[Inhoud]V.Aan de Wierelandsche haven wachtten meisjes en jongens met karren, klaar om bakken en manden op te vangen van vader en broers.—Vier booten, achter elkaar, stoomden in, en van vier booten tegelijk, meerden de loopers ’t touw vast aan de palen. Een wild gedrang stootte òp, woest geschreeuw ratelde los; gekrijsch van tuinders, met verkeerde bakken, roep òm roep. Rauwe moeheid klonk door de stemmen, en zwaar de zweetkoppen, roodgrauw, paars en bietig, vloekten en gromden weer te moeten sjouwen in den nog smoorhitten zonnedaver.—Eén helsch karnaval van dooreenkrioelende zwoegers en waggelende beschonkenen, brak plots weer los aan de doorgloeide haven, gestoofd en geschroeid in den vonkenden zengdag.Paarden loomden weer stil, achter drom van kleurige karren, en van allen kant, op de haven, golf-vloeide gewirwar van kerels en wijven, meisjes, en jochies. Van de hooge booten reuzigden de werkers, met de bakken en vrachten op nek en kop, tegen eindlooze polderlucht violet vuur, dat dampte en smeulde.—Heele stapels hoekten in dwarsen lijn-opstand de lucht in, op de hooge boot; wilde kankan van opgeheven kisten, schuin en[179]vlak, rechtòp, dwars, scheef, en mandtorens waggelden geweldig op de zwoegschouers, en dampende zweetkoppen.’t Stormde op den wal, en woester krioelden en afmarcheerden de karren in hotsende ratel-herrie en bonkering, naar huis; geduwd door jochies en meisjes in schreeuwerigen konkel.—Het heete gedaver en gesmak van kisten waarin de leege aardbei-mandjes nu beèfden van schokken, bulderde weer òp, cyclopisch, als donderende klankneerstorting van mokers op aambeelden en houweelen-ring-king op steenen muren. En òm ’t smak-geraas heen, bleef roezemoezen bassig gegons van straatgeruchten.Troepen venters, klaar met hun manden en vrachten, afgereeën aan d’r kinders, drentelden rond met hun handen op geldzak, warmpjes de centen ingekneld tusschen vleesch-hitte en broek-voering, smakkend naar lekkeren Zaterdagavondzuip.Afgebeuld of in drinklol opgewonden, strompelden de groenboeren herbergen in, waar ’t borrelde en gistte van schurige stemmen, dronk’rige roezemoes; waar ’t schuiflawaai knarste van stoelen op zandgrond, tusschen stikwalm, rook-rood.—Buiten woelde ’t haventje in hellegedaver.’t Kraakte, klotste, hotste en smakte ’r in gloeiend zwoeggerucht, arbeids-hellebaardiers, die burchten sloopten.—In ’t watertje glom, kleurveegde en brio’de druk beweeg van kramen, sloepen, tjalken en bokken; op elkaar gedrongen, tusschen engen spoel van spoor-polderdijk en walkant in. Wemel van schipkleuren nog blond doorzond, gloeide òp in ’t àl zinkender licht. Op hoogen bakkenstapel, midden in thuiskomst van Zaterdagavondmarkt, herautte nù ’n kleine jood, met luchtig fluitspel.—Kring van honderden stond om ’m heengekranst, in starenden luister naar z’n wonderlokkend, klank-zoet fluitgevlei. Weinig sprak ’t joodje. Met ’n groot blad muziek op ijzer lessenaartje vóór zich, wees ie op de methode, zei wat van de fluit, ’t klank mooie, ’t zuiver-hooge en lage, en speelde, spéélde.—Joodje leek verliefd op eigen fluit. In zwierpracht en zoeten huiver van vloeiende vlei-toontjes, zilverende koloratuur, zong[180]ie zich uit,—dan één, dan twéé fluiten den mond induwend, zich zelf begeleidend. Starre bewondering strakte van de tuinderskoppen. Ze voelden, voèlden dat ’t ècht was. Prachtig ebbenhoutig-zwart, glansden de gepolitoerde oktavo-fluitjes in joodjes hand, en wonderzoete, zilver-trillende tonen blies ie de heet-zonnige havenlucht in. Met gratie, in duizelend snelle vingerradheid, duikelden, trilden, zweefden de toontjes uit z’n fluit, en z’n vingertoppen leken tien betooverde zieltjes, vol klank en zaligen galm. Snel dansten de topjes op de zwart-geglansde fluit, en machtiger zwol z’n toon, fel in zingende kracht, de havengeruchten overklankend. Dan plots hield joodje in, droefde ie weemoed uit, in weeken, donkeren fluister van wiegelende klankjes, slepend-zoet en innig-ontroerend, droomrige melankolie van teere toontjes, in klagelijk register.—Zoo jubileerde z’n wonderfluit tusschen ’t sjacher-rumoer, dat zacht verstomde onder z’n tooverzang. Heelemaal méé, in de pathetische zoetheid van z’n lied, schokte jood’s lijfje.—Zacht zwierde z’n hoofd, lichtelijk heen en weer. Op de kadans van z’n lied, rekte zich z’n postuur als groeide ie boven den luisterkring uit, kromp ie plots weer in, bij teerdren melodie-zwenk. En vlak om z’n hoofd geurde en zweefde ie uit, ’n krans van zangerige kabbelende klankjes, met iets er in van starende smart; murmureerde z’n vlei-klankende fluit, diep en vroom ’n litanie van innigheid; bleef dóórdroeven z’n zang, in smartlijk mineur, speelde ie uit, ’n lied van tranen en hartewee. Dan plots, in ’n schater, zwol z’n toon in ’t hooge register, joelde de klare zilveren klank van z’n demonische fluit als ’n woeste jubel door de polderlucht en haven, schaterend en klaterend. Roerloos stond ’t landvolk in tooverban te luisteren. Eén laatsten stroom van klankenjubel tremoleerde hij nog woest en oriëntaal òver de koppen heen, wijd uitvloeiend de zonnelucht in; klankenpracht, als ’n vurige hymne rondbruisend door den havengang. Plots zweeg ’t joodje.—Dronken en nuchtere kerels stonden gebluft, nà de plotse fluitstilte, in argelooze luistering.—Zwoegers uit de donkere bedompte kroegen, waren opgestapt, in furie en bedwelming,[181]naar den man die daar zóó gejuicht en geweend had, onder de slavende massa.—Joodje, zeker van z’n kunnen, zelf wèg in zoeten huiver van z’n klankinstrument, speelde weer opnieuw, gaf zich heelemaal over, aureooleerde zich in een sfeer van zilveren tonenzang.—Eindelijk, klaar met z’n spel, stroomden de kwartjes op ’m af. In fijn-gele vloeitjes wikkelde ie de glanzige zwarte fluitjes met goud-vergulde ornamentjes, drukte ie de kerels de gewichtige methode in de hand.—Mit dat boekkie, in drie daagh en nachte, kan èllek manspersoon en vroùspersoon de heele kunsh! ’n Kind kèn de meledie! wattie wil! as ie ’t marr kèn! begrijbt u!Z’n luisterkring van boeren stond als vastgezogen aan den grond, in verbijstering voor dàt spelen. Zoenen wouen ze den kerel. Joodje had geen handen genoeg. Jongens met lach-van-ontroering op d’r gezicht kochten; mannen, die in hun schemeravondstraatjes onder de lommerstille zomer-boomen harmonika speelden, kochten; dronken kerels, betooverd en half ontnuchterd kochten; meiden, wijven en „notabelen” kochten.Strak-zelfbewust bleef gezicht van Joodje, die soms midden in ’t drukst van z’n verkoop, plots naar zich toegestrekte armen terug-wees, met stil gebaar z’n fluit, koester-zacht vatte, en speelde. En alles roerloos, in tooverban als klonk er geen hond-geblaf, kargehots en sjouwgekrijsch meer, bleef rond ’m staan.Tot heel naar den polderweg verklonk de klaagroep, van z’n fluit, zoet gefluister, smachtende adagio’s, plots vervloeiend in stoute schalmei van jubelende scherzo’s. Begoochelder stonden rond ’m, in broozen luister, de afgemartelde zwoegwerkers, met verrukking in de oogen, bevende monden en verlegen handen. Plots weer brak joodje àf, deelde ie z’n fluiten uit, tot ie alleen z’n eigen instrument overhield. Eén groenboer, wou dàt ding hebben, met ’n gulden toe, zei ie sluw lachend naar de omstanders. Maar Joodje lachte ook, gaf ’m z’n fluit, ruilde met den boer, die ’t geld klaar had in z’n hand, en speelde nòg mooier op ’t kwartjes-instrument.[182]—’t Sit ’m weràchdig niet in ’t fluitje.. ze binne d’r as tweeh drobbele water geleik eender!.… ’t zit ’m in ’t hart meneer!.. in ’t hart!.…—Hoart?.. hoart? sputterde ’n tuinder.…—Nou ja.… ik bedoell eigelik in uwès boekkie.… de methoòde.… lachte Joodje weer ironisch, ’n kind kèn ’t leere.. in drie daaghe het tie ’t onder de knie!Vier honderd fluiten had ie verkocht in één uur. En overal op de haven, door Wierelandsche straatjes en steegjes verklonk fluitgejoedel, valsch en onbeholpen, stooterig-monotoon lawaai, dat joodje sarkastischer lachte op z’n bakkenstapel en inpakkend z’n lessenaartje, nog spottend nariep:—In drie daaghe te leere.…voor’t kleinste kind!.… de meledie.…Rond de bakken, honden en paarden, bleef ’t laat, tot in den schemer ratelhossen van karren, klakkeren van hoeven en orkanen van hellegeblaf.—Bij aansluip van avond, begon éérste drinkmaal van venters. Lichte zuip was er geweest in de stad. Echte zuip barstte nu pas los. Ontembaar zouden ze zich gaan geven aan den heerlijken zoeten brand van dronk, als koelst ijs in hun stoffige ventstrotten verglijend. Bij wijven thuis was alleen gemor, kinderenherrie, schoonmaakploeter, geharrewar en zaterdagavond-afboenerijtjes. Geen zitje, geen likje. Niets lekkerder en plakkeriger noù, dan samenbroei in de stikheete kroeg, met gesuis van havenlawaai nog èven in de ooren, roezemoezigen verdoofden naklank van sjacher.En niks doen dan lollen en babbelen, verdoofd tòch alles hoorend, maar van verre gebeurend, in ’n warrel. Zacht geklots, gezoen en getikker van biljardballen, kleurig en glanzend, robbelden over ’t gehavende lakengroen, bemorst en ingescheurd. Fel gevlam van gaspitten dampte hette uit.—Vuur en rook van pijpen en sigaren, rood-smokerden in een sfeer van kroeg-zwijmel.—Scherpe jenevergeuren, spiritusachtig zuur, walmden uit buffet[183]van tafel naar tafel. Ze voelden zich smoorheet, de groenboeren, maar lekker, paf-verhit in de kroeg.Dirk en Klaas Grint bleven vlak bij elkaar. Dirk zoop zwaar dat z’n hoofd heet-kleurig rood te zwellen stond, en z’n kale, blond behaarde nek in vuur schroeide. Grint had stille drinkerskleur, zachtpaars, maar toch keek ie nog helder uit z’n oogen, zonder dat iemand merken kon dat ie al vet was.Op de haven had Dirk Kees, die karren en bakken terugreed, nog even gesproken. Hij wilde ’m ’n borrel opdringen, maar ’t was niet gelukt. Ze hadden Kees ook èrg schuwerig bekeken weer, als voelden ze zich niet gerust bij den stillen Strooper. Uit angstigen bijval wilden hem ’n paar tuinders nog wat borrels aansmeren, maar Kees bleef weigeren, toèn met ’n vloek.—Dat was z’n kracht! Hij voelde dat, àls ie zuipen ging, hij niet meer ophouên zoù al z’n verdriet, z’n huiselijke ellende en getob over Wimpie’s beroerderigheid weg te spoelen. Nou z’n ventje ’r nog was, hield ie zich sterk.Nou had Kees Dirk gezeid, dat Ouë Gerrit d’r strak-en-an nog rais ankwam, op de haven. Dat maalde Dirk ’n beetje. Hij voelde dat dàn z’n centen in den zak, bedreigd stonden; dat ie niet meer doen kon wat ie wou, als d’Ouë neerstrijken kwam. Toch verdoezelde die gedachte tot vage verwachting in z’n kop. ’t Heetst in ’m woelde ’t denken aan de mooie meiden van Klaas Grint, vooral aan Geert en de heete Trijn, waar de neven Hassel òòk op loerden. Naast Grint aan ’t stomphouten tafeltje opgedrongen, zaten Jan en Willem Hassel. Klaas Grint sluwigjes, voelde zich lekker tusschen de gesmoorde geilheid der knapen. Hij kon tegen ’n borrel als geen ander.En nou vond ie ’t ’n zalige lol, zoo happie nà happie in te zuigen, zonder ’n cent te dokken, in woesten naijver van drie kanten opgepookt tot vrij zuipen; dàn door Willem, dàn door Jan, dàn door Dirk.—Piet mankeerde nog, hinnik-lachte ’t cynisch in ’m. Tusschen hùn halsstarrige, zwijg-nijdige boerenpassie in, wreed en moordend, warmde hìj z’n zuipbegeerte. En telkens als Willem zag, dat Dirk trakteerde, riep hij ook den kastelein, bestelde voor Grint in ’t wild erop los. Grinneken[184]bleef Klaas er om, en trotsch voelde ie zich, in z’n dronken kop, dat hij toch de vader was van zulke lekkere meiden.—Nou, drink jullie d’r moàr, d’rfeur binne jullie vraigesellekerels hee?.… Moar.… van màin goant nie hee?.. van màin hee?.…ikkehep d’r maide en klain goed.…Hij grinnikte Grint, veegde met z’n dikmorsige vingers langs z’n neus.—De kerels knikten, grinnikten mee. En Grint lachte erger, met dronken stemmeschuur in z’n schater, omdat zij grinnikten.In tijen had ie zooveel zaken niet gedaan, als vandaag. En hij, helsch genietend als ie iets niet hoefde te betalen, z’n duitjes bezuinigen kon, maar toch loerend op wat lekkers, hij kòn ’r niet over uit, dat ’t nou bij hèm puur was: mond ope, portemenee dicht.…Joliger klokkerde ie z’n borrel in, langzaam roerend, elk happie, dat dadelijk weer aangeschoven stond onder z’n hand. En iedere borrel als ’n lafenis door z’n keel, spoelde wèg vermoeiing van smorenden dagzwoeg.—Stiller, in dronken zwijg,—zwijg toch van huilend, woedend-woesten hartstocht, op z’n neven, schooiers die loerden op zìjn meid,—bleef Dirk naast Klaas Grint geblokt.—En lolliger werd Klaas, aangeprikkeld door den gonswarrel van stemmen in de herberg, den dronken zoem van kakelaars, venters en koopers en allerhande kroegtypen dooréén. Laag en diep, met z’n gloeiendeglasvlammen, rookerig, verweerd van hitte, verronkte de kroeg z’n dronken reutel van geluiden. Jan en Willem schoven al dichter naar Grint toe en trakteerden weer. Langzaam genot-innigend ging de zuip rond, langzaam en demonisch. Dirk zag den ouen Gerrit niet opdagen. Vond ie lekker! Rond ’m woelde de herberg al voller met drommen bestoven zweetkerels, bek-af van sjouw. Waggelend en krijscherig sloegen hun lijven, massaal en reuzig door den heet-rooien rooknevel.—Troepjes met blazende, gloeiende zweettronies bleven waggelen voor ’t buffet, de glaasjes tegen ’t licht geheven, dronken zeurderig en spraak-zangerig; plasten het vocht hun kelen in, onder knars van hun klompen op zandgrond. Van alle hoeken[185]spogen groenboeren en venters in de bezande spuwbakken hun pruimen, zopen en vloekten ze. Op klein bankpuntje, dat open kwam tusschen ’t kroeggedrang, smakte zich haastig ’n werker neer, met grauw-moeën kop, en reuzige geknauwde handen bevend-uitgestrekt naar ’t buffet, in snak naar drank-koeling.Tegen tien uur stapte Grint òp, z’n schitteroogen verkleind van stille beschonkenheid. Dirk mokkend en pruttelend, waggelde zacht mee òp, grabbelde duizelig in z’n diepe klepbroek, waarvan de grove voornaad vettig spande tusschen glimmig smeer. Alles betaalde ie.—Willem en Jan opstuivend, streden, duwend en vechtend, dat zij de helft er moesten bijplakken. Dirk zei niets, gaf, zachtwaggelend, ’n stommen nijdigen wenk aan kastelein dat ’t, zóó als hij ’t wou, in orde was. Kalm schoof herbergier kleingeld terug op natbeplaste tafel, dat Dirk naar zich toeharkte, kleverig, maar vallen liet op zandgrond en in spuwbak.—Nie d’r strooie hei Dirk? baste ’n kerel met diepe fagotstem.—Aa’s je te veul hep, is màin d’r nog! gierde ’n ander.Nieuwe drom kerels klomperde in, stapte langs en voorbij Dirk, die gebukt zoekend, in zachten rondtast, lijf-zwaaiend, ruw op z’n handen getrapt werd. Bloed zakte ’m naar den kop. Rauw vloekte ie uit, en flauw loerde ie rond op den grond, maar half beseffend of van hèm of van Grint wat duiten weggerold waren.—Lodderig staarde ie òp naar Klaas die gierde, z’n buik met z’n vuisten betamboerijnde van lol.Plots vloekte Dirk weer, stapte in wijen waggel, onzeker naar de deur. Grint had ’t geld uit den spuwbak gegrabbeld, ’t nattig en bevuild Dirk in de hand geduwd. Maar die beweerde nou, met dikken tongstotter, dat ’t van hèm niet was, dat hij d’r puur nies verloren had.—Zoo’n geep! gierde Willem Hassel hoonend.Stom bleef Dirk voor zich uitkijken met z’n neus bijna op de deur gedrukt. En toch nijdig, gloeiend nijdig was ie, als ’n bromvlieg onder vangstolp. Niks nog kon ’r bij ’m uit. Alles zat opgepropt. Hij voelde den roes over ’m heen gloeien, benevelend, versuffend. Hij hoorde àlles half verward. Alleen[186]heet-stellig maalde ’t in ’m dat ie nou meeging naar de mooie meiden van Grint, naar de lekkere Geert, Trijn, Cor en Annie.—Nou … ik bin d’r op haide op stàp … mond ope.… portemenai toe.… schaterde Klaas opgewonden.Geen woord zei Dirk, vroeg ook niet of ie mee kon. Hij strompelde zacht zwaaiend naast Klaas, de herberg uit, als hoorde ie bij ’m.——Nou.. aa’s hai.… had d’r sels is.. binne wai ’t ook, bromde Willem en nàbromde ’m Jan.Daar zat Grint ’r ’n beetje mee, want de mannen hielden áán.—… Duufels, doar droeg ie twee, drie dronken kerels in huis.… heet op s’n maide … Moar sullie hadde sain tug soo rejoàl d’r van late snoepe!.. Allainig Dirk!.… die wou die puur wel kwait!.. Die keek d’r soo suur.… soo ’n naidas!.. Da’ konne s’n maide nie bestig hebbe.—Hij had al rond gezien op de donkere haven, of ouë Gerrit d’r ook rondscharrelde bij ’n kroeg om ’m mee te sleuren. Want Willem en Jan waren ook veel betere partijen voor z’n meiden.. Zat veel meer loodpot! Die mochten haarlie bescharrelen zooveel ze wouen.… Als ’t maar niet tot kinderen kwam! Maar nou zag ie geen ouë Gerrit, geen Kees, geen Piet. Dan most de brombeer d’r ook maar bij; kon toch vast geen kwaad.—Mô je nog ’n afsoàkker Kloas? vroeg plots, voor ’n rot kroegje staanblijvend Dirk, met bleeke strakheid in z’n kop en tril-trekjes om z’n lippen.—Dankkie uit ’t hartje kaèrel! Ik hep d’r t’met.… t’met wá’ bai màin stopt, veur ’t nest hee?.… ’t mog d’r weer ’n weekie sain.… dan kraige sullie alletait van main ’n lik uit de flesch hee?.… Jammer da’ sullie d’r aige nou t’met juist an ’t boene binne.…—Selle wel waiser wese.. lolde Willem sabbelend op z’n woorden.… aa’s d’r jonge kerels komme.… da treft d’r nou net ellèndig mooi!—Niks gedààn jonges! Je houê d’r jullie fesoen!.… daa’s onder en boòfe de wet sait hee? jonge maide is d’r hiet brood.. paa’sd’r op![187]—Nou,.. sullie wete d’r woar Brammie de mosterd hoàlt, piekerde dikbullige Jan.—Tu.. tu.. tu.. manne,.. hield in dronken energie Grint vol.… main maide binne d’r onskuldig aa’s ’n kerk-kruissie hee?.. ’t binne d’r netuurlik jonge skepsels hee?.. en se binne d’r soo ellendige goeie kooksters, enne meroakels goeie huishousters.…—En Train is d’r tug soo’n ellendig-knap swoàrtje, brulde dikbullige Jan huilerig, lachend van dronken aandoening.—En Geert.… da’ liefe bakkesie! schreeuwde Willem.Dirk gromde wat, dreigend onverstaanbaar voor Klaas en de neven, die maar zwegen, uit angst dat ie ’t herhalen zou.—Recht over ’n weibrok stuurde Klaas op z’n erf en huisje ààn, dat stil en klein achter hagen en vruchtboompjes donkerde tusschen het verduisterd groen, midden in geheimzinnige murmeling van zomeravondland, weemoedstil en geruchtloos.—Dirk voelde zich lam in de beenen. Hij had ’n schat verzopen, maar Klaas niets en de neven waartegen ie nooit sprak ook maar weinig. Dat hinderde ’m nou, maakte ’m barsch en nijdig, toch zonder dat ie iets zeggen kòn.Bij Grint zaten de meisjes, in ’t halfdonker, paf van de hitte, doodop van aardbeipluk, lusteloos en morsig nog, op ’t achterend. Toen de mannen instapten, bonkerde ’r rumoer in ’t stik-heete hokje, dribbelde ’t vrouwenkliekje onder zachte gicheltjes en lach-kreetjes naar de voorkamer, waar de kleintjes sliepen in bedsteeën en ledekantje, en ’t duf stonk naar verstoofde menschenlucht, zweet en adem. Zenuwachtig door ’t lawaai van de zware stapkerels en schorre dronken stemmen, draaide moeder Grint ’t lampje òp vlak voor ’t raam, dat half in hoogòpgebloeide geraniumsblad en dennetjesgroen gezakt stond. ’t Vuur van de hel-rooie blommetjes vlamde ertusschen en tonglekte, fel-rood. Acht potjes in ’n rij, opgekneld en saamgeknussigd achter ’t dichte venstertje, dat nog inniger scheen in z’n kleinen ruitjesbouw, de blommen hoog uitgetakt, tusschen ’n pot-dennetje. Vlak er boven, ’t gordijn, geel-blank door-goud[188]van lichtstroom, met z’n wollige bolletjes, zachtglanzend neergekroesd in ’t groen. ’n Klein scheepje hing tusschen ruitje en blompotranden te pronk, met z’n teer mastwerk, ragge kruisdraadjes en koperen boegplaatjes, glanzend tusschen het warme roodaarde.—Zòò, intiem en stil, ’t raampje met z’n uitgeteerd-groen horretje in ’t puffe zomeravondkamerke, leefde eigen bestaan achter z’n stille, glansgouden gordijntje.—Vader Grint al opgewondener, schreeuwde dat ie weer ’n likeurtje voor ’t nest had meegebracht. Geert keek glunderigschuw, naar Dirk en de neven. Haar diep-donkere oogen zochten te begrijpen waarom de mannen zóó laat waren meegestapt.Dirk bleef bokkig, zei geen stom woord, zoende Geert alleen met z’n heeten oogenkijk, pal in ’r wulpsch blanken halskuil.. Nooit nog had ie soo’n lekkere maid sien—— doar waa’s Guurt ook niks bij.Willem loerde van ànderen kant op Geert en Jan lolde met Trijn en Cor.—Uit achterend in klomprumoer was plots Piet Hassel ingestapt, in schijn zoekend naar Dirk. Woest was ie op den kerel, dat ie daar zoo pàf en stomp naar Geert zat te gluren, hij, die toch ook wist, dat ze al lang met hèm aan ’t scharrelen geweest was.—Bokkiger nog keek ie op Geert neèr. Op z’n kousen, stil was ie ’t kamerke ingeslopen, morrend in zichzelf dat dâ speelsche meidetuig ’n elk vrijgezel lokte.—Jan Grint, in ’t gangetje z’n klompen uitklakkend, stapte na Piet in. De meiden gierden, bufferden hun kopjes bijeen onder lampgloed. Vrouw Grint gichelde mee, schel, met snerpende schreeuwerigheidjes, dat ’t broeihok volschetterde van stemmenrumoer. In lollig opgewonden gebaar zette Klaas ’n flesch jenever op tafel.——Moeder!… nou skenk jai d’r aa’s ’n klebak de kring rondhaine.… hee?Piet was dichter op de meisjes aangeschoven en Jan Grint gaapte, gààpte. Willem vloekte in zichzelf van nijd, dat z’n neef Piet, nuchter en koel, zoo midden in was komen opdagen.[189]Maar Jan Hassel kon ’t niks schelen. Half al zat ie op Trijn d’r schoot, kinstreelde Cor, ’t blondje, onder woede van vurige Trijn, die geen jongen kon zien of ze moest ’m hebben. Gauw, met ’n por, liet ie Cor los, keek Trijntje pal in de appels, handstreelde ’r week-kittelend en sluiperig in ’r hals, staarde lodderig verliefd en dronken-sentimenteel, haar brandende begeerende kiekers in.—In ’t ledekantje, wurmden en woelden de kleine plukkers en plukstertjes, half in den slaap. Een kereltje, klaar wakker van lol-gerucht, stootte de anderen òp.—Een vóor één, verschoond, pas wèg onder den Zaterdagavondboen, strompelden ze òp, uit bedsteetjes en ledekant, met knipperende oogjes tegen ’t felle licht.—De drie kleine meisjes, in blanke ponnetjes, met hun lachend slaperige, helder geboende rooie gezichtjes, drongen verbluft op de tafel ààn. De jongens, in d’r loshangende smoezelige hansoppen struikelden vàn gretigheid, naar voren. Klaas Grint, al opgewondener, schaterde en grappigde gemeene moppen uit, proestte zich zat met z’n eigen pret, en lachronk.—Hij vertelde dat ie dat elken Zaterdagavond zoo had geprakkiseerd, ’n lekkeren dronk voor z’n nest, op ’t geploeter van de week. Dat mochten ze waarachtig wel hebben. Dan kreeg de heele kring ’n borrel. De kinders rekenden er al op; smakkerden en joolden al vooruit, wachtten elken week tot ’t kwam, met slaap in de oogen. Iedere week moest ’n ànder waken en wakker schudden zusjes en broertjes, als vader Grint wel eens heel laat aanzwaaien kwam. Maar dikwijls viel ’t kind-wachtertje in slaap, lag ’t heele hufter-zooitje te ronken; ging de zuip hun voorbij, zonder dat ze ’n druppel drank geproefd hadden.—Gespitster bleven ze de volgende week, in langen worstel tegen slaap. Hoorden ze dàn flesch- en glaasjesgeluid zacht rinkelen, geslobber en geraas, dàn veerde wakertje òp, hielp hij, in stooten en bonken, zusjes en broertjes overeind; bombardeerden en drongen ze joelend naar voren, in den kring. En Klaas Grint, schaterde dan, was trotsch, heel trotsch op z’n wakkere kleintjes, dat ze zich niet hadden laten verschalken.[190]Dirk bleef stom op z’n stoel als ’n blok, deed niets anders dan Geert in ’r donkere oogen staren, en ’t gezicht zwart te rooken. Willem schoof al dichter bij, aan anderen kant en Jan Hassel, met z’n log lijf glisserde zich nou heelemaal op den schoot van vurige Trijn, waar ie telkens, met ’n schijn-ontstelden opkieper van afgebonsd werd. Dan gilde Trijn in dollen lach, stootte Willem tegen z’n buik, maar Cor en Annie hielpen Jan weer òpsjorten, langs d’r beenen. De meiden tusschen de stoomende stoeikerels, kregen ’t warmer, lachten, gierden en bliezen van hitte en klefferige vurigheid. Piet bestoeide Cor, uit wraak tegen Geert, en zoende Annie dat ’t klapte. Alleen als de kerels in brutalen grabbel hun te lijf wilden, trapten en beukten de meiden op hun schonken, die toch roerloos bleven, als van graniet, onder de weeke bons van hun meisjesknuisten.—Vader Grint keek loensch, woedend dat ’t wijf de kelkjes nog niet had neergekringd.Schunnige grappen en woorden ronkten de kerels onder drinkhitte uit; branderig borrelde dierdrift op. Gloeiriger handen tàstten, feller oogen loerden door rookdamp heen. Maar telkens nuchterde vrouw Grint er wat tusschen, dat de kerels even verbluft en sip vòòr zich keken.—En Jan Grint, nijdig op ’t bezopen stoetje, den branie Willem, kalmeerde ze met koelen, norschen smak van woorden. Langzaam had vrouw Grint eindelijk kelkjes uit de kast gehaald en neergezet. In fijn zilverende glinsterkringetjes klokkerden klaar de glaasjes vol, en zoetig liet ze, in elk kelkje ’n klontje zakken.—Enne de laipeltjes moeder.… da’ sullie d’r van deur-roere kenne! hee? schreeuwde Klaas, spog-sputterend uit z’n geschroeiden mond.De kleine meisjes tegen elkaar gedrukt op twee stoelen, met de knietjes onder de schoone lijfjes, als duivenrijtje op tilrand blank, keken met groote oogen waar slaap nog in ronddraaide. De jongens, mannerig, wachtten, gierend van pret.—Motte de kinders nou d’r ook weer foader?.… vroeg zichzelf onderbrekend vrouw Grint.—Daa’s net! soo wèl aas wai hee?… die … die … binne[191]d’r op kommende waige hee! barstte Klaas jolend uit, sullie hebbe d’r meeholpe.. nie? laileke kakketoes!.… en d’r aige krom plukt!.… soo tuikig aas de beste.… En nou.… doa’ goàn jullie.… wàif.… kèrels!… maide … kooters! santjes!Vader Grint slokte gretig, stond zacht waggelend voor de tafel, zakte in zwaai weer neèr op z’n stoel. Mannen, vrouwen, en kinders met d’r kleinuitgestrekte armpjes, klonken beverig ààn, in driftigen rinkel en tinkel van kelkjes. De meiden proestten om alles en dronken te gelijk. Geert schoot in ’n kittellach, dat jenever ’r tegelijk uit neus en mond spoot, ze in krampende hoestbui, rood-doorschokt, dreigde te stikken, inéénkronkelend beenen en hoofd en spuwend-lachte met betraand-dolle oogen. Dirk was verschrikt opgesprongen waggelde weer terug, voelde z’n arm verdrongen door Willem die Geert hard op ’r rug klopte, onder d’r stikhoestend krampgelach. Eindelijk bedaarde de meid, nog nakuchend telkens van jeneverjeuk in ’r brandende keel, gloeiend als had ze ’n peperbus geleegd.Jan Hassel had haar glaasje weer deftigjes tot aan den rand volgeklokkerd dat ’t fonkel-vocht, weer schitter-zilverend kringlichtte in de kristallige kelkjes, en stotterend hoestte Geert uit:—Joa.. joa!.. ongelu!!.. ukke!!.. binne!! d’r kwoaje kan.… se!!—Aa’s nou d’r Guurt d’r is hier waa’s! lachte wulpsche Annie, de jongste meid met ’r mopssnuit.—Geloenscht had ze naar Dirk en ’r broer Jan toen ze ’t gezegd had.—Guurt.… Guurt!.… stotterde Dirk, voelend dat ie wat zeggen moest, die f’rskoont d’r aige … nou.. d’r bast!.. die stoan d’r.. nog feur.. ’n kattebakkie.Geert dreigde op ’t botte, stom-uitgeaarzelde antwoord van Dirk weer te stik-proesten in jeneverslok, maar d’r broer Jan, keek zóó sneu en zuur dat ze d’r lach inperste en neven Hassel ook voor zich uit-sipten alsof Dirk heelemaal niets gezegd had.—Licht-zilver wiegelde in glansjes om kelkjes, en fijn kristalde ’t zilvervocht. Klaas Grint vond ’t lollig, dol-lollig, wat Dirk daar uitstotteren kwam.[192]—Aa’s je main nou!.… jai.… jai ken d’r tug soo ellèndig goed liege hee?.… da’.. da’ de lekkere Guurt.. d’r.. d’r aige nou.. f’rskoont.. hee!.. daa’s sneu.…—Niks gedaan foader, hou je bek d’r buite, snauwde drift-bleekig Jan, die niet hebben kon dat Guurt door ’t bezopen stelletje belold werd, allerminst ’t duldde van zijn vader.—Nou.… kaik!.… daa’s … eerst.… ’n be.. laift.… bèfel.… van.… van hooger hand.… hee!.. Gain jai.… d’r na’ jesnoeptoàfel.. foader! wil dá’ segge!.. nou!.. daa’s befèl van main nikker, de swarte Joan,.. eenmoal.… andermoàl.… nou hou je sain heul fesoenelik.… en figeleer je nie … en nou goan wai d’r nog rais ’t kringetje rondhaine hee?.… Moeder! gaif de kooters nog rais ’n hallefie.. enne main!… enne.. de kerels.. de volle moat! hee manskappe? da’ laikt hoarlie hee?—Altait lekkerder aa’s op ’t land te f’rbrande, mit ’t hiete spog in je drooge bek.. sloeg Piet er door, tegen Trijn áán, stoeiend met de lange blonde Cor, die stil zat en smakkerend met zoete teugjes ’r jenevertje inzoog, dronkje waar ze dol op was, iedere week.—Vader Grint lachte luidruchtig om Piet, met oogen nat van glansen en stil uitwerkende dronkenschap. De kerels roerden, smakkerden, en de meiden lachten en likten. En gretig, in felle passie, zogen de kinders ’t drankvocht bij zoete kleine teugjes in, piekerden met hun vingertjes klefferig bodempje schoon, boorden en kronkelden d’r tongetjes, spitsig langs ’t randje, omlekten de glanzige en besuikerde kelkjes, woelden en zuchten in spartelend plezier. In drukke gebaartjes pagaaiden de klef’rige kinderknuisjes door elkaar heen, schuurden woelig schoudertjes en armpjes langs de tafel. Fel lonkten en vonkten de oogjes in ’t lamplicht, en ’n paar brutale jochies poogden te likken, te smakkeren, doopten hun vingertjes in de kelkjes der vreemde kerels.—Onder gelach en gebabbel weerden die hun klauwtjes àf, zonder eigenlijk te zien wàt de kooters deden. ’n Roodharig jochie van vijf, apig maskertje, met wijsgeer-rimpeltjes op hoog-voorkopje ingegroefd, vroeg om méér. En ’n ander,[193]wat ouër, drensde mee in hurk, z’n hoofd op twee ellebogen gesteund, vingertoppen den mond ingeknauwd, met z’n hel-blauwe oogen, pijn-lang ’t licht instarend. Maar dadelijk, als kreeg ze haar herinnering terug, viel vrouw Grint nijdig uit, dat ’t nou dubbel en dwars mooi geweest was, joeg ze de duizelige kleinen met snauw en duw weer naar hun bedjes. Christientje werd aan ’r lange haren meegesleept door ’n drank-verhit jochie van acht, en gierend opgewonden, elkaar beklapperend op de billen, klauterde ’t stoetje weer in de verbroeide slaaphokjes, die vol dampten van rook, walmden van snikheete, duf-drukkende kamerbenauwing.—De mannen joolden met Dirk mee, die plots van stommetje, in ’n vlaag ’t drukst wierd van allen. Hij stoethaspelde en raaskalde, stoeide en sprong als ’n klown, strooide gepeperde moppen stotterend rond, flapte en stapte dat de meiden, verhitter, schik in den kerel kregen.—Z’n kop gloeide rood, z’n koeienoogen glansden, en z’n chineesch-kakerige snuit keek sentimenteel. Piet zong schor, schold ieder uit, zoende vlak voor Willem Hassels tronie, de mooie Geert op d’r gloeiend-wulpschen mond en blank open halskuil, dat er vloeken en bedreigingen hurrieden tusschen de dronken knapen. Maar de meiden konkelden ’t weer goed. Klaas Grint lachte er overheen en vuriger stoeiden de mannen dan weer, in haat en wrok, tòch voor ’t moment met elkaar verzoend.Duffer broeide de avondkamer in voozen stofstank van gesloten vensters. Het raampje, met z’n geranium-vuur, bladergroen en fijn roodaarde, achter ’t vergroezelende licht en vroom-groen horretje, waasde stil-gouïg tegen avonddiep duister van buiten, en elk ruitvakje verpeinsde eigen glansjes van tonige tintstilte, diep en wazig. ’t Scheepje stond roerloos met ’t ragge touwgeweef, en heel ’t venstertje, gouïg aangegloeid in lampeglans, met z’n roodaarden blompotjes, bloemen-vuur, en groene twijgjes, ver-eenzaamde inniger achter geproest en schor stemgebrul, ver van ’t burleske geschater en schurend gegrinnik der dronken, dierlijke boerenkerels. Over bovenkant van half gezakt gordijntje holden en lolden schaduwbroklijven[194]van de mannen, als ze waggelzwaar van hun stoel dansten en loom kankaneerden met armen en beenen gelijk. Dan ging er dronken waggel van rompen en koppen tegen ’t gelige gordijndoek; chinees-schimmig en burlesk-angstig vergroot als ze stapten naar achter, in ’t tonige halve kamerduister; schèrper aanrumoerend, en silhouet-zuiver, de dronken profiel-tronies omlijnd, als ze zich bewogen naar vòren.—Smokerig in nevel rookte de kamer rood van gouenaars en sigaren. Scherp in vlagen, prikkelde jeneverstank er doorheen en lolliger in de zomeravondhitte zopen de kerels hun kelkjes leeg, in kleverige klauwen, snurkerig schrei-lachend en dronken doorgrinnikend. Dirk zat met asch bemorst van z’n borst tot z’n knieën, en telkens plaste ’r jenever op z’n kleeren, als ie waggelend opstond en met z’n glaasje in de hand lachtronies der meiden bestrijken wou.—Met schrik en angst loerden de dochters naar hun handen, die rondzwermden in al woesteren tast. Tot eindelijk, laat in den avond, heel laat, vrouw Grint ’t besef kreeg de kerels te bonjouren. Dat had ze nog nooit beleefd, zoo’n latertje, al wàs ’t Zaterdagavond. En al loerde ook zij op de rijke neven Hassel, nou, met die arme donders Piet en Dirk erbij vond ze ’r niet veel aardigheid in. Met boffen en beuken drong ze de kerels naar de deur, woedend op vader Klaas, dat ie zich zoo te buiten ging.—Want Grint joeg de kerels òp, tegen elkaar in, om z’n meiden te zoenen, te pakken, te frommelen. Schor-ironisch, met scheefgetrokken mond, bezwijmelde oogen, die waterig glansden van beschonkenheid, riep ie hikkend, en òpwaggelend van z’n stoel:—Alletait.. in.. ’t fesoenelikke.. Soene.… i i i i.. i i i.. ’n ’t fesoenèlikke.… enne.. pakke.… i n n n n.… ’t fesoenelikke.… enne!.…Ze zoenden, dat ’t klapperde, en de meiden verhit en vol verzet toch, bedroesemd, opgehitst, en nijdig-beschaamd tegelijk, trapten en sloegen. Annie en Cor vooral, duwden met vuist-stompen en kleine mokerslagjes de rook- en drinkmonden griezelig[195]van zich af. Toch voelden ze niet te kunnen weghollen, om de lekkerige duizeligheid en soezerige zinnelijke hitte in d’r lijven, van ’t drankje.—Maar vrouw Grint waakte, hield ààn. De kooters konden niet slapen, zij moest d’r ook in,.. kortom, ’t was d’r ’n skandaal, zoo laat naar ’t nest te trekken. Dat was nooit nog in d’r leven gebeurd. Schoorvoetend, met brandende monden, scheefgewrongen van heete, verterende begeerten, met gloeioogen, in vlam geloerd op de guitige donker-lonkende kijkers van Geert en vurige Trijn, op ’t slanke lijf van Cor, en de warme molligheid van Annie, trokken ze af.Klaas Grint waggelde ze nog achterop naar ’t pad. Z’n dronken haperende hik-stem, krijschte wat nà, onzeker verglijend in klank-schorre lalwoorden.—In ruzie-smorende innigheid en vriendschappelijke woede, waggel-stapten de neven, over ’t maanbleeke duistere pad heen, armen ingehaakt, elkaar vervloekend. Ze zongen en raasden zich naar huis, met straatliedjes en dreunende scheldwoorden, uitrauwend in stildroomenden zomernacht, doordauwd van zoete geuren. En vóórt ging hun beestige passie, die de zwoegers, als steigerende, duistere furiën rondtrampelen liet, in ’t nachtelijk stil-donkere Duinkijk.[196]
[Inhoud]V.Aan de Wierelandsche haven wachtten meisjes en jongens met karren, klaar om bakken en manden op te vangen van vader en broers.—Vier booten, achter elkaar, stoomden in, en van vier booten tegelijk, meerden de loopers ’t touw vast aan de palen. Een wild gedrang stootte òp, woest geschreeuw ratelde los; gekrijsch van tuinders, met verkeerde bakken, roep òm roep. Rauwe moeheid klonk door de stemmen, en zwaar de zweetkoppen, roodgrauw, paars en bietig, vloekten en gromden weer te moeten sjouwen in den nog smoorhitten zonnedaver.—Eén helsch karnaval van dooreenkrioelende zwoegers en waggelende beschonkenen, brak plots weer los aan de doorgloeide haven, gestoofd en geschroeid in den vonkenden zengdag.Paarden loomden weer stil, achter drom van kleurige karren, en van allen kant, op de haven, golf-vloeide gewirwar van kerels en wijven, meisjes, en jochies. Van de hooge booten reuzigden de werkers, met de bakken en vrachten op nek en kop, tegen eindlooze polderlucht violet vuur, dat dampte en smeulde.—Heele stapels hoekten in dwarsen lijn-opstand de lucht in, op de hooge boot; wilde kankan van opgeheven kisten, schuin en[179]vlak, rechtòp, dwars, scheef, en mandtorens waggelden geweldig op de zwoegschouers, en dampende zweetkoppen.’t Stormde op den wal, en woester krioelden en afmarcheerden de karren in hotsende ratel-herrie en bonkering, naar huis; geduwd door jochies en meisjes in schreeuwerigen konkel.—Het heete gedaver en gesmak van kisten waarin de leege aardbei-mandjes nu beèfden van schokken, bulderde weer òp, cyclopisch, als donderende klankneerstorting van mokers op aambeelden en houweelen-ring-king op steenen muren. En òm ’t smak-geraas heen, bleef roezemoezen bassig gegons van straatgeruchten.Troepen venters, klaar met hun manden en vrachten, afgereeën aan d’r kinders, drentelden rond met hun handen op geldzak, warmpjes de centen ingekneld tusschen vleesch-hitte en broek-voering, smakkend naar lekkeren Zaterdagavondzuip.Afgebeuld of in drinklol opgewonden, strompelden de groenboeren herbergen in, waar ’t borrelde en gistte van schurige stemmen, dronk’rige roezemoes; waar ’t schuiflawaai knarste van stoelen op zandgrond, tusschen stikwalm, rook-rood.—Buiten woelde ’t haventje in hellegedaver.’t Kraakte, klotste, hotste en smakte ’r in gloeiend zwoeggerucht, arbeids-hellebaardiers, die burchten sloopten.—In ’t watertje glom, kleurveegde en brio’de druk beweeg van kramen, sloepen, tjalken en bokken; op elkaar gedrongen, tusschen engen spoel van spoor-polderdijk en walkant in. Wemel van schipkleuren nog blond doorzond, gloeide òp in ’t àl zinkender licht. Op hoogen bakkenstapel, midden in thuiskomst van Zaterdagavondmarkt, herautte nù ’n kleine jood, met luchtig fluitspel.—Kring van honderden stond om ’m heengekranst, in starenden luister naar z’n wonderlokkend, klank-zoet fluitgevlei. Weinig sprak ’t joodje. Met ’n groot blad muziek op ijzer lessenaartje vóór zich, wees ie op de methode, zei wat van de fluit, ’t klank mooie, ’t zuiver-hooge en lage, en speelde, spéélde.—Joodje leek verliefd op eigen fluit. In zwierpracht en zoeten huiver van vloeiende vlei-toontjes, zilverende koloratuur, zong[180]ie zich uit,—dan één, dan twéé fluiten den mond induwend, zich zelf begeleidend. Starre bewondering strakte van de tuinderskoppen. Ze voelden, voèlden dat ’t ècht was. Prachtig ebbenhoutig-zwart, glansden de gepolitoerde oktavo-fluitjes in joodjes hand, en wonderzoete, zilver-trillende tonen blies ie de heet-zonnige havenlucht in. Met gratie, in duizelend snelle vingerradheid, duikelden, trilden, zweefden de toontjes uit z’n fluit, en z’n vingertoppen leken tien betooverde zieltjes, vol klank en zaligen galm. Snel dansten de topjes op de zwart-geglansde fluit, en machtiger zwol z’n toon, fel in zingende kracht, de havengeruchten overklankend. Dan plots hield joodje in, droefde ie weemoed uit, in weeken, donkeren fluister van wiegelende klankjes, slepend-zoet en innig-ontroerend, droomrige melankolie van teere toontjes, in klagelijk register.—Zoo jubileerde z’n wonderfluit tusschen ’t sjacher-rumoer, dat zacht verstomde onder z’n tooverzang. Heelemaal méé, in de pathetische zoetheid van z’n lied, schokte jood’s lijfje.—Zacht zwierde z’n hoofd, lichtelijk heen en weer. Op de kadans van z’n lied, rekte zich z’n postuur als groeide ie boven den luisterkring uit, kromp ie plots weer in, bij teerdren melodie-zwenk. En vlak om z’n hoofd geurde en zweefde ie uit, ’n krans van zangerige kabbelende klankjes, met iets er in van starende smart; murmureerde z’n vlei-klankende fluit, diep en vroom ’n litanie van innigheid; bleef dóórdroeven z’n zang, in smartlijk mineur, speelde ie uit, ’n lied van tranen en hartewee. Dan plots, in ’n schater, zwol z’n toon in ’t hooge register, joelde de klare zilveren klank van z’n demonische fluit als ’n woeste jubel door de polderlucht en haven, schaterend en klaterend. Roerloos stond ’t landvolk in tooverban te luisteren. Eén laatsten stroom van klankenjubel tremoleerde hij nog woest en oriëntaal òver de koppen heen, wijd uitvloeiend de zonnelucht in; klankenpracht, als ’n vurige hymne rondbruisend door den havengang. Plots zweeg ’t joodje.—Dronken en nuchtere kerels stonden gebluft, nà de plotse fluitstilte, in argelooze luistering.—Zwoegers uit de donkere bedompte kroegen, waren opgestapt, in furie en bedwelming,[181]naar den man die daar zóó gejuicht en geweend had, onder de slavende massa.—Joodje, zeker van z’n kunnen, zelf wèg in zoeten huiver van z’n klankinstrument, speelde weer opnieuw, gaf zich heelemaal over, aureooleerde zich in een sfeer van zilveren tonenzang.—Eindelijk, klaar met z’n spel, stroomden de kwartjes op ’m af. In fijn-gele vloeitjes wikkelde ie de glanzige zwarte fluitjes met goud-vergulde ornamentjes, drukte ie de kerels de gewichtige methode in de hand.—Mit dat boekkie, in drie daagh en nachte, kan èllek manspersoon en vroùspersoon de heele kunsh! ’n Kind kèn de meledie! wattie wil! as ie ’t marr kèn! begrijbt u!Z’n luisterkring van boeren stond als vastgezogen aan den grond, in verbijstering voor dàt spelen. Zoenen wouen ze den kerel. Joodje had geen handen genoeg. Jongens met lach-van-ontroering op d’r gezicht kochten; mannen, die in hun schemeravondstraatjes onder de lommerstille zomer-boomen harmonika speelden, kochten; dronken kerels, betooverd en half ontnuchterd kochten; meiden, wijven en „notabelen” kochten.Strak-zelfbewust bleef gezicht van Joodje, die soms midden in ’t drukst van z’n verkoop, plots naar zich toegestrekte armen terug-wees, met stil gebaar z’n fluit, koester-zacht vatte, en speelde. En alles roerloos, in tooverban als klonk er geen hond-geblaf, kargehots en sjouwgekrijsch meer, bleef rond ’m staan.Tot heel naar den polderweg verklonk de klaagroep, van z’n fluit, zoet gefluister, smachtende adagio’s, plots vervloeiend in stoute schalmei van jubelende scherzo’s. Begoochelder stonden rond ’m, in broozen luister, de afgemartelde zwoegwerkers, met verrukking in de oogen, bevende monden en verlegen handen. Plots weer brak joodje àf, deelde ie z’n fluiten uit, tot ie alleen z’n eigen instrument overhield. Eén groenboer, wou dàt ding hebben, met ’n gulden toe, zei ie sluw lachend naar de omstanders. Maar Joodje lachte ook, gaf ’m z’n fluit, ruilde met den boer, die ’t geld klaar had in z’n hand, en speelde nòg mooier op ’t kwartjes-instrument.[182]—’t Sit ’m weràchdig niet in ’t fluitje.. ze binne d’r as tweeh drobbele water geleik eender!.… ’t zit ’m in ’t hart meneer!.. in ’t hart!.…—Hoart?.. hoart? sputterde ’n tuinder.…—Nou ja.… ik bedoell eigelik in uwès boekkie.… de methoòde.… lachte Joodje weer ironisch, ’n kind kèn ’t leere.. in drie daaghe het tie ’t onder de knie!Vier honderd fluiten had ie verkocht in één uur. En overal op de haven, door Wierelandsche straatjes en steegjes verklonk fluitgejoedel, valsch en onbeholpen, stooterig-monotoon lawaai, dat joodje sarkastischer lachte op z’n bakkenstapel en inpakkend z’n lessenaartje, nog spottend nariep:—In drie daaghe te leere.…voor’t kleinste kind!.… de meledie.…Rond de bakken, honden en paarden, bleef ’t laat, tot in den schemer ratelhossen van karren, klakkeren van hoeven en orkanen van hellegeblaf.—Bij aansluip van avond, begon éérste drinkmaal van venters. Lichte zuip was er geweest in de stad. Echte zuip barstte nu pas los. Ontembaar zouden ze zich gaan geven aan den heerlijken zoeten brand van dronk, als koelst ijs in hun stoffige ventstrotten verglijend. Bij wijven thuis was alleen gemor, kinderenherrie, schoonmaakploeter, geharrewar en zaterdagavond-afboenerijtjes. Geen zitje, geen likje. Niets lekkerder en plakkeriger noù, dan samenbroei in de stikheete kroeg, met gesuis van havenlawaai nog èven in de ooren, roezemoezigen verdoofden naklank van sjacher.En niks doen dan lollen en babbelen, verdoofd tòch alles hoorend, maar van verre gebeurend, in ’n warrel. Zacht geklots, gezoen en getikker van biljardballen, kleurig en glanzend, robbelden over ’t gehavende lakengroen, bemorst en ingescheurd. Fel gevlam van gaspitten dampte hette uit.—Vuur en rook van pijpen en sigaren, rood-smokerden in een sfeer van kroeg-zwijmel.—Scherpe jenevergeuren, spiritusachtig zuur, walmden uit buffet[183]van tafel naar tafel. Ze voelden zich smoorheet, de groenboeren, maar lekker, paf-verhit in de kroeg.Dirk en Klaas Grint bleven vlak bij elkaar. Dirk zoop zwaar dat z’n hoofd heet-kleurig rood te zwellen stond, en z’n kale, blond behaarde nek in vuur schroeide. Grint had stille drinkerskleur, zachtpaars, maar toch keek ie nog helder uit z’n oogen, zonder dat iemand merken kon dat ie al vet was.Op de haven had Dirk Kees, die karren en bakken terugreed, nog even gesproken. Hij wilde ’m ’n borrel opdringen, maar ’t was niet gelukt. Ze hadden Kees ook èrg schuwerig bekeken weer, als voelden ze zich niet gerust bij den stillen Strooper. Uit angstigen bijval wilden hem ’n paar tuinders nog wat borrels aansmeren, maar Kees bleef weigeren, toèn met ’n vloek.—Dat was z’n kracht! Hij voelde dat, àls ie zuipen ging, hij niet meer ophouên zoù al z’n verdriet, z’n huiselijke ellende en getob over Wimpie’s beroerderigheid weg te spoelen. Nou z’n ventje ’r nog was, hield ie zich sterk.Nou had Kees Dirk gezeid, dat Ouë Gerrit d’r strak-en-an nog rais ankwam, op de haven. Dat maalde Dirk ’n beetje. Hij voelde dat dàn z’n centen in den zak, bedreigd stonden; dat ie niet meer doen kon wat ie wou, als d’Ouë neerstrijken kwam. Toch verdoezelde die gedachte tot vage verwachting in z’n kop. ’t Heetst in ’m woelde ’t denken aan de mooie meiden van Klaas Grint, vooral aan Geert en de heete Trijn, waar de neven Hassel òòk op loerden. Naast Grint aan ’t stomphouten tafeltje opgedrongen, zaten Jan en Willem Hassel. Klaas Grint sluwigjes, voelde zich lekker tusschen de gesmoorde geilheid der knapen. Hij kon tegen ’n borrel als geen ander.En nou vond ie ’t ’n zalige lol, zoo happie nà happie in te zuigen, zonder ’n cent te dokken, in woesten naijver van drie kanten opgepookt tot vrij zuipen; dàn door Willem, dàn door Jan, dàn door Dirk.—Piet mankeerde nog, hinnik-lachte ’t cynisch in ’m. Tusschen hùn halsstarrige, zwijg-nijdige boerenpassie in, wreed en moordend, warmde hìj z’n zuipbegeerte. En telkens als Willem zag, dat Dirk trakteerde, riep hij ook den kastelein, bestelde voor Grint in ’t wild erop los. Grinneken[184]bleef Klaas er om, en trotsch voelde ie zich, in z’n dronken kop, dat hij toch de vader was van zulke lekkere meiden.—Nou, drink jullie d’r moàr, d’rfeur binne jullie vraigesellekerels hee?.… Moar.… van màin goant nie hee?.. van màin hee?.…ikkehep d’r maide en klain goed.…Hij grinnikte Grint, veegde met z’n dikmorsige vingers langs z’n neus.—De kerels knikten, grinnikten mee. En Grint lachte erger, met dronken stemmeschuur in z’n schater, omdat zij grinnikten.In tijen had ie zooveel zaken niet gedaan, als vandaag. En hij, helsch genietend als ie iets niet hoefde te betalen, z’n duitjes bezuinigen kon, maar toch loerend op wat lekkers, hij kòn ’r niet over uit, dat ’t nou bij hèm puur was: mond ope, portemenee dicht.…Joliger klokkerde ie z’n borrel in, langzaam roerend, elk happie, dat dadelijk weer aangeschoven stond onder z’n hand. En iedere borrel als ’n lafenis door z’n keel, spoelde wèg vermoeiing van smorenden dagzwoeg.—Stiller, in dronken zwijg,—zwijg toch van huilend, woedend-woesten hartstocht, op z’n neven, schooiers die loerden op zìjn meid,—bleef Dirk naast Klaas Grint geblokt.—En lolliger werd Klaas, aangeprikkeld door den gonswarrel van stemmen in de herberg, den dronken zoem van kakelaars, venters en koopers en allerhande kroegtypen dooréén. Laag en diep, met z’n gloeiendeglasvlammen, rookerig, verweerd van hitte, verronkte de kroeg z’n dronken reutel van geluiden. Jan en Willem schoven al dichter naar Grint toe en trakteerden weer. Langzaam genot-innigend ging de zuip rond, langzaam en demonisch. Dirk zag den ouen Gerrit niet opdagen. Vond ie lekker! Rond ’m woelde de herberg al voller met drommen bestoven zweetkerels, bek-af van sjouw. Waggelend en krijscherig sloegen hun lijven, massaal en reuzig door den heet-rooien rooknevel.—Troepjes met blazende, gloeiende zweettronies bleven waggelen voor ’t buffet, de glaasjes tegen ’t licht geheven, dronken zeurderig en spraak-zangerig; plasten het vocht hun kelen in, onder knars van hun klompen op zandgrond. Van alle hoeken[185]spogen groenboeren en venters in de bezande spuwbakken hun pruimen, zopen en vloekten ze. Op klein bankpuntje, dat open kwam tusschen ’t kroeggedrang, smakte zich haastig ’n werker neer, met grauw-moeën kop, en reuzige geknauwde handen bevend-uitgestrekt naar ’t buffet, in snak naar drank-koeling.Tegen tien uur stapte Grint òp, z’n schitteroogen verkleind van stille beschonkenheid. Dirk mokkend en pruttelend, waggelde zacht mee òp, grabbelde duizelig in z’n diepe klepbroek, waarvan de grove voornaad vettig spande tusschen glimmig smeer. Alles betaalde ie.—Willem en Jan opstuivend, streden, duwend en vechtend, dat zij de helft er moesten bijplakken. Dirk zei niets, gaf, zachtwaggelend, ’n stommen nijdigen wenk aan kastelein dat ’t, zóó als hij ’t wou, in orde was. Kalm schoof herbergier kleingeld terug op natbeplaste tafel, dat Dirk naar zich toeharkte, kleverig, maar vallen liet op zandgrond en in spuwbak.—Nie d’r strooie hei Dirk? baste ’n kerel met diepe fagotstem.—Aa’s je te veul hep, is màin d’r nog! gierde ’n ander.Nieuwe drom kerels klomperde in, stapte langs en voorbij Dirk, die gebukt zoekend, in zachten rondtast, lijf-zwaaiend, ruw op z’n handen getrapt werd. Bloed zakte ’m naar den kop. Rauw vloekte ie uit, en flauw loerde ie rond op den grond, maar half beseffend of van hèm of van Grint wat duiten weggerold waren.—Lodderig staarde ie òp naar Klaas die gierde, z’n buik met z’n vuisten betamboerijnde van lol.Plots vloekte Dirk weer, stapte in wijen waggel, onzeker naar de deur. Grint had ’t geld uit den spuwbak gegrabbeld, ’t nattig en bevuild Dirk in de hand geduwd. Maar die beweerde nou, met dikken tongstotter, dat ’t van hèm niet was, dat hij d’r puur nies verloren had.—Zoo’n geep! gierde Willem Hassel hoonend.Stom bleef Dirk voor zich uitkijken met z’n neus bijna op de deur gedrukt. En toch nijdig, gloeiend nijdig was ie, als ’n bromvlieg onder vangstolp. Niks nog kon ’r bij ’m uit. Alles zat opgepropt. Hij voelde den roes over ’m heen gloeien, benevelend, versuffend. Hij hoorde àlles half verward. Alleen[186]heet-stellig maalde ’t in ’m dat ie nou meeging naar de mooie meiden van Grint, naar de lekkere Geert, Trijn, Cor en Annie.—Nou … ik bin d’r op haide op stàp … mond ope.… portemenai toe.… schaterde Klaas opgewonden.Geen woord zei Dirk, vroeg ook niet of ie mee kon. Hij strompelde zacht zwaaiend naast Klaas, de herberg uit, als hoorde ie bij ’m.——Nou.. aa’s hai.… had d’r sels is.. binne wai ’t ook, bromde Willem en nàbromde ’m Jan.Daar zat Grint ’r ’n beetje mee, want de mannen hielden áán.—… Duufels, doar droeg ie twee, drie dronken kerels in huis.… heet op s’n maide … Moar sullie hadde sain tug soo rejoàl d’r van late snoepe!.. Allainig Dirk!.… die wou die puur wel kwait!.. Die keek d’r soo suur.… soo ’n naidas!.. Da’ konne s’n maide nie bestig hebbe.—Hij had al rond gezien op de donkere haven, of ouë Gerrit d’r ook rondscharrelde bij ’n kroeg om ’m mee te sleuren. Want Willem en Jan waren ook veel betere partijen voor z’n meiden.. Zat veel meer loodpot! Die mochten haarlie bescharrelen zooveel ze wouen.… Als ’t maar niet tot kinderen kwam! Maar nou zag ie geen ouë Gerrit, geen Kees, geen Piet. Dan most de brombeer d’r ook maar bij; kon toch vast geen kwaad.—Mô je nog ’n afsoàkker Kloas? vroeg plots, voor ’n rot kroegje staanblijvend Dirk, met bleeke strakheid in z’n kop en tril-trekjes om z’n lippen.—Dankkie uit ’t hartje kaèrel! Ik hep d’r t’met.… t’met wá’ bai màin stopt, veur ’t nest hee?.… ’t mog d’r weer ’n weekie sain.… dan kraige sullie alletait van main ’n lik uit de flesch hee?.… Jammer da’ sullie d’r aige nou t’met juist an ’t boene binne.…—Selle wel waiser wese.. lolde Willem sabbelend op z’n woorden.… aa’s d’r jonge kerels komme.… da treft d’r nou net ellèndig mooi!—Niks gedààn jonges! Je houê d’r jullie fesoen!.… daa’s onder en boòfe de wet sait hee? jonge maide is d’r hiet brood.. paa’sd’r op![187]—Nou,.. sullie wete d’r woar Brammie de mosterd hoàlt, piekerde dikbullige Jan.—Tu.. tu.. tu.. manne,.. hield in dronken energie Grint vol.… main maide binne d’r onskuldig aa’s ’n kerk-kruissie hee?.. ’t binne d’r netuurlik jonge skepsels hee?.. en se binne d’r soo ellendige goeie kooksters, enne meroakels goeie huishousters.…—En Train is d’r tug soo’n ellendig-knap swoàrtje, brulde dikbullige Jan huilerig, lachend van dronken aandoening.—En Geert.… da’ liefe bakkesie! schreeuwde Willem.Dirk gromde wat, dreigend onverstaanbaar voor Klaas en de neven, die maar zwegen, uit angst dat ie ’t herhalen zou.—Recht over ’n weibrok stuurde Klaas op z’n erf en huisje ààn, dat stil en klein achter hagen en vruchtboompjes donkerde tusschen het verduisterd groen, midden in geheimzinnige murmeling van zomeravondland, weemoedstil en geruchtloos.—Dirk voelde zich lam in de beenen. Hij had ’n schat verzopen, maar Klaas niets en de neven waartegen ie nooit sprak ook maar weinig. Dat hinderde ’m nou, maakte ’m barsch en nijdig, toch zonder dat ie iets zeggen kòn.Bij Grint zaten de meisjes, in ’t halfdonker, paf van de hitte, doodop van aardbeipluk, lusteloos en morsig nog, op ’t achterend. Toen de mannen instapten, bonkerde ’r rumoer in ’t stik-heete hokje, dribbelde ’t vrouwenkliekje onder zachte gicheltjes en lach-kreetjes naar de voorkamer, waar de kleintjes sliepen in bedsteeën en ledekantje, en ’t duf stonk naar verstoofde menschenlucht, zweet en adem. Zenuwachtig door ’t lawaai van de zware stapkerels en schorre dronken stemmen, draaide moeder Grint ’t lampje òp vlak voor ’t raam, dat half in hoogòpgebloeide geraniumsblad en dennetjesgroen gezakt stond. ’t Vuur van de hel-rooie blommetjes vlamde ertusschen en tonglekte, fel-rood. Acht potjes in ’n rij, opgekneld en saamgeknussigd achter ’t dichte venstertje, dat nog inniger scheen in z’n kleinen ruitjesbouw, de blommen hoog uitgetakt, tusschen ’n pot-dennetje. Vlak er boven, ’t gordijn, geel-blank door-goud[188]van lichtstroom, met z’n wollige bolletjes, zachtglanzend neergekroesd in ’t groen. ’n Klein scheepje hing tusschen ruitje en blompotranden te pronk, met z’n teer mastwerk, ragge kruisdraadjes en koperen boegplaatjes, glanzend tusschen het warme roodaarde.—Zòò, intiem en stil, ’t raampje met z’n uitgeteerd-groen horretje in ’t puffe zomeravondkamerke, leefde eigen bestaan achter z’n stille, glansgouden gordijntje.—Vader Grint al opgewondener, schreeuwde dat ie weer ’n likeurtje voor ’t nest had meegebracht. Geert keek glunderigschuw, naar Dirk en de neven. Haar diep-donkere oogen zochten te begrijpen waarom de mannen zóó laat waren meegestapt.Dirk bleef bokkig, zei geen stom woord, zoende Geert alleen met z’n heeten oogenkijk, pal in ’r wulpsch blanken halskuil.. Nooit nog had ie soo’n lekkere maid sien—— doar waa’s Guurt ook niks bij.Willem loerde van ànderen kant op Geert en Jan lolde met Trijn en Cor.—Uit achterend in klomprumoer was plots Piet Hassel ingestapt, in schijn zoekend naar Dirk. Woest was ie op den kerel, dat ie daar zoo pàf en stomp naar Geert zat te gluren, hij, die toch ook wist, dat ze al lang met hèm aan ’t scharrelen geweest was.—Bokkiger nog keek ie op Geert neèr. Op z’n kousen, stil was ie ’t kamerke ingeslopen, morrend in zichzelf dat dâ speelsche meidetuig ’n elk vrijgezel lokte.—Jan Grint, in ’t gangetje z’n klompen uitklakkend, stapte na Piet in. De meiden gierden, bufferden hun kopjes bijeen onder lampgloed. Vrouw Grint gichelde mee, schel, met snerpende schreeuwerigheidjes, dat ’t broeihok volschetterde van stemmenrumoer. In lollig opgewonden gebaar zette Klaas ’n flesch jenever op tafel.——Moeder!… nou skenk jai d’r aa’s ’n klebak de kring rondhaine.… hee?Piet was dichter op de meisjes aangeschoven en Jan Grint gaapte, gààpte. Willem vloekte in zichzelf van nijd, dat z’n neef Piet, nuchter en koel, zoo midden in was komen opdagen.[189]Maar Jan Hassel kon ’t niks schelen. Half al zat ie op Trijn d’r schoot, kinstreelde Cor, ’t blondje, onder woede van vurige Trijn, die geen jongen kon zien of ze moest ’m hebben. Gauw, met ’n por, liet ie Cor los, keek Trijntje pal in de appels, handstreelde ’r week-kittelend en sluiperig in ’r hals, staarde lodderig verliefd en dronken-sentimenteel, haar brandende begeerende kiekers in.—In ’t ledekantje, wurmden en woelden de kleine plukkers en plukstertjes, half in den slaap. Een kereltje, klaar wakker van lol-gerucht, stootte de anderen òp.—Een vóor één, verschoond, pas wèg onder den Zaterdagavondboen, strompelden ze òp, uit bedsteetjes en ledekant, met knipperende oogjes tegen ’t felle licht.—De drie kleine meisjes, in blanke ponnetjes, met hun lachend slaperige, helder geboende rooie gezichtjes, drongen verbluft op de tafel ààn. De jongens, in d’r loshangende smoezelige hansoppen struikelden vàn gretigheid, naar voren. Klaas Grint, al opgewondener, schaterde en grappigde gemeene moppen uit, proestte zich zat met z’n eigen pret, en lachronk.—Hij vertelde dat ie dat elken Zaterdagavond zoo had geprakkiseerd, ’n lekkeren dronk voor z’n nest, op ’t geploeter van de week. Dat mochten ze waarachtig wel hebben. Dan kreeg de heele kring ’n borrel. De kinders rekenden er al op; smakkerden en joolden al vooruit, wachtten elken week tot ’t kwam, met slaap in de oogen. Iedere week moest ’n ànder waken en wakker schudden zusjes en broertjes, als vader Grint wel eens heel laat aanzwaaien kwam. Maar dikwijls viel ’t kind-wachtertje in slaap, lag ’t heele hufter-zooitje te ronken; ging de zuip hun voorbij, zonder dat ze ’n druppel drank geproefd hadden.—Gespitster bleven ze de volgende week, in langen worstel tegen slaap. Hoorden ze dàn flesch- en glaasjesgeluid zacht rinkelen, geslobber en geraas, dàn veerde wakertje òp, hielp hij, in stooten en bonken, zusjes en broertjes overeind; bombardeerden en drongen ze joelend naar voren, in den kring. En Klaas Grint, schaterde dan, was trotsch, heel trotsch op z’n wakkere kleintjes, dat ze zich niet hadden laten verschalken.[190]Dirk bleef stom op z’n stoel als ’n blok, deed niets anders dan Geert in ’r donkere oogen staren, en ’t gezicht zwart te rooken. Willem schoof al dichter bij, aan anderen kant en Jan Hassel, met z’n log lijf glisserde zich nou heelemaal op den schoot van vurige Trijn, waar ie telkens, met ’n schijn-ontstelden opkieper van afgebonsd werd. Dan gilde Trijn in dollen lach, stootte Willem tegen z’n buik, maar Cor en Annie hielpen Jan weer òpsjorten, langs d’r beenen. De meiden tusschen de stoomende stoeikerels, kregen ’t warmer, lachten, gierden en bliezen van hitte en klefferige vurigheid. Piet bestoeide Cor, uit wraak tegen Geert, en zoende Annie dat ’t klapte. Alleen als de kerels in brutalen grabbel hun te lijf wilden, trapten en beukten de meiden op hun schonken, die toch roerloos bleven, als van graniet, onder de weeke bons van hun meisjesknuisten.—Vader Grint keek loensch, woedend dat ’t wijf de kelkjes nog niet had neergekringd.Schunnige grappen en woorden ronkten de kerels onder drinkhitte uit; branderig borrelde dierdrift op. Gloeiriger handen tàstten, feller oogen loerden door rookdamp heen. Maar telkens nuchterde vrouw Grint er wat tusschen, dat de kerels even verbluft en sip vòòr zich keken.—En Jan Grint, nijdig op ’t bezopen stoetje, den branie Willem, kalmeerde ze met koelen, norschen smak van woorden. Langzaam had vrouw Grint eindelijk kelkjes uit de kast gehaald en neergezet. In fijn zilverende glinsterkringetjes klokkerden klaar de glaasjes vol, en zoetig liet ze, in elk kelkje ’n klontje zakken.—Enne de laipeltjes moeder.… da’ sullie d’r van deur-roere kenne! hee? schreeuwde Klaas, spog-sputterend uit z’n geschroeiden mond.De kleine meisjes tegen elkaar gedrukt op twee stoelen, met de knietjes onder de schoone lijfjes, als duivenrijtje op tilrand blank, keken met groote oogen waar slaap nog in ronddraaide. De jongens, mannerig, wachtten, gierend van pret.—Motte de kinders nou d’r ook weer foader?.… vroeg zichzelf onderbrekend vrouw Grint.—Daa’s net! soo wèl aas wai hee?… die … die … binne[191]d’r op kommende waige hee! barstte Klaas jolend uit, sullie hebbe d’r meeholpe.. nie? laileke kakketoes!.… en d’r aige krom plukt!.… soo tuikig aas de beste.… En nou.… doa’ goàn jullie.… wàif.… kèrels!… maide … kooters! santjes!Vader Grint slokte gretig, stond zacht waggelend voor de tafel, zakte in zwaai weer neèr op z’n stoel. Mannen, vrouwen, en kinders met d’r kleinuitgestrekte armpjes, klonken beverig ààn, in driftigen rinkel en tinkel van kelkjes. De meiden proestten om alles en dronken te gelijk. Geert schoot in ’n kittellach, dat jenever ’r tegelijk uit neus en mond spoot, ze in krampende hoestbui, rood-doorschokt, dreigde te stikken, inéénkronkelend beenen en hoofd en spuwend-lachte met betraand-dolle oogen. Dirk was verschrikt opgesprongen waggelde weer terug, voelde z’n arm verdrongen door Willem die Geert hard op ’r rug klopte, onder d’r stikhoestend krampgelach. Eindelijk bedaarde de meid, nog nakuchend telkens van jeneverjeuk in ’r brandende keel, gloeiend als had ze ’n peperbus geleegd.Jan Hassel had haar glaasje weer deftigjes tot aan den rand volgeklokkerd dat ’t fonkel-vocht, weer schitter-zilverend kringlichtte in de kristallige kelkjes, en stotterend hoestte Geert uit:—Joa.. joa!.. ongelu!!.. ukke!!.. binne!! d’r kwoaje kan.… se!!—Aa’s nou d’r Guurt d’r is hier waa’s! lachte wulpsche Annie, de jongste meid met ’r mopssnuit.—Geloenscht had ze naar Dirk en ’r broer Jan toen ze ’t gezegd had.—Guurt.… Guurt!.… stotterde Dirk, voelend dat ie wat zeggen moest, die f’rskoont d’r aige … nou.. d’r bast!.. die stoan d’r.. nog feur.. ’n kattebakkie.Geert dreigde op ’t botte, stom-uitgeaarzelde antwoord van Dirk weer te stik-proesten in jeneverslok, maar d’r broer Jan, keek zóó sneu en zuur dat ze d’r lach inperste en neven Hassel ook voor zich uit-sipten alsof Dirk heelemaal niets gezegd had.—Licht-zilver wiegelde in glansjes om kelkjes, en fijn kristalde ’t zilvervocht. Klaas Grint vond ’t lollig, dol-lollig, wat Dirk daar uitstotteren kwam.[192]—Aa’s je main nou!.… jai.… jai ken d’r tug soo ellèndig goed liege hee?.… da’.. da’ de lekkere Guurt.. d’r.. d’r aige nou.. f’rskoont.. hee!.. daa’s sneu.…—Niks gedaan foader, hou je bek d’r buite, snauwde drift-bleekig Jan, die niet hebben kon dat Guurt door ’t bezopen stelletje belold werd, allerminst ’t duldde van zijn vader.—Nou.… kaik!.… daa’s … eerst.… ’n be.. laift.… bèfel.… van.… van hooger hand.… hee!.. Gain jai.… d’r na’ jesnoeptoàfel.. foader! wil dá’ segge!.. nou!.. daa’s befèl van main nikker, de swarte Joan,.. eenmoal.… andermoàl.… nou hou je sain heul fesoenelik.… en figeleer je nie … en nou goan wai d’r nog rais ’t kringetje rondhaine hee?.… Moeder! gaif de kooters nog rais ’n hallefie.. enne main!… enne.. de kerels.. de volle moat! hee manskappe? da’ laikt hoarlie hee?—Altait lekkerder aa’s op ’t land te f’rbrande, mit ’t hiete spog in je drooge bek.. sloeg Piet er door, tegen Trijn áán, stoeiend met de lange blonde Cor, die stil zat en smakkerend met zoete teugjes ’r jenevertje inzoog, dronkje waar ze dol op was, iedere week.—Vader Grint lachte luidruchtig om Piet, met oogen nat van glansen en stil uitwerkende dronkenschap. De kerels roerden, smakkerden, en de meiden lachten en likten. En gretig, in felle passie, zogen de kinders ’t drankvocht bij zoete kleine teugjes in, piekerden met hun vingertjes klefferig bodempje schoon, boorden en kronkelden d’r tongetjes, spitsig langs ’t randje, omlekten de glanzige en besuikerde kelkjes, woelden en zuchten in spartelend plezier. In drukke gebaartjes pagaaiden de klef’rige kinderknuisjes door elkaar heen, schuurden woelig schoudertjes en armpjes langs de tafel. Fel lonkten en vonkten de oogjes in ’t lamplicht, en ’n paar brutale jochies poogden te likken, te smakkeren, doopten hun vingertjes in de kelkjes der vreemde kerels.—Onder gelach en gebabbel weerden die hun klauwtjes àf, zonder eigenlijk te zien wàt de kooters deden. ’n Roodharig jochie van vijf, apig maskertje, met wijsgeer-rimpeltjes op hoog-voorkopje ingegroefd, vroeg om méér. En ’n ander,[193]wat ouër, drensde mee in hurk, z’n hoofd op twee ellebogen gesteund, vingertoppen den mond ingeknauwd, met z’n hel-blauwe oogen, pijn-lang ’t licht instarend. Maar dadelijk, als kreeg ze haar herinnering terug, viel vrouw Grint nijdig uit, dat ’t nou dubbel en dwars mooi geweest was, joeg ze de duizelige kleinen met snauw en duw weer naar hun bedjes. Christientje werd aan ’r lange haren meegesleept door ’n drank-verhit jochie van acht, en gierend opgewonden, elkaar beklapperend op de billen, klauterde ’t stoetje weer in de verbroeide slaaphokjes, die vol dampten van rook, walmden van snikheete, duf-drukkende kamerbenauwing.—De mannen joolden met Dirk mee, die plots van stommetje, in ’n vlaag ’t drukst wierd van allen. Hij stoethaspelde en raaskalde, stoeide en sprong als ’n klown, strooide gepeperde moppen stotterend rond, flapte en stapte dat de meiden, verhitter, schik in den kerel kregen.—Z’n kop gloeide rood, z’n koeienoogen glansden, en z’n chineesch-kakerige snuit keek sentimenteel. Piet zong schor, schold ieder uit, zoende vlak voor Willem Hassels tronie, de mooie Geert op d’r gloeiend-wulpschen mond en blank open halskuil, dat er vloeken en bedreigingen hurrieden tusschen de dronken knapen. Maar de meiden konkelden ’t weer goed. Klaas Grint lachte er overheen en vuriger stoeiden de mannen dan weer, in haat en wrok, tòch voor ’t moment met elkaar verzoend.Duffer broeide de avondkamer in voozen stofstank van gesloten vensters. Het raampje, met z’n geranium-vuur, bladergroen en fijn roodaarde, achter ’t vergroezelende licht en vroom-groen horretje, waasde stil-gouïg tegen avonddiep duister van buiten, en elk ruitvakje verpeinsde eigen glansjes van tonige tintstilte, diep en wazig. ’t Scheepje stond roerloos met ’t ragge touwgeweef, en heel ’t venstertje, gouïg aangegloeid in lampeglans, met z’n roodaarden blompotjes, bloemen-vuur, en groene twijgjes, ver-eenzaamde inniger achter geproest en schor stemgebrul, ver van ’t burleske geschater en schurend gegrinnik der dronken, dierlijke boerenkerels. Over bovenkant van half gezakt gordijntje holden en lolden schaduwbroklijven[194]van de mannen, als ze waggelzwaar van hun stoel dansten en loom kankaneerden met armen en beenen gelijk. Dan ging er dronken waggel van rompen en koppen tegen ’t gelige gordijndoek; chinees-schimmig en burlesk-angstig vergroot als ze stapten naar achter, in ’t tonige halve kamerduister; schèrper aanrumoerend, en silhouet-zuiver, de dronken profiel-tronies omlijnd, als ze zich bewogen naar vòren.—Smokerig in nevel rookte de kamer rood van gouenaars en sigaren. Scherp in vlagen, prikkelde jeneverstank er doorheen en lolliger in de zomeravondhitte zopen de kerels hun kelkjes leeg, in kleverige klauwen, snurkerig schrei-lachend en dronken doorgrinnikend. Dirk zat met asch bemorst van z’n borst tot z’n knieën, en telkens plaste ’r jenever op z’n kleeren, als ie waggelend opstond en met z’n glaasje in de hand lachtronies der meiden bestrijken wou.—Met schrik en angst loerden de dochters naar hun handen, die rondzwermden in al woesteren tast. Tot eindelijk, laat in den avond, heel laat, vrouw Grint ’t besef kreeg de kerels te bonjouren. Dat had ze nog nooit beleefd, zoo’n latertje, al wàs ’t Zaterdagavond. En al loerde ook zij op de rijke neven Hassel, nou, met die arme donders Piet en Dirk erbij vond ze ’r niet veel aardigheid in. Met boffen en beuken drong ze de kerels naar de deur, woedend op vader Klaas, dat ie zich zoo te buiten ging.—Want Grint joeg de kerels òp, tegen elkaar in, om z’n meiden te zoenen, te pakken, te frommelen. Schor-ironisch, met scheefgetrokken mond, bezwijmelde oogen, die waterig glansden van beschonkenheid, riep ie hikkend, en òpwaggelend van z’n stoel:—Alletait.. in.. ’t fesoenelikke.. Soene.… i i i i.. i i i.. ’n ’t fesoenèlikke.… enne.. pakke.… i n n n n.… ’t fesoenelikke.… enne!.…Ze zoenden, dat ’t klapperde, en de meiden verhit en vol verzet toch, bedroesemd, opgehitst, en nijdig-beschaamd tegelijk, trapten en sloegen. Annie en Cor vooral, duwden met vuist-stompen en kleine mokerslagjes de rook- en drinkmonden griezelig[195]van zich af. Toch voelden ze niet te kunnen weghollen, om de lekkerige duizeligheid en soezerige zinnelijke hitte in d’r lijven, van ’t drankje.—Maar vrouw Grint waakte, hield ààn. De kooters konden niet slapen, zij moest d’r ook in,.. kortom, ’t was d’r ’n skandaal, zoo laat naar ’t nest te trekken. Dat was nooit nog in d’r leven gebeurd. Schoorvoetend, met brandende monden, scheefgewrongen van heete, verterende begeerten, met gloeioogen, in vlam geloerd op de guitige donker-lonkende kijkers van Geert en vurige Trijn, op ’t slanke lijf van Cor, en de warme molligheid van Annie, trokken ze af.Klaas Grint waggelde ze nog achterop naar ’t pad. Z’n dronken haperende hik-stem, krijschte wat nà, onzeker verglijend in klank-schorre lalwoorden.—In ruzie-smorende innigheid en vriendschappelijke woede, waggel-stapten de neven, over ’t maanbleeke duistere pad heen, armen ingehaakt, elkaar vervloekend. Ze zongen en raasden zich naar huis, met straatliedjes en dreunende scheldwoorden, uitrauwend in stildroomenden zomernacht, doordauwd van zoete geuren. En vóórt ging hun beestige passie, die de zwoegers, als steigerende, duistere furiën rondtrampelen liet, in ’t nachtelijk stil-donkere Duinkijk.[196]
[Inhoud]V.Aan de Wierelandsche haven wachtten meisjes en jongens met karren, klaar om bakken en manden op te vangen van vader en broers.—Vier booten, achter elkaar, stoomden in, en van vier booten tegelijk, meerden de loopers ’t touw vast aan de palen. Een wild gedrang stootte òp, woest geschreeuw ratelde los; gekrijsch van tuinders, met verkeerde bakken, roep òm roep. Rauwe moeheid klonk door de stemmen, en zwaar de zweetkoppen, roodgrauw, paars en bietig, vloekten en gromden weer te moeten sjouwen in den nog smoorhitten zonnedaver.—Eén helsch karnaval van dooreenkrioelende zwoegers en waggelende beschonkenen, brak plots weer los aan de doorgloeide haven, gestoofd en geschroeid in den vonkenden zengdag.Paarden loomden weer stil, achter drom van kleurige karren, en van allen kant, op de haven, golf-vloeide gewirwar van kerels en wijven, meisjes, en jochies. Van de hooge booten reuzigden de werkers, met de bakken en vrachten op nek en kop, tegen eindlooze polderlucht violet vuur, dat dampte en smeulde.—Heele stapels hoekten in dwarsen lijn-opstand de lucht in, op de hooge boot; wilde kankan van opgeheven kisten, schuin en[179]vlak, rechtòp, dwars, scheef, en mandtorens waggelden geweldig op de zwoegschouers, en dampende zweetkoppen.’t Stormde op den wal, en woester krioelden en afmarcheerden de karren in hotsende ratel-herrie en bonkering, naar huis; geduwd door jochies en meisjes in schreeuwerigen konkel.—Het heete gedaver en gesmak van kisten waarin de leege aardbei-mandjes nu beèfden van schokken, bulderde weer òp, cyclopisch, als donderende klankneerstorting van mokers op aambeelden en houweelen-ring-king op steenen muren. En òm ’t smak-geraas heen, bleef roezemoezen bassig gegons van straatgeruchten.Troepen venters, klaar met hun manden en vrachten, afgereeën aan d’r kinders, drentelden rond met hun handen op geldzak, warmpjes de centen ingekneld tusschen vleesch-hitte en broek-voering, smakkend naar lekkeren Zaterdagavondzuip.Afgebeuld of in drinklol opgewonden, strompelden de groenboeren herbergen in, waar ’t borrelde en gistte van schurige stemmen, dronk’rige roezemoes; waar ’t schuiflawaai knarste van stoelen op zandgrond, tusschen stikwalm, rook-rood.—Buiten woelde ’t haventje in hellegedaver.’t Kraakte, klotste, hotste en smakte ’r in gloeiend zwoeggerucht, arbeids-hellebaardiers, die burchten sloopten.—In ’t watertje glom, kleurveegde en brio’de druk beweeg van kramen, sloepen, tjalken en bokken; op elkaar gedrongen, tusschen engen spoel van spoor-polderdijk en walkant in. Wemel van schipkleuren nog blond doorzond, gloeide òp in ’t àl zinkender licht. Op hoogen bakkenstapel, midden in thuiskomst van Zaterdagavondmarkt, herautte nù ’n kleine jood, met luchtig fluitspel.—Kring van honderden stond om ’m heengekranst, in starenden luister naar z’n wonderlokkend, klank-zoet fluitgevlei. Weinig sprak ’t joodje. Met ’n groot blad muziek op ijzer lessenaartje vóór zich, wees ie op de methode, zei wat van de fluit, ’t klank mooie, ’t zuiver-hooge en lage, en speelde, spéélde.—Joodje leek verliefd op eigen fluit. In zwierpracht en zoeten huiver van vloeiende vlei-toontjes, zilverende koloratuur, zong[180]ie zich uit,—dan één, dan twéé fluiten den mond induwend, zich zelf begeleidend. Starre bewondering strakte van de tuinderskoppen. Ze voelden, voèlden dat ’t ècht was. Prachtig ebbenhoutig-zwart, glansden de gepolitoerde oktavo-fluitjes in joodjes hand, en wonderzoete, zilver-trillende tonen blies ie de heet-zonnige havenlucht in. Met gratie, in duizelend snelle vingerradheid, duikelden, trilden, zweefden de toontjes uit z’n fluit, en z’n vingertoppen leken tien betooverde zieltjes, vol klank en zaligen galm. Snel dansten de topjes op de zwart-geglansde fluit, en machtiger zwol z’n toon, fel in zingende kracht, de havengeruchten overklankend. Dan plots hield joodje in, droefde ie weemoed uit, in weeken, donkeren fluister van wiegelende klankjes, slepend-zoet en innig-ontroerend, droomrige melankolie van teere toontjes, in klagelijk register.—Zoo jubileerde z’n wonderfluit tusschen ’t sjacher-rumoer, dat zacht verstomde onder z’n tooverzang. Heelemaal méé, in de pathetische zoetheid van z’n lied, schokte jood’s lijfje.—Zacht zwierde z’n hoofd, lichtelijk heen en weer. Op de kadans van z’n lied, rekte zich z’n postuur als groeide ie boven den luisterkring uit, kromp ie plots weer in, bij teerdren melodie-zwenk. En vlak om z’n hoofd geurde en zweefde ie uit, ’n krans van zangerige kabbelende klankjes, met iets er in van starende smart; murmureerde z’n vlei-klankende fluit, diep en vroom ’n litanie van innigheid; bleef dóórdroeven z’n zang, in smartlijk mineur, speelde ie uit, ’n lied van tranen en hartewee. Dan plots, in ’n schater, zwol z’n toon in ’t hooge register, joelde de klare zilveren klank van z’n demonische fluit als ’n woeste jubel door de polderlucht en haven, schaterend en klaterend. Roerloos stond ’t landvolk in tooverban te luisteren. Eén laatsten stroom van klankenjubel tremoleerde hij nog woest en oriëntaal òver de koppen heen, wijd uitvloeiend de zonnelucht in; klankenpracht, als ’n vurige hymne rondbruisend door den havengang. Plots zweeg ’t joodje.—Dronken en nuchtere kerels stonden gebluft, nà de plotse fluitstilte, in argelooze luistering.—Zwoegers uit de donkere bedompte kroegen, waren opgestapt, in furie en bedwelming,[181]naar den man die daar zóó gejuicht en geweend had, onder de slavende massa.—Joodje, zeker van z’n kunnen, zelf wèg in zoeten huiver van z’n klankinstrument, speelde weer opnieuw, gaf zich heelemaal over, aureooleerde zich in een sfeer van zilveren tonenzang.—Eindelijk, klaar met z’n spel, stroomden de kwartjes op ’m af. In fijn-gele vloeitjes wikkelde ie de glanzige zwarte fluitjes met goud-vergulde ornamentjes, drukte ie de kerels de gewichtige methode in de hand.—Mit dat boekkie, in drie daagh en nachte, kan èllek manspersoon en vroùspersoon de heele kunsh! ’n Kind kèn de meledie! wattie wil! as ie ’t marr kèn! begrijbt u!Z’n luisterkring van boeren stond als vastgezogen aan den grond, in verbijstering voor dàt spelen. Zoenen wouen ze den kerel. Joodje had geen handen genoeg. Jongens met lach-van-ontroering op d’r gezicht kochten; mannen, die in hun schemeravondstraatjes onder de lommerstille zomer-boomen harmonika speelden, kochten; dronken kerels, betooverd en half ontnuchterd kochten; meiden, wijven en „notabelen” kochten.Strak-zelfbewust bleef gezicht van Joodje, die soms midden in ’t drukst van z’n verkoop, plots naar zich toegestrekte armen terug-wees, met stil gebaar z’n fluit, koester-zacht vatte, en speelde. En alles roerloos, in tooverban als klonk er geen hond-geblaf, kargehots en sjouwgekrijsch meer, bleef rond ’m staan.Tot heel naar den polderweg verklonk de klaagroep, van z’n fluit, zoet gefluister, smachtende adagio’s, plots vervloeiend in stoute schalmei van jubelende scherzo’s. Begoochelder stonden rond ’m, in broozen luister, de afgemartelde zwoegwerkers, met verrukking in de oogen, bevende monden en verlegen handen. Plots weer brak joodje àf, deelde ie z’n fluiten uit, tot ie alleen z’n eigen instrument overhield. Eén groenboer, wou dàt ding hebben, met ’n gulden toe, zei ie sluw lachend naar de omstanders. Maar Joodje lachte ook, gaf ’m z’n fluit, ruilde met den boer, die ’t geld klaar had in z’n hand, en speelde nòg mooier op ’t kwartjes-instrument.[182]—’t Sit ’m weràchdig niet in ’t fluitje.. ze binne d’r as tweeh drobbele water geleik eender!.… ’t zit ’m in ’t hart meneer!.. in ’t hart!.…—Hoart?.. hoart? sputterde ’n tuinder.…—Nou ja.… ik bedoell eigelik in uwès boekkie.… de methoòde.… lachte Joodje weer ironisch, ’n kind kèn ’t leere.. in drie daaghe het tie ’t onder de knie!Vier honderd fluiten had ie verkocht in één uur. En overal op de haven, door Wierelandsche straatjes en steegjes verklonk fluitgejoedel, valsch en onbeholpen, stooterig-monotoon lawaai, dat joodje sarkastischer lachte op z’n bakkenstapel en inpakkend z’n lessenaartje, nog spottend nariep:—In drie daaghe te leere.…voor’t kleinste kind!.… de meledie.…Rond de bakken, honden en paarden, bleef ’t laat, tot in den schemer ratelhossen van karren, klakkeren van hoeven en orkanen van hellegeblaf.—Bij aansluip van avond, begon éérste drinkmaal van venters. Lichte zuip was er geweest in de stad. Echte zuip barstte nu pas los. Ontembaar zouden ze zich gaan geven aan den heerlijken zoeten brand van dronk, als koelst ijs in hun stoffige ventstrotten verglijend. Bij wijven thuis was alleen gemor, kinderenherrie, schoonmaakploeter, geharrewar en zaterdagavond-afboenerijtjes. Geen zitje, geen likje. Niets lekkerder en plakkeriger noù, dan samenbroei in de stikheete kroeg, met gesuis van havenlawaai nog èven in de ooren, roezemoezigen verdoofden naklank van sjacher.En niks doen dan lollen en babbelen, verdoofd tòch alles hoorend, maar van verre gebeurend, in ’n warrel. Zacht geklots, gezoen en getikker van biljardballen, kleurig en glanzend, robbelden over ’t gehavende lakengroen, bemorst en ingescheurd. Fel gevlam van gaspitten dampte hette uit.—Vuur en rook van pijpen en sigaren, rood-smokerden in een sfeer van kroeg-zwijmel.—Scherpe jenevergeuren, spiritusachtig zuur, walmden uit buffet[183]van tafel naar tafel. Ze voelden zich smoorheet, de groenboeren, maar lekker, paf-verhit in de kroeg.Dirk en Klaas Grint bleven vlak bij elkaar. Dirk zoop zwaar dat z’n hoofd heet-kleurig rood te zwellen stond, en z’n kale, blond behaarde nek in vuur schroeide. Grint had stille drinkerskleur, zachtpaars, maar toch keek ie nog helder uit z’n oogen, zonder dat iemand merken kon dat ie al vet was.Op de haven had Dirk Kees, die karren en bakken terugreed, nog even gesproken. Hij wilde ’m ’n borrel opdringen, maar ’t was niet gelukt. Ze hadden Kees ook èrg schuwerig bekeken weer, als voelden ze zich niet gerust bij den stillen Strooper. Uit angstigen bijval wilden hem ’n paar tuinders nog wat borrels aansmeren, maar Kees bleef weigeren, toèn met ’n vloek.—Dat was z’n kracht! Hij voelde dat, àls ie zuipen ging, hij niet meer ophouên zoù al z’n verdriet, z’n huiselijke ellende en getob over Wimpie’s beroerderigheid weg te spoelen. Nou z’n ventje ’r nog was, hield ie zich sterk.Nou had Kees Dirk gezeid, dat Ouë Gerrit d’r strak-en-an nog rais ankwam, op de haven. Dat maalde Dirk ’n beetje. Hij voelde dat dàn z’n centen in den zak, bedreigd stonden; dat ie niet meer doen kon wat ie wou, als d’Ouë neerstrijken kwam. Toch verdoezelde die gedachte tot vage verwachting in z’n kop. ’t Heetst in ’m woelde ’t denken aan de mooie meiden van Klaas Grint, vooral aan Geert en de heete Trijn, waar de neven Hassel òòk op loerden. Naast Grint aan ’t stomphouten tafeltje opgedrongen, zaten Jan en Willem Hassel. Klaas Grint sluwigjes, voelde zich lekker tusschen de gesmoorde geilheid der knapen. Hij kon tegen ’n borrel als geen ander.En nou vond ie ’t ’n zalige lol, zoo happie nà happie in te zuigen, zonder ’n cent te dokken, in woesten naijver van drie kanten opgepookt tot vrij zuipen; dàn door Willem, dàn door Jan, dàn door Dirk.—Piet mankeerde nog, hinnik-lachte ’t cynisch in ’m. Tusschen hùn halsstarrige, zwijg-nijdige boerenpassie in, wreed en moordend, warmde hìj z’n zuipbegeerte. En telkens als Willem zag, dat Dirk trakteerde, riep hij ook den kastelein, bestelde voor Grint in ’t wild erop los. Grinneken[184]bleef Klaas er om, en trotsch voelde ie zich, in z’n dronken kop, dat hij toch de vader was van zulke lekkere meiden.—Nou, drink jullie d’r moàr, d’rfeur binne jullie vraigesellekerels hee?.… Moar.… van màin goant nie hee?.. van màin hee?.…ikkehep d’r maide en klain goed.…Hij grinnikte Grint, veegde met z’n dikmorsige vingers langs z’n neus.—De kerels knikten, grinnikten mee. En Grint lachte erger, met dronken stemmeschuur in z’n schater, omdat zij grinnikten.In tijen had ie zooveel zaken niet gedaan, als vandaag. En hij, helsch genietend als ie iets niet hoefde te betalen, z’n duitjes bezuinigen kon, maar toch loerend op wat lekkers, hij kòn ’r niet over uit, dat ’t nou bij hèm puur was: mond ope, portemenee dicht.…Joliger klokkerde ie z’n borrel in, langzaam roerend, elk happie, dat dadelijk weer aangeschoven stond onder z’n hand. En iedere borrel als ’n lafenis door z’n keel, spoelde wèg vermoeiing van smorenden dagzwoeg.—Stiller, in dronken zwijg,—zwijg toch van huilend, woedend-woesten hartstocht, op z’n neven, schooiers die loerden op zìjn meid,—bleef Dirk naast Klaas Grint geblokt.—En lolliger werd Klaas, aangeprikkeld door den gonswarrel van stemmen in de herberg, den dronken zoem van kakelaars, venters en koopers en allerhande kroegtypen dooréén. Laag en diep, met z’n gloeiendeglasvlammen, rookerig, verweerd van hitte, verronkte de kroeg z’n dronken reutel van geluiden. Jan en Willem schoven al dichter naar Grint toe en trakteerden weer. Langzaam genot-innigend ging de zuip rond, langzaam en demonisch. Dirk zag den ouen Gerrit niet opdagen. Vond ie lekker! Rond ’m woelde de herberg al voller met drommen bestoven zweetkerels, bek-af van sjouw. Waggelend en krijscherig sloegen hun lijven, massaal en reuzig door den heet-rooien rooknevel.—Troepjes met blazende, gloeiende zweettronies bleven waggelen voor ’t buffet, de glaasjes tegen ’t licht geheven, dronken zeurderig en spraak-zangerig; plasten het vocht hun kelen in, onder knars van hun klompen op zandgrond. Van alle hoeken[185]spogen groenboeren en venters in de bezande spuwbakken hun pruimen, zopen en vloekten ze. Op klein bankpuntje, dat open kwam tusschen ’t kroeggedrang, smakte zich haastig ’n werker neer, met grauw-moeën kop, en reuzige geknauwde handen bevend-uitgestrekt naar ’t buffet, in snak naar drank-koeling.Tegen tien uur stapte Grint òp, z’n schitteroogen verkleind van stille beschonkenheid. Dirk mokkend en pruttelend, waggelde zacht mee òp, grabbelde duizelig in z’n diepe klepbroek, waarvan de grove voornaad vettig spande tusschen glimmig smeer. Alles betaalde ie.—Willem en Jan opstuivend, streden, duwend en vechtend, dat zij de helft er moesten bijplakken. Dirk zei niets, gaf, zachtwaggelend, ’n stommen nijdigen wenk aan kastelein dat ’t, zóó als hij ’t wou, in orde was. Kalm schoof herbergier kleingeld terug op natbeplaste tafel, dat Dirk naar zich toeharkte, kleverig, maar vallen liet op zandgrond en in spuwbak.—Nie d’r strooie hei Dirk? baste ’n kerel met diepe fagotstem.—Aa’s je te veul hep, is màin d’r nog! gierde ’n ander.Nieuwe drom kerels klomperde in, stapte langs en voorbij Dirk, die gebukt zoekend, in zachten rondtast, lijf-zwaaiend, ruw op z’n handen getrapt werd. Bloed zakte ’m naar den kop. Rauw vloekte ie uit, en flauw loerde ie rond op den grond, maar half beseffend of van hèm of van Grint wat duiten weggerold waren.—Lodderig staarde ie òp naar Klaas die gierde, z’n buik met z’n vuisten betamboerijnde van lol.Plots vloekte Dirk weer, stapte in wijen waggel, onzeker naar de deur. Grint had ’t geld uit den spuwbak gegrabbeld, ’t nattig en bevuild Dirk in de hand geduwd. Maar die beweerde nou, met dikken tongstotter, dat ’t van hèm niet was, dat hij d’r puur nies verloren had.—Zoo’n geep! gierde Willem Hassel hoonend.Stom bleef Dirk voor zich uitkijken met z’n neus bijna op de deur gedrukt. En toch nijdig, gloeiend nijdig was ie, als ’n bromvlieg onder vangstolp. Niks nog kon ’r bij ’m uit. Alles zat opgepropt. Hij voelde den roes over ’m heen gloeien, benevelend, versuffend. Hij hoorde àlles half verward. Alleen[186]heet-stellig maalde ’t in ’m dat ie nou meeging naar de mooie meiden van Grint, naar de lekkere Geert, Trijn, Cor en Annie.—Nou … ik bin d’r op haide op stàp … mond ope.… portemenai toe.… schaterde Klaas opgewonden.Geen woord zei Dirk, vroeg ook niet of ie mee kon. Hij strompelde zacht zwaaiend naast Klaas, de herberg uit, als hoorde ie bij ’m.——Nou.. aa’s hai.… had d’r sels is.. binne wai ’t ook, bromde Willem en nàbromde ’m Jan.Daar zat Grint ’r ’n beetje mee, want de mannen hielden áán.—… Duufels, doar droeg ie twee, drie dronken kerels in huis.… heet op s’n maide … Moar sullie hadde sain tug soo rejoàl d’r van late snoepe!.. Allainig Dirk!.… die wou die puur wel kwait!.. Die keek d’r soo suur.… soo ’n naidas!.. Da’ konne s’n maide nie bestig hebbe.—Hij had al rond gezien op de donkere haven, of ouë Gerrit d’r ook rondscharrelde bij ’n kroeg om ’m mee te sleuren. Want Willem en Jan waren ook veel betere partijen voor z’n meiden.. Zat veel meer loodpot! Die mochten haarlie bescharrelen zooveel ze wouen.… Als ’t maar niet tot kinderen kwam! Maar nou zag ie geen ouë Gerrit, geen Kees, geen Piet. Dan most de brombeer d’r ook maar bij; kon toch vast geen kwaad.—Mô je nog ’n afsoàkker Kloas? vroeg plots, voor ’n rot kroegje staanblijvend Dirk, met bleeke strakheid in z’n kop en tril-trekjes om z’n lippen.—Dankkie uit ’t hartje kaèrel! Ik hep d’r t’met.… t’met wá’ bai màin stopt, veur ’t nest hee?.… ’t mog d’r weer ’n weekie sain.… dan kraige sullie alletait van main ’n lik uit de flesch hee?.… Jammer da’ sullie d’r aige nou t’met juist an ’t boene binne.…—Selle wel waiser wese.. lolde Willem sabbelend op z’n woorden.… aa’s d’r jonge kerels komme.… da treft d’r nou net ellèndig mooi!—Niks gedààn jonges! Je houê d’r jullie fesoen!.… daa’s onder en boòfe de wet sait hee? jonge maide is d’r hiet brood.. paa’sd’r op![187]—Nou,.. sullie wete d’r woar Brammie de mosterd hoàlt, piekerde dikbullige Jan.—Tu.. tu.. tu.. manne,.. hield in dronken energie Grint vol.… main maide binne d’r onskuldig aa’s ’n kerk-kruissie hee?.. ’t binne d’r netuurlik jonge skepsels hee?.. en se binne d’r soo ellendige goeie kooksters, enne meroakels goeie huishousters.…—En Train is d’r tug soo’n ellendig-knap swoàrtje, brulde dikbullige Jan huilerig, lachend van dronken aandoening.—En Geert.… da’ liefe bakkesie! schreeuwde Willem.Dirk gromde wat, dreigend onverstaanbaar voor Klaas en de neven, die maar zwegen, uit angst dat ie ’t herhalen zou.—Recht over ’n weibrok stuurde Klaas op z’n erf en huisje ààn, dat stil en klein achter hagen en vruchtboompjes donkerde tusschen het verduisterd groen, midden in geheimzinnige murmeling van zomeravondland, weemoedstil en geruchtloos.—Dirk voelde zich lam in de beenen. Hij had ’n schat verzopen, maar Klaas niets en de neven waartegen ie nooit sprak ook maar weinig. Dat hinderde ’m nou, maakte ’m barsch en nijdig, toch zonder dat ie iets zeggen kòn.Bij Grint zaten de meisjes, in ’t halfdonker, paf van de hitte, doodop van aardbeipluk, lusteloos en morsig nog, op ’t achterend. Toen de mannen instapten, bonkerde ’r rumoer in ’t stik-heete hokje, dribbelde ’t vrouwenkliekje onder zachte gicheltjes en lach-kreetjes naar de voorkamer, waar de kleintjes sliepen in bedsteeën en ledekantje, en ’t duf stonk naar verstoofde menschenlucht, zweet en adem. Zenuwachtig door ’t lawaai van de zware stapkerels en schorre dronken stemmen, draaide moeder Grint ’t lampje òp vlak voor ’t raam, dat half in hoogòpgebloeide geraniumsblad en dennetjesgroen gezakt stond. ’t Vuur van de hel-rooie blommetjes vlamde ertusschen en tonglekte, fel-rood. Acht potjes in ’n rij, opgekneld en saamgeknussigd achter ’t dichte venstertje, dat nog inniger scheen in z’n kleinen ruitjesbouw, de blommen hoog uitgetakt, tusschen ’n pot-dennetje. Vlak er boven, ’t gordijn, geel-blank door-goud[188]van lichtstroom, met z’n wollige bolletjes, zachtglanzend neergekroesd in ’t groen. ’n Klein scheepje hing tusschen ruitje en blompotranden te pronk, met z’n teer mastwerk, ragge kruisdraadjes en koperen boegplaatjes, glanzend tusschen het warme roodaarde.—Zòò, intiem en stil, ’t raampje met z’n uitgeteerd-groen horretje in ’t puffe zomeravondkamerke, leefde eigen bestaan achter z’n stille, glansgouden gordijntje.—Vader Grint al opgewondener, schreeuwde dat ie weer ’n likeurtje voor ’t nest had meegebracht. Geert keek glunderigschuw, naar Dirk en de neven. Haar diep-donkere oogen zochten te begrijpen waarom de mannen zóó laat waren meegestapt.Dirk bleef bokkig, zei geen stom woord, zoende Geert alleen met z’n heeten oogenkijk, pal in ’r wulpsch blanken halskuil.. Nooit nog had ie soo’n lekkere maid sien—— doar waa’s Guurt ook niks bij.Willem loerde van ànderen kant op Geert en Jan lolde met Trijn en Cor.—Uit achterend in klomprumoer was plots Piet Hassel ingestapt, in schijn zoekend naar Dirk. Woest was ie op den kerel, dat ie daar zoo pàf en stomp naar Geert zat te gluren, hij, die toch ook wist, dat ze al lang met hèm aan ’t scharrelen geweest was.—Bokkiger nog keek ie op Geert neèr. Op z’n kousen, stil was ie ’t kamerke ingeslopen, morrend in zichzelf dat dâ speelsche meidetuig ’n elk vrijgezel lokte.—Jan Grint, in ’t gangetje z’n klompen uitklakkend, stapte na Piet in. De meiden gierden, bufferden hun kopjes bijeen onder lampgloed. Vrouw Grint gichelde mee, schel, met snerpende schreeuwerigheidjes, dat ’t broeihok volschetterde van stemmenrumoer. In lollig opgewonden gebaar zette Klaas ’n flesch jenever op tafel.——Moeder!… nou skenk jai d’r aa’s ’n klebak de kring rondhaine.… hee?Piet was dichter op de meisjes aangeschoven en Jan Grint gaapte, gààpte. Willem vloekte in zichzelf van nijd, dat z’n neef Piet, nuchter en koel, zoo midden in was komen opdagen.[189]Maar Jan Hassel kon ’t niks schelen. Half al zat ie op Trijn d’r schoot, kinstreelde Cor, ’t blondje, onder woede van vurige Trijn, die geen jongen kon zien of ze moest ’m hebben. Gauw, met ’n por, liet ie Cor los, keek Trijntje pal in de appels, handstreelde ’r week-kittelend en sluiperig in ’r hals, staarde lodderig verliefd en dronken-sentimenteel, haar brandende begeerende kiekers in.—In ’t ledekantje, wurmden en woelden de kleine plukkers en plukstertjes, half in den slaap. Een kereltje, klaar wakker van lol-gerucht, stootte de anderen òp.—Een vóor één, verschoond, pas wèg onder den Zaterdagavondboen, strompelden ze òp, uit bedsteetjes en ledekant, met knipperende oogjes tegen ’t felle licht.—De drie kleine meisjes, in blanke ponnetjes, met hun lachend slaperige, helder geboende rooie gezichtjes, drongen verbluft op de tafel ààn. De jongens, in d’r loshangende smoezelige hansoppen struikelden vàn gretigheid, naar voren. Klaas Grint, al opgewondener, schaterde en grappigde gemeene moppen uit, proestte zich zat met z’n eigen pret, en lachronk.—Hij vertelde dat ie dat elken Zaterdagavond zoo had geprakkiseerd, ’n lekkeren dronk voor z’n nest, op ’t geploeter van de week. Dat mochten ze waarachtig wel hebben. Dan kreeg de heele kring ’n borrel. De kinders rekenden er al op; smakkerden en joolden al vooruit, wachtten elken week tot ’t kwam, met slaap in de oogen. Iedere week moest ’n ànder waken en wakker schudden zusjes en broertjes, als vader Grint wel eens heel laat aanzwaaien kwam. Maar dikwijls viel ’t kind-wachtertje in slaap, lag ’t heele hufter-zooitje te ronken; ging de zuip hun voorbij, zonder dat ze ’n druppel drank geproefd hadden.—Gespitster bleven ze de volgende week, in langen worstel tegen slaap. Hoorden ze dàn flesch- en glaasjesgeluid zacht rinkelen, geslobber en geraas, dàn veerde wakertje òp, hielp hij, in stooten en bonken, zusjes en broertjes overeind; bombardeerden en drongen ze joelend naar voren, in den kring. En Klaas Grint, schaterde dan, was trotsch, heel trotsch op z’n wakkere kleintjes, dat ze zich niet hadden laten verschalken.[190]Dirk bleef stom op z’n stoel als ’n blok, deed niets anders dan Geert in ’r donkere oogen staren, en ’t gezicht zwart te rooken. Willem schoof al dichter bij, aan anderen kant en Jan Hassel, met z’n log lijf glisserde zich nou heelemaal op den schoot van vurige Trijn, waar ie telkens, met ’n schijn-ontstelden opkieper van afgebonsd werd. Dan gilde Trijn in dollen lach, stootte Willem tegen z’n buik, maar Cor en Annie hielpen Jan weer òpsjorten, langs d’r beenen. De meiden tusschen de stoomende stoeikerels, kregen ’t warmer, lachten, gierden en bliezen van hitte en klefferige vurigheid. Piet bestoeide Cor, uit wraak tegen Geert, en zoende Annie dat ’t klapte. Alleen als de kerels in brutalen grabbel hun te lijf wilden, trapten en beukten de meiden op hun schonken, die toch roerloos bleven, als van graniet, onder de weeke bons van hun meisjesknuisten.—Vader Grint keek loensch, woedend dat ’t wijf de kelkjes nog niet had neergekringd.Schunnige grappen en woorden ronkten de kerels onder drinkhitte uit; branderig borrelde dierdrift op. Gloeiriger handen tàstten, feller oogen loerden door rookdamp heen. Maar telkens nuchterde vrouw Grint er wat tusschen, dat de kerels even verbluft en sip vòòr zich keken.—En Jan Grint, nijdig op ’t bezopen stoetje, den branie Willem, kalmeerde ze met koelen, norschen smak van woorden. Langzaam had vrouw Grint eindelijk kelkjes uit de kast gehaald en neergezet. In fijn zilverende glinsterkringetjes klokkerden klaar de glaasjes vol, en zoetig liet ze, in elk kelkje ’n klontje zakken.—Enne de laipeltjes moeder.… da’ sullie d’r van deur-roere kenne! hee? schreeuwde Klaas, spog-sputterend uit z’n geschroeiden mond.De kleine meisjes tegen elkaar gedrukt op twee stoelen, met de knietjes onder de schoone lijfjes, als duivenrijtje op tilrand blank, keken met groote oogen waar slaap nog in ronddraaide. De jongens, mannerig, wachtten, gierend van pret.—Motte de kinders nou d’r ook weer foader?.… vroeg zichzelf onderbrekend vrouw Grint.—Daa’s net! soo wèl aas wai hee?… die … die … binne[191]d’r op kommende waige hee! barstte Klaas jolend uit, sullie hebbe d’r meeholpe.. nie? laileke kakketoes!.… en d’r aige krom plukt!.… soo tuikig aas de beste.… En nou.… doa’ goàn jullie.… wàif.… kèrels!… maide … kooters! santjes!Vader Grint slokte gretig, stond zacht waggelend voor de tafel, zakte in zwaai weer neèr op z’n stoel. Mannen, vrouwen, en kinders met d’r kleinuitgestrekte armpjes, klonken beverig ààn, in driftigen rinkel en tinkel van kelkjes. De meiden proestten om alles en dronken te gelijk. Geert schoot in ’n kittellach, dat jenever ’r tegelijk uit neus en mond spoot, ze in krampende hoestbui, rood-doorschokt, dreigde te stikken, inéénkronkelend beenen en hoofd en spuwend-lachte met betraand-dolle oogen. Dirk was verschrikt opgesprongen waggelde weer terug, voelde z’n arm verdrongen door Willem die Geert hard op ’r rug klopte, onder d’r stikhoestend krampgelach. Eindelijk bedaarde de meid, nog nakuchend telkens van jeneverjeuk in ’r brandende keel, gloeiend als had ze ’n peperbus geleegd.Jan Hassel had haar glaasje weer deftigjes tot aan den rand volgeklokkerd dat ’t fonkel-vocht, weer schitter-zilverend kringlichtte in de kristallige kelkjes, en stotterend hoestte Geert uit:—Joa.. joa!.. ongelu!!.. ukke!!.. binne!! d’r kwoaje kan.… se!!—Aa’s nou d’r Guurt d’r is hier waa’s! lachte wulpsche Annie, de jongste meid met ’r mopssnuit.—Geloenscht had ze naar Dirk en ’r broer Jan toen ze ’t gezegd had.—Guurt.… Guurt!.… stotterde Dirk, voelend dat ie wat zeggen moest, die f’rskoont d’r aige … nou.. d’r bast!.. die stoan d’r.. nog feur.. ’n kattebakkie.Geert dreigde op ’t botte, stom-uitgeaarzelde antwoord van Dirk weer te stik-proesten in jeneverslok, maar d’r broer Jan, keek zóó sneu en zuur dat ze d’r lach inperste en neven Hassel ook voor zich uit-sipten alsof Dirk heelemaal niets gezegd had.—Licht-zilver wiegelde in glansjes om kelkjes, en fijn kristalde ’t zilvervocht. Klaas Grint vond ’t lollig, dol-lollig, wat Dirk daar uitstotteren kwam.[192]—Aa’s je main nou!.… jai.… jai ken d’r tug soo ellèndig goed liege hee?.… da’.. da’ de lekkere Guurt.. d’r.. d’r aige nou.. f’rskoont.. hee!.. daa’s sneu.…—Niks gedaan foader, hou je bek d’r buite, snauwde drift-bleekig Jan, die niet hebben kon dat Guurt door ’t bezopen stelletje belold werd, allerminst ’t duldde van zijn vader.—Nou.… kaik!.… daa’s … eerst.… ’n be.. laift.… bèfel.… van.… van hooger hand.… hee!.. Gain jai.… d’r na’ jesnoeptoàfel.. foader! wil dá’ segge!.. nou!.. daa’s befèl van main nikker, de swarte Joan,.. eenmoal.… andermoàl.… nou hou je sain heul fesoenelik.… en figeleer je nie … en nou goan wai d’r nog rais ’t kringetje rondhaine hee?.… Moeder! gaif de kooters nog rais ’n hallefie.. enne main!… enne.. de kerels.. de volle moat! hee manskappe? da’ laikt hoarlie hee?—Altait lekkerder aa’s op ’t land te f’rbrande, mit ’t hiete spog in je drooge bek.. sloeg Piet er door, tegen Trijn áán, stoeiend met de lange blonde Cor, die stil zat en smakkerend met zoete teugjes ’r jenevertje inzoog, dronkje waar ze dol op was, iedere week.—Vader Grint lachte luidruchtig om Piet, met oogen nat van glansen en stil uitwerkende dronkenschap. De kerels roerden, smakkerden, en de meiden lachten en likten. En gretig, in felle passie, zogen de kinders ’t drankvocht bij zoete kleine teugjes in, piekerden met hun vingertjes klefferig bodempje schoon, boorden en kronkelden d’r tongetjes, spitsig langs ’t randje, omlekten de glanzige en besuikerde kelkjes, woelden en zuchten in spartelend plezier. In drukke gebaartjes pagaaiden de klef’rige kinderknuisjes door elkaar heen, schuurden woelig schoudertjes en armpjes langs de tafel. Fel lonkten en vonkten de oogjes in ’t lamplicht, en ’n paar brutale jochies poogden te likken, te smakkeren, doopten hun vingertjes in de kelkjes der vreemde kerels.—Onder gelach en gebabbel weerden die hun klauwtjes àf, zonder eigenlijk te zien wàt de kooters deden. ’n Roodharig jochie van vijf, apig maskertje, met wijsgeer-rimpeltjes op hoog-voorkopje ingegroefd, vroeg om méér. En ’n ander,[193]wat ouër, drensde mee in hurk, z’n hoofd op twee ellebogen gesteund, vingertoppen den mond ingeknauwd, met z’n hel-blauwe oogen, pijn-lang ’t licht instarend. Maar dadelijk, als kreeg ze haar herinnering terug, viel vrouw Grint nijdig uit, dat ’t nou dubbel en dwars mooi geweest was, joeg ze de duizelige kleinen met snauw en duw weer naar hun bedjes. Christientje werd aan ’r lange haren meegesleept door ’n drank-verhit jochie van acht, en gierend opgewonden, elkaar beklapperend op de billen, klauterde ’t stoetje weer in de verbroeide slaaphokjes, die vol dampten van rook, walmden van snikheete, duf-drukkende kamerbenauwing.—De mannen joolden met Dirk mee, die plots van stommetje, in ’n vlaag ’t drukst wierd van allen. Hij stoethaspelde en raaskalde, stoeide en sprong als ’n klown, strooide gepeperde moppen stotterend rond, flapte en stapte dat de meiden, verhitter, schik in den kerel kregen.—Z’n kop gloeide rood, z’n koeienoogen glansden, en z’n chineesch-kakerige snuit keek sentimenteel. Piet zong schor, schold ieder uit, zoende vlak voor Willem Hassels tronie, de mooie Geert op d’r gloeiend-wulpschen mond en blank open halskuil, dat er vloeken en bedreigingen hurrieden tusschen de dronken knapen. Maar de meiden konkelden ’t weer goed. Klaas Grint lachte er overheen en vuriger stoeiden de mannen dan weer, in haat en wrok, tòch voor ’t moment met elkaar verzoend.Duffer broeide de avondkamer in voozen stofstank van gesloten vensters. Het raampje, met z’n geranium-vuur, bladergroen en fijn roodaarde, achter ’t vergroezelende licht en vroom-groen horretje, waasde stil-gouïg tegen avonddiep duister van buiten, en elk ruitvakje verpeinsde eigen glansjes van tonige tintstilte, diep en wazig. ’t Scheepje stond roerloos met ’t ragge touwgeweef, en heel ’t venstertje, gouïg aangegloeid in lampeglans, met z’n roodaarden blompotjes, bloemen-vuur, en groene twijgjes, ver-eenzaamde inniger achter geproest en schor stemgebrul, ver van ’t burleske geschater en schurend gegrinnik der dronken, dierlijke boerenkerels. Over bovenkant van half gezakt gordijntje holden en lolden schaduwbroklijven[194]van de mannen, als ze waggelzwaar van hun stoel dansten en loom kankaneerden met armen en beenen gelijk. Dan ging er dronken waggel van rompen en koppen tegen ’t gelige gordijndoek; chinees-schimmig en burlesk-angstig vergroot als ze stapten naar achter, in ’t tonige halve kamerduister; schèrper aanrumoerend, en silhouet-zuiver, de dronken profiel-tronies omlijnd, als ze zich bewogen naar vòren.—Smokerig in nevel rookte de kamer rood van gouenaars en sigaren. Scherp in vlagen, prikkelde jeneverstank er doorheen en lolliger in de zomeravondhitte zopen de kerels hun kelkjes leeg, in kleverige klauwen, snurkerig schrei-lachend en dronken doorgrinnikend. Dirk zat met asch bemorst van z’n borst tot z’n knieën, en telkens plaste ’r jenever op z’n kleeren, als ie waggelend opstond en met z’n glaasje in de hand lachtronies der meiden bestrijken wou.—Met schrik en angst loerden de dochters naar hun handen, die rondzwermden in al woesteren tast. Tot eindelijk, laat in den avond, heel laat, vrouw Grint ’t besef kreeg de kerels te bonjouren. Dat had ze nog nooit beleefd, zoo’n latertje, al wàs ’t Zaterdagavond. En al loerde ook zij op de rijke neven Hassel, nou, met die arme donders Piet en Dirk erbij vond ze ’r niet veel aardigheid in. Met boffen en beuken drong ze de kerels naar de deur, woedend op vader Klaas, dat ie zich zoo te buiten ging.—Want Grint joeg de kerels òp, tegen elkaar in, om z’n meiden te zoenen, te pakken, te frommelen. Schor-ironisch, met scheefgetrokken mond, bezwijmelde oogen, die waterig glansden van beschonkenheid, riep ie hikkend, en òpwaggelend van z’n stoel:—Alletait.. in.. ’t fesoenelikke.. Soene.… i i i i.. i i i.. ’n ’t fesoenèlikke.… enne.. pakke.… i n n n n.… ’t fesoenelikke.… enne!.…Ze zoenden, dat ’t klapperde, en de meiden verhit en vol verzet toch, bedroesemd, opgehitst, en nijdig-beschaamd tegelijk, trapten en sloegen. Annie en Cor vooral, duwden met vuist-stompen en kleine mokerslagjes de rook- en drinkmonden griezelig[195]van zich af. Toch voelden ze niet te kunnen weghollen, om de lekkerige duizeligheid en soezerige zinnelijke hitte in d’r lijven, van ’t drankje.—Maar vrouw Grint waakte, hield ààn. De kooters konden niet slapen, zij moest d’r ook in,.. kortom, ’t was d’r ’n skandaal, zoo laat naar ’t nest te trekken. Dat was nooit nog in d’r leven gebeurd. Schoorvoetend, met brandende monden, scheefgewrongen van heete, verterende begeerten, met gloeioogen, in vlam geloerd op de guitige donker-lonkende kijkers van Geert en vurige Trijn, op ’t slanke lijf van Cor, en de warme molligheid van Annie, trokken ze af.Klaas Grint waggelde ze nog achterop naar ’t pad. Z’n dronken haperende hik-stem, krijschte wat nà, onzeker verglijend in klank-schorre lalwoorden.—In ruzie-smorende innigheid en vriendschappelijke woede, waggel-stapten de neven, over ’t maanbleeke duistere pad heen, armen ingehaakt, elkaar vervloekend. Ze zongen en raasden zich naar huis, met straatliedjes en dreunende scheldwoorden, uitrauwend in stildroomenden zomernacht, doordauwd van zoete geuren. En vóórt ging hun beestige passie, die de zwoegers, als steigerende, duistere furiën rondtrampelen liet, in ’t nachtelijk stil-donkere Duinkijk.[196]
[Inhoud]V.Aan de Wierelandsche haven wachtten meisjes en jongens met karren, klaar om bakken en manden op te vangen van vader en broers.—Vier booten, achter elkaar, stoomden in, en van vier booten tegelijk, meerden de loopers ’t touw vast aan de palen. Een wild gedrang stootte òp, woest geschreeuw ratelde los; gekrijsch van tuinders, met verkeerde bakken, roep òm roep. Rauwe moeheid klonk door de stemmen, en zwaar de zweetkoppen, roodgrauw, paars en bietig, vloekten en gromden weer te moeten sjouwen in den nog smoorhitten zonnedaver.—Eén helsch karnaval van dooreenkrioelende zwoegers en waggelende beschonkenen, brak plots weer los aan de doorgloeide haven, gestoofd en geschroeid in den vonkenden zengdag.Paarden loomden weer stil, achter drom van kleurige karren, en van allen kant, op de haven, golf-vloeide gewirwar van kerels en wijven, meisjes, en jochies. Van de hooge booten reuzigden de werkers, met de bakken en vrachten op nek en kop, tegen eindlooze polderlucht violet vuur, dat dampte en smeulde.—Heele stapels hoekten in dwarsen lijn-opstand de lucht in, op de hooge boot; wilde kankan van opgeheven kisten, schuin en[179]vlak, rechtòp, dwars, scheef, en mandtorens waggelden geweldig op de zwoegschouers, en dampende zweetkoppen.’t Stormde op den wal, en woester krioelden en afmarcheerden de karren in hotsende ratel-herrie en bonkering, naar huis; geduwd door jochies en meisjes in schreeuwerigen konkel.—Het heete gedaver en gesmak van kisten waarin de leege aardbei-mandjes nu beèfden van schokken, bulderde weer òp, cyclopisch, als donderende klankneerstorting van mokers op aambeelden en houweelen-ring-king op steenen muren. En òm ’t smak-geraas heen, bleef roezemoezen bassig gegons van straatgeruchten.Troepen venters, klaar met hun manden en vrachten, afgereeën aan d’r kinders, drentelden rond met hun handen op geldzak, warmpjes de centen ingekneld tusschen vleesch-hitte en broek-voering, smakkend naar lekkeren Zaterdagavondzuip.Afgebeuld of in drinklol opgewonden, strompelden de groenboeren herbergen in, waar ’t borrelde en gistte van schurige stemmen, dronk’rige roezemoes; waar ’t schuiflawaai knarste van stoelen op zandgrond, tusschen stikwalm, rook-rood.—Buiten woelde ’t haventje in hellegedaver.’t Kraakte, klotste, hotste en smakte ’r in gloeiend zwoeggerucht, arbeids-hellebaardiers, die burchten sloopten.—In ’t watertje glom, kleurveegde en brio’de druk beweeg van kramen, sloepen, tjalken en bokken; op elkaar gedrongen, tusschen engen spoel van spoor-polderdijk en walkant in. Wemel van schipkleuren nog blond doorzond, gloeide òp in ’t àl zinkender licht. Op hoogen bakkenstapel, midden in thuiskomst van Zaterdagavondmarkt, herautte nù ’n kleine jood, met luchtig fluitspel.—Kring van honderden stond om ’m heengekranst, in starenden luister naar z’n wonderlokkend, klank-zoet fluitgevlei. Weinig sprak ’t joodje. Met ’n groot blad muziek op ijzer lessenaartje vóór zich, wees ie op de methode, zei wat van de fluit, ’t klank mooie, ’t zuiver-hooge en lage, en speelde, spéélde.—Joodje leek verliefd op eigen fluit. In zwierpracht en zoeten huiver van vloeiende vlei-toontjes, zilverende koloratuur, zong[180]ie zich uit,—dan één, dan twéé fluiten den mond induwend, zich zelf begeleidend. Starre bewondering strakte van de tuinderskoppen. Ze voelden, voèlden dat ’t ècht was. Prachtig ebbenhoutig-zwart, glansden de gepolitoerde oktavo-fluitjes in joodjes hand, en wonderzoete, zilver-trillende tonen blies ie de heet-zonnige havenlucht in. Met gratie, in duizelend snelle vingerradheid, duikelden, trilden, zweefden de toontjes uit z’n fluit, en z’n vingertoppen leken tien betooverde zieltjes, vol klank en zaligen galm. Snel dansten de topjes op de zwart-geglansde fluit, en machtiger zwol z’n toon, fel in zingende kracht, de havengeruchten overklankend. Dan plots hield joodje in, droefde ie weemoed uit, in weeken, donkeren fluister van wiegelende klankjes, slepend-zoet en innig-ontroerend, droomrige melankolie van teere toontjes, in klagelijk register.—Zoo jubileerde z’n wonderfluit tusschen ’t sjacher-rumoer, dat zacht verstomde onder z’n tooverzang. Heelemaal méé, in de pathetische zoetheid van z’n lied, schokte jood’s lijfje.—Zacht zwierde z’n hoofd, lichtelijk heen en weer. Op de kadans van z’n lied, rekte zich z’n postuur als groeide ie boven den luisterkring uit, kromp ie plots weer in, bij teerdren melodie-zwenk. En vlak om z’n hoofd geurde en zweefde ie uit, ’n krans van zangerige kabbelende klankjes, met iets er in van starende smart; murmureerde z’n vlei-klankende fluit, diep en vroom ’n litanie van innigheid; bleef dóórdroeven z’n zang, in smartlijk mineur, speelde ie uit, ’n lied van tranen en hartewee. Dan plots, in ’n schater, zwol z’n toon in ’t hooge register, joelde de klare zilveren klank van z’n demonische fluit als ’n woeste jubel door de polderlucht en haven, schaterend en klaterend. Roerloos stond ’t landvolk in tooverban te luisteren. Eén laatsten stroom van klankenjubel tremoleerde hij nog woest en oriëntaal òver de koppen heen, wijd uitvloeiend de zonnelucht in; klankenpracht, als ’n vurige hymne rondbruisend door den havengang. Plots zweeg ’t joodje.—Dronken en nuchtere kerels stonden gebluft, nà de plotse fluitstilte, in argelooze luistering.—Zwoegers uit de donkere bedompte kroegen, waren opgestapt, in furie en bedwelming,[181]naar den man die daar zóó gejuicht en geweend had, onder de slavende massa.—Joodje, zeker van z’n kunnen, zelf wèg in zoeten huiver van z’n klankinstrument, speelde weer opnieuw, gaf zich heelemaal over, aureooleerde zich in een sfeer van zilveren tonenzang.—Eindelijk, klaar met z’n spel, stroomden de kwartjes op ’m af. In fijn-gele vloeitjes wikkelde ie de glanzige zwarte fluitjes met goud-vergulde ornamentjes, drukte ie de kerels de gewichtige methode in de hand.—Mit dat boekkie, in drie daagh en nachte, kan èllek manspersoon en vroùspersoon de heele kunsh! ’n Kind kèn de meledie! wattie wil! as ie ’t marr kèn! begrijbt u!Z’n luisterkring van boeren stond als vastgezogen aan den grond, in verbijstering voor dàt spelen. Zoenen wouen ze den kerel. Joodje had geen handen genoeg. Jongens met lach-van-ontroering op d’r gezicht kochten; mannen, die in hun schemeravondstraatjes onder de lommerstille zomer-boomen harmonika speelden, kochten; dronken kerels, betooverd en half ontnuchterd kochten; meiden, wijven en „notabelen” kochten.Strak-zelfbewust bleef gezicht van Joodje, die soms midden in ’t drukst van z’n verkoop, plots naar zich toegestrekte armen terug-wees, met stil gebaar z’n fluit, koester-zacht vatte, en speelde. En alles roerloos, in tooverban als klonk er geen hond-geblaf, kargehots en sjouwgekrijsch meer, bleef rond ’m staan.Tot heel naar den polderweg verklonk de klaagroep, van z’n fluit, zoet gefluister, smachtende adagio’s, plots vervloeiend in stoute schalmei van jubelende scherzo’s. Begoochelder stonden rond ’m, in broozen luister, de afgemartelde zwoegwerkers, met verrukking in de oogen, bevende monden en verlegen handen. Plots weer brak joodje àf, deelde ie z’n fluiten uit, tot ie alleen z’n eigen instrument overhield. Eén groenboer, wou dàt ding hebben, met ’n gulden toe, zei ie sluw lachend naar de omstanders. Maar Joodje lachte ook, gaf ’m z’n fluit, ruilde met den boer, die ’t geld klaar had in z’n hand, en speelde nòg mooier op ’t kwartjes-instrument.[182]—’t Sit ’m weràchdig niet in ’t fluitje.. ze binne d’r as tweeh drobbele water geleik eender!.… ’t zit ’m in ’t hart meneer!.. in ’t hart!.…—Hoart?.. hoart? sputterde ’n tuinder.…—Nou ja.… ik bedoell eigelik in uwès boekkie.… de methoòde.… lachte Joodje weer ironisch, ’n kind kèn ’t leere.. in drie daaghe het tie ’t onder de knie!Vier honderd fluiten had ie verkocht in één uur. En overal op de haven, door Wierelandsche straatjes en steegjes verklonk fluitgejoedel, valsch en onbeholpen, stooterig-monotoon lawaai, dat joodje sarkastischer lachte op z’n bakkenstapel en inpakkend z’n lessenaartje, nog spottend nariep:—In drie daaghe te leere.…voor’t kleinste kind!.… de meledie.…Rond de bakken, honden en paarden, bleef ’t laat, tot in den schemer ratelhossen van karren, klakkeren van hoeven en orkanen van hellegeblaf.—Bij aansluip van avond, begon éérste drinkmaal van venters. Lichte zuip was er geweest in de stad. Echte zuip barstte nu pas los. Ontembaar zouden ze zich gaan geven aan den heerlijken zoeten brand van dronk, als koelst ijs in hun stoffige ventstrotten verglijend. Bij wijven thuis was alleen gemor, kinderenherrie, schoonmaakploeter, geharrewar en zaterdagavond-afboenerijtjes. Geen zitje, geen likje. Niets lekkerder en plakkeriger noù, dan samenbroei in de stikheete kroeg, met gesuis van havenlawaai nog èven in de ooren, roezemoezigen verdoofden naklank van sjacher.En niks doen dan lollen en babbelen, verdoofd tòch alles hoorend, maar van verre gebeurend, in ’n warrel. Zacht geklots, gezoen en getikker van biljardballen, kleurig en glanzend, robbelden over ’t gehavende lakengroen, bemorst en ingescheurd. Fel gevlam van gaspitten dampte hette uit.—Vuur en rook van pijpen en sigaren, rood-smokerden in een sfeer van kroeg-zwijmel.—Scherpe jenevergeuren, spiritusachtig zuur, walmden uit buffet[183]van tafel naar tafel. Ze voelden zich smoorheet, de groenboeren, maar lekker, paf-verhit in de kroeg.Dirk en Klaas Grint bleven vlak bij elkaar. Dirk zoop zwaar dat z’n hoofd heet-kleurig rood te zwellen stond, en z’n kale, blond behaarde nek in vuur schroeide. Grint had stille drinkerskleur, zachtpaars, maar toch keek ie nog helder uit z’n oogen, zonder dat iemand merken kon dat ie al vet was.Op de haven had Dirk Kees, die karren en bakken terugreed, nog even gesproken. Hij wilde ’m ’n borrel opdringen, maar ’t was niet gelukt. Ze hadden Kees ook èrg schuwerig bekeken weer, als voelden ze zich niet gerust bij den stillen Strooper. Uit angstigen bijval wilden hem ’n paar tuinders nog wat borrels aansmeren, maar Kees bleef weigeren, toèn met ’n vloek.—Dat was z’n kracht! Hij voelde dat, àls ie zuipen ging, hij niet meer ophouên zoù al z’n verdriet, z’n huiselijke ellende en getob over Wimpie’s beroerderigheid weg te spoelen. Nou z’n ventje ’r nog was, hield ie zich sterk.Nou had Kees Dirk gezeid, dat Ouë Gerrit d’r strak-en-an nog rais ankwam, op de haven. Dat maalde Dirk ’n beetje. Hij voelde dat dàn z’n centen in den zak, bedreigd stonden; dat ie niet meer doen kon wat ie wou, als d’Ouë neerstrijken kwam. Toch verdoezelde die gedachte tot vage verwachting in z’n kop. ’t Heetst in ’m woelde ’t denken aan de mooie meiden van Klaas Grint, vooral aan Geert en de heete Trijn, waar de neven Hassel òòk op loerden. Naast Grint aan ’t stomphouten tafeltje opgedrongen, zaten Jan en Willem Hassel. Klaas Grint sluwigjes, voelde zich lekker tusschen de gesmoorde geilheid der knapen. Hij kon tegen ’n borrel als geen ander.En nou vond ie ’t ’n zalige lol, zoo happie nà happie in te zuigen, zonder ’n cent te dokken, in woesten naijver van drie kanten opgepookt tot vrij zuipen; dàn door Willem, dàn door Jan, dàn door Dirk.—Piet mankeerde nog, hinnik-lachte ’t cynisch in ’m. Tusschen hùn halsstarrige, zwijg-nijdige boerenpassie in, wreed en moordend, warmde hìj z’n zuipbegeerte. En telkens als Willem zag, dat Dirk trakteerde, riep hij ook den kastelein, bestelde voor Grint in ’t wild erop los. Grinneken[184]bleef Klaas er om, en trotsch voelde ie zich, in z’n dronken kop, dat hij toch de vader was van zulke lekkere meiden.—Nou, drink jullie d’r moàr, d’rfeur binne jullie vraigesellekerels hee?.… Moar.… van màin goant nie hee?.. van màin hee?.…ikkehep d’r maide en klain goed.…Hij grinnikte Grint, veegde met z’n dikmorsige vingers langs z’n neus.—De kerels knikten, grinnikten mee. En Grint lachte erger, met dronken stemmeschuur in z’n schater, omdat zij grinnikten.In tijen had ie zooveel zaken niet gedaan, als vandaag. En hij, helsch genietend als ie iets niet hoefde te betalen, z’n duitjes bezuinigen kon, maar toch loerend op wat lekkers, hij kòn ’r niet over uit, dat ’t nou bij hèm puur was: mond ope, portemenee dicht.…Joliger klokkerde ie z’n borrel in, langzaam roerend, elk happie, dat dadelijk weer aangeschoven stond onder z’n hand. En iedere borrel als ’n lafenis door z’n keel, spoelde wèg vermoeiing van smorenden dagzwoeg.—Stiller, in dronken zwijg,—zwijg toch van huilend, woedend-woesten hartstocht, op z’n neven, schooiers die loerden op zìjn meid,—bleef Dirk naast Klaas Grint geblokt.—En lolliger werd Klaas, aangeprikkeld door den gonswarrel van stemmen in de herberg, den dronken zoem van kakelaars, venters en koopers en allerhande kroegtypen dooréén. Laag en diep, met z’n gloeiendeglasvlammen, rookerig, verweerd van hitte, verronkte de kroeg z’n dronken reutel van geluiden. Jan en Willem schoven al dichter naar Grint toe en trakteerden weer. Langzaam genot-innigend ging de zuip rond, langzaam en demonisch. Dirk zag den ouen Gerrit niet opdagen. Vond ie lekker! Rond ’m woelde de herberg al voller met drommen bestoven zweetkerels, bek-af van sjouw. Waggelend en krijscherig sloegen hun lijven, massaal en reuzig door den heet-rooien rooknevel.—Troepjes met blazende, gloeiende zweettronies bleven waggelen voor ’t buffet, de glaasjes tegen ’t licht geheven, dronken zeurderig en spraak-zangerig; plasten het vocht hun kelen in, onder knars van hun klompen op zandgrond. Van alle hoeken[185]spogen groenboeren en venters in de bezande spuwbakken hun pruimen, zopen en vloekten ze. Op klein bankpuntje, dat open kwam tusschen ’t kroeggedrang, smakte zich haastig ’n werker neer, met grauw-moeën kop, en reuzige geknauwde handen bevend-uitgestrekt naar ’t buffet, in snak naar drank-koeling.Tegen tien uur stapte Grint òp, z’n schitteroogen verkleind van stille beschonkenheid. Dirk mokkend en pruttelend, waggelde zacht mee òp, grabbelde duizelig in z’n diepe klepbroek, waarvan de grove voornaad vettig spande tusschen glimmig smeer. Alles betaalde ie.—Willem en Jan opstuivend, streden, duwend en vechtend, dat zij de helft er moesten bijplakken. Dirk zei niets, gaf, zachtwaggelend, ’n stommen nijdigen wenk aan kastelein dat ’t, zóó als hij ’t wou, in orde was. Kalm schoof herbergier kleingeld terug op natbeplaste tafel, dat Dirk naar zich toeharkte, kleverig, maar vallen liet op zandgrond en in spuwbak.—Nie d’r strooie hei Dirk? baste ’n kerel met diepe fagotstem.—Aa’s je te veul hep, is màin d’r nog! gierde ’n ander.Nieuwe drom kerels klomperde in, stapte langs en voorbij Dirk, die gebukt zoekend, in zachten rondtast, lijf-zwaaiend, ruw op z’n handen getrapt werd. Bloed zakte ’m naar den kop. Rauw vloekte ie uit, en flauw loerde ie rond op den grond, maar half beseffend of van hèm of van Grint wat duiten weggerold waren.—Lodderig staarde ie òp naar Klaas die gierde, z’n buik met z’n vuisten betamboerijnde van lol.Plots vloekte Dirk weer, stapte in wijen waggel, onzeker naar de deur. Grint had ’t geld uit den spuwbak gegrabbeld, ’t nattig en bevuild Dirk in de hand geduwd. Maar die beweerde nou, met dikken tongstotter, dat ’t van hèm niet was, dat hij d’r puur nies verloren had.—Zoo’n geep! gierde Willem Hassel hoonend.Stom bleef Dirk voor zich uitkijken met z’n neus bijna op de deur gedrukt. En toch nijdig, gloeiend nijdig was ie, als ’n bromvlieg onder vangstolp. Niks nog kon ’r bij ’m uit. Alles zat opgepropt. Hij voelde den roes over ’m heen gloeien, benevelend, versuffend. Hij hoorde àlles half verward. Alleen[186]heet-stellig maalde ’t in ’m dat ie nou meeging naar de mooie meiden van Grint, naar de lekkere Geert, Trijn, Cor en Annie.—Nou … ik bin d’r op haide op stàp … mond ope.… portemenai toe.… schaterde Klaas opgewonden.Geen woord zei Dirk, vroeg ook niet of ie mee kon. Hij strompelde zacht zwaaiend naast Klaas, de herberg uit, als hoorde ie bij ’m.——Nou.. aa’s hai.… had d’r sels is.. binne wai ’t ook, bromde Willem en nàbromde ’m Jan.Daar zat Grint ’r ’n beetje mee, want de mannen hielden áán.—… Duufels, doar droeg ie twee, drie dronken kerels in huis.… heet op s’n maide … Moar sullie hadde sain tug soo rejoàl d’r van late snoepe!.. Allainig Dirk!.… die wou die puur wel kwait!.. Die keek d’r soo suur.… soo ’n naidas!.. Da’ konne s’n maide nie bestig hebbe.—Hij had al rond gezien op de donkere haven, of ouë Gerrit d’r ook rondscharrelde bij ’n kroeg om ’m mee te sleuren. Want Willem en Jan waren ook veel betere partijen voor z’n meiden.. Zat veel meer loodpot! Die mochten haarlie bescharrelen zooveel ze wouen.… Als ’t maar niet tot kinderen kwam! Maar nou zag ie geen ouë Gerrit, geen Kees, geen Piet. Dan most de brombeer d’r ook maar bij; kon toch vast geen kwaad.—Mô je nog ’n afsoàkker Kloas? vroeg plots, voor ’n rot kroegje staanblijvend Dirk, met bleeke strakheid in z’n kop en tril-trekjes om z’n lippen.—Dankkie uit ’t hartje kaèrel! Ik hep d’r t’met.… t’met wá’ bai màin stopt, veur ’t nest hee?.… ’t mog d’r weer ’n weekie sain.… dan kraige sullie alletait van main ’n lik uit de flesch hee?.… Jammer da’ sullie d’r aige nou t’met juist an ’t boene binne.…—Selle wel waiser wese.. lolde Willem sabbelend op z’n woorden.… aa’s d’r jonge kerels komme.… da treft d’r nou net ellèndig mooi!—Niks gedààn jonges! Je houê d’r jullie fesoen!.… daa’s onder en boòfe de wet sait hee? jonge maide is d’r hiet brood.. paa’sd’r op![187]—Nou,.. sullie wete d’r woar Brammie de mosterd hoàlt, piekerde dikbullige Jan.—Tu.. tu.. tu.. manne,.. hield in dronken energie Grint vol.… main maide binne d’r onskuldig aa’s ’n kerk-kruissie hee?.. ’t binne d’r netuurlik jonge skepsels hee?.. en se binne d’r soo ellendige goeie kooksters, enne meroakels goeie huishousters.…—En Train is d’r tug soo’n ellendig-knap swoàrtje, brulde dikbullige Jan huilerig, lachend van dronken aandoening.—En Geert.… da’ liefe bakkesie! schreeuwde Willem.Dirk gromde wat, dreigend onverstaanbaar voor Klaas en de neven, die maar zwegen, uit angst dat ie ’t herhalen zou.—Recht over ’n weibrok stuurde Klaas op z’n erf en huisje ààn, dat stil en klein achter hagen en vruchtboompjes donkerde tusschen het verduisterd groen, midden in geheimzinnige murmeling van zomeravondland, weemoedstil en geruchtloos.—Dirk voelde zich lam in de beenen. Hij had ’n schat verzopen, maar Klaas niets en de neven waartegen ie nooit sprak ook maar weinig. Dat hinderde ’m nou, maakte ’m barsch en nijdig, toch zonder dat ie iets zeggen kòn.Bij Grint zaten de meisjes, in ’t halfdonker, paf van de hitte, doodop van aardbeipluk, lusteloos en morsig nog, op ’t achterend. Toen de mannen instapten, bonkerde ’r rumoer in ’t stik-heete hokje, dribbelde ’t vrouwenkliekje onder zachte gicheltjes en lach-kreetjes naar de voorkamer, waar de kleintjes sliepen in bedsteeën en ledekantje, en ’t duf stonk naar verstoofde menschenlucht, zweet en adem. Zenuwachtig door ’t lawaai van de zware stapkerels en schorre dronken stemmen, draaide moeder Grint ’t lampje òp vlak voor ’t raam, dat half in hoogòpgebloeide geraniumsblad en dennetjesgroen gezakt stond. ’t Vuur van de hel-rooie blommetjes vlamde ertusschen en tonglekte, fel-rood. Acht potjes in ’n rij, opgekneld en saamgeknussigd achter ’t dichte venstertje, dat nog inniger scheen in z’n kleinen ruitjesbouw, de blommen hoog uitgetakt, tusschen ’n pot-dennetje. Vlak er boven, ’t gordijn, geel-blank door-goud[188]van lichtstroom, met z’n wollige bolletjes, zachtglanzend neergekroesd in ’t groen. ’n Klein scheepje hing tusschen ruitje en blompotranden te pronk, met z’n teer mastwerk, ragge kruisdraadjes en koperen boegplaatjes, glanzend tusschen het warme roodaarde.—Zòò, intiem en stil, ’t raampje met z’n uitgeteerd-groen horretje in ’t puffe zomeravondkamerke, leefde eigen bestaan achter z’n stille, glansgouden gordijntje.—Vader Grint al opgewondener, schreeuwde dat ie weer ’n likeurtje voor ’t nest had meegebracht. Geert keek glunderigschuw, naar Dirk en de neven. Haar diep-donkere oogen zochten te begrijpen waarom de mannen zóó laat waren meegestapt.Dirk bleef bokkig, zei geen stom woord, zoende Geert alleen met z’n heeten oogenkijk, pal in ’r wulpsch blanken halskuil.. Nooit nog had ie soo’n lekkere maid sien—— doar waa’s Guurt ook niks bij.Willem loerde van ànderen kant op Geert en Jan lolde met Trijn en Cor.—Uit achterend in klomprumoer was plots Piet Hassel ingestapt, in schijn zoekend naar Dirk. Woest was ie op den kerel, dat ie daar zoo pàf en stomp naar Geert zat te gluren, hij, die toch ook wist, dat ze al lang met hèm aan ’t scharrelen geweest was.—Bokkiger nog keek ie op Geert neèr. Op z’n kousen, stil was ie ’t kamerke ingeslopen, morrend in zichzelf dat dâ speelsche meidetuig ’n elk vrijgezel lokte.—Jan Grint, in ’t gangetje z’n klompen uitklakkend, stapte na Piet in. De meiden gierden, bufferden hun kopjes bijeen onder lampgloed. Vrouw Grint gichelde mee, schel, met snerpende schreeuwerigheidjes, dat ’t broeihok volschetterde van stemmenrumoer. In lollig opgewonden gebaar zette Klaas ’n flesch jenever op tafel.——Moeder!… nou skenk jai d’r aa’s ’n klebak de kring rondhaine.… hee?Piet was dichter op de meisjes aangeschoven en Jan Grint gaapte, gààpte. Willem vloekte in zichzelf van nijd, dat z’n neef Piet, nuchter en koel, zoo midden in was komen opdagen.[189]Maar Jan Hassel kon ’t niks schelen. Half al zat ie op Trijn d’r schoot, kinstreelde Cor, ’t blondje, onder woede van vurige Trijn, die geen jongen kon zien of ze moest ’m hebben. Gauw, met ’n por, liet ie Cor los, keek Trijntje pal in de appels, handstreelde ’r week-kittelend en sluiperig in ’r hals, staarde lodderig verliefd en dronken-sentimenteel, haar brandende begeerende kiekers in.—In ’t ledekantje, wurmden en woelden de kleine plukkers en plukstertjes, half in den slaap. Een kereltje, klaar wakker van lol-gerucht, stootte de anderen òp.—Een vóor één, verschoond, pas wèg onder den Zaterdagavondboen, strompelden ze òp, uit bedsteetjes en ledekant, met knipperende oogjes tegen ’t felle licht.—De drie kleine meisjes, in blanke ponnetjes, met hun lachend slaperige, helder geboende rooie gezichtjes, drongen verbluft op de tafel ààn. De jongens, in d’r loshangende smoezelige hansoppen struikelden vàn gretigheid, naar voren. Klaas Grint, al opgewondener, schaterde en grappigde gemeene moppen uit, proestte zich zat met z’n eigen pret, en lachronk.—Hij vertelde dat ie dat elken Zaterdagavond zoo had geprakkiseerd, ’n lekkeren dronk voor z’n nest, op ’t geploeter van de week. Dat mochten ze waarachtig wel hebben. Dan kreeg de heele kring ’n borrel. De kinders rekenden er al op; smakkerden en joolden al vooruit, wachtten elken week tot ’t kwam, met slaap in de oogen. Iedere week moest ’n ànder waken en wakker schudden zusjes en broertjes, als vader Grint wel eens heel laat aanzwaaien kwam. Maar dikwijls viel ’t kind-wachtertje in slaap, lag ’t heele hufter-zooitje te ronken; ging de zuip hun voorbij, zonder dat ze ’n druppel drank geproefd hadden.—Gespitster bleven ze de volgende week, in langen worstel tegen slaap. Hoorden ze dàn flesch- en glaasjesgeluid zacht rinkelen, geslobber en geraas, dàn veerde wakertje òp, hielp hij, in stooten en bonken, zusjes en broertjes overeind; bombardeerden en drongen ze joelend naar voren, in den kring. En Klaas Grint, schaterde dan, was trotsch, heel trotsch op z’n wakkere kleintjes, dat ze zich niet hadden laten verschalken.[190]Dirk bleef stom op z’n stoel als ’n blok, deed niets anders dan Geert in ’r donkere oogen staren, en ’t gezicht zwart te rooken. Willem schoof al dichter bij, aan anderen kant en Jan Hassel, met z’n log lijf glisserde zich nou heelemaal op den schoot van vurige Trijn, waar ie telkens, met ’n schijn-ontstelden opkieper van afgebonsd werd. Dan gilde Trijn in dollen lach, stootte Willem tegen z’n buik, maar Cor en Annie hielpen Jan weer òpsjorten, langs d’r beenen. De meiden tusschen de stoomende stoeikerels, kregen ’t warmer, lachten, gierden en bliezen van hitte en klefferige vurigheid. Piet bestoeide Cor, uit wraak tegen Geert, en zoende Annie dat ’t klapte. Alleen als de kerels in brutalen grabbel hun te lijf wilden, trapten en beukten de meiden op hun schonken, die toch roerloos bleven, als van graniet, onder de weeke bons van hun meisjesknuisten.—Vader Grint keek loensch, woedend dat ’t wijf de kelkjes nog niet had neergekringd.Schunnige grappen en woorden ronkten de kerels onder drinkhitte uit; branderig borrelde dierdrift op. Gloeiriger handen tàstten, feller oogen loerden door rookdamp heen. Maar telkens nuchterde vrouw Grint er wat tusschen, dat de kerels even verbluft en sip vòòr zich keken.—En Jan Grint, nijdig op ’t bezopen stoetje, den branie Willem, kalmeerde ze met koelen, norschen smak van woorden. Langzaam had vrouw Grint eindelijk kelkjes uit de kast gehaald en neergezet. In fijn zilverende glinsterkringetjes klokkerden klaar de glaasjes vol, en zoetig liet ze, in elk kelkje ’n klontje zakken.—Enne de laipeltjes moeder.… da’ sullie d’r van deur-roere kenne! hee? schreeuwde Klaas, spog-sputterend uit z’n geschroeiden mond.De kleine meisjes tegen elkaar gedrukt op twee stoelen, met de knietjes onder de schoone lijfjes, als duivenrijtje op tilrand blank, keken met groote oogen waar slaap nog in ronddraaide. De jongens, mannerig, wachtten, gierend van pret.—Motte de kinders nou d’r ook weer foader?.… vroeg zichzelf onderbrekend vrouw Grint.—Daa’s net! soo wèl aas wai hee?… die … die … binne[191]d’r op kommende waige hee! barstte Klaas jolend uit, sullie hebbe d’r meeholpe.. nie? laileke kakketoes!.… en d’r aige krom plukt!.… soo tuikig aas de beste.… En nou.… doa’ goàn jullie.… wàif.… kèrels!… maide … kooters! santjes!Vader Grint slokte gretig, stond zacht waggelend voor de tafel, zakte in zwaai weer neèr op z’n stoel. Mannen, vrouwen, en kinders met d’r kleinuitgestrekte armpjes, klonken beverig ààn, in driftigen rinkel en tinkel van kelkjes. De meiden proestten om alles en dronken te gelijk. Geert schoot in ’n kittellach, dat jenever ’r tegelijk uit neus en mond spoot, ze in krampende hoestbui, rood-doorschokt, dreigde te stikken, inéénkronkelend beenen en hoofd en spuwend-lachte met betraand-dolle oogen. Dirk was verschrikt opgesprongen waggelde weer terug, voelde z’n arm verdrongen door Willem die Geert hard op ’r rug klopte, onder d’r stikhoestend krampgelach. Eindelijk bedaarde de meid, nog nakuchend telkens van jeneverjeuk in ’r brandende keel, gloeiend als had ze ’n peperbus geleegd.Jan Hassel had haar glaasje weer deftigjes tot aan den rand volgeklokkerd dat ’t fonkel-vocht, weer schitter-zilverend kringlichtte in de kristallige kelkjes, en stotterend hoestte Geert uit:—Joa.. joa!.. ongelu!!.. ukke!!.. binne!! d’r kwoaje kan.… se!!—Aa’s nou d’r Guurt d’r is hier waa’s! lachte wulpsche Annie, de jongste meid met ’r mopssnuit.—Geloenscht had ze naar Dirk en ’r broer Jan toen ze ’t gezegd had.—Guurt.… Guurt!.… stotterde Dirk, voelend dat ie wat zeggen moest, die f’rskoont d’r aige … nou.. d’r bast!.. die stoan d’r.. nog feur.. ’n kattebakkie.Geert dreigde op ’t botte, stom-uitgeaarzelde antwoord van Dirk weer te stik-proesten in jeneverslok, maar d’r broer Jan, keek zóó sneu en zuur dat ze d’r lach inperste en neven Hassel ook voor zich uit-sipten alsof Dirk heelemaal niets gezegd had.—Licht-zilver wiegelde in glansjes om kelkjes, en fijn kristalde ’t zilvervocht. Klaas Grint vond ’t lollig, dol-lollig, wat Dirk daar uitstotteren kwam.[192]—Aa’s je main nou!.… jai.… jai ken d’r tug soo ellèndig goed liege hee?.… da’.. da’ de lekkere Guurt.. d’r.. d’r aige nou.. f’rskoont.. hee!.. daa’s sneu.…—Niks gedaan foader, hou je bek d’r buite, snauwde drift-bleekig Jan, die niet hebben kon dat Guurt door ’t bezopen stelletje belold werd, allerminst ’t duldde van zijn vader.—Nou.… kaik!.… daa’s … eerst.… ’n be.. laift.… bèfel.… van.… van hooger hand.… hee!.. Gain jai.… d’r na’ jesnoeptoàfel.. foader! wil dá’ segge!.. nou!.. daa’s befèl van main nikker, de swarte Joan,.. eenmoal.… andermoàl.… nou hou je sain heul fesoenelik.… en figeleer je nie … en nou goan wai d’r nog rais ’t kringetje rondhaine hee?.… Moeder! gaif de kooters nog rais ’n hallefie.. enne main!… enne.. de kerels.. de volle moat! hee manskappe? da’ laikt hoarlie hee?—Altait lekkerder aa’s op ’t land te f’rbrande, mit ’t hiete spog in je drooge bek.. sloeg Piet er door, tegen Trijn áán, stoeiend met de lange blonde Cor, die stil zat en smakkerend met zoete teugjes ’r jenevertje inzoog, dronkje waar ze dol op was, iedere week.—Vader Grint lachte luidruchtig om Piet, met oogen nat van glansen en stil uitwerkende dronkenschap. De kerels roerden, smakkerden, en de meiden lachten en likten. En gretig, in felle passie, zogen de kinders ’t drankvocht bij zoete kleine teugjes in, piekerden met hun vingertjes klefferig bodempje schoon, boorden en kronkelden d’r tongetjes, spitsig langs ’t randje, omlekten de glanzige en besuikerde kelkjes, woelden en zuchten in spartelend plezier. In drukke gebaartjes pagaaiden de klef’rige kinderknuisjes door elkaar heen, schuurden woelig schoudertjes en armpjes langs de tafel. Fel lonkten en vonkten de oogjes in ’t lamplicht, en ’n paar brutale jochies poogden te likken, te smakkeren, doopten hun vingertjes in de kelkjes der vreemde kerels.—Onder gelach en gebabbel weerden die hun klauwtjes àf, zonder eigenlijk te zien wàt de kooters deden. ’n Roodharig jochie van vijf, apig maskertje, met wijsgeer-rimpeltjes op hoog-voorkopje ingegroefd, vroeg om méér. En ’n ander,[193]wat ouër, drensde mee in hurk, z’n hoofd op twee ellebogen gesteund, vingertoppen den mond ingeknauwd, met z’n hel-blauwe oogen, pijn-lang ’t licht instarend. Maar dadelijk, als kreeg ze haar herinnering terug, viel vrouw Grint nijdig uit, dat ’t nou dubbel en dwars mooi geweest was, joeg ze de duizelige kleinen met snauw en duw weer naar hun bedjes. Christientje werd aan ’r lange haren meegesleept door ’n drank-verhit jochie van acht, en gierend opgewonden, elkaar beklapperend op de billen, klauterde ’t stoetje weer in de verbroeide slaaphokjes, die vol dampten van rook, walmden van snikheete, duf-drukkende kamerbenauwing.—De mannen joolden met Dirk mee, die plots van stommetje, in ’n vlaag ’t drukst wierd van allen. Hij stoethaspelde en raaskalde, stoeide en sprong als ’n klown, strooide gepeperde moppen stotterend rond, flapte en stapte dat de meiden, verhitter, schik in den kerel kregen.—Z’n kop gloeide rood, z’n koeienoogen glansden, en z’n chineesch-kakerige snuit keek sentimenteel. Piet zong schor, schold ieder uit, zoende vlak voor Willem Hassels tronie, de mooie Geert op d’r gloeiend-wulpschen mond en blank open halskuil, dat er vloeken en bedreigingen hurrieden tusschen de dronken knapen. Maar de meiden konkelden ’t weer goed. Klaas Grint lachte er overheen en vuriger stoeiden de mannen dan weer, in haat en wrok, tòch voor ’t moment met elkaar verzoend.Duffer broeide de avondkamer in voozen stofstank van gesloten vensters. Het raampje, met z’n geranium-vuur, bladergroen en fijn roodaarde, achter ’t vergroezelende licht en vroom-groen horretje, waasde stil-gouïg tegen avonddiep duister van buiten, en elk ruitvakje verpeinsde eigen glansjes van tonige tintstilte, diep en wazig. ’t Scheepje stond roerloos met ’t ragge touwgeweef, en heel ’t venstertje, gouïg aangegloeid in lampeglans, met z’n roodaarden blompotjes, bloemen-vuur, en groene twijgjes, ver-eenzaamde inniger achter geproest en schor stemgebrul, ver van ’t burleske geschater en schurend gegrinnik der dronken, dierlijke boerenkerels. Over bovenkant van half gezakt gordijntje holden en lolden schaduwbroklijven[194]van de mannen, als ze waggelzwaar van hun stoel dansten en loom kankaneerden met armen en beenen gelijk. Dan ging er dronken waggel van rompen en koppen tegen ’t gelige gordijndoek; chinees-schimmig en burlesk-angstig vergroot als ze stapten naar achter, in ’t tonige halve kamerduister; schèrper aanrumoerend, en silhouet-zuiver, de dronken profiel-tronies omlijnd, als ze zich bewogen naar vòren.—Smokerig in nevel rookte de kamer rood van gouenaars en sigaren. Scherp in vlagen, prikkelde jeneverstank er doorheen en lolliger in de zomeravondhitte zopen de kerels hun kelkjes leeg, in kleverige klauwen, snurkerig schrei-lachend en dronken doorgrinnikend. Dirk zat met asch bemorst van z’n borst tot z’n knieën, en telkens plaste ’r jenever op z’n kleeren, als ie waggelend opstond en met z’n glaasje in de hand lachtronies der meiden bestrijken wou.—Met schrik en angst loerden de dochters naar hun handen, die rondzwermden in al woesteren tast. Tot eindelijk, laat in den avond, heel laat, vrouw Grint ’t besef kreeg de kerels te bonjouren. Dat had ze nog nooit beleefd, zoo’n latertje, al wàs ’t Zaterdagavond. En al loerde ook zij op de rijke neven Hassel, nou, met die arme donders Piet en Dirk erbij vond ze ’r niet veel aardigheid in. Met boffen en beuken drong ze de kerels naar de deur, woedend op vader Klaas, dat ie zich zoo te buiten ging.—Want Grint joeg de kerels òp, tegen elkaar in, om z’n meiden te zoenen, te pakken, te frommelen. Schor-ironisch, met scheefgetrokken mond, bezwijmelde oogen, die waterig glansden van beschonkenheid, riep ie hikkend, en òpwaggelend van z’n stoel:—Alletait.. in.. ’t fesoenelikke.. Soene.… i i i i.. i i i.. ’n ’t fesoenèlikke.… enne.. pakke.… i n n n n.… ’t fesoenelikke.… enne!.…Ze zoenden, dat ’t klapperde, en de meiden verhit en vol verzet toch, bedroesemd, opgehitst, en nijdig-beschaamd tegelijk, trapten en sloegen. Annie en Cor vooral, duwden met vuist-stompen en kleine mokerslagjes de rook- en drinkmonden griezelig[195]van zich af. Toch voelden ze niet te kunnen weghollen, om de lekkerige duizeligheid en soezerige zinnelijke hitte in d’r lijven, van ’t drankje.—Maar vrouw Grint waakte, hield ààn. De kooters konden niet slapen, zij moest d’r ook in,.. kortom, ’t was d’r ’n skandaal, zoo laat naar ’t nest te trekken. Dat was nooit nog in d’r leven gebeurd. Schoorvoetend, met brandende monden, scheefgewrongen van heete, verterende begeerten, met gloeioogen, in vlam geloerd op de guitige donker-lonkende kijkers van Geert en vurige Trijn, op ’t slanke lijf van Cor, en de warme molligheid van Annie, trokken ze af.Klaas Grint waggelde ze nog achterop naar ’t pad. Z’n dronken haperende hik-stem, krijschte wat nà, onzeker verglijend in klank-schorre lalwoorden.—In ruzie-smorende innigheid en vriendschappelijke woede, waggel-stapten de neven, over ’t maanbleeke duistere pad heen, armen ingehaakt, elkaar vervloekend. Ze zongen en raasden zich naar huis, met straatliedjes en dreunende scheldwoorden, uitrauwend in stildroomenden zomernacht, doordauwd van zoete geuren. En vóórt ging hun beestige passie, die de zwoegers, als steigerende, duistere furiën rondtrampelen liet, in ’t nachtelijk stil-donkere Duinkijk.[196]
[Inhoud]V.Aan de Wierelandsche haven wachtten meisjes en jongens met karren, klaar om bakken en manden op te vangen van vader en broers.—Vier booten, achter elkaar, stoomden in, en van vier booten tegelijk, meerden de loopers ’t touw vast aan de palen. Een wild gedrang stootte òp, woest geschreeuw ratelde los; gekrijsch van tuinders, met verkeerde bakken, roep òm roep. Rauwe moeheid klonk door de stemmen, en zwaar de zweetkoppen, roodgrauw, paars en bietig, vloekten en gromden weer te moeten sjouwen in den nog smoorhitten zonnedaver.—Eén helsch karnaval van dooreenkrioelende zwoegers en waggelende beschonkenen, brak plots weer los aan de doorgloeide haven, gestoofd en geschroeid in den vonkenden zengdag.Paarden loomden weer stil, achter drom van kleurige karren, en van allen kant, op de haven, golf-vloeide gewirwar van kerels en wijven, meisjes, en jochies. Van de hooge booten reuzigden de werkers, met de bakken en vrachten op nek en kop, tegen eindlooze polderlucht violet vuur, dat dampte en smeulde.—Heele stapels hoekten in dwarsen lijn-opstand de lucht in, op de hooge boot; wilde kankan van opgeheven kisten, schuin en[179]vlak, rechtòp, dwars, scheef, en mandtorens waggelden geweldig op de zwoegschouers, en dampende zweetkoppen.’t Stormde op den wal, en woester krioelden en afmarcheerden de karren in hotsende ratel-herrie en bonkering, naar huis; geduwd door jochies en meisjes in schreeuwerigen konkel.—Het heete gedaver en gesmak van kisten waarin de leege aardbei-mandjes nu beèfden van schokken, bulderde weer òp, cyclopisch, als donderende klankneerstorting van mokers op aambeelden en houweelen-ring-king op steenen muren. En òm ’t smak-geraas heen, bleef roezemoezen bassig gegons van straatgeruchten.Troepen venters, klaar met hun manden en vrachten, afgereeën aan d’r kinders, drentelden rond met hun handen op geldzak, warmpjes de centen ingekneld tusschen vleesch-hitte en broek-voering, smakkend naar lekkeren Zaterdagavondzuip.Afgebeuld of in drinklol opgewonden, strompelden de groenboeren herbergen in, waar ’t borrelde en gistte van schurige stemmen, dronk’rige roezemoes; waar ’t schuiflawaai knarste van stoelen op zandgrond, tusschen stikwalm, rook-rood.—Buiten woelde ’t haventje in hellegedaver.’t Kraakte, klotste, hotste en smakte ’r in gloeiend zwoeggerucht, arbeids-hellebaardiers, die burchten sloopten.—In ’t watertje glom, kleurveegde en brio’de druk beweeg van kramen, sloepen, tjalken en bokken; op elkaar gedrongen, tusschen engen spoel van spoor-polderdijk en walkant in. Wemel van schipkleuren nog blond doorzond, gloeide òp in ’t àl zinkender licht. Op hoogen bakkenstapel, midden in thuiskomst van Zaterdagavondmarkt, herautte nù ’n kleine jood, met luchtig fluitspel.—Kring van honderden stond om ’m heengekranst, in starenden luister naar z’n wonderlokkend, klank-zoet fluitgevlei. Weinig sprak ’t joodje. Met ’n groot blad muziek op ijzer lessenaartje vóór zich, wees ie op de methode, zei wat van de fluit, ’t klank mooie, ’t zuiver-hooge en lage, en speelde, spéélde.—Joodje leek verliefd op eigen fluit. In zwierpracht en zoeten huiver van vloeiende vlei-toontjes, zilverende koloratuur, zong[180]ie zich uit,—dan één, dan twéé fluiten den mond induwend, zich zelf begeleidend. Starre bewondering strakte van de tuinderskoppen. Ze voelden, voèlden dat ’t ècht was. Prachtig ebbenhoutig-zwart, glansden de gepolitoerde oktavo-fluitjes in joodjes hand, en wonderzoete, zilver-trillende tonen blies ie de heet-zonnige havenlucht in. Met gratie, in duizelend snelle vingerradheid, duikelden, trilden, zweefden de toontjes uit z’n fluit, en z’n vingertoppen leken tien betooverde zieltjes, vol klank en zaligen galm. Snel dansten de topjes op de zwart-geglansde fluit, en machtiger zwol z’n toon, fel in zingende kracht, de havengeruchten overklankend. Dan plots hield joodje in, droefde ie weemoed uit, in weeken, donkeren fluister van wiegelende klankjes, slepend-zoet en innig-ontroerend, droomrige melankolie van teere toontjes, in klagelijk register.—Zoo jubileerde z’n wonderfluit tusschen ’t sjacher-rumoer, dat zacht verstomde onder z’n tooverzang. Heelemaal méé, in de pathetische zoetheid van z’n lied, schokte jood’s lijfje.—Zacht zwierde z’n hoofd, lichtelijk heen en weer. Op de kadans van z’n lied, rekte zich z’n postuur als groeide ie boven den luisterkring uit, kromp ie plots weer in, bij teerdren melodie-zwenk. En vlak om z’n hoofd geurde en zweefde ie uit, ’n krans van zangerige kabbelende klankjes, met iets er in van starende smart; murmureerde z’n vlei-klankende fluit, diep en vroom ’n litanie van innigheid; bleef dóórdroeven z’n zang, in smartlijk mineur, speelde ie uit, ’n lied van tranen en hartewee. Dan plots, in ’n schater, zwol z’n toon in ’t hooge register, joelde de klare zilveren klank van z’n demonische fluit als ’n woeste jubel door de polderlucht en haven, schaterend en klaterend. Roerloos stond ’t landvolk in tooverban te luisteren. Eén laatsten stroom van klankenjubel tremoleerde hij nog woest en oriëntaal òver de koppen heen, wijd uitvloeiend de zonnelucht in; klankenpracht, als ’n vurige hymne rondbruisend door den havengang. Plots zweeg ’t joodje.—Dronken en nuchtere kerels stonden gebluft, nà de plotse fluitstilte, in argelooze luistering.—Zwoegers uit de donkere bedompte kroegen, waren opgestapt, in furie en bedwelming,[181]naar den man die daar zóó gejuicht en geweend had, onder de slavende massa.—Joodje, zeker van z’n kunnen, zelf wèg in zoeten huiver van z’n klankinstrument, speelde weer opnieuw, gaf zich heelemaal over, aureooleerde zich in een sfeer van zilveren tonenzang.—Eindelijk, klaar met z’n spel, stroomden de kwartjes op ’m af. In fijn-gele vloeitjes wikkelde ie de glanzige zwarte fluitjes met goud-vergulde ornamentjes, drukte ie de kerels de gewichtige methode in de hand.—Mit dat boekkie, in drie daagh en nachte, kan èllek manspersoon en vroùspersoon de heele kunsh! ’n Kind kèn de meledie! wattie wil! as ie ’t marr kèn! begrijbt u!Z’n luisterkring van boeren stond als vastgezogen aan den grond, in verbijstering voor dàt spelen. Zoenen wouen ze den kerel. Joodje had geen handen genoeg. Jongens met lach-van-ontroering op d’r gezicht kochten; mannen, die in hun schemeravondstraatjes onder de lommerstille zomer-boomen harmonika speelden, kochten; dronken kerels, betooverd en half ontnuchterd kochten; meiden, wijven en „notabelen” kochten.Strak-zelfbewust bleef gezicht van Joodje, die soms midden in ’t drukst van z’n verkoop, plots naar zich toegestrekte armen terug-wees, met stil gebaar z’n fluit, koester-zacht vatte, en speelde. En alles roerloos, in tooverban als klonk er geen hond-geblaf, kargehots en sjouwgekrijsch meer, bleef rond ’m staan.Tot heel naar den polderweg verklonk de klaagroep, van z’n fluit, zoet gefluister, smachtende adagio’s, plots vervloeiend in stoute schalmei van jubelende scherzo’s. Begoochelder stonden rond ’m, in broozen luister, de afgemartelde zwoegwerkers, met verrukking in de oogen, bevende monden en verlegen handen. Plots weer brak joodje àf, deelde ie z’n fluiten uit, tot ie alleen z’n eigen instrument overhield. Eén groenboer, wou dàt ding hebben, met ’n gulden toe, zei ie sluw lachend naar de omstanders. Maar Joodje lachte ook, gaf ’m z’n fluit, ruilde met den boer, die ’t geld klaar had in z’n hand, en speelde nòg mooier op ’t kwartjes-instrument.[182]—’t Sit ’m weràchdig niet in ’t fluitje.. ze binne d’r as tweeh drobbele water geleik eender!.… ’t zit ’m in ’t hart meneer!.. in ’t hart!.…—Hoart?.. hoart? sputterde ’n tuinder.…—Nou ja.… ik bedoell eigelik in uwès boekkie.… de methoòde.… lachte Joodje weer ironisch, ’n kind kèn ’t leere.. in drie daaghe het tie ’t onder de knie!Vier honderd fluiten had ie verkocht in één uur. En overal op de haven, door Wierelandsche straatjes en steegjes verklonk fluitgejoedel, valsch en onbeholpen, stooterig-monotoon lawaai, dat joodje sarkastischer lachte op z’n bakkenstapel en inpakkend z’n lessenaartje, nog spottend nariep:—In drie daaghe te leere.…voor’t kleinste kind!.… de meledie.…Rond de bakken, honden en paarden, bleef ’t laat, tot in den schemer ratelhossen van karren, klakkeren van hoeven en orkanen van hellegeblaf.—Bij aansluip van avond, begon éérste drinkmaal van venters. Lichte zuip was er geweest in de stad. Echte zuip barstte nu pas los. Ontembaar zouden ze zich gaan geven aan den heerlijken zoeten brand van dronk, als koelst ijs in hun stoffige ventstrotten verglijend. Bij wijven thuis was alleen gemor, kinderenherrie, schoonmaakploeter, geharrewar en zaterdagavond-afboenerijtjes. Geen zitje, geen likje. Niets lekkerder en plakkeriger noù, dan samenbroei in de stikheete kroeg, met gesuis van havenlawaai nog èven in de ooren, roezemoezigen verdoofden naklank van sjacher.En niks doen dan lollen en babbelen, verdoofd tòch alles hoorend, maar van verre gebeurend, in ’n warrel. Zacht geklots, gezoen en getikker van biljardballen, kleurig en glanzend, robbelden over ’t gehavende lakengroen, bemorst en ingescheurd. Fel gevlam van gaspitten dampte hette uit.—Vuur en rook van pijpen en sigaren, rood-smokerden in een sfeer van kroeg-zwijmel.—Scherpe jenevergeuren, spiritusachtig zuur, walmden uit buffet[183]van tafel naar tafel. Ze voelden zich smoorheet, de groenboeren, maar lekker, paf-verhit in de kroeg.Dirk en Klaas Grint bleven vlak bij elkaar. Dirk zoop zwaar dat z’n hoofd heet-kleurig rood te zwellen stond, en z’n kale, blond behaarde nek in vuur schroeide. Grint had stille drinkerskleur, zachtpaars, maar toch keek ie nog helder uit z’n oogen, zonder dat iemand merken kon dat ie al vet was.Op de haven had Dirk Kees, die karren en bakken terugreed, nog even gesproken. Hij wilde ’m ’n borrel opdringen, maar ’t was niet gelukt. Ze hadden Kees ook èrg schuwerig bekeken weer, als voelden ze zich niet gerust bij den stillen Strooper. Uit angstigen bijval wilden hem ’n paar tuinders nog wat borrels aansmeren, maar Kees bleef weigeren, toèn met ’n vloek.—Dat was z’n kracht! Hij voelde dat, àls ie zuipen ging, hij niet meer ophouên zoù al z’n verdriet, z’n huiselijke ellende en getob over Wimpie’s beroerderigheid weg te spoelen. Nou z’n ventje ’r nog was, hield ie zich sterk.Nou had Kees Dirk gezeid, dat Ouë Gerrit d’r strak-en-an nog rais ankwam, op de haven. Dat maalde Dirk ’n beetje. Hij voelde dat dàn z’n centen in den zak, bedreigd stonden; dat ie niet meer doen kon wat ie wou, als d’Ouë neerstrijken kwam. Toch verdoezelde die gedachte tot vage verwachting in z’n kop. ’t Heetst in ’m woelde ’t denken aan de mooie meiden van Klaas Grint, vooral aan Geert en de heete Trijn, waar de neven Hassel òòk op loerden. Naast Grint aan ’t stomphouten tafeltje opgedrongen, zaten Jan en Willem Hassel. Klaas Grint sluwigjes, voelde zich lekker tusschen de gesmoorde geilheid der knapen. Hij kon tegen ’n borrel als geen ander.En nou vond ie ’t ’n zalige lol, zoo happie nà happie in te zuigen, zonder ’n cent te dokken, in woesten naijver van drie kanten opgepookt tot vrij zuipen; dàn door Willem, dàn door Jan, dàn door Dirk.—Piet mankeerde nog, hinnik-lachte ’t cynisch in ’m. Tusschen hùn halsstarrige, zwijg-nijdige boerenpassie in, wreed en moordend, warmde hìj z’n zuipbegeerte. En telkens als Willem zag, dat Dirk trakteerde, riep hij ook den kastelein, bestelde voor Grint in ’t wild erop los. Grinneken[184]bleef Klaas er om, en trotsch voelde ie zich, in z’n dronken kop, dat hij toch de vader was van zulke lekkere meiden.—Nou, drink jullie d’r moàr, d’rfeur binne jullie vraigesellekerels hee?.… Moar.… van màin goant nie hee?.. van màin hee?.…ikkehep d’r maide en klain goed.…Hij grinnikte Grint, veegde met z’n dikmorsige vingers langs z’n neus.—De kerels knikten, grinnikten mee. En Grint lachte erger, met dronken stemmeschuur in z’n schater, omdat zij grinnikten.In tijen had ie zooveel zaken niet gedaan, als vandaag. En hij, helsch genietend als ie iets niet hoefde te betalen, z’n duitjes bezuinigen kon, maar toch loerend op wat lekkers, hij kòn ’r niet over uit, dat ’t nou bij hèm puur was: mond ope, portemenee dicht.…Joliger klokkerde ie z’n borrel in, langzaam roerend, elk happie, dat dadelijk weer aangeschoven stond onder z’n hand. En iedere borrel als ’n lafenis door z’n keel, spoelde wèg vermoeiing van smorenden dagzwoeg.—Stiller, in dronken zwijg,—zwijg toch van huilend, woedend-woesten hartstocht, op z’n neven, schooiers die loerden op zìjn meid,—bleef Dirk naast Klaas Grint geblokt.—En lolliger werd Klaas, aangeprikkeld door den gonswarrel van stemmen in de herberg, den dronken zoem van kakelaars, venters en koopers en allerhande kroegtypen dooréén. Laag en diep, met z’n gloeiendeglasvlammen, rookerig, verweerd van hitte, verronkte de kroeg z’n dronken reutel van geluiden. Jan en Willem schoven al dichter naar Grint toe en trakteerden weer. Langzaam genot-innigend ging de zuip rond, langzaam en demonisch. Dirk zag den ouen Gerrit niet opdagen. Vond ie lekker! Rond ’m woelde de herberg al voller met drommen bestoven zweetkerels, bek-af van sjouw. Waggelend en krijscherig sloegen hun lijven, massaal en reuzig door den heet-rooien rooknevel.—Troepjes met blazende, gloeiende zweettronies bleven waggelen voor ’t buffet, de glaasjes tegen ’t licht geheven, dronken zeurderig en spraak-zangerig; plasten het vocht hun kelen in, onder knars van hun klompen op zandgrond. Van alle hoeken[185]spogen groenboeren en venters in de bezande spuwbakken hun pruimen, zopen en vloekten ze. Op klein bankpuntje, dat open kwam tusschen ’t kroeggedrang, smakte zich haastig ’n werker neer, met grauw-moeën kop, en reuzige geknauwde handen bevend-uitgestrekt naar ’t buffet, in snak naar drank-koeling.Tegen tien uur stapte Grint òp, z’n schitteroogen verkleind van stille beschonkenheid. Dirk mokkend en pruttelend, waggelde zacht mee òp, grabbelde duizelig in z’n diepe klepbroek, waarvan de grove voornaad vettig spande tusschen glimmig smeer. Alles betaalde ie.—Willem en Jan opstuivend, streden, duwend en vechtend, dat zij de helft er moesten bijplakken. Dirk zei niets, gaf, zachtwaggelend, ’n stommen nijdigen wenk aan kastelein dat ’t, zóó als hij ’t wou, in orde was. Kalm schoof herbergier kleingeld terug op natbeplaste tafel, dat Dirk naar zich toeharkte, kleverig, maar vallen liet op zandgrond en in spuwbak.—Nie d’r strooie hei Dirk? baste ’n kerel met diepe fagotstem.—Aa’s je te veul hep, is màin d’r nog! gierde ’n ander.Nieuwe drom kerels klomperde in, stapte langs en voorbij Dirk, die gebukt zoekend, in zachten rondtast, lijf-zwaaiend, ruw op z’n handen getrapt werd. Bloed zakte ’m naar den kop. Rauw vloekte ie uit, en flauw loerde ie rond op den grond, maar half beseffend of van hèm of van Grint wat duiten weggerold waren.—Lodderig staarde ie òp naar Klaas die gierde, z’n buik met z’n vuisten betamboerijnde van lol.Plots vloekte Dirk weer, stapte in wijen waggel, onzeker naar de deur. Grint had ’t geld uit den spuwbak gegrabbeld, ’t nattig en bevuild Dirk in de hand geduwd. Maar die beweerde nou, met dikken tongstotter, dat ’t van hèm niet was, dat hij d’r puur nies verloren had.—Zoo’n geep! gierde Willem Hassel hoonend.Stom bleef Dirk voor zich uitkijken met z’n neus bijna op de deur gedrukt. En toch nijdig, gloeiend nijdig was ie, als ’n bromvlieg onder vangstolp. Niks nog kon ’r bij ’m uit. Alles zat opgepropt. Hij voelde den roes over ’m heen gloeien, benevelend, versuffend. Hij hoorde àlles half verward. Alleen[186]heet-stellig maalde ’t in ’m dat ie nou meeging naar de mooie meiden van Grint, naar de lekkere Geert, Trijn, Cor en Annie.—Nou … ik bin d’r op haide op stàp … mond ope.… portemenai toe.… schaterde Klaas opgewonden.Geen woord zei Dirk, vroeg ook niet of ie mee kon. Hij strompelde zacht zwaaiend naast Klaas, de herberg uit, als hoorde ie bij ’m.——Nou.. aa’s hai.… had d’r sels is.. binne wai ’t ook, bromde Willem en nàbromde ’m Jan.Daar zat Grint ’r ’n beetje mee, want de mannen hielden áán.—… Duufels, doar droeg ie twee, drie dronken kerels in huis.… heet op s’n maide … Moar sullie hadde sain tug soo rejoàl d’r van late snoepe!.. Allainig Dirk!.… die wou die puur wel kwait!.. Die keek d’r soo suur.… soo ’n naidas!.. Da’ konne s’n maide nie bestig hebbe.—Hij had al rond gezien op de donkere haven, of ouë Gerrit d’r ook rondscharrelde bij ’n kroeg om ’m mee te sleuren. Want Willem en Jan waren ook veel betere partijen voor z’n meiden.. Zat veel meer loodpot! Die mochten haarlie bescharrelen zooveel ze wouen.… Als ’t maar niet tot kinderen kwam! Maar nou zag ie geen ouë Gerrit, geen Kees, geen Piet. Dan most de brombeer d’r ook maar bij; kon toch vast geen kwaad.—Mô je nog ’n afsoàkker Kloas? vroeg plots, voor ’n rot kroegje staanblijvend Dirk, met bleeke strakheid in z’n kop en tril-trekjes om z’n lippen.—Dankkie uit ’t hartje kaèrel! Ik hep d’r t’met.… t’met wá’ bai màin stopt, veur ’t nest hee?.… ’t mog d’r weer ’n weekie sain.… dan kraige sullie alletait van main ’n lik uit de flesch hee?.… Jammer da’ sullie d’r aige nou t’met juist an ’t boene binne.…—Selle wel waiser wese.. lolde Willem sabbelend op z’n woorden.… aa’s d’r jonge kerels komme.… da treft d’r nou net ellèndig mooi!—Niks gedààn jonges! Je houê d’r jullie fesoen!.… daa’s onder en boòfe de wet sait hee? jonge maide is d’r hiet brood.. paa’sd’r op![187]—Nou,.. sullie wete d’r woar Brammie de mosterd hoàlt, piekerde dikbullige Jan.—Tu.. tu.. tu.. manne,.. hield in dronken energie Grint vol.… main maide binne d’r onskuldig aa’s ’n kerk-kruissie hee?.. ’t binne d’r netuurlik jonge skepsels hee?.. en se binne d’r soo ellendige goeie kooksters, enne meroakels goeie huishousters.…—En Train is d’r tug soo’n ellendig-knap swoàrtje, brulde dikbullige Jan huilerig, lachend van dronken aandoening.—En Geert.… da’ liefe bakkesie! schreeuwde Willem.Dirk gromde wat, dreigend onverstaanbaar voor Klaas en de neven, die maar zwegen, uit angst dat ie ’t herhalen zou.—Recht over ’n weibrok stuurde Klaas op z’n erf en huisje ààn, dat stil en klein achter hagen en vruchtboompjes donkerde tusschen het verduisterd groen, midden in geheimzinnige murmeling van zomeravondland, weemoedstil en geruchtloos.—Dirk voelde zich lam in de beenen. Hij had ’n schat verzopen, maar Klaas niets en de neven waartegen ie nooit sprak ook maar weinig. Dat hinderde ’m nou, maakte ’m barsch en nijdig, toch zonder dat ie iets zeggen kòn.Bij Grint zaten de meisjes, in ’t halfdonker, paf van de hitte, doodop van aardbeipluk, lusteloos en morsig nog, op ’t achterend. Toen de mannen instapten, bonkerde ’r rumoer in ’t stik-heete hokje, dribbelde ’t vrouwenkliekje onder zachte gicheltjes en lach-kreetjes naar de voorkamer, waar de kleintjes sliepen in bedsteeën en ledekantje, en ’t duf stonk naar verstoofde menschenlucht, zweet en adem. Zenuwachtig door ’t lawaai van de zware stapkerels en schorre dronken stemmen, draaide moeder Grint ’t lampje òp vlak voor ’t raam, dat half in hoogòpgebloeide geraniumsblad en dennetjesgroen gezakt stond. ’t Vuur van de hel-rooie blommetjes vlamde ertusschen en tonglekte, fel-rood. Acht potjes in ’n rij, opgekneld en saamgeknussigd achter ’t dichte venstertje, dat nog inniger scheen in z’n kleinen ruitjesbouw, de blommen hoog uitgetakt, tusschen ’n pot-dennetje. Vlak er boven, ’t gordijn, geel-blank door-goud[188]van lichtstroom, met z’n wollige bolletjes, zachtglanzend neergekroesd in ’t groen. ’n Klein scheepje hing tusschen ruitje en blompotranden te pronk, met z’n teer mastwerk, ragge kruisdraadjes en koperen boegplaatjes, glanzend tusschen het warme roodaarde.—Zòò, intiem en stil, ’t raampje met z’n uitgeteerd-groen horretje in ’t puffe zomeravondkamerke, leefde eigen bestaan achter z’n stille, glansgouden gordijntje.—Vader Grint al opgewondener, schreeuwde dat ie weer ’n likeurtje voor ’t nest had meegebracht. Geert keek glunderigschuw, naar Dirk en de neven. Haar diep-donkere oogen zochten te begrijpen waarom de mannen zóó laat waren meegestapt.Dirk bleef bokkig, zei geen stom woord, zoende Geert alleen met z’n heeten oogenkijk, pal in ’r wulpsch blanken halskuil.. Nooit nog had ie soo’n lekkere maid sien—— doar waa’s Guurt ook niks bij.Willem loerde van ànderen kant op Geert en Jan lolde met Trijn en Cor.—Uit achterend in klomprumoer was plots Piet Hassel ingestapt, in schijn zoekend naar Dirk. Woest was ie op den kerel, dat ie daar zoo pàf en stomp naar Geert zat te gluren, hij, die toch ook wist, dat ze al lang met hèm aan ’t scharrelen geweest was.—Bokkiger nog keek ie op Geert neèr. Op z’n kousen, stil was ie ’t kamerke ingeslopen, morrend in zichzelf dat dâ speelsche meidetuig ’n elk vrijgezel lokte.—Jan Grint, in ’t gangetje z’n klompen uitklakkend, stapte na Piet in. De meiden gierden, bufferden hun kopjes bijeen onder lampgloed. Vrouw Grint gichelde mee, schel, met snerpende schreeuwerigheidjes, dat ’t broeihok volschetterde van stemmenrumoer. In lollig opgewonden gebaar zette Klaas ’n flesch jenever op tafel.——Moeder!… nou skenk jai d’r aa’s ’n klebak de kring rondhaine.… hee?Piet was dichter op de meisjes aangeschoven en Jan Grint gaapte, gààpte. Willem vloekte in zichzelf van nijd, dat z’n neef Piet, nuchter en koel, zoo midden in was komen opdagen.[189]Maar Jan Hassel kon ’t niks schelen. Half al zat ie op Trijn d’r schoot, kinstreelde Cor, ’t blondje, onder woede van vurige Trijn, die geen jongen kon zien of ze moest ’m hebben. Gauw, met ’n por, liet ie Cor los, keek Trijntje pal in de appels, handstreelde ’r week-kittelend en sluiperig in ’r hals, staarde lodderig verliefd en dronken-sentimenteel, haar brandende begeerende kiekers in.—In ’t ledekantje, wurmden en woelden de kleine plukkers en plukstertjes, half in den slaap. Een kereltje, klaar wakker van lol-gerucht, stootte de anderen òp.—Een vóor één, verschoond, pas wèg onder den Zaterdagavondboen, strompelden ze òp, uit bedsteetjes en ledekant, met knipperende oogjes tegen ’t felle licht.—De drie kleine meisjes, in blanke ponnetjes, met hun lachend slaperige, helder geboende rooie gezichtjes, drongen verbluft op de tafel ààn. De jongens, in d’r loshangende smoezelige hansoppen struikelden vàn gretigheid, naar voren. Klaas Grint, al opgewondener, schaterde en grappigde gemeene moppen uit, proestte zich zat met z’n eigen pret, en lachronk.—Hij vertelde dat ie dat elken Zaterdagavond zoo had geprakkiseerd, ’n lekkeren dronk voor z’n nest, op ’t geploeter van de week. Dat mochten ze waarachtig wel hebben. Dan kreeg de heele kring ’n borrel. De kinders rekenden er al op; smakkerden en joolden al vooruit, wachtten elken week tot ’t kwam, met slaap in de oogen. Iedere week moest ’n ànder waken en wakker schudden zusjes en broertjes, als vader Grint wel eens heel laat aanzwaaien kwam. Maar dikwijls viel ’t kind-wachtertje in slaap, lag ’t heele hufter-zooitje te ronken; ging de zuip hun voorbij, zonder dat ze ’n druppel drank geproefd hadden.—Gespitster bleven ze de volgende week, in langen worstel tegen slaap. Hoorden ze dàn flesch- en glaasjesgeluid zacht rinkelen, geslobber en geraas, dàn veerde wakertje òp, hielp hij, in stooten en bonken, zusjes en broertjes overeind; bombardeerden en drongen ze joelend naar voren, in den kring. En Klaas Grint, schaterde dan, was trotsch, heel trotsch op z’n wakkere kleintjes, dat ze zich niet hadden laten verschalken.[190]Dirk bleef stom op z’n stoel als ’n blok, deed niets anders dan Geert in ’r donkere oogen staren, en ’t gezicht zwart te rooken. Willem schoof al dichter bij, aan anderen kant en Jan Hassel, met z’n log lijf glisserde zich nou heelemaal op den schoot van vurige Trijn, waar ie telkens, met ’n schijn-ontstelden opkieper van afgebonsd werd. Dan gilde Trijn in dollen lach, stootte Willem tegen z’n buik, maar Cor en Annie hielpen Jan weer òpsjorten, langs d’r beenen. De meiden tusschen de stoomende stoeikerels, kregen ’t warmer, lachten, gierden en bliezen van hitte en klefferige vurigheid. Piet bestoeide Cor, uit wraak tegen Geert, en zoende Annie dat ’t klapte. Alleen als de kerels in brutalen grabbel hun te lijf wilden, trapten en beukten de meiden op hun schonken, die toch roerloos bleven, als van graniet, onder de weeke bons van hun meisjesknuisten.—Vader Grint keek loensch, woedend dat ’t wijf de kelkjes nog niet had neergekringd.Schunnige grappen en woorden ronkten de kerels onder drinkhitte uit; branderig borrelde dierdrift op. Gloeiriger handen tàstten, feller oogen loerden door rookdamp heen. Maar telkens nuchterde vrouw Grint er wat tusschen, dat de kerels even verbluft en sip vòòr zich keken.—En Jan Grint, nijdig op ’t bezopen stoetje, den branie Willem, kalmeerde ze met koelen, norschen smak van woorden. Langzaam had vrouw Grint eindelijk kelkjes uit de kast gehaald en neergezet. In fijn zilverende glinsterkringetjes klokkerden klaar de glaasjes vol, en zoetig liet ze, in elk kelkje ’n klontje zakken.—Enne de laipeltjes moeder.… da’ sullie d’r van deur-roere kenne! hee? schreeuwde Klaas, spog-sputterend uit z’n geschroeiden mond.De kleine meisjes tegen elkaar gedrukt op twee stoelen, met de knietjes onder de schoone lijfjes, als duivenrijtje op tilrand blank, keken met groote oogen waar slaap nog in ronddraaide. De jongens, mannerig, wachtten, gierend van pret.—Motte de kinders nou d’r ook weer foader?.… vroeg zichzelf onderbrekend vrouw Grint.—Daa’s net! soo wèl aas wai hee?… die … die … binne[191]d’r op kommende waige hee! barstte Klaas jolend uit, sullie hebbe d’r meeholpe.. nie? laileke kakketoes!.… en d’r aige krom plukt!.… soo tuikig aas de beste.… En nou.… doa’ goàn jullie.… wàif.… kèrels!… maide … kooters! santjes!Vader Grint slokte gretig, stond zacht waggelend voor de tafel, zakte in zwaai weer neèr op z’n stoel. Mannen, vrouwen, en kinders met d’r kleinuitgestrekte armpjes, klonken beverig ààn, in driftigen rinkel en tinkel van kelkjes. De meiden proestten om alles en dronken te gelijk. Geert schoot in ’n kittellach, dat jenever ’r tegelijk uit neus en mond spoot, ze in krampende hoestbui, rood-doorschokt, dreigde te stikken, inéénkronkelend beenen en hoofd en spuwend-lachte met betraand-dolle oogen. Dirk was verschrikt opgesprongen waggelde weer terug, voelde z’n arm verdrongen door Willem die Geert hard op ’r rug klopte, onder d’r stikhoestend krampgelach. Eindelijk bedaarde de meid, nog nakuchend telkens van jeneverjeuk in ’r brandende keel, gloeiend als had ze ’n peperbus geleegd.Jan Hassel had haar glaasje weer deftigjes tot aan den rand volgeklokkerd dat ’t fonkel-vocht, weer schitter-zilverend kringlichtte in de kristallige kelkjes, en stotterend hoestte Geert uit:—Joa.. joa!.. ongelu!!.. ukke!!.. binne!! d’r kwoaje kan.… se!!—Aa’s nou d’r Guurt d’r is hier waa’s! lachte wulpsche Annie, de jongste meid met ’r mopssnuit.—Geloenscht had ze naar Dirk en ’r broer Jan toen ze ’t gezegd had.—Guurt.… Guurt!.… stotterde Dirk, voelend dat ie wat zeggen moest, die f’rskoont d’r aige … nou.. d’r bast!.. die stoan d’r.. nog feur.. ’n kattebakkie.Geert dreigde op ’t botte, stom-uitgeaarzelde antwoord van Dirk weer te stik-proesten in jeneverslok, maar d’r broer Jan, keek zóó sneu en zuur dat ze d’r lach inperste en neven Hassel ook voor zich uit-sipten alsof Dirk heelemaal niets gezegd had.—Licht-zilver wiegelde in glansjes om kelkjes, en fijn kristalde ’t zilvervocht. Klaas Grint vond ’t lollig, dol-lollig, wat Dirk daar uitstotteren kwam.[192]—Aa’s je main nou!.… jai.… jai ken d’r tug soo ellèndig goed liege hee?.… da’.. da’ de lekkere Guurt.. d’r.. d’r aige nou.. f’rskoont.. hee!.. daa’s sneu.…—Niks gedaan foader, hou je bek d’r buite, snauwde drift-bleekig Jan, die niet hebben kon dat Guurt door ’t bezopen stelletje belold werd, allerminst ’t duldde van zijn vader.—Nou.… kaik!.… daa’s … eerst.… ’n be.. laift.… bèfel.… van.… van hooger hand.… hee!.. Gain jai.… d’r na’ jesnoeptoàfel.. foader! wil dá’ segge!.. nou!.. daa’s befèl van main nikker, de swarte Joan,.. eenmoal.… andermoàl.… nou hou je sain heul fesoenelik.… en figeleer je nie … en nou goan wai d’r nog rais ’t kringetje rondhaine hee?.… Moeder! gaif de kooters nog rais ’n hallefie.. enne main!… enne.. de kerels.. de volle moat! hee manskappe? da’ laikt hoarlie hee?—Altait lekkerder aa’s op ’t land te f’rbrande, mit ’t hiete spog in je drooge bek.. sloeg Piet er door, tegen Trijn áán, stoeiend met de lange blonde Cor, die stil zat en smakkerend met zoete teugjes ’r jenevertje inzoog, dronkje waar ze dol op was, iedere week.—Vader Grint lachte luidruchtig om Piet, met oogen nat van glansen en stil uitwerkende dronkenschap. De kerels roerden, smakkerden, en de meiden lachten en likten. En gretig, in felle passie, zogen de kinders ’t drankvocht bij zoete kleine teugjes in, piekerden met hun vingertjes klefferig bodempje schoon, boorden en kronkelden d’r tongetjes, spitsig langs ’t randje, omlekten de glanzige en besuikerde kelkjes, woelden en zuchten in spartelend plezier. In drukke gebaartjes pagaaiden de klef’rige kinderknuisjes door elkaar heen, schuurden woelig schoudertjes en armpjes langs de tafel. Fel lonkten en vonkten de oogjes in ’t lamplicht, en ’n paar brutale jochies poogden te likken, te smakkeren, doopten hun vingertjes in de kelkjes der vreemde kerels.—Onder gelach en gebabbel weerden die hun klauwtjes àf, zonder eigenlijk te zien wàt de kooters deden. ’n Roodharig jochie van vijf, apig maskertje, met wijsgeer-rimpeltjes op hoog-voorkopje ingegroefd, vroeg om méér. En ’n ander,[193]wat ouër, drensde mee in hurk, z’n hoofd op twee ellebogen gesteund, vingertoppen den mond ingeknauwd, met z’n hel-blauwe oogen, pijn-lang ’t licht instarend. Maar dadelijk, als kreeg ze haar herinnering terug, viel vrouw Grint nijdig uit, dat ’t nou dubbel en dwars mooi geweest was, joeg ze de duizelige kleinen met snauw en duw weer naar hun bedjes. Christientje werd aan ’r lange haren meegesleept door ’n drank-verhit jochie van acht, en gierend opgewonden, elkaar beklapperend op de billen, klauterde ’t stoetje weer in de verbroeide slaaphokjes, die vol dampten van rook, walmden van snikheete, duf-drukkende kamerbenauwing.—De mannen joolden met Dirk mee, die plots van stommetje, in ’n vlaag ’t drukst wierd van allen. Hij stoethaspelde en raaskalde, stoeide en sprong als ’n klown, strooide gepeperde moppen stotterend rond, flapte en stapte dat de meiden, verhitter, schik in den kerel kregen.—Z’n kop gloeide rood, z’n koeienoogen glansden, en z’n chineesch-kakerige snuit keek sentimenteel. Piet zong schor, schold ieder uit, zoende vlak voor Willem Hassels tronie, de mooie Geert op d’r gloeiend-wulpschen mond en blank open halskuil, dat er vloeken en bedreigingen hurrieden tusschen de dronken knapen. Maar de meiden konkelden ’t weer goed. Klaas Grint lachte er overheen en vuriger stoeiden de mannen dan weer, in haat en wrok, tòch voor ’t moment met elkaar verzoend.Duffer broeide de avondkamer in voozen stofstank van gesloten vensters. Het raampje, met z’n geranium-vuur, bladergroen en fijn roodaarde, achter ’t vergroezelende licht en vroom-groen horretje, waasde stil-gouïg tegen avonddiep duister van buiten, en elk ruitvakje verpeinsde eigen glansjes van tonige tintstilte, diep en wazig. ’t Scheepje stond roerloos met ’t ragge touwgeweef, en heel ’t venstertje, gouïg aangegloeid in lampeglans, met z’n roodaarden blompotjes, bloemen-vuur, en groene twijgjes, ver-eenzaamde inniger achter geproest en schor stemgebrul, ver van ’t burleske geschater en schurend gegrinnik der dronken, dierlijke boerenkerels. Over bovenkant van half gezakt gordijntje holden en lolden schaduwbroklijven[194]van de mannen, als ze waggelzwaar van hun stoel dansten en loom kankaneerden met armen en beenen gelijk. Dan ging er dronken waggel van rompen en koppen tegen ’t gelige gordijndoek; chinees-schimmig en burlesk-angstig vergroot als ze stapten naar achter, in ’t tonige halve kamerduister; schèrper aanrumoerend, en silhouet-zuiver, de dronken profiel-tronies omlijnd, als ze zich bewogen naar vòren.—Smokerig in nevel rookte de kamer rood van gouenaars en sigaren. Scherp in vlagen, prikkelde jeneverstank er doorheen en lolliger in de zomeravondhitte zopen de kerels hun kelkjes leeg, in kleverige klauwen, snurkerig schrei-lachend en dronken doorgrinnikend. Dirk zat met asch bemorst van z’n borst tot z’n knieën, en telkens plaste ’r jenever op z’n kleeren, als ie waggelend opstond en met z’n glaasje in de hand lachtronies der meiden bestrijken wou.—Met schrik en angst loerden de dochters naar hun handen, die rondzwermden in al woesteren tast. Tot eindelijk, laat in den avond, heel laat, vrouw Grint ’t besef kreeg de kerels te bonjouren. Dat had ze nog nooit beleefd, zoo’n latertje, al wàs ’t Zaterdagavond. En al loerde ook zij op de rijke neven Hassel, nou, met die arme donders Piet en Dirk erbij vond ze ’r niet veel aardigheid in. Met boffen en beuken drong ze de kerels naar de deur, woedend op vader Klaas, dat ie zich zoo te buiten ging.—Want Grint joeg de kerels òp, tegen elkaar in, om z’n meiden te zoenen, te pakken, te frommelen. Schor-ironisch, met scheefgetrokken mond, bezwijmelde oogen, die waterig glansden van beschonkenheid, riep ie hikkend, en òpwaggelend van z’n stoel:—Alletait.. in.. ’t fesoenelikke.. Soene.… i i i i.. i i i.. ’n ’t fesoenèlikke.… enne.. pakke.… i n n n n.… ’t fesoenelikke.… enne!.…Ze zoenden, dat ’t klapperde, en de meiden verhit en vol verzet toch, bedroesemd, opgehitst, en nijdig-beschaamd tegelijk, trapten en sloegen. Annie en Cor vooral, duwden met vuist-stompen en kleine mokerslagjes de rook- en drinkmonden griezelig[195]van zich af. Toch voelden ze niet te kunnen weghollen, om de lekkerige duizeligheid en soezerige zinnelijke hitte in d’r lijven, van ’t drankje.—Maar vrouw Grint waakte, hield ààn. De kooters konden niet slapen, zij moest d’r ook in,.. kortom, ’t was d’r ’n skandaal, zoo laat naar ’t nest te trekken. Dat was nooit nog in d’r leven gebeurd. Schoorvoetend, met brandende monden, scheefgewrongen van heete, verterende begeerten, met gloeioogen, in vlam geloerd op de guitige donker-lonkende kijkers van Geert en vurige Trijn, op ’t slanke lijf van Cor, en de warme molligheid van Annie, trokken ze af.Klaas Grint waggelde ze nog achterop naar ’t pad. Z’n dronken haperende hik-stem, krijschte wat nà, onzeker verglijend in klank-schorre lalwoorden.—In ruzie-smorende innigheid en vriendschappelijke woede, waggel-stapten de neven, over ’t maanbleeke duistere pad heen, armen ingehaakt, elkaar vervloekend. Ze zongen en raasden zich naar huis, met straatliedjes en dreunende scheldwoorden, uitrauwend in stildroomenden zomernacht, doordauwd van zoete geuren. En vóórt ging hun beestige passie, die de zwoegers, als steigerende, duistere furiën rondtrampelen liet, in ’t nachtelijk stil-donkere Duinkijk.[196]
[Inhoud]V.Aan de Wierelandsche haven wachtten meisjes en jongens met karren, klaar om bakken en manden op te vangen van vader en broers.—Vier booten, achter elkaar, stoomden in, en van vier booten tegelijk, meerden de loopers ’t touw vast aan de palen. Een wild gedrang stootte òp, woest geschreeuw ratelde los; gekrijsch van tuinders, met verkeerde bakken, roep òm roep. Rauwe moeheid klonk door de stemmen, en zwaar de zweetkoppen, roodgrauw, paars en bietig, vloekten en gromden weer te moeten sjouwen in den nog smoorhitten zonnedaver.—Eén helsch karnaval van dooreenkrioelende zwoegers en waggelende beschonkenen, brak plots weer los aan de doorgloeide haven, gestoofd en geschroeid in den vonkenden zengdag.Paarden loomden weer stil, achter drom van kleurige karren, en van allen kant, op de haven, golf-vloeide gewirwar van kerels en wijven, meisjes, en jochies. Van de hooge booten reuzigden de werkers, met de bakken en vrachten op nek en kop, tegen eindlooze polderlucht violet vuur, dat dampte en smeulde.—Heele stapels hoekten in dwarsen lijn-opstand de lucht in, op de hooge boot; wilde kankan van opgeheven kisten, schuin en[179]vlak, rechtòp, dwars, scheef, en mandtorens waggelden geweldig op de zwoegschouers, en dampende zweetkoppen.’t Stormde op den wal, en woester krioelden en afmarcheerden de karren in hotsende ratel-herrie en bonkering, naar huis; geduwd door jochies en meisjes in schreeuwerigen konkel.—Het heete gedaver en gesmak van kisten waarin de leege aardbei-mandjes nu beèfden van schokken, bulderde weer òp, cyclopisch, als donderende klankneerstorting van mokers op aambeelden en houweelen-ring-king op steenen muren. En òm ’t smak-geraas heen, bleef roezemoezen bassig gegons van straatgeruchten.Troepen venters, klaar met hun manden en vrachten, afgereeën aan d’r kinders, drentelden rond met hun handen op geldzak, warmpjes de centen ingekneld tusschen vleesch-hitte en broek-voering, smakkend naar lekkeren Zaterdagavondzuip.Afgebeuld of in drinklol opgewonden, strompelden de groenboeren herbergen in, waar ’t borrelde en gistte van schurige stemmen, dronk’rige roezemoes; waar ’t schuiflawaai knarste van stoelen op zandgrond, tusschen stikwalm, rook-rood.—Buiten woelde ’t haventje in hellegedaver.’t Kraakte, klotste, hotste en smakte ’r in gloeiend zwoeggerucht, arbeids-hellebaardiers, die burchten sloopten.—In ’t watertje glom, kleurveegde en brio’de druk beweeg van kramen, sloepen, tjalken en bokken; op elkaar gedrongen, tusschen engen spoel van spoor-polderdijk en walkant in. Wemel van schipkleuren nog blond doorzond, gloeide òp in ’t àl zinkender licht. Op hoogen bakkenstapel, midden in thuiskomst van Zaterdagavondmarkt, herautte nù ’n kleine jood, met luchtig fluitspel.—Kring van honderden stond om ’m heengekranst, in starenden luister naar z’n wonderlokkend, klank-zoet fluitgevlei. Weinig sprak ’t joodje. Met ’n groot blad muziek op ijzer lessenaartje vóór zich, wees ie op de methode, zei wat van de fluit, ’t klank mooie, ’t zuiver-hooge en lage, en speelde, spéélde.—Joodje leek verliefd op eigen fluit. In zwierpracht en zoeten huiver van vloeiende vlei-toontjes, zilverende koloratuur, zong[180]ie zich uit,—dan één, dan twéé fluiten den mond induwend, zich zelf begeleidend. Starre bewondering strakte van de tuinderskoppen. Ze voelden, voèlden dat ’t ècht was. Prachtig ebbenhoutig-zwart, glansden de gepolitoerde oktavo-fluitjes in joodjes hand, en wonderzoete, zilver-trillende tonen blies ie de heet-zonnige havenlucht in. Met gratie, in duizelend snelle vingerradheid, duikelden, trilden, zweefden de toontjes uit z’n fluit, en z’n vingertoppen leken tien betooverde zieltjes, vol klank en zaligen galm. Snel dansten de topjes op de zwart-geglansde fluit, en machtiger zwol z’n toon, fel in zingende kracht, de havengeruchten overklankend. Dan plots hield joodje in, droefde ie weemoed uit, in weeken, donkeren fluister van wiegelende klankjes, slepend-zoet en innig-ontroerend, droomrige melankolie van teere toontjes, in klagelijk register.—Zoo jubileerde z’n wonderfluit tusschen ’t sjacher-rumoer, dat zacht verstomde onder z’n tooverzang. Heelemaal méé, in de pathetische zoetheid van z’n lied, schokte jood’s lijfje.—Zacht zwierde z’n hoofd, lichtelijk heen en weer. Op de kadans van z’n lied, rekte zich z’n postuur als groeide ie boven den luisterkring uit, kromp ie plots weer in, bij teerdren melodie-zwenk. En vlak om z’n hoofd geurde en zweefde ie uit, ’n krans van zangerige kabbelende klankjes, met iets er in van starende smart; murmureerde z’n vlei-klankende fluit, diep en vroom ’n litanie van innigheid; bleef dóórdroeven z’n zang, in smartlijk mineur, speelde ie uit, ’n lied van tranen en hartewee. Dan plots, in ’n schater, zwol z’n toon in ’t hooge register, joelde de klare zilveren klank van z’n demonische fluit als ’n woeste jubel door de polderlucht en haven, schaterend en klaterend. Roerloos stond ’t landvolk in tooverban te luisteren. Eén laatsten stroom van klankenjubel tremoleerde hij nog woest en oriëntaal òver de koppen heen, wijd uitvloeiend de zonnelucht in; klankenpracht, als ’n vurige hymne rondbruisend door den havengang. Plots zweeg ’t joodje.—Dronken en nuchtere kerels stonden gebluft, nà de plotse fluitstilte, in argelooze luistering.—Zwoegers uit de donkere bedompte kroegen, waren opgestapt, in furie en bedwelming,[181]naar den man die daar zóó gejuicht en geweend had, onder de slavende massa.—Joodje, zeker van z’n kunnen, zelf wèg in zoeten huiver van z’n klankinstrument, speelde weer opnieuw, gaf zich heelemaal over, aureooleerde zich in een sfeer van zilveren tonenzang.—Eindelijk, klaar met z’n spel, stroomden de kwartjes op ’m af. In fijn-gele vloeitjes wikkelde ie de glanzige zwarte fluitjes met goud-vergulde ornamentjes, drukte ie de kerels de gewichtige methode in de hand.—Mit dat boekkie, in drie daagh en nachte, kan èllek manspersoon en vroùspersoon de heele kunsh! ’n Kind kèn de meledie! wattie wil! as ie ’t marr kèn! begrijbt u!Z’n luisterkring van boeren stond als vastgezogen aan den grond, in verbijstering voor dàt spelen. Zoenen wouen ze den kerel. Joodje had geen handen genoeg. Jongens met lach-van-ontroering op d’r gezicht kochten; mannen, die in hun schemeravondstraatjes onder de lommerstille zomer-boomen harmonika speelden, kochten; dronken kerels, betooverd en half ontnuchterd kochten; meiden, wijven en „notabelen” kochten.Strak-zelfbewust bleef gezicht van Joodje, die soms midden in ’t drukst van z’n verkoop, plots naar zich toegestrekte armen terug-wees, met stil gebaar z’n fluit, koester-zacht vatte, en speelde. En alles roerloos, in tooverban als klonk er geen hond-geblaf, kargehots en sjouwgekrijsch meer, bleef rond ’m staan.Tot heel naar den polderweg verklonk de klaagroep, van z’n fluit, zoet gefluister, smachtende adagio’s, plots vervloeiend in stoute schalmei van jubelende scherzo’s. Begoochelder stonden rond ’m, in broozen luister, de afgemartelde zwoegwerkers, met verrukking in de oogen, bevende monden en verlegen handen. Plots weer brak joodje àf, deelde ie z’n fluiten uit, tot ie alleen z’n eigen instrument overhield. Eén groenboer, wou dàt ding hebben, met ’n gulden toe, zei ie sluw lachend naar de omstanders. Maar Joodje lachte ook, gaf ’m z’n fluit, ruilde met den boer, die ’t geld klaar had in z’n hand, en speelde nòg mooier op ’t kwartjes-instrument.[182]—’t Sit ’m weràchdig niet in ’t fluitje.. ze binne d’r as tweeh drobbele water geleik eender!.… ’t zit ’m in ’t hart meneer!.. in ’t hart!.…—Hoart?.. hoart? sputterde ’n tuinder.…—Nou ja.… ik bedoell eigelik in uwès boekkie.… de methoòde.… lachte Joodje weer ironisch, ’n kind kèn ’t leere.. in drie daaghe het tie ’t onder de knie!Vier honderd fluiten had ie verkocht in één uur. En overal op de haven, door Wierelandsche straatjes en steegjes verklonk fluitgejoedel, valsch en onbeholpen, stooterig-monotoon lawaai, dat joodje sarkastischer lachte op z’n bakkenstapel en inpakkend z’n lessenaartje, nog spottend nariep:—In drie daaghe te leere.…voor’t kleinste kind!.… de meledie.…Rond de bakken, honden en paarden, bleef ’t laat, tot in den schemer ratelhossen van karren, klakkeren van hoeven en orkanen van hellegeblaf.—Bij aansluip van avond, begon éérste drinkmaal van venters. Lichte zuip was er geweest in de stad. Echte zuip barstte nu pas los. Ontembaar zouden ze zich gaan geven aan den heerlijken zoeten brand van dronk, als koelst ijs in hun stoffige ventstrotten verglijend. Bij wijven thuis was alleen gemor, kinderenherrie, schoonmaakploeter, geharrewar en zaterdagavond-afboenerijtjes. Geen zitje, geen likje. Niets lekkerder en plakkeriger noù, dan samenbroei in de stikheete kroeg, met gesuis van havenlawaai nog èven in de ooren, roezemoezigen verdoofden naklank van sjacher.En niks doen dan lollen en babbelen, verdoofd tòch alles hoorend, maar van verre gebeurend, in ’n warrel. Zacht geklots, gezoen en getikker van biljardballen, kleurig en glanzend, robbelden over ’t gehavende lakengroen, bemorst en ingescheurd. Fel gevlam van gaspitten dampte hette uit.—Vuur en rook van pijpen en sigaren, rood-smokerden in een sfeer van kroeg-zwijmel.—Scherpe jenevergeuren, spiritusachtig zuur, walmden uit buffet[183]van tafel naar tafel. Ze voelden zich smoorheet, de groenboeren, maar lekker, paf-verhit in de kroeg.Dirk en Klaas Grint bleven vlak bij elkaar. Dirk zoop zwaar dat z’n hoofd heet-kleurig rood te zwellen stond, en z’n kale, blond behaarde nek in vuur schroeide. Grint had stille drinkerskleur, zachtpaars, maar toch keek ie nog helder uit z’n oogen, zonder dat iemand merken kon dat ie al vet was.Op de haven had Dirk Kees, die karren en bakken terugreed, nog even gesproken. Hij wilde ’m ’n borrel opdringen, maar ’t was niet gelukt. Ze hadden Kees ook èrg schuwerig bekeken weer, als voelden ze zich niet gerust bij den stillen Strooper. Uit angstigen bijval wilden hem ’n paar tuinders nog wat borrels aansmeren, maar Kees bleef weigeren, toèn met ’n vloek.—Dat was z’n kracht! Hij voelde dat, àls ie zuipen ging, hij niet meer ophouên zoù al z’n verdriet, z’n huiselijke ellende en getob over Wimpie’s beroerderigheid weg te spoelen. Nou z’n ventje ’r nog was, hield ie zich sterk.Nou had Kees Dirk gezeid, dat Ouë Gerrit d’r strak-en-an nog rais ankwam, op de haven. Dat maalde Dirk ’n beetje. Hij voelde dat dàn z’n centen in den zak, bedreigd stonden; dat ie niet meer doen kon wat ie wou, als d’Ouë neerstrijken kwam. Toch verdoezelde die gedachte tot vage verwachting in z’n kop. ’t Heetst in ’m woelde ’t denken aan de mooie meiden van Klaas Grint, vooral aan Geert en de heete Trijn, waar de neven Hassel òòk op loerden. Naast Grint aan ’t stomphouten tafeltje opgedrongen, zaten Jan en Willem Hassel. Klaas Grint sluwigjes, voelde zich lekker tusschen de gesmoorde geilheid der knapen. Hij kon tegen ’n borrel als geen ander.En nou vond ie ’t ’n zalige lol, zoo happie nà happie in te zuigen, zonder ’n cent te dokken, in woesten naijver van drie kanten opgepookt tot vrij zuipen; dàn door Willem, dàn door Jan, dàn door Dirk.—Piet mankeerde nog, hinnik-lachte ’t cynisch in ’m. Tusschen hùn halsstarrige, zwijg-nijdige boerenpassie in, wreed en moordend, warmde hìj z’n zuipbegeerte. En telkens als Willem zag, dat Dirk trakteerde, riep hij ook den kastelein, bestelde voor Grint in ’t wild erop los. Grinneken[184]bleef Klaas er om, en trotsch voelde ie zich, in z’n dronken kop, dat hij toch de vader was van zulke lekkere meiden.—Nou, drink jullie d’r moàr, d’rfeur binne jullie vraigesellekerels hee?.… Moar.… van màin goant nie hee?.. van màin hee?.…ikkehep d’r maide en klain goed.…Hij grinnikte Grint, veegde met z’n dikmorsige vingers langs z’n neus.—De kerels knikten, grinnikten mee. En Grint lachte erger, met dronken stemmeschuur in z’n schater, omdat zij grinnikten.In tijen had ie zooveel zaken niet gedaan, als vandaag. En hij, helsch genietend als ie iets niet hoefde te betalen, z’n duitjes bezuinigen kon, maar toch loerend op wat lekkers, hij kòn ’r niet over uit, dat ’t nou bij hèm puur was: mond ope, portemenee dicht.…Joliger klokkerde ie z’n borrel in, langzaam roerend, elk happie, dat dadelijk weer aangeschoven stond onder z’n hand. En iedere borrel als ’n lafenis door z’n keel, spoelde wèg vermoeiing van smorenden dagzwoeg.—Stiller, in dronken zwijg,—zwijg toch van huilend, woedend-woesten hartstocht, op z’n neven, schooiers die loerden op zìjn meid,—bleef Dirk naast Klaas Grint geblokt.—En lolliger werd Klaas, aangeprikkeld door den gonswarrel van stemmen in de herberg, den dronken zoem van kakelaars, venters en koopers en allerhande kroegtypen dooréén. Laag en diep, met z’n gloeiendeglasvlammen, rookerig, verweerd van hitte, verronkte de kroeg z’n dronken reutel van geluiden. Jan en Willem schoven al dichter naar Grint toe en trakteerden weer. Langzaam genot-innigend ging de zuip rond, langzaam en demonisch. Dirk zag den ouen Gerrit niet opdagen. Vond ie lekker! Rond ’m woelde de herberg al voller met drommen bestoven zweetkerels, bek-af van sjouw. Waggelend en krijscherig sloegen hun lijven, massaal en reuzig door den heet-rooien rooknevel.—Troepjes met blazende, gloeiende zweettronies bleven waggelen voor ’t buffet, de glaasjes tegen ’t licht geheven, dronken zeurderig en spraak-zangerig; plasten het vocht hun kelen in, onder knars van hun klompen op zandgrond. Van alle hoeken[185]spogen groenboeren en venters in de bezande spuwbakken hun pruimen, zopen en vloekten ze. Op klein bankpuntje, dat open kwam tusschen ’t kroeggedrang, smakte zich haastig ’n werker neer, met grauw-moeën kop, en reuzige geknauwde handen bevend-uitgestrekt naar ’t buffet, in snak naar drank-koeling.Tegen tien uur stapte Grint òp, z’n schitteroogen verkleind van stille beschonkenheid. Dirk mokkend en pruttelend, waggelde zacht mee òp, grabbelde duizelig in z’n diepe klepbroek, waarvan de grove voornaad vettig spande tusschen glimmig smeer. Alles betaalde ie.—Willem en Jan opstuivend, streden, duwend en vechtend, dat zij de helft er moesten bijplakken. Dirk zei niets, gaf, zachtwaggelend, ’n stommen nijdigen wenk aan kastelein dat ’t, zóó als hij ’t wou, in orde was. Kalm schoof herbergier kleingeld terug op natbeplaste tafel, dat Dirk naar zich toeharkte, kleverig, maar vallen liet op zandgrond en in spuwbak.—Nie d’r strooie hei Dirk? baste ’n kerel met diepe fagotstem.—Aa’s je te veul hep, is màin d’r nog! gierde ’n ander.Nieuwe drom kerels klomperde in, stapte langs en voorbij Dirk, die gebukt zoekend, in zachten rondtast, lijf-zwaaiend, ruw op z’n handen getrapt werd. Bloed zakte ’m naar den kop. Rauw vloekte ie uit, en flauw loerde ie rond op den grond, maar half beseffend of van hèm of van Grint wat duiten weggerold waren.—Lodderig staarde ie òp naar Klaas die gierde, z’n buik met z’n vuisten betamboerijnde van lol.Plots vloekte Dirk weer, stapte in wijen waggel, onzeker naar de deur. Grint had ’t geld uit den spuwbak gegrabbeld, ’t nattig en bevuild Dirk in de hand geduwd. Maar die beweerde nou, met dikken tongstotter, dat ’t van hèm niet was, dat hij d’r puur nies verloren had.—Zoo’n geep! gierde Willem Hassel hoonend.Stom bleef Dirk voor zich uitkijken met z’n neus bijna op de deur gedrukt. En toch nijdig, gloeiend nijdig was ie, als ’n bromvlieg onder vangstolp. Niks nog kon ’r bij ’m uit. Alles zat opgepropt. Hij voelde den roes over ’m heen gloeien, benevelend, versuffend. Hij hoorde àlles half verward. Alleen[186]heet-stellig maalde ’t in ’m dat ie nou meeging naar de mooie meiden van Grint, naar de lekkere Geert, Trijn, Cor en Annie.—Nou … ik bin d’r op haide op stàp … mond ope.… portemenai toe.… schaterde Klaas opgewonden.Geen woord zei Dirk, vroeg ook niet of ie mee kon. Hij strompelde zacht zwaaiend naast Klaas, de herberg uit, als hoorde ie bij ’m.——Nou.. aa’s hai.… had d’r sels is.. binne wai ’t ook, bromde Willem en nàbromde ’m Jan.Daar zat Grint ’r ’n beetje mee, want de mannen hielden áán.—… Duufels, doar droeg ie twee, drie dronken kerels in huis.… heet op s’n maide … Moar sullie hadde sain tug soo rejoàl d’r van late snoepe!.. Allainig Dirk!.… die wou die puur wel kwait!.. Die keek d’r soo suur.… soo ’n naidas!.. Da’ konne s’n maide nie bestig hebbe.—Hij had al rond gezien op de donkere haven, of ouë Gerrit d’r ook rondscharrelde bij ’n kroeg om ’m mee te sleuren. Want Willem en Jan waren ook veel betere partijen voor z’n meiden.. Zat veel meer loodpot! Die mochten haarlie bescharrelen zooveel ze wouen.… Als ’t maar niet tot kinderen kwam! Maar nou zag ie geen ouë Gerrit, geen Kees, geen Piet. Dan most de brombeer d’r ook maar bij; kon toch vast geen kwaad.—Mô je nog ’n afsoàkker Kloas? vroeg plots, voor ’n rot kroegje staanblijvend Dirk, met bleeke strakheid in z’n kop en tril-trekjes om z’n lippen.—Dankkie uit ’t hartje kaèrel! Ik hep d’r t’met.… t’met wá’ bai màin stopt, veur ’t nest hee?.… ’t mog d’r weer ’n weekie sain.… dan kraige sullie alletait van main ’n lik uit de flesch hee?.… Jammer da’ sullie d’r aige nou t’met juist an ’t boene binne.…—Selle wel waiser wese.. lolde Willem sabbelend op z’n woorden.… aa’s d’r jonge kerels komme.… da treft d’r nou net ellèndig mooi!—Niks gedààn jonges! Je houê d’r jullie fesoen!.… daa’s onder en boòfe de wet sait hee? jonge maide is d’r hiet brood.. paa’sd’r op![187]—Nou,.. sullie wete d’r woar Brammie de mosterd hoàlt, piekerde dikbullige Jan.—Tu.. tu.. tu.. manne,.. hield in dronken energie Grint vol.… main maide binne d’r onskuldig aa’s ’n kerk-kruissie hee?.. ’t binne d’r netuurlik jonge skepsels hee?.. en se binne d’r soo ellendige goeie kooksters, enne meroakels goeie huishousters.…—En Train is d’r tug soo’n ellendig-knap swoàrtje, brulde dikbullige Jan huilerig, lachend van dronken aandoening.—En Geert.… da’ liefe bakkesie! schreeuwde Willem.Dirk gromde wat, dreigend onverstaanbaar voor Klaas en de neven, die maar zwegen, uit angst dat ie ’t herhalen zou.—Recht over ’n weibrok stuurde Klaas op z’n erf en huisje ààn, dat stil en klein achter hagen en vruchtboompjes donkerde tusschen het verduisterd groen, midden in geheimzinnige murmeling van zomeravondland, weemoedstil en geruchtloos.—Dirk voelde zich lam in de beenen. Hij had ’n schat verzopen, maar Klaas niets en de neven waartegen ie nooit sprak ook maar weinig. Dat hinderde ’m nou, maakte ’m barsch en nijdig, toch zonder dat ie iets zeggen kòn.Bij Grint zaten de meisjes, in ’t halfdonker, paf van de hitte, doodop van aardbeipluk, lusteloos en morsig nog, op ’t achterend. Toen de mannen instapten, bonkerde ’r rumoer in ’t stik-heete hokje, dribbelde ’t vrouwenkliekje onder zachte gicheltjes en lach-kreetjes naar de voorkamer, waar de kleintjes sliepen in bedsteeën en ledekantje, en ’t duf stonk naar verstoofde menschenlucht, zweet en adem. Zenuwachtig door ’t lawaai van de zware stapkerels en schorre dronken stemmen, draaide moeder Grint ’t lampje òp vlak voor ’t raam, dat half in hoogòpgebloeide geraniumsblad en dennetjesgroen gezakt stond. ’t Vuur van de hel-rooie blommetjes vlamde ertusschen en tonglekte, fel-rood. Acht potjes in ’n rij, opgekneld en saamgeknussigd achter ’t dichte venstertje, dat nog inniger scheen in z’n kleinen ruitjesbouw, de blommen hoog uitgetakt, tusschen ’n pot-dennetje. Vlak er boven, ’t gordijn, geel-blank door-goud[188]van lichtstroom, met z’n wollige bolletjes, zachtglanzend neergekroesd in ’t groen. ’n Klein scheepje hing tusschen ruitje en blompotranden te pronk, met z’n teer mastwerk, ragge kruisdraadjes en koperen boegplaatjes, glanzend tusschen het warme roodaarde.—Zòò, intiem en stil, ’t raampje met z’n uitgeteerd-groen horretje in ’t puffe zomeravondkamerke, leefde eigen bestaan achter z’n stille, glansgouden gordijntje.—Vader Grint al opgewondener, schreeuwde dat ie weer ’n likeurtje voor ’t nest had meegebracht. Geert keek glunderigschuw, naar Dirk en de neven. Haar diep-donkere oogen zochten te begrijpen waarom de mannen zóó laat waren meegestapt.Dirk bleef bokkig, zei geen stom woord, zoende Geert alleen met z’n heeten oogenkijk, pal in ’r wulpsch blanken halskuil.. Nooit nog had ie soo’n lekkere maid sien—— doar waa’s Guurt ook niks bij.Willem loerde van ànderen kant op Geert en Jan lolde met Trijn en Cor.—Uit achterend in klomprumoer was plots Piet Hassel ingestapt, in schijn zoekend naar Dirk. Woest was ie op den kerel, dat ie daar zoo pàf en stomp naar Geert zat te gluren, hij, die toch ook wist, dat ze al lang met hèm aan ’t scharrelen geweest was.—Bokkiger nog keek ie op Geert neèr. Op z’n kousen, stil was ie ’t kamerke ingeslopen, morrend in zichzelf dat dâ speelsche meidetuig ’n elk vrijgezel lokte.—Jan Grint, in ’t gangetje z’n klompen uitklakkend, stapte na Piet in. De meiden gierden, bufferden hun kopjes bijeen onder lampgloed. Vrouw Grint gichelde mee, schel, met snerpende schreeuwerigheidjes, dat ’t broeihok volschetterde van stemmenrumoer. In lollig opgewonden gebaar zette Klaas ’n flesch jenever op tafel.——Moeder!… nou skenk jai d’r aa’s ’n klebak de kring rondhaine.… hee?Piet was dichter op de meisjes aangeschoven en Jan Grint gaapte, gààpte. Willem vloekte in zichzelf van nijd, dat z’n neef Piet, nuchter en koel, zoo midden in was komen opdagen.[189]Maar Jan Hassel kon ’t niks schelen. Half al zat ie op Trijn d’r schoot, kinstreelde Cor, ’t blondje, onder woede van vurige Trijn, die geen jongen kon zien of ze moest ’m hebben. Gauw, met ’n por, liet ie Cor los, keek Trijntje pal in de appels, handstreelde ’r week-kittelend en sluiperig in ’r hals, staarde lodderig verliefd en dronken-sentimenteel, haar brandende begeerende kiekers in.—In ’t ledekantje, wurmden en woelden de kleine plukkers en plukstertjes, half in den slaap. Een kereltje, klaar wakker van lol-gerucht, stootte de anderen òp.—Een vóor één, verschoond, pas wèg onder den Zaterdagavondboen, strompelden ze òp, uit bedsteetjes en ledekant, met knipperende oogjes tegen ’t felle licht.—De drie kleine meisjes, in blanke ponnetjes, met hun lachend slaperige, helder geboende rooie gezichtjes, drongen verbluft op de tafel ààn. De jongens, in d’r loshangende smoezelige hansoppen struikelden vàn gretigheid, naar voren. Klaas Grint, al opgewondener, schaterde en grappigde gemeene moppen uit, proestte zich zat met z’n eigen pret, en lachronk.—Hij vertelde dat ie dat elken Zaterdagavond zoo had geprakkiseerd, ’n lekkeren dronk voor z’n nest, op ’t geploeter van de week. Dat mochten ze waarachtig wel hebben. Dan kreeg de heele kring ’n borrel. De kinders rekenden er al op; smakkerden en joolden al vooruit, wachtten elken week tot ’t kwam, met slaap in de oogen. Iedere week moest ’n ànder waken en wakker schudden zusjes en broertjes, als vader Grint wel eens heel laat aanzwaaien kwam. Maar dikwijls viel ’t kind-wachtertje in slaap, lag ’t heele hufter-zooitje te ronken; ging de zuip hun voorbij, zonder dat ze ’n druppel drank geproefd hadden.—Gespitster bleven ze de volgende week, in langen worstel tegen slaap. Hoorden ze dàn flesch- en glaasjesgeluid zacht rinkelen, geslobber en geraas, dàn veerde wakertje òp, hielp hij, in stooten en bonken, zusjes en broertjes overeind; bombardeerden en drongen ze joelend naar voren, in den kring. En Klaas Grint, schaterde dan, was trotsch, heel trotsch op z’n wakkere kleintjes, dat ze zich niet hadden laten verschalken.[190]Dirk bleef stom op z’n stoel als ’n blok, deed niets anders dan Geert in ’r donkere oogen staren, en ’t gezicht zwart te rooken. Willem schoof al dichter bij, aan anderen kant en Jan Hassel, met z’n log lijf glisserde zich nou heelemaal op den schoot van vurige Trijn, waar ie telkens, met ’n schijn-ontstelden opkieper van afgebonsd werd. Dan gilde Trijn in dollen lach, stootte Willem tegen z’n buik, maar Cor en Annie hielpen Jan weer òpsjorten, langs d’r beenen. De meiden tusschen de stoomende stoeikerels, kregen ’t warmer, lachten, gierden en bliezen van hitte en klefferige vurigheid. Piet bestoeide Cor, uit wraak tegen Geert, en zoende Annie dat ’t klapte. Alleen als de kerels in brutalen grabbel hun te lijf wilden, trapten en beukten de meiden op hun schonken, die toch roerloos bleven, als van graniet, onder de weeke bons van hun meisjesknuisten.—Vader Grint keek loensch, woedend dat ’t wijf de kelkjes nog niet had neergekringd.Schunnige grappen en woorden ronkten de kerels onder drinkhitte uit; branderig borrelde dierdrift op. Gloeiriger handen tàstten, feller oogen loerden door rookdamp heen. Maar telkens nuchterde vrouw Grint er wat tusschen, dat de kerels even verbluft en sip vòòr zich keken.—En Jan Grint, nijdig op ’t bezopen stoetje, den branie Willem, kalmeerde ze met koelen, norschen smak van woorden. Langzaam had vrouw Grint eindelijk kelkjes uit de kast gehaald en neergezet. In fijn zilverende glinsterkringetjes klokkerden klaar de glaasjes vol, en zoetig liet ze, in elk kelkje ’n klontje zakken.—Enne de laipeltjes moeder.… da’ sullie d’r van deur-roere kenne! hee? schreeuwde Klaas, spog-sputterend uit z’n geschroeiden mond.De kleine meisjes tegen elkaar gedrukt op twee stoelen, met de knietjes onder de schoone lijfjes, als duivenrijtje op tilrand blank, keken met groote oogen waar slaap nog in ronddraaide. De jongens, mannerig, wachtten, gierend van pret.—Motte de kinders nou d’r ook weer foader?.… vroeg zichzelf onderbrekend vrouw Grint.—Daa’s net! soo wèl aas wai hee?… die … die … binne[191]d’r op kommende waige hee! barstte Klaas jolend uit, sullie hebbe d’r meeholpe.. nie? laileke kakketoes!.… en d’r aige krom plukt!.… soo tuikig aas de beste.… En nou.… doa’ goàn jullie.… wàif.… kèrels!… maide … kooters! santjes!Vader Grint slokte gretig, stond zacht waggelend voor de tafel, zakte in zwaai weer neèr op z’n stoel. Mannen, vrouwen, en kinders met d’r kleinuitgestrekte armpjes, klonken beverig ààn, in driftigen rinkel en tinkel van kelkjes. De meiden proestten om alles en dronken te gelijk. Geert schoot in ’n kittellach, dat jenever ’r tegelijk uit neus en mond spoot, ze in krampende hoestbui, rood-doorschokt, dreigde te stikken, inéénkronkelend beenen en hoofd en spuwend-lachte met betraand-dolle oogen. Dirk was verschrikt opgesprongen waggelde weer terug, voelde z’n arm verdrongen door Willem die Geert hard op ’r rug klopte, onder d’r stikhoestend krampgelach. Eindelijk bedaarde de meid, nog nakuchend telkens van jeneverjeuk in ’r brandende keel, gloeiend als had ze ’n peperbus geleegd.Jan Hassel had haar glaasje weer deftigjes tot aan den rand volgeklokkerd dat ’t fonkel-vocht, weer schitter-zilverend kringlichtte in de kristallige kelkjes, en stotterend hoestte Geert uit:—Joa.. joa!.. ongelu!!.. ukke!!.. binne!! d’r kwoaje kan.… se!!—Aa’s nou d’r Guurt d’r is hier waa’s! lachte wulpsche Annie, de jongste meid met ’r mopssnuit.—Geloenscht had ze naar Dirk en ’r broer Jan toen ze ’t gezegd had.—Guurt.… Guurt!.… stotterde Dirk, voelend dat ie wat zeggen moest, die f’rskoont d’r aige … nou.. d’r bast!.. die stoan d’r.. nog feur.. ’n kattebakkie.Geert dreigde op ’t botte, stom-uitgeaarzelde antwoord van Dirk weer te stik-proesten in jeneverslok, maar d’r broer Jan, keek zóó sneu en zuur dat ze d’r lach inperste en neven Hassel ook voor zich uit-sipten alsof Dirk heelemaal niets gezegd had.—Licht-zilver wiegelde in glansjes om kelkjes, en fijn kristalde ’t zilvervocht. Klaas Grint vond ’t lollig, dol-lollig, wat Dirk daar uitstotteren kwam.[192]—Aa’s je main nou!.… jai.… jai ken d’r tug soo ellèndig goed liege hee?.… da’.. da’ de lekkere Guurt.. d’r.. d’r aige nou.. f’rskoont.. hee!.. daa’s sneu.…—Niks gedaan foader, hou je bek d’r buite, snauwde drift-bleekig Jan, die niet hebben kon dat Guurt door ’t bezopen stelletje belold werd, allerminst ’t duldde van zijn vader.—Nou.… kaik!.… daa’s … eerst.… ’n be.. laift.… bèfel.… van.… van hooger hand.… hee!.. Gain jai.… d’r na’ jesnoeptoàfel.. foader! wil dá’ segge!.. nou!.. daa’s befèl van main nikker, de swarte Joan,.. eenmoal.… andermoàl.… nou hou je sain heul fesoenelik.… en figeleer je nie … en nou goan wai d’r nog rais ’t kringetje rondhaine hee?.… Moeder! gaif de kooters nog rais ’n hallefie.. enne main!… enne.. de kerels.. de volle moat! hee manskappe? da’ laikt hoarlie hee?—Altait lekkerder aa’s op ’t land te f’rbrande, mit ’t hiete spog in je drooge bek.. sloeg Piet er door, tegen Trijn áán, stoeiend met de lange blonde Cor, die stil zat en smakkerend met zoete teugjes ’r jenevertje inzoog, dronkje waar ze dol op was, iedere week.—Vader Grint lachte luidruchtig om Piet, met oogen nat van glansen en stil uitwerkende dronkenschap. De kerels roerden, smakkerden, en de meiden lachten en likten. En gretig, in felle passie, zogen de kinders ’t drankvocht bij zoete kleine teugjes in, piekerden met hun vingertjes klefferig bodempje schoon, boorden en kronkelden d’r tongetjes, spitsig langs ’t randje, omlekten de glanzige en besuikerde kelkjes, woelden en zuchten in spartelend plezier. In drukke gebaartjes pagaaiden de klef’rige kinderknuisjes door elkaar heen, schuurden woelig schoudertjes en armpjes langs de tafel. Fel lonkten en vonkten de oogjes in ’t lamplicht, en ’n paar brutale jochies poogden te likken, te smakkeren, doopten hun vingertjes in de kelkjes der vreemde kerels.—Onder gelach en gebabbel weerden die hun klauwtjes àf, zonder eigenlijk te zien wàt de kooters deden. ’n Roodharig jochie van vijf, apig maskertje, met wijsgeer-rimpeltjes op hoog-voorkopje ingegroefd, vroeg om méér. En ’n ander,[193]wat ouër, drensde mee in hurk, z’n hoofd op twee ellebogen gesteund, vingertoppen den mond ingeknauwd, met z’n hel-blauwe oogen, pijn-lang ’t licht instarend. Maar dadelijk, als kreeg ze haar herinnering terug, viel vrouw Grint nijdig uit, dat ’t nou dubbel en dwars mooi geweest was, joeg ze de duizelige kleinen met snauw en duw weer naar hun bedjes. Christientje werd aan ’r lange haren meegesleept door ’n drank-verhit jochie van acht, en gierend opgewonden, elkaar beklapperend op de billen, klauterde ’t stoetje weer in de verbroeide slaaphokjes, die vol dampten van rook, walmden van snikheete, duf-drukkende kamerbenauwing.—De mannen joolden met Dirk mee, die plots van stommetje, in ’n vlaag ’t drukst wierd van allen. Hij stoethaspelde en raaskalde, stoeide en sprong als ’n klown, strooide gepeperde moppen stotterend rond, flapte en stapte dat de meiden, verhitter, schik in den kerel kregen.—Z’n kop gloeide rood, z’n koeienoogen glansden, en z’n chineesch-kakerige snuit keek sentimenteel. Piet zong schor, schold ieder uit, zoende vlak voor Willem Hassels tronie, de mooie Geert op d’r gloeiend-wulpschen mond en blank open halskuil, dat er vloeken en bedreigingen hurrieden tusschen de dronken knapen. Maar de meiden konkelden ’t weer goed. Klaas Grint lachte er overheen en vuriger stoeiden de mannen dan weer, in haat en wrok, tòch voor ’t moment met elkaar verzoend.Duffer broeide de avondkamer in voozen stofstank van gesloten vensters. Het raampje, met z’n geranium-vuur, bladergroen en fijn roodaarde, achter ’t vergroezelende licht en vroom-groen horretje, waasde stil-gouïg tegen avonddiep duister van buiten, en elk ruitvakje verpeinsde eigen glansjes van tonige tintstilte, diep en wazig. ’t Scheepje stond roerloos met ’t ragge touwgeweef, en heel ’t venstertje, gouïg aangegloeid in lampeglans, met z’n roodaarden blompotjes, bloemen-vuur, en groene twijgjes, ver-eenzaamde inniger achter geproest en schor stemgebrul, ver van ’t burleske geschater en schurend gegrinnik der dronken, dierlijke boerenkerels. Over bovenkant van half gezakt gordijntje holden en lolden schaduwbroklijven[194]van de mannen, als ze waggelzwaar van hun stoel dansten en loom kankaneerden met armen en beenen gelijk. Dan ging er dronken waggel van rompen en koppen tegen ’t gelige gordijndoek; chinees-schimmig en burlesk-angstig vergroot als ze stapten naar achter, in ’t tonige halve kamerduister; schèrper aanrumoerend, en silhouet-zuiver, de dronken profiel-tronies omlijnd, als ze zich bewogen naar vòren.—Smokerig in nevel rookte de kamer rood van gouenaars en sigaren. Scherp in vlagen, prikkelde jeneverstank er doorheen en lolliger in de zomeravondhitte zopen de kerels hun kelkjes leeg, in kleverige klauwen, snurkerig schrei-lachend en dronken doorgrinnikend. Dirk zat met asch bemorst van z’n borst tot z’n knieën, en telkens plaste ’r jenever op z’n kleeren, als ie waggelend opstond en met z’n glaasje in de hand lachtronies der meiden bestrijken wou.—Met schrik en angst loerden de dochters naar hun handen, die rondzwermden in al woesteren tast. Tot eindelijk, laat in den avond, heel laat, vrouw Grint ’t besef kreeg de kerels te bonjouren. Dat had ze nog nooit beleefd, zoo’n latertje, al wàs ’t Zaterdagavond. En al loerde ook zij op de rijke neven Hassel, nou, met die arme donders Piet en Dirk erbij vond ze ’r niet veel aardigheid in. Met boffen en beuken drong ze de kerels naar de deur, woedend op vader Klaas, dat ie zich zoo te buiten ging.—Want Grint joeg de kerels òp, tegen elkaar in, om z’n meiden te zoenen, te pakken, te frommelen. Schor-ironisch, met scheefgetrokken mond, bezwijmelde oogen, die waterig glansden van beschonkenheid, riep ie hikkend, en òpwaggelend van z’n stoel:—Alletait.. in.. ’t fesoenelikke.. Soene.… i i i i.. i i i.. ’n ’t fesoenèlikke.… enne.. pakke.… i n n n n.… ’t fesoenelikke.… enne!.…Ze zoenden, dat ’t klapperde, en de meiden verhit en vol verzet toch, bedroesemd, opgehitst, en nijdig-beschaamd tegelijk, trapten en sloegen. Annie en Cor vooral, duwden met vuist-stompen en kleine mokerslagjes de rook- en drinkmonden griezelig[195]van zich af. Toch voelden ze niet te kunnen weghollen, om de lekkerige duizeligheid en soezerige zinnelijke hitte in d’r lijven, van ’t drankje.—Maar vrouw Grint waakte, hield ààn. De kooters konden niet slapen, zij moest d’r ook in,.. kortom, ’t was d’r ’n skandaal, zoo laat naar ’t nest te trekken. Dat was nooit nog in d’r leven gebeurd. Schoorvoetend, met brandende monden, scheefgewrongen van heete, verterende begeerten, met gloeioogen, in vlam geloerd op de guitige donker-lonkende kijkers van Geert en vurige Trijn, op ’t slanke lijf van Cor, en de warme molligheid van Annie, trokken ze af.Klaas Grint waggelde ze nog achterop naar ’t pad. Z’n dronken haperende hik-stem, krijschte wat nà, onzeker verglijend in klank-schorre lalwoorden.—In ruzie-smorende innigheid en vriendschappelijke woede, waggel-stapten de neven, over ’t maanbleeke duistere pad heen, armen ingehaakt, elkaar vervloekend. Ze zongen en raasden zich naar huis, met straatliedjes en dreunende scheldwoorden, uitrauwend in stildroomenden zomernacht, doordauwd van zoete geuren. En vóórt ging hun beestige passie, die de zwoegers, als steigerende, duistere furiën rondtrampelen liet, in ’t nachtelijk stil-donkere Duinkijk.[196]
V.
Aan de Wierelandsche haven wachtten meisjes en jongens met karren, klaar om bakken en manden op te vangen van vader en broers.—Vier booten, achter elkaar, stoomden in, en van vier booten tegelijk, meerden de loopers ’t touw vast aan de palen. Een wild gedrang stootte òp, woest geschreeuw ratelde los; gekrijsch van tuinders, met verkeerde bakken, roep òm roep. Rauwe moeheid klonk door de stemmen, en zwaar de zweetkoppen, roodgrauw, paars en bietig, vloekten en gromden weer te moeten sjouwen in den nog smoorhitten zonnedaver.—Eén helsch karnaval van dooreenkrioelende zwoegers en waggelende beschonkenen, brak plots weer los aan de doorgloeide haven, gestoofd en geschroeid in den vonkenden zengdag.Paarden loomden weer stil, achter drom van kleurige karren, en van allen kant, op de haven, golf-vloeide gewirwar van kerels en wijven, meisjes, en jochies. Van de hooge booten reuzigden de werkers, met de bakken en vrachten op nek en kop, tegen eindlooze polderlucht violet vuur, dat dampte en smeulde.—Heele stapels hoekten in dwarsen lijn-opstand de lucht in, op de hooge boot; wilde kankan van opgeheven kisten, schuin en[179]vlak, rechtòp, dwars, scheef, en mandtorens waggelden geweldig op de zwoegschouers, en dampende zweetkoppen.’t Stormde op den wal, en woester krioelden en afmarcheerden de karren in hotsende ratel-herrie en bonkering, naar huis; geduwd door jochies en meisjes in schreeuwerigen konkel.—Het heete gedaver en gesmak van kisten waarin de leege aardbei-mandjes nu beèfden van schokken, bulderde weer òp, cyclopisch, als donderende klankneerstorting van mokers op aambeelden en houweelen-ring-king op steenen muren. En òm ’t smak-geraas heen, bleef roezemoezen bassig gegons van straatgeruchten.Troepen venters, klaar met hun manden en vrachten, afgereeën aan d’r kinders, drentelden rond met hun handen op geldzak, warmpjes de centen ingekneld tusschen vleesch-hitte en broek-voering, smakkend naar lekkeren Zaterdagavondzuip.Afgebeuld of in drinklol opgewonden, strompelden de groenboeren herbergen in, waar ’t borrelde en gistte van schurige stemmen, dronk’rige roezemoes; waar ’t schuiflawaai knarste van stoelen op zandgrond, tusschen stikwalm, rook-rood.—Buiten woelde ’t haventje in hellegedaver.’t Kraakte, klotste, hotste en smakte ’r in gloeiend zwoeggerucht, arbeids-hellebaardiers, die burchten sloopten.—In ’t watertje glom, kleurveegde en brio’de druk beweeg van kramen, sloepen, tjalken en bokken; op elkaar gedrongen, tusschen engen spoel van spoor-polderdijk en walkant in. Wemel van schipkleuren nog blond doorzond, gloeide òp in ’t àl zinkender licht. Op hoogen bakkenstapel, midden in thuiskomst van Zaterdagavondmarkt, herautte nù ’n kleine jood, met luchtig fluitspel.—Kring van honderden stond om ’m heengekranst, in starenden luister naar z’n wonderlokkend, klank-zoet fluitgevlei. Weinig sprak ’t joodje. Met ’n groot blad muziek op ijzer lessenaartje vóór zich, wees ie op de methode, zei wat van de fluit, ’t klank mooie, ’t zuiver-hooge en lage, en speelde, spéélde.—Joodje leek verliefd op eigen fluit. In zwierpracht en zoeten huiver van vloeiende vlei-toontjes, zilverende koloratuur, zong[180]ie zich uit,—dan één, dan twéé fluiten den mond induwend, zich zelf begeleidend. Starre bewondering strakte van de tuinderskoppen. Ze voelden, voèlden dat ’t ècht was. Prachtig ebbenhoutig-zwart, glansden de gepolitoerde oktavo-fluitjes in joodjes hand, en wonderzoete, zilver-trillende tonen blies ie de heet-zonnige havenlucht in. Met gratie, in duizelend snelle vingerradheid, duikelden, trilden, zweefden de toontjes uit z’n fluit, en z’n vingertoppen leken tien betooverde zieltjes, vol klank en zaligen galm. Snel dansten de topjes op de zwart-geglansde fluit, en machtiger zwol z’n toon, fel in zingende kracht, de havengeruchten overklankend. Dan plots hield joodje in, droefde ie weemoed uit, in weeken, donkeren fluister van wiegelende klankjes, slepend-zoet en innig-ontroerend, droomrige melankolie van teere toontjes, in klagelijk register.—Zoo jubileerde z’n wonderfluit tusschen ’t sjacher-rumoer, dat zacht verstomde onder z’n tooverzang. Heelemaal méé, in de pathetische zoetheid van z’n lied, schokte jood’s lijfje.—Zacht zwierde z’n hoofd, lichtelijk heen en weer. Op de kadans van z’n lied, rekte zich z’n postuur als groeide ie boven den luisterkring uit, kromp ie plots weer in, bij teerdren melodie-zwenk. En vlak om z’n hoofd geurde en zweefde ie uit, ’n krans van zangerige kabbelende klankjes, met iets er in van starende smart; murmureerde z’n vlei-klankende fluit, diep en vroom ’n litanie van innigheid; bleef dóórdroeven z’n zang, in smartlijk mineur, speelde ie uit, ’n lied van tranen en hartewee. Dan plots, in ’n schater, zwol z’n toon in ’t hooge register, joelde de klare zilveren klank van z’n demonische fluit als ’n woeste jubel door de polderlucht en haven, schaterend en klaterend. Roerloos stond ’t landvolk in tooverban te luisteren. Eén laatsten stroom van klankenjubel tremoleerde hij nog woest en oriëntaal òver de koppen heen, wijd uitvloeiend de zonnelucht in; klankenpracht, als ’n vurige hymne rondbruisend door den havengang. Plots zweeg ’t joodje.—Dronken en nuchtere kerels stonden gebluft, nà de plotse fluitstilte, in argelooze luistering.—Zwoegers uit de donkere bedompte kroegen, waren opgestapt, in furie en bedwelming,[181]naar den man die daar zóó gejuicht en geweend had, onder de slavende massa.—Joodje, zeker van z’n kunnen, zelf wèg in zoeten huiver van z’n klankinstrument, speelde weer opnieuw, gaf zich heelemaal over, aureooleerde zich in een sfeer van zilveren tonenzang.—Eindelijk, klaar met z’n spel, stroomden de kwartjes op ’m af. In fijn-gele vloeitjes wikkelde ie de glanzige zwarte fluitjes met goud-vergulde ornamentjes, drukte ie de kerels de gewichtige methode in de hand.—Mit dat boekkie, in drie daagh en nachte, kan èllek manspersoon en vroùspersoon de heele kunsh! ’n Kind kèn de meledie! wattie wil! as ie ’t marr kèn! begrijbt u!Z’n luisterkring van boeren stond als vastgezogen aan den grond, in verbijstering voor dàt spelen. Zoenen wouen ze den kerel. Joodje had geen handen genoeg. Jongens met lach-van-ontroering op d’r gezicht kochten; mannen, die in hun schemeravondstraatjes onder de lommerstille zomer-boomen harmonika speelden, kochten; dronken kerels, betooverd en half ontnuchterd kochten; meiden, wijven en „notabelen” kochten.Strak-zelfbewust bleef gezicht van Joodje, die soms midden in ’t drukst van z’n verkoop, plots naar zich toegestrekte armen terug-wees, met stil gebaar z’n fluit, koester-zacht vatte, en speelde. En alles roerloos, in tooverban als klonk er geen hond-geblaf, kargehots en sjouwgekrijsch meer, bleef rond ’m staan.Tot heel naar den polderweg verklonk de klaagroep, van z’n fluit, zoet gefluister, smachtende adagio’s, plots vervloeiend in stoute schalmei van jubelende scherzo’s. Begoochelder stonden rond ’m, in broozen luister, de afgemartelde zwoegwerkers, met verrukking in de oogen, bevende monden en verlegen handen. Plots weer brak joodje àf, deelde ie z’n fluiten uit, tot ie alleen z’n eigen instrument overhield. Eén groenboer, wou dàt ding hebben, met ’n gulden toe, zei ie sluw lachend naar de omstanders. Maar Joodje lachte ook, gaf ’m z’n fluit, ruilde met den boer, die ’t geld klaar had in z’n hand, en speelde nòg mooier op ’t kwartjes-instrument.[182]—’t Sit ’m weràchdig niet in ’t fluitje.. ze binne d’r as tweeh drobbele water geleik eender!.… ’t zit ’m in ’t hart meneer!.. in ’t hart!.…—Hoart?.. hoart? sputterde ’n tuinder.…—Nou ja.… ik bedoell eigelik in uwès boekkie.… de methoòde.… lachte Joodje weer ironisch, ’n kind kèn ’t leere.. in drie daaghe het tie ’t onder de knie!Vier honderd fluiten had ie verkocht in één uur. En overal op de haven, door Wierelandsche straatjes en steegjes verklonk fluitgejoedel, valsch en onbeholpen, stooterig-monotoon lawaai, dat joodje sarkastischer lachte op z’n bakkenstapel en inpakkend z’n lessenaartje, nog spottend nariep:—In drie daaghe te leere.…voor’t kleinste kind!.… de meledie.…Rond de bakken, honden en paarden, bleef ’t laat, tot in den schemer ratelhossen van karren, klakkeren van hoeven en orkanen van hellegeblaf.—Bij aansluip van avond, begon éérste drinkmaal van venters. Lichte zuip was er geweest in de stad. Echte zuip barstte nu pas los. Ontembaar zouden ze zich gaan geven aan den heerlijken zoeten brand van dronk, als koelst ijs in hun stoffige ventstrotten verglijend. Bij wijven thuis was alleen gemor, kinderenherrie, schoonmaakploeter, geharrewar en zaterdagavond-afboenerijtjes. Geen zitje, geen likje. Niets lekkerder en plakkeriger noù, dan samenbroei in de stikheete kroeg, met gesuis van havenlawaai nog èven in de ooren, roezemoezigen verdoofden naklank van sjacher.En niks doen dan lollen en babbelen, verdoofd tòch alles hoorend, maar van verre gebeurend, in ’n warrel. Zacht geklots, gezoen en getikker van biljardballen, kleurig en glanzend, robbelden over ’t gehavende lakengroen, bemorst en ingescheurd. Fel gevlam van gaspitten dampte hette uit.—Vuur en rook van pijpen en sigaren, rood-smokerden in een sfeer van kroeg-zwijmel.—Scherpe jenevergeuren, spiritusachtig zuur, walmden uit buffet[183]van tafel naar tafel. Ze voelden zich smoorheet, de groenboeren, maar lekker, paf-verhit in de kroeg.Dirk en Klaas Grint bleven vlak bij elkaar. Dirk zoop zwaar dat z’n hoofd heet-kleurig rood te zwellen stond, en z’n kale, blond behaarde nek in vuur schroeide. Grint had stille drinkerskleur, zachtpaars, maar toch keek ie nog helder uit z’n oogen, zonder dat iemand merken kon dat ie al vet was.Op de haven had Dirk Kees, die karren en bakken terugreed, nog even gesproken. Hij wilde ’m ’n borrel opdringen, maar ’t was niet gelukt. Ze hadden Kees ook èrg schuwerig bekeken weer, als voelden ze zich niet gerust bij den stillen Strooper. Uit angstigen bijval wilden hem ’n paar tuinders nog wat borrels aansmeren, maar Kees bleef weigeren, toèn met ’n vloek.—Dat was z’n kracht! Hij voelde dat, àls ie zuipen ging, hij niet meer ophouên zoù al z’n verdriet, z’n huiselijke ellende en getob over Wimpie’s beroerderigheid weg te spoelen. Nou z’n ventje ’r nog was, hield ie zich sterk.Nou had Kees Dirk gezeid, dat Ouë Gerrit d’r strak-en-an nog rais ankwam, op de haven. Dat maalde Dirk ’n beetje. Hij voelde dat dàn z’n centen in den zak, bedreigd stonden; dat ie niet meer doen kon wat ie wou, als d’Ouë neerstrijken kwam. Toch verdoezelde die gedachte tot vage verwachting in z’n kop. ’t Heetst in ’m woelde ’t denken aan de mooie meiden van Klaas Grint, vooral aan Geert en de heete Trijn, waar de neven Hassel òòk op loerden. Naast Grint aan ’t stomphouten tafeltje opgedrongen, zaten Jan en Willem Hassel. Klaas Grint sluwigjes, voelde zich lekker tusschen de gesmoorde geilheid der knapen. Hij kon tegen ’n borrel als geen ander.En nou vond ie ’t ’n zalige lol, zoo happie nà happie in te zuigen, zonder ’n cent te dokken, in woesten naijver van drie kanten opgepookt tot vrij zuipen; dàn door Willem, dàn door Jan, dàn door Dirk.—Piet mankeerde nog, hinnik-lachte ’t cynisch in ’m. Tusschen hùn halsstarrige, zwijg-nijdige boerenpassie in, wreed en moordend, warmde hìj z’n zuipbegeerte. En telkens als Willem zag, dat Dirk trakteerde, riep hij ook den kastelein, bestelde voor Grint in ’t wild erop los. Grinneken[184]bleef Klaas er om, en trotsch voelde ie zich, in z’n dronken kop, dat hij toch de vader was van zulke lekkere meiden.—Nou, drink jullie d’r moàr, d’rfeur binne jullie vraigesellekerels hee?.… Moar.… van màin goant nie hee?.. van màin hee?.…ikkehep d’r maide en klain goed.…Hij grinnikte Grint, veegde met z’n dikmorsige vingers langs z’n neus.—De kerels knikten, grinnikten mee. En Grint lachte erger, met dronken stemmeschuur in z’n schater, omdat zij grinnikten.In tijen had ie zooveel zaken niet gedaan, als vandaag. En hij, helsch genietend als ie iets niet hoefde te betalen, z’n duitjes bezuinigen kon, maar toch loerend op wat lekkers, hij kòn ’r niet over uit, dat ’t nou bij hèm puur was: mond ope, portemenee dicht.…Joliger klokkerde ie z’n borrel in, langzaam roerend, elk happie, dat dadelijk weer aangeschoven stond onder z’n hand. En iedere borrel als ’n lafenis door z’n keel, spoelde wèg vermoeiing van smorenden dagzwoeg.—Stiller, in dronken zwijg,—zwijg toch van huilend, woedend-woesten hartstocht, op z’n neven, schooiers die loerden op zìjn meid,—bleef Dirk naast Klaas Grint geblokt.—En lolliger werd Klaas, aangeprikkeld door den gonswarrel van stemmen in de herberg, den dronken zoem van kakelaars, venters en koopers en allerhande kroegtypen dooréén. Laag en diep, met z’n gloeiendeglasvlammen, rookerig, verweerd van hitte, verronkte de kroeg z’n dronken reutel van geluiden. Jan en Willem schoven al dichter naar Grint toe en trakteerden weer. Langzaam genot-innigend ging de zuip rond, langzaam en demonisch. Dirk zag den ouen Gerrit niet opdagen. Vond ie lekker! Rond ’m woelde de herberg al voller met drommen bestoven zweetkerels, bek-af van sjouw. Waggelend en krijscherig sloegen hun lijven, massaal en reuzig door den heet-rooien rooknevel.—Troepjes met blazende, gloeiende zweettronies bleven waggelen voor ’t buffet, de glaasjes tegen ’t licht geheven, dronken zeurderig en spraak-zangerig; plasten het vocht hun kelen in, onder knars van hun klompen op zandgrond. Van alle hoeken[185]spogen groenboeren en venters in de bezande spuwbakken hun pruimen, zopen en vloekten ze. Op klein bankpuntje, dat open kwam tusschen ’t kroeggedrang, smakte zich haastig ’n werker neer, met grauw-moeën kop, en reuzige geknauwde handen bevend-uitgestrekt naar ’t buffet, in snak naar drank-koeling.Tegen tien uur stapte Grint òp, z’n schitteroogen verkleind van stille beschonkenheid. Dirk mokkend en pruttelend, waggelde zacht mee òp, grabbelde duizelig in z’n diepe klepbroek, waarvan de grove voornaad vettig spande tusschen glimmig smeer. Alles betaalde ie.—Willem en Jan opstuivend, streden, duwend en vechtend, dat zij de helft er moesten bijplakken. Dirk zei niets, gaf, zachtwaggelend, ’n stommen nijdigen wenk aan kastelein dat ’t, zóó als hij ’t wou, in orde was. Kalm schoof herbergier kleingeld terug op natbeplaste tafel, dat Dirk naar zich toeharkte, kleverig, maar vallen liet op zandgrond en in spuwbak.—Nie d’r strooie hei Dirk? baste ’n kerel met diepe fagotstem.—Aa’s je te veul hep, is màin d’r nog! gierde ’n ander.Nieuwe drom kerels klomperde in, stapte langs en voorbij Dirk, die gebukt zoekend, in zachten rondtast, lijf-zwaaiend, ruw op z’n handen getrapt werd. Bloed zakte ’m naar den kop. Rauw vloekte ie uit, en flauw loerde ie rond op den grond, maar half beseffend of van hèm of van Grint wat duiten weggerold waren.—Lodderig staarde ie òp naar Klaas die gierde, z’n buik met z’n vuisten betamboerijnde van lol.Plots vloekte Dirk weer, stapte in wijen waggel, onzeker naar de deur. Grint had ’t geld uit den spuwbak gegrabbeld, ’t nattig en bevuild Dirk in de hand geduwd. Maar die beweerde nou, met dikken tongstotter, dat ’t van hèm niet was, dat hij d’r puur nies verloren had.—Zoo’n geep! gierde Willem Hassel hoonend.Stom bleef Dirk voor zich uitkijken met z’n neus bijna op de deur gedrukt. En toch nijdig, gloeiend nijdig was ie, als ’n bromvlieg onder vangstolp. Niks nog kon ’r bij ’m uit. Alles zat opgepropt. Hij voelde den roes over ’m heen gloeien, benevelend, versuffend. Hij hoorde àlles half verward. Alleen[186]heet-stellig maalde ’t in ’m dat ie nou meeging naar de mooie meiden van Grint, naar de lekkere Geert, Trijn, Cor en Annie.—Nou … ik bin d’r op haide op stàp … mond ope.… portemenai toe.… schaterde Klaas opgewonden.Geen woord zei Dirk, vroeg ook niet of ie mee kon. Hij strompelde zacht zwaaiend naast Klaas, de herberg uit, als hoorde ie bij ’m.——Nou.. aa’s hai.… had d’r sels is.. binne wai ’t ook, bromde Willem en nàbromde ’m Jan.Daar zat Grint ’r ’n beetje mee, want de mannen hielden áán.—… Duufels, doar droeg ie twee, drie dronken kerels in huis.… heet op s’n maide … Moar sullie hadde sain tug soo rejoàl d’r van late snoepe!.. Allainig Dirk!.… die wou die puur wel kwait!.. Die keek d’r soo suur.… soo ’n naidas!.. Da’ konne s’n maide nie bestig hebbe.—Hij had al rond gezien op de donkere haven, of ouë Gerrit d’r ook rondscharrelde bij ’n kroeg om ’m mee te sleuren. Want Willem en Jan waren ook veel betere partijen voor z’n meiden.. Zat veel meer loodpot! Die mochten haarlie bescharrelen zooveel ze wouen.… Als ’t maar niet tot kinderen kwam! Maar nou zag ie geen ouë Gerrit, geen Kees, geen Piet. Dan most de brombeer d’r ook maar bij; kon toch vast geen kwaad.—Mô je nog ’n afsoàkker Kloas? vroeg plots, voor ’n rot kroegje staanblijvend Dirk, met bleeke strakheid in z’n kop en tril-trekjes om z’n lippen.—Dankkie uit ’t hartje kaèrel! Ik hep d’r t’met.… t’met wá’ bai màin stopt, veur ’t nest hee?.… ’t mog d’r weer ’n weekie sain.… dan kraige sullie alletait van main ’n lik uit de flesch hee?.… Jammer da’ sullie d’r aige nou t’met juist an ’t boene binne.…—Selle wel waiser wese.. lolde Willem sabbelend op z’n woorden.… aa’s d’r jonge kerels komme.… da treft d’r nou net ellèndig mooi!—Niks gedààn jonges! Je houê d’r jullie fesoen!.… daa’s onder en boòfe de wet sait hee? jonge maide is d’r hiet brood.. paa’sd’r op![187]—Nou,.. sullie wete d’r woar Brammie de mosterd hoàlt, piekerde dikbullige Jan.—Tu.. tu.. tu.. manne,.. hield in dronken energie Grint vol.… main maide binne d’r onskuldig aa’s ’n kerk-kruissie hee?.. ’t binne d’r netuurlik jonge skepsels hee?.. en se binne d’r soo ellendige goeie kooksters, enne meroakels goeie huishousters.…—En Train is d’r tug soo’n ellendig-knap swoàrtje, brulde dikbullige Jan huilerig, lachend van dronken aandoening.—En Geert.… da’ liefe bakkesie! schreeuwde Willem.Dirk gromde wat, dreigend onverstaanbaar voor Klaas en de neven, die maar zwegen, uit angst dat ie ’t herhalen zou.—Recht over ’n weibrok stuurde Klaas op z’n erf en huisje ààn, dat stil en klein achter hagen en vruchtboompjes donkerde tusschen het verduisterd groen, midden in geheimzinnige murmeling van zomeravondland, weemoedstil en geruchtloos.—Dirk voelde zich lam in de beenen. Hij had ’n schat verzopen, maar Klaas niets en de neven waartegen ie nooit sprak ook maar weinig. Dat hinderde ’m nou, maakte ’m barsch en nijdig, toch zonder dat ie iets zeggen kòn.Bij Grint zaten de meisjes, in ’t halfdonker, paf van de hitte, doodop van aardbeipluk, lusteloos en morsig nog, op ’t achterend. Toen de mannen instapten, bonkerde ’r rumoer in ’t stik-heete hokje, dribbelde ’t vrouwenkliekje onder zachte gicheltjes en lach-kreetjes naar de voorkamer, waar de kleintjes sliepen in bedsteeën en ledekantje, en ’t duf stonk naar verstoofde menschenlucht, zweet en adem. Zenuwachtig door ’t lawaai van de zware stapkerels en schorre dronken stemmen, draaide moeder Grint ’t lampje òp vlak voor ’t raam, dat half in hoogòpgebloeide geraniumsblad en dennetjesgroen gezakt stond. ’t Vuur van de hel-rooie blommetjes vlamde ertusschen en tonglekte, fel-rood. Acht potjes in ’n rij, opgekneld en saamgeknussigd achter ’t dichte venstertje, dat nog inniger scheen in z’n kleinen ruitjesbouw, de blommen hoog uitgetakt, tusschen ’n pot-dennetje. Vlak er boven, ’t gordijn, geel-blank door-goud[188]van lichtstroom, met z’n wollige bolletjes, zachtglanzend neergekroesd in ’t groen. ’n Klein scheepje hing tusschen ruitje en blompotranden te pronk, met z’n teer mastwerk, ragge kruisdraadjes en koperen boegplaatjes, glanzend tusschen het warme roodaarde.—Zòò, intiem en stil, ’t raampje met z’n uitgeteerd-groen horretje in ’t puffe zomeravondkamerke, leefde eigen bestaan achter z’n stille, glansgouden gordijntje.—Vader Grint al opgewondener, schreeuwde dat ie weer ’n likeurtje voor ’t nest had meegebracht. Geert keek glunderigschuw, naar Dirk en de neven. Haar diep-donkere oogen zochten te begrijpen waarom de mannen zóó laat waren meegestapt.Dirk bleef bokkig, zei geen stom woord, zoende Geert alleen met z’n heeten oogenkijk, pal in ’r wulpsch blanken halskuil.. Nooit nog had ie soo’n lekkere maid sien—— doar waa’s Guurt ook niks bij.Willem loerde van ànderen kant op Geert en Jan lolde met Trijn en Cor.—Uit achterend in klomprumoer was plots Piet Hassel ingestapt, in schijn zoekend naar Dirk. Woest was ie op den kerel, dat ie daar zoo pàf en stomp naar Geert zat te gluren, hij, die toch ook wist, dat ze al lang met hèm aan ’t scharrelen geweest was.—Bokkiger nog keek ie op Geert neèr. Op z’n kousen, stil was ie ’t kamerke ingeslopen, morrend in zichzelf dat dâ speelsche meidetuig ’n elk vrijgezel lokte.—Jan Grint, in ’t gangetje z’n klompen uitklakkend, stapte na Piet in. De meiden gierden, bufferden hun kopjes bijeen onder lampgloed. Vrouw Grint gichelde mee, schel, met snerpende schreeuwerigheidjes, dat ’t broeihok volschetterde van stemmenrumoer. In lollig opgewonden gebaar zette Klaas ’n flesch jenever op tafel.——Moeder!… nou skenk jai d’r aa’s ’n klebak de kring rondhaine.… hee?Piet was dichter op de meisjes aangeschoven en Jan Grint gaapte, gààpte. Willem vloekte in zichzelf van nijd, dat z’n neef Piet, nuchter en koel, zoo midden in was komen opdagen.[189]Maar Jan Hassel kon ’t niks schelen. Half al zat ie op Trijn d’r schoot, kinstreelde Cor, ’t blondje, onder woede van vurige Trijn, die geen jongen kon zien of ze moest ’m hebben. Gauw, met ’n por, liet ie Cor los, keek Trijntje pal in de appels, handstreelde ’r week-kittelend en sluiperig in ’r hals, staarde lodderig verliefd en dronken-sentimenteel, haar brandende begeerende kiekers in.—In ’t ledekantje, wurmden en woelden de kleine plukkers en plukstertjes, half in den slaap. Een kereltje, klaar wakker van lol-gerucht, stootte de anderen òp.—Een vóor één, verschoond, pas wèg onder den Zaterdagavondboen, strompelden ze òp, uit bedsteetjes en ledekant, met knipperende oogjes tegen ’t felle licht.—De drie kleine meisjes, in blanke ponnetjes, met hun lachend slaperige, helder geboende rooie gezichtjes, drongen verbluft op de tafel ààn. De jongens, in d’r loshangende smoezelige hansoppen struikelden vàn gretigheid, naar voren. Klaas Grint, al opgewondener, schaterde en grappigde gemeene moppen uit, proestte zich zat met z’n eigen pret, en lachronk.—Hij vertelde dat ie dat elken Zaterdagavond zoo had geprakkiseerd, ’n lekkeren dronk voor z’n nest, op ’t geploeter van de week. Dat mochten ze waarachtig wel hebben. Dan kreeg de heele kring ’n borrel. De kinders rekenden er al op; smakkerden en joolden al vooruit, wachtten elken week tot ’t kwam, met slaap in de oogen. Iedere week moest ’n ànder waken en wakker schudden zusjes en broertjes, als vader Grint wel eens heel laat aanzwaaien kwam. Maar dikwijls viel ’t kind-wachtertje in slaap, lag ’t heele hufter-zooitje te ronken; ging de zuip hun voorbij, zonder dat ze ’n druppel drank geproefd hadden.—Gespitster bleven ze de volgende week, in langen worstel tegen slaap. Hoorden ze dàn flesch- en glaasjesgeluid zacht rinkelen, geslobber en geraas, dàn veerde wakertje òp, hielp hij, in stooten en bonken, zusjes en broertjes overeind; bombardeerden en drongen ze joelend naar voren, in den kring. En Klaas Grint, schaterde dan, was trotsch, heel trotsch op z’n wakkere kleintjes, dat ze zich niet hadden laten verschalken.[190]Dirk bleef stom op z’n stoel als ’n blok, deed niets anders dan Geert in ’r donkere oogen staren, en ’t gezicht zwart te rooken. Willem schoof al dichter bij, aan anderen kant en Jan Hassel, met z’n log lijf glisserde zich nou heelemaal op den schoot van vurige Trijn, waar ie telkens, met ’n schijn-ontstelden opkieper van afgebonsd werd. Dan gilde Trijn in dollen lach, stootte Willem tegen z’n buik, maar Cor en Annie hielpen Jan weer òpsjorten, langs d’r beenen. De meiden tusschen de stoomende stoeikerels, kregen ’t warmer, lachten, gierden en bliezen van hitte en klefferige vurigheid. Piet bestoeide Cor, uit wraak tegen Geert, en zoende Annie dat ’t klapte. Alleen als de kerels in brutalen grabbel hun te lijf wilden, trapten en beukten de meiden op hun schonken, die toch roerloos bleven, als van graniet, onder de weeke bons van hun meisjesknuisten.—Vader Grint keek loensch, woedend dat ’t wijf de kelkjes nog niet had neergekringd.Schunnige grappen en woorden ronkten de kerels onder drinkhitte uit; branderig borrelde dierdrift op. Gloeiriger handen tàstten, feller oogen loerden door rookdamp heen. Maar telkens nuchterde vrouw Grint er wat tusschen, dat de kerels even verbluft en sip vòòr zich keken.—En Jan Grint, nijdig op ’t bezopen stoetje, den branie Willem, kalmeerde ze met koelen, norschen smak van woorden. Langzaam had vrouw Grint eindelijk kelkjes uit de kast gehaald en neergezet. In fijn zilverende glinsterkringetjes klokkerden klaar de glaasjes vol, en zoetig liet ze, in elk kelkje ’n klontje zakken.—Enne de laipeltjes moeder.… da’ sullie d’r van deur-roere kenne! hee? schreeuwde Klaas, spog-sputterend uit z’n geschroeiden mond.De kleine meisjes tegen elkaar gedrukt op twee stoelen, met de knietjes onder de schoone lijfjes, als duivenrijtje op tilrand blank, keken met groote oogen waar slaap nog in ronddraaide. De jongens, mannerig, wachtten, gierend van pret.—Motte de kinders nou d’r ook weer foader?.… vroeg zichzelf onderbrekend vrouw Grint.—Daa’s net! soo wèl aas wai hee?… die … die … binne[191]d’r op kommende waige hee! barstte Klaas jolend uit, sullie hebbe d’r meeholpe.. nie? laileke kakketoes!.… en d’r aige krom plukt!.… soo tuikig aas de beste.… En nou.… doa’ goàn jullie.… wàif.… kèrels!… maide … kooters! santjes!Vader Grint slokte gretig, stond zacht waggelend voor de tafel, zakte in zwaai weer neèr op z’n stoel. Mannen, vrouwen, en kinders met d’r kleinuitgestrekte armpjes, klonken beverig ààn, in driftigen rinkel en tinkel van kelkjes. De meiden proestten om alles en dronken te gelijk. Geert schoot in ’n kittellach, dat jenever ’r tegelijk uit neus en mond spoot, ze in krampende hoestbui, rood-doorschokt, dreigde te stikken, inéénkronkelend beenen en hoofd en spuwend-lachte met betraand-dolle oogen. Dirk was verschrikt opgesprongen waggelde weer terug, voelde z’n arm verdrongen door Willem die Geert hard op ’r rug klopte, onder d’r stikhoestend krampgelach. Eindelijk bedaarde de meid, nog nakuchend telkens van jeneverjeuk in ’r brandende keel, gloeiend als had ze ’n peperbus geleegd.Jan Hassel had haar glaasje weer deftigjes tot aan den rand volgeklokkerd dat ’t fonkel-vocht, weer schitter-zilverend kringlichtte in de kristallige kelkjes, en stotterend hoestte Geert uit:—Joa.. joa!.. ongelu!!.. ukke!!.. binne!! d’r kwoaje kan.… se!!—Aa’s nou d’r Guurt d’r is hier waa’s! lachte wulpsche Annie, de jongste meid met ’r mopssnuit.—Geloenscht had ze naar Dirk en ’r broer Jan toen ze ’t gezegd had.—Guurt.… Guurt!.… stotterde Dirk, voelend dat ie wat zeggen moest, die f’rskoont d’r aige … nou.. d’r bast!.. die stoan d’r.. nog feur.. ’n kattebakkie.Geert dreigde op ’t botte, stom-uitgeaarzelde antwoord van Dirk weer te stik-proesten in jeneverslok, maar d’r broer Jan, keek zóó sneu en zuur dat ze d’r lach inperste en neven Hassel ook voor zich uit-sipten alsof Dirk heelemaal niets gezegd had.—Licht-zilver wiegelde in glansjes om kelkjes, en fijn kristalde ’t zilvervocht. Klaas Grint vond ’t lollig, dol-lollig, wat Dirk daar uitstotteren kwam.[192]—Aa’s je main nou!.… jai.… jai ken d’r tug soo ellèndig goed liege hee?.… da’.. da’ de lekkere Guurt.. d’r.. d’r aige nou.. f’rskoont.. hee!.. daa’s sneu.…—Niks gedaan foader, hou je bek d’r buite, snauwde drift-bleekig Jan, die niet hebben kon dat Guurt door ’t bezopen stelletje belold werd, allerminst ’t duldde van zijn vader.—Nou.… kaik!.… daa’s … eerst.… ’n be.. laift.… bèfel.… van.… van hooger hand.… hee!.. Gain jai.… d’r na’ jesnoeptoàfel.. foader! wil dá’ segge!.. nou!.. daa’s befèl van main nikker, de swarte Joan,.. eenmoal.… andermoàl.… nou hou je sain heul fesoenelik.… en figeleer je nie … en nou goan wai d’r nog rais ’t kringetje rondhaine hee?.… Moeder! gaif de kooters nog rais ’n hallefie.. enne main!… enne.. de kerels.. de volle moat! hee manskappe? da’ laikt hoarlie hee?—Altait lekkerder aa’s op ’t land te f’rbrande, mit ’t hiete spog in je drooge bek.. sloeg Piet er door, tegen Trijn áán, stoeiend met de lange blonde Cor, die stil zat en smakkerend met zoete teugjes ’r jenevertje inzoog, dronkje waar ze dol op was, iedere week.—Vader Grint lachte luidruchtig om Piet, met oogen nat van glansen en stil uitwerkende dronkenschap. De kerels roerden, smakkerden, en de meiden lachten en likten. En gretig, in felle passie, zogen de kinders ’t drankvocht bij zoete kleine teugjes in, piekerden met hun vingertjes klefferig bodempje schoon, boorden en kronkelden d’r tongetjes, spitsig langs ’t randje, omlekten de glanzige en besuikerde kelkjes, woelden en zuchten in spartelend plezier. In drukke gebaartjes pagaaiden de klef’rige kinderknuisjes door elkaar heen, schuurden woelig schoudertjes en armpjes langs de tafel. Fel lonkten en vonkten de oogjes in ’t lamplicht, en ’n paar brutale jochies poogden te likken, te smakkeren, doopten hun vingertjes in de kelkjes der vreemde kerels.—Onder gelach en gebabbel weerden die hun klauwtjes àf, zonder eigenlijk te zien wàt de kooters deden. ’n Roodharig jochie van vijf, apig maskertje, met wijsgeer-rimpeltjes op hoog-voorkopje ingegroefd, vroeg om méér. En ’n ander,[193]wat ouër, drensde mee in hurk, z’n hoofd op twee ellebogen gesteund, vingertoppen den mond ingeknauwd, met z’n hel-blauwe oogen, pijn-lang ’t licht instarend. Maar dadelijk, als kreeg ze haar herinnering terug, viel vrouw Grint nijdig uit, dat ’t nou dubbel en dwars mooi geweest was, joeg ze de duizelige kleinen met snauw en duw weer naar hun bedjes. Christientje werd aan ’r lange haren meegesleept door ’n drank-verhit jochie van acht, en gierend opgewonden, elkaar beklapperend op de billen, klauterde ’t stoetje weer in de verbroeide slaaphokjes, die vol dampten van rook, walmden van snikheete, duf-drukkende kamerbenauwing.—De mannen joolden met Dirk mee, die plots van stommetje, in ’n vlaag ’t drukst wierd van allen. Hij stoethaspelde en raaskalde, stoeide en sprong als ’n klown, strooide gepeperde moppen stotterend rond, flapte en stapte dat de meiden, verhitter, schik in den kerel kregen.—Z’n kop gloeide rood, z’n koeienoogen glansden, en z’n chineesch-kakerige snuit keek sentimenteel. Piet zong schor, schold ieder uit, zoende vlak voor Willem Hassels tronie, de mooie Geert op d’r gloeiend-wulpschen mond en blank open halskuil, dat er vloeken en bedreigingen hurrieden tusschen de dronken knapen. Maar de meiden konkelden ’t weer goed. Klaas Grint lachte er overheen en vuriger stoeiden de mannen dan weer, in haat en wrok, tòch voor ’t moment met elkaar verzoend.Duffer broeide de avondkamer in voozen stofstank van gesloten vensters. Het raampje, met z’n geranium-vuur, bladergroen en fijn roodaarde, achter ’t vergroezelende licht en vroom-groen horretje, waasde stil-gouïg tegen avonddiep duister van buiten, en elk ruitvakje verpeinsde eigen glansjes van tonige tintstilte, diep en wazig. ’t Scheepje stond roerloos met ’t ragge touwgeweef, en heel ’t venstertje, gouïg aangegloeid in lampeglans, met z’n roodaarden blompotjes, bloemen-vuur, en groene twijgjes, ver-eenzaamde inniger achter geproest en schor stemgebrul, ver van ’t burleske geschater en schurend gegrinnik der dronken, dierlijke boerenkerels. Over bovenkant van half gezakt gordijntje holden en lolden schaduwbroklijven[194]van de mannen, als ze waggelzwaar van hun stoel dansten en loom kankaneerden met armen en beenen gelijk. Dan ging er dronken waggel van rompen en koppen tegen ’t gelige gordijndoek; chinees-schimmig en burlesk-angstig vergroot als ze stapten naar achter, in ’t tonige halve kamerduister; schèrper aanrumoerend, en silhouet-zuiver, de dronken profiel-tronies omlijnd, als ze zich bewogen naar vòren.—Smokerig in nevel rookte de kamer rood van gouenaars en sigaren. Scherp in vlagen, prikkelde jeneverstank er doorheen en lolliger in de zomeravondhitte zopen de kerels hun kelkjes leeg, in kleverige klauwen, snurkerig schrei-lachend en dronken doorgrinnikend. Dirk zat met asch bemorst van z’n borst tot z’n knieën, en telkens plaste ’r jenever op z’n kleeren, als ie waggelend opstond en met z’n glaasje in de hand lachtronies der meiden bestrijken wou.—Met schrik en angst loerden de dochters naar hun handen, die rondzwermden in al woesteren tast. Tot eindelijk, laat in den avond, heel laat, vrouw Grint ’t besef kreeg de kerels te bonjouren. Dat had ze nog nooit beleefd, zoo’n latertje, al wàs ’t Zaterdagavond. En al loerde ook zij op de rijke neven Hassel, nou, met die arme donders Piet en Dirk erbij vond ze ’r niet veel aardigheid in. Met boffen en beuken drong ze de kerels naar de deur, woedend op vader Klaas, dat ie zich zoo te buiten ging.—Want Grint joeg de kerels òp, tegen elkaar in, om z’n meiden te zoenen, te pakken, te frommelen. Schor-ironisch, met scheefgetrokken mond, bezwijmelde oogen, die waterig glansden van beschonkenheid, riep ie hikkend, en òpwaggelend van z’n stoel:—Alletait.. in.. ’t fesoenelikke.. Soene.… i i i i.. i i i.. ’n ’t fesoenèlikke.… enne.. pakke.… i n n n n.… ’t fesoenelikke.… enne!.…Ze zoenden, dat ’t klapperde, en de meiden verhit en vol verzet toch, bedroesemd, opgehitst, en nijdig-beschaamd tegelijk, trapten en sloegen. Annie en Cor vooral, duwden met vuist-stompen en kleine mokerslagjes de rook- en drinkmonden griezelig[195]van zich af. Toch voelden ze niet te kunnen weghollen, om de lekkerige duizeligheid en soezerige zinnelijke hitte in d’r lijven, van ’t drankje.—Maar vrouw Grint waakte, hield ààn. De kooters konden niet slapen, zij moest d’r ook in,.. kortom, ’t was d’r ’n skandaal, zoo laat naar ’t nest te trekken. Dat was nooit nog in d’r leven gebeurd. Schoorvoetend, met brandende monden, scheefgewrongen van heete, verterende begeerten, met gloeioogen, in vlam geloerd op de guitige donker-lonkende kijkers van Geert en vurige Trijn, op ’t slanke lijf van Cor, en de warme molligheid van Annie, trokken ze af.Klaas Grint waggelde ze nog achterop naar ’t pad. Z’n dronken haperende hik-stem, krijschte wat nà, onzeker verglijend in klank-schorre lalwoorden.—In ruzie-smorende innigheid en vriendschappelijke woede, waggel-stapten de neven, over ’t maanbleeke duistere pad heen, armen ingehaakt, elkaar vervloekend. Ze zongen en raasden zich naar huis, met straatliedjes en dreunende scheldwoorden, uitrauwend in stildroomenden zomernacht, doordauwd van zoete geuren. En vóórt ging hun beestige passie, die de zwoegers, als steigerende, duistere furiën rondtrampelen liet, in ’t nachtelijk stil-donkere Duinkijk.[196]
Aan de Wierelandsche haven wachtten meisjes en jongens met karren, klaar om bakken en manden op te vangen van vader en broers.—
Vier booten, achter elkaar, stoomden in, en van vier booten tegelijk, meerden de loopers ’t touw vast aan de palen. Een wild gedrang stootte òp, woest geschreeuw ratelde los; gekrijsch van tuinders, met verkeerde bakken, roep òm roep. Rauwe moeheid klonk door de stemmen, en zwaar de zweetkoppen, roodgrauw, paars en bietig, vloekten en gromden weer te moeten sjouwen in den nog smoorhitten zonnedaver.—
Eén helsch karnaval van dooreenkrioelende zwoegers en waggelende beschonkenen, brak plots weer los aan de doorgloeide haven, gestoofd en geschroeid in den vonkenden zengdag.
Paarden loomden weer stil, achter drom van kleurige karren, en van allen kant, op de haven, golf-vloeide gewirwar van kerels en wijven, meisjes, en jochies. Van de hooge booten reuzigden de werkers, met de bakken en vrachten op nek en kop, tegen eindlooze polderlucht violet vuur, dat dampte en smeulde.—Heele stapels hoekten in dwarsen lijn-opstand de lucht in, op de hooge boot; wilde kankan van opgeheven kisten, schuin en[179]vlak, rechtòp, dwars, scheef, en mandtorens waggelden geweldig op de zwoegschouers, en dampende zweetkoppen.
’t Stormde op den wal, en woester krioelden en afmarcheerden de karren in hotsende ratel-herrie en bonkering, naar huis; geduwd door jochies en meisjes in schreeuwerigen konkel.—Het heete gedaver en gesmak van kisten waarin de leege aardbei-mandjes nu beèfden van schokken, bulderde weer òp, cyclopisch, als donderende klankneerstorting van mokers op aambeelden en houweelen-ring-king op steenen muren. En òm ’t smak-geraas heen, bleef roezemoezen bassig gegons van straatgeruchten.
Troepen venters, klaar met hun manden en vrachten, afgereeën aan d’r kinders, drentelden rond met hun handen op geldzak, warmpjes de centen ingekneld tusschen vleesch-hitte en broek-voering, smakkend naar lekkeren Zaterdagavondzuip.
Afgebeuld of in drinklol opgewonden, strompelden de groenboeren herbergen in, waar ’t borrelde en gistte van schurige stemmen, dronk’rige roezemoes; waar ’t schuiflawaai knarste van stoelen op zandgrond, tusschen stikwalm, rook-rood.—Buiten woelde ’t haventje in hellegedaver.
’t Kraakte, klotste, hotste en smakte ’r in gloeiend zwoeggerucht, arbeids-hellebaardiers, die burchten sloopten.—In ’t watertje glom, kleurveegde en brio’de druk beweeg van kramen, sloepen, tjalken en bokken; op elkaar gedrongen, tusschen engen spoel van spoor-polderdijk en walkant in. Wemel van schipkleuren nog blond doorzond, gloeide òp in ’t àl zinkender licht. Op hoogen bakkenstapel, midden in thuiskomst van Zaterdagavondmarkt, herautte nù ’n kleine jood, met luchtig fluitspel.—
Kring van honderden stond om ’m heengekranst, in starenden luister naar z’n wonderlokkend, klank-zoet fluitgevlei. Weinig sprak ’t joodje. Met ’n groot blad muziek op ijzer lessenaartje vóór zich, wees ie op de methode, zei wat van de fluit, ’t klank mooie, ’t zuiver-hooge en lage, en speelde, spéélde.—
Joodje leek verliefd op eigen fluit. In zwierpracht en zoeten huiver van vloeiende vlei-toontjes, zilverende koloratuur, zong[180]ie zich uit,—dan één, dan twéé fluiten den mond induwend, zich zelf begeleidend. Starre bewondering strakte van de tuinderskoppen. Ze voelden, voèlden dat ’t ècht was. Prachtig ebbenhoutig-zwart, glansden de gepolitoerde oktavo-fluitjes in joodjes hand, en wonderzoete, zilver-trillende tonen blies ie de heet-zonnige havenlucht in. Met gratie, in duizelend snelle vingerradheid, duikelden, trilden, zweefden de toontjes uit z’n fluit, en z’n vingertoppen leken tien betooverde zieltjes, vol klank en zaligen galm. Snel dansten de topjes op de zwart-geglansde fluit, en machtiger zwol z’n toon, fel in zingende kracht, de havengeruchten overklankend. Dan plots hield joodje in, droefde ie weemoed uit, in weeken, donkeren fluister van wiegelende klankjes, slepend-zoet en innig-ontroerend, droomrige melankolie van teere toontjes, in klagelijk register.—Zoo jubileerde z’n wonderfluit tusschen ’t sjacher-rumoer, dat zacht verstomde onder z’n tooverzang. Heelemaal méé, in de pathetische zoetheid van z’n lied, schokte jood’s lijfje.—Zacht zwierde z’n hoofd, lichtelijk heen en weer. Op de kadans van z’n lied, rekte zich z’n postuur als groeide ie boven den luisterkring uit, kromp ie plots weer in, bij teerdren melodie-zwenk. En vlak om z’n hoofd geurde en zweefde ie uit, ’n krans van zangerige kabbelende klankjes, met iets er in van starende smart; murmureerde z’n vlei-klankende fluit, diep en vroom ’n litanie van innigheid; bleef dóórdroeven z’n zang, in smartlijk mineur, speelde ie uit, ’n lied van tranen en hartewee. Dan plots, in ’n schater, zwol z’n toon in ’t hooge register, joelde de klare zilveren klank van z’n demonische fluit als ’n woeste jubel door de polderlucht en haven, schaterend en klaterend. Roerloos stond ’t landvolk in tooverban te luisteren. Eén laatsten stroom van klankenjubel tremoleerde hij nog woest en oriëntaal òver de koppen heen, wijd uitvloeiend de zonnelucht in; klankenpracht, als ’n vurige hymne rondbruisend door den havengang. Plots zweeg ’t joodje.—
Dronken en nuchtere kerels stonden gebluft, nà de plotse fluitstilte, in argelooze luistering.—Zwoegers uit de donkere bedompte kroegen, waren opgestapt, in furie en bedwelming,[181]naar den man die daar zóó gejuicht en geweend had, onder de slavende massa.—
Joodje, zeker van z’n kunnen, zelf wèg in zoeten huiver van z’n klankinstrument, speelde weer opnieuw, gaf zich heelemaal over, aureooleerde zich in een sfeer van zilveren tonenzang.—Eindelijk, klaar met z’n spel, stroomden de kwartjes op ’m af. In fijn-gele vloeitjes wikkelde ie de glanzige zwarte fluitjes met goud-vergulde ornamentjes, drukte ie de kerels de gewichtige methode in de hand.
—Mit dat boekkie, in drie daagh en nachte, kan èllek manspersoon en vroùspersoon de heele kunsh! ’n Kind kèn de meledie! wattie wil! as ie ’t marr kèn! begrijbt u!
Z’n luisterkring van boeren stond als vastgezogen aan den grond, in verbijstering voor dàt spelen. Zoenen wouen ze den kerel. Joodje had geen handen genoeg. Jongens met lach-van-ontroering op d’r gezicht kochten; mannen, die in hun schemeravondstraatjes onder de lommerstille zomer-boomen harmonika speelden, kochten; dronken kerels, betooverd en half ontnuchterd kochten; meiden, wijven en „notabelen” kochten.
Strak-zelfbewust bleef gezicht van Joodje, die soms midden in ’t drukst van z’n verkoop, plots naar zich toegestrekte armen terug-wees, met stil gebaar z’n fluit, koester-zacht vatte, en speelde. En alles roerloos, in tooverban als klonk er geen hond-geblaf, kargehots en sjouwgekrijsch meer, bleef rond ’m staan.
Tot heel naar den polderweg verklonk de klaagroep, van z’n fluit, zoet gefluister, smachtende adagio’s, plots vervloeiend in stoute schalmei van jubelende scherzo’s. Begoochelder stonden rond ’m, in broozen luister, de afgemartelde zwoegwerkers, met verrukking in de oogen, bevende monden en verlegen handen. Plots weer brak joodje àf, deelde ie z’n fluiten uit, tot ie alleen z’n eigen instrument overhield. Eén groenboer, wou dàt ding hebben, met ’n gulden toe, zei ie sluw lachend naar de omstanders. Maar Joodje lachte ook, gaf ’m z’n fluit, ruilde met den boer, die ’t geld klaar had in z’n hand, en speelde nòg mooier op ’t kwartjes-instrument.[182]
—’t Sit ’m weràchdig niet in ’t fluitje.. ze binne d’r as tweeh drobbele water geleik eender!.… ’t zit ’m in ’t hart meneer!.. in ’t hart!.…
—Hoart?.. hoart? sputterde ’n tuinder.…
—Nou ja.… ik bedoell eigelik in uwès boekkie.… de methoòde.… lachte Joodje weer ironisch, ’n kind kèn ’t leere.. in drie daaghe het tie ’t onder de knie!
Vier honderd fluiten had ie verkocht in één uur. En overal op de haven, door Wierelandsche straatjes en steegjes verklonk fluitgejoedel, valsch en onbeholpen, stooterig-monotoon lawaai, dat joodje sarkastischer lachte op z’n bakkenstapel en inpakkend z’n lessenaartje, nog spottend nariep:
—In drie daaghe te leere.…voor’t kleinste kind!.… de meledie.…
Rond de bakken, honden en paarden, bleef ’t laat, tot in den schemer ratelhossen van karren, klakkeren van hoeven en orkanen van hellegeblaf.—
Bij aansluip van avond, begon éérste drinkmaal van venters. Lichte zuip was er geweest in de stad. Echte zuip barstte nu pas los. Ontembaar zouden ze zich gaan geven aan den heerlijken zoeten brand van dronk, als koelst ijs in hun stoffige ventstrotten verglijend. Bij wijven thuis was alleen gemor, kinderenherrie, schoonmaakploeter, geharrewar en zaterdagavond-afboenerijtjes. Geen zitje, geen likje. Niets lekkerder en plakkeriger noù, dan samenbroei in de stikheete kroeg, met gesuis van havenlawaai nog èven in de ooren, roezemoezigen verdoofden naklank van sjacher.
En niks doen dan lollen en babbelen, verdoofd tòch alles hoorend, maar van verre gebeurend, in ’n warrel. Zacht geklots, gezoen en getikker van biljardballen, kleurig en glanzend, robbelden over ’t gehavende lakengroen, bemorst en ingescheurd. Fel gevlam van gaspitten dampte hette uit.—Vuur en rook van pijpen en sigaren, rood-smokerden in een sfeer van kroeg-zwijmel.—
Scherpe jenevergeuren, spiritusachtig zuur, walmden uit buffet[183]van tafel naar tafel. Ze voelden zich smoorheet, de groenboeren, maar lekker, paf-verhit in de kroeg.
Dirk en Klaas Grint bleven vlak bij elkaar. Dirk zoop zwaar dat z’n hoofd heet-kleurig rood te zwellen stond, en z’n kale, blond behaarde nek in vuur schroeide. Grint had stille drinkerskleur, zachtpaars, maar toch keek ie nog helder uit z’n oogen, zonder dat iemand merken kon dat ie al vet was.
Op de haven had Dirk Kees, die karren en bakken terugreed, nog even gesproken. Hij wilde ’m ’n borrel opdringen, maar ’t was niet gelukt. Ze hadden Kees ook èrg schuwerig bekeken weer, als voelden ze zich niet gerust bij den stillen Strooper. Uit angstigen bijval wilden hem ’n paar tuinders nog wat borrels aansmeren, maar Kees bleef weigeren, toèn met ’n vloek.—Dat was z’n kracht! Hij voelde dat, àls ie zuipen ging, hij niet meer ophouên zoù al z’n verdriet, z’n huiselijke ellende en getob over Wimpie’s beroerderigheid weg te spoelen. Nou z’n ventje ’r nog was, hield ie zich sterk.
Nou had Kees Dirk gezeid, dat Ouë Gerrit d’r strak-en-an nog rais ankwam, op de haven. Dat maalde Dirk ’n beetje. Hij voelde dat dàn z’n centen in den zak, bedreigd stonden; dat ie niet meer doen kon wat ie wou, als d’Ouë neerstrijken kwam. Toch verdoezelde die gedachte tot vage verwachting in z’n kop. ’t Heetst in ’m woelde ’t denken aan de mooie meiden van Klaas Grint, vooral aan Geert en de heete Trijn, waar de neven Hassel òòk op loerden. Naast Grint aan ’t stomphouten tafeltje opgedrongen, zaten Jan en Willem Hassel. Klaas Grint sluwigjes, voelde zich lekker tusschen de gesmoorde geilheid der knapen. Hij kon tegen ’n borrel als geen ander.
En nou vond ie ’t ’n zalige lol, zoo happie nà happie in te zuigen, zonder ’n cent te dokken, in woesten naijver van drie kanten opgepookt tot vrij zuipen; dàn door Willem, dàn door Jan, dàn door Dirk.—Piet mankeerde nog, hinnik-lachte ’t cynisch in ’m. Tusschen hùn halsstarrige, zwijg-nijdige boerenpassie in, wreed en moordend, warmde hìj z’n zuipbegeerte. En telkens als Willem zag, dat Dirk trakteerde, riep hij ook den kastelein, bestelde voor Grint in ’t wild erop los. Grinneken[184]bleef Klaas er om, en trotsch voelde ie zich, in z’n dronken kop, dat hij toch de vader was van zulke lekkere meiden.
—Nou, drink jullie d’r moàr, d’rfeur binne jullie vraigesellekerels hee?.… Moar.… van màin goant nie hee?.. van màin hee?.…ikkehep d’r maide en klain goed.…
Hij grinnikte Grint, veegde met z’n dikmorsige vingers langs z’n neus.—De kerels knikten, grinnikten mee. En Grint lachte erger, met dronken stemmeschuur in z’n schater, omdat zij grinnikten.
In tijen had ie zooveel zaken niet gedaan, als vandaag. En hij, helsch genietend als ie iets niet hoefde te betalen, z’n duitjes bezuinigen kon, maar toch loerend op wat lekkers, hij kòn ’r niet over uit, dat ’t nou bij hèm puur was: mond ope, portemenee dicht.…
Joliger klokkerde ie z’n borrel in, langzaam roerend, elk happie, dat dadelijk weer aangeschoven stond onder z’n hand. En iedere borrel als ’n lafenis door z’n keel, spoelde wèg vermoeiing van smorenden dagzwoeg.—
Stiller, in dronken zwijg,—zwijg toch van huilend, woedend-woesten hartstocht, op z’n neven, schooiers die loerden op zìjn meid,—bleef Dirk naast Klaas Grint geblokt.—En lolliger werd Klaas, aangeprikkeld door den gonswarrel van stemmen in de herberg, den dronken zoem van kakelaars, venters en koopers en allerhande kroegtypen dooréén. Laag en diep, met z’n gloeiendeglasvlammen, rookerig, verweerd van hitte, verronkte de kroeg z’n dronken reutel van geluiden. Jan en Willem schoven al dichter naar Grint toe en trakteerden weer. Langzaam genot-innigend ging de zuip rond, langzaam en demonisch. Dirk zag den ouen Gerrit niet opdagen. Vond ie lekker! Rond ’m woelde de herberg al voller met drommen bestoven zweetkerels, bek-af van sjouw. Waggelend en krijscherig sloegen hun lijven, massaal en reuzig door den heet-rooien rooknevel.—
Troepjes met blazende, gloeiende zweettronies bleven waggelen voor ’t buffet, de glaasjes tegen ’t licht geheven, dronken zeurderig en spraak-zangerig; plasten het vocht hun kelen in, onder knars van hun klompen op zandgrond. Van alle hoeken[185]spogen groenboeren en venters in de bezande spuwbakken hun pruimen, zopen en vloekten ze. Op klein bankpuntje, dat open kwam tusschen ’t kroeggedrang, smakte zich haastig ’n werker neer, met grauw-moeën kop, en reuzige geknauwde handen bevend-uitgestrekt naar ’t buffet, in snak naar drank-koeling.
Tegen tien uur stapte Grint òp, z’n schitteroogen verkleind van stille beschonkenheid. Dirk mokkend en pruttelend, waggelde zacht mee òp, grabbelde duizelig in z’n diepe klepbroek, waarvan de grove voornaad vettig spande tusschen glimmig smeer. Alles betaalde ie.—
Willem en Jan opstuivend, streden, duwend en vechtend, dat zij de helft er moesten bijplakken. Dirk zei niets, gaf, zachtwaggelend, ’n stommen nijdigen wenk aan kastelein dat ’t, zóó als hij ’t wou, in orde was. Kalm schoof herbergier kleingeld terug op natbeplaste tafel, dat Dirk naar zich toeharkte, kleverig, maar vallen liet op zandgrond en in spuwbak.
—Nie d’r strooie hei Dirk? baste ’n kerel met diepe fagotstem.
—Aa’s je te veul hep, is màin d’r nog! gierde ’n ander.
Nieuwe drom kerels klomperde in, stapte langs en voorbij Dirk, die gebukt zoekend, in zachten rondtast, lijf-zwaaiend, ruw op z’n handen getrapt werd. Bloed zakte ’m naar den kop. Rauw vloekte ie uit, en flauw loerde ie rond op den grond, maar half beseffend of van hèm of van Grint wat duiten weggerold waren.—Lodderig staarde ie òp naar Klaas die gierde, z’n buik met z’n vuisten betamboerijnde van lol.
Plots vloekte Dirk weer, stapte in wijen waggel, onzeker naar de deur. Grint had ’t geld uit den spuwbak gegrabbeld, ’t nattig en bevuild Dirk in de hand geduwd. Maar die beweerde nou, met dikken tongstotter, dat ’t van hèm niet was, dat hij d’r puur nies verloren had.
—Zoo’n geep! gierde Willem Hassel hoonend.
Stom bleef Dirk voor zich uitkijken met z’n neus bijna op de deur gedrukt. En toch nijdig, gloeiend nijdig was ie, als ’n bromvlieg onder vangstolp. Niks nog kon ’r bij ’m uit. Alles zat opgepropt. Hij voelde den roes over ’m heen gloeien, benevelend, versuffend. Hij hoorde àlles half verward. Alleen[186]heet-stellig maalde ’t in ’m dat ie nou meeging naar de mooie meiden van Grint, naar de lekkere Geert, Trijn, Cor en Annie.
—Nou … ik bin d’r op haide op stàp … mond ope.… portemenai toe.… schaterde Klaas opgewonden.
Geen woord zei Dirk, vroeg ook niet of ie mee kon. Hij strompelde zacht zwaaiend naast Klaas, de herberg uit, als hoorde ie bij ’m.—
—Nou.. aa’s hai.… had d’r sels is.. binne wai ’t ook, bromde Willem en nàbromde ’m Jan.
Daar zat Grint ’r ’n beetje mee, want de mannen hielden áán.—… Duufels, doar droeg ie twee, drie dronken kerels in huis.… heet op s’n maide … Moar sullie hadde sain tug soo rejoàl d’r van late snoepe!.. Allainig Dirk!.… die wou die puur wel kwait!.. Die keek d’r soo suur.… soo ’n naidas!.. Da’ konne s’n maide nie bestig hebbe.—
Hij had al rond gezien op de donkere haven, of ouë Gerrit d’r ook rondscharrelde bij ’n kroeg om ’m mee te sleuren. Want Willem en Jan waren ook veel betere partijen voor z’n meiden.. Zat veel meer loodpot! Die mochten haarlie bescharrelen zooveel ze wouen.… Als ’t maar niet tot kinderen kwam! Maar nou zag ie geen ouë Gerrit, geen Kees, geen Piet. Dan most de brombeer d’r ook maar bij; kon toch vast geen kwaad.
—Mô je nog ’n afsoàkker Kloas? vroeg plots, voor ’n rot kroegje staanblijvend Dirk, met bleeke strakheid in z’n kop en tril-trekjes om z’n lippen.
—Dankkie uit ’t hartje kaèrel! Ik hep d’r t’met.… t’met wá’ bai màin stopt, veur ’t nest hee?.… ’t mog d’r weer ’n weekie sain.… dan kraige sullie alletait van main ’n lik uit de flesch hee?.… Jammer da’ sullie d’r aige nou t’met juist an ’t boene binne.…
—Selle wel waiser wese.. lolde Willem sabbelend op z’n woorden.… aa’s d’r jonge kerels komme.… da treft d’r nou net ellèndig mooi!
—Niks gedààn jonges! Je houê d’r jullie fesoen!.… daa’s onder en boòfe de wet sait hee? jonge maide is d’r hiet brood.. paa’sd’r op![187]
—Nou,.. sullie wete d’r woar Brammie de mosterd hoàlt, piekerde dikbullige Jan.
—Tu.. tu.. tu.. manne,.. hield in dronken energie Grint vol.… main maide binne d’r onskuldig aa’s ’n kerk-kruissie hee?.. ’t binne d’r netuurlik jonge skepsels hee?.. en se binne d’r soo ellendige goeie kooksters, enne meroakels goeie huishousters.…
—En Train is d’r tug soo’n ellendig-knap swoàrtje, brulde dikbullige Jan huilerig, lachend van dronken aandoening.
—En Geert.… da’ liefe bakkesie! schreeuwde Willem.
Dirk gromde wat, dreigend onverstaanbaar voor Klaas en de neven, die maar zwegen, uit angst dat ie ’t herhalen zou.—
Recht over ’n weibrok stuurde Klaas op z’n erf en huisje ààn, dat stil en klein achter hagen en vruchtboompjes donkerde tusschen het verduisterd groen, midden in geheimzinnige murmeling van zomeravondland, weemoedstil en geruchtloos.—
Dirk voelde zich lam in de beenen. Hij had ’n schat verzopen, maar Klaas niets en de neven waartegen ie nooit sprak ook maar weinig. Dat hinderde ’m nou, maakte ’m barsch en nijdig, toch zonder dat ie iets zeggen kòn.
Bij Grint zaten de meisjes, in ’t halfdonker, paf van de hitte, doodop van aardbeipluk, lusteloos en morsig nog, op ’t achterend. Toen de mannen instapten, bonkerde ’r rumoer in ’t stik-heete hokje, dribbelde ’t vrouwenkliekje onder zachte gicheltjes en lach-kreetjes naar de voorkamer, waar de kleintjes sliepen in bedsteeën en ledekantje, en ’t duf stonk naar verstoofde menschenlucht, zweet en adem. Zenuwachtig door ’t lawaai van de zware stapkerels en schorre dronken stemmen, draaide moeder Grint ’t lampje òp vlak voor ’t raam, dat half in hoogòpgebloeide geraniumsblad en dennetjesgroen gezakt stond. ’t Vuur van de hel-rooie blommetjes vlamde ertusschen en tonglekte, fel-rood. Acht potjes in ’n rij, opgekneld en saamgeknussigd achter ’t dichte venstertje, dat nog inniger scheen in z’n kleinen ruitjesbouw, de blommen hoog uitgetakt, tusschen ’n pot-dennetje. Vlak er boven, ’t gordijn, geel-blank door-goud[188]van lichtstroom, met z’n wollige bolletjes, zachtglanzend neergekroesd in ’t groen. ’n Klein scheepje hing tusschen ruitje en blompotranden te pronk, met z’n teer mastwerk, ragge kruisdraadjes en koperen boegplaatjes, glanzend tusschen het warme roodaarde.—
Zòò, intiem en stil, ’t raampje met z’n uitgeteerd-groen horretje in ’t puffe zomeravondkamerke, leefde eigen bestaan achter z’n stille, glansgouden gordijntje.—
Vader Grint al opgewondener, schreeuwde dat ie weer ’n likeurtje voor ’t nest had meegebracht. Geert keek glunderigschuw, naar Dirk en de neven. Haar diep-donkere oogen zochten te begrijpen waarom de mannen zóó laat waren meegestapt.
Dirk bleef bokkig, zei geen stom woord, zoende Geert alleen met z’n heeten oogenkijk, pal in ’r wulpsch blanken halskuil.. Nooit nog had ie soo’n lekkere maid sien—— doar waa’s Guurt ook niks bij.
Willem loerde van ànderen kant op Geert en Jan lolde met Trijn en Cor.—
Uit achterend in klomprumoer was plots Piet Hassel ingestapt, in schijn zoekend naar Dirk. Woest was ie op den kerel, dat ie daar zoo pàf en stomp naar Geert zat te gluren, hij, die toch ook wist, dat ze al lang met hèm aan ’t scharrelen geweest was.—Bokkiger nog keek ie op Geert neèr. Op z’n kousen, stil was ie ’t kamerke ingeslopen, morrend in zichzelf dat dâ speelsche meidetuig ’n elk vrijgezel lokte.—
Jan Grint, in ’t gangetje z’n klompen uitklakkend, stapte na Piet in. De meiden gierden, bufferden hun kopjes bijeen onder lampgloed. Vrouw Grint gichelde mee, schel, met snerpende schreeuwerigheidjes, dat ’t broeihok volschetterde van stemmenrumoer. In lollig opgewonden gebaar zette Klaas ’n flesch jenever op tafel.—
—Moeder!… nou skenk jai d’r aa’s ’n klebak de kring rondhaine.… hee?
Piet was dichter op de meisjes aangeschoven en Jan Grint gaapte, gààpte. Willem vloekte in zichzelf van nijd, dat z’n neef Piet, nuchter en koel, zoo midden in was komen opdagen.[189]Maar Jan Hassel kon ’t niks schelen. Half al zat ie op Trijn d’r schoot, kinstreelde Cor, ’t blondje, onder woede van vurige Trijn, die geen jongen kon zien of ze moest ’m hebben. Gauw, met ’n por, liet ie Cor los, keek Trijntje pal in de appels, handstreelde ’r week-kittelend en sluiperig in ’r hals, staarde lodderig verliefd en dronken-sentimenteel, haar brandende begeerende kiekers in.—
In ’t ledekantje, wurmden en woelden de kleine plukkers en plukstertjes, half in den slaap. Een kereltje, klaar wakker van lol-gerucht, stootte de anderen òp.—Een vóor één, verschoond, pas wèg onder den Zaterdagavondboen, strompelden ze òp, uit bedsteetjes en ledekant, met knipperende oogjes tegen ’t felle licht.—De drie kleine meisjes, in blanke ponnetjes, met hun lachend slaperige, helder geboende rooie gezichtjes, drongen verbluft op de tafel ààn. De jongens, in d’r loshangende smoezelige hansoppen struikelden vàn gretigheid, naar voren. Klaas Grint, al opgewondener, schaterde en grappigde gemeene moppen uit, proestte zich zat met z’n eigen pret, en lachronk.—
Hij vertelde dat ie dat elken Zaterdagavond zoo had geprakkiseerd, ’n lekkeren dronk voor z’n nest, op ’t geploeter van de week. Dat mochten ze waarachtig wel hebben. Dan kreeg de heele kring ’n borrel. De kinders rekenden er al op; smakkerden en joolden al vooruit, wachtten elken week tot ’t kwam, met slaap in de oogen. Iedere week moest ’n ànder waken en wakker schudden zusjes en broertjes, als vader Grint wel eens heel laat aanzwaaien kwam. Maar dikwijls viel ’t kind-wachtertje in slaap, lag ’t heele hufter-zooitje te ronken; ging de zuip hun voorbij, zonder dat ze ’n druppel drank geproefd hadden.—
Gespitster bleven ze de volgende week, in langen worstel tegen slaap. Hoorden ze dàn flesch- en glaasjesgeluid zacht rinkelen, geslobber en geraas, dàn veerde wakertje òp, hielp hij, in stooten en bonken, zusjes en broertjes overeind; bombardeerden en drongen ze joelend naar voren, in den kring. En Klaas Grint, schaterde dan, was trotsch, heel trotsch op z’n wakkere kleintjes, dat ze zich niet hadden laten verschalken.[190]
Dirk bleef stom op z’n stoel als ’n blok, deed niets anders dan Geert in ’r donkere oogen staren, en ’t gezicht zwart te rooken. Willem schoof al dichter bij, aan anderen kant en Jan Hassel, met z’n log lijf glisserde zich nou heelemaal op den schoot van vurige Trijn, waar ie telkens, met ’n schijn-ontstelden opkieper van afgebonsd werd. Dan gilde Trijn in dollen lach, stootte Willem tegen z’n buik, maar Cor en Annie hielpen Jan weer òpsjorten, langs d’r beenen. De meiden tusschen de stoomende stoeikerels, kregen ’t warmer, lachten, gierden en bliezen van hitte en klefferige vurigheid. Piet bestoeide Cor, uit wraak tegen Geert, en zoende Annie dat ’t klapte. Alleen als de kerels in brutalen grabbel hun te lijf wilden, trapten en beukten de meiden op hun schonken, die toch roerloos bleven, als van graniet, onder de weeke bons van hun meisjesknuisten.—Vader Grint keek loensch, woedend dat ’t wijf de kelkjes nog niet had neergekringd.
Schunnige grappen en woorden ronkten de kerels onder drinkhitte uit; branderig borrelde dierdrift op. Gloeiriger handen tàstten, feller oogen loerden door rookdamp heen. Maar telkens nuchterde vrouw Grint er wat tusschen, dat de kerels even verbluft en sip vòòr zich keken.—En Jan Grint, nijdig op ’t bezopen stoetje, den branie Willem, kalmeerde ze met koelen, norschen smak van woorden. Langzaam had vrouw Grint eindelijk kelkjes uit de kast gehaald en neergezet. In fijn zilverende glinsterkringetjes klokkerden klaar de glaasjes vol, en zoetig liet ze, in elk kelkje ’n klontje zakken.
—Enne de laipeltjes moeder.… da’ sullie d’r van deur-roere kenne! hee? schreeuwde Klaas, spog-sputterend uit z’n geschroeiden mond.
De kleine meisjes tegen elkaar gedrukt op twee stoelen, met de knietjes onder de schoone lijfjes, als duivenrijtje op tilrand blank, keken met groote oogen waar slaap nog in ronddraaide. De jongens, mannerig, wachtten, gierend van pret.
—Motte de kinders nou d’r ook weer foader?.… vroeg zichzelf onderbrekend vrouw Grint.
—Daa’s net! soo wèl aas wai hee?… die … die … binne[191]d’r op kommende waige hee! barstte Klaas jolend uit, sullie hebbe d’r meeholpe.. nie? laileke kakketoes!.… en d’r aige krom plukt!.… soo tuikig aas de beste.… En nou.… doa’ goàn jullie.… wàif.… kèrels!… maide … kooters! santjes!
Vader Grint slokte gretig, stond zacht waggelend voor de tafel, zakte in zwaai weer neèr op z’n stoel. Mannen, vrouwen, en kinders met d’r kleinuitgestrekte armpjes, klonken beverig ààn, in driftigen rinkel en tinkel van kelkjes. De meiden proestten om alles en dronken te gelijk. Geert schoot in ’n kittellach, dat jenever ’r tegelijk uit neus en mond spoot, ze in krampende hoestbui, rood-doorschokt, dreigde te stikken, inéénkronkelend beenen en hoofd en spuwend-lachte met betraand-dolle oogen. Dirk was verschrikt opgesprongen waggelde weer terug, voelde z’n arm verdrongen door Willem die Geert hard op ’r rug klopte, onder d’r stikhoestend krampgelach. Eindelijk bedaarde de meid, nog nakuchend telkens van jeneverjeuk in ’r brandende keel, gloeiend als had ze ’n peperbus geleegd.
Jan Hassel had haar glaasje weer deftigjes tot aan den rand volgeklokkerd dat ’t fonkel-vocht, weer schitter-zilverend kringlichtte in de kristallige kelkjes, en stotterend hoestte Geert uit:
—Joa.. joa!.. ongelu!!.. ukke!!.. binne!! d’r kwoaje kan.… se!!
—Aa’s nou d’r Guurt d’r is hier waa’s! lachte wulpsche Annie, de jongste meid met ’r mopssnuit.—Geloenscht had ze naar Dirk en ’r broer Jan toen ze ’t gezegd had.
—Guurt.… Guurt!.… stotterde Dirk, voelend dat ie wat zeggen moest, die f’rskoont d’r aige … nou.. d’r bast!.. die stoan d’r.. nog feur.. ’n kattebakkie.
Geert dreigde op ’t botte, stom-uitgeaarzelde antwoord van Dirk weer te stik-proesten in jeneverslok, maar d’r broer Jan, keek zóó sneu en zuur dat ze d’r lach inperste en neven Hassel ook voor zich uit-sipten alsof Dirk heelemaal niets gezegd had.—
Licht-zilver wiegelde in glansjes om kelkjes, en fijn kristalde ’t zilvervocht. Klaas Grint vond ’t lollig, dol-lollig, wat Dirk daar uitstotteren kwam.[192]
—Aa’s je main nou!.… jai.… jai ken d’r tug soo ellèndig goed liege hee?.… da’.. da’ de lekkere Guurt.. d’r.. d’r aige nou.. f’rskoont.. hee!.. daa’s sneu.…
—Niks gedaan foader, hou je bek d’r buite, snauwde drift-bleekig Jan, die niet hebben kon dat Guurt door ’t bezopen stelletje belold werd, allerminst ’t duldde van zijn vader.
—Nou.… kaik!.… daa’s … eerst.… ’n be.. laift.… bèfel.… van.… van hooger hand.… hee!.. Gain jai.… d’r na’ jesnoeptoàfel.. foader! wil dá’ segge!.. nou!.. daa’s befèl van main nikker, de swarte Joan,.. eenmoal.… andermoàl.… nou hou je sain heul fesoenelik.… en figeleer je nie … en nou goan wai d’r nog rais ’t kringetje rondhaine hee?.… Moeder! gaif de kooters nog rais ’n hallefie.. enne main!… enne.. de kerels.. de volle moat! hee manskappe? da’ laikt hoarlie hee?
—Altait lekkerder aa’s op ’t land te f’rbrande, mit ’t hiete spog in je drooge bek.. sloeg Piet er door, tegen Trijn áán, stoeiend met de lange blonde Cor, die stil zat en smakkerend met zoete teugjes ’r jenevertje inzoog, dronkje waar ze dol op was, iedere week.—
Vader Grint lachte luidruchtig om Piet, met oogen nat van glansen en stil uitwerkende dronkenschap. De kerels roerden, smakkerden, en de meiden lachten en likten. En gretig, in felle passie, zogen de kinders ’t drankvocht bij zoete kleine teugjes in, piekerden met hun vingertjes klefferig bodempje schoon, boorden en kronkelden d’r tongetjes, spitsig langs ’t randje, omlekten de glanzige en besuikerde kelkjes, woelden en zuchten in spartelend plezier. In drukke gebaartjes pagaaiden de klef’rige kinderknuisjes door elkaar heen, schuurden woelig schoudertjes en armpjes langs de tafel. Fel lonkten en vonkten de oogjes in ’t lamplicht, en ’n paar brutale jochies poogden te likken, te smakkeren, doopten hun vingertjes in de kelkjes der vreemde kerels.—Onder gelach en gebabbel weerden die hun klauwtjes àf, zonder eigenlijk te zien wàt de kooters deden. ’n Roodharig jochie van vijf, apig maskertje, met wijsgeer-rimpeltjes op hoog-voorkopje ingegroefd, vroeg om méér. En ’n ander,[193]wat ouër, drensde mee in hurk, z’n hoofd op twee ellebogen gesteund, vingertoppen den mond ingeknauwd, met z’n hel-blauwe oogen, pijn-lang ’t licht instarend. Maar dadelijk, als kreeg ze haar herinnering terug, viel vrouw Grint nijdig uit, dat ’t nou dubbel en dwars mooi geweest was, joeg ze de duizelige kleinen met snauw en duw weer naar hun bedjes. Christientje werd aan ’r lange haren meegesleept door ’n drank-verhit jochie van acht, en gierend opgewonden, elkaar beklapperend op de billen, klauterde ’t stoetje weer in de verbroeide slaaphokjes, die vol dampten van rook, walmden van snikheete, duf-drukkende kamerbenauwing.—
De mannen joolden met Dirk mee, die plots van stommetje, in ’n vlaag ’t drukst wierd van allen. Hij stoethaspelde en raaskalde, stoeide en sprong als ’n klown, strooide gepeperde moppen stotterend rond, flapte en stapte dat de meiden, verhitter, schik in den kerel kregen.—Z’n kop gloeide rood, z’n koeienoogen glansden, en z’n chineesch-kakerige snuit keek sentimenteel. Piet zong schor, schold ieder uit, zoende vlak voor Willem Hassels tronie, de mooie Geert op d’r gloeiend-wulpschen mond en blank open halskuil, dat er vloeken en bedreigingen hurrieden tusschen de dronken knapen. Maar de meiden konkelden ’t weer goed. Klaas Grint lachte er overheen en vuriger stoeiden de mannen dan weer, in haat en wrok, tòch voor ’t moment met elkaar verzoend.
Duffer broeide de avondkamer in voozen stofstank van gesloten vensters. Het raampje, met z’n geranium-vuur, bladergroen en fijn roodaarde, achter ’t vergroezelende licht en vroom-groen horretje, waasde stil-gouïg tegen avonddiep duister van buiten, en elk ruitvakje verpeinsde eigen glansjes van tonige tintstilte, diep en wazig. ’t Scheepje stond roerloos met ’t ragge touwgeweef, en heel ’t venstertje, gouïg aangegloeid in lampeglans, met z’n roodaarden blompotjes, bloemen-vuur, en groene twijgjes, ver-eenzaamde inniger achter geproest en schor stemgebrul, ver van ’t burleske geschater en schurend gegrinnik der dronken, dierlijke boerenkerels. Over bovenkant van half gezakt gordijntje holden en lolden schaduwbroklijven[194]van de mannen, als ze waggelzwaar van hun stoel dansten en loom kankaneerden met armen en beenen gelijk. Dan ging er dronken waggel van rompen en koppen tegen ’t gelige gordijndoek; chinees-schimmig en burlesk-angstig vergroot als ze stapten naar achter, in ’t tonige halve kamerduister; schèrper aanrumoerend, en silhouet-zuiver, de dronken profiel-tronies omlijnd, als ze zich bewogen naar vòren.—Smokerig in nevel rookte de kamer rood van gouenaars en sigaren. Scherp in vlagen, prikkelde jeneverstank er doorheen en lolliger in de zomeravondhitte zopen de kerels hun kelkjes leeg, in kleverige klauwen, snurkerig schrei-lachend en dronken doorgrinnikend. Dirk zat met asch bemorst van z’n borst tot z’n knieën, en telkens plaste ’r jenever op z’n kleeren, als ie waggelend opstond en met z’n glaasje in de hand lachtronies der meiden bestrijken wou.—
Met schrik en angst loerden de dochters naar hun handen, die rondzwermden in al woesteren tast. Tot eindelijk, laat in den avond, heel laat, vrouw Grint ’t besef kreeg de kerels te bonjouren. Dat had ze nog nooit beleefd, zoo’n latertje, al wàs ’t Zaterdagavond. En al loerde ook zij op de rijke neven Hassel, nou, met die arme donders Piet en Dirk erbij vond ze ’r niet veel aardigheid in. Met boffen en beuken drong ze de kerels naar de deur, woedend op vader Klaas, dat ie zich zoo te buiten ging.—
Want Grint joeg de kerels òp, tegen elkaar in, om z’n meiden te zoenen, te pakken, te frommelen. Schor-ironisch, met scheefgetrokken mond, bezwijmelde oogen, die waterig glansden van beschonkenheid, riep ie hikkend, en òpwaggelend van z’n stoel:
—Alletait.. in.. ’t fesoenelikke.. Soene.… i i i i.. i i i.. ’n ’t fesoenèlikke.… enne.. pakke.… i n n n n.… ’t fesoenelikke.… enne!.…
Ze zoenden, dat ’t klapperde, en de meiden verhit en vol verzet toch, bedroesemd, opgehitst, en nijdig-beschaamd tegelijk, trapten en sloegen. Annie en Cor vooral, duwden met vuist-stompen en kleine mokerslagjes de rook- en drinkmonden griezelig[195]van zich af. Toch voelden ze niet te kunnen weghollen, om de lekkerige duizeligheid en soezerige zinnelijke hitte in d’r lijven, van ’t drankje.—Maar vrouw Grint waakte, hield ààn. De kooters konden niet slapen, zij moest d’r ook in,.. kortom, ’t was d’r ’n skandaal, zoo laat naar ’t nest te trekken. Dat was nooit nog in d’r leven gebeurd. Schoorvoetend, met brandende monden, scheefgewrongen van heete, verterende begeerten, met gloeioogen, in vlam geloerd op de guitige donker-lonkende kijkers van Geert en vurige Trijn, op ’t slanke lijf van Cor, en de warme molligheid van Annie, trokken ze af.
Klaas Grint waggelde ze nog achterop naar ’t pad. Z’n dronken haperende hik-stem, krijschte wat nà, onzeker verglijend in klank-schorre lalwoorden.—
In ruzie-smorende innigheid en vriendschappelijke woede, waggel-stapten de neven, over ’t maanbleeke duistere pad heen, armen ingehaakt, elkaar vervloekend. Ze zongen en raasden zich naar huis, met straatliedjes en dreunende scheldwoorden, uitrauwend in stildroomenden zomernacht, doordauwd van zoete geuren. En vóórt ging hun beestige passie, die de zwoegers, als steigerende, duistere furiën rondtrampelen liet, in ’t nachtelijk stil-donkere Duinkijk.[196]