[Inhoud]V.Vóór de paard-draaimolens stonden de neven Hassel. Achter hen golfde ’t van kijkers en gillers.De havenhuizen rompig, rossigden gevel-naakt in den schrik van ’t licht, en de lage ruiten gloorden in bloedrood, groen-geel en goud geschijnsel, weerkaatsing van bakovens, lampions en kleurige hosstoeten, voorbijrennend.In heel eigen, geel-gouden sfeer, wentelde de paard-draaimolen. Uit binnensten kring van lamplicht, dreunde ’n orgel, ééndeunig, en ’t donk’re paard, den draaimolen in gang trekkend, duisterend, èven belicht aan z’n kop, liep in ’n eeuwigen cirkel, groezelig achter lichtjool. Binnenste lampenkring brandde in geelrood afgebeuld licht, bleek neergroezelend over zwart fluweel, onder de kleurwemelende kap, meer naar voren moorschen brand van glansjes en flitsjes verfonkelend tusschen zilverig ornamentwerk, gitkleurig kralenspel en doorgloeide franje.Een duizel van kringlichtjes spetterde er rond. Tusschen ’t belgeklingel, in gang zettend en afbrekend elke ronde, wiegelden de hobbelpaarden en schommelschuitjes, vettig befluweeld, donkerrood en groenig. En àl ouderwetscher, naast den stoomdraaimolen met z’n hel elektriek, wentelde de karoussel, in ’n stillen klater van kleurtjes en lichtjes; vlamde en bruiste òp, uit tooverballettigen gloei van voorsten lampenkring, praal van zilverkraal en goudstiksels. Dàn wegwaggeling van pluche, dàn opschommeling van fluweel, in één draai en duizel van avondkleuren, omdruischt van tegen-elkaar indreunende orgelstrotten.—De koperen stangen,—tusschen de kromklauwige leeuwen en tijgers, met hun druipende grimmige bloedmuilen,—schichtigden rond in glanzend goudstavig geel. Warrel en tegenwarrel âl om van rood en paars, rose en zilver, borduursels en fluweel, spiegelglans en bontstralend gekraal, draaiend, al draaiend in[312]een damp van dof-tonig, mat-schitterend goud, soms plots overgloeid in duizel van glanskronige-prisma’s, als vonkvliegend raderwerk.En ééndeunig, troosteloos van jammer-geluid kermde ’t orgel binnen-in, één deun, één deun.—Bij nieuwen rondgang waren Piet en Willem, Dirk en Grint, en al de meiden in den karoussel gesprongen, in vasthakenden smak op beestruggen en draaiende baldakijnen.—Dirk was pardoes op schoot van Geert gesmakt, zoende en begrabbelde haar dat ze ingesmoord en onmachtig weggezonken, tegen ’t lijf van ’n andere meid zuchtte en kermde naar lucht, onder z’n brandenden aanval. Schatergil en zang duizelde mee in den dollen molendraai, en van allen kant nu strompelden de kerels op de meiden, zoenden en kletterden ze nat, met wangenzuig en kokenden adem.—Geert Grint’s zwart-mooie kop stond flets en roodvlekkig van de wilde zoenen, ’t haar afgezakt, verfladderd langs de ooren. Guurt Hassel zat met natte wangen, half versuft, ’r rokkenboel opgesjord, knuisten op de knie, ’t korpulente lijf weggekrampt achter woest-losgebarsten Jan Grint. Ze had ’m gebeten in z’n oor en handen van woede. Als dat nou eens haar sekretarie-heertje gezien had, was z’m t’met kwijt, voor goed. Ze vervloekte Jan, met bevende driftkaken, dat de vent na z’n eersten overmoed, verbluft zwijgend rondkeek.De molen was voor den tweeden keer in gang geluid, en weer bleven ze zitten, dubbel betalend.Dirk, Hazewind en Rink waren met hun drieën in een kleinmallemolentjegesprongen, dat tol-snel draaide om eigen spil, ìn den grooten karousselwentel. Ze hadden ’n jochie gehuurd die hun draaide, al maar draaide. Met hun handen de stangen omklauwend tolden ze rond, al sterker rondgekeild in wilder furie door schaterend jochie, dat lol had in den dollen dans. Met hun duizelhoofden naar elkaar toegebogen, leken ze in den razenden tol, één log donker lijf, monsterkoppig met drie tronies, lijf dat wiegel-waggelde op donker heupenstel. De meiden en jongens rondom de karoussel gierden ’t uit, toen ze de kerels[313]zoo suf met de inéénloopende tronies bij elkaar gebukt, zagen zitten in dollen duizel, half bezwijmd.—En vuriger wentelde ’t jochie denmallemolen, verblindend in den koperen stangenflakker, tot bel klingelde en stoppen seinde.Met een sprong renden Willem, Jan, Henk van hun baldakijns, hielpen de verwaaide bestormde meiden uit plooikronkels van hun kleeren.—Dirk, Hazewind en Rink wilden opstaan maar bonsden scheef tegen elkaar op.—Eindelijk in drift, plofte Dirk uit ’t mallemolentje, zwaaide woest nog in naduizel tegen ’n schaterenden meidenstoet op, schoot in ’n dronken zeil van armen en bovenlijf midden in de Hassels en Grintjes. De lange Rink, waggelend en braak-ziek van ’t tollen, smakte plat op de straat, met z’n kop tegen de pooten van ’n vooruitstaand stalletje, dat ie bloedde bij de slapen. Maar niets wou ie ’r van weten. Bemodderd met stoffig vuil scharrelde ie weer òp, lacherig nazwaaiend en schreeuwend:—Maide, nou in de stoomdroaimole.. dâ hier is d’r debies! dubbel debies! je braikt d’r hier je allemenak!.. inne de stoommole.. doar kâ je ’n stuk van de toart happe.. daa’s puur veul fainer.. de rais!—Ikke rais d’r alletait eereste klas, moar ’t mot d’r drie moal opstoan vat je! lolde Piet.—Neenet pinkebul! drong Dirk op, en Willem méé, eerest hier wa fraite.… poone! aiêres!.… hee maid! stal uit! wa hai je d’r veur lekkers!Dientje schrok. Ze hoorde de dronken stemmen van oom Dirk en Piet, en de andere Hassels. Maar Dirk herkende ’t dochtertje van Kees niet, zag alleen vreetwaar, vettig en glimmig. Bij stapels rukten Dirk en Willem de poonen en scharren uit ’t kinderknuistje, en de reuzige klauw van Rink stopte ’t kind ’n rijksdaalder in de hand. Gerekend werd er niet.—Dá’ mot moar net an weuse.. bi jai besuikerd, bromde Rink.—En ’t wàs goed, dat voelde Dientje ook wel.Vóór ’t stalletje brokkelden de kerels en meiden de poonen open, en hapten in ’t blanke vet en vleesch.[314]Zoetig broeide de bakolie rond in walmstanken.—Hee Dirk! waa’s dat! frait jai d’r puur op ’n droogie! jai kakkerlak! woar is ’t kind? wie wiegt d’r ’t klaintje? jai Hoasewind?Piet uit ’n hoek, kwam aanzwaaien met de jeneverkruik, dwars door ’n warreltroep die langs hen hoste.—En in koeterwaalsche uitstottering van vleinaampjes tegen den drank, sputterde ie naar de meiden:—Enne liefe makraile.… lekkere pokhoagels.. dottesnolle.. waa’t sel ’t weuse op haide veur de doàmes.—Nou! wai suipe d’r vast nie op de keie, bitste Guurt.—Daa’s jou maines, moar maines nie, want ikke leg d’r ’n urretje, schaterde Marie Pijler, de kasteleinsdochter, die net bij ’t troepje aangeland was.—Daa’s toal mestvarke! jai bint d’r gain snaiboon, sien maide! sloan jullie d’r ’n gat in de kruik, hitste Rink.—Jai bint d’r vast gain kalf mi ’t natte neus, lodderde Piet na.—Joà, proeste de furiënde blonde, op dâ terrain bi’k deurpokt en deurmoaselt.… wâ jou Hoasefind? Moar wâ selle wai doen mi sonders woafels en oliebolle.. main aiêrs motte sakke.. ikke hep d’r al drie en dertig bikkelharde in main pins.—Alloo maa’ne! hoale.. hoale! schaterde Trijn.—Doar mo’k niks van heefte, bazuinde Rink, jelie mot d’r nog soo veul, langsaampies maid.. dan braikt ’tlaintjenie!—Kaik daa’s sneu! set jai nou us de kat bai ’t spek! hee wâ?—Wa sneu! bulderde Rink weer, jou kakkerlak! sing mee.. sing mee:Heb jai sommes trek in ’n oliebolJe kop roakt d’r vast nie van op hol!Je loâ je waige of suipt ’n bierJe host, je lach..igt, je haift pelsier..En heel de stoet bralde mee voor ’n tentje, in walmig bleek oranjeschijnsel:[315]—Je host, je lach-igt, je haif pelsierJe loâ je waige, je suipt je bier!Voor den stoomdraaimolen gierde juichende menschendrom.Zondagavondsche kermisjoel was in verpletterend uitbarstenden zwier aangestormd. Van alle kermishoeken uit, brandden lampions, rood-oranje, geel-groene gloor, tusschen flambouwengoud en brandstapelig vonkgevlam van poffertjeskraam-ovens, waarop ’t vuur knapperde en tonglikte, rood ommistend de gloeikleurige tenten.’t Zigzagde in de brandroode lucht van lampions-kronkels en vlammige boogpoorten boven de oranjige walmkoppen.De stoomdraaimolen raasde in wenteling en verroffelde vernielende geruchten rond, onder den hel-paarsen brand van elektriek. Van binnen uit, achter barokstijl van zuilen en tempelbogen, kringden òm in rutschbaangolving, venetiaansche gondels, vurig beboegd, met gondeliers in tomaatroode gewaden, sloepen en baldakijnen, hermelijn-blank oversneeuwd in ’t helle licht, tusschen flakkerenden duizel van spiegels en ruiten. Moorsche kioskjes, fel in vlam van heete kleuren, zwalkten op baren van schitterige glansen, avondzonnende sfeer van elektriek.En telkens, andere sloepen en gondels draaiden vóór, in roffelend gerucht; gondels, die de grof-koppige gondeliers als Graal-karikaturen, op zwaanhalzige bootjes, met hun zilverende schubbenkleedij, in hellen gloed gevangen hielden. Als ’n zondvloedstorm zwalpte de infernale roffel van den stoommolen tusschen de saamgestampte licht-overschroeide kijkmassa. Gekraak en gekreun kermde er neer uit de sloepjes, brallend geschater uit heesche strotten. En als Satanssignaal verschalde de stoomfluit van den molen, angstgegil van ’n misthoorn, door den brandenden woel heen, spiraal van demonisch gerucht over de daverende en jammerende drommen snerpend, verstervend in klagelijk geloei langs de duisterende polderzee.—Broeisfeer van kermis smeulde rook-rooder en goudmistiger[316]òp in den zomer-zwoelen avond. Om en achter de tenten en spellen in ’t duister, doken kerels áán met meiden, in rauwe genotskreun, zat en lijflog van uitgedierlijkten zwijmel. Politie deed schuchteren rondgang daartusschen, waagde zich nauw onder de mesklare vechters. Uit de bont-gloeiende poffertjeskramen, langs ’t duisterend plankwerk, plofte plots ’n rij korte, lallende boertjes, vetbuikige-ingedrongen gestaltetjes, begoudschemerd van ovengloed. Hun koppen grijnsden dronken, bietig-purper; hun bezopen oogen verfonkelden lol, en hun glanzende pofpetten reepten ’n zwarte lijn boven hun tronies. In hun midden herkuulde ’n paal-lange reus, slungel met smallen zeehondenkop, wreed loerend uit loensche oogen. Donker bonkten z’n schonken boven de lage rij pofpetten uit.—Boerbuikjes spanden, armpjes wrongen, beentjes, breed gezakt in klepbroekenplooien, zwommen en trampelden rond in den oranje lichtmist, en vóórt sliertte de met armen-ingehaakte slingerrij, van den vuurschijn uit, ’t duister in.—Pal in de flakkerende flambouwing van de luchtschommels doemden ze weer òp, begloeiend de tronies, zwammig geel neerbrandend op monden, kaaklijnen, woelend woest in oogholten. Telkens gleed wisselenden lichtglans over den boertjesstoet als vóór hen, een dolle dans van dwars voorbij rennende kerels en wijven, okerenden rosglans van ovens en lampen opslurpte.Vlak voor de kleine boertjes uit, met den reuzigen slungel in ’t midden die meedonkerde als gemoerde lantaarnpaal waarop pofpet piekte, kankaneerden vier woest-dronken Kerkervaartsche meiden, in flappering van rokken en kanaljeuse lijfontblooting, zwierig zwirrelend omschuimd van witte onderplunje, kolkend tusschen hun dans-duivelige kuiten. Ze draaiden en raasden in hun eigen kolkender rokkenschuim als dolle kollen.—Met opene zangmonden, in keelbrand roodgeslagen door ’t licht, koppen hemelwaarts, gilden ze rond, tamboerijnend met de woeste knuisten op kindertrommeltjes, kannibalige geruchten verroffelend. Ze spuwden in den kermiswoel, horlepijpten[317]de beenen in wilde harlekinade, en d’r kleurige zondagsche plunje, oranjerood met d’r vieren, vervlamde in ’t fakkelgoud, overal waar hun hos langs schoot.Donk’re kerelsstoet zeilde schuin àf op kleine boertjesrij, haakte zich vast aan armstompjes en snel in kringloop cirkelden ze zich wijd om de dronken gillende meiden, die schaterend-woest zich plots ingesloten voelden.—Boerenkoppen glunderden zinlijk en wreed van passie in gloedwalmend roodgeel schijnsel van ovens en lampetten. Boerenbeentjes klein en zwaar van krachtspanning, trampelden weer stuipend. De groote slungel, schonkig en donker boven de pofpetten uitreuzend, gierde en pagaaide z’n beenen in dronken spartel voor zich uit. Z’n zeehondenkop met puntige kinnespits, was beschuimd van uitgebrald spog, en z’n karikatuurhanden, knepen krampig van pret in de schouders van twee boertjes waar ie tusschen gekneld waggelde.—Politie had ’t duivelende meidenstel in hun jool van rokken-lawaai, in hun stem-bezetenheid en hysterischen waanzinroes zien steigeren, en met schrik de boertjes zich zien storten op de dronken furies, die heftig terugbonkten. Een van de vier dronken vrijsters, lang en schraal, stond waggelend neusklankerig te stoethaspelen, drukte d’r hoofd in den nek na wat wezenloozen woordenstamel, zoog de flesch aan den mond en klokkerde ’r drankje in, knie-ingezakt van passie. Aan haar arm ingehaakt, al de rokken opgesjord, gilde ’n klein blondje, krijscherig als ’n zuigeling:—Aooaau-uw! waa’t ’n ska-ande!De twee andere meiden slingerden mee met de dansschokken van de hysterische blonde, die lach-hinnekend, in polderkerelkracht d’r dronken vriendinnen, dàn naar zich toesleurde, dàn weer van zich afstootte.En rond hen, de tronies-wreede boertjeskring, buikzwaar en kortbeenig, met den paljaslach van den schonkigen donk’ren herkuul er boven uitrochelend.—[318]Boerenstoet, nu in kring met vreemde kerels rond geschakeld, aarzelde met nieuwen aanval op de meiden. Toen plots drongen de vreemde knapen vooruit en smakten zich woest op de vier bezetenen, hel in hun oranje-roode blouses en rokken. Hun zangekerm brak even àf, en in spuwende verachting spogen ze de kerels ’n stroom kleurige confettis in de tronies, hun lijven in wilden woel, ruisch en druisch, rondspiralend in eindlooze serpentiens.—De meiden, hoonend in hun woeste kracht, trampelden rond dat de serpentiens knapten op hun lijven. Twee kerels mikten hun de slangelinten in de zanglallende monden, kronkelden ze tusschen hun ontbloote beenen, en de boertjes in wreeden zinneschater, kringden nauwer áán. De meiden, doller in al engeren krans zich voelend, haakten zich armlos, trampelden de boertjes op de tonnige korpulente buikjes, mokerden vuisthevig in de gloed-geschroeide kerelstronies. En haveloozer overkolkt van rokkenschuim, kankaneerden ze zich los tegen den boertjes-muur, die de bezetenen weer met woesten smak den kring inwaggelden.Besefloos en òp hijgden twee meiden uit, met bloederig gevlek van karmijn-valen schijn op de kaken.Politiemannetjes onrustiger, rukten áán, sloegen zich nu gemaakt-driftig door den boerenkring heen, botsten de dronken kerels wèg, verkneuzend hun papieren ruikerpracht op borst, hoofd, rug en dijen.Maar de kerels waggelden in nijdigen haast bijéén met hun afgezakte kleeren, losgerukte broeken en jassen, in dronken gier harlekineerend met kleurigen flapper van linten en mutsen. Al dichter verschuifelden ze naar bakovenbrand van grootste wafelenkraam, zwaar gebarend in protest, om ’t weggeduw der politie;—daar groeiend tegen den rossigen vulkanischen lichtschroei als waggelende titanen. Vermanend-schuchter drongen de wetsmannen áán, de dol-gierende meiden praaiend naar kalmte.Maar de furiën overmoediger raasden òp, stotterden van dronken drift, spogen, vloekten en scholden op de agenten, mokerden[319]plots tegelijk als op bevel, met woeste beukvuisten op de koperende gloedhelmen in.De lange schrale meid met ’t „hápje” in ’r hand, kwijlde en zoop slurperig-lang tot den laatsten drup, zwierde toen plots de flesch op de keien dat ’r schervengedruisch kletterde rond de helmmannen. Dan greep ze, met twee handen bijéen haar roodhellen rok, knoopte de punten hoog op de heupen vast, en stormde, de vuisten tot mokers gekneld, in dronken draf op een klein agentje àf.Fakkelgloed goot rood-gele verglijende schijnsels op de gouden helmen, die standjesachtig-puntig bòven de pofpetten van weer aangedrongen boertjes, verdeukte hoeden en losharige meidkoppen weerlichtten in schramperig geglans.De meiden bijeenstrompelend in de haveloozen gier van hun ontbloote lijven en den driftbeef van hun passiemonden, woelden nog in kraak en slinger van afgeknapten serpentiens, kleurlinten, konfetti’s en losgebladerde ruikers. Als ’n kleurig netwerk zat hun verflodderde haartooi met konfetti’s en lintslippen volgekroest, als had avondhemel vurigen hagelslag over hun uitgestort. Twee meiden hadden hun trommels met de vuist in ’t perkament doorstooten, en bonkten er mee rond. ’t Blondje en de schrale, rukten zich de konfetti’s en lintslippen uit de haren, verkauwden de serpentiens en ruikers, en in steigerende razernij spogen ze kleurige fluimen de agent-bakkessen in.—Huilerige woedeklanken schorden ze uit, in wezenloozen zwijmel van gebaren. Vloeken, spuwden ze rond in liederlijke rauwheid, en straatdeunig schreiden hun dronken stemmen tegen elkaar in.—Lies, krijschte de magere, jai stoan d’r op de valraip.. kom kerlinike.. kom- ker.… linike.… kom!.… ikke seg … da d’r ’n hap is!—en ’n nieuwe flesch zwierde ze in hoonenden jool boven hun kleurig-behagelde koppen, heete beestschaters uitproestend voor verblufte agenten en kijkers. De boertjes sprongen weer brutaler bij, aangelokt door de stoute furiën, trappelden en ranselden klappen en boffen rond, in snauwende vloeken.—Toe, hitste Lies, in hysterischen krijsch, met ’n stem van ’n[320]straatorgelbas, zelf doller met ’r vuistmokers rondzwaaiend dat ’r niemand te na kwam,—toe! gaif jai d’r die klebak ’n handskoen da s’n bofedeurtje deur de muur hainskiet!—Gain groasje! gain groasje, dood an die swaine, trek jullie.. d’r ’n poar kiese! roggelde de schrale weer, kwijlspuwend en trappend de rokken tot d’r borsten opgesjord.——Gain proatjes op d’r laif! sloan hullie.… achter ’t tessie, hinnikte ’t sterke blondje, die worstelde in zenuwroetige en stuipende kracht met ’n agentje, van wien ze de sabel had losgerukt.—Toen hadden de helmmannen er genoeg van. Ze vreesden de razernij der kerels rond om niet meer. ’n Signaal snerpte door den rochelenden bral van stemmen en in draf stormden helpers áán.Met vijf zwaaien van de blink-helle sabels schoot boertjeskrans uitéén, waggelde ontdane kerelsstoet wèg, in krolschen krijsch, stonden de meiden alleen tusschen den helmendrom, die hoogkoperde en lichtflitste in rood-gelen walmgloed.Half dood van zenuwuitputtenden worstel zonken de dronken furies op elkaar wèg, half ontbloot, de havelooze plunje morsig vertrapt, de gekneusde beenen dooréén gewarreld. Ze hijgden, en de lange schrale onderaan, die in den struikel, d’r drie vriendinnen boven zich kreeg gesmakt, lag plat op ’r buik, grabbelde nog, zenuwspartelend naar haar flesch die onder de kreunende borst van ’t blondje uithalsde.Raak stootten de agenten ze als gestruikelde paarden op de beenen, en hoshos in boei, sleepten ze de geschonden furies naar ’t stadhuis. De schrale Lies liet zich sleuren langs de keien, half op ’r buik, waar de geboeide handen onder krampten als korte vinnen. In modder sleepte ze voort, tot eindelijk twee helmmannen ’r bij de beenen en losharige kop oplichtten, haar brankarig voortsjokkerden onder woest gegier, schel gefluit en geschater van meeschuifelenden menschendrom.—’t Blondje, trapte en spoog dat de helmmannen ’r mepten in de verwoede tronie, stompten op de hijgende borsten, sterker haar knuisten bijeenknellend in de boeien. Maar ze[321]trapte zich naakt dat de helmmannen ’r telkens den vuurrooien rok, en ’t schuimende ondergoed moesten neerslaan. Achter den dronken stoet áán, in trein-woesten daver, trampelden kijkers in joelkring, en voorbij ging ’t in den oranjigen walmgloed van fakkels, gaspitten en lampetten.Duister gegier, getrampel en fluiterig-oproerig geraas brasten in donk’re hoeken, en voort rukten de agenten, recht uit naar ’t Stadhuis.—D’r goan d’r vier Kerkfoarters de bak in, krijschten jochies, kerels en meiden dooreen, met angstklank van politieverzet in de ontstelde toch oproerige stemmen, vechtlustig doortrild van haat tegen ’t helmstoetje.Dwars door de kermishitte, in ’t demonengoud en pralig gefonkel, rukten ze voort de ordemannen, en plots zwenkten ze steegje door, op ’t stadhuis áán. Toen, met ’n sleur rukten ze de meiden stoep-end òp, en stootten ze waggelend de gang in. Dof gekrijsch uit de dronken meidenkelen heeschte nà, verward, rochelend als uit moordkelen, klam en verwurgd, en met slag van baas-zijn, smakten de agenten de deuren voor de neuzen van kijkers en meeloopers dicht, dat ’n rouw gejoel uit den menschendrom opraasde, in ’n woeste alliteratie van wraak, al was ’t maar in hoongeluid alleen.Stom en strompelend waren de geboeide furiën de bak ingeduwd.Even verbluft maar, braste en bruiste de stoet weer voort, satanisch d’r woelzangen verkrijschend in oproerigen vechtlustigen jubel, rennend naar Baanwijk, of daar wat gebeuren ging.
[Inhoud]V.Vóór de paard-draaimolens stonden de neven Hassel. Achter hen golfde ’t van kijkers en gillers.De havenhuizen rompig, rossigden gevel-naakt in den schrik van ’t licht, en de lage ruiten gloorden in bloedrood, groen-geel en goud geschijnsel, weerkaatsing van bakovens, lampions en kleurige hosstoeten, voorbijrennend.In heel eigen, geel-gouden sfeer, wentelde de paard-draaimolen. Uit binnensten kring van lamplicht, dreunde ’n orgel, ééndeunig, en ’t donk’re paard, den draaimolen in gang trekkend, duisterend, èven belicht aan z’n kop, liep in ’n eeuwigen cirkel, groezelig achter lichtjool. Binnenste lampenkring brandde in geelrood afgebeuld licht, bleek neergroezelend over zwart fluweel, onder de kleurwemelende kap, meer naar voren moorschen brand van glansjes en flitsjes verfonkelend tusschen zilverig ornamentwerk, gitkleurig kralenspel en doorgloeide franje.Een duizel van kringlichtjes spetterde er rond. Tusschen ’t belgeklingel, in gang zettend en afbrekend elke ronde, wiegelden de hobbelpaarden en schommelschuitjes, vettig befluweeld, donkerrood en groenig. En àl ouderwetscher, naast den stoomdraaimolen met z’n hel elektriek, wentelde de karoussel, in ’n stillen klater van kleurtjes en lichtjes; vlamde en bruiste òp, uit tooverballettigen gloei van voorsten lampenkring, praal van zilverkraal en goudstiksels. Dàn wegwaggeling van pluche, dàn opschommeling van fluweel, in één draai en duizel van avondkleuren, omdruischt van tegen-elkaar indreunende orgelstrotten.—De koperen stangen,—tusschen de kromklauwige leeuwen en tijgers, met hun druipende grimmige bloedmuilen,—schichtigden rond in glanzend goudstavig geel. Warrel en tegenwarrel âl om van rood en paars, rose en zilver, borduursels en fluweel, spiegelglans en bontstralend gekraal, draaiend, al draaiend in[312]een damp van dof-tonig, mat-schitterend goud, soms plots overgloeid in duizel van glanskronige-prisma’s, als vonkvliegend raderwerk.En ééndeunig, troosteloos van jammer-geluid kermde ’t orgel binnen-in, één deun, één deun.—Bij nieuwen rondgang waren Piet en Willem, Dirk en Grint, en al de meiden in den karoussel gesprongen, in vasthakenden smak op beestruggen en draaiende baldakijnen.—Dirk was pardoes op schoot van Geert gesmakt, zoende en begrabbelde haar dat ze ingesmoord en onmachtig weggezonken, tegen ’t lijf van ’n andere meid zuchtte en kermde naar lucht, onder z’n brandenden aanval. Schatergil en zang duizelde mee in den dollen molendraai, en van allen kant nu strompelden de kerels op de meiden, zoenden en kletterden ze nat, met wangenzuig en kokenden adem.—Geert Grint’s zwart-mooie kop stond flets en roodvlekkig van de wilde zoenen, ’t haar afgezakt, verfladderd langs de ooren. Guurt Hassel zat met natte wangen, half versuft, ’r rokkenboel opgesjord, knuisten op de knie, ’t korpulente lijf weggekrampt achter woest-losgebarsten Jan Grint. Ze had ’m gebeten in z’n oor en handen van woede. Als dat nou eens haar sekretarie-heertje gezien had, was z’m t’met kwijt, voor goed. Ze vervloekte Jan, met bevende driftkaken, dat de vent na z’n eersten overmoed, verbluft zwijgend rondkeek.De molen was voor den tweeden keer in gang geluid, en weer bleven ze zitten, dubbel betalend.Dirk, Hazewind en Rink waren met hun drieën in een kleinmallemolentjegesprongen, dat tol-snel draaide om eigen spil, ìn den grooten karousselwentel. Ze hadden ’n jochie gehuurd die hun draaide, al maar draaide. Met hun handen de stangen omklauwend tolden ze rond, al sterker rondgekeild in wilder furie door schaterend jochie, dat lol had in den dollen dans. Met hun duizelhoofden naar elkaar toegebogen, leken ze in den razenden tol, één log donker lijf, monsterkoppig met drie tronies, lijf dat wiegel-waggelde op donker heupenstel. De meiden en jongens rondom de karoussel gierden ’t uit, toen ze de kerels[313]zoo suf met de inéénloopende tronies bij elkaar gebukt, zagen zitten in dollen duizel, half bezwijmd.—En vuriger wentelde ’t jochie denmallemolen, verblindend in den koperen stangenflakker, tot bel klingelde en stoppen seinde.Met een sprong renden Willem, Jan, Henk van hun baldakijns, hielpen de verwaaide bestormde meiden uit plooikronkels van hun kleeren.—Dirk, Hazewind en Rink wilden opstaan maar bonsden scheef tegen elkaar op.—Eindelijk in drift, plofte Dirk uit ’t mallemolentje, zwaaide woest nog in naduizel tegen ’n schaterenden meidenstoet op, schoot in ’n dronken zeil van armen en bovenlijf midden in de Hassels en Grintjes. De lange Rink, waggelend en braak-ziek van ’t tollen, smakte plat op de straat, met z’n kop tegen de pooten van ’n vooruitstaand stalletje, dat ie bloedde bij de slapen. Maar niets wou ie ’r van weten. Bemodderd met stoffig vuil scharrelde ie weer òp, lacherig nazwaaiend en schreeuwend:—Maide, nou in de stoomdroaimole.. dâ hier is d’r debies! dubbel debies! je braikt d’r hier je allemenak!.. inne de stoommole.. doar kâ je ’n stuk van de toart happe.. daa’s puur veul fainer.. de rais!—Ikke rais d’r alletait eereste klas, moar ’t mot d’r drie moal opstoan vat je! lolde Piet.—Neenet pinkebul! drong Dirk op, en Willem méé, eerest hier wa fraite.… poone! aiêres!.… hee maid! stal uit! wa hai je d’r veur lekkers!Dientje schrok. Ze hoorde de dronken stemmen van oom Dirk en Piet, en de andere Hassels. Maar Dirk herkende ’t dochtertje van Kees niet, zag alleen vreetwaar, vettig en glimmig. Bij stapels rukten Dirk en Willem de poonen en scharren uit ’t kinderknuistje, en de reuzige klauw van Rink stopte ’t kind ’n rijksdaalder in de hand. Gerekend werd er niet.—Dá’ mot moar net an weuse.. bi jai besuikerd, bromde Rink.—En ’t wàs goed, dat voelde Dientje ook wel.Vóór ’t stalletje brokkelden de kerels en meiden de poonen open, en hapten in ’t blanke vet en vleesch.[314]Zoetig broeide de bakolie rond in walmstanken.—Hee Dirk! waa’s dat! frait jai d’r puur op ’n droogie! jai kakkerlak! woar is ’t kind? wie wiegt d’r ’t klaintje? jai Hoasewind?Piet uit ’n hoek, kwam aanzwaaien met de jeneverkruik, dwars door ’n warreltroep die langs hen hoste.—En in koeterwaalsche uitstottering van vleinaampjes tegen den drank, sputterde ie naar de meiden:—Enne liefe makraile.… lekkere pokhoagels.. dottesnolle.. waa’t sel ’t weuse op haide veur de doàmes.—Nou! wai suipe d’r vast nie op de keie, bitste Guurt.—Daa’s jou maines, moar maines nie, want ikke leg d’r ’n urretje, schaterde Marie Pijler, de kasteleinsdochter, die net bij ’t troepje aangeland was.—Daa’s toal mestvarke! jai bint d’r gain snaiboon, sien maide! sloan jullie d’r ’n gat in de kruik, hitste Rink.—Jai bint d’r vast gain kalf mi ’t natte neus, lodderde Piet na.—Joà, proeste de furiënde blonde, op dâ terrain bi’k deurpokt en deurmoaselt.… wâ jou Hoasefind? Moar wâ selle wai doen mi sonders woafels en oliebolle.. main aiêrs motte sakke.. ikke hep d’r al drie en dertig bikkelharde in main pins.—Alloo maa’ne! hoale.. hoale! schaterde Trijn.—Doar mo’k niks van heefte, bazuinde Rink, jelie mot d’r nog soo veul, langsaampies maid.. dan braikt ’tlaintjenie!—Kaik daa’s sneu! set jai nou us de kat bai ’t spek! hee wâ?—Wa sneu! bulderde Rink weer, jou kakkerlak! sing mee.. sing mee:Heb jai sommes trek in ’n oliebolJe kop roakt d’r vast nie van op hol!Je loâ je waige of suipt ’n bierJe host, je lach..igt, je haift pelsier..En heel de stoet bralde mee voor ’n tentje, in walmig bleek oranjeschijnsel:[315]—Je host, je lach-igt, je haif pelsierJe loâ je waige, je suipt je bier!Voor den stoomdraaimolen gierde juichende menschendrom.Zondagavondsche kermisjoel was in verpletterend uitbarstenden zwier aangestormd. Van alle kermishoeken uit, brandden lampions, rood-oranje, geel-groene gloor, tusschen flambouwengoud en brandstapelig vonkgevlam van poffertjeskraam-ovens, waarop ’t vuur knapperde en tonglikte, rood ommistend de gloeikleurige tenten.’t Zigzagde in de brandroode lucht van lampions-kronkels en vlammige boogpoorten boven de oranjige walmkoppen.De stoomdraaimolen raasde in wenteling en verroffelde vernielende geruchten rond, onder den hel-paarsen brand van elektriek. Van binnen uit, achter barokstijl van zuilen en tempelbogen, kringden òm in rutschbaangolving, venetiaansche gondels, vurig beboegd, met gondeliers in tomaatroode gewaden, sloepen en baldakijnen, hermelijn-blank oversneeuwd in ’t helle licht, tusschen flakkerenden duizel van spiegels en ruiten. Moorsche kioskjes, fel in vlam van heete kleuren, zwalkten op baren van schitterige glansen, avondzonnende sfeer van elektriek.En telkens, andere sloepen en gondels draaiden vóór, in roffelend gerucht; gondels, die de grof-koppige gondeliers als Graal-karikaturen, op zwaanhalzige bootjes, met hun zilverende schubbenkleedij, in hellen gloed gevangen hielden. Als ’n zondvloedstorm zwalpte de infernale roffel van den stoommolen tusschen de saamgestampte licht-overschroeide kijkmassa. Gekraak en gekreun kermde er neer uit de sloepjes, brallend geschater uit heesche strotten. En als Satanssignaal verschalde de stoomfluit van den molen, angstgegil van ’n misthoorn, door den brandenden woel heen, spiraal van demonisch gerucht over de daverende en jammerende drommen snerpend, verstervend in klagelijk geloei langs de duisterende polderzee.—Broeisfeer van kermis smeulde rook-rooder en goudmistiger[316]òp in den zomer-zwoelen avond. Om en achter de tenten en spellen in ’t duister, doken kerels áán met meiden, in rauwe genotskreun, zat en lijflog van uitgedierlijkten zwijmel. Politie deed schuchteren rondgang daartusschen, waagde zich nauw onder de mesklare vechters. Uit de bont-gloeiende poffertjeskramen, langs ’t duisterend plankwerk, plofte plots ’n rij korte, lallende boertjes, vetbuikige-ingedrongen gestaltetjes, begoudschemerd van ovengloed. Hun koppen grijnsden dronken, bietig-purper; hun bezopen oogen verfonkelden lol, en hun glanzende pofpetten reepten ’n zwarte lijn boven hun tronies. In hun midden herkuulde ’n paal-lange reus, slungel met smallen zeehondenkop, wreed loerend uit loensche oogen. Donker bonkten z’n schonken boven de lage rij pofpetten uit.—Boerbuikjes spanden, armpjes wrongen, beentjes, breed gezakt in klepbroekenplooien, zwommen en trampelden rond in den oranje lichtmist, en vóórt sliertte de met armen-ingehaakte slingerrij, van den vuurschijn uit, ’t duister in.—Pal in de flakkerende flambouwing van de luchtschommels doemden ze weer òp, begloeiend de tronies, zwammig geel neerbrandend op monden, kaaklijnen, woelend woest in oogholten. Telkens gleed wisselenden lichtglans over den boertjesstoet als vóór hen, een dolle dans van dwars voorbij rennende kerels en wijven, okerenden rosglans van ovens en lampen opslurpte.Vlak voor de kleine boertjes uit, met den reuzigen slungel in ’t midden die meedonkerde als gemoerde lantaarnpaal waarop pofpet piekte, kankaneerden vier woest-dronken Kerkervaartsche meiden, in flappering van rokken en kanaljeuse lijfontblooting, zwierig zwirrelend omschuimd van witte onderplunje, kolkend tusschen hun dans-duivelige kuiten. Ze draaiden en raasden in hun eigen kolkender rokkenschuim als dolle kollen.—Met opene zangmonden, in keelbrand roodgeslagen door ’t licht, koppen hemelwaarts, gilden ze rond, tamboerijnend met de woeste knuisten op kindertrommeltjes, kannibalige geruchten verroffelend. Ze spuwden in den kermiswoel, horlepijpten[317]de beenen in wilde harlekinade, en d’r kleurige zondagsche plunje, oranjerood met d’r vieren, vervlamde in ’t fakkelgoud, overal waar hun hos langs schoot.Donk’re kerelsstoet zeilde schuin àf op kleine boertjesrij, haakte zich vast aan armstompjes en snel in kringloop cirkelden ze zich wijd om de dronken gillende meiden, die schaterend-woest zich plots ingesloten voelden.—Boerenkoppen glunderden zinlijk en wreed van passie in gloedwalmend roodgeel schijnsel van ovens en lampetten. Boerenbeentjes klein en zwaar van krachtspanning, trampelden weer stuipend. De groote slungel, schonkig en donker boven de pofpetten uitreuzend, gierde en pagaaide z’n beenen in dronken spartel voor zich uit. Z’n zeehondenkop met puntige kinnespits, was beschuimd van uitgebrald spog, en z’n karikatuurhanden, knepen krampig van pret in de schouders van twee boertjes waar ie tusschen gekneld waggelde.—Politie had ’t duivelende meidenstel in hun jool van rokken-lawaai, in hun stem-bezetenheid en hysterischen waanzinroes zien steigeren, en met schrik de boertjes zich zien storten op de dronken furies, die heftig terugbonkten. Een van de vier dronken vrijsters, lang en schraal, stond waggelend neusklankerig te stoethaspelen, drukte d’r hoofd in den nek na wat wezenloozen woordenstamel, zoog de flesch aan den mond en klokkerde ’r drankje in, knie-ingezakt van passie. Aan haar arm ingehaakt, al de rokken opgesjord, gilde ’n klein blondje, krijscherig als ’n zuigeling:—Aooaau-uw! waa’t ’n ska-ande!De twee andere meiden slingerden mee met de dansschokken van de hysterische blonde, die lach-hinnekend, in polderkerelkracht d’r dronken vriendinnen, dàn naar zich toesleurde, dàn weer van zich afstootte.En rond hen, de tronies-wreede boertjeskring, buikzwaar en kortbeenig, met den paljaslach van den schonkigen donk’ren herkuul er boven uitrochelend.—[318]Boerenstoet, nu in kring met vreemde kerels rond geschakeld, aarzelde met nieuwen aanval op de meiden. Toen plots drongen de vreemde knapen vooruit en smakten zich woest op de vier bezetenen, hel in hun oranje-roode blouses en rokken. Hun zangekerm brak even àf, en in spuwende verachting spogen ze de kerels ’n stroom kleurige confettis in de tronies, hun lijven in wilden woel, ruisch en druisch, rondspiralend in eindlooze serpentiens.—De meiden, hoonend in hun woeste kracht, trampelden rond dat de serpentiens knapten op hun lijven. Twee kerels mikten hun de slangelinten in de zanglallende monden, kronkelden ze tusschen hun ontbloote beenen, en de boertjes in wreeden zinneschater, kringden nauwer áán. De meiden, doller in al engeren krans zich voelend, haakten zich armlos, trampelden de boertjes op de tonnige korpulente buikjes, mokerden vuisthevig in de gloed-geschroeide kerelstronies. En haveloozer overkolkt van rokkenschuim, kankaneerden ze zich los tegen den boertjes-muur, die de bezetenen weer met woesten smak den kring inwaggelden.Besefloos en òp hijgden twee meiden uit, met bloederig gevlek van karmijn-valen schijn op de kaken.Politiemannetjes onrustiger, rukten áán, sloegen zich nu gemaakt-driftig door den boerenkring heen, botsten de dronken kerels wèg, verkneuzend hun papieren ruikerpracht op borst, hoofd, rug en dijen.Maar de kerels waggelden in nijdigen haast bijéén met hun afgezakte kleeren, losgerukte broeken en jassen, in dronken gier harlekineerend met kleurigen flapper van linten en mutsen. Al dichter verschuifelden ze naar bakovenbrand van grootste wafelenkraam, zwaar gebarend in protest, om ’t weggeduw der politie;—daar groeiend tegen den rossigen vulkanischen lichtschroei als waggelende titanen. Vermanend-schuchter drongen de wetsmannen áán, de dol-gierende meiden praaiend naar kalmte.Maar de furiën overmoediger raasden òp, stotterden van dronken drift, spogen, vloekten en scholden op de agenten, mokerden[319]plots tegelijk als op bevel, met woeste beukvuisten op de koperende gloedhelmen in.De lange schrale meid met ’t „hápje” in ’r hand, kwijlde en zoop slurperig-lang tot den laatsten drup, zwierde toen plots de flesch op de keien dat ’r schervengedruisch kletterde rond de helmmannen. Dan greep ze, met twee handen bijéen haar roodhellen rok, knoopte de punten hoog op de heupen vast, en stormde, de vuisten tot mokers gekneld, in dronken draf op een klein agentje àf.Fakkelgloed goot rood-gele verglijende schijnsels op de gouden helmen, die standjesachtig-puntig bòven de pofpetten van weer aangedrongen boertjes, verdeukte hoeden en losharige meidkoppen weerlichtten in schramperig geglans.De meiden bijeenstrompelend in de haveloozen gier van hun ontbloote lijven en den driftbeef van hun passiemonden, woelden nog in kraak en slinger van afgeknapten serpentiens, kleurlinten, konfetti’s en losgebladerde ruikers. Als ’n kleurig netwerk zat hun verflodderde haartooi met konfetti’s en lintslippen volgekroest, als had avondhemel vurigen hagelslag over hun uitgestort. Twee meiden hadden hun trommels met de vuist in ’t perkament doorstooten, en bonkten er mee rond. ’t Blondje en de schrale, rukten zich de konfetti’s en lintslippen uit de haren, verkauwden de serpentiens en ruikers, en in steigerende razernij spogen ze kleurige fluimen de agent-bakkessen in.—Huilerige woedeklanken schorden ze uit, in wezenloozen zwijmel van gebaren. Vloeken, spuwden ze rond in liederlijke rauwheid, en straatdeunig schreiden hun dronken stemmen tegen elkaar in.—Lies, krijschte de magere, jai stoan d’r op de valraip.. kom kerlinike.. kom- ker.… linike.… kom!.… ikke seg … da d’r ’n hap is!—en ’n nieuwe flesch zwierde ze in hoonenden jool boven hun kleurig-behagelde koppen, heete beestschaters uitproestend voor verblufte agenten en kijkers. De boertjes sprongen weer brutaler bij, aangelokt door de stoute furiën, trappelden en ranselden klappen en boffen rond, in snauwende vloeken.—Toe, hitste Lies, in hysterischen krijsch, met ’n stem van ’n[320]straatorgelbas, zelf doller met ’r vuistmokers rondzwaaiend dat ’r niemand te na kwam,—toe! gaif jai d’r die klebak ’n handskoen da s’n bofedeurtje deur de muur hainskiet!—Gain groasje! gain groasje, dood an die swaine, trek jullie.. d’r ’n poar kiese! roggelde de schrale weer, kwijlspuwend en trappend de rokken tot d’r borsten opgesjord.——Gain proatjes op d’r laif! sloan hullie.… achter ’t tessie, hinnikte ’t sterke blondje, die worstelde in zenuwroetige en stuipende kracht met ’n agentje, van wien ze de sabel had losgerukt.—Toen hadden de helmmannen er genoeg van. Ze vreesden de razernij der kerels rond om niet meer. ’n Signaal snerpte door den rochelenden bral van stemmen en in draf stormden helpers áán.Met vijf zwaaien van de blink-helle sabels schoot boertjeskrans uitéén, waggelde ontdane kerelsstoet wèg, in krolschen krijsch, stonden de meiden alleen tusschen den helmendrom, die hoogkoperde en lichtflitste in rood-gelen walmgloed.Half dood van zenuwuitputtenden worstel zonken de dronken furies op elkaar wèg, half ontbloot, de havelooze plunje morsig vertrapt, de gekneusde beenen dooréén gewarreld. Ze hijgden, en de lange schrale onderaan, die in den struikel, d’r drie vriendinnen boven zich kreeg gesmakt, lag plat op ’r buik, grabbelde nog, zenuwspartelend naar haar flesch die onder de kreunende borst van ’t blondje uithalsde.Raak stootten de agenten ze als gestruikelde paarden op de beenen, en hoshos in boei, sleepten ze de geschonden furies naar ’t stadhuis. De schrale Lies liet zich sleuren langs de keien, half op ’r buik, waar de geboeide handen onder krampten als korte vinnen. In modder sleepte ze voort, tot eindelijk twee helmmannen ’r bij de beenen en losharige kop oplichtten, haar brankarig voortsjokkerden onder woest gegier, schel gefluit en geschater van meeschuifelenden menschendrom.—’t Blondje, trapte en spoog dat de helmmannen ’r mepten in de verwoede tronie, stompten op de hijgende borsten, sterker haar knuisten bijeenknellend in de boeien. Maar ze[321]trapte zich naakt dat de helmmannen ’r telkens den vuurrooien rok, en ’t schuimende ondergoed moesten neerslaan. Achter den dronken stoet áán, in trein-woesten daver, trampelden kijkers in joelkring, en voorbij ging ’t in den oranjigen walmgloed van fakkels, gaspitten en lampetten.Duister gegier, getrampel en fluiterig-oproerig geraas brasten in donk’re hoeken, en voort rukten de agenten, recht uit naar ’t Stadhuis.—D’r goan d’r vier Kerkfoarters de bak in, krijschten jochies, kerels en meiden dooreen, met angstklank van politieverzet in de ontstelde toch oproerige stemmen, vechtlustig doortrild van haat tegen ’t helmstoetje.Dwars door de kermishitte, in ’t demonengoud en pralig gefonkel, rukten ze voort de ordemannen, en plots zwenkten ze steegje door, op ’t stadhuis áán. Toen, met ’n sleur rukten ze de meiden stoep-end òp, en stootten ze waggelend de gang in. Dof gekrijsch uit de dronken meidenkelen heeschte nà, verward, rochelend als uit moordkelen, klam en verwurgd, en met slag van baas-zijn, smakten de agenten de deuren voor de neuzen van kijkers en meeloopers dicht, dat ’n rouw gejoel uit den menschendrom opraasde, in ’n woeste alliteratie van wraak, al was ’t maar in hoongeluid alleen.Stom en strompelend waren de geboeide furiën de bak ingeduwd.Even verbluft maar, braste en bruiste de stoet weer voort, satanisch d’r woelzangen verkrijschend in oproerigen vechtlustigen jubel, rennend naar Baanwijk, of daar wat gebeuren ging.
[Inhoud]V.Vóór de paard-draaimolens stonden de neven Hassel. Achter hen golfde ’t van kijkers en gillers.De havenhuizen rompig, rossigden gevel-naakt in den schrik van ’t licht, en de lage ruiten gloorden in bloedrood, groen-geel en goud geschijnsel, weerkaatsing van bakovens, lampions en kleurige hosstoeten, voorbijrennend.In heel eigen, geel-gouden sfeer, wentelde de paard-draaimolen. Uit binnensten kring van lamplicht, dreunde ’n orgel, ééndeunig, en ’t donk’re paard, den draaimolen in gang trekkend, duisterend, èven belicht aan z’n kop, liep in ’n eeuwigen cirkel, groezelig achter lichtjool. Binnenste lampenkring brandde in geelrood afgebeuld licht, bleek neergroezelend over zwart fluweel, onder de kleurwemelende kap, meer naar voren moorschen brand van glansjes en flitsjes verfonkelend tusschen zilverig ornamentwerk, gitkleurig kralenspel en doorgloeide franje.Een duizel van kringlichtjes spetterde er rond. Tusschen ’t belgeklingel, in gang zettend en afbrekend elke ronde, wiegelden de hobbelpaarden en schommelschuitjes, vettig befluweeld, donkerrood en groenig. En àl ouderwetscher, naast den stoomdraaimolen met z’n hel elektriek, wentelde de karoussel, in ’n stillen klater van kleurtjes en lichtjes; vlamde en bruiste òp, uit tooverballettigen gloei van voorsten lampenkring, praal van zilverkraal en goudstiksels. Dàn wegwaggeling van pluche, dàn opschommeling van fluweel, in één draai en duizel van avondkleuren, omdruischt van tegen-elkaar indreunende orgelstrotten.—De koperen stangen,—tusschen de kromklauwige leeuwen en tijgers, met hun druipende grimmige bloedmuilen,—schichtigden rond in glanzend goudstavig geel. Warrel en tegenwarrel âl om van rood en paars, rose en zilver, borduursels en fluweel, spiegelglans en bontstralend gekraal, draaiend, al draaiend in[312]een damp van dof-tonig, mat-schitterend goud, soms plots overgloeid in duizel van glanskronige-prisma’s, als vonkvliegend raderwerk.En ééndeunig, troosteloos van jammer-geluid kermde ’t orgel binnen-in, één deun, één deun.—Bij nieuwen rondgang waren Piet en Willem, Dirk en Grint, en al de meiden in den karoussel gesprongen, in vasthakenden smak op beestruggen en draaiende baldakijnen.—Dirk was pardoes op schoot van Geert gesmakt, zoende en begrabbelde haar dat ze ingesmoord en onmachtig weggezonken, tegen ’t lijf van ’n andere meid zuchtte en kermde naar lucht, onder z’n brandenden aanval. Schatergil en zang duizelde mee in den dollen molendraai, en van allen kant nu strompelden de kerels op de meiden, zoenden en kletterden ze nat, met wangenzuig en kokenden adem.—Geert Grint’s zwart-mooie kop stond flets en roodvlekkig van de wilde zoenen, ’t haar afgezakt, verfladderd langs de ooren. Guurt Hassel zat met natte wangen, half versuft, ’r rokkenboel opgesjord, knuisten op de knie, ’t korpulente lijf weggekrampt achter woest-losgebarsten Jan Grint. Ze had ’m gebeten in z’n oor en handen van woede. Als dat nou eens haar sekretarie-heertje gezien had, was z’m t’met kwijt, voor goed. Ze vervloekte Jan, met bevende driftkaken, dat de vent na z’n eersten overmoed, verbluft zwijgend rondkeek.De molen was voor den tweeden keer in gang geluid, en weer bleven ze zitten, dubbel betalend.Dirk, Hazewind en Rink waren met hun drieën in een kleinmallemolentjegesprongen, dat tol-snel draaide om eigen spil, ìn den grooten karousselwentel. Ze hadden ’n jochie gehuurd die hun draaide, al maar draaide. Met hun handen de stangen omklauwend tolden ze rond, al sterker rondgekeild in wilder furie door schaterend jochie, dat lol had in den dollen dans. Met hun duizelhoofden naar elkaar toegebogen, leken ze in den razenden tol, één log donker lijf, monsterkoppig met drie tronies, lijf dat wiegel-waggelde op donker heupenstel. De meiden en jongens rondom de karoussel gierden ’t uit, toen ze de kerels[313]zoo suf met de inéénloopende tronies bij elkaar gebukt, zagen zitten in dollen duizel, half bezwijmd.—En vuriger wentelde ’t jochie denmallemolen, verblindend in den koperen stangenflakker, tot bel klingelde en stoppen seinde.Met een sprong renden Willem, Jan, Henk van hun baldakijns, hielpen de verwaaide bestormde meiden uit plooikronkels van hun kleeren.—Dirk, Hazewind en Rink wilden opstaan maar bonsden scheef tegen elkaar op.—Eindelijk in drift, plofte Dirk uit ’t mallemolentje, zwaaide woest nog in naduizel tegen ’n schaterenden meidenstoet op, schoot in ’n dronken zeil van armen en bovenlijf midden in de Hassels en Grintjes. De lange Rink, waggelend en braak-ziek van ’t tollen, smakte plat op de straat, met z’n kop tegen de pooten van ’n vooruitstaand stalletje, dat ie bloedde bij de slapen. Maar niets wou ie ’r van weten. Bemodderd met stoffig vuil scharrelde ie weer òp, lacherig nazwaaiend en schreeuwend:—Maide, nou in de stoomdroaimole.. dâ hier is d’r debies! dubbel debies! je braikt d’r hier je allemenak!.. inne de stoommole.. doar kâ je ’n stuk van de toart happe.. daa’s puur veul fainer.. de rais!—Ikke rais d’r alletait eereste klas, moar ’t mot d’r drie moal opstoan vat je! lolde Piet.—Neenet pinkebul! drong Dirk op, en Willem méé, eerest hier wa fraite.… poone! aiêres!.… hee maid! stal uit! wa hai je d’r veur lekkers!Dientje schrok. Ze hoorde de dronken stemmen van oom Dirk en Piet, en de andere Hassels. Maar Dirk herkende ’t dochtertje van Kees niet, zag alleen vreetwaar, vettig en glimmig. Bij stapels rukten Dirk en Willem de poonen en scharren uit ’t kinderknuistje, en de reuzige klauw van Rink stopte ’t kind ’n rijksdaalder in de hand. Gerekend werd er niet.—Dá’ mot moar net an weuse.. bi jai besuikerd, bromde Rink.—En ’t wàs goed, dat voelde Dientje ook wel.Vóór ’t stalletje brokkelden de kerels en meiden de poonen open, en hapten in ’t blanke vet en vleesch.[314]Zoetig broeide de bakolie rond in walmstanken.—Hee Dirk! waa’s dat! frait jai d’r puur op ’n droogie! jai kakkerlak! woar is ’t kind? wie wiegt d’r ’t klaintje? jai Hoasewind?Piet uit ’n hoek, kwam aanzwaaien met de jeneverkruik, dwars door ’n warreltroep die langs hen hoste.—En in koeterwaalsche uitstottering van vleinaampjes tegen den drank, sputterde ie naar de meiden:—Enne liefe makraile.… lekkere pokhoagels.. dottesnolle.. waa’t sel ’t weuse op haide veur de doàmes.—Nou! wai suipe d’r vast nie op de keie, bitste Guurt.—Daa’s jou maines, moar maines nie, want ikke leg d’r ’n urretje, schaterde Marie Pijler, de kasteleinsdochter, die net bij ’t troepje aangeland was.—Daa’s toal mestvarke! jai bint d’r gain snaiboon, sien maide! sloan jullie d’r ’n gat in de kruik, hitste Rink.—Jai bint d’r vast gain kalf mi ’t natte neus, lodderde Piet na.—Joà, proeste de furiënde blonde, op dâ terrain bi’k deurpokt en deurmoaselt.… wâ jou Hoasefind? Moar wâ selle wai doen mi sonders woafels en oliebolle.. main aiêrs motte sakke.. ikke hep d’r al drie en dertig bikkelharde in main pins.—Alloo maa’ne! hoale.. hoale! schaterde Trijn.—Doar mo’k niks van heefte, bazuinde Rink, jelie mot d’r nog soo veul, langsaampies maid.. dan braikt ’tlaintjenie!—Kaik daa’s sneu! set jai nou us de kat bai ’t spek! hee wâ?—Wa sneu! bulderde Rink weer, jou kakkerlak! sing mee.. sing mee:Heb jai sommes trek in ’n oliebolJe kop roakt d’r vast nie van op hol!Je loâ je waige of suipt ’n bierJe host, je lach..igt, je haift pelsier..En heel de stoet bralde mee voor ’n tentje, in walmig bleek oranjeschijnsel:[315]—Je host, je lach-igt, je haif pelsierJe loâ je waige, je suipt je bier!Voor den stoomdraaimolen gierde juichende menschendrom.Zondagavondsche kermisjoel was in verpletterend uitbarstenden zwier aangestormd. Van alle kermishoeken uit, brandden lampions, rood-oranje, geel-groene gloor, tusschen flambouwengoud en brandstapelig vonkgevlam van poffertjeskraam-ovens, waarop ’t vuur knapperde en tonglikte, rood ommistend de gloeikleurige tenten.’t Zigzagde in de brandroode lucht van lampions-kronkels en vlammige boogpoorten boven de oranjige walmkoppen.De stoomdraaimolen raasde in wenteling en verroffelde vernielende geruchten rond, onder den hel-paarsen brand van elektriek. Van binnen uit, achter barokstijl van zuilen en tempelbogen, kringden òm in rutschbaangolving, venetiaansche gondels, vurig beboegd, met gondeliers in tomaatroode gewaden, sloepen en baldakijnen, hermelijn-blank oversneeuwd in ’t helle licht, tusschen flakkerenden duizel van spiegels en ruiten. Moorsche kioskjes, fel in vlam van heete kleuren, zwalkten op baren van schitterige glansen, avondzonnende sfeer van elektriek.En telkens, andere sloepen en gondels draaiden vóór, in roffelend gerucht; gondels, die de grof-koppige gondeliers als Graal-karikaturen, op zwaanhalzige bootjes, met hun zilverende schubbenkleedij, in hellen gloed gevangen hielden. Als ’n zondvloedstorm zwalpte de infernale roffel van den stoommolen tusschen de saamgestampte licht-overschroeide kijkmassa. Gekraak en gekreun kermde er neer uit de sloepjes, brallend geschater uit heesche strotten. En als Satanssignaal verschalde de stoomfluit van den molen, angstgegil van ’n misthoorn, door den brandenden woel heen, spiraal van demonisch gerucht over de daverende en jammerende drommen snerpend, verstervend in klagelijk geloei langs de duisterende polderzee.—Broeisfeer van kermis smeulde rook-rooder en goudmistiger[316]òp in den zomer-zwoelen avond. Om en achter de tenten en spellen in ’t duister, doken kerels áán met meiden, in rauwe genotskreun, zat en lijflog van uitgedierlijkten zwijmel. Politie deed schuchteren rondgang daartusschen, waagde zich nauw onder de mesklare vechters. Uit de bont-gloeiende poffertjeskramen, langs ’t duisterend plankwerk, plofte plots ’n rij korte, lallende boertjes, vetbuikige-ingedrongen gestaltetjes, begoudschemerd van ovengloed. Hun koppen grijnsden dronken, bietig-purper; hun bezopen oogen verfonkelden lol, en hun glanzende pofpetten reepten ’n zwarte lijn boven hun tronies. In hun midden herkuulde ’n paal-lange reus, slungel met smallen zeehondenkop, wreed loerend uit loensche oogen. Donker bonkten z’n schonken boven de lage rij pofpetten uit.—Boerbuikjes spanden, armpjes wrongen, beentjes, breed gezakt in klepbroekenplooien, zwommen en trampelden rond in den oranje lichtmist, en vóórt sliertte de met armen-ingehaakte slingerrij, van den vuurschijn uit, ’t duister in.—Pal in de flakkerende flambouwing van de luchtschommels doemden ze weer òp, begloeiend de tronies, zwammig geel neerbrandend op monden, kaaklijnen, woelend woest in oogholten. Telkens gleed wisselenden lichtglans over den boertjesstoet als vóór hen, een dolle dans van dwars voorbij rennende kerels en wijven, okerenden rosglans van ovens en lampen opslurpte.Vlak voor de kleine boertjes uit, met den reuzigen slungel in ’t midden die meedonkerde als gemoerde lantaarnpaal waarop pofpet piekte, kankaneerden vier woest-dronken Kerkervaartsche meiden, in flappering van rokken en kanaljeuse lijfontblooting, zwierig zwirrelend omschuimd van witte onderplunje, kolkend tusschen hun dans-duivelige kuiten. Ze draaiden en raasden in hun eigen kolkender rokkenschuim als dolle kollen.—Met opene zangmonden, in keelbrand roodgeslagen door ’t licht, koppen hemelwaarts, gilden ze rond, tamboerijnend met de woeste knuisten op kindertrommeltjes, kannibalige geruchten verroffelend. Ze spuwden in den kermiswoel, horlepijpten[317]de beenen in wilde harlekinade, en d’r kleurige zondagsche plunje, oranjerood met d’r vieren, vervlamde in ’t fakkelgoud, overal waar hun hos langs schoot.Donk’re kerelsstoet zeilde schuin àf op kleine boertjesrij, haakte zich vast aan armstompjes en snel in kringloop cirkelden ze zich wijd om de dronken gillende meiden, die schaterend-woest zich plots ingesloten voelden.—Boerenkoppen glunderden zinlijk en wreed van passie in gloedwalmend roodgeel schijnsel van ovens en lampetten. Boerenbeentjes klein en zwaar van krachtspanning, trampelden weer stuipend. De groote slungel, schonkig en donker boven de pofpetten uitreuzend, gierde en pagaaide z’n beenen in dronken spartel voor zich uit. Z’n zeehondenkop met puntige kinnespits, was beschuimd van uitgebrald spog, en z’n karikatuurhanden, knepen krampig van pret in de schouders van twee boertjes waar ie tusschen gekneld waggelde.—Politie had ’t duivelende meidenstel in hun jool van rokken-lawaai, in hun stem-bezetenheid en hysterischen waanzinroes zien steigeren, en met schrik de boertjes zich zien storten op de dronken furies, die heftig terugbonkten. Een van de vier dronken vrijsters, lang en schraal, stond waggelend neusklankerig te stoethaspelen, drukte d’r hoofd in den nek na wat wezenloozen woordenstamel, zoog de flesch aan den mond en klokkerde ’r drankje in, knie-ingezakt van passie. Aan haar arm ingehaakt, al de rokken opgesjord, gilde ’n klein blondje, krijscherig als ’n zuigeling:—Aooaau-uw! waa’t ’n ska-ande!De twee andere meiden slingerden mee met de dansschokken van de hysterische blonde, die lach-hinnekend, in polderkerelkracht d’r dronken vriendinnen, dàn naar zich toesleurde, dàn weer van zich afstootte.En rond hen, de tronies-wreede boertjeskring, buikzwaar en kortbeenig, met den paljaslach van den schonkigen donk’ren herkuul er boven uitrochelend.—[318]Boerenstoet, nu in kring met vreemde kerels rond geschakeld, aarzelde met nieuwen aanval op de meiden. Toen plots drongen de vreemde knapen vooruit en smakten zich woest op de vier bezetenen, hel in hun oranje-roode blouses en rokken. Hun zangekerm brak even àf, en in spuwende verachting spogen ze de kerels ’n stroom kleurige confettis in de tronies, hun lijven in wilden woel, ruisch en druisch, rondspiralend in eindlooze serpentiens.—De meiden, hoonend in hun woeste kracht, trampelden rond dat de serpentiens knapten op hun lijven. Twee kerels mikten hun de slangelinten in de zanglallende monden, kronkelden ze tusschen hun ontbloote beenen, en de boertjes in wreeden zinneschater, kringden nauwer áán. De meiden, doller in al engeren krans zich voelend, haakten zich armlos, trampelden de boertjes op de tonnige korpulente buikjes, mokerden vuisthevig in de gloed-geschroeide kerelstronies. En haveloozer overkolkt van rokkenschuim, kankaneerden ze zich los tegen den boertjes-muur, die de bezetenen weer met woesten smak den kring inwaggelden.Besefloos en òp hijgden twee meiden uit, met bloederig gevlek van karmijn-valen schijn op de kaken.Politiemannetjes onrustiger, rukten áán, sloegen zich nu gemaakt-driftig door den boerenkring heen, botsten de dronken kerels wèg, verkneuzend hun papieren ruikerpracht op borst, hoofd, rug en dijen.Maar de kerels waggelden in nijdigen haast bijéén met hun afgezakte kleeren, losgerukte broeken en jassen, in dronken gier harlekineerend met kleurigen flapper van linten en mutsen. Al dichter verschuifelden ze naar bakovenbrand van grootste wafelenkraam, zwaar gebarend in protest, om ’t weggeduw der politie;—daar groeiend tegen den rossigen vulkanischen lichtschroei als waggelende titanen. Vermanend-schuchter drongen de wetsmannen áán, de dol-gierende meiden praaiend naar kalmte.Maar de furiën overmoediger raasden òp, stotterden van dronken drift, spogen, vloekten en scholden op de agenten, mokerden[319]plots tegelijk als op bevel, met woeste beukvuisten op de koperende gloedhelmen in.De lange schrale meid met ’t „hápje” in ’r hand, kwijlde en zoop slurperig-lang tot den laatsten drup, zwierde toen plots de flesch op de keien dat ’r schervengedruisch kletterde rond de helmmannen. Dan greep ze, met twee handen bijéen haar roodhellen rok, knoopte de punten hoog op de heupen vast, en stormde, de vuisten tot mokers gekneld, in dronken draf op een klein agentje àf.Fakkelgloed goot rood-gele verglijende schijnsels op de gouden helmen, die standjesachtig-puntig bòven de pofpetten van weer aangedrongen boertjes, verdeukte hoeden en losharige meidkoppen weerlichtten in schramperig geglans.De meiden bijeenstrompelend in de haveloozen gier van hun ontbloote lijven en den driftbeef van hun passiemonden, woelden nog in kraak en slinger van afgeknapten serpentiens, kleurlinten, konfetti’s en losgebladerde ruikers. Als ’n kleurig netwerk zat hun verflodderde haartooi met konfetti’s en lintslippen volgekroest, als had avondhemel vurigen hagelslag over hun uitgestort. Twee meiden hadden hun trommels met de vuist in ’t perkament doorstooten, en bonkten er mee rond. ’t Blondje en de schrale, rukten zich de konfetti’s en lintslippen uit de haren, verkauwden de serpentiens en ruikers, en in steigerende razernij spogen ze kleurige fluimen de agent-bakkessen in.—Huilerige woedeklanken schorden ze uit, in wezenloozen zwijmel van gebaren. Vloeken, spuwden ze rond in liederlijke rauwheid, en straatdeunig schreiden hun dronken stemmen tegen elkaar in.—Lies, krijschte de magere, jai stoan d’r op de valraip.. kom kerlinike.. kom- ker.… linike.… kom!.… ikke seg … da d’r ’n hap is!—en ’n nieuwe flesch zwierde ze in hoonenden jool boven hun kleurig-behagelde koppen, heete beestschaters uitproestend voor verblufte agenten en kijkers. De boertjes sprongen weer brutaler bij, aangelokt door de stoute furiën, trappelden en ranselden klappen en boffen rond, in snauwende vloeken.—Toe, hitste Lies, in hysterischen krijsch, met ’n stem van ’n[320]straatorgelbas, zelf doller met ’r vuistmokers rondzwaaiend dat ’r niemand te na kwam,—toe! gaif jai d’r die klebak ’n handskoen da s’n bofedeurtje deur de muur hainskiet!—Gain groasje! gain groasje, dood an die swaine, trek jullie.. d’r ’n poar kiese! roggelde de schrale weer, kwijlspuwend en trappend de rokken tot d’r borsten opgesjord.——Gain proatjes op d’r laif! sloan hullie.… achter ’t tessie, hinnikte ’t sterke blondje, die worstelde in zenuwroetige en stuipende kracht met ’n agentje, van wien ze de sabel had losgerukt.—Toen hadden de helmmannen er genoeg van. Ze vreesden de razernij der kerels rond om niet meer. ’n Signaal snerpte door den rochelenden bral van stemmen en in draf stormden helpers áán.Met vijf zwaaien van de blink-helle sabels schoot boertjeskrans uitéén, waggelde ontdane kerelsstoet wèg, in krolschen krijsch, stonden de meiden alleen tusschen den helmendrom, die hoogkoperde en lichtflitste in rood-gelen walmgloed.Half dood van zenuwuitputtenden worstel zonken de dronken furies op elkaar wèg, half ontbloot, de havelooze plunje morsig vertrapt, de gekneusde beenen dooréén gewarreld. Ze hijgden, en de lange schrale onderaan, die in den struikel, d’r drie vriendinnen boven zich kreeg gesmakt, lag plat op ’r buik, grabbelde nog, zenuwspartelend naar haar flesch die onder de kreunende borst van ’t blondje uithalsde.Raak stootten de agenten ze als gestruikelde paarden op de beenen, en hoshos in boei, sleepten ze de geschonden furies naar ’t stadhuis. De schrale Lies liet zich sleuren langs de keien, half op ’r buik, waar de geboeide handen onder krampten als korte vinnen. In modder sleepte ze voort, tot eindelijk twee helmmannen ’r bij de beenen en losharige kop oplichtten, haar brankarig voortsjokkerden onder woest gegier, schel gefluit en geschater van meeschuifelenden menschendrom.—’t Blondje, trapte en spoog dat de helmmannen ’r mepten in de verwoede tronie, stompten op de hijgende borsten, sterker haar knuisten bijeenknellend in de boeien. Maar ze[321]trapte zich naakt dat de helmmannen ’r telkens den vuurrooien rok, en ’t schuimende ondergoed moesten neerslaan. Achter den dronken stoet áán, in trein-woesten daver, trampelden kijkers in joelkring, en voorbij ging ’t in den oranjigen walmgloed van fakkels, gaspitten en lampetten.Duister gegier, getrampel en fluiterig-oproerig geraas brasten in donk’re hoeken, en voort rukten de agenten, recht uit naar ’t Stadhuis.—D’r goan d’r vier Kerkfoarters de bak in, krijschten jochies, kerels en meiden dooreen, met angstklank van politieverzet in de ontstelde toch oproerige stemmen, vechtlustig doortrild van haat tegen ’t helmstoetje.Dwars door de kermishitte, in ’t demonengoud en pralig gefonkel, rukten ze voort de ordemannen, en plots zwenkten ze steegje door, op ’t stadhuis áán. Toen, met ’n sleur rukten ze de meiden stoep-end òp, en stootten ze waggelend de gang in. Dof gekrijsch uit de dronken meidenkelen heeschte nà, verward, rochelend als uit moordkelen, klam en verwurgd, en met slag van baas-zijn, smakten de agenten de deuren voor de neuzen van kijkers en meeloopers dicht, dat ’n rouw gejoel uit den menschendrom opraasde, in ’n woeste alliteratie van wraak, al was ’t maar in hoongeluid alleen.Stom en strompelend waren de geboeide furiën de bak ingeduwd.Even verbluft maar, braste en bruiste de stoet weer voort, satanisch d’r woelzangen verkrijschend in oproerigen vechtlustigen jubel, rennend naar Baanwijk, of daar wat gebeuren ging.
[Inhoud]V.Vóór de paard-draaimolens stonden de neven Hassel. Achter hen golfde ’t van kijkers en gillers.De havenhuizen rompig, rossigden gevel-naakt in den schrik van ’t licht, en de lage ruiten gloorden in bloedrood, groen-geel en goud geschijnsel, weerkaatsing van bakovens, lampions en kleurige hosstoeten, voorbijrennend.In heel eigen, geel-gouden sfeer, wentelde de paard-draaimolen. Uit binnensten kring van lamplicht, dreunde ’n orgel, ééndeunig, en ’t donk’re paard, den draaimolen in gang trekkend, duisterend, èven belicht aan z’n kop, liep in ’n eeuwigen cirkel, groezelig achter lichtjool. Binnenste lampenkring brandde in geelrood afgebeuld licht, bleek neergroezelend over zwart fluweel, onder de kleurwemelende kap, meer naar voren moorschen brand van glansjes en flitsjes verfonkelend tusschen zilverig ornamentwerk, gitkleurig kralenspel en doorgloeide franje.Een duizel van kringlichtjes spetterde er rond. Tusschen ’t belgeklingel, in gang zettend en afbrekend elke ronde, wiegelden de hobbelpaarden en schommelschuitjes, vettig befluweeld, donkerrood en groenig. En àl ouderwetscher, naast den stoomdraaimolen met z’n hel elektriek, wentelde de karoussel, in ’n stillen klater van kleurtjes en lichtjes; vlamde en bruiste òp, uit tooverballettigen gloei van voorsten lampenkring, praal van zilverkraal en goudstiksels. Dàn wegwaggeling van pluche, dàn opschommeling van fluweel, in één draai en duizel van avondkleuren, omdruischt van tegen-elkaar indreunende orgelstrotten.—De koperen stangen,—tusschen de kromklauwige leeuwen en tijgers, met hun druipende grimmige bloedmuilen,—schichtigden rond in glanzend goudstavig geel. Warrel en tegenwarrel âl om van rood en paars, rose en zilver, borduursels en fluweel, spiegelglans en bontstralend gekraal, draaiend, al draaiend in[312]een damp van dof-tonig, mat-schitterend goud, soms plots overgloeid in duizel van glanskronige-prisma’s, als vonkvliegend raderwerk.En ééndeunig, troosteloos van jammer-geluid kermde ’t orgel binnen-in, één deun, één deun.—Bij nieuwen rondgang waren Piet en Willem, Dirk en Grint, en al de meiden in den karoussel gesprongen, in vasthakenden smak op beestruggen en draaiende baldakijnen.—Dirk was pardoes op schoot van Geert gesmakt, zoende en begrabbelde haar dat ze ingesmoord en onmachtig weggezonken, tegen ’t lijf van ’n andere meid zuchtte en kermde naar lucht, onder z’n brandenden aanval. Schatergil en zang duizelde mee in den dollen molendraai, en van allen kant nu strompelden de kerels op de meiden, zoenden en kletterden ze nat, met wangenzuig en kokenden adem.—Geert Grint’s zwart-mooie kop stond flets en roodvlekkig van de wilde zoenen, ’t haar afgezakt, verfladderd langs de ooren. Guurt Hassel zat met natte wangen, half versuft, ’r rokkenboel opgesjord, knuisten op de knie, ’t korpulente lijf weggekrampt achter woest-losgebarsten Jan Grint. Ze had ’m gebeten in z’n oor en handen van woede. Als dat nou eens haar sekretarie-heertje gezien had, was z’m t’met kwijt, voor goed. Ze vervloekte Jan, met bevende driftkaken, dat de vent na z’n eersten overmoed, verbluft zwijgend rondkeek.De molen was voor den tweeden keer in gang geluid, en weer bleven ze zitten, dubbel betalend.Dirk, Hazewind en Rink waren met hun drieën in een kleinmallemolentjegesprongen, dat tol-snel draaide om eigen spil, ìn den grooten karousselwentel. Ze hadden ’n jochie gehuurd die hun draaide, al maar draaide. Met hun handen de stangen omklauwend tolden ze rond, al sterker rondgekeild in wilder furie door schaterend jochie, dat lol had in den dollen dans. Met hun duizelhoofden naar elkaar toegebogen, leken ze in den razenden tol, één log donker lijf, monsterkoppig met drie tronies, lijf dat wiegel-waggelde op donker heupenstel. De meiden en jongens rondom de karoussel gierden ’t uit, toen ze de kerels[313]zoo suf met de inéénloopende tronies bij elkaar gebukt, zagen zitten in dollen duizel, half bezwijmd.—En vuriger wentelde ’t jochie denmallemolen, verblindend in den koperen stangenflakker, tot bel klingelde en stoppen seinde.Met een sprong renden Willem, Jan, Henk van hun baldakijns, hielpen de verwaaide bestormde meiden uit plooikronkels van hun kleeren.—Dirk, Hazewind en Rink wilden opstaan maar bonsden scheef tegen elkaar op.—Eindelijk in drift, plofte Dirk uit ’t mallemolentje, zwaaide woest nog in naduizel tegen ’n schaterenden meidenstoet op, schoot in ’n dronken zeil van armen en bovenlijf midden in de Hassels en Grintjes. De lange Rink, waggelend en braak-ziek van ’t tollen, smakte plat op de straat, met z’n kop tegen de pooten van ’n vooruitstaand stalletje, dat ie bloedde bij de slapen. Maar niets wou ie ’r van weten. Bemodderd met stoffig vuil scharrelde ie weer òp, lacherig nazwaaiend en schreeuwend:—Maide, nou in de stoomdroaimole.. dâ hier is d’r debies! dubbel debies! je braikt d’r hier je allemenak!.. inne de stoommole.. doar kâ je ’n stuk van de toart happe.. daa’s puur veul fainer.. de rais!—Ikke rais d’r alletait eereste klas, moar ’t mot d’r drie moal opstoan vat je! lolde Piet.—Neenet pinkebul! drong Dirk op, en Willem méé, eerest hier wa fraite.… poone! aiêres!.… hee maid! stal uit! wa hai je d’r veur lekkers!Dientje schrok. Ze hoorde de dronken stemmen van oom Dirk en Piet, en de andere Hassels. Maar Dirk herkende ’t dochtertje van Kees niet, zag alleen vreetwaar, vettig en glimmig. Bij stapels rukten Dirk en Willem de poonen en scharren uit ’t kinderknuistje, en de reuzige klauw van Rink stopte ’t kind ’n rijksdaalder in de hand. Gerekend werd er niet.—Dá’ mot moar net an weuse.. bi jai besuikerd, bromde Rink.—En ’t wàs goed, dat voelde Dientje ook wel.Vóór ’t stalletje brokkelden de kerels en meiden de poonen open, en hapten in ’t blanke vet en vleesch.[314]Zoetig broeide de bakolie rond in walmstanken.—Hee Dirk! waa’s dat! frait jai d’r puur op ’n droogie! jai kakkerlak! woar is ’t kind? wie wiegt d’r ’t klaintje? jai Hoasewind?Piet uit ’n hoek, kwam aanzwaaien met de jeneverkruik, dwars door ’n warreltroep die langs hen hoste.—En in koeterwaalsche uitstottering van vleinaampjes tegen den drank, sputterde ie naar de meiden:—Enne liefe makraile.… lekkere pokhoagels.. dottesnolle.. waa’t sel ’t weuse op haide veur de doàmes.—Nou! wai suipe d’r vast nie op de keie, bitste Guurt.—Daa’s jou maines, moar maines nie, want ikke leg d’r ’n urretje, schaterde Marie Pijler, de kasteleinsdochter, die net bij ’t troepje aangeland was.—Daa’s toal mestvarke! jai bint d’r gain snaiboon, sien maide! sloan jullie d’r ’n gat in de kruik, hitste Rink.—Jai bint d’r vast gain kalf mi ’t natte neus, lodderde Piet na.—Joà, proeste de furiënde blonde, op dâ terrain bi’k deurpokt en deurmoaselt.… wâ jou Hoasefind? Moar wâ selle wai doen mi sonders woafels en oliebolle.. main aiêrs motte sakke.. ikke hep d’r al drie en dertig bikkelharde in main pins.—Alloo maa’ne! hoale.. hoale! schaterde Trijn.—Doar mo’k niks van heefte, bazuinde Rink, jelie mot d’r nog soo veul, langsaampies maid.. dan braikt ’tlaintjenie!—Kaik daa’s sneu! set jai nou us de kat bai ’t spek! hee wâ?—Wa sneu! bulderde Rink weer, jou kakkerlak! sing mee.. sing mee:Heb jai sommes trek in ’n oliebolJe kop roakt d’r vast nie van op hol!Je loâ je waige of suipt ’n bierJe host, je lach..igt, je haift pelsier..En heel de stoet bralde mee voor ’n tentje, in walmig bleek oranjeschijnsel:[315]—Je host, je lach-igt, je haif pelsierJe loâ je waige, je suipt je bier!Voor den stoomdraaimolen gierde juichende menschendrom.Zondagavondsche kermisjoel was in verpletterend uitbarstenden zwier aangestormd. Van alle kermishoeken uit, brandden lampions, rood-oranje, geel-groene gloor, tusschen flambouwengoud en brandstapelig vonkgevlam van poffertjeskraam-ovens, waarop ’t vuur knapperde en tonglikte, rood ommistend de gloeikleurige tenten.’t Zigzagde in de brandroode lucht van lampions-kronkels en vlammige boogpoorten boven de oranjige walmkoppen.De stoomdraaimolen raasde in wenteling en verroffelde vernielende geruchten rond, onder den hel-paarsen brand van elektriek. Van binnen uit, achter barokstijl van zuilen en tempelbogen, kringden òm in rutschbaangolving, venetiaansche gondels, vurig beboegd, met gondeliers in tomaatroode gewaden, sloepen en baldakijnen, hermelijn-blank oversneeuwd in ’t helle licht, tusschen flakkerenden duizel van spiegels en ruiten. Moorsche kioskjes, fel in vlam van heete kleuren, zwalkten op baren van schitterige glansen, avondzonnende sfeer van elektriek.En telkens, andere sloepen en gondels draaiden vóór, in roffelend gerucht; gondels, die de grof-koppige gondeliers als Graal-karikaturen, op zwaanhalzige bootjes, met hun zilverende schubbenkleedij, in hellen gloed gevangen hielden. Als ’n zondvloedstorm zwalpte de infernale roffel van den stoommolen tusschen de saamgestampte licht-overschroeide kijkmassa. Gekraak en gekreun kermde er neer uit de sloepjes, brallend geschater uit heesche strotten. En als Satanssignaal verschalde de stoomfluit van den molen, angstgegil van ’n misthoorn, door den brandenden woel heen, spiraal van demonisch gerucht over de daverende en jammerende drommen snerpend, verstervend in klagelijk geloei langs de duisterende polderzee.—Broeisfeer van kermis smeulde rook-rooder en goudmistiger[316]òp in den zomer-zwoelen avond. Om en achter de tenten en spellen in ’t duister, doken kerels áán met meiden, in rauwe genotskreun, zat en lijflog van uitgedierlijkten zwijmel. Politie deed schuchteren rondgang daartusschen, waagde zich nauw onder de mesklare vechters. Uit de bont-gloeiende poffertjeskramen, langs ’t duisterend plankwerk, plofte plots ’n rij korte, lallende boertjes, vetbuikige-ingedrongen gestaltetjes, begoudschemerd van ovengloed. Hun koppen grijnsden dronken, bietig-purper; hun bezopen oogen verfonkelden lol, en hun glanzende pofpetten reepten ’n zwarte lijn boven hun tronies. In hun midden herkuulde ’n paal-lange reus, slungel met smallen zeehondenkop, wreed loerend uit loensche oogen. Donker bonkten z’n schonken boven de lage rij pofpetten uit.—Boerbuikjes spanden, armpjes wrongen, beentjes, breed gezakt in klepbroekenplooien, zwommen en trampelden rond in den oranje lichtmist, en vóórt sliertte de met armen-ingehaakte slingerrij, van den vuurschijn uit, ’t duister in.—Pal in de flakkerende flambouwing van de luchtschommels doemden ze weer òp, begloeiend de tronies, zwammig geel neerbrandend op monden, kaaklijnen, woelend woest in oogholten. Telkens gleed wisselenden lichtglans over den boertjesstoet als vóór hen, een dolle dans van dwars voorbij rennende kerels en wijven, okerenden rosglans van ovens en lampen opslurpte.Vlak voor de kleine boertjes uit, met den reuzigen slungel in ’t midden die meedonkerde als gemoerde lantaarnpaal waarop pofpet piekte, kankaneerden vier woest-dronken Kerkervaartsche meiden, in flappering van rokken en kanaljeuse lijfontblooting, zwierig zwirrelend omschuimd van witte onderplunje, kolkend tusschen hun dans-duivelige kuiten. Ze draaiden en raasden in hun eigen kolkender rokkenschuim als dolle kollen.—Met opene zangmonden, in keelbrand roodgeslagen door ’t licht, koppen hemelwaarts, gilden ze rond, tamboerijnend met de woeste knuisten op kindertrommeltjes, kannibalige geruchten verroffelend. Ze spuwden in den kermiswoel, horlepijpten[317]de beenen in wilde harlekinade, en d’r kleurige zondagsche plunje, oranjerood met d’r vieren, vervlamde in ’t fakkelgoud, overal waar hun hos langs schoot.Donk’re kerelsstoet zeilde schuin àf op kleine boertjesrij, haakte zich vast aan armstompjes en snel in kringloop cirkelden ze zich wijd om de dronken gillende meiden, die schaterend-woest zich plots ingesloten voelden.—Boerenkoppen glunderden zinlijk en wreed van passie in gloedwalmend roodgeel schijnsel van ovens en lampetten. Boerenbeentjes klein en zwaar van krachtspanning, trampelden weer stuipend. De groote slungel, schonkig en donker boven de pofpetten uitreuzend, gierde en pagaaide z’n beenen in dronken spartel voor zich uit. Z’n zeehondenkop met puntige kinnespits, was beschuimd van uitgebrald spog, en z’n karikatuurhanden, knepen krampig van pret in de schouders van twee boertjes waar ie tusschen gekneld waggelde.—Politie had ’t duivelende meidenstel in hun jool van rokken-lawaai, in hun stem-bezetenheid en hysterischen waanzinroes zien steigeren, en met schrik de boertjes zich zien storten op de dronken furies, die heftig terugbonkten. Een van de vier dronken vrijsters, lang en schraal, stond waggelend neusklankerig te stoethaspelen, drukte d’r hoofd in den nek na wat wezenloozen woordenstamel, zoog de flesch aan den mond en klokkerde ’r drankje in, knie-ingezakt van passie. Aan haar arm ingehaakt, al de rokken opgesjord, gilde ’n klein blondje, krijscherig als ’n zuigeling:—Aooaau-uw! waa’t ’n ska-ande!De twee andere meiden slingerden mee met de dansschokken van de hysterische blonde, die lach-hinnekend, in polderkerelkracht d’r dronken vriendinnen, dàn naar zich toesleurde, dàn weer van zich afstootte.En rond hen, de tronies-wreede boertjeskring, buikzwaar en kortbeenig, met den paljaslach van den schonkigen donk’ren herkuul er boven uitrochelend.—[318]Boerenstoet, nu in kring met vreemde kerels rond geschakeld, aarzelde met nieuwen aanval op de meiden. Toen plots drongen de vreemde knapen vooruit en smakten zich woest op de vier bezetenen, hel in hun oranje-roode blouses en rokken. Hun zangekerm brak even àf, en in spuwende verachting spogen ze de kerels ’n stroom kleurige confettis in de tronies, hun lijven in wilden woel, ruisch en druisch, rondspiralend in eindlooze serpentiens.—De meiden, hoonend in hun woeste kracht, trampelden rond dat de serpentiens knapten op hun lijven. Twee kerels mikten hun de slangelinten in de zanglallende monden, kronkelden ze tusschen hun ontbloote beenen, en de boertjes in wreeden zinneschater, kringden nauwer áán. De meiden, doller in al engeren krans zich voelend, haakten zich armlos, trampelden de boertjes op de tonnige korpulente buikjes, mokerden vuisthevig in de gloed-geschroeide kerelstronies. En haveloozer overkolkt van rokkenschuim, kankaneerden ze zich los tegen den boertjes-muur, die de bezetenen weer met woesten smak den kring inwaggelden.Besefloos en òp hijgden twee meiden uit, met bloederig gevlek van karmijn-valen schijn op de kaken.Politiemannetjes onrustiger, rukten áán, sloegen zich nu gemaakt-driftig door den boerenkring heen, botsten de dronken kerels wèg, verkneuzend hun papieren ruikerpracht op borst, hoofd, rug en dijen.Maar de kerels waggelden in nijdigen haast bijéén met hun afgezakte kleeren, losgerukte broeken en jassen, in dronken gier harlekineerend met kleurigen flapper van linten en mutsen. Al dichter verschuifelden ze naar bakovenbrand van grootste wafelenkraam, zwaar gebarend in protest, om ’t weggeduw der politie;—daar groeiend tegen den rossigen vulkanischen lichtschroei als waggelende titanen. Vermanend-schuchter drongen de wetsmannen áán, de dol-gierende meiden praaiend naar kalmte.Maar de furiën overmoediger raasden òp, stotterden van dronken drift, spogen, vloekten en scholden op de agenten, mokerden[319]plots tegelijk als op bevel, met woeste beukvuisten op de koperende gloedhelmen in.De lange schrale meid met ’t „hápje” in ’r hand, kwijlde en zoop slurperig-lang tot den laatsten drup, zwierde toen plots de flesch op de keien dat ’r schervengedruisch kletterde rond de helmmannen. Dan greep ze, met twee handen bijéen haar roodhellen rok, knoopte de punten hoog op de heupen vast, en stormde, de vuisten tot mokers gekneld, in dronken draf op een klein agentje àf.Fakkelgloed goot rood-gele verglijende schijnsels op de gouden helmen, die standjesachtig-puntig bòven de pofpetten van weer aangedrongen boertjes, verdeukte hoeden en losharige meidkoppen weerlichtten in schramperig geglans.De meiden bijeenstrompelend in de haveloozen gier van hun ontbloote lijven en den driftbeef van hun passiemonden, woelden nog in kraak en slinger van afgeknapten serpentiens, kleurlinten, konfetti’s en losgebladerde ruikers. Als ’n kleurig netwerk zat hun verflodderde haartooi met konfetti’s en lintslippen volgekroest, als had avondhemel vurigen hagelslag over hun uitgestort. Twee meiden hadden hun trommels met de vuist in ’t perkament doorstooten, en bonkten er mee rond. ’t Blondje en de schrale, rukten zich de konfetti’s en lintslippen uit de haren, verkauwden de serpentiens en ruikers, en in steigerende razernij spogen ze kleurige fluimen de agent-bakkessen in.—Huilerige woedeklanken schorden ze uit, in wezenloozen zwijmel van gebaren. Vloeken, spuwden ze rond in liederlijke rauwheid, en straatdeunig schreiden hun dronken stemmen tegen elkaar in.—Lies, krijschte de magere, jai stoan d’r op de valraip.. kom kerlinike.. kom- ker.… linike.… kom!.… ikke seg … da d’r ’n hap is!—en ’n nieuwe flesch zwierde ze in hoonenden jool boven hun kleurig-behagelde koppen, heete beestschaters uitproestend voor verblufte agenten en kijkers. De boertjes sprongen weer brutaler bij, aangelokt door de stoute furiën, trappelden en ranselden klappen en boffen rond, in snauwende vloeken.—Toe, hitste Lies, in hysterischen krijsch, met ’n stem van ’n[320]straatorgelbas, zelf doller met ’r vuistmokers rondzwaaiend dat ’r niemand te na kwam,—toe! gaif jai d’r die klebak ’n handskoen da s’n bofedeurtje deur de muur hainskiet!—Gain groasje! gain groasje, dood an die swaine, trek jullie.. d’r ’n poar kiese! roggelde de schrale weer, kwijlspuwend en trappend de rokken tot d’r borsten opgesjord.——Gain proatjes op d’r laif! sloan hullie.… achter ’t tessie, hinnikte ’t sterke blondje, die worstelde in zenuwroetige en stuipende kracht met ’n agentje, van wien ze de sabel had losgerukt.—Toen hadden de helmmannen er genoeg van. Ze vreesden de razernij der kerels rond om niet meer. ’n Signaal snerpte door den rochelenden bral van stemmen en in draf stormden helpers áán.Met vijf zwaaien van de blink-helle sabels schoot boertjeskrans uitéén, waggelde ontdane kerelsstoet wèg, in krolschen krijsch, stonden de meiden alleen tusschen den helmendrom, die hoogkoperde en lichtflitste in rood-gelen walmgloed.Half dood van zenuwuitputtenden worstel zonken de dronken furies op elkaar wèg, half ontbloot, de havelooze plunje morsig vertrapt, de gekneusde beenen dooréén gewarreld. Ze hijgden, en de lange schrale onderaan, die in den struikel, d’r drie vriendinnen boven zich kreeg gesmakt, lag plat op ’r buik, grabbelde nog, zenuwspartelend naar haar flesch die onder de kreunende borst van ’t blondje uithalsde.Raak stootten de agenten ze als gestruikelde paarden op de beenen, en hoshos in boei, sleepten ze de geschonden furies naar ’t stadhuis. De schrale Lies liet zich sleuren langs de keien, half op ’r buik, waar de geboeide handen onder krampten als korte vinnen. In modder sleepte ze voort, tot eindelijk twee helmmannen ’r bij de beenen en losharige kop oplichtten, haar brankarig voortsjokkerden onder woest gegier, schel gefluit en geschater van meeschuifelenden menschendrom.—’t Blondje, trapte en spoog dat de helmmannen ’r mepten in de verwoede tronie, stompten op de hijgende borsten, sterker haar knuisten bijeenknellend in de boeien. Maar ze[321]trapte zich naakt dat de helmmannen ’r telkens den vuurrooien rok, en ’t schuimende ondergoed moesten neerslaan. Achter den dronken stoet áán, in trein-woesten daver, trampelden kijkers in joelkring, en voorbij ging ’t in den oranjigen walmgloed van fakkels, gaspitten en lampetten.Duister gegier, getrampel en fluiterig-oproerig geraas brasten in donk’re hoeken, en voort rukten de agenten, recht uit naar ’t Stadhuis.—D’r goan d’r vier Kerkfoarters de bak in, krijschten jochies, kerels en meiden dooreen, met angstklank van politieverzet in de ontstelde toch oproerige stemmen, vechtlustig doortrild van haat tegen ’t helmstoetje.Dwars door de kermishitte, in ’t demonengoud en pralig gefonkel, rukten ze voort de ordemannen, en plots zwenkten ze steegje door, op ’t stadhuis áán. Toen, met ’n sleur rukten ze de meiden stoep-end òp, en stootten ze waggelend de gang in. Dof gekrijsch uit de dronken meidenkelen heeschte nà, verward, rochelend als uit moordkelen, klam en verwurgd, en met slag van baas-zijn, smakten de agenten de deuren voor de neuzen van kijkers en meeloopers dicht, dat ’n rouw gejoel uit den menschendrom opraasde, in ’n woeste alliteratie van wraak, al was ’t maar in hoongeluid alleen.Stom en strompelend waren de geboeide furiën de bak ingeduwd.Even verbluft maar, braste en bruiste de stoet weer voort, satanisch d’r woelzangen verkrijschend in oproerigen vechtlustigen jubel, rennend naar Baanwijk, of daar wat gebeuren ging.
[Inhoud]V.Vóór de paard-draaimolens stonden de neven Hassel. Achter hen golfde ’t van kijkers en gillers.De havenhuizen rompig, rossigden gevel-naakt in den schrik van ’t licht, en de lage ruiten gloorden in bloedrood, groen-geel en goud geschijnsel, weerkaatsing van bakovens, lampions en kleurige hosstoeten, voorbijrennend.In heel eigen, geel-gouden sfeer, wentelde de paard-draaimolen. Uit binnensten kring van lamplicht, dreunde ’n orgel, ééndeunig, en ’t donk’re paard, den draaimolen in gang trekkend, duisterend, èven belicht aan z’n kop, liep in ’n eeuwigen cirkel, groezelig achter lichtjool. Binnenste lampenkring brandde in geelrood afgebeuld licht, bleek neergroezelend over zwart fluweel, onder de kleurwemelende kap, meer naar voren moorschen brand van glansjes en flitsjes verfonkelend tusschen zilverig ornamentwerk, gitkleurig kralenspel en doorgloeide franje.Een duizel van kringlichtjes spetterde er rond. Tusschen ’t belgeklingel, in gang zettend en afbrekend elke ronde, wiegelden de hobbelpaarden en schommelschuitjes, vettig befluweeld, donkerrood en groenig. En àl ouderwetscher, naast den stoomdraaimolen met z’n hel elektriek, wentelde de karoussel, in ’n stillen klater van kleurtjes en lichtjes; vlamde en bruiste òp, uit tooverballettigen gloei van voorsten lampenkring, praal van zilverkraal en goudstiksels. Dàn wegwaggeling van pluche, dàn opschommeling van fluweel, in één draai en duizel van avondkleuren, omdruischt van tegen-elkaar indreunende orgelstrotten.—De koperen stangen,—tusschen de kromklauwige leeuwen en tijgers, met hun druipende grimmige bloedmuilen,—schichtigden rond in glanzend goudstavig geel. Warrel en tegenwarrel âl om van rood en paars, rose en zilver, borduursels en fluweel, spiegelglans en bontstralend gekraal, draaiend, al draaiend in[312]een damp van dof-tonig, mat-schitterend goud, soms plots overgloeid in duizel van glanskronige-prisma’s, als vonkvliegend raderwerk.En ééndeunig, troosteloos van jammer-geluid kermde ’t orgel binnen-in, één deun, één deun.—Bij nieuwen rondgang waren Piet en Willem, Dirk en Grint, en al de meiden in den karoussel gesprongen, in vasthakenden smak op beestruggen en draaiende baldakijnen.—Dirk was pardoes op schoot van Geert gesmakt, zoende en begrabbelde haar dat ze ingesmoord en onmachtig weggezonken, tegen ’t lijf van ’n andere meid zuchtte en kermde naar lucht, onder z’n brandenden aanval. Schatergil en zang duizelde mee in den dollen molendraai, en van allen kant nu strompelden de kerels op de meiden, zoenden en kletterden ze nat, met wangenzuig en kokenden adem.—Geert Grint’s zwart-mooie kop stond flets en roodvlekkig van de wilde zoenen, ’t haar afgezakt, verfladderd langs de ooren. Guurt Hassel zat met natte wangen, half versuft, ’r rokkenboel opgesjord, knuisten op de knie, ’t korpulente lijf weggekrampt achter woest-losgebarsten Jan Grint. Ze had ’m gebeten in z’n oor en handen van woede. Als dat nou eens haar sekretarie-heertje gezien had, was z’m t’met kwijt, voor goed. Ze vervloekte Jan, met bevende driftkaken, dat de vent na z’n eersten overmoed, verbluft zwijgend rondkeek.De molen was voor den tweeden keer in gang geluid, en weer bleven ze zitten, dubbel betalend.Dirk, Hazewind en Rink waren met hun drieën in een kleinmallemolentjegesprongen, dat tol-snel draaide om eigen spil, ìn den grooten karousselwentel. Ze hadden ’n jochie gehuurd die hun draaide, al maar draaide. Met hun handen de stangen omklauwend tolden ze rond, al sterker rondgekeild in wilder furie door schaterend jochie, dat lol had in den dollen dans. Met hun duizelhoofden naar elkaar toegebogen, leken ze in den razenden tol, één log donker lijf, monsterkoppig met drie tronies, lijf dat wiegel-waggelde op donker heupenstel. De meiden en jongens rondom de karoussel gierden ’t uit, toen ze de kerels[313]zoo suf met de inéénloopende tronies bij elkaar gebukt, zagen zitten in dollen duizel, half bezwijmd.—En vuriger wentelde ’t jochie denmallemolen, verblindend in den koperen stangenflakker, tot bel klingelde en stoppen seinde.Met een sprong renden Willem, Jan, Henk van hun baldakijns, hielpen de verwaaide bestormde meiden uit plooikronkels van hun kleeren.—Dirk, Hazewind en Rink wilden opstaan maar bonsden scheef tegen elkaar op.—Eindelijk in drift, plofte Dirk uit ’t mallemolentje, zwaaide woest nog in naduizel tegen ’n schaterenden meidenstoet op, schoot in ’n dronken zeil van armen en bovenlijf midden in de Hassels en Grintjes. De lange Rink, waggelend en braak-ziek van ’t tollen, smakte plat op de straat, met z’n kop tegen de pooten van ’n vooruitstaand stalletje, dat ie bloedde bij de slapen. Maar niets wou ie ’r van weten. Bemodderd met stoffig vuil scharrelde ie weer òp, lacherig nazwaaiend en schreeuwend:—Maide, nou in de stoomdroaimole.. dâ hier is d’r debies! dubbel debies! je braikt d’r hier je allemenak!.. inne de stoommole.. doar kâ je ’n stuk van de toart happe.. daa’s puur veul fainer.. de rais!—Ikke rais d’r alletait eereste klas, moar ’t mot d’r drie moal opstoan vat je! lolde Piet.—Neenet pinkebul! drong Dirk op, en Willem méé, eerest hier wa fraite.… poone! aiêres!.… hee maid! stal uit! wa hai je d’r veur lekkers!Dientje schrok. Ze hoorde de dronken stemmen van oom Dirk en Piet, en de andere Hassels. Maar Dirk herkende ’t dochtertje van Kees niet, zag alleen vreetwaar, vettig en glimmig. Bij stapels rukten Dirk en Willem de poonen en scharren uit ’t kinderknuistje, en de reuzige klauw van Rink stopte ’t kind ’n rijksdaalder in de hand. Gerekend werd er niet.—Dá’ mot moar net an weuse.. bi jai besuikerd, bromde Rink.—En ’t wàs goed, dat voelde Dientje ook wel.Vóór ’t stalletje brokkelden de kerels en meiden de poonen open, en hapten in ’t blanke vet en vleesch.[314]Zoetig broeide de bakolie rond in walmstanken.—Hee Dirk! waa’s dat! frait jai d’r puur op ’n droogie! jai kakkerlak! woar is ’t kind? wie wiegt d’r ’t klaintje? jai Hoasewind?Piet uit ’n hoek, kwam aanzwaaien met de jeneverkruik, dwars door ’n warreltroep die langs hen hoste.—En in koeterwaalsche uitstottering van vleinaampjes tegen den drank, sputterde ie naar de meiden:—Enne liefe makraile.… lekkere pokhoagels.. dottesnolle.. waa’t sel ’t weuse op haide veur de doàmes.—Nou! wai suipe d’r vast nie op de keie, bitste Guurt.—Daa’s jou maines, moar maines nie, want ikke leg d’r ’n urretje, schaterde Marie Pijler, de kasteleinsdochter, die net bij ’t troepje aangeland was.—Daa’s toal mestvarke! jai bint d’r gain snaiboon, sien maide! sloan jullie d’r ’n gat in de kruik, hitste Rink.—Jai bint d’r vast gain kalf mi ’t natte neus, lodderde Piet na.—Joà, proeste de furiënde blonde, op dâ terrain bi’k deurpokt en deurmoaselt.… wâ jou Hoasefind? Moar wâ selle wai doen mi sonders woafels en oliebolle.. main aiêrs motte sakke.. ikke hep d’r al drie en dertig bikkelharde in main pins.—Alloo maa’ne! hoale.. hoale! schaterde Trijn.—Doar mo’k niks van heefte, bazuinde Rink, jelie mot d’r nog soo veul, langsaampies maid.. dan braikt ’tlaintjenie!—Kaik daa’s sneu! set jai nou us de kat bai ’t spek! hee wâ?—Wa sneu! bulderde Rink weer, jou kakkerlak! sing mee.. sing mee:Heb jai sommes trek in ’n oliebolJe kop roakt d’r vast nie van op hol!Je loâ je waige of suipt ’n bierJe host, je lach..igt, je haift pelsier..En heel de stoet bralde mee voor ’n tentje, in walmig bleek oranjeschijnsel:[315]—Je host, je lach-igt, je haif pelsierJe loâ je waige, je suipt je bier!Voor den stoomdraaimolen gierde juichende menschendrom.Zondagavondsche kermisjoel was in verpletterend uitbarstenden zwier aangestormd. Van alle kermishoeken uit, brandden lampions, rood-oranje, geel-groene gloor, tusschen flambouwengoud en brandstapelig vonkgevlam van poffertjeskraam-ovens, waarop ’t vuur knapperde en tonglikte, rood ommistend de gloeikleurige tenten.’t Zigzagde in de brandroode lucht van lampions-kronkels en vlammige boogpoorten boven de oranjige walmkoppen.De stoomdraaimolen raasde in wenteling en verroffelde vernielende geruchten rond, onder den hel-paarsen brand van elektriek. Van binnen uit, achter barokstijl van zuilen en tempelbogen, kringden òm in rutschbaangolving, venetiaansche gondels, vurig beboegd, met gondeliers in tomaatroode gewaden, sloepen en baldakijnen, hermelijn-blank oversneeuwd in ’t helle licht, tusschen flakkerenden duizel van spiegels en ruiten. Moorsche kioskjes, fel in vlam van heete kleuren, zwalkten op baren van schitterige glansen, avondzonnende sfeer van elektriek.En telkens, andere sloepen en gondels draaiden vóór, in roffelend gerucht; gondels, die de grof-koppige gondeliers als Graal-karikaturen, op zwaanhalzige bootjes, met hun zilverende schubbenkleedij, in hellen gloed gevangen hielden. Als ’n zondvloedstorm zwalpte de infernale roffel van den stoommolen tusschen de saamgestampte licht-overschroeide kijkmassa. Gekraak en gekreun kermde er neer uit de sloepjes, brallend geschater uit heesche strotten. En als Satanssignaal verschalde de stoomfluit van den molen, angstgegil van ’n misthoorn, door den brandenden woel heen, spiraal van demonisch gerucht over de daverende en jammerende drommen snerpend, verstervend in klagelijk geloei langs de duisterende polderzee.—Broeisfeer van kermis smeulde rook-rooder en goudmistiger[316]òp in den zomer-zwoelen avond. Om en achter de tenten en spellen in ’t duister, doken kerels áán met meiden, in rauwe genotskreun, zat en lijflog van uitgedierlijkten zwijmel. Politie deed schuchteren rondgang daartusschen, waagde zich nauw onder de mesklare vechters. Uit de bont-gloeiende poffertjeskramen, langs ’t duisterend plankwerk, plofte plots ’n rij korte, lallende boertjes, vetbuikige-ingedrongen gestaltetjes, begoudschemerd van ovengloed. Hun koppen grijnsden dronken, bietig-purper; hun bezopen oogen verfonkelden lol, en hun glanzende pofpetten reepten ’n zwarte lijn boven hun tronies. In hun midden herkuulde ’n paal-lange reus, slungel met smallen zeehondenkop, wreed loerend uit loensche oogen. Donker bonkten z’n schonken boven de lage rij pofpetten uit.—Boerbuikjes spanden, armpjes wrongen, beentjes, breed gezakt in klepbroekenplooien, zwommen en trampelden rond in den oranje lichtmist, en vóórt sliertte de met armen-ingehaakte slingerrij, van den vuurschijn uit, ’t duister in.—Pal in de flakkerende flambouwing van de luchtschommels doemden ze weer òp, begloeiend de tronies, zwammig geel neerbrandend op monden, kaaklijnen, woelend woest in oogholten. Telkens gleed wisselenden lichtglans over den boertjesstoet als vóór hen, een dolle dans van dwars voorbij rennende kerels en wijven, okerenden rosglans van ovens en lampen opslurpte.Vlak voor de kleine boertjes uit, met den reuzigen slungel in ’t midden die meedonkerde als gemoerde lantaarnpaal waarop pofpet piekte, kankaneerden vier woest-dronken Kerkervaartsche meiden, in flappering van rokken en kanaljeuse lijfontblooting, zwierig zwirrelend omschuimd van witte onderplunje, kolkend tusschen hun dans-duivelige kuiten. Ze draaiden en raasden in hun eigen kolkender rokkenschuim als dolle kollen.—Met opene zangmonden, in keelbrand roodgeslagen door ’t licht, koppen hemelwaarts, gilden ze rond, tamboerijnend met de woeste knuisten op kindertrommeltjes, kannibalige geruchten verroffelend. Ze spuwden in den kermiswoel, horlepijpten[317]de beenen in wilde harlekinade, en d’r kleurige zondagsche plunje, oranjerood met d’r vieren, vervlamde in ’t fakkelgoud, overal waar hun hos langs schoot.Donk’re kerelsstoet zeilde schuin àf op kleine boertjesrij, haakte zich vast aan armstompjes en snel in kringloop cirkelden ze zich wijd om de dronken gillende meiden, die schaterend-woest zich plots ingesloten voelden.—Boerenkoppen glunderden zinlijk en wreed van passie in gloedwalmend roodgeel schijnsel van ovens en lampetten. Boerenbeentjes klein en zwaar van krachtspanning, trampelden weer stuipend. De groote slungel, schonkig en donker boven de pofpetten uitreuzend, gierde en pagaaide z’n beenen in dronken spartel voor zich uit. Z’n zeehondenkop met puntige kinnespits, was beschuimd van uitgebrald spog, en z’n karikatuurhanden, knepen krampig van pret in de schouders van twee boertjes waar ie tusschen gekneld waggelde.—Politie had ’t duivelende meidenstel in hun jool van rokken-lawaai, in hun stem-bezetenheid en hysterischen waanzinroes zien steigeren, en met schrik de boertjes zich zien storten op de dronken furies, die heftig terugbonkten. Een van de vier dronken vrijsters, lang en schraal, stond waggelend neusklankerig te stoethaspelen, drukte d’r hoofd in den nek na wat wezenloozen woordenstamel, zoog de flesch aan den mond en klokkerde ’r drankje in, knie-ingezakt van passie. Aan haar arm ingehaakt, al de rokken opgesjord, gilde ’n klein blondje, krijscherig als ’n zuigeling:—Aooaau-uw! waa’t ’n ska-ande!De twee andere meiden slingerden mee met de dansschokken van de hysterische blonde, die lach-hinnekend, in polderkerelkracht d’r dronken vriendinnen, dàn naar zich toesleurde, dàn weer van zich afstootte.En rond hen, de tronies-wreede boertjeskring, buikzwaar en kortbeenig, met den paljaslach van den schonkigen donk’ren herkuul er boven uitrochelend.—[318]Boerenstoet, nu in kring met vreemde kerels rond geschakeld, aarzelde met nieuwen aanval op de meiden. Toen plots drongen de vreemde knapen vooruit en smakten zich woest op de vier bezetenen, hel in hun oranje-roode blouses en rokken. Hun zangekerm brak even àf, en in spuwende verachting spogen ze de kerels ’n stroom kleurige confettis in de tronies, hun lijven in wilden woel, ruisch en druisch, rondspiralend in eindlooze serpentiens.—De meiden, hoonend in hun woeste kracht, trampelden rond dat de serpentiens knapten op hun lijven. Twee kerels mikten hun de slangelinten in de zanglallende monden, kronkelden ze tusschen hun ontbloote beenen, en de boertjes in wreeden zinneschater, kringden nauwer áán. De meiden, doller in al engeren krans zich voelend, haakten zich armlos, trampelden de boertjes op de tonnige korpulente buikjes, mokerden vuisthevig in de gloed-geschroeide kerelstronies. En haveloozer overkolkt van rokkenschuim, kankaneerden ze zich los tegen den boertjes-muur, die de bezetenen weer met woesten smak den kring inwaggelden.Besefloos en òp hijgden twee meiden uit, met bloederig gevlek van karmijn-valen schijn op de kaken.Politiemannetjes onrustiger, rukten áán, sloegen zich nu gemaakt-driftig door den boerenkring heen, botsten de dronken kerels wèg, verkneuzend hun papieren ruikerpracht op borst, hoofd, rug en dijen.Maar de kerels waggelden in nijdigen haast bijéén met hun afgezakte kleeren, losgerukte broeken en jassen, in dronken gier harlekineerend met kleurigen flapper van linten en mutsen. Al dichter verschuifelden ze naar bakovenbrand van grootste wafelenkraam, zwaar gebarend in protest, om ’t weggeduw der politie;—daar groeiend tegen den rossigen vulkanischen lichtschroei als waggelende titanen. Vermanend-schuchter drongen de wetsmannen áán, de dol-gierende meiden praaiend naar kalmte.Maar de furiën overmoediger raasden òp, stotterden van dronken drift, spogen, vloekten en scholden op de agenten, mokerden[319]plots tegelijk als op bevel, met woeste beukvuisten op de koperende gloedhelmen in.De lange schrale meid met ’t „hápje” in ’r hand, kwijlde en zoop slurperig-lang tot den laatsten drup, zwierde toen plots de flesch op de keien dat ’r schervengedruisch kletterde rond de helmmannen. Dan greep ze, met twee handen bijéen haar roodhellen rok, knoopte de punten hoog op de heupen vast, en stormde, de vuisten tot mokers gekneld, in dronken draf op een klein agentje àf.Fakkelgloed goot rood-gele verglijende schijnsels op de gouden helmen, die standjesachtig-puntig bòven de pofpetten van weer aangedrongen boertjes, verdeukte hoeden en losharige meidkoppen weerlichtten in schramperig geglans.De meiden bijeenstrompelend in de haveloozen gier van hun ontbloote lijven en den driftbeef van hun passiemonden, woelden nog in kraak en slinger van afgeknapten serpentiens, kleurlinten, konfetti’s en losgebladerde ruikers. Als ’n kleurig netwerk zat hun verflodderde haartooi met konfetti’s en lintslippen volgekroest, als had avondhemel vurigen hagelslag over hun uitgestort. Twee meiden hadden hun trommels met de vuist in ’t perkament doorstooten, en bonkten er mee rond. ’t Blondje en de schrale, rukten zich de konfetti’s en lintslippen uit de haren, verkauwden de serpentiens en ruikers, en in steigerende razernij spogen ze kleurige fluimen de agent-bakkessen in.—Huilerige woedeklanken schorden ze uit, in wezenloozen zwijmel van gebaren. Vloeken, spuwden ze rond in liederlijke rauwheid, en straatdeunig schreiden hun dronken stemmen tegen elkaar in.—Lies, krijschte de magere, jai stoan d’r op de valraip.. kom kerlinike.. kom- ker.… linike.… kom!.… ikke seg … da d’r ’n hap is!—en ’n nieuwe flesch zwierde ze in hoonenden jool boven hun kleurig-behagelde koppen, heete beestschaters uitproestend voor verblufte agenten en kijkers. De boertjes sprongen weer brutaler bij, aangelokt door de stoute furiën, trappelden en ranselden klappen en boffen rond, in snauwende vloeken.—Toe, hitste Lies, in hysterischen krijsch, met ’n stem van ’n[320]straatorgelbas, zelf doller met ’r vuistmokers rondzwaaiend dat ’r niemand te na kwam,—toe! gaif jai d’r die klebak ’n handskoen da s’n bofedeurtje deur de muur hainskiet!—Gain groasje! gain groasje, dood an die swaine, trek jullie.. d’r ’n poar kiese! roggelde de schrale weer, kwijlspuwend en trappend de rokken tot d’r borsten opgesjord.——Gain proatjes op d’r laif! sloan hullie.… achter ’t tessie, hinnikte ’t sterke blondje, die worstelde in zenuwroetige en stuipende kracht met ’n agentje, van wien ze de sabel had losgerukt.—Toen hadden de helmmannen er genoeg van. Ze vreesden de razernij der kerels rond om niet meer. ’n Signaal snerpte door den rochelenden bral van stemmen en in draf stormden helpers áán.Met vijf zwaaien van de blink-helle sabels schoot boertjeskrans uitéén, waggelde ontdane kerelsstoet wèg, in krolschen krijsch, stonden de meiden alleen tusschen den helmendrom, die hoogkoperde en lichtflitste in rood-gelen walmgloed.Half dood van zenuwuitputtenden worstel zonken de dronken furies op elkaar wèg, half ontbloot, de havelooze plunje morsig vertrapt, de gekneusde beenen dooréén gewarreld. Ze hijgden, en de lange schrale onderaan, die in den struikel, d’r drie vriendinnen boven zich kreeg gesmakt, lag plat op ’r buik, grabbelde nog, zenuwspartelend naar haar flesch die onder de kreunende borst van ’t blondje uithalsde.Raak stootten de agenten ze als gestruikelde paarden op de beenen, en hoshos in boei, sleepten ze de geschonden furies naar ’t stadhuis. De schrale Lies liet zich sleuren langs de keien, half op ’r buik, waar de geboeide handen onder krampten als korte vinnen. In modder sleepte ze voort, tot eindelijk twee helmmannen ’r bij de beenen en losharige kop oplichtten, haar brankarig voortsjokkerden onder woest gegier, schel gefluit en geschater van meeschuifelenden menschendrom.—’t Blondje, trapte en spoog dat de helmmannen ’r mepten in de verwoede tronie, stompten op de hijgende borsten, sterker haar knuisten bijeenknellend in de boeien. Maar ze[321]trapte zich naakt dat de helmmannen ’r telkens den vuurrooien rok, en ’t schuimende ondergoed moesten neerslaan. Achter den dronken stoet áán, in trein-woesten daver, trampelden kijkers in joelkring, en voorbij ging ’t in den oranjigen walmgloed van fakkels, gaspitten en lampetten.Duister gegier, getrampel en fluiterig-oproerig geraas brasten in donk’re hoeken, en voort rukten de agenten, recht uit naar ’t Stadhuis.—D’r goan d’r vier Kerkfoarters de bak in, krijschten jochies, kerels en meiden dooreen, met angstklank van politieverzet in de ontstelde toch oproerige stemmen, vechtlustig doortrild van haat tegen ’t helmstoetje.Dwars door de kermishitte, in ’t demonengoud en pralig gefonkel, rukten ze voort de ordemannen, en plots zwenkten ze steegje door, op ’t stadhuis áán. Toen, met ’n sleur rukten ze de meiden stoep-end òp, en stootten ze waggelend de gang in. Dof gekrijsch uit de dronken meidenkelen heeschte nà, verward, rochelend als uit moordkelen, klam en verwurgd, en met slag van baas-zijn, smakten de agenten de deuren voor de neuzen van kijkers en meeloopers dicht, dat ’n rouw gejoel uit den menschendrom opraasde, in ’n woeste alliteratie van wraak, al was ’t maar in hoongeluid alleen.Stom en strompelend waren de geboeide furiën de bak ingeduwd.Even verbluft maar, braste en bruiste de stoet weer voort, satanisch d’r woelzangen verkrijschend in oproerigen vechtlustigen jubel, rennend naar Baanwijk, of daar wat gebeuren ging.
[Inhoud]V.Vóór de paard-draaimolens stonden de neven Hassel. Achter hen golfde ’t van kijkers en gillers.De havenhuizen rompig, rossigden gevel-naakt in den schrik van ’t licht, en de lage ruiten gloorden in bloedrood, groen-geel en goud geschijnsel, weerkaatsing van bakovens, lampions en kleurige hosstoeten, voorbijrennend.In heel eigen, geel-gouden sfeer, wentelde de paard-draaimolen. Uit binnensten kring van lamplicht, dreunde ’n orgel, ééndeunig, en ’t donk’re paard, den draaimolen in gang trekkend, duisterend, èven belicht aan z’n kop, liep in ’n eeuwigen cirkel, groezelig achter lichtjool. Binnenste lampenkring brandde in geelrood afgebeuld licht, bleek neergroezelend over zwart fluweel, onder de kleurwemelende kap, meer naar voren moorschen brand van glansjes en flitsjes verfonkelend tusschen zilverig ornamentwerk, gitkleurig kralenspel en doorgloeide franje.Een duizel van kringlichtjes spetterde er rond. Tusschen ’t belgeklingel, in gang zettend en afbrekend elke ronde, wiegelden de hobbelpaarden en schommelschuitjes, vettig befluweeld, donkerrood en groenig. En àl ouderwetscher, naast den stoomdraaimolen met z’n hel elektriek, wentelde de karoussel, in ’n stillen klater van kleurtjes en lichtjes; vlamde en bruiste òp, uit tooverballettigen gloei van voorsten lampenkring, praal van zilverkraal en goudstiksels. Dàn wegwaggeling van pluche, dàn opschommeling van fluweel, in één draai en duizel van avondkleuren, omdruischt van tegen-elkaar indreunende orgelstrotten.—De koperen stangen,—tusschen de kromklauwige leeuwen en tijgers, met hun druipende grimmige bloedmuilen,—schichtigden rond in glanzend goudstavig geel. Warrel en tegenwarrel âl om van rood en paars, rose en zilver, borduursels en fluweel, spiegelglans en bontstralend gekraal, draaiend, al draaiend in[312]een damp van dof-tonig, mat-schitterend goud, soms plots overgloeid in duizel van glanskronige-prisma’s, als vonkvliegend raderwerk.En ééndeunig, troosteloos van jammer-geluid kermde ’t orgel binnen-in, één deun, één deun.—Bij nieuwen rondgang waren Piet en Willem, Dirk en Grint, en al de meiden in den karoussel gesprongen, in vasthakenden smak op beestruggen en draaiende baldakijnen.—Dirk was pardoes op schoot van Geert gesmakt, zoende en begrabbelde haar dat ze ingesmoord en onmachtig weggezonken, tegen ’t lijf van ’n andere meid zuchtte en kermde naar lucht, onder z’n brandenden aanval. Schatergil en zang duizelde mee in den dollen molendraai, en van allen kant nu strompelden de kerels op de meiden, zoenden en kletterden ze nat, met wangenzuig en kokenden adem.—Geert Grint’s zwart-mooie kop stond flets en roodvlekkig van de wilde zoenen, ’t haar afgezakt, verfladderd langs de ooren. Guurt Hassel zat met natte wangen, half versuft, ’r rokkenboel opgesjord, knuisten op de knie, ’t korpulente lijf weggekrampt achter woest-losgebarsten Jan Grint. Ze had ’m gebeten in z’n oor en handen van woede. Als dat nou eens haar sekretarie-heertje gezien had, was z’m t’met kwijt, voor goed. Ze vervloekte Jan, met bevende driftkaken, dat de vent na z’n eersten overmoed, verbluft zwijgend rondkeek.De molen was voor den tweeden keer in gang geluid, en weer bleven ze zitten, dubbel betalend.Dirk, Hazewind en Rink waren met hun drieën in een kleinmallemolentjegesprongen, dat tol-snel draaide om eigen spil, ìn den grooten karousselwentel. Ze hadden ’n jochie gehuurd die hun draaide, al maar draaide. Met hun handen de stangen omklauwend tolden ze rond, al sterker rondgekeild in wilder furie door schaterend jochie, dat lol had in den dollen dans. Met hun duizelhoofden naar elkaar toegebogen, leken ze in den razenden tol, één log donker lijf, monsterkoppig met drie tronies, lijf dat wiegel-waggelde op donker heupenstel. De meiden en jongens rondom de karoussel gierden ’t uit, toen ze de kerels[313]zoo suf met de inéénloopende tronies bij elkaar gebukt, zagen zitten in dollen duizel, half bezwijmd.—En vuriger wentelde ’t jochie denmallemolen, verblindend in den koperen stangenflakker, tot bel klingelde en stoppen seinde.Met een sprong renden Willem, Jan, Henk van hun baldakijns, hielpen de verwaaide bestormde meiden uit plooikronkels van hun kleeren.—Dirk, Hazewind en Rink wilden opstaan maar bonsden scheef tegen elkaar op.—Eindelijk in drift, plofte Dirk uit ’t mallemolentje, zwaaide woest nog in naduizel tegen ’n schaterenden meidenstoet op, schoot in ’n dronken zeil van armen en bovenlijf midden in de Hassels en Grintjes. De lange Rink, waggelend en braak-ziek van ’t tollen, smakte plat op de straat, met z’n kop tegen de pooten van ’n vooruitstaand stalletje, dat ie bloedde bij de slapen. Maar niets wou ie ’r van weten. Bemodderd met stoffig vuil scharrelde ie weer òp, lacherig nazwaaiend en schreeuwend:—Maide, nou in de stoomdroaimole.. dâ hier is d’r debies! dubbel debies! je braikt d’r hier je allemenak!.. inne de stoommole.. doar kâ je ’n stuk van de toart happe.. daa’s puur veul fainer.. de rais!—Ikke rais d’r alletait eereste klas, moar ’t mot d’r drie moal opstoan vat je! lolde Piet.—Neenet pinkebul! drong Dirk op, en Willem méé, eerest hier wa fraite.… poone! aiêres!.… hee maid! stal uit! wa hai je d’r veur lekkers!Dientje schrok. Ze hoorde de dronken stemmen van oom Dirk en Piet, en de andere Hassels. Maar Dirk herkende ’t dochtertje van Kees niet, zag alleen vreetwaar, vettig en glimmig. Bij stapels rukten Dirk en Willem de poonen en scharren uit ’t kinderknuistje, en de reuzige klauw van Rink stopte ’t kind ’n rijksdaalder in de hand. Gerekend werd er niet.—Dá’ mot moar net an weuse.. bi jai besuikerd, bromde Rink.—En ’t wàs goed, dat voelde Dientje ook wel.Vóór ’t stalletje brokkelden de kerels en meiden de poonen open, en hapten in ’t blanke vet en vleesch.[314]Zoetig broeide de bakolie rond in walmstanken.—Hee Dirk! waa’s dat! frait jai d’r puur op ’n droogie! jai kakkerlak! woar is ’t kind? wie wiegt d’r ’t klaintje? jai Hoasewind?Piet uit ’n hoek, kwam aanzwaaien met de jeneverkruik, dwars door ’n warreltroep die langs hen hoste.—En in koeterwaalsche uitstottering van vleinaampjes tegen den drank, sputterde ie naar de meiden:—Enne liefe makraile.… lekkere pokhoagels.. dottesnolle.. waa’t sel ’t weuse op haide veur de doàmes.—Nou! wai suipe d’r vast nie op de keie, bitste Guurt.—Daa’s jou maines, moar maines nie, want ikke leg d’r ’n urretje, schaterde Marie Pijler, de kasteleinsdochter, die net bij ’t troepje aangeland was.—Daa’s toal mestvarke! jai bint d’r gain snaiboon, sien maide! sloan jullie d’r ’n gat in de kruik, hitste Rink.—Jai bint d’r vast gain kalf mi ’t natte neus, lodderde Piet na.—Joà, proeste de furiënde blonde, op dâ terrain bi’k deurpokt en deurmoaselt.… wâ jou Hoasefind? Moar wâ selle wai doen mi sonders woafels en oliebolle.. main aiêrs motte sakke.. ikke hep d’r al drie en dertig bikkelharde in main pins.—Alloo maa’ne! hoale.. hoale! schaterde Trijn.—Doar mo’k niks van heefte, bazuinde Rink, jelie mot d’r nog soo veul, langsaampies maid.. dan braikt ’tlaintjenie!—Kaik daa’s sneu! set jai nou us de kat bai ’t spek! hee wâ?—Wa sneu! bulderde Rink weer, jou kakkerlak! sing mee.. sing mee:Heb jai sommes trek in ’n oliebolJe kop roakt d’r vast nie van op hol!Je loâ je waige of suipt ’n bierJe host, je lach..igt, je haift pelsier..En heel de stoet bralde mee voor ’n tentje, in walmig bleek oranjeschijnsel:[315]—Je host, je lach-igt, je haif pelsierJe loâ je waige, je suipt je bier!Voor den stoomdraaimolen gierde juichende menschendrom.Zondagavondsche kermisjoel was in verpletterend uitbarstenden zwier aangestormd. Van alle kermishoeken uit, brandden lampions, rood-oranje, geel-groene gloor, tusschen flambouwengoud en brandstapelig vonkgevlam van poffertjeskraam-ovens, waarop ’t vuur knapperde en tonglikte, rood ommistend de gloeikleurige tenten.’t Zigzagde in de brandroode lucht van lampions-kronkels en vlammige boogpoorten boven de oranjige walmkoppen.De stoomdraaimolen raasde in wenteling en verroffelde vernielende geruchten rond, onder den hel-paarsen brand van elektriek. Van binnen uit, achter barokstijl van zuilen en tempelbogen, kringden òm in rutschbaangolving, venetiaansche gondels, vurig beboegd, met gondeliers in tomaatroode gewaden, sloepen en baldakijnen, hermelijn-blank oversneeuwd in ’t helle licht, tusschen flakkerenden duizel van spiegels en ruiten. Moorsche kioskjes, fel in vlam van heete kleuren, zwalkten op baren van schitterige glansen, avondzonnende sfeer van elektriek.En telkens, andere sloepen en gondels draaiden vóór, in roffelend gerucht; gondels, die de grof-koppige gondeliers als Graal-karikaturen, op zwaanhalzige bootjes, met hun zilverende schubbenkleedij, in hellen gloed gevangen hielden. Als ’n zondvloedstorm zwalpte de infernale roffel van den stoommolen tusschen de saamgestampte licht-overschroeide kijkmassa. Gekraak en gekreun kermde er neer uit de sloepjes, brallend geschater uit heesche strotten. En als Satanssignaal verschalde de stoomfluit van den molen, angstgegil van ’n misthoorn, door den brandenden woel heen, spiraal van demonisch gerucht over de daverende en jammerende drommen snerpend, verstervend in klagelijk geloei langs de duisterende polderzee.—Broeisfeer van kermis smeulde rook-rooder en goudmistiger[316]òp in den zomer-zwoelen avond. Om en achter de tenten en spellen in ’t duister, doken kerels áán met meiden, in rauwe genotskreun, zat en lijflog van uitgedierlijkten zwijmel. Politie deed schuchteren rondgang daartusschen, waagde zich nauw onder de mesklare vechters. Uit de bont-gloeiende poffertjeskramen, langs ’t duisterend plankwerk, plofte plots ’n rij korte, lallende boertjes, vetbuikige-ingedrongen gestaltetjes, begoudschemerd van ovengloed. Hun koppen grijnsden dronken, bietig-purper; hun bezopen oogen verfonkelden lol, en hun glanzende pofpetten reepten ’n zwarte lijn boven hun tronies. In hun midden herkuulde ’n paal-lange reus, slungel met smallen zeehondenkop, wreed loerend uit loensche oogen. Donker bonkten z’n schonken boven de lage rij pofpetten uit.—Boerbuikjes spanden, armpjes wrongen, beentjes, breed gezakt in klepbroekenplooien, zwommen en trampelden rond in den oranje lichtmist, en vóórt sliertte de met armen-ingehaakte slingerrij, van den vuurschijn uit, ’t duister in.—Pal in de flakkerende flambouwing van de luchtschommels doemden ze weer òp, begloeiend de tronies, zwammig geel neerbrandend op monden, kaaklijnen, woelend woest in oogholten. Telkens gleed wisselenden lichtglans over den boertjesstoet als vóór hen, een dolle dans van dwars voorbij rennende kerels en wijven, okerenden rosglans van ovens en lampen opslurpte.Vlak voor de kleine boertjes uit, met den reuzigen slungel in ’t midden die meedonkerde als gemoerde lantaarnpaal waarop pofpet piekte, kankaneerden vier woest-dronken Kerkervaartsche meiden, in flappering van rokken en kanaljeuse lijfontblooting, zwierig zwirrelend omschuimd van witte onderplunje, kolkend tusschen hun dans-duivelige kuiten. Ze draaiden en raasden in hun eigen kolkender rokkenschuim als dolle kollen.—Met opene zangmonden, in keelbrand roodgeslagen door ’t licht, koppen hemelwaarts, gilden ze rond, tamboerijnend met de woeste knuisten op kindertrommeltjes, kannibalige geruchten verroffelend. Ze spuwden in den kermiswoel, horlepijpten[317]de beenen in wilde harlekinade, en d’r kleurige zondagsche plunje, oranjerood met d’r vieren, vervlamde in ’t fakkelgoud, overal waar hun hos langs schoot.Donk’re kerelsstoet zeilde schuin àf op kleine boertjesrij, haakte zich vast aan armstompjes en snel in kringloop cirkelden ze zich wijd om de dronken gillende meiden, die schaterend-woest zich plots ingesloten voelden.—Boerenkoppen glunderden zinlijk en wreed van passie in gloedwalmend roodgeel schijnsel van ovens en lampetten. Boerenbeentjes klein en zwaar van krachtspanning, trampelden weer stuipend. De groote slungel, schonkig en donker boven de pofpetten uitreuzend, gierde en pagaaide z’n beenen in dronken spartel voor zich uit. Z’n zeehondenkop met puntige kinnespits, was beschuimd van uitgebrald spog, en z’n karikatuurhanden, knepen krampig van pret in de schouders van twee boertjes waar ie tusschen gekneld waggelde.—Politie had ’t duivelende meidenstel in hun jool van rokken-lawaai, in hun stem-bezetenheid en hysterischen waanzinroes zien steigeren, en met schrik de boertjes zich zien storten op de dronken furies, die heftig terugbonkten. Een van de vier dronken vrijsters, lang en schraal, stond waggelend neusklankerig te stoethaspelen, drukte d’r hoofd in den nek na wat wezenloozen woordenstamel, zoog de flesch aan den mond en klokkerde ’r drankje in, knie-ingezakt van passie. Aan haar arm ingehaakt, al de rokken opgesjord, gilde ’n klein blondje, krijscherig als ’n zuigeling:—Aooaau-uw! waa’t ’n ska-ande!De twee andere meiden slingerden mee met de dansschokken van de hysterische blonde, die lach-hinnekend, in polderkerelkracht d’r dronken vriendinnen, dàn naar zich toesleurde, dàn weer van zich afstootte.En rond hen, de tronies-wreede boertjeskring, buikzwaar en kortbeenig, met den paljaslach van den schonkigen donk’ren herkuul er boven uitrochelend.—[318]Boerenstoet, nu in kring met vreemde kerels rond geschakeld, aarzelde met nieuwen aanval op de meiden. Toen plots drongen de vreemde knapen vooruit en smakten zich woest op de vier bezetenen, hel in hun oranje-roode blouses en rokken. Hun zangekerm brak even àf, en in spuwende verachting spogen ze de kerels ’n stroom kleurige confettis in de tronies, hun lijven in wilden woel, ruisch en druisch, rondspiralend in eindlooze serpentiens.—De meiden, hoonend in hun woeste kracht, trampelden rond dat de serpentiens knapten op hun lijven. Twee kerels mikten hun de slangelinten in de zanglallende monden, kronkelden ze tusschen hun ontbloote beenen, en de boertjes in wreeden zinneschater, kringden nauwer áán. De meiden, doller in al engeren krans zich voelend, haakten zich armlos, trampelden de boertjes op de tonnige korpulente buikjes, mokerden vuisthevig in de gloed-geschroeide kerelstronies. En haveloozer overkolkt van rokkenschuim, kankaneerden ze zich los tegen den boertjes-muur, die de bezetenen weer met woesten smak den kring inwaggelden.Besefloos en òp hijgden twee meiden uit, met bloederig gevlek van karmijn-valen schijn op de kaken.Politiemannetjes onrustiger, rukten áán, sloegen zich nu gemaakt-driftig door den boerenkring heen, botsten de dronken kerels wèg, verkneuzend hun papieren ruikerpracht op borst, hoofd, rug en dijen.Maar de kerels waggelden in nijdigen haast bijéén met hun afgezakte kleeren, losgerukte broeken en jassen, in dronken gier harlekineerend met kleurigen flapper van linten en mutsen. Al dichter verschuifelden ze naar bakovenbrand van grootste wafelenkraam, zwaar gebarend in protest, om ’t weggeduw der politie;—daar groeiend tegen den rossigen vulkanischen lichtschroei als waggelende titanen. Vermanend-schuchter drongen de wetsmannen áán, de dol-gierende meiden praaiend naar kalmte.Maar de furiën overmoediger raasden òp, stotterden van dronken drift, spogen, vloekten en scholden op de agenten, mokerden[319]plots tegelijk als op bevel, met woeste beukvuisten op de koperende gloedhelmen in.De lange schrale meid met ’t „hápje” in ’r hand, kwijlde en zoop slurperig-lang tot den laatsten drup, zwierde toen plots de flesch op de keien dat ’r schervengedruisch kletterde rond de helmmannen. Dan greep ze, met twee handen bijéen haar roodhellen rok, knoopte de punten hoog op de heupen vast, en stormde, de vuisten tot mokers gekneld, in dronken draf op een klein agentje àf.Fakkelgloed goot rood-gele verglijende schijnsels op de gouden helmen, die standjesachtig-puntig bòven de pofpetten van weer aangedrongen boertjes, verdeukte hoeden en losharige meidkoppen weerlichtten in schramperig geglans.De meiden bijeenstrompelend in de haveloozen gier van hun ontbloote lijven en den driftbeef van hun passiemonden, woelden nog in kraak en slinger van afgeknapten serpentiens, kleurlinten, konfetti’s en losgebladerde ruikers. Als ’n kleurig netwerk zat hun verflodderde haartooi met konfetti’s en lintslippen volgekroest, als had avondhemel vurigen hagelslag over hun uitgestort. Twee meiden hadden hun trommels met de vuist in ’t perkament doorstooten, en bonkten er mee rond. ’t Blondje en de schrale, rukten zich de konfetti’s en lintslippen uit de haren, verkauwden de serpentiens en ruikers, en in steigerende razernij spogen ze kleurige fluimen de agent-bakkessen in.—Huilerige woedeklanken schorden ze uit, in wezenloozen zwijmel van gebaren. Vloeken, spuwden ze rond in liederlijke rauwheid, en straatdeunig schreiden hun dronken stemmen tegen elkaar in.—Lies, krijschte de magere, jai stoan d’r op de valraip.. kom kerlinike.. kom- ker.… linike.… kom!.… ikke seg … da d’r ’n hap is!—en ’n nieuwe flesch zwierde ze in hoonenden jool boven hun kleurig-behagelde koppen, heete beestschaters uitproestend voor verblufte agenten en kijkers. De boertjes sprongen weer brutaler bij, aangelokt door de stoute furiën, trappelden en ranselden klappen en boffen rond, in snauwende vloeken.—Toe, hitste Lies, in hysterischen krijsch, met ’n stem van ’n[320]straatorgelbas, zelf doller met ’r vuistmokers rondzwaaiend dat ’r niemand te na kwam,—toe! gaif jai d’r die klebak ’n handskoen da s’n bofedeurtje deur de muur hainskiet!—Gain groasje! gain groasje, dood an die swaine, trek jullie.. d’r ’n poar kiese! roggelde de schrale weer, kwijlspuwend en trappend de rokken tot d’r borsten opgesjord.——Gain proatjes op d’r laif! sloan hullie.… achter ’t tessie, hinnikte ’t sterke blondje, die worstelde in zenuwroetige en stuipende kracht met ’n agentje, van wien ze de sabel had losgerukt.—Toen hadden de helmmannen er genoeg van. Ze vreesden de razernij der kerels rond om niet meer. ’n Signaal snerpte door den rochelenden bral van stemmen en in draf stormden helpers áán.Met vijf zwaaien van de blink-helle sabels schoot boertjeskrans uitéén, waggelde ontdane kerelsstoet wèg, in krolschen krijsch, stonden de meiden alleen tusschen den helmendrom, die hoogkoperde en lichtflitste in rood-gelen walmgloed.Half dood van zenuwuitputtenden worstel zonken de dronken furies op elkaar wèg, half ontbloot, de havelooze plunje morsig vertrapt, de gekneusde beenen dooréén gewarreld. Ze hijgden, en de lange schrale onderaan, die in den struikel, d’r drie vriendinnen boven zich kreeg gesmakt, lag plat op ’r buik, grabbelde nog, zenuwspartelend naar haar flesch die onder de kreunende borst van ’t blondje uithalsde.Raak stootten de agenten ze als gestruikelde paarden op de beenen, en hoshos in boei, sleepten ze de geschonden furies naar ’t stadhuis. De schrale Lies liet zich sleuren langs de keien, half op ’r buik, waar de geboeide handen onder krampten als korte vinnen. In modder sleepte ze voort, tot eindelijk twee helmmannen ’r bij de beenen en losharige kop oplichtten, haar brankarig voortsjokkerden onder woest gegier, schel gefluit en geschater van meeschuifelenden menschendrom.—’t Blondje, trapte en spoog dat de helmmannen ’r mepten in de verwoede tronie, stompten op de hijgende borsten, sterker haar knuisten bijeenknellend in de boeien. Maar ze[321]trapte zich naakt dat de helmmannen ’r telkens den vuurrooien rok, en ’t schuimende ondergoed moesten neerslaan. Achter den dronken stoet áán, in trein-woesten daver, trampelden kijkers in joelkring, en voorbij ging ’t in den oranjigen walmgloed van fakkels, gaspitten en lampetten.Duister gegier, getrampel en fluiterig-oproerig geraas brasten in donk’re hoeken, en voort rukten de agenten, recht uit naar ’t Stadhuis.—D’r goan d’r vier Kerkfoarters de bak in, krijschten jochies, kerels en meiden dooreen, met angstklank van politieverzet in de ontstelde toch oproerige stemmen, vechtlustig doortrild van haat tegen ’t helmstoetje.Dwars door de kermishitte, in ’t demonengoud en pralig gefonkel, rukten ze voort de ordemannen, en plots zwenkten ze steegje door, op ’t stadhuis áán. Toen, met ’n sleur rukten ze de meiden stoep-end òp, en stootten ze waggelend de gang in. Dof gekrijsch uit de dronken meidenkelen heeschte nà, verward, rochelend als uit moordkelen, klam en verwurgd, en met slag van baas-zijn, smakten de agenten de deuren voor de neuzen van kijkers en meeloopers dicht, dat ’n rouw gejoel uit den menschendrom opraasde, in ’n woeste alliteratie van wraak, al was ’t maar in hoongeluid alleen.Stom en strompelend waren de geboeide furiën de bak ingeduwd.Even verbluft maar, braste en bruiste de stoet weer voort, satanisch d’r woelzangen verkrijschend in oproerigen vechtlustigen jubel, rennend naar Baanwijk, of daar wat gebeuren ging.
V.
Vóór de paard-draaimolens stonden de neven Hassel. Achter hen golfde ’t van kijkers en gillers.De havenhuizen rompig, rossigden gevel-naakt in den schrik van ’t licht, en de lage ruiten gloorden in bloedrood, groen-geel en goud geschijnsel, weerkaatsing van bakovens, lampions en kleurige hosstoeten, voorbijrennend.In heel eigen, geel-gouden sfeer, wentelde de paard-draaimolen. Uit binnensten kring van lamplicht, dreunde ’n orgel, ééndeunig, en ’t donk’re paard, den draaimolen in gang trekkend, duisterend, èven belicht aan z’n kop, liep in ’n eeuwigen cirkel, groezelig achter lichtjool. Binnenste lampenkring brandde in geelrood afgebeuld licht, bleek neergroezelend over zwart fluweel, onder de kleurwemelende kap, meer naar voren moorschen brand van glansjes en flitsjes verfonkelend tusschen zilverig ornamentwerk, gitkleurig kralenspel en doorgloeide franje.Een duizel van kringlichtjes spetterde er rond. Tusschen ’t belgeklingel, in gang zettend en afbrekend elke ronde, wiegelden de hobbelpaarden en schommelschuitjes, vettig befluweeld, donkerrood en groenig. En àl ouderwetscher, naast den stoomdraaimolen met z’n hel elektriek, wentelde de karoussel, in ’n stillen klater van kleurtjes en lichtjes; vlamde en bruiste òp, uit tooverballettigen gloei van voorsten lampenkring, praal van zilverkraal en goudstiksels. Dàn wegwaggeling van pluche, dàn opschommeling van fluweel, in één draai en duizel van avondkleuren, omdruischt van tegen-elkaar indreunende orgelstrotten.—De koperen stangen,—tusschen de kromklauwige leeuwen en tijgers, met hun druipende grimmige bloedmuilen,—schichtigden rond in glanzend goudstavig geel. Warrel en tegenwarrel âl om van rood en paars, rose en zilver, borduursels en fluweel, spiegelglans en bontstralend gekraal, draaiend, al draaiend in[312]een damp van dof-tonig, mat-schitterend goud, soms plots overgloeid in duizel van glanskronige-prisma’s, als vonkvliegend raderwerk.En ééndeunig, troosteloos van jammer-geluid kermde ’t orgel binnen-in, één deun, één deun.—Bij nieuwen rondgang waren Piet en Willem, Dirk en Grint, en al de meiden in den karoussel gesprongen, in vasthakenden smak op beestruggen en draaiende baldakijnen.—Dirk was pardoes op schoot van Geert gesmakt, zoende en begrabbelde haar dat ze ingesmoord en onmachtig weggezonken, tegen ’t lijf van ’n andere meid zuchtte en kermde naar lucht, onder z’n brandenden aanval. Schatergil en zang duizelde mee in den dollen molendraai, en van allen kant nu strompelden de kerels op de meiden, zoenden en kletterden ze nat, met wangenzuig en kokenden adem.—Geert Grint’s zwart-mooie kop stond flets en roodvlekkig van de wilde zoenen, ’t haar afgezakt, verfladderd langs de ooren. Guurt Hassel zat met natte wangen, half versuft, ’r rokkenboel opgesjord, knuisten op de knie, ’t korpulente lijf weggekrampt achter woest-losgebarsten Jan Grint. Ze had ’m gebeten in z’n oor en handen van woede. Als dat nou eens haar sekretarie-heertje gezien had, was z’m t’met kwijt, voor goed. Ze vervloekte Jan, met bevende driftkaken, dat de vent na z’n eersten overmoed, verbluft zwijgend rondkeek.De molen was voor den tweeden keer in gang geluid, en weer bleven ze zitten, dubbel betalend.Dirk, Hazewind en Rink waren met hun drieën in een kleinmallemolentjegesprongen, dat tol-snel draaide om eigen spil, ìn den grooten karousselwentel. Ze hadden ’n jochie gehuurd die hun draaide, al maar draaide. Met hun handen de stangen omklauwend tolden ze rond, al sterker rondgekeild in wilder furie door schaterend jochie, dat lol had in den dollen dans. Met hun duizelhoofden naar elkaar toegebogen, leken ze in den razenden tol, één log donker lijf, monsterkoppig met drie tronies, lijf dat wiegel-waggelde op donker heupenstel. De meiden en jongens rondom de karoussel gierden ’t uit, toen ze de kerels[313]zoo suf met de inéénloopende tronies bij elkaar gebukt, zagen zitten in dollen duizel, half bezwijmd.—En vuriger wentelde ’t jochie denmallemolen, verblindend in den koperen stangenflakker, tot bel klingelde en stoppen seinde.Met een sprong renden Willem, Jan, Henk van hun baldakijns, hielpen de verwaaide bestormde meiden uit plooikronkels van hun kleeren.—Dirk, Hazewind en Rink wilden opstaan maar bonsden scheef tegen elkaar op.—Eindelijk in drift, plofte Dirk uit ’t mallemolentje, zwaaide woest nog in naduizel tegen ’n schaterenden meidenstoet op, schoot in ’n dronken zeil van armen en bovenlijf midden in de Hassels en Grintjes. De lange Rink, waggelend en braak-ziek van ’t tollen, smakte plat op de straat, met z’n kop tegen de pooten van ’n vooruitstaand stalletje, dat ie bloedde bij de slapen. Maar niets wou ie ’r van weten. Bemodderd met stoffig vuil scharrelde ie weer òp, lacherig nazwaaiend en schreeuwend:—Maide, nou in de stoomdroaimole.. dâ hier is d’r debies! dubbel debies! je braikt d’r hier je allemenak!.. inne de stoommole.. doar kâ je ’n stuk van de toart happe.. daa’s puur veul fainer.. de rais!—Ikke rais d’r alletait eereste klas, moar ’t mot d’r drie moal opstoan vat je! lolde Piet.—Neenet pinkebul! drong Dirk op, en Willem méé, eerest hier wa fraite.… poone! aiêres!.… hee maid! stal uit! wa hai je d’r veur lekkers!Dientje schrok. Ze hoorde de dronken stemmen van oom Dirk en Piet, en de andere Hassels. Maar Dirk herkende ’t dochtertje van Kees niet, zag alleen vreetwaar, vettig en glimmig. Bij stapels rukten Dirk en Willem de poonen en scharren uit ’t kinderknuistje, en de reuzige klauw van Rink stopte ’t kind ’n rijksdaalder in de hand. Gerekend werd er niet.—Dá’ mot moar net an weuse.. bi jai besuikerd, bromde Rink.—En ’t wàs goed, dat voelde Dientje ook wel.Vóór ’t stalletje brokkelden de kerels en meiden de poonen open, en hapten in ’t blanke vet en vleesch.[314]Zoetig broeide de bakolie rond in walmstanken.—Hee Dirk! waa’s dat! frait jai d’r puur op ’n droogie! jai kakkerlak! woar is ’t kind? wie wiegt d’r ’t klaintje? jai Hoasewind?Piet uit ’n hoek, kwam aanzwaaien met de jeneverkruik, dwars door ’n warreltroep die langs hen hoste.—En in koeterwaalsche uitstottering van vleinaampjes tegen den drank, sputterde ie naar de meiden:—Enne liefe makraile.… lekkere pokhoagels.. dottesnolle.. waa’t sel ’t weuse op haide veur de doàmes.—Nou! wai suipe d’r vast nie op de keie, bitste Guurt.—Daa’s jou maines, moar maines nie, want ikke leg d’r ’n urretje, schaterde Marie Pijler, de kasteleinsdochter, die net bij ’t troepje aangeland was.—Daa’s toal mestvarke! jai bint d’r gain snaiboon, sien maide! sloan jullie d’r ’n gat in de kruik, hitste Rink.—Jai bint d’r vast gain kalf mi ’t natte neus, lodderde Piet na.—Joà, proeste de furiënde blonde, op dâ terrain bi’k deurpokt en deurmoaselt.… wâ jou Hoasefind? Moar wâ selle wai doen mi sonders woafels en oliebolle.. main aiêrs motte sakke.. ikke hep d’r al drie en dertig bikkelharde in main pins.—Alloo maa’ne! hoale.. hoale! schaterde Trijn.—Doar mo’k niks van heefte, bazuinde Rink, jelie mot d’r nog soo veul, langsaampies maid.. dan braikt ’tlaintjenie!—Kaik daa’s sneu! set jai nou us de kat bai ’t spek! hee wâ?—Wa sneu! bulderde Rink weer, jou kakkerlak! sing mee.. sing mee:Heb jai sommes trek in ’n oliebolJe kop roakt d’r vast nie van op hol!Je loâ je waige of suipt ’n bierJe host, je lach..igt, je haift pelsier..En heel de stoet bralde mee voor ’n tentje, in walmig bleek oranjeschijnsel:[315]—Je host, je lach-igt, je haif pelsierJe loâ je waige, je suipt je bier!Voor den stoomdraaimolen gierde juichende menschendrom.Zondagavondsche kermisjoel was in verpletterend uitbarstenden zwier aangestormd. Van alle kermishoeken uit, brandden lampions, rood-oranje, geel-groene gloor, tusschen flambouwengoud en brandstapelig vonkgevlam van poffertjeskraam-ovens, waarop ’t vuur knapperde en tonglikte, rood ommistend de gloeikleurige tenten.’t Zigzagde in de brandroode lucht van lampions-kronkels en vlammige boogpoorten boven de oranjige walmkoppen.De stoomdraaimolen raasde in wenteling en verroffelde vernielende geruchten rond, onder den hel-paarsen brand van elektriek. Van binnen uit, achter barokstijl van zuilen en tempelbogen, kringden òm in rutschbaangolving, venetiaansche gondels, vurig beboegd, met gondeliers in tomaatroode gewaden, sloepen en baldakijnen, hermelijn-blank oversneeuwd in ’t helle licht, tusschen flakkerenden duizel van spiegels en ruiten. Moorsche kioskjes, fel in vlam van heete kleuren, zwalkten op baren van schitterige glansen, avondzonnende sfeer van elektriek.En telkens, andere sloepen en gondels draaiden vóór, in roffelend gerucht; gondels, die de grof-koppige gondeliers als Graal-karikaturen, op zwaanhalzige bootjes, met hun zilverende schubbenkleedij, in hellen gloed gevangen hielden. Als ’n zondvloedstorm zwalpte de infernale roffel van den stoommolen tusschen de saamgestampte licht-overschroeide kijkmassa. Gekraak en gekreun kermde er neer uit de sloepjes, brallend geschater uit heesche strotten. En als Satanssignaal verschalde de stoomfluit van den molen, angstgegil van ’n misthoorn, door den brandenden woel heen, spiraal van demonisch gerucht over de daverende en jammerende drommen snerpend, verstervend in klagelijk geloei langs de duisterende polderzee.—Broeisfeer van kermis smeulde rook-rooder en goudmistiger[316]òp in den zomer-zwoelen avond. Om en achter de tenten en spellen in ’t duister, doken kerels áán met meiden, in rauwe genotskreun, zat en lijflog van uitgedierlijkten zwijmel. Politie deed schuchteren rondgang daartusschen, waagde zich nauw onder de mesklare vechters. Uit de bont-gloeiende poffertjeskramen, langs ’t duisterend plankwerk, plofte plots ’n rij korte, lallende boertjes, vetbuikige-ingedrongen gestaltetjes, begoudschemerd van ovengloed. Hun koppen grijnsden dronken, bietig-purper; hun bezopen oogen verfonkelden lol, en hun glanzende pofpetten reepten ’n zwarte lijn boven hun tronies. In hun midden herkuulde ’n paal-lange reus, slungel met smallen zeehondenkop, wreed loerend uit loensche oogen. Donker bonkten z’n schonken boven de lage rij pofpetten uit.—Boerbuikjes spanden, armpjes wrongen, beentjes, breed gezakt in klepbroekenplooien, zwommen en trampelden rond in den oranje lichtmist, en vóórt sliertte de met armen-ingehaakte slingerrij, van den vuurschijn uit, ’t duister in.—Pal in de flakkerende flambouwing van de luchtschommels doemden ze weer òp, begloeiend de tronies, zwammig geel neerbrandend op monden, kaaklijnen, woelend woest in oogholten. Telkens gleed wisselenden lichtglans over den boertjesstoet als vóór hen, een dolle dans van dwars voorbij rennende kerels en wijven, okerenden rosglans van ovens en lampen opslurpte.Vlak voor de kleine boertjes uit, met den reuzigen slungel in ’t midden die meedonkerde als gemoerde lantaarnpaal waarop pofpet piekte, kankaneerden vier woest-dronken Kerkervaartsche meiden, in flappering van rokken en kanaljeuse lijfontblooting, zwierig zwirrelend omschuimd van witte onderplunje, kolkend tusschen hun dans-duivelige kuiten. Ze draaiden en raasden in hun eigen kolkender rokkenschuim als dolle kollen.—Met opene zangmonden, in keelbrand roodgeslagen door ’t licht, koppen hemelwaarts, gilden ze rond, tamboerijnend met de woeste knuisten op kindertrommeltjes, kannibalige geruchten verroffelend. Ze spuwden in den kermiswoel, horlepijpten[317]de beenen in wilde harlekinade, en d’r kleurige zondagsche plunje, oranjerood met d’r vieren, vervlamde in ’t fakkelgoud, overal waar hun hos langs schoot.Donk’re kerelsstoet zeilde schuin àf op kleine boertjesrij, haakte zich vast aan armstompjes en snel in kringloop cirkelden ze zich wijd om de dronken gillende meiden, die schaterend-woest zich plots ingesloten voelden.—Boerenkoppen glunderden zinlijk en wreed van passie in gloedwalmend roodgeel schijnsel van ovens en lampetten. Boerenbeentjes klein en zwaar van krachtspanning, trampelden weer stuipend. De groote slungel, schonkig en donker boven de pofpetten uitreuzend, gierde en pagaaide z’n beenen in dronken spartel voor zich uit. Z’n zeehondenkop met puntige kinnespits, was beschuimd van uitgebrald spog, en z’n karikatuurhanden, knepen krampig van pret in de schouders van twee boertjes waar ie tusschen gekneld waggelde.—Politie had ’t duivelende meidenstel in hun jool van rokken-lawaai, in hun stem-bezetenheid en hysterischen waanzinroes zien steigeren, en met schrik de boertjes zich zien storten op de dronken furies, die heftig terugbonkten. Een van de vier dronken vrijsters, lang en schraal, stond waggelend neusklankerig te stoethaspelen, drukte d’r hoofd in den nek na wat wezenloozen woordenstamel, zoog de flesch aan den mond en klokkerde ’r drankje in, knie-ingezakt van passie. Aan haar arm ingehaakt, al de rokken opgesjord, gilde ’n klein blondje, krijscherig als ’n zuigeling:—Aooaau-uw! waa’t ’n ska-ande!De twee andere meiden slingerden mee met de dansschokken van de hysterische blonde, die lach-hinnekend, in polderkerelkracht d’r dronken vriendinnen, dàn naar zich toesleurde, dàn weer van zich afstootte.En rond hen, de tronies-wreede boertjeskring, buikzwaar en kortbeenig, met den paljaslach van den schonkigen donk’ren herkuul er boven uitrochelend.—[318]Boerenstoet, nu in kring met vreemde kerels rond geschakeld, aarzelde met nieuwen aanval op de meiden. Toen plots drongen de vreemde knapen vooruit en smakten zich woest op de vier bezetenen, hel in hun oranje-roode blouses en rokken. Hun zangekerm brak even àf, en in spuwende verachting spogen ze de kerels ’n stroom kleurige confettis in de tronies, hun lijven in wilden woel, ruisch en druisch, rondspiralend in eindlooze serpentiens.—De meiden, hoonend in hun woeste kracht, trampelden rond dat de serpentiens knapten op hun lijven. Twee kerels mikten hun de slangelinten in de zanglallende monden, kronkelden ze tusschen hun ontbloote beenen, en de boertjes in wreeden zinneschater, kringden nauwer áán. De meiden, doller in al engeren krans zich voelend, haakten zich armlos, trampelden de boertjes op de tonnige korpulente buikjes, mokerden vuisthevig in de gloed-geschroeide kerelstronies. En haveloozer overkolkt van rokkenschuim, kankaneerden ze zich los tegen den boertjes-muur, die de bezetenen weer met woesten smak den kring inwaggelden.Besefloos en òp hijgden twee meiden uit, met bloederig gevlek van karmijn-valen schijn op de kaken.Politiemannetjes onrustiger, rukten áán, sloegen zich nu gemaakt-driftig door den boerenkring heen, botsten de dronken kerels wèg, verkneuzend hun papieren ruikerpracht op borst, hoofd, rug en dijen.Maar de kerels waggelden in nijdigen haast bijéén met hun afgezakte kleeren, losgerukte broeken en jassen, in dronken gier harlekineerend met kleurigen flapper van linten en mutsen. Al dichter verschuifelden ze naar bakovenbrand van grootste wafelenkraam, zwaar gebarend in protest, om ’t weggeduw der politie;—daar groeiend tegen den rossigen vulkanischen lichtschroei als waggelende titanen. Vermanend-schuchter drongen de wetsmannen áán, de dol-gierende meiden praaiend naar kalmte.Maar de furiën overmoediger raasden òp, stotterden van dronken drift, spogen, vloekten en scholden op de agenten, mokerden[319]plots tegelijk als op bevel, met woeste beukvuisten op de koperende gloedhelmen in.De lange schrale meid met ’t „hápje” in ’r hand, kwijlde en zoop slurperig-lang tot den laatsten drup, zwierde toen plots de flesch op de keien dat ’r schervengedruisch kletterde rond de helmmannen. Dan greep ze, met twee handen bijéen haar roodhellen rok, knoopte de punten hoog op de heupen vast, en stormde, de vuisten tot mokers gekneld, in dronken draf op een klein agentje àf.Fakkelgloed goot rood-gele verglijende schijnsels op de gouden helmen, die standjesachtig-puntig bòven de pofpetten van weer aangedrongen boertjes, verdeukte hoeden en losharige meidkoppen weerlichtten in schramperig geglans.De meiden bijeenstrompelend in de haveloozen gier van hun ontbloote lijven en den driftbeef van hun passiemonden, woelden nog in kraak en slinger van afgeknapten serpentiens, kleurlinten, konfetti’s en losgebladerde ruikers. Als ’n kleurig netwerk zat hun verflodderde haartooi met konfetti’s en lintslippen volgekroest, als had avondhemel vurigen hagelslag over hun uitgestort. Twee meiden hadden hun trommels met de vuist in ’t perkament doorstooten, en bonkten er mee rond. ’t Blondje en de schrale, rukten zich de konfetti’s en lintslippen uit de haren, verkauwden de serpentiens en ruikers, en in steigerende razernij spogen ze kleurige fluimen de agent-bakkessen in.—Huilerige woedeklanken schorden ze uit, in wezenloozen zwijmel van gebaren. Vloeken, spuwden ze rond in liederlijke rauwheid, en straatdeunig schreiden hun dronken stemmen tegen elkaar in.—Lies, krijschte de magere, jai stoan d’r op de valraip.. kom kerlinike.. kom- ker.… linike.… kom!.… ikke seg … da d’r ’n hap is!—en ’n nieuwe flesch zwierde ze in hoonenden jool boven hun kleurig-behagelde koppen, heete beestschaters uitproestend voor verblufte agenten en kijkers. De boertjes sprongen weer brutaler bij, aangelokt door de stoute furiën, trappelden en ranselden klappen en boffen rond, in snauwende vloeken.—Toe, hitste Lies, in hysterischen krijsch, met ’n stem van ’n[320]straatorgelbas, zelf doller met ’r vuistmokers rondzwaaiend dat ’r niemand te na kwam,—toe! gaif jai d’r die klebak ’n handskoen da s’n bofedeurtje deur de muur hainskiet!—Gain groasje! gain groasje, dood an die swaine, trek jullie.. d’r ’n poar kiese! roggelde de schrale weer, kwijlspuwend en trappend de rokken tot d’r borsten opgesjord.——Gain proatjes op d’r laif! sloan hullie.… achter ’t tessie, hinnikte ’t sterke blondje, die worstelde in zenuwroetige en stuipende kracht met ’n agentje, van wien ze de sabel had losgerukt.—Toen hadden de helmmannen er genoeg van. Ze vreesden de razernij der kerels rond om niet meer. ’n Signaal snerpte door den rochelenden bral van stemmen en in draf stormden helpers áán.Met vijf zwaaien van de blink-helle sabels schoot boertjeskrans uitéén, waggelde ontdane kerelsstoet wèg, in krolschen krijsch, stonden de meiden alleen tusschen den helmendrom, die hoogkoperde en lichtflitste in rood-gelen walmgloed.Half dood van zenuwuitputtenden worstel zonken de dronken furies op elkaar wèg, half ontbloot, de havelooze plunje morsig vertrapt, de gekneusde beenen dooréén gewarreld. Ze hijgden, en de lange schrale onderaan, die in den struikel, d’r drie vriendinnen boven zich kreeg gesmakt, lag plat op ’r buik, grabbelde nog, zenuwspartelend naar haar flesch die onder de kreunende borst van ’t blondje uithalsde.Raak stootten de agenten ze als gestruikelde paarden op de beenen, en hoshos in boei, sleepten ze de geschonden furies naar ’t stadhuis. De schrale Lies liet zich sleuren langs de keien, half op ’r buik, waar de geboeide handen onder krampten als korte vinnen. In modder sleepte ze voort, tot eindelijk twee helmmannen ’r bij de beenen en losharige kop oplichtten, haar brankarig voortsjokkerden onder woest gegier, schel gefluit en geschater van meeschuifelenden menschendrom.—’t Blondje, trapte en spoog dat de helmmannen ’r mepten in de verwoede tronie, stompten op de hijgende borsten, sterker haar knuisten bijeenknellend in de boeien. Maar ze[321]trapte zich naakt dat de helmmannen ’r telkens den vuurrooien rok, en ’t schuimende ondergoed moesten neerslaan. Achter den dronken stoet áán, in trein-woesten daver, trampelden kijkers in joelkring, en voorbij ging ’t in den oranjigen walmgloed van fakkels, gaspitten en lampetten.Duister gegier, getrampel en fluiterig-oproerig geraas brasten in donk’re hoeken, en voort rukten de agenten, recht uit naar ’t Stadhuis.—D’r goan d’r vier Kerkfoarters de bak in, krijschten jochies, kerels en meiden dooreen, met angstklank van politieverzet in de ontstelde toch oproerige stemmen, vechtlustig doortrild van haat tegen ’t helmstoetje.Dwars door de kermishitte, in ’t demonengoud en pralig gefonkel, rukten ze voort de ordemannen, en plots zwenkten ze steegje door, op ’t stadhuis áán. Toen, met ’n sleur rukten ze de meiden stoep-end òp, en stootten ze waggelend de gang in. Dof gekrijsch uit de dronken meidenkelen heeschte nà, verward, rochelend als uit moordkelen, klam en verwurgd, en met slag van baas-zijn, smakten de agenten de deuren voor de neuzen van kijkers en meeloopers dicht, dat ’n rouw gejoel uit den menschendrom opraasde, in ’n woeste alliteratie van wraak, al was ’t maar in hoongeluid alleen.Stom en strompelend waren de geboeide furiën de bak ingeduwd.Even verbluft maar, braste en bruiste de stoet weer voort, satanisch d’r woelzangen verkrijschend in oproerigen vechtlustigen jubel, rennend naar Baanwijk, of daar wat gebeuren ging.
Vóór de paard-draaimolens stonden de neven Hassel. Achter hen golfde ’t van kijkers en gillers.
De havenhuizen rompig, rossigden gevel-naakt in den schrik van ’t licht, en de lage ruiten gloorden in bloedrood, groen-geel en goud geschijnsel, weerkaatsing van bakovens, lampions en kleurige hosstoeten, voorbijrennend.
In heel eigen, geel-gouden sfeer, wentelde de paard-draaimolen. Uit binnensten kring van lamplicht, dreunde ’n orgel, ééndeunig, en ’t donk’re paard, den draaimolen in gang trekkend, duisterend, èven belicht aan z’n kop, liep in ’n eeuwigen cirkel, groezelig achter lichtjool. Binnenste lampenkring brandde in geelrood afgebeuld licht, bleek neergroezelend over zwart fluweel, onder de kleurwemelende kap, meer naar voren moorschen brand van glansjes en flitsjes verfonkelend tusschen zilverig ornamentwerk, gitkleurig kralenspel en doorgloeide franje.
Een duizel van kringlichtjes spetterde er rond. Tusschen ’t belgeklingel, in gang zettend en afbrekend elke ronde, wiegelden de hobbelpaarden en schommelschuitjes, vettig befluweeld, donkerrood en groenig. En àl ouderwetscher, naast den stoomdraaimolen met z’n hel elektriek, wentelde de karoussel, in ’n stillen klater van kleurtjes en lichtjes; vlamde en bruiste òp, uit tooverballettigen gloei van voorsten lampenkring, praal van zilverkraal en goudstiksels. Dàn wegwaggeling van pluche, dàn opschommeling van fluweel, in één draai en duizel van avondkleuren, omdruischt van tegen-elkaar indreunende orgelstrotten.—
De koperen stangen,—tusschen de kromklauwige leeuwen en tijgers, met hun druipende grimmige bloedmuilen,—schichtigden rond in glanzend goudstavig geel. Warrel en tegenwarrel âl om van rood en paars, rose en zilver, borduursels en fluweel, spiegelglans en bontstralend gekraal, draaiend, al draaiend in[312]een damp van dof-tonig, mat-schitterend goud, soms plots overgloeid in duizel van glanskronige-prisma’s, als vonkvliegend raderwerk.
En ééndeunig, troosteloos van jammer-geluid kermde ’t orgel binnen-in, één deun, één deun.—
Bij nieuwen rondgang waren Piet en Willem, Dirk en Grint, en al de meiden in den karoussel gesprongen, in vasthakenden smak op beestruggen en draaiende baldakijnen.—Dirk was pardoes op schoot van Geert gesmakt, zoende en begrabbelde haar dat ze ingesmoord en onmachtig weggezonken, tegen ’t lijf van ’n andere meid zuchtte en kermde naar lucht, onder z’n brandenden aanval. Schatergil en zang duizelde mee in den dollen molendraai, en van allen kant nu strompelden de kerels op de meiden, zoenden en kletterden ze nat, met wangenzuig en kokenden adem.—
Geert Grint’s zwart-mooie kop stond flets en roodvlekkig van de wilde zoenen, ’t haar afgezakt, verfladderd langs de ooren. Guurt Hassel zat met natte wangen, half versuft, ’r rokkenboel opgesjord, knuisten op de knie, ’t korpulente lijf weggekrampt achter woest-losgebarsten Jan Grint. Ze had ’m gebeten in z’n oor en handen van woede. Als dat nou eens haar sekretarie-heertje gezien had, was z’m t’met kwijt, voor goed. Ze vervloekte Jan, met bevende driftkaken, dat de vent na z’n eersten overmoed, verbluft zwijgend rondkeek.
De molen was voor den tweeden keer in gang geluid, en weer bleven ze zitten, dubbel betalend.
Dirk, Hazewind en Rink waren met hun drieën in een kleinmallemolentjegesprongen, dat tol-snel draaide om eigen spil, ìn den grooten karousselwentel. Ze hadden ’n jochie gehuurd die hun draaide, al maar draaide. Met hun handen de stangen omklauwend tolden ze rond, al sterker rondgekeild in wilder furie door schaterend jochie, dat lol had in den dollen dans. Met hun duizelhoofden naar elkaar toegebogen, leken ze in den razenden tol, één log donker lijf, monsterkoppig met drie tronies, lijf dat wiegel-waggelde op donker heupenstel. De meiden en jongens rondom de karoussel gierden ’t uit, toen ze de kerels[313]zoo suf met de inéénloopende tronies bij elkaar gebukt, zagen zitten in dollen duizel, half bezwijmd.—
En vuriger wentelde ’t jochie denmallemolen, verblindend in den koperen stangenflakker, tot bel klingelde en stoppen seinde.
Met een sprong renden Willem, Jan, Henk van hun baldakijns, hielpen de verwaaide bestormde meiden uit plooikronkels van hun kleeren.—
Dirk, Hazewind en Rink wilden opstaan maar bonsden scheef tegen elkaar op.—Eindelijk in drift, plofte Dirk uit ’t mallemolentje, zwaaide woest nog in naduizel tegen ’n schaterenden meidenstoet op, schoot in ’n dronken zeil van armen en bovenlijf midden in de Hassels en Grintjes. De lange Rink, waggelend en braak-ziek van ’t tollen, smakte plat op de straat, met z’n kop tegen de pooten van ’n vooruitstaand stalletje, dat ie bloedde bij de slapen. Maar niets wou ie ’r van weten. Bemodderd met stoffig vuil scharrelde ie weer òp, lacherig nazwaaiend en schreeuwend:
—Maide, nou in de stoomdroaimole.. dâ hier is d’r debies! dubbel debies! je braikt d’r hier je allemenak!.. inne de stoommole.. doar kâ je ’n stuk van de toart happe.. daa’s puur veul fainer.. de rais!
—Ikke rais d’r alletait eereste klas, moar ’t mot d’r drie moal opstoan vat je! lolde Piet.
—Neenet pinkebul! drong Dirk op, en Willem méé, eerest hier wa fraite.… poone! aiêres!.… hee maid! stal uit! wa hai je d’r veur lekkers!
Dientje schrok. Ze hoorde de dronken stemmen van oom Dirk en Piet, en de andere Hassels. Maar Dirk herkende ’t dochtertje van Kees niet, zag alleen vreetwaar, vettig en glimmig. Bij stapels rukten Dirk en Willem de poonen en scharren uit ’t kinderknuistje, en de reuzige klauw van Rink stopte ’t kind ’n rijksdaalder in de hand. Gerekend werd er niet.
—Dá’ mot moar net an weuse.. bi jai besuikerd, bromde Rink.—En ’t wàs goed, dat voelde Dientje ook wel.
Vóór ’t stalletje brokkelden de kerels en meiden de poonen open, en hapten in ’t blanke vet en vleesch.[314]
Zoetig broeide de bakolie rond in walmstanken.
—Hee Dirk! waa’s dat! frait jai d’r puur op ’n droogie! jai kakkerlak! woar is ’t kind? wie wiegt d’r ’t klaintje? jai Hoasewind?
Piet uit ’n hoek, kwam aanzwaaien met de jeneverkruik, dwars door ’n warreltroep die langs hen hoste.—En in koeterwaalsche uitstottering van vleinaampjes tegen den drank, sputterde ie naar de meiden:
—Enne liefe makraile.… lekkere pokhoagels.. dottesnolle.. waa’t sel ’t weuse op haide veur de doàmes.
—Nou! wai suipe d’r vast nie op de keie, bitste Guurt.
—Daa’s jou maines, moar maines nie, want ikke leg d’r ’n urretje, schaterde Marie Pijler, de kasteleinsdochter, die net bij ’t troepje aangeland was.
—Daa’s toal mestvarke! jai bint d’r gain snaiboon, sien maide! sloan jullie d’r ’n gat in de kruik, hitste Rink.
—Jai bint d’r vast gain kalf mi ’t natte neus, lodderde Piet na.
—Joà, proeste de furiënde blonde, op dâ terrain bi’k deurpokt en deurmoaselt.… wâ jou Hoasefind? Moar wâ selle wai doen mi sonders woafels en oliebolle.. main aiêrs motte sakke.. ikke hep d’r al drie en dertig bikkelharde in main pins.
—Alloo maa’ne! hoale.. hoale! schaterde Trijn.
—Doar mo’k niks van heefte, bazuinde Rink, jelie mot d’r nog soo veul, langsaampies maid.. dan braikt ’tlaintjenie!
—Kaik daa’s sneu! set jai nou us de kat bai ’t spek! hee wâ?
—Wa sneu! bulderde Rink weer, jou kakkerlak! sing mee.. sing mee:
Heb jai sommes trek in ’n oliebolJe kop roakt d’r vast nie van op hol!Je loâ je waige of suipt ’n bierJe host, je lach..igt, je haift pelsier..
Heb jai sommes trek in ’n oliebol
Je kop roakt d’r vast nie van op hol!
Je loâ je waige of suipt ’n bier
Je host, je lach..igt, je haift pelsier..
En heel de stoet bralde mee voor ’n tentje, in walmig bleek oranjeschijnsel:[315]
—Je host, je lach-igt, je haif pelsierJe loâ je waige, je suipt je bier!
—Je host, je lach-igt, je haif pelsier
Je loâ je waige, je suipt je bier!
Voor den stoomdraaimolen gierde juichende menschendrom.
Zondagavondsche kermisjoel was in verpletterend uitbarstenden zwier aangestormd. Van alle kermishoeken uit, brandden lampions, rood-oranje, geel-groene gloor, tusschen flambouwengoud en brandstapelig vonkgevlam van poffertjeskraam-ovens, waarop ’t vuur knapperde en tonglikte, rood ommistend de gloeikleurige tenten.
’t Zigzagde in de brandroode lucht van lampions-kronkels en vlammige boogpoorten boven de oranjige walmkoppen.
De stoomdraaimolen raasde in wenteling en verroffelde vernielende geruchten rond, onder den hel-paarsen brand van elektriek. Van binnen uit, achter barokstijl van zuilen en tempelbogen, kringden òm in rutschbaangolving, venetiaansche gondels, vurig beboegd, met gondeliers in tomaatroode gewaden, sloepen en baldakijnen, hermelijn-blank oversneeuwd in ’t helle licht, tusschen flakkerenden duizel van spiegels en ruiten. Moorsche kioskjes, fel in vlam van heete kleuren, zwalkten op baren van schitterige glansen, avondzonnende sfeer van elektriek.
En telkens, andere sloepen en gondels draaiden vóór, in roffelend gerucht; gondels, die de grof-koppige gondeliers als Graal-karikaturen, op zwaanhalzige bootjes, met hun zilverende schubbenkleedij, in hellen gloed gevangen hielden. Als ’n zondvloedstorm zwalpte de infernale roffel van den stoommolen tusschen de saamgestampte licht-overschroeide kijkmassa. Gekraak en gekreun kermde er neer uit de sloepjes, brallend geschater uit heesche strotten. En als Satanssignaal verschalde de stoomfluit van den molen, angstgegil van ’n misthoorn, door den brandenden woel heen, spiraal van demonisch gerucht over de daverende en jammerende drommen snerpend, verstervend in klagelijk geloei langs de duisterende polderzee.—
Broeisfeer van kermis smeulde rook-rooder en goudmistiger[316]òp in den zomer-zwoelen avond. Om en achter de tenten en spellen in ’t duister, doken kerels áán met meiden, in rauwe genotskreun, zat en lijflog van uitgedierlijkten zwijmel. Politie deed schuchteren rondgang daartusschen, waagde zich nauw onder de mesklare vechters. Uit de bont-gloeiende poffertjeskramen, langs ’t duisterend plankwerk, plofte plots ’n rij korte, lallende boertjes, vetbuikige-ingedrongen gestaltetjes, begoudschemerd van ovengloed. Hun koppen grijnsden dronken, bietig-purper; hun bezopen oogen verfonkelden lol, en hun glanzende pofpetten reepten ’n zwarte lijn boven hun tronies. In hun midden herkuulde ’n paal-lange reus, slungel met smallen zeehondenkop, wreed loerend uit loensche oogen. Donker bonkten z’n schonken boven de lage rij pofpetten uit.—Boerbuikjes spanden, armpjes wrongen, beentjes, breed gezakt in klepbroekenplooien, zwommen en trampelden rond in den oranje lichtmist, en vóórt sliertte de met armen-ingehaakte slingerrij, van den vuurschijn uit, ’t duister in.—
Pal in de flakkerende flambouwing van de luchtschommels doemden ze weer òp, begloeiend de tronies, zwammig geel neerbrandend op monden, kaaklijnen, woelend woest in oogholten. Telkens gleed wisselenden lichtglans over den boertjesstoet als vóór hen, een dolle dans van dwars voorbij rennende kerels en wijven, okerenden rosglans van ovens en lampen opslurpte.
Vlak voor de kleine boertjes uit, met den reuzigen slungel in ’t midden die meedonkerde als gemoerde lantaarnpaal waarop pofpet piekte, kankaneerden vier woest-dronken Kerkervaartsche meiden, in flappering van rokken en kanaljeuse lijfontblooting, zwierig zwirrelend omschuimd van witte onderplunje, kolkend tusschen hun dans-duivelige kuiten. Ze draaiden en raasden in hun eigen kolkender rokkenschuim als dolle kollen.—Met opene zangmonden, in keelbrand roodgeslagen door ’t licht, koppen hemelwaarts, gilden ze rond, tamboerijnend met de woeste knuisten op kindertrommeltjes, kannibalige geruchten verroffelend. Ze spuwden in den kermiswoel, horlepijpten[317]de beenen in wilde harlekinade, en d’r kleurige zondagsche plunje, oranjerood met d’r vieren, vervlamde in ’t fakkelgoud, overal waar hun hos langs schoot.
Donk’re kerelsstoet zeilde schuin àf op kleine boertjesrij, haakte zich vast aan armstompjes en snel in kringloop cirkelden ze zich wijd om de dronken gillende meiden, die schaterend-woest zich plots ingesloten voelden.—
Boerenkoppen glunderden zinlijk en wreed van passie in gloedwalmend roodgeel schijnsel van ovens en lampetten. Boerenbeentjes klein en zwaar van krachtspanning, trampelden weer stuipend. De groote slungel, schonkig en donker boven de pofpetten uitreuzend, gierde en pagaaide z’n beenen in dronken spartel voor zich uit. Z’n zeehondenkop met puntige kinnespits, was beschuimd van uitgebrald spog, en z’n karikatuurhanden, knepen krampig van pret in de schouders van twee boertjes waar ie tusschen gekneld waggelde.—
Politie had ’t duivelende meidenstel in hun jool van rokken-lawaai, in hun stem-bezetenheid en hysterischen waanzinroes zien steigeren, en met schrik de boertjes zich zien storten op de dronken furies, die heftig terugbonkten. Een van de vier dronken vrijsters, lang en schraal, stond waggelend neusklankerig te stoethaspelen, drukte d’r hoofd in den nek na wat wezenloozen woordenstamel, zoog de flesch aan den mond en klokkerde ’r drankje in, knie-ingezakt van passie. Aan haar arm ingehaakt, al de rokken opgesjord, gilde ’n klein blondje, krijscherig als ’n zuigeling:
—Aooaau-uw! waa’t ’n ska-ande!
—Aooaau-uw! waa’t ’n ska-ande!
De twee andere meiden slingerden mee met de dansschokken van de hysterische blonde, die lach-hinnekend, in polderkerelkracht d’r dronken vriendinnen, dàn naar zich toesleurde, dàn weer van zich afstootte.
En rond hen, de tronies-wreede boertjeskring, buikzwaar en kortbeenig, met den paljaslach van den schonkigen donk’ren herkuul er boven uitrochelend.—[318]
Boerenstoet, nu in kring met vreemde kerels rond geschakeld, aarzelde met nieuwen aanval op de meiden. Toen plots drongen de vreemde knapen vooruit en smakten zich woest op de vier bezetenen, hel in hun oranje-roode blouses en rokken. Hun zangekerm brak even àf, en in spuwende verachting spogen ze de kerels ’n stroom kleurige confettis in de tronies, hun lijven in wilden woel, ruisch en druisch, rondspiralend in eindlooze serpentiens.—
De meiden, hoonend in hun woeste kracht, trampelden rond dat de serpentiens knapten op hun lijven. Twee kerels mikten hun de slangelinten in de zanglallende monden, kronkelden ze tusschen hun ontbloote beenen, en de boertjes in wreeden zinneschater, kringden nauwer áán. De meiden, doller in al engeren krans zich voelend, haakten zich armlos, trampelden de boertjes op de tonnige korpulente buikjes, mokerden vuisthevig in de gloed-geschroeide kerelstronies. En haveloozer overkolkt van rokkenschuim, kankaneerden ze zich los tegen den boertjes-muur, die de bezetenen weer met woesten smak den kring inwaggelden.
Besefloos en òp hijgden twee meiden uit, met bloederig gevlek van karmijn-valen schijn op de kaken.
Politiemannetjes onrustiger, rukten áán, sloegen zich nu gemaakt-driftig door den boerenkring heen, botsten de dronken kerels wèg, verkneuzend hun papieren ruikerpracht op borst, hoofd, rug en dijen.
Maar de kerels waggelden in nijdigen haast bijéén met hun afgezakte kleeren, losgerukte broeken en jassen, in dronken gier harlekineerend met kleurigen flapper van linten en mutsen. Al dichter verschuifelden ze naar bakovenbrand van grootste wafelenkraam, zwaar gebarend in protest, om ’t weggeduw der politie;—daar groeiend tegen den rossigen vulkanischen lichtschroei als waggelende titanen. Vermanend-schuchter drongen de wetsmannen áán, de dol-gierende meiden praaiend naar kalmte.
Maar de furiën overmoediger raasden òp, stotterden van dronken drift, spogen, vloekten en scholden op de agenten, mokerden[319]plots tegelijk als op bevel, met woeste beukvuisten op de koperende gloedhelmen in.
De lange schrale meid met ’t „hápje” in ’r hand, kwijlde en zoop slurperig-lang tot den laatsten drup, zwierde toen plots de flesch op de keien dat ’r schervengedruisch kletterde rond de helmmannen. Dan greep ze, met twee handen bijéen haar roodhellen rok, knoopte de punten hoog op de heupen vast, en stormde, de vuisten tot mokers gekneld, in dronken draf op een klein agentje àf.
Fakkelgloed goot rood-gele verglijende schijnsels op de gouden helmen, die standjesachtig-puntig bòven de pofpetten van weer aangedrongen boertjes, verdeukte hoeden en losharige meidkoppen weerlichtten in schramperig geglans.
De meiden bijeenstrompelend in de haveloozen gier van hun ontbloote lijven en den driftbeef van hun passiemonden, woelden nog in kraak en slinger van afgeknapten serpentiens, kleurlinten, konfetti’s en losgebladerde ruikers. Als ’n kleurig netwerk zat hun verflodderde haartooi met konfetti’s en lintslippen volgekroest, als had avondhemel vurigen hagelslag over hun uitgestort. Twee meiden hadden hun trommels met de vuist in ’t perkament doorstooten, en bonkten er mee rond. ’t Blondje en de schrale, rukten zich de konfetti’s en lintslippen uit de haren, verkauwden de serpentiens en ruikers, en in steigerende razernij spogen ze kleurige fluimen de agent-bakkessen in.—Huilerige woedeklanken schorden ze uit, in wezenloozen zwijmel van gebaren. Vloeken, spuwden ze rond in liederlijke rauwheid, en straatdeunig schreiden hun dronken stemmen tegen elkaar in.
—Lies, krijschte de magere, jai stoan d’r op de valraip.. kom kerlinike.. kom- ker.… linike.… kom!.… ikke seg … da d’r ’n hap is!—en ’n nieuwe flesch zwierde ze in hoonenden jool boven hun kleurig-behagelde koppen, heete beestschaters uitproestend voor verblufte agenten en kijkers. De boertjes sprongen weer brutaler bij, aangelokt door de stoute furiën, trappelden en ranselden klappen en boffen rond, in snauwende vloeken.
—Toe, hitste Lies, in hysterischen krijsch, met ’n stem van ’n[320]straatorgelbas, zelf doller met ’r vuistmokers rondzwaaiend dat ’r niemand te na kwam,—toe! gaif jai d’r die klebak ’n handskoen da s’n bofedeurtje deur de muur hainskiet!
—Gain groasje! gain groasje, dood an die swaine, trek jullie.. d’r ’n poar kiese! roggelde de schrale weer, kwijlspuwend en trappend de rokken tot d’r borsten opgesjord.—
—Gain proatjes op d’r laif! sloan hullie.… achter ’t tessie, hinnikte ’t sterke blondje, die worstelde in zenuwroetige en stuipende kracht met ’n agentje, van wien ze de sabel had losgerukt.—
Toen hadden de helmmannen er genoeg van. Ze vreesden de razernij der kerels rond om niet meer. ’n Signaal snerpte door den rochelenden bral van stemmen en in draf stormden helpers áán.
Met vijf zwaaien van de blink-helle sabels schoot boertjeskrans uitéén, waggelde ontdane kerelsstoet wèg, in krolschen krijsch, stonden de meiden alleen tusschen den helmendrom, die hoogkoperde en lichtflitste in rood-gelen walmgloed.
Half dood van zenuwuitputtenden worstel zonken de dronken furies op elkaar wèg, half ontbloot, de havelooze plunje morsig vertrapt, de gekneusde beenen dooréén gewarreld. Ze hijgden, en de lange schrale onderaan, die in den struikel, d’r drie vriendinnen boven zich kreeg gesmakt, lag plat op ’r buik, grabbelde nog, zenuwspartelend naar haar flesch die onder de kreunende borst van ’t blondje uithalsde.
Raak stootten de agenten ze als gestruikelde paarden op de beenen, en hoshos in boei, sleepten ze de geschonden furies naar ’t stadhuis. De schrale Lies liet zich sleuren langs de keien, half op ’r buik, waar de geboeide handen onder krampten als korte vinnen. In modder sleepte ze voort, tot eindelijk twee helmmannen ’r bij de beenen en losharige kop oplichtten, haar brankarig voortsjokkerden onder woest gegier, schel gefluit en geschater van meeschuifelenden menschendrom.—
’t Blondje, trapte en spoog dat de helmmannen ’r mepten in de verwoede tronie, stompten op de hijgende borsten, sterker haar knuisten bijeenknellend in de boeien. Maar ze[321]trapte zich naakt dat de helmmannen ’r telkens den vuurrooien rok, en ’t schuimende ondergoed moesten neerslaan. Achter den dronken stoet áán, in trein-woesten daver, trampelden kijkers in joelkring, en voorbij ging ’t in den oranjigen walmgloed van fakkels, gaspitten en lampetten.
Duister gegier, getrampel en fluiterig-oproerig geraas brasten in donk’re hoeken, en voort rukten de agenten, recht uit naar ’t Stadhuis.
—D’r goan d’r vier Kerkfoarters de bak in, krijschten jochies, kerels en meiden dooreen, met angstklank van politieverzet in de ontstelde toch oproerige stemmen, vechtlustig doortrild van haat tegen ’t helmstoetje.
Dwars door de kermishitte, in ’t demonengoud en pralig gefonkel, rukten ze voort de ordemannen, en plots zwenkten ze steegje door, op ’t stadhuis áán. Toen, met ’n sleur rukten ze de meiden stoep-end òp, en stootten ze waggelend de gang in. Dof gekrijsch uit de dronken meidenkelen heeschte nà, verward, rochelend als uit moordkelen, klam en verwurgd, en met slag van baas-zijn, smakten de agenten de deuren voor de neuzen van kijkers en meeloopers dicht, dat ’n rouw gejoel uit den menschendrom opraasde, in ’n woeste alliteratie van wraak, al was ’t maar in hoongeluid alleen.
Stom en strompelend waren de geboeide furiën de bak ingeduwd.
Even verbluft maar, braste en bruiste de stoet weer voort, satanisch d’r woelzangen verkrijschend in oproerigen vechtlustigen jubel, rennend naar Baanwijk, of daar wat gebeuren ging.