V.

[Inhoud]V.Piet Hassel, sterke oproerige Wierelander, was kroeg in, kroeg uit geloopen op de haven, waar wit-schimmig de spoordijk weg te donkeren lag, achter het breeë watertje en vèr, ver, nevelig-blank van alom polderland, waarin fantomig reservoirs van gasfabriekje opdoemden.—Groote molen rechts, naar ’t[87]station, omkneld van donkere huisjesgroep, vaagde sneeuw-schimmig in duistere lucht, melancholiek over verren polder starend, den versneeuwenden bleeken nacht in.Piet had z’n vrienden opgevischt in een kroeg bij Schildert. Hendrik Gelder, de Haas bijgenaamd, Jan Sik, Kees Slooter, Kol en nog wat arme ploeter-schooiers, woelige, jolige losse tuinders en bloemistknechten met ’n paar sigarenmakers. Naast hen schuchterde bescheiden, ’n half-heerig klerk je van de fabriek van ingelegde groenten, ’n Wierelandsch burgertje, dat zich ’t liefst bij plebsche arme, schooiende herrieschoppers opdrong. Ieder in Wiereland kende ’t zuipende stelletje, als gevaarlijke vechtersbazen, nakende zwoegers en sjouwers, die in dronk-zwijmel opspogen tegen alles, allereerst tegen elkaar ruzieden omdat Kol en Slooter, katholiek, Sik en Gelder, protestanten, in hun hitte-buien, elkaar moèsten afrossen. Want verborgen ingetoomden, plòts soms uitziedenden schroei-haat sintelde en giftte er altijd tusschen bevolking, katholiek en protestant. Onder alle standen dàt gebruis, al wilde niemand ’t weten, omdat, gelijk verdeeld in aantal, men elkaar te veel noodig had. Maar soms barstten de belhamels los en helleveegden rond, braakten langgesmoorde driften uit van twee kanten. Nuchter, kon ’t Wierelandsche stelletje elkaar wel luchten. Iederen avond, in den naakten wintertijd, broeiden ze vast bijeen, in ’n kroeg. Eerste avondwerk was jacht op meiden, achter, op de stikdonkere kronkel-weggetjes, tusschen tuinderij en wandelpaden. Wellust-jacht van buurtmenschen waar geen simpel landelijke vrijage òp kon leven, of doodgetrapt werd ze, door rauwe spot en krijsch van verdierlijkte massa. Gewissel van meiden en jongens was overal. Leefdrang en passie werd genomen of betaald.Na meidenjacht, gloeirig en wild, weer terug honkten ze in kroeg, om ronde tafels in kaartspel-gegier. Zoo, elken avond had schooierigste tuindersgroep hier samenkomst, kwam werkvolk van Wiereland, onder heet-ingehijsch van brandvocht bijéén, verzoende zich tijdelijk haat van katholiek, protestant en jood. Dààr, in dompige, donkere kroeg-holen waar geur van jenever zoetig-helsch doorheen schroeide, werd gezopen, uit[88]wellust, uit hartstocht, om ploeterramp van komenden zomer te vergeten, om zorgen te zien vernevelen achter rooiig lichtende blijheid, glanzende dronken-oogen-kijk, om werkpijn te stillen, te dempen, met iets, dat warm-gloeiend inbeet, in hun brandend lijf. Zoo werd gezopen in Wiereland als nergens in andere streken, vloeide er één hittestroom van drank, dampend vocht; dromde er altijd gewriemel van schreeuwende, woedende, melancholiek-geslagene of komisch-beschonkene kerels; kerels, die vrouwen en kinderen lieten krepeeren van honger in winternaakte. Zoo ging laatste duit in hevige zuipkoorts en driftigen gok, naar vettige, joviale, buldoggige kasteleins, die meerookten pijpen, pijpen vol zware tabak, en gemoedelijk rondsloften, op hun gekleurde toffels, tusschen hun spuw-bakjes met zand, volgeklodderd van vuil.Dien avond ging het vriendenstelletje kroeg in, kroeg uit. Burgervader had permissie gegeven, dat herbergen en danszalen later mochten openblijven. Zoo trokken de kerels heen en weer op ’t schemerend havent je, dat stil lag schichtig, onder sneeuwgeschemer, en zware donkering van masten en booten in watertje, somber-groot opschaduwend tegen spoordijk. Uit de danszalen golfde bij vlagen, onder deur-opengesmak, rumoer, dat zacht verdempte in sneeuwgrond; galmden doffig, in tierend gewar, koperen muziekscheuren en zangstemmen.In lange smalle loodsen wriemelden opgepakt de dans-brandende Wierelanders. Opgejaagd, in gloeiende schroeiing, kookte ’t licht, ’t avondlicht, uitkoperend fel in brons-hevige vloeiing, van balken en wandbrokken neer. Lang uitgereept leegden zwart-bemorste banken, waarop vermoeide paren zweetig uitdampten, droef-schroeiend omneveld in rook, rossig walmgewolk. Stik-benauwing en heete adems persten zwoel-zwaar, door de lage smalle lolzaal. Wierelandsch zwoeg en plebs, zweetende meiden, rood en grauw van dans-hartstocht, kerels en jochies joegen in stormdwarrel op heesch, opjagend muziekgetoeter door de loods; joegen en tol-dwarrelden, dat kwijl langs hun[89]monden liep, de wijven met opwaaiend rok-gefladder en giftige beensliertingen.Drie danszalen was Piet Hassel met z’n vriendenstel al ingestormd, maar teruggedrongen werd ie overal, door kleurig-helsche warreling van donker-verlichte paren, die telkens plompiger aandromden van hout-kaal buffet naar ingang-deur. Eindelijk was Piet met de anderen in grootste danszaal meegezogen met afdeinende dansgroep. Achter ’n dikstrakken kop van ’n rossig zwaar bebakkebaard agentje bleef ie staan, ingekneld van lol-lachers, achter z’n rug, klown-dolle grimassen makend. Toen omzag agent, gooide Piet zich wild met de anderen in helschen kleurkolk van dansende paren, meiden die vlammen ketsten van hun blouzes, rokken en befonkelden haarpronk. Plots voelde Piet zich in-gebonsd, omkneld van allen kant. Wegwemelend rok-gezweef en geruisch van meiden joeg in zinlijke vlucht-geur en plooi-ruzie voorbij. Harkig sleurden de kerels mee in stronkige armenknel. Vriendenstelletje was uitelkaar getrokken. Alleen Gelder zag Piet naast zich, midden in ’t dans-gewemel, die niet af kon zien van het witte onderrok-gefladder, dat telkens vèr onder opgeschorte rokken uitzinlijkte. Plots greep Piet, Gelder vast, begonnen ze stijf-komieke stappen rond zich te trappen, telkens opbotsend en wankelend, zich schijn-teeder omarmend als jong paartje. Schatering en hittend gejoel joeg om ze heen, zwaarder bonsden lichamen áán tegen de twee harkige kerels, dat ze waggelden, en dobberden gierlollend.—Haej.… kanteloepp! je fiel droait.… snof’rjenne.… twee kerels.… krijschte Kol.—Kaik, die klebakkium kaike.… t’met skiet ie op je af.. hai is puur ’n vuile smakwammes!.… lachte ’n tuindersmeid, die met zweet-rood hoofd naar ’t agentje bukte, kanaljeus, ’m ’n ruk aan z’n baard gaf.—Nou aa’s j’r senie in hep ka je f’nacht in ’t koarte-huis maffe.… zong Wierelandsch stemgalm er doorheen van ’n meid die bukkend d’r kouseband toehalen wilde maar weer omgebotst werd door ieder paar dat ’r zag staan, kuit-naakt.Zoo, zangerig doorwarrelde stemme-gons, schel gelach en[90]schoffel-bonkend geraas, schal-scheurden felle trombone-dreun en hoornstooten uit van poepers, die half gekneusd en gebeuld op hoogtetje, achter groen hekje troonden, tusschen buffet en plee in. Op hun vaal-groene buizen, schemerden de rood-vuile epauletten, als bloedvlekken, verkleurd in stofstuifsel, dat opjoeg van zandgrond, lichtende hoozen, zacht weer neerpoeierend over gekromde speelruggen, en vervaagd rooiig, hun blazende walmkoppen bolden als barstend gespannen gas-ballonnetjes in oranjigen nevel-brand.De zweethoofd-meiden, in hun opgedirkte kleur-helsche japonnen en lijfjes, plomp-hevig en boersch-echt, met schitteroogen, die gilden van genot, zopen langzaam smakkend, opgedrongen tegen buffet aan, bier, groot glas, omkneld in bonkige goud-beringde werk-knuisten. Enkele koketteerden met armbandsiersels, omrammeld, kannibalerig-woest bepronkt, wild in haar en hals, getatoeëer van tulpenvurige doeken en strikken. Vóór ’t drinkstoetje van meiden duivelde heet gegons van wemelparen onder lichthoek, schroeide rossige walm, stinkdamp van zweetlijven en asemen. Dronken tronies van mannen en meisjes lachten al ààn in zuipgrijns; uit de wemel-stoeten dampten op, rooie wilde oogen van verhitte vrouw-koppen. In gestoot en geduw werd gillerig en jagender de pret. De mooiste meiden smakkelden en koketteerden in boerenwaan, stijf en plomp-rauw met wreed gebaar, damesnadoenerig-stijf. Bij hoeken gedrukt stonden paartjes, in knie-knikkenden stand, krachteloos te mondzuigen en zoen-lebberen. Op de banken plonsten groote groepen neer, dood-affe, hijgende, zweet-druipende paren, elkaar zoetig verliefd bewaaierend met zakdoeken, waaruit duf en vergoord goedkoope patjoulie-reukjes en vieze eau-de-kolognerige zeepstank opluwde. Telkens sprongen uit de hijg-moeë groepen uitgeruste meiden op, nog bleek-rood van inspanning en dansdrift, in woest en zang-gier met d’r jongens zich weer stortend, in den wemel-stroom van zwirrelende parenwarreling, en slingerkolk van bruisend rokkenwit. Al nauwer drong òp en stormden ààn, nieuw-ingezogenen bij ingang-deur. Geen plaats meer bleef om te bewegen. Heele troepjes omsloten[91]en ingeperst kleefden als aan elkaar, hobbelden rhytmisch op muziek-stooten, met lijven op één plek, zonder van plaats te kunnen wegbeenen. Soms spuide plots ’n beetje ruimte en dobberde menschenkluit wat van elkaar. Maar telkens weer botsten de lijven òpéén, trapten en stootten de meiden, pijnlijk-gespijkerd tusschen dierlijk-harkige omknelling van d’r dansende kerels.Maar andere meiden, vuriger, verhit van demonischen dans-wellust en lijfgeschuur, onkenbaar verwrongen d’r koppen onder walm-brand, waarop hartstocht rammeide en ingroefde donkere lusten om oogen en toegeknepen kwijl-monden,—opjagend en lokkend met enkel heesch woord d’r kerels, niet òmziend, als verstard, kijkend pàl in minnaarsoogen, wezenloos en bezwijmeld, warrelden dóór, tot plots ze weer stuitten op paren-kluit, die vast-gezogen deinde, in ordeloos gedrang; opsukkelde naar deur als buffelbende, stoer aangestormd éérst, plots als omkluisterd aan pooten. Dan klonterden weer de zweetkoppen bij-een, ontstrakten de zwijmelgezichten, kwam er geduw, gejouw en lach-schalm onder heetste, gemeenste jongens-meiden. Herrie-gejoel barstte los, om elken tuindersjongen van Duinkijk en Kerkervaart, die danste met meid van Wiereland. Dan ging gegrom rondom en beflodderden ze elkaar met scheldnamen, kwam er hanige haat, vuurrood kamgesidder van nijd en geweldige mondspuwingen van vloeken-donder. Tegen het hekje, waarachter de blazende roodgezwollen muzikant-koppen, sidderend als in goudgaas van opgewoeld stoflicht en oranje rook,omzwierd en verwaasd, op hun hoogtetje dromden, stond nauw opgeplet in damp en stuifsel, ’n troep blonde forsche meiden, bepaaiend, besussend, woede-kerels, met smak-zoenen en wangstrijkingen. Anne Donke en Griet Karsen twee knappe tuindersmeiden van de plaats, praatten fier, ongenaakbaar, met loodgieter Ruig en smid Wenke. Naast hen, in gedrang, hurkten op de banken ’n troep jochies van twaalf en veertien jaar, met bierglazen in de hand, stoeiend en opgejaagd door schorem bollekweekersknechten, en ’t stelletje dat lol had in de kloek-zuipende groot-doenerige kerel-kinders. Telkens propten ze zich den mond vol met pruimpies, spogen in ’t rond,[92]vloekten als grooten; be-gutsten de meiden met woordvuil, sprongen als apen, met glunderige licht-oogjes, loerend, dronken en verhit.Piet Hassel wou ruzie. Dat had ie met ’t stelletje afgesproken. Wat zou ’t; gevochten most d’r worden. En Piet was in lol maar begonnen met schijnherrie tegen ’n Duinkijker, dien ie heel goed kende. Dadelijk erin, hakten anderen die partij trokken. Lach-barstend drongen Piet en Duinkijker weg, de partijtrekkers tegen elkaar aan den gang ziend. Achterhoeksche haatdragendheid en stupiede kijfbotheid stond op dronken zwijmelkoppen uit te barsten. Loome wrok, die langzaam maar schrikkelijk opboorde uit gesmoorde gloeidriften. Grooter werd broeiing, rossig toortste walm rond, vergroenend de zinne-koppen in grauwig brandlicht. ’n Kerkvaarter en Wierelander waren vlak bijeen gedrongen, eigenlijk niet goed wetend wat ze van elkaar wouen. Een had partij voor Piet getrokken ’n ander voor den Duinkijker. Die twee nou zaten te gieren op bank bij de deur tegen de uithijgende meiden lollend, dat ze voor hùn beidjes op elkaar inhakken gingen. Wierelander krijschte rauw.—Bai jullie verdomme.… bai jullie op da gat.… da krot.. stong ommirs ’n bord.… en stong d’r’op.… hier hout ’t minsdom op.… da hai je t’met de beeste.…—Daa’s proat! loddermeroàkel.… nou.… ikke seg uit volle borst.… Duinkaik bóófe.… Wiereland ònder.…Bang gedreig van alle kanten. Rossige walmkoppen opdringend naar waggelkerel, die bleekig, met scheef vertrokken zenuwmond en drinkers-oogenlicht, doorzingen wou.… Duinkaik bóófe.—Hou je smoel.… boerekinkel, of ’k sel je ’n lik onder je koàkebeen gaife.…—Sakrejenne.… wie breng je mee?.… seg.… snof’rjenne! beskimmelde huspot.Plots hevig bonsden ruzie-stokers tegen elkaar op, door aanwarrelende dans-groep, die langs ze stoof, rondkolkte in stofwolken, gouïg oppoeierend midden in loods, verdween weer, in fantomige, sidderend rooïe walmsfeer, tusschen kankan van[93]meiden, met rokken hoog opgezwaaid in schuimwit. Maar Duinkijker drong achteruit, stompte met z’n armen, roeide op ruggen en schouers terug naar z’n plaats.—Kaik se stoan.… krek an ’n raitje.… aa’s aarepels in duin.… is da bier van sain?—Joa!.… van sain.… blaif d’r af mi je poote.… Kaik die varkessnuit.…Meiden, verhit door danszwijmel lachten en giegelden belust op vechtpartij.—Nou sel ’t puur uitsain, krijschte ’n Duinkijker midden in, of je hep ’n slag f’r je roap beet!.…—Bin’k self bai hée? venijnig-bleek giftte Wierelander terug, grauw-groen van drift.—Wa hê jai mi An van doene!.…—Sjeis an je An, krijschte ie rauwer, z’n bierglas in woesten kring rondzwaaiend, dat ’t schuim vlokte om ’m heen.. Gesist en opgehitst werd er: kss!.… kss!.…Bloedschijn lag wild en begeerig in dronken zwijmeloogen van kerels, en de meiden, verlekkerd, wouen beroering, wouen gekerm en gekreun van ondergelegden, gekneusden, gebeukten, melodramatisch opgevlamd en verschroeid van zinnendrift. Midden in, drong Piet met Rink den polderreus, door de stilstaande paren.… Hevig-rauw krijschte geluid van lijf-reus, daa se moste deurgoan.…—Seg krente-mik, snait de fint an rieme, sloa’m sain beene stuk.… en timmer sain mit de bloedige ende op s’n pet!.…—Bàrst jai.—Blaif jai heel!.… en meteen trok Rink z’n jas uit, om in z’n overhemd, meesliertend verkronkeld-oranjige halsdoek, nek-ontbloot, de eerste striemen weg te patsen, ’n Meid, blond in koniginne-statuur, slank en reuzig-forsch, was plots midden ingedrongen en uitrazend met tartende gebaren, duim onder kin woest wègstrijkend, gierde ze tegen Duinkijker kerel.…—Rooie!.… rooie!.… rooie!.… kaik ie tippele!.…. kaik ie tippele![94]—Laileke skarretje.… wa mo jai d’r vàn!—Kaik ie tippele.… so glad aa’s ’n flesch.…—Debies jai.… ik stink tog nie suur.… duufelstoejoàger!—Jai? an main jassie.… sie ie main van veure.… kaik nou doàr’.… En wild draaide furie om, met haar achterste hoog opwippend naar ’m toe, in dwazen hoonenden wellust-sprong.—Vuile kwieb!.…—Mô je se maid siene.… puur soo breed aa’s hai.… soo pot!.… soo pan!.… gierde ’n kleine furie.—Enn jai dan prop.… onder- en boofe-deurtje!.… mit je lange skele rot van ’n vraier.…—Debies, tartte de forsche meid weer, spitisger met ’r duim langs glimkin strijkend, in duivelend scherp gebaar, rooie tonglap er hoonend uitpuntend.—Dubbel-debies jai muurvarke!.… stoppelkat!.. gaif jai je kindere te vrete!.…Plots opgestookt door verstoorde bende die dansen wou, kwam goeiig politie-mannetje, verlegen aan z’n rossige bakkebaard aaiend, tusschen de ruzie-lijven staan.—Blaif jullie nou je fesoen houe.… toe nou.… kalm an.… kalm an.… jai die weg uit.… en jai die.—Zacht begon ie den polderreus te verduwen, die beenplakte, als ’n rots onwrikbaar, uitdagend, met z’n moker-armen tegen muzikantenhekje bombardeerend, dat de kerels trilden achter walmlicht. Rink’s groen-valsche oogen, lichtten als fosfor, donker-woest diep in z’n ruwen kop verdoken. Ruzie was geslabakt en wilde warrel joeg weer door de loods, die walm-zwaar pafte, in stofpoeier boven het geschetter, dat rood-sferig brandde. De koperen instrumenten van blazers flitsten in licht-glimsels.—Toortsig-helsch en satanisch, dreunden donkere monden van trombones, hun zwaarlijvige tonen den stankwalm in, dat wanden te barsten dreigden; fel boorden de hoorn-stooten als priemend geluid door de broeiing; schommelend gingen de lijven weer in rhytmisch gehobbel, in koorts van draai en tolling,[95]geilde de zwijmeldans weer door de loods, in rossigen rook, die meid-gezichten schroeide en oranjerig-rood begloeide in zwelling van bezweete huid.Piet zoende in ’n storm, tien meiden te gelijk, achter den arm van hun dansers, waarin ze omschroefd pletten, en met Rink achter ’m aan, wien hij iets in ’t oor schreeuwde, drong ie naar den uitgang.—Wie main lief hep, volgt main!.…’n Twintig kerels hadden ’t sein begrepen. Buiten, op de verwittende havenkaai zouen ze ruim-rustig kunnen zuipen. Zacht vlokte sneeuw neer, wemel-schimmig op zwak lichtend haventje. Vlak bij tuindersboot, die donkerde in watertje, met fel-groen ooglichtje half-mast, holden en slinger-lijzigden de kerels aan, donkere stoet in wittigen vlokwarrel, schuw, om lantaarn-paal, die rossig-goud hun tronies beschemerde tegen nacht-duister. Piet en Rink smakten zich in de sneeuw, plat op hun achterste, met beenen vooruit, en schimmig cirkelde heele stoet, neergesmakt op straat, schimmig en schaduw-vreemd, zwakkelijk verrood in den gouïgen vlokkenmist onder lantaarn-paallicht. Achter de zuipers verwitten stil, huizen en boomgestalten, karren en manden. Inééngekromde pakhuizenrij, waarop bàng-wild, rossige schijnselkring van kleine lantaarn, makabren donk’ren bronsgloed kaatste, school droef weg in diepe droomtonen àchter sneeuw-wemeling. En geheim-zacht in ’t rosse licht dáár, zweefden de vlokken voor de droeve vensterblinden en schemerluikjes.Piet had ’n groote kruik onder z’n jekker uitgehaald. Rink presenteerde ’n diendertje. Gretig ging rond nu in den kring mank glas en kruik, tot ’t onder beestig, koortsig-heet gekrijsch bij Piet weer terugkeerde. Kannibalig donkerde de hurkende zuipstoet, in den licht-schichtigen lantaarnkring en bang-groot slagschaduwden hun handen, koppen en lijven bij slingergebaren dooreen, in paarsdiepe silhouetten op rossigen, trillenden sneeuwgrond. Lallend zangden de heesche beest-stemmen. Even van kerels af, die in ’t vlok-schimmige als bedouïnen-stoet in sneeuw-nacht woelden,—kwam angst-gekijk[96]van Baanwijkbewoners soms, schuw op haventje loerend.En stil, ruischloos boven donker-rossige, woeste zuiptronies, omkaatst van schimmig straatwit, vlokte om lantaarnpaal heen, zacht sneeuwgeweef, kuisch, smetloos wonder van vlokkenschemer, zachte warreling vergouend in ros-vlam, ontroerende smelting van licht, heilig en stil, dichtwevend duisteren nacht rondom.Politie was gewaarschuwd. De burgervader, met ’n paar mannetjes kwamen aansjokken, vooruit voelend, dat ’t niet goed afloopen zou.Jeneverkruik was leeggezogen en de helft van stoet stond weer, waggel-zwaar, en nijdig vloekend op Piet en Rink dat ze niet eerlijk gedeeld hadden. Piet, met bloeddorstige natuur, voelde vechtjeuk, schold terug, aldoor één woord, liederlijk. Rink zag schuw den burgervader aanstappen. Verdoken achter den kring, gooiden ’n paar sneeuwballen, vuil-modderig, van ’n groentenkar uit, naar agenten. Piet lolde, rauw, mikte steenen pal op zwak-geligen blinkhelm van kleinsten agent onder schuw licht. De heele troep was plots van de straat-hurk opgesprongen.In wilden grabbel graaiden krampige handen over sneeuwgrond. ’t Regende ballen naar burgervader en agenten, zacht aanpaffend tegen hun kleeren. Bleek-streng bij ’t licht,—den stoet verjagend, die achteruitdrongen was,—draaide burgervader zich om, beval barsch agenten te staan. Even stemmen-gefluister tusschen hem en agentje. Sabeltrekkend in ’t schuwe licht, donkerde ’t mannetje met z’n klein gevolg, stijf, in versnelden pas op bende aan, die onder vijandig uitdagend vinger-gefluit en heet-lustig vechtgeschreeuw van Rink, zich achter karren en mandstapels bij ’n schuit verschanst hadden.Onder hagelstorm van moddersneeuwballen, was agentje den duisteren wallekant genaderd en luk-raak, in sneeuwgewemel, dat ruischloos donkere mondholte inzweefde, schreeuwde hij iets voor zich uit, onverstaanbaar terugslaand op gegier van dronken stoet. Toen kwamen, op fijn fluitsignaal van agent[97]uit z’n staf, onder lantaarn uit, twee nieuwe mannetjes aanzetten, sprongen wild uit den rossigen lichtkring met sabels de lucht invlijmend, maakten schijncharge om te laten voelen, dat ’t ernst kon worden.Uit de danszaal holden meiden, gillend in lawaai, en nieuwe kerels dromden áán, heet-nijdig op politie, drongen samen met vecht-stoet.—Hak’ker puur op in, krijschte een agent, die lust had te ranselen, dwars door de dronken bende. Weer volgde van klein troepje dienders, ’n schijncharge. Achter karren, die schuin opstonden, met kruk de lucht in, vluchtte weg, donker gestoet van meidentroep naar wallekant, in angsthaast over glibbervuile loopplank dringend, naar tuindersboot. Achter kisten en manden uit, striemden steenen, hout en groentenvuil zwarte streepen door sneeuw-wemel, die als in stormhoozen weer wegwarrelde in andere richtingen.Boven alle geweld uit krijschten de stemmen van Rink en Piet, dat sullie de kerels ’t water in mosten douwen. Plots trokken ze allen, met brok-scheppen, hooi- en mestvorken,—die ’n paar kerels uit afslagloods bij ’n pakhuis hadden losgewerkt uit den rommel,—op het viertallig agentenkringetje af, waar burgervader bleek-strak midden-in ordonneerde. De agentjes hadden de sabels ingehouen en de dronken stoet, in brullend gekrijsch en gefluit, drong weer, uit donkering van besneeuwde handkarren en kisten, in rossigen schemer van lantaarnlicht, midden op haventje, zwaaiend met scheppen, steekvorken, rijzenknuppels en boomstronken. Vooraan gilden dronken meidentronies, sommige woest-bleek beschenen, nat van sneeuw, met schuimige vlokken op neuzen, wenkbrauwen en oogranden. De burgervader, voelend dat ie te sterk had ingezet, schuchterde achteruit, wou ’t z’n klein agentje weer zoetjes laten bijleggen. Aarzeling was er, die de stoet voelde, want raker en striemender bonkten steenen, koolstruiken en hand-ingekneusde sneeuwballen in ’t kringetje, waarvan burgervader mikpunt werd. Klein agentje trad even weer uit den kring, vlak voor de donkere woelige bende, kerels die slagschaduwden[98]op lichtschuwen sneeuwgrond, als wemelende gedrochten uit chineesch schimmenspel.—Jonges, schreeuwde agentje met vredestichtend timbre in z’n stem,.… hou jullie je nou kalm.… wa geeft ’t nou!.. sukke herrie!.… goan jullie nou kalmpies uit mekoar!.…Woeling gierde er los uit den stoet, die nu weer vooruitstrompelend, in kring om alleene havenlantaarn duivelde, rossig, in wilde schijnsels.—Barst jai, gilde Rink uit, jullie benne begonne.… laileke dood-van-ganzebord.… jullie sa’k levent f’rbrande.… aa’s we je nie mosse fille.…—Kalm nou, kalm àn, deemoedigde agentje, z’n sabel weer in de schee neerpuntend.—Kalm, kalm, m’neer salm-salm, zang-gierde Piet.… komp bai de huur t’regt.… nou kort en goed, duufelstoejoager.… aa’s jai.… mi je k’rnuite.… aa’s jai nie ofer-dwars te woater mòt, ruk dan in.… mars!!Schatering daverde òp uit den troep, meiden liepen gil-lawaaiend weer terug over loopplank. Donker gegons van áánpaffende sneeuwballen, verschimmend in kruisworpen naar agenten-kringetje, dat stil nu afweerde, bàng voor ergere opwinding.—Doe jullie je latjes weg, krijschte éen uit den stoet.—Verdomd aa’s de duufel jullie sette ken, verdomd,.… vloekte moedig klein agentje,—goan jullie nou deur.… mot ’r nou geranseld worde.—Joà joa! krijschten meiden.… kok-kok-kok!.… kok-kok-kok!.… moeder weer ’n eai!.…—Op jullie bakkesse!.… die skar van ’n burgerfoader mô te woater.… galmden anderen weer.—Smait sain onder de kar, breek se de strot, gierde Rink uit den stoet.Een jolige meid duivelde plots vóór agentje, gaf ’m ’n ruk aan z’n baard, haastig in den donkeren stoet weer wegspringend, die al meer kwam aandreigen met zwarte harken, vorken en zware gereedschapbrokken.[99]Rink zwaaide met ’n ijzeren moker, maar agent je was ’t minst bang voor hèm. Vlak bij ’m ging ie staan.—Wees jai nou verstandig Rink, vleide agentje, zeg jai an Hassel nou, da se goan motte.… jai ben tog de boas hier.…—Nee, huil-woedde Piet, die ’t half gehoord had,—doe jai die spitsboef doàr de boeie àn.… geef sain ’t kettinkie in z’n klauwe.Rink, dronken-duizelig, half wetend wat ie zei, was gevleid door agentje.—F’rjakkerjenne, spoog ie uit.… hou jai je bek:.… ikke bin boas hier.… ikke!.…Zwaar zwaai-suizelde moker boven z’n schemer-rossigen dreigkop; z’n lippen sputterden schuim en voort brulde ie, doffe klanken onder zwaarder geslinger van schamp-lichtenden hamer. Plots greep ie de vork van ’n meid voor ’m, sloeg de punten woest tegen z’n moker in, boven z’n kop, dat stàlen tanden, lichtflitsend, vonkten tegen ijzer.…—Weg d’r mee!.… de maa’n het glaik.… snurkers!.…En weer slingerde ie de mestvork woest tegen den stoet in..—Fort jullie.… ’t skeelt t’met nies.… nies.… of wullie gonge de bak in.…Allo jonges.… wai saine waiser.… loate wai de vuilike links legge.… links legge.… wai.… wài.… binne vuilike.… wài.… sài binne ’t.… sài.…—Agentje klopte ’m gemoedelijk tegen z’n rug.—Flink soo Rink.… soo is ’t.… goan jullie d’r moar van deur.Maar Piet wou niet, bleef halstarrig, schold Rink uit voor ’n verrajer, ’n kabboebelaap!.…—Jai transvoalsche seemeeuw, stinkbunsum!.… jai.… Engilsche boef!.…—Hou jai je bek.… ik seg moar.… ik seg moar, waggelde Rink er uit, stomdronken, donkerhoog boven den stoet uitschouderend,—ik seg moar.… da je.. da je te veul neusiesverf hàt hep.… jài bin dronke.… f’rdomd!.… dronke!..De vrouwen wouen niet langer staan in kou en nattigheid.[100]Telkens scheurde zich ’n groepje af van den stoet, dat lollend en zingend, onder vermaning van agenten, de haven langsslingerde, onder boomen door; soms afbrokkelde, dàn weer arm-in-arm haakte, als donkere schutters in rijen, opmarcheerend naar hoek van achterhaven, tegen schuwen pakhuizenschemer in, den polderweg op. En achter hen áán, kreupelden al meer schamele hinkstoetjes, scharminkels in duister bewustzijn, verkoortst van karnavalshitte, onmenschelijk en ramp-zwaar geslagen, havenweg áfslingerend; landloopersellende, verspokend in langzamen schaduwtocht tegen oneindig donker-schimmige gat van besneeuwde-wei-poldernacht.Piet alleen, bleef doorrazen, met nog ’n stoet je waggel-kerels, om lantaarn-paal heen. Rink drensde mee, Piet zeurde tong-zwaar met hoog-piependen stem-overslag.—Sien je.… sien je.… jai!.… jai!.… jai-bint ’n fârrike.… sel ’k moar segge.… moar ik seg.… ik seg.… fierkant wa je bin.…—Nou.… en ikke, treurstemde terug Rink, ik seg.… ikke.… ik seg.… da jài ’n boef.… ’n boef.… ’n Sjemperlan bin.… ’n skar.… sien je!.… moar.… i i i i ikke.. ikke.… ikke.… ikke seg-’t.… i-i-i-in je smoel.… sien je.. sien je.… e’e eerlik!.…—Jeaijsis.… jeaijsis!.… daa’s net.…, lolde Piet vroolijk.… Ikke.… i i i kke.… i i i n.… ’n ploert.… sien je.. é é énne.… enn jai.… jai.… ’n boef.…, nie.… ?.. nie?… daa’s eerlik.… geef màin nou.… nou ’n poot kameroat!.… daa’s net.… jai ’n.… boef!.… é é é.… é é é.. enne.… ikke.… ikke.… ’n Sjamperlan!.…En roerend innig, verrast en verzoend, tegen elkaar opwaggelend, met kwijl van lach-pret om hun monden, tast-zochten ze naar lantaarnpaal voor houvast, in been-waggelend geduizel; grijnsden hun rossige tronies, lachend onder het licht, probeerden ze elkaars handen te grijpen. Piet met z’n mouw, poogde zwaar gevlok van z’n sneeuwgezicht en brauwen weg te strijken. Laatste troepje, waggel-breed, slingerde den polderkant op, den spoorweg òver. Rink alleen achteraan, waggelde[101]een zijweg van polderpad langs, langzaam, in hevig geslinger, angstig-rakelings langs slootkant.Stilte was nu geweven.… Van ver klonk telkens áán, melancholiek gegalm van Rink’s zangstem over doodstille wei, oneindig in vlokkendans verschemerd. Droef klonk dóór, zwaar-klagelijk en dronkemansteeder z’n lied:Ik bin moar.… ’n swainke.… allain stoan ’k hieeeer!Allain op de weijrelt.… mi-sonder pelsieeer.…Piet, alleen sprekend bij lantaarnpaal, was ingezakt, wroette op de straat in ’t slijknat, kon zich niet meer op z’n beenen hijschen. Zachte redenaties hield ie tegen de steenen, met z’n gezicht in den sneeuwmodder.Eindelijk kwam erbarming; werd weggedragen z’n stinkend lijf door twee agenten met kleintje aan ’t hoofd.Stil nu lag haventje weer, in rossigen schemer, doodstil. Onder allééne lantaarn vlokte gesneeuw, vergouend in gasvlam, en schepen, verwitten hoog tegen spokigen spoordijk op, waarachter schimmig deinde, sneeuw-schemer van polderende wei-zee.[102]

[Inhoud]V.Piet Hassel, sterke oproerige Wierelander, was kroeg in, kroeg uit geloopen op de haven, waar wit-schimmig de spoordijk weg te donkeren lag, achter het breeë watertje en vèr, ver, nevelig-blank van alom polderland, waarin fantomig reservoirs van gasfabriekje opdoemden.—Groote molen rechts, naar ’t[87]station, omkneld van donkere huisjesgroep, vaagde sneeuw-schimmig in duistere lucht, melancholiek over verren polder starend, den versneeuwenden bleeken nacht in.Piet had z’n vrienden opgevischt in een kroeg bij Schildert. Hendrik Gelder, de Haas bijgenaamd, Jan Sik, Kees Slooter, Kol en nog wat arme ploeter-schooiers, woelige, jolige losse tuinders en bloemistknechten met ’n paar sigarenmakers. Naast hen schuchterde bescheiden, ’n half-heerig klerk je van de fabriek van ingelegde groenten, ’n Wierelandsch burgertje, dat zich ’t liefst bij plebsche arme, schooiende herrieschoppers opdrong. Ieder in Wiereland kende ’t zuipende stelletje, als gevaarlijke vechtersbazen, nakende zwoegers en sjouwers, die in dronk-zwijmel opspogen tegen alles, allereerst tegen elkaar ruzieden omdat Kol en Slooter, katholiek, Sik en Gelder, protestanten, in hun hitte-buien, elkaar moèsten afrossen. Want verborgen ingetoomden, plòts soms uitziedenden schroei-haat sintelde en giftte er altijd tusschen bevolking, katholiek en protestant. Onder alle standen dàt gebruis, al wilde niemand ’t weten, omdat, gelijk verdeeld in aantal, men elkaar te veel noodig had. Maar soms barstten de belhamels los en helleveegden rond, braakten langgesmoorde driften uit van twee kanten. Nuchter, kon ’t Wierelandsche stelletje elkaar wel luchten. Iederen avond, in den naakten wintertijd, broeiden ze vast bijeen, in ’n kroeg. Eerste avondwerk was jacht op meiden, achter, op de stikdonkere kronkel-weggetjes, tusschen tuinderij en wandelpaden. Wellust-jacht van buurtmenschen waar geen simpel landelijke vrijage òp kon leven, of doodgetrapt werd ze, door rauwe spot en krijsch van verdierlijkte massa. Gewissel van meiden en jongens was overal. Leefdrang en passie werd genomen of betaald.Na meidenjacht, gloeirig en wild, weer terug honkten ze in kroeg, om ronde tafels in kaartspel-gegier. Zoo, elken avond had schooierigste tuindersgroep hier samenkomst, kwam werkvolk van Wiereland, onder heet-ingehijsch van brandvocht bijéén, verzoende zich tijdelijk haat van katholiek, protestant en jood. Dààr, in dompige, donkere kroeg-holen waar geur van jenever zoetig-helsch doorheen schroeide, werd gezopen, uit[88]wellust, uit hartstocht, om ploeterramp van komenden zomer te vergeten, om zorgen te zien vernevelen achter rooiig lichtende blijheid, glanzende dronken-oogen-kijk, om werkpijn te stillen, te dempen, met iets, dat warm-gloeiend inbeet, in hun brandend lijf. Zoo werd gezopen in Wiereland als nergens in andere streken, vloeide er één hittestroom van drank, dampend vocht; dromde er altijd gewriemel van schreeuwende, woedende, melancholiek-geslagene of komisch-beschonkene kerels; kerels, die vrouwen en kinderen lieten krepeeren van honger in winternaakte. Zoo ging laatste duit in hevige zuipkoorts en driftigen gok, naar vettige, joviale, buldoggige kasteleins, die meerookten pijpen, pijpen vol zware tabak, en gemoedelijk rondsloften, op hun gekleurde toffels, tusschen hun spuw-bakjes met zand, volgeklodderd van vuil.Dien avond ging het vriendenstelletje kroeg in, kroeg uit. Burgervader had permissie gegeven, dat herbergen en danszalen later mochten openblijven. Zoo trokken de kerels heen en weer op ’t schemerend havent je, dat stil lag schichtig, onder sneeuwgeschemer, en zware donkering van masten en booten in watertje, somber-groot opschaduwend tegen spoordijk. Uit de danszalen golfde bij vlagen, onder deur-opengesmak, rumoer, dat zacht verdempte in sneeuwgrond; galmden doffig, in tierend gewar, koperen muziekscheuren en zangstemmen.In lange smalle loodsen wriemelden opgepakt de dans-brandende Wierelanders. Opgejaagd, in gloeiende schroeiing, kookte ’t licht, ’t avondlicht, uitkoperend fel in brons-hevige vloeiing, van balken en wandbrokken neer. Lang uitgereept leegden zwart-bemorste banken, waarop vermoeide paren zweetig uitdampten, droef-schroeiend omneveld in rook, rossig walmgewolk. Stik-benauwing en heete adems persten zwoel-zwaar, door de lage smalle lolzaal. Wierelandsch zwoeg en plebs, zweetende meiden, rood en grauw van dans-hartstocht, kerels en jochies joegen in stormdwarrel op heesch, opjagend muziekgetoeter door de loods; joegen en tol-dwarrelden, dat kwijl langs hun[89]monden liep, de wijven met opwaaiend rok-gefladder en giftige beensliertingen.Drie danszalen was Piet Hassel met z’n vriendenstel al ingestormd, maar teruggedrongen werd ie overal, door kleurig-helsche warreling van donker-verlichte paren, die telkens plompiger aandromden van hout-kaal buffet naar ingang-deur. Eindelijk was Piet met de anderen in grootste danszaal meegezogen met afdeinende dansgroep. Achter ’n dikstrakken kop van ’n rossig zwaar bebakkebaard agentje bleef ie staan, ingekneld van lol-lachers, achter z’n rug, klown-dolle grimassen makend. Toen omzag agent, gooide Piet zich wild met de anderen in helschen kleurkolk van dansende paren, meiden die vlammen ketsten van hun blouzes, rokken en befonkelden haarpronk. Plots voelde Piet zich in-gebonsd, omkneld van allen kant. Wegwemelend rok-gezweef en geruisch van meiden joeg in zinlijke vlucht-geur en plooi-ruzie voorbij. Harkig sleurden de kerels mee in stronkige armenknel. Vriendenstelletje was uitelkaar getrokken. Alleen Gelder zag Piet naast zich, midden in ’t dans-gewemel, die niet af kon zien van het witte onderrok-gefladder, dat telkens vèr onder opgeschorte rokken uitzinlijkte. Plots greep Piet, Gelder vast, begonnen ze stijf-komieke stappen rond zich te trappen, telkens opbotsend en wankelend, zich schijn-teeder omarmend als jong paartje. Schatering en hittend gejoel joeg om ze heen, zwaarder bonsden lichamen áán tegen de twee harkige kerels, dat ze waggelden, en dobberden gierlollend.—Haej.… kanteloepp! je fiel droait.… snof’rjenne.… twee kerels.… krijschte Kol.—Kaik, die klebakkium kaike.… t’met skiet ie op je af.. hai is puur ’n vuile smakwammes!.… lachte ’n tuindersmeid, die met zweet-rood hoofd naar ’t agentje bukte, kanaljeus, ’m ’n ruk aan z’n baard gaf.—Nou aa’s j’r senie in hep ka je f’nacht in ’t koarte-huis maffe.… zong Wierelandsch stemgalm er doorheen van ’n meid die bukkend d’r kouseband toehalen wilde maar weer omgebotst werd door ieder paar dat ’r zag staan, kuit-naakt.Zoo, zangerig doorwarrelde stemme-gons, schel gelach en[90]schoffel-bonkend geraas, schal-scheurden felle trombone-dreun en hoornstooten uit van poepers, die half gekneusd en gebeuld op hoogtetje, achter groen hekje troonden, tusschen buffet en plee in. Op hun vaal-groene buizen, schemerden de rood-vuile epauletten, als bloedvlekken, verkleurd in stofstuifsel, dat opjoeg van zandgrond, lichtende hoozen, zacht weer neerpoeierend over gekromde speelruggen, en vervaagd rooiig, hun blazende walmkoppen bolden als barstend gespannen gas-ballonnetjes in oranjigen nevel-brand.De zweethoofd-meiden, in hun opgedirkte kleur-helsche japonnen en lijfjes, plomp-hevig en boersch-echt, met schitteroogen, die gilden van genot, zopen langzaam smakkend, opgedrongen tegen buffet aan, bier, groot glas, omkneld in bonkige goud-beringde werk-knuisten. Enkele koketteerden met armbandsiersels, omrammeld, kannibalerig-woest bepronkt, wild in haar en hals, getatoeëer van tulpenvurige doeken en strikken. Vóór ’t drinkstoetje van meiden duivelde heet gegons van wemelparen onder lichthoek, schroeide rossige walm, stinkdamp van zweetlijven en asemen. Dronken tronies van mannen en meisjes lachten al ààn in zuipgrijns; uit de wemel-stoeten dampten op, rooie wilde oogen van verhitte vrouw-koppen. In gestoot en geduw werd gillerig en jagender de pret. De mooiste meiden smakkelden en koketteerden in boerenwaan, stijf en plomp-rauw met wreed gebaar, damesnadoenerig-stijf. Bij hoeken gedrukt stonden paartjes, in knie-knikkenden stand, krachteloos te mondzuigen en zoen-lebberen. Op de banken plonsten groote groepen neer, dood-affe, hijgende, zweet-druipende paren, elkaar zoetig verliefd bewaaierend met zakdoeken, waaruit duf en vergoord goedkoope patjoulie-reukjes en vieze eau-de-kolognerige zeepstank opluwde. Telkens sprongen uit de hijg-moeë groepen uitgeruste meiden op, nog bleek-rood van inspanning en dansdrift, in woest en zang-gier met d’r jongens zich weer stortend, in den wemel-stroom van zwirrelende parenwarreling, en slingerkolk van bruisend rokkenwit. Al nauwer drong òp en stormden ààn, nieuw-ingezogenen bij ingang-deur. Geen plaats meer bleef om te bewegen. Heele troepjes omsloten[91]en ingeperst kleefden als aan elkaar, hobbelden rhytmisch op muziek-stooten, met lijven op één plek, zonder van plaats te kunnen wegbeenen. Soms spuide plots ’n beetje ruimte en dobberde menschenkluit wat van elkaar. Maar telkens weer botsten de lijven òpéén, trapten en stootten de meiden, pijnlijk-gespijkerd tusschen dierlijk-harkige omknelling van d’r dansende kerels.Maar andere meiden, vuriger, verhit van demonischen dans-wellust en lijfgeschuur, onkenbaar verwrongen d’r koppen onder walm-brand, waarop hartstocht rammeide en ingroefde donkere lusten om oogen en toegeknepen kwijl-monden,—opjagend en lokkend met enkel heesch woord d’r kerels, niet òmziend, als verstard, kijkend pàl in minnaarsoogen, wezenloos en bezwijmeld, warrelden dóór, tot plots ze weer stuitten op paren-kluit, die vast-gezogen deinde, in ordeloos gedrang; opsukkelde naar deur als buffelbende, stoer aangestormd éérst, plots als omkluisterd aan pooten. Dan klonterden weer de zweetkoppen bij-een, ontstrakten de zwijmelgezichten, kwam er geduw, gejouw en lach-schalm onder heetste, gemeenste jongens-meiden. Herrie-gejoel barstte los, om elken tuindersjongen van Duinkijk en Kerkervaart, die danste met meid van Wiereland. Dan ging gegrom rondom en beflodderden ze elkaar met scheldnamen, kwam er hanige haat, vuurrood kamgesidder van nijd en geweldige mondspuwingen van vloeken-donder. Tegen het hekje, waarachter de blazende roodgezwollen muzikant-koppen, sidderend als in goudgaas van opgewoeld stoflicht en oranje rook,omzwierd en verwaasd, op hun hoogtetje dromden, stond nauw opgeplet in damp en stuifsel, ’n troep blonde forsche meiden, bepaaiend, besussend, woede-kerels, met smak-zoenen en wangstrijkingen. Anne Donke en Griet Karsen twee knappe tuindersmeiden van de plaats, praatten fier, ongenaakbaar, met loodgieter Ruig en smid Wenke. Naast hen, in gedrang, hurkten op de banken ’n troep jochies van twaalf en veertien jaar, met bierglazen in de hand, stoeiend en opgejaagd door schorem bollekweekersknechten, en ’t stelletje dat lol had in de kloek-zuipende groot-doenerige kerel-kinders. Telkens propten ze zich den mond vol met pruimpies, spogen in ’t rond,[92]vloekten als grooten; be-gutsten de meiden met woordvuil, sprongen als apen, met glunderige licht-oogjes, loerend, dronken en verhit.Piet Hassel wou ruzie. Dat had ie met ’t stelletje afgesproken. Wat zou ’t; gevochten most d’r worden. En Piet was in lol maar begonnen met schijnherrie tegen ’n Duinkijker, dien ie heel goed kende. Dadelijk erin, hakten anderen die partij trokken. Lach-barstend drongen Piet en Duinkijker weg, de partijtrekkers tegen elkaar aan den gang ziend. Achterhoeksche haatdragendheid en stupiede kijfbotheid stond op dronken zwijmelkoppen uit te barsten. Loome wrok, die langzaam maar schrikkelijk opboorde uit gesmoorde gloeidriften. Grooter werd broeiing, rossig toortste walm rond, vergroenend de zinne-koppen in grauwig brandlicht. ’n Kerkvaarter en Wierelander waren vlak bijeen gedrongen, eigenlijk niet goed wetend wat ze van elkaar wouen. Een had partij voor Piet getrokken ’n ander voor den Duinkijker. Die twee nou zaten te gieren op bank bij de deur tegen de uithijgende meiden lollend, dat ze voor hùn beidjes op elkaar inhakken gingen. Wierelander krijschte rauw.—Bai jullie verdomme.… bai jullie op da gat.… da krot.. stong ommirs ’n bord.… en stong d’r’op.… hier hout ’t minsdom op.… da hai je t’met de beeste.…—Daa’s proat! loddermeroàkel.… nou.… ikke seg uit volle borst.… Duinkaik bóófe.… Wiereland ònder.…Bang gedreig van alle kanten. Rossige walmkoppen opdringend naar waggelkerel, die bleekig, met scheef vertrokken zenuwmond en drinkers-oogenlicht, doorzingen wou.… Duinkaik bóófe.—Hou je smoel.… boerekinkel, of ’k sel je ’n lik onder je koàkebeen gaife.…—Sakrejenne.… wie breng je mee?.… seg.… snof’rjenne! beskimmelde huspot.Plots hevig bonsden ruzie-stokers tegen elkaar op, door aanwarrelende dans-groep, die langs ze stoof, rondkolkte in stofwolken, gouïg oppoeierend midden in loods, verdween weer, in fantomige, sidderend rooïe walmsfeer, tusschen kankan van[93]meiden, met rokken hoog opgezwaaid in schuimwit. Maar Duinkijker drong achteruit, stompte met z’n armen, roeide op ruggen en schouers terug naar z’n plaats.—Kaik se stoan.… krek an ’n raitje.… aa’s aarepels in duin.… is da bier van sain?—Joa!.… van sain.… blaif d’r af mi je poote.… Kaik die varkessnuit.…Meiden, verhit door danszwijmel lachten en giegelden belust op vechtpartij.—Nou sel ’t puur uitsain, krijschte ’n Duinkijker midden in, of je hep ’n slag f’r je roap beet!.…—Bin’k self bai hée? venijnig-bleek giftte Wierelander terug, grauw-groen van drift.—Wa hê jai mi An van doene!.…—Sjeis an je An, krijschte ie rauwer, z’n bierglas in woesten kring rondzwaaiend, dat ’t schuim vlokte om ’m heen.. Gesist en opgehitst werd er: kss!.… kss!.…Bloedschijn lag wild en begeerig in dronken zwijmeloogen van kerels, en de meiden, verlekkerd, wouen beroering, wouen gekerm en gekreun van ondergelegden, gekneusden, gebeukten, melodramatisch opgevlamd en verschroeid van zinnendrift. Midden in, drong Piet met Rink den polderreus, door de stilstaande paren.… Hevig-rauw krijschte geluid van lijf-reus, daa se moste deurgoan.…—Seg krente-mik, snait de fint an rieme, sloa’m sain beene stuk.… en timmer sain mit de bloedige ende op s’n pet!.…—Bàrst jai.—Blaif jai heel!.… en meteen trok Rink z’n jas uit, om in z’n overhemd, meesliertend verkronkeld-oranjige halsdoek, nek-ontbloot, de eerste striemen weg te patsen, ’n Meid, blond in koniginne-statuur, slank en reuzig-forsch, was plots midden ingedrongen en uitrazend met tartende gebaren, duim onder kin woest wègstrijkend, gierde ze tegen Duinkijker kerel.…—Rooie!.… rooie!.… rooie!.… kaik ie tippele!.…. kaik ie tippele![94]—Laileke skarretje.… wa mo jai d’r vàn!—Kaik ie tippele.… so glad aa’s ’n flesch.…—Debies jai.… ik stink tog nie suur.… duufelstoejoàger!—Jai? an main jassie.… sie ie main van veure.… kaik nou doàr’.… En wild draaide furie om, met haar achterste hoog opwippend naar ’m toe, in dwazen hoonenden wellust-sprong.—Vuile kwieb!.…—Mô je se maid siene.… puur soo breed aa’s hai.… soo pot!.… soo pan!.… gierde ’n kleine furie.—Enn jai dan prop.… onder- en boofe-deurtje!.… mit je lange skele rot van ’n vraier.…—Debies, tartte de forsche meid weer, spitisger met ’r duim langs glimkin strijkend, in duivelend scherp gebaar, rooie tonglap er hoonend uitpuntend.—Dubbel-debies jai muurvarke!.… stoppelkat!.. gaif jai je kindere te vrete!.…Plots opgestookt door verstoorde bende die dansen wou, kwam goeiig politie-mannetje, verlegen aan z’n rossige bakkebaard aaiend, tusschen de ruzie-lijven staan.—Blaif jullie nou je fesoen houe.… toe nou.… kalm an.… kalm an.… jai die weg uit.… en jai die.—Zacht begon ie den polderreus te verduwen, die beenplakte, als ’n rots onwrikbaar, uitdagend, met z’n moker-armen tegen muzikantenhekje bombardeerend, dat de kerels trilden achter walmlicht. Rink’s groen-valsche oogen, lichtten als fosfor, donker-woest diep in z’n ruwen kop verdoken. Ruzie was geslabakt en wilde warrel joeg weer door de loods, die walm-zwaar pafte, in stofpoeier boven het geschetter, dat rood-sferig brandde. De koperen instrumenten van blazers flitsten in licht-glimsels.—Toortsig-helsch en satanisch, dreunden donkere monden van trombones, hun zwaarlijvige tonen den stankwalm in, dat wanden te barsten dreigden; fel boorden de hoorn-stooten als priemend geluid door de broeiing; schommelend gingen de lijven weer in rhytmisch gehobbel, in koorts van draai en tolling,[95]geilde de zwijmeldans weer door de loods, in rossigen rook, die meid-gezichten schroeide en oranjerig-rood begloeide in zwelling van bezweete huid.Piet zoende in ’n storm, tien meiden te gelijk, achter den arm van hun dansers, waarin ze omschroefd pletten, en met Rink achter ’m aan, wien hij iets in ’t oor schreeuwde, drong ie naar den uitgang.—Wie main lief hep, volgt main!.…’n Twintig kerels hadden ’t sein begrepen. Buiten, op de verwittende havenkaai zouen ze ruim-rustig kunnen zuipen. Zacht vlokte sneeuw neer, wemel-schimmig op zwak lichtend haventje. Vlak bij tuindersboot, die donkerde in watertje, met fel-groen ooglichtje half-mast, holden en slinger-lijzigden de kerels aan, donkere stoet in wittigen vlokwarrel, schuw, om lantaarn-paal, die rossig-goud hun tronies beschemerde tegen nacht-duister. Piet en Rink smakten zich in de sneeuw, plat op hun achterste, met beenen vooruit, en schimmig cirkelde heele stoet, neergesmakt op straat, schimmig en schaduw-vreemd, zwakkelijk verrood in den gouïgen vlokkenmist onder lantaarn-paallicht. Achter de zuipers verwitten stil, huizen en boomgestalten, karren en manden. Inééngekromde pakhuizenrij, waarop bàng-wild, rossige schijnselkring van kleine lantaarn, makabren donk’ren bronsgloed kaatste, school droef weg in diepe droomtonen àchter sneeuw-wemeling. En geheim-zacht in ’t rosse licht dáár, zweefden de vlokken voor de droeve vensterblinden en schemerluikjes.Piet had ’n groote kruik onder z’n jekker uitgehaald. Rink presenteerde ’n diendertje. Gretig ging rond nu in den kring mank glas en kruik, tot ’t onder beestig, koortsig-heet gekrijsch bij Piet weer terugkeerde. Kannibalig donkerde de hurkende zuipstoet, in den licht-schichtigen lantaarnkring en bang-groot slagschaduwden hun handen, koppen en lijven bij slingergebaren dooreen, in paarsdiepe silhouetten op rossigen, trillenden sneeuwgrond. Lallend zangden de heesche beest-stemmen. Even van kerels af, die in ’t vlok-schimmige als bedouïnen-stoet in sneeuw-nacht woelden,—kwam angst-gekijk[96]van Baanwijkbewoners soms, schuw op haventje loerend.En stil, ruischloos boven donker-rossige, woeste zuiptronies, omkaatst van schimmig straatwit, vlokte om lantaarnpaal heen, zacht sneeuwgeweef, kuisch, smetloos wonder van vlokkenschemer, zachte warreling vergouend in ros-vlam, ontroerende smelting van licht, heilig en stil, dichtwevend duisteren nacht rondom.Politie was gewaarschuwd. De burgervader, met ’n paar mannetjes kwamen aansjokken, vooruit voelend, dat ’t niet goed afloopen zou.Jeneverkruik was leeggezogen en de helft van stoet stond weer, waggel-zwaar, en nijdig vloekend op Piet en Rink dat ze niet eerlijk gedeeld hadden. Piet, met bloeddorstige natuur, voelde vechtjeuk, schold terug, aldoor één woord, liederlijk. Rink zag schuw den burgervader aanstappen. Verdoken achter den kring, gooiden ’n paar sneeuwballen, vuil-modderig, van ’n groentenkar uit, naar agenten. Piet lolde, rauw, mikte steenen pal op zwak-geligen blinkhelm van kleinsten agent onder schuw licht. De heele troep was plots van de straat-hurk opgesprongen.In wilden grabbel graaiden krampige handen over sneeuwgrond. ’t Regende ballen naar burgervader en agenten, zacht aanpaffend tegen hun kleeren. Bleek-streng bij ’t licht,—den stoet verjagend, die achteruitdrongen was,—draaide burgervader zich om, beval barsch agenten te staan. Even stemmen-gefluister tusschen hem en agentje. Sabeltrekkend in ’t schuwe licht, donkerde ’t mannetje met z’n klein gevolg, stijf, in versnelden pas op bende aan, die onder vijandig uitdagend vinger-gefluit en heet-lustig vechtgeschreeuw van Rink, zich achter karren en mandstapels bij ’n schuit verschanst hadden.Onder hagelstorm van moddersneeuwballen, was agentje den duisteren wallekant genaderd en luk-raak, in sneeuwgewemel, dat ruischloos donkere mondholte inzweefde, schreeuwde hij iets voor zich uit, onverstaanbaar terugslaand op gegier van dronken stoet. Toen kwamen, op fijn fluitsignaal van agent[97]uit z’n staf, onder lantaarn uit, twee nieuwe mannetjes aanzetten, sprongen wild uit den rossigen lichtkring met sabels de lucht invlijmend, maakten schijncharge om te laten voelen, dat ’t ernst kon worden.Uit de danszaal holden meiden, gillend in lawaai, en nieuwe kerels dromden áán, heet-nijdig op politie, drongen samen met vecht-stoet.—Hak’ker puur op in, krijschte een agent, die lust had te ranselen, dwars door de dronken bende. Weer volgde van klein troepje dienders, ’n schijncharge. Achter karren, die schuin opstonden, met kruk de lucht in, vluchtte weg, donker gestoet van meidentroep naar wallekant, in angsthaast over glibbervuile loopplank dringend, naar tuindersboot. Achter kisten en manden uit, striemden steenen, hout en groentenvuil zwarte streepen door sneeuw-wemel, die als in stormhoozen weer wegwarrelde in andere richtingen.Boven alle geweld uit krijschten de stemmen van Rink en Piet, dat sullie de kerels ’t water in mosten douwen. Plots trokken ze allen, met brok-scheppen, hooi- en mestvorken,—die ’n paar kerels uit afslagloods bij ’n pakhuis hadden losgewerkt uit den rommel,—op het viertallig agentenkringetje af, waar burgervader bleek-strak midden-in ordonneerde. De agentjes hadden de sabels ingehouen en de dronken stoet, in brullend gekrijsch en gefluit, drong weer, uit donkering van besneeuwde handkarren en kisten, in rossigen schemer van lantaarnlicht, midden op haventje, zwaaiend met scheppen, steekvorken, rijzenknuppels en boomstronken. Vooraan gilden dronken meidentronies, sommige woest-bleek beschenen, nat van sneeuw, met schuimige vlokken op neuzen, wenkbrauwen en oogranden. De burgervader, voelend dat ie te sterk had ingezet, schuchterde achteruit, wou ’t z’n klein agentje weer zoetjes laten bijleggen. Aarzeling was er, die de stoet voelde, want raker en striemender bonkten steenen, koolstruiken en hand-ingekneusde sneeuwballen in ’t kringetje, waarvan burgervader mikpunt werd. Klein agentje trad even weer uit den kring, vlak voor de donkere woelige bende, kerels die slagschaduwden[98]op lichtschuwen sneeuwgrond, als wemelende gedrochten uit chineesch schimmenspel.—Jonges, schreeuwde agentje met vredestichtend timbre in z’n stem,.… hou jullie je nou kalm.… wa geeft ’t nou!.. sukke herrie!.… goan jullie nou kalmpies uit mekoar!.…Woeling gierde er los uit den stoet, die nu weer vooruitstrompelend, in kring om alleene havenlantaarn duivelde, rossig, in wilde schijnsels.—Barst jai, gilde Rink uit, jullie benne begonne.… laileke dood-van-ganzebord.… jullie sa’k levent f’rbrande.… aa’s we je nie mosse fille.…—Kalm nou, kalm àn, deemoedigde agentje, z’n sabel weer in de schee neerpuntend.—Kalm, kalm, m’neer salm-salm, zang-gierde Piet.… komp bai de huur t’regt.… nou kort en goed, duufelstoejoager.… aa’s jai.… mi je k’rnuite.… aa’s jai nie ofer-dwars te woater mòt, ruk dan in.… mars!!Schatering daverde òp uit den troep, meiden liepen gil-lawaaiend weer terug over loopplank. Donker gegons van áánpaffende sneeuwballen, verschimmend in kruisworpen naar agenten-kringetje, dat stil nu afweerde, bàng voor ergere opwinding.—Doe jullie je latjes weg, krijschte éen uit den stoet.—Verdomd aa’s de duufel jullie sette ken, verdomd,.… vloekte moedig klein agentje,—goan jullie nou deur.… mot ’r nou geranseld worde.—Joà joa! krijschten meiden.… kok-kok-kok!.… kok-kok-kok!.… moeder weer ’n eai!.…—Op jullie bakkesse!.… die skar van ’n burgerfoader mô te woater.… galmden anderen weer.—Smait sain onder de kar, breek se de strot, gierde Rink uit den stoet.Een jolige meid duivelde plots vóór agentje, gaf ’m ’n ruk aan z’n baard, haastig in den donkeren stoet weer wegspringend, die al meer kwam aandreigen met zwarte harken, vorken en zware gereedschapbrokken.[99]Rink zwaaide met ’n ijzeren moker, maar agent je was ’t minst bang voor hèm. Vlak bij ’m ging ie staan.—Wees jai nou verstandig Rink, vleide agentje, zeg jai an Hassel nou, da se goan motte.… jai ben tog de boas hier.…—Nee, huil-woedde Piet, die ’t half gehoord had,—doe jai die spitsboef doàr de boeie àn.… geef sain ’t kettinkie in z’n klauwe.Rink, dronken-duizelig, half wetend wat ie zei, was gevleid door agentje.—F’rjakkerjenne, spoog ie uit.… hou jai je bek:.… ikke bin boas hier.… ikke!.…Zwaar zwaai-suizelde moker boven z’n schemer-rossigen dreigkop; z’n lippen sputterden schuim en voort brulde ie, doffe klanken onder zwaarder geslinger van schamp-lichtenden hamer. Plots greep ie de vork van ’n meid voor ’m, sloeg de punten woest tegen z’n moker in, boven z’n kop, dat stàlen tanden, lichtflitsend, vonkten tegen ijzer.…—Weg d’r mee!.… de maa’n het glaik.… snurkers!.…En weer slingerde ie de mestvork woest tegen den stoet in..—Fort jullie.… ’t skeelt t’met nies.… nies.… of wullie gonge de bak in.…Allo jonges.… wai saine waiser.… loate wai de vuilike links legge.… links legge.… wai.… wài.… binne vuilike.… wài.… sài binne ’t.… sài.…—Agentje klopte ’m gemoedelijk tegen z’n rug.—Flink soo Rink.… soo is ’t.… goan jullie d’r moar van deur.Maar Piet wou niet, bleef halstarrig, schold Rink uit voor ’n verrajer, ’n kabboebelaap!.…—Jai transvoalsche seemeeuw, stinkbunsum!.… jai.… Engilsche boef!.…—Hou jai je bek.… ik seg moar.… ik seg moar, waggelde Rink er uit, stomdronken, donkerhoog boven den stoet uitschouderend,—ik seg moar.… da je.. da je te veul neusiesverf hàt hep.… jài bin dronke.… f’rdomd!.… dronke!..De vrouwen wouen niet langer staan in kou en nattigheid.[100]Telkens scheurde zich ’n groepje af van den stoet, dat lollend en zingend, onder vermaning van agenten, de haven langsslingerde, onder boomen door; soms afbrokkelde, dàn weer arm-in-arm haakte, als donkere schutters in rijen, opmarcheerend naar hoek van achterhaven, tegen schuwen pakhuizenschemer in, den polderweg op. En achter hen áán, kreupelden al meer schamele hinkstoetjes, scharminkels in duister bewustzijn, verkoortst van karnavalshitte, onmenschelijk en ramp-zwaar geslagen, havenweg áfslingerend; landloopersellende, verspokend in langzamen schaduwtocht tegen oneindig donker-schimmige gat van besneeuwde-wei-poldernacht.Piet alleen, bleef doorrazen, met nog ’n stoet je waggel-kerels, om lantaarn-paal heen. Rink drensde mee, Piet zeurde tong-zwaar met hoog-piependen stem-overslag.—Sien je.… sien je.… jai!.… jai!.… jai-bint ’n fârrike.… sel ’k moar segge.… moar ik seg.… ik seg.… fierkant wa je bin.…—Nou.… en ikke, treurstemde terug Rink, ik seg.… ikke.… ik seg.… da jài ’n boef.… ’n boef.… ’n Sjemperlan bin.… ’n skar.… sien je!.… moar.… i i i i ikke.. ikke.… ikke.… ikke seg-’t.… i-i-i-in je smoel.… sien je.. sien je.… e’e eerlik!.…—Jeaijsis.… jeaijsis!.… daa’s net.…, lolde Piet vroolijk.… Ikke.… i i i kke.… i i i n.… ’n ploert.… sien je.. é é énne.… enn jai.… jai.… ’n boef.…, nie.… ?.. nie?… daa’s eerlik.… geef màin nou.… nou ’n poot kameroat!.… daa’s net.… jai ’n.… boef!.… é é é.… é é é.. enne.… ikke.… ikke.… ’n Sjamperlan!.…En roerend innig, verrast en verzoend, tegen elkaar opwaggelend, met kwijl van lach-pret om hun monden, tast-zochten ze naar lantaarnpaal voor houvast, in been-waggelend geduizel; grijnsden hun rossige tronies, lachend onder het licht, probeerden ze elkaars handen te grijpen. Piet met z’n mouw, poogde zwaar gevlok van z’n sneeuwgezicht en brauwen weg te strijken. Laatste troepje, waggel-breed, slingerde den polderkant op, den spoorweg òver. Rink alleen achteraan, waggelde[101]een zijweg van polderpad langs, langzaam, in hevig geslinger, angstig-rakelings langs slootkant.Stilte was nu geweven.… Van ver klonk telkens áán, melancholiek gegalm van Rink’s zangstem over doodstille wei, oneindig in vlokkendans verschemerd. Droef klonk dóór, zwaar-klagelijk en dronkemansteeder z’n lied:Ik bin moar.… ’n swainke.… allain stoan ’k hieeeer!Allain op de weijrelt.… mi-sonder pelsieeer.…Piet, alleen sprekend bij lantaarnpaal, was ingezakt, wroette op de straat in ’t slijknat, kon zich niet meer op z’n beenen hijschen. Zachte redenaties hield ie tegen de steenen, met z’n gezicht in den sneeuwmodder.Eindelijk kwam erbarming; werd weggedragen z’n stinkend lijf door twee agenten met kleintje aan ’t hoofd.Stil nu lag haventje weer, in rossigen schemer, doodstil. Onder allééne lantaarn vlokte gesneeuw, vergouend in gasvlam, en schepen, verwitten hoog tegen spokigen spoordijk op, waarachter schimmig deinde, sneeuw-schemer van polderende wei-zee.[102]

[Inhoud]V.Piet Hassel, sterke oproerige Wierelander, was kroeg in, kroeg uit geloopen op de haven, waar wit-schimmig de spoordijk weg te donkeren lag, achter het breeë watertje en vèr, ver, nevelig-blank van alom polderland, waarin fantomig reservoirs van gasfabriekje opdoemden.—Groote molen rechts, naar ’t[87]station, omkneld van donkere huisjesgroep, vaagde sneeuw-schimmig in duistere lucht, melancholiek over verren polder starend, den versneeuwenden bleeken nacht in.Piet had z’n vrienden opgevischt in een kroeg bij Schildert. Hendrik Gelder, de Haas bijgenaamd, Jan Sik, Kees Slooter, Kol en nog wat arme ploeter-schooiers, woelige, jolige losse tuinders en bloemistknechten met ’n paar sigarenmakers. Naast hen schuchterde bescheiden, ’n half-heerig klerk je van de fabriek van ingelegde groenten, ’n Wierelandsch burgertje, dat zich ’t liefst bij plebsche arme, schooiende herrieschoppers opdrong. Ieder in Wiereland kende ’t zuipende stelletje, als gevaarlijke vechtersbazen, nakende zwoegers en sjouwers, die in dronk-zwijmel opspogen tegen alles, allereerst tegen elkaar ruzieden omdat Kol en Slooter, katholiek, Sik en Gelder, protestanten, in hun hitte-buien, elkaar moèsten afrossen. Want verborgen ingetoomden, plòts soms uitziedenden schroei-haat sintelde en giftte er altijd tusschen bevolking, katholiek en protestant. Onder alle standen dàt gebruis, al wilde niemand ’t weten, omdat, gelijk verdeeld in aantal, men elkaar te veel noodig had. Maar soms barstten de belhamels los en helleveegden rond, braakten langgesmoorde driften uit van twee kanten. Nuchter, kon ’t Wierelandsche stelletje elkaar wel luchten. Iederen avond, in den naakten wintertijd, broeiden ze vast bijeen, in ’n kroeg. Eerste avondwerk was jacht op meiden, achter, op de stikdonkere kronkel-weggetjes, tusschen tuinderij en wandelpaden. Wellust-jacht van buurtmenschen waar geen simpel landelijke vrijage òp kon leven, of doodgetrapt werd ze, door rauwe spot en krijsch van verdierlijkte massa. Gewissel van meiden en jongens was overal. Leefdrang en passie werd genomen of betaald.Na meidenjacht, gloeirig en wild, weer terug honkten ze in kroeg, om ronde tafels in kaartspel-gegier. Zoo, elken avond had schooierigste tuindersgroep hier samenkomst, kwam werkvolk van Wiereland, onder heet-ingehijsch van brandvocht bijéén, verzoende zich tijdelijk haat van katholiek, protestant en jood. Dààr, in dompige, donkere kroeg-holen waar geur van jenever zoetig-helsch doorheen schroeide, werd gezopen, uit[88]wellust, uit hartstocht, om ploeterramp van komenden zomer te vergeten, om zorgen te zien vernevelen achter rooiig lichtende blijheid, glanzende dronken-oogen-kijk, om werkpijn te stillen, te dempen, met iets, dat warm-gloeiend inbeet, in hun brandend lijf. Zoo werd gezopen in Wiereland als nergens in andere streken, vloeide er één hittestroom van drank, dampend vocht; dromde er altijd gewriemel van schreeuwende, woedende, melancholiek-geslagene of komisch-beschonkene kerels; kerels, die vrouwen en kinderen lieten krepeeren van honger in winternaakte. Zoo ging laatste duit in hevige zuipkoorts en driftigen gok, naar vettige, joviale, buldoggige kasteleins, die meerookten pijpen, pijpen vol zware tabak, en gemoedelijk rondsloften, op hun gekleurde toffels, tusschen hun spuw-bakjes met zand, volgeklodderd van vuil.Dien avond ging het vriendenstelletje kroeg in, kroeg uit. Burgervader had permissie gegeven, dat herbergen en danszalen later mochten openblijven. Zoo trokken de kerels heen en weer op ’t schemerend havent je, dat stil lag schichtig, onder sneeuwgeschemer, en zware donkering van masten en booten in watertje, somber-groot opschaduwend tegen spoordijk. Uit de danszalen golfde bij vlagen, onder deur-opengesmak, rumoer, dat zacht verdempte in sneeuwgrond; galmden doffig, in tierend gewar, koperen muziekscheuren en zangstemmen.In lange smalle loodsen wriemelden opgepakt de dans-brandende Wierelanders. Opgejaagd, in gloeiende schroeiing, kookte ’t licht, ’t avondlicht, uitkoperend fel in brons-hevige vloeiing, van balken en wandbrokken neer. Lang uitgereept leegden zwart-bemorste banken, waarop vermoeide paren zweetig uitdampten, droef-schroeiend omneveld in rook, rossig walmgewolk. Stik-benauwing en heete adems persten zwoel-zwaar, door de lage smalle lolzaal. Wierelandsch zwoeg en plebs, zweetende meiden, rood en grauw van dans-hartstocht, kerels en jochies joegen in stormdwarrel op heesch, opjagend muziekgetoeter door de loods; joegen en tol-dwarrelden, dat kwijl langs hun[89]monden liep, de wijven met opwaaiend rok-gefladder en giftige beensliertingen.Drie danszalen was Piet Hassel met z’n vriendenstel al ingestormd, maar teruggedrongen werd ie overal, door kleurig-helsche warreling van donker-verlichte paren, die telkens plompiger aandromden van hout-kaal buffet naar ingang-deur. Eindelijk was Piet met de anderen in grootste danszaal meegezogen met afdeinende dansgroep. Achter ’n dikstrakken kop van ’n rossig zwaar bebakkebaard agentje bleef ie staan, ingekneld van lol-lachers, achter z’n rug, klown-dolle grimassen makend. Toen omzag agent, gooide Piet zich wild met de anderen in helschen kleurkolk van dansende paren, meiden die vlammen ketsten van hun blouzes, rokken en befonkelden haarpronk. Plots voelde Piet zich in-gebonsd, omkneld van allen kant. Wegwemelend rok-gezweef en geruisch van meiden joeg in zinlijke vlucht-geur en plooi-ruzie voorbij. Harkig sleurden de kerels mee in stronkige armenknel. Vriendenstelletje was uitelkaar getrokken. Alleen Gelder zag Piet naast zich, midden in ’t dans-gewemel, die niet af kon zien van het witte onderrok-gefladder, dat telkens vèr onder opgeschorte rokken uitzinlijkte. Plots greep Piet, Gelder vast, begonnen ze stijf-komieke stappen rond zich te trappen, telkens opbotsend en wankelend, zich schijn-teeder omarmend als jong paartje. Schatering en hittend gejoel joeg om ze heen, zwaarder bonsden lichamen áán tegen de twee harkige kerels, dat ze waggelden, en dobberden gierlollend.—Haej.… kanteloepp! je fiel droait.… snof’rjenne.… twee kerels.… krijschte Kol.—Kaik, die klebakkium kaike.… t’met skiet ie op je af.. hai is puur ’n vuile smakwammes!.… lachte ’n tuindersmeid, die met zweet-rood hoofd naar ’t agentje bukte, kanaljeus, ’m ’n ruk aan z’n baard gaf.—Nou aa’s j’r senie in hep ka je f’nacht in ’t koarte-huis maffe.… zong Wierelandsch stemgalm er doorheen van ’n meid die bukkend d’r kouseband toehalen wilde maar weer omgebotst werd door ieder paar dat ’r zag staan, kuit-naakt.Zoo, zangerig doorwarrelde stemme-gons, schel gelach en[90]schoffel-bonkend geraas, schal-scheurden felle trombone-dreun en hoornstooten uit van poepers, die half gekneusd en gebeuld op hoogtetje, achter groen hekje troonden, tusschen buffet en plee in. Op hun vaal-groene buizen, schemerden de rood-vuile epauletten, als bloedvlekken, verkleurd in stofstuifsel, dat opjoeg van zandgrond, lichtende hoozen, zacht weer neerpoeierend over gekromde speelruggen, en vervaagd rooiig, hun blazende walmkoppen bolden als barstend gespannen gas-ballonnetjes in oranjigen nevel-brand.De zweethoofd-meiden, in hun opgedirkte kleur-helsche japonnen en lijfjes, plomp-hevig en boersch-echt, met schitteroogen, die gilden van genot, zopen langzaam smakkend, opgedrongen tegen buffet aan, bier, groot glas, omkneld in bonkige goud-beringde werk-knuisten. Enkele koketteerden met armbandsiersels, omrammeld, kannibalerig-woest bepronkt, wild in haar en hals, getatoeëer van tulpenvurige doeken en strikken. Vóór ’t drinkstoetje van meiden duivelde heet gegons van wemelparen onder lichthoek, schroeide rossige walm, stinkdamp van zweetlijven en asemen. Dronken tronies van mannen en meisjes lachten al ààn in zuipgrijns; uit de wemel-stoeten dampten op, rooie wilde oogen van verhitte vrouw-koppen. In gestoot en geduw werd gillerig en jagender de pret. De mooiste meiden smakkelden en koketteerden in boerenwaan, stijf en plomp-rauw met wreed gebaar, damesnadoenerig-stijf. Bij hoeken gedrukt stonden paartjes, in knie-knikkenden stand, krachteloos te mondzuigen en zoen-lebberen. Op de banken plonsten groote groepen neer, dood-affe, hijgende, zweet-druipende paren, elkaar zoetig verliefd bewaaierend met zakdoeken, waaruit duf en vergoord goedkoope patjoulie-reukjes en vieze eau-de-kolognerige zeepstank opluwde. Telkens sprongen uit de hijg-moeë groepen uitgeruste meiden op, nog bleek-rood van inspanning en dansdrift, in woest en zang-gier met d’r jongens zich weer stortend, in den wemel-stroom van zwirrelende parenwarreling, en slingerkolk van bruisend rokkenwit. Al nauwer drong òp en stormden ààn, nieuw-ingezogenen bij ingang-deur. Geen plaats meer bleef om te bewegen. Heele troepjes omsloten[91]en ingeperst kleefden als aan elkaar, hobbelden rhytmisch op muziek-stooten, met lijven op één plek, zonder van plaats te kunnen wegbeenen. Soms spuide plots ’n beetje ruimte en dobberde menschenkluit wat van elkaar. Maar telkens weer botsten de lijven òpéén, trapten en stootten de meiden, pijnlijk-gespijkerd tusschen dierlijk-harkige omknelling van d’r dansende kerels.Maar andere meiden, vuriger, verhit van demonischen dans-wellust en lijfgeschuur, onkenbaar verwrongen d’r koppen onder walm-brand, waarop hartstocht rammeide en ingroefde donkere lusten om oogen en toegeknepen kwijl-monden,—opjagend en lokkend met enkel heesch woord d’r kerels, niet òmziend, als verstard, kijkend pàl in minnaarsoogen, wezenloos en bezwijmeld, warrelden dóór, tot plots ze weer stuitten op paren-kluit, die vast-gezogen deinde, in ordeloos gedrang; opsukkelde naar deur als buffelbende, stoer aangestormd éérst, plots als omkluisterd aan pooten. Dan klonterden weer de zweetkoppen bij-een, ontstrakten de zwijmelgezichten, kwam er geduw, gejouw en lach-schalm onder heetste, gemeenste jongens-meiden. Herrie-gejoel barstte los, om elken tuindersjongen van Duinkijk en Kerkervaart, die danste met meid van Wiereland. Dan ging gegrom rondom en beflodderden ze elkaar met scheldnamen, kwam er hanige haat, vuurrood kamgesidder van nijd en geweldige mondspuwingen van vloeken-donder. Tegen het hekje, waarachter de blazende roodgezwollen muzikant-koppen, sidderend als in goudgaas van opgewoeld stoflicht en oranje rook,omzwierd en verwaasd, op hun hoogtetje dromden, stond nauw opgeplet in damp en stuifsel, ’n troep blonde forsche meiden, bepaaiend, besussend, woede-kerels, met smak-zoenen en wangstrijkingen. Anne Donke en Griet Karsen twee knappe tuindersmeiden van de plaats, praatten fier, ongenaakbaar, met loodgieter Ruig en smid Wenke. Naast hen, in gedrang, hurkten op de banken ’n troep jochies van twaalf en veertien jaar, met bierglazen in de hand, stoeiend en opgejaagd door schorem bollekweekersknechten, en ’t stelletje dat lol had in de kloek-zuipende groot-doenerige kerel-kinders. Telkens propten ze zich den mond vol met pruimpies, spogen in ’t rond,[92]vloekten als grooten; be-gutsten de meiden met woordvuil, sprongen als apen, met glunderige licht-oogjes, loerend, dronken en verhit.Piet Hassel wou ruzie. Dat had ie met ’t stelletje afgesproken. Wat zou ’t; gevochten most d’r worden. En Piet was in lol maar begonnen met schijnherrie tegen ’n Duinkijker, dien ie heel goed kende. Dadelijk erin, hakten anderen die partij trokken. Lach-barstend drongen Piet en Duinkijker weg, de partijtrekkers tegen elkaar aan den gang ziend. Achterhoeksche haatdragendheid en stupiede kijfbotheid stond op dronken zwijmelkoppen uit te barsten. Loome wrok, die langzaam maar schrikkelijk opboorde uit gesmoorde gloeidriften. Grooter werd broeiing, rossig toortste walm rond, vergroenend de zinne-koppen in grauwig brandlicht. ’n Kerkvaarter en Wierelander waren vlak bijeen gedrongen, eigenlijk niet goed wetend wat ze van elkaar wouen. Een had partij voor Piet getrokken ’n ander voor den Duinkijker. Die twee nou zaten te gieren op bank bij de deur tegen de uithijgende meiden lollend, dat ze voor hùn beidjes op elkaar inhakken gingen. Wierelander krijschte rauw.—Bai jullie verdomme.… bai jullie op da gat.… da krot.. stong ommirs ’n bord.… en stong d’r’op.… hier hout ’t minsdom op.… da hai je t’met de beeste.…—Daa’s proat! loddermeroàkel.… nou.… ikke seg uit volle borst.… Duinkaik bóófe.… Wiereland ònder.…Bang gedreig van alle kanten. Rossige walmkoppen opdringend naar waggelkerel, die bleekig, met scheef vertrokken zenuwmond en drinkers-oogenlicht, doorzingen wou.… Duinkaik bóófe.—Hou je smoel.… boerekinkel, of ’k sel je ’n lik onder je koàkebeen gaife.…—Sakrejenne.… wie breng je mee?.… seg.… snof’rjenne! beskimmelde huspot.Plots hevig bonsden ruzie-stokers tegen elkaar op, door aanwarrelende dans-groep, die langs ze stoof, rondkolkte in stofwolken, gouïg oppoeierend midden in loods, verdween weer, in fantomige, sidderend rooïe walmsfeer, tusschen kankan van[93]meiden, met rokken hoog opgezwaaid in schuimwit. Maar Duinkijker drong achteruit, stompte met z’n armen, roeide op ruggen en schouers terug naar z’n plaats.—Kaik se stoan.… krek an ’n raitje.… aa’s aarepels in duin.… is da bier van sain?—Joa!.… van sain.… blaif d’r af mi je poote.… Kaik die varkessnuit.…Meiden, verhit door danszwijmel lachten en giegelden belust op vechtpartij.—Nou sel ’t puur uitsain, krijschte ’n Duinkijker midden in, of je hep ’n slag f’r je roap beet!.…—Bin’k self bai hée? venijnig-bleek giftte Wierelander terug, grauw-groen van drift.—Wa hê jai mi An van doene!.…—Sjeis an je An, krijschte ie rauwer, z’n bierglas in woesten kring rondzwaaiend, dat ’t schuim vlokte om ’m heen.. Gesist en opgehitst werd er: kss!.… kss!.…Bloedschijn lag wild en begeerig in dronken zwijmeloogen van kerels, en de meiden, verlekkerd, wouen beroering, wouen gekerm en gekreun van ondergelegden, gekneusden, gebeukten, melodramatisch opgevlamd en verschroeid van zinnendrift. Midden in, drong Piet met Rink den polderreus, door de stilstaande paren.… Hevig-rauw krijschte geluid van lijf-reus, daa se moste deurgoan.…—Seg krente-mik, snait de fint an rieme, sloa’m sain beene stuk.… en timmer sain mit de bloedige ende op s’n pet!.…—Bàrst jai.—Blaif jai heel!.… en meteen trok Rink z’n jas uit, om in z’n overhemd, meesliertend verkronkeld-oranjige halsdoek, nek-ontbloot, de eerste striemen weg te patsen, ’n Meid, blond in koniginne-statuur, slank en reuzig-forsch, was plots midden ingedrongen en uitrazend met tartende gebaren, duim onder kin woest wègstrijkend, gierde ze tegen Duinkijker kerel.…—Rooie!.… rooie!.… rooie!.… kaik ie tippele!.…. kaik ie tippele![94]—Laileke skarretje.… wa mo jai d’r vàn!—Kaik ie tippele.… so glad aa’s ’n flesch.…—Debies jai.… ik stink tog nie suur.… duufelstoejoàger!—Jai? an main jassie.… sie ie main van veure.… kaik nou doàr’.… En wild draaide furie om, met haar achterste hoog opwippend naar ’m toe, in dwazen hoonenden wellust-sprong.—Vuile kwieb!.…—Mô je se maid siene.… puur soo breed aa’s hai.… soo pot!.… soo pan!.… gierde ’n kleine furie.—Enn jai dan prop.… onder- en boofe-deurtje!.… mit je lange skele rot van ’n vraier.…—Debies, tartte de forsche meid weer, spitisger met ’r duim langs glimkin strijkend, in duivelend scherp gebaar, rooie tonglap er hoonend uitpuntend.—Dubbel-debies jai muurvarke!.… stoppelkat!.. gaif jai je kindere te vrete!.…Plots opgestookt door verstoorde bende die dansen wou, kwam goeiig politie-mannetje, verlegen aan z’n rossige bakkebaard aaiend, tusschen de ruzie-lijven staan.—Blaif jullie nou je fesoen houe.… toe nou.… kalm an.… kalm an.… jai die weg uit.… en jai die.—Zacht begon ie den polderreus te verduwen, die beenplakte, als ’n rots onwrikbaar, uitdagend, met z’n moker-armen tegen muzikantenhekje bombardeerend, dat de kerels trilden achter walmlicht. Rink’s groen-valsche oogen, lichtten als fosfor, donker-woest diep in z’n ruwen kop verdoken. Ruzie was geslabakt en wilde warrel joeg weer door de loods, die walm-zwaar pafte, in stofpoeier boven het geschetter, dat rood-sferig brandde. De koperen instrumenten van blazers flitsten in licht-glimsels.—Toortsig-helsch en satanisch, dreunden donkere monden van trombones, hun zwaarlijvige tonen den stankwalm in, dat wanden te barsten dreigden; fel boorden de hoorn-stooten als priemend geluid door de broeiing; schommelend gingen de lijven weer in rhytmisch gehobbel, in koorts van draai en tolling,[95]geilde de zwijmeldans weer door de loods, in rossigen rook, die meid-gezichten schroeide en oranjerig-rood begloeide in zwelling van bezweete huid.Piet zoende in ’n storm, tien meiden te gelijk, achter den arm van hun dansers, waarin ze omschroefd pletten, en met Rink achter ’m aan, wien hij iets in ’t oor schreeuwde, drong ie naar den uitgang.—Wie main lief hep, volgt main!.…’n Twintig kerels hadden ’t sein begrepen. Buiten, op de verwittende havenkaai zouen ze ruim-rustig kunnen zuipen. Zacht vlokte sneeuw neer, wemel-schimmig op zwak lichtend haventje. Vlak bij tuindersboot, die donkerde in watertje, met fel-groen ooglichtje half-mast, holden en slinger-lijzigden de kerels aan, donkere stoet in wittigen vlokwarrel, schuw, om lantaarn-paal, die rossig-goud hun tronies beschemerde tegen nacht-duister. Piet en Rink smakten zich in de sneeuw, plat op hun achterste, met beenen vooruit, en schimmig cirkelde heele stoet, neergesmakt op straat, schimmig en schaduw-vreemd, zwakkelijk verrood in den gouïgen vlokkenmist onder lantaarn-paallicht. Achter de zuipers verwitten stil, huizen en boomgestalten, karren en manden. Inééngekromde pakhuizenrij, waarop bàng-wild, rossige schijnselkring van kleine lantaarn, makabren donk’ren bronsgloed kaatste, school droef weg in diepe droomtonen àchter sneeuw-wemeling. En geheim-zacht in ’t rosse licht dáár, zweefden de vlokken voor de droeve vensterblinden en schemerluikjes.Piet had ’n groote kruik onder z’n jekker uitgehaald. Rink presenteerde ’n diendertje. Gretig ging rond nu in den kring mank glas en kruik, tot ’t onder beestig, koortsig-heet gekrijsch bij Piet weer terugkeerde. Kannibalig donkerde de hurkende zuipstoet, in den licht-schichtigen lantaarnkring en bang-groot slagschaduwden hun handen, koppen en lijven bij slingergebaren dooreen, in paarsdiepe silhouetten op rossigen, trillenden sneeuwgrond. Lallend zangden de heesche beest-stemmen. Even van kerels af, die in ’t vlok-schimmige als bedouïnen-stoet in sneeuw-nacht woelden,—kwam angst-gekijk[96]van Baanwijkbewoners soms, schuw op haventje loerend.En stil, ruischloos boven donker-rossige, woeste zuiptronies, omkaatst van schimmig straatwit, vlokte om lantaarnpaal heen, zacht sneeuwgeweef, kuisch, smetloos wonder van vlokkenschemer, zachte warreling vergouend in ros-vlam, ontroerende smelting van licht, heilig en stil, dichtwevend duisteren nacht rondom.Politie was gewaarschuwd. De burgervader, met ’n paar mannetjes kwamen aansjokken, vooruit voelend, dat ’t niet goed afloopen zou.Jeneverkruik was leeggezogen en de helft van stoet stond weer, waggel-zwaar, en nijdig vloekend op Piet en Rink dat ze niet eerlijk gedeeld hadden. Piet, met bloeddorstige natuur, voelde vechtjeuk, schold terug, aldoor één woord, liederlijk. Rink zag schuw den burgervader aanstappen. Verdoken achter den kring, gooiden ’n paar sneeuwballen, vuil-modderig, van ’n groentenkar uit, naar agenten. Piet lolde, rauw, mikte steenen pal op zwak-geligen blinkhelm van kleinsten agent onder schuw licht. De heele troep was plots van de straat-hurk opgesprongen.In wilden grabbel graaiden krampige handen over sneeuwgrond. ’t Regende ballen naar burgervader en agenten, zacht aanpaffend tegen hun kleeren. Bleek-streng bij ’t licht,—den stoet verjagend, die achteruitdrongen was,—draaide burgervader zich om, beval barsch agenten te staan. Even stemmen-gefluister tusschen hem en agentje. Sabeltrekkend in ’t schuwe licht, donkerde ’t mannetje met z’n klein gevolg, stijf, in versnelden pas op bende aan, die onder vijandig uitdagend vinger-gefluit en heet-lustig vechtgeschreeuw van Rink, zich achter karren en mandstapels bij ’n schuit verschanst hadden.Onder hagelstorm van moddersneeuwballen, was agentje den duisteren wallekant genaderd en luk-raak, in sneeuwgewemel, dat ruischloos donkere mondholte inzweefde, schreeuwde hij iets voor zich uit, onverstaanbaar terugslaand op gegier van dronken stoet. Toen kwamen, op fijn fluitsignaal van agent[97]uit z’n staf, onder lantaarn uit, twee nieuwe mannetjes aanzetten, sprongen wild uit den rossigen lichtkring met sabels de lucht invlijmend, maakten schijncharge om te laten voelen, dat ’t ernst kon worden.Uit de danszaal holden meiden, gillend in lawaai, en nieuwe kerels dromden áán, heet-nijdig op politie, drongen samen met vecht-stoet.—Hak’ker puur op in, krijschte een agent, die lust had te ranselen, dwars door de dronken bende. Weer volgde van klein troepje dienders, ’n schijncharge. Achter karren, die schuin opstonden, met kruk de lucht in, vluchtte weg, donker gestoet van meidentroep naar wallekant, in angsthaast over glibbervuile loopplank dringend, naar tuindersboot. Achter kisten en manden uit, striemden steenen, hout en groentenvuil zwarte streepen door sneeuw-wemel, die als in stormhoozen weer wegwarrelde in andere richtingen.Boven alle geweld uit krijschten de stemmen van Rink en Piet, dat sullie de kerels ’t water in mosten douwen. Plots trokken ze allen, met brok-scheppen, hooi- en mestvorken,—die ’n paar kerels uit afslagloods bij ’n pakhuis hadden losgewerkt uit den rommel,—op het viertallig agentenkringetje af, waar burgervader bleek-strak midden-in ordonneerde. De agentjes hadden de sabels ingehouen en de dronken stoet, in brullend gekrijsch en gefluit, drong weer, uit donkering van besneeuwde handkarren en kisten, in rossigen schemer van lantaarnlicht, midden op haventje, zwaaiend met scheppen, steekvorken, rijzenknuppels en boomstronken. Vooraan gilden dronken meidentronies, sommige woest-bleek beschenen, nat van sneeuw, met schuimige vlokken op neuzen, wenkbrauwen en oogranden. De burgervader, voelend dat ie te sterk had ingezet, schuchterde achteruit, wou ’t z’n klein agentje weer zoetjes laten bijleggen. Aarzeling was er, die de stoet voelde, want raker en striemender bonkten steenen, koolstruiken en hand-ingekneusde sneeuwballen in ’t kringetje, waarvan burgervader mikpunt werd. Klein agentje trad even weer uit den kring, vlak voor de donkere woelige bende, kerels die slagschaduwden[98]op lichtschuwen sneeuwgrond, als wemelende gedrochten uit chineesch schimmenspel.—Jonges, schreeuwde agentje met vredestichtend timbre in z’n stem,.… hou jullie je nou kalm.… wa geeft ’t nou!.. sukke herrie!.… goan jullie nou kalmpies uit mekoar!.…Woeling gierde er los uit den stoet, die nu weer vooruitstrompelend, in kring om alleene havenlantaarn duivelde, rossig, in wilde schijnsels.—Barst jai, gilde Rink uit, jullie benne begonne.… laileke dood-van-ganzebord.… jullie sa’k levent f’rbrande.… aa’s we je nie mosse fille.…—Kalm nou, kalm àn, deemoedigde agentje, z’n sabel weer in de schee neerpuntend.—Kalm, kalm, m’neer salm-salm, zang-gierde Piet.… komp bai de huur t’regt.… nou kort en goed, duufelstoejoager.… aa’s jai.… mi je k’rnuite.… aa’s jai nie ofer-dwars te woater mòt, ruk dan in.… mars!!Schatering daverde òp uit den troep, meiden liepen gil-lawaaiend weer terug over loopplank. Donker gegons van áánpaffende sneeuwballen, verschimmend in kruisworpen naar agenten-kringetje, dat stil nu afweerde, bàng voor ergere opwinding.—Doe jullie je latjes weg, krijschte éen uit den stoet.—Verdomd aa’s de duufel jullie sette ken, verdomd,.… vloekte moedig klein agentje,—goan jullie nou deur.… mot ’r nou geranseld worde.—Joà joa! krijschten meiden.… kok-kok-kok!.… kok-kok-kok!.… moeder weer ’n eai!.…—Op jullie bakkesse!.… die skar van ’n burgerfoader mô te woater.… galmden anderen weer.—Smait sain onder de kar, breek se de strot, gierde Rink uit den stoet.Een jolige meid duivelde plots vóór agentje, gaf ’m ’n ruk aan z’n baard, haastig in den donkeren stoet weer wegspringend, die al meer kwam aandreigen met zwarte harken, vorken en zware gereedschapbrokken.[99]Rink zwaaide met ’n ijzeren moker, maar agent je was ’t minst bang voor hèm. Vlak bij ’m ging ie staan.—Wees jai nou verstandig Rink, vleide agentje, zeg jai an Hassel nou, da se goan motte.… jai ben tog de boas hier.…—Nee, huil-woedde Piet, die ’t half gehoord had,—doe jai die spitsboef doàr de boeie àn.… geef sain ’t kettinkie in z’n klauwe.Rink, dronken-duizelig, half wetend wat ie zei, was gevleid door agentje.—F’rjakkerjenne, spoog ie uit.… hou jai je bek:.… ikke bin boas hier.… ikke!.…Zwaar zwaai-suizelde moker boven z’n schemer-rossigen dreigkop; z’n lippen sputterden schuim en voort brulde ie, doffe klanken onder zwaarder geslinger van schamp-lichtenden hamer. Plots greep ie de vork van ’n meid voor ’m, sloeg de punten woest tegen z’n moker in, boven z’n kop, dat stàlen tanden, lichtflitsend, vonkten tegen ijzer.…—Weg d’r mee!.… de maa’n het glaik.… snurkers!.…En weer slingerde ie de mestvork woest tegen den stoet in..—Fort jullie.… ’t skeelt t’met nies.… nies.… of wullie gonge de bak in.…Allo jonges.… wai saine waiser.… loate wai de vuilike links legge.… links legge.… wai.… wài.… binne vuilike.… wài.… sài binne ’t.… sài.…—Agentje klopte ’m gemoedelijk tegen z’n rug.—Flink soo Rink.… soo is ’t.… goan jullie d’r moar van deur.Maar Piet wou niet, bleef halstarrig, schold Rink uit voor ’n verrajer, ’n kabboebelaap!.…—Jai transvoalsche seemeeuw, stinkbunsum!.… jai.… Engilsche boef!.…—Hou jai je bek.… ik seg moar.… ik seg moar, waggelde Rink er uit, stomdronken, donkerhoog boven den stoet uitschouderend,—ik seg moar.… da je.. da je te veul neusiesverf hàt hep.… jài bin dronke.… f’rdomd!.… dronke!..De vrouwen wouen niet langer staan in kou en nattigheid.[100]Telkens scheurde zich ’n groepje af van den stoet, dat lollend en zingend, onder vermaning van agenten, de haven langsslingerde, onder boomen door; soms afbrokkelde, dàn weer arm-in-arm haakte, als donkere schutters in rijen, opmarcheerend naar hoek van achterhaven, tegen schuwen pakhuizenschemer in, den polderweg op. En achter hen áán, kreupelden al meer schamele hinkstoetjes, scharminkels in duister bewustzijn, verkoortst van karnavalshitte, onmenschelijk en ramp-zwaar geslagen, havenweg áfslingerend; landloopersellende, verspokend in langzamen schaduwtocht tegen oneindig donker-schimmige gat van besneeuwde-wei-poldernacht.Piet alleen, bleef doorrazen, met nog ’n stoet je waggel-kerels, om lantaarn-paal heen. Rink drensde mee, Piet zeurde tong-zwaar met hoog-piependen stem-overslag.—Sien je.… sien je.… jai!.… jai!.… jai-bint ’n fârrike.… sel ’k moar segge.… moar ik seg.… ik seg.… fierkant wa je bin.…—Nou.… en ikke, treurstemde terug Rink, ik seg.… ikke.… ik seg.… da jài ’n boef.… ’n boef.… ’n Sjemperlan bin.… ’n skar.… sien je!.… moar.… i i i i ikke.. ikke.… ikke.… ikke seg-’t.… i-i-i-in je smoel.… sien je.. sien je.… e’e eerlik!.…—Jeaijsis.… jeaijsis!.… daa’s net.…, lolde Piet vroolijk.… Ikke.… i i i kke.… i i i n.… ’n ploert.… sien je.. é é énne.… enn jai.… jai.… ’n boef.…, nie.… ?.. nie?… daa’s eerlik.… geef màin nou.… nou ’n poot kameroat!.… daa’s net.… jai ’n.… boef!.… é é é.… é é é.. enne.… ikke.… ikke.… ’n Sjamperlan!.…En roerend innig, verrast en verzoend, tegen elkaar opwaggelend, met kwijl van lach-pret om hun monden, tast-zochten ze naar lantaarnpaal voor houvast, in been-waggelend geduizel; grijnsden hun rossige tronies, lachend onder het licht, probeerden ze elkaars handen te grijpen. Piet met z’n mouw, poogde zwaar gevlok van z’n sneeuwgezicht en brauwen weg te strijken. Laatste troepje, waggel-breed, slingerde den polderkant op, den spoorweg òver. Rink alleen achteraan, waggelde[101]een zijweg van polderpad langs, langzaam, in hevig geslinger, angstig-rakelings langs slootkant.Stilte was nu geweven.… Van ver klonk telkens áán, melancholiek gegalm van Rink’s zangstem over doodstille wei, oneindig in vlokkendans verschemerd. Droef klonk dóór, zwaar-klagelijk en dronkemansteeder z’n lied:Ik bin moar.… ’n swainke.… allain stoan ’k hieeeer!Allain op de weijrelt.… mi-sonder pelsieeer.…Piet, alleen sprekend bij lantaarnpaal, was ingezakt, wroette op de straat in ’t slijknat, kon zich niet meer op z’n beenen hijschen. Zachte redenaties hield ie tegen de steenen, met z’n gezicht in den sneeuwmodder.Eindelijk kwam erbarming; werd weggedragen z’n stinkend lijf door twee agenten met kleintje aan ’t hoofd.Stil nu lag haventje weer, in rossigen schemer, doodstil. Onder allééne lantaarn vlokte gesneeuw, vergouend in gasvlam, en schepen, verwitten hoog tegen spokigen spoordijk op, waarachter schimmig deinde, sneeuw-schemer van polderende wei-zee.[102]

[Inhoud]V.Piet Hassel, sterke oproerige Wierelander, was kroeg in, kroeg uit geloopen op de haven, waar wit-schimmig de spoordijk weg te donkeren lag, achter het breeë watertje en vèr, ver, nevelig-blank van alom polderland, waarin fantomig reservoirs van gasfabriekje opdoemden.—Groote molen rechts, naar ’t[87]station, omkneld van donkere huisjesgroep, vaagde sneeuw-schimmig in duistere lucht, melancholiek over verren polder starend, den versneeuwenden bleeken nacht in.Piet had z’n vrienden opgevischt in een kroeg bij Schildert. Hendrik Gelder, de Haas bijgenaamd, Jan Sik, Kees Slooter, Kol en nog wat arme ploeter-schooiers, woelige, jolige losse tuinders en bloemistknechten met ’n paar sigarenmakers. Naast hen schuchterde bescheiden, ’n half-heerig klerk je van de fabriek van ingelegde groenten, ’n Wierelandsch burgertje, dat zich ’t liefst bij plebsche arme, schooiende herrieschoppers opdrong. Ieder in Wiereland kende ’t zuipende stelletje, als gevaarlijke vechtersbazen, nakende zwoegers en sjouwers, die in dronk-zwijmel opspogen tegen alles, allereerst tegen elkaar ruzieden omdat Kol en Slooter, katholiek, Sik en Gelder, protestanten, in hun hitte-buien, elkaar moèsten afrossen. Want verborgen ingetoomden, plòts soms uitziedenden schroei-haat sintelde en giftte er altijd tusschen bevolking, katholiek en protestant. Onder alle standen dàt gebruis, al wilde niemand ’t weten, omdat, gelijk verdeeld in aantal, men elkaar te veel noodig had. Maar soms barstten de belhamels los en helleveegden rond, braakten langgesmoorde driften uit van twee kanten. Nuchter, kon ’t Wierelandsche stelletje elkaar wel luchten. Iederen avond, in den naakten wintertijd, broeiden ze vast bijeen, in ’n kroeg. Eerste avondwerk was jacht op meiden, achter, op de stikdonkere kronkel-weggetjes, tusschen tuinderij en wandelpaden. Wellust-jacht van buurtmenschen waar geen simpel landelijke vrijage òp kon leven, of doodgetrapt werd ze, door rauwe spot en krijsch van verdierlijkte massa. Gewissel van meiden en jongens was overal. Leefdrang en passie werd genomen of betaald.Na meidenjacht, gloeirig en wild, weer terug honkten ze in kroeg, om ronde tafels in kaartspel-gegier. Zoo, elken avond had schooierigste tuindersgroep hier samenkomst, kwam werkvolk van Wiereland, onder heet-ingehijsch van brandvocht bijéén, verzoende zich tijdelijk haat van katholiek, protestant en jood. Dààr, in dompige, donkere kroeg-holen waar geur van jenever zoetig-helsch doorheen schroeide, werd gezopen, uit[88]wellust, uit hartstocht, om ploeterramp van komenden zomer te vergeten, om zorgen te zien vernevelen achter rooiig lichtende blijheid, glanzende dronken-oogen-kijk, om werkpijn te stillen, te dempen, met iets, dat warm-gloeiend inbeet, in hun brandend lijf. Zoo werd gezopen in Wiereland als nergens in andere streken, vloeide er één hittestroom van drank, dampend vocht; dromde er altijd gewriemel van schreeuwende, woedende, melancholiek-geslagene of komisch-beschonkene kerels; kerels, die vrouwen en kinderen lieten krepeeren van honger in winternaakte. Zoo ging laatste duit in hevige zuipkoorts en driftigen gok, naar vettige, joviale, buldoggige kasteleins, die meerookten pijpen, pijpen vol zware tabak, en gemoedelijk rondsloften, op hun gekleurde toffels, tusschen hun spuw-bakjes met zand, volgeklodderd van vuil.Dien avond ging het vriendenstelletje kroeg in, kroeg uit. Burgervader had permissie gegeven, dat herbergen en danszalen later mochten openblijven. Zoo trokken de kerels heen en weer op ’t schemerend havent je, dat stil lag schichtig, onder sneeuwgeschemer, en zware donkering van masten en booten in watertje, somber-groot opschaduwend tegen spoordijk. Uit de danszalen golfde bij vlagen, onder deur-opengesmak, rumoer, dat zacht verdempte in sneeuwgrond; galmden doffig, in tierend gewar, koperen muziekscheuren en zangstemmen.In lange smalle loodsen wriemelden opgepakt de dans-brandende Wierelanders. Opgejaagd, in gloeiende schroeiing, kookte ’t licht, ’t avondlicht, uitkoperend fel in brons-hevige vloeiing, van balken en wandbrokken neer. Lang uitgereept leegden zwart-bemorste banken, waarop vermoeide paren zweetig uitdampten, droef-schroeiend omneveld in rook, rossig walmgewolk. Stik-benauwing en heete adems persten zwoel-zwaar, door de lage smalle lolzaal. Wierelandsch zwoeg en plebs, zweetende meiden, rood en grauw van dans-hartstocht, kerels en jochies joegen in stormdwarrel op heesch, opjagend muziekgetoeter door de loods; joegen en tol-dwarrelden, dat kwijl langs hun[89]monden liep, de wijven met opwaaiend rok-gefladder en giftige beensliertingen.Drie danszalen was Piet Hassel met z’n vriendenstel al ingestormd, maar teruggedrongen werd ie overal, door kleurig-helsche warreling van donker-verlichte paren, die telkens plompiger aandromden van hout-kaal buffet naar ingang-deur. Eindelijk was Piet met de anderen in grootste danszaal meegezogen met afdeinende dansgroep. Achter ’n dikstrakken kop van ’n rossig zwaar bebakkebaard agentje bleef ie staan, ingekneld van lol-lachers, achter z’n rug, klown-dolle grimassen makend. Toen omzag agent, gooide Piet zich wild met de anderen in helschen kleurkolk van dansende paren, meiden die vlammen ketsten van hun blouzes, rokken en befonkelden haarpronk. Plots voelde Piet zich in-gebonsd, omkneld van allen kant. Wegwemelend rok-gezweef en geruisch van meiden joeg in zinlijke vlucht-geur en plooi-ruzie voorbij. Harkig sleurden de kerels mee in stronkige armenknel. Vriendenstelletje was uitelkaar getrokken. Alleen Gelder zag Piet naast zich, midden in ’t dans-gewemel, die niet af kon zien van het witte onderrok-gefladder, dat telkens vèr onder opgeschorte rokken uitzinlijkte. Plots greep Piet, Gelder vast, begonnen ze stijf-komieke stappen rond zich te trappen, telkens opbotsend en wankelend, zich schijn-teeder omarmend als jong paartje. Schatering en hittend gejoel joeg om ze heen, zwaarder bonsden lichamen áán tegen de twee harkige kerels, dat ze waggelden, en dobberden gierlollend.—Haej.… kanteloepp! je fiel droait.… snof’rjenne.… twee kerels.… krijschte Kol.—Kaik, die klebakkium kaike.… t’met skiet ie op je af.. hai is puur ’n vuile smakwammes!.… lachte ’n tuindersmeid, die met zweet-rood hoofd naar ’t agentje bukte, kanaljeus, ’m ’n ruk aan z’n baard gaf.—Nou aa’s j’r senie in hep ka je f’nacht in ’t koarte-huis maffe.… zong Wierelandsch stemgalm er doorheen van ’n meid die bukkend d’r kouseband toehalen wilde maar weer omgebotst werd door ieder paar dat ’r zag staan, kuit-naakt.Zoo, zangerig doorwarrelde stemme-gons, schel gelach en[90]schoffel-bonkend geraas, schal-scheurden felle trombone-dreun en hoornstooten uit van poepers, die half gekneusd en gebeuld op hoogtetje, achter groen hekje troonden, tusschen buffet en plee in. Op hun vaal-groene buizen, schemerden de rood-vuile epauletten, als bloedvlekken, verkleurd in stofstuifsel, dat opjoeg van zandgrond, lichtende hoozen, zacht weer neerpoeierend over gekromde speelruggen, en vervaagd rooiig, hun blazende walmkoppen bolden als barstend gespannen gas-ballonnetjes in oranjigen nevel-brand.De zweethoofd-meiden, in hun opgedirkte kleur-helsche japonnen en lijfjes, plomp-hevig en boersch-echt, met schitteroogen, die gilden van genot, zopen langzaam smakkend, opgedrongen tegen buffet aan, bier, groot glas, omkneld in bonkige goud-beringde werk-knuisten. Enkele koketteerden met armbandsiersels, omrammeld, kannibalerig-woest bepronkt, wild in haar en hals, getatoeëer van tulpenvurige doeken en strikken. Vóór ’t drinkstoetje van meiden duivelde heet gegons van wemelparen onder lichthoek, schroeide rossige walm, stinkdamp van zweetlijven en asemen. Dronken tronies van mannen en meisjes lachten al ààn in zuipgrijns; uit de wemel-stoeten dampten op, rooie wilde oogen van verhitte vrouw-koppen. In gestoot en geduw werd gillerig en jagender de pret. De mooiste meiden smakkelden en koketteerden in boerenwaan, stijf en plomp-rauw met wreed gebaar, damesnadoenerig-stijf. Bij hoeken gedrukt stonden paartjes, in knie-knikkenden stand, krachteloos te mondzuigen en zoen-lebberen. Op de banken plonsten groote groepen neer, dood-affe, hijgende, zweet-druipende paren, elkaar zoetig verliefd bewaaierend met zakdoeken, waaruit duf en vergoord goedkoope patjoulie-reukjes en vieze eau-de-kolognerige zeepstank opluwde. Telkens sprongen uit de hijg-moeë groepen uitgeruste meiden op, nog bleek-rood van inspanning en dansdrift, in woest en zang-gier met d’r jongens zich weer stortend, in den wemel-stroom van zwirrelende parenwarreling, en slingerkolk van bruisend rokkenwit. Al nauwer drong òp en stormden ààn, nieuw-ingezogenen bij ingang-deur. Geen plaats meer bleef om te bewegen. Heele troepjes omsloten[91]en ingeperst kleefden als aan elkaar, hobbelden rhytmisch op muziek-stooten, met lijven op één plek, zonder van plaats te kunnen wegbeenen. Soms spuide plots ’n beetje ruimte en dobberde menschenkluit wat van elkaar. Maar telkens weer botsten de lijven òpéén, trapten en stootten de meiden, pijnlijk-gespijkerd tusschen dierlijk-harkige omknelling van d’r dansende kerels.Maar andere meiden, vuriger, verhit van demonischen dans-wellust en lijfgeschuur, onkenbaar verwrongen d’r koppen onder walm-brand, waarop hartstocht rammeide en ingroefde donkere lusten om oogen en toegeknepen kwijl-monden,—opjagend en lokkend met enkel heesch woord d’r kerels, niet òmziend, als verstard, kijkend pàl in minnaarsoogen, wezenloos en bezwijmeld, warrelden dóór, tot plots ze weer stuitten op paren-kluit, die vast-gezogen deinde, in ordeloos gedrang; opsukkelde naar deur als buffelbende, stoer aangestormd éérst, plots als omkluisterd aan pooten. Dan klonterden weer de zweetkoppen bij-een, ontstrakten de zwijmelgezichten, kwam er geduw, gejouw en lach-schalm onder heetste, gemeenste jongens-meiden. Herrie-gejoel barstte los, om elken tuindersjongen van Duinkijk en Kerkervaart, die danste met meid van Wiereland. Dan ging gegrom rondom en beflodderden ze elkaar met scheldnamen, kwam er hanige haat, vuurrood kamgesidder van nijd en geweldige mondspuwingen van vloeken-donder. Tegen het hekje, waarachter de blazende roodgezwollen muzikant-koppen, sidderend als in goudgaas van opgewoeld stoflicht en oranje rook,omzwierd en verwaasd, op hun hoogtetje dromden, stond nauw opgeplet in damp en stuifsel, ’n troep blonde forsche meiden, bepaaiend, besussend, woede-kerels, met smak-zoenen en wangstrijkingen. Anne Donke en Griet Karsen twee knappe tuindersmeiden van de plaats, praatten fier, ongenaakbaar, met loodgieter Ruig en smid Wenke. Naast hen, in gedrang, hurkten op de banken ’n troep jochies van twaalf en veertien jaar, met bierglazen in de hand, stoeiend en opgejaagd door schorem bollekweekersknechten, en ’t stelletje dat lol had in de kloek-zuipende groot-doenerige kerel-kinders. Telkens propten ze zich den mond vol met pruimpies, spogen in ’t rond,[92]vloekten als grooten; be-gutsten de meiden met woordvuil, sprongen als apen, met glunderige licht-oogjes, loerend, dronken en verhit.Piet Hassel wou ruzie. Dat had ie met ’t stelletje afgesproken. Wat zou ’t; gevochten most d’r worden. En Piet was in lol maar begonnen met schijnherrie tegen ’n Duinkijker, dien ie heel goed kende. Dadelijk erin, hakten anderen die partij trokken. Lach-barstend drongen Piet en Duinkijker weg, de partijtrekkers tegen elkaar aan den gang ziend. Achterhoeksche haatdragendheid en stupiede kijfbotheid stond op dronken zwijmelkoppen uit te barsten. Loome wrok, die langzaam maar schrikkelijk opboorde uit gesmoorde gloeidriften. Grooter werd broeiing, rossig toortste walm rond, vergroenend de zinne-koppen in grauwig brandlicht. ’n Kerkvaarter en Wierelander waren vlak bijeen gedrongen, eigenlijk niet goed wetend wat ze van elkaar wouen. Een had partij voor Piet getrokken ’n ander voor den Duinkijker. Die twee nou zaten te gieren op bank bij de deur tegen de uithijgende meiden lollend, dat ze voor hùn beidjes op elkaar inhakken gingen. Wierelander krijschte rauw.—Bai jullie verdomme.… bai jullie op da gat.… da krot.. stong ommirs ’n bord.… en stong d’r’op.… hier hout ’t minsdom op.… da hai je t’met de beeste.…—Daa’s proat! loddermeroàkel.… nou.… ikke seg uit volle borst.… Duinkaik bóófe.… Wiereland ònder.…Bang gedreig van alle kanten. Rossige walmkoppen opdringend naar waggelkerel, die bleekig, met scheef vertrokken zenuwmond en drinkers-oogenlicht, doorzingen wou.… Duinkaik bóófe.—Hou je smoel.… boerekinkel, of ’k sel je ’n lik onder je koàkebeen gaife.…—Sakrejenne.… wie breng je mee?.… seg.… snof’rjenne! beskimmelde huspot.Plots hevig bonsden ruzie-stokers tegen elkaar op, door aanwarrelende dans-groep, die langs ze stoof, rondkolkte in stofwolken, gouïg oppoeierend midden in loods, verdween weer, in fantomige, sidderend rooïe walmsfeer, tusschen kankan van[93]meiden, met rokken hoog opgezwaaid in schuimwit. Maar Duinkijker drong achteruit, stompte met z’n armen, roeide op ruggen en schouers terug naar z’n plaats.—Kaik se stoan.… krek an ’n raitje.… aa’s aarepels in duin.… is da bier van sain?—Joa!.… van sain.… blaif d’r af mi je poote.… Kaik die varkessnuit.…Meiden, verhit door danszwijmel lachten en giegelden belust op vechtpartij.—Nou sel ’t puur uitsain, krijschte ’n Duinkijker midden in, of je hep ’n slag f’r je roap beet!.…—Bin’k self bai hée? venijnig-bleek giftte Wierelander terug, grauw-groen van drift.—Wa hê jai mi An van doene!.…—Sjeis an je An, krijschte ie rauwer, z’n bierglas in woesten kring rondzwaaiend, dat ’t schuim vlokte om ’m heen.. Gesist en opgehitst werd er: kss!.… kss!.…Bloedschijn lag wild en begeerig in dronken zwijmeloogen van kerels, en de meiden, verlekkerd, wouen beroering, wouen gekerm en gekreun van ondergelegden, gekneusden, gebeukten, melodramatisch opgevlamd en verschroeid van zinnendrift. Midden in, drong Piet met Rink den polderreus, door de stilstaande paren.… Hevig-rauw krijschte geluid van lijf-reus, daa se moste deurgoan.…—Seg krente-mik, snait de fint an rieme, sloa’m sain beene stuk.… en timmer sain mit de bloedige ende op s’n pet!.…—Bàrst jai.—Blaif jai heel!.… en meteen trok Rink z’n jas uit, om in z’n overhemd, meesliertend verkronkeld-oranjige halsdoek, nek-ontbloot, de eerste striemen weg te patsen, ’n Meid, blond in koniginne-statuur, slank en reuzig-forsch, was plots midden ingedrongen en uitrazend met tartende gebaren, duim onder kin woest wègstrijkend, gierde ze tegen Duinkijker kerel.…—Rooie!.… rooie!.… rooie!.… kaik ie tippele!.…. kaik ie tippele![94]—Laileke skarretje.… wa mo jai d’r vàn!—Kaik ie tippele.… so glad aa’s ’n flesch.…—Debies jai.… ik stink tog nie suur.… duufelstoejoàger!—Jai? an main jassie.… sie ie main van veure.… kaik nou doàr’.… En wild draaide furie om, met haar achterste hoog opwippend naar ’m toe, in dwazen hoonenden wellust-sprong.—Vuile kwieb!.…—Mô je se maid siene.… puur soo breed aa’s hai.… soo pot!.… soo pan!.… gierde ’n kleine furie.—Enn jai dan prop.… onder- en boofe-deurtje!.… mit je lange skele rot van ’n vraier.…—Debies, tartte de forsche meid weer, spitisger met ’r duim langs glimkin strijkend, in duivelend scherp gebaar, rooie tonglap er hoonend uitpuntend.—Dubbel-debies jai muurvarke!.… stoppelkat!.. gaif jai je kindere te vrete!.…Plots opgestookt door verstoorde bende die dansen wou, kwam goeiig politie-mannetje, verlegen aan z’n rossige bakkebaard aaiend, tusschen de ruzie-lijven staan.—Blaif jullie nou je fesoen houe.… toe nou.… kalm an.… kalm an.… jai die weg uit.… en jai die.—Zacht begon ie den polderreus te verduwen, die beenplakte, als ’n rots onwrikbaar, uitdagend, met z’n moker-armen tegen muzikantenhekje bombardeerend, dat de kerels trilden achter walmlicht. Rink’s groen-valsche oogen, lichtten als fosfor, donker-woest diep in z’n ruwen kop verdoken. Ruzie was geslabakt en wilde warrel joeg weer door de loods, die walm-zwaar pafte, in stofpoeier boven het geschetter, dat rood-sferig brandde. De koperen instrumenten van blazers flitsten in licht-glimsels.—Toortsig-helsch en satanisch, dreunden donkere monden van trombones, hun zwaarlijvige tonen den stankwalm in, dat wanden te barsten dreigden; fel boorden de hoorn-stooten als priemend geluid door de broeiing; schommelend gingen de lijven weer in rhytmisch gehobbel, in koorts van draai en tolling,[95]geilde de zwijmeldans weer door de loods, in rossigen rook, die meid-gezichten schroeide en oranjerig-rood begloeide in zwelling van bezweete huid.Piet zoende in ’n storm, tien meiden te gelijk, achter den arm van hun dansers, waarin ze omschroefd pletten, en met Rink achter ’m aan, wien hij iets in ’t oor schreeuwde, drong ie naar den uitgang.—Wie main lief hep, volgt main!.…’n Twintig kerels hadden ’t sein begrepen. Buiten, op de verwittende havenkaai zouen ze ruim-rustig kunnen zuipen. Zacht vlokte sneeuw neer, wemel-schimmig op zwak lichtend haventje. Vlak bij tuindersboot, die donkerde in watertje, met fel-groen ooglichtje half-mast, holden en slinger-lijzigden de kerels aan, donkere stoet in wittigen vlokwarrel, schuw, om lantaarn-paal, die rossig-goud hun tronies beschemerde tegen nacht-duister. Piet en Rink smakten zich in de sneeuw, plat op hun achterste, met beenen vooruit, en schimmig cirkelde heele stoet, neergesmakt op straat, schimmig en schaduw-vreemd, zwakkelijk verrood in den gouïgen vlokkenmist onder lantaarn-paallicht. Achter de zuipers verwitten stil, huizen en boomgestalten, karren en manden. Inééngekromde pakhuizenrij, waarop bàng-wild, rossige schijnselkring van kleine lantaarn, makabren donk’ren bronsgloed kaatste, school droef weg in diepe droomtonen àchter sneeuw-wemeling. En geheim-zacht in ’t rosse licht dáár, zweefden de vlokken voor de droeve vensterblinden en schemerluikjes.Piet had ’n groote kruik onder z’n jekker uitgehaald. Rink presenteerde ’n diendertje. Gretig ging rond nu in den kring mank glas en kruik, tot ’t onder beestig, koortsig-heet gekrijsch bij Piet weer terugkeerde. Kannibalig donkerde de hurkende zuipstoet, in den licht-schichtigen lantaarnkring en bang-groot slagschaduwden hun handen, koppen en lijven bij slingergebaren dooreen, in paarsdiepe silhouetten op rossigen, trillenden sneeuwgrond. Lallend zangden de heesche beest-stemmen. Even van kerels af, die in ’t vlok-schimmige als bedouïnen-stoet in sneeuw-nacht woelden,—kwam angst-gekijk[96]van Baanwijkbewoners soms, schuw op haventje loerend.En stil, ruischloos boven donker-rossige, woeste zuiptronies, omkaatst van schimmig straatwit, vlokte om lantaarnpaal heen, zacht sneeuwgeweef, kuisch, smetloos wonder van vlokkenschemer, zachte warreling vergouend in ros-vlam, ontroerende smelting van licht, heilig en stil, dichtwevend duisteren nacht rondom.Politie was gewaarschuwd. De burgervader, met ’n paar mannetjes kwamen aansjokken, vooruit voelend, dat ’t niet goed afloopen zou.Jeneverkruik was leeggezogen en de helft van stoet stond weer, waggel-zwaar, en nijdig vloekend op Piet en Rink dat ze niet eerlijk gedeeld hadden. Piet, met bloeddorstige natuur, voelde vechtjeuk, schold terug, aldoor één woord, liederlijk. Rink zag schuw den burgervader aanstappen. Verdoken achter den kring, gooiden ’n paar sneeuwballen, vuil-modderig, van ’n groentenkar uit, naar agenten. Piet lolde, rauw, mikte steenen pal op zwak-geligen blinkhelm van kleinsten agent onder schuw licht. De heele troep was plots van de straat-hurk opgesprongen.In wilden grabbel graaiden krampige handen over sneeuwgrond. ’t Regende ballen naar burgervader en agenten, zacht aanpaffend tegen hun kleeren. Bleek-streng bij ’t licht,—den stoet verjagend, die achteruitdrongen was,—draaide burgervader zich om, beval barsch agenten te staan. Even stemmen-gefluister tusschen hem en agentje. Sabeltrekkend in ’t schuwe licht, donkerde ’t mannetje met z’n klein gevolg, stijf, in versnelden pas op bende aan, die onder vijandig uitdagend vinger-gefluit en heet-lustig vechtgeschreeuw van Rink, zich achter karren en mandstapels bij ’n schuit verschanst hadden.Onder hagelstorm van moddersneeuwballen, was agentje den duisteren wallekant genaderd en luk-raak, in sneeuwgewemel, dat ruischloos donkere mondholte inzweefde, schreeuwde hij iets voor zich uit, onverstaanbaar terugslaand op gegier van dronken stoet. Toen kwamen, op fijn fluitsignaal van agent[97]uit z’n staf, onder lantaarn uit, twee nieuwe mannetjes aanzetten, sprongen wild uit den rossigen lichtkring met sabels de lucht invlijmend, maakten schijncharge om te laten voelen, dat ’t ernst kon worden.Uit de danszaal holden meiden, gillend in lawaai, en nieuwe kerels dromden áán, heet-nijdig op politie, drongen samen met vecht-stoet.—Hak’ker puur op in, krijschte een agent, die lust had te ranselen, dwars door de dronken bende. Weer volgde van klein troepje dienders, ’n schijncharge. Achter karren, die schuin opstonden, met kruk de lucht in, vluchtte weg, donker gestoet van meidentroep naar wallekant, in angsthaast over glibbervuile loopplank dringend, naar tuindersboot. Achter kisten en manden uit, striemden steenen, hout en groentenvuil zwarte streepen door sneeuw-wemel, die als in stormhoozen weer wegwarrelde in andere richtingen.Boven alle geweld uit krijschten de stemmen van Rink en Piet, dat sullie de kerels ’t water in mosten douwen. Plots trokken ze allen, met brok-scheppen, hooi- en mestvorken,—die ’n paar kerels uit afslagloods bij ’n pakhuis hadden losgewerkt uit den rommel,—op het viertallig agentenkringetje af, waar burgervader bleek-strak midden-in ordonneerde. De agentjes hadden de sabels ingehouen en de dronken stoet, in brullend gekrijsch en gefluit, drong weer, uit donkering van besneeuwde handkarren en kisten, in rossigen schemer van lantaarnlicht, midden op haventje, zwaaiend met scheppen, steekvorken, rijzenknuppels en boomstronken. Vooraan gilden dronken meidentronies, sommige woest-bleek beschenen, nat van sneeuw, met schuimige vlokken op neuzen, wenkbrauwen en oogranden. De burgervader, voelend dat ie te sterk had ingezet, schuchterde achteruit, wou ’t z’n klein agentje weer zoetjes laten bijleggen. Aarzeling was er, die de stoet voelde, want raker en striemender bonkten steenen, koolstruiken en hand-ingekneusde sneeuwballen in ’t kringetje, waarvan burgervader mikpunt werd. Klein agentje trad even weer uit den kring, vlak voor de donkere woelige bende, kerels die slagschaduwden[98]op lichtschuwen sneeuwgrond, als wemelende gedrochten uit chineesch schimmenspel.—Jonges, schreeuwde agentje met vredestichtend timbre in z’n stem,.… hou jullie je nou kalm.… wa geeft ’t nou!.. sukke herrie!.… goan jullie nou kalmpies uit mekoar!.…Woeling gierde er los uit den stoet, die nu weer vooruitstrompelend, in kring om alleene havenlantaarn duivelde, rossig, in wilde schijnsels.—Barst jai, gilde Rink uit, jullie benne begonne.… laileke dood-van-ganzebord.… jullie sa’k levent f’rbrande.… aa’s we je nie mosse fille.…—Kalm nou, kalm àn, deemoedigde agentje, z’n sabel weer in de schee neerpuntend.—Kalm, kalm, m’neer salm-salm, zang-gierde Piet.… komp bai de huur t’regt.… nou kort en goed, duufelstoejoager.… aa’s jai.… mi je k’rnuite.… aa’s jai nie ofer-dwars te woater mòt, ruk dan in.… mars!!Schatering daverde òp uit den troep, meiden liepen gil-lawaaiend weer terug over loopplank. Donker gegons van áánpaffende sneeuwballen, verschimmend in kruisworpen naar agenten-kringetje, dat stil nu afweerde, bàng voor ergere opwinding.—Doe jullie je latjes weg, krijschte éen uit den stoet.—Verdomd aa’s de duufel jullie sette ken, verdomd,.… vloekte moedig klein agentje,—goan jullie nou deur.… mot ’r nou geranseld worde.—Joà joa! krijschten meiden.… kok-kok-kok!.… kok-kok-kok!.… moeder weer ’n eai!.…—Op jullie bakkesse!.… die skar van ’n burgerfoader mô te woater.… galmden anderen weer.—Smait sain onder de kar, breek se de strot, gierde Rink uit den stoet.Een jolige meid duivelde plots vóór agentje, gaf ’m ’n ruk aan z’n baard, haastig in den donkeren stoet weer wegspringend, die al meer kwam aandreigen met zwarte harken, vorken en zware gereedschapbrokken.[99]Rink zwaaide met ’n ijzeren moker, maar agent je was ’t minst bang voor hèm. Vlak bij ’m ging ie staan.—Wees jai nou verstandig Rink, vleide agentje, zeg jai an Hassel nou, da se goan motte.… jai ben tog de boas hier.…—Nee, huil-woedde Piet, die ’t half gehoord had,—doe jai die spitsboef doàr de boeie àn.… geef sain ’t kettinkie in z’n klauwe.Rink, dronken-duizelig, half wetend wat ie zei, was gevleid door agentje.—F’rjakkerjenne, spoog ie uit.… hou jai je bek:.… ikke bin boas hier.… ikke!.…Zwaar zwaai-suizelde moker boven z’n schemer-rossigen dreigkop; z’n lippen sputterden schuim en voort brulde ie, doffe klanken onder zwaarder geslinger van schamp-lichtenden hamer. Plots greep ie de vork van ’n meid voor ’m, sloeg de punten woest tegen z’n moker in, boven z’n kop, dat stàlen tanden, lichtflitsend, vonkten tegen ijzer.…—Weg d’r mee!.… de maa’n het glaik.… snurkers!.…En weer slingerde ie de mestvork woest tegen den stoet in..—Fort jullie.… ’t skeelt t’met nies.… nies.… of wullie gonge de bak in.…Allo jonges.… wai saine waiser.… loate wai de vuilike links legge.… links legge.… wai.… wài.… binne vuilike.… wài.… sài binne ’t.… sài.…—Agentje klopte ’m gemoedelijk tegen z’n rug.—Flink soo Rink.… soo is ’t.… goan jullie d’r moar van deur.Maar Piet wou niet, bleef halstarrig, schold Rink uit voor ’n verrajer, ’n kabboebelaap!.…—Jai transvoalsche seemeeuw, stinkbunsum!.… jai.… Engilsche boef!.…—Hou jai je bek.… ik seg moar.… ik seg moar, waggelde Rink er uit, stomdronken, donkerhoog boven den stoet uitschouderend,—ik seg moar.… da je.. da je te veul neusiesverf hàt hep.… jài bin dronke.… f’rdomd!.… dronke!..De vrouwen wouen niet langer staan in kou en nattigheid.[100]Telkens scheurde zich ’n groepje af van den stoet, dat lollend en zingend, onder vermaning van agenten, de haven langsslingerde, onder boomen door; soms afbrokkelde, dàn weer arm-in-arm haakte, als donkere schutters in rijen, opmarcheerend naar hoek van achterhaven, tegen schuwen pakhuizenschemer in, den polderweg op. En achter hen áán, kreupelden al meer schamele hinkstoetjes, scharminkels in duister bewustzijn, verkoortst van karnavalshitte, onmenschelijk en ramp-zwaar geslagen, havenweg áfslingerend; landloopersellende, verspokend in langzamen schaduwtocht tegen oneindig donker-schimmige gat van besneeuwde-wei-poldernacht.Piet alleen, bleef doorrazen, met nog ’n stoet je waggel-kerels, om lantaarn-paal heen. Rink drensde mee, Piet zeurde tong-zwaar met hoog-piependen stem-overslag.—Sien je.… sien je.… jai!.… jai!.… jai-bint ’n fârrike.… sel ’k moar segge.… moar ik seg.… ik seg.… fierkant wa je bin.…—Nou.… en ikke, treurstemde terug Rink, ik seg.… ikke.… ik seg.… da jài ’n boef.… ’n boef.… ’n Sjemperlan bin.… ’n skar.… sien je!.… moar.… i i i i ikke.. ikke.… ikke.… ikke seg-’t.… i-i-i-in je smoel.… sien je.. sien je.… e’e eerlik!.…—Jeaijsis.… jeaijsis!.… daa’s net.…, lolde Piet vroolijk.… Ikke.… i i i kke.… i i i n.… ’n ploert.… sien je.. é é énne.… enn jai.… jai.… ’n boef.…, nie.… ?.. nie?… daa’s eerlik.… geef màin nou.… nou ’n poot kameroat!.… daa’s net.… jai ’n.… boef!.… é é é.… é é é.. enne.… ikke.… ikke.… ’n Sjamperlan!.…En roerend innig, verrast en verzoend, tegen elkaar opwaggelend, met kwijl van lach-pret om hun monden, tast-zochten ze naar lantaarnpaal voor houvast, in been-waggelend geduizel; grijnsden hun rossige tronies, lachend onder het licht, probeerden ze elkaars handen te grijpen. Piet met z’n mouw, poogde zwaar gevlok van z’n sneeuwgezicht en brauwen weg te strijken. Laatste troepje, waggel-breed, slingerde den polderkant op, den spoorweg òver. Rink alleen achteraan, waggelde[101]een zijweg van polderpad langs, langzaam, in hevig geslinger, angstig-rakelings langs slootkant.Stilte was nu geweven.… Van ver klonk telkens áán, melancholiek gegalm van Rink’s zangstem over doodstille wei, oneindig in vlokkendans verschemerd. Droef klonk dóór, zwaar-klagelijk en dronkemansteeder z’n lied:Ik bin moar.… ’n swainke.… allain stoan ’k hieeeer!Allain op de weijrelt.… mi-sonder pelsieeer.…Piet, alleen sprekend bij lantaarnpaal, was ingezakt, wroette op de straat in ’t slijknat, kon zich niet meer op z’n beenen hijschen. Zachte redenaties hield ie tegen de steenen, met z’n gezicht in den sneeuwmodder.Eindelijk kwam erbarming; werd weggedragen z’n stinkend lijf door twee agenten met kleintje aan ’t hoofd.Stil nu lag haventje weer, in rossigen schemer, doodstil. Onder allééne lantaarn vlokte gesneeuw, vergouend in gasvlam, en schepen, verwitten hoog tegen spokigen spoordijk op, waarachter schimmig deinde, sneeuw-schemer van polderende wei-zee.[102]

[Inhoud]V.Piet Hassel, sterke oproerige Wierelander, was kroeg in, kroeg uit geloopen op de haven, waar wit-schimmig de spoordijk weg te donkeren lag, achter het breeë watertje en vèr, ver, nevelig-blank van alom polderland, waarin fantomig reservoirs van gasfabriekje opdoemden.—Groote molen rechts, naar ’t[87]station, omkneld van donkere huisjesgroep, vaagde sneeuw-schimmig in duistere lucht, melancholiek over verren polder starend, den versneeuwenden bleeken nacht in.Piet had z’n vrienden opgevischt in een kroeg bij Schildert. Hendrik Gelder, de Haas bijgenaamd, Jan Sik, Kees Slooter, Kol en nog wat arme ploeter-schooiers, woelige, jolige losse tuinders en bloemistknechten met ’n paar sigarenmakers. Naast hen schuchterde bescheiden, ’n half-heerig klerk je van de fabriek van ingelegde groenten, ’n Wierelandsch burgertje, dat zich ’t liefst bij plebsche arme, schooiende herrieschoppers opdrong. Ieder in Wiereland kende ’t zuipende stelletje, als gevaarlijke vechtersbazen, nakende zwoegers en sjouwers, die in dronk-zwijmel opspogen tegen alles, allereerst tegen elkaar ruzieden omdat Kol en Slooter, katholiek, Sik en Gelder, protestanten, in hun hitte-buien, elkaar moèsten afrossen. Want verborgen ingetoomden, plòts soms uitziedenden schroei-haat sintelde en giftte er altijd tusschen bevolking, katholiek en protestant. Onder alle standen dàt gebruis, al wilde niemand ’t weten, omdat, gelijk verdeeld in aantal, men elkaar te veel noodig had. Maar soms barstten de belhamels los en helleveegden rond, braakten langgesmoorde driften uit van twee kanten. Nuchter, kon ’t Wierelandsche stelletje elkaar wel luchten. Iederen avond, in den naakten wintertijd, broeiden ze vast bijeen, in ’n kroeg. Eerste avondwerk was jacht op meiden, achter, op de stikdonkere kronkel-weggetjes, tusschen tuinderij en wandelpaden. Wellust-jacht van buurtmenschen waar geen simpel landelijke vrijage òp kon leven, of doodgetrapt werd ze, door rauwe spot en krijsch van verdierlijkte massa. Gewissel van meiden en jongens was overal. Leefdrang en passie werd genomen of betaald.Na meidenjacht, gloeirig en wild, weer terug honkten ze in kroeg, om ronde tafels in kaartspel-gegier. Zoo, elken avond had schooierigste tuindersgroep hier samenkomst, kwam werkvolk van Wiereland, onder heet-ingehijsch van brandvocht bijéén, verzoende zich tijdelijk haat van katholiek, protestant en jood. Dààr, in dompige, donkere kroeg-holen waar geur van jenever zoetig-helsch doorheen schroeide, werd gezopen, uit[88]wellust, uit hartstocht, om ploeterramp van komenden zomer te vergeten, om zorgen te zien vernevelen achter rooiig lichtende blijheid, glanzende dronken-oogen-kijk, om werkpijn te stillen, te dempen, met iets, dat warm-gloeiend inbeet, in hun brandend lijf. Zoo werd gezopen in Wiereland als nergens in andere streken, vloeide er één hittestroom van drank, dampend vocht; dromde er altijd gewriemel van schreeuwende, woedende, melancholiek-geslagene of komisch-beschonkene kerels; kerels, die vrouwen en kinderen lieten krepeeren van honger in winternaakte. Zoo ging laatste duit in hevige zuipkoorts en driftigen gok, naar vettige, joviale, buldoggige kasteleins, die meerookten pijpen, pijpen vol zware tabak, en gemoedelijk rondsloften, op hun gekleurde toffels, tusschen hun spuw-bakjes met zand, volgeklodderd van vuil.Dien avond ging het vriendenstelletje kroeg in, kroeg uit. Burgervader had permissie gegeven, dat herbergen en danszalen later mochten openblijven. Zoo trokken de kerels heen en weer op ’t schemerend havent je, dat stil lag schichtig, onder sneeuwgeschemer, en zware donkering van masten en booten in watertje, somber-groot opschaduwend tegen spoordijk. Uit de danszalen golfde bij vlagen, onder deur-opengesmak, rumoer, dat zacht verdempte in sneeuwgrond; galmden doffig, in tierend gewar, koperen muziekscheuren en zangstemmen.In lange smalle loodsen wriemelden opgepakt de dans-brandende Wierelanders. Opgejaagd, in gloeiende schroeiing, kookte ’t licht, ’t avondlicht, uitkoperend fel in brons-hevige vloeiing, van balken en wandbrokken neer. Lang uitgereept leegden zwart-bemorste banken, waarop vermoeide paren zweetig uitdampten, droef-schroeiend omneveld in rook, rossig walmgewolk. Stik-benauwing en heete adems persten zwoel-zwaar, door de lage smalle lolzaal. Wierelandsch zwoeg en plebs, zweetende meiden, rood en grauw van dans-hartstocht, kerels en jochies joegen in stormdwarrel op heesch, opjagend muziekgetoeter door de loods; joegen en tol-dwarrelden, dat kwijl langs hun[89]monden liep, de wijven met opwaaiend rok-gefladder en giftige beensliertingen.Drie danszalen was Piet Hassel met z’n vriendenstel al ingestormd, maar teruggedrongen werd ie overal, door kleurig-helsche warreling van donker-verlichte paren, die telkens plompiger aandromden van hout-kaal buffet naar ingang-deur. Eindelijk was Piet met de anderen in grootste danszaal meegezogen met afdeinende dansgroep. Achter ’n dikstrakken kop van ’n rossig zwaar bebakkebaard agentje bleef ie staan, ingekneld van lol-lachers, achter z’n rug, klown-dolle grimassen makend. Toen omzag agent, gooide Piet zich wild met de anderen in helschen kleurkolk van dansende paren, meiden die vlammen ketsten van hun blouzes, rokken en befonkelden haarpronk. Plots voelde Piet zich in-gebonsd, omkneld van allen kant. Wegwemelend rok-gezweef en geruisch van meiden joeg in zinlijke vlucht-geur en plooi-ruzie voorbij. Harkig sleurden de kerels mee in stronkige armenknel. Vriendenstelletje was uitelkaar getrokken. Alleen Gelder zag Piet naast zich, midden in ’t dans-gewemel, die niet af kon zien van het witte onderrok-gefladder, dat telkens vèr onder opgeschorte rokken uitzinlijkte. Plots greep Piet, Gelder vast, begonnen ze stijf-komieke stappen rond zich te trappen, telkens opbotsend en wankelend, zich schijn-teeder omarmend als jong paartje. Schatering en hittend gejoel joeg om ze heen, zwaarder bonsden lichamen áán tegen de twee harkige kerels, dat ze waggelden, en dobberden gierlollend.—Haej.… kanteloepp! je fiel droait.… snof’rjenne.… twee kerels.… krijschte Kol.—Kaik, die klebakkium kaike.… t’met skiet ie op je af.. hai is puur ’n vuile smakwammes!.… lachte ’n tuindersmeid, die met zweet-rood hoofd naar ’t agentje bukte, kanaljeus, ’m ’n ruk aan z’n baard gaf.—Nou aa’s j’r senie in hep ka je f’nacht in ’t koarte-huis maffe.… zong Wierelandsch stemgalm er doorheen van ’n meid die bukkend d’r kouseband toehalen wilde maar weer omgebotst werd door ieder paar dat ’r zag staan, kuit-naakt.Zoo, zangerig doorwarrelde stemme-gons, schel gelach en[90]schoffel-bonkend geraas, schal-scheurden felle trombone-dreun en hoornstooten uit van poepers, die half gekneusd en gebeuld op hoogtetje, achter groen hekje troonden, tusschen buffet en plee in. Op hun vaal-groene buizen, schemerden de rood-vuile epauletten, als bloedvlekken, verkleurd in stofstuifsel, dat opjoeg van zandgrond, lichtende hoozen, zacht weer neerpoeierend over gekromde speelruggen, en vervaagd rooiig, hun blazende walmkoppen bolden als barstend gespannen gas-ballonnetjes in oranjigen nevel-brand.De zweethoofd-meiden, in hun opgedirkte kleur-helsche japonnen en lijfjes, plomp-hevig en boersch-echt, met schitteroogen, die gilden van genot, zopen langzaam smakkend, opgedrongen tegen buffet aan, bier, groot glas, omkneld in bonkige goud-beringde werk-knuisten. Enkele koketteerden met armbandsiersels, omrammeld, kannibalerig-woest bepronkt, wild in haar en hals, getatoeëer van tulpenvurige doeken en strikken. Vóór ’t drinkstoetje van meiden duivelde heet gegons van wemelparen onder lichthoek, schroeide rossige walm, stinkdamp van zweetlijven en asemen. Dronken tronies van mannen en meisjes lachten al ààn in zuipgrijns; uit de wemel-stoeten dampten op, rooie wilde oogen van verhitte vrouw-koppen. In gestoot en geduw werd gillerig en jagender de pret. De mooiste meiden smakkelden en koketteerden in boerenwaan, stijf en plomp-rauw met wreed gebaar, damesnadoenerig-stijf. Bij hoeken gedrukt stonden paartjes, in knie-knikkenden stand, krachteloos te mondzuigen en zoen-lebberen. Op de banken plonsten groote groepen neer, dood-affe, hijgende, zweet-druipende paren, elkaar zoetig verliefd bewaaierend met zakdoeken, waaruit duf en vergoord goedkoope patjoulie-reukjes en vieze eau-de-kolognerige zeepstank opluwde. Telkens sprongen uit de hijg-moeë groepen uitgeruste meiden op, nog bleek-rood van inspanning en dansdrift, in woest en zang-gier met d’r jongens zich weer stortend, in den wemel-stroom van zwirrelende parenwarreling, en slingerkolk van bruisend rokkenwit. Al nauwer drong òp en stormden ààn, nieuw-ingezogenen bij ingang-deur. Geen plaats meer bleef om te bewegen. Heele troepjes omsloten[91]en ingeperst kleefden als aan elkaar, hobbelden rhytmisch op muziek-stooten, met lijven op één plek, zonder van plaats te kunnen wegbeenen. Soms spuide plots ’n beetje ruimte en dobberde menschenkluit wat van elkaar. Maar telkens weer botsten de lijven òpéén, trapten en stootten de meiden, pijnlijk-gespijkerd tusschen dierlijk-harkige omknelling van d’r dansende kerels.Maar andere meiden, vuriger, verhit van demonischen dans-wellust en lijfgeschuur, onkenbaar verwrongen d’r koppen onder walm-brand, waarop hartstocht rammeide en ingroefde donkere lusten om oogen en toegeknepen kwijl-monden,—opjagend en lokkend met enkel heesch woord d’r kerels, niet òmziend, als verstard, kijkend pàl in minnaarsoogen, wezenloos en bezwijmeld, warrelden dóór, tot plots ze weer stuitten op paren-kluit, die vast-gezogen deinde, in ordeloos gedrang; opsukkelde naar deur als buffelbende, stoer aangestormd éérst, plots als omkluisterd aan pooten. Dan klonterden weer de zweetkoppen bij-een, ontstrakten de zwijmelgezichten, kwam er geduw, gejouw en lach-schalm onder heetste, gemeenste jongens-meiden. Herrie-gejoel barstte los, om elken tuindersjongen van Duinkijk en Kerkervaart, die danste met meid van Wiereland. Dan ging gegrom rondom en beflodderden ze elkaar met scheldnamen, kwam er hanige haat, vuurrood kamgesidder van nijd en geweldige mondspuwingen van vloeken-donder. Tegen het hekje, waarachter de blazende roodgezwollen muzikant-koppen, sidderend als in goudgaas van opgewoeld stoflicht en oranje rook,omzwierd en verwaasd, op hun hoogtetje dromden, stond nauw opgeplet in damp en stuifsel, ’n troep blonde forsche meiden, bepaaiend, besussend, woede-kerels, met smak-zoenen en wangstrijkingen. Anne Donke en Griet Karsen twee knappe tuindersmeiden van de plaats, praatten fier, ongenaakbaar, met loodgieter Ruig en smid Wenke. Naast hen, in gedrang, hurkten op de banken ’n troep jochies van twaalf en veertien jaar, met bierglazen in de hand, stoeiend en opgejaagd door schorem bollekweekersknechten, en ’t stelletje dat lol had in de kloek-zuipende groot-doenerige kerel-kinders. Telkens propten ze zich den mond vol met pruimpies, spogen in ’t rond,[92]vloekten als grooten; be-gutsten de meiden met woordvuil, sprongen als apen, met glunderige licht-oogjes, loerend, dronken en verhit.Piet Hassel wou ruzie. Dat had ie met ’t stelletje afgesproken. Wat zou ’t; gevochten most d’r worden. En Piet was in lol maar begonnen met schijnherrie tegen ’n Duinkijker, dien ie heel goed kende. Dadelijk erin, hakten anderen die partij trokken. Lach-barstend drongen Piet en Duinkijker weg, de partijtrekkers tegen elkaar aan den gang ziend. Achterhoeksche haatdragendheid en stupiede kijfbotheid stond op dronken zwijmelkoppen uit te barsten. Loome wrok, die langzaam maar schrikkelijk opboorde uit gesmoorde gloeidriften. Grooter werd broeiing, rossig toortste walm rond, vergroenend de zinne-koppen in grauwig brandlicht. ’n Kerkvaarter en Wierelander waren vlak bijeen gedrongen, eigenlijk niet goed wetend wat ze van elkaar wouen. Een had partij voor Piet getrokken ’n ander voor den Duinkijker. Die twee nou zaten te gieren op bank bij de deur tegen de uithijgende meiden lollend, dat ze voor hùn beidjes op elkaar inhakken gingen. Wierelander krijschte rauw.—Bai jullie verdomme.… bai jullie op da gat.… da krot.. stong ommirs ’n bord.… en stong d’r’op.… hier hout ’t minsdom op.… da hai je t’met de beeste.…—Daa’s proat! loddermeroàkel.… nou.… ikke seg uit volle borst.… Duinkaik bóófe.… Wiereland ònder.…Bang gedreig van alle kanten. Rossige walmkoppen opdringend naar waggelkerel, die bleekig, met scheef vertrokken zenuwmond en drinkers-oogenlicht, doorzingen wou.… Duinkaik bóófe.—Hou je smoel.… boerekinkel, of ’k sel je ’n lik onder je koàkebeen gaife.…—Sakrejenne.… wie breng je mee?.… seg.… snof’rjenne! beskimmelde huspot.Plots hevig bonsden ruzie-stokers tegen elkaar op, door aanwarrelende dans-groep, die langs ze stoof, rondkolkte in stofwolken, gouïg oppoeierend midden in loods, verdween weer, in fantomige, sidderend rooïe walmsfeer, tusschen kankan van[93]meiden, met rokken hoog opgezwaaid in schuimwit. Maar Duinkijker drong achteruit, stompte met z’n armen, roeide op ruggen en schouers terug naar z’n plaats.—Kaik se stoan.… krek an ’n raitje.… aa’s aarepels in duin.… is da bier van sain?—Joa!.… van sain.… blaif d’r af mi je poote.… Kaik die varkessnuit.…Meiden, verhit door danszwijmel lachten en giegelden belust op vechtpartij.—Nou sel ’t puur uitsain, krijschte ’n Duinkijker midden in, of je hep ’n slag f’r je roap beet!.…—Bin’k self bai hée? venijnig-bleek giftte Wierelander terug, grauw-groen van drift.—Wa hê jai mi An van doene!.…—Sjeis an je An, krijschte ie rauwer, z’n bierglas in woesten kring rondzwaaiend, dat ’t schuim vlokte om ’m heen.. Gesist en opgehitst werd er: kss!.… kss!.…Bloedschijn lag wild en begeerig in dronken zwijmeloogen van kerels, en de meiden, verlekkerd, wouen beroering, wouen gekerm en gekreun van ondergelegden, gekneusden, gebeukten, melodramatisch opgevlamd en verschroeid van zinnendrift. Midden in, drong Piet met Rink den polderreus, door de stilstaande paren.… Hevig-rauw krijschte geluid van lijf-reus, daa se moste deurgoan.…—Seg krente-mik, snait de fint an rieme, sloa’m sain beene stuk.… en timmer sain mit de bloedige ende op s’n pet!.…—Bàrst jai.—Blaif jai heel!.… en meteen trok Rink z’n jas uit, om in z’n overhemd, meesliertend verkronkeld-oranjige halsdoek, nek-ontbloot, de eerste striemen weg te patsen, ’n Meid, blond in koniginne-statuur, slank en reuzig-forsch, was plots midden ingedrongen en uitrazend met tartende gebaren, duim onder kin woest wègstrijkend, gierde ze tegen Duinkijker kerel.…—Rooie!.… rooie!.… rooie!.… kaik ie tippele!.…. kaik ie tippele![94]—Laileke skarretje.… wa mo jai d’r vàn!—Kaik ie tippele.… so glad aa’s ’n flesch.…—Debies jai.… ik stink tog nie suur.… duufelstoejoàger!—Jai? an main jassie.… sie ie main van veure.… kaik nou doàr’.… En wild draaide furie om, met haar achterste hoog opwippend naar ’m toe, in dwazen hoonenden wellust-sprong.—Vuile kwieb!.…—Mô je se maid siene.… puur soo breed aa’s hai.… soo pot!.… soo pan!.… gierde ’n kleine furie.—Enn jai dan prop.… onder- en boofe-deurtje!.… mit je lange skele rot van ’n vraier.…—Debies, tartte de forsche meid weer, spitisger met ’r duim langs glimkin strijkend, in duivelend scherp gebaar, rooie tonglap er hoonend uitpuntend.—Dubbel-debies jai muurvarke!.… stoppelkat!.. gaif jai je kindere te vrete!.…Plots opgestookt door verstoorde bende die dansen wou, kwam goeiig politie-mannetje, verlegen aan z’n rossige bakkebaard aaiend, tusschen de ruzie-lijven staan.—Blaif jullie nou je fesoen houe.… toe nou.… kalm an.… kalm an.… jai die weg uit.… en jai die.—Zacht begon ie den polderreus te verduwen, die beenplakte, als ’n rots onwrikbaar, uitdagend, met z’n moker-armen tegen muzikantenhekje bombardeerend, dat de kerels trilden achter walmlicht. Rink’s groen-valsche oogen, lichtten als fosfor, donker-woest diep in z’n ruwen kop verdoken. Ruzie was geslabakt en wilde warrel joeg weer door de loods, die walm-zwaar pafte, in stofpoeier boven het geschetter, dat rood-sferig brandde. De koperen instrumenten van blazers flitsten in licht-glimsels.—Toortsig-helsch en satanisch, dreunden donkere monden van trombones, hun zwaarlijvige tonen den stankwalm in, dat wanden te barsten dreigden; fel boorden de hoorn-stooten als priemend geluid door de broeiing; schommelend gingen de lijven weer in rhytmisch gehobbel, in koorts van draai en tolling,[95]geilde de zwijmeldans weer door de loods, in rossigen rook, die meid-gezichten schroeide en oranjerig-rood begloeide in zwelling van bezweete huid.Piet zoende in ’n storm, tien meiden te gelijk, achter den arm van hun dansers, waarin ze omschroefd pletten, en met Rink achter ’m aan, wien hij iets in ’t oor schreeuwde, drong ie naar den uitgang.—Wie main lief hep, volgt main!.…’n Twintig kerels hadden ’t sein begrepen. Buiten, op de verwittende havenkaai zouen ze ruim-rustig kunnen zuipen. Zacht vlokte sneeuw neer, wemel-schimmig op zwak lichtend haventje. Vlak bij tuindersboot, die donkerde in watertje, met fel-groen ooglichtje half-mast, holden en slinger-lijzigden de kerels aan, donkere stoet in wittigen vlokwarrel, schuw, om lantaarn-paal, die rossig-goud hun tronies beschemerde tegen nacht-duister. Piet en Rink smakten zich in de sneeuw, plat op hun achterste, met beenen vooruit, en schimmig cirkelde heele stoet, neergesmakt op straat, schimmig en schaduw-vreemd, zwakkelijk verrood in den gouïgen vlokkenmist onder lantaarn-paallicht. Achter de zuipers verwitten stil, huizen en boomgestalten, karren en manden. Inééngekromde pakhuizenrij, waarop bàng-wild, rossige schijnselkring van kleine lantaarn, makabren donk’ren bronsgloed kaatste, school droef weg in diepe droomtonen àchter sneeuw-wemeling. En geheim-zacht in ’t rosse licht dáár, zweefden de vlokken voor de droeve vensterblinden en schemerluikjes.Piet had ’n groote kruik onder z’n jekker uitgehaald. Rink presenteerde ’n diendertje. Gretig ging rond nu in den kring mank glas en kruik, tot ’t onder beestig, koortsig-heet gekrijsch bij Piet weer terugkeerde. Kannibalig donkerde de hurkende zuipstoet, in den licht-schichtigen lantaarnkring en bang-groot slagschaduwden hun handen, koppen en lijven bij slingergebaren dooreen, in paarsdiepe silhouetten op rossigen, trillenden sneeuwgrond. Lallend zangden de heesche beest-stemmen. Even van kerels af, die in ’t vlok-schimmige als bedouïnen-stoet in sneeuw-nacht woelden,—kwam angst-gekijk[96]van Baanwijkbewoners soms, schuw op haventje loerend.En stil, ruischloos boven donker-rossige, woeste zuiptronies, omkaatst van schimmig straatwit, vlokte om lantaarnpaal heen, zacht sneeuwgeweef, kuisch, smetloos wonder van vlokkenschemer, zachte warreling vergouend in ros-vlam, ontroerende smelting van licht, heilig en stil, dichtwevend duisteren nacht rondom.Politie was gewaarschuwd. De burgervader, met ’n paar mannetjes kwamen aansjokken, vooruit voelend, dat ’t niet goed afloopen zou.Jeneverkruik was leeggezogen en de helft van stoet stond weer, waggel-zwaar, en nijdig vloekend op Piet en Rink dat ze niet eerlijk gedeeld hadden. Piet, met bloeddorstige natuur, voelde vechtjeuk, schold terug, aldoor één woord, liederlijk. Rink zag schuw den burgervader aanstappen. Verdoken achter den kring, gooiden ’n paar sneeuwballen, vuil-modderig, van ’n groentenkar uit, naar agenten. Piet lolde, rauw, mikte steenen pal op zwak-geligen blinkhelm van kleinsten agent onder schuw licht. De heele troep was plots van de straat-hurk opgesprongen.In wilden grabbel graaiden krampige handen over sneeuwgrond. ’t Regende ballen naar burgervader en agenten, zacht aanpaffend tegen hun kleeren. Bleek-streng bij ’t licht,—den stoet verjagend, die achteruitdrongen was,—draaide burgervader zich om, beval barsch agenten te staan. Even stemmen-gefluister tusschen hem en agentje. Sabeltrekkend in ’t schuwe licht, donkerde ’t mannetje met z’n klein gevolg, stijf, in versnelden pas op bende aan, die onder vijandig uitdagend vinger-gefluit en heet-lustig vechtgeschreeuw van Rink, zich achter karren en mandstapels bij ’n schuit verschanst hadden.Onder hagelstorm van moddersneeuwballen, was agentje den duisteren wallekant genaderd en luk-raak, in sneeuwgewemel, dat ruischloos donkere mondholte inzweefde, schreeuwde hij iets voor zich uit, onverstaanbaar terugslaand op gegier van dronken stoet. Toen kwamen, op fijn fluitsignaal van agent[97]uit z’n staf, onder lantaarn uit, twee nieuwe mannetjes aanzetten, sprongen wild uit den rossigen lichtkring met sabels de lucht invlijmend, maakten schijncharge om te laten voelen, dat ’t ernst kon worden.Uit de danszaal holden meiden, gillend in lawaai, en nieuwe kerels dromden áán, heet-nijdig op politie, drongen samen met vecht-stoet.—Hak’ker puur op in, krijschte een agent, die lust had te ranselen, dwars door de dronken bende. Weer volgde van klein troepje dienders, ’n schijncharge. Achter karren, die schuin opstonden, met kruk de lucht in, vluchtte weg, donker gestoet van meidentroep naar wallekant, in angsthaast over glibbervuile loopplank dringend, naar tuindersboot. Achter kisten en manden uit, striemden steenen, hout en groentenvuil zwarte streepen door sneeuw-wemel, die als in stormhoozen weer wegwarrelde in andere richtingen.Boven alle geweld uit krijschten de stemmen van Rink en Piet, dat sullie de kerels ’t water in mosten douwen. Plots trokken ze allen, met brok-scheppen, hooi- en mestvorken,—die ’n paar kerels uit afslagloods bij ’n pakhuis hadden losgewerkt uit den rommel,—op het viertallig agentenkringetje af, waar burgervader bleek-strak midden-in ordonneerde. De agentjes hadden de sabels ingehouen en de dronken stoet, in brullend gekrijsch en gefluit, drong weer, uit donkering van besneeuwde handkarren en kisten, in rossigen schemer van lantaarnlicht, midden op haventje, zwaaiend met scheppen, steekvorken, rijzenknuppels en boomstronken. Vooraan gilden dronken meidentronies, sommige woest-bleek beschenen, nat van sneeuw, met schuimige vlokken op neuzen, wenkbrauwen en oogranden. De burgervader, voelend dat ie te sterk had ingezet, schuchterde achteruit, wou ’t z’n klein agentje weer zoetjes laten bijleggen. Aarzeling was er, die de stoet voelde, want raker en striemender bonkten steenen, koolstruiken en hand-ingekneusde sneeuwballen in ’t kringetje, waarvan burgervader mikpunt werd. Klein agentje trad even weer uit den kring, vlak voor de donkere woelige bende, kerels die slagschaduwden[98]op lichtschuwen sneeuwgrond, als wemelende gedrochten uit chineesch schimmenspel.—Jonges, schreeuwde agentje met vredestichtend timbre in z’n stem,.… hou jullie je nou kalm.… wa geeft ’t nou!.. sukke herrie!.… goan jullie nou kalmpies uit mekoar!.…Woeling gierde er los uit den stoet, die nu weer vooruitstrompelend, in kring om alleene havenlantaarn duivelde, rossig, in wilde schijnsels.—Barst jai, gilde Rink uit, jullie benne begonne.… laileke dood-van-ganzebord.… jullie sa’k levent f’rbrande.… aa’s we je nie mosse fille.…—Kalm nou, kalm àn, deemoedigde agentje, z’n sabel weer in de schee neerpuntend.—Kalm, kalm, m’neer salm-salm, zang-gierde Piet.… komp bai de huur t’regt.… nou kort en goed, duufelstoejoager.… aa’s jai.… mi je k’rnuite.… aa’s jai nie ofer-dwars te woater mòt, ruk dan in.… mars!!Schatering daverde òp uit den troep, meiden liepen gil-lawaaiend weer terug over loopplank. Donker gegons van áánpaffende sneeuwballen, verschimmend in kruisworpen naar agenten-kringetje, dat stil nu afweerde, bàng voor ergere opwinding.—Doe jullie je latjes weg, krijschte éen uit den stoet.—Verdomd aa’s de duufel jullie sette ken, verdomd,.… vloekte moedig klein agentje,—goan jullie nou deur.… mot ’r nou geranseld worde.—Joà joa! krijschten meiden.… kok-kok-kok!.… kok-kok-kok!.… moeder weer ’n eai!.…—Op jullie bakkesse!.… die skar van ’n burgerfoader mô te woater.… galmden anderen weer.—Smait sain onder de kar, breek se de strot, gierde Rink uit den stoet.Een jolige meid duivelde plots vóór agentje, gaf ’m ’n ruk aan z’n baard, haastig in den donkeren stoet weer wegspringend, die al meer kwam aandreigen met zwarte harken, vorken en zware gereedschapbrokken.[99]Rink zwaaide met ’n ijzeren moker, maar agent je was ’t minst bang voor hèm. Vlak bij ’m ging ie staan.—Wees jai nou verstandig Rink, vleide agentje, zeg jai an Hassel nou, da se goan motte.… jai ben tog de boas hier.…—Nee, huil-woedde Piet, die ’t half gehoord had,—doe jai die spitsboef doàr de boeie àn.… geef sain ’t kettinkie in z’n klauwe.Rink, dronken-duizelig, half wetend wat ie zei, was gevleid door agentje.—F’rjakkerjenne, spoog ie uit.… hou jai je bek:.… ikke bin boas hier.… ikke!.…Zwaar zwaai-suizelde moker boven z’n schemer-rossigen dreigkop; z’n lippen sputterden schuim en voort brulde ie, doffe klanken onder zwaarder geslinger van schamp-lichtenden hamer. Plots greep ie de vork van ’n meid voor ’m, sloeg de punten woest tegen z’n moker in, boven z’n kop, dat stàlen tanden, lichtflitsend, vonkten tegen ijzer.…—Weg d’r mee!.… de maa’n het glaik.… snurkers!.…En weer slingerde ie de mestvork woest tegen den stoet in..—Fort jullie.… ’t skeelt t’met nies.… nies.… of wullie gonge de bak in.…Allo jonges.… wai saine waiser.… loate wai de vuilike links legge.… links legge.… wai.… wài.… binne vuilike.… wài.… sài binne ’t.… sài.…—Agentje klopte ’m gemoedelijk tegen z’n rug.—Flink soo Rink.… soo is ’t.… goan jullie d’r moar van deur.Maar Piet wou niet, bleef halstarrig, schold Rink uit voor ’n verrajer, ’n kabboebelaap!.…—Jai transvoalsche seemeeuw, stinkbunsum!.… jai.… Engilsche boef!.…—Hou jai je bek.… ik seg moar.… ik seg moar, waggelde Rink er uit, stomdronken, donkerhoog boven den stoet uitschouderend,—ik seg moar.… da je.. da je te veul neusiesverf hàt hep.… jài bin dronke.… f’rdomd!.… dronke!..De vrouwen wouen niet langer staan in kou en nattigheid.[100]Telkens scheurde zich ’n groepje af van den stoet, dat lollend en zingend, onder vermaning van agenten, de haven langsslingerde, onder boomen door; soms afbrokkelde, dàn weer arm-in-arm haakte, als donkere schutters in rijen, opmarcheerend naar hoek van achterhaven, tegen schuwen pakhuizenschemer in, den polderweg op. En achter hen áán, kreupelden al meer schamele hinkstoetjes, scharminkels in duister bewustzijn, verkoortst van karnavalshitte, onmenschelijk en ramp-zwaar geslagen, havenweg áfslingerend; landloopersellende, verspokend in langzamen schaduwtocht tegen oneindig donker-schimmige gat van besneeuwde-wei-poldernacht.Piet alleen, bleef doorrazen, met nog ’n stoet je waggel-kerels, om lantaarn-paal heen. Rink drensde mee, Piet zeurde tong-zwaar met hoog-piependen stem-overslag.—Sien je.… sien je.… jai!.… jai!.… jai-bint ’n fârrike.… sel ’k moar segge.… moar ik seg.… ik seg.… fierkant wa je bin.…—Nou.… en ikke, treurstemde terug Rink, ik seg.… ikke.… ik seg.… da jài ’n boef.… ’n boef.… ’n Sjemperlan bin.… ’n skar.… sien je!.… moar.… i i i i ikke.. ikke.… ikke.… ikke seg-’t.… i-i-i-in je smoel.… sien je.. sien je.… e’e eerlik!.…—Jeaijsis.… jeaijsis!.… daa’s net.…, lolde Piet vroolijk.… Ikke.… i i i kke.… i i i n.… ’n ploert.… sien je.. é é énne.… enn jai.… jai.… ’n boef.…, nie.… ?.. nie?… daa’s eerlik.… geef màin nou.… nou ’n poot kameroat!.… daa’s net.… jai ’n.… boef!.… é é é.… é é é.. enne.… ikke.… ikke.… ’n Sjamperlan!.…En roerend innig, verrast en verzoend, tegen elkaar opwaggelend, met kwijl van lach-pret om hun monden, tast-zochten ze naar lantaarnpaal voor houvast, in been-waggelend geduizel; grijnsden hun rossige tronies, lachend onder het licht, probeerden ze elkaars handen te grijpen. Piet met z’n mouw, poogde zwaar gevlok van z’n sneeuwgezicht en brauwen weg te strijken. Laatste troepje, waggel-breed, slingerde den polderkant op, den spoorweg òver. Rink alleen achteraan, waggelde[101]een zijweg van polderpad langs, langzaam, in hevig geslinger, angstig-rakelings langs slootkant.Stilte was nu geweven.… Van ver klonk telkens áán, melancholiek gegalm van Rink’s zangstem over doodstille wei, oneindig in vlokkendans verschemerd. Droef klonk dóór, zwaar-klagelijk en dronkemansteeder z’n lied:Ik bin moar.… ’n swainke.… allain stoan ’k hieeeer!Allain op de weijrelt.… mi-sonder pelsieeer.…Piet, alleen sprekend bij lantaarnpaal, was ingezakt, wroette op de straat in ’t slijknat, kon zich niet meer op z’n beenen hijschen. Zachte redenaties hield ie tegen de steenen, met z’n gezicht in den sneeuwmodder.Eindelijk kwam erbarming; werd weggedragen z’n stinkend lijf door twee agenten met kleintje aan ’t hoofd.Stil nu lag haventje weer, in rossigen schemer, doodstil. Onder allééne lantaarn vlokte gesneeuw, vergouend in gasvlam, en schepen, verwitten hoog tegen spokigen spoordijk op, waarachter schimmig deinde, sneeuw-schemer van polderende wei-zee.[102]

[Inhoud]V.Piet Hassel, sterke oproerige Wierelander, was kroeg in, kroeg uit geloopen op de haven, waar wit-schimmig de spoordijk weg te donkeren lag, achter het breeë watertje en vèr, ver, nevelig-blank van alom polderland, waarin fantomig reservoirs van gasfabriekje opdoemden.—Groote molen rechts, naar ’t[87]station, omkneld van donkere huisjesgroep, vaagde sneeuw-schimmig in duistere lucht, melancholiek over verren polder starend, den versneeuwenden bleeken nacht in.Piet had z’n vrienden opgevischt in een kroeg bij Schildert. Hendrik Gelder, de Haas bijgenaamd, Jan Sik, Kees Slooter, Kol en nog wat arme ploeter-schooiers, woelige, jolige losse tuinders en bloemistknechten met ’n paar sigarenmakers. Naast hen schuchterde bescheiden, ’n half-heerig klerk je van de fabriek van ingelegde groenten, ’n Wierelandsch burgertje, dat zich ’t liefst bij plebsche arme, schooiende herrieschoppers opdrong. Ieder in Wiereland kende ’t zuipende stelletje, als gevaarlijke vechtersbazen, nakende zwoegers en sjouwers, die in dronk-zwijmel opspogen tegen alles, allereerst tegen elkaar ruzieden omdat Kol en Slooter, katholiek, Sik en Gelder, protestanten, in hun hitte-buien, elkaar moèsten afrossen. Want verborgen ingetoomden, plòts soms uitziedenden schroei-haat sintelde en giftte er altijd tusschen bevolking, katholiek en protestant. Onder alle standen dàt gebruis, al wilde niemand ’t weten, omdat, gelijk verdeeld in aantal, men elkaar te veel noodig had. Maar soms barstten de belhamels los en helleveegden rond, braakten langgesmoorde driften uit van twee kanten. Nuchter, kon ’t Wierelandsche stelletje elkaar wel luchten. Iederen avond, in den naakten wintertijd, broeiden ze vast bijeen, in ’n kroeg. Eerste avondwerk was jacht op meiden, achter, op de stikdonkere kronkel-weggetjes, tusschen tuinderij en wandelpaden. Wellust-jacht van buurtmenschen waar geen simpel landelijke vrijage òp kon leven, of doodgetrapt werd ze, door rauwe spot en krijsch van verdierlijkte massa. Gewissel van meiden en jongens was overal. Leefdrang en passie werd genomen of betaald.Na meidenjacht, gloeirig en wild, weer terug honkten ze in kroeg, om ronde tafels in kaartspel-gegier. Zoo, elken avond had schooierigste tuindersgroep hier samenkomst, kwam werkvolk van Wiereland, onder heet-ingehijsch van brandvocht bijéén, verzoende zich tijdelijk haat van katholiek, protestant en jood. Dààr, in dompige, donkere kroeg-holen waar geur van jenever zoetig-helsch doorheen schroeide, werd gezopen, uit[88]wellust, uit hartstocht, om ploeterramp van komenden zomer te vergeten, om zorgen te zien vernevelen achter rooiig lichtende blijheid, glanzende dronken-oogen-kijk, om werkpijn te stillen, te dempen, met iets, dat warm-gloeiend inbeet, in hun brandend lijf. Zoo werd gezopen in Wiereland als nergens in andere streken, vloeide er één hittestroom van drank, dampend vocht; dromde er altijd gewriemel van schreeuwende, woedende, melancholiek-geslagene of komisch-beschonkene kerels; kerels, die vrouwen en kinderen lieten krepeeren van honger in winternaakte. Zoo ging laatste duit in hevige zuipkoorts en driftigen gok, naar vettige, joviale, buldoggige kasteleins, die meerookten pijpen, pijpen vol zware tabak, en gemoedelijk rondsloften, op hun gekleurde toffels, tusschen hun spuw-bakjes met zand, volgeklodderd van vuil.Dien avond ging het vriendenstelletje kroeg in, kroeg uit. Burgervader had permissie gegeven, dat herbergen en danszalen later mochten openblijven. Zoo trokken de kerels heen en weer op ’t schemerend havent je, dat stil lag schichtig, onder sneeuwgeschemer, en zware donkering van masten en booten in watertje, somber-groot opschaduwend tegen spoordijk. Uit de danszalen golfde bij vlagen, onder deur-opengesmak, rumoer, dat zacht verdempte in sneeuwgrond; galmden doffig, in tierend gewar, koperen muziekscheuren en zangstemmen.In lange smalle loodsen wriemelden opgepakt de dans-brandende Wierelanders. Opgejaagd, in gloeiende schroeiing, kookte ’t licht, ’t avondlicht, uitkoperend fel in brons-hevige vloeiing, van balken en wandbrokken neer. Lang uitgereept leegden zwart-bemorste banken, waarop vermoeide paren zweetig uitdampten, droef-schroeiend omneveld in rook, rossig walmgewolk. Stik-benauwing en heete adems persten zwoel-zwaar, door de lage smalle lolzaal. Wierelandsch zwoeg en plebs, zweetende meiden, rood en grauw van dans-hartstocht, kerels en jochies joegen in stormdwarrel op heesch, opjagend muziekgetoeter door de loods; joegen en tol-dwarrelden, dat kwijl langs hun[89]monden liep, de wijven met opwaaiend rok-gefladder en giftige beensliertingen.Drie danszalen was Piet Hassel met z’n vriendenstel al ingestormd, maar teruggedrongen werd ie overal, door kleurig-helsche warreling van donker-verlichte paren, die telkens plompiger aandromden van hout-kaal buffet naar ingang-deur. Eindelijk was Piet met de anderen in grootste danszaal meegezogen met afdeinende dansgroep. Achter ’n dikstrakken kop van ’n rossig zwaar bebakkebaard agentje bleef ie staan, ingekneld van lol-lachers, achter z’n rug, klown-dolle grimassen makend. Toen omzag agent, gooide Piet zich wild met de anderen in helschen kleurkolk van dansende paren, meiden die vlammen ketsten van hun blouzes, rokken en befonkelden haarpronk. Plots voelde Piet zich in-gebonsd, omkneld van allen kant. Wegwemelend rok-gezweef en geruisch van meiden joeg in zinlijke vlucht-geur en plooi-ruzie voorbij. Harkig sleurden de kerels mee in stronkige armenknel. Vriendenstelletje was uitelkaar getrokken. Alleen Gelder zag Piet naast zich, midden in ’t dans-gewemel, die niet af kon zien van het witte onderrok-gefladder, dat telkens vèr onder opgeschorte rokken uitzinlijkte. Plots greep Piet, Gelder vast, begonnen ze stijf-komieke stappen rond zich te trappen, telkens opbotsend en wankelend, zich schijn-teeder omarmend als jong paartje. Schatering en hittend gejoel joeg om ze heen, zwaarder bonsden lichamen áán tegen de twee harkige kerels, dat ze waggelden, en dobberden gierlollend.—Haej.… kanteloepp! je fiel droait.… snof’rjenne.… twee kerels.… krijschte Kol.—Kaik, die klebakkium kaike.… t’met skiet ie op je af.. hai is puur ’n vuile smakwammes!.… lachte ’n tuindersmeid, die met zweet-rood hoofd naar ’t agentje bukte, kanaljeus, ’m ’n ruk aan z’n baard gaf.—Nou aa’s j’r senie in hep ka je f’nacht in ’t koarte-huis maffe.… zong Wierelandsch stemgalm er doorheen van ’n meid die bukkend d’r kouseband toehalen wilde maar weer omgebotst werd door ieder paar dat ’r zag staan, kuit-naakt.Zoo, zangerig doorwarrelde stemme-gons, schel gelach en[90]schoffel-bonkend geraas, schal-scheurden felle trombone-dreun en hoornstooten uit van poepers, die half gekneusd en gebeuld op hoogtetje, achter groen hekje troonden, tusschen buffet en plee in. Op hun vaal-groene buizen, schemerden de rood-vuile epauletten, als bloedvlekken, verkleurd in stofstuifsel, dat opjoeg van zandgrond, lichtende hoozen, zacht weer neerpoeierend over gekromde speelruggen, en vervaagd rooiig, hun blazende walmkoppen bolden als barstend gespannen gas-ballonnetjes in oranjigen nevel-brand.De zweethoofd-meiden, in hun opgedirkte kleur-helsche japonnen en lijfjes, plomp-hevig en boersch-echt, met schitteroogen, die gilden van genot, zopen langzaam smakkend, opgedrongen tegen buffet aan, bier, groot glas, omkneld in bonkige goud-beringde werk-knuisten. Enkele koketteerden met armbandsiersels, omrammeld, kannibalerig-woest bepronkt, wild in haar en hals, getatoeëer van tulpenvurige doeken en strikken. Vóór ’t drinkstoetje van meiden duivelde heet gegons van wemelparen onder lichthoek, schroeide rossige walm, stinkdamp van zweetlijven en asemen. Dronken tronies van mannen en meisjes lachten al ààn in zuipgrijns; uit de wemel-stoeten dampten op, rooie wilde oogen van verhitte vrouw-koppen. In gestoot en geduw werd gillerig en jagender de pret. De mooiste meiden smakkelden en koketteerden in boerenwaan, stijf en plomp-rauw met wreed gebaar, damesnadoenerig-stijf. Bij hoeken gedrukt stonden paartjes, in knie-knikkenden stand, krachteloos te mondzuigen en zoen-lebberen. Op de banken plonsten groote groepen neer, dood-affe, hijgende, zweet-druipende paren, elkaar zoetig verliefd bewaaierend met zakdoeken, waaruit duf en vergoord goedkoope patjoulie-reukjes en vieze eau-de-kolognerige zeepstank opluwde. Telkens sprongen uit de hijg-moeë groepen uitgeruste meiden op, nog bleek-rood van inspanning en dansdrift, in woest en zang-gier met d’r jongens zich weer stortend, in den wemel-stroom van zwirrelende parenwarreling, en slingerkolk van bruisend rokkenwit. Al nauwer drong òp en stormden ààn, nieuw-ingezogenen bij ingang-deur. Geen plaats meer bleef om te bewegen. Heele troepjes omsloten[91]en ingeperst kleefden als aan elkaar, hobbelden rhytmisch op muziek-stooten, met lijven op één plek, zonder van plaats te kunnen wegbeenen. Soms spuide plots ’n beetje ruimte en dobberde menschenkluit wat van elkaar. Maar telkens weer botsten de lijven òpéén, trapten en stootten de meiden, pijnlijk-gespijkerd tusschen dierlijk-harkige omknelling van d’r dansende kerels.Maar andere meiden, vuriger, verhit van demonischen dans-wellust en lijfgeschuur, onkenbaar verwrongen d’r koppen onder walm-brand, waarop hartstocht rammeide en ingroefde donkere lusten om oogen en toegeknepen kwijl-monden,—opjagend en lokkend met enkel heesch woord d’r kerels, niet òmziend, als verstard, kijkend pàl in minnaarsoogen, wezenloos en bezwijmeld, warrelden dóór, tot plots ze weer stuitten op paren-kluit, die vast-gezogen deinde, in ordeloos gedrang; opsukkelde naar deur als buffelbende, stoer aangestormd éérst, plots als omkluisterd aan pooten. Dan klonterden weer de zweetkoppen bij-een, ontstrakten de zwijmelgezichten, kwam er geduw, gejouw en lach-schalm onder heetste, gemeenste jongens-meiden. Herrie-gejoel barstte los, om elken tuindersjongen van Duinkijk en Kerkervaart, die danste met meid van Wiereland. Dan ging gegrom rondom en beflodderden ze elkaar met scheldnamen, kwam er hanige haat, vuurrood kamgesidder van nijd en geweldige mondspuwingen van vloeken-donder. Tegen het hekje, waarachter de blazende roodgezwollen muzikant-koppen, sidderend als in goudgaas van opgewoeld stoflicht en oranje rook,omzwierd en verwaasd, op hun hoogtetje dromden, stond nauw opgeplet in damp en stuifsel, ’n troep blonde forsche meiden, bepaaiend, besussend, woede-kerels, met smak-zoenen en wangstrijkingen. Anne Donke en Griet Karsen twee knappe tuindersmeiden van de plaats, praatten fier, ongenaakbaar, met loodgieter Ruig en smid Wenke. Naast hen, in gedrang, hurkten op de banken ’n troep jochies van twaalf en veertien jaar, met bierglazen in de hand, stoeiend en opgejaagd door schorem bollekweekersknechten, en ’t stelletje dat lol had in de kloek-zuipende groot-doenerige kerel-kinders. Telkens propten ze zich den mond vol met pruimpies, spogen in ’t rond,[92]vloekten als grooten; be-gutsten de meiden met woordvuil, sprongen als apen, met glunderige licht-oogjes, loerend, dronken en verhit.Piet Hassel wou ruzie. Dat had ie met ’t stelletje afgesproken. Wat zou ’t; gevochten most d’r worden. En Piet was in lol maar begonnen met schijnherrie tegen ’n Duinkijker, dien ie heel goed kende. Dadelijk erin, hakten anderen die partij trokken. Lach-barstend drongen Piet en Duinkijker weg, de partijtrekkers tegen elkaar aan den gang ziend. Achterhoeksche haatdragendheid en stupiede kijfbotheid stond op dronken zwijmelkoppen uit te barsten. Loome wrok, die langzaam maar schrikkelijk opboorde uit gesmoorde gloeidriften. Grooter werd broeiing, rossig toortste walm rond, vergroenend de zinne-koppen in grauwig brandlicht. ’n Kerkvaarter en Wierelander waren vlak bijeen gedrongen, eigenlijk niet goed wetend wat ze van elkaar wouen. Een had partij voor Piet getrokken ’n ander voor den Duinkijker. Die twee nou zaten te gieren op bank bij de deur tegen de uithijgende meiden lollend, dat ze voor hùn beidjes op elkaar inhakken gingen. Wierelander krijschte rauw.—Bai jullie verdomme.… bai jullie op da gat.… da krot.. stong ommirs ’n bord.… en stong d’r’op.… hier hout ’t minsdom op.… da hai je t’met de beeste.…—Daa’s proat! loddermeroàkel.… nou.… ikke seg uit volle borst.… Duinkaik bóófe.… Wiereland ònder.…Bang gedreig van alle kanten. Rossige walmkoppen opdringend naar waggelkerel, die bleekig, met scheef vertrokken zenuwmond en drinkers-oogenlicht, doorzingen wou.… Duinkaik bóófe.—Hou je smoel.… boerekinkel, of ’k sel je ’n lik onder je koàkebeen gaife.…—Sakrejenne.… wie breng je mee?.… seg.… snof’rjenne! beskimmelde huspot.Plots hevig bonsden ruzie-stokers tegen elkaar op, door aanwarrelende dans-groep, die langs ze stoof, rondkolkte in stofwolken, gouïg oppoeierend midden in loods, verdween weer, in fantomige, sidderend rooïe walmsfeer, tusschen kankan van[93]meiden, met rokken hoog opgezwaaid in schuimwit. Maar Duinkijker drong achteruit, stompte met z’n armen, roeide op ruggen en schouers terug naar z’n plaats.—Kaik se stoan.… krek an ’n raitje.… aa’s aarepels in duin.… is da bier van sain?—Joa!.… van sain.… blaif d’r af mi je poote.… Kaik die varkessnuit.…Meiden, verhit door danszwijmel lachten en giegelden belust op vechtpartij.—Nou sel ’t puur uitsain, krijschte ’n Duinkijker midden in, of je hep ’n slag f’r je roap beet!.…—Bin’k self bai hée? venijnig-bleek giftte Wierelander terug, grauw-groen van drift.—Wa hê jai mi An van doene!.…—Sjeis an je An, krijschte ie rauwer, z’n bierglas in woesten kring rondzwaaiend, dat ’t schuim vlokte om ’m heen.. Gesist en opgehitst werd er: kss!.… kss!.…Bloedschijn lag wild en begeerig in dronken zwijmeloogen van kerels, en de meiden, verlekkerd, wouen beroering, wouen gekerm en gekreun van ondergelegden, gekneusden, gebeukten, melodramatisch opgevlamd en verschroeid van zinnendrift. Midden in, drong Piet met Rink den polderreus, door de stilstaande paren.… Hevig-rauw krijschte geluid van lijf-reus, daa se moste deurgoan.…—Seg krente-mik, snait de fint an rieme, sloa’m sain beene stuk.… en timmer sain mit de bloedige ende op s’n pet!.…—Bàrst jai.—Blaif jai heel!.… en meteen trok Rink z’n jas uit, om in z’n overhemd, meesliertend verkronkeld-oranjige halsdoek, nek-ontbloot, de eerste striemen weg te patsen, ’n Meid, blond in koniginne-statuur, slank en reuzig-forsch, was plots midden ingedrongen en uitrazend met tartende gebaren, duim onder kin woest wègstrijkend, gierde ze tegen Duinkijker kerel.…—Rooie!.… rooie!.… rooie!.… kaik ie tippele!.…. kaik ie tippele![94]—Laileke skarretje.… wa mo jai d’r vàn!—Kaik ie tippele.… so glad aa’s ’n flesch.…—Debies jai.… ik stink tog nie suur.… duufelstoejoàger!—Jai? an main jassie.… sie ie main van veure.… kaik nou doàr’.… En wild draaide furie om, met haar achterste hoog opwippend naar ’m toe, in dwazen hoonenden wellust-sprong.—Vuile kwieb!.…—Mô je se maid siene.… puur soo breed aa’s hai.… soo pot!.… soo pan!.… gierde ’n kleine furie.—Enn jai dan prop.… onder- en boofe-deurtje!.… mit je lange skele rot van ’n vraier.…—Debies, tartte de forsche meid weer, spitisger met ’r duim langs glimkin strijkend, in duivelend scherp gebaar, rooie tonglap er hoonend uitpuntend.—Dubbel-debies jai muurvarke!.… stoppelkat!.. gaif jai je kindere te vrete!.…Plots opgestookt door verstoorde bende die dansen wou, kwam goeiig politie-mannetje, verlegen aan z’n rossige bakkebaard aaiend, tusschen de ruzie-lijven staan.—Blaif jullie nou je fesoen houe.… toe nou.… kalm an.… kalm an.… jai die weg uit.… en jai die.—Zacht begon ie den polderreus te verduwen, die beenplakte, als ’n rots onwrikbaar, uitdagend, met z’n moker-armen tegen muzikantenhekje bombardeerend, dat de kerels trilden achter walmlicht. Rink’s groen-valsche oogen, lichtten als fosfor, donker-woest diep in z’n ruwen kop verdoken. Ruzie was geslabakt en wilde warrel joeg weer door de loods, die walm-zwaar pafte, in stofpoeier boven het geschetter, dat rood-sferig brandde. De koperen instrumenten van blazers flitsten in licht-glimsels.—Toortsig-helsch en satanisch, dreunden donkere monden van trombones, hun zwaarlijvige tonen den stankwalm in, dat wanden te barsten dreigden; fel boorden de hoorn-stooten als priemend geluid door de broeiing; schommelend gingen de lijven weer in rhytmisch gehobbel, in koorts van draai en tolling,[95]geilde de zwijmeldans weer door de loods, in rossigen rook, die meid-gezichten schroeide en oranjerig-rood begloeide in zwelling van bezweete huid.Piet zoende in ’n storm, tien meiden te gelijk, achter den arm van hun dansers, waarin ze omschroefd pletten, en met Rink achter ’m aan, wien hij iets in ’t oor schreeuwde, drong ie naar den uitgang.—Wie main lief hep, volgt main!.…’n Twintig kerels hadden ’t sein begrepen. Buiten, op de verwittende havenkaai zouen ze ruim-rustig kunnen zuipen. Zacht vlokte sneeuw neer, wemel-schimmig op zwak lichtend haventje. Vlak bij tuindersboot, die donkerde in watertje, met fel-groen ooglichtje half-mast, holden en slinger-lijzigden de kerels aan, donkere stoet in wittigen vlokwarrel, schuw, om lantaarn-paal, die rossig-goud hun tronies beschemerde tegen nacht-duister. Piet en Rink smakten zich in de sneeuw, plat op hun achterste, met beenen vooruit, en schimmig cirkelde heele stoet, neergesmakt op straat, schimmig en schaduw-vreemd, zwakkelijk verrood in den gouïgen vlokkenmist onder lantaarn-paallicht. Achter de zuipers verwitten stil, huizen en boomgestalten, karren en manden. Inééngekromde pakhuizenrij, waarop bàng-wild, rossige schijnselkring van kleine lantaarn, makabren donk’ren bronsgloed kaatste, school droef weg in diepe droomtonen àchter sneeuw-wemeling. En geheim-zacht in ’t rosse licht dáár, zweefden de vlokken voor de droeve vensterblinden en schemerluikjes.Piet had ’n groote kruik onder z’n jekker uitgehaald. Rink presenteerde ’n diendertje. Gretig ging rond nu in den kring mank glas en kruik, tot ’t onder beestig, koortsig-heet gekrijsch bij Piet weer terugkeerde. Kannibalig donkerde de hurkende zuipstoet, in den licht-schichtigen lantaarnkring en bang-groot slagschaduwden hun handen, koppen en lijven bij slingergebaren dooreen, in paarsdiepe silhouetten op rossigen, trillenden sneeuwgrond. Lallend zangden de heesche beest-stemmen. Even van kerels af, die in ’t vlok-schimmige als bedouïnen-stoet in sneeuw-nacht woelden,—kwam angst-gekijk[96]van Baanwijkbewoners soms, schuw op haventje loerend.En stil, ruischloos boven donker-rossige, woeste zuiptronies, omkaatst van schimmig straatwit, vlokte om lantaarnpaal heen, zacht sneeuwgeweef, kuisch, smetloos wonder van vlokkenschemer, zachte warreling vergouend in ros-vlam, ontroerende smelting van licht, heilig en stil, dichtwevend duisteren nacht rondom.Politie was gewaarschuwd. De burgervader, met ’n paar mannetjes kwamen aansjokken, vooruit voelend, dat ’t niet goed afloopen zou.Jeneverkruik was leeggezogen en de helft van stoet stond weer, waggel-zwaar, en nijdig vloekend op Piet en Rink dat ze niet eerlijk gedeeld hadden. Piet, met bloeddorstige natuur, voelde vechtjeuk, schold terug, aldoor één woord, liederlijk. Rink zag schuw den burgervader aanstappen. Verdoken achter den kring, gooiden ’n paar sneeuwballen, vuil-modderig, van ’n groentenkar uit, naar agenten. Piet lolde, rauw, mikte steenen pal op zwak-geligen blinkhelm van kleinsten agent onder schuw licht. De heele troep was plots van de straat-hurk opgesprongen.In wilden grabbel graaiden krampige handen over sneeuwgrond. ’t Regende ballen naar burgervader en agenten, zacht aanpaffend tegen hun kleeren. Bleek-streng bij ’t licht,—den stoet verjagend, die achteruitdrongen was,—draaide burgervader zich om, beval barsch agenten te staan. Even stemmen-gefluister tusschen hem en agentje. Sabeltrekkend in ’t schuwe licht, donkerde ’t mannetje met z’n klein gevolg, stijf, in versnelden pas op bende aan, die onder vijandig uitdagend vinger-gefluit en heet-lustig vechtgeschreeuw van Rink, zich achter karren en mandstapels bij ’n schuit verschanst hadden.Onder hagelstorm van moddersneeuwballen, was agentje den duisteren wallekant genaderd en luk-raak, in sneeuwgewemel, dat ruischloos donkere mondholte inzweefde, schreeuwde hij iets voor zich uit, onverstaanbaar terugslaand op gegier van dronken stoet. Toen kwamen, op fijn fluitsignaal van agent[97]uit z’n staf, onder lantaarn uit, twee nieuwe mannetjes aanzetten, sprongen wild uit den rossigen lichtkring met sabels de lucht invlijmend, maakten schijncharge om te laten voelen, dat ’t ernst kon worden.Uit de danszaal holden meiden, gillend in lawaai, en nieuwe kerels dromden áán, heet-nijdig op politie, drongen samen met vecht-stoet.—Hak’ker puur op in, krijschte een agent, die lust had te ranselen, dwars door de dronken bende. Weer volgde van klein troepje dienders, ’n schijncharge. Achter karren, die schuin opstonden, met kruk de lucht in, vluchtte weg, donker gestoet van meidentroep naar wallekant, in angsthaast over glibbervuile loopplank dringend, naar tuindersboot. Achter kisten en manden uit, striemden steenen, hout en groentenvuil zwarte streepen door sneeuw-wemel, die als in stormhoozen weer wegwarrelde in andere richtingen.Boven alle geweld uit krijschten de stemmen van Rink en Piet, dat sullie de kerels ’t water in mosten douwen. Plots trokken ze allen, met brok-scheppen, hooi- en mestvorken,—die ’n paar kerels uit afslagloods bij ’n pakhuis hadden losgewerkt uit den rommel,—op het viertallig agentenkringetje af, waar burgervader bleek-strak midden-in ordonneerde. De agentjes hadden de sabels ingehouen en de dronken stoet, in brullend gekrijsch en gefluit, drong weer, uit donkering van besneeuwde handkarren en kisten, in rossigen schemer van lantaarnlicht, midden op haventje, zwaaiend met scheppen, steekvorken, rijzenknuppels en boomstronken. Vooraan gilden dronken meidentronies, sommige woest-bleek beschenen, nat van sneeuw, met schuimige vlokken op neuzen, wenkbrauwen en oogranden. De burgervader, voelend dat ie te sterk had ingezet, schuchterde achteruit, wou ’t z’n klein agentje weer zoetjes laten bijleggen. Aarzeling was er, die de stoet voelde, want raker en striemender bonkten steenen, koolstruiken en hand-ingekneusde sneeuwballen in ’t kringetje, waarvan burgervader mikpunt werd. Klein agentje trad even weer uit den kring, vlak voor de donkere woelige bende, kerels die slagschaduwden[98]op lichtschuwen sneeuwgrond, als wemelende gedrochten uit chineesch schimmenspel.—Jonges, schreeuwde agentje met vredestichtend timbre in z’n stem,.… hou jullie je nou kalm.… wa geeft ’t nou!.. sukke herrie!.… goan jullie nou kalmpies uit mekoar!.…Woeling gierde er los uit den stoet, die nu weer vooruitstrompelend, in kring om alleene havenlantaarn duivelde, rossig, in wilde schijnsels.—Barst jai, gilde Rink uit, jullie benne begonne.… laileke dood-van-ganzebord.… jullie sa’k levent f’rbrande.… aa’s we je nie mosse fille.…—Kalm nou, kalm àn, deemoedigde agentje, z’n sabel weer in de schee neerpuntend.—Kalm, kalm, m’neer salm-salm, zang-gierde Piet.… komp bai de huur t’regt.… nou kort en goed, duufelstoejoager.… aa’s jai.… mi je k’rnuite.… aa’s jai nie ofer-dwars te woater mòt, ruk dan in.… mars!!Schatering daverde òp uit den troep, meiden liepen gil-lawaaiend weer terug over loopplank. Donker gegons van áánpaffende sneeuwballen, verschimmend in kruisworpen naar agenten-kringetje, dat stil nu afweerde, bàng voor ergere opwinding.—Doe jullie je latjes weg, krijschte éen uit den stoet.—Verdomd aa’s de duufel jullie sette ken, verdomd,.… vloekte moedig klein agentje,—goan jullie nou deur.… mot ’r nou geranseld worde.—Joà joa! krijschten meiden.… kok-kok-kok!.… kok-kok-kok!.… moeder weer ’n eai!.…—Op jullie bakkesse!.… die skar van ’n burgerfoader mô te woater.… galmden anderen weer.—Smait sain onder de kar, breek se de strot, gierde Rink uit den stoet.Een jolige meid duivelde plots vóór agentje, gaf ’m ’n ruk aan z’n baard, haastig in den donkeren stoet weer wegspringend, die al meer kwam aandreigen met zwarte harken, vorken en zware gereedschapbrokken.[99]Rink zwaaide met ’n ijzeren moker, maar agent je was ’t minst bang voor hèm. Vlak bij ’m ging ie staan.—Wees jai nou verstandig Rink, vleide agentje, zeg jai an Hassel nou, da se goan motte.… jai ben tog de boas hier.…—Nee, huil-woedde Piet, die ’t half gehoord had,—doe jai die spitsboef doàr de boeie àn.… geef sain ’t kettinkie in z’n klauwe.Rink, dronken-duizelig, half wetend wat ie zei, was gevleid door agentje.—F’rjakkerjenne, spoog ie uit.… hou jai je bek:.… ikke bin boas hier.… ikke!.…Zwaar zwaai-suizelde moker boven z’n schemer-rossigen dreigkop; z’n lippen sputterden schuim en voort brulde ie, doffe klanken onder zwaarder geslinger van schamp-lichtenden hamer. Plots greep ie de vork van ’n meid voor ’m, sloeg de punten woest tegen z’n moker in, boven z’n kop, dat stàlen tanden, lichtflitsend, vonkten tegen ijzer.…—Weg d’r mee!.… de maa’n het glaik.… snurkers!.…En weer slingerde ie de mestvork woest tegen den stoet in..—Fort jullie.… ’t skeelt t’met nies.… nies.… of wullie gonge de bak in.…Allo jonges.… wai saine waiser.… loate wai de vuilike links legge.… links legge.… wai.… wài.… binne vuilike.… wài.… sài binne ’t.… sài.…—Agentje klopte ’m gemoedelijk tegen z’n rug.—Flink soo Rink.… soo is ’t.… goan jullie d’r moar van deur.Maar Piet wou niet, bleef halstarrig, schold Rink uit voor ’n verrajer, ’n kabboebelaap!.…—Jai transvoalsche seemeeuw, stinkbunsum!.… jai.… Engilsche boef!.…—Hou jai je bek.… ik seg moar.… ik seg moar, waggelde Rink er uit, stomdronken, donkerhoog boven den stoet uitschouderend,—ik seg moar.… da je.. da je te veul neusiesverf hàt hep.… jài bin dronke.… f’rdomd!.… dronke!..De vrouwen wouen niet langer staan in kou en nattigheid.[100]Telkens scheurde zich ’n groepje af van den stoet, dat lollend en zingend, onder vermaning van agenten, de haven langsslingerde, onder boomen door; soms afbrokkelde, dàn weer arm-in-arm haakte, als donkere schutters in rijen, opmarcheerend naar hoek van achterhaven, tegen schuwen pakhuizenschemer in, den polderweg op. En achter hen áán, kreupelden al meer schamele hinkstoetjes, scharminkels in duister bewustzijn, verkoortst van karnavalshitte, onmenschelijk en ramp-zwaar geslagen, havenweg áfslingerend; landloopersellende, verspokend in langzamen schaduwtocht tegen oneindig donker-schimmige gat van besneeuwde-wei-poldernacht.Piet alleen, bleef doorrazen, met nog ’n stoet je waggel-kerels, om lantaarn-paal heen. Rink drensde mee, Piet zeurde tong-zwaar met hoog-piependen stem-overslag.—Sien je.… sien je.… jai!.… jai!.… jai-bint ’n fârrike.… sel ’k moar segge.… moar ik seg.… ik seg.… fierkant wa je bin.…—Nou.… en ikke, treurstemde terug Rink, ik seg.… ikke.… ik seg.… da jài ’n boef.… ’n boef.… ’n Sjemperlan bin.… ’n skar.… sien je!.… moar.… i i i i ikke.. ikke.… ikke.… ikke seg-’t.… i-i-i-in je smoel.… sien je.. sien je.… e’e eerlik!.…—Jeaijsis.… jeaijsis!.… daa’s net.…, lolde Piet vroolijk.… Ikke.… i i i kke.… i i i n.… ’n ploert.… sien je.. é é énne.… enn jai.… jai.… ’n boef.…, nie.… ?.. nie?… daa’s eerlik.… geef màin nou.… nou ’n poot kameroat!.… daa’s net.… jai ’n.… boef!.… é é é.… é é é.. enne.… ikke.… ikke.… ’n Sjamperlan!.…En roerend innig, verrast en verzoend, tegen elkaar opwaggelend, met kwijl van lach-pret om hun monden, tast-zochten ze naar lantaarnpaal voor houvast, in been-waggelend geduizel; grijnsden hun rossige tronies, lachend onder het licht, probeerden ze elkaars handen te grijpen. Piet met z’n mouw, poogde zwaar gevlok van z’n sneeuwgezicht en brauwen weg te strijken. Laatste troepje, waggel-breed, slingerde den polderkant op, den spoorweg òver. Rink alleen achteraan, waggelde[101]een zijweg van polderpad langs, langzaam, in hevig geslinger, angstig-rakelings langs slootkant.Stilte was nu geweven.… Van ver klonk telkens áán, melancholiek gegalm van Rink’s zangstem over doodstille wei, oneindig in vlokkendans verschemerd. Droef klonk dóór, zwaar-klagelijk en dronkemansteeder z’n lied:Ik bin moar.… ’n swainke.… allain stoan ’k hieeeer!Allain op de weijrelt.… mi-sonder pelsieeer.…Piet, alleen sprekend bij lantaarnpaal, was ingezakt, wroette op de straat in ’t slijknat, kon zich niet meer op z’n beenen hijschen. Zachte redenaties hield ie tegen de steenen, met z’n gezicht in den sneeuwmodder.Eindelijk kwam erbarming; werd weggedragen z’n stinkend lijf door twee agenten met kleintje aan ’t hoofd.Stil nu lag haventje weer, in rossigen schemer, doodstil. Onder allééne lantaarn vlokte gesneeuw, vergouend in gasvlam, en schepen, verwitten hoog tegen spokigen spoordijk op, waarachter schimmig deinde, sneeuw-schemer van polderende wei-zee.[102]

V.

Piet Hassel, sterke oproerige Wierelander, was kroeg in, kroeg uit geloopen op de haven, waar wit-schimmig de spoordijk weg te donkeren lag, achter het breeë watertje en vèr, ver, nevelig-blank van alom polderland, waarin fantomig reservoirs van gasfabriekje opdoemden.—Groote molen rechts, naar ’t[87]station, omkneld van donkere huisjesgroep, vaagde sneeuw-schimmig in duistere lucht, melancholiek over verren polder starend, den versneeuwenden bleeken nacht in.Piet had z’n vrienden opgevischt in een kroeg bij Schildert. Hendrik Gelder, de Haas bijgenaamd, Jan Sik, Kees Slooter, Kol en nog wat arme ploeter-schooiers, woelige, jolige losse tuinders en bloemistknechten met ’n paar sigarenmakers. Naast hen schuchterde bescheiden, ’n half-heerig klerk je van de fabriek van ingelegde groenten, ’n Wierelandsch burgertje, dat zich ’t liefst bij plebsche arme, schooiende herrieschoppers opdrong. Ieder in Wiereland kende ’t zuipende stelletje, als gevaarlijke vechtersbazen, nakende zwoegers en sjouwers, die in dronk-zwijmel opspogen tegen alles, allereerst tegen elkaar ruzieden omdat Kol en Slooter, katholiek, Sik en Gelder, protestanten, in hun hitte-buien, elkaar moèsten afrossen. Want verborgen ingetoomden, plòts soms uitziedenden schroei-haat sintelde en giftte er altijd tusschen bevolking, katholiek en protestant. Onder alle standen dàt gebruis, al wilde niemand ’t weten, omdat, gelijk verdeeld in aantal, men elkaar te veel noodig had. Maar soms barstten de belhamels los en helleveegden rond, braakten langgesmoorde driften uit van twee kanten. Nuchter, kon ’t Wierelandsche stelletje elkaar wel luchten. Iederen avond, in den naakten wintertijd, broeiden ze vast bijeen, in ’n kroeg. Eerste avondwerk was jacht op meiden, achter, op de stikdonkere kronkel-weggetjes, tusschen tuinderij en wandelpaden. Wellust-jacht van buurtmenschen waar geen simpel landelijke vrijage òp kon leven, of doodgetrapt werd ze, door rauwe spot en krijsch van verdierlijkte massa. Gewissel van meiden en jongens was overal. Leefdrang en passie werd genomen of betaald.Na meidenjacht, gloeirig en wild, weer terug honkten ze in kroeg, om ronde tafels in kaartspel-gegier. Zoo, elken avond had schooierigste tuindersgroep hier samenkomst, kwam werkvolk van Wiereland, onder heet-ingehijsch van brandvocht bijéén, verzoende zich tijdelijk haat van katholiek, protestant en jood. Dààr, in dompige, donkere kroeg-holen waar geur van jenever zoetig-helsch doorheen schroeide, werd gezopen, uit[88]wellust, uit hartstocht, om ploeterramp van komenden zomer te vergeten, om zorgen te zien vernevelen achter rooiig lichtende blijheid, glanzende dronken-oogen-kijk, om werkpijn te stillen, te dempen, met iets, dat warm-gloeiend inbeet, in hun brandend lijf. Zoo werd gezopen in Wiereland als nergens in andere streken, vloeide er één hittestroom van drank, dampend vocht; dromde er altijd gewriemel van schreeuwende, woedende, melancholiek-geslagene of komisch-beschonkene kerels; kerels, die vrouwen en kinderen lieten krepeeren van honger in winternaakte. Zoo ging laatste duit in hevige zuipkoorts en driftigen gok, naar vettige, joviale, buldoggige kasteleins, die meerookten pijpen, pijpen vol zware tabak, en gemoedelijk rondsloften, op hun gekleurde toffels, tusschen hun spuw-bakjes met zand, volgeklodderd van vuil.Dien avond ging het vriendenstelletje kroeg in, kroeg uit. Burgervader had permissie gegeven, dat herbergen en danszalen later mochten openblijven. Zoo trokken de kerels heen en weer op ’t schemerend havent je, dat stil lag schichtig, onder sneeuwgeschemer, en zware donkering van masten en booten in watertje, somber-groot opschaduwend tegen spoordijk. Uit de danszalen golfde bij vlagen, onder deur-opengesmak, rumoer, dat zacht verdempte in sneeuwgrond; galmden doffig, in tierend gewar, koperen muziekscheuren en zangstemmen.In lange smalle loodsen wriemelden opgepakt de dans-brandende Wierelanders. Opgejaagd, in gloeiende schroeiing, kookte ’t licht, ’t avondlicht, uitkoperend fel in brons-hevige vloeiing, van balken en wandbrokken neer. Lang uitgereept leegden zwart-bemorste banken, waarop vermoeide paren zweetig uitdampten, droef-schroeiend omneveld in rook, rossig walmgewolk. Stik-benauwing en heete adems persten zwoel-zwaar, door de lage smalle lolzaal. Wierelandsch zwoeg en plebs, zweetende meiden, rood en grauw van dans-hartstocht, kerels en jochies joegen in stormdwarrel op heesch, opjagend muziekgetoeter door de loods; joegen en tol-dwarrelden, dat kwijl langs hun[89]monden liep, de wijven met opwaaiend rok-gefladder en giftige beensliertingen.Drie danszalen was Piet Hassel met z’n vriendenstel al ingestormd, maar teruggedrongen werd ie overal, door kleurig-helsche warreling van donker-verlichte paren, die telkens plompiger aandromden van hout-kaal buffet naar ingang-deur. Eindelijk was Piet met de anderen in grootste danszaal meegezogen met afdeinende dansgroep. Achter ’n dikstrakken kop van ’n rossig zwaar bebakkebaard agentje bleef ie staan, ingekneld van lol-lachers, achter z’n rug, klown-dolle grimassen makend. Toen omzag agent, gooide Piet zich wild met de anderen in helschen kleurkolk van dansende paren, meiden die vlammen ketsten van hun blouzes, rokken en befonkelden haarpronk. Plots voelde Piet zich in-gebonsd, omkneld van allen kant. Wegwemelend rok-gezweef en geruisch van meiden joeg in zinlijke vlucht-geur en plooi-ruzie voorbij. Harkig sleurden de kerels mee in stronkige armenknel. Vriendenstelletje was uitelkaar getrokken. Alleen Gelder zag Piet naast zich, midden in ’t dans-gewemel, die niet af kon zien van het witte onderrok-gefladder, dat telkens vèr onder opgeschorte rokken uitzinlijkte. Plots greep Piet, Gelder vast, begonnen ze stijf-komieke stappen rond zich te trappen, telkens opbotsend en wankelend, zich schijn-teeder omarmend als jong paartje. Schatering en hittend gejoel joeg om ze heen, zwaarder bonsden lichamen áán tegen de twee harkige kerels, dat ze waggelden, en dobberden gierlollend.—Haej.… kanteloepp! je fiel droait.… snof’rjenne.… twee kerels.… krijschte Kol.—Kaik, die klebakkium kaike.… t’met skiet ie op je af.. hai is puur ’n vuile smakwammes!.… lachte ’n tuindersmeid, die met zweet-rood hoofd naar ’t agentje bukte, kanaljeus, ’m ’n ruk aan z’n baard gaf.—Nou aa’s j’r senie in hep ka je f’nacht in ’t koarte-huis maffe.… zong Wierelandsch stemgalm er doorheen van ’n meid die bukkend d’r kouseband toehalen wilde maar weer omgebotst werd door ieder paar dat ’r zag staan, kuit-naakt.Zoo, zangerig doorwarrelde stemme-gons, schel gelach en[90]schoffel-bonkend geraas, schal-scheurden felle trombone-dreun en hoornstooten uit van poepers, die half gekneusd en gebeuld op hoogtetje, achter groen hekje troonden, tusschen buffet en plee in. Op hun vaal-groene buizen, schemerden de rood-vuile epauletten, als bloedvlekken, verkleurd in stofstuifsel, dat opjoeg van zandgrond, lichtende hoozen, zacht weer neerpoeierend over gekromde speelruggen, en vervaagd rooiig, hun blazende walmkoppen bolden als barstend gespannen gas-ballonnetjes in oranjigen nevel-brand.De zweethoofd-meiden, in hun opgedirkte kleur-helsche japonnen en lijfjes, plomp-hevig en boersch-echt, met schitteroogen, die gilden van genot, zopen langzaam smakkend, opgedrongen tegen buffet aan, bier, groot glas, omkneld in bonkige goud-beringde werk-knuisten. Enkele koketteerden met armbandsiersels, omrammeld, kannibalerig-woest bepronkt, wild in haar en hals, getatoeëer van tulpenvurige doeken en strikken. Vóór ’t drinkstoetje van meiden duivelde heet gegons van wemelparen onder lichthoek, schroeide rossige walm, stinkdamp van zweetlijven en asemen. Dronken tronies van mannen en meisjes lachten al ààn in zuipgrijns; uit de wemel-stoeten dampten op, rooie wilde oogen van verhitte vrouw-koppen. In gestoot en geduw werd gillerig en jagender de pret. De mooiste meiden smakkelden en koketteerden in boerenwaan, stijf en plomp-rauw met wreed gebaar, damesnadoenerig-stijf. Bij hoeken gedrukt stonden paartjes, in knie-knikkenden stand, krachteloos te mondzuigen en zoen-lebberen. Op de banken plonsten groote groepen neer, dood-affe, hijgende, zweet-druipende paren, elkaar zoetig verliefd bewaaierend met zakdoeken, waaruit duf en vergoord goedkoope patjoulie-reukjes en vieze eau-de-kolognerige zeepstank opluwde. Telkens sprongen uit de hijg-moeë groepen uitgeruste meiden op, nog bleek-rood van inspanning en dansdrift, in woest en zang-gier met d’r jongens zich weer stortend, in den wemel-stroom van zwirrelende parenwarreling, en slingerkolk van bruisend rokkenwit. Al nauwer drong òp en stormden ààn, nieuw-ingezogenen bij ingang-deur. Geen plaats meer bleef om te bewegen. Heele troepjes omsloten[91]en ingeperst kleefden als aan elkaar, hobbelden rhytmisch op muziek-stooten, met lijven op één plek, zonder van plaats te kunnen wegbeenen. Soms spuide plots ’n beetje ruimte en dobberde menschenkluit wat van elkaar. Maar telkens weer botsten de lijven òpéén, trapten en stootten de meiden, pijnlijk-gespijkerd tusschen dierlijk-harkige omknelling van d’r dansende kerels.Maar andere meiden, vuriger, verhit van demonischen dans-wellust en lijfgeschuur, onkenbaar verwrongen d’r koppen onder walm-brand, waarop hartstocht rammeide en ingroefde donkere lusten om oogen en toegeknepen kwijl-monden,—opjagend en lokkend met enkel heesch woord d’r kerels, niet òmziend, als verstard, kijkend pàl in minnaarsoogen, wezenloos en bezwijmeld, warrelden dóór, tot plots ze weer stuitten op paren-kluit, die vast-gezogen deinde, in ordeloos gedrang; opsukkelde naar deur als buffelbende, stoer aangestormd éérst, plots als omkluisterd aan pooten. Dan klonterden weer de zweetkoppen bij-een, ontstrakten de zwijmelgezichten, kwam er geduw, gejouw en lach-schalm onder heetste, gemeenste jongens-meiden. Herrie-gejoel barstte los, om elken tuindersjongen van Duinkijk en Kerkervaart, die danste met meid van Wiereland. Dan ging gegrom rondom en beflodderden ze elkaar met scheldnamen, kwam er hanige haat, vuurrood kamgesidder van nijd en geweldige mondspuwingen van vloeken-donder. Tegen het hekje, waarachter de blazende roodgezwollen muzikant-koppen, sidderend als in goudgaas van opgewoeld stoflicht en oranje rook,omzwierd en verwaasd, op hun hoogtetje dromden, stond nauw opgeplet in damp en stuifsel, ’n troep blonde forsche meiden, bepaaiend, besussend, woede-kerels, met smak-zoenen en wangstrijkingen. Anne Donke en Griet Karsen twee knappe tuindersmeiden van de plaats, praatten fier, ongenaakbaar, met loodgieter Ruig en smid Wenke. Naast hen, in gedrang, hurkten op de banken ’n troep jochies van twaalf en veertien jaar, met bierglazen in de hand, stoeiend en opgejaagd door schorem bollekweekersknechten, en ’t stelletje dat lol had in de kloek-zuipende groot-doenerige kerel-kinders. Telkens propten ze zich den mond vol met pruimpies, spogen in ’t rond,[92]vloekten als grooten; be-gutsten de meiden met woordvuil, sprongen als apen, met glunderige licht-oogjes, loerend, dronken en verhit.Piet Hassel wou ruzie. Dat had ie met ’t stelletje afgesproken. Wat zou ’t; gevochten most d’r worden. En Piet was in lol maar begonnen met schijnherrie tegen ’n Duinkijker, dien ie heel goed kende. Dadelijk erin, hakten anderen die partij trokken. Lach-barstend drongen Piet en Duinkijker weg, de partijtrekkers tegen elkaar aan den gang ziend. Achterhoeksche haatdragendheid en stupiede kijfbotheid stond op dronken zwijmelkoppen uit te barsten. Loome wrok, die langzaam maar schrikkelijk opboorde uit gesmoorde gloeidriften. Grooter werd broeiing, rossig toortste walm rond, vergroenend de zinne-koppen in grauwig brandlicht. ’n Kerkvaarter en Wierelander waren vlak bijeen gedrongen, eigenlijk niet goed wetend wat ze van elkaar wouen. Een had partij voor Piet getrokken ’n ander voor den Duinkijker. Die twee nou zaten te gieren op bank bij de deur tegen de uithijgende meiden lollend, dat ze voor hùn beidjes op elkaar inhakken gingen. Wierelander krijschte rauw.—Bai jullie verdomme.… bai jullie op da gat.… da krot.. stong ommirs ’n bord.… en stong d’r’op.… hier hout ’t minsdom op.… da hai je t’met de beeste.…—Daa’s proat! loddermeroàkel.… nou.… ikke seg uit volle borst.… Duinkaik bóófe.… Wiereland ònder.…Bang gedreig van alle kanten. Rossige walmkoppen opdringend naar waggelkerel, die bleekig, met scheef vertrokken zenuwmond en drinkers-oogenlicht, doorzingen wou.… Duinkaik bóófe.—Hou je smoel.… boerekinkel, of ’k sel je ’n lik onder je koàkebeen gaife.…—Sakrejenne.… wie breng je mee?.… seg.… snof’rjenne! beskimmelde huspot.Plots hevig bonsden ruzie-stokers tegen elkaar op, door aanwarrelende dans-groep, die langs ze stoof, rondkolkte in stofwolken, gouïg oppoeierend midden in loods, verdween weer, in fantomige, sidderend rooïe walmsfeer, tusschen kankan van[93]meiden, met rokken hoog opgezwaaid in schuimwit. Maar Duinkijker drong achteruit, stompte met z’n armen, roeide op ruggen en schouers terug naar z’n plaats.—Kaik se stoan.… krek an ’n raitje.… aa’s aarepels in duin.… is da bier van sain?—Joa!.… van sain.… blaif d’r af mi je poote.… Kaik die varkessnuit.…Meiden, verhit door danszwijmel lachten en giegelden belust op vechtpartij.—Nou sel ’t puur uitsain, krijschte ’n Duinkijker midden in, of je hep ’n slag f’r je roap beet!.…—Bin’k self bai hée? venijnig-bleek giftte Wierelander terug, grauw-groen van drift.—Wa hê jai mi An van doene!.…—Sjeis an je An, krijschte ie rauwer, z’n bierglas in woesten kring rondzwaaiend, dat ’t schuim vlokte om ’m heen.. Gesist en opgehitst werd er: kss!.… kss!.…Bloedschijn lag wild en begeerig in dronken zwijmeloogen van kerels, en de meiden, verlekkerd, wouen beroering, wouen gekerm en gekreun van ondergelegden, gekneusden, gebeukten, melodramatisch opgevlamd en verschroeid van zinnendrift. Midden in, drong Piet met Rink den polderreus, door de stilstaande paren.… Hevig-rauw krijschte geluid van lijf-reus, daa se moste deurgoan.…—Seg krente-mik, snait de fint an rieme, sloa’m sain beene stuk.… en timmer sain mit de bloedige ende op s’n pet!.…—Bàrst jai.—Blaif jai heel!.… en meteen trok Rink z’n jas uit, om in z’n overhemd, meesliertend verkronkeld-oranjige halsdoek, nek-ontbloot, de eerste striemen weg te patsen, ’n Meid, blond in koniginne-statuur, slank en reuzig-forsch, was plots midden ingedrongen en uitrazend met tartende gebaren, duim onder kin woest wègstrijkend, gierde ze tegen Duinkijker kerel.…—Rooie!.… rooie!.… rooie!.… kaik ie tippele!.…. kaik ie tippele![94]—Laileke skarretje.… wa mo jai d’r vàn!—Kaik ie tippele.… so glad aa’s ’n flesch.…—Debies jai.… ik stink tog nie suur.… duufelstoejoàger!—Jai? an main jassie.… sie ie main van veure.… kaik nou doàr’.… En wild draaide furie om, met haar achterste hoog opwippend naar ’m toe, in dwazen hoonenden wellust-sprong.—Vuile kwieb!.…—Mô je se maid siene.… puur soo breed aa’s hai.… soo pot!.… soo pan!.… gierde ’n kleine furie.—Enn jai dan prop.… onder- en boofe-deurtje!.… mit je lange skele rot van ’n vraier.…—Debies, tartte de forsche meid weer, spitisger met ’r duim langs glimkin strijkend, in duivelend scherp gebaar, rooie tonglap er hoonend uitpuntend.—Dubbel-debies jai muurvarke!.… stoppelkat!.. gaif jai je kindere te vrete!.…Plots opgestookt door verstoorde bende die dansen wou, kwam goeiig politie-mannetje, verlegen aan z’n rossige bakkebaard aaiend, tusschen de ruzie-lijven staan.—Blaif jullie nou je fesoen houe.… toe nou.… kalm an.… kalm an.… jai die weg uit.… en jai die.—Zacht begon ie den polderreus te verduwen, die beenplakte, als ’n rots onwrikbaar, uitdagend, met z’n moker-armen tegen muzikantenhekje bombardeerend, dat de kerels trilden achter walmlicht. Rink’s groen-valsche oogen, lichtten als fosfor, donker-woest diep in z’n ruwen kop verdoken. Ruzie was geslabakt en wilde warrel joeg weer door de loods, die walm-zwaar pafte, in stofpoeier boven het geschetter, dat rood-sferig brandde. De koperen instrumenten van blazers flitsten in licht-glimsels.—Toortsig-helsch en satanisch, dreunden donkere monden van trombones, hun zwaarlijvige tonen den stankwalm in, dat wanden te barsten dreigden; fel boorden de hoorn-stooten als priemend geluid door de broeiing; schommelend gingen de lijven weer in rhytmisch gehobbel, in koorts van draai en tolling,[95]geilde de zwijmeldans weer door de loods, in rossigen rook, die meid-gezichten schroeide en oranjerig-rood begloeide in zwelling van bezweete huid.Piet zoende in ’n storm, tien meiden te gelijk, achter den arm van hun dansers, waarin ze omschroefd pletten, en met Rink achter ’m aan, wien hij iets in ’t oor schreeuwde, drong ie naar den uitgang.—Wie main lief hep, volgt main!.…’n Twintig kerels hadden ’t sein begrepen. Buiten, op de verwittende havenkaai zouen ze ruim-rustig kunnen zuipen. Zacht vlokte sneeuw neer, wemel-schimmig op zwak lichtend haventje. Vlak bij tuindersboot, die donkerde in watertje, met fel-groen ooglichtje half-mast, holden en slinger-lijzigden de kerels aan, donkere stoet in wittigen vlokwarrel, schuw, om lantaarn-paal, die rossig-goud hun tronies beschemerde tegen nacht-duister. Piet en Rink smakten zich in de sneeuw, plat op hun achterste, met beenen vooruit, en schimmig cirkelde heele stoet, neergesmakt op straat, schimmig en schaduw-vreemd, zwakkelijk verrood in den gouïgen vlokkenmist onder lantaarn-paallicht. Achter de zuipers verwitten stil, huizen en boomgestalten, karren en manden. Inééngekromde pakhuizenrij, waarop bàng-wild, rossige schijnselkring van kleine lantaarn, makabren donk’ren bronsgloed kaatste, school droef weg in diepe droomtonen àchter sneeuw-wemeling. En geheim-zacht in ’t rosse licht dáár, zweefden de vlokken voor de droeve vensterblinden en schemerluikjes.Piet had ’n groote kruik onder z’n jekker uitgehaald. Rink presenteerde ’n diendertje. Gretig ging rond nu in den kring mank glas en kruik, tot ’t onder beestig, koortsig-heet gekrijsch bij Piet weer terugkeerde. Kannibalig donkerde de hurkende zuipstoet, in den licht-schichtigen lantaarnkring en bang-groot slagschaduwden hun handen, koppen en lijven bij slingergebaren dooreen, in paarsdiepe silhouetten op rossigen, trillenden sneeuwgrond. Lallend zangden de heesche beest-stemmen. Even van kerels af, die in ’t vlok-schimmige als bedouïnen-stoet in sneeuw-nacht woelden,—kwam angst-gekijk[96]van Baanwijkbewoners soms, schuw op haventje loerend.En stil, ruischloos boven donker-rossige, woeste zuiptronies, omkaatst van schimmig straatwit, vlokte om lantaarnpaal heen, zacht sneeuwgeweef, kuisch, smetloos wonder van vlokkenschemer, zachte warreling vergouend in ros-vlam, ontroerende smelting van licht, heilig en stil, dichtwevend duisteren nacht rondom.Politie was gewaarschuwd. De burgervader, met ’n paar mannetjes kwamen aansjokken, vooruit voelend, dat ’t niet goed afloopen zou.Jeneverkruik was leeggezogen en de helft van stoet stond weer, waggel-zwaar, en nijdig vloekend op Piet en Rink dat ze niet eerlijk gedeeld hadden. Piet, met bloeddorstige natuur, voelde vechtjeuk, schold terug, aldoor één woord, liederlijk. Rink zag schuw den burgervader aanstappen. Verdoken achter den kring, gooiden ’n paar sneeuwballen, vuil-modderig, van ’n groentenkar uit, naar agenten. Piet lolde, rauw, mikte steenen pal op zwak-geligen blinkhelm van kleinsten agent onder schuw licht. De heele troep was plots van de straat-hurk opgesprongen.In wilden grabbel graaiden krampige handen over sneeuwgrond. ’t Regende ballen naar burgervader en agenten, zacht aanpaffend tegen hun kleeren. Bleek-streng bij ’t licht,—den stoet verjagend, die achteruitdrongen was,—draaide burgervader zich om, beval barsch agenten te staan. Even stemmen-gefluister tusschen hem en agentje. Sabeltrekkend in ’t schuwe licht, donkerde ’t mannetje met z’n klein gevolg, stijf, in versnelden pas op bende aan, die onder vijandig uitdagend vinger-gefluit en heet-lustig vechtgeschreeuw van Rink, zich achter karren en mandstapels bij ’n schuit verschanst hadden.Onder hagelstorm van moddersneeuwballen, was agentje den duisteren wallekant genaderd en luk-raak, in sneeuwgewemel, dat ruischloos donkere mondholte inzweefde, schreeuwde hij iets voor zich uit, onverstaanbaar terugslaand op gegier van dronken stoet. Toen kwamen, op fijn fluitsignaal van agent[97]uit z’n staf, onder lantaarn uit, twee nieuwe mannetjes aanzetten, sprongen wild uit den rossigen lichtkring met sabels de lucht invlijmend, maakten schijncharge om te laten voelen, dat ’t ernst kon worden.Uit de danszaal holden meiden, gillend in lawaai, en nieuwe kerels dromden áán, heet-nijdig op politie, drongen samen met vecht-stoet.—Hak’ker puur op in, krijschte een agent, die lust had te ranselen, dwars door de dronken bende. Weer volgde van klein troepje dienders, ’n schijncharge. Achter karren, die schuin opstonden, met kruk de lucht in, vluchtte weg, donker gestoet van meidentroep naar wallekant, in angsthaast over glibbervuile loopplank dringend, naar tuindersboot. Achter kisten en manden uit, striemden steenen, hout en groentenvuil zwarte streepen door sneeuw-wemel, die als in stormhoozen weer wegwarrelde in andere richtingen.Boven alle geweld uit krijschten de stemmen van Rink en Piet, dat sullie de kerels ’t water in mosten douwen. Plots trokken ze allen, met brok-scheppen, hooi- en mestvorken,—die ’n paar kerels uit afslagloods bij ’n pakhuis hadden losgewerkt uit den rommel,—op het viertallig agentenkringetje af, waar burgervader bleek-strak midden-in ordonneerde. De agentjes hadden de sabels ingehouen en de dronken stoet, in brullend gekrijsch en gefluit, drong weer, uit donkering van besneeuwde handkarren en kisten, in rossigen schemer van lantaarnlicht, midden op haventje, zwaaiend met scheppen, steekvorken, rijzenknuppels en boomstronken. Vooraan gilden dronken meidentronies, sommige woest-bleek beschenen, nat van sneeuw, met schuimige vlokken op neuzen, wenkbrauwen en oogranden. De burgervader, voelend dat ie te sterk had ingezet, schuchterde achteruit, wou ’t z’n klein agentje weer zoetjes laten bijleggen. Aarzeling was er, die de stoet voelde, want raker en striemender bonkten steenen, koolstruiken en hand-ingekneusde sneeuwballen in ’t kringetje, waarvan burgervader mikpunt werd. Klein agentje trad even weer uit den kring, vlak voor de donkere woelige bende, kerels die slagschaduwden[98]op lichtschuwen sneeuwgrond, als wemelende gedrochten uit chineesch schimmenspel.—Jonges, schreeuwde agentje met vredestichtend timbre in z’n stem,.… hou jullie je nou kalm.… wa geeft ’t nou!.. sukke herrie!.… goan jullie nou kalmpies uit mekoar!.…Woeling gierde er los uit den stoet, die nu weer vooruitstrompelend, in kring om alleene havenlantaarn duivelde, rossig, in wilde schijnsels.—Barst jai, gilde Rink uit, jullie benne begonne.… laileke dood-van-ganzebord.… jullie sa’k levent f’rbrande.… aa’s we je nie mosse fille.…—Kalm nou, kalm àn, deemoedigde agentje, z’n sabel weer in de schee neerpuntend.—Kalm, kalm, m’neer salm-salm, zang-gierde Piet.… komp bai de huur t’regt.… nou kort en goed, duufelstoejoager.… aa’s jai.… mi je k’rnuite.… aa’s jai nie ofer-dwars te woater mòt, ruk dan in.… mars!!Schatering daverde òp uit den troep, meiden liepen gil-lawaaiend weer terug over loopplank. Donker gegons van áánpaffende sneeuwballen, verschimmend in kruisworpen naar agenten-kringetje, dat stil nu afweerde, bàng voor ergere opwinding.—Doe jullie je latjes weg, krijschte éen uit den stoet.—Verdomd aa’s de duufel jullie sette ken, verdomd,.… vloekte moedig klein agentje,—goan jullie nou deur.… mot ’r nou geranseld worde.—Joà joa! krijschten meiden.… kok-kok-kok!.… kok-kok-kok!.… moeder weer ’n eai!.…—Op jullie bakkesse!.… die skar van ’n burgerfoader mô te woater.… galmden anderen weer.—Smait sain onder de kar, breek se de strot, gierde Rink uit den stoet.Een jolige meid duivelde plots vóór agentje, gaf ’m ’n ruk aan z’n baard, haastig in den donkeren stoet weer wegspringend, die al meer kwam aandreigen met zwarte harken, vorken en zware gereedschapbrokken.[99]Rink zwaaide met ’n ijzeren moker, maar agent je was ’t minst bang voor hèm. Vlak bij ’m ging ie staan.—Wees jai nou verstandig Rink, vleide agentje, zeg jai an Hassel nou, da se goan motte.… jai ben tog de boas hier.…—Nee, huil-woedde Piet, die ’t half gehoord had,—doe jai die spitsboef doàr de boeie àn.… geef sain ’t kettinkie in z’n klauwe.Rink, dronken-duizelig, half wetend wat ie zei, was gevleid door agentje.—F’rjakkerjenne, spoog ie uit.… hou jai je bek:.… ikke bin boas hier.… ikke!.…Zwaar zwaai-suizelde moker boven z’n schemer-rossigen dreigkop; z’n lippen sputterden schuim en voort brulde ie, doffe klanken onder zwaarder geslinger van schamp-lichtenden hamer. Plots greep ie de vork van ’n meid voor ’m, sloeg de punten woest tegen z’n moker in, boven z’n kop, dat stàlen tanden, lichtflitsend, vonkten tegen ijzer.…—Weg d’r mee!.… de maa’n het glaik.… snurkers!.…En weer slingerde ie de mestvork woest tegen den stoet in..—Fort jullie.… ’t skeelt t’met nies.… nies.… of wullie gonge de bak in.…Allo jonges.… wai saine waiser.… loate wai de vuilike links legge.… links legge.… wai.… wài.… binne vuilike.… wài.… sài binne ’t.… sài.…—Agentje klopte ’m gemoedelijk tegen z’n rug.—Flink soo Rink.… soo is ’t.… goan jullie d’r moar van deur.Maar Piet wou niet, bleef halstarrig, schold Rink uit voor ’n verrajer, ’n kabboebelaap!.…—Jai transvoalsche seemeeuw, stinkbunsum!.… jai.… Engilsche boef!.…—Hou jai je bek.… ik seg moar.… ik seg moar, waggelde Rink er uit, stomdronken, donkerhoog boven den stoet uitschouderend,—ik seg moar.… da je.. da je te veul neusiesverf hàt hep.… jài bin dronke.… f’rdomd!.… dronke!..De vrouwen wouen niet langer staan in kou en nattigheid.[100]Telkens scheurde zich ’n groepje af van den stoet, dat lollend en zingend, onder vermaning van agenten, de haven langsslingerde, onder boomen door; soms afbrokkelde, dàn weer arm-in-arm haakte, als donkere schutters in rijen, opmarcheerend naar hoek van achterhaven, tegen schuwen pakhuizenschemer in, den polderweg op. En achter hen áán, kreupelden al meer schamele hinkstoetjes, scharminkels in duister bewustzijn, verkoortst van karnavalshitte, onmenschelijk en ramp-zwaar geslagen, havenweg áfslingerend; landloopersellende, verspokend in langzamen schaduwtocht tegen oneindig donker-schimmige gat van besneeuwde-wei-poldernacht.Piet alleen, bleef doorrazen, met nog ’n stoet je waggel-kerels, om lantaarn-paal heen. Rink drensde mee, Piet zeurde tong-zwaar met hoog-piependen stem-overslag.—Sien je.… sien je.… jai!.… jai!.… jai-bint ’n fârrike.… sel ’k moar segge.… moar ik seg.… ik seg.… fierkant wa je bin.…—Nou.… en ikke, treurstemde terug Rink, ik seg.… ikke.… ik seg.… da jài ’n boef.… ’n boef.… ’n Sjemperlan bin.… ’n skar.… sien je!.… moar.… i i i i ikke.. ikke.… ikke.… ikke seg-’t.… i-i-i-in je smoel.… sien je.. sien je.… e’e eerlik!.…—Jeaijsis.… jeaijsis!.… daa’s net.…, lolde Piet vroolijk.… Ikke.… i i i kke.… i i i n.… ’n ploert.… sien je.. é é énne.… enn jai.… jai.… ’n boef.…, nie.… ?.. nie?… daa’s eerlik.… geef màin nou.… nou ’n poot kameroat!.… daa’s net.… jai ’n.… boef!.… é é é.… é é é.. enne.… ikke.… ikke.… ’n Sjamperlan!.…En roerend innig, verrast en verzoend, tegen elkaar opwaggelend, met kwijl van lach-pret om hun monden, tast-zochten ze naar lantaarnpaal voor houvast, in been-waggelend geduizel; grijnsden hun rossige tronies, lachend onder het licht, probeerden ze elkaars handen te grijpen. Piet met z’n mouw, poogde zwaar gevlok van z’n sneeuwgezicht en brauwen weg te strijken. Laatste troepje, waggel-breed, slingerde den polderkant op, den spoorweg òver. Rink alleen achteraan, waggelde[101]een zijweg van polderpad langs, langzaam, in hevig geslinger, angstig-rakelings langs slootkant.Stilte was nu geweven.… Van ver klonk telkens áán, melancholiek gegalm van Rink’s zangstem over doodstille wei, oneindig in vlokkendans verschemerd. Droef klonk dóór, zwaar-klagelijk en dronkemansteeder z’n lied:Ik bin moar.… ’n swainke.… allain stoan ’k hieeeer!Allain op de weijrelt.… mi-sonder pelsieeer.…Piet, alleen sprekend bij lantaarnpaal, was ingezakt, wroette op de straat in ’t slijknat, kon zich niet meer op z’n beenen hijschen. Zachte redenaties hield ie tegen de steenen, met z’n gezicht in den sneeuwmodder.Eindelijk kwam erbarming; werd weggedragen z’n stinkend lijf door twee agenten met kleintje aan ’t hoofd.Stil nu lag haventje weer, in rossigen schemer, doodstil. Onder allééne lantaarn vlokte gesneeuw, vergouend in gasvlam, en schepen, verwitten hoog tegen spokigen spoordijk op, waarachter schimmig deinde, sneeuw-schemer van polderende wei-zee.[102]

Piet Hassel, sterke oproerige Wierelander, was kroeg in, kroeg uit geloopen op de haven, waar wit-schimmig de spoordijk weg te donkeren lag, achter het breeë watertje en vèr, ver, nevelig-blank van alom polderland, waarin fantomig reservoirs van gasfabriekje opdoemden.—Groote molen rechts, naar ’t[87]station, omkneld van donkere huisjesgroep, vaagde sneeuw-schimmig in duistere lucht, melancholiek over verren polder starend, den versneeuwenden bleeken nacht in.

Piet had z’n vrienden opgevischt in een kroeg bij Schildert. Hendrik Gelder, de Haas bijgenaamd, Jan Sik, Kees Slooter, Kol en nog wat arme ploeter-schooiers, woelige, jolige losse tuinders en bloemistknechten met ’n paar sigarenmakers. Naast hen schuchterde bescheiden, ’n half-heerig klerk je van de fabriek van ingelegde groenten, ’n Wierelandsch burgertje, dat zich ’t liefst bij plebsche arme, schooiende herrieschoppers opdrong. Ieder in Wiereland kende ’t zuipende stelletje, als gevaarlijke vechtersbazen, nakende zwoegers en sjouwers, die in dronk-zwijmel opspogen tegen alles, allereerst tegen elkaar ruzieden omdat Kol en Slooter, katholiek, Sik en Gelder, protestanten, in hun hitte-buien, elkaar moèsten afrossen. Want verborgen ingetoomden, plòts soms uitziedenden schroei-haat sintelde en giftte er altijd tusschen bevolking, katholiek en protestant. Onder alle standen dàt gebruis, al wilde niemand ’t weten, omdat, gelijk verdeeld in aantal, men elkaar te veel noodig had. Maar soms barstten de belhamels los en helleveegden rond, braakten langgesmoorde driften uit van twee kanten. Nuchter, kon ’t Wierelandsche stelletje elkaar wel luchten. Iederen avond, in den naakten wintertijd, broeiden ze vast bijeen, in ’n kroeg. Eerste avondwerk was jacht op meiden, achter, op de stikdonkere kronkel-weggetjes, tusschen tuinderij en wandelpaden. Wellust-jacht van buurtmenschen waar geen simpel landelijke vrijage òp kon leven, of doodgetrapt werd ze, door rauwe spot en krijsch van verdierlijkte massa. Gewissel van meiden en jongens was overal. Leefdrang en passie werd genomen of betaald.

Na meidenjacht, gloeirig en wild, weer terug honkten ze in kroeg, om ronde tafels in kaartspel-gegier. Zoo, elken avond had schooierigste tuindersgroep hier samenkomst, kwam werkvolk van Wiereland, onder heet-ingehijsch van brandvocht bijéén, verzoende zich tijdelijk haat van katholiek, protestant en jood. Dààr, in dompige, donkere kroeg-holen waar geur van jenever zoetig-helsch doorheen schroeide, werd gezopen, uit[88]wellust, uit hartstocht, om ploeterramp van komenden zomer te vergeten, om zorgen te zien vernevelen achter rooiig lichtende blijheid, glanzende dronken-oogen-kijk, om werkpijn te stillen, te dempen, met iets, dat warm-gloeiend inbeet, in hun brandend lijf. Zoo werd gezopen in Wiereland als nergens in andere streken, vloeide er één hittestroom van drank, dampend vocht; dromde er altijd gewriemel van schreeuwende, woedende, melancholiek-geslagene of komisch-beschonkene kerels; kerels, die vrouwen en kinderen lieten krepeeren van honger in winternaakte. Zoo ging laatste duit in hevige zuipkoorts en driftigen gok, naar vettige, joviale, buldoggige kasteleins, die meerookten pijpen, pijpen vol zware tabak, en gemoedelijk rondsloften, op hun gekleurde toffels, tusschen hun spuw-bakjes met zand, volgeklodderd van vuil.

Dien avond ging het vriendenstelletje kroeg in, kroeg uit. Burgervader had permissie gegeven, dat herbergen en danszalen later mochten openblijven. Zoo trokken de kerels heen en weer op ’t schemerend havent je, dat stil lag schichtig, onder sneeuwgeschemer, en zware donkering van masten en booten in watertje, somber-groot opschaduwend tegen spoordijk. Uit de danszalen golfde bij vlagen, onder deur-opengesmak, rumoer, dat zacht verdempte in sneeuwgrond; galmden doffig, in tierend gewar, koperen muziekscheuren en zangstemmen.

In lange smalle loodsen wriemelden opgepakt de dans-brandende Wierelanders. Opgejaagd, in gloeiende schroeiing, kookte ’t licht, ’t avondlicht, uitkoperend fel in brons-hevige vloeiing, van balken en wandbrokken neer. Lang uitgereept leegden zwart-bemorste banken, waarop vermoeide paren zweetig uitdampten, droef-schroeiend omneveld in rook, rossig walmgewolk. Stik-benauwing en heete adems persten zwoel-zwaar, door de lage smalle lolzaal. Wierelandsch zwoeg en plebs, zweetende meiden, rood en grauw van dans-hartstocht, kerels en jochies joegen in stormdwarrel op heesch, opjagend muziekgetoeter door de loods; joegen en tol-dwarrelden, dat kwijl langs hun[89]monden liep, de wijven met opwaaiend rok-gefladder en giftige beensliertingen.

Drie danszalen was Piet Hassel met z’n vriendenstel al ingestormd, maar teruggedrongen werd ie overal, door kleurig-helsche warreling van donker-verlichte paren, die telkens plompiger aandromden van hout-kaal buffet naar ingang-deur. Eindelijk was Piet met de anderen in grootste danszaal meegezogen met afdeinende dansgroep. Achter ’n dikstrakken kop van ’n rossig zwaar bebakkebaard agentje bleef ie staan, ingekneld van lol-lachers, achter z’n rug, klown-dolle grimassen makend. Toen omzag agent, gooide Piet zich wild met de anderen in helschen kleurkolk van dansende paren, meiden die vlammen ketsten van hun blouzes, rokken en befonkelden haarpronk. Plots voelde Piet zich in-gebonsd, omkneld van allen kant. Wegwemelend rok-gezweef en geruisch van meiden joeg in zinlijke vlucht-geur en plooi-ruzie voorbij. Harkig sleurden de kerels mee in stronkige armenknel. Vriendenstelletje was uitelkaar getrokken. Alleen Gelder zag Piet naast zich, midden in ’t dans-gewemel, die niet af kon zien van het witte onderrok-gefladder, dat telkens vèr onder opgeschorte rokken uitzinlijkte. Plots greep Piet, Gelder vast, begonnen ze stijf-komieke stappen rond zich te trappen, telkens opbotsend en wankelend, zich schijn-teeder omarmend als jong paartje. Schatering en hittend gejoel joeg om ze heen, zwaarder bonsden lichamen áán tegen de twee harkige kerels, dat ze waggelden, en dobberden gierlollend.

—Haej.… kanteloepp! je fiel droait.… snof’rjenne.… twee kerels.… krijschte Kol.

—Kaik, die klebakkium kaike.… t’met skiet ie op je af.. hai is puur ’n vuile smakwammes!.… lachte ’n tuindersmeid, die met zweet-rood hoofd naar ’t agentje bukte, kanaljeus, ’m ’n ruk aan z’n baard gaf.

—Nou aa’s j’r senie in hep ka je f’nacht in ’t koarte-huis maffe.… zong Wierelandsch stemgalm er doorheen van ’n meid die bukkend d’r kouseband toehalen wilde maar weer omgebotst werd door ieder paar dat ’r zag staan, kuit-naakt.

Zoo, zangerig doorwarrelde stemme-gons, schel gelach en[90]schoffel-bonkend geraas, schal-scheurden felle trombone-dreun en hoornstooten uit van poepers, die half gekneusd en gebeuld op hoogtetje, achter groen hekje troonden, tusschen buffet en plee in. Op hun vaal-groene buizen, schemerden de rood-vuile epauletten, als bloedvlekken, verkleurd in stofstuifsel, dat opjoeg van zandgrond, lichtende hoozen, zacht weer neerpoeierend over gekromde speelruggen, en vervaagd rooiig, hun blazende walmkoppen bolden als barstend gespannen gas-ballonnetjes in oranjigen nevel-brand.

De zweethoofd-meiden, in hun opgedirkte kleur-helsche japonnen en lijfjes, plomp-hevig en boersch-echt, met schitteroogen, die gilden van genot, zopen langzaam smakkend, opgedrongen tegen buffet aan, bier, groot glas, omkneld in bonkige goud-beringde werk-knuisten. Enkele koketteerden met armbandsiersels, omrammeld, kannibalerig-woest bepronkt, wild in haar en hals, getatoeëer van tulpenvurige doeken en strikken. Vóór ’t drinkstoetje van meiden duivelde heet gegons van wemelparen onder lichthoek, schroeide rossige walm, stinkdamp van zweetlijven en asemen. Dronken tronies van mannen en meisjes lachten al ààn in zuipgrijns; uit de wemel-stoeten dampten op, rooie wilde oogen van verhitte vrouw-koppen. In gestoot en geduw werd gillerig en jagender de pret. De mooiste meiden smakkelden en koketteerden in boerenwaan, stijf en plomp-rauw met wreed gebaar, damesnadoenerig-stijf. Bij hoeken gedrukt stonden paartjes, in knie-knikkenden stand, krachteloos te mondzuigen en zoen-lebberen. Op de banken plonsten groote groepen neer, dood-affe, hijgende, zweet-druipende paren, elkaar zoetig verliefd bewaaierend met zakdoeken, waaruit duf en vergoord goedkoope patjoulie-reukjes en vieze eau-de-kolognerige zeepstank opluwde. Telkens sprongen uit de hijg-moeë groepen uitgeruste meiden op, nog bleek-rood van inspanning en dansdrift, in woest en zang-gier met d’r jongens zich weer stortend, in den wemel-stroom van zwirrelende parenwarreling, en slingerkolk van bruisend rokkenwit. Al nauwer drong òp en stormden ààn, nieuw-ingezogenen bij ingang-deur. Geen plaats meer bleef om te bewegen. Heele troepjes omsloten[91]en ingeperst kleefden als aan elkaar, hobbelden rhytmisch op muziek-stooten, met lijven op één plek, zonder van plaats te kunnen wegbeenen. Soms spuide plots ’n beetje ruimte en dobberde menschenkluit wat van elkaar. Maar telkens weer botsten de lijven òpéén, trapten en stootten de meiden, pijnlijk-gespijkerd tusschen dierlijk-harkige omknelling van d’r dansende kerels.

Maar andere meiden, vuriger, verhit van demonischen dans-wellust en lijfgeschuur, onkenbaar verwrongen d’r koppen onder walm-brand, waarop hartstocht rammeide en ingroefde donkere lusten om oogen en toegeknepen kwijl-monden,—opjagend en lokkend met enkel heesch woord d’r kerels, niet òmziend, als verstard, kijkend pàl in minnaarsoogen, wezenloos en bezwijmeld, warrelden dóór, tot plots ze weer stuitten op paren-kluit, die vast-gezogen deinde, in ordeloos gedrang; opsukkelde naar deur als buffelbende, stoer aangestormd éérst, plots als omkluisterd aan pooten. Dan klonterden weer de zweetkoppen bij-een, ontstrakten de zwijmelgezichten, kwam er geduw, gejouw en lach-schalm onder heetste, gemeenste jongens-meiden. Herrie-gejoel barstte los, om elken tuindersjongen van Duinkijk en Kerkervaart, die danste met meid van Wiereland. Dan ging gegrom rondom en beflodderden ze elkaar met scheldnamen, kwam er hanige haat, vuurrood kamgesidder van nijd en geweldige mondspuwingen van vloeken-donder. Tegen het hekje, waarachter de blazende roodgezwollen muzikant-koppen, sidderend als in goudgaas van opgewoeld stoflicht en oranje rook,omzwierd en verwaasd, op hun hoogtetje dromden, stond nauw opgeplet in damp en stuifsel, ’n troep blonde forsche meiden, bepaaiend, besussend, woede-kerels, met smak-zoenen en wangstrijkingen. Anne Donke en Griet Karsen twee knappe tuindersmeiden van de plaats, praatten fier, ongenaakbaar, met loodgieter Ruig en smid Wenke. Naast hen, in gedrang, hurkten op de banken ’n troep jochies van twaalf en veertien jaar, met bierglazen in de hand, stoeiend en opgejaagd door schorem bollekweekersknechten, en ’t stelletje dat lol had in de kloek-zuipende groot-doenerige kerel-kinders. Telkens propten ze zich den mond vol met pruimpies, spogen in ’t rond,[92]vloekten als grooten; be-gutsten de meiden met woordvuil, sprongen als apen, met glunderige licht-oogjes, loerend, dronken en verhit.

Piet Hassel wou ruzie. Dat had ie met ’t stelletje afgesproken. Wat zou ’t; gevochten most d’r worden. En Piet was in lol maar begonnen met schijnherrie tegen ’n Duinkijker, dien ie heel goed kende. Dadelijk erin, hakten anderen die partij trokken. Lach-barstend drongen Piet en Duinkijker weg, de partijtrekkers tegen elkaar aan den gang ziend. Achterhoeksche haatdragendheid en stupiede kijfbotheid stond op dronken zwijmelkoppen uit te barsten. Loome wrok, die langzaam maar schrikkelijk opboorde uit gesmoorde gloeidriften. Grooter werd broeiing, rossig toortste walm rond, vergroenend de zinne-koppen in grauwig brandlicht. ’n Kerkvaarter en Wierelander waren vlak bijeen gedrongen, eigenlijk niet goed wetend wat ze van elkaar wouen. Een had partij voor Piet getrokken ’n ander voor den Duinkijker. Die twee nou zaten te gieren op bank bij de deur tegen de uithijgende meiden lollend, dat ze voor hùn beidjes op elkaar inhakken gingen. Wierelander krijschte rauw.

—Bai jullie verdomme.… bai jullie op da gat.… da krot.. stong ommirs ’n bord.… en stong d’r’op.… hier hout ’t minsdom op.… da hai je t’met de beeste.…

—Daa’s proat! loddermeroàkel.… nou.… ikke seg uit volle borst.… Duinkaik bóófe.… Wiereland ònder.…

Bang gedreig van alle kanten. Rossige walmkoppen opdringend naar waggelkerel, die bleekig, met scheef vertrokken zenuwmond en drinkers-oogenlicht, doorzingen wou.… Duinkaik bóófe.

—Hou je smoel.… boerekinkel, of ’k sel je ’n lik onder je koàkebeen gaife.…

—Sakrejenne.… wie breng je mee?.… seg.… snof’rjenne! beskimmelde huspot.

Plots hevig bonsden ruzie-stokers tegen elkaar op, door aanwarrelende dans-groep, die langs ze stoof, rondkolkte in stofwolken, gouïg oppoeierend midden in loods, verdween weer, in fantomige, sidderend rooïe walmsfeer, tusschen kankan van[93]meiden, met rokken hoog opgezwaaid in schuimwit. Maar Duinkijker drong achteruit, stompte met z’n armen, roeide op ruggen en schouers terug naar z’n plaats.

—Kaik se stoan.… krek an ’n raitje.… aa’s aarepels in duin.… is da bier van sain?

—Joa!.… van sain.… blaif d’r af mi je poote.… Kaik die varkessnuit.…

Meiden, verhit door danszwijmel lachten en giegelden belust op vechtpartij.

—Nou sel ’t puur uitsain, krijschte ’n Duinkijker midden in, of je hep ’n slag f’r je roap beet!.…

—Bin’k self bai hée? venijnig-bleek giftte Wierelander terug, grauw-groen van drift.

—Wa hê jai mi An van doene!.…

—Sjeis an je An, krijschte ie rauwer, z’n bierglas in woesten kring rondzwaaiend, dat ’t schuim vlokte om ’m heen.. Gesist en opgehitst werd er: kss!.… kss!.…

Bloedschijn lag wild en begeerig in dronken zwijmeloogen van kerels, en de meiden, verlekkerd, wouen beroering, wouen gekerm en gekreun van ondergelegden, gekneusden, gebeukten, melodramatisch opgevlamd en verschroeid van zinnendrift. Midden in, drong Piet met Rink den polderreus, door de stilstaande paren.… Hevig-rauw krijschte geluid van lijf-reus, daa se moste deurgoan.…

—Seg krente-mik, snait de fint an rieme, sloa’m sain beene stuk.… en timmer sain mit de bloedige ende op s’n pet!.…

—Bàrst jai.

—Blaif jai heel!.… en meteen trok Rink z’n jas uit, om in z’n overhemd, meesliertend verkronkeld-oranjige halsdoek, nek-ontbloot, de eerste striemen weg te patsen, ’n Meid, blond in koniginne-statuur, slank en reuzig-forsch, was plots midden ingedrongen en uitrazend met tartende gebaren, duim onder kin woest wègstrijkend, gierde ze tegen Duinkijker kerel.…

—Rooie!.… rooie!.… rooie!.… kaik ie tippele!.…. kaik ie tippele![94]

—Laileke skarretje.… wa mo jai d’r vàn!

—Kaik ie tippele.… so glad aa’s ’n flesch.…

—Debies jai.… ik stink tog nie suur.… duufelstoejoàger!

—Jai? an main jassie.… sie ie main van veure.… kaik nou doàr’.… En wild draaide furie om, met haar achterste hoog opwippend naar ’m toe, in dwazen hoonenden wellust-sprong.

—Vuile kwieb!.…

—Mô je se maid siene.… puur soo breed aa’s hai.… soo pot!.… soo pan!.… gierde ’n kleine furie.

—Enn jai dan prop.… onder- en boofe-deurtje!.… mit je lange skele rot van ’n vraier.…

—Debies, tartte de forsche meid weer, spitisger met ’r duim langs glimkin strijkend, in duivelend scherp gebaar, rooie tonglap er hoonend uitpuntend.

—Dubbel-debies jai muurvarke!.… stoppelkat!.. gaif jai je kindere te vrete!.…

Plots opgestookt door verstoorde bende die dansen wou, kwam goeiig politie-mannetje, verlegen aan z’n rossige bakkebaard aaiend, tusschen de ruzie-lijven staan.

—Blaif jullie nou je fesoen houe.… toe nou.… kalm an.… kalm an.… jai die weg uit.… en jai die.—Zacht begon ie den polderreus te verduwen, die beenplakte, als ’n rots onwrikbaar, uitdagend, met z’n moker-armen tegen muzikantenhekje bombardeerend, dat de kerels trilden achter walmlicht. Rink’s groen-valsche oogen, lichtten als fosfor, donker-woest diep in z’n ruwen kop verdoken. Ruzie was geslabakt en wilde warrel joeg weer door de loods, die walm-zwaar pafte, in stofpoeier boven het geschetter, dat rood-sferig brandde. De koperen instrumenten van blazers flitsten in licht-glimsels.—Toortsig-helsch en satanisch, dreunden donkere monden van trombones, hun zwaarlijvige tonen den stankwalm in, dat wanden te barsten dreigden; fel boorden de hoorn-stooten als priemend geluid door de broeiing; schommelend gingen de lijven weer in rhytmisch gehobbel, in koorts van draai en tolling,[95]geilde de zwijmeldans weer door de loods, in rossigen rook, die meid-gezichten schroeide en oranjerig-rood begloeide in zwelling van bezweete huid.

Piet zoende in ’n storm, tien meiden te gelijk, achter den arm van hun dansers, waarin ze omschroefd pletten, en met Rink achter ’m aan, wien hij iets in ’t oor schreeuwde, drong ie naar den uitgang.

—Wie main lief hep, volgt main!.…

’n Twintig kerels hadden ’t sein begrepen. Buiten, op de verwittende havenkaai zouen ze ruim-rustig kunnen zuipen. Zacht vlokte sneeuw neer, wemel-schimmig op zwak lichtend haventje. Vlak bij tuindersboot, die donkerde in watertje, met fel-groen ooglichtje half-mast, holden en slinger-lijzigden de kerels aan, donkere stoet in wittigen vlokwarrel, schuw, om lantaarn-paal, die rossig-goud hun tronies beschemerde tegen nacht-duister. Piet en Rink smakten zich in de sneeuw, plat op hun achterste, met beenen vooruit, en schimmig cirkelde heele stoet, neergesmakt op straat, schimmig en schaduw-vreemd, zwakkelijk verrood in den gouïgen vlokkenmist onder lantaarn-paallicht. Achter de zuipers verwitten stil, huizen en boomgestalten, karren en manden. Inééngekromde pakhuizenrij, waarop bàng-wild, rossige schijnselkring van kleine lantaarn, makabren donk’ren bronsgloed kaatste, school droef weg in diepe droomtonen àchter sneeuw-wemeling. En geheim-zacht in ’t rosse licht dáár, zweefden de vlokken voor de droeve vensterblinden en schemerluikjes.

Piet had ’n groote kruik onder z’n jekker uitgehaald. Rink presenteerde ’n diendertje. Gretig ging rond nu in den kring mank glas en kruik, tot ’t onder beestig, koortsig-heet gekrijsch bij Piet weer terugkeerde. Kannibalig donkerde de hurkende zuipstoet, in den licht-schichtigen lantaarnkring en bang-groot slagschaduwden hun handen, koppen en lijven bij slingergebaren dooreen, in paarsdiepe silhouetten op rossigen, trillenden sneeuwgrond. Lallend zangden de heesche beest-stemmen. Even van kerels af, die in ’t vlok-schimmige als bedouïnen-stoet in sneeuw-nacht woelden,—kwam angst-gekijk[96]van Baanwijkbewoners soms, schuw op haventje loerend.

En stil, ruischloos boven donker-rossige, woeste zuiptronies, omkaatst van schimmig straatwit, vlokte om lantaarnpaal heen, zacht sneeuwgeweef, kuisch, smetloos wonder van vlokkenschemer, zachte warreling vergouend in ros-vlam, ontroerende smelting van licht, heilig en stil, dichtwevend duisteren nacht rondom.

Politie was gewaarschuwd. De burgervader, met ’n paar mannetjes kwamen aansjokken, vooruit voelend, dat ’t niet goed afloopen zou.

Jeneverkruik was leeggezogen en de helft van stoet stond weer, waggel-zwaar, en nijdig vloekend op Piet en Rink dat ze niet eerlijk gedeeld hadden. Piet, met bloeddorstige natuur, voelde vechtjeuk, schold terug, aldoor één woord, liederlijk. Rink zag schuw den burgervader aanstappen. Verdoken achter den kring, gooiden ’n paar sneeuwballen, vuil-modderig, van ’n groentenkar uit, naar agenten. Piet lolde, rauw, mikte steenen pal op zwak-geligen blinkhelm van kleinsten agent onder schuw licht. De heele troep was plots van de straat-hurk opgesprongen.

In wilden grabbel graaiden krampige handen over sneeuwgrond. ’t Regende ballen naar burgervader en agenten, zacht aanpaffend tegen hun kleeren. Bleek-streng bij ’t licht,—den stoet verjagend, die achteruitdrongen was,—draaide burgervader zich om, beval barsch agenten te staan. Even stemmen-gefluister tusschen hem en agentje. Sabeltrekkend in ’t schuwe licht, donkerde ’t mannetje met z’n klein gevolg, stijf, in versnelden pas op bende aan, die onder vijandig uitdagend vinger-gefluit en heet-lustig vechtgeschreeuw van Rink, zich achter karren en mandstapels bij ’n schuit verschanst hadden.

Onder hagelstorm van moddersneeuwballen, was agentje den duisteren wallekant genaderd en luk-raak, in sneeuwgewemel, dat ruischloos donkere mondholte inzweefde, schreeuwde hij iets voor zich uit, onverstaanbaar terugslaand op gegier van dronken stoet. Toen kwamen, op fijn fluitsignaal van agent[97]uit z’n staf, onder lantaarn uit, twee nieuwe mannetjes aanzetten, sprongen wild uit den rossigen lichtkring met sabels de lucht invlijmend, maakten schijncharge om te laten voelen, dat ’t ernst kon worden.

Uit de danszaal holden meiden, gillend in lawaai, en nieuwe kerels dromden áán, heet-nijdig op politie, drongen samen met vecht-stoet.

—Hak’ker puur op in, krijschte een agent, die lust had te ranselen, dwars door de dronken bende. Weer volgde van klein troepje dienders, ’n schijncharge. Achter karren, die schuin opstonden, met kruk de lucht in, vluchtte weg, donker gestoet van meidentroep naar wallekant, in angsthaast over glibbervuile loopplank dringend, naar tuindersboot. Achter kisten en manden uit, striemden steenen, hout en groentenvuil zwarte streepen door sneeuw-wemel, die als in stormhoozen weer wegwarrelde in andere richtingen.

Boven alle geweld uit krijschten de stemmen van Rink en Piet, dat sullie de kerels ’t water in mosten douwen. Plots trokken ze allen, met brok-scheppen, hooi- en mestvorken,—die ’n paar kerels uit afslagloods bij ’n pakhuis hadden losgewerkt uit den rommel,—op het viertallig agentenkringetje af, waar burgervader bleek-strak midden-in ordonneerde. De agentjes hadden de sabels ingehouen en de dronken stoet, in brullend gekrijsch en gefluit, drong weer, uit donkering van besneeuwde handkarren en kisten, in rossigen schemer van lantaarnlicht, midden op haventje, zwaaiend met scheppen, steekvorken, rijzenknuppels en boomstronken. Vooraan gilden dronken meidentronies, sommige woest-bleek beschenen, nat van sneeuw, met schuimige vlokken op neuzen, wenkbrauwen en oogranden. De burgervader, voelend dat ie te sterk had ingezet, schuchterde achteruit, wou ’t z’n klein agentje weer zoetjes laten bijleggen. Aarzeling was er, die de stoet voelde, want raker en striemender bonkten steenen, koolstruiken en hand-ingekneusde sneeuwballen in ’t kringetje, waarvan burgervader mikpunt werd. Klein agentje trad even weer uit den kring, vlak voor de donkere woelige bende, kerels die slagschaduwden[98]op lichtschuwen sneeuwgrond, als wemelende gedrochten uit chineesch schimmenspel.

—Jonges, schreeuwde agentje met vredestichtend timbre in z’n stem,.… hou jullie je nou kalm.… wa geeft ’t nou!.. sukke herrie!.… goan jullie nou kalmpies uit mekoar!.…

Woeling gierde er los uit den stoet, die nu weer vooruitstrompelend, in kring om alleene havenlantaarn duivelde, rossig, in wilde schijnsels.

—Barst jai, gilde Rink uit, jullie benne begonne.… laileke dood-van-ganzebord.… jullie sa’k levent f’rbrande.… aa’s we je nie mosse fille.…

—Kalm nou, kalm àn, deemoedigde agentje, z’n sabel weer in de schee neerpuntend.

—Kalm, kalm, m’neer salm-salm, zang-gierde Piet.… komp bai de huur t’regt.… nou kort en goed, duufelstoejoager.… aa’s jai.… mi je k’rnuite.… aa’s jai nie ofer-dwars te woater mòt, ruk dan in.… mars!!

Schatering daverde òp uit den troep, meiden liepen gil-lawaaiend weer terug over loopplank. Donker gegons van áánpaffende sneeuwballen, verschimmend in kruisworpen naar agenten-kringetje, dat stil nu afweerde, bàng voor ergere opwinding.

—Doe jullie je latjes weg, krijschte éen uit den stoet.

—Verdomd aa’s de duufel jullie sette ken, verdomd,.… vloekte moedig klein agentje,—goan jullie nou deur.… mot ’r nou geranseld worde.

—Joà joa! krijschten meiden.… kok-kok-kok!.… kok-kok-kok!.… moeder weer ’n eai!.…

—Op jullie bakkesse!.… die skar van ’n burgerfoader mô te woater.… galmden anderen weer.

—Smait sain onder de kar, breek se de strot, gierde Rink uit den stoet.

Een jolige meid duivelde plots vóór agentje, gaf ’m ’n ruk aan z’n baard, haastig in den donkeren stoet weer wegspringend, die al meer kwam aandreigen met zwarte harken, vorken en zware gereedschapbrokken.[99]

Rink zwaaide met ’n ijzeren moker, maar agent je was ’t minst bang voor hèm. Vlak bij ’m ging ie staan.

—Wees jai nou verstandig Rink, vleide agentje, zeg jai an Hassel nou, da se goan motte.… jai ben tog de boas hier.…

—Nee, huil-woedde Piet, die ’t half gehoord had,—doe jai die spitsboef doàr de boeie àn.… geef sain ’t kettinkie in z’n klauwe.

Rink, dronken-duizelig, half wetend wat ie zei, was gevleid door agentje.

—F’rjakkerjenne, spoog ie uit.… hou jai je bek:.… ikke bin boas hier.… ikke!.…

Zwaar zwaai-suizelde moker boven z’n schemer-rossigen dreigkop; z’n lippen sputterden schuim en voort brulde ie, doffe klanken onder zwaarder geslinger van schamp-lichtenden hamer. Plots greep ie de vork van ’n meid voor ’m, sloeg de punten woest tegen z’n moker in, boven z’n kop, dat stàlen tanden, lichtflitsend, vonkten tegen ijzer.…

—Weg d’r mee!.… de maa’n het glaik.… snurkers!.…

En weer slingerde ie de mestvork woest tegen den stoet in..

—Fort jullie.… ’t skeelt t’met nies.… nies.… of wullie gonge de bak in.…

Allo jonges.… wai saine waiser.… loate wai de vuilike links legge.… links legge.… wai.… wài.… binne vuilike.… wài.… sài binne ’t.… sài.…

—Agentje klopte ’m gemoedelijk tegen z’n rug.

—Flink soo Rink.… soo is ’t.… goan jullie d’r moar van deur.

Maar Piet wou niet, bleef halstarrig, schold Rink uit voor ’n verrajer, ’n kabboebelaap!.…

—Jai transvoalsche seemeeuw, stinkbunsum!.… jai.… Engilsche boef!.…

—Hou jai je bek.… ik seg moar.… ik seg moar, waggelde Rink er uit, stomdronken, donkerhoog boven den stoet uitschouderend,—ik seg moar.… da je.. da je te veul neusiesverf hàt hep.… jài bin dronke.… f’rdomd!.… dronke!..

De vrouwen wouen niet langer staan in kou en nattigheid.[100]Telkens scheurde zich ’n groepje af van den stoet, dat lollend en zingend, onder vermaning van agenten, de haven langsslingerde, onder boomen door; soms afbrokkelde, dàn weer arm-in-arm haakte, als donkere schutters in rijen, opmarcheerend naar hoek van achterhaven, tegen schuwen pakhuizenschemer in, den polderweg op. En achter hen áán, kreupelden al meer schamele hinkstoetjes, scharminkels in duister bewustzijn, verkoortst van karnavalshitte, onmenschelijk en ramp-zwaar geslagen, havenweg áfslingerend; landloopersellende, verspokend in langzamen schaduwtocht tegen oneindig donker-schimmige gat van besneeuwde-wei-poldernacht.

Piet alleen, bleef doorrazen, met nog ’n stoet je waggel-kerels, om lantaarn-paal heen. Rink drensde mee, Piet zeurde tong-zwaar met hoog-piependen stem-overslag.

—Sien je.… sien je.… jai!.… jai!.… jai-bint ’n fârrike.… sel ’k moar segge.… moar ik seg.… ik seg.… fierkant wa je bin.…

—Nou.… en ikke, treurstemde terug Rink, ik seg.… ikke.… ik seg.… da jài ’n boef.… ’n boef.… ’n Sjemperlan bin.… ’n skar.… sien je!.… moar.… i i i i ikke.. ikke.… ikke.… ikke seg-’t.… i-i-i-in je smoel.… sien je.. sien je.… e’e eerlik!.…

—Jeaijsis.… jeaijsis!.… daa’s net.…, lolde Piet vroolijk.… Ikke.… i i i kke.… i i i n.… ’n ploert.… sien je.. é é énne.… enn jai.… jai.… ’n boef.…, nie.… ?.. nie?… daa’s eerlik.… geef màin nou.… nou ’n poot kameroat!.… daa’s net.… jai ’n.… boef!.… é é é.… é é é.. enne.… ikke.… ikke.… ’n Sjamperlan!.…

En roerend innig, verrast en verzoend, tegen elkaar opwaggelend, met kwijl van lach-pret om hun monden, tast-zochten ze naar lantaarnpaal voor houvast, in been-waggelend geduizel; grijnsden hun rossige tronies, lachend onder het licht, probeerden ze elkaars handen te grijpen. Piet met z’n mouw, poogde zwaar gevlok van z’n sneeuwgezicht en brauwen weg te strijken. Laatste troepje, waggel-breed, slingerde den polderkant op, den spoorweg òver. Rink alleen achteraan, waggelde[101]een zijweg van polderpad langs, langzaam, in hevig geslinger, angstig-rakelings langs slootkant.

Stilte was nu geweven.… Van ver klonk telkens áán, melancholiek gegalm van Rink’s zangstem over doodstille wei, oneindig in vlokkendans verschemerd. Droef klonk dóór, zwaar-klagelijk en dronkemansteeder z’n lied:

Ik bin moar.… ’n swainke.… allain stoan ’k hieeeer!Allain op de weijrelt.… mi-sonder pelsieeer.…

Ik bin moar.… ’n swainke.… allain stoan ’k hieeeer!

Allain op de weijrelt.… mi-sonder pelsieeer.…

Piet, alleen sprekend bij lantaarnpaal, was ingezakt, wroette op de straat in ’t slijknat, kon zich niet meer op z’n beenen hijschen. Zachte redenaties hield ie tegen de steenen, met z’n gezicht in den sneeuwmodder.

Eindelijk kwam erbarming; werd weggedragen z’n stinkend lijf door twee agenten met kleintje aan ’t hoofd.

Stil nu lag haventje weer, in rossigen schemer, doodstil. Onder allééne lantaarn vlokte gesneeuw, vergouend in gasvlam, en schepen, verwitten hoog tegen spokigen spoordijk op, waarachter schimmig deinde, sneeuw-schemer van polderende wei-zee.[102]


Back to IndexNext