonneveld of kleurschemerend tusschen rijzenpaadjes.Plots kwam Meimaand weifelen, verstierf de goudpracht van de jubelende dagen. Als in zatten wellust leien de bollenakkers elken dag weer hun geuren uit te hijgen, tusschen het geploeter der kerels, die niets meer zagen van kleurpracht rondom. Plots was daar, dampige horizon aangewaasd, wuifden wolkenslierten als reuzige veeren, berkenzilverend den hemel door, trok grijzig luchtspel uit zee áán. ’t Groen dreef in tintige wazen, en Hollandsch-ijl, dampte er weer gebroken licht door ’t landschap.De kleurlyriek van Mei donkerde àl zwaarder weg, achter luchtgrauw en zilverende gevaarten. Hengelaars, éven achter[290]Wierelandsch haventje, in polderbegin, stonden onrustig aan de rustieke weidammetjes in ’t watervlak te turen, dat soms schitterspatte, zilvervloeiend en rimpelend, of stug terugkaatste wolkdreigende regenlucht, ontzaglijk welvend over polderruimte, waar het stille zilte licht, wijd-neergeplast, nattig glansde over veld en wei. ’s Avonds vooral, lei Wierelandsche polder, stil en oneindig, steeg er dampige watergeur uit de kronkelende plassen, soms éven lichtelijk doortint van avondrood, ging er koele rietfluister langs slootjes en kwaakte er stijgende kikkerzang uit de droomerige, innige oevertjes. Vochtig en doorzilverd wasemden de dagen daar uit. Soms droef plots, in ’t verguurde weer, eenzaamden boven fort en dijken, vage kerktorentjes, als violette puntjes op horizonrond. En zacht, in wissel-licht, schemerden de avonden weer aan, ruischte en fonteinde ’t riet, teer en geheimvol, als fluisterend van nog komende zoete Mei-verlangens; doofde droomerig, op kleine sloepjes en schuitjes, weggegroend tusschen slootkantjes en pluimriet, de kleuren en tinten stil uit. En áánwieken kwam in breede zeilvlucht en zwier, ’n ooievaar door de eenzaame polderlucht, steeg aan anderen kant òp, van donkerende weivlakte, klein leeuwerikbeestje, uitparelend hóóg, zoeten zang, als gewiegde toontjes van fluitlied, stijgend in jubel, doorslierd van zilveren klankjes, tègen het late wolkenspel in, al hooger zwevend tusschen oneindigheid van donkerend weigroen en wijd-eenzame avondlucht.Er ging gemor onder de tuinders van Wiereland en omtrek. Snerpende vorst hield ’s nachts aan. Wat jonge groente stond gelig, blad-verdord, doorspoeld van regen en ’s nachts vroren fijne vruchtbloesems dood. Schade, schade van allen kant. Nergens meer schoot ’t gewas de aarde uit. Alles klefde en modderde vuil. Overal was geloer van angstige tuinderskoppen naar den grond, op de bedden, angstig gekijk naar onheil en schade. ’t Weer bleef dreigen kil, en windguurte vlijmde langs de akkers, de kerels in ’t gezicht, dat hun handen soms krampten in kou-onmacht.—Da sel main ’n loatertje worre, gromden ze tegen elkaar,[291]in nood voor hun oogst. Mee klaagden de kweekers, die bang waren voor hun bollen.Aan Duinkijk, naar zee, stond ’n groepje tuinders te praten, met één kerel op den akker.—Daa’s puur bot afspronge van alle weer, zei dof ’n lange uit ’t stoetje.—Daa’s net, de vorst hep hier huishoue.… kaik t’met alle blommetjes dood op die oarbai-bedde.… en kaik die frambose.… die appele!.… die pruime!.… kaik kaik! die peere! d’r is kwoalik veur vier duite meer àn!Stil liep ’t stoetje door, bleef de werker op z’n akkers, zorgelijk turend naar z’n bedden en vruchtboomen.Dagen op dagen bleef regen drenken en vorst door de aarde killen, vunsde er vocht uit regengrond, dampig en nattig. Onrustig joegen de tuinders elkaar òp in hun verborgen angst. Dat was nog nooit gezien, zoo slechte maand.Toen plots, sloeg Meiweer òm, kwam goudpracht weer lichten in goudgroenen gloed over het volgedromde boomenstedeke en dorp.—Heel vroeg in de ochtenden, blankte en purperde de bloesempracht van vruchtboomen weer, als nooit te voren.Uit de beukenlaan liep ’n lange, magere tuinder met de zeis op den rug, zilveren bliksems vlijmend en flitsend boven z’n hoofd, als zenboom bewoog op z’n krommige schouers. Achter dichtgegroeide, begroende rijzenlaantjes met erwten, op de akkers, klonk klare mannestem, zangerig en diep, in de hooge gouen lichtglorie en morgenblauwte, tusschen zang van kerse-diefjes, alt-volle melodiëerende merels en nachtegaalslag, schuchter, toch vloeiend. Eén wild getjirp en getjilp, fluiterig gedraal van zoet-lokkende lentezangetjes en geluidjes, waar doorhéén galmde, in vibreerende sonore diepte, de menschenstem, verborgen achter ’t groen van vruchtboomen en haag, dat ’t daverde door de zoet-geurende zonneruimte. Overal harpte takkensier in moestuinen, en weelde-bloeseming. De groene hagedoorn stroomde van licht, en op al de labyrinthpaadjes en laantjes verjubelde groen-goud, lagen hoog doorzond, de doodstille wegjes in den reinen Meiglans om Wiereland, volgestrooid en doorwaaid met[292]zoetsten geur, licht-bedroesemend in zwijmel. In pracht van stilte en licht, stond ’t wilde hakhout rondom te dauw-druppen, en bladergroen te zwemmen in zonnegoud. Wondere lentelicht dauwde en vloeide er, één sneeuwing van maagde-blank uit de vruchtboompjes, in hun mystieke gratie van heerlijken takgroei, geheimvol neigende standen, als spraken ze ’n taal van zachte tinten, gebukt onder het zware, vrucht-sappige leven. De boomen en boompjes, van noot, morel, peer, appel en pruim dààr, harpten in bruidswit, bloesemsneeuw, in blankste gamma, overwaaid met goudstof dat er van kapellenvleugels poeiert, blank-ijl, in het dansende dronken geurlicht. De bloesemen erop, breed-uit in takwiegeling, als stille glans-ruikers van heilige pracht, toch beschroomd in hun overvloed, teer in hun maagde-adem, als verblankte bruidszielen, omstraald door de Meitoortsen van goudglans.Verwrongen de takken, de kleine verkromde stammetjes gebukt, ernstig van vol leven dat ze droegen, stonden andere pereboompjes weer als geheiligde kommuniekinders, in gewijde schittering, stil nu en hoogblank, in het zachte groene land, roerloos. Tusschen die in weer, op ’t doordauwde grasgefonkel rijden òp, zacht-rose sneeuwige appelboompjes, als hooggegroeide boeketten, in zacht-wadend goud; stammetjes, bescheiden teruggekrompen, als in angst voor de zoete purpering van bloesemweelde. Weer andere, kleiner en ranker, gebogen in bidhouding, heilige bekoring van groei, stil gebaar van schoonheid, toch overzegend met lichtende bloeseming, ònder de hoogeren, in luisterend leven. En overal van de paden, op lichte koele wuifjes, zoelde ààn, geur van linden, kastanje en sering.In wondre verjonging praalde het stugge grauwe winterstedeke weer, van goudschemer en groen. Langs de weggetjes, woest gestruik bij slooten, zeefde Meilicht, stonden hoogslanke, wilde waterboeketten, fijnrose koekoek. Teere zilvering blankte langs de greppeling, woest doorgroeide oeverbeekjes, hoog belommerd, met zilverend pluimgras, riet, goud-gloeijende brem en doovenetel. Felle boterbloempjes glansden als gepolijst; en overal[293]rondom, hooggele toetjes en vlekjes van roze koekoek, even paars getoorts van hondsdraf, laag gekruip van madeliefjes en akkerhoorn.—Soms in de blanke Meimaand, uit de fijne darteling van lichtende glanzen en deinende, brooze tinten, schoten òp hoog-roode papavers, kopjes-wiegelend op slanke stengeling.Ook de straatjes van Wiereland, nauwe kronkel van arbeiderswijkjes, zwommen in bloeseming en geur, groenden in boomenpracht, waaiden vol Meihoning en doordrènkende grasgeur. Overal waaide ’t vol lichtjes en zonneflitsjes, vol goud-gevonk en lommering, zoemde gevleugel van insekten en goudhaantjes, die aandreven als vurige arabeske, in slingerende lijn door de lucht, vliegjes met groenstalige schijnseltjes en goud-beschubde lijfjes.Zoo bleef de Meiemaand rondgaan in ’t stedeke en dorpjes-zeeweg. Door de tuinen en uitgebloeide bollenvelden, vergeurden de seringen hun weemoedsgeur in avondrood, kwam ’t schemergoud in nog heiliger nimbusval glanzen, roodblond en gloedloos, droom-teer, als van bijbelschen boschbrand, niets verterend. ’t Licht verstierf over de kleine, stille dorpshuisjes, even néervloeiend voor de raampjes, plintjes, kozijnen, ze bewasemend vol rooden goudglans, als staarden ze òp de ruitjes, naar de Zon, die wijd-plechtig verzonk, in wolken van wond’re violet, en staartglans van pauwendauw.

[Inhoud]II.In festoenen hing zoo de Meidag te tooveren, was wintergrauw in Wiereland weggezakt, goudde ’t licht, schooner soms waar geen bollenakkers te koortsen geurden, in de tuinen, op stille laantjes en paadjes; lichtgesprenkel van zon, splinterend rond drommen, goudgroen boomblaar. Omjubeld van licht en kleur stonden de landwerkers in den Meidag, in pracht van werkgebaar, op de groene akkers, warm-rood en blauw bekield, in ’t opene zonneveld of kleurschemerend tusschen rijzenpaadjes.Plots kwam Meimaand weifelen, verstierf de goudpracht van de jubelende dagen. Als in zatten wellust leien de bollenakkers elken dag weer hun geuren uit te hijgen, tusschen het geploeter der kerels, die niets meer zagen van kleurpracht rondom. Plots was daar, dampige horizon aangewaasd, wuifden wolkenslierten als reuzige veeren, berkenzilverend den hemel door, trok grijzig luchtspel uit zee áán. ’t Groen dreef in tintige wazen, en Hollandsch-ijl, dampte er weer gebroken licht door ’t landschap.De kleurlyriek van Mei donkerde àl zwaarder weg, achter luchtgrauw en zilverende gevaarten. Hengelaars, éven achter[290]Wierelandsch haventje, in polderbegin, stonden onrustig aan de rustieke weidammetjes in ’t watervlak te turen, dat soms schitterspatte, zilvervloeiend en rimpelend, of stug terugkaatste wolkdreigende regenlucht, ontzaglijk welvend over polderruimte, waar het stille zilte licht, wijd-neergeplast, nattig glansde over veld en wei. ’s Avonds vooral, lei Wierelandsche polder, stil en oneindig, steeg er dampige watergeur uit de kronkelende plassen, soms éven lichtelijk doortint van avondrood, ging er koele rietfluister langs slootjes en kwaakte er stijgende kikkerzang uit de droomerige, innige oevertjes. Vochtig en doorzilverd wasemden de dagen daar uit. Soms droef plots, in ’t verguurde weer, eenzaamden boven fort en dijken, vage kerktorentjes, als violette puntjes op horizonrond. En zacht, in wissel-licht, schemerden de avonden weer aan, ruischte en fonteinde ’t riet, teer en geheimvol, als fluisterend van nog komende zoete Mei-verlangens; doofde droomerig, op kleine sloepjes en schuitjes, weggegroend tusschen slootkantjes en pluimriet, de kleuren en tinten stil uit. En áánwieken kwam in breede zeilvlucht en zwier, ’n ooievaar door de eenzaame polderlucht, steeg aan anderen kant òp, van donkerende weivlakte, klein leeuwerikbeestje, uitparelend hóóg, zoeten zang, als gewiegde toontjes van fluitlied, stijgend in jubel, doorslierd van zilveren klankjes, tègen het late wolkenspel in, al hooger zwevend tusschen oneindigheid van donkerend weigroen en wijd-eenzame avondlucht.Er ging gemor onder de tuinders van Wiereland en omtrek. Snerpende vorst hield ’s nachts aan. Wat jonge groente stond gelig, blad-verdord, doorspoeld van regen en ’s nachts vroren fijne vruchtbloesems dood. Schade, schade van allen kant. Nergens meer schoot ’t gewas de aarde uit. Alles klefde en modderde vuil. Overal was geloer van angstige tuinderskoppen naar den grond, op de bedden, angstig gekijk naar onheil en schade. ’t Weer bleef dreigen kil, en windguurte vlijmde langs de akkers, de kerels in ’t gezicht, dat hun handen soms krampten in kou-onmacht.—Da sel main ’n loatertje worre, gromden ze tegen elkaar,[291]in nood voor hun oogst. Mee klaagden de kweekers, die bang waren voor hun bollen.Aan Duinkijk, naar zee, stond ’n groepje tuinders te praten, met één kerel op den akker.—Daa’s puur bot afspronge van alle weer, zei dof ’n lange uit ’t stoetje.—Daa’s net, de vorst hep hier huishoue.… kaik t’met alle blommetjes dood op die oarbai-bedde.… en kaik die frambose.… die appele!.… die pruime!.… kaik kaik! die peere! d’r is kwoalik veur vier duite meer àn!Stil liep ’t stoetje door, bleef de werker op z’n akkers, zorgelijk turend naar z’n bedden en vruchtboomen.Dagen op dagen bleef regen drenken en vorst door de aarde killen, vunsde er vocht uit regengrond, dampig en nattig. Onrustig joegen de tuinders elkaar òp in hun verborgen angst. Dat was nog nooit gezien, zoo slechte maand.Toen plots, sloeg Meiweer òm, kwam goudpracht weer lichten in goudgroenen gloed over het volgedromde boomenstedeke en dorp.—Heel vroeg in de ochtenden, blankte en purperde de bloesempracht van vruchtboomen weer, als nooit te voren.Uit de beukenlaan liep ’n lange, magere tuinder met de zeis op den rug, zilveren bliksems vlijmend en flitsend boven z’n hoofd, als zenboom bewoog op z’n krommige schouers. Achter dichtgegroeide, begroende rijzenlaantjes met erwten, op de akkers, klonk klare mannestem, zangerig en diep, in de hooge gouen lichtglorie en morgenblauwte, tusschen zang van kerse-diefjes, alt-volle melodiëerende merels en nachtegaalslag, schuchter, toch vloeiend. Eén wild getjirp en getjilp, fluiterig gedraal van zoet-lokkende lentezangetjes en geluidjes, waar doorhéén galmde, in vibreerende sonore diepte, de menschenstem, verborgen achter ’t groen van vruchtboomen en haag, dat ’t daverde door de zoet-geurende zonneruimte. Overal harpte takkensier in moestuinen, en weelde-bloeseming. De groene hagedoorn stroomde van licht, en op al de labyrinthpaadjes en laantjes verjubelde groen-goud, lagen hoog doorzond, de doodstille wegjes in den reinen Meiglans om Wiereland, volgestrooid en doorwaaid met[292]zoetsten geur, licht-bedroesemend in zwijmel. In pracht van stilte en licht, stond ’t wilde hakhout rondom te dauw-druppen, en bladergroen te zwemmen in zonnegoud. Wondere lentelicht dauwde en vloeide er, één sneeuwing van maagde-blank uit de vruchtboompjes, in hun mystieke gratie van heerlijken takgroei, geheimvol neigende standen, als spraken ze ’n taal van zachte tinten, gebukt onder het zware, vrucht-sappige leven. De boomen en boompjes, van noot, morel, peer, appel en pruim dààr, harpten in bruidswit, bloesemsneeuw, in blankste gamma, overwaaid met goudstof dat er van kapellenvleugels poeiert, blank-ijl, in het dansende dronken geurlicht. De bloesemen erop, breed-uit in takwiegeling, als stille glans-ruikers van heilige pracht, toch beschroomd in hun overvloed, teer in hun maagde-adem, als verblankte bruidszielen, omstraald door de Meitoortsen van goudglans.Verwrongen de takken, de kleine verkromde stammetjes gebukt, ernstig van vol leven dat ze droegen, stonden andere pereboompjes weer als geheiligde kommuniekinders, in gewijde schittering, stil nu en hoogblank, in het zachte groene land, roerloos. Tusschen die in weer, op ’t doordauwde grasgefonkel rijden òp, zacht-rose sneeuwige appelboompjes, als hooggegroeide boeketten, in zacht-wadend goud; stammetjes, bescheiden teruggekrompen, als in angst voor de zoete purpering van bloesemweelde. Weer andere, kleiner en ranker, gebogen in bidhouding, heilige bekoring van groei, stil gebaar van schoonheid, toch overzegend met lichtende bloeseming, ònder de hoogeren, in luisterend leven. En overal van de paden, op lichte koele wuifjes, zoelde ààn, geur van linden, kastanje en sering.In wondre verjonging praalde het stugge grauwe winterstedeke weer, van goudschemer en groen. Langs de weggetjes, woest gestruik bij slooten, zeefde Meilicht, stonden hoogslanke, wilde waterboeketten, fijnrose koekoek. Teere zilvering blankte langs de greppeling, woest doorgroeide oeverbeekjes, hoog belommerd, met zilverend pluimgras, riet, goud-gloeijende brem en doovenetel. Felle boterbloempjes glansden als gepolijst; en overal[293]rondom, hooggele toetjes en vlekjes van roze koekoek, even paars getoorts van hondsdraf, laag gekruip van madeliefjes en akkerhoorn.—Soms in de blanke Meimaand, uit de fijne darteling van lichtende glanzen en deinende, brooze tinten, schoten òp hoog-roode papavers, kopjes-wiegelend op slanke stengeling.Ook de straatjes van Wiereland, nauwe kronkel van arbeiderswijkjes, zwommen in bloeseming en geur, groenden in boomenpracht, waaiden vol Meihoning en doordrènkende grasgeur. Overal waaide ’t vol lichtjes en zonneflitsjes, vol goud-gevonk en lommering, zoemde gevleugel van insekten en goudhaantjes, die aandreven als vurige arabeske, in slingerende lijn door de lucht, vliegjes met groenstalige schijnseltjes en goud-beschubde lijfjes.Zoo bleef de Meiemaand rondgaan in ’t stedeke en dorpjes-zeeweg. Door de tuinen en uitgebloeide bollenvelden, vergeurden de seringen hun weemoedsgeur in avondrood, kwam ’t schemergoud in nog heiliger nimbusval glanzen, roodblond en gloedloos, droom-teer, als van bijbelschen boschbrand, niets verterend. ’t Licht verstierf over de kleine, stille dorpshuisjes, even néervloeiend voor de raampjes, plintjes, kozijnen, ze bewasemend vol rooden goudglans, als staarden ze òp de ruitjes, naar de Zon, die wijd-plechtig verzonk, in wolken van wond’re violet, en staartglans van pauwendauw.

[Inhoud]II.In festoenen hing zoo de Meidag te tooveren, was wintergrauw in Wiereland weggezakt, goudde ’t licht, schooner soms waar geen bollenakkers te koortsen geurden, in de tuinen, op stille laantjes en paadjes; lichtgesprenkel van zon, splinterend rond drommen, goudgroen boomblaar. Omjubeld van licht en kleur stonden de landwerkers in den Meidag, in pracht van werkgebaar, op de groene akkers, warm-rood en blauw bekield, in ’t opene zonneveld of kleurschemerend tusschen rijzenpaadjes.Plots kwam Meimaand weifelen, verstierf de goudpracht van de jubelende dagen. Als in zatten wellust leien de bollenakkers elken dag weer hun geuren uit te hijgen, tusschen het geploeter der kerels, die niets meer zagen van kleurpracht rondom. Plots was daar, dampige horizon aangewaasd, wuifden wolkenslierten als reuzige veeren, berkenzilverend den hemel door, trok grijzig luchtspel uit zee áán. ’t Groen dreef in tintige wazen, en Hollandsch-ijl, dampte er weer gebroken licht door ’t landschap.De kleurlyriek van Mei donkerde àl zwaarder weg, achter luchtgrauw en zilverende gevaarten. Hengelaars, éven achter[290]Wierelandsch haventje, in polderbegin, stonden onrustig aan de rustieke weidammetjes in ’t watervlak te turen, dat soms schitterspatte, zilvervloeiend en rimpelend, of stug terugkaatste wolkdreigende regenlucht, ontzaglijk welvend over polderruimte, waar het stille zilte licht, wijd-neergeplast, nattig glansde over veld en wei. ’s Avonds vooral, lei Wierelandsche polder, stil en oneindig, steeg er dampige watergeur uit de kronkelende plassen, soms éven lichtelijk doortint van avondrood, ging er koele rietfluister langs slootjes en kwaakte er stijgende kikkerzang uit de droomerige, innige oevertjes. Vochtig en doorzilverd wasemden de dagen daar uit. Soms droef plots, in ’t verguurde weer, eenzaamden boven fort en dijken, vage kerktorentjes, als violette puntjes op horizonrond. En zacht, in wissel-licht, schemerden de avonden weer aan, ruischte en fonteinde ’t riet, teer en geheimvol, als fluisterend van nog komende zoete Mei-verlangens; doofde droomerig, op kleine sloepjes en schuitjes, weggegroend tusschen slootkantjes en pluimriet, de kleuren en tinten stil uit. En áánwieken kwam in breede zeilvlucht en zwier, ’n ooievaar door de eenzaame polderlucht, steeg aan anderen kant òp, van donkerende weivlakte, klein leeuwerikbeestje, uitparelend hóóg, zoeten zang, als gewiegde toontjes van fluitlied, stijgend in jubel, doorslierd van zilveren klankjes, tègen het late wolkenspel in, al hooger zwevend tusschen oneindigheid van donkerend weigroen en wijd-eenzame avondlucht.Er ging gemor onder de tuinders van Wiereland en omtrek. Snerpende vorst hield ’s nachts aan. Wat jonge groente stond gelig, blad-verdord, doorspoeld van regen en ’s nachts vroren fijne vruchtbloesems dood. Schade, schade van allen kant. Nergens meer schoot ’t gewas de aarde uit. Alles klefde en modderde vuil. Overal was geloer van angstige tuinderskoppen naar den grond, op de bedden, angstig gekijk naar onheil en schade. ’t Weer bleef dreigen kil, en windguurte vlijmde langs de akkers, de kerels in ’t gezicht, dat hun handen soms krampten in kou-onmacht.—Da sel main ’n loatertje worre, gromden ze tegen elkaar,[291]in nood voor hun oogst. Mee klaagden de kweekers, die bang waren voor hun bollen.Aan Duinkijk, naar zee, stond ’n groepje tuinders te praten, met één kerel op den akker.—Daa’s puur bot afspronge van alle weer, zei dof ’n lange uit ’t stoetje.—Daa’s net, de vorst hep hier huishoue.… kaik t’met alle blommetjes dood op die oarbai-bedde.… en kaik die frambose.… die appele!.… die pruime!.… kaik kaik! die peere! d’r is kwoalik veur vier duite meer àn!Stil liep ’t stoetje door, bleef de werker op z’n akkers, zorgelijk turend naar z’n bedden en vruchtboomen.Dagen op dagen bleef regen drenken en vorst door de aarde killen, vunsde er vocht uit regengrond, dampig en nattig. Onrustig joegen de tuinders elkaar òp in hun verborgen angst. Dat was nog nooit gezien, zoo slechte maand.Toen plots, sloeg Meiweer òm, kwam goudpracht weer lichten in goudgroenen gloed over het volgedromde boomenstedeke en dorp.—Heel vroeg in de ochtenden, blankte en purperde de bloesempracht van vruchtboomen weer, als nooit te voren.Uit de beukenlaan liep ’n lange, magere tuinder met de zeis op den rug, zilveren bliksems vlijmend en flitsend boven z’n hoofd, als zenboom bewoog op z’n krommige schouers. Achter dichtgegroeide, begroende rijzenlaantjes met erwten, op de akkers, klonk klare mannestem, zangerig en diep, in de hooge gouen lichtglorie en morgenblauwte, tusschen zang van kerse-diefjes, alt-volle melodiëerende merels en nachtegaalslag, schuchter, toch vloeiend. Eén wild getjirp en getjilp, fluiterig gedraal van zoet-lokkende lentezangetjes en geluidjes, waar doorhéén galmde, in vibreerende sonore diepte, de menschenstem, verborgen achter ’t groen van vruchtboomen en haag, dat ’t daverde door de zoet-geurende zonneruimte. Overal harpte takkensier in moestuinen, en weelde-bloeseming. De groene hagedoorn stroomde van licht, en op al de labyrinthpaadjes en laantjes verjubelde groen-goud, lagen hoog doorzond, de doodstille wegjes in den reinen Meiglans om Wiereland, volgestrooid en doorwaaid met[292]zoetsten geur, licht-bedroesemend in zwijmel. In pracht van stilte en licht, stond ’t wilde hakhout rondom te dauw-druppen, en bladergroen te zwemmen in zonnegoud. Wondere lentelicht dauwde en vloeide er, één sneeuwing van maagde-blank uit de vruchtboompjes, in hun mystieke gratie van heerlijken takgroei, geheimvol neigende standen, als spraken ze ’n taal van zachte tinten, gebukt onder het zware, vrucht-sappige leven. De boomen en boompjes, van noot, morel, peer, appel en pruim dààr, harpten in bruidswit, bloesemsneeuw, in blankste gamma, overwaaid met goudstof dat er van kapellenvleugels poeiert, blank-ijl, in het dansende dronken geurlicht. De bloesemen erop, breed-uit in takwiegeling, als stille glans-ruikers van heilige pracht, toch beschroomd in hun overvloed, teer in hun maagde-adem, als verblankte bruidszielen, omstraald door de Meitoortsen van goudglans.Verwrongen de takken, de kleine verkromde stammetjes gebukt, ernstig van vol leven dat ze droegen, stonden andere pereboompjes weer als geheiligde kommuniekinders, in gewijde schittering, stil nu en hoogblank, in het zachte groene land, roerloos. Tusschen die in weer, op ’t doordauwde grasgefonkel rijden òp, zacht-rose sneeuwige appelboompjes, als hooggegroeide boeketten, in zacht-wadend goud; stammetjes, bescheiden teruggekrompen, als in angst voor de zoete purpering van bloesemweelde. Weer andere, kleiner en ranker, gebogen in bidhouding, heilige bekoring van groei, stil gebaar van schoonheid, toch overzegend met lichtende bloeseming, ònder de hoogeren, in luisterend leven. En overal van de paden, op lichte koele wuifjes, zoelde ààn, geur van linden, kastanje en sering.In wondre verjonging praalde het stugge grauwe winterstedeke weer, van goudschemer en groen. Langs de weggetjes, woest gestruik bij slooten, zeefde Meilicht, stonden hoogslanke, wilde waterboeketten, fijnrose koekoek. Teere zilvering blankte langs de greppeling, woest doorgroeide oeverbeekjes, hoog belommerd, met zilverend pluimgras, riet, goud-gloeijende brem en doovenetel. Felle boterbloempjes glansden als gepolijst; en overal[293]rondom, hooggele toetjes en vlekjes van roze koekoek, even paars getoorts van hondsdraf, laag gekruip van madeliefjes en akkerhoorn.—Soms in de blanke Meimaand, uit de fijne darteling van lichtende glanzen en deinende, brooze tinten, schoten òp hoog-roode papavers, kopjes-wiegelend op slanke stengeling.Ook de straatjes van Wiereland, nauwe kronkel van arbeiderswijkjes, zwommen in bloeseming en geur, groenden in boomenpracht, waaiden vol Meihoning en doordrènkende grasgeur. Overal waaide ’t vol lichtjes en zonneflitsjes, vol goud-gevonk en lommering, zoemde gevleugel van insekten en goudhaantjes, die aandreven als vurige arabeske, in slingerende lijn door de lucht, vliegjes met groenstalige schijnseltjes en goud-beschubde lijfjes.Zoo bleef de Meiemaand rondgaan in ’t stedeke en dorpjes-zeeweg. Door de tuinen en uitgebloeide bollenvelden, vergeurden de seringen hun weemoedsgeur in avondrood, kwam ’t schemergoud in nog heiliger nimbusval glanzen, roodblond en gloedloos, droom-teer, als van bijbelschen boschbrand, niets verterend. ’t Licht verstierf over de kleine, stille dorpshuisjes, even néervloeiend voor de raampjes, plintjes, kozijnen, ze bewasemend vol rooden goudglans, als staarden ze òp de ruitjes, naar de Zon, die wijd-plechtig verzonk, in wolken van wond’re violet, en staartglans van pauwendauw.

[Inhoud]II.In festoenen hing zoo de Meidag te tooveren, was wintergrauw in Wiereland weggezakt, goudde ’t licht, schooner soms waar geen bollenakkers te koortsen geurden, in de tuinen, op stille laantjes en paadjes; lichtgesprenkel van zon, splinterend rond drommen, goudgroen boomblaar. Omjubeld van licht en kleur stonden de landwerkers in den Meidag, in pracht van werkgebaar, op de groene akkers, warm-rood en blauw bekield, in ’t opene zonneveld of kleurschemerend tusschen rijzenpaadjes.Plots kwam Meimaand weifelen, verstierf de goudpracht van de jubelende dagen. Als in zatten wellust leien de bollenakkers elken dag weer hun geuren uit te hijgen, tusschen het geploeter der kerels, die niets meer zagen van kleurpracht rondom. Plots was daar, dampige horizon aangewaasd, wuifden wolkenslierten als reuzige veeren, berkenzilverend den hemel door, trok grijzig luchtspel uit zee áán. ’t Groen dreef in tintige wazen, en Hollandsch-ijl, dampte er weer gebroken licht door ’t landschap.De kleurlyriek van Mei donkerde àl zwaarder weg, achter luchtgrauw en zilverende gevaarten. Hengelaars, éven achter[290]Wierelandsch haventje, in polderbegin, stonden onrustig aan de rustieke weidammetjes in ’t watervlak te turen, dat soms schitterspatte, zilvervloeiend en rimpelend, of stug terugkaatste wolkdreigende regenlucht, ontzaglijk welvend over polderruimte, waar het stille zilte licht, wijd-neergeplast, nattig glansde over veld en wei. ’s Avonds vooral, lei Wierelandsche polder, stil en oneindig, steeg er dampige watergeur uit de kronkelende plassen, soms éven lichtelijk doortint van avondrood, ging er koele rietfluister langs slootjes en kwaakte er stijgende kikkerzang uit de droomerige, innige oevertjes. Vochtig en doorzilverd wasemden de dagen daar uit. Soms droef plots, in ’t verguurde weer, eenzaamden boven fort en dijken, vage kerktorentjes, als violette puntjes op horizonrond. En zacht, in wissel-licht, schemerden de avonden weer aan, ruischte en fonteinde ’t riet, teer en geheimvol, als fluisterend van nog komende zoete Mei-verlangens; doofde droomerig, op kleine sloepjes en schuitjes, weggegroend tusschen slootkantjes en pluimriet, de kleuren en tinten stil uit. En áánwieken kwam in breede zeilvlucht en zwier, ’n ooievaar door de eenzaame polderlucht, steeg aan anderen kant òp, van donkerende weivlakte, klein leeuwerikbeestje, uitparelend hóóg, zoeten zang, als gewiegde toontjes van fluitlied, stijgend in jubel, doorslierd van zilveren klankjes, tègen het late wolkenspel in, al hooger zwevend tusschen oneindigheid van donkerend weigroen en wijd-eenzame avondlucht.Er ging gemor onder de tuinders van Wiereland en omtrek. Snerpende vorst hield ’s nachts aan. Wat jonge groente stond gelig, blad-verdord, doorspoeld van regen en ’s nachts vroren fijne vruchtbloesems dood. Schade, schade van allen kant. Nergens meer schoot ’t gewas de aarde uit. Alles klefde en modderde vuil. Overal was geloer van angstige tuinderskoppen naar den grond, op de bedden, angstig gekijk naar onheil en schade. ’t Weer bleef dreigen kil, en windguurte vlijmde langs de akkers, de kerels in ’t gezicht, dat hun handen soms krampten in kou-onmacht.—Da sel main ’n loatertje worre, gromden ze tegen elkaar,[291]in nood voor hun oogst. Mee klaagden de kweekers, die bang waren voor hun bollen.Aan Duinkijk, naar zee, stond ’n groepje tuinders te praten, met één kerel op den akker.—Daa’s puur bot afspronge van alle weer, zei dof ’n lange uit ’t stoetje.—Daa’s net, de vorst hep hier huishoue.… kaik t’met alle blommetjes dood op die oarbai-bedde.… en kaik die frambose.… die appele!.… die pruime!.… kaik kaik! die peere! d’r is kwoalik veur vier duite meer àn!Stil liep ’t stoetje door, bleef de werker op z’n akkers, zorgelijk turend naar z’n bedden en vruchtboomen.Dagen op dagen bleef regen drenken en vorst door de aarde killen, vunsde er vocht uit regengrond, dampig en nattig. Onrustig joegen de tuinders elkaar òp in hun verborgen angst. Dat was nog nooit gezien, zoo slechte maand.Toen plots, sloeg Meiweer òm, kwam goudpracht weer lichten in goudgroenen gloed over het volgedromde boomenstedeke en dorp.—Heel vroeg in de ochtenden, blankte en purperde de bloesempracht van vruchtboomen weer, als nooit te voren.Uit de beukenlaan liep ’n lange, magere tuinder met de zeis op den rug, zilveren bliksems vlijmend en flitsend boven z’n hoofd, als zenboom bewoog op z’n krommige schouers. Achter dichtgegroeide, begroende rijzenlaantjes met erwten, op de akkers, klonk klare mannestem, zangerig en diep, in de hooge gouen lichtglorie en morgenblauwte, tusschen zang van kerse-diefjes, alt-volle melodiëerende merels en nachtegaalslag, schuchter, toch vloeiend. Eén wild getjirp en getjilp, fluiterig gedraal van zoet-lokkende lentezangetjes en geluidjes, waar doorhéén galmde, in vibreerende sonore diepte, de menschenstem, verborgen achter ’t groen van vruchtboomen en haag, dat ’t daverde door de zoet-geurende zonneruimte. Overal harpte takkensier in moestuinen, en weelde-bloeseming. De groene hagedoorn stroomde van licht, en op al de labyrinthpaadjes en laantjes verjubelde groen-goud, lagen hoog doorzond, de doodstille wegjes in den reinen Meiglans om Wiereland, volgestrooid en doorwaaid met[292]zoetsten geur, licht-bedroesemend in zwijmel. In pracht van stilte en licht, stond ’t wilde hakhout rondom te dauw-druppen, en bladergroen te zwemmen in zonnegoud. Wondere lentelicht dauwde en vloeide er, één sneeuwing van maagde-blank uit de vruchtboompjes, in hun mystieke gratie van heerlijken takgroei, geheimvol neigende standen, als spraken ze ’n taal van zachte tinten, gebukt onder het zware, vrucht-sappige leven. De boomen en boompjes, van noot, morel, peer, appel en pruim dààr, harpten in bruidswit, bloesemsneeuw, in blankste gamma, overwaaid met goudstof dat er van kapellenvleugels poeiert, blank-ijl, in het dansende dronken geurlicht. De bloesemen erop, breed-uit in takwiegeling, als stille glans-ruikers van heilige pracht, toch beschroomd in hun overvloed, teer in hun maagde-adem, als verblankte bruidszielen, omstraald door de Meitoortsen van goudglans.Verwrongen de takken, de kleine verkromde stammetjes gebukt, ernstig van vol leven dat ze droegen, stonden andere pereboompjes weer als geheiligde kommuniekinders, in gewijde schittering, stil nu en hoogblank, in het zachte groene land, roerloos. Tusschen die in weer, op ’t doordauwde grasgefonkel rijden òp, zacht-rose sneeuwige appelboompjes, als hooggegroeide boeketten, in zacht-wadend goud; stammetjes, bescheiden teruggekrompen, als in angst voor de zoete purpering van bloesemweelde. Weer andere, kleiner en ranker, gebogen in bidhouding, heilige bekoring van groei, stil gebaar van schoonheid, toch overzegend met lichtende bloeseming, ònder de hoogeren, in luisterend leven. En overal van de paden, op lichte koele wuifjes, zoelde ààn, geur van linden, kastanje en sering.In wondre verjonging praalde het stugge grauwe winterstedeke weer, van goudschemer en groen. Langs de weggetjes, woest gestruik bij slooten, zeefde Meilicht, stonden hoogslanke, wilde waterboeketten, fijnrose koekoek. Teere zilvering blankte langs de greppeling, woest doorgroeide oeverbeekjes, hoog belommerd, met zilverend pluimgras, riet, goud-gloeijende brem en doovenetel. Felle boterbloempjes glansden als gepolijst; en overal[293]rondom, hooggele toetjes en vlekjes van roze koekoek, even paars getoorts van hondsdraf, laag gekruip van madeliefjes en akkerhoorn.—Soms in de blanke Meimaand, uit de fijne darteling van lichtende glanzen en deinende, brooze tinten, schoten òp hoog-roode papavers, kopjes-wiegelend op slanke stengeling.Ook de straatjes van Wiereland, nauwe kronkel van arbeiderswijkjes, zwommen in bloeseming en geur, groenden in boomenpracht, waaiden vol Meihoning en doordrènkende grasgeur. Overal waaide ’t vol lichtjes en zonneflitsjes, vol goud-gevonk en lommering, zoemde gevleugel van insekten en goudhaantjes, die aandreven als vurige arabeske, in slingerende lijn door de lucht, vliegjes met groenstalige schijnseltjes en goud-beschubde lijfjes.Zoo bleef de Meiemaand rondgaan in ’t stedeke en dorpjes-zeeweg. Door de tuinen en uitgebloeide bollenvelden, vergeurden de seringen hun weemoedsgeur in avondrood, kwam ’t schemergoud in nog heiliger nimbusval glanzen, roodblond en gloedloos, droom-teer, als van bijbelschen boschbrand, niets verterend. ’t Licht verstierf over de kleine, stille dorpshuisjes, even néervloeiend voor de raampjes, plintjes, kozijnen, ze bewasemend vol rooden goudglans, als staarden ze òp de ruitjes, naar de Zon, die wijd-plechtig verzonk, in wolken van wond’re violet, en staartglans van pauwendauw.

[Inhoud]II.In festoenen hing zoo de Meidag te tooveren, was wintergrauw in Wiereland weggezakt, goudde ’t licht, schooner soms waar geen bollenakkers te koortsen geurden, in de tuinen, op stille laantjes en paadjes; lichtgesprenkel van zon, splinterend rond drommen, goudgroen boomblaar. Omjubeld van licht en kleur stonden de landwerkers in den Meidag, in pracht van werkgebaar, op de groene akkers, warm-rood en blauw bekield, in ’t opene zonneveld of kleurschemerend tusschen rijzenpaadjes.Plots kwam Meimaand weifelen, verstierf de goudpracht van de jubelende dagen. Als in zatten wellust leien de bollenakkers elken dag weer hun geuren uit te hijgen, tusschen het geploeter der kerels, die niets meer zagen van kleurpracht rondom. Plots was daar, dampige horizon aangewaasd, wuifden wolkenslierten als reuzige veeren, berkenzilverend den hemel door, trok grijzig luchtspel uit zee áán. ’t Groen dreef in tintige wazen, en Hollandsch-ijl, dampte er weer gebroken licht door ’t landschap.De kleurlyriek van Mei donkerde àl zwaarder weg, achter luchtgrauw en zilverende gevaarten. Hengelaars, éven achter[290]Wierelandsch haventje, in polderbegin, stonden onrustig aan de rustieke weidammetjes in ’t watervlak te turen, dat soms schitterspatte, zilvervloeiend en rimpelend, of stug terugkaatste wolkdreigende regenlucht, ontzaglijk welvend over polderruimte, waar het stille zilte licht, wijd-neergeplast, nattig glansde over veld en wei. ’s Avonds vooral, lei Wierelandsche polder, stil en oneindig, steeg er dampige watergeur uit de kronkelende plassen, soms éven lichtelijk doortint van avondrood, ging er koele rietfluister langs slootjes en kwaakte er stijgende kikkerzang uit de droomerige, innige oevertjes. Vochtig en doorzilverd wasemden de dagen daar uit. Soms droef plots, in ’t verguurde weer, eenzaamden boven fort en dijken, vage kerktorentjes, als violette puntjes op horizonrond. En zacht, in wissel-licht, schemerden de avonden weer aan, ruischte en fonteinde ’t riet, teer en geheimvol, als fluisterend van nog komende zoete Mei-verlangens; doofde droomerig, op kleine sloepjes en schuitjes, weggegroend tusschen slootkantjes en pluimriet, de kleuren en tinten stil uit. En áánwieken kwam in breede zeilvlucht en zwier, ’n ooievaar door de eenzaame polderlucht, steeg aan anderen kant òp, van donkerende weivlakte, klein leeuwerikbeestje, uitparelend hóóg, zoeten zang, als gewiegde toontjes van fluitlied, stijgend in jubel, doorslierd van zilveren klankjes, tègen het late wolkenspel in, al hooger zwevend tusschen oneindigheid van donkerend weigroen en wijd-eenzame avondlucht.Er ging gemor onder de tuinders van Wiereland en omtrek. Snerpende vorst hield ’s nachts aan. Wat jonge groente stond gelig, blad-verdord, doorspoeld van regen en ’s nachts vroren fijne vruchtbloesems dood. Schade, schade van allen kant. Nergens meer schoot ’t gewas de aarde uit. Alles klefde en modderde vuil. Overal was geloer van angstige tuinderskoppen naar den grond, op de bedden, angstig gekijk naar onheil en schade. ’t Weer bleef dreigen kil, en windguurte vlijmde langs de akkers, de kerels in ’t gezicht, dat hun handen soms krampten in kou-onmacht.—Da sel main ’n loatertje worre, gromden ze tegen elkaar,[291]in nood voor hun oogst. Mee klaagden de kweekers, die bang waren voor hun bollen.Aan Duinkijk, naar zee, stond ’n groepje tuinders te praten, met één kerel op den akker.—Daa’s puur bot afspronge van alle weer, zei dof ’n lange uit ’t stoetje.—Daa’s net, de vorst hep hier huishoue.… kaik t’met alle blommetjes dood op die oarbai-bedde.… en kaik die frambose.… die appele!.… die pruime!.… kaik kaik! die peere! d’r is kwoalik veur vier duite meer àn!Stil liep ’t stoetje door, bleef de werker op z’n akkers, zorgelijk turend naar z’n bedden en vruchtboomen.Dagen op dagen bleef regen drenken en vorst door de aarde killen, vunsde er vocht uit regengrond, dampig en nattig. Onrustig joegen de tuinders elkaar òp in hun verborgen angst. Dat was nog nooit gezien, zoo slechte maand.Toen plots, sloeg Meiweer òm, kwam goudpracht weer lichten in goudgroenen gloed over het volgedromde boomenstedeke en dorp.—Heel vroeg in de ochtenden, blankte en purperde de bloesempracht van vruchtboomen weer, als nooit te voren.Uit de beukenlaan liep ’n lange, magere tuinder met de zeis op den rug, zilveren bliksems vlijmend en flitsend boven z’n hoofd, als zenboom bewoog op z’n krommige schouers. Achter dichtgegroeide, begroende rijzenlaantjes met erwten, op de akkers, klonk klare mannestem, zangerig en diep, in de hooge gouen lichtglorie en morgenblauwte, tusschen zang van kerse-diefjes, alt-volle melodiëerende merels en nachtegaalslag, schuchter, toch vloeiend. Eén wild getjirp en getjilp, fluiterig gedraal van zoet-lokkende lentezangetjes en geluidjes, waar doorhéén galmde, in vibreerende sonore diepte, de menschenstem, verborgen achter ’t groen van vruchtboomen en haag, dat ’t daverde door de zoet-geurende zonneruimte. Overal harpte takkensier in moestuinen, en weelde-bloeseming. De groene hagedoorn stroomde van licht, en op al de labyrinthpaadjes en laantjes verjubelde groen-goud, lagen hoog doorzond, de doodstille wegjes in den reinen Meiglans om Wiereland, volgestrooid en doorwaaid met[292]zoetsten geur, licht-bedroesemend in zwijmel. In pracht van stilte en licht, stond ’t wilde hakhout rondom te dauw-druppen, en bladergroen te zwemmen in zonnegoud. Wondere lentelicht dauwde en vloeide er, één sneeuwing van maagde-blank uit de vruchtboompjes, in hun mystieke gratie van heerlijken takgroei, geheimvol neigende standen, als spraken ze ’n taal van zachte tinten, gebukt onder het zware, vrucht-sappige leven. De boomen en boompjes, van noot, morel, peer, appel en pruim dààr, harpten in bruidswit, bloesemsneeuw, in blankste gamma, overwaaid met goudstof dat er van kapellenvleugels poeiert, blank-ijl, in het dansende dronken geurlicht. De bloesemen erop, breed-uit in takwiegeling, als stille glans-ruikers van heilige pracht, toch beschroomd in hun overvloed, teer in hun maagde-adem, als verblankte bruidszielen, omstraald door de Meitoortsen van goudglans.Verwrongen de takken, de kleine verkromde stammetjes gebukt, ernstig van vol leven dat ze droegen, stonden andere pereboompjes weer als geheiligde kommuniekinders, in gewijde schittering, stil nu en hoogblank, in het zachte groene land, roerloos. Tusschen die in weer, op ’t doordauwde grasgefonkel rijden òp, zacht-rose sneeuwige appelboompjes, als hooggegroeide boeketten, in zacht-wadend goud; stammetjes, bescheiden teruggekrompen, als in angst voor de zoete purpering van bloesemweelde. Weer andere, kleiner en ranker, gebogen in bidhouding, heilige bekoring van groei, stil gebaar van schoonheid, toch overzegend met lichtende bloeseming, ònder de hoogeren, in luisterend leven. En overal van de paden, op lichte koele wuifjes, zoelde ààn, geur van linden, kastanje en sering.In wondre verjonging praalde het stugge grauwe winterstedeke weer, van goudschemer en groen. Langs de weggetjes, woest gestruik bij slooten, zeefde Meilicht, stonden hoogslanke, wilde waterboeketten, fijnrose koekoek. Teere zilvering blankte langs de greppeling, woest doorgroeide oeverbeekjes, hoog belommerd, met zilverend pluimgras, riet, goud-gloeijende brem en doovenetel. Felle boterbloempjes glansden als gepolijst; en overal[293]rondom, hooggele toetjes en vlekjes van roze koekoek, even paars getoorts van hondsdraf, laag gekruip van madeliefjes en akkerhoorn.—Soms in de blanke Meimaand, uit de fijne darteling van lichtende glanzen en deinende, brooze tinten, schoten òp hoog-roode papavers, kopjes-wiegelend op slanke stengeling.Ook de straatjes van Wiereland, nauwe kronkel van arbeiderswijkjes, zwommen in bloeseming en geur, groenden in boomenpracht, waaiden vol Meihoning en doordrènkende grasgeur. Overal waaide ’t vol lichtjes en zonneflitsjes, vol goud-gevonk en lommering, zoemde gevleugel van insekten en goudhaantjes, die aandreven als vurige arabeske, in slingerende lijn door de lucht, vliegjes met groenstalige schijnseltjes en goud-beschubde lijfjes.Zoo bleef de Meiemaand rondgaan in ’t stedeke en dorpjes-zeeweg. Door de tuinen en uitgebloeide bollenvelden, vergeurden de seringen hun weemoedsgeur in avondrood, kwam ’t schemergoud in nog heiliger nimbusval glanzen, roodblond en gloedloos, droom-teer, als van bijbelschen boschbrand, niets verterend. ’t Licht verstierf over de kleine, stille dorpshuisjes, even néervloeiend voor de raampjes, plintjes, kozijnen, ze bewasemend vol rooden goudglans, als staarden ze òp de ruitjes, naar de Zon, die wijd-plechtig verzonk, in wolken van wond’re violet, en staartglans van pauwendauw.

II.

In festoenen hing zoo de Meidag te tooveren, was wintergrauw in Wiereland weggezakt, goudde ’t licht, schooner soms waar geen bollenakkers te koortsen geurden, in de tuinen, op stille laantjes en paadjes; lichtgesprenkel van zon, splinterend rond drommen, goudgroen boomblaar. Omjubeld van licht en kleur stonden de landwerkers in den Meidag, in pracht van werkgebaar, op de groene akkers, warm-rood en blauw bekield, in ’t opene zonneveld of kleurschemerend tusschen rijzenpaadjes.Plots kwam Meimaand weifelen, verstierf de goudpracht van de jubelende dagen. Als in zatten wellust leien de bollenakkers elken dag weer hun geuren uit te hijgen, tusschen het geploeter der kerels, die niets meer zagen van kleurpracht rondom. Plots was daar, dampige horizon aangewaasd, wuifden wolkenslierten als reuzige veeren, berkenzilverend den hemel door, trok grijzig luchtspel uit zee áán. ’t Groen dreef in tintige wazen, en Hollandsch-ijl, dampte er weer gebroken licht door ’t landschap.De kleurlyriek van Mei donkerde àl zwaarder weg, achter luchtgrauw en zilverende gevaarten. Hengelaars, éven achter[290]Wierelandsch haventje, in polderbegin, stonden onrustig aan de rustieke weidammetjes in ’t watervlak te turen, dat soms schitterspatte, zilvervloeiend en rimpelend, of stug terugkaatste wolkdreigende regenlucht, ontzaglijk welvend over polderruimte, waar het stille zilte licht, wijd-neergeplast, nattig glansde over veld en wei. ’s Avonds vooral, lei Wierelandsche polder, stil en oneindig, steeg er dampige watergeur uit de kronkelende plassen, soms éven lichtelijk doortint van avondrood, ging er koele rietfluister langs slootjes en kwaakte er stijgende kikkerzang uit de droomerige, innige oevertjes. Vochtig en doorzilverd wasemden de dagen daar uit. Soms droef plots, in ’t verguurde weer, eenzaamden boven fort en dijken, vage kerktorentjes, als violette puntjes op horizonrond. En zacht, in wissel-licht, schemerden de avonden weer aan, ruischte en fonteinde ’t riet, teer en geheimvol, als fluisterend van nog komende zoete Mei-verlangens; doofde droomerig, op kleine sloepjes en schuitjes, weggegroend tusschen slootkantjes en pluimriet, de kleuren en tinten stil uit. En áánwieken kwam in breede zeilvlucht en zwier, ’n ooievaar door de eenzaame polderlucht, steeg aan anderen kant òp, van donkerende weivlakte, klein leeuwerikbeestje, uitparelend hóóg, zoeten zang, als gewiegde toontjes van fluitlied, stijgend in jubel, doorslierd van zilveren klankjes, tègen het late wolkenspel in, al hooger zwevend tusschen oneindigheid van donkerend weigroen en wijd-eenzame avondlucht.Er ging gemor onder de tuinders van Wiereland en omtrek. Snerpende vorst hield ’s nachts aan. Wat jonge groente stond gelig, blad-verdord, doorspoeld van regen en ’s nachts vroren fijne vruchtbloesems dood. Schade, schade van allen kant. Nergens meer schoot ’t gewas de aarde uit. Alles klefde en modderde vuil. Overal was geloer van angstige tuinderskoppen naar den grond, op de bedden, angstig gekijk naar onheil en schade. ’t Weer bleef dreigen kil, en windguurte vlijmde langs de akkers, de kerels in ’t gezicht, dat hun handen soms krampten in kou-onmacht.—Da sel main ’n loatertje worre, gromden ze tegen elkaar,[291]in nood voor hun oogst. Mee klaagden de kweekers, die bang waren voor hun bollen.Aan Duinkijk, naar zee, stond ’n groepje tuinders te praten, met één kerel op den akker.—Daa’s puur bot afspronge van alle weer, zei dof ’n lange uit ’t stoetje.—Daa’s net, de vorst hep hier huishoue.… kaik t’met alle blommetjes dood op die oarbai-bedde.… en kaik die frambose.… die appele!.… die pruime!.… kaik kaik! die peere! d’r is kwoalik veur vier duite meer àn!Stil liep ’t stoetje door, bleef de werker op z’n akkers, zorgelijk turend naar z’n bedden en vruchtboomen.Dagen op dagen bleef regen drenken en vorst door de aarde killen, vunsde er vocht uit regengrond, dampig en nattig. Onrustig joegen de tuinders elkaar òp in hun verborgen angst. Dat was nog nooit gezien, zoo slechte maand.Toen plots, sloeg Meiweer òm, kwam goudpracht weer lichten in goudgroenen gloed over het volgedromde boomenstedeke en dorp.—Heel vroeg in de ochtenden, blankte en purperde de bloesempracht van vruchtboomen weer, als nooit te voren.Uit de beukenlaan liep ’n lange, magere tuinder met de zeis op den rug, zilveren bliksems vlijmend en flitsend boven z’n hoofd, als zenboom bewoog op z’n krommige schouers. Achter dichtgegroeide, begroende rijzenlaantjes met erwten, op de akkers, klonk klare mannestem, zangerig en diep, in de hooge gouen lichtglorie en morgenblauwte, tusschen zang van kerse-diefjes, alt-volle melodiëerende merels en nachtegaalslag, schuchter, toch vloeiend. Eén wild getjirp en getjilp, fluiterig gedraal van zoet-lokkende lentezangetjes en geluidjes, waar doorhéén galmde, in vibreerende sonore diepte, de menschenstem, verborgen achter ’t groen van vruchtboomen en haag, dat ’t daverde door de zoet-geurende zonneruimte. Overal harpte takkensier in moestuinen, en weelde-bloeseming. De groene hagedoorn stroomde van licht, en op al de labyrinthpaadjes en laantjes verjubelde groen-goud, lagen hoog doorzond, de doodstille wegjes in den reinen Meiglans om Wiereland, volgestrooid en doorwaaid met[292]zoetsten geur, licht-bedroesemend in zwijmel. In pracht van stilte en licht, stond ’t wilde hakhout rondom te dauw-druppen, en bladergroen te zwemmen in zonnegoud. Wondere lentelicht dauwde en vloeide er, één sneeuwing van maagde-blank uit de vruchtboompjes, in hun mystieke gratie van heerlijken takgroei, geheimvol neigende standen, als spraken ze ’n taal van zachte tinten, gebukt onder het zware, vrucht-sappige leven. De boomen en boompjes, van noot, morel, peer, appel en pruim dààr, harpten in bruidswit, bloesemsneeuw, in blankste gamma, overwaaid met goudstof dat er van kapellenvleugels poeiert, blank-ijl, in het dansende dronken geurlicht. De bloesemen erop, breed-uit in takwiegeling, als stille glans-ruikers van heilige pracht, toch beschroomd in hun overvloed, teer in hun maagde-adem, als verblankte bruidszielen, omstraald door de Meitoortsen van goudglans.Verwrongen de takken, de kleine verkromde stammetjes gebukt, ernstig van vol leven dat ze droegen, stonden andere pereboompjes weer als geheiligde kommuniekinders, in gewijde schittering, stil nu en hoogblank, in het zachte groene land, roerloos. Tusschen die in weer, op ’t doordauwde grasgefonkel rijden òp, zacht-rose sneeuwige appelboompjes, als hooggegroeide boeketten, in zacht-wadend goud; stammetjes, bescheiden teruggekrompen, als in angst voor de zoete purpering van bloesemweelde. Weer andere, kleiner en ranker, gebogen in bidhouding, heilige bekoring van groei, stil gebaar van schoonheid, toch overzegend met lichtende bloeseming, ònder de hoogeren, in luisterend leven. En overal van de paden, op lichte koele wuifjes, zoelde ààn, geur van linden, kastanje en sering.In wondre verjonging praalde het stugge grauwe winterstedeke weer, van goudschemer en groen. Langs de weggetjes, woest gestruik bij slooten, zeefde Meilicht, stonden hoogslanke, wilde waterboeketten, fijnrose koekoek. Teere zilvering blankte langs de greppeling, woest doorgroeide oeverbeekjes, hoog belommerd, met zilverend pluimgras, riet, goud-gloeijende brem en doovenetel. Felle boterbloempjes glansden als gepolijst; en overal[293]rondom, hooggele toetjes en vlekjes van roze koekoek, even paars getoorts van hondsdraf, laag gekruip van madeliefjes en akkerhoorn.—Soms in de blanke Meimaand, uit de fijne darteling van lichtende glanzen en deinende, brooze tinten, schoten òp hoog-roode papavers, kopjes-wiegelend op slanke stengeling.Ook de straatjes van Wiereland, nauwe kronkel van arbeiderswijkjes, zwommen in bloeseming en geur, groenden in boomenpracht, waaiden vol Meihoning en doordrènkende grasgeur. Overal waaide ’t vol lichtjes en zonneflitsjes, vol goud-gevonk en lommering, zoemde gevleugel van insekten en goudhaantjes, die aandreven als vurige arabeske, in slingerende lijn door de lucht, vliegjes met groenstalige schijnseltjes en goud-beschubde lijfjes.Zoo bleef de Meiemaand rondgaan in ’t stedeke en dorpjes-zeeweg. Door de tuinen en uitgebloeide bollenvelden, vergeurden de seringen hun weemoedsgeur in avondrood, kwam ’t schemergoud in nog heiliger nimbusval glanzen, roodblond en gloedloos, droom-teer, als van bijbelschen boschbrand, niets verterend. ’t Licht verstierf over de kleine, stille dorpshuisjes, even néervloeiend voor de raampjes, plintjes, kozijnen, ze bewasemend vol rooden goudglans, als staarden ze òp de ruitjes, naar de Zon, die wijd-plechtig verzonk, in wolken van wond’re violet, en staartglans van pauwendauw.

In festoenen hing zoo de Meidag te tooveren, was wintergrauw in Wiereland weggezakt, goudde ’t licht, schooner soms waar geen bollenakkers te koortsen geurden, in de tuinen, op stille laantjes en paadjes; lichtgesprenkel van zon, splinterend rond drommen, goudgroen boomblaar. Omjubeld van licht en kleur stonden de landwerkers in den Meidag, in pracht van werkgebaar, op de groene akkers, warm-rood en blauw bekield, in ’t opene zonneveld of kleurschemerend tusschen rijzenpaadjes.

Plots kwam Meimaand weifelen, verstierf de goudpracht van de jubelende dagen. Als in zatten wellust leien de bollenakkers elken dag weer hun geuren uit te hijgen, tusschen het geploeter der kerels, die niets meer zagen van kleurpracht rondom. Plots was daar, dampige horizon aangewaasd, wuifden wolkenslierten als reuzige veeren, berkenzilverend den hemel door, trok grijzig luchtspel uit zee áán. ’t Groen dreef in tintige wazen, en Hollandsch-ijl, dampte er weer gebroken licht door ’t landschap.

De kleurlyriek van Mei donkerde àl zwaarder weg, achter luchtgrauw en zilverende gevaarten. Hengelaars, éven achter[290]Wierelandsch haventje, in polderbegin, stonden onrustig aan de rustieke weidammetjes in ’t watervlak te turen, dat soms schitterspatte, zilvervloeiend en rimpelend, of stug terugkaatste wolkdreigende regenlucht, ontzaglijk welvend over polderruimte, waar het stille zilte licht, wijd-neergeplast, nattig glansde over veld en wei. ’s Avonds vooral, lei Wierelandsche polder, stil en oneindig, steeg er dampige watergeur uit de kronkelende plassen, soms éven lichtelijk doortint van avondrood, ging er koele rietfluister langs slootjes en kwaakte er stijgende kikkerzang uit de droomerige, innige oevertjes. Vochtig en doorzilverd wasemden de dagen daar uit. Soms droef plots, in ’t verguurde weer, eenzaamden boven fort en dijken, vage kerktorentjes, als violette puntjes op horizonrond. En zacht, in wissel-licht, schemerden de avonden weer aan, ruischte en fonteinde ’t riet, teer en geheimvol, als fluisterend van nog komende zoete Mei-verlangens; doofde droomerig, op kleine sloepjes en schuitjes, weggegroend tusschen slootkantjes en pluimriet, de kleuren en tinten stil uit. En áánwieken kwam in breede zeilvlucht en zwier, ’n ooievaar door de eenzaame polderlucht, steeg aan anderen kant òp, van donkerende weivlakte, klein leeuwerikbeestje, uitparelend hóóg, zoeten zang, als gewiegde toontjes van fluitlied, stijgend in jubel, doorslierd van zilveren klankjes, tègen het late wolkenspel in, al hooger zwevend tusschen oneindigheid van donkerend weigroen en wijd-eenzame avondlucht.

Er ging gemor onder de tuinders van Wiereland en omtrek. Snerpende vorst hield ’s nachts aan. Wat jonge groente stond gelig, blad-verdord, doorspoeld van regen en ’s nachts vroren fijne vruchtbloesems dood. Schade, schade van allen kant. Nergens meer schoot ’t gewas de aarde uit. Alles klefde en modderde vuil. Overal was geloer van angstige tuinderskoppen naar den grond, op de bedden, angstig gekijk naar onheil en schade. ’t Weer bleef dreigen kil, en windguurte vlijmde langs de akkers, de kerels in ’t gezicht, dat hun handen soms krampten in kou-onmacht.

—Da sel main ’n loatertje worre, gromden ze tegen elkaar,[291]in nood voor hun oogst. Mee klaagden de kweekers, die bang waren voor hun bollen.

Aan Duinkijk, naar zee, stond ’n groepje tuinders te praten, met één kerel op den akker.

—Daa’s puur bot afspronge van alle weer, zei dof ’n lange uit ’t stoetje.

—Daa’s net, de vorst hep hier huishoue.… kaik t’met alle blommetjes dood op die oarbai-bedde.… en kaik die frambose.… die appele!.… die pruime!.… kaik kaik! die peere! d’r is kwoalik veur vier duite meer àn!

Stil liep ’t stoetje door, bleef de werker op z’n akkers, zorgelijk turend naar z’n bedden en vruchtboomen.

Dagen op dagen bleef regen drenken en vorst door de aarde killen, vunsde er vocht uit regengrond, dampig en nattig. Onrustig joegen de tuinders elkaar òp in hun verborgen angst. Dat was nog nooit gezien, zoo slechte maand.

Toen plots, sloeg Meiweer òm, kwam goudpracht weer lichten in goudgroenen gloed over het volgedromde boomenstedeke en dorp.—Heel vroeg in de ochtenden, blankte en purperde de bloesempracht van vruchtboomen weer, als nooit te voren.

Uit de beukenlaan liep ’n lange, magere tuinder met de zeis op den rug, zilveren bliksems vlijmend en flitsend boven z’n hoofd, als zenboom bewoog op z’n krommige schouers. Achter dichtgegroeide, begroende rijzenlaantjes met erwten, op de akkers, klonk klare mannestem, zangerig en diep, in de hooge gouen lichtglorie en morgenblauwte, tusschen zang van kerse-diefjes, alt-volle melodiëerende merels en nachtegaalslag, schuchter, toch vloeiend. Eén wild getjirp en getjilp, fluiterig gedraal van zoet-lokkende lentezangetjes en geluidjes, waar doorhéén galmde, in vibreerende sonore diepte, de menschenstem, verborgen achter ’t groen van vruchtboomen en haag, dat ’t daverde door de zoet-geurende zonneruimte. Overal harpte takkensier in moestuinen, en weelde-bloeseming. De groene hagedoorn stroomde van licht, en op al de labyrinthpaadjes en laantjes verjubelde groen-goud, lagen hoog doorzond, de doodstille wegjes in den reinen Meiglans om Wiereland, volgestrooid en doorwaaid met[292]zoetsten geur, licht-bedroesemend in zwijmel. In pracht van stilte en licht, stond ’t wilde hakhout rondom te dauw-druppen, en bladergroen te zwemmen in zonnegoud. Wondere lentelicht dauwde en vloeide er, één sneeuwing van maagde-blank uit de vruchtboompjes, in hun mystieke gratie van heerlijken takgroei, geheimvol neigende standen, als spraken ze ’n taal van zachte tinten, gebukt onder het zware, vrucht-sappige leven. De boomen en boompjes, van noot, morel, peer, appel en pruim dààr, harpten in bruidswit, bloesemsneeuw, in blankste gamma, overwaaid met goudstof dat er van kapellenvleugels poeiert, blank-ijl, in het dansende dronken geurlicht. De bloesemen erop, breed-uit in takwiegeling, als stille glans-ruikers van heilige pracht, toch beschroomd in hun overvloed, teer in hun maagde-adem, als verblankte bruidszielen, omstraald door de Meitoortsen van goudglans.

Verwrongen de takken, de kleine verkromde stammetjes gebukt, ernstig van vol leven dat ze droegen, stonden andere pereboompjes weer als geheiligde kommuniekinders, in gewijde schittering, stil nu en hoogblank, in het zachte groene land, roerloos. Tusschen die in weer, op ’t doordauwde grasgefonkel rijden òp, zacht-rose sneeuwige appelboompjes, als hooggegroeide boeketten, in zacht-wadend goud; stammetjes, bescheiden teruggekrompen, als in angst voor de zoete purpering van bloesemweelde. Weer andere, kleiner en ranker, gebogen in bidhouding, heilige bekoring van groei, stil gebaar van schoonheid, toch overzegend met lichtende bloeseming, ònder de hoogeren, in luisterend leven. En overal van de paden, op lichte koele wuifjes, zoelde ààn, geur van linden, kastanje en sering.

In wondre verjonging praalde het stugge grauwe winterstedeke weer, van goudschemer en groen. Langs de weggetjes, woest gestruik bij slooten, zeefde Meilicht, stonden hoogslanke, wilde waterboeketten, fijnrose koekoek. Teere zilvering blankte langs de greppeling, woest doorgroeide oeverbeekjes, hoog belommerd, met zilverend pluimgras, riet, goud-gloeijende brem en doovenetel. Felle boterbloempjes glansden als gepolijst; en overal[293]rondom, hooggele toetjes en vlekjes van roze koekoek, even paars getoorts van hondsdraf, laag gekruip van madeliefjes en akkerhoorn.—Soms in de blanke Meimaand, uit de fijne darteling van lichtende glanzen en deinende, brooze tinten, schoten òp hoog-roode papavers, kopjes-wiegelend op slanke stengeling.

Ook de straatjes van Wiereland, nauwe kronkel van arbeiderswijkjes, zwommen in bloeseming en geur, groenden in boomenpracht, waaiden vol Meihoning en doordrènkende grasgeur. Overal waaide ’t vol lichtjes en zonneflitsjes, vol goud-gevonk en lommering, zoemde gevleugel van insekten en goudhaantjes, die aandreven als vurige arabeske, in slingerende lijn door de lucht, vliegjes met groenstalige schijnseltjes en goud-beschubde lijfjes.

Zoo bleef de Meiemaand rondgaan in ’t stedeke en dorpjes-zeeweg. Door de tuinen en uitgebloeide bollenvelden, vergeurden de seringen hun weemoedsgeur in avondrood, kwam ’t schemergoud in nog heiliger nimbusval glanzen, roodblond en gloedloos, droom-teer, als van bijbelschen boschbrand, niets verterend. ’t Licht verstierf over de kleine, stille dorpshuisjes, even néervloeiend voor de raampjes, plintjes, kozijnen, ze bewasemend vol rooden goudglans, als staarden ze òp de ruitjes, naar de Zon, die wijd-plechtig verzonk, in wolken van wond’re violet, en staartglans van pauwendauw.


Back to IndexNext