TWEEDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]TWEEDE HOOFDSTUK.De aardbeipluk was ophanden. Nog wel niet in één de groote haal, maar toch, als ’t ochtendgloorde, ’t land nog in grauwen dauw dampte en langzaam, brandroode nevel boven de verre, vaal aangroenende akkers uitkleurde, morgengloed door doodstille luchten sintelde,—dan hurkten, vóór zonnebol zelf òpvuurde, de tuinders al tusschen de nauwe paadjes, omkringd van kinders, jongens en meisjes; was er al druk gesjok en gesjouw van één naar anderen hoek, om arbeid te verdeelen tusschen eigen zwerm en vreemde plukkersknechten.De eerste haal zette in, met zware zonnedaverende hitte. Na de kleur-orgie van tulpenbrand en òpbloei van hyacinten, was nu plots bij hoeken hier en daar op Duinkijksche akkers, even vóór den pluk, wondere zee van hoog-gele en paars-blauwe irissen, goud-geel beschubd, komen aangolven over ’t land. Klein was de teelt, op ènkele akkers, maar hoog de pracht van den in licht-dauw omzeefden paars-blauwen irissenbrand.Graanhalm-hoog moireerden in golving van stengels, akkers weer, als in herbloei van hyacinten en tulpen, paarsblauwe en goudrandig geschubde. Achter en tusschen de hevige paars-zee, bloeiden helgouden pronkbekers van licht; welde glans, hooge brand als van graanvelden, duizelend, spartelend, kokend-hoog goud met brokken ertusschen, moireerend naar geelgoud, tegen de diepe golfzee van schitter paarsblauw, in ’t groene akkerland.Als mythische stad in zonnedroom, met één slag door Satan neergetooverd in duivelszwaai van bloedrooden mantel en vampiergebaar van z’n armen, was herrezen dáár, uit eerst[37]groene, stil-mijmerende aarde, een lichtfeest, een tooi, in woesten kleuren-wellust; herrezen een mythische stad, volgestort van sprokelicht, van nevel en vonken dooréén; stad, met wegjes van enkel stralend vuurgoud.—Zoo in wondrengloei, rankten en slankten de irissen, op ’n vloer van bevende glansen.—Uit de stille grasaarde, tusschen het nog dorrende loof, drong een òpstand van vreemd-starende bloemwezens, zonnedronken onder de warme uitgeuring van hun kleur-heete zielen.Als in hemelspraak met ’t azuur, gedrenkt in ’t blauw van uitspansel, bleven ze daar wiegelen de gekleurde zielen, de vreemd starende bloemwezens, samengestald in hun mythische stad van licht, stralend paars en goud, in daverenden zonnezang van akkers.Boven hen wisselden de luchten, groeiden en stapelden òp de wolksteden in zilverende lichtglansen, verduisterend de bloemenpracht, verbrokkelend den zonnedroom. En fijn schuimde er doorheen, ’t zilte zilver van den polderhemel, wazig en gebroken in glanzende neveling. En weer later, in satansgebaar neergetooverd, rankte en wiegelde op andere akkers, rond de irissen, dooreenwemelende bloei van kleur-wisselende anemonen.—Eén dans van kleurebloempjes, op rank-teere stengels, kopjesknikkend en wiegelend in windspel. Eén kankaneeren van donkerdiep dahliarood, rouw-fluweel met paars-purp’ren starren. Eén rondedans van korenblauw met zonnegoud, één sliertige omhelzing van roze bloemekopjes met goud-rood en oranje wezentjes.—Eén regening en zegening van doorééngewaaide kleurtjes, lichtjes, vlammetjes en brandjes, in vurige kleuren-kelkjes verfonkelend.—Zoo gloeiden de anemonenbedden, tusschen de simpele teelt van erwten, wortels, sla en rhabarber, als een hageling van zomerkleuren, verpurperend en vergouend, verpaarsend en verblauwend de akkers, in jubelenden schitter en diep-geurende gloeiende zonnigheid. Zóó, als voorspel op den aardbeihaal, tusschen de vruchtjes in, bachanaalde ’t dronken iris- en anemonefeestje, in toover van licht, in zwijmelenden zonnedroom.De hoog-groene aardbeiakkers, zilverend in lichtglanzen,[38]overal ingesloten tusschen de goud-groene doorzonde hagentrofee van bladeren, doordarteld van glansen en vonkjes, juichten in den opbloei der vruchtjes.Overal gloeiden in warme purpering de spitsige kogeltjes op zandgrond, die paarsig brandde van hette, naast heele bedden onrijpe amazonen, als beschilderde vruchtjes, flauw aan éen kant roodgevlekt tusschen het lage bladerdiep.—Op de akkers hurkten neergezwermd, plukkers en pluksters in ’t woelige kleurgewiegel van hun kleeren, en overal was druk gedrentel en mandjesgesjouw, overal volgepropte bakken die verdragen werden uit zon.—Naast de akkers van Ouë Gerrit, hurkte in halven kring, kinderenzwerm van oom Hassel, in vale, voddige kleeren. Al z’n gespuis, tot ’n meisje van zeven, had ie aan ’t plukken gezet, in zwijmelkoortsige jacht, om te halen, te hàlen, hooger prijs te maken, anderen voor te zijn met goed, wel wetend dat de sterke werkmacht van al die rappe handjes, snel in pluk en grabbel, hèm niets kostte.Werkroes koortste door Duinkijk en Wiereland. Elke minuut van langen ademhaal, rustend, was verlies. Koopers joegen, bemiddelaars joegen, bazen joegen hun kinders, los volk en vaste plukkers joegen elkaar.Oom Hassel schreeuwde naar ’n troepje meisjes, dat inhurkte tusschen de nauwe aardbeipaadjes, in felle gloeizon:—Denk d’r’an, jullie niks aa’s soete fransies!.. en Emmetjes.. mi sonder doppies.. en f’noàfed éers de halfe raipe in sloffies! De kinders stemmedrukten en joelden uitgelaten terug, dat ’t goed was, nog vroolijkend in ’t vroeg-landelijke ochtenduur, blij niet op de schoolbanken te zitten, den heelen pluktijd door.—Vóór ingehurkten kniebuk uit, grabbelden hun handjes tusschen de groen-zilveren lichthuivering van bladeren, zoekend en tastend naar de rijpe vruchtjes, die bloedden in vochtig fonkelrood, puntig doorspikkeld van gouden spatjes. Licht purperden en hoogrood glansden in speelsche gloedjes en vonken de aardbeien in de brons-zanderige kinderknuistjes; handjes vol zoet-geurende vruchtjes, gloeiend in zonneschitter. Telkens,[39]de palmpjes volgeplukt, kogelden ze de vruchtjes voorzichtig in de brons-teenen mandjes, donkere zuiltjes, volgestapeld in speelsch gebaar, met vuur.——He’ je nog mandjes doar? schreeuwde ’n plukker.’n Kleine meid, in rood verflodderd en gescheurd kort rokje, losgehaakt op den rug, dat wit ondergoed en baleintjes er door heenschemerden, smeet mandjes door de paadjes àchter plukkersklompen, in joligen zwiep van ’r kinderarmpjes. Ze speelde er mee, gooide maar òp, te veel, dat de broers om ’r heen vloekten. In krommen hurk schoven de plukkers voort, op de knel-nauwe paadjes, die zandig-heet lila-paars schemerden tusschen het groen, elk klaargeplukt mandje opgestapeld met „kòp”, achter hun hielen neerbouwend.—Tusschen al de paadjes van de verre akkers slangden de donker- en lichtroode vruchtjes in lage mandzuiltjes, zoetelijk geurend en vervochtend in de grove plukkershanden, die doortastten maar, onder ’t loof, telkens òpdiepten met de vuile vingers de vuurvonkende kogeltjes. Zóó, achter de ingehurkte plukkende lijven, vlamden de volgepropte mand-zuiltjes in karmijnen brand, in donkere en licht-gloeiende omzooming van de hèl-groen bladerige bedden; lange roode zuil-gangetjes, vurig van lijngolving in heet zonnegoud, in trillende hittesfeer, omzeefd van dampig licht, nevelig van rooden gloed, overal tusschen het frisch-joelende jubelgroen en ’t zilverspatten van zon-natte bladeren. Geuren van grond en vruchten, zwijmelden en wellustten rond uit den blank-gouden, blauw-diepen hemel; zwijmel van reuken en sappen. Rood bevlekt en besapt graaiden overal de geweldige barsche plukklauwen der werkers, vervuild en doorgroefd van aardwroet, tusschen het jonge heete aardbeienbloed. En nat van sappen, walmden zacht de kleine zonnig verbronsde kinderknuistjes tusschen lichtrood en dieprood, tusschen vuur dat laaide en vonkte, en karmijn dat sintelde, lekte, smeulde.Door héél Duinkijk en Wiereland vonkte, spatte en purperde ’t rood van aardbei, tusschen de groen-flonkerende omhaagde hoeken; spartelden de handjes gezwollen van greep en pluk,[40]ging één zoet-zalige stroom van rooden geurdamp zwoel over de akkers.Guurt en Dirk plukten gelijk op, aan één bed, Kees, de Ouë en Piet, ’n anderen hoek uit. Ouë Gerrit had al heel vroeg gedaan bij de nieuwe familie op ’t plaatsje. Nou zat ie gretig mee te plukken. Z’n rug brak ’m wel, pijnde en stak als werden er naalden ingeboord, maar daar gaf ie niks om. ’t Moest, moèst nou. ’n Daggeldersloon viel er zoo wel uit te winnen. De kerels zouden ’m ook anders te lijf gaan. Z’n knieën tot op de borst ingehurkt, bij de kin wegknellend z’n baard, grabbelde ie met twee handen te gelijk, trillerig in z’n beenen, ’t loof omwoelend, de vruchtjes vlug neerkogelend in z’n mandje, zonder ze te kneuzen toch.Hij gromde stil, dat ’r van z’n vervreten hoek rijp geen eetbaar vruchtje terecht was gekomen. Schade van honderden!.… Dá’ stopte ie zoo nooit.. hoho! hoho!—Woedend was ie ook dat z’n rooie kool zoo slecht stond.—Nou had ie op ’n lekker sonnig hoekie soaid, van s’n swoarsten grond, bestig bemest, en nou stonge se krek aa’s stokkies, deurvrete van oardevlooi.… En nog meer!.… s’n uitjes.. stonge slecht.. tedicht op malkoar soait.… weer skult van Piet.… hep ’t soo wille.… enne.… van de somerandaifie.. kwam ook nie veul.… most nou al ’n beetje gele kop hewwe!.… skuld van die f’rekt slechte woàteràfvoer.…—Hee Ouë, denk ’r ’an, dá’ jai strak-en-an die hoek overnaimp! Ik mó’ nog bosse veur f’nòafed.… hai hep de mande, veur àftetarre an de hoàfe.…Ouë Gerrit had zich naar Dirk gedraaid, die ’m uit erwtenpad toeschreeuwde. Schroeiend begloeide de zon akkerruim, dat hette uitdampte. In één bukkenden hurk, van knie op knie, schoven de werkers voort tusschen het prachtgroen, vervuild van zweet en martelenden pluk, met den steekbrand van zon op nekken en ruggen. Boven de aardbeibedden stond de lucht, blauwe jubel van uitspansel, stil van zoete geuren. In wierook gedrenkt, zwangerde de aarde van reuken, heimweevol en zalig. Met moeite zwierven klankgeruchten van straatjes[41]en lanen òver naar akkers, door de geurnevelen héén.—In één kniel- en bukstand schoven ze voort, werkers en kinders, zonder òpzien. Met wat vluchtige happen was de voorschaft gedaan, en dadelijk weer stonden ze klaar, opgejaagd met ’t broodpaffe nog in hun maag; liepen ze uit schaduwluwte, koelend groen van ’n haag, naar de gloeibedden terug, kniegebukt weer, op heet-zandige paadjes.Ze voelden wel, de werkers, dat ’t nu ging om hun rust, hùn bestaan. Als de eerste haal maar voorbijbroeide, was er van zelf weer ’n dagje kalmer pluk uit de onstuimige aankolking van werkhaast en ploeterjacht.Elken dag kwam zonneschroei heeter neerdaveren over de akkers, die droog-stoffig smachtten naar lafenis, en vroèger in den morgen wroetten de tuinders op de zengende vlakte, onder ’t neerkokende licht, in opjagender grabbel tusschen hun aardbeien; de handen voller van vuur-fonkelende vruchtjes, die al dièper of hoòger kleurden in zonnelaai, donker bloedden of lichter bevlamden de aarde, in stil-ziedend rood, verstapeld in de vurige zuil-mandjes, als vloeide boven de akkers ènkel heet spel van purper en goudgroenen vochtigen weerschijn.—Eindelijk was de groote haal ingevallen. Ouë Gerrit had van z’n berijpte akkers niets gehaald. De vrucht was niet gezet, stond er wormstekig en puisterig flauw-rood. Tòch zou ie ze beet nemen.—Maar z’n andere jonge hoeken, ’t vorige jaar pas ingerankt, stonden mooi vol, maakten dat ie niet al te zwaar gromde. En gelijk-áán werkte ie met de jongens op ’t land, gelijk ging ie met ze heen.—De hitte deed ’m zich plezierig, lèkker voelen en ’t geld dat inkwam gulzigde naar meer.Z’n steelzucht begon wat te koelen in de hitte van den werkroes, en z’n eigen gebroken karkas, voelde ie alleen ’s avonds verschroeid op bed, als z’n vrouw naast ’m lag te puffen en te snorken met ’r lippenblaas. Even, nu en dan, bromde er wel wilde lust tot gannefen in ’m, maar de akkers stonden vol werkvolk, overal had je oogen nòu. Zoo temperde z’n begeerte[42]van zelf in de plukjacht, in de zekere opstapeling van de centen, dàn in die, dàn in ’n anderen kasthoek, dat de jongens niet wisten wààr. Alleen Guurt mocht ’t zien.——Manskappe, f’doag allainig ònraipe!.. in de sloffies.…Gain raipe hoho!.… die naim tie puur nie.… had de Ouë, om half vier uit huis, in den ochtend ’t land opstappend, gezeid tegen de jongens.Vroeg al zengde de zon, dat ’t zand onder hun heete, van strakken zit gekneusde knieën brandde.Guurt, met ’r zwaar lijf tusschen de bedjes geperst, in ’n oud-blauw jak en dof rooien onderrok, smeet de goudlichte slofjes vóór haar de paadjes in, achter de hielen van de knielende plukkers. Haar strooien breed-gerande hoed, hoepelde scheef, met ’n zwart bandje, gesnoerd om ’r blanke kin en los rond de ooren, spinragde fijnste goud van ’r harenkrul uit.—Ouë Gerrit keek nu en dan onrustig rond of ’r wel achtereen gewerkt werd, naar Guurt en Piet en naar twee nieuwe plukkers, die hij nog met moeite gekregen had.Oom Hassel plukte in mandjes met z’n kinderzwerm rondom in kruip en hurk tusschen de bedjes. Eén kerel liep tusschen de paadjes in, gaarde de mandjes bijéén, stapelde ze in groote houten bakken op ’n kar, aan den wegkant. Eerst nog moesten ze naar huis gereden en in den avond, naar de haven gebracht. Bak aan bak dáár op de kar, hijgde rooden adem uit, zoeten wierook. Bakbrokken, hàlf nog in zon, met de bronzen, hooge mandjes-opstapeling, gloeiden fel-rood, vloeiende bloed-glansen, in ’t groen geblaar verdoken. Andere uit zon, in luwte-haag van schaduw, verdampten karmijn, in gesmoord passie-rood. Daartusschen in, schakeerden de bakken in zangerig purper, diep en vroom, waarop weer nieuwe kisten neèrgesmakt werden, met zwaren adem, rood van opstand; vruchtbakken inzuigend ’t licht, rood-donker en diep als het smarte-hart van duister-fluweelen dahlia.—Telkens meer plukkers stapelden kisten òp, onder en naast hagen, met sla en wortelen, maar alles weer overstapeld door aardbeigloei, dat ’t klaterde en smeulde, hel-daverde en zong, ’t rood, ’t goud-doorvonkte[43]vruchtpurper, tusschen het rondom dringende uitwasemende groen, het goudgroen van boom en hagen.—Overal verspreid, langs de akkers, zetten kleur-kleeren van plukkers, sjofel en gehavend, maar in pracht-koloriet er toonhoog in versmeltend, warmte en diepte tusschen groen en hemelblauw; waasde er zeef-fijn, gouddampend licht, een sfeer van bevende uitwisselende glansen òver den pluk-arbeid héén, die de werkers verheiligde in den geweldigen ernst van hun ploeter; wiegden en wuifden ’n licht-brio rond, die vèr, heel ver wègschoof wat dichtbij lag, als week ’t landschap, in de trilling van lichtdampen, geuren en glansen, onder den zonnedaver en hittenevel telkens meer en meer achteruit, àl achteruit.—Drie kleintjes van oom Hassel, tengere meisjes, lagen ingekneld met blond-strooien hoedjes, verbogen als leger-des-Heils-kiepjes, met witte bandjes om blanke kinnetjes gesnoerd, stil te plukken, ’t kokende zongesteek en lichtgegolf op hun kleurige bradende ruggetjes.—Ze hurkten, knielden van knie op knie, en kreunden soms van pijn.—Ik kâ nie meer van main stuut, kermde één, pijn-vertrokken rechtòp spannend ’t lijfje in ’r rood jakje, dat de borstjes zwollen, ’t kleine gezichtje even uitdook onder hoeddiepte. Suffig bleef ze uitkijken, een knuisje in de rugstuit gedrukt.—Nou seg, mô’ je main knieë voele.… die binne heuldegoar deur t’met.—Seur jullie tog nie!.. de son is ’n kwoaje veur ons.. en d’r is nog ’n heule doàg, zei wrevelig de oudste, ’n ruk naar beneden gevend aan den rand van ’r zonnehoed, de twee klagenden met gebaren opporrend te werken.Zachter wrevelde ’r stem na:—Kaik! Willem loert al.… aa’s ie jullie in de goàte kraigt.. bin jullie d’r bai.… bai foader!.…De kleine, die ’t eerst geklaagd had over rugpijn bleef droomerig ’t bedje afstaren, ’r knietjes verhit en pijn-zwaar onder ’t tengere lijfje, speelsch de vuurlijn van purperende mandjes, vòòr haar padje, met ’r knuistje voor de oogen, brekend.—Gedachteloos[44]at ze wataardbeienuit ’r hand òp, plukkend onderwijl door, zonder ’r naar te zien, nog speelscher in kinder-luimigheid òpkaatsend snel achteréen, wat vruchtjes boven ’r hoofd, roodglanzende kogeltjes, vurig de luchtblauwte in, dat ’t vochtrood spiraalde boven ’r schalks gezichtje. Als vlammige kurketrekkertjes puntten de vruchtjes nèer op ’r smoezelige blanke handjes, die dropen van aardbei-bloed. Maar gauw, met ’n angst-woesten duw in ’r rug en ’n snauw van ouder zusje òver ’t bed naar ’r toegebogen, hurkte ze weer in, grabbelden ’r pootjes tusschen het groen van ’t bladerengewoel, telkens vòller van fonkelend roode vruchtjes, ze voorzichtig neerkogelend in de mandjes.De groote plukkers, mannen en meiden, knielden en hurkten, telkens wisselend van knie en houding, in gloeipijn niet meer wetend, hoe te graaien; schoven voort, zwijgend in koortsigen arbeid, in stommen worstel tegen de kookzon, die doorzengde, brandend op hun koppen, nekken en rug, dat hun goed heet verschuurde op ’t naakte zweetlijf. Vèr, òver hun dampende gemartelde koppen, bleef blauwen zalig azuur, tot achter zwoeg van verste plukkers. Gestalten in buk, kruipend over de akkers, vernevelden daar in hitteviolet, floersig en barnend. En tusschen hen in, joelden geuren en kleuren, in de klare zuiverte van het eindloos hooger en hooger vertintlend blauw, doorschijnend en rein als albast.—Tusschen het groen ging paars-korte schaduw op den grond van werklijven, die bewogen of sjouwden, bak ààn bak àf; ging licht wiegel en gouden heete trillingen van losse groenteranken, pal in ’t zonnevuur verterend, smeltend weer in zilveren afkaatsing, vergloeiend op kantblaadjes van hagen. En telkens ànders weer lag ’t land geblakerd en schroeiend gezoend aan de kanten, als spel van windkringen door boomkruinen heenwuifde, verblindende warreling van waterval-goudgespat tusschen bladeren-bogen neerstortte òver de paars-dampende hitteaarde. Telkens uit andere hoeken, vervluchtigde kwinkeleerende jubel van vogels, tierelierende zangers op lucht-fluiten, met cierfijnen fladder, donker scherend ’t hemeldiepe, blauw-roerlooze in. En soms,[45]beefde zachtjes en fijn, als enkel cierkronkelig lijntje van geluid, klaar kinderstemmetje òp in zang, achter hagengroei, ontroerend en dartel tegelijk.—Achter Kees en Piet in pracht-roode rijen kronkelden de slofjes áán als blank gevlochten goud, ’t vruchtenvuur brekend in gloed, tusschen groen. Gaterig en bleek vlekten de onrijpe aardbeien ertusschen. Voorbij de vuur-omzooming van de groen-glanzende bedjes, tusschen ’t gevlam en geknetter van ’t doorzonde karmijn, liepen de kerels drukker met bakken áán en af.—Snôf’rjenne Guurt, jai plukt te raip, schreeuwde Dirk onthutst.… sullie naime f’rdomme soo nie.… motte onderweg puur-en-raipe.… ’t is veur Duijtsland.. hep de Ouë nog soò sait.…—Dà’ te raip?!.. Wel neenet! Hullie binne.…—Debies! seg moar heé? Kaik dan sellefers.… kaik die!.. kaik diè!..Dirk in rood-driftig zweetgezicht òvergebukt naar Guurt, wroette met z’n grove vuile handen in d’r mand, perste driftig wat aardbei fijn tusschen z’n vingers, dat ’t sap ’m langs de polsen droop.—Nou.. daa’s ook alles.. moar kaik.. die!.. die!.. sain puur groene buikies.…—Daa’s net.… f’rjenne, je knaipt hoarlie t’met tû moes! paa’s tog op maid.. blaif d’r òf.… ikke lief dá’ nie.…—Wá’ ’n hupla’s die hep!.. sou je nie!.. sou je nie!.…—Seur tug nie Dirk! lá’ ’r dur gangetje!.… gromde de Ouë van z’n bed af, bang dat Guurt er den boel bij zou neersmijten. Elk jaar nog had ze verdraaid te plukken. En nou, in ’n gril, gewillig deed ze mee, om wat extra centen voor de kermis te beuren. F’rduufeld, nou gonge de kerels ’r koejeneere, bromde ouë Gerrit.—Dirk had naar ’m omgekeken, zonder te antwoorden, z’n rood bevochte vuile handen, loom op z’n knieën afhangend, z’n gezicht verzengd pal in zongepriem. Roode vlekken dropen van z’n blauwe kiel en z’n blond-wit haar[46]plakte op z’n stompe voorhoofd in zweetkrul, onder de pet uit. En telkens even, in lodderigen oogstaar, probeerde ie òp te kijken naar de zon, maar dadelijk knipperde ie z’n oogen dicht, paf van ’t felle gepiek dat er inboorde, voelde hij zich blind gegooid met kokend licht. Z’n vuile broek stonk van smeer en zweet, zurig tusschen het geurzoet. Voort maar schoof ie weer in zwijg, niets begrijpend meer van den Ouë, waar die pas ze toegeschreeuwd had, vooral geen rijpe te plukken. En stiller den werkmiddag rond, schoof ie verder, voelde ie ’t woestijngloeiende zand onder z’n knieën schroeien en branden, verbukte en verwisselde ie telkens van knie, als er één, gekneusd en vergloeid, z’n zware paffe lijf niet meer dragen kon.—God f’rdorie, geeuwde Piet, daa’s ’n kwoaje.… die son f’doag! main nek stoan puur in brand!.…—Dá’ sou’k denke, je weê puur nie meer hoe je kruipe mot …—Debies! main knieë sain deurmidde.… aa’s ’k katteliek waa’s lie’k main stempele! galgenhumorde een plukker half schuin naar ’n makker, die meezong Zondagsavond’s in de kongregatie.—Dirk, in den winter nooit sprekend van den zwaarsten zwoeg, morde, giftte nou, in verhitte worsteling tegen de zon, die ’m roosterde en martelde, waartegen ie ’n woesten haat voelde. Z’n rug stond den heelen dag in brand, z’n nek stramde verlamd in steekpijnen van voortdurenden buk en z’n branderige schonken schuurden jeukerig tegen z’n vuil heet afgesjokkerd baai goed. Guurt schreeuwde dat ie moar s’n laif d’rais most boene, mi’ wa’ woater.…—Da’ doe’k f’noafed t’met bai de put! da’ selle wai hebbe.—F’noafed is d’r gain tait.… hee!.. Joanse, scherpte Piet voort tegen den katholieken plukker,—nou bi jai stempelt, hee?.… moar hè je nou puur gain pain in je donderemintje of peseer je ’t kerrikie.… mi je skietgebedje.… G’loofd sai Jaisis Kristus.… en de hailige sekreminte des oaltoàrs?.…—Laileke duufels-toejoager, bromde die terug, hoor je main kloàge?.…[47]—Nou ikke stoan t’met dertien uur te plukke.… ik bin d’r hard stikke-dood van.… main stuut is deurmidde.. ha’ je nou moar je maid hier Janse.… veur ’n f’rsnoàp’rinkie!Janse zweeg, giftig op Piet, dat ie met z’n geloof begonnen was en z’n dochter. Dat kreng had schande over z’n huis gebracht. Had ’n tweeling van ’n los werkman, die zich dood zoop. En zij werkte nou op de Wierelandsche fabriek van ingelegde groenten, tusschen ’n hoop van dat meidenschorem. Vier maanden geleden had ie ’r de deur uitgetrapt, met ’r dikken buik, en nou begon die kerel er weer van te klesseneere..—Wat ’n gesoànik, schreeuwde ouë Gerrit naar Piet, al kon ie bijna zelf niet meer van pijn, toch voortploeterend in heete werkjacht.… wai doene ’t allegoar.… jai mi’ je stuut en jai mi je knieë.—Nou? watte?.. allegoar ke’ je hoore skraiwe?.. die is f’rduufeld ’n meroakel.… mó’ je main of main jassie? dolde Piet geraakt toch.—Hoho!.… hoho!.… wá’ sou da’ t’met hain? vier en vaife en nie genog aa’s.…—Hain?.. Welneenet.. aas ’k moar wa’ neusiesverf had, sou ’k main vast.. ’n kwassie smaire!—F’rdomd! sel nie beure! sel nie beure! krijschte de Ouë, bleek grauw van schrik en hitte,—òp ’t land komp gain druppel, hoho! hoho!In langzame optrekking van z’n linkerknie, met z’n handen steunend in ’t gloeiende zand, had ie zich uit z’n strammen hurk opgericht. Z’n rug voelde ie vlijmen van pijnen en z’n beenen stonden heet te trillen onder z’n lijf, als zou ie instorten. Piet gromde kwaadaardig:—Skreeuw moar nie.… set ’t nie op je heupe.… maan! moak goàr gain relletjes.… aas ’k ’n urretje likke wil soa’k jou nie vroage!.…—En jai Kees? vroeg Dirk, hep jai ’t lekker?—Kees, Kees, bromde Piet weer, die hep gain rug, gain stuit, gain kop, die hep niks!.… goàr niks!Stil zwoegde Kees door, ’n endje van hùn bed af, zonder[48]omkijken, in strakken loer op de aardbei, met uitgolvenden slag z’n manden vullend, tweemaal sneller dan zij.—En telkens àchter z’n hielen, draaide ie ’n gouden slof neer met trillend vuur.—Op àl de paden, achter de akkerhagen, stonden groote bruine, rauw-groene en roodbemeniede handkarren, zwaar beladen met goud-glanzende sloffen en bronzen mandjes.—Van allen kant tegen den middag, kwamen de plukkers aansjokken met bakken, sloffen; geurde en smolt ’t vruchtenrood en sap inéén met gras en groentearoom, als wierook door de lucht uitvloeiend en verwaaiend. De hemel wiegde zwijmeladem en bruiste zonnedronkenschap door ’t stedeke. De luchtkoepeling stond gespannen in prachtglans van blauw, hoog boven de kruipende plukkers en pluksters. Overal, in de paadjes nu, achter de hagen, slangden de purperen regels in gloeiende zoomen. Kielblauw en kielrood, ademde hoog de zonnehitte in, en strooien hoeden blondden al meer in ’t jubellicht. Tusschen de doppers, kronkelden fel-groen, de duizelig lange slakroppen-regels, blank beschubd, en de jonge erwten glansden naast de bladzilvering van tuinboonen. En woester, gelijk met zomerroes, zonnedronken van licht en kleuren, ging ploetering òp, jagender. Alle handen koortsten rond in den grooten haal. Ze waren besteld de tuinders, door ’n paar groote afnemers uit stedeke, die in Engeland en Duitschland hùn waar met flinke verdiensten van de hand zetten. Duizenden op duizenden kilo’s moesten geleverd worden, naar spoor gedragen door de werkers, dààr gewogen en verzonden.—Iederen dag làter in ’t saizoen, kon de prijs van kilo’s dalen, als van alle kanten te groote oppropping en aanvoer kwam. Daarom, in woeste jacht, met zwarte afgunst onder elkaar, heet op voordeeltjes, plukten ze in koortsige haast, om anderen vóór te zijn, als ’t kon; anderen er uit te smijten en op moment dat aanvoer ’t minst nog leek, nieuwe bestellingen bij te krijgen; al was er in den winter al kontrakt gemaakt voor vaste levering, met iederen gast die wou.—Dirk had van ’t doorloop-pad àf, op den akker ’n groote[49]kar met verlengboomen, om breeër op te laden, volgestapeld met sloffen en manden. Wat bàkken daarboven òp, versjouwde ie mee naar de hàven, de mànden naar ’t spoòr. Jan Hassel de minst-vijandige neef, reed mee den weg op naar ’t station. In zweetdamp, met bemorste kielen, geurvracht hoog opgestapeld en wijd-uit geladen van achter en van vóór, tot op de handkruk, zacht zwiepend op de verlengboomen, verduwden ze hun loodzware karren, met borst en armenspanning, pezig-gestramd, ’t lijf in rukkende stooten, Wierelandschen straatweg over naar ’t station.Zonlicht zoog heet in ’t vruchtenrood. Over de manden lag bladgroen van tuinboonen, fluweel-zilverend er om heengestrooid, tusschen het purper, dat glansde als koralig licht-glimsel.—Achter Dirk en Jan Hassel áán, ratelde een stoet van karren, geduwd door tuinders, gelijkelijk optrekkend in lawaai en gedrang naar ’t spoor.—Bij ’t zijhek werd halt gehouden, zwenkten om beurten ’n paar groenboeren de karren àchter de gele, schroei-zonnige omheining.Van Lemperweg, haven en zijstraatjes, ratelden en woelden meer karren áán, gloeide ’t karmijn en purper, al naar aardbeisoort, in de gouden rietsloffen of blank-gele ronde manden; wierookte al zoeter, dieper vruchten-aroom heet-zomersch over ’t plein; vuurden en vonkten de aardbeien van alle kanten, zonnedronken in blaker, onder trillenden zonneroes.Kerels met vermoeide, grimmige koppen, paarsig vergrauwd van zweetvlekken, uitputting en zwoegdrift, duwden òp, woelden, zwenkten, trokken hun karren, schreeuwden en vloekten tusschen gedrang, geratel en gedonderbonk van karren en manden. Trekhonden, afgemartelde beesten, verwoed van hitte en dorst, blaften gillend en bassend, stonden of lagen tusschen de kleurig-donkere kar-assen ingekneld, met riemrepen over neus, bek en nek gekneld, ademstootend in snellen hijg, woest schuim verkwijlend.—Van vier uur al ratelden en bonkerden wagens en handkarren áán. Bergen manden stonden opgestapeld naast wagens, apart voor aardbeivervoer, vastgehaakt.—[50]Op ’t station, aan achterkant van ’t zijpad, zat ’n man vóór gewichtstoestel, verzweet en gejaagd, in ’t ratellawaai en schreeuwrumoer om ’m heen, tusschen treindrukte, loop van passagiers, kruiers en zwellenden aanvoer van waar, met z’n bonboekje in de handen, afrekenend wat ieder leveren kwam. Telkens achter ’t hek, als ’n tuinder klaar was, zwenkte ’n ander uit al sterker aangedromde, woelerige karmassa, schuin tusschen de latten-omheining, op grof-bonkerig gekei, ratelde de leegte achter ’m dicht; stond ook diè weer met ’n berg nieuwe manden en vruchten voor den kontroleur. Voorzichtig zette iedere tuinder z’n rood-vochtige manden met aardbei op de èven boven den grond zwevende schaal, netjes op elkaar inschuivend en voegend al meer en meer, tot de heele vracht van hun kar afgeladen was.De kontroleur, met z’n zweethoofd, z’n gezicht doorgroefd van zorgtrekken, overspannen arbeid en vreemde zenuwtrilling van lippen als geluidstroom en herrie watervallen over hem uitstortten van haast en jacht,—woog af, trok handvat van weegschaal achteruit, loerde intusschen naar kwaliteit der vruchtjes.—Naam! vroeg ie kort, met moeë stem, ’t zweet van gezicht onder oogen en om neus uitwrijvend met rooien doek, waarop ie bang keek, na elken zweetveeg.—De Kaiser!—Wie?.. Piet of Willem?—Willem!—Achterweg?—Welneenet!.. Slangetje!—Slan-ge-tje herhaalde ie brommerig, zich zelf dikteerend, onder snel geschijf, afscheurend in rakettige karteltjes het geperforeerde reçu.—Hier anpakke!—Weer schuurde z’n zakdoek langs z’n zweetnek en hals, veegde ie met nijdige rukken ’t vette nat onder z’n hemd weg. Dirk en neef Hassel konden met hun karren ’t zijhek nog niet in. Achter hen áán, dromden al meer paardwagens en karren met de hijg-sjokkende en duwende[51]kerels er vóór, in al sterker áánstroom van aardbeien, purperende neergestorte wolken van rood licht, fijn-prikkelend doorgeurend weibrok, paden, stationsplein. Gevloek en geharrewar van rauwe vermoeide stemmen, krijschte òp uit woesten sjouw en gedrang.—Doffe blaffen basten tusschen hoognijdige keffers en kermende hondestemmen òp,—dwars door menschengeschreeuw en ratelgeraas, dat hooren en zien verging. Kisten en manden, leeg en uitgehaald, keilden rond achter ’t hek, waar ’n geholpen groep afzakte, en overal dromde gegrom en driftig geworstel der zwoegers, tusschen hun geurende stille vruchten in, hun roode bergen van geur en vonkpracht.—Op elkaar hitsend, afgunstig en nijdig, wou de één den ander voordringen. Plots kwam er lucht in worstelende ploeterende bende, konden ’n paar wachtenden inzwenken, met hun wagens en verlengde zwiepboomen, ratelden er karren wèg, dwars tegen aandrommende massa in.——Nou debies! Ik ke’ nie langerst wachte, krijschte éen uit den karrenstoet vóór ’t hek, met grauw zweetgezicht, vette kerel, paf van hitte, uitblazend van vermoeienis, gekneld z’n dikke lijf tusschen andere wagens in.—Hulp d’r sain effe eerst, gil-schreeuwde één achter ’t hek, tegen kontroleur, die nu op ’nouëmand zat, met z’n bon-boek op de knieën gedrukt, rondloerend overal heen, of ze’m niks bestalen, alles goed verstapeld werd in de donkere wagons.—’n Blauw potlood stipte ie telkens nat tegen z’n mond áán, dat z’n lippen paarsten als zou ie plots ’n beroerte krijgen. Van ’t toegeschreeuw, de rumoerige hurrie en onrustjacht achter ’t hek, maakte ie zich niks hooren.—Vóór ’m stonden de tuinders, hun waar verladend op ’t breede, lage, met stof-vuil overwaaide weegtoestel.—Acht honderd kilo van?.…—Joapeke!—Jaapeke uit?..—Lemperweg!..Snel kraste z’n potlood, stonden de tuinders voor ’m ingebogen te loeren, naar de koortsige krabbeling van blauw puntje[52]op ’t blanke schitterpapier, waar ’t licht op beefde. Bij ’t ontvangen van reçu, hielp de tuinder z’n waar van de schaal laden. Twee smerige kerels, vergrauwd in zweet van zware werkjacht sprongen òp en àf uit de binnen-in-donkere wagons, half volgestapeld. De mannen rukten Jaapeke z’n manden en sloffen uit de handen, grepen ze van de weegschaal, klauterden met de aardbei wagons in, dat de purpering kwam te dooven tusschen de morsig bestofte houtwanden, waar àl hooger en duisterder de geurvrucht op elkaar gesmoord, in verdook.—’n Twintig meter van den kontroleur af, op ’n weghoogte van grove keibestrating, àchter omheining, propte nòg ’n drom karren, rumoerde landvolk met waar en manden, bij ’n konkurrent-kooper, ’n Duitscher, die onder geeldoekig tentje, waar zonnebol gloeiheete lichtschaters op néérproestte,—aardbeivrachten innam en verzond in andere wagens weer.’n Ontzaglijk dik wijf met reuzinneheupen, en magere dochter, langhalzig en beenderig geitengezicht, zat achter ’n klein kleurig tafeltje onder ’t brandende tentdoek te schrijven, reçutjes en kopietjes, terwijl zwaarbuikige Duitscher afwoog en loerde naar de vruchten, met z’n glimvettig bollig zweetgezicht.—Achterover, op z’n kruin geplakt, blankte ’n wit-stijve automobielpet, glansfel beklept.—Met iederen tuinder rumoerde en streed ie kort en stemsnauwend-krasserig, over gewicht en waar. Moe’, niets begrijpend van z’n Duitsch gebrabbel, stom en dorstig in de hitte van d’r zwoeg, kregelden hun ruwe gezichten, vervlekt van zweetvet, streken ze hopeloos en zorgelijk in angstig spiervertrek van zenuwmonden, handplat langs hun voorhoofden en monden, losten ze verder, zonder ’n woord verweer, wachtend op reçu.Aldoor weer ’t oerige moederwijf brabbelde wat tusschen het gebrauw van den zwaarlijvigen mof. Lacherig en spottend, gromden eindelijk de kerels in vloek wat terug, verlegen onder ’t niet verstaan, òpkijkend telkens naar bemiddelaar, die naast ’t zengende tentdoek stond te schroeien in zonnevuur, allerlei zure grapjes uitlolde tegen langhalzige geelmagere dochter met den geitenkop en enorme, vetdijige moeder. Onder geschrijf[53]en overgereik van bons aan tuinders, schoot zij,—onder fluisterend gekonkel van bemiddelaar in ’r ooren,—om ’n haverklap in proestlachen uit; schommelde ’t moederwijf van gierpret, ’r logge boezem lang nog nàbevend achter klein tafeltje, dat meelachte in lichten sidder tegen d’r schuddenden vetbuik. Toch, ieder keer duwde ze den kerel met ’r vette worsthanden soms midden in ’n grap, ruw buiten de tent, loerden zij en ’r dochter naar de weegschaal, of d’r niemand bedroog; gingen d’r sluwe klein-grijze oogjes in ’t pappig opgeblazen maangezicht lichtend rond, in kring der sjouwende werkers, die doorlaadden en losten, in stommen zwoeg, donker, morsig en vergrauwd, tusschen ’t schittervuur van hun vruchtjes. En stapel op stapel, purper leven slurpte op, al meer, satanisch-gesperde muilen van donkere wagons.—Kleurigste hurrie daverde rond den kontroleur, verder op.—Eindelijk was ’t Dirk’s beurt om te lossen, zwenkte ie vóór, met z’n zware kar, wrong en schuurde ie door engen hekingang, in giftduwen tegen de kruk, dat z’n kop te barsten stond, zwellend van spierspanning. Zweet droop van z’n wangen in de sloffen, toen hij mand voor mand van z’n kar op ’t weegtoestel schoof, berekenend, nauw passend en insluitend de manden, onder ’t opstapelen.—Van?.… vroeg kontroleur, al klaarstaand met potlood op de lippen, tongpunt er tegen aangedrukt.—Hassel!..—Welleke Hassel?.…—Gerrit!—De Blommepot, gromde ie voor zich uit, veerend op z’n mand, blauwe krullettertjes op z’n papier krassend.Dirk in zweet en zon, stapelde dóór van z’n kar, rustig op ’t toestel.—Hee, hield plots kontroleur z’n arm in, met ruwen schreeuwstoot, van z’n veerende mand opspringend,.. wa’ is dá’? die mand dààr.… en die?.… daa’s drek!.… ke’k niet gebruike!.…[54]Dirk hield op, keek verstomd met z’n koeienblik den kerel aan, die weer was gaan zitten.—Wa nou?.. wa’ bruike?..Hij wist eigenlijk wel dat ie twaalf sloffies met vuil goed had meegekregen. Ouë Gerrit wou, woù nou eenmaal van de berijpte vervreten hoek wat pluksel verstoppen ònder de beteren, om zoo nog wat te beuren van z’n teelt, denkend dat in de drukte geen sterveling ’r op letten zou. Drie tuinders hadden ’t er op die manier al door gekregen, waarom kon ’t hèm ook niet lukken?—Droal nou nie soo Hassel, donderden achter ’t hek wat kwaadaardige stemmen, van ongeduld barstende tuinders, wai hebbe ook ’n kilotje!—Stik doar, schreeuwde ie terug. Woest nijdig begonnen plots z’n koeienoogen te werken, en kwaadaardig te schamperen van wreed licht.—Daa’s d’Ouë s’n skuld, bromde ie zacht voor zich uit, die hep main d’r làte inloope.… da kreng.… en nou opelik betroàpt.… ’t foàrke sou je kefuus moàke.…—Nou! nijdigde kontroleur uit de hoogte.. Stapel die rommel nou maar weer weg, want neme doen ik ’t nie.…—Moar maa’n! je laikt puur daa’s, se benne bestig, loog Dirk, om zich te redden.… allaineg ’n baitje stainderig meskien!.…Kwaadaardiger vertrok kontroleur z’n zweetmond. Hij was weer opgesprongen van z’n mand, die knarste en kraakte onder z’n lijf.—Als jij hullie nie van de schaal neemt, donder ik se fierkant tege de wage an, jou drek!..—Stik! dá’ bi’k tog sellefers bai, hee? Daa’s f’rdomme twee doàg kromplukke weust.… twee doage!.… dâ je je donder deurmidde barstte.… en nou veur niks werkt!—Al had je ’r ’n beroerte an gekarweit, ik neem se soo nie.. en fort nou, gauw ook! d’r blijve nou alleenig die veertig mande daa’s.… kijk!.… zes.… honderd.… kilo kijk! kijk!De gewichten langzaam natellend, ingebukt en waggelend[55]op z’n veerende mand, krabbelde ie de vracht op z’n boek àf. In dralende weerspannigheid had Dirk weer z’n twaalf manden van de straat op de kar geladen. Achter zich zag ie neef Hassel staan, klaar met z’n waar, in schamperen lollach op sarsnuit dat Dirk z’n rot boeltje terug gekregen had. Prachtig glansden neef Hassel’s manden, rond en hoog, op de handkar. Z’n bruin eikenhoutige wagen, met lichtblauw beschilderde wielen, als azuren raderen, waarin verflitsten de spaakjes in zongespat, kleurfel òpkringend tegen de daverend-oranje bemeniede assen, gloeide in zomerbrand, met z’n hel-roode aardbeistapels, rondbroeiend geurende warmte van glansen. Op elken mandrand, goudvlechtsel in zonnegloed, had ie groene bladerenkranzen geslingerd, tusschen het zingende warmhooge rood, en half beschaduwd vruchtenvuur, dat ’t frisch jubelde bòven de karkleuren.—Daa’s siek veur niks, lachte kontroleur, se gaan toch de kist in, wees ie spottend op de wagens.Dirk stond nog achter z’n neef, woedend neer te kijken op kontroleur. Die vervloekte Ouë … Most.. ie sain da lappe?.. hai sou sàin t’met de mande veur s’n skainhailige tronie sloan.… Sóó hep hai nog sait daa’t goàr nie gong.… nie gong.… f’rdomme!Maar kontroleur, begraven onder nieuwen werkdrom, zag niet meer naar ’m om, loerde alleen rond naar vervoer, gewicht, wacht op reçu’s.—Onrustig keek ie telkens achter zich, of alles wel vlotte en niets gegapt werd; of de kontrabons klopten, de wagens zuinig genoeg bestapeld werden.—Te zweeten, te zuchten zat ie van ’t aandrommende werk, rondom z’n overal kijkend lijf, in ’t geraas van treinen en dreungesmak, getier van ’t landvolk, dat van ongeduld sterker schold en trampelde voor hun karren. Nu en dan, heerig en afgemeten kwam patroon van kontroleur even kijken of de boel liep, stond ie dwars in den weg dat de tuinders ’m omver boften met hun karren en manden. Gauw had de heere-baas ’m gezegd, dat kontroleur zich niet moest laten beetnemen door ’t goochelend sluwe volkje;[56]dat alle vergissingen en terugzendingen voor zijn rekening kwamen. Dat wist ie wel, en gejaagder loerde, zweette, vertilde ie de zware gewichten.—Dirk had zich àchteruit door den drom wachtenden met z’n kar heengewerkt. Achter ’m laaide ’n roode gloed van purper en karmijn, waartusschen ’t landvolk woelde, met ’r sjofele stinkende plunje, bronspilow broeken, zwart-fluweelen truien, vuil-blauwe en lakrooie kielen, grijs-bruine en goorgele hemden.—Nou moest ie nog even, achter de Duitschers, om nieuwe sloffies.—Van ver zag ie al ’n troep tuinders worstelen en dringen bij ’n wagen op tweede rails, met leeg aangevoerde manden. Z’n kar zette ie vàst tegen ’n boom vóór weibrok, en wrevelig achter ’t spoorhek drong Dirk dwars door den stoet.—Ze vochten in nijdig gedrang, rond den wagon.—De een duwde den ander achteruit. Met trappen en stooten, infuriëndewerkkoorts, doken telkens ’n paar weer in den nauwen wagon, op geschreeuw van den grooten aardbeikooper en mandeigenaar, die aflas hamen van tuinders.—Hulers vier pakke, dreunde z’n stem, z’n oogen strak in loer op ’t lijstje.—Persint, schreeuwde ’n kerel terug, dook weg in den nauwdonkeren wagon, holde den anderen kant weer uit met ’n trits sloffen aan ’n touw, door de hengsels heengeregen.—Daa’s meroakel gemain!, krijschte éen woedend, altait Hulers veur ’n aêr,.. daa’s puur de fint van de bestige woar!…Een brutale, met roet-zwarten baard om geelbleek gezicht en smalle schuwe oogen, wenkbrauwen neger-donker, rukte ’n tuinder z’n mandjes uit de handen, vloekend dat ie al drie keer voor niks hier was, op die manier niet plukken kon, z’n boel verrotte op den grond. De baas, er bijstaand, mengde er zich in, maar ze snauwden, verdrongen den heerigen vent. Hij voelde dat ie in zoo’n geweldige, stuipige werkjacht, z’n meerderheid verliezen ging.—F’rek jai skorum, vloekte en tierde de onthutste tuinder, verhit van zongepriem, dat z’n oogen in brand stak, afgejakkerd hijgend van uitputting en sjouw.[57]—Ke’ main puur niks bomme.… ’k hep in twee doage al nie plukke kenne.… soo lait main oogst veur de waireld.—Moar daa’s main.… skar! duufelstoejoager.… kabbeloebeloap!.… Doòr schold ie, wou op den zwart-baardigen kerel instormen, maar tusschen hen in drongen andere zwoegers, worstelend om sloffen en manden, den wagon òp en instormend, grijpend en rukkend wat ze maar krijgen konden.—Jorisse!.. riep statig baas af, acht pakke.… om schijnorde in de bende te brengen.Maar niemand die naar ’m hooren wou.—Wat ’n janboel, bromde Dirk, die met z’n stiersterke boffende schoften door ’t gedrang en gewurm der half vechtende en razende kerels heen gestooten was, magere zwakkelingen op zij duwend. In de woeling en hitte van ’t gegrijp, gedrang, en geroep werden als verschoppelingen de zwakkeren vóór- en achteruit gemept. Bòven de koppen en kromruggen van ’n troep tuinders, die aandrongen op één plek, graaiend naar sloffies met armen vooruit, in woeste hebzucht,—deed Dirk z’n greep, met z’n granieten krachtarm naar één kant waar ie ’n lossen stapel in de gaten had gekregen.—Daa’s jou beurt niet.… terug! schreeuwde ’n wagonknecht, luisterend naar den afroep van patroon.—Maar terwijl die bij één wagon-end aansjouwden en afweerden, ganneften ze aan anderen kant de sloffen wèg, in tierend kabaal en worstel.—Ikke hep ses pakke, skraif moar roak! beet Dirk af, de rist manden over z’n schouers gooiend na ’t bindtouw eerst stevig om z’n hand gekneld te hebben, dat ’m niemand wat afnemen kon. Luchtig was ie den wagon uitgesprongen, lollig zich voelend, dat hij weer voor ’n pluk geborgen was met sloffen.Honderden, teleurgesteld en woest, nijdig gromden en raasden tegen de kontroleurs en bazen, waarom ’r niet meer manden waren. Een, wachtte al drie, ’n ander al vier volle dagen.—Ke’k niks an doen, laike puur roofers.… schreeuwde ’n kontroleur, morgeochend om vier uur.… stoan d’r weer twee woages, mo’ jullie moar ’n vroegertje moake!..Zóó, in zwoegzweet vergloeiend onder schroeizon die ’t kokende[58]licht rond ze neerdreunde, doornageld van steken, gemarteld en vergramd, huilde in raas-drift hun klacht naar gereedschap, barstte hun haat en afgunst op elkaar uit, in woest gescheld en getier; steeg de koorts van hun werkjacht, hamerde de pols van hun arbeid heeter, hooger, onmenschelijker. Hun ploeterramp dáár, lag als ’n lijk te ontbinden, tusschen het gouden daggeluk, het jubel-geschater van licht, de wellustzwijm van geur, tusschen het groen en ’t hemelreine, wijdzalig azuur, waarin het leven bruiste, en de kleuren klaterden.—De wilde storm en donkere furie van hun arbeid, brandde en stuipte in ’t rood van hun vruchtenzee.. Verbitterd in stillen wrok, stond er verwoesting van leefrust op andere koppen gerammeid, driften van zorg en geld-haal, die ze razend maakte, razend.Aan weirand tegen spoorhek, èven buiten den worstelkring van schreeuwers om sloffen en ronde manden, stond droef-verschrompeld in eenzamen staar, ’n blinde man op klein orgeltje te draaien, z’n kaal hoofd pal in zonnevlam, brandend op schedelnaakt.Tusschen gebonk en geratel dóór, schoten melankoliek, triest-zachte klanken uit z’n ween-instrument, dat met ’n riem over z’n borst gesnoerd, vóór z’n buik hing, steunend op ’n kort schuinen poot in ’t zand.—Eén mager-gele hand lag te beven op ’t bovenblad van z’n orgeltje, en de andere dor-uitgepeesd, draaide, draaide! Wèg zonk klaagstem van weenend orgeltje in den tierenden werkroes van ’t land volk. Bloedrood vlamde ’t omlijste gaas van orgelkast, vurige poortjes in ’t licht. En stil, krombeenig ingezakt, magerde z’n schreiend-sjofele figuur, in groen-roode jas, als vastgenageld, gekruisigd tegen ’t hek, eenzaam in de drift-woeling van ’t worstelende werk. Vóór ’m, op ’t heete gras lag ’n verluisd vuil mandrillig kereltje te smakkeren op wat verkneusde weggeworpen rottende aardbeien. Stommer, pruttelden de dooie droge lippen van den blinde, angstig gissend waar z’n zwijgend geleidertje ’m neergeduwd, had. En lang, heel lang bleef zon, sar-heet priemen op z’n naakt schedelvleesch, op z’n mageren, smal-hoekigen kop, angstigden[59]z’n staar-oogen, als inluisteringnaar wat ze nietzienkonden; draaide de hand, draaide, draaide uit, droef klankengeween, verdoofd wegvloeiend tusschen de furiënde aardbeienwoeling en felle glorie van zomerbrand, overal rondom.Veel later, in den avond nog, dromden meér karren en wagens áán, lag ’t aardbeipurper en karmijn te koortszingen in ’t avondgoud, kwam ’r nieuwe vloed aanspoelen, aangolven, op de ratelhotsende karren, dampend nu in bovenaardsche zonglanzingen.En van allen kant, de zwoeggezichten keken strakker, vermoeider.—Op ’t stationsplein vóór en achter ’t hek, oproerde ’t nu, drongen en worstelden in beangstigend stillen drom, stóm van werkaandacht, de late plukkers. Wagons stonden in vreemd goudrooden gloed, in schijnsels van kathedraligen lichtdamp, overwazend de ploeterkoppen. Voor hun oogen verdroomde in nevelige pracht, ’t groene, eindelooze polderland, heel vèr, in ’t zinkende licht. De aarde dáár scheen te verdauwen, te drenken de verschroeide vruchten, en in zomermist zoelden de zoete grasgeuren en bloemenrook van de weiden en akkers òver naar den spoordijk.—Sappig, in groen-zilverenden en aureolend rood-zachten zonneglans, vredig en hitteloos, verkleurde ’t weibrok vóór ’t station waar blinde man gestaan had.—Lemperweg, zwaar beboomd, groende in fijne lijngolvingen tegen goudregenende luchtverte.—Dáár vertintte donkerder purpergoud, in ’t al zinkende late licht, àchter de zwoegers, die verteerden in den dronken hartstocht van verkoop, de geweldrazernij van aanvoer en afname, niets meer zagen van ’t leven, rond hen heen. Van alle kanten stroomde nog áán zoete vracht, in wemeling van rood, róód, in al heerlijker schakeering, ’t zoetste purper, tusschen helsch vuur.—Over den karrendrang groeide de wondre avondzon, met z’n uitpralend madonnagoud zeefsel van broos-zinkend licht.—En hooger, tegen de scheemring in, stapelden òp de wagons, en zoeter rookten de vochtige geuren in den verdroòmenden lichtval.—Tòt laat in den avond,—Lemperweg in boomenschemer al[60]te wiegen lag in zalige zomer-nachterust, heel Wiereland verzwelgde in geuren en zoete kweel-geluidjes van wei en weg,—bleef tuinderszwoeg àchter en vóór ’t hek drommen; bleef donkerder vonken ’t vruchtenrood, schonkeren en botsen ’t martelend geduw van atlaszware sjouw-vrachten. Al meer verduisterde de roode vruchtenzee in den zachten ruischgolf van scheemring, verduisterden de kerels méé in de azuren neerkoeling van nachthemel. Woest wrevelig staakte eindelijk de zwoeg, ratelden de karren terug naar krot en straat, akker en pad.—Te donker werd ’t om verder te lossen.Stiller nu op ’t spoorplein daalde rust, vernevelde de polderwei in nachtelijk, droom-donker groen, in heilige stilte, als ruischte elke grashalm heilig nachtgebed uit.Dieper nageur van vruchtenzoet bleef aromen over ’t plein.—Van verre, uit teere, avond-doorschemerde laantjes klonk vedelweeke stemmejubel van ’n meisje, avondklanken verluiend in den zomernacht, als heimwee-zoete herderszang.En wijd, almachtig, in diep blauw, zaaide de nachthemel z’n sterrengoud uit; hemel als eindlooze fonkelkoepel plots in ’t duistere azuur gegroeid, waar geruischloos gaas-ragge engelenvleugels, zilveren glansen heiligend doorheenzwierden.—[61]

[Inhoud]TWEEDE HOOFDSTUK.De aardbeipluk was ophanden. Nog wel niet in één de groote haal, maar toch, als ’t ochtendgloorde, ’t land nog in grauwen dauw dampte en langzaam, brandroode nevel boven de verre, vaal aangroenende akkers uitkleurde, morgengloed door doodstille luchten sintelde,—dan hurkten, vóór zonnebol zelf òpvuurde, de tuinders al tusschen de nauwe paadjes, omkringd van kinders, jongens en meisjes; was er al druk gesjok en gesjouw van één naar anderen hoek, om arbeid te verdeelen tusschen eigen zwerm en vreemde plukkersknechten.De eerste haal zette in, met zware zonnedaverende hitte. Na de kleur-orgie van tulpenbrand en òpbloei van hyacinten, was nu plots bij hoeken hier en daar op Duinkijksche akkers, even vóór den pluk, wondere zee van hoog-gele en paars-blauwe irissen, goud-geel beschubd, komen aangolven over ’t land. Klein was de teelt, op ènkele akkers, maar hoog de pracht van den in licht-dauw omzeefden paars-blauwen irissenbrand.Graanhalm-hoog moireerden in golving van stengels, akkers weer, als in herbloei van hyacinten en tulpen, paarsblauwe en goudrandig geschubde. Achter en tusschen de hevige paars-zee, bloeiden helgouden pronkbekers van licht; welde glans, hooge brand als van graanvelden, duizelend, spartelend, kokend-hoog goud met brokken ertusschen, moireerend naar geelgoud, tegen de diepe golfzee van schitter paarsblauw, in ’t groene akkerland.Als mythische stad in zonnedroom, met één slag door Satan neergetooverd in duivelszwaai van bloedrooden mantel en vampiergebaar van z’n armen, was herrezen dáár, uit eerst[37]groene, stil-mijmerende aarde, een lichtfeest, een tooi, in woesten kleuren-wellust; herrezen een mythische stad, volgestort van sprokelicht, van nevel en vonken dooréén; stad, met wegjes van enkel stralend vuurgoud.—Zoo in wondrengloei, rankten en slankten de irissen, op ’n vloer van bevende glansen.—Uit de stille grasaarde, tusschen het nog dorrende loof, drong een òpstand van vreemd-starende bloemwezens, zonnedronken onder de warme uitgeuring van hun kleur-heete zielen.Als in hemelspraak met ’t azuur, gedrenkt in ’t blauw van uitspansel, bleven ze daar wiegelen de gekleurde zielen, de vreemd starende bloemwezens, samengestald in hun mythische stad van licht, stralend paars en goud, in daverenden zonnezang van akkers.Boven hen wisselden de luchten, groeiden en stapelden òp de wolksteden in zilverende lichtglansen, verduisterend de bloemenpracht, verbrokkelend den zonnedroom. En fijn schuimde er doorheen, ’t zilte zilver van den polderhemel, wazig en gebroken in glanzende neveling. En weer later, in satansgebaar neergetooverd, rankte en wiegelde op andere akkers, rond de irissen, dooreenwemelende bloei van kleur-wisselende anemonen.—Eén dans van kleurebloempjes, op rank-teere stengels, kopjesknikkend en wiegelend in windspel. Eén kankaneeren van donkerdiep dahliarood, rouw-fluweel met paars-purp’ren starren. Eén rondedans van korenblauw met zonnegoud, één sliertige omhelzing van roze bloemekopjes met goud-rood en oranje wezentjes.—Eén regening en zegening van doorééngewaaide kleurtjes, lichtjes, vlammetjes en brandjes, in vurige kleuren-kelkjes verfonkelend.—Zoo gloeiden de anemonenbedden, tusschen de simpele teelt van erwten, wortels, sla en rhabarber, als een hageling van zomerkleuren, verpurperend en vergouend, verpaarsend en verblauwend de akkers, in jubelenden schitter en diep-geurende gloeiende zonnigheid. Zóó, als voorspel op den aardbeihaal, tusschen de vruchtjes in, bachanaalde ’t dronken iris- en anemonefeestje, in toover van licht, in zwijmelenden zonnedroom.De hoog-groene aardbeiakkers, zilverend in lichtglanzen,[38]overal ingesloten tusschen de goud-groene doorzonde hagentrofee van bladeren, doordarteld van glansen en vonkjes, juichten in den opbloei der vruchtjes.Overal gloeiden in warme purpering de spitsige kogeltjes op zandgrond, die paarsig brandde van hette, naast heele bedden onrijpe amazonen, als beschilderde vruchtjes, flauw aan éen kant roodgevlekt tusschen het lage bladerdiep.—Op de akkers hurkten neergezwermd, plukkers en pluksters in ’t woelige kleurgewiegel van hun kleeren, en overal was druk gedrentel en mandjesgesjouw, overal volgepropte bakken die verdragen werden uit zon.—Naast de akkers van Ouë Gerrit, hurkte in halven kring, kinderenzwerm van oom Hassel, in vale, voddige kleeren. Al z’n gespuis, tot ’n meisje van zeven, had ie aan ’t plukken gezet, in zwijmelkoortsige jacht, om te halen, te hàlen, hooger prijs te maken, anderen voor te zijn met goed, wel wetend dat de sterke werkmacht van al die rappe handjes, snel in pluk en grabbel, hèm niets kostte.Werkroes koortste door Duinkijk en Wiereland. Elke minuut van langen ademhaal, rustend, was verlies. Koopers joegen, bemiddelaars joegen, bazen joegen hun kinders, los volk en vaste plukkers joegen elkaar.Oom Hassel schreeuwde naar ’n troepje meisjes, dat inhurkte tusschen de nauwe aardbeipaadjes, in felle gloeizon:—Denk d’r’an, jullie niks aa’s soete fransies!.. en Emmetjes.. mi sonder doppies.. en f’noàfed éers de halfe raipe in sloffies! De kinders stemmedrukten en joelden uitgelaten terug, dat ’t goed was, nog vroolijkend in ’t vroeg-landelijke ochtenduur, blij niet op de schoolbanken te zitten, den heelen pluktijd door.—Vóór ingehurkten kniebuk uit, grabbelden hun handjes tusschen de groen-zilveren lichthuivering van bladeren, zoekend en tastend naar de rijpe vruchtjes, die bloedden in vochtig fonkelrood, puntig doorspikkeld van gouden spatjes. Licht purperden en hoogrood glansden in speelsche gloedjes en vonken de aardbeien in de brons-zanderige kinderknuistjes; handjes vol zoet-geurende vruchtjes, gloeiend in zonneschitter. Telkens,[39]de palmpjes volgeplukt, kogelden ze de vruchtjes voorzichtig in de brons-teenen mandjes, donkere zuiltjes, volgestapeld in speelsch gebaar, met vuur.——He’ je nog mandjes doar? schreeuwde ’n plukker.’n Kleine meid, in rood verflodderd en gescheurd kort rokje, losgehaakt op den rug, dat wit ondergoed en baleintjes er door heenschemerden, smeet mandjes door de paadjes àchter plukkersklompen, in joligen zwiep van ’r kinderarmpjes. Ze speelde er mee, gooide maar òp, te veel, dat de broers om ’r heen vloekten. In krommen hurk schoven de plukkers voort, op de knel-nauwe paadjes, die zandig-heet lila-paars schemerden tusschen het groen, elk klaargeplukt mandje opgestapeld met „kòp”, achter hun hielen neerbouwend.—Tusschen al de paadjes van de verre akkers slangden de donker- en lichtroode vruchtjes in lage mandzuiltjes, zoetelijk geurend en vervochtend in de grove plukkershanden, die doortastten maar, onder ’t loof, telkens òpdiepten met de vuile vingers de vuurvonkende kogeltjes. Zóó, achter de ingehurkte plukkende lijven, vlamden de volgepropte mand-zuiltjes in karmijnen brand, in donkere en licht-gloeiende omzooming van de hèl-groen bladerige bedden; lange roode zuil-gangetjes, vurig van lijngolving in heet zonnegoud, in trillende hittesfeer, omzeefd van dampig licht, nevelig van rooden gloed, overal tusschen het frisch-joelende jubelgroen en ’t zilverspatten van zon-natte bladeren. Geuren van grond en vruchten, zwijmelden en wellustten rond uit den blank-gouden, blauw-diepen hemel; zwijmel van reuken en sappen. Rood bevlekt en besapt graaiden overal de geweldige barsche plukklauwen der werkers, vervuild en doorgroefd van aardwroet, tusschen het jonge heete aardbeienbloed. En nat van sappen, walmden zacht de kleine zonnig verbronsde kinderknuistjes tusschen lichtrood en dieprood, tusschen vuur dat laaide en vonkte, en karmijn dat sintelde, lekte, smeulde.Door héél Duinkijk en Wiereland vonkte, spatte en purperde ’t rood van aardbei, tusschen de groen-flonkerende omhaagde hoeken; spartelden de handjes gezwollen van greep en pluk,[40]ging één zoet-zalige stroom van rooden geurdamp zwoel over de akkers.Guurt en Dirk plukten gelijk op, aan één bed, Kees, de Ouë en Piet, ’n anderen hoek uit. Ouë Gerrit had al heel vroeg gedaan bij de nieuwe familie op ’t plaatsje. Nou zat ie gretig mee te plukken. Z’n rug brak ’m wel, pijnde en stak als werden er naalden ingeboord, maar daar gaf ie niks om. ’t Moest, moèst nou. ’n Daggeldersloon viel er zoo wel uit te winnen. De kerels zouden ’m ook anders te lijf gaan. Z’n knieën tot op de borst ingehurkt, bij de kin wegknellend z’n baard, grabbelde ie met twee handen te gelijk, trillerig in z’n beenen, ’t loof omwoelend, de vruchtjes vlug neerkogelend in z’n mandje, zonder ze te kneuzen toch.Hij gromde stil, dat ’r van z’n vervreten hoek rijp geen eetbaar vruchtje terecht was gekomen. Schade van honderden!.… Dá’ stopte ie zoo nooit.. hoho! hoho!—Woedend was ie ook dat z’n rooie kool zoo slecht stond.—Nou had ie op ’n lekker sonnig hoekie soaid, van s’n swoarsten grond, bestig bemest, en nou stonge se krek aa’s stokkies, deurvrete van oardevlooi.… En nog meer!.… s’n uitjes.. stonge slecht.. tedicht op malkoar soait.… weer skult van Piet.… hep ’t soo wille.… enne.… van de somerandaifie.. kwam ook nie veul.… most nou al ’n beetje gele kop hewwe!.… skuld van die f’rekt slechte woàteràfvoer.…—Hee Ouë, denk ’r ’an, dá’ jai strak-en-an die hoek overnaimp! Ik mó’ nog bosse veur f’nòafed.… hai hep de mande, veur àftetarre an de hoàfe.…Ouë Gerrit had zich naar Dirk gedraaid, die ’m uit erwtenpad toeschreeuwde. Schroeiend begloeide de zon akkerruim, dat hette uitdampte. In één bukkenden hurk, van knie op knie, schoven de werkers voort tusschen het prachtgroen, vervuild van zweet en martelenden pluk, met den steekbrand van zon op nekken en ruggen. Boven de aardbeibedden stond de lucht, blauwe jubel van uitspansel, stil van zoete geuren. In wierook gedrenkt, zwangerde de aarde van reuken, heimweevol en zalig. Met moeite zwierven klankgeruchten van straatjes[41]en lanen òver naar akkers, door de geurnevelen héén.—In één kniel- en bukstand schoven ze voort, werkers en kinders, zonder òpzien. Met wat vluchtige happen was de voorschaft gedaan, en dadelijk weer stonden ze klaar, opgejaagd met ’t broodpaffe nog in hun maag; liepen ze uit schaduwluwte, koelend groen van ’n haag, naar de gloeibedden terug, kniegebukt weer, op heet-zandige paadjes.Ze voelden wel, de werkers, dat ’t nu ging om hun rust, hùn bestaan. Als de eerste haal maar voorbijbroeide, was er van zelf weer ’n dagje kalmer pluk uit de onstuimige aankolking van werkhaast en ploeterjacht.Elken dag kwam zonneschroei heeter neerdaveren over de akkers, die droog-stoffig smachtten naar lafenis, en vroèger in den morgen wroetten de tuinders op de zengende vlakte, onder ’t neerkokende licht, in opjagender grabbel tusschen hun aardbeien; de handen voller van vuur-fonkelende vruchtjes, die al dièper of hoòger kleurden in zonnelaai, donker bloedden of lichter bevlamden de aarde, in stil-ziedend rood, verstapeld in de vurige zuil-mandjes, als vloeide boven de akkers ènkel heet spel van purper en goudgroenen vochtigen weerschijn.—Eindelijk was de groote haal ingevallen. Ouë Gerrit had van z’n berijpte akkers niets gehaald. De vrucht was niet gezet, stond er wormstekig en puisterig flauw-rood. Tòch zou ie ze beet nemen.—Maar z’n andere jonge hoeken, ’t vorige jaar pas ingerankt, stonden mooi vol, maakten dat ie niet al te zwaar gromde. En gelijk-áán werkte ie met de jongens op ’t land, gelijk ging ie met ze heen.—De hitte deed ’m zich plezierig, lèkker voelen en ’t geld dat inkwam gulzigde naar meer.Z’n steelzucht begon wat te koelen in de hitte van den werkroes, en z’n eigen gebroken karkas, voelde ie alleen ’s avonds verschroeid op bed, als z’n vrouw naast ’m lag te puffen en te snorken met ’r lippenblaas. Even, nu en dan, bromde er wel wilde lust tot gannefen in ’m, maar de akkers stonden vol werkvolk, overal had je oogen nòu. Zoo temperde z’n begeerte[42]van zelf in de plukjacht, in de zekere opstapeling van de centen, dàn in die, dàn in ’n anderen kasthoek, dat de jongens niet wisten wààr. Alleen Guurt mocht ’t zien.——Manskappe, f’doag allainig ònraipe!.. in de sloffies.…Gain raipe hoho!.… die naim tie puur nie.… had de Ouë, om half vier uit huis, in den ochtend ’t land opstappend, gezeid tegen de jongens.Vroeg al zengde de zon, dat ’t zand onder hun heete, van strakken zit gekneusde knieën brandde.Guurt, met ’r zwaar lijf tusschen de bedjes geperst, in ’n oud-blauw jak en dof rooien onderrok, smeet de goudlichte slofjes vóór haar de paadjes in, achter de hielen van de knielende plukkers. Haar strooien breed-gerande hoed, hoepelde scheef, met ’n zwart bandje, gesnoerd om ’r blanke kin en los rond de ooren, spinragde fijnste goud van ’r harenkrul uit.—Ouë Gerrit keek nu en dan onrustig rond of ’r wel achtereen gewerkt werd, naar Guurt en Piet en naar twee nieuwe plukkers, die hij nog met moeite gekregen had.Oom Hassel plukte in mandjes met z’n kinderzwerm rondom in kruip en hurk tusschen de bedjes. Eén kerel liep tusschen de paadjes in, gaarde de mandjes bijéén, stapelde ze in groote houten bakken op ’n kar, aan den wegkant. Eerst nog moesten ze naar huis gereden en in den avond, naar de haven gebracht. Bak aan bak dáár op de kar, hijgde rooden adem uit, zoeten wierook. Bakbrokken, hàlf nog in zon, met de bronzen, hooge mandjes-opstapeling, gloeiden fel-rood, vloeiende bloed-glansen, in ’t groen geblaar verdoken. Andere uit zon, in luwte-haag van schaduw, verdampten karmijn, in gesmoord passie-rood. Daartusschen in, schakeerden de bakken in zangerig purper, diep en vroom, waarop weer nieuwe kisten neèrgesmakt werden, met zwaren adem, rood van opstand; vruchtbakken inzuigend ’t licht, rood-donker en diep als het smarte-hart van duister-fluweelen dahlia.—Telkens meer plukkers stapelden kisten òp, onder en naast hagen, met sla en wortelen, maar alles weer overstapeld door aardbeigloei, dat ’t klaterde en smeulde, hel-daverde en zong, ’t rood, ’t goud-doorvonkte[43]vruchtpurper, tusschen het rondom dringende uitwasemende groen, het goudgroen van boom en hagen.—Overal verspreid, langs de akkers, zetten kleur-kleeren van plukkers, sjofel en gehavend, maar in pracht-koloriet er toonhoog in versmeltend, warmte en diepte tusschen groen en hemelblauw; waasde er zeef-fijn, gouddampend licht, een sfeer van bevende uitwisselende glansen òver den pluk-arbeid héén, die de werkers verheiligde in den geweldigen ernst van hun ploeter; wiegden en wuifden ’n licht-brio rond, die vèr, heel ver wègschoof wat dichtbij lag, als week ’t landschap, in de trilling van lichtdampen, geuren en glansen, onder den zonnedaver en hittenevel telkens meer en meer achteruit, àl achteruit.—Drie kleintjes van oom Hassel, tengere meisjes, lagen ingekneld met blond-strooien hoedjes, verbogen als leger-des-Heils-kiepjes, met witte bandjes om blanke kinnetjes gesnoerd, stil te plukken, ’t kokende zongesteek en lichtgegolf op hun kleurige bradende ruggetjes.—Ze hurkten, knielden van knie op knie, en kreunden soms van pijn.—Ik kâ nie meer van main stuut, kermde één, pijn-vertrokken rechtòp spannend ’t lijfje in ’r rood jakje, dat de borstjes zwollen, ’t kleine gezichtje even uitdook onder hoeddiepte. Suffig bleef ze uitkijken, een knuisje in de rugstuit gedrukt.—Nou seg, mô’ je main knieë voele.… die binne heuldegoar deur t’met.—Seur jullie tog nie!.. de son is ’n kwoaje veur ons.. en d’r is nog ’n heule doàg, zei wrevelig de oudste, ’n ruk naar beneden gevend aan den rand van ’r zonnehoed, de twee klagenden met gebaren opporrend te werken.Zachter wrevelde ’r stem na:—Kaik! Willem loert al.… aa’s ie jullie in de goàte kraigt.. bin jullie d’r bai.… bai foader!.…De kleine, die ’t eerst geklaagd had over rugpijn bleef droomerig ’t bedje afstaren, ’r knietjes verhit en pijn-zwaar onder ’t tengere lijfje, speelsch de vuurlijn van purperende mandjes, vòòr haar padje, met ’r knuistje voor de oogen, brekend.—Gedachteloos[44]at ze wataardbeienuit ’r hand òp, plukkend onderwijl door, zonder ’r naar te zien, nog speelscher in kinder-luimigheid òpkaatsend snel achteréen, wat vruchtjes boven ’r hoofd, roodglanzende kogeltjes, vurig de luchtblauwte in, dat ’t vochtrood spiraalde boven ’r schalks gezichtje. Als vlammige kurketrekkertjes puntten de vruchtjes nèer op ’r smoezelige blanke handjes, die dropen van aardbei-bloed. Maar gauw, met ’n angst-woesten duw in ’r rug en ’n snauw van ouder zusje òver ’t bed naar ’r toegebogen, hurkte ze weer in, grabbelden ’r pootjes tusschen het groen van ’t bladerengewoel, telkens vòller van fonkelend roode vruchtjes, ze voorzichtig neerkogelend in de mandjes.De groote plukkers, mannen en meiden, knielden en hurkten, telkens wisselend van knie en houding, in gloeipijn niet meer wetend, hoe te graaien; schoven voort, zwijgend in koortsigen arbeid, in stommen worstel tegen de kookzon, die doorzengde, brandend op hun koppen, nekken en rug, dat hun goed heet verschuurde op ’t naakte zweetlijf. Vèr, òver hun dampende gemartelde koppen, bleef blauwen zalig azuur, tot achter zwoeg van verste plukkers. Gestalten in buk, kruipend over de akkers, vernevelden daar in hitteviolet, floersig en barnend. En tusschen hen in, joelden geuren en kleuren, in de klare zuiverte van het eindloos hooger en hooger vertintlend blauw, doorschijnend en rein als albast.—Tusschen het groen ging paars-korte schaduw op den grond van werklijven, die bewogen of sjouwden, bak ààn bak àf; ging licht wiegel en gouden heete trillingen van losse groenteranken, pal in ’t zonnevuur verterend, smeltend weer in zilveren afkaatsing, vergloeiend op kantblaadjes van hagen. En telkens ànders weer lag ’t land geblakerd en schroeiend gezoend aan de kanten, als spel van windkringen door boomkruinen heenwuifde, verblindende warreling van waterval-goudgespat tusschen bladeren-bogen neerstortte òver de paars-dampende hitteaarde. Telkens uit andere hoeken, vervluchtigde kwinkeleerende jubel van vogels, tierelierende zangers op lucht-fluiten, met cierfijnen fladder, donker scherend ’t hemeldiepe, blauw-roerlooze in. En soms,[45]beefde zachtjes en fijn, als enkel cierkronkelig lijntje van geluid, klaar kinderstemmetje òp in zang, achter hagengroei, ontroerend en dartel tegelijk.—Achter Kees en Piet in pracht-roode rijen kronkelden de slofjes áán als blank gevlochten goud, ’t vruchtenvuur brekend in gloed, tusschen groen. Gaterig en bleek vlekten de onrijpe aardbeien ertusschen. Voorbij de vuur-omzooming van de groen-glanzende bedjes, tusschen ’t gevlam en geknetter van ’t doorzonde karmijn, liepen de kerels drukker met bakken áán en af.—Snôf’rjenne Guurt, jai plukt te raip, schreeuwde Dirk onthutst.… sullie naime f’rdomme soo nie.… motte onderweg puur-en-raipe.… ’t is veur Duijtsland.. hep de Ouë nog soò sait.…—Dà’ te raip?!.. Wel neenet! Hullie binne.…—Debies! seg moar heé? Kaik dan sellefers.… kaik die!.. kaik diè!..Dirk in rood-driftig zweetgezicht òvergebukt naar Guurt, wroette met z’n grove vuile handen in d’r mand, perste driftig wat aardbei fijn tusschen z’n vingers, dat ’t sap ’m langs de polsen droop.—Nou.. daa’s ook alles.. moar kaik.. die!.. die!.. sain puur groene buikies.…—Daa’s net.… f’rjenne, je knaipt hoarlie t’met tû moes! paa’s tog op maid.. blaif d’r òf.… ikke lief dá’ nie.…—Wá’ ’n hupla’s die hep!.. sou je nie!.. sou je nie!.…—Seur tug nie Dirk! lá’ ’r dur gangetje!.… gromde de Ouë van z’n bed af, bang dat Guurt er den boel bij zou neersmijten. Elk jaar nog had ze verdraaid te plukken. En nou, in ’n gril, gewillig deed ze mee, om wat extra centen voor de kermis te beuren. F’rduufeld, nou gonge de kerels ’r koejeneere, bromde ouë Gerrit.—Dirk had naar ’m omgekeken, zonder te antwoorden, z’n rood bevochte vuile handen, loom op z’n knieën afhangend, z’n gezicht verzengd pal in zongepriem. Roode vlekken dropen van z’n blauwe kiel en z’n blond-wit haar[46]plakte op z’n stompe voorhoofd in zweetkrul, onder de pet uit. En telkens even, in lodderigen oogstaar, probeerde ie òp te kijken naar de zon, maar dadelijk knipperde ie z’n oogen dicht, paf van ’t felle gepiek dat er inboorde, voelde hij zich blind gegooid met kokend licht. Z’n vuile broek stonk van smeer en zweet, zurig tusschen het geurzoet. Voort maar schoof ie weer in zwijg, niets begrijpend meer van den Ouë, waar die pas ze toegeschreeuwd had, vooral geen rijpe te plukken. En stiller den werkmiddag rond, schoof ie verder, voelde ie ’t woestijngloeiende zand onder z’n knieën schroeien en branden, verbukte en verwisselde ie telkens van knie, als er één, gekneusd en vergloeid, z’n zware paffe lijf niet meer dragen kon.—God f’rdorie, geeuwde Piet, daa’s ’n kwoaje.… die son f’doag! main nek stoan puur in brand!.…—Dá’ sou’k denke, je weê puur nie meer hoe je kruipe mot …—Debies! main knieë sain deurmidde.… aa’s ’k katteliek waa’s lie’k main stempele! galgenhumorde een plukker half schuin naar ’n makker, die meezong Zondagsavond’s in de kongregatie.—Dirk, in den winter nooit sprekend van den zwaarsten zwoeg, morde, giftte nou, in verhitte worsteling tegen de zon, die ’m roosterde en martelde, waartegen ie ’n woesten haat voelde. Z’n rug stond den heelen dag in brand, z’n nek stramde verlamd in steekpijnen van voortdurenden buk en z’n branderige schonken schuurden jeukerig tegen z’n vuil heet afgesjokkerd baai goed. Guurt schreeuwde dat ie moar s’n laif d’rais most boene, mi’ wa’ woater.…—Da’ doe’k f’noafed t’met bai de put! da’ selle wai hebbe.—F’noafed is d’r gain tait.… hee!.. Joanse, scherpte Piet voort tegen den katholieken plukker,—nou bi jai stempelt, hee?.… moar hè je nou puur gain pain in je donderemintje of peseer je ’t kerrikie.… mi je skietgebedje.… G’loofd sai Jaisis Kristus.… en de hailige sekreminte des oaltoàrs?.…—Laileke duufels-toejoager, bromde die terug, hoor je main kloàge?.…[47]—Nou ikke stoan t’met dertien uur te plukke.… ik bin d’r hard stikke-dood van.… main stuut is deurmidde.. ha’ je nou moar je maid hier Janse.… veur ’n f’rsnoàp’rinkie!Janse zweeg, giftig op Piet, dat ie met z’n geloof begonnen was en z’n dochter. Dat kreng had schande over z’n huis gebracht. Had ’n tweeling van ’n los werkman, die zich dood zoop. En zij werkte nou op de Wierelandsche fabriek van ingelegde groenten, tusschen ’n hoop van dat meidenschorem. Vier maanden geleden had ie ’r de deur uitgetrapt, met ’r dikken buik, en nou begon die kerel er weer van te klesseneere..—Wat ’n gesoànik, schreeuwde ouë Gerrit naar Piet, al kon ie bijna zelf niet meer van pijn, toch voortploeterend in heete werkjacht.… wai doene ’t allegoar.… jai mi’ je stuut en jai mi je knieë.—Nou? watte?.. allegoar ke’ je hoore skraiwe?.. die is f’rduufeld ’n meroakel.… mó’ je main of main jassie? dolde Piet geraakt toch.—Hoho!.… hoho!.… wá’ sou da’ t’met hain? vier en vaife en nie genog aa’s.…—Hain?.. Welneenet.. aas ’k moar wa’ neusiesverf had, sou ’k main vast.. ’n kwassie smaire!—F’rdomd! sel nie beure! sel nie beure! krijschte de Ouë, bleek grauw van schrik en hitte,—òp ’t land komp gain druppel, hoho! hoho!In langzame optrekking van z’n linkerknie, met z’n handen steunend in ’t gloeiende zand, had ie zich uit z’n strammen hurk opgericht. Z’n rug voelde ie vlijmen van pijnen en z’n beenen stonden heet te trillen onder z’n lijf, als zou ie instorten. Piet gromde kwaadaardig:—Skreeuw moar nie.… set ’t nie op je heupe.… maan! moak goàr gain relletjes.… aas ’k ’n urretje likke wil soa’k jou nie vroage!.…—En jai Kees? vroeg Dirk, hep jai ’t lekker?—Kees, Kees, bromde Piet weer, die hep gain rug, gain stuit, gain kop, die hep niks!.… goàr niks!Stil zwoegde Kees door, ’n endje van hùn bed af, zonder[48]omkijken, in strakken loer op de aardbei, met uitgolvenden slag z’n manden vullend, tweemaal sneller dan zij.—En telkens àchter z’n hielen, draaide ie ’n gouden slof neer met trillend vuur.—Op àl de paden, achter de akkerhagen, stonden groote bruine, rauw-groene en roodbemeniede handkarren, zwaar beladen met goud-glanzende sloffen en bronzen mandjes.—Van allen kant tegen den middag, kwamen de plukkers aansjokken met bakken, sloffen; geurde en smolt ’t vruchtenrood en sap inéén met gras en groentearoom, als wierook door de lucht uitvloeiend en verwaaiend. De hemel wiegde zwijmeladem en bruiste zonnedronkenschap door ’t stedeke. De luchtkoepeling stond gespannen in prachtglans van blauw, hoog boven de kruipende plukkers en pluksters. Overal, in de paadjes nu, achter de hagen, slangden de purperen regels in gloeiende zoomen. Kielblauw en kielrood, ademde hoog de zonnehitte in, en strooien hoeden blondden al meer in ’t jubellicht. Tusschen de doppers, kronkelden fel-groen, de duizelig lange slakroppen-regels, blank beschubd, en de jonge erwten glansden naast de bladzilvering van tuinboonen. En woester, gelijk met zomerroes, zonnedronken van licht en kleuren, ging ploetering òp, jagender. Alle handen koortsten rond in den grooten haal. Ze waren besteld de tuinders, door ’n paar groote afnemers uit stedeke, die in Engeland en Duitschland hùn waar met flinke verdiensten van de hand zetten. Duizenden op duizenden kilo’s moesten geleverd worden, naar spoor gedragen door de werkers, dààr gewogen en verzonden.—Iederen dag làter in ’t saizoen, kon de prijs van kilo’s dalen, als van alle kanten te groote oppropping en aanvoer kwam. Daarom, in woeste jacht, met zwarte afgunst onder elkaar, heet op voordeeltjes, plukten ze in koortsige haast, om anderen vóór te zijn, als ’t kon; anderen er uit te smijten en op moment dat aanvoer ’t minst nog leek, nieuwe bestellingen bij te krijgen; al was er in den winter al kontrakt gemaakt voor vaste levering, met iederen gast die wou.—Dirk had van ’t doorloop-pad àf, op den akker ’n groote[49]kar met verlengboomen, om breeër op te laden, volgestapeld met sloffen en manden. Wat bàkken daarboven òp, versjouwde ie mee naar de hàven, de mànden naar ’t spoòr. Jan Hassel de minst-vijandige neef, reed mee den weg op naar ’t station. In zweetdamp, met bemorste kielen, geurvracht hoog opgestapeld en wijd-uit geladen van achter en van vóór, tot op de handkruk, zacht zwiepend op de verlengboomen, verduwden ze hun loodzware karren, met borst en armenspanning, pezig-gestramd, ’t lijf in rukkende stooten, Wierelandschen straatweg over naar ’t station.Zonlicht zoog heet in ’t vruchtenrood. Over de manden lag bladgroen van tuinboonen, fluweel-zilverend er om heengestrooid, tusschen het purper, dat glansde als koralig licht-glimsel.—Achter Dirk en Jan Hassel áán, ratelde een stoet van karren, geduwd door tuinders, gelijkelijk optrekkend in lawaai en gedrang naar ’t spoor.—Bij ’t zijhek werd halt gehouden, zwenkten om beurten ’n paar groenboeren de karren àchter de gele, schroei-zonnige omheining.Van Lemperweg, haven en zijstraatjes, ratelden en woelden meer karren áán, gloeide ’t karmijn en purper, al naar aardbeisoort, in de gouden rietsloffen of blank-gele ronde manden; wierookte al zoeter, dieper vruchten-aroom heet-zomersch over ’t plein; vuurden en vonkten de aardbeien van alle kanten, zonnedronken in blaker, onder trillenden zonneroes.Kerels met vermoeide, grimmige koppen, paarsig vergrauwd van zweetvlekken, uitputting en zwoegdrift, duwden òp, woelden, zwenkten, trokken hun karren, schreeuwden en vloekten tusschen gedrang, geratel en gedonderbonk van karren en manden. Trekhonden, afgemartelde beesten, verwoed van hitte en dorst, blaften gillend en bassend, stonden of lagen tusschen de kleurig-donkere kar-assen ingekneld, met riemrepen over neus, bek en nek gekneld, ademstootend in snellen hijg, woest schuim verkwijlend.—Van vier uur al ratelden en bonkerden wagens en handkarren áán. Bergen manden stonden opgestapeld naast wagens, apart voor aardbeivervoer, vastgehaakt.—[50]Op ’t station, aan achterkant van ’t zijpad, zat ’n man vóór gewichtstoestel, verzweet en gejaagd, in ’t ratellawaai en schreeuwrumoer om ’m heen, tusschen treindrukte, loop van passagiers, kruiers en zwellenden aanvoer van waar, met z’n bonboekje in de handen, afrekenend wat ieder leveren kwam. Telkens achter ’t hek, als ’n tuinder klaar was, zwenkte ’n ander uit al sterker aangedromde, woelerige karmassa, schuin tusschen de latten-omheining, op grof-bonkerig gekei, ratelde de leegte achter ’m dicht; stond ook diè weer met ’n berg nieuwe manden en vruchten voor den kontroleur. Voorzichtig zette iedere tuinder z’n rood-vochtige manden met aardbei op de èven boven den grond zwevende schaal, netjes op elkaar inschuivend en voegend al meer en meer, tot de heele vracht van hun kar afgeladen was.De kontroleur, met z’n zweethoofd, z’n gezicht doorgroefd van zorgtrekken, overspannen arbeid en vreemde zenuwtrilling van lippen als geluidstroom en herrie watervallen over hem uitstortten van haast en jacht,—woog af, trok handvat van weegschaal achteruit, loerde intusschen naar kwaliteit der vruchtjes.—Naam! vroeg ie kort, met moeë stem, ’t zweet van gezicht onder oogen en om neus uitwrijvend met rooien doek, waarop ie bang keek, na elken zweetveeg.—De Kaiser!—Wie?.. Piet of Willem?—Willem!—Achterweg?—Welneenet!.. Slangetje!—Slan-ge-tje herhaalde ie brommerig, zich zelf dikteerend, onder snel geschijf, afscheurend in rakettige karteltjes het geperforeerde reçu.—Hier anpakke!—Weer schuurde z’n zakdoek langs z’n zweetnek en hals, veegde ie met nijdige rukken ’t vette nat onder z’n hemd weg. Dirk en neef Hassel konden met hun karren ’t zijhek nog niet in. Achter hen áán, dromden al meer paardwagens en karren met de hijg-sjokkende en duwende[51]kerels er vóór, in al sterker áánstroom van aardbeien, purperende neergestorte wolken van rood licht, fijn-prikkelend doorgeurend weibrok, paden, stationsplein. Gevloek en geharrewar van rauwe vermoeide stemmen, krijschte òp uit woesten sjouw en gedrang.—Doffe blaffen basten tusschen hoognijdige keffers en kermende hondestemmen òp,—dwars door menschengeschreeuw en ratelgeraas, dat hooren en zien verging. Kisten en manden, leeg en uitgehaald, keilden rond achter ’t hek, waar ’n geholpen groep afzakte, en overal dromde gegrom en driftig geworstel der zwoegers, tusschen hun geurende stille vruchten in, hun roode bergen van geur en vonkpracht.—Op elkaar hitsend, afgunstig en nijdig, wou de één den ander voordringen. Plots kwam er lucht in worstelende ploeterende bende, konden ’n paar wachtenden inzwenken, met hun wagens en verlengde zwiepboomen, ratelden er karren wèg, dwars tegen aandrommende massa in.——Nou debies! Ik ke’ nie langerst wachte, krijschte éen uit den karrenstoet vóór ’t hek, met grauw zweetgezicht, vette kerel, paf van hitte, uitblazend van vermoeienis, gekneld z’n dikke lijf tusschen andere wagens in.—Hulp d’r sain effe eerst, gil-schreeuwde één achter ’t hek, tegen kontroleur, die nu op ’nouëmand zat, met z’n bon-boek op de knieën gedrukt, rondloerend overal heen, of ze’m niks bestalen, alles goed verstapeld werd in de donkere wagons.—’n Blauw potlood stipte ie telkens nat tegen z’n mond áán, dat z’n lippen paarsten als zou ie plots ’n beroerte krijgen. Van ’t toegeschreeuw, de rumoerige hurrie en onrustjacht achter ’t hek, maakte ie zich niks hooren.—Vóór ’m stonden de tuinders, hun waar verladend op ’t breede, lage, met stof-vuil overwaaide weegtoestel.—Acht honderd kilo van?.…—Joapeke!—Jaapeke uit?..—Lemperweg!..Snel kraste z’n potlood, stonden de tuinders voor ’m ingebogen te loeren, naar de koortsige krabbeling van blauw puntje[52]op ’t blanke schitterpapier, waar ’t licht op beefde. Bij ’t ontvangen van reçu, hielp de tuinder z’n waar van de schaal laden. Twee smerige kerels, vergrauwd in zweet van zware werkjacht sprongen òp en àf uit de binnen-in-donkere wagons, half volgestapeld. De mannen rukten Jaapeke z’n manden en sloffen uit de handen, grepen ze van de weegschaal, klauterden met de aardbei wagons in, dat de purpering kwam te dooven tusschen de morsig bestofte houtwanden, waar àl hooger en duisterder de geurvrucht op elkaar gesmoord, in verdook.—’n Twintig meter van den kontroleur af, op ’n weghoogte van grove keibestrating, àchter omheining, propte nòg ’n drom karren, rumoerde landvolk met waar en manden, bij ’n konkurrent-kooper, ’n Duitscher, die onder geeldoekig tentje, waar zonnebol gloeiheete lichtschaters op néérproestte,—aardbeivrachten innam en verzond in andere wagens weer.’n Ontzaglijk dik wijf met reuzinneheupen, en magere dochter, langhalzig en beenderig geitengezicht, zat achter ’n klein kleurig tafeltje onder ’t brandende tentdoek te schrijven, reçutjes en kopietjes, terwijl zwaarbuikige Duitscher afwoog en loerde naar de vruchten, met z’n glimvettig bollig zweetgezicht.—Achterover, op z’n kruin geplakt, blankte ’n wit-stijve automobielpet, glansfel beklept.—Met iederen tuinder rumoerde en streed ie kort en stemsnauwend-krasserig, over gewicht en waar. Moe’, niets begrijpend van z’n Duitsch gebrabbel, stom en dorstig in de hitte van d’r zwoeg, kregelden hun ruwe gezichten, vervlekt van zweetvet, streken ze hopeloos en zorgelijk in angstig spiervertrek van zenuwmonden, handplat langs hun voorhoofden en monden, losten ze verder, zonder ’n woord verweer, wachtend op reçu.Aldoor weer ’t oerige moederwijf brabbelde wat tusschen het gebrauw van den zwaarlijvigen mof. Lacherig en spottend, gromden eindelijk de kerels in vloek wat terug, verlegen onder ’t niet verstaan, òpkijkend telkens naar bemiddelaar, die naast ’t zengende tentdoek stond te schroeien in zonnevuur, allerlei zure grapjes uitlolde tegen langhalzige geelmagere dochter met den geitenkop en enorme, vetdijige moeder. Onder geschrijf[53]en overgereik van bons aan tuinders, schoot zij,—onder fluisterend gekonkel van bemiddelaar in ’r ooren,—om ’n haverklap in proestlachen uit; schommelde ’t moederwijf van gierpret, ’r logge boezem lang nog nàbevend achter klein tafeltje, dat meelachte in lichten sidder tegen d’r schuddenden vetbuik. Toch, ieder keer duwde ze den kerel met ’r vette worsthanden soms midden in ’n grap, ruw buiten de tent, loerden zij en ’r dochter naar de weegschaal, of d’r niemand bedroog; gingen d’r sluwe klein-grijze oogjes in ’t pappig opgeblazen maangezicht lichtend rond, in kring der sjouwende werkers, die doorlaadden en losten, in stommen zwoeg, donker, morsig en vergrauwd, tusschen ’t schittervuur van hun vruchtjes. En stapel op stapel, purper leven slurpte op, al meer, satanisch-gesperde muilen van donkere wagons.—Kleurigste hurrie daverde rond den kontroleur, verder op.—Eindelijk was ’t Dirk’s beurt om te lossen, zwenkte ie vóór, met z’n zware kar, wrong en schuurde ie door engen hekingang, in giftduwen tegen de kruk, dat z’n kop te barsten stond, zwellend van spierspanning. Zweet droop van z’n wangen in de sloffen, toen hij mand voor mand van z’n kar op ’t weegtoestel schoof, berekenend, nauw passend en insluitend de manden, onder ’t opstapelen.—Van?.… vroeg kontroleur, al klaarstaand met potlood op de lippen, tongpunt er tegen aangedrukt.—Hassel!..—Welleke Hassel?.…—Gerrit!—De Blommepot, gromde ie voor zich uit, veerend op z’n mand, blauwe krullettertjes op z’n papier krassend.Dirk in zweet en zon, stapelde dóór van z’n kar, rustig op ’t toestel.—Hee, hield plots kontroleur z’n arm in, met ruwen schreeuwstoot, van z’n veerende mand opspringend,.. wa’ is dá’? die mand dààr.… en die?.… daa’s drek!.… ke’k niet gebruike!.…[54]Dirk hield op, keek verstomd met z’n koeienblik den kerel aan, die weer was gaan zitten.—Wa nou?.. wa’ bruike?..Hij wist eigenlijk wel dat ie twaalf sloffies met vuil goed had meegekregen. Ouë Gerrit wou, woù nou eenmaal van de berijpte vervreten hoek wat pluksel verstoppen ònder de beteren, om zoo nog wat te beuren van z’n teelt, denkend dat in de drukte geen sterveling ’r op letten zou. Drie tuinders hadden ’t er op die manier al door gekregen, waarom kon ’t hèm ook niet lukken?—Droal nou nie soo Hassel, donderden achter ’t hek wat kwaadaardige stemmen, van ongeduld barstende tuinders, wai hebbe ook ’n kilotje!—Stik doar, schreeuwde ie terug. Woest nijdig begonnen plots z’n koeienoogen te werken, en kwaadaardig te schamperen van wreed licht.—Daa’s d’Ouë s’n skuld, bromde ie zacht voor zich uit, die hep main d’r làte inloope.… da kreng.… en nou opelik betroàpt.… ’t foàrke sou je kefuus moàke.…—Nou! nijdigde kontroleur uit de hoogte.. Stapel die rommel nou maar weer weg, want neme doen ik ’t nie.…—Moar maa’n! je laikt puur daa’s, se benne bestig, loog Dirk, om zich te redden.… allaineg ’n baitje stainderig meskien!.…Kwaadaardiger vertrok kontroleur z’n zweetmond. Hij was weer opgesprongen van z’n mand, die knarste en kraakte onder z’n lijf.—Als jij hullie nie van de schaal neemt, donder ik se fierkant tege de wage an, jou drek!..—Stik! dá’ bi’k tog sellefers bai, hee? Daa’s f’rdomme twee doàg kromplukke weust.… twee doage!.… dâ je je donder deurmidde barstte.… en nou veur niks werkt!—Al had je ’r ’n beroerte an gekarweit, ik neem se soo nie.. en fort nou, gauw ook! d’r blijve nou alleenig die veertig mande daa’s.… kijk!.… zes.… honderd.… kilo kijk! kijk!De gewichten langzaam natellend, ingebukt en waggelend[55]op z’n veerende mand, krabbelde ie de vracht op z’n boek àf. In dralende weerspannigheid had Dirk weer z’n twaalf manden van de straat op de kar geladen. Achter zich zag ie neef Hassel staan, klaar met z’n waar, in schamperen lollach op sarsnuit dat Dirk z’n rot boeltje terug gekregen had. Prachtig glansden neef Hassel’s manden, rond en hoog, op de handkar. Z’n bruin eikenhoutige wagen, met lichtblauw beschilderde wielen, als azuren raderen, waarin verflitsten de spaakjes in zongespat, kleurfel òpkringend tegen de daverend-oranje bemeniede assen, gloeide in zomerbrand, met z’n hel-roode aardbeistapels, rondbroeiend geurende warmte van glansen. Op elken mandrand, goudvlechtsel in zonnegloed, had ie groene bladerenkranzen geslingerd, tusschen het zingende warmhooge rood, en half beschaduwd vruchtenvuur, dat ’t frisch jubelde bòven de karkleuren.—Daa’s siek veur niks, lachte kontroleur, se gaan toch de kist in, wees ie spottend op de wagens.Dirk stond nog achter z’n neef, woedend neer te kijken op kontroleur. Die vervloekte Ouë … Most.. ie sain da lappe?.. hai sou sàin t’met de mande veur s’n skainhailige tronie sloan.… Sóó hep hai nog sait daa’t goàr nie gong.… nie gong.… f’rdomme!Maar kontroleur, begraven onder nieuwen werkdrom, zag niet meer naar ’m om, loerde alleen rond naar vervoer, gewicht, wacht op reçu’s.—Onrustig keek ie telkens achter zich, of alles wel vlotte en niets gegapt werd; of de kontrabons klopten, de wagens zuinig genoeg bestapeld werden.—Te zweeten, te zuchten zat ie van ’t aandrommende werk, rondom z’n overal kijkend lijf, in ’t geraas van treinen en dreungesmak, getier van ’t landvolk, dat van ongeduld sterker schold en trampelde voor hun karren. Nu en dan, heerig en afgemeten kwam patroon van kontroleur even kijken of de boel liep, stond ie dwars in den weg dat de tuinders ’m omver boften met hun karren en manden. Gauw had de heere-baas ’m gezegd, dat kontroleur zich niet moest laten beetnemen door ’t goochelend sluwe volkje;[56]dat alle vergissingen en terugzendingen voor zijn rekening kwamen. Dat wist ie wel, en gejaagder loerde, zweette, vertilde ie de zware gewichten.—Dirk had zich àchteruit door den drom wachtenden met z’n kar heengewerkt. Achter ’m laaide ’n roode gloed van purper en karmijn, waartusschen ’t landvolk woelde, met ’r sjofele stinkende plunje, bronspilow broeken, zwart-fluweelen truien, vuil-blauwe en lakrooie kielen, grijs-bruine en goorgele hemden.—Nou moest ie nog even, achter de Duitschers, om nieuwe sloffies.—Van ver zag ie al ’n troep tuinders worstelen en dringen bij ’n wagen op tweede rails, met leeg aangevoerde manden. Z’n kar zette ie vàst tegen ’n boom vóór weibrok, en wrevelig achter ’t spoorhek drong Dirk dwars door den stoet.—Ze vochten in nijdig gedrang, rond den wagon.—De een duwde den ander achteruit. Met trappen en stooten, infuriëndewerkkoorts, doken telkens ’n paar weer in den nauwen wagon, op geschreeuw van den grooten aardbeikooper en mandeigenaar, die aflas hamen van tuinders.—Hulers vier pakke, dreunde z’n stem, z’n oogen strak in loer op ’t lijstje.—Persint, schreeuwde ’n kerel terug, dook weg in den nauwdonkeren wagon, holde den anderen kant weer uit met ’n trits sloffen aan ’n touw, door de hengsels heengeregen.—Daa’s meroakel gemain!, krijschte éen woedend, altait Hulers veur ’n aêr,.. daa’s puur de fint van de bestige woar!…Een brutale, met roet-zwarten baard om geelbleek gezicht en smalle schuwe oogen, wenkbrauwen neger-donker, rukte ’n tuinder z’n mandjes uit de handen, vloekend dat ie al drie keer voor niks hier was, op die manier niet plukken kon, z’n boel verrotte op den grond. De baas, er bijstaand, mengde er zich in, maar ze snauwden, verdrongen den heerigen vent. Hij voelde dat ie in zoo’n geweldige, stuipige werkjacht, z’n meerderheid verliezen ging.—F’rek jai skorum, vloekte en tierde de onthutste tuinder, verhit van zongepriem, dat z’n oogen in brand stak, afgejakkerd hijgend van uitputting en sjouw.[57]—Ke’ main puur niks bomme.… ’k hep in twee doage al nie plukke kenne.… soo lait main oogst veur de waireld.—Moar daa’s main.… skar! duufelstoejoager.… kabbeloebeloap!.… Doòr schold ie, wou op den zwart-baardigen kerel instormen, maar tusschen hen in drongen andere zwoegers, worstelend om sloffen en manden, den wagon òp en instormend, grijpend en rukkend wat ze maar krijgen konden.—Jorisse!.. riep statig baas af, acht pakke.… om schijnorde in de bende te brengen.Maar niemand die naar ’m hooren wou.—Wat ’n janboel, bromde Dirk, die met z’n stiersterke boffende schoften door ’t gedrang en gewurm der half vechtende en razende kerels heen gestooten was, magere zwakkelingen op zij duwend. In de woeling en hitte van ’t gegrijp, gedrang, en geroep werden als verschoppelingen de zwakkeren vóór- en achteruit gemept. Bòven de koppen en kromruggen van ’n troep tuinders, die aandrongen op één plek, graaiend naar sloffies met armen vooruit, in woeste hebzucht,—deed Dirk z’n greep, met z’n granieten krachtarm naar één kant waar ie ’n lossen stapel in de gaten had gekregen.—Daa’s jou beurt niet.… terug! schreeuwde ’n wagonknecht, luisterend naar den afroep van patroon.—Maar terwijl die bij één wagon-end aansjouwden en afweerden, ganneften ze aan anderen kant de sloffen wèg, in tierend kabaal en worstel.—Ikke hep ses pakke, skraif moar roak! beet Dirk af, de rist manden over z’n schouers gooiend na ’t bindtouw eerst stevig om z’n hand gekneld te hebben, dat ’m niemand wat afnemen kon. Luchtig was ie den wagon uitgesprongen, lollig zich voelend, dat hij weer voor ’n pluk geborgen was met sloffen.Honderden, teleurgesteld en woest, nijdig gromden en raasden tegen de kontroleurs en bazen, waarom ’r niet meer manden waren. Een, wachtte al drie, ’n ander al vier volle dagen.—Ke’k niks an doen, laike puur roofers.… schreeuwde ’n kontroleur, morgeochend om vier uur.… stoan d’r weer twee woages, mo’ jullie moar ’n vroegertje moake!..Zóó, in zwoegzweet vergloeiend onder schroeizon die ’t kokende[58]licht rond ze neerdreunde, doornageld van steken, gemarteld en vergramd, huilde in raas-drift hun klacht naar gereedschap, barstte hun haat en afgunst op elkaar uit, in woest gescheld en getier; steeg de koorts van hun werkjacht, hamerde de pols van hun arbeid heeter, hooger, onmenschelijker. Hun ploeterramp dáár, lag als ’n lijk te ontbinden, tusschen het gouden daggeluk, het jubel-geschater van licht, de wellustzwijm van geur, tusschen het groen en ’t hemelreine, wijdzalig azuur, waarin het leven bruiste, en de kleuren klaterden.—De wilde storm en donkere furie van hun arbeid, brandde en stuipte in ’t rood van hun vruchtenzee.. Verbitterd in stillen wrok, stond er verwoesting van leefrust op andere koppen gerammeid, driften van zorg en geld-haal, die ze razend maakte, razend.Aan weirand tegen spoorhek, èven buiten den worstelkring van schreeuwers om sloffen en ronde manden, stond droef-verschrompeld in eenzamen staar, ’n blinde man op klein orgeltje te draaien, z’n kaal hoofd pal in zonnevlam, brandend op schedelnaakt.Tusschen gebonk en geratel dóór, schoten melankoliek, triest-zachte klanken uit z’n ween-instrument, dat met ’n riem over z’n borst gesnoerd, vóór z’n buik hing, steunend op ’n kort schuinen poot in ’t zand.—Eén mager-gele hand lag te beven op ’t bovenblad van z’n orgeltje, en de andere dor-uitgepeesd, draaide, draaide! Wèg zonk klaagstem van weenend orgeltje in den tierenden werkroes van ’t land volk. Bloedrood vlamde ’t omlijste gaas van orgelkast, vurige poortjes in ’t licht. En stil, krombeenig ingezakt, magerde z’n schreiend-sjofele figuur, in groen-roode jas, als vastgenageld, gekruisigd tegen ’t hek, eenzaam in de drift-woeling van ’t worstelende werk. Vóór ’m, op ’t heete gras lag ’n verluisd vuil mandrillig kereltje te smakkeren op wat verkneusde weggeworpen rottende aardbeien. Stommer, pruttelden de dooie droge lippen van den blinde, angstig gissend waar z’n zwijgend geleidertje ’m neergeduwd, had. En lang, heel lang bleef zon, sar-heet priemen op z’n naakt schedelvleesch, op z’n mageren, smal-hoekigen kop, angstigden[59]z’n staar-oogen, als inluisteringnaar wat ze nietzienkonden; draaide de hand, draaide, draaide uit, droef klankengeween, verdoofd wegvloeiend tusschen de furiënde aardbeienwoeling en felle glorie van zomerbrand, overal rondom.Veel later, in den avond nog, dromden meér karren en wagens áán, lag ’t aardbeipurper en karmijn te koortszingen in ’t avondgoud, kwam ’r nieuwe vloed aanspoelen, aangolven, op de ratelhotsende karren, dampend nu in bovenaardsche zonglanzingen.En van allen kant, de zwoeggezichten keken strakker, vermoeider.—Op ’t stationsplein vóór en achter ’t hek, oproerde ’t nu, drongen en worstelden in beangstigend stillen drom, stóm van werkaandacht, de late plukkers. Wagons stonden in vreemd goudrooden gloed, in schijnsels van kathedraligen lichtdamp, overwazend de ploeterkoppen. Voor hun oogen verdroomde in nevelige pracht, ’t groene, eindelooze polderland, heel vèr, in ’t zinkende licht. De aarde dáár scheen te verdauwen, te drenken de verschroeide vruchten, en in zomermist zoelden de zoete grasgeuren en bloemenrook van de weiden en akkers òver naar den spoordijk.—Sappig, in groen-zilverenden en aureolend rood-zachten zonneglans, vredig en hitteloos, verkleurde ’t weibrok vóór ’t station waar blinde man gestaan had.—Lemperweg, zwaar beboomd, groende in fijne lijngolvingen tegen goudregenende luchtverte.—Dáár vertintte donkerder purpergoud, in ’t al zinkende late licht, àchter de zwoegers, die verteerden in den dronken hartstocht van verkoop, de geweldrazernij van aanvoer en afname, niets meer zagen van ’t leven, rond hen heen. Van alle kanten stroomde nog áán zoete vracht, in wemeling van rood, róód, in al heerlijker schakeering, ’t zoetste purper, tusschen helsch vuur.—Over den karrendrang groeide de wondre avondzon, met z’n uitpralend madonnagoud zeefsel van broos-zinkend licht.—En hooger, tegen de scheemring in, stapelden òp de wagons, en zoeter rookten de vochtige geuren in den verdroòmenden lichtval.—Tòt laat in den avond,—Lemperweg in boomenschemer al[60]te wiegen lag in zalige zomer-nachterust, heel Wiereland verzwelgde in geuren en zoete kweel-geluidjes van wei en weg,—bleef tuinderszwoeg àchter en vóór ’t hek drommen; bleef donkerder vonken ’t vruchtenrood, schonkeren en botsen ’t martelend geduw van atlaszware sjouw-vrachten. Al meer verduisterde de roode vruchtenzee in den zachten ruischgolf van scheemring, verduisterden de kerels méé in de azuren neerkoeling van nachthemel. Woest wrevelig staakte eindelijk de zwoeg, ratelden de karren terug naar krot en straat, akker en pad.—Te donker werd ’t om verder te lossen.Stiller nu op ’t spoorplein daalde rust, vernevelde de polderwei in nachtelijk, droom-donker groen, in heilige stilte, als ruischte elke grashalm heilig nachtgebed uit.Dieper nageur van vruchtenzoet bleef aromen over ’t plein.—Van verre, uit teere, avond-doorschemerde laantjes klonk vedelweeke stemmejubel van ’n meisje, avondklanken verluiend in den zomernacht, als heimwee-zoete herderszang.En wijd, almachtig, in diep blauw, zaaide de nachthemel z’n sterrengoud uit; hemel als eindlooze fonkelkoepel plots in ’t duistere azuur gegroeid, waar geruischloos gaas-ragge engelenvleugels, zilveren glansen heiligend doorheenzwierden.—[61]

[Inhoud]TWEEDE HOOFDSTUK.De aardbeipluk was ophanden. Nog wel niet in één de groote haal, maar toch, als ’t ochtendgloorde, ’t land nog in grauwen dauw dampte en langzaam, brandroode nevel boven de verre, vaal aangroenende akkers uitkleurde, morgengloed door doodstille luchten sintelde,—dan hurkten, vóór zonnebol zelf òpvuurde, de tuinders al tusschen de nauwe paadjes, omkringd van kinders, jongens en meisjes; was er al druk gesjok en gesjouw van één naar anderen hoek, om arbeid te verdeelen tusschen eigen zwerm en vreemde plukkersknechten.De eerste haal zette in, met zware zonnedaverende hitte. Na de kleur-orgie van tulpenbrand en òpbloei van hyacinten, was nu plots bij hoeken hier en daar op Duinkijksche akkers, even vóór den pluk, wondere zee van hoog-gele en paars-blauwe irissen, goud-geel beschubd, komen aangolven over ’t land. Klein was de teelt, op ènkele akkers, maar hoog de pracht van den in licht-dauw omzeefden paars-blauwen irissenbrand.Graanhalm-hoog moireerden in golving van stengels, akkers weer, als in herbloei van hyacinten en tulpen, paarsblauwe en goudrandig geschubde. Achter en tusschen de hevige paars-zee, bloeiden helgouden pronkbekers van licht; welde glans, hooge brand als van graanvelden, duizelend, spartelend, kokend-hoog goud met brokken ertusschen, moireerend naar geelgoud, tegen de diepe golfzee van schitter paarsblauw, in ’t groene akkerland.Als mythische stad in zonnedroom, met één slag door Satan neergetooverd in duivelszwaai van bloedrooden mantel en vampiergebaar van z’n armen, was herrezen dáár, uit eerst[37]groene, stil-mijmerende aarde, een lichtfeest, een tooi, in woesten kleuren-wellust; herrezen een mythische stad, volgestort van sprokelicht, van nevel en vonken dooréén; stad, met wegjes van enkel stralend vuurgoud.—Zoo in wondrengloei, rankten en slankten de irissen, op ’n vloer van bevende glansen.—Uit de stille grasaarde, tusschen het nog dorrende loof, drong een òpstand van vreemd-starende bloemwezens, zonnedronken onder de warme uitgeuring van hun kleur-heete zielen.Als in hemelspraak met ’t azuur, gedrenkt in ’t blauw van uitspansel, bleven ze daar wiegelen de gekleurde zielen, de vreemd starende bloemwezens, samengestald in hun mythische stad van licht, stralend paars en goud, in daverenden zonnezang van akkers.Boven hen wisselden de luchten, groeiden en stapelden òp de wolksteden in zilverende lichtglansen, verduisterend de bloemenpracht, verbrokkelend den zonnedroom. En fijn schuimde er doorheen, ’t zilte zilver van den polderhemel, wazig en gebroken in glanzende neveling. En weer later, in satansgebaar neergetooverd, rankte en wiegelde op andere akkers, rond de irissen, dooreenwemelende bloei van kleur-wisselende anemonen.—Eén dans van kleurebloempjes, op rank-teere stengels, kopjesknikkend en wiegelend in windspel. Eén kankaneeren van donkerdiep dahliarood, rouw-fluweel met paars-purp’ren starren. Eén rondedans van korenblauw met zonnegoud, één sliertige omhelzing van roze bloemekopjes met goud-rood en oranje wezentjes.—Eén regening en zegening van doorééngewaaide kleurtjes, lichtjes, vlammetjes en brandjes, in vurige kleuren-kelkjes verfonkelend.—Zoo gloeiden de anemonenbedden, tusschen de simpele teelt van erwten, wortels, sla en rhabarber, als een hageling van zomerkleuren, verpurperend en vergouend, verpaarsend en verblauwend de akkers, in jubelenden schitter en diep-geurende gloeiende zonnigheid. Zóó, als voorspel op den aardbeihaal, tusschen de vruchtjes in, bachanaalde ’t dronken iris- en anemonefeestje, in toover van licht, in zwijmelenden zonnedroom.De hoog-groene aardbeiakkers, zilverend in lichtglanzen,[38]overal ingesloten tusschen de goud-groene doorzonde hagentrofee van bladeren, doordarteld van glansen en vonkjes, juichten in den opbloei der vruchtjes.Overal gloeiden in warme purpering de spitsige kogeltjes op zandgrond, die paarsig brandde van hette, naast heele bedden onrijpe amazonen, als beschilderde vruchtjes, flauw aan éen kant roodgevlekt tusschen het lage bladerdiep.—Op de akkers hurkten neergezwermd, plukkers en pluksters in ’t woelige kleurgewiegel van hun kleeren, en overal was druk gedrentel en mandjesgesjouw, overal volgepropte bakken die verdragen werden uit zon.—Naast de akkers van Ouë Gerrit, hurkte in halven kring, kinderenzwerm van oom Hassel, in vale, voddige kleeren. Al z’n gespuis, tot ’n meisje van zeven, had ie aan ’t plukken gezet, in zwijmelkoortsige jacht, om te halen, te hàlen, hooger prijs te maken, anderen voor te zijn met goed, wel wetend dat de sterke werkmacht van al die rappe handjes, snel in pluk en grabbel, hèm niets kostte.Werkroes koortste door Duinkijk en Wiereland. Elke minuut van langen ademhaal, rustend, was verlies. Koopers joegen, bemiddelaars joegen, bazen joegen hun kinders, los volk en vaste plukkers joegen elkaar.Oom Hassel schreeuwde naar ’n troepje meisjes, dat inhurkte tusschen de nauwe aardbeipaadjes, in felle gloeizon:—Denk d’r’an, jullie niks aa’s soete fransies!.. en Emmetjes.. mi sonder doppies.. en f’noàfed éers de halfe raipe in sloffies! De kinders stemmedrukten en joelden uitgelaten terug, dat ’t goed was, nog vroolijkend in ’t vroeg-landelijke ochtenduur, blij niet op de schoolbanken te zitten, den heelen pluktijd door.—Vóór ingehurkten kniebuk uit, grabbelden hun handjes tusschen de groen-zilveren lichthuivering van bladeren, zoekend en tastend naar de rijpe vruchtjes, die bloedden in vochtig fonkelrood, puntig doorspikkeld van gouden spatjes. Licht purperden en hoogrood glansden in speelsche gloedjes en vonken de aardbeien in de brons-zanderige kinderknuistjes; handjes vol zoet-geurende vruchtjes, gloeiend in zonneschitter. Telkens,[39]de palmpjes volgeplukt, kogelden ze de vruchtjes voorzichtig in de brons-teenen mandjes, donkere zuiltjes, volgestapeld in speelsch gebaar, met vuur.——He’ je nog mandjes doar? schreeuwde ’n plukker.’n Kleine meid, in rood verflodderd en gescheurd kort rokje, losgehaakt op den rug, dat wit ondergoed en baleintjes er door heenschemerden, smeet mandjes door de paadjes àchter plukkersklompen, in joligen zwiep van ’r kinderarmpjes. Ze speelde er mee, gooide maar òp, te veel, dat de broers om ’r heen vloekten. In krommen hurk schoven de plukkers voort, op de knel-nauwe paadjes, die zandig-heet lila-paars schemerden tusschen het groen, elk klaargeplukt mandje opgestapeld met „kòp”, achter hun hielen neerbouwend.—Tusschen al de paadjes van de verre akkers slangden de donker- en lichtroode vruchtjes in lage mandzuiltjes, zoetelijk geurend en vervochtend in de grove plukkershanden, die doortastten maar, onder ’t loof, telkens òpdiepten met de vuile vingers de vuurvonkende kogeltjes. Zóó, achter de ingehurkte plukkende lijven, vlamden de volgepropte mand-zuiltjes in karmijnen brand, in donkere en licht-gloeiende omzooming van de hèl-groen bladerige bedden; lange roode zuil-gangetjes, vurig van lijngolving in heet zonnegoud, in trillende hittesfeer, omzeefd van dampig licht, nevelig van rooden gloed, overal tusschen het frisch-joelende jubelgroen en ’t zilverspatten van zon-natte bladeren. Geuren van grond en vruchten, zwijmelden en wellustten rond uit den blank-gouden, blauw-diepen hemel; zwijmel van reuken en sappen. Rood bevlekt en besapt graaiden overal de geweldige barsche plukklauwen der werkers, vervuild en doorgroefd van aardwroet, tusschen het jonge heete aardbeienbloed. En nat van sappen, walmden zacht de kleine zonnig verbronsde kinderknuistjes tusschen lichtrood en dieprood, tusschen vuur dat laaide en vonkte, en karmijn dat sintelde, lekte, smeulde.Door héél Duinkijk en Wiereland vonkte, spatte en purperde ’t rood van aardbei, tusschen de groen-flonkerende omhaagde hoeken; spartelden de handjes gezwollen van greep en pluk,[40]ging één zoet-zalige stroom van rooden geurdamp zwoel over de akkers.Guurt en Dirk plukten gelijk op, aan één bed, Kees, de Ouë en Piet, ’n anderen hoek uit. Ouë Gerrit had al heel vroeg gedaan bij de nieuwe familie op ’t plaatsje. Nou zat ie gretig mee te plukken. Z’n rug brak ’m wel, pijnde en stak als werden er naalden ingeboord, maar daar gaf ie niks om. ’t Moest, moèst nou. ’n Daggeldersloon viel er zoo wel uit te winnen. De kerels zouden ’m ook anders te lijf gaan. Z’n knieën tot op de borst ingehurkt, bij de kin wegknellend z’n baard, grabbelde ie met twee handen te gelijk, trillerig in z’n beenen, ’t loof omwoelend, de vruchtjes vlug neerkogelend in z’n mandje, zonder ze te kneuzen toch.Hij gromde stil, dat ’r van z’n vervreten hoek rijp geen eetbaar vruchtje terecht was gekomen. Schade van honderden!.… Dá’ stopte ie zoo nooit.. hoho! hoho!—Woedend was ie ook dat z’n rooie kool zoo slecht stond.—Nou had ie op ’n lekker sonnig hoekie soaid, van s’n swoarsten grond, bestig bemest, en nou stonge se krek aa’s stokkies, deurvrete van oardevlooi.… En nog meer!.… s’n uitjes.. stonge slecht.. tedicht op malkoar soait.… weer skult van Piet.… hep ’t soo wille.… enne.… van de somerandaifie.. kwam ook nie veul.… most nou al ’n beetje gele kop hewwe!.… skuld van die f’rekt slechte woàteràfvoer.…—Hee Ouë, denk ’r ’an, dá’ jai strak-en-an die hoek overnaimp! Ik mó’ nog bosse veur f’nòafed.… hai hep de mande, veur àftetarre an de hoàfe.…Ouë Gerrit had zich naar Dirk gedraaid, die ’m uit erwtenpad toeschreeuwde. Schroeiend begloeide de zon akkerruim, dat hette uitdampte. In één bukkenden hurk, van knie op knie, schoven de werkers voort tusschen het prachtgroen, vervuild van zweet en martelenden pluk, met den steekbrand van zon op nekken en ruggen. Boven de aardbeibedden stond de lucht, blauwe jubel van uitspansel, stil van zoete geuren. In wierook gedrenkt, zwangerde de aarde van reuken, heimweevol en zalig. Met moeite zwierven klankgeruchten van straatjes[41]en lanen òver naar akkers, door de geurnevelen héén.—In één kniel- en bukstand schoven ze voort, werkers en kinders, zonder òpzien. Met wat vluchtige happen was de voorschaft gedaan, en dadelijk weer stonden ze klaar, opgejaagd met ’t broodpaffe nog in hun maag; liepen ze uit schaduwluwte, koelend groen van ’n haag, naar de gloeibedden terug, kniegebukt weer, op heet-zandige paadjes.Ze voelden wel, de werkers, dat ’t nu ging om hun rust, hùn bestaan. Als de eerste haal maar voorbijbroeide, was er van zelf weer ’n dagje kalmer pluk uit de onstuimige aankolking van werkhaast en ploeterjacht.Elken dag kwam zonneschroei heeter neerdaveren over de akkers, die droog-stoffig smachtten naar lafenis, en vroèger in den morgen wroetten de tuinders op de zengende vlakte, onder ’t neerkokende licht, in opjagender grabbel tusschen hun aardbeien; de handen voller van vuur-fonkelende vruchtjes, die al dièper of hoòger kleurden in zonnelaai, donker bloedden of lichter bevlamden de aarde, in stil-ziedend rood, verstapeld in de vurige zuil-mandjes, als vloeide boven de akkers ènkel heet spel van purper en goudgroenen vochtigen weerschijn.—Eindelijk was de groote haal ingevallen. Ouë Gerrit had van z’n berijpte akkers niets gehaald. De vrucht was niet gezet, stond er wormstekig en puisterig flauw-rood. Tòch zou ie ze beet nemen.—Maar z’n andere jonge hoeken, ’t vorige jaar pas ingerankt, stonden mooi vol, maakten dat ie niet al te zwaar gromde. En gelijk-áán werkte ie met de jongens op ’t land, gelijk ging ie met ze heen.—De hitte deed ’m zich plezierig, lèkker voelen en ’t geld dat inkwam gulzigde naar meer.Z’n steelzucht begon wat te koelen in de hitte van den werkroes, en z’n eigen gebroken karkas, voelde ie alleen ’s avonds verschroeid op bed, als z’n vrouw naast ’m lag te puffen en te snorken met ’r lippenblaas. Even, nu en dan, bromde er wel wilde lust tot gannefen in ’m, maar de akkers stonden vol werkvolk, overal had je oogen nòu. Zoo temperde z’n begeerte[42]van zelf in de plukjacht, in de zekere opstapeling van de centen, dàn in die, dàn in ’n anderen kasthoek, dat de jongens niet wisten wààr. Alleen Guurt mocht ’t zien.——Manskappe, f’doag allainig ònraipe!.. in de sloffies.…Gain raipe hoho!.… die naim tie puur nie.… had de Ouë, om half vier uit huis, in den ochtend ’t land opstappend, gezeid tegen de jongens.Vroeg al zengde de zon, dat ’t zand onder hun heete, van strakken zit gekneusde knieën brandde.Guurt, met ’r zwaar lijf tusschen de bedjes geperst, in ’n oud-blauw jak en dof rooien onderrok, smeet de goudlichte slofjes vóór haar de paadjes in, achter de hielen van de knielende plukkers. Haar strooien breed-gerande hoed, hoepelde scheef, met ’n zwart bandje, gesnoerd om ’r blanke kin en los rond de ooren, spinragde fijnste goud van ’r harenkrul uit.—Ouë Gerrit keek nu en dan onrustig rond of ’r wel achtereen gewerkt werd, naar Guurt en Piet en naar twee nieuwe plukkers, die hij nog met moeite gekregen had.Oom Hassel plukte in mandjes met z’n kinderzwerm rondom in kruip en hurk tusschen de bedjes. Eén kerel liep tusschen de paadjes in, gaarde de mandjes bijéén, stapelde ze in groote houten bakken op ’n kar, aan den wegkant. Eerst nog moesten ze naar huis gereden en in den avond, naar de haven gebracht. Bak aan bak dáár op de kar, hijgde rooden adem uit, zoeten wierook. Bakbrokken, hàlf nog in zon, met de bronzen, hooge mandjes-opstapeling, gloeiden fel-rood, vloeiende bloed-glansen, in ’t groen geblaar verdoken. Andere uit zon, in luwte-haag van schaduw, verdampten karmijn, in gesmoord passie-rood. Daartusschen in, schakeerden de bakken in zangerig purper, diep en vroom, waarop weer nieuwe kisten neèrgesmakt werden, met zwaren adem, rood van opstand; vruchtbakken inzuigend ’t licht, rood-donker en diep als het smarte-hart van duister-fluweelen dahlia.—Telkens meer plukkers stapelden kisten òp, onder en naast hagen, met sla en wortelen, maar alles weer overstapeld door aardbeigloei, dat ’t klaterde en smeulde, hel-daverde en zong, ’t rood, ’t goud-doorvonkte[43]vruchtpurper, tusschen het rondom dringende uitwasemende groen, het goudgroen van boom en hagen.—Overal verspreid, langs de akkers, zetten kleur-kleeren van plukkers, sjofel en gehavend, maar in pracht-koloriet er toonhoog in versmeltend, warmte en diepte tusschen groen en hemelblauw; waasde er zeef-fijn, gouddampend licht, een sfeer van bevende uitwisselende glansen òver den pluk-arbeid héén, die de werkers verheiligde in den geweldigen ernst van hun ploeter; wiegden en wuifden ’n licht-brio rond, die vèr, heel ver wègschoof wat dichtbij lag, als week ’t landschap, in de trilling van lichtdampen, geuren en glansen, onder den zonnedaver en hittenevel telkens meer en meer achteruit, àl achteruit.—Drie kleintjes van oom Hassel, tengere meisjes, lagen ingekneld met blond-strooien hoedjes, verbogen als leger-des-Heils-kiepjes, met witte bandjes om blanke kinnetjes gesnoerd, stil te plukken, ’t kokende zongesteek en lichtgegolf op hun kleurige bradende ruggetjes.—Ze hurkten, knielden van knie op knie, en kreunden soms van pijn.—Ik kâ nie meer van main stuut, kermde één, pijn-vertrokken rechtòp spannend ’t lijfje in ’r rood jakje, dat de borstjes zwollen, ’t kleine gezichtje even uitdook onder hoeddiepte. Suffig bleef ze uitkijken, een knuisje in de rugstuit gedrukt.—Nou seg, mô’ je main knieë voele.… die binne heuldegoar deur t’met.—Seur jullie tog nie!.. de son is ’n kwoaje veur ons.. en d’r is nog ’n heule doàg, zei wrevelig de oudste, ’n ruk naar beneden gevend aan den rand van ’r zonnehoed, de twee klagenden met gebaren opporrend te werken.Zachter wrevelde ’r stem na:—Kaik! Willem loert al.… aa’s ie jullie in de goàte kraigt.. bin jullie d’r bai.… bai foader!.…De kleine, die ’t eerst geklaagd had over rugpijn bleef droomerig ’t bedje afstaren, ’r knietjes verhit en pijn-zwaar onder ’t tengere lijfje, speelsch de vuurlijn van purperende mandjes, vòòr haar padje, met ’r knuistje voor de oogen, brekend.—Gedachteloos[44]at ze wataardbeienuit ’r hand òp, plukkend onderwijl door, zonder ’r naar te zien, nog speelscher in kinder-luimigheid òpkaatsend snel achteréen, wat vruchtjes boven ’r hoofd, roodglanzende kogeltjes, vurig de luchtblauwte in, dat ’t vochtrood spiraalde boven ’r schalks gezichtje. Als vlammige kurketrekkertjes puntten de vruchtjes nèer op ’r smoezelige blanke handjes, die dropen van aardbei-bloed. Maar gauw, met ’n angst-woesten duw in ’r rug en ’n snauw van ouder zusje òver ’t bed naar ’r toegebogen, hurkte ze weer in, grabbelden ’r pootjes tusschen het groen van ’t bladerengewoel, telkens vòller van fonkelend roode vruchtjes, ze voorzichtig neerkogelend in de mandjes.De groote plukkers, mannen en meiden, knielden en hurkten, telkens wisselend van knie en houding, in gloeipijn niet meer wetend, hoe te graaien; schoven voort, zwijgend in koortsigen arbeid, in stommen worstel tegen de kookzon, die doorzengde, brandend op hun koppen, nekken en rug, dat hun goed heet verschuurde op ’t naakte zweetlijf. Vèr, òver hun dampende gemartelde koppen, bleef blauwen zalig azuur, tot achter zwoeg van verste plukkers. Gestalten in buk, kruipend over de akkers, vernevelden daar in hitteviolet, floersig en barnend. En tusschen hen in, joelden geuren en kleuren, in de klare zuiverte van het eindloos hooger en hooger vertintlend blauw, doorschijnend en rein als albast.—Tusschen het groen ging paars-korte schaduw op den grond van werklijven, die bewogen of sjouwden, bak ààn bak àf; ging licht wiegel en gouden heete trillingen van losse groenteranken, pal in ’t zonnevuur verterend, smeltend weer in zilveren afkaatsing, vergloeiend op kantblaadjes van hagen. En telkens ànders weer lag ’t land geblakerd en schroeiend gezoend aan de kanten, als spel van windkringen door boomkruinen heenwuifde, verblindende warreling van waterval-goudgespat tusschen bladeren-bogen neerstortte òver de paars-dampende hitteaarde. Telkens uit andere hoeken, vervluchtigde kwinkeleerende jubel van vogels, tierelierende zangers op lucht-fluiten, met cierfijnen fladder, donker scherend ’t hemeldiepe, blauw-roerlooze in. En soms,[45]beefde zachtjes en fijn, als enkel cierkronkelig lijntje van geluid, klaar kinderstemmetje òp in zang, achter hagengroei, ontroerend en dartel tegelijk.—Achter Kees en Piet in pracht-roode rijen kronkelden de slofjes áán als blank gevlochten goud, ’t vruchtenvuur brekend in gloed, tusschen groen. Gaterig en bleek vlekten de onrijpe aardbeien ertusschen. Voorbij de vuur-omzooming van de groen-glanzende bedjes, tusschen ’t gevlam en geknetter van ’t doorzonde karmijn, liepen de kerels drukker met bakken áán en af.—Snôf’rjenne Guurt, jai plukt te raip, schreeuwde Dirk onthutst.… sullie naime f’rdomme soo nie.… motte onderweg puur-en-raipe.… ’t is veur Duijtsland.. hep de Ouë nog soò sait.…—Dà’ te raip?!.. Wel neenet! Hullie binne.…—Debies! seg moar heé? Kaik dan sellefers.… kaik die!.. kaik diè!..Dirk in rood-driftig zweetgezicht òvergebukt naar Guurt, wroette met z’n grove vuile handen in d’r mand, perste driftig wat aardbei fijn tusschen z’n vingers, dat ’t sap ’m langs de polsen droop.—Nou.. daa’s ook alles.. moar kaik.. die!.. die!.. sain puur groene buikies.…—Daa’s net.… f’rjenne, je knaipt hoarlie t’met tû moes! paa’s tog op maid.. blaif d’r òf.… ikke lief dá’ nie.…—Wá’ ’n hupla’s die hep!.. sou je nie!.. sou je nie!.…—Seur tug nie Dirk! lá’ ’r dur gangetje!.… gromde de Ouë van z’n bed af, bang dat Guurt er den boel bij zou neersmijten. Elk jaar nog had ze verdraaid te plukken. En nou, in ’n gril, gewillig deed ze mee, om wat extra centen voor de kermis te beuren. F’rduufeld, nou gonge de kerels ’r koejeneere, bromde ouë Gerrit.—Dirk had naar ’m omgekeken, zonder te antwoorden, z’n rood bevochte vuile handen, loom op z’n knieën afhangend, z’n gezicht verzengd pal in zongepriem. Roode vlekken dropen van z’n blauwe kiel en z’n blond-wit haar[46]plakte op z’n stompe voorhoofd in zweetkrul, onder de pet uit. En telkens even, in lodderigen oogstaar, probeerde ie òp te kijken naar de zon, maar dadelijk knipperde ie z’n oogen dicht, paf van ’t felle gepiek dat er inboorde, voelde hij zich blind gegooid met kokend licht. Z’n vuile broek stonk van smeer en zweet, zurig tusschen het geurzoet. Voort maar schoof ie weer in zwijg, niets begrijpend meer van den Ouë, waar die pas ze toegeschreeuwd had, vooral geen rijpe te plukken. En stiller den werkmiddag rond, schoof ie verder, voelde ie ’t woestijngloeiende zand onder z’n knieën schroeien en branden, verbukte en verwisselde ie telkens van knie, als er één, gekneusd en vergloeid, z’n zware paffe lijf niet meer dragen kon.—God f’rdorie, geeuwde Piet, daa’s ’n kwoaje.… die son f’doag! main nek stoan puur in brand!.…—Dá’ sou’k denke, je weê puur nie meer hoe je kruipe mot …—Debies! main knieë sain deurmidde.… aa’s ’k katteliek waa’s lie’k main stempele! galgenhumorde een plukker half schuin naar ’n makker, die meezong Zondagsavond’s in de kongregatie.—Dirk, in den winter nooit sprekend van den zwaarsten zwoeg, morde, giftte nou, in verhitte worsteling tegen de zon, die ’m roosterde en martelde, waartegen ie ’n woesten haat voelde. Z’n rug stond den heelen dag in brand, z’n nek stramde verlamd in steekpijnen van voortdurenden buk en z’n branderige schonken schuurden jeukerig tegen z’n vuil heet afgesjokkerd baai goed. Guurt schreeuwde dat ie moar s’n laif d’rais most boene, mi’ wa’ woater.…—Da’ doe’k f’noafed t’met bai de put! da’ selle wai hebbe.—F’noafed is d’r gain tait.… hee!.. Joanse, scherpte Piet voort tegen den katholieken plukker,—nou bi jai stempelt, hee?.… moar hè je nou puur gain pain in je donderemintje of peseer je ’t kerrikie.… mi je skietgebedje.… G’loofd sai Jaisis Kristus.… en de hailige sekreminte des oaltoàrs?.…—Laileke duufels-toejoager, bromde die terug, hoor je main kloàge?.…[47]—Nou ikke stoan t’met dertien uur te plukke.… ik bin d’r hard stikke-dood van.… main stuut is deurmidde.. ha’ je nou moar je maid hier Janse.… veur ’n f’rsnoàp’rinkie!Janse zweeg, giftig op Piet, dat ie met z’n geloof begonnen was en z’n dochter. Dat kreng had schande over z’n huis gebracht. Had ’n tweeling van ’n los werkman, die zich dood zoop. En zij werkte nou op de Wierelandsche fabriek van ingelegde groenten, tusschen ’n hoop van dat meidenschorem. Vier maanden geleden had ie ’r de deur uitgetrapt, met ’r dikken buik, en nou begon die kerel er weer van te klesseneere..—Wat ’n gesoànik, schreeuwde ouë Gerrit naar Piet, al kon ie bijna zelf niet meer van pijn, toch voortploeterend in heete werkjacht.… wai doene ’t allegoar.… jai mi’ je stuut en jai mi je knieë.—Nou? watte?.. allegoar ke’ je hoore skraiwe?.. die is f’rduufeld ’n meroakel.… mó’ je main of main jassie? dolde Piet geraakt toch.—Hoho!.… hoho!.… wá’ sou da’ t’met hain? vier en vaife en nie genog aa’s.…—Hain?.. Welneenet.. aas ’k moar wa’ neusiesverf had, sou ’k main vast.. ’n kwassie smaire!—F’rdomd! sel nie beure! sel nie beure! krijschte de Ouë, bleek grauw van schrik en hitte,—òp ’t land komp gain druppel, hoho! hoho!In langzame optrekking van z’n linkerknie, met z’n handen steunend in ’t gloeiende zand, had ie zich uit z’n strammen hurk opgericht. Z’n rug voelde ie vlijmen van pijnen en z’n beenen stonden heet te trillen onder z’n lijf, als zou ie instorten. Piet gromde kwaadaardig:—Skreeuw moar nie.… set ’t nie op je heupe.… maan! moak goàr gain relletjes.… aas ’k ’n urretje likke wil soa’k jou nie vroage!.…—En jai Kees? vroeg Dirk, hep jai ’t lekker?—Kees, Kees, bromde Piet weer, die hep gain rug, gain stuit, gain kop, die hep niks!.… goàr niks!Stil zwoegde Kees door, ’n endje van hùn bed af, zonder[48]omkijken, in strakken loer op de aardbei, met uitgolvenden slag z’n manden vullend, tweemaal sneller dan zij.—En telkens àchter z’n hielen, draaide ie ’n gouden slof neer met trillend vuur.—Op àl de paden, achter de akkerhagen, stonden groote bruine, rauw-groene en roodbemeniede handkarren, zwaar beladen met goud-glanzende sloffen en bronzen mandjes.—Van allen kant tegen den middag, kwamen de plukkers aansjokken met bakken, sloffen; geurde en smolt ’t vruchtenrood en sap inéén met gras en groentearoom, als wierook door de lucht uitvloeiend en verwaaiend. De hemel wiegde zwijmeladem en bruiste zonnedronkenschap door ’t stedeke. De luchtkoepeling stond gespannen in prachtglans van blauw, hoog boven de kruipende plukkers en pluksters. Overal, in de paadjes nu, achter de hagen, slangden de purperen regels in gloeiende zoomen. Kielblauw en kielrood, ademde hoog de zonnehitte in, en strooien hoeden blondden al meer in ’t jubellicht. Tusschen de doppers, kronkelden fel-groen, de duizelig lange slakroppen-regels, blank beschubd, en de jonge erwten glansden naast de bladzilvering van tuinboonen. En woester, gelijk met zomerroes, zonnedronken van licht en kleuren, ging ploetering òp, jagender. Alle handen koortsten rond in den grooten haal. Ze waren besteld de tuinders, door ’n paar groote afnemers uit stedeke, die in Engeland en Duitschland hùn waar met flinke verdiensten van de hand zetten. Duizenden op duizenden kilo’s moesten geleverd worden, naar spoor gedragen door de werkers, dààr gewogen en verzonden.—Iederen dag làter in ’t saizoen, kon de prijs van kilo’s dalen, als van alle kanten te groote oppropping en aanvoer kwam. Daarom, in woeste jacht, met zwarte afgunst onder elkaar, heet op voordeeltjes, plukten ze in koortsige haast, om anderen vóór te zijn, als ’t kon; anderen er uit te smijten en op moment dat aanvoer ’t minst nog leek, nieuwe bestellingen bij te krijgen; al was er in den winter al kontrakt gemaakt voor vaste levering, met iederen gast die wou.—Dirk had van ’t doorloop-pad àf, op den akker ’n groote[49]kar met verlengboomen, om breeër op te laden, volgestapeld met sloffen en manden. Wat bàkken daarboven òp, versjouwde ie mee naar de hàven, de mànden naar ’t spoòr. Jan Hassel de minst-vijandige neef, reed mee den weg op naar ’t station. In zweetdamp, met bemorste kielen, geurvracht hoog opgestapeld en wijd-uit geladen van achter en van vóór, tot op de handkruk, zacht zwiepend op de verlengboomen, verduwden ze hun loodzware karren, met borst en armenspanning, pezig-gestramd, ’t lijf in rukkende stooten, Wierelandschen straatweg over naar ’t station.Zonlicht zoog heet in ’t vruchtenrood. Over de manden lag bladgroen van tuinboonen, fluweel-zilverend er om heengestrooid, tusschen het purper, dat glansde als koralig licht-glimsel.—Achter Dirk en Jan Hassel áán, ratelde een stoet van karren, geduwd door tuinders, gelijkelijk optrekkend in lawaai en gedrang naar ’t spoor.—Bij ’t zijhek werd halt gehouden, zwenkten om beurten ’n paar groenboeren de karren àchter de gele, schroei-zonnige omheining.Van Lemperweg, haven en zijstraatjes, ratelden en woelden meer karren áán, gloeide ’t karmijn en purper, al naar aardbeisoort, in de gouden rietsloffen of blank-gele ronde manden; wierookte al zoeter, dieper vruchten-aroom heet-zomersch over ’t plein; vuurden en vonkten de aardbeien van alle kanten, zonnedronken in blaker, onder trillenden zonneroes.Kerels met vermoeide, grimmige koppen, paarsig vergrauwd van zweetvlekken, uitputting en zwoegdrift, duwden òp, woelden, zwenkten, trokken hun karren, schreeuwden en vloekten tusschen gedrang, geratel en gedonderbonk van karren en manden. Trekhonden, afgemartelde beesten, verwoed van hitte en dorst, blaften gillend en bassend, stonden of lagen tusschen de kleurig-donkere kar-assen ingekneld, met riemrepen over neus, bek en nek gekneld, ademstootend in snellen hijg, woest schuim verkwijlend.—Van vier uur al ratelden en bonkerden wagens en handkarren áán. Bergen manden stonden opgestapeld naast wagens, apart voor aardbeivervoer, vastgehaakt.—[50]Op ’t station, aan achterkant van ’t zijpad, zat ’n man vóór gewichtstoestel, verzweet en gejaagd, in ’t ratellawaai en schreeuwrumoer om ’m heen, tusschen treindrukte, loop van passagiers, kruiers en zwellenden aanvoer van waar, met z’n bonboekje in de handen, afrekenend wat ieder leveren kwam. Telkens achter ’t hek, als ’n tuinder klaar was, zwenkte ’n ander uit al sterker aangedromde, woelerige karmassa, schuin tusschen de latten-omheining, op grof-bonkerig gekei, ratelde de leegte achter ’m dicht; stond ook diè weer met ’n berg nieuwe manden en vruchten voor den kontroleur. Voorzichtig zette iedere tuinder z’n rood-vochtige manden met aardbei op de èven boven den grond zwevende schaal, netjes op elkaar inschuivend en voegend al meer en meer, tot de heele vracht van hun kar afgeladen was.De kontroleur, met z’n zweethoofd, z’n gezicht doorgroefd van zorgtrekken, overspannen arbeid en vreemde zenuwtrilling van lippen als geluidstroom en herrie watervallen over hem uitstortten van haast en jacht,—woog af, trok handvat van weegschaal achteruit, loerde intusschen naar kwaliteit der vruchtjes.—Naam! vroeg ie kort, met moeë stem, ’t zweet van gezicht onder oogen en om neus uitwrijvend met rooien doek, waarop ie bang keek, na elken zweetveeg.—De Kaiser!—Wie?.. Piet of Willem?—Willem!—Achterweg?—Welneenet!.. Slangetje!—Slan-ge-tje herhaalde ie brommerig, zich zelf dikteerend, onder snel geschijf, afscheurend in rakettige karteltjes het geperforeerde reçu.—Hier anpakke!—Weer schuurde z’n zakdoek langs z’n zweetnek en hals, veegde ie met nijdige rukken ’t vette nat onder z’n hemd weg. Dirk en neef Hassel konden met hun karren ’t zijhek nog niet in. Achter hen áán, dromden al meer paardwagens en karren met de hijg-sjokkende en duwende[51]kerels er vóór, in al sterker áánstroom van aardbeien, purperende neergestorte wolken van rood licht, fijn-prikkelend doorgeurend weibrok, paden, stationsplein. Gevloek en geharrewar van rauwe vermoeide stemmen, krijschte òp uit woesten sjouw en gedrang.—Doffe blaffen basten tusschen hoognijdige keffers en kermende hondestemmen òp,—dwars door menschengeschreeuw en ratelgeraas, dat hooren en zien verging. Kisten en manden, leeg en uitgehaald, keilden rond achter ’t hek, waar ’n geholpen groep afzakte, en overal dromde gegrom en driftig geworstel der zwoegers, tusschen hun geurende stille vruchten in, hun roode bergen van geur en vonkpracht.—Op elkaar hitsend, afgunstig en nijdig, wou de één den ander voordringen. Plots kwam er lucht in worstelende ploeterende bende, konden ’n paar wachtenden inzwenken, met hun wagens en verlengde zwiepboomen, ratelden er karren wèg, dwars tegen aandrommende massa in.——Nou debies! Ik ke’ nie langerst wachte, krijschte éen uit den karrenstoet vóór ’t hek, met grauw zweetgezicht, vette kerel, paf van hitte, uitblazend van vermoeienis, gekneld z’n dikke lijf tusschen andere wagens in.—Hulp d’r sain effe eerst, gil-schreeuwde één achter ’t hek, tegen kontroleur, die nu op ’nouëmand zat, met z’n bon-boek op de knieën gedrukt, rondloerend overal heen, of ze’m niks bestalen, alles goed verstapeld werd in de donkere wagons.—’n Blauw potlood stipte ie telkens nat tegen z’n mond áán, dat z’n lippen paarsten als zou ie plots ’n beroerte krijgen. Van ’t toegeschreeuw, de rumoerige hurrie en onrustjacht achter ’t hek, maakte ie zich niks hooren.—Vóór ’m stonden de tuinders, hun waar verladend op ’t breede, lage, met stof-vuil overwaaide weegtoestel.—Acht honderd kilo van?.…—Joapeke!—Jaapeke uit?..—Lemperweg!..Snel kraste z’n potlood, stonden de tuinders voor ’m ingebogen te loeren, naar de koortsige krabbeling van blauw puntje[52]op ’t blanke schitterpapier, waar ’t licht op beefde. Bij ’t ontvangen van reçu, hielp de tuinder z’n waar van de schaal laden. Twee smerige kerels, vergrauwd in zweet van zware werkjacht sprongen òp en àf uit de binnen-in-donkere wagons, half volgestapeld. De mannen rukten Jaapeke z’n manden en sloffen uit de handen, grepen ze van de weegschaal, klauterden met de aardbei wagons in, dat de purpering kwam te dooven tusschen de morsig bestofte houtwanden, waar àl hooger en duisterder de geurvrucht op elkaar gesmoord, in verdook.—’n Twintig meter van den kontroleur af, op ’n weghoogte van grove keibestrating, àchter omheining, propte nòg ’n drom karren, rumoerde landvolk met waar en manden, bij ’n konkurrent-kooper, ’n Duitscher, die onder geeldoekig tentje, waar zonnebol gloeiheete lichtschaters op néérproestte,—aardbeivrachten innam en verzond in andere wagens weer.’n Ontzaglijk dik wijf met reuzinneheupen, en magere dochter, langhalzig en beenderig geitengezicht, zat achter ’n klein kleurig tafeltje onder ’t brandende tentdoek te schrijven, reçutjes en kopietjes, terwijl zwaarbuikige Duitscher afwoog en loerde naar de vruchten, met z’n glimvettig bollig zweetgezicht.—Achterover, op z’n kruin geplakt, blankte ’n wit-stijve automobielpet, glansfel beklept.—Met iederen tuinder rumoerde en streed ie kort en stemsnauwend-krasserig, over gewicht en waar. Moe’, niets begrijpend van z’n Duitsch gebrabbel, stom en dorstig in de hitte van d’r zwoeg, kregelden hun ruwe gezichten, vervlekt van zweetvet, streken ze hopeloos en zorgelijk in angstig spiervertrek van zenuwmonden, handplat langs hun voorhoofden en monden, losten ze verder, zonder ’n woord verweer, wachtend op reçu.Aldoor weer ’t oerige moederwijf brabbelde wat tusschen het gebrauw van den zwaarlijvigen mof. Lacherig en spottend, gromden eindelijk de kerels in vloek wat terug, verlegen onder ’t niet verstaan, òpkijkend telkens naar bemiddelaar, die naast ’t zengende tentdoek stond te schroeien in zonnevuur, allerlei zure grapjes uitlolde tegen langhalzige geelmagere dochter met den geitenkop en enorme, vetdijige moeder. Onder geschrijf[53]en overgereik van bons aan tuinders, schoot zij,—onder fluisterend gekonkel van bemiddelaar in ’r ooren,—om ’n haverklap in proestlachen uit; schommelde ’t moederwijf van gierpret, ’r logge boezem lang nog nàbevend achter klein tafeltje, dat meelachte in lichten sidder tegen d’r schuddenden vetbuik. Toch, ieder keer duwde ze den kerel met ’r vette worsthanden soms midden in ’n grap, ruw buiten de tent, loerden zij en ’r dochter naar de weegschaal, of d’r niemand bedroog; gingen d’r sluwe klein-grijze oogjes in ’t pappig opgeblazen maangezicht lichtend rond, in kring der sjouwende werkers, die doorlaadden en losten, in stommen zwoeg, donker, morsig en vergrauwd, tusschen ’t schittervuur van hun vruchtjes. En stapel op stapel, purper leven slurpte op, al meer, satanisch-gesperde muilen van donkere wagons.—Kleurigste hurrie daverde rond den kontroleur, verder op.—Eindelijk was ’t Dirk’s beurt om te lossen, zwenkte ie vóór, met z’n zware kar, wrong en schuurde ie door engen hekingang, in giftduwen tegen de kruk, dat z’n kop te barsten stond, zwellend van spierspanning. Zweet droop van z’n wangen in de sloffen, toen hij mand voor mand van z’n kar op ’t weegtoestel schoof, berekenend, nauw passend en insluitend de manden, onder ’t opstapelen.—Van?.… vroeg kontroleur, al klaarstaand met potlood op de lippen, tongpunt er tegen aangedrukt.—Hassel!..—Welleke Hassel?.…—Gerrit!—De Blommepot, gromde ie voor zich uit, veerend op z’n mand, blauwe krullettertjes op z’n papier krassend.Dirk in zweet en zon, stapelde dóór van z’n kar, rustig op ’t toestel.—Hee, hield plots kontroleur z’n arm in, met ruwen schreeuwstoot, van z’n veerende mand opspringend,.. wa’ is dá’? die mand dààr.… en die?.… daa’s drek!.… ke’k niet gebruike!.…[54]Dirk hield op, keek verstomd met z’n koeienblik den kerel aan, die weer was gaan zitten.—Wa nou?.. wa’ bruike?..Hij wist eigenlijk wel dat ie twaalf sloffies met vuil goed had meegekregen. Ouë Gerrit wou, woù nou eenmaal van de berijpte vervreten hoek wat pluksel verstoppen ònder de beteren, om zoo nog wat te beuren van z’n teelt, denkend dat in de drukte geen sterveling ’r op letten zou. Drie tuinders hadden ’t er op die manier al door gekregen, waarom kon ’t hèm ook niet lukken?—Droal nou nie soo Hassel, donderden achter ’t hek wat kwaadaardige stemmen, van ongeduld barstende tuinders, wai hebbe ook ’n kilotje!—Stik doar, schreeuwde ie terug. Woest nijdig begonnen plots z’n koeienoogen te werken, en kwaadaardig te schamperen van wreed licht.—Daa’s d’Ouë s’n skuld, bromde ie zacht voor zich uit, die hep main d’r làte inloope.… da kreng.… en nou opelik betroàpt.… ’t foàrke sou je kefuus moàke.…—Nou! nijdigde kontroleur uit de hoogte.. Stapel die rommel nou maar weer weg, want neme doen ik ’t nie.…—Moar maa’n! je laikt puur daa’s, se benne bestig, loog Dirk, om zich te redden.… allaineg ’n baitje stainderig meskien!.…Kwaadaardiger vertrok kontroleur z’n zweetmond. Hij was weer opgesprongen van z’n mand, die knarste en kraakte onder z’n lijf.—Als jij hullie nie van de schaal neemt, donder ik se fierkant tege de wage an, jou drek!..—Stik! dá’ bi’k tog sellefers bai, hee? Daa’s f’rdomme twee doàg kromplukke weust.… twee doage!.… dâ je je donder deurmidde barstte.… en nou veur niks werkt!—Al had je ’r ’n beroerte an gekarweit, ik neem se soo nie.. en fort nou, gauw ook! d’r blijve nou alleenig die veertig mande daa’s.… kijk!.… zes.… honderd.… kilo kijk! kijk!De gewichten langzaam natellend, ingebukt en waggelend[55]op z’n veerende mand, krabbelde ie de vracht op z’n boek àf. In dralende weerspannigheid had Dirk weer z’n twaalf manden van de straat op de kar geladen. Achter zich zag ie neef Hassel staan, klaar met z’n waar, in schamperen lollach op sarsnuit dat Dirk z’n rot boeltje terug gekregen had. Prachtig glansden neef Hassel’s manden, rond en hoog, op de handkar. Z’n bruin eikenhoutige wagen, met lichtblauw beschilderde wielen, als azuren raderen, waarin verflitsten de spaakjes in zongespat, kleurfel òpkringend tegen de daverend-oranje bemeniede assen, gloeide in zomerbrand, met z’n hel-roode aardbeistapels, rondbroeiend geurende warmte van glansen. Op elken mandrand, goudvlechtsel in zonnegloed, had ie groene bladerenkranzen geslingerd, tusschen het zingende warmhooge rood, en half beschaduwd vruchtenvuur, dat ’t frisch jubelde bòven de karkleuren.—Daa’s siek veur niks, lachte kontroleur, se gaan toch de kist in, wees ie spottend op de wagens.Dirk stond nog achter z’n neef, woedend neer te kijken op kontroleur. Die vervloekte Ouë … Most.. ie sain da lappe?.. hai sou sàin t’met de mande veur s’n skainhailige tronie sloan.… Sóó hep hai nog sait daa’t goàr nie gong.… nie gong.… f’rdomme!Maar kontroleur, begraven onder nieuwen werkdrom, zag niet meer naar ’m om, loerde alleen rond naar vervoer, gewicht, wacht op reçu’s.—Onrustig keek ie telkens achter zich, of alles wel vlotte en niets gegapt werd; of de kontrabons klopten, de wagens zuinig genoeg bestapeld werden.—Te zweeten, te zuchten zat ie van ’t aandrommende werk, rondom z’n overal kijkend lijf, in ’t geraas van treinen en dreungesmak, getier van ’t landvolk, dat van ongeduld sterker schold en trampelde voor hun karren. Nu en dan, heerig en afgemeten kwam patroon van kontroleur even kijken of de boel liep, stond ie dwars in den weg dat de tuinders ’m omver boften met hun karren en manden. Gauw had de heere-baas ’m gezegd, dat kontroleur zich niet moest laten beetnemen door ’t goochelend sluwe volkje;[56]dat alle vergissingen en terugzendingen voor zijn rekening kwamen. Dat wist ie wel, en gejaagder loerde, zweette, vertilde ie de zware gewichten.—Dirk had zich àchteruit door den drom wachtenden met z’n kar heengewerkt. Achter ’m laaide ’n roode gloed van purper en karmijn, waartusschen ’t landvolk woelde, met ’r sjofele stinkende plunje, bronspilow broeken, zwart-fluweelen truien, vuil-blauwe en lakrooie kielen, grijs-bruine en goorgele hemden.—Nou moest ie nog even, achter de Duitschers, om nieuwe sloffies.—Van ver zag ie al ’n troep tuinders worstelen en dringen bij ’n wagen op tweede rails, met leeg aangevoerde manden. Z’n kar zette ie vàst tegen ’n boom vóór weibrok, en wrevelig achter ’t spoorhek drong Dirk dwars door den stoet.—Ze vochten in nijdig gedrang, rond den wagon.—De een duwde den ander achteruit. Met trappen en stooten, infuriëndewerkkoorts, doken telkens ’n paar weer in den nauwen wagon, op geschreeuw van den grooten aardbeikooper en mandeigenaar, die aflas hamen van tuinders.—Hulers vier pakke, dreunde z’n stem, z’n oogen strak in loer op ’t lijstje.—Persint, schreeuwde ’n kerel terug, dook weg in den nauwdonkeren wagon, holde den anderen kant weer uit met ’n trits sloffen aan ’n touw, door de hengsels heengeregen.—Daa’s meroakel gemain!, krijschte éen woedend, altait Hulers veur ’n aêr,.. daa’s puur de fint van de bestige woar!…Een brutale, met roet-zwarten baard om geelbleek gezicht en smalle schuwe oogen, wenkbrauwen neger-donker, rukte ’n tuinder z’n mandjes uit de handen, vloekend dat ie al drie keer voor niks hier was, op die manier niet plukken kon, z’n boel verrotte op den grond. De baas, er bijstaand, mengde er zich in, maar ze snauwden, verdrongen den heerigen vent. Hij voelde dat ie in zoo’n geweldige, stuipige werkjacht, z’n meerderheid verliezen ging.—F’rek jai skorum, vloekte en tierde de onthutste tuinder, verhit van zongepriem, dat z’n oogen in brand stak, afgejakkerd hijgend van uitputting en sjouw.[57]—Ke’ main puur niks bomme.… ’k hep in twee doage al nie plukke kenne.… soo lait main oogst veur de waireld.—Moar daa’s main.… skar! duufelstoejoager.… kabbeloebeloap!.… Doòr schold ie, wou op den zwart-baardigen kerel instormen, maar tusschen hen in drongen andere zwoegers, worstelend om sloffen en manden, den wagon òp en instormend, grijpend en rukkend wat ze maar krijgen konden.—Jorisse!.. riep statig baas af, acht pakke.… om schijnorde in de bende te brengen.Maar niemand die naar ’m hooren wou.—Wat ’n janboel, bromde Dirk, die met z’n stiersterke boffende schoften door ’t gedrang en gewurm der half vechtende en razende kerels heen gestooten was, magere zwakkelingen op zij duwend. In de woeling en hitte van ’t gegrijp, gedrang, en geroep werden als verschoppelingen de zwakkeren vóór- en achteruit gemept. Bòven de koppen en kromruggen van ’n troep tuinders, die aandrongen op één plek, graaiend naar sloffies met armen vooruit, in woeste hebzucht,—deed Dirk z’n greep, met z’n granieten krachtarm naar één kant waar ie ’n lossen stapel in de gaten had gekregen.—Daa’s jou beurt niet.… terug! schreeuwde ’n wagonknecht, luisterend naar den afroep van patroon.—Maar terwijl die bij één wagon-end aansjouwden en afweerden, ganneften ze aan anderen kant de sloffen wèg, in tierend kabaal en worstel.—Ikke hep ses pakke, skraif moar roak! beet Dirk af, de rist manden over z’n schouers gooiend na ’t bindtouw eerst stevig om z’n hand gekneld te hebben, dat ’m niemand wat afnemen kon. Luchtig was ie den wagon uitgesprongen, lollig zich voelend, dat hij weer voor ’n pluk geborgen was met sloffen.Honderden, teleurgesteld en woest, nijdig gromden en raasden tegen de kontroleurs en bazen, waarom ’r niet meer manden waren. Een, wachtte al drie, ’n ander al vier volle dagen.—Ke’k niks an doen, laike puur roofers.… schreeuwde ’n kontroleur, morgeochend om vier uur.… stoan d’r weer twee woages, mo’ jullie moar ’n vroegertje moake!..Zóó, in zwoegzweet vergloeiend onder schroeizon die ’t kokende[58]licht rond ze neerdreunde, doornageld van steken, gemarteld en vergramd, huilde in raas-drift hun klacht naar gereedschap, barstte hun haat en afgunst op elkaar uit, in woest gescheld en getier; steeg de koorts van hun werkjacht, hamerde de pols van hun arbeid heeter, hooger, onmenschelijker. Hun ploeterramp dáár, lag als ’n lijk te ontbinden, tusschen het gouden daggeluk, het jubel-geschater van licht, de wellustzwijm van geur, tusschen het groen en ’t hemelreine, wijdzalig azuur, waarin het leven bruiste, en de kleuren klaterden.—De wilde storm en donkere furie van hun arbeid, brandde en stuipte in ’t rood van hun vruchtenzee.. Verbitterd in stillen wrok, stond er verwoesting van leefrust op andere koppen gerammeid, driften van zorg en geld-haal, die ze razend maakte, razend.Aan weirand tegen spoorhek, èven buiten den worstelkring van schreeuwers om sloffen en ronde manden, stond droef-verschrompeld in eenzamen staar, ’n blinde man op klein orgeltje te draaien, z’n kaal hoofd pal in zonnevlam, brandend op schedelnaakt.Tusschen gebonk en geratel dóór, schoten melankoliek, triest-zachte klanken uit z’n ween-instrument, dat met ’n riem over z’n borst gesnoerd, vóór z’n buik hing, steunend op ’n kort schuinen poot in ’t zand.—Eén mager-gele hand lag te beven op ’t bovenblad van z’n orgeltje, en de andere dor-uitgepeesd, draaide, draaide! Wèg zonk klaagstem van weenend orgeltje in den tierenden werkroes van ’t land volk. Bloedrood vlamde ’t omlijste gaas van orgelkast, vurige poortjes in ’t licht. En stil, krombeenig ingezakt, magerde z’n schreiend-sjofele figuur, in groen-roode jas, als vastgenageld, gekruisigd tegen ’t hek, eenzaam in de drift-woeling van ’t worstelende werk. Vóór ’m, op ’t heete gras lag ’n verluisd vuil mandrillig kereltje te smakkeren op wat verkneusde weggeworpen rottende aardbeien. Stommer, pruttelden de dooie droge lippen van den blinde, angstig gissend waar z’n zwijgend geleidertje ’m neergeduwd, had. En lang, heel lang bleef zon, sar-heet priemen op z’n naakt schedelvleesch, op z’n mageren, smal-hoekigen kop, angstigden[59]z’n staar-oogen, als inluisteringnaar wat ze nietzienkonden; draaide de hand, draaide, draaide uit, droef klankengeween, verdoofd wegvloeiend tusschen de furiënde aardbeienwoeling en felle glorie van zomerbrand, overal rondom.Veel later, in den avond nog, dromden meér karren en wagens áán, lag ’t aardbeipurper en karmijn te koortszingen in ’t avondgoud, kwam ’r nieuwe vloed aanspoelen, aangolven, op de ratelhotsende karren, dampend nu in bovenaardsche zonglanzingen.En van allen kant, de zwoeggezichten keken strakker, vermoeider.—Op ’t stationsplein vóór en achter ’t hek, oproerde ’t nu, drongen en worstelden in beangstigend stillen drom, stóm van werkaandacht, de late plukkers. Wagons stonden in vreemd goudrooden gloed, in schijnsels van kathedraligen lichtdamp, overwazend de ploeterkoppen. Voor hun oogen verdroomde in nevelige pracht, ’t groene, eindelooze polderland, heel vèr, in ’t zinkende licht. De aarde dáár scheen te verdauwen, te drenken de verschroeide vruchten, en in zomermist zoelden de zoete grasgeuren en bloemenrook van de weiden en akkers òver naar den spoordijk.—Sappig, in groen-zilverenden en aureolend rood-zachten zonneglans, vredig en hitteloos, verkleurde ’t weibrok vóór ’t station waar blinde man gestaan had.—Lemperweg, zwaar beboomd, groende in fijne lijngolvingen tegen goudregenende luchtverte.—Dáár vertintte donkerder purpergoud, in ’t al zinkende late licht, àchter de zwoegers, die verteerden in den dronken hartstocht van verkoop, de geweldrazernij van aanvoer en afname, niets meer zagen van ’t leven, rond hen heen. Van alle kanten stroomde nog áán zoete vracht, in wemeling van rood, róód, in al heerlijker schakeering, ’t zoetste purper, tusschen helsch vuur.—Over den karrendrang groeide de wondre avondzon, met z’n uitpralend madonnagoud zeefsel van broos-zinkend licht.—En hooger, tegen de scheemring in, stapelden òp de wagons, en zoeter rookten de vochtige geuren in den verdroòmenden lichtval.—Tòt laat in den avond,—Lemperweg in boomenschemer al[60]te wiegen lag in zalige zomer-nachterust, heel Wiereland verzwelgde in geuren en zoete kweel-geluidjes van wei en weg,—bleef tuinderszwoeg àchter en vóór ’t hek drommen; bleef donkerder vonken ’t vruchtenrood, schonkeren en botsen ’t martelend geduw van atlaszware sjouw-vrachten. Al meer verduisterde de roode vruchtenzee in den zachten ruischgolf van scheemring, verduisterden de kerels méé in de azuren neerkoeling van nachthemel. Woest wrevelig staakte eindelijk de zwoeg, ratelden de karren terug naar krot en straat, akker en pad.—Te donker werd ’t om verder te lossen.Stiller nu op ’t spoorplein daalde rust, vernevelde de polderwei in nachtelijk, droom-donker groen, in heilige stilte, als ruischte elke grashalm heilig nachtgebed uit.Dieper nageur van vruchtenzoet bleef aromen over ’t plein.—Van verre, uit teere, avond-doorschemerde laantjes klonk vedelweeke stemmejubel van ’n meisje, avondklanken verluiend in den zomernacht, als heimwee-zoete herderszang.En wijd, almachtig, in diep blauw, zaaide de nachthemel z’n sterrengoud uit; hemel als eindlooze fonkelkoepel plots in ’t duistere azuur gegroeid, waar geruischloos gaas-ragge engelenvleugels, zilveren glansen heiligend doorheenzwierden.—[61]

[Inhoud]TWEEDE HOOFDSTUK.De aardbeipluk was ophanden. Nog wel niet in één de groote haal, maar toch, als ’t ochtendgloorde, ’t land nog in grauwen dauw dampte en langzaam, brandroode nevel boven de verre, vaal aangroenende akkers uitkleurde, morgengloed door doodstille luchten sintelde,—dan hurkten, vóór zonnebol zelf òpvuurde, de tuinders al tusschen de nauwe paadjes, omkringd van kinders, jongens en meisjes; was er al druk gesjok en gesjouw van één naar anderen hoek, om arbeid te verdeelen tusschen eigen zwerm en vreemde plukkersknechten.De eerste haal zette in, met zware zonnedaverende hitte. Na de kleur-orgie van tulpenbrand en òpbloei van hyacinten, was nu plots bij hoeken hier en daar op Duinkijksche akkers, even vóór den pluk, wondere zee van hoog-gele en paars-blauwe irissen, goud-geel beschubd, komen aangolven over ’t land. Klein was de teelt, op ènkele akkers, maar hoog de pracht van den in licht-dauw omzeefden paars-blauwen irissenbrand.Graanhalm-hoog moireerden in golving van stengels, akkers weer, als in herbloei van hyacinten en tulpen, paarsblauwe en goudrandig geschubde. Achter en tusschen de hevige paars-zee, bloeiden helgouden pronkbekers van licht; welde glans, hooge brand als van graanvelden, duizelend, spartelend, kokend-hoog goud met brokken ertusschen, moireerend naar geelgoud, tegen de diepe golfzee van schitter paarsblauw, in ’t groene akkerland.Als mythische stad in zonnedroom, met één slag door Satan neergetooverd in duivelszwaai van bloedrooden mantel en vampiergebaar van z’n armen, was herrezen dáár, uit eerst[37]groene, stil-mijmerende aarde, een lichtfeest, een tooi, in woesten kleuren-wellust; herrezen een mythische stad, volgestort van sprokelicht, van nevel en vonken dooréén; stad, met wegjes van enkel stralend vuurgoud.—Zoo in wondrengloei, rankten en slankten de irissen, op ’n vloer van bevende glansen.—Uit de stille grasaarde, tusschen het nog dorrende loof, drong een òpstand van vreemd-starende bloemwezens, zonnedronken onder de warme uitgeuring van hun kleur-heete zielen.Als in hemelspraak met ’t azuur, gedrenkt in ’t blauw van uitspansel, bleven ze daar wiegelen de gekleurde zielen, de vreemd starende bloemwezens, samengestald in hun mythische stad van licht, stralend paars en goud, in daverenden zonnezang van akkers.Boven hen wisselden de luchten, groeiden en stapelden òp de wolksteden in zilverende lichtglansen, verduisterend de bloemenpracht, verbrokkelend den zonnedroom. En fijn schuimde er doorheen, ’t zilte zilver van den polderhemel, wazig en gebroken in glanzende neveling. En weer later, in satansgebaar neergetooverd, rankte en wiegelde op andere akkers, rond de irissen, dooreenwemelende bloei van kleur-wisselende anemonen.—Eén dans van kleurebloempjes, op rank-teere stengels, kopjesknikkend en wiegelend in windspel. Eén kankaneeren van donkerdiep dahliarood, rouw-fluweel met paars-purp’ren starren. Eén rondedans van korenblauw met zonnegoud, één sliertige omhelzing van roze bloemekopjes met goud-rood en oranje wezentjes.—Eén regening en zegening van doorééngewaaide kleurtjes, lichtjes, vlammetjes en brandjes, in vurige kleuren-kelkjes verfonkelend.—Zoo gloeiden de anemonenbedden, tusschen de simpele teelt van erwten, wortels, sla en rhabarber, als een hageling van zomerkleuren, verpurperend en vergouend, verpaarsend en verblauwend de akkers, in jubelenden schitter en diep-geurende gloeiende zonnigheid. Zóó, als voorspel op den aardbeihaal, tusschen de vruchtjes in, bachanaalde ’t dronken iris- en anemonefeestje, in toover van licht, in zwijmelenden zonnedroom.De hoog-groene aardbeiakkers, zilverend in lichtglanzen,[38]overal ingesloten tusschen de goud-groene doorzonde hagentrofee van bladeren, doordarteld van glansen en vonkjes, juichten in den opbloei der vruchtjes.Overal gloeiden in warme purpering de spitsige kogeltjes op zandgrond, die paarsig brandde van hette, naast heele bedden onrijpe amazonen, als beschilderde vruchtjes, flauw aan éen kant roodgevlekt tusschen het lage bladerdiep.—Op de akkers hurkten neergezwermd, plukkers en pluksters in ’t woelige kleurgewiegel van hun kleeren, en overal was druk gedrentel en mandjesgesjouw, overal volgepropte bakken die verdragen werden uit zon.—Naast de akkers van Ouë Gerrit, hurkte in halven kring, kinderenzwerm van oom Hassel, in vale, voddige kleeren. Al z’n gespuis, tot ’n meisje van zeven, had ie aan ’t plukken gezet, in zwijmelkoortsige jacht, om te halen, te hàlen, hooger prijs te maken, anderen voor te zijn met goed, wel wetend dat de sterke werkmacht van al die rappe handjes, snel in pluk en grabbel, hèm niets kostte.Werkroes koortste door Duinkijk en Wiereland. Elke minuut van langen ademhaal, rustend, was verlies. Koopers joegen, bemiddelaars joegen, bazen joegen hun kinders, los volk en vaste plukkers joegen elkaar.Oom Hassel schreeuwde naar ’n troepje meisjes, dat inhurkte tusschen de nauwe aardbeipaadjes, in felle gloeizon:—Denk d’r’an, jullie niks aa’s soete fransies!.. en Emmetjes.. mi sonder doppies.. en f’noàfed éers de halfe raipe in sloffies! De kinders stemmedrukten en joelden uitgelaten terug, dat ’t goed was, nog vroolijkend in ’t vroeg-landelijke ochtenduur, blij niet op de schoolbanken te zitten, den heelen pluktijd door.—Vóór ingehurkten kniebuk uit, grabbelden hun handjes tusschen de groen-zilveren lichthuivering van bladeren, zoekend en tastend naar de rijpe vruchtjes, die bloedden in vochtig fonkelrood, puntig doorspikkeld van gouden spatjes. Licht purperden en hoogrood glansden in speelsche gloedjes en vonken de aardbeien in de brons-zanderige kinderknuistjes; handjes vol zoet-geurende vruchtjes, gloeiend in zonneschitter. Telkens,[39]de palmpjes volgeplukt, kogelden ze de vruchtjes voorzichtig in de brons-teenen mandjes, donkere zuiltjes, volgestapeld in speelsch gebaar, met vuur.——He’ je nog mandjes doar? schreeuwde ’n plukker.’n Kleine meid, in rood verflodderd en gescheurd kort rokje, losgehaakt op den rug, dat wit ondergoed en baleintjes er door heenschemerden, smeet mandjes door de paadjes àchter plukkersklompen, in joligen zwiep van ’r kinderarmpjes. Ze speelde er mee, gooide maar òp, te veel, dat de broers om ’r heen vloekten. In krommen hurk schoven de plukkers voort, op de knel-nauwe paadjes, die zandig-heet lila-paars schemerden tusschen het groen, elk klaargeplukt mandje opgestapeld met „kòp”, achter hun hielen neerbouwend.—Tusschen al de paadjes van de verre akkers slangden de donker- en lichtroode vruchtjes in lage mandzuiltjes, zoetelijk geurend en vervochtend in de grove plukkershanden, die doortastten maar, onder ’t loof, telkens òpdiepten met de vuile vingers de vuurvonkende kogeltjes. Zóó, achter de ingehurkte plukkende lijven, vlamden de volgepropte mand-zuiltjes in karmijnen brand, in donkere en licht-gloeiende omzooming van de hèl-groen bladerige bedden; lange roode zuil-gangetjes, vurig van lijngolving in heet zonnegoud, in trillende hittesfeer, omzeefd van dampig licht, nevelig van rooden gloed, overal tusschen het frisch-joelende jubelgroen en ’t zilverspatten van zon-natte bladeren. Geuren van grond en vruchten, zwijmelden en wellustten rond uit den blank-gouden, blauw-diepen hemel; zwijmel van reuken en sappen. Rood bevlekt en besapt graaiden overal de geweldige barsche plukklauwen der werkers, vervuild en doorgroefd van aardwroet, tusschen het jonge heete aardbeienbloed. En nat van sappen, walmden zacht de kleine zonnig verbronsde kinderknuistjes tusschen lichtrood en dieprood, tusschen vuur dat laaide en vonkte, en karmijn dat sintelde, lekte, smeulde.Door héél Duinkijk en Wiereland vonkte, spatte en purperde ’t rood van aardbei, tusschen de groen-flonkerende omhaagde hoeken; spartelden de handjes gezwollen van greep en pluk,[40]ging één zoet-zalige stroom van rooden geurdamp zwoel over de akkers.Guurt en Dirk plukten gelijk op, aan één bed, Kees, de Ouë en Piet, ’n anderen hoek uit. Ouë Gerrit had al heel vroeg gedaan bij de nieuwe familie op ’t plaatsje. Nou zat ie gretig mee te plukken. Z’n rug brak ’m wel, pijnde en stak als werden er naalden ingeboord, maar daar gaf ie niks om. ’t Moest, moèst nou. ’n Daggeldersloon viel er zoo wel uit te winnen. De kerels zouden ’m ook anders te lijf gaan. Z’n knieën tot op de borst ingehurkt, bij de kin wegknellend z’n baard, grabbelde ie met twee handen te gelijk, trillerig in z’n beenen, ’t loof omwoelend, de vruchtjes vlug neerkogelend in z’n mandje, zonder ze te kneuzen toch.Hij gromde stil, dat ’r van z’n vervreten hoek rijp geen eetbaar vruchtje terecht was gekomen. Schade van honderden!.… Dá’ stopte ie zoo nooit.. hoho! hoho!—Woedend was ie ook dat z’n rooie kool zoo slecht stond.—Nou had ie op ’n lekker sonnig hoekie soaid, van s’n swoarsten grond, bestig bemest, en nou stonge se krek aa’s stokkies, deurvrete van oardevlooi.… En nog meer!.… s’n uitjes.. stonge slecht.. tedicht op malkoar soait.… weer skult van Piet.… hep ’t soo wille.… enne.… van de somerandaifie.. kwam ook nie veul.… most nou al ’n beetje gele kop hewwe!.… skuld van die f’rekt slechte woàteràfvoer.…—Hee Ouë, denk ’r ’an, dá’ jai strak-en-an die hoek overnaimp! Ik mó’ nog bosse veur f’nòafed.… hai hep de mande, veur àftetarre an de hoàfe.…Ouë Gerrit had zich naar Dirk gedraaid, die ’m uit erwtenpad toeschreeuwde. Schroeiend begloeide de zon akkerruim, dat hette uitdampte. In één bukkenden hurk, van knie op knie, schoven de werkers voort tusschen het prachtgroen, vervuild van zweet en martelenden pluk, met den steekbrand van zon op nekken en ruggen. Boven de aardbeibedden stond de lucht, blauwe jubel van uitspansel, stil van zoete geuren. In wierook gedrenkt, zwangerde de aarde van reuken, heimweevol en zalig. Met moeite zwierven klankgeruchten van straatjes[41]en lanen òver naar akkers, door de geurnevelen héén.—In één kniel- en bukstand schoven ze voort, werkers en kinders, zonder òpzien. Met wat vluchtige happen was de voorschaft gedaan, en dadelijk weer stonden ze klaar, opgejaagd met ’t broodpaffe nog in hun maag; liepen ze uit schaduwluwte, koelend groen van ’n haag, naar de gloeibedden terug, kniegebukt weer, op heet-zandige paadjes.Ze voelden wel, de werkers, dat ’t nu ging om hun rust, hùn bestaan. Als de eerste haal maar voorbijbroeide, was er van zelf weer ’n dagje kalmer pluk uit de onstuimige aankolking van werkhaast en ploeterjacht.Elken dag kwam zonneschroei heeter neerdaveren over de akkers, die droog-stoffig smachtten naar lafenis, en vroèger in den morgen wroetten de tuinders op de zengende vlakte, onder ’t neerkokende licht, in opjagender grabbel tusschen hun aardbeien; de handen voller van vuur-fonkelende vruchtjes, die al dièper of hoòger kleurden in zonnelaai, donker bloedden of lichter bevlamden de aarde, in stil-ziedend rood, verstapeld in de vurige zuil-mandjes, als vloeide boven de akkers ènkel heet spel van purper en goudgroenen vochtigen weerschijn.—Eindelijk was de groote haal ingevallen. Ouë Gerrit had van z’n berijpte akkers niets gehaald. De vrucht was niet gezet, stond er wormstekig en puisterig flauw-rood. Tòch zou ie ze beet nemen.—Maar z’n andere jonge hoeken, ’t vorige jaar pas ingerankt, stonden mooi vol, maakten dat ie niet al te zwaar gromde. En gelijk-áán werkte ie met de jongens op ’t land, gelijk ging ie met ze heen.—De hitte deed ’m zich plezierig, lèkker voelen en ’t geld dat inkwam gulzigde naar meer.Z’n steelzucht begon wat te koelen in de hitte van den werkroes, en z’n eigen gebroken karkas, voelde ie alleen ’s avonds verschroeid op bed, als z’n vrouw naast ’m lag te puffen en te snorken met ’r lippenblaas. Even, nu en dan, bromde er wel wilde lust tot gannefen in ’m, maar de akkers stonden vol werkvolk, overal had je oogen nòu. Zoo temperde z’n begeerte[42]van zelf in de plukjacht, in de zekere opstapeling van de centen, dàn in die, dàn in ’n anderen kasthoek, dat de jongens niet wisten wààr. Alleen Guurt mocht ’t zien.——Manskappe, f’doag allainig ònraipe!.. in de sloffies.…Gain raipe hoho!.… die naim tie puur nie.… had de Ouë, om half vier uit huis, in den ochtend ’t land opstappend, gezeid tegen de jongens.Vroeg al zengde de zon, dat ’t zand onder hun heete, van strakken zit gekneusde knieën brandde.Guurt, met ’r zwaar lijf tusschen de bedjes geperst, in ’n oud-blauw jak en dof rooien onderrok, smeet de goudlichte slofjes vóór haar de paadjes in, achter de hielen van de knielende plukkers. Haar strooien breed-gerande hoed, hoepelde scheef, met ’n zwart bandje, gesnoerd om ’r blanke kin en los rond de ooren, spinragde fijnste goud van ’r harenkrul uit.—Ouë Gerrit keek nu en dan onrustig rond of ’r wel achtereen gewerkt werd, naar Guurt en Piet en naar twee nieuwe plukkers, die hij nog met moeite gekregen had.Oom Hassel plukte in mandjes met z’n kinderzwerm rondom in kruip en hurk tusschen de bedjes. Eén kerel liep tusschen de paadjes in, gaarde de mandjes bijéén, stapelde ze in groote houten bakken op ’n kar, aan den wegkant. Eerst nog moesten ze naar huis gereden en in den avond, naar de haven gebracht. Bak aan bak dáár op de kar, hijgde rooden adem uit, zoeten wierook. Bakbrokken, hàlf nog in zon, met de bronzen, hooge mandjes-opstapeling, gloeiden fel-rood, vloeiende bloed-glansen, in ’t groen geblaar verdoken. Andere uit zon, in luwte-haag van schaduw, verdampten karmijn, in gesmoord passie-rood. Daartusschen in, schakeerden de bakken in zangerig purper, diep en vroom, waarop weer nieuwe kisten neèrgesmakt werden, met zwaren adem, rood van opstand; vruchtbakken inzuigend ’t licht, rood-donker en diep als het smarte-hart van duister-fluweelen dahlia.—Telkens meer plukkers stapelden kisten òp, onder en naast hagen, met sla en wortelen, maar alles weer overstapeld door aardbeigloei, dat ’t klaterde en smeulde, hel-daverde en zong, ’t rood, ’t goud-doorvonkte[43]vruchtpurper, tusschen het rondom dringende uitwasemende groen, het goudgroen van boom en hagen.—Overal verspreid, langs de akkers, zetten kleur-kleeren van plukkers, sjofel en gehavend, maar in pracht-koloriet er toonhoog in versmeltend, warmte en diepte tusschen groen en hemelblauw; waasde er zeef-fijn, gouddampend licht, een sfeer van bevende uitwisselende glansen òver den pluk-arbeid héén, die de werkers verheiligde in den geweldigen ernst van hun ploeter; wiegden en wuifden ’n licht-brio rond, die vèr, heel ver wègschoof wat dichtbij lag, als week ’t landschap, in de trilling van lichtdampen, geuren en glansen, onder den zonnedaver en hittenevel telkens meer en meer achteruit, àl achteruit.—Drie kleintjes van oom Hassel, tengere meisjes, lagen ingekneld met blond-strooien hoedjes, verbogen als leger-des-Heils-kiepjes, met witte bandjes om blanke kinnetjes gesnoerd, stil te plukken, ’t kokende zongesteek en lichtgegolf op hun kleurige bradende ruggetjes.—Ze hurkten, knielden van knie op knie, en kreunden soms van pijn.—Ik kâ nie meer van main stuut, kermde één, pijn-vertrokken rechtòp spannend ’t lijfje in ’r rood jakje, dat de borstjes zwollen, ’t kleine gezichtje even uitdook onder hoeddiepte. Suffig bleef ze uitkijken, een knuisje in de rugstuit gedrukt.—Nou seg, mô’ je main knieë voele.… die binne heuldegoar deur t’met.—Seur jullie tog nie!.. de son is ’n kwoaje veur ons.. en d’r is nog ’n heule doàg, zei wrevelig de oudste, ’n ruk naar beneden gevend aan den rand van ’r zonnehoed, de twee klagenden met gebaren opporrend te werken.Zachter wrevelde ’r stem na:—Kaik! Willem loert al.… aa’s ie jullie in de goàte kraigt.. bin jullie d’r bai.… bai foader!.…De kleine, die ’t eerst geklaagd had over rugpijn bleef droomerig ’t bedje afstaren, ’r knietjes verhit en pijn-zwaar onder ’t tengere lijfje, speelsch de vuurlijn van purperende mandjes, vòòr haar padje, met ’r knuistje voor de oogen, brekend.—Gedachteloos[44]at ze wataardbeienuit ’r hand òp, plukkend onderwijl door, zonder ’r naar te zien, nog speelscher in kinder-luimigheid òpkaatsend snel achteréen, wat vruchtjes boven ’r hoofd, roodglanzende kogeltjes, vurig de luchtblauwte in, dat ’t vochtrood spiraalde boven ’r schalks gezichtje. Als vlammige kurketrekkertjes puntten de vruchtjes nèer op ’r smoezelige blanke handjes, die dropen van aardbei-bloed. Maar gauw, met ’n angst-woesten duw in ’r rug en ’n snauw van ouder zusje òver ’t bed naar ’r toegebogen, hurkte ze weer in, grabbelden ’r pootjes tusschen het groen van ’t bladerengewoel, telkens vòller van fonkelend roode vruchtjes, ze voorzichtig neerkogelend in de mandjes.De groote plukkers, mannen en meiden, knielden en hurkten, telkens wisselend van knie en houding, in gloeipijn niet meer wetend, hoe te graaien; schoven voort, zwijgend in koortsigen arbeid, in stommen worstel tegen de kookzon, die doorzengde, brandend op hun koppen, nekken en rug, dat hun goed heet verschuurde op ’t naakte zweetlijf. Vèr, òver hun dampende gemartelde koppen, bleef blauwen zalig azuur, tot achter zwoeg van verste plukkers. Gestalten in buk, kruipend over de akkers, vernevelden daar in hitteviolet, floersig en barnend. En tusschen hen in, joelden geuren en kleuren, in de klare zuiverte van het eindloos hooger en hooger vertintlend blauw, doorschijnend en rein als albast.—Tusschen het groen ging paars-korte schaduw op den grond van werklijven, die bewogen of sjouwden, bak ààn bak àf; ging licht wiegel en gouden heete trillingen van losse groenteranken, pal in ’t zonnevuur verterend, smeltend weer in zilveren afkaatsing, vergloeiend op kantblaadjes van hagen. En telkens ànders weer lag ’t land geblakerd en schroeiend gezoend aan de kanten, als spel van windkringen door boomkruinen heenwuifde, verblindende warreling van waterval-goudgespat tusschen bladeren-bogen neerstortte òver de paars-dampende hitteaarde. Telkens uit andere hoeken, vervluchtigde kwinkeleerende jubel van vogels, tierelierende zangers op lucht-fluiten, met cierfijnen fladder, donker scherend ’t hemeldiepe, blauw-roerlooze in. En soms,[45]beefde zachtjes en fijn, als enkel cierkronkelig lijntje van geluid, klaar kinderstemmetje òp in zang, achter hagengroei, ontroerend en dartel tegelijk.—Achter Kees en Piet in pracht-roode rijen kronkelden de slofjes áán als blank gevlochten goud, ’t vruchtenvuur brekend in gloed, tusschen groen. Gaterig en bleek vlekten de onrijpe aardbeien ertusschen. Voorbij de vuur-omzooming van de groen-glanzende bedjes, tusschen ’t gevlam en geknetter van ’t doorzonde karmijn, liepen de kerels drukker met bakken áán en af.—Snôf’rjenne Guurt, jai plukt te raip, schreeuwde Dirk onthutst.… sullie naime f’rdomme soo nie.… motte onderweg puur-en-raipe.… ’t is veur Duijtsland.. hep de Ouë nog soò sait.…—Dà’ te raip?!.. Wel neenet! Hullie binne.…—Debies! seg moar heé? Kaik dan sellefers.… kaik die!.. kaik diè!..Dirk in rood-driftig zweetgezicht òvergebukt naar Guurt, wroette met z’n grove vuile handen in d’r mand, perste driftig wat aardbei fijn tusschen z’n vingers, dat ’t sap ’m langs de polsen droop.—Nou.. daa’s ook alles.. moar kaik.. die!.. die!.. sain puur groene buikies.…—Daa’s net.… f’rjenne, je knaipt hoarlie t’met tû moes! paa’s tog op maid.. blaif d’r òf.… ikke lief dá’ nie.…—Wá’ ’n hupla’s die hep!.. sou je nie!.. sou je nie!.…—Seur tug nie Dirk! lá’ ’r dur gangetje!.… gromde de Ouë van z’n bed af, bang dat Guurt er den boel bij zou neersmijten. Elk jaar nog had ze verdraaid te plukken. En nou, in ’n gril, gewillig deed ze mee, om wat extra centen voor de kermis te beuren. F’rduufeld, nou gonge de kerels ’r koejeneere, bromde ouë Gerrit.—Dirk had naar ’m omgekeken, zonder te antwoorden, z’n rood bevochte vuile handen, loom op z’n knieën afhangend, z’n gezicht verzengd pal in zongepriem. Roode vlekken dropen van z’n blauwe kiel en z’n blond-wit haar[46]plakte op z’n stompe voorhoofd in zweetkrul, onder de pet uit. En telkens even, in lodderigen oogstaar, probeerde ie òp te kijken naar de zon, maar dadelijk knipperde ie z’n oogen dicht, paf van ’t felle gepiek dat er inboorde, voelde hij zich blind gegooid met kokend licht. Z’n vuile broek stonk van smeer en zweet, zurig tusschen het geurzoet. Voort maar schoof ie weer in zwijg, niets begrijpend meer van den Ouë, waar die pas ze toegeschreeuwd had, vooral geen rijpe te plukken. En stiller den werkmiddag rond, schoof ie verder, voelde ie ’t woestijngloeiende zand onder z’n knieën schroeien en branden, verbukte en verwisselde ie telkens van knie, als er één, gekneusd en vergloeid, z’n zware paffe lijf niet meer dragen kon.—God f’rdorie, geeuwde Piet, daa’s ’n kwoaje.… die son f’doag! main nek stoan puur in brand!.…—Dá’ sou’k denke, je weê puur nie meer hoe je kruipe mot …—Debies! main knieë sain deurmidde.… aa’s ’k katteliek waa’s lie’k main stempele! galgenhumorde een plukker half schuin naar ’n makker, die meezong Zondagsavond’s in de kongregatie.—Dirk, in den winter nooit sprekend van den zwaarsten zwoeg, morde, giftte nou, in verhitte worsteling tegen de zon, die ’m roosterde en martelde, waartegen ie ’n woesten haat voelde. Z’n rug stond den heelen dag in brand, z’n nek stramde verlamd in steekpijnen van voortdurenden buk en z’n branderige schonken schuurden jeukerig tegen z’n vuil heet afgesjokkerd baai goed. Guurt schreeuwde dat ie moar s’n laif d’rais most boene, mi’ wa’ woater.…—Da’ doe’k f’noafed t’met bai de put! da’ selle wai hebbe.—F’noafed is d’r gain tait.… hee!.. Joanse, scherpte Piet voort tegen den katholieken plukker,—nou bi jai stempelt, hee?.… moar hè je nou puur gain pain in je donderemintje of peseer je ’t kerrikie.… mi je skietgebedje.… G’loofd sai Jaisis Kristus.… en de hailige sekreminte des oaltoàrs?.…—Laileke duufels-toejoager, bromde die terug, hoor je main kloàge?.…[47]—Nou ikke stoan t’met dertien uur te plukke.… ik bin d’r hard stikke-dood van.… main stuut is deurmidde.. ha’ je nou moar je maid hier Janse.… veur ’n f’rsnoàp’rinkie!Janse zweeg, giftig op Piet, dat ie met z’n geloof begonnen was en z’n dochter. Dat kreng had schande over z’n huis gebracht. Had ’n tweeling van ’n los werkman, die zich dood zoop. En zij werkte nou op de Wierelandsche fabriek van ingelegde groenten, tusschen ’n hoop van dat meidenschorem. Vier maanden geleden had ie ’r de deur uitgetrapt, met ’r dikken buik, en nou begon die kerel er weer van te klesseneere..—Wat ’n gesoànik, schreeuwde ouë Gerrit naar Piet, al kon ie bijna zelf niet meer van pijn, toch voortploeterend in heete werkjacht.… wai doene ’t allegoar.… jai mi’ je stuut en jai mi je knieë.—Nou? watte?.. allegoar ke’ je hoore skraiwe?.. die is f’rduufeld ’n meroakel.… mó’ je main of main jassie? dolde Piet geraakt toch.—Hoho!.… hoho!.… wá’ sou da’ t’met hain? vier en vaife en nie genog aa’s.…—Hain?.. Welneenet.. aas ’k moar wa’ neusiesverf had, sou ’k main vast.. ’n kwassie smaire!—F’rdomd! sel nie beure! sel nie beure! krijschte de Ouë, bleek grauw van schrik en hitte,—òp ’t land komp gain druppel, hoho! hoho!In langzame optrekking van z’n linkerknie, met z’n handen steunend in ’t gloeiende zand, had ie zich uit z’n strammen hurk opgericht. Z’n rug voelde ie vlijmen van pijnen en z’n beenen stonden heet te trillen onder z’n lijf, als zou ie instorten. Piet gromde kwaadaardig:—Skreeuw moar nie.… set ’t nie op je heupe.… maan! moak goàr gain relletjes.… aas ’k ’n urretje likke wil soa’k jou nie vroage!.…—En jai Kees? vroeg Dirk, hep jai ’t lekker?—Kees, Kees, bromde Piet weer, die hep gain rug, gain stuit, gain kop, die hep niks!.… goàr niks!Stil zwoegde Kees door, ’n endje van hùn bed af, zonder[48]omkijken, in strakken loer op de aardbei, met uitgolvenden slag z’n manden vullend, tweemaal sneller dan zij.—En telkens àchter z’n hielen, draaide ie ’n gouden slof neer met trillend vuur.—Op àl de paden, achter de akkerhagen, stonden groote bruine, rauw-groene en roodbemeniede handkarren, zwaar beladen met goud-glanzende sloffen en bronzen mandjes.—Van allen kant tegen den middag, kwamen de plukkers aansjokken met bakken, sloffen; geurde en smolt ’t vruchtenrood en sap inéén met gras en groentearoom, als wierook door de lucht uitvloeiend en verwaaiend. De hemel wiegde zwijmeladem en bruiste zonnedronkenschap door ’t stedeke. De luchtkoepeling stond gespannen in prachtglans van blauw, hoog boven de kruipende plukkers en pluksters. Overal, in de paadjes nu, achter de hagen, slangden de purperen regels in gloeiende zoomen. Kielblauw en kielrood, ademde hoog de zonnehitte in, en strooien hoeden blondden al meer in ’t jubellicht. Tusschen de doppers, kronkelden fel-groen, de duizelig lange slakroppen-regels, blank beschubd, en de jonge erwten glansden naast de bladzilvering van tuinboonen. En woester, gelijk met zomerroes, zonnedronken van licht en kleuren, ging ploetering òp, jagender. Alle handen koortsten rond in den grooten haal. Ze waren besteld de tuinders, door ’n paar groote afnemers uit stedeke, die in Engeland en Duitschland hùn waar met flinke verdiensten van de hand zetten. Duizenden op duizenden kilo’s moesten geleverd worden, naar spoor gedragen door de werkers, dààr gewogen en verzonden.—Iederen dag làter in ’t saizoen, kon de prijs van kilo’s dalen, als van alle kanten te groote oppropping en aanvoer kwam. Daarom, in woeste jacht, met zwarte afgunst onder elkaar, heet op voordeeltjes, plukten ze in koortsige haast, om anderen vóór te zijn, als ’t kon; anderen er uit te smijten en op moment dat aanvoer ’t minst nog leek, nieuwe bestellingen bij te krijgen; al was er in den winter al kontrakt gemaakt voor vaste levering, met iederen gast die wou.—Dirk had van ’t doorloop-pad àf, op den akker ’n groote[49]kar met verlengboomen, om breeër op te laden, volgestapeld met sloffen en manden. Wat bàkken daarboven òp, versjouwde ie mee naar de hàven, de mànden naar ’t spoòr. Jan Hassel de minst-vijandige neef, reed mee den weg op naar ’t station. In zweetdamp, met bemorste kielen, geurvracht hoog opgestapeld en wijd-uit geladen van achter en van vóór, tot op de handkruk, zacht zwiepend op de verlengboomen, verduwden ze hun loodzware karren, met borst en armenspanning, pezig-gestramd, ’t lijf in rukkende stooten, Wierelandschen straatweg over naar ’t station.Zonlicht zoog heet in ’t vruchtenrood. Over de manden lag bladgroen van tuinboonen, fluweel-zilverend er om heengestrooid, tusschen het purper, dat glansde als koralig licht-glimsel.—Achter Dirk en Jan Hassel áán, ratelde een stoet van karren, geduwd door tuinders, gelijkelijk optrekkend in lawaai en gedrang naar ’t spoor.—Bij ’t zijhek werd halt gehouden, zwenkten om beurten ’n paar groenboeren de karren àchter de gele, schroei-zonnige omheining.Van Lemperweg, haven en zijstraatjes, ratelden en woelden meer karren áán, gloeide ’t karmijn en purper, al naar aardbeisoort, in de gouden rietsloffen of blank-gele ronde manden; wierookte al zoeter, dieper vruchten-aroom heet-zomersch over ’t plein; vuurden en vonkten de aardbeien van alle kanten, zonnedronken in blaker, onder trillenden zonneroes.Kerels met vermoeide, grimmige koppen, paarsig vergrauwd van zweetvlekken, uitputting en zwoegdrift, duwden òp, woelden, zwenkten, trokken hun karren, schreeuwden en vloekten tusschen gedrang, geratel en gedonderbonk van karren en manden. Trekhonden, afgemartelde beesten, verwoed van hitte en dorst, blaften gillend en bassend, stonden of lagen tusschen de kleurig-donkere kar-assen ingekneld, met riemrepen over neus, bek en nek gekneld, ademstootend in snellen hijg, woest schuim verkwijlend.—Van vier uur al ratelden en bonkerden wagens en handkarren áán. Bergen manden stonden opgestapeld naast wagens, apart voor aardbeivervoer, vastgehaakt.—[50]Op ’t station, aan achterkant van ’t zijpad, zat ’n man vóór gewichtstoestel, verzweet en gejaagd, in ’t ratellawaai en schreeuwrumoer om ’m heen, tusschen treindrukte, loop van passagiers, kruiers en zwellenden aanvoer van waar, met z’n bonboekje in de handen, afrekenend wat ieder leveren kwam. Telkens achter ’t hek, als ’n tuinder klaar was, zwenkte ’n ander uit al sterker aangedromde, woelerige karmassa, schuin tusschen de latten-omheining, op grof-bonkerig gekei, ratelde de leegte achter ’m dicht; stond ook diè weer met ’n berg nieuwe manden en vruchten voor den kontroleur. Voorzichtig zette iedere tuinder z’n rood-vochtige manden met aardbei op de èven boven den grond zwevende schaal, netjes op elkaar inschuivend en voegend al meer en meer, tot de heele vracht van hun kar afgeladen was.De kontroleur, met z’n zweethoofd, z’n gezicht doorgroefd van zorgtrekken, overspannen arbeid en vreemde zenuwtrilling van lippen als geluidstroom en herrie watervallen over hem uitstortten van haast en jacht,—woog af, trok handvat van weegschaal achteruit, loerde intusschen naar kwaliteit der vruchtjes.—Naam! vroeg ie kort, met moeë stem, ’t zweet van gezicht onder oogen en om neus uitwrijvend met rooien doek, waarop ie bang keek, na elken zweetveeg.—De Kaiser!—Wie?.. Piet of Willem?—Willem!—Achterweg?—Welneenet!.. Slangetje!—Slan-ge-tje herhaalde ie brommerig, zich zelf dikteerend, onder snel geschijf, afscheurend in rakettige karteltjes het geperforeerde reçu.—Hier anpakke!—Weer schuurde z’n zakdoek langs z’n zweetnek en hals, veegde ie met nijdige rukken ’t vette nat onder z’n hemd weg. Dirk en neef Hassel konden met hun karren ’t zijhek nog niet in. Achter hen áán, dromden al meer paardwagens en karren met de hijg-sjokkende en duwende[51]kerels er vóór, in al sterker áánstroom van aardbeien, purperende neergestorte wolken van rood licht, fijn-prikkelend doorgeurend weibrok, paden, stationsplein. Gevloek en geharrewar van rauwe vermoeide stemmen, krijschte òp uit woesten sjouw en gedrang.—Doffe blaffen basten tusschen hoognijdige keffers en kermende hondestemmen òp,—dwars door menschengeschreeuw en ratelgeraas, dat hooren en zien verging. Kisten en manden, leeg en uitgehaald, keilden rond achter ’t hek, waar ’n geholpen groep afzakte, en overal dromde gegrom en driftig geworstel der zwoegers, tusschen hun geurende stille vruchten in, hun roode bergen van geur en vonkpracht.—Op elkaar hitsend, afgunstig en nijdig, wou de één den ander voordringen. Plots kwam er lucht in worstelende ploeterende bende, konden ’n paar wachtenden inzwenken, met hun wagens en verlengde zwiepboomen, ratelden er karren wèg, dwars tegen aandrommende massa in.——Nou debies! Ik ke’ nie langerst wachte, krijschte éen uit den karrenstoet vóór ’t hek, met grauw zweetgezicht, vette kerel, paf van hitte, uitblazend van vermoeienis, gekneld z’n dikke lijf tusschen andere wagens in.—Hulp d’r sain effe eerst, gil-schreeuwde één achter ’t hek, tegen kontroleur, die nu op ’nouëmand zat, met z’n bon-boek op de knieën gedrukt, rondloerend overal heen, of ze’m niks bestalen, alles goed verstapeld werd in de donkere wagons.—’n Blauw potlood stipte ie telkens nat tegen z’n mond áán, dat z’n lippen paarsten als zou ie plots ’n beroerte krijgen. Van ’t toegeschreeuw, de rumoerige hurrie en onrustjacht achter ’t hek, maakte ie zich niks hooren.—Vóór ’m stonden de tuinders, hun waar verladend op ’t breede, lage, met stof-vuil overwaaide weegtoestel.—Acht honderd kilo van?.…—Joapeke!—Jaapeke uit?..—Lemperweg!..Snel kraste z’n potlood, stonden de tuinders voor ’m ingebogen te loeren, naar de koortsige krabbeling van blauw puntje[52]op ’t blanke schitterpapier, waar ’t licht op beefde. Bij ’t ontvangen van reçu, hielp de tuinder z’n waar van de schaal laden. Twee smerige kerels, vergrauwd in zweet van zware werkjacht sprongen òp en àf uit de binnen-in-donkere wagons, half volgestapeld. De mannen rukten Jaapeke z’n manden en sloffen uit de handen, grepen ze van de weegschaal, klauterden met de aardbei wagons in, dat de purpering kwam te dooven tusschen de morsig bestofte houtwanden, waar àl hooger en duisterder de geurvrucht op elkaar gesmoord, in verdook.—’n Twintig meter van den kontroleur af, op ’n weghoogte van grove keibestrating, àchter omheining, propte nòg ’n drom karren, rumoerde landvolk met waar en manden, bij ’n konkurrent-kooper, ’n Duitscher, die onder geeldoekig tentje, waar zonnebol gloeiheete lichtschaters op néérproestte,—aardbeivrachten innam en verzond in andere wagens weer.’n Ontzaglijk dik wijf met reuzinneheupen, en magere dochter, langhalzig en beenderig geitengezicht, zat achter ’n klein kleurig tafeltje onder ’t brandende tentdoek te schrijven, reçutjes en kopietjes, terwijl zwaarbuikige Duitscher afwoog en loerde naar de vruchten, met z’n glimvettig bollig zweetgezicht.—Achterover, op z’n kruin geplakt, blankte ’n wit-stijve automobielpet, glansfel beklept.—Met iederen tuinder rumoerde en streed ie kort en stemsnauwend-krasserig, over gewicht en waar. Moe’, niets begrijpend van z’n Duitsch gebrabbel, stom en dorstig in de hitte van d’r zwoeg, kregelden hun ruwe gezichten, vervlekt van zweetvet, streken ze hopeloos en zorgelijk in angstig spiervertrek van zenuwmonden, handplat langs hun voorhoofden en monden, losten ze verder, zonder ’n woord verweer, wachtend op reçu.Aldoor weer ’t oerige moederwijf brabbelde wat tusschen het gebrauw van den zwaarlijvigen mof. Lacherig en spottend, gromden eindelijk de kerels in vloek wat terug, verlegen onder ’t niet verstaan, òpkijkend telkens naar bemiddelaar, die naast ’t zengende tentdoek stond te schroeien in zonnevuur, allerlei zure grapjes uitlolde tegen langhalzige geelmagere dochter met den geitenkop en enorme, vetdijige moeder. Onder geschrijf[53]en overgereik van bons aan tuinders, schoot zij,—onder fluisterend gekonkel van bemiddelaar in ’r ooren,—om ’n haverklap in proestlachen uit; schommelde ’t moederwijf van gierpret, ’r logge boezem lang nog nàbevend achter klein tafeltje, dat meelachte in lichten sidder tegen d’r schuddenden vetbuik. Toch, ieder keer duwde ze den kerel met ’r vette worsthanden soms midden in ’n grap, ruw buiten de tent, loerden zij en ’r dochter naar de weegschaal, of d’r niemand bedroog; gingen d’r sluwe klein-grijze oogjes in ’t pappig opgeblazen maangezicht lichtend rond, in kring der sjouwende werkers, die doorlaadden en losten, in stommen zwoeg, donker, morsig en vergrauwd, tusschen ’t schittervuur van hun vruchtjes. En stapel op stapel, purper leven slurpte op, al meer, satanisch-gesperde muilen van donkere wagons.—Kleurigste hurrie daverde rond den kontroleur, verder op.—Eindelijk was ’t Dirk’s beurt om te lossen, zwenkte ie vóór, met z’n zware kar, wrong en schuurde ie door engen hekingang, in giftduwen tegen de kruk, dat z’n kop te barsten stond, zwellend van spierspanning. Zweet droop van z’n wangen in de sloffen, toen hij mand voor mand van z’n kar op ’t weegtoestel schoof, berekenend, nauw passend en insluitend de manden, onder ’t opstapelen.—Van?.… vroeg kontroleur, al klaarstaand met potlood op de lippen, tongpunt er tegen aangedrukt.—Hassel!..—Welleke Hassel?.…—Gerrit!—De Blommepot, gromde ie voor zich uit, veerend op z’n mand, blauwe krullettertjes op z’n papier krassend.Dirk in zweet en zon, stapelde dóór van z’n kar, rustig op ’t toestel.—Hee, hield plots kontroleur z’n arm in, met ruwen schreeuwstoot, van z’n veerende mand opspringend,.. wa’ is dá’? die mand dààr.… en die?.… daa’s drek!.… ke’k niet gebruike!.…[54]Dirk hield op, keek verstomd met z’n koeienblik den kerel aan, die weer was gaan zitten.—Wa nou?.. wa’ bruike?..Hij wist eigenlijk wel dat ie twaalf sloffies met vuil goed had meegekregen. Ouë Gerrit wou, woù nou eenmaal van de berijpte vervreten hoek wat pluksel verstoppen ònder de beteren, om zoo nog wat te beuren van z’n teelt, denkend dat in de drukte geen sterveling ’r op letten zou. Drie tuinders hadden ’t er op die manier al door gekregen, waarom kon ’t hèm ook niet lukken?—Droal nou nie soo Hassel, donderden achter ’t hek wat kwaadaardige stemmen, van ongeduld barstende tuinders, wai hebbe ook ’n kilotje!—Stik doar, schreeuwde ie terug. Woest nijdig begonnen plots z’n koeienoogen te werken, en kwaadaardig te schamperen van wreed licht.—Daa’s d’Ouë s’n skuld, bromde ie zacht voor zich uit, die hep main d’r làte inloope.… da kreng.… en nou opelik betroàpt.… ’t foàrke sou je kefuus moàke.…—Nou! nijdigde kontroleur uit de hoogte.. Stapel die rommel nou maar weer weg, want neme doen ik ’t nie.…—Moar maa’n! je laikt puur daa’s, se benne bestig, loog Dirk, om zich te redden.… allaineg ’n baitje stainderig meskien!.…Kwaadaardiger vertrok kontroleur z’n zweetmond. Hij was weer opgesprongen van z’n mand, die knarste en kraakte onder z’n lijf.—Als jij hullie nie van de schaal neemt, donder ik se fierkant tege de wage an, jou drek!..—Stik! dá’ bi’k tog sellefers bai, hee? Daa’s f’rdomme twee doàg kromplukke weust.… twee doage!.… dâ je je donder deurmidde barstte.… en nou veur niks werkt!—Al had je ’r ’n beroerte an gekarweit, ik neem se soo nie.. en fort nou, gauw ook! d’r blijve nou alleenig die veertig mande daa’s.… kijk!.… zes.… honderd.… kilo kijk! kijk!De gewichten langzaam natellend, ingebukt en waggelend[55]op z’n veerende mand, krabbelde ie de vracht op z’n boek àf. In dralende weerspannigheid had Dirk weer z’n twaalf manden van de straat op de kar geladen. Achter zich zag ie neef Hassel staan, klaar met z’n waar, in schamperen lollach op sarsnuit dat Dirk z’n rot boeltje terug gekregen had. Prachtig glansden neef Hassel’s manden, rond en hoog, op de handkar. Z’n bruin eikenhoutige wagen, met lichtblauw beschilderde wielen, als azuren raderen, waarin verflitsten de spaakjes in zongespat, kleurfel òpkringend tegen de daverend-oranje bemeniede assen, gloeide in zomerbrand, met z’n hel-roode aardbeistapels, rondbroeiend geurende warmte van glansen. Op elken mandrand, goudvlechtsel in zonnegloed, had ie groene bladerenkranzen geslingerd, tusschen het zingende warmhooge rood, en half beschaduwd vruchtenvuur, dat ’t frisch jubelde bòven de karkleuren.—Daa’s siek veur niks, lachte kontroleur, se gaan toch de kist in, wees ie spottend op de wagens.Dirk stond nog achter z’n neef, woedend neer te kijken op kontroleur. Die vervloekte Ouë … Most.. ie sain da lappe?.. hai sou sàin t’met de mande veur s’n skainhailige tronie sloan.… Sóó hep hai nog sait daa’t goàr nie gong.… nie gong.… f’rdomme!Maar kontroleur, begraven onder nieuwen werkdrom, zag niet meer naar ’m om, loerde alleen rond naar vervoer, gewicht, wacht op reçu’s.—Onrustig keek ie telkens achter zich, of alles wel vlotte en niets gegapt werd; of de kontrabons klopten, de wagens zuinig genoeg bestapeld werden.—Te zweeten, te zuchten zat ie van ’t aandrommende werk, rondom z’n overal kijkend lijf, in ’t geraas van treinen en dreungesmak, getier van ’t landvolk, dat van ongeduld sterker schold en trampelde voor hun karren. Nu en dan, heerig en afgemeten kwam patroon van kontroleur even kijken of de boel liep, stond ie dwars in den weg dat de tuinders ’m omver boften met hun karren en manden. Gauw had de heere-baas ’m gezegd, dat kontroleur zich niet moest laten beetnemen door ’t goochelend sluwe volkje;[56]dat alle vergissingen en terugzendingen voor zijn rekening kwamen. Dat wist ie wel, en gejaagder loerde, zweette, vertilde ie de zware gewichten.—Dirk had zich àchteruit door den drom wachtenden met z’n kar heengewerkt. Achter ’m laaide ’n roode gloed van purper en karmijn, waartusschen ’t landvolk woelde, met ’r sjofele stinkende plunje, bronspilow broeken, zwart-fluweelen truien, vuil-blauwe en lakrooie kielen, grijs-bruine en goorgele hemden.—Nou moest ie nog even, achter de Duitschers, om nieuwe sloffies.—Van ver zag ie al ’n troep tuinders worstelen en dringen bij ’n wagen op tweede rails, met leeg aangevoerde manden. Z’n kar zette ie vàst tegen ’n boom vóór weibrok, en wrevelig achter ’t spoorhek drong Dirk dwars door den stoet.—Ze vochten in nijdig gedrang, rond den wagon.—De een duwde den ander achteruit. Met trappen en stooten, infuriëndewerkkoorts, doken telkens ’n paar weer in den nauwen wagon, op geschreeuw van den grooten aardbeikooper en mandeigenaar, die aflas hamen van tuinders.—Hulers vier pakke, dreunde z’n stem, z’n oogen strak in loer op ’t lijstje.—Persint, schreeuwde ’n kerel terug, dook weg in den nauwdonkeren wagon, holde den anderen kant weer uit met ’n trits sloffen aan ’n touw, door de hengsels heengeregen.—Daa’s meroakel gemain!, krijschte éen woedend, altait Hulers veur ’n aêr,.. daa’s puur de fint van de bestige woar!…Een brutale, met roet-zwarten baard om geelbleek gezicht en smalle schuwe oogen, wenkbrauwen neger-donker, rukte ’n tuinder z’n mandjes uit de handen, vloekend dat ie al drie keer voor niks hier was, op die manier niet plukken kon, z’n boel verrotte op den grond. De baas, er bijstaand, mengde er zich in, maar ze snauwden, verdrongen den heerigen vent. Hij voelde dat ie in zoo’n geweldige, stuipige werkjacht, z’n meerderheid verliezen ging.—F’rek jai skorum, vloekte en tierde de onthutste tuinder, verhit van zongepriem, dat z’n oogen in brand stak, afgejakkerd hijgend van uitputting en sjouw.[57]—Ke’ main puur niks bomme.… ’k hep in twee doage al nie plukke kenne.… soo lait main oogst veur de waireld.—Moar daa’s main.… skar! duufelstoejoager.… kabbeloebeloap!.… Doòr schold ie, wou op den zwart-baardigen kerel instormen, maar tusschen hen in drongen andere zwoegers, worstelend om sloffen en manden, den wagon òp en instormend, grijpend en rukkend wat ze maar krijgen konden.—Jorisse!.. riep statig baas af, acht pakke.… om schijnorde in de bende te brengen.Maar niemand die naar ’m hooren wou.—Wat ’n janboel, bromde Dirk, die met z’n stiersterke boffende schoften door ’t gedrang en gewurm der half vechtende en razende kerels heen gestooten was, magere zwakkelingen op zij duwend. In de woeling en hitte van ’t gegrijp, gedrang, en geroep werden als verschoppelingen de zwakkeren vóór- en achteruit gemept. Bòven de koppen en kromruggen van ’n troep tuinders, die aandrongen op één plek, graaiend naar sloffies met armen vooruit, in woeste hebzucht,—deed Dirk z’n greep, met z’n granieten krachtarm naar één kant waar ie ’n lossen stapel in de gaten had gekregen.—Daa’s jou beurt niet.… terug! schreeuwde ’n wagonknecht, luisterend naar den afroep van patroon.—Maar terwijl die bij één wagon-end aansjouwden en afweerden, ganneften ze aan anderen kant de sloffen wèg, in tierend kabaal en worstel.—Ikke hep ses pakke, skraif moar roak! beet Dirk af, de rist manden over z’n schouers gooiend na ’t bindtouw eerst stevig om z’n hand gekneld te hebben, dat ’m niemand wat afnemen kon. Luchtig was ie den wagon uitgesprongen, lollig zich voelend, dat hij weer voor ’n pluk geborgen was met sloffen.Honderden, teleurgesteld en woest, nijdig gromden en raasden tegen de kontroleurs en bazen, waarom ’r niet meer manden waren. Een, wachtte al drie, ’n ander al vier volle dagen.—Ke’k niks an doen, laike puur roofers.… schreeuwde ’n kontroleur, morgeochend om vier uur.… stoan d’r weer twee woages, mo’ jullie moar ’n vroegertje moake!..Zóó, in zwoegzweet vergloeiend onder schroeizon die ’t kokende[58]licht rond ze neerdreunde, doornageld van steken, gemarteld en vergramd, huilde in raas-drift hun klacht naar gereedschap, barstte hun haat en afgunst op elkaar uit, in woest gescheld en getier; steeg de koorts van hun werkjacht, hamerde de pols van hun arbeid heeter, hooger, onmenschelijker. Hun ploeterramp dáár, lag als ’n lijk te ontbinden, tusschen het gouden daggeluk, het jubel-geschater van licht, de wellustzwijm van geur, tusschen het groen en ’t hemelreine, wijdzalig azuur, waarin het leven bruiste, en de kleuren klaterden.—De wilde storm en donkere furie van hun arbeid, brandde en stuipte in ’t rood van hun vruchtenzee.. Verbitterd in stillen wrok, stond er verwoesting van leefrust op andere koppen gerammeid, driften van zorg en geld-haal, die ze razend maakte, razend.Aan weirand tegen spoorhek, èven buiten den worstelkring van schreeuwers om sloffen en ronde manden, stond droef-verschrompeld in eenzamen staar, ’n blinde man op klein orgeltje te draaien, z’n kaal hoofd pal in zonnevlam, brandend op schedelnaakt.Tusschen gebonk en geratel dóór, schoten melankoliek, triest-zachte klanken uit z’n ween-instrument, dat met ’n riem over z’n borst gesnoerd, vóór z’n buik hing, steunend op ’n kort schuinen poot in ’t zand.—Eén mager-gele hand lag te beven op ’t bovenblad van z’n orgeltje, en de andere dor-uitgepeesd, draaide, draaide! Wèg zonk klaagstem van weenend orgeltje in den tierenden werkroes van ’t land volk. Bloedrood vlamde ’t omlijste gaas van orgelkast, vurige poortjes in ’t licht. En stil, krombeenig ingezakt, magerde z’n schreiend-sjofele figuur, in groen-roode jas, als vastgenageld, gekruisigd tegen ’t hek, eenzaam in de drift-woeling van ’t worstelende werk. Vóór ’m, op ’t heete gras lag ’n verluisd vuil mandrillig kereltje te smakkeren op wat verkneusde weggeworpen rottende aardbeien. Stommer, pruttelden de dooie droge lippen van den blinde, angstig gissend waar z’n zwijgend geleidertje ’m neergeduwd, had. En lang, heel lang bleef zon, sar-heet priemen op z’n naakt schedelvleesch, op z’n mageren, smal-hoekigen kop, angstigden[59]z’n staar-oogen, als inluisteringnaar wat ze nietzienkonden; draaide de hand, draaide, draaide uit, droef klankengeween, verdoofd wegvloeiend tusschen de furiënde aardbeienwoeling en felle glorie van zomerbrand, overal rondom.Veel later, in den avond nog, dromden meér karren en wagens áán, lag ’t aardbeipurper en karmijn te koortszingen in ’t avondgoud, kwam ’r nieuwe vloed aanspoelen, aangolven, op de ratelhotsende karren, dampend nu in bovenaardsche zonglanzingen.En van allen kant, de zwoeggezichten keken strakker, vermoeider.—Op ’t stationsplein vóór en achter ’t hek, oproerde ’t nu, drongen en worstelden in beangstigend stillen drom, stóm van werkaandacht, de late plukkers. Wagons stonden in vreemd goudrooden gloed, in schijnsels van kathedraligen lichtdamp, overwazend de ploeterkoppen. Voor hun oogen verdroomde in nevelige pracht, ’t groene, eindelooze polderland, heel vèr, in ’t zinkende licht. De aarde dáár scheen te verdauwen, te drenken de verschroeide vruchten, en in zomermist zoelden de zoete grasgeuren en bloemenrook van de weiden en akkers òver naar den spoordijk.—Sappig, in groen-zilverenden en aureolend rood-zachten zonneglans, vredig en hitteloos, verkleurde ’t weibrok vóór ’t station waar blinde man gestaan had.—Lemperweg, zwaar beboomd, groende in fijne lijngolvingen tegen goudregenende luchtverte.—Dáár vertintte donkerder purpergoud, in ’t al zinkende late licht, àchter de zwoegers, die verteerden in den dronken hartstocht van verkoop, de geweldrazernij van aanvoer en afname, niets meer zagen van ’t leven, rond hen heen. Van alle kanten stroomde nog áán zoete vracht, in wemeling van rood, róód, in al heerlijker schakeering, ’t zoetste purper, tusschen helsch vuur.—Over den karrendrang groeide de wondre avondzon, met z’n uitpralend madonnagoud zeefsel van broos-zinkend licht.—En hooger, tegen de scheemring in, stapelden òp de wagons, en zoeter rookten de vochtige geuren in den verdroòmenden lichtval.—Tòt laat in den avond,—Lemperweg in boomenschemer al[60]te wiegen lag in zalige zomer-nachterust, heel Wiereland verzwelgde in geuren en zoete kweel-geluidjes van wei en weg,—bleef tuinderszwoeg àchter en vóór ’t hek drommen; bleef donkerder vonken ’t vruchtenrood, schonkeren en botsen ’t martelend geduw van atlaszware sjouw-vrachten. Al meer verduisterde de roode vruchtenzee in den zachten ruischgolf van scheemring, verduisterden de kerels méé in de azuren neerkoeling van nachthemel. Woest wrevelig staakte eindelijk de zwoeg, ratelden de karren terug naar krot en straat, akker en pad.—Te donker werd ’t om verder te lossen.Stiller nu op ’t spoorplein daalde rust, vernevelde de polderwei in nachtelijk, droom-donker groen, in heilige stilte, als ruischte elke grashalm heilig nachtgebed uit.Dieper nageur van vruchtenzoet bleef aromen over ’t plein.—Van verre, uit teere, avond-doorschemerde laantjes klonk vedelweeke stemmejubel van ’n meisje, avondklanken verluiend in den zomernacht, als heimwee-zoete herderszang.En wijd, almachtig, in diep blauw, zaaide de nachthemel z’n sterrengoud uit; hemel als eindlooze fonkelkoepel plots in ’t duistere azuur gegroeid, waar geruischloos gaas-ragge engelenvleugels, zilveren glansen heiligend doorheenzwierden.—[61]

TWEEDE HOOFDSTUK.

De aardbeipluk was ophanden. Nog wel niet in één de groote haal, maar toch, als ’t ochtendgloorde, ’t land nog in grauwen dauw dampte en langzaam, brandroode nevel boven de verre, vaal aangroenende akkers uitkleurde, morgengloed door doodstille luchten sintelde,—dan hurkten, vóór zonnebol zelf òpvuurde, de tuinders al tusschen de nauwe paadjes, omkringd van kinders, jongens en meisjes; was er al druk gesjok en gesjouw van één naar anderen hoek, om arbeid te verdeelen tusschen eigen zwerm en vreemde plukkersknechten.De eerste haal zette in, met zware zonnedaverende hitte. Na de kleur-orgie van tulpenbrand en òpbloei van hyacinten, was nu plots bij hoeken hier en daar op Duinkijksche akkers, even vóór den pluk, wondere zee van hoog-gele en paars-blauwe irissen, goud-geel beschubd, komen aangolven over ’t land. Klein was de teelt, op ènkele akkers, maar hoog de pracht van den in licht-dauw omzeefden paars-blauwen irissenbrand.Graanhalm-hoog moireerden in golving van stengels, akkers weer, als in herbloei van hyacinten en tulpen, paarsblauwe en goudrandig geschubde. Achter en tusschen de hevige paars-zee, bloeiden helgouden pronkbekers van licht; welde glans, hooge brand als van graanvelden, duizelend, spartelend, kokend-hoog goud met brokken ertusschen, moireerend naar geelgoud, tegen de diepe golfzee van schitter paarsblauw, in ’t groene akkerland.Als mythische stad in zonnedroom, met één slag door Satan neergetooverd in duivelszwaai van bloedrooden mantel en vampiergebaar van z’n armen, was herrezen dáár, uit eerst[37]groene, stil-mijmerende aarde, een lichtfeest, een tooi, in woesten kleuren-wellust; herrezen een mythische stad, volgestort van sprokelicht, van nevel en vonken dooréén; stad, met wegjes van enkel stralend vuurgoud.—Zoo in wondrengloei, rankten en slankten de irissen, op ’n vloer van bevende glansen.—Uit de stille grasaarde, tusschen het nog dorrende loof, drong een òpstand van vreemd-starende bloemwezens, zonnedronken onder de warme uitgeuring van hun kleur-heete zielen.Als in hemelspraak met ’t azuur, gedrenkt in ’t blauw van uitspansel, bleven ze daar wiegelen de gekleurde zielen, de vreemd starende bloemwezens, samengestald in hun mythische stad van licht, stralend paars en goud, in daverenden zonnezang van akkers.Boven hen wisselden de luchten, groeiden en stapelden òp de wolksteden in zilverende lichtglansen, verduisterend de bloemenpracht, verbrokkelend den zonnedroom. En fijn schuimde er doorheen, ’t zilte zilver van den polderhemel, wazig en gebroken in glanzende neveling. En weer later, in satansgebaar neergetooverd, rankte en wiegelde op andere akkers, rond de irissen, dooreenwemelende bloei van kleur-wisselende anemonen.—Eén dans van kleurebloempjes, op rank-teere stengels, kopjesknikkend en wiegelend in windspel. Eén kankaneeren van donkerdiep dahliarood, rouw-fluweel met paars-purp’ren starren. Eén rondedans van korenblauw met zonnegoud, één sliertige omhelzing van roze bloemekopjes met goud-rood en oranje wezentjes.—Eén regening en zegening van doorééngewaaide kleurtjes, lichtjes, vlammetjes en brandjes, in vurige kleuren-kelkjes verfonkelend.—Zoo gloeiden de anemonenbedden, tusschen de simpele teelt van erwten, wortels, sla en rhabarber, als een hageling van zomerkleuren, verpurperend en vergouend, verpaarsend en verblauwend de akkers, in jubelenden schitter en diep-geurende gloeiende zonnigheid. Zóó, als voorspel op den aardbeihaal, tusschen de vruchtjes in, bachanaalde ’t dronken iris- en anemonefeestje, in toover van licht, in zwijmelenden zonnedroom.De hoog-groene aardbeiakkers, zilverend in lichtglanzen,[38]overal ingesloten tusschen de goud-groene doorzonde hagentrofee van bladeren, doordarteld van glansen en vonkjes, juichten in den opbloei der vruchtjes.Overal gloeiden in warme purpering de spitsige kogeltjes op zandgrond, die paarsig brandde van hette, naast heele bedden onrijpe amazonen, als beschilderde vruchtjes, flauw aan éen kant roodgevlekt tusschen het lage bladerdiep.—Op de akkers hurkten neergezwermd, plukkers en pluksters in ’t woelige kleurgewiegel van hun kleeren, en overal was druk gedrentel en mandjesgesjouw, overal volgepropte bakken die verdragen werden uit zon.—Naast de akkers van Ouë Gerrit, hurkte in halven kring, kinderenzwerm van oom Hassel, in vale, voddige kleeren. Al z’n gespuis, tot ’n meisje van zeven, had ie aan ’t plukken gezet, in zwijmelkoortsige jacht, om te halen, te hàlen, hooger prijs te maken, anderen voor te zijn met goed, wel wetend dat de sterke werkmacht van al die rappe handjes, snel in pluk en grabbel, hèm niets kostte.Werkroes koortste door Duinkijk en Wiereland. Elke minuut van langen ademhaal, rustend, was verlies. Koopers joegen, bemiddelaars joegen, bazen joegen hun kinders, los volk en vaste plukkers joegen elkaar.Oom Hassel schreeuwde naar ’n troepje meisjes, dat inhurkte tusschen de nauwe aardbeipaadjes, in felle gloeizon:—Denk d’r’an, jullie niks aa’s soete fransies!.. en Emmetjes.. mi sonder doppies.. en f’noàfed éers de halfe raipe in sloffies! De kinders stemmedrukten en joelden uitgelaten terug, dat ’t goed was, nog vroolijkend in ’t vroeg-landelijke ochtenduur, blij niet op de schoolbanken te zitten, den heelen pluktijd door.—Vóór ingehurkten kniebuk uit, grabbelden hun handjes tusschen de groen-zilveren lichthuivering van bladeren, zoekend en tastend naar de rijpe vruchtjes, die bloedden in vochtig fonkelrood, puntig doorspikkeld van gouden spatjes. Licht purperden en hoogrood glansden in speelsche gloedjes en vonken de aardbeien in de brons-zanderige kinderknuistjes; handjes vol zoet-geurende vruchtjes, gloeiend in zonneschitter. Telkens,[39]de palmpjes volgeplukt, kogelden ze de vruchtjes voorzichtig in de brons-teenen mandjes, donkere zuiltjes, volgestapeld in speelsch gebaar, met vuur.——He’ je nog mandjes doar? schreeuwde ’n plukker.’n Kleine meid, in rood verflodderd en gescheurd kort rokje, losgehaakt op den rug, dat wit ondergoed en baleintjes er door heenschemerden, smeet mandjes door de paadjes àchter plukkersklompen, in joligen zwiep van ’r kinderarmpjes. Ze speelde er mee, gooide maar òp, te veel, dat de broers om ’r heen vloekten. In krommen hurk schoven de plukkers voort, op de knel-nauwe paadjes, die zandig-heet lila-paars schemerden tusschen het groen, elk klaargeplukt mandje opgestapeld met „kòp”, achter hun hielen neerbouwend.—Tusschen al de paadjes van de verre akkers slangden de donker- en lichtroode vruchtjes in lage mandzuiltjes, zoetelijk geurend en vervochtend in de grove plukkershanden, die doortastten maar, onder ’t loof, telkens òpdiepten met de vuile vingers de vuurvonkende kogeltjes. Zóó, achter de ingehurkte plukkende lijven, vlamden de volgepropte mand-zuiltjes in karmijnen brand, in donkere en licht-gloeiende omzooming van de hèl-groen bladerige bedden; lange roode zuil-gangetjes, vurig van lijngolving in heet zonnegoud, in trillende hittesfeer, omzeefd van dampig licht, nevelig van rooden gloed, overal tusschen het frisch-joelende jubelgroen en ’t zilverspatten van zon-natte bladeren. Geuren van grond en vruchten, zwijmelden en wellustten rond uit den blank-gouden, blauw-diepen hemel; zwijmel van reuken en sappen. Rood bevlekt en besapt graaiden overal de geweldige barsche plukklauwen der werkers, vervuild en doorgroefd van aardwroet, tusschen het jonge heete aardbeienbloed. En nat van sappen, walmden zacht de kleine zonnig verbronsde kinderknuistjes tusschen lichtrood en dieprood, tusschen vuur dat laaide en vonkte, en karmijn dat sintelde, lekte, smeulde.Door héél Duinkijk en Wiereland vonkte, spatte en purperde ’t rood van aardbei, tusschen de groen-flonkerende omhaagde hoeken; spartelden de handjes gezwollen van greep en pluk,[40]ging één zoet-zalige stroom van rooden geurdamp zwoel over de akkers.Guurt en Dirk plukten gelijk op, aan één bed, Kees, de Ouë en Piet, ’n anderen hoek uit. Ouë Gerrit had al heel vroeg gedaan bij de nieuwe familie op ’t plaatsje. Nou zat ie gretig mee te plukken. Z’n rug brak ’m wel, pijnde en stak als werden er naalden ingeboord, maar daar gaf ie niks om. ’t Moest, moèst nou. ’n Daggeldersloon viel er zoo wel uit te winnen. De kerels zouden ’m ook anders te lijf gaan. Z’n knieën tot op de borst ingehurkt, bij de kin wegknellend z’n baard, grabbelde ie met twee handen te gelijk, trillerig in z’n beenen, ’t loof omwoelend, de vruchtjes vlug neerkogelend in z’n mandje, zonder ze te kneuzen toch.Hij gromde stil, dat ’r van z’n vervreten hoek rijp geen eetbaar vruchtje terecht was gekomen. Schade van honderden!.… Dá’ stopte ie zoo nooit.. hoho! hoho!—Woedend was ie ook dat z’n rooie kool zoo slecht stond.—Nou had ie op ’n lekker sonnig hoekie soaid, van s’n swoarsten grond, bestig bemest, en nou stonge se krek aa’s stokkies, deurvrete van oardevlooi.… En nog meer!.… s’n uitjes.. stonge slecht.. tedicht op malkoar soait.… weer skult van Piet.… hep ’t soo wille.… enne.… van de somerandaifie.. kwam ook nie veul.… most nou al ’n beetje gele kop hewwe!.… skuld van die f’rekt slechte woàteràfvoer.…—Hee Ouë, denk ’r ’an, dá’ jai strak-en-an die hoek overnaimp! Ik mó’ nog bosse veur f’nòafed.… hai hep de mande, veur àftetarre an de hoàfe.…Ouë Gerrit had zich naar Dirk gedraaid, die ’m uit erwtenpad toeschreeuwde. Schroeiend begloeide de zon akkerruim, dat hette uitdampte. In één bukkenden hurk, van knie op knie, schoven de werkers voort tusschen het prachtgroen, vervuild van zweet en martelenden pluk, met den steekbrand van zon op nekken en ruggen. Boven de aardbeibedden stond de lucht, blauwe jubel van uitspansel, stil van zoete geuren. In wierook gedrenkt, zwangerde de aarde van reuken, heimweevol en zalig. Met moeite zwierven klankgeruchten van straatjes[41]en lanen òver naar akkers, door de geurnevelen héén.—In één kniel- en bukstand schoven ze voort, werkers en kinders, zonder òpzien. Met wat vluchtige happen was de voorschaft gedaan, en dadelijk weer stonden ze klaar, opgejaagd met ’t broodpaffe nog in hun maag; liepen ze uit schaduwluwte, koelend groen van ’n haag, naar de gloeibedden terug, kniegebukt weer, op heet-zandige paadjes.Ze voelden wel, de werkers, dat ’t nu ging om hun rust, hùn bestaan. Als de eerste haal maar voorbijbroeide, was er van zelf weer ’n dagje kalmer pluk uit de onstuimige aankolking van werkhaast en ploeterjacht.Elken dag kwam zonneschroei heeter neerdaveren over de akkers, die droog-stoffig smachtten naar lafenis, en vroèger in den morgen wroetten de tuinders op de zengende vlakte, onder ’t neerkokende licht, in opjagender grabbel tusschen hun aardbeien; de handen voller van vuur-fonkelende vruchtjes, die al dièper of hoòger kleurden in zonnelaai, donker bloedden of lichter bevlamden de aarde, in stil-ziedend rood, verstapeld in de vurige zuil-mandjes, als vloeide boven de akkers ènkel heet spel van purper en goudgroenen vochtigen weerschijn.—Eindelijk was de groote haal ingevallen. Ouë Gerrit had van z’n berijpte akkers niets gehaald. De vrucht was niet gezet, stond er wormstekig en puisterig flauw-rood. Tòch zou ie ze beet nemen.—Maar z’n andere jonge hoeken, ’t vorige jaar pas ingerankt, stonden mooi vol, maakten dat ie niet al te zwaar gromde. En gelijk-áán werkte ie met de jongens op ’t land, gelijk ging ie met ze heen.—De hitte deed ’m zich plezierig, lèkker voelen en ’t geld dat inkwam gulzigde naar meer.Z’n steelzucht begon wat te koelen in de hitte van den werkroes, en z’n eigen gebroken karkas, voelde ie alleen ’s avonds verschroeid op bed, als z’n vrouw naast ’m lag te puffen en te snorken met ’r lippenblaas. Even, nu en dan, bromde er wel wilde lust tot gannefen in ’m, maar de akkers stonden vol werkvolk, overal had je oogen nòu. Zoo temperde z’n begeerte[42]van zelf in de plukjacht, in de zekere opstapeling van de centen, dàn in die, dàn in ’n anderen kasthoek, dat de jongens niet wisten wààr. Alleen Guurt mocht ’t zien.——Manskappe, f’doag allainig ònraipe!.. in de sloffies.…Gain raipe hoho!.… die naim tie puur nie.… had de Ouë, om half vier uit huis, in den ochtend ’t land opstappend, gezeid tegen de jongens.Vroeg al zengde de zon, dat ’t zand onder hun heete, van strakken zit gekneusde knieën brandde.Guurt, met ’r zwaar lijf tusschen de bedjes geperst, in ’n oud-blauw jak en dof rooien onderrok, smeet de goudlichte slofjes vóór haar de paadjes in, achter de hielen van de knielende plukkers. Haar strooien breed-gerande hoed, hoepelde scheef, met ’n zwart bandje, gesnoerd om ’r blanke kin en los rond de ooren, spinragde fijnste goud van ’r harenkrul uit.—Ouë Gerrit keek nu en dan onrustig rond of ’r wel achtereen gewerkt werd, naar Guurt en Piet en naar twee nieuwe plukkers, die hij nog met moeite gekregen had.Oom Hassel plukte in mandjes met z’n kinderzwerm rondom in kruip en hurk tusschen de bedjes. Eén kerel liep tusschen de paadjes in, gaarde de mandjes bijéén, stapelde ze in groote houten bakken op ’n kar, aan den wegkant. Eerst nog moesten ze naar huis gereden en in den avond, naar de haven gebracht. Bak aan bak dáár op de kar, hijgde rooden adem uit, zoeten wierook. Bakbrokken, hàlf nog in zon, met de bronzen, hooge mandjes-opstapeling, gloeiden fel-rood, vloeiende bloed-glansen, in ’t groen geblaar verdoken. Andere uit zon, in luwte-haag van schaduw, verdampten karmijn, in gesmoord passie-rood. Daartusschen in, schakeerden de bakken in zangerig purper, diep en vroom, waarop weer nieuwe kisten neèrgesmakt werden, met zwaren adem, rood van opstand; vruchtbakken inzuigend ’t licht, rood-donker en diep als het smarte-hart van duister-fluweelen dahlia.—Telkens meer plukkers stapelden kisten òp, onder en naast hagen, met sla en wortelen, maar alles weer overstapeld door aardbeigloei, dat ’t klaterde en smeulde, hel-daverde en zong, ’t rood, ’t goud-doorvonkte[43]vruchtpurper, tusschen het rondom dringende uitwasemende groen, het goudgroen van boom en hagen.—Overal verspreid, langs de akkers, zetten kleur-kleeren van plukkers, sjofel en gehavend, maar in pracht-koloriet er toonhoog in versmeltend, warmte en diepte tusschen groen en hemelblauw; waasde er zeef-fijn, gouddampend licht, een sfeer van bevende uitwisselende glansen òver den pluk-arbeid héén, die de werkers verheiligde in den geweldigen ernst van hun ploeter; wiegden en wuifden ’n licht-brio rond, die vèr, heel ver wègschoof wat dichtbij lag, als week ’t landschap, in de trilling van lichtdampen, geuren en glansen, onder den zonnedaver en hittenevel telkens meer en meer achteruit, àl achteruit.—Drie kleintjes van oom Hassel, tengere meisjes, lagen ingekneld met blond-strooien hoedjes, verbogen als leger-des-Heils-kiepjes, met witte bandjes om blanke kinnetjes gesnoerd, stil te plukken, ’t kokende zongesteek en lichtgegolf op hun kleurige bradende ruggetjes.—Ze hurkten, knielden van knie op knie, en kreunden soms van pijn.—Ik kâ nie meer van main stuut, kermde één, pijn-vertrokken rechtòp spannend ’t lijfje in ’r rood jakje, dat de borstjes zwollen, ’t kleine gezichtje even uitdook onder hoeddiepte. Suffig bleef ze uitkijken, een knuisje in de rugstuit gedrukt.—Nou seg, mô’ je main knieë voele.… die binne heuldegoar deur t’met.—Seur jullie tog nie!.. de son is ’n kwoaje veur ons.. en d’r is nog ’n heule doàg, zei wrevelig de oudste, ’n ruk naar beneden gevend aan den rand van ’r zonnehoed, de twee klagenden met gebaren opporrend te werken.Zachter wrevelde ’r stem na:—Kaik! Willem loert al.… aa’s ie jullie in de goàte kraigt.. bin jullie d’r bai.… bai foader!.…De kleine, die ’t eerst geklaagd had over rugpijn bleef droomerig ’t bedje afstaren, ’r knietjes verhit en pijn-zwaar onder ’t tengere lijfje, speelsch de vuurlijn van purperende mandjes, vòòr haar padje, met ’r knuistje voor de oogen, brekend.—Gedachteloos[44]at ze wataardbeienuit ’r hand òp, plukkend onderwijl door, zonder ’r naar te zien, nog speelscher in kinder-luimigheid òpkaatsend snel achteréen, wat vruchtjes boven ’r hoofd, roodglanzende kogeltjes, vurig de luchtblauwte in, dat ’t vochtrood spiraalde boven ’r schalks gezichtje. Als vlammige kurketrekkertjes puntten de vruchtjes nèer op ’r smoezelige blanke handjes, die dropen van aardbei-bloed. Maar gauw, met ’n angst-woesten duw in ’r rug en ’n snauw van ouder zusje òver ’t bed naar ’r toegebogen, hurkte ze weer in, grabbelden ’r pootjes tusschen het groen van ’t bladerengewoel, telkens vòller van fonkelend roode vruchtjes, ze voorzichtig neerkogelend in de mandjes.De groote plukkers, mannen en meiden, knielden en hurkten, telkens wisselend van knie en houding, in gloeipijn niet meer wetend, hoe te graaien; schoven voort, zwijgend in koortsigen arbeid, in stommen worstel tegen de kookzon, die doorzengde, brandend op hun koppen, nekken en rug, dat hun goed heet verschuurde op ’t naakte zweetlijf. Vèr, òver hun dampende gemartelde koppen, bleef blauwen zalig azuur, tot achter zwoeg van verste plukkers. Gestalten in buk, kruipend over de akkers, vernevelden daar in hitteviolet, floersig en barnend. En tusschen hen in, joelden geuren en kleuren, in de klare zuiverte van het eindloos hooger en hooger vertintlend blauw, doorschijnend en rein als albast.—Tusschen het groen ging paars-korte schaduw op den grond van werklijven, die bewogen of sjouwden, bak ààn bak àf; ging licht wiegel en gouden heete trillingen van losse groenteranken, pal in ’t zonnevuur verterend, smeltend weer in zilveren afkaatsing, vergloeiend op kantblaadjes van hagen. En telkens ànders weer lag ’t land geblakerd en schroeiend gezoend aan de kanten, als spel van windkringen door boomkruinen heenwuifde, verblindende warreling van waterval-goudgespat tusschen bladeren-bogen neerstortte òver de paars-dampende hitteaarde. Telkens uit andere hoeken, vervluchtigde kwinkeleerende jubel van vogels, tierelierende zangers op lucht-fluiten, met cierfijnen fladder, donker scherend ’t hemeldiepe, blauw-roerlooze in. En soms,[45]beefde zachtjes en fijn, als enkel cierkronkelig lijntje van geluid, klaar kinderstemmetje òp in zang, achter hagengroei, ontroerend en dartel tegelijk.—Achter Kees en Piet in pracht-roode rijen kronkelden de slofjes áán als blank gevlochten goud, ’t vruchtenvuur brekend in gloed, tusschen groen. Gaterig en bleek vlekten de onrijpe aardbeien ertusschen. Voorbij de vuur-omzooming van de groen-glanzende bedjes, tusschen ’t gevlam en geknetter van ’t doorzonde karmijn, liepen de kerels drukker met bakken áán en af.—Snôf’rjenne Guurt, jai plukt te raip, schreeuwde Dirk onthutst.… sullie naime f’rdomme soo nie.… motte onderweg puur-en-raipe.… ’t is veur Duijtsland.. hep de Ouë nog soò sait.…—Dà’ te raip?!.. Wel neenet! Hullie binne.…—Debies! seg moar heé? Kaik dan sellefers.… kaik die!.. kaik diè!..Dirk in rood-driftig zweetgezicht òvergebukt naar Guurt, wroette met z’n grove vuile handen in d’r mand, perste driftig wat aardbei fijn tusschen z’n vingers, dat ’t sap ’m langs de polsen droop.—Nou.. daa’s ook alles.. moar kaik.. die!.. die!.. sain puur groene buikies.…—Daa’s net.… f’rjenne, je knaipt hoarlie t’met tû moes! paa’s tog op maid.. blaif d’r òf.… ikke lief dá’ nie.…—Wá’ ’n hupla’s die hep!.. sou je nie!.. sou je nie!.…—Seur tug nie Dirk! lá’ ’r dur gangetje!.… gromde de Ouë van z’n bed af, bang dat Guurt er den boel bij zou neersmijten. Elk jaar nog had ze verdraaid te plukken. En nou, in ’n gril, gewillig deed ze mee, om wat extra centen voor de kermis te beuren. F’rduufeld, nou gonge de kerels ’r koejeneere, bromde ouë Gerrit.—Dirk had naar ’m omgekeken, zonder te antwoorden, z’n rood bevochte vuile handen, loom op z’n knieën afhangend, z’n gezicht verzengd pal in zongepriem. Roode vlekken dropen van z’n blauwe kiel en z’n blond-wit haar[46]plakte op z’n stompe voorhoofd in zweetkrul, onder de pet uit. En telkens even, in lodderigen oogstaar, probeerde ie òp te kijken naar de zon, maar dadelijk knipperde ie z’n oogen dicht, paf van ’t felle gepiek dat er inboorde, voelde hij zich blind gegooid met kokend licht. Z’n vuile broek stonk van smeer en zweet, zurig tusschen het geurzoet. Voort maar schoof ie weer in zwijg, niets begrijpend meer van den Ouë, waar die pas ze toegeschreeuwd had, vooral geen rijpe te plukken. En stiller den werkmiddag rond, schoof ie verder, voelde ie ’t woestijngloeiende zand onder z’n knieën schroeien en branden, verbukte en verwisselde ie telkens van knie, als er één, gekneusd en vergloeid, z’n zware paffe lijf niet meer dragen kon.—God f’rdorie, geeuwde Piet, daa’s ’n kwoaje.… die son f’doag! main nek stoan puur in brand!.…—Dá’ sou’k denke, je weê puur nie meer hoe je kruipe mot …—Debies! main knieë sain deurmidde.… aa’s ’k katteliek waa’s lie’k main stempele! galgenhumorde een plukker half schuin naar ’n makker, die meezong Zondagsavond’s in de kongregatie.—Dirk, in den winter nooit sprekend van den zwaarsten zwoeg, morde, giftte nou, in verhitte worsteling tegen de zon, die ’m roosterde en martelde, waartegen ie ’n woesten haat voelde. Z’n rug stond den heelen dag in brand, z’n nek stramde verlamd in steekpijnen van voortdurenden buk en z’n branderige schonken schuurden jeukerig tegen z’n vuil heet afgesjokkerd baai goed. Guurt schreeuwde dat ie moar s’n laif d’rais most boene, mi’ wa’ woater.…—Da’ doe’k f’noafed t’met bai de put! da’ selle wai hebbe.—F’noafed is d’r gain tait.… hee!.. Joanse, scherpte Piet voort tegen den katholieken plukker,—nou bi jai stempelt, hee?.… moar hè je nou puur gain pain in je donderemintje of peseer je ’t kerrikie.… mi je skietgebedje.… G’loofd sai Jaisis Kristus.… en de hailige sekreminte des oaltoàrs?.…—Laileke duufels-toejoager, bromde die terug, hoor je main kloàge?.…[47]—Nou ikke stoan t’met dertien uur te plukke.… ik bin d’r hard stikke-dood van.… main stuut is deurmidde.. ha’ je nou moar je maid hier Janse.… veur ’n f’rsnoàp’rinkie!Janse zweeg, giftig op Piet, dat ie met z’n geloof begonnen was en z’n dochter. Dat kreng had schande over z’n huis gebracht. Had ’n tweeling van ’n los werkman, die zich dood zoop. En zij werkte nou op de Wierelandsche fabriek van ingelegde groenten, tusschen ’n hoop van dat meidenschorem. Vier maanden geleden had ie ’r de deur uitgetrapt, met ’r dikken buik, en nou begon die kerel er weer van te klesseneere..—Wat ’n gesoànik, schreeuwde ouë Gerrit naar Piet, al kon ie bijna zelf niet meer van pijn, toch voortploeterend in heete werkjacht.… wai doene ’t allegoar.… jai mi’ je stuut en jai mi je knieë.—Nou? watte?.. allegoar ke’ je hoore skraiwe?.. die is f’rduufeld ’n meroakel.… mó’ je main of main jassie? dolde Piet geraakt toch.—Hoho!.… hoho!.… wá’ sou da’ t’met hain? vier en vaife en nie genog aa’s.…—Hain?.. Welneenet.. aas ’k moar wa’ neusiesverf had, sou ’k main vast.. ’n kwassie smaire!—F’rdomd! sel nie beure! sel nie beure! krijschte de Ouë, bleek grauw van schrik en hitte,—òp ’t land komp gain druppel, hoho! hoho!In langzame optrekking van z’n linkerknie, met z’n handen steunend in ’t gloeiende zand, had ie zich uit z’n strammen hurk opgericht. Z’n rug voelde ie vlijmen van pijnen en z’n beenen stonden heet te trillen onder z’n lijf, als zou ie instorten. Piet gromde kwaadaardig:—Skreeuw moar nie.… set ’t nie op je heupe.… maan! moak goàr gain relletjes.… aas ’k ’n urretje likke wil soa’k jou nie vroage!.…—En jai Kees? vroeg Dirk, hep jai ’t lekker?—Kees, Kees, bromde Piet weer, die hep gain rug, gain stuit, gain kop, die hep niks!.… goàr niks!Stil zwoegde Kees door, ’n endje van hùn bed af, zonder[48]omkijken, in strakken loer op de aardbei, met uitgolvenden slag z’n manden vullend, tweemaal sneller dan zij.—En telkens àchter z’n hielen, draaide ie ’n gouden slof neer met trillend vuur.—Op àl de paden, achter de akkerhagen, stonden groote bruine, rauw-groene en roodbemeniede handkarren, zwaar beladen met goud-glanzende sloffen en bronzen mandjes.—Van allen kant tegen den middag, kwamen de plukkers aansjokken met bakken, sloffen; geurde en smolt ’t vruchtenrood en sap inéén met gras en groentearoom, als wierook door de lucht uitvloeiend en verwaaiend. De hemel wiegde zwijmeladem en bruiste zonnedronkenschap door ’t stedeke. De luchtkoepeling stond gespannen in prachtglans van blauw, hoog boven de kruipende plukkers en pluksters. Overal, in de paadjes nu, achter de hagen, slangden de purperen regels in gloeiende zoomen. Kielblauw en kielrood, ademde hoog de zonnehitte in, en strooien hoeden blondden al meer in ’t jubellicht. Tusschen de doppers, kronkelden fel-groen, de duizelig lange slakroppen-regels, blank beschubd, en de jonge erwten glansden naast de bladzilvering van tuinboonen. En woester, gelijk met zomerroes, zonnedronken van licht en kleuren, ging ploetering òp, jagender. Alle handen koortsten rond in den grooten haal. Ze waren besteld de tuinders, door ’n paar groote afnemers uit stedeke, die in Engeland en Duitschland hùn waar met flinke verdiensten van de hand zetten. Duizenden op duizenden kilo’s moesten geleverd worden, naar spoor gedragen door de werkers, dààr gewogen en verzonden.—Iederen dag làter in ’t saizoen, kon de prijs van kilo’s dalen, als van alle kanten te groote oppropping en aanvoer kwam. Daarom, in woeste jacht, met zwarte afgunst onder elkaar, heet op voordeeltjes, plukten ze in koortsige haast, om anderen vóór te zijn, als ’t kon; anderen er uit te smijten en op moment dat aanvoer ’t minst nog leek, nieuwe bestellingen bij te krijgen; al was er in den winter al kontrakt gemaakt voor vaste levering, met iederen gast die wou.—Dirk had van ’t doorloop-pad àf, op den akker ’n groote[49]kar met verlengboomen, om breeër op te laden, volgestapeld met sloffen en manden. Wat bàkken daarboven òp, versjouwde ie mee naar de hàven, de mànden naar ’t spoòr. Jan Hassel de minst-vijandige neef, reed mee den weg op naar ’t station. In zweetdamp, met bemorste kielen, geurvracht hoog opgestapeld en wijd-uit geladen van achter en van vóór, tot op de handkruk, zacht zwiepend op de verlengboomen, verduwden ze hun loodzware karren, met borst en armenspanning, pezig-gestramd, ’t lijf in rukkende stooten, Wierelandschen straatweg over naar ’t station.Zonlicht zoog heet in ’t vruchtenrood. Over de manden lag bladgroen van tuinboonen, fluweel-zilverend er om heengestrooid, tusschen het purper, dat glansde als koralig licht-glimsel.—Achter Dirk en Jan Hassel áán, ratelde een stoet van karren, geduwd door tuinders, gelijkelijk optrekkend in lawaai en gedrang naar ’t spoor.—Bij ’t zijhek werd halt gehouden, zwenkten om beurten ’n paar groenboeren de karren àchter de gele, schroei-zonnige omheining.Van Lemperweg, haven en zijstraatjes, ratelden en woelden meer karren áán, gloeide ’t karmijn en purper, al naar aardbeisoort, in de gouden rietsloffen of blank-gele ronde manden; wierookte al zoeter, dieper vruchten-aroom heet-zomersch over ’t plein; vuurden en vonkten de aardbeien van alle kanten, zonnedronken in blaker, onder trillenden zonneroes.Kerels met vermoeide, grimmige koppen, paarsig vergrauwd van zweetvlekken, uitputting en zwoegdrift, duwden òp, woelden, zwenkten, trokken hun karren, schreeuwden en vloekten tusschen gedrang, geratel en gedonderbonk van karren en manden. Trekhonden, afgemartelde beesten, verwoed van hitte en dorst, blaften gillend en bassend, stonden of lagen tusschen de kleurig-donkere kar-assen ingekneld, met riemrepen over neus, bek en nek gekneld, ademstootend in snellen hijg, woest schuim verkwijlend.—Van vier uur al ratelden en bonkerden wagens en handkarren áán. Bergen manden stonden opgestapeld naast wagens, apart voor aardbeivervoer, vastgehaakt.—[50]Op ’t station, aan achterkant van ’t zijpad, zat ’n man vóór gewichtstoestel, verzweet en gejaagd, in ’t ratellawaai en schreeuwrumoer om ’m heen, tusschen treindrukte, loop van passagiers, kruiers en zwellenden aanvoer van waar, met z’n bonboekje in de handen, afrekenend wat ieder leveren kwam. Telkens achter ’t hek, als ’n tuinder klaar was, zwenkte ’n ander uit al sterker aangedromde, woelerige karmassa, schuin tusschen de latten-omheining, op grof-bonkerig gekei, ratelde de leegte achter ’m dicht; stond ook diè weer met ’n berg nieuwe manden en vruchten voor den kontroleur. Voorzichtig zette iedere tuinder z’n rood-vochtige manden met aardbei op de èven boven den grond zwevende schaal, netjes op elkaar inschuivend en voegend al meer en meer, tot de heele vracht van hun kar afgeladen was.De kontroleur, met z’n zweethoofd, z’n gezicht doorgroefd van zorgtrekken, overspannen arbeid en vreemde zenuwtrilling van lippen als geluidstroom en herrie watervallen over hem uitstortten van haast en jacht,—woog af, trok handvat van weegschaal achteruit, loerde intusschen naar kwaliteit der vruchtjes.—Naam! vroeg ie kort, met moeë stem, ’t zweet van gezicht onder oogen en om neus uitwrijvend met rooien doek, waarop ie bang keek, na elken zweetveeg.—De Kaiser!—Wie?.. Piet of Willem?—Willem!—Achterweg?—Welneenet!.. Slangetje!—Slan-ge-tje herhaalde ie brommerig, zich zelf dikteerend, onder snel geschijf, afscheurend in rakettige karteltjes het geperforeerde reçu.—Hier anpakke!—Weer schuurde z’n zakdoek langs z’n zweetnek en hals, veegde ie met nijdige rukken ’t vette nat onder z’n hemd weg. Dirk en neef Hassel konden met hun karren ’t zijhek nog niet in. Achter hen áán, dromden al meer paardwagens en karren met de hijg-sjokkende en duwende[51]kerels er vóór, in al sterker áánstroom van aardbeien, purperende neergestorte wolken van rood licht, fijn-prikkelend doorgeurend weibrok, paden, stationsplein. Gevloek en geharrewar van rauwe vermoeide stemmen, krijschte òp uit woesten sjouw en gedrang.—Doffe blaffen basten tusschen hoognijdige keffers en kermende hondestemmen òp,—dwars door menschengeschreeuw en ratelgeraas, dat hooren en zien verging. Kisten en manden, leeg en uitgehaald, keilden rond achter ’t hek, waar ’n geholpen groep afzakte, en overal dromde gegrom en driftig geworstel der zwoegers, tusschen hun geurende stille vruchten in, hun roode bergen van geur en vonkpracht.—Op elkaar hitsend, afgunstig en nijdig, wou de één den ander voordringen. Plots kwam er lucht in worstelende ploeterende bende, konden ’n paar wachtenden inzwenken, met hun wagens en verlengde zwiepboomen, ratelden er karren wèg, dwars tegen aandrommende massa in.——Nou debies! Ik ke’ nie langerst wachte, krijschte éen uit den karrenstoet vóór ’t hek, met grauw zweetgezicht, vette kerel, paf van hitte, uitblazend van vermoeienis, gekneld z’n dikke lijf tusschen andere wagens in.—Hulp d’r sain effe eerst, gil-schreeuwde één achter ’t hek, tegen kontroleur, die nu op ’nouëmand zat, met z’n bon-boek op de knieën gedrukt, rondloerend overal heen, of ze’m niks bestalen, alles goed verstapeld werd in de donkere wagons.—’n Blauw potlood stipte ie telkens nat tegen z’n mond áán, dat z’n lippen paarsten als zou ie plots ’n beroerte krijgen. Van ’t toegeschreeuw, de rumoerige hurrie en onrustjacht achter ’t hek, maakte ie zich niks hooren.—Vóór ’m stonden de tuinders, hun waar verladend op ’t breede, lage, met stof-vuil overwaaide weegtoestel.—Acht honderd kilo van?.…—Joapeke!—Jaapeke uit?..—Lemperweg!..Snel kraste z’n potlood, stonden de tuinders voor ’m ingebogen te loeren, naar de koortsige krabbeling van blauw puntje[52]op ’t blanke schitterpapier, waar ’t licht op beefde. Bij ’t ontvangen van reçu, hielp de tuinder z’n waar van de schaal laden. Twee smerige kerels, vergrauwd in zweet van zware werkjacht sprongen òp en àf uit de binnen-in-donkere wagons, half volgestapeld. De mannen rukten Jaapeke z’n manden en sloffen uit de handen, grepen ze van de weegschaal, klauterden met de aardbei wagons in, dat de purpering kwam te dooven tusschen de morsig bestofte houtwanden, waar àl hooger en duisterder de geurvrucht op elkaar gesmoord, in verdook.—’n Twintig meter van den kontroleur af, op ’n weghoogte van grove keibestrating, àchter omheining, propte nòg ’n drom karren, rumoerde landvolk met waar en manden, bij ’n konkurrent-kooper, ’n Duitscher, die onder geeldoekig tentje, waar zonnebol gloeiheete lichtschaters op néérproestte,—aardbeivrachten innam en verzond in andere wagens weer.’n Ontzaglijk dik wijf met reuzinneheupen, en magere dochter, langhalzig en beenderig geitengezicht, zat achter ’n klein kleurig tafeltje onder ’t brandende tentdoek te schrijven, reçutjes en kopietjes, terwijl zwaarbuikige Duitscher afwoog en loerde naar de vruchten, met z’n glimvettig bollig zweetgezicht.—Achterover, op z’n kruin geplakt, blankte ’n wit-stijve automobielpet, glansfel beklept.—Met iederen tuinder rumoerde en streed ie kort en stemsnauwend-krasserig, over gewicht en waar. Moe’, niets begrijpend van z’n Duitsch gebrabbel, stom en dorstig in de hitte van d’r zwoeg, kregelden hun ruwe gezichten, vervlekt van zweetvet, streken ze hopeloos en zorgelijk in angstig spiervertrek van zenuwmonden, handplat langs hun voorhoofden en monden, losten ze verder, zonder ’n woord verweer, wachtend op reçu.Aldoor weer ’t oerige moederwijf brabbelde wat tusschen het gebrauw van den zwaarlijvigen mof. Lacherig en spottend, gromden eindelijk de kerels in vloek wat terug, verlegen onder ’t niet verstaan, òpkijkend telkens naar bemiddelaar, die naast ’t zengende tentdoek stond te schroeien in zonnevuur, allerlei zure grapjes uitlolde tegen langhalzige geelmagere dochter met den geitenkop en enorme, vetdijige moeder. Onder geschrijf[53]en overgereik van bons aan tuinders, schoot zij,—onder fluisterend gekonkel van bemiddelaar in ’r ooren,—om ’n haverklap in proestlachen uit; schommelde ’t moederwijf van gierpret, ’r logge boezem lang nog nàbevend achter klein tafeltje, dat meelachte in lichten sidder tegen d’r schuddenden vetbuik. Toch, ieder keer duwde ze den kerel met ’r vette worsthanden soms midden in ’n grap, ruw buiten de tent, loerden zij en ’r dochter naar de weegschaal, of d’r niemand bedroog; gingen d’r sluwe klein-grijze oogjes in ’t pappig opgeblazen maangezicht lichtend rond, in kring der sjouwende werkers, die doorlaadden en losten, in stommen zwoeg, donker, morsig en vergrauwd, tusschen ’t schittervuur van hun vruchtjes. En stapel op stapel, purper leven slurpte op, al meer, satanisch-gesperde muilen van donkere wagons.—Kleurigste hurrie daverde rond den kontroleur, verder op.—Eindelijk was ’t Dirk’s beurt om te lossen, zwenkte ie vóór, met z’n zware kar, wrong en schuurde ie door engen hekingang, in giftduwen tegen de kruk, dat z’n kop te barsten stond, zwellend van spierspanning. Zweet droop van z’n wangen in de sloffen, toen hij mand voor mand van z’n kar op ’t weegtoestel schoof, berekenend, nauw passend en insluitend de manden, onder ’t opstapelen.—Van?.… vroeg kontroleur, al klaarstaand met potlood op de lippen, tongpunt er tegen aangedrukt.—Hassel!..—Welleke Hassel?.…—Gerrit!—De Blommepot, gromde ie voor zich uit, veerend op z’n mand, blauwe krullettertjes op z’n papier krassend.Dirk in zweet en zon, stapelde dóór van z’n kar, rustig op ’t toestel.—Hee, hield plots kontroleur z’n arm in, met ruwen schreeuwstoot, van z’n veerende mand opspringend,.. wa’ is dá’? die mand dààr.… en die?.… daa’s drek!.… ke’k niet gebruike!.…[54]Dirk hield op, keek verstomd met z’n koeienblik den kerel aan, die weer was gaan zitten.—Wa nou?.. wa’ bruike?..Hij wist eigenlijk wel dat ie twaalf sloffies met vuil goed had meegekregen. Ouë Gerrit wou, woù nou eenmaal van de berijpte vervreten hoek wat pluksel verstoppen ònder de beteren, om zoo nog wat te beuren van z’n teelt, denkend dat in de drukte geen sterveling ’r op letten zou. Drie tuinders hadden ’t er op die manier al door gekregen, waarom kon ’t hèm ook niet lukken?—Droal nou nie soo Hassel, donderden achter ’t hek wat kwaadaardige stemmen, van ongeduld barstende tuinders, wai hebbe ook ’n kilotje!—Stik doar, schreeuwde ie terug. Woest nijdig begonnen plots z’n koeienoogen te werken, en kwaadaardig te schamperen van wreed licht.—Daa’s d’Ouë s’n skuld, bromde ie zacht voor zich uit, die hep main d’r làte inloope.… da kreng.… en nou opelik betroàpt.… ’t foàrke sou je kefuus moàke.…—Nou! nijdigde kontroleur uit de hoogte.. Stapel die rommel nou maar weer weg, want neme doen ik ’t nie.…—Moar maa’n! je laikt puur daa’s, se benne bestig, loog Dirk, om zich te redden.… allaineg ’n baitje stainderig meskien!.…Kwaadaardiger vertrok kontroleur z’n zweetmond. Hij was weer opgesprongen van z’n mand, die knarste en kraakte onder z’n lijf.—Als jij hullie nie van de schaal neemt, donder ik se fierkant tege de wage an, jou drek!..—Stik! dá’ bi’k tog sellefers bai, hee? Daa’s f’rdomme twee doàg kromplukke weust.… twee doage!.… dâ je je donder deurmidde barstte.… en nou veur niks werkt!—Al had je ’r ’n beroerte an gekarweit, ik neem se soo nie.. en fort nou, gauw ook! d’r blijve nou alleenig die veertig mande daa’s.… kijk!.… zes.… honderd.… kilo kijk! kijk!De gewichten langzaam natellend, ingebukt en waggelend[55]op z’n veerende mand, krabbelde ie de vracht op z’n boek àf. In dralende weerspannigheid had Dirk weer z’n twaalf manden van de straat op de kar geladen. Achter zich zag ie neef Hassel staan, klaar met z’n waar, in schamperen lollach op sarsnuit dat Dirk z’n rot boeltje terug gekregen had. Prachtig glansden neef Hassel’s manden, rond en hoog, op de handkar. Z’n bruin eikenhoutige wagen, met lichtblauw beschilderde wielen, als azuren raderen, waarin verflitsten de spaakjes in zongespat, kleurfel òpkringend tegen de daverend-oranje bemeniede assen, gloeide in zomerbrand, met z’n hel-roode aardbeistapels, rondbroeiend geurende warmte van glansen. Op elken mandrand, goudvlechtsel in zonnegloed, had ie groene bladerenkranzen geslingerd, tusschen het zingende warmhooge rood, en half beschaduwd vruchtenvuur, dat ’t frisch jubelde bòven de karkleuren.—Daa’s siek veur niks, lachte kontroleur, se gaan toch de kist in, wees ie spottend op de wagens.Dirk stond nog achter z’n neef, woedend neer te kijken op kontroleur. Die vervloekte Ouë … Most.. ie sain da lappe?.. hai sou sàin t’met de mande veur s’n skainhailige tronie sloan.… Sóó hep hai nog sait daa’t goàr nie gong.… nie gong.… f’rdomme!Maar kontroleur, begraven onder nieuwen werkdrom, zag niet meer naar ’m om, loerde alleen rond naar vervoer, gewicht, wacht op reçu’s.—Onrustig keek ie telkens achter zich, of alles wel vlotte en niets gegapt werd; of de kontrabons klopten, de wagens zuinig genoeg bestapeld werden.—Te zweeten, te zuchten zat ie van ’t aandrommende werk, rondom z’n overal kijkend lijf, in ’t geraas van treinen en dreungesmak, getier van ’t landvolk, dat van ongeduld sterker schold en trampelde voor hun karren. Nu en dan, heerig en afgemeten kwam patroon van kontroleur even kijken of de boel liep, stond ie dwars in den weg dat de tuinders ’m omver boften met hun karren en manden. Gauw had de heere-baas ’m gezegd, dat kontroleur zich niet moest laten beetnemen door ’t goochelend sluwe volkje;[56]dat alle vergissingen en terugzendingen voor zijn rekening kwamen. Dat wist ie wel, en gejaagder loerde, zweette, vertilde ie de zware gewichten.—Dirk had zich àchteruit door den drom wachtenden met z’n kar heengewerkt. Achter ’m laaide ’n roode gloed van purper en karmijn, waartusschen ’t landvolk woelde, met ’r sjofele stinkende plunje, bronspilow broeken, zwart-fluweelen truien, vuil-blauwe en lakrooie kielen, grijs-bruine en goorgele hemden.—Nou moest ie nog even, achter de Duitschers, om nieuwe sloffies.—Van ver zag ie al ’n troep tuinders worstelen en dringen bij ’n wagen op tweede rails, met leeg aangevoerde manden. Z’n kar zette ie vàst tegen ’n boom vóór weibrok, en wrevelig achter ’t spoorhek drong Dirk dwars door den stoet.—Ze vochten in nijdig gedrang, rond den wagon.—De een duwde den ander achteruit. Met trappen en stooten, infuriëndewerkkoorts, doken telkens ’n paar weer in den nauwen wagon, op geschreeuw van den grooten aardbeikooper en mandeigenaar, die aflas hamen van tuinders.—Hulers vier pakke, dreunde z’n stem, z’n oogen strak in loer op ’t lijstje.—Persint, schreeuwde ’n kerel terug, dook weg in den nauwdonkeren wagon, holde den anderen kant weer uit met ’n trits sloffen aan ’n touw, door de hengsels heengeregen.—Daa’s meroakel gemain!, krijschte éen woedend, altait Hulers veur ’n aêr,.. daa’s puur de fint van de bestige woar!…Een brutale, met roet-zwarten baard om geelbleek gezicht en smalle schuwe oogen, wenkbrauwen neger-donker, rukte ’n tuinder z’n mandjes uit de handen, vloekend dat ie al drie keer voor niks hier was, op die manier niet plukken kon, z’n boel verrotte op den grond. De baas, er bijstaand, mengde er zich in, maar ze snauwden, verdrongen den heerigen vent. Hij voelde dat ie in zoo’n geweldige, stuipige werkjacht, z’n meerderheid verliezen ging.—F’rek jai skorum, vloekte en tierde de onthutste tuinder, verhit van zongepriem, dat z’n oogen in brand stak, afgejakkerd hijgend van uitputting en sjouw.[57]—Ke’ main puur niks bomme.… ’k hep in twee doage al nie plukke kenne.… soo lait main oogst veur de waireld.—Moar daa’s main.… skar! duufelstoejoager.… kabbeloebeloap!.… Doòr schold ie, wou op den zwart-baardigen kerel instormen, maar tusschen hen in drongen andere zwoegers, worstelend om sloffen en manden, den wagon òp en instormend, grijpend en rukkend wat ze maar krijgen konden.—Jorisse!.. riep statig baas af, acht pakke.… om schijnorde in de bende te brengen.Maar niemand die naar ’m hooren wou.—Wat ’n janboel, bromde Dirk, die met z’n stiersterke boffende schoften door ’t gedrang en gewurm der half vechtende en razende kerels heen gestooten was, magere zwakkelingen op zij duwend. In de woeling en hitte van ’t gegrijp, gedrang, en geroep werden als verschoppelingen de zwakkeren vóór- en achteruit gemept. Bòven de koppen en kromruggen van ’n troep tuinders, die aandrongen op één plek, graaiend naar sloffies met armen vooruit, in woeste hebzucht,—deed Dirk z’n greep, met z’n granieten krachtarm naar één kant waar ie ’n lossen stapel in de gaten had gekregen.—Daa’s jou beurt niet.… terug! schreeuwde ’n wagonknecht, luisterend naar den afroep van patroon.—Maar terwijl die bij één wagon-end aansjouwden en afweerden, ganneften ze aan anderen kant de sloffen wèg, in tierend kabaal en worstel.—Ikke hep ses pakke, skraif moar roak! beet Dirk af, de rist manden over z’n schouers gooiend na ’t bindtouw eerst stevig om z’n hand gekneld te hebben, dat ’m niemand wat afnemen kon. Luchtig was ie den wagon uitgesprongen, lollig zich voelend, dat hij weer voor ’n pluk geborgen was met sloffen.Honderden, teleurgesteld en woest, nijdig gromden en raasden tegen de kontroleurs en bazen, waarom ’r niet meer manden waren. Een, wachtte al drie, ’n ander al vier volle dagen.—Ke’k niks an doen, laike puur roofers.… schreeuwde ’n kontroleur, morgeochend om vier uur.… stoan d’r weer twee woages, mo’ jullie moar ’n vroegertje moake!..Zóó, in zwoegzweet vergloeiend onder schroeizon die ’t kokende[58]licht rond ze neerdreunde, doornageld van steken, gemarteld en vergramd, huilde in raas-drift hun klacht naar gereedschap, barstte hun haat en afgunst op elkaar uit, in woest gescheld en getier; steeg de koorts van hun werkjacht, hamerde de pols van hun arbeid heeter, hooger, onmenschelijker. Hun ploeterramp dáár, lag als ’n lijk te ontbinden, tusschen het gouden daggeluk, het jubel-geschater van licht, de wellustzwijm van geur, tusschen het groen en ’t hemelreine, wijdzalig azuur, waarin het leven bruiste, en de kleuren klaterden.—De wilde storm en donkere furie van hun arbeid, brandde en stuipte in ’t rood van hun vruchtenzee.. Verbitterd in stillen wrok, stond er verwoesting van leefrust op andere koppen gerammeid, driften van zorg en geld-haal, die ze razend maakte, razend.Aan weirand tegen spoorhek, èven buiten den worstelkring van schreeuwers om sloffen en ronde manden, stond droef-verschrompeld in eenzamen staar, ’n blinde man op klein orgeltje te draaien, z’n kaal hoofd pal in zonnevlam, brandend op schedelnaakt.Tusschen gebonk en geratel dóór, schoten melankoliek, triest-zachte klanken uit z’n ween-instrument, dat met ’n riem over z’n borst gesnoerd, vóór z’n buik hing, steunend op ’n kort schuinen poot in ’t zand.—Eén mager-gele hand lag te beven op ’t bovenblad van z’n orgeltje, en de andere dor-uitgepeesd, draaide, draaide! Wèg zonk klaagstem van weenend orgeltje in den tierenden werkroes van ’t land volk. Bloedrood vlamde ’t omlijste gaas van orgelkast, vurige poortjes in ’t licht. En stil, krombeenig ingezakt, magerde z’n schreiend-sjofele figuur, in groen-roode jas, als vastgenageld, gekruisigd tegen ’t hek, eenzaam in de drift-woeling van ’t worstelende werk. Vóór ’m, op ’t heete gras lag ’n verluisd vuil mandrillig kereltje te smakkeren op wat verkneusde weggeworpen rottende aardbeien. Stommer, pruttelden de dooie droge lippen van den blinde, angstig gissend waar z’n zwijgend geleidertje ’m neergeduwd, had. En lang, heel lang bleef zon, sar-heet priemen op z’n naakt schedelvleesch, op z’n mageren, smal-hoekigen kop, angstigden[59]z’n staar-oogen, als inluisteringnaar wat ze nietzienkonden; draaide de hand, draaide, draaide uit, droef klankengeween, verdoofd wegvloeiend tusschen de furiënde aardbeienwoeling en felle glorie van zomerbrand, overal rondom.Veel later, in den avond nog, dromden meér karren en wagens áán, lag ’t aardbeipurper en karmijn te koortszingen in ’t avondgoud, kwam ’r nieuwe vloed aanspoelen, aangolven, op de ratelhotsende karren, dampend nu in bovenaardsche zonglanzingen.En van allen kant, de zwoeggezichten keken strakker, vermoeider.—Op ’t stationsplein vóór en achter ’t hek, oproerde ’t nu, drongen en worstelden in beangstigend stillen drom, stóm van werkaandacht, de late plukkers. Wagons stonden in vreemd goudrooden gloed, in schijnsels van kathedraligen lichtdamp, overwazend de ploeterkoppen. Voor hun oogen verdroomde in nevelige pracht, ’t groene, eindelooze polderland, heel vèr, in ’t zinkende licht. De aarde dáár scheen te verdauwen, te drenken de verschroeide vruchten, en in zomermist zoelden de zoete grasgeuren en bloemenrook van de weiden en akkers òver naar den spoordijk.—Sappig, in groen-zilverenden en aureolend rood-zachten zonneglans, vredig en hitteloos, verkleurde ’t weibrok vóór ’t station waar blinde man gestaan had.—Lemperweg, zwaar beboomd, groende in fijne lijngolvingen tegen goudregenende luchtverte.—Dáár vertintte donkerder purpergoud, in ’t al zinkende late licht, àchter de zwoegers, die verteerden in den dronken hartstocht van verkoop, de geweldrazernij van aanvoer en afname, niets meer zagen van ’t leven, rond hen heen. Van alle kanten stroomde nog áán zoete vracht, in wemeling van rood, róód, in al heerlijker schakeering, ’t zoetste purper, tusschen helsch vuur.—Over den karrendrang groeide de wondre avondzon, met z’n uitpralend madonnagoud zeefsel van broos-zinkend licht.—En hooger, tegen de scheemring in, stapelden òp de wagons, en zoeter rookten de vochtige geuren in den verdroòmenden lichtval.—Tòt laat in den avond,—Lemperweg in boomenschemer al[60]te wiegen lag in zalige zomer-nachterust, heel Wiereland verzwelgde in geuren en zoete kweel-geluidjes van wei en weg,—bleef tuinderszwoeg àchter en vóór ’t hek drommen; bleef donkerder vonken ’t vruchtenrood, schonkeren en botsen ’t martelend geduw van atlaszware sjouw-vrachten. Al meer verduisterde de roode vruchtenzee in den zachten ruischgolf van scheemring, verduisterden de kerels méé in de azuren neerkoeling van nachthemel. Woest wrevelig staakte eindelijk de zwoeg, ratelden de karren terug naar krot en straat, akker en pad.—Te donker werd ’t om verder te lossen.Stiller nu op ’t spoorplein daalde rust, vernevelde de polderwei in nachtelijk, droom-donker groen, in heilige stilte, als ruischte elke grashalm heilig nachtgebed uit.Dieper nageur van vruchtenzoet bleef aromen over ’t plein.—Van verre, uit teere, avond-doorschemerde laantjes klonk vedelweeke stemmejubel van ’n meisje, avondklanken verluiend in den zomernacht, als heimwee-zoete herderszang.En wijd, almachtig, in diep blauw, zaaide de nachthemel z’n sterrengoud uit; hemel als eindlooze fonkelkoepel plots in ’t duistere azuur gegroeid, waar geruischloos gaas-ragge engelenvleugels, zilveren glansen heiligend doorheenzwierden.—[61]

De aardbeipluk was ophanden. Nog wel niet in één de groote haal, maar toch, als ’t ochtendgloorde, ’t land nog in grauwen dauw dampte en langzaam, brandroode nevel boven de verre, vaal aangroenende akkers uitkleurde, morgengloed door doodstille luchten sintelde,—dan hurkten, vóór zonnebol zelf òpvuurde, de tuinders al tusschen de nauwe paadjes, omkringd van kinders, jongens en meisjes; was er al druk gesjok en gesjouw van één naar anderen hoek, om arbeid te verdeelen tusschen eigen zwerm en vreemde plukkersknechten.

De eerste haal zette in, met zware zonnedaverende hitte. Na de kleur-orgie van tulpenbrand en òpbloei van hyacinten, was nu plots bij hoeken hier en daar op Duinkijksche akkers, even vóór den pluk, wondere zee van hoog-gele en paars-blauwe irissen, goud-geel beschubd, komen aangolven over ’t land. Klein was de teelt, op ènkele akkers, maar hoog de pracht van den in licht-dauw omzeefden paars-blauwen irissenbrand.

Graanhalm-hoog moireerden in golving van stengels, akkers weer, als in herbloei van hyacinten en tulpen, paarsblauwe en goudrandig geschubde. Achter en tusschen de hevige paars-zee, bloeiden helgouden pronkbekers van licht; welde glans, hooge brand als van graanvelden, duizelend, spartelend, kokend-hoog goud met brokken ertusschen, moireerend naar geelgoud, tegen de diepe golfzee van schitter paarsblauw, in ’t groene akkerland.

Als mythische stad in zonnedroom, met één slag door Satan neergetooverd in duivelszwaai van bloedrooden mantel en vampiergebaar van z’n armen, was herrezen dáár, uit eerst[37]groene, stil-mijmerende aarde, een lichtfeest, een tooi, in woesten kleuren-wellust; herrezen een mythische stad, volgestort van sprokelicht, van nevel en vonken dooréén; stad, met wegjes van enkel stralend vuurgoud.—Zoo in wondrengloei, rankten en slankten de irissen, op ’n vloer van bevende glansen.—Uit de stille grasaarde, tusschen het nog dorrende loof, drong een òpstand van vreemd-starende bloemwezens, zonnedronken onder de warme uitgeuring van hun kleur-heete zielen.

Als in hemelspraak met ’t azuur, gedrenkt in ’t blauw van uitspansel, bleven ze daar wiegelen de gekleurde zielen, de vreemd starende bloemwezens, samengestald in hun mythische stad van licht, stralend paars en goud, in daverenden zonnezang van akkers.

Boven hen wisselden de luchten, groeiden en stapelden òp de wolksteden in zilverende lichtglansen, verduisterend de bloemenpracht, verbrokkelend den zonnedroom. En fijn schuimde er doorheen, ’t zilte zilver van den polderhemel, wazig en gebroken in glanzende neveling. En weer later, in satansgebaar neergetooverd, rankte en wiegelde op andere akkers, rond de irissen, dooreenwemelende bloei van kleur-wisselende anemonen.—Eén dans van kleurebloempjes, op rank-teere stengels, kopjesknikkend en wiegelend in windspel. Eén kankaneeren van donkerdiep dahliarood, rouw-fluweel met paars-purp’ren starren. Eén rondedans van korenblauw met zonnegoud, één sliertige omhelzing van roze bloemekopjes met goud-rood en oranje wezentjes.—Eén regening en zegening van doorééngewaaide kleurtjes, lichtjes, vlammetjes en brandjes, in vurige kleuren-kelkjes verfonkelend.—

Zoo gloeiden de anemonenbedden, tusschen de simpele teelt van erwten, wortels, sla en rhabarber, als een hageling van zomerkleuren, verpurperend en vergouend, verpaarsend en verblauwend de akkers, in jubelenden schitter en diep-geurende gloeiende zonnigheid. Zóó, als voorspel op den aardbeihaal, tusschen de vruchtjes in, bachanaalde ’t dronken iris- en anemonefeestje, in toover van licht, in zwijmelenden zonnedroom.

De hoog-groene aardbeiakkers, zilverend in lichtglanzen,[38]overal ingesloten tusschen de goud-groene doorzonde hagentrofee van bladeren, doordarteld van glansen en vonkjes, juichten in den opbloei der vruchtjes.

Overal gloeiden in warme purpering de spitsige kogeltjes op zandgrond, die paarsig brandde van hette, naast heele bedden onrijpe amazonen, als beschilderde vruchtjes, flauw aan éen kant roodgevlekt tusschen het lage bladerdiep.—

Op de akkers hurkten neergezwermd, plukkers en pluksters in ’t woelige kleurgewiegel van hun kleeren, en overal was druk gedrentel en mandjesgesjouw, overal volgepropte bakken die verdragen werden uit zon.—Naast de akkers van Ouë Gerrit, hurkte in halven kring, kinderenzwerm van oom Hassel, in vale, voddige kleeren. Al z’n gespuis, tot ’n meisje van zeven, had ie aan ’t plukken gezet, in zwijmelkoortsige jacht, om te halen, te hàlen, hooger prijs te maken, anderen voor te zijn met goed, wel wetend dat de sterke werkmacht van al die rappe handjes, snel in pluk en grabbel, hèm niets kostte.

Werkroes koortste door Duinkijk en Wiereland. Elke minuut van langen ademhaal, rustend, was verlies. Koopers joegen, bemiddelaars joegen, bazen joegen hun kinders, los volk en vaste plukkers joegen elkaar.

Oom Hassel schreeuwde naar ’n troepje meisjes, dat inhurkte tusschen de nauwe aardbeipaadjes, in felle gloeizon:

—Denk d’r’an, jullie niks aa’s soete fransies!.. en Emmetjes.. mi sonder doppies.. en f’noàfed éers de halfe raipe in sloffies! De kinders stemmedrukten en joelden uitgelaten terug, dat ’t goed was, nog vroolijkend in ’t vroeg-landelijke ochtenduur, blij niet op de schoolbanken te zitten, den heelen pluktijd door.—

Vóór ingehurkten kniebuk uit, grabbelden hun handjes tusschen de groen-zilveren lichthuivering van bladeren, zoekend en tastend naar de rijpe vruchtjes, die bloedden in vochtig fonkelrood, puntig doorspikkeld van gouden spatjes. Licht purperden en hoogrood glansden in speelsche gloedjes en vonken de aardbeien in de brons-zanderige kinderknuistjes; handjes vol zoet-geurende vruchtjes, gloeiend in zonneschitter. Telkens,[39]de palmpjes volgeplukt, kogelden ze de vruchtjes voorzichtig in de brons-teenen mandjes, donkere zuiltjes, volgestapeld in speelsch gebaar, met vuur.—

—He’ je nog mandjes doar? schreeuwde ’n plukker.

’n Kleine meid, in rood verflodderd en gescheurd kort rokje, losgehaakt op den rug, dat wit ondergoed en baleintjes er door heenschemerden, smeet mandjes door de paadjes àchter plukkersklompen, in joligen zwiep van ’r kinderarmpjes. Ze speelde er mee, gooide maar òp, te veel, dat de broers om ’r heen vloekten. In krommen hurk schoven de plukkers voort, op de knel-nauwe paadjes, die zandig-heet lila-paars schemerden tusschen het groen, elk klaargeplukt mandje opgestapeld met „kòp”, achter hun hielen neerbouwend.—

Tusschen al de paadjes van de verre akkers slangden de donker- en lichtroode vruchtjes in lage mandzuiltjes, zoetelijk geurend en vervochtend in de grove plukkershanden, die doortastten maar, onder ’t loof, telkens òpdiepten met de vuile vingers de vuurvonkende kogeltjes. Zóó, achter de ingehurkte plukkende lijven, vlamden de volgepropte mand-zuiltjes in karmijnen brand, in donkere en licht-gloeiende omzooming van de hèl-groen bladerige bedden; lange roode zuil-gangetjes, vurig van lijngolving in heet zonnegoud, in trillende hittesfeer, omzeefd van dampig licht, nevelig van rooden gloed, overal tusschen het frisch-joelende jubelgroen en ’t zilverspatten van zon-natte bladeren. Geuren van grond en vruchten, zwijmelden en wellustten rond uit den blank-gouden, blauw-diepen hemel; zwijmel van reuken en sappen. Rood bevlekt en besapt graaiden overal de geweldige barsche plukklauwen der werkers, vervuild en doorgroefd van aardwroet, tusschen het jonge heete aardbeienbloed. En nat van sappen, walmden zacht de kleine zonnig verbronsde kinderknuistjes tusschen lichtrood en dieprood, tusschen vuur dat laaide en vonkte, en karmijn dat sintelde, lekte, smeulde.

Door héél Duinkijk en Wiereland vonkte, spatte en purperde ’t rood van aardbei, tusschen de groen-flonkerende omhaagde hoeken; spartelden de handjes gezwollen van greep en pluk,[40]ging één zoet-zalige stroom van rooden geurdamp zwoel over de akkers.

Guurt en Dirk plukten gelijk op, aan één bed, Kees, de Ouë en Piet, ’n anderen hoek uit. Ouë Gerrit had al heel vroeg gedaan bij de nieuwe familie op ’t plaatsje. Nou zat ie gretig mee te plukken. Z’n rug brak ’m wel, pijnde en stak als werden er naalden ingeboord, maar daar gaf ie niks om. ’t Moest, moèst nou. ’n Daggeldersloon viel er zoo wel uit te winnen. De kerels zouden ’m ook anders te lijf gaan. Z’n knieën tot op de borst ingehurkt, bij de kin wegknellend z’n baard, grabbelde ie met twee handen te gelijk, trillerig in z’n beenen, ’t loof omwoelend, de vruchtjes vlug neerkogelend in z’n mandje, zonder ze te kneuzen toch.

Hij gromde stil, dat ’r van z’n vervreten hoek rijp geen eetbaar vruchtje terecht was gekomen. Schade van honderden!.… Dá’ stopte ie zoo nooit.. hoho! hoho!—Woedend was ie ook dat z’n rooie kool zoo slecht stond.—Nou had ie op ’n lekker sonnig hoekie soaid, van s’n swoarsten grond, bestig bemest, en nou stonge se krek aa’s stokkies, deurvrete van oardevlooi.… En nog meer!.… s’n uitjes.. stonge slecht.. tedicht op malkoar soait.… weer skult van Piet.… hep ’t soo wille.… enne.… van de somerandaifie.. kwam ook nie veul.… most nou al ’n beetje gele kop hewwe!.… skuld van die f’rekt slechte woàteràfvoer.…

—Hee Ouë, denk ’r ’an, dá’ jai strak-en-an die hoek overnaimp! Ik mó’ nog bosse veur f’nòafed.… hai hep de mande, veur àftetarre an de hoàfe.…

Ouë Gerrit had zich naar Dirk gedraaid, die ’m uit erwtenpad toeschreeuwde. Schroeiend begloeide de zon akkerruim, dat hette uitdampte. In één bukkenden hurk, van knie op knie, schoven de werkers voort tusschen het prachtgroen, vervuild van zweet en martelenden pluk, met den steekbrand van zon op nekken en ruggen. Boven de aardbeibedden stond de lucht, blauwe jubel van uitspansel, stil van zoete geuren. In wierook gedrenkt, zwangerde de aarde van reuken, heimweevol en zalig. Met moeite zwierven klankgeruchten van straatjes[41]en lanen òver naar akkers, door de geurnevelen héén.—

In één kniel- en bukstand schoven ze voort, werkers en kinders, zonder òpzien. Met wat vluchtige happen was de voorschaft gedaan, en dadelijk weer stonden ze klaar, opgejaagd met ’t broodpaffe nog in hun maag; liepen ze uit schaduwluwte, koelend groen van ’n haag, naar de gloeibedden terug, kniegebukt weer, op heet-zandige paadjes.

Ze voelden wel, de werkers, dat ’t nu ging om hun rust, hùn bestaan. Als de eerste haal maar voorbijbroeide, was er van zelf weer ’n dagje kalmer pluk uit de onstuimige aankolking van werkhaast en ploeterjacht.

Elken dag kwam zonneschroei heeter neerdaveren over de akkers, die droog-stoffig smachtten naar lafenis, en vroèger in den morgen wroetten de tuinders op de zengende vlakte, onder ’t neerkokende licht, in opjagender grabbel tusschen hun aardbeien; de handen voller van vuur-fonkelende vruchtjes, die al dièper of hoòger kleurden in zonnelaai, donker bloedden of lichter bevlamden de aarde, in stil-ziedend rood, verstapeld in de vurige zuil-mandjes, als vloeide boven de akkers ènkel heet spel van purper en goudgroenen vochtigen weerschijn.—

Eindelijk was de groote haal ingevallen. Ouë Gerrit had van z’n berijpte akkers niets gehaald. De vrucht was niet gezet, stond er wormstekig en puisterig flauw-rood. Tòch zou ie ze beet nemen.—Maar z’n andere jonge hoeken, ’t vorige jaar pas ingerankt, stonden mooi vol, maakten dat ie niet al te zwaar gromde. En gelijk-áán werkte ie met de jongens op ’t land, gelijk ging ie met ze heen.—De hitte deed ’m zich plezierig, lèkker voelen en ’t geld dat inkwam gulzigde naar meer.

Z’n steelzucht begon wat te koelen in de hitte van den werkroes, en z’n eigen gebroken karkas, voelde ie alleen ’s avonds verschroeid op bed, als z’n vrouw naast ’m lag te puffen en te snorken met ’r lippenblaas. Even, nu en dan, bromde er wel wilde lust tot gannefen in ’m, maar de akkers stonden vol werkvolk, overal had je oogen nòu. Zoo temperde z’n begeerte[42]van zelf in de plukjacht, in de zekere opstapeling van de centen, dàn in die, dàn in ’n anderen kasthoek, dat de jongens niet wisten wààr. Alleen Guurt mocht ’t zien.—

—Manskappe, f’doag allainig ònraipe!.. in de sloffies.…

Gain raipe hoho!.… die naim tie puur nie.… had de Ouë, om half vier uit huis, in den ochtend ’t land opstappend, gezeid tegen de jongens.

Vroeg al zengde de zon, dat ’t zand onder hun heete, van strakken zit gekneusde knieën brandde.

Guurt, met ’r zwaar lijf tusschen de bedjes geperst, in ’n oud-blauw jak en dof rooien onderrok, smeet de goudlichte slofjes vóór haar de paadjes in, achter de hielen van de knielende plukkers. Haar strooien breed-gerande hoed, hoepelde scheef, met ’n zwart bandje, gesnoerd om ’r blanke kin en los rond de ooren, spinragde fijnste goud van ’r harenkrul uit.—Ouë Gerrit keek nu en dan onrustig rond of ’r wel achtereen gewerkt werd, naar Guurt en Piet en naar twee nieuwe plukkers, die hij nog met moeite gekregen had.

Oom Hassel plukte in mandjes met z’n kinderzwerm rondom in kruip en hurk tusschen de bedjes. Eén kerel liep tusschen de paadjes in, gaarde de mandjes bijéén, stapelde ze in groote houten bakken op ’n kar, aan den wegkant. Eerst nog moesten ze naar huis gereden en in den avond, naar de haven gebracht. Bak aan bak dáár op de kar, hijgde rooden adem uit, zoeten wierook. Bakbrokken, hàlf nog in zon, met de bronzen, hooge mandjes-opstapeling, gloeiden fel-rood, vloeiende bloed-glansen, in ’t groen geblaar verdoken. Andere uit zon, in luwte-haag van schaduw, verdampten karmijn, in gesmoord passie-rood. Daartusschen in, schakeerden de bakken in zangerig purper, diep en vroom, waarop weer nieuwe kisten neèrgesmakt werden, met zwaren adem, rood van opstand; vruchtbakken inzuigend ’t licht, rood-donker en diep als het smarte-hart van duister-fluweelen dahlia.—Telkens meer plukkers stapelden kisten òp, onder en naast hagen, met sla en wortelen, maar alles weer overstapeld door aardbeigloei, dat ’t klaterde en smeulde, hel-daverde en zong, ’t rood, ’t goud-doorvonkte[43]vruchtpurper, tusschen het rondom dringende uitwasemende groen, het goudgroen van boom en hagen.—

Overal verspreid, langs de akkers, zetten kleur-kleeren van plukkers, sjofel en gehavend, maar in pracht-koloriet er toonhoog in versmeltend, warmte en diepte tusschen groen en hemelblauw; waasde er zeef-fijn, gouddampend licht, een sfeer van bevende uitwisselende glansen òver den pluk-arbeid héén, die de werkers verheiligde in den geweldigen ernst van hun ploeter; wiegden en wuifden ’n licht-brio rond, die vèr, heel ver wègschoof wat dichtbij lag, als week ’t landschap, in de trilling van lichtdampen, geuren en glansen, onder den zonnedaver en hittenevel telkens meer en meer achteruit, àl achteruit.—

Drie kleintjes van oom Hassel, tengere meisjes, lagen ingekneld met blond-strooien hoedjes, verbogen als leger-des-Heils-kiepjes, met witte bandjes om blanke kinnetjes gesnoerd, stil te plukken, ’t kokende zongesteek en lichtgegolf op hun kleurige bradende ruggetjes.—Ze hurkten, knielden van knie op knie, en kreunden soms van pijn.

—Ik kâ nie meer van main stuut, kermde één, pijn-vertrokken rechtòp spannend ’t lijfje in ’r rood jakje, dat de borstjes zwollen, ’t kleine gezichtje even uitdook onder hoeddiepte. Suffig bleef ze uitkijken, een knuisje in de rugstuit gedrukt.

—Nou seg, mô’ je main knieë voele.… die binne heuldegoar deur t’met.

—Seur jullie tog nie!.. de son is ’n kwoaje veur ons.. en d’r is nog ’n heule doàg, zei wrevelig de oudste, ’n ruk naar beneden gevend aan den rand van ’r zonnehoed, de twee klagenden met gebaren opporrend te werken.

Zachter wrevelde ’r stem na:

—Kaik! Willem loert al.… aa’s ie jullie in de goàte kraigt.. bin jullie d’r bai.… bai foader!.…

De kleine, die ’t eerst geklaagd had over rugpijn bleef droomerig ’t bedje afstaren, ’r knietjes verhit en pijn-zwaar onder ’t tengere lijfje, speelsch de vuurlijn van purperende mandjes, vòòr haar padje, met ’r knuistje voor de oogen, brekend.—Gedachteloos[44]at ze wataardbeienuit ’r hand òp, plukkend onderwijl door, zonder ’r naar te zien, nog speelscher in kinder-luimigheid òpkaatsend snel achteréen, wat vruchtjes boven ’r hoofd, roodglanzende kogeltjes, vurig de luchtblauwte in, dat ’t vochtrood spiraalde boven ’r schalks gezichtje. Als vlammige kurketrekkertjes puntten de vruchtjes nèer op ’r smoezelige blanke handjes, die dropen van aardbei-bloed. Maar gauw, met ’n angst-woesten duw in ’r rug en ’n snauw van ouder zusje òver ’t bed naar ’r toegebogen, hurkte ze weer in, grabbelden ’r pootjes tusschen het groen van ’t bladerengewoel, telkens vòller van fonkelend roode vruchtjes, ze voorzichtig neerkogelend in de mandjes.

De groote plukkers, mannen en meiden, knielden en hurkten, telkens wisselend van knie en houding, in gloeipijn niet meer wetend, hoe te graaien; schoven voort, zwijgend in koortsigen arbeid, in stommen worstel tegen de kookzon, die doorzengde, brandend op hun koppen, nekken en rug, dat hun goed heet verschuurde op ’t naakte zweetlijf. Vèr, òver hun dampende gemartelde koppen, bleef blauwen zalig azuur, tot achter zwoeg van verste plukkers. Gestalten in buk, kruipend over de akkers, vernevelden daar in hitteviolet, floersig en barnend. En tusschen hen in, joelden geuren en kleuren, in de klare zuiverte van het eindloos hooger en hooger vertintlend blauw, doorschijnend en rein als albast.—Tusschen het groen ging paars-korte schaduw op den grond van werklijven, die bewogen of sjouwden, bak ààn bak àf; ging licht wiegel en gouden heete trillingen van losse groenteranken, pal in ’t zonnevuur verterend, smeltend weer in zilveren afkaatsing, vergloeiend op kantblaadjes van hagen. En telkens ànders weer lag ’t land geblakerd en schroeiend gezoend aan de kanten, als spel van windkringen door boomkruinen heenwuifde, verblindende warreling van waterval-goudgespat tusschen bladeren-bogen neerstortte òver de paars-dampende hitteaarde. Telkens uit andere hoeken, vervluchtigde kwinkeleerende jubel van vogels, tierelierende zangers op lucht-fluiten, met cierfijnen fladder, donker scherend ’t hemeldiepe, blauw-roerlooze in. En soms,[45]beefde zachtjes en fijn, als enkel cierkronkelig lijntje van geluid, klaar kinderstemmetje òp in zang, achter hagengroei, ontroerend en dartel tegelijk.—

Achter Kees en Piet in pracht-roode rijen kronkelden de slofjes áán als blank gevlochten goud, ’t vruchtenvuur brekend in gloed, tusschen groen. Gaterig en bleek vlekten de onrijpe aardbeien ertusschen. Voorbij de vuur-omzooming van de groen-glanzende bedjes, tusschen ’t gevlam en geknetter van ’t doorzonde karmijn, liepen de kerels drukker met bakken áán en af.

—Snôf’rjenne Guurt, jai plukt te raip, schreeuwde Dirk onthutst.… sullie naime f’rdomme soo nie.… motte onderweg puur-en-raipe.… ’t is veur Duijtsland.. hep de Ouë nog soò sait.…

—Dà’ te raip?!.. Wel neenet! Hullie binne.…

—Debies! seg moar heé? Kaik dan sellefers.… kaik die!.. kaik diè!..

Dirk in rood-driftig zweetgezicht òvergebukt naar Guurt, wroette met z’n grove vuile handen in d’r mand, perste driftig wat aardbei fijn tusschen z’n vingers, dat ’t sap ’m langs de polsen droop.

—Nou.. daa’s ook alles.. moar kaik.. die!.. die!.. sain puur groene buikies.…

—Daa’s net.… f’rjenne, je knaipt hoarlie t’met tû moes! paa’s tog op maid.. blaif d’r òf.… ikke lief dá’ nie.…

—Wá’ ’n hupla’s die hep!.. sou je nie!.. sou je nie!.…

—Seur tug nie Dirk! lá’ ’r dur gangetje!.… gromde de Ouë van z’n bed af, bang dat Guurt er den boel bij zou neersmijten. Elk jaar nog had ze verdraaid te plukken. En nou, in ’n gril, gewillig deed ze mee, om wat extra centen voor de kermis te beuren. F’rduufeld, nou gonge de kerels ’r koejeneere, bromde ouë Gerrit.—Dirk had naar ’m omgekeken, zonder te antwoorden, z’n rood bevochte vuile handen, loom op z’n knieën afhangend, z’n gezicht verzengd pal in zongepriem. Roode vlekken dropen van z’n blauwe kiel en z’n blond-wit haar[46]plakte op z’n stompe voorhoofd in zweetkrul, onder de pet uit. En telkens even, in lodderigen oogstaar, probeerde ie òp te kijken naar de zon, maar dadelijk knipperde ie z’n oogen dicht, paf van ’t felle gepiek dat er inboorde, voelde hij zich blind gegooid met kokend licht. Z’n vuile broek stonk van smeer en zweet, zurig tusschen het geurzoet. Voort maar schoof ie weer in zwijg, niets begrijpend meer van den Ouë, waar die pas ze toegeschreeuwd had, vooral geen rijpe te plukken. En stiller den werkmiddag rond, schoof ie verder, voelde ie ’t woestijngloeiende zand onder z’n knieën schroeien en branden, verbukte en verwisselde ie telkens van knie, als er één, gekneusd en vergloeid, z’n zware paffe lijf niet meer dragen kon.

—God f’rdorie, geeuwde Piet, daa’s ’n kwoaje.… die son f’doag! main nek stoan puur in brand!.…

—Dá’ sou’k denke, je weê puur nie meer hoe je kruipe mot …

—Debies! main knieë sain deurmidde.… aa’s ’k katteliek waa’s lie’k main stempele! galgenhumorde een plukker half schuin naar ’n makker, die meezong Zondagsavond’s in de kongregatie.—

Dirk, in den winter nooit sprekend van den zwaarsten zwoeg, morde, giftte nou, in verhitte worsteling tegen de zon, die ’m roosterde en martelde, waartegen ie ’n woesten haat voelde. Z’n rug stond den heelen dag in brand, z’n nek stramde verlamd in steekpijnen van voortdurenden buk en z’n branderige schonken schuurden jeukerig tegen z’n vuil heet afgesjokkerd baai goed. Guurt schreeuwde dat ie moar s’n laif d’rais most boene, mi’ wa’ woater.…

—Da’ doe’k f’noafed t’met bai de put! da’ selle wai hebbe.

—F’noafed is d’r gain tait.… hee!.. Joanse, scherpte Piet voort tegen den katholieken plukker,—nou bi jai stempelt, hee?.… moar hè je nou puur gain pain in je donderemintje of peseer je ’t kerrikie.… mi je skietgebedje.… G’loofd sai Jaisis Kristus.… en de hailige sekreminte des oaltoàrs?.…

—Laileke duufels-toejoager, bromde die terug, hoor je main kloàge?.…[47]

—Nou ikke stoan t’met dertien uur te plukke.… ik bin d’r hard stikke-dood van.… main stuut is deurmidde.. ha’ je nou moar je maid hier Janse.… veur ’n f’rsnoàp’rinkie!

Janse zweeg, giftig op Piet, dat ie met z’n geloof begonnen was en z’n dochter. Dat kreng had schande over z’n huis gebracht. Had ’n tweeling van ’n los werkman, die zich dood zoop. En zij werkte nou op de Wierelandsche fabriek van ingelegde groenten, tusschen ’n hoop van dat meidenschorem. Vier maanden geleden had ie ’r de deur uitgetrapt, met ’r dikken buik, en nou begon die kerel er weer van te klesseneere..

—Wat ’n gesoànik, schreeuwde ouë Gerrit naar Piet, al kon ie bijna zelf niet meer van pijn, toch voortploeterend in heete werkjacht.… wai doene ’t allegoar.… jai mi’ je stuut en jai mi je knieë.

—Nou? watte?.. allegoar ke’ je hoore skraiwe?.. die is f’rduufeld ’n meroakel.… mó’ je main of main jassie? dolde Piet geraakt toch.

—Hoho!.… hoho!.… wá’ sou da’ t’met hain? vier en vaife en nie genog aa’s.…

—Hain?.. Welneenet.. aas ’k moar wa’ neusiesverf had, sou ’k main vast.. ’n kwassie smaire!

—F’rdomd! sel nie beure! sel nie beure! krijschte de Ouë, bleek grauw van schrik en hitte,—òp ’t land komp gain druppel, hoho! hoho!

In langzame optrekking van z’n linkerknie, met z’n handen steunend in ’t gloeiende zand, had ie zich uit z’n strammen hurk opgericht. Z’n rug voelde ie vlijmen van pijnen en z’n beenen stonden heet te trillen onder z’n lijf, als zou ie instorten. Piet gromde kwaadaardig:

—Skreeuw moar nie.… set ’t nie op je heupe.… maan! moak goàr gain relletjes.… aas ’k ’n urretje likke wil soa’k jou nie vroage!.…

—En jai Kees? vroeg Dirk, hep jai ’t lekker?

—Kees, Kees, bromde Piet weer, die hep gain rug, gain stuit, gain kop, die hep niks!.… goàr niks!

Stil zwoegde Kees door, ’n endje van hùn bed af, zonder[48]omkijken, in strakken loer op de aardbei, met uitgolvenden slag z’n manden vullend, tweemaal sneller dan zij.—En telkens àchter z’n hielen, draaide ie ’n gouden slof neer met trillend vuur.—

Op àl de paden, achter de akkerhagen, stonden groote bruine, rauw-groene en roodbemeniede handkarren, zwaar beladen met goud-glanzende sloffen en bronzen mandjes.—Van allen kant tegen den middag, kwamen de plukkers aansjokken met bakken, sloffen; geurde en smolt ’t vruchtenrood en sap inéén met gras en groentearoom, als wierook door de lucht uitvloeiend en verwaaiend. De hemel wiegde zwijmeladem en bruiste zonnedronkenschap door ’t stedeke. De luchtkoepeling stond gespannen in prachtglans van blauw, hoog boven de kruipende plukkers en pluksters. Overal, in de paadjes nu, achter de hagen, slangden de purperen regels in gloeiende zoomen. Kielblauw en kielrood, ademde hoog de zonnehitte in, en strooien hoeden blondden al meer in ’t jubellicht. Tusschen de doppers, kronkelden fel-groen, de duizelig lange slakroppen-regels, blank beschubd, en de jonge erwten glansden naast de bladzilvering van tuinboonen. En woester, gelijk met zomerroes, zonnedronken van licht en kleuren, ging ploetering òp, jagender. Alle handen koortsten rond in den grooten haal. Ze waren besteld de tuinders, door ’n paar groote afnemers uit stedeke, die in Engeland en Duitschland hùn waar met flinke verdiensten van de hand zetten. Duizenden op duizenden kilo’s moesten geleverd worden, naar spoor gedragen door de werkers, dààr gewogen en verzonden.—

Iederen dag làter in ’t saizoen, kon de prijs van kilo’s dalen, als van alle kanten te groote oppropping en aanvoer kwam. Daarom, in woeste jacht, met zwarte afgunst onder elkaar, heet op voordeeltjes, plukten ze in koortsige haast, om anderen vóór te zijn, als ’t kon; anderen er uit te smijten en op moment dat aanvoer ’t minst nog leek, nieuwe bestellingen bij te krijgen; al was er in den winter al kontrakt gemaakt voor vaste levering, met iederen gast die wou.—

Dirk had van ’t doorloop-pad àf, op den akker ’n groote[49]kar met verlengboomen, om breeër op te laden, volgestapeld met sloffen en manden. Wat bàkken daarboven òp, versjouwde ie mee naar de hàven, de mànden naar ’t spoòr. Jan Hassel de minst-vijandige neef, reed mee den weg op naar ’t station. In zweetdamp, met bemorste kielen, geurvracht hoog opgestapeld en wijd-uit geladen van achter en van vóór, tot op de handkruk, zacht zwiepend op de verlengboomen, verduwden ze hun loodzware karren, met borst en armenspanning, pezig-gestramd, ’t lijf in rukkende stooten, Wierelandschen straatweg over naar ’t station.

Zonlicht zoog heet in ’t vruchtenrood. Over de manden lag bladgroen van tuinboonen, fluweel-zilverend er om heengestrooid, tusschen het purper, dat glansde als koralig licht-glimsel.—

Achter Dirk en Jan Hassel áán, ratelde een stoet van karren, geduwd door tuinders, gelijkelijk optrekkend in lawaai en gedrang naar ’t spoor.—Bij ’t zijhek werd halt gehouden, zwenkten om beurten ’n paar groenboeren de karren àchter de gele, schroei-zonnige omheining.

Van Lemperweg, haven en zijstraatjes, ratelden en woelden meer karren áán, gloeide ’t karmijn en purper, al naar aardbeisoort, in de gouden rietsloffen of blank-gele ronde manden; wierookte al zoeter, dieper vruchten-aroom heet-zomersch over ’t plein; vuurden en vonkten de aardbeien van alle kanten, zonnedronken in blaker, onder trillenden zonneroes.

Kerels met vermoeide, grimmige koppen, paarsig vergrauwd van zweetvlekken, uitputting en zwoegdrift, duwden òp, woelden, zwenkten, trokken hun karren, schreeuwden en vloekten tusschen gedrang, geratel en gedonderbonk van karren en manden. Trekhonden, afgemartelde beesten, verwoed van hitte en dorst, blaften gillend en bassend, stonden of lagen tusschen de kleurig-donkere kar-assen ingekneld, met riemrepen over neus, bek en nek gekneld, ademstootend in snellen hijg, woest schuim verkwijlend.—Van vier uur al ratelden en bonkerden wagens en handkarren áán. Bergen manden stonden opgestapeld naast wagens, apart voor aardbeivervoer, vastgehaakt.—[50]

Op ’t station, aan achterkant van ’t zijpad, zat ’n man vóór gewichtstoestel, verzweet en gejaagd, in ’t ratellawaai en schreeuwrumoer om ’m heen, tusschen treindrukte, loop van passagiers, kruiers en zwellenden aanvoer van waar, met z’n bonboekje in de handen, afrekenend wat ieder leveren kwam. Telkens achter ’t hek, als ’n tuinder klaar was, zwenkte ’n ander uit al sterker aangedromde, woelerige karmassa, schuin tusschen de latten-omheining, op grof-bonkerig gekei, ratelde de leegte achter ’m dicht; stond ook diè weer met ’n berg nieuwe manden en vruchten voor den kontroleur. Voorzichtig zette iedere tuinder z’n rood-vochtige manden met aardbei op de èven boven den grond zwevende schaal, netjes op elkaar inschuivend en voegend al meer en meer, tot de heele vracht van hun kar afgeladen was.

De kontroleur, met z’n zweethoofd, z’n gezicht doorgroefd van zorgtrekken, overspannen arbeid en vreemde zenuwtrilling van lippen als geluidstroom en herrie watervallen over hem uitstortten van haast en jacht,—woog af, trok handvat van weegschaal achteruit, loerde intusschen naar kwaliteit der vruchtjes.

—Naam! vroeg ie kort, met moeë stem, ’t zweet van gezicht onder oogen en om neus uitwrijvend met rooien doek, waarop ie bang keek, na elken zweetveeg.

—De Kaiser!

—Wie?.. Piet of Willem?

—Willem!

—Achterweg?

—Welneenet!.. Slangetje!

—Slan-ge-tje herhaalde ie brommerig, zich zelf dikteerend, onder snel geschijf, afscheurend in rakettige karteltjes het geperforeerde reçu.

—Hier anpakke!—Weer schuurde z’n zakdoek langs z’n zweetnek en hals, veegde ie met nijdige rukken ’t vette nat onder z’n hemd weg. Dirk en neef Hassel konden met hun karren ’t zijhek nog niet in. Achter hen áán, dromden al meer paardwagens en karren met de hijg-sjokkende en duwende[51]kerels er vóór, in al sterker áánstroom van aardbeien, purperende neergestorte wolken van rood licht, fijn-prikkelend doorgeurend weibrok, paden, stationsplein. Gevloek en geharrewar van rauwe vermoeide stemmen, krijschte òp uit woesten sjouw en gedrang.—Doffe blaffen basten tusschen hoognijdige keffers en kermende hondestemmen òp,—dwars door menschengeschreeuw en ratelgeraas, dat hooren en zien verging. Kisten en manden, leeg en uitgehaald, keilden rond achter ’t hek, waar ’n geholpen groep afzakte, en overal dromde gegrom en driftig geworstel der zwoegers, tusschen hun geurende stille vruchten in, hun roode bergen van geur en vonkpracht.—Op elkaar hitsend, afgunstig en nijdig, wou de één den ander voordringen. Plots kwam er lucht in worstelende ploeterende bende, konden ’n paar wachtenden inzwenken, met hun wagens en verlengde zwiepboomen, ratelden er karren wèg, dwars tegen aandrommende massa in.—

—Nou debies! Ik ke’ nie langerst wachte, krijschte éen uit den karrenstoet vóór ’t hek, met grauw zweetgezicht, vette kerel, paf van hitte, uitblazend van vermoeienis, gekneld z’n dikke lijf tusschen andere wagens in.

—Hulp d’r sain effe eerst, gil-schreeuwde één achter ’t hek, tegen kontroleur, die nu op ’nouëmand zat, met z’n bon-boek op de knieën gedrukt, rondloerend overal heen, of ze’m niks bestalen, alles goed verstapeld werd in de donkere wagons.—’n Blauw potlood stipte ie telkens nat tegen z’n mond áán, dat z’n lippen paarsten als zou ie plots ’n beroerte krijgen. Van ’t toegeschreeuw, de rumoerige hurrie en onrustjacht achter ’t hek, maakte ie zich niks hooren.—Vóór ’m stonden de tuinders, hun waar verladend op ’t breede, lage, met stof-vuil overwaaide weegtoestel.

—Acht honderd kilo van?.…

—Joapeke!

—Jaapeke uit?..

—Lemperweg!..

Snel kraste z’n potlood, stonden de tuinders voor ’m ingebogen te loeren, naar de koortsige krabbeling van blauw puntje[52]op ’t blanke schitterpapier, waar ’t licht op beefde. Bij ’t ontvangen van reçu, hielp de tuinder z’n waar van de schaal laden. Twee smerige kerels, vergrauwd in zweet van zware werkjacht sprongen òp en àf uit de binnen-in-donkere wagons, half volgestapeld. De mannen rukten Jaapeke z’n manden en sloffen uit de handen, grepen ze van de weegschaal, klauterden met de aardbei wagons in, dat de purpering kwam te dooven tusschen de morsig bestofte houtwanden, waar àl hooger en duisterder de geurvrucht op elkaar gesmoord, in verdook.—

’n Twintig meter van den kontroleur af, op ’n weghoogte van grove keibestrating, àchter omheining, propte nòg ’n drom karren, rumoerde landvolk met waar en manden, bij ’n konkurrent-kooper, ’n Duitscher, die onder geeldoekig tentje, waar zonnebol gloeiheete lichtschaters op néérproestte,—aardbeivrachten innam en verzond in andere wagens weer.

’n Ontzaglijk dik wijf met reuzinneheupen, en magere dochter, langhalzig en beenderig geitengezicht, zat achter ’n klein kleurig tafeltje onder ’t brandende tentdoek te schrijven, reçutjes en kopietjes, terwijl zwaarbuikige Duitscher afwoog en loerde naar de vruchten, met z’n glimvettig bollig zweetgezicht.—Achterover, op z’n kruin geplakt, blankte ’n wit-stijve automobielpet, glansfel beklept.—Met iederen tuinder rumoerde en streed ie kort en stemsnauwend-krasserig, over gewicht en waar. Moe’, niets begrijpend van z’n Duitsch gebrabbel, stom en dorstig in de hitte van d’r zwoeg, kregelden hun ruwe gezichten, vervlekt van zweetvet, streken ze hopeloos en zorgelijk in angstig spiervertrek van zenuwmonden, handplat langs hun voorhoofden en monden, losten ze verder, zonder ’n woord verweer, wachtend op reçu.

Aldoor weer ’t oerige moederwijf brabbelde wat tusschen het gebrauw van den zwaarlijvigen mof. Lacherig en spottend, gromden eindelijk de kerels in vloek wat terug, verlegen onder ’t niet verstaan, òpkijkend telkens naar bemiddelaar, die naast ’t zengende tentdoek stond te schroeien in zonnevuur, allerlei zure grapjes uitlolde tegen langhalzige geelmagere dochter met den geitenkop en enorme, vetdijige moeder. Onder geschrijf[53]en overgereik van bons aan tuinders, schoot zij,—onder fluisterend gekonkel van bemiddelaar in ’r ooren,—om ’n haverklap in proestlachen uit; schommelde ’t moederwijf van gierpret, ’r logge boezem lang nog nàbevend achter klein tafeltje, dat meelachte in lichten sidder tegen d’r schuddenden vetbuik. Toch, ieder keer duwde ze den kerel met ’r vette worsthanden soms midden in ’n grap, ruw buiten de tent, loerden zij en ’r dochter naar de weegschaal, of d’r niemand bedroog; gingen d’r sluwe klein-grijze oogjes in ’t pappig opgeblazen maangezicht lichtend rond, in kring der sjouwende werkers, die doorlaadden en losten, in stommen zwoeg, donker, morsig en vergrauwd, tusschen ’t schittervuur van hun vruchtjes. En stapel op stapel, purper leven slurpte op, al meer, satanisch-gesperde muilen van donkere wagons.—

Kleurigste hurrie daverde rond den kontroleur, verder op.—

Eindelijk was ’t Dirk’s beurt om te lossen, zwenkte ie vóór, met z’n zware kar, wrong en schuurde ie door engen hekingang, in giftduwen tegen de kruk, dat z’n kop te barsten stond, zwellend van spierspanning. Zweet droop van z’n wangen in de sloffen, toen hij mand voor mand van z’n kar op ’t weegtoestel schoof, berekenend, nauw passend en insluitend de manden, onder ’t opstapelen.

—Van?.… vroeg kontroleur, al klaarstaand met potlood op de lippen, tongpunt er tegen aangedrukt.

—Hassel!..

—Welleke Hassel?.…

—Gerrit!

—De Blommepot, gromde ie voor zich uit, veerend op z’n mand, blauwe krullettertjes op z’n papier krassend.

Dirk in zweet en zon, stapelde dóór van z’n kar, rustig op ’t toestel.

—Hee, hield plots kontroleur z’n arm in, met ruwen schreeuwstoot, van z’n veerende mand opspringend,.. wa’ is dá’? die mand dààr.… en die?.… daa’s drek!.… ke’k niet gebruike!.…[54]

Dirk hield op, keek verstomd met z’n koeienblik den kerel aan, die weer was gaan zitten.

—Wa nou?.. wa’ bruike?..

Hij wist eigenlijk wel dat ie twaalf sloffies met vuil goed had meegekregen. Ouë Gerrit wou, woù nou eenmaal van de berijpte vervreten hoek wat pluksel verstoppen ònder de beteren, om zoo nog wat te beuren van z’n teelt, denkend dat in de drukte geen sterveling ’r op letten zou. Drie tuinders hadden ’t er op die manier al door gekregen, waarom kon ’t hèm ook niet lukken?

—Droal nou nie soo Hassel, donderden achter ’t hek wat kwaadaardige stemmen, van ongeduld barstende tuinders, wai hebbe ook ’n kilotje!

—Stik doar, schreeuwde ie terug. Woest nijdig begonnen plots z’n koeienoogen te werken, en kwaadaardig te schamperen van wreed licht.

—Daa’s d’Ouë s’n skuld, bromde ie zacht voor zich uit, die hep main d’r làte inloope.… da kreng.… en nou opelik betroàpt.… ’t foàrke sou je kefuus moàke.…

—Nou! nijdigde kontroleur uit de hoogte.. Stapel die rommel nou maar weer weg, want neme doen ik ’t nie.…

—Moar maa’n! je laikt puur daa’s, se benne bestig, loog Dirk, om zich te redden.… allaineg ’n baitje stainderig meskien!.…

Kwaadaardiger vertrok kontroleur z’n zweetmond. Hij was weer opgesprongen van z’n mand, die knarste en kraakte onder z’n lijf.

—Als jij hullie nie van de schaal neemt, donder ik se fierkant tege de wage an, jou drek!..

—Stik! dá’ bi’k tog sellefers bai, hee? Daa’s f’rdomme twee doàg kromplukke weust.… twee doage!.… dâ je je donder deurmidde barstte.… en nou veur niks werkt!

—Al had je ’r ’n beroerte an gekarweit, ik neem se soo nie.. en fort nou, gauw ook! d’r blijve nou alleenig die veertig mande daa’s.… kijk!.… zes.… honderd.… kilo kijk! kijk!

De gewichten langzaam natellend, ingebukt en waggelend[55]op z’n veerende mand, krabbelde ie de vracht op z’n boek àf. In dralende weerspannigheid had Dirk weer z’n twaalf manden van de straat op de kar geladen. Achter zich zag ie neef Hassel staan, klaar met z’n waar, in schamperen lollach op sarsnuit dat Dirk z’n rot boeltje terug gekregen had. Prachtig glansden neef Hassel’s manden, rond en hoog, op de handkar. Z’n bruin eikenhoutige wagen, met lichtblauw beschilderde wielen, als azuren raderen, waarin verflitsten de spaakjes in zongespat, kleurfel òpkringend tegen de daverend-oranje bemeniede assen, gloeide in zomerbrand, met z’n hel-roode aardbeistapels, rondbroeiend geurende warmte van glansen. Op elken mandrand, goudvlechtsel in zonnegloed, had ie groene bladerenkranzen geslingerd, tusschen het zingende warmhooge rood, en half beschaduwd vruchtenvuur, dat ’t frisch jubelde bòven de karkleuren.

—Daa’s siek veur niks, lachte kontroleur, se gaan toch de kist in, wees ie spottend op de wagens.

Dirk stond nog achter z’n neef, woedend neer te kijken op kontroleur. Die vervloekte Ouë … Most.. ie sain da lappe?.. hai sou sàin t’met de mande veur s’n skainhailige tronie sloan.… Sóó hep hai nog sait daa’t goàr nie gong.… nie gong.… f’rdomme!

Maar kontroleur, begraven onder nieuwen werkdrom, zag niet meer naar ’m om, loerde alleen rond naar vervoer, gewicht, wacht op reçu’s.—

Onrustig keek ie telkens achter zich, of alles wel vlotte en niets gegapt werd; of de kontrabons klopten, de wagens zuinig genoeg bestapeld werden.—Te zweeten, te zuchten zat ie van ’t aandrommende werk, rondom z’n overal kijkend lijf, in ’t geraas van treinen en dreungesmak, getier van ’t landvolk, dat van ongeduld sterker schold en trampelde voor hun karren. Nu en dan, heerig en afgemeten kwam patroon van kontroleur even kijken of de boel liep, stond ie dwars in den weg dat de tuinders ’m omver boften met hun karren en manden. Gauw had de heere-baas ’m gezegd, dat kontroleur zich niet moest laten beetnemen door ’t goochelend sluwe volkje;[56]dat alle vergissingen en terugzendingen voor zijn rekening kwamen. Dat wist ie wel, en gejaagder loerde, zweette, vertilde ie de zware gewichten.—

Dirk had zich àchteruit door den drom wachtenden met z’n kar heengewerkt. Achter ’m laaide ’n roode gloed van purper en karmijn, waartusschen ’t landvolk woelde, met ’r sjofele stinkende plunje, bronspilow broeken, zwart-fluweelen truien, vuil-blauwe en lakrooie kielen, grijs-bruine en goorgele hemden.—

Nou moest ie nog even, achter de Duitschers, om nieuwe sloffies.—Van ver zag ie al ’n troep tuinders worstelen en dringen bij ’n wagen op tweede rails, met leeg aangevoerde manden. Z’n kar zette ie vàst tegen ’n boom vóór weibrok, en wrevelig achter ’t spoorhek drong Dirk dwars door den stoet.—

Ze vochten in nijdig gedrang, rond den wagon.—De een duwde den ander achteruit. Met trappen en stooten, infuriëndewerkkoorts, doken telkens ’n paar weer in den nauwen wagon, op geschreeuw van den grooten aardbeikooper en mandeigenaar, die aflas hamen van tuinders.

—Hulers vier pakke, dreunde z’n stem, z’n oogen strak in loer op ’t lijstje.

—Persint, schreeuwde ’n kerel terug, dook weg in den nauwdonkeren wagon, holde den anderen kant weer uit met ’n trits sloffen aan ’n touw, door de hengsels heengeregen.

—Daa’s meroakel gemain!, krijschte éen woedend, altait Hulers veur ’n aêr,.. daa’s puur de fint van de bestige woar!…

Een brutale, met roet-zwarten baard om geelbleek gezicht en smalle schuwe oogen, wenkbrauwen neger-donker, rukte ’n tuinder z’n mandjes uit de handen, vloekend dat ie al drie keer voor niks hier was, op die manier niet plukken kon, z’n boel verrotte op den grond. De baas, er bijstaand, mengde er zich in, maar ze snauwden, verdrongen den heerigen vent. Hij voelde dat ie in zoo’n geweldige, stuipige werkjacht, z’n meerderheid verliezen ging.

—F’rek jai skorum, vloekte en tierde de onthutste tuinder, verhit van zongepriem, dat z’n oogen in brand stak, afgejakkerd hijgend van uitputting en sjouw.[57]

—Ke’ main puur niks bomme.… ’k hep in twee doage al nie plukke kenne.… soo lait main oogst veur de waireld.

—Moar daa’s main.… skar! duufelstoejoager.… kabbeloebeloap!.… Doòr schold ie, wou op den zwart-baardigen kerel instormen, maar tusschen hen in drongen andere zwoegers, worstelend om sloffen en manden, den wagon òp en instormend, grijpend en rukkend wat ze maar krijgen konden.

—Jorisse!.. riep statig baas af, acht pakke.… om schijnorde in de bende te brengen.

Maar niemand die naar ’m hooren wou.

—Wat ’n janboel, bromde Dirk, die met z’n stiersterke boffende schoften door ’t gedrang en gewurm der half vechtende en razende kerels heen gestooten was, magere zwakkelingen op zij duwend. In de woeling en hitte van ’t gegrijp, gedrang, en geroep werden als verschoppelingen de zwakkeren vóór- en achteruit gemept. Bòven de koppen en kromruggen van ’n troep tuinders, die aandrongen op één plek, graaiend naar sloffies met armen vooruit, in woeste hebzucht,—deed Dirk z’n greep, met z’n granieten krachtarm naar één kant waar ie ’n lossen stapel in de gaten had gekregen.

—Daa’s jou beurt niet.… terug! schreeuwde ’n wagonknecht, luisterend naar den afroep van patroon.—Maar terwijl die bij één wagon-end aansjouwden en afweerden, ganneften ze aan anderen kant de sloffen wèg, in tierend kabaal en worstel.

—Ikke hep ses pakke, skraif moar roak! beet Dirk af, de rist manden over z’n schouers gooiend na ’t bindtouw eerst stevig om z’n hand gekneld te hebben, dat ’m niemand wat afnemen kon. Luchtig was ie den wagon uitgesprongen, lollig zich voelend, dat hij weer voor ’n pluk geborgen was met sloffen.

Honderden, teleurgesteld en woest, nijdig gromden en raasden tegen de kontroleurs en bazen, waarom ’r niet meer manden waren. Een, wachtte al drie, ’n ander al vier volle dagen.

—Ke’k niks an doen, laike puur roofers.… schreeuwde ’n kontroleur, morgeochend om vier uur.… stoan d’r weer twee woages, mo’ jullie moar ’n vroegertje moake!..

Zóó, in zwoegzweet vergloeiend onder schroeizon die ’t kokende[58]licht rond ze neerdreunde, doornageld van steken, gemarteld en vergramd, huilde in raas-drift hun klacht naar gereedschap, barstte hun haat en afgunst op elkaar uit, in woest gescheld en getier; steeg de koorts van hun werkjacht, hamerde de pols van hun arbeid heeter, hooger, onmenschelijker. Hun ploeterramp dáár, lag als ’n lijk te ontbinden, tusschen het gouden daggeluk, het jubel-geschater van licht, de wellustzwijm van geur, tusschen het groen en ’t hemelreine, wijdzalig azuur, waarin het leven bruiste, en de kleuren klaterden.—De wilde storm en donkere furie van hun arbeid, brandde en stuipte in ’t rood van hun vruchtenzee.. Verbitterd in stillen wrok, stond er verwoesting van leefrust op andere koppen gerammeid, driften van zorg en geld-haal, die ze razend maakte, razend.

Aan weirand tegen spoorhek, èven buiten den worstelkring van schreeuwers om sloffen en ronde manden, stond droef-verschrompeld in eenzamen staar, ’n blinde man op klein orgeltje te draaien, z’n kaal hoofd pal in zonnevlam, brandend op schedelnaakt.

Tusschen gebonk en geratel dóór, schoten melankoliek, triest-zachte klanken uit z’n ween-instrument, dat met ’n riem over z’n borst gesnoerd, vóór z’n buik hing, steunend op ’n kort schuinen poot in ’t zand.—Eén mager-gele hand lag te beven op ’t bovenblad van z’n orgeltje, en de andere dor-uitgepeesd, draaide, draaide! Wèg zonk klaagstem van weenend orgeltje in den tierenden werkroes van ’t land volk. Bloedrood vlamde ’t omlijste gaas van orgelkast, vurige poortjes in ’t licht. En stil, krombeenig ingezakt, magerde z’n schreiend-sjofele figuur, in groen-roode jas, als vastgenageld, gekruisigd tegen ’t hek, eenzaam in de drift-woeling van ’t worstelende werk. Vóór ’m, op ’t heete gras lag ’n verluisd vuil mandrillig kereltje te smakkeren op wat verkneusde weggeworpen rottende aardbeien. Stommer, pruttelden de dooie droge lippen van den blinde, angstig gissend waar z’n zwijgend geleidertje ’m neergeduwd, had. En lang, heel lang bleef zon, sar-heet priemen op z’n naakt schedelvleesch, op z’n mageren, smal-hoekigen kop, angstigden[59]z’n staar-oogen, als inluisteringnaar wat ze nietzienkonden; draaide de hand, draaide, draaide uit, droef klankengeween, verdoofd wegvloeiend tusschen de furiënde aardbeienwoeling en felle glorie van zomerbrand, overal rondom.

Veel later, in den avond nog, dromden meér karren en wagens áán, lag ’t aardbeipurper en karmijn te koortszingen in ’t avondgoud, kwam ’r nieuwe vloed aanspoelen, aangolven, op de ratelhotsende karren, dampend nu in bovenaardsche zonglanzingen.

En van allen kant, de zwoeggezichten keken strakker, vermoeider.—

Op ’t stationsplein vóór en achter ’t hek, oproerde ’t nu, drongen en worstelden in beangstigend stillen drom, stóm van werkaandacht, de late plukkers. Wagons stonden in vreemd goudrooden gloed, in schijnsels van kathedraligen lichtdamp, overwazend de ploeterkoppen. Voor hun oogen verdroomde in nevelige pracht, ’t groene, eindelooze polderland, heel vèr, in ’t zinkende licht. De aarde dáár scheen te verdauwen, te drenken de verschroeide vruchten, en in zomermist zoelden de zoete grasgeuren en bloemenrook van de weiden en akkers òver naar den spoordijk.—

Sappig, in groen-zilverenden en aureolend rood-zachten zonneglans, vredig en hitteloos, verkleurde ’t weibrok vóór ’t station waar blinde man gestaan had.—Lemperweg, zwaar beboomd, groende in fijne lijngolvingen tegen goudregenende luchtverte.—Dáár vertintte donkerder purpergoud, in ’t al zinkende late licht, àchter de zwoegers, die verteerden in den dronken hartstocht van verkoop, de geweldrazernij van aanvoer en afname, niets meer zagen van ’t leven, rond hen heen. Van alle kanten stroomde nog áán zoete vracht, in wemeling van rood, róód, in al heerlijker schakeering, ’t zoetste purper, tusschen helsch vuur.—Over den karrendrang groeide de wondre avondzon, met z’n uitpralend madonnagoud zeefsel van broos-zinkend licht.—En hooger, tegen de scheemring in, stapelden òp de wagons, en zoeter rookten de vochtige geuren in den verdroòmenden lichtval.—

Tòt laat in den avond,—Lemperweg in boomenschemer al[60]te wiegen lag in zalige zomer-nachterust, heel Wiereland verzwelgde in geuren en zoete kweel-geluidjes van wei en weg,—bleef tuinderszwoeg àchter en vóór ’t hek drommen; bleef donkerder vonken ’t vruchtenrood, schonkeren en botsen ’t martelend geduw van atlaszware sjouw-vrachten. Al meer verduisterde de roode vruchtenzee in den zachten ruischgolf van scheemring, verduisterden de kerels méé in de azuren neerkoeling van nachthemel. Woest wrevelig staakte eindelijk de zwoeg, ratelden de karren terug naar krot en straat, akker en pad.—Te donker werd ’t om verder te lossen.

Stiller nu op ’t spoorplein daalde rust, vernevelde de polderwei in nachtelijk, droom-donker groen, in heilige stilte, als ruischte elke grashalm heilig nachtgebed uit.

Dieper nageur van vruchtenzoet bleef aromen over ’t plein.—Van verre, uit teere, avond-doorschemerde laantjes klonk vedelweeke stemmejubel van ’n meisje, avondklanken verluiend in den zomernacht, als heimwee-zoete herderszang.

En wijd, almachtig, in diep blauw, zaaide de nachthemel z’n sterrengoud uit; hemel als eindlooze fonkelkoepel plots in ’t duistere azuur gegroeid, waar geruischloos gaas-ragge engelenvleugels, zilveren glansen heiligend doorheenzwierden.—[61]


Back to IndexNext