Het Kasteel van Heusden.

Het Kasteel van Heusden.In de ruimte, welke ten noorden door deMaas, ten oosten en ten zuiden door de Meiery vanden Boschen ten westen door het Land vanAltenaomgrensd wordt, liggen ruim tienduizend bunders laag bouwland bevat, die het hoofdbestaan verschaffen aan een bevolking van nagenoeg 15000 zielen, over een kleine stad en zeventien dorpen verspreid. Ofschoon noch die stad, noch de daar om heen gelegen vlas-, hennep-, en hopvelden den reiziger veel bekoorlijks of merkwaardigs aanbieden, by den geschiedvorscher en by den dichter wekt de aanblik daarvan herinneringen op, die niet van belangrijkheid ontbloot zijn, al ware het maar om de wisselingen, welke de streek ondergaan heeft. Maakt zy thands een deel uit van de ProvincieNoord-Brabant, en onderNapoleonvan het Departement derMonden van den Rijn, in 1801 was zy in tweën gesplitst en voor de helft byBrabant, voor de wederhelft byHollandingedeeld geweest, na vijf d’halve eeuw lang tot dit laatstgenoemde en vroeger een geruimen tijd tot het eerstgenoemde Gewest behoord te hebben. Die streek is nog heden ten dage bekend onder den naam van hetLand van Heusden: die stad isHeusden: die dorpen zijnEngelen,Vlijmen,HonsoirtofOnsenoord,Hedikhuizen,Herpt,Oud-HeusdenenBaardwijk, die van ouds den naam van »bovendorpen,”Heesbeen,Genderen,Doeveren,Drongelen,Eethen,Meeuwen,Babyloniënbroek,Veen,WijkenAalburgh, die den naam van »benedendorpen” dragen.Het kasteel van Heusden.Het kasteel van Heusden.Maar had die streek dikwijls in de laatste eeuwen van meester verwisseld, en, eer zy aan Holland kwam, tot een twistappel gestrekt, waar hevig om gestreden werd, er had een tijd bestaan toen zy haar eigen, schier onafhankelijke Heeren had, en wel zoodanigen, die, ondanks de beperktheid van hun grondgebied, rijk, aanzienlijk en by hun naburen geducht waren, die zich reeds vroeg door verbintenissen met machtige Vorsten en Heeren versterkt hadden, zoo dat wederkeerig de hunne met yver gezocht werd.Wat den oorsprong en afkomst dier Heeren betreft, die zijn even onzeker als die onzer meeste adelijke Huizen en het daaromtrent vermelde evenzeer met tastbare fabelen doormengd. Buiten twijfel echter schijnt het, dat het Land vanHeusdenoorspronkelijk een deel uitmaakte van het GraafschapTeisterbant, en in vervolg van tijd, by broederdeeling, onderClevekwam, aan welk laatste Graafschap het tot op het einde der dertiende eeuw leenroerig schijnt geweest te zijn. Een jongere zoon uit het Teisterbantsche of Kleefsche Huis,Robbertgeheeten, wordt voor den eersten Heer vanHeusdengehouden. Het was voorwaar niet onder gelukkige voorteekenen, dat deze nieuwe dynastie begon. Nog duurde de eeuw van plondering en geweld, toen onze nog onbeschermde kusten gedurig bloot stonden aan de herhaalde invallen dier Noordsche Zeekoningen, die eerlang aanNederland, aanNormandyen, aanEngeland, aanSiciliën, zijn vorsten zouden schenken: en by eenen dier strooptochten was het, dat in 839 de stad en ’t slot, waar HeerRobbertzijn zetel had, door de vreemde zeeschuimers verwoest werden. Schooner en sterker dan te voren echter, rezen beiden weder op onder de regeering vanBoudewijn, die in 857 zijn vaderRobbertopvolgde. Was het vroegere kasteel niet sterk genoeg geweest, omaan een onverwachten aanval weêrstand te bieden, het nieuwer zoû dien beter kunnen verduren; want het paarde nu de zwaarte en omvang van dubbele wallen en torens aan de sterkte zijner natuurlijke ligging: terwijl het een natuurlijke verdediging bezat in de breedeMaas, die er voorby stroomde, en in de oude of zoogenaamdeverloren Maas, die er langs kronkelde, om zich hooger op, byAalburg, te verliezen. Ook het stichten der Sloten vanPoederoyen, vanBrakel, en vanAelstwordt aanBoudewijnvanHeusdentoegeschreven; waaruit men zoû moeten opmaken, dat hy, ook elders dan in het eigentlijke Land vanHeusden, Heerlijkheden bezeten heeft.Maar vrij wat belangrijker, of liever behagelijker herinneringen, dan die het bouwen van kasteelen oplevert, biedt ons de legende met betrekking totBoudewijnaan. Van hem toch verhaalt zy, hoe hy, in zijn jeugd metReinoutGrave vanAngiersnaarEngelandgetogen, den KoningEdmundin den krijg bystond, door zijn dappere daden de liefde won der schooneSofia, ’s Konings dochter, en deze heimelijk ontvoerde. Lang treurde de Koning om zijn spruit en zocht vergeefs den naam van haren roover en het oord, waar zy zich onthield, te ontdekken. In ’t eind gelukte hem dit, en vonden zijn zendelingen haar teHeusden, aan ’t spinnewiel gezeten. Een verzoening had plaats, en onder de voorwaarden daarvan was er eene, datHeusdenvoortaan een rad van keel als wapen voeren zoû, ter gedachtenis aan het roode spinnewiel, waarbySophiateruggevonden was.Zoodanig, met eenig gering verschil in byzonderheden by sommigen, luidt de legende. Nu weet ik vooraf, dat er ongeloovigen zijn, die haar als geheel fabelachtig zullen verwerpen; die met een glimlach de schouderen zullen ophalen, en zeggen, dat alle geslachtboomen van onze oude Hollandsche Huizen reeds in den beginne een verbintenis aantoonen met het een of ander vorsten-geslacht, de eene nog meer uit de lucht gegrepen dan de andere: dat er geen Koning vanEngelandonder den naam vanEdmundin de dagen vanBoudewijnvanHeusdengeregeerdheeft, maar wel, achtereenvolgends,EgbertenEthelwolf, en dat de geschiedenis vanEngelandniets vermeldt van het wegloopen der dochter van een van beiden met een Ridder uitNeder-Duitschland: eindelijk, dat er in de negende eeuw nog geen blazoenen bekend waren, en dat het wiel vanHeusdenin allen gevalle niets anders is, dan de acht schepters vanCleve, met een band omringd.Al moge ik de beide laatste aanmerkingen gedeeltelijk toegeven, zoo zie ik in de rest van ’t verhaal niets, dat zoo onbepaald verworpen behoeft te worden. Of is er iets onwaarschijnlijks in, datBoudewijn, gedurende het leven zijns vaders, en vooral toen zijn door de Noren verwoest erfgoed hem weinig aanlokkelijks aanbood, even als zoo vele andere jonge Edellieden van dien tijd, zijn fortuin heeft zoeken te maken in een uitheemschen oorlog? En wat dien Koning vanEngelandbetreft, wy behoeven hier niet aan een Koning over dat gandsche Rijk te denken. Op het tijdstip, datBoudewijnvanHeusdenEngelandbezocht zoû hebben, waren er nog maar weinige jaren verloopen, sedert KoningEgbertde Vorsten der Heptarchy onderworpen had, en enkelen hunner bleven waarschijnlijk levenslang hun tytel behouden. Onder die Vorsten treffen wy, omstreeks dien zelfden tijd, een Koning vanOost-Engelandaan, die den naam vanEdmonddroeg, van wien gemeld wordt, dat hy zich door byzondere vroomheid onderscheidde (zoo zelfs, dat hy heilig werd verklaard) en dat hy sneuvelde in den krijg tegen de Denen of Noormannen. En waarom nu, vraag ik, zou het ongelooflijk, waarom niet integendeel zeer aannemelijk zijn, dat onzeBoudewijnaan de zijde diens KoningsEdmondgestreden zoû hebben tegen diezelfde zeeschuimers, die zijn erfslot in puin verwoest hadden?—Waarom ongelooflijk, dat hy een schoone vorstendochter verleid zoû hebben, hem over zee te volgen?—Er is nog in 1841 wel een Infante vanSpanjegeweest, die zich heeft laten schaken.—En wie door die redenen niet overtuigd is, die leze de bekoorlijke Romance vanBilderdijk,HetWiel van Heusdengetyteld1, en hy zal niet meer willen twijfelen aan de echtheid van een verhaal, dat de stof tot zulk een meesterstuk van poëzy heeft opgeleverd.In 870 overleedBoudewijnvanHeusdenen werd, daar zijn oudste zoon,Edmond, inEngelandby zijn grootvader verbleven en tot grooten staat geraakt was, opgevolgd door zijn tweeden zoon,Robbert II, die tot huisvrouw nam des Graven vanZutfendochter, welke my veel apokryfer voorkomt dan die Engelsche princes.Robbertstreed heel dapper.... in ’t Heilige Land, een anakronismus, aan welken de kronijkschrijvers zich met betrekking tot al de Edele Heeren uit die dagen schuldig maken: hy stierf in 914, en liet de Heerlijkheid na aan zijn zoonEdmond, die getrouwd was met een dochter des Graven vanSeyn. ’k Wil ’t liever blind gelooven dan dat ik het zoû gaan onderzoeken.OpEdmondvolgde in 929 zijn zoonJan I, wiens huisvrouw al wederom een Gravedochter was, en wel van dien vanLoon; opJan Idie in 956 overleed,Robert III, die de dochter des Graven vanSpanheimtot vrouwe nam, en in 972 stierf: op dezen,Boudewijn II, met een dochter des Graven vanGennepgetrouwd.Hier begint de kronijk een meer historische kleur aan te nemen; en, even als dit met de meeste oude geslachtnamen het geval is, zien wy allengskens de Gravedochters door eenvoudige Jonkvrouwen afgewisseld. Zoo trouwtJan II, die in 1028 aan de regeering kwam, metMachteltvanSteenvoorde, enRobbert IV, die hem in 1073 opvolgde, met een dochter uit den Huize vanArkel.Boudewijn III, die in 1092 Heer werd, kreeg tot echtgenote een dochter des Graven van derLippe. Hy stierf in 1100, en liet de Heerlijkheid aan zijn zoonJan III, met een Jonkvrouwe vanArentsberghgehuwd. NaJan IIIkwam in 1135, zijn zoonWillem, die, in 1153 overleden,Heusdennaliet aan zijn broederAernout. Deze verwekte by een dochter des Graven vanSalmJan IV, die hem in 1168 opvolgde. Een tweede zoon vanAernout,Boudewijn Knijfgeheeten, was de stamvader der Heeren vanHeeswijk, en voerde twee raderen van keel op een half sabel half gouden schild.OpJan IVvolgde in 1192Robbert V, uit wiens broederWouter, bygenaamd Spiering, het geslacht derSpieringensproot, die een gouden rad in een veld van sabel voerden.Robbertstierf in 1202: hy had by zijn Huisvrouw, een dochter des heeren vanDiest, verwektJan V, die, tochtgenoot van GraafWillemvanHolland, twee malen het Heilige Land bezocht. Van zijn broederWillemsproot het geslacht derHedikhuysens, die een gouden rad op lazuur voerden.Jan VI, zoon vanJan Ven van de dochter des Graven vanVernenburgh, volgde in 1235 zijn vader op; hy zelf verkreeg de hand eener Gravinne vanLoon, zuster van dien Graaf vanLoon, wiens huwelijk metAdavanHollandzoo veel rampen verwekte. Zijn broeder, die mede den naam droeg vanJan, wordt gezegd de eerste Heer vanVeengeweest te zijn.Meer dan vanJan VI, die in 1279 overleed, valt van zijn zoonJan VII, te vermelden. Nog naauwelijks was hy aan de regeering gekomen, of hy vond zich in krijg gewikkeld met een machtigen nabuur. Deze was HertogJan IvanBrabant, die, te recht of te onrecht, zich beklaagde over geweldenarijen, door die vanHeusdentegen ingezetenen derMeierygepleegd, en zijn Drossaart met krijgsbenden afzond omHeusdenin te sluiten. De bezetting, ’t ergste duchtende, gaf zich over, en de Hertog, eerlang de stad binnengetrokken, liet er zich tot Heer huldigen: zoo datJan VII, wilde hy anders in ’t bezit zijner Heerlijkheid blijven, zich genoodzaakt zag, daarvan hulde te doen aanBrabant, en den Hertog als zijn Leenheer te erkennen. Hierby bleef het niet; toen kort daarna die geweldige oorlog om ’t bezit vanLimburguitbarstte tusschenReinoutvanGelreenJanvanBrabant, toen volgdeJanvanHeusdenzijn nieuwen Leenheer inden strijd; en met hem togen zijn broeders,Aernoutvan derSluyse, die het rad van zilver voerde op het veld van keel,Jan, Heer vanHeesbeen, die het rad van goud droeg op een veld van keel, enDiederik, de eenige van zijn geslacht, die niet uit den krijg terug zoû keeren: voorts zijn zonen,Jan, die later zijn opvolger werd, enAernout, die, ofschoon tot den geestelijken stand behoorende, geen zijner ridderlijken stamgenooten in heldenmoed week. Het was by de banier vanJanvanKuik, dat zy de hunne opstaken, en onder de aanvoering van dien wakkeren krijgsman, dat zy in ’t jaar 1286 den tocht begonnen.Te Senne(d. i.Sennewyne, in deThielerwaard) verhaaltJanvanHeeluin zijn heldendicht,Te Senne, daer vergadert lagenDes Graven (van Gelre) lieden te dier tide,Daer socht se coenlike met strideHeer Jan van Cuyck met sine gesellen,Daer men wonder af mach tellen.Soe eerlike ende soe sconeWaegden syt. Daer was de heereVan Hoesdinne (Heusden) met ende her JanVan Hesbinne (Heesbeen) een vromich man,Ende van der Sluys her Arnout,Een coene ridder ende een stoutEnde van Hoesdinne her Dideric.Hevig was de strijd.Ende menegen helm mogt men scouwen,Seere gescoort ende dorhouwenEer die sege gewonnen wart.Ja in den aanvang scheen de kans ongunstig voor den HeervanKuikte loopen, toen hemJanutenHovemet zijn Bredasche krijgsknechten ter hulpe kwam.OttovanBuerenenAllartvanDriel, die de Gelderschen aanvoerden, werden gevangen, enTiel, waarop zy ’t gemunt hadden, voorBrabantbewaard. Dan dit gevecht, hoe veel het ook tot den roem der overwinnaars bybracht, was maar een voorspel van den gewichtigen veldslag, waaraan zy later zouden deel nemen. Het was op den 5enJuly 1288, dat byWoeringendat hevig samentreffen plaats had tusschen de legers van den Aartsbisschop vanKeulen, den Graaf vanLuxemburgen dien vanGelreter eener, en die van den Hertog vanBrabanten zijn bondgenooten aan den anderen kant. Reeds zoo menigmalen is die slag beschreven, dat het noodeloos kan geächt worden die beschrijving hier te herhalen: alleen moet hier medegedeeld worden, in hoeverreHeusdenen de zijnen aandeel hadden in den zege, doorBrabantbehaald. De eerste aanval, door den Aartsbisschop gedaan op den linker vleugel, die door GraafAdolfvan denBerghwerd aangevoerd, had dezen doen wijken. Toen was het, datKuik, metArkelenHeusden, de orde hielp herstellen, en den vyand een wijl tot staan bracht.Luxemburg, die mede toegeschoten was, wordt teruggedrongen; dochBernardvanHalloy, tot zijn hulp gekomen, doet voor een wijl de kans wederom keeren. Het was nu, dat drie wakkere helden een nieuwen uitval tegen de Luxemburgers waagden; zy waren de Heer vanFrambach, die vanYsele, enDes heren broeder2van Hoesdinne,Arnout hiet hi ende was clerck,Maer ridderlike was syn werc.Van groote persse ende meswinde (tegenspoed)Leet hi: daer bleef ooc een indeVan sinen nase, dat hi vercochteEerlike daer hi den stryt sochte.Doch niet alleen hadAernout van Heusdenzijn neus in den strijd verkocht, of, als wy nu zouden zeggen, verspeeld, zijn vader was in erger gevaar, ja een wijl in ’s vyands handen geweest: men hoore slechts:Hier noemic nu eenen van de besten,Die in des hertoghen sideMet banieren was ten stride.Dat was van Kuc her JanDie in den stryt, doe men began,Comen was in grooten noot.Met hem waren in syn convootTwee baenroetse, twee vromige man,Beide her Jan ende her JanVan Ercle (Arkel) ende van HoesdinneDie beide in dien beghinneWaeren ooc in selke pineComen, dat si in scineWaender mede ondergaenDat eerlyc wert wederstaen;Want het wederbrachte (hy herstelde dit)Met grooter daden die hi wrachteVan Kuc die vrome ridder alsoe,Wert, inder viande side,Doe die here van Kuc met strideOverhant dus weder namMaer eert alsoe vere quamDat hi die plaetse weder wanWas bleven gevaen her JanVan Hoesdinne, die stoute heereDie hem weerde alsoe seereAls ridderen mochte doen, met strideMaer noch doen te dien tideReden met so sterken rotenDie gene die gerne hadden genotenMaselendre (Maaslanders) ende Ruire (Roerlanders)Dan si vingen3; maer sine baniere4Bleef gehouden in den tasOntploken; met gheninde,Eerlyc ende wale toten inde:Want daer waren bi blevenVromighe ridderen sinen neven,Dese hilden met gewoutVan der Sclues her ArnoutDire vroomster ridder eenVan den conroete, dat wale sceenAen groote dade, die hi dede:Maer daer was syn neve medeHer Diederic van HoesdinneDie men te Ceulen inneVueren moeste, na den stryt,Daer hi sterf in corten tijt.Want hem coste syn levenVromicheit, die hy gedrevenHadde in den stryt, met groeten daden.Die siele moet varen te genadenSoo dat si hemelrike vercrighe!Hoe en door wieHeusdenweder uit de handen der Maaslanders geraakte, wordt niet gemeld; doch by de volkomen nederlaag,dieGelreen zijn bondgenooten leden, mogen wy hoogst waarschijnlijk aannemen, dat hy reeds voor het einde van den slag weder aan de zijnen was teruggegeven.—De opgevolgde vrede tusschen de twistende partyen deedHeusdeneerlang weder huiswaart keeren.Niet weinig had de oorlog, dien zijne naburen tegen elkander voerden, gestrekt om de macht van den wakkerenFloris V, die toen inHollandde gravekroon droeg, te bevestigen. Niet alleen was hy door HertogJan, die zijn bondgenootschap zocht, van alle leenhulde voorZuid-Hollandontheven; maar hy had zich, terwijl het krijgstooneel op een verwijderd grondgebied was overgebracht, in staat gezien, zijn onrustige Edelen te fnuiken, de erfgoederen van de meesten hunner in leen te verkeeren, de Westfriezen te tuchtigen, landbouw en handel in zijn Graafschap te doen bloeien. Wel zag hy zich eerlang in twist gewikkeld met de Zeeuwsche Edelen, en dien ten gevolge met den Graaf vanVlaanderen; doch twee malen werd een zoen getroffen, de eerste reis, door bemiddeling van HertogJan, de tweede reis, in 1295, toen deze brave Vorst overleden was, door die vanJanvanKuik.Het was te dezer gelegenheid, datJanvanHeusden, ’t zij gewillig, ’t zij door dwang, zijn stad aanFlorisopdroeg en weder van hem in leen ontfing. Hoe hy dit kon rijmen met de vroegere opdracht, aanBrabantgedaan, en of die opdracht al dan niet met toestemming van den nieuwen HertogJan IIgeschiedde, zie daar, wat we niet kunnen beslissen. Zeker is het, dat GraafFloriszijn aanspraak op den tytel van Leenheer niet bloot uit die opdracht ontleende, maar uit een gift, hem doorDiederik, Grave vanKleef, in 1290 gedaan. Immers volgends de oude overlevering berustte, als wy gezien hebben, het leenrecht by dezen. Intusschen, de verknochtheid vanHeusdenaan zijn nieuwen Leenheer was niet van langen duur. Reeds toen smeulde, onder schijn van trouw en dienstbetoon, by een aantal Hollandsche Edelen hevige verbittering tegen den Graaf,die hen van zoo vele voorrechten had beroofd. Die verbittering werd in ’t geheim gevoed door KoningEduardvanEngeland, wiens ongenoegen was opgewekt door de naauwe verbintenis, doorFlorismetFrankrijkaangegaan. Tot werktuig bediende zich de Koning vanJanvanKuik,die meer dan eens inEngelandgeweest was, en zijn vol vertrouwen genoot.Kuikhad zich mede genoodzaakt gezien, zijn slot teTongelareals leen aanFlorisop te dragen, en hem dat vanter Horstin vollen eigendom af te staan; en zoo wel hieruit, als uit de geschenken, welke hy vanEduardontfing, laat zich zijn vijandelijke handelwijze jegends den Graaf verklaren.Heusden,aan wiens zoonJanhy zijn dochter ten vrouwe geschonken had, was van ouds zijn vriend en wapenbroeder, en liet zich, vermoedelijk door hem, overhalen om aan een geheim verbond tegenFlorisdeel te nemen. Vroegere schrijvers hebben de reden vanHeusdenstoetreding tot het verbond toegeschreven aan zijn verbolgenheid, omdat de Graaf de eer zijner dochter zoû hebben geschonden. Latere nasporingen hebben echter bewezen, dat de overlevering op dat punt wel niet op zoo valsche en logenachtige gronden als die betreffende’t Schandelyck omhelzen,Het schennen van de spruyt, de schoone bloem van Velsen;—maar toch evenzeer uit een dwaling is gesproten. De schooneAgneta,voor welkeFlorisin liefde ontstak, en die hem en ’t Vaderland den edelenWittevanHollandschonk, was wel een telg uit het Huis vanHeusden, maar geen dochter van HeerJan.Haar vader was dieAernoutvan derSluyse,van wiens heldendaden voorWoeringenwy vroeger hebben gewach gemaakt, doch wiens naam ons verder in de geschiedenis niet is voorgekomen: en schier alle getuigenissen vereenigen zich, om inWittegeen spruit van bastaardy, maar een zoon uit wettigen echt te erkennen. De geslachtlijst derElshouten—mede eenstam derHeusdens, als wy later zullen zien—vermeldt met ronde woorden, datAgnetaden Graaf huwde: haar zoon voerde van den aanvang af en overal den naam vanWittevanHolland,en, wat meer zegt, den leeuw vanHolland, gebroken met het rad van van derSluyse,doch zonder eenig filet of ander teeken van bastaardy: iets dat hy zich niet zoû hebben durven onderstaan, zonder zich aan misdaad van gekwetste majesteit schuldig te maken, indien zijn geboorte onwettig ware geweest. Wat echter van de betrekking tusschenFlorisenAgnetazij, genoeg, dat zy de aanleiding niet geweest kan zijn omHeusdenin het eed-verbond tegen den Graaf te doen treden.Onder de diensten, welkeEduardvan de Hollandsche Edelen verwachtte, was voornamelijk begrepen het verydelen van het bondgenootschap tusschenFrankrijkenHolland, en hiertoe deed zich geen beter middel aan de hand, dan den Graaf op te lichten en naarEngelandte zenden, terwijl hem dan zijn zoon als vasal vanEduard,zou opvolgen. De afspraak tot het plegen dier schanddaad geschiedde teBergen-op-Zoom,op een byeenkomst, waartoeVelzen,Woerden,Heusdenen anderen doorKuikgenoodigd waren. Hier verzekerde hy de wankelmoedigen van den bystand des Konings vanEngelandniet alleen, maar ook van die van HertogJan IIen van GraafGwyvanVlaanderen, terwijl hy hen waarborgde, dat zy niets van de zijde van ’s Graven zoon,Jan, die zich inEngelandbevond, te vreezen hadden. Een schriftelijk verbond tot verderf vanFloriswerd thands bezegeld, en later teKamerijkhet plan nader overwogen en vastgesteld.Kuikwilde nog zijn snood verraad met den schijn van kordaatheid bestempelen, en zond aanFloriseen ontzegbrief: ofHeusdendit voorbeeld gevolgd heeft, vinden wy niet gemeld: by de gevangenneming en moord des Graven was hy niet tegenwoordig: intusschen schijnt het vrij zeker, ofschoon de kronijkschrijvers het niet bepaald vermelden, dat ook hy ten lande heeft moeten uitwijken, toen de wrekende hand der gerechtigheid de moordenaars vervolgde. Nog beleefde hy ’t, datHollandaan’t Huis vanHenegouwenverviel, en overleed in den jare 1303. Twee malen was hy gehuwd geweest: de eerste reis metAleid, ’s Graven dochter vanWybestein, die hemJan, zijn opvolger gebaard had, enJan, eersten heer vanDrongelen, die een zilveren rad op lazuur voerde: de tweede reis metErmgardvanWickeloo, die hem mede een zoon schonk, insgelijksJangeheeten, en die de stamvader werd van het geslacht vanElshout.WatJan VIIIbetreft, van hem is het zeker, dat hy metKuik, zijn schoonvader, naarEngelandweek en aldaar een geruimen tijd ten dienste vanEduardde wapens tegenFrankrijkvoerde. Wy vinden ook, dat hem, voor de diensten aanEngelandbewezen, door HertogJanvanBrabant, twee duizend pond Tornoois en een rente van honderd pond Brabantsch werden toegezegd. Jaren verliepen er, eerHeusdenvan zijns vaders erfgoed bezit kwam nemen: en niet lang had hy er genot van, daar hy reeds in 1318 overleed, by zijn tweede gemalinSofia, vanKranendonk, een zoon nalatende, die hem opvolgde alsJan IX.Niet geheel zonder tegenkanting schijnt deze laatste aan de regeering te zijn gekomen. Immers er bestaat een handvest van datzelfde jaar 1318, waarinJan, Heer vanSaffenbergh, en zijn vrouwSofia, die uit het huwelijk vanJan VIIImetMargarethavanKuikgeboren was, als wettige Heeren beschikkingen maken, en zich het oppergezach overHeusdenaanmatigen. Waarschijnlijk begreep dit echtpaar, datJan IX, wiens huwelijk metCunigundavanArkeldoor geen kinderen gezegend werd, hun toch de Heerlijkheid zoû moeten overlaten, en dat het dus maar zaak was, zich by voorraad in ’t bezit daarvan te stellen. ’t Kan echter ook zijn, datJan IXzwak van geestvermogens was, en buiten staat zijn goederen zelf te beheeren: weinig vermelden van hem de Kronijkschrijvers, en slechts een hunner bericht, dat hy in ’t Heilige Land tot Ridder zoû geslagen zijn geweest, iets, wat van zoo velen verteld wordt, dat men, vooral by hetletten op tijden en omstandigheden er niet dan met groote omzichtigheid geloof aan hechten moet.Jan IXstierf in 1334, en met hem de laatste van die reeks van Heeren, die achtereenvolgends, van vader tot zoon, hun banier vanHeusdenstorentrans hadden laten waaien.SofiavanSassenbergh, die alsnu zijn naaste erfgename was, zocht de Heerlijkheid aan HertogJan IIIvanBrabantop te dragen, in de hoop van er wederkeerig ’t verlij van te bekomen; doch de Hertog, die liever de vrije beschikking overHeusdenaan zich behouden wilde, sloeg ’t haar af; waarop zy aan den Graaf vanHolland,WillemdenGoede, haar recht op de Heerlijkheid afstond, en hy haar echtgenoot daarmede verlijdde. Intusschen viel het den Graaf gemakkelijker een verlijbrief te geven, dan de stad-zelve, die reeds van wege den Hertog met krijgsvolk bezet was geworden, aangevoerd doorJanvanElshout. Waarschijnlijk had deze laatste, die toch aan deHeusdenswas vermaagschapt, eenige hoop, het leen voor zich te bekomen. Moedig wees hy elken aanval af, dien de Hollandsche benden op den burg beproefden, en dwong hen, met groot verlies weder af te trekken. Ziende, dat hy met geweld niets winnen kon, en ongeneigd wellicht tot een volslagen vredebreuk metBrabant, onderwierp GraafWillemde zaak aan de beslissing van den Graaf vanGulik, die ten voordeele van den Hertog uitspraak deed: waarop deze de stad en ’t land vanHeusdenin leen gaf aan den Graaf vanKleef. Wel berustteSassenberghniet in deze schikkingen, waardoor hy van zijn aanspraak verstoken was, wel viel hy inBrabant, en plunderde en verbranddeTurnhout; maar hy begreep toch in tijds dat de Hertog een te machtige tegenparty voor hem wezen zou, en stond hem zijn aanspraken af tegen een rente van drie honderd gouden realen, waar de stad’s Hertogenboschborg voor bleef.Dan, intusschen deed zich een nieuwe pretendent op, die opHeusdenaanspraak maakte. Deze wasJanvanDrongelen, die, oom vanJan IX, en, in gevalHeusdenniet als een spilleleenbeschouwd kon worden, het naaste tot de erfenis gerechtigd was. Vergeefs echter wendde hy zich totWillemvanHolland, om door dezen in zijn aanspraak gehandhaafd te worden. De Graaf wees hem af, enDrongelenstierf, eer hy zijn vermeend recht had kunnen doen gelden; maar hy had het niet opgegeven en het aan zijn zonen nagelaten.HertogJan III, de noodzakelijkheid inziende, om de stad tegen nieuwe aanvallen te dekken, liet in 1340 een aanvang maken met het versterken en vergrooten van het kasteel. Op een afstand van het hoofdgebouw deed hy een hoogen, boven alle andere torens uitstekenden, achtkantigen toren rijzen, die—langs een stevige ophaalbrug, gelegen over een diepe gracht, welke de geheele vest omgaf—gemeenschap had met het ruim betimmerde nederhof, ’t welk niet alleen geschikte woningen voor de dienaars bevatte, maar ook ruime verblijven voor krijgsknechten, en uitgestrekte paardenstallen. Van daar geleidde een tweede zware ophaalbrug tot het kasteel-zelf, van welks groote en luchtige binnenplaats men den toegang had tot talrijke vertrekken, waaronder vooral de ridderzaal uitmuntte. Een onderaardsch gewelf, waarvan de opening potvormig in het midden van het binnenplein uitkwam, verstrekte tot gevangenis.Het was echter eerst onder de regeering van ’s Hertogen dochter en opvolgsterJohanna, dat de vergrooting van het Kasteel geheel voltooid werd: en zoo aanzienlijk waren de onkosten, daaraan besteed, datBrabanter tot driemaal toe voor geschat werd.Hoe vaster en prachtiger intusschen de burcht opgebouwd, en hoe sterker de plaats—hoe meer begeerlijk haar bezit geworden was: en geen wonder, dat die vanHollandhaar niet dan met leede oogen in de macht des Hertogs bleven zien.Willem III, hoezeer hy van den Graaf vanKleefdiens rechten opHeusdenhad afgekocht, had zijn aanspraken na den gesloten vrede wel niet laten gelden; doch zijn opvolgers zochten alleen naar een geschikte gelegenheid om die te doen herleven.WillemvanDrongelen, even als zijn vaderJanhakende naar ’t bezit van wat hy oordeelde, hem naar erfrecht te behoorden, liet niet na, den wrevel der Hollanders te voeden, en het vuur van tweedracht tusschen hen en de Brabanders aan te stoken. Strooptochten over en weder waren niet ongewoon: en het waren alsdan doorgaandsWillemvanDrongelenen zijn zonen, die de Zuid-Hollanders aanvoerden. Eens echter had er een samentreffen plaats der beide partyen, waarby met ongewone hevigheid gestreden werd. De Hollanders behielden de overhand; doch die gekocht werd met het bloed vanRobbertvanDrongelen, den oudsten zoon des mans, die hen tot den strijd had aangespoord.De staat van zaken was echter met betrekking totHeusdende zelfde gebleven, toen in 1355Jan IIIoverleed, en zijn dochterJohanna, gade vanWenceslausvanLuxemburghem in ’t Hertogdom opvolgde. Naauwlijks echter waren de beide echtgenooten plechtig ingehuldigd, toen de Graaf vanVlaanderen, verbitterd, dat zy hem gelden onthielden, welke zy hem wettig schuldig waren, plotseling den vollen prijs eischte, waarvoor hy, tien jaren te voren, zijn recht opMechelenaan HertogJan IIIhad afgestaan, en die nog niet voldaan was. Vruchteloos waren alle onderhandelingen, tot vereffening van den twist gehouden. De krijg begon: de Vlamingen rukten, terwijlWenceslausteMaastrichtzijn tijd in werkeloosheid doorbracht,Brabantbinnen, vermeesterdenBrussel,Leuven, en een aantal andere plaatsen, en brachtenWenceslausop den rand des verderfs. De moed vanEvert ’Tserclaes, dieBrusselweêr verraste, deed de krijgkans keeren, en bracht eerlang geheelBrabantonder ’t gezach vanWenceslausterug. Niet te min bleef de Graaf vanVlaanderenden krijg met afgewisseld geluk voortzetten, tot partyen, het strijden moede, besloten hun geschil aan de bemiddeling van GraafWillem VvanHollandte onderwerpen. Met blijdschap nam deze het voorstel aan, zich daarby ten stelligsten voornemende, om in elk geval te zorgen, dat, welke der beide partyen zich ook over zijn uitspraak beklagen mocht, hy-zelf er wel byvaren zoû. Hy begon daarom met aanWenceslausden afstand vanHeusdenals voorwaarde te stellen, zonder welken hy zich niet met de zaak bemoeien wilde. Die eisch werd toegestaan: hy nam het ambt van middelaar aan, en, hoezeer de vrede, welken hy tot stand bracht, alles behalven eervol voor die vanBrabantwas, hy wees echterWenceslausMechelentoe, tegen allen schijn van billijkheid, en tot verbazing van hen, die hem niet hadden hooren zeggen tot den Hertog: »Heusdenmijn,Mechelendijn;” woorden die van dien tijd af tot een spreekwoord werden, dat zoo veel gold als: »de eene dienst is de andere waard.”Nu wasHeusdenmetHollandvereenigd; maar ookWillemvanDrongelenmoest te vrede gesteld worden. Wel kwam het den Graaf niet in de gedachte, hem de Heerlijkheid-zelve in leen af te staan, welke hy liever voor zich behield; maar hy kon hem echter zijn aandeel in den zoo gemakkelijk verworven buit niet onthouden; en hy had te zorgen bovendien, dat voortaan alle geschil betreffende den wettigen eigendom vanHeusdenvoor goed uit ware. Hy schonk daarom aan de Heeren vanDrongelende Heerlijkheid vanEethenenMeeuwentot een Hollandsch erfleen, en steldeJanvanDrongelentot Baljuw vanZuid-Hollandaan, onder voorwaarden, dat zy van alle aanspraken op Stad, Slot en Heerlijkheid vanHeusdenvoor eeuwig afstand deden ten zijnen behoeve. Wat zouden deDrongelensdoen? Zy onderwierpen zich aan wat zy niet beletten konden. En dit was in hun geval wel hetwijste.Nu dacht GraafWillemde rust der Heerlijkheid voor goed verzekerd te hebben!—en echter, geen drie jaren waren er verloopen, ofHeusdenmoest de ellende des oorlogs ondervinden. Wel waren het deze reize geene aanspraken op erf- of domeinrecht die den krijg ontstaken, maar de gevolgen van binnenlandsche verdeeldheid.Willem V, krankzinnig geworden, was van de regeering ontzet. Zijn broeder, HertogAelbrecht, had, Ruwaard geworden, de Kabeljauwschen van de bedieningen, die zy bekleedden, verstoken, en die aan de Hoekschen geschonken.Maar niet geduldig hadden de eerstgenoemden zich die vernedering getroost.HeemskerkriepKennemerlandin de wapens,Delftstond openlijk tegen den Ruwaard op, enFlorisvanBorselenbrachtZeelandin rep en roer.Laatstgenoemde Edelman was doorWillem Vtot Burggraaf vanHeusdenaangesteld; hy maakte zich meester van het zegel en de papieren des Graven, en borg die met eenige kleinodiën op het slot. Daar werd hy door HertogAelbrechtbelegerd, en genoodzaakt zich by verdrag over te geven. Maar kort was de rust, welkeHeusdengenoot. Toen in ’t zelfde jaarDelftzich aan den Graaf moest onderwerpen, namen eenige Edelen, die den opstandelingen hulp hadden geboden, en waaronderGijsbertvanNyenrodeenJan Kervenagenoemd worden, de wijk naarHeusdenen verschansten zich op ’t slot. Op nieuw werd dit belegerd; doch zoo hardnekkig was de verdediging, datNyenrodeen de zijnen het een rond jaar tegen de macht vanAelbrechtuithielden. Toen werd er, door bemiddeling vanOttovanArkeleen zoen getroffen, en de belegerden in genade aangenomen, onder voorwaarde van binnen twee jaren naarJeruzalemin bedevaart te gaan.Na ’t vermelden dezer gebeurtenis zwijgen de Kronijken een tijd lang overHeusden, of bepalen zich tot het gewagen van eenige handvesten, doorAelbrechtof door zijn opvolgerWillemvanBeyerenaan de stad geschonken, en van eenige stichtingen, aldaar door den tot Kastelein aangesteldenWillemvanKroonenburggedaan. By het uitbarsten van den twist tusschen HertogJanvanBeyerenen GravinJakoba, hieldHeusdende zijde des eerstgenoemden, als uit een handvest blijkt, door hem ten jare 1419 aan de stad geschonken; doch in ’t volgend jaar verscheenJakobamet haar krijgsvolk voor de stad. De inwoners, voor een storm beducht, openden haar de poorten; en zy vertoefde een tijd lang op het slot; haar verblijf gaf den kronijkschrijvers vanHeusdenstof tot gelijke verhalen, als door anderen ten opzichte van haar gevangenschap opTeylingenworden opgedischt;namelijk, dat zy gewoon was, goed te drinken, en alle kannetjens, na ze geledigd te hebben, over ’t hoofd in de slotgracht te werpen. Men weet, dat hieruit later het laffe volkssprookjen ontstaan, en zelfs doorWagenaaren andere deftige schrijvers nagepraat is, als zoude zy zich zelve onledig gehouden hebben met het fabriceeren van dergelijke kannetjens. Wat my betreft, ik geloof noch aan de eene noch aan de andere vertelling, althands zoo lang men daar geen beteren grond voor aanvoert, dan het vinden van aarden kannetjens in de grachten van kasteelen.In 1446 werden de President of Stadhouder vanHolland,Gozewijn de Wilde, enFilip Banjaart, Kastelein van het slot teMedemblik, die elkander van een schandelijke wandaad beticht hadden, teHeusdengevangen gezet. De eerste werd naderhand teLoevesteinonthoofd, en de andere vrijgelaten.SedertFilipsvanBourgondiënde Hertogskroon vanBrabanten de Gravenkroon vanHollandtevens droeg, kon er wel geen twijfel bestaan, ofHeusdenhem als zijn Heer erkennen moest, maar ontstond er van tijd tot tijd weder verschil, over de vraag, in welke hoedanigheid zulks geschiedde. Immers, toen GraafJanvanNassau, Heer vanBreda, na ’t overlijden vanDirkvanMerwededoorFilipstot kastelein vanHeusdenwerd aangesteld, brachten die vanHollandbezwaren daartegen in, op grond dat gemelde Graaf Drossaart vanBrabantwas, en die aanstelling schijnbaar te kennen gaf, datHeusdengerekend werd onderBrabantte behooren.Filipsbegreep zich echter aan die bezwaren niet te moeten stooren, maar gaf by besluit van 18 December 1447 aan die vanHeusdente kennen, dat zy GraveJanzouden hebben te gehoorzamen, zonder daaruit af te leiden dat zy meer aanBrabantdan aanHollandverbonden waren; terwijl hy de vraag, onder welke Souvereiniteit de plaats behoorde, geheel in ’t midden liet. Het vraagpunt bleef alzoo hangende, en, wat opmerking verdient, terwijl de Staten vanBrabantvoortdurend, ter gelegenheid der blijde inkomsten, hunne Vorsten lieten zweeren, dat zyHeusdenweder aanBrabantzouden hechten, lieten dievanHollandhen ter zelfder gelegenheid zweeren, dat zy het nooit vanHollandzouden scheiden.In den Gelderschen oorlog, die in ’t jaar 1497 begon, had het platte land rondomHeusdenveel van de Gelderschen onder den OversteBoudewijnte lijden; doch die vanHeusdenversloegen hen tusschenHerpenHedikhuizen; by welke gelegenheid zy, hetgeen zeldzaam is, een grooter getal vyanden gevangen maakten dan zy zelve sterk waren.Boudewijnzelf sneuvelde te dier gelegenheid, en werd met meer Gelderschen begraven, ter plaatse, die sedert den naam vanBoukens-kerkhofdroeg. Men wil, dat het er daarna geweldig spookte, van waar nog lang de spreekwijze in zwang bleef: »’tSpookt alsBoukensgeest.”Het was ook teHeusden, dat, op den 4enJuly 1524, een stilstand van wapenen tusschen de Gelderschen en Borgondiërs gesloten werd: en vijftien jaar later had de stad het voorrecht, KeizerKarel Vbinnen haar muren te begroeten, wien zy een zekere hoeveelheid Rijnwijn vereerde. Dan, in 1542 vertoonde zich een min welkome bezoeker voor de poort, en wel geen ander dan de gevreesdeMaartenvanRossum, die zich niet met een weinig Rijnwijn paaien liet, maar eerst tegen voldoening eener aanzienlijke geldsom weder aftrok.Geen jaar meer duurde het echter, of al deNederlandenwaren onder KeizerKarelgebracht, en mochten zich een geruimen tijd in ’t genot eener zoete rust verheugen. Op den 24enSeptember 1549 was het wederom feest op het hooge slot teHeusden: de pektonnen brandden op de burchtpleinen: wimpels, banieren en feestlantaarnen werden uitgestoken van de tinnen: muziek en gezang weêrgalmden langs de straten, en blijde begroette de stad haar toekomstigen Heer, PrinsFilips, des Keizers zoon, die zijn aanstaande Nederlandsche onderdanen met een bezoek vereerde. Die hem toen als Kastelein-Drossaart de sleutels der stad aanbood was JonkerGerard SpieringhvanWel, uit het geslacht vanHeusdengesproten, en in 1533 in gemelde hoedanigheid opgevolgd aan JonkerWynand Maschareel.ToenAlvain deNederlandenkwam, en alle vaste plaatsen door zijne troepen in bedwang werden gehouden, ontfingHeusdeneen bezetting Albaneesche ruiters, gemeenlijk Roodrokken genoemd, onderNicolaodeBasto, en werd de burgery met den last bezwaard, om hen van den noodigen leeftocht en voeragie te verzorgen. Reeds dit op zich-zelf was lastig en onaangenaam; doch nog minder te verdragen was de trots en moedwil dier woeste vreemdelingen, waarvan onder anderen drie burgers,Geraert Geraertsen van Ghesel,Jan BruerenHuybert Leendertsz Goudsmit, de slachtoffers werden, die op 24 Mei 1567 buiten de Oud-Heusdensche poort jammerlijk door eenige beschonken ruiters werden vermoord. Wel raakten de Heusdeners van die lastige gasten ontslagen; maar op den 17enJanuary 1569 bekwamen zyFrancisco Vargasmet een vendel Spanjaarts in hun plaats, die er insgelijks vrij onbehoorlijk huis hielden.De Heusdensche kronijken brengen tot dat zelfde jaar 1569 een poging, door de anti-Spaansche party aangewend, omHeusdente verrassen. Op een tijdstip namelijk, dat er geen bezetting lag, trok deHopmanWaerdenburghmetJoost Hoeck(een uitgeweken Heusdenaar) en eenig volk de stad binnen: waarop de DrossaertSpieringh, bygenaamdQuaedtael, met eenige arbeidslieden op ’t kasteel weken. Hier werd hy doorWaardenburgbelegerd; doch toen deze het buskruit aan zijn volk uitdeelde, gebeurde het, dat door onvoorzichtigheid een brandende lont in een buskruitvaatjen viel, en een ontploffing veroorzaakte, ten gevolge waarvan niet alleen een menigte volks gekwetst raakte, maar ook schier het derde deel der stad afbrandde, benevens de Katharynekerk en ’t Raadhuis. De krygsbende, die uit nieuw geworven en saamgeraapt volk bestond, was door het gebeurde zoo ontsteld, dat zy uit de stad week, en om geen belegering meer dacht. Wel wist de Hopman hen te overreden om terug te keeren; doch na eenigen tijd toevens zag hy zich genoodzaakt,Heusdenweder te verlaten, op de aankomst vanJan Hol, opperste Ritmeester des Hertogen vanHolstein, die op 16 September met troepenuit’s Hertogenboschwas afgezonden. Hoewel als vriend teHeusdenontfangen, beäntwoordde hy het onthaal slecht, en plunderde de stad; terwijl ettelijken vanWaerdenburghsvolk door de zijnen achterhaald en gedood werden. Vier dagen later kwam de Hertog vanHolsteinzelf binnenHeusden, ontfing de inwoners in genade, en nam hun den eed van getrouwheid af, terwijl er voorts aldaar afwisselend Duitsche en Waalsche bezetting bleef.Wy vermelden het feit, zoo als het door de kronijkschrijvers is opgegeven. Alleen mogen wy de opmerking maken, dat het jaartal ons apokryf voorkomt. Immers de eerste pogingen, doorOranje, GraafLodewijken anderen aangewend, om deNederlandenvanAlvaasjuk te bevrijden, waren in 1568 reeds verydeld geworden en werden—te lande namelijk—niet voor 1572 hernieuwd. In 1569 heerschte hier betrekkelijke rust, en een op zich zelf staande aanslag op een binnenstad alsHeusdenzou belachlijk zijn geweest, en tot niets hebben kunnen leiden. De gebeurtenis moet dus of veel vroeger plaats gehad en in verband gestaan hebben met den inval, doorHoogstratenenKuilenburginGelderlandbeproefd:—of later, na 1572: welk laatste men schier zoude aannemen, omdatSpieringhvanWel, genaamdQuaedtael, eerst in 1571 zijn vader als Kastelein-Drossaart opvolgde. Waarschijnlijk heeft het verbranden van het Stadhuis, met de aldaar bewaarde registers en archieven, de verwarring in de opgave van het jaartal veroorzaakt.Nog sluit zich aan het hier gegeven verhaal een ander, ’t welk wy elders vinden, en waarin vermeld wordt, hoeJoost Hoecken de Heusdeners, die met hem uitgeweken waren, zich dapper weerden by ’t beleg vanBommeneede; doch, by ’t innemen der stad door de Spaanschen op den 25 October 1575, met de overige bezettelingen om ’t leven werden gebracht.Het was ook aan een afstammeling uit het geslacht vanHeusden, datWalcherenzijn bevrijding van ’t Spaansche juk te danken had, en wel aanJanvanKuik, Heer vanHerp, die in 1571Vlissingentot ’s Prinsen zijde deed overslaan;voor welke kloeke daad hy later met de HeerlijkheidDomburgbeleend werd.Eerst in 1577 werdHeusden, ten gevolge der Pacifikatie vanGent, van vreemde bezetting ontslagen. Kort daarna trokken de Kastelein-Drossaart en de Schout naarBrabantmetter woon, en werd in de plaats van eerstgemelde aangesteld JonkerJohan Bax, een der leden uit dat geslacht van krijgshelden, zoo beroemd in onze militaire oirkonden. Reeds twee jaren daarna werd hem gelegenheid verschaft, zijn wakkerheid te toonen, toenParma, na ’t innemen vanMaastricht,Valdezafzond omHeusdente verrassen. Reeds had hy geduchte toebereidselen gemaakt ter belegering; en de pogingen, doorBaxgedaan, om het omliggende land onder water te zetten, werden verydeld door den lagen stand der rivier, toen ergelukkigeen stormwind opstak, die het water tot een verbazende hoogte rijzen deed, zoodat de dijk buiten de Herpsche poort doorbrak, en de vyand genoeg te doen had om het instroomende water door een snelle vlucht te ontkomen.Hoezeer, als wy gezien hebben, de stad in 1577 de Pacifikatie aannam, bleef de Roomsche Godsdienst nog een tijd lang de heerschende en werd de Hervormde leer alleen op ’t kasteel gepredikt. In ’t jaar 1579 echter werden, voornamelijk door toedoen van eenige naarHeusdengeweken Bosschenaars, de beelden en andere voorwerpen van eeredienst uit de kerken genomen, en de nieuwe leer zonder opschudding ingevoerd.In 1588 leedHeusdenwederom last; doch deze reis niet van een vyand van buiten.Leycesterhad de stad met een zware bezetting voorzien, onder bevel vanChristoffelvanYsselstein. De wanbetaling der soldij bracht hier, gelijk in vele andere steden, de troepen aan ’t muiten: de stadsregeering werd op het raadhuis gevangen gezet, enYsselsteinzelf op ’t kasteel belegerd. Het oproer duurde van 31 January tot 23 Maart, toen hetNikolaas Blanckaert, die in 1584 aanBaxals Kastelein-Drossaart was opgevolgd, en den BurgemeesterDierck Hamel Dierckszgelukte, de rust te herstellen.Sedert er voortdurend Staatsche bezetting binnenHeusdenlag, onthield zich de Drossaart niet langer op ’t kasteel, maar liet, waarschijnlijk om alle konflikt van gezach te vermijden, het verblijf aldaar over aan den Kommandant.KarelvanLevin, Heer vanFamars, hadYsselsteinals zoodanig vervangen, toen GraafKarelvanMansveldzich in 1589 aan ’t hoofd van een aanzienlijk leger voor de stad vertoonde en haar in ’s Konings naam opeischte. De bezetting was op dat tijdstip zwak, enFamarsdrong by PrinsMauritsaan op versterking. Deze voldeed gereedelijk aan het verzoek, en liet, niet ver vanHedikhuizen, eenige benden over deMaasvoeren; maar nu kwam het er nog op aan, hoe men die binnen de stad zoû brengen, welke reeds door den vyand was ingesloten. Het eenige middel daartoe was, zich, met de wapens in de vuist, een weg door de Spaanschen en hun verschansingen heen te banen: dit werd beproefd, en, hoezeer niet dan na een hardnekkig gevecht, en verlies van vrij wat volk, met een gewenschten uitslag bekroond. De plaats, waar dit gevecht voorviel, bewaart nog in haar naam het aandenken van dezen strijd, en heet deSpanjaartsslag. Vijf maanden en twee dagen stond de stad het beleg door, zich alleen tot verdediging bepalende, daar de rondom liggende schansen teDoeveren,ElshoutenHemertalle door den vyand bemachtigd waren; doch toen kwamen de winter en vooral het wassende water den Staatschen te hulp, zoodat de troepen vanMansveldzich niet alleen gedwongen zagen van allen verderen aanval af te zien, maar zelfs het beleg op te breken. De schansen, door hen bezet, werden in ’t volgende jaar doorMauritsingenomen.Een aandoenlijke plechtigheid viel op den 20enOktober 1603 teHeusdenvoor: namelijk de begrafenis van den wakkeren en beweenden krijgsoversteOliviervan denTempel, Heer vanCorbecke, die voor’s Hertogenboschdoor een kanonschot van ’t leven was beroofd geworden. Het lichaam werd met groote staatsie in de Groote kerk ter aarde besteld, en de laatste eer aan den overledene bewezen door PrinsMaurits, GraveWillemvanNassau,den Vorst vanAnholt, en een aanzienlijk getal krijgshoofden en voorname Heeren.Op den 6enSeptember 1614 had een zware doorbraak plaats, door welke al de steenwerken buiten de Wijksche poort wegspoelden. In 1623 zond de LandvoogdesIzabellaheimelijk zekeren Priester,MichielvanOphovengenaamd, Prior der Preekheeren teAntwerpen, totWillem AdriaanvanHoorne, Heer vanKessel, destijds Gouverneur der stad, met belofte, dat, indien hyHeusdenin hare handen leverde, zy hem den tytel van Graaf vanHoorne, de ridderorde van ’t Gulden Vlies, en een aanzienlijke geldsom zou verstrekken, alsmede zijn kinderen tot hoogen rang verheffen.Kessel, dit voorstel gehoord hebbende, wees het met fierheid van de hand, zeggende, dat hy om al de schatten des Konings vanSpanjegeen verrader worden zoû; terwijl hy voorts den Prior aanzeide, dat hy zijn gevangen blijven moest. Werkelijk werd dan ookOphovennaarden Hagegezonden, waar hy ruim anderhalf jaar op de voorpoort gevangen zat, en toen werd uitgewisseld. Hy werd later Bisschop van’s Hertogenbosch, en bleef zulks tot aan de verovering dier stad doorFrederik Hendrik.Gedurende het beleg vanBredadoorSpinola, in de jaren 1624 en 1625, werden in de naaste grensvestingen Bezettingen gelegd, uit vrijwilligers van de Burgeryen: en zoo viel aan die vanHaarlemen aan eenige Hagenaars het lot te beurt, inHeusdengelegerd te worden. Deze bezettelingen waren aangevoerd doorJan Klaasz. Loo, Burgemeester vanHaarlem, als Kolonel. Hun optocht werd, nevens een gezicht op de stadHeusden, in ’t koper gebracht door den beroemdenMatham.Gedurende het beleg van’s Hertogenbosch, in den jare 1629, werden nogmaals teHeusdentwee voor die stad gevallen krijgshelden begraven: de een was de RitmeesterNikolaas Smeetsing, die zes-en-dertig jaren den Lande gediend, het Luitenant Gouverneurschap over de steden vanOverysselvoor den Prins vanOranje, en het Voorzitterschap van den krijgsraad bekleed had.Zijn lichaam, geleid door den Vorst vanNassau, de GravenErnstenWillemvanNassau, en andere Legerhoofden, werd in Mei van genoemd jaar in ’t zelfde graf gelegd, waarinOliviervan denTempelbegraven was.—De andere was de KolonelLouisdeLevin, Heer vanFamars, zoon van den reeds genoemdenCharlesdeLevin, en broeder vanFilipsdeLevin, die beiden Gouverneurs vanHeusdenwaren geweest. Onder ’t doen eener ronde in den rug door een kogel getroffen, was hy in de zelfde nacht overleden. Zijn lijk werd tot buiten het leger vergezelschapt door den Prins vanOranje, den Koning vanBohemen, en de meeste krijgsoversten.Meer dan ooit in den loop van dertig jaren werd de stad door hevige pestkoortsen aangetast: de eerste reis in 1624 en 25, toen er wekelijks van twintig tot dertig menschen stierven: de tweede in 1634–35, en de derde reis in 1664.In den jare 1666 sloeg de bliksem in den hoogen burchttoren, doch werd gebluscht, tot groot geluk voor de inwoners, aangezien het kruitmagazijn daar onder was, en door het openslaan der deuren groot gevaar liep. Wy zullen zoo aanstonds zien, dat deze waarschuwing, die aanleiding tot het nemen van betere voorzorgen had moeten geven, geheel vruchteloos bleef.Het verdient opmerking, datHeusden, nadat het Staatsch geworden was, noch in den oorlog tegenSpanje, noch in dien tegenFrankrijkgevoerd, het lot ondervond, dat byna alle andere grenssteden en zoovele landsteden te beurt viel, van namelijk in handen van den vyand te geraken, en dat alle daartoe aangewende pogingen vruchteloos afliepen. Merkwaardig vooral was dit in den jare 1672, toen, by de algemeene flaauwhartigheid der ingezetenen, schier alle rondomHeusdengelegen plaatsen door de Franschen bezet waren geworden. Op zekeren Zondag van gemeld jaar was een troep van ongeveer tachtig man, die een toeleg opHeusdenin den zin had, in ’t dorpBaartwykgekomen, dat ongeveer een uur gaands van daar gelegen is. Zy vroegen eenen huisman den weg naar de stad, hem daarby te kennengevende, dat zy onderricht waren, voorby zekere schans te moeten trekken, waarmede zy de Elswoutsche schans bedoelden, langs welke zy overOud-Heusdenwellicht ongemerkt in de stad hadden kunnen komen. De boer echter, ’t zij uit misverstand, ’t zij met opzet, wees hun den weg aan door deBaartwyksche steegop het dorpDoeveren, waar mede een schans lag, toen geslecht, en zoo totHeesbeen. Hier gekomen, zonden zy twee trompetters naar de stad, die, voor de Wijksche poort gekomen,Heusdenin naam des Konings opeischten. Maar de sergeant, die er toen de wacht had, gaf hun dit moedig bescheid, dat er kruid en lood genoeg binnen de stad was, om hun eisch voeglijk te beäntwoorden, waarna hy hen verjaagde, de valbrug liet ophalen, en de poort sluiten. De gandsche stad geraakte in de wapenen: de schuttery wedyverde met de bezettelingen in yver: het geschut werd op den wal geplaatst, en de vyanden, hun toeleg mislukt ziende, dropen af met schande. Intusschen deed het gebeurde de aandacht der Staten opHeusdenvestigen, en werd het Gouverneurschap over die stad, ’t welk sedert 1663 door den Heer vanSchagen, by wijze vansinecure, bekleed was geworden, aan den VeldmaarschalkPaulus Würtzopgedragen, die er een tijdlang in persoon aanwezig bleef.Het was omtrent dezen zelfden tijd, dat zekere Heusdenaar,Jan Beensgenaamd, zich voor eenig werk buiten de stad begeven moest. Een vuurroer om den schouder gehangen hebbende, toog hy de poort uit, toen hy, teHeesbeengekomen, Fransche soldaten bespeurde. Hen willende ontwijken, sloeg hy een pad in, dat hem naarGenderenbrengen moest; doch in de zoogenaamdeGroensteeggekomen, reed hem een Fransch ruiter te gemoet, die hem reeds van verre toeschreeuwde, dat hy staan moest en zich gevangen geven. Hiertoe wilde echterJan Beensniet besluiten, die naar een hek terug week en zich daarachter verborg. De Franschman naderde, greep zijn karabijn, en loste die opJan Beens, maar trof alleen eene der hekstijlen, waarop de Heusdenaar, zijn kans waarnemende, met zijn snaphaan op den ruiteraanlegde, hem van ’t paard deed tuimelen, overweldigde, gevangen nam, en met paard en rusting, tot aller verwondering, binnenHeusdenvoerde.De moed, door de Heusdenaars betoond, en de sterkte der plaats, hadden waarschijnlijk aan de Franschen de lust ontnomen een nieuwen aanval te beproeven, en de stad leed dan ook minder dan andere van de rampen van den krijg.Maar van droeviger gevolg dan het onweer van 1666 was een onweer dat op den 24enJuly des jaars 1680 bovenHeusdenlosbarstte, wanneer de bliksem andermaal in den grooten achtkantigen toren sloeg. Het buskruit, dat daaronder in diepe gewelven bewaard werd, geraakte in vlam, en de toren niet alleen, maar het grootste gedeelte des kasteels, van zijn grondvesten afgerukt, sprong met een schrikkelijken slag uit elkander. Verscheiden huizen in de nabyheid werden door dien schok het onderst boven gesmeten; in velen daarvan vond men vijf tot zes dooden, jammerlijk omgekomen onder ’t puin hunner verbrijzelde woningen. Slechts enkelen, onder de opgerukte steenen gered, doch meest deerlijk gekwetst en gekneusd, behielden ’t leven. Het jammer, de schade en de ellende waren groot; want van de geheele straat, omtrent het kasteel gelegen, was byna niet een huis overeind gebleven. De plaats, waar de kruittoren gestaan had, was veranderd in een diepen kolk, vol zwart water, ’t welk, door het geweld des poeders beroerd, al borrelende scheen te koken. En toch, hoe ijsselijk de verwoesting was, nog moest men het gelukkig noemen, dat het losgebarsten buspoeder zijn meeste uitwerking van de stadszijde af en buitenwaart gedaan had: dewijl anders de stad eenalgeheelevernieling zou hebben ondergaan.AanWillem Adriaan, Grave vanHornes, dieWürtzals Gouverneur vervangen had, volgde in 1688DanieldeTafindeTorsay. Tijdens diens bestuur werd de stad door het aanleggen van sterke beeren en schutsluizen tegen overstrooming beveiligd, en nieuwe vestingwerken aangelegd, terwijl een der torens totkruitmagazijn werd ingericht. Na het overlijden vanTafin, in 1709, werdJohan TheodoorBaron vanFriesheimtot Gouverneur aangesteld, welke betrekking hy in 1723 tegen die van Gouverneur van’s Hertogenboschverwisselde. Hem vervingen achtereenvolgends in ’t zelfde jaarJacob Harduïn PalmenStatius FilipGrave totBenthem.De stadHeusden, die, by de vestiging van het Gemeenebest, op de Dagvaarten beschreven werd en teekende vóorPurmerend, had zich, even als vele andere kleinere Steden, dit recht—waarvan de uitoefening met geen geringe kosten gepaard ging—van lieverlede laten ontnemen. Ten tijde der troebelen van 1787 deed zy echter deze aanspraken weder gelden, ’t welk de toenmalige Staten niet weinig in verlegenheid bracht, om het voorbeeld, dat hierdoor aan andere kleine Steden zou gegeven worden. De zaak werd slepende gehouden, en weldra deden gewichtige gebeurtenissen het geheele vraagpunt van zelf vervallen. De oorlog tegenFrankrijkwas uitgebarsten. De Franschen, in 1793 in ons Land gevallen, haddenBredaenGeertruidenbergveroverd, en eischten nu ookHeusdenop. Die eisch werd echter afgeslagen, daar de stad zich in genoegzamen staat van tegenweer bevond. De vestingwerken toch waren sterk, de schansen teDoeverenenHemertin goede orde, en de Bezetting boven de 2000 man sterk. De Erfprins vanOranje(later KoningWillem I) kwam zelf in de nacht van 10 Maart teHeusdenzijn hoofdkwartier vestigen, doch bleef er niet lang, en werd door zijn broederFrederikvervangen.Misten de Franschen te dier gelegenheid hun kans, in ’t volgende jaar waren zy voorspoediger: zy hadden op 9 Oktoberden Boschovermeesterd, en men was teHeusdenhun aanval verwachtende; weshalve men, ter meerdere bevestiging, een doorsnijding in den hoogen Maasdijk teHedikhuizengemaakt had. Inmiddels was de gemeenschap metHolland, door de omHeusdenzwervende of gelegerde Franschen, afgesneden; de vorst viel met buitengewone strengheid in, en de middelen tot verdediging werden hierdoorgrootendeels verzwakt.Van Liesvelt, die het bevel over de bezetting voerde, ziende, dat het ijs de onder-water-zetting nutteloos maakte, gelastte den burgeren, gezamentlijk met zijn krijgsvolk, de stadsgrachten en deMaasopen te houden, waarmede, den 28stenDecember, door veertig burgers tevens, een aanvang werd gemaakt. Het leed tot in het begin van January 1795, dat de bezetting in ’t ongewisse bleef, of de vyand het inderdaad opHeusdengemunt had. Dan op den vijfden dier maand deed de GeneraalDaendelsde vesting opeischen, met bedreiging van storm te zullen loopen indien men niet gewillig de poorten voor hem openstelde. Zelfs liet hy aan een hem toegezonden officier zijn gemaakte voorbereidselen zien, ten bewijze, dat zijn dreigen geen ijdele grootspraak was. Niettemin sloeg men den eisch af: waarop het beschieten der stad op den negenden een aanvang nam, en tot den twaalfden voortduurde. De stad werd nogmaals opgeëischt: de Kommandant, na zich nevens zijn volk verbonden te hebben, in geen jaar en zes weken tegen de Franschen te zullen dienen, verkreeg een vrijen uittocht, met achterlating van een verbazenden voorraad krijgs- en mondbehoeften, welkeDaendelsin handen vielen.Onder het bewind vanNapoleonlagen er veteranen in bezetting teHeusden, die in 1813, op het gerucht van de aannadering der Pruissen, de stad verlieten. Naauwlijks waren zy de Herptsche poort uitgetrokken of de Pruissen rukten die binnen. Nu scheenHeusdeneensklaps uit den doodslaap, waarin het gedurende achttien jaren was verzonken geweest, herrezen, en in een wapenplaats herschapen te zijn. Duizenden van Russen en Pruissen stroomden er beurtelings in en uit, en de GeneraalBulowhad er een tijd lang zijn hoofdkwartier.Maar weldra zou de tijd aanbreken, datHeusdenuit den rij vanNeêrlandssterke plaatsen verdwijnen moest. In 1821 werd de stad ontmanteld, de bolwerken en ravelijnen aan partikulieren verhuurd en tot warmoeziersland aangelegd. Alleen bleef er nog een kazerne bestaan, die in 1837 belangrijke herstellingenonderging: voorts een arsenaal en artillerieloods; terwijl een nieuwe affuitloods op het Burchtplein gebouwd werd. De eenig overgebleven zijtoren en de kelders van het oude slot werden tot een bomvrij kruitmagazijn ingericht, en vertoonen zich thands nog als een vierkant gevaarte zonder kap, maar met zware muren en diepe gewelven; terwijl het plein, daarnevens, met iepenboomen bezet, een fraaie wandeling oplevert.1Voorkomende in den Muzen Almanak van 1821, pag. 149.2Namelijk vanJanVIII die regeerde, toenHeeluschreef; wantAernout, broeder vanJanVII, was geenklerk.3De zin is: »die liever zich (genoten) vereenigd hadden, dan den Heer vanHeusdente vangen.4Die vanHeusdennamelijk.

Het Kasteel van Heusden.In de ruimte, welke ten noorden door deMaas, ten oosten en ten zuiden door de Meiery vanden Boschen ten westen door het Land vanAltenaomgrensd wordt, liggen ruim tienduizend bunders laag bouwland bevat, die het hoofdbestaan verschaffen aan een bevolking van nagenoeg 15000 zielen, over een kleine stad en zeventien dorpen verspreid. Ofschoon noch die stad, noch de daar om heen gelegen vlas-, hennep-, en hopvelden den reiziger veel bekoorlijks of merkwaardigs aanbieden, by den geschiedvorscher en by den dichter wekt de aanblik daarvan herinneringen op, die niet van belangrijkheid ontbloot zijn, al ware het maar om de wisselingen, welke de streek ondergaan heeft. Maakt zy thands een deel uit van de ProvincieNoord-Brabant, en onderNapoleonvan het Departement derMonden van den Rijn, in 1801 was zy in tweën gesplitst en voor de helft byBrabant, voor de wederhelft byHollandingedeeld geweest, na vijf d’halve eeuw lang tot dit laatstgenoemde en vroeger een geruimen tijd tot het eerstgenoemde Gewest behoord te hebben. Die streek is nog heden ten dage bekend onder den naam van hetLand van Heusden: die stad isHeusden: die dorpen zijnEngelen,Vlijmen,HonsoirtofOnsenoord,Hedikhuizen,Herpt,Oud-HeusdenenBaardwijk, die van ouds den naam van »bovendorpen,”Heesbeen,Genderen,Doeveren,Drongelen,Eethen,Meeuwen,Babyloniënbroek,Veen,WijkenAalburgh, die den naam van »benedendorpen” dragen.Het kasteel van Heusden.Het kasteel van Heusden.Maar had die streek dikwijls in de laatste eeuwen van meester verwisseld, en, eer zy aan Holland kwam, tot een twistappel gestrekt, waar hevig om gestreden werd, er had een tijd bestaan toen zy haar eigen, schier onafhankelijke Heeren had, en wel zoodanigen, die, ondanks de beperktheid van hun grondgebied, rijk, aanzienlijk en by hun naburen geducht waren, die zich reeds vroeg door verbintenissen met machtige Vorsten en Heeren versterkt hadden, zoo dat wederkeerig de hunne met yver gezocht werd.Wat den oorsprong en afkomst dier Heeren betreft, die zijn even onzeker als die onzer meeste adelijke Huizen en het daaromtrent vermelde evenzeer met tastbare fabelen doormengd. Buiten twijfel echter schijnt het, dat het Land vanHeusdenoorspronkelijk een deel uitmaakte van het GraafschapTeisterbant, en in vervolg van tijd, by broederdeeling, onderClevekwam, aan welk laatste Graafschap het tot op het einde der dertiende eeuw leenroerig schijnt geweest te zijn. Een jongere zoon uit het Teisterbantsche of Kleefsche Huis,Robbertgeheeten, wordt voor den eersten Heer vanHeusdengehouden. Het was voorwaar niet onder gelukkige voorteekenen, dat deze nieuwe dynastie begon. Nog duurde de eeuw van plondering en geweld, toen onze nog onbeschermde kusten gedurig bloot stonden aan de herhaalde invallen dier Noordsche Zeekoningen, die eerlang aanNederland, aanNormandyen, aanEngeland, aanSiciliën, zijn vorsten zouden schenken: en by eenen dier strooptochten was het, dat in 839 de stad en ’t slot, waar HeerRobbertzijn zetel had, door de vreemde zeeschuimers verwoest werden. Schooner en sterker dan te voren echter, rezen beiden weder op onder de regeering vanBoudewijn, die in 857 zijn vaderRobbertopvolgde. Was het vroegere kasteel niet sterk genoeg geweest, omaan een onverwachten aanval weêrstand te bieden, het nieuwer zoû dien beter kunnen verduren; want het paarde nu de zwaarte en omvang van dubbele wallen en torens aan de sterkte zijner natuurlijke ligging: terwijl het een natuurlijke verdediging bezat in de breedeMaas, die er voorby stroomde, en in de oude of zoogenaamdeverloren Maas, die er langs kronkelde, om zich hooger op, byAalburg, te verliezen. Ook het stichten der Sloten vanPoederoyen, vanBrakel, en vanAelstwordt aanBoudewijnvanHeusdentoegeschreven; waaruit men zoû moeten opmaken, dat hy, ook elders dan in het eigentlijke Land vanHeusden, Heerlijkheden bezeten heeft.Maar vrij wat belangrijker, of liever behagelijker herinneringen, dan die het bouwen van kasteelen oplevert, biedt ons de legende met betrekking totBoudewijnaan. Van hem toch verhaalt zy, hoe hy, in zijn jeugd metReinoutGrave vanAngiersnaarEngelandgetogen, den KoningEdmundin den krijg bystond, door zijn dappere daden de liefde won der schooneSofia, ’s Konings dochter, en deze heimelijk ontvoerde. Lang treurde de Koning om zijn spruit en zocht vergeefs den naam van haren roover en het oord, waar zy zich onthield, te ontdekken. In ’t eind gelukte hem dit, en vonden zijn zendelingen haar teHeusden, aan ’t spinnewiel gezeten. Een verzoening had plaats, en onder de voorwaarden daarvan was er eene, datHeusdenvoortaan een rad van keel als wapen voeren zoû, ter gedachtenis aan het roode spinnewiel, waarbySophiateruggevonden was.Zoodanig, met eenig gering verschil in byzonderheden by sommigen, luidt de legende. Nu weet ik vooraf, dat er ongeloovigen zijn, die haar als geheel fabelachtig zullen verwerpen; die met een glimlach de schouderen zullen ophalen, en zeggen, dat alle geslachtboomen van onze oude Hollandsche Huizen reeds in den beginne een verbintenis aantoonen met het een of ander vorsten-geslacht, de eene nog meer uit de lucht gegrepen dan de andere: dat er geen Koning vanEngelandonder den naam vanEdmundin de dagen vanBoudewijnvanHeusdengeregeerdheeft, maar wel, achtereenvolgends,EgbertenEthelwolf, en dat de geschiedenis vanEngelandniets vermeldt van het wegloopen der dochter van een van beiden met een Ridder uitNeder-Duitschland: eindelijk, dat er in de negende eeuw nog geen blazoenen bekend waren, en dat het wiel vanHeusdenin allen gevalle niets anders is, dan de acht schepters vanCleve, met een band omringd.Al moge ik de beide laatste aanmerkingen gedeeltelijk toegeven, zoo zie ik in de rest van ’t verhaal niets, dat zoo onbepaald verworpen behoeft te worden. Of is er iets onwaarschijnlijks in, datBoudewijn, gedurende het leven zijns vaders, en vooral toen zijn door de Noren verwoest erfgoed hem weinig aanlokkelijks aanbood, even als zoo vele andere jonge Edellieden van dien tijd, zijn fortuin heeft zoeken te maken in een uitheemschen oorlog? En wat dien Koning vanEngelandbetreft, wy behoeven hier niet aan een Koning over dat gandsche Rijk te denken. Op het tijdstip, datBoudewijnvanHeusdenEngelandbezocht zoû hebben, waren er nog maar weinige jaren verloopen, sedert KoningEgbertde Vorsten der Heptarchy onderworpen had, en enkelen hunner bleven waarschijnlijk levenslang hun tytel behouden. Onder die Vorsten treffen wy, omstreeks dien zelfden tijd, een Koning vanOost-Engelandaan, die den naam vanEdmonddroeg, van wien gemeld wordt, dat hy zich door byzondere vroomheid onderscheidde (zoo zelfs, dat hy heilig werd verklaard) en dat hy sneuvelde in den krijg tegen de Denen of Noormannen. En waarom nu, vraag ik, zou het ongelooflijk, waarom niet integendeel zeer aannemelijk zijn, dat onzeBoudewijnaan de zijde diens KoningsEdmondgestreden zoû hebben tegen diezelfde zeeschuimers, die zijn erfslot in puin verwoest hadden?—Waarom ongelooflijk, dat hy een schoone vorstendochter verleid zoû hebben, hem over zee te volgen?—Er is nog in 1841 wel een Infante vanSpanjegeweest, die zich heeft laten schaken.—En wie door die redenen niet overtuigd is, die leze de bekoorlijke Romance vanBilderdijk,HetWiel van Heusdengetyteld1, en hy zal niet meer willen twijfelen aan de echtheid van een verhaal, dat de stof tot zulk een meesterstuk van poëzy heeft opgeleverd.In 870 overleedBoudewijnvanHeusdenen werd, daar zijn oudste zoon,Edmond, inEngelandby zijn grootvader verbleven en tot grooten staat geraakt was, opgevolgd door zijn tweeden zoon,Robbert II, die tot huisvrouw nam des Graven vanZutfendochter, welke my veel apokryfer voorkomt dan die Engelsche princes.Robbertstreed heel dapper.... in ’t Heilige Land, een anakronismus, aan welken de kronijkschrijvers zich met betrekking tot al de Edele Heeren uit die dagen schuldig maken: hy stierf in 914, en liet de Heerlijkheid na aan zijn zoonEdmond, die getrouwd was met een dochter des Graven vanSeyn. ’k Wil ’t liever blind gelooven dan dat ik het zoû gaan onderzoeken.OpEdmondvolgde in 929 zijn zoonJan I, wiens huisvrouw al wederom een Gravedochter was, en wel van dien vanLoon; opJan Idie in 956 overleed,Robert III, die de dochter des Graven vanSpanheimtot vrouwe nam, en in 972 stierf: op dezen,Boudewijn II, met een dochter des Graven vanGennepgetrouwd.Hier begint de kronijk een meer historische kleur aan te nemen; en, even als dit met de meeste oude geslachtnamen het geval is, zien wy allengskens de Gravedochters door eenvoudige Jonkvrouwen afgewisseld. Zoo trouwtJan II, die in 1028 aan de regeering kwam, metMachteltvanSteenvoorde, enRobbert IV, die hem in 1073 opvolgde, met een dochter uit den Huize vanArkel.Boudewijn III, die in 1092 Heer werd, kreeg tot echtgenote een dochter des Graven van derLippe. Hy stierf in 1100, en liet de Heerlijkheid aan zijn zoonJan III, met een Jonkvrouwe vanArentsberghgehuwd. NaJan IIIkwam in 1135, zijn zoonWillem, die, in 1153 overleden,Heusdennaliet aan zijn broederAernout. Deze verwekte by een dochter des Graven vanSalmJan IV, die hem in 1168 opvolgde. Een tweede zoon vanAernout,Boudewijn Knijfgeheeten, was de stamvader der Heeren vanHeeswijk, en voerde twee raderen van keel op een half sabel half gouden schild.OpJan IVvolgde in 1192Robbert V, uit wiens broederWouter, bygenaamd Spiering, het geslacht derSpieringensproot, die een gouden rad in een veld van sabel voerden.Robbertstierf in 1202: hy had by zijn Huisvrouw, een dochter des heeren vanDiest, verwektJan V, die, tochtgenoot van GraafWillemvanHolland, twee malen het Heilige Land bezocht. Van zijn broederWillemsproot het geslacht derHedikhuysens, die een gouden rad op lazuur voerden.Jan VI, zoon vanJan Ven van de dochter des Graven vanVernenburgh, volgde in 1235 zijn vader op; hy zelf verkreeg de hand eener Gravinne vanLoon, zuster van dien Graaf vanLoon, wiens huwelijk metAdavanHollandzoo veel rampen verwekte. Zijn broeder, die mede den naam droeg vanJan, wordt gezegd de eerste Heer vanVeengeweest te zijn.Meer dan vanJan VI, die in 1279 overleed, valt van zijn zoonJan VII, te vermelden. Nog naauwelijks was hy aan de regeering gekomen, of hy vond zich in krijg gewikkeld met een machtigen nabuur. Deze was HertogJan IvanBrabant, die, te recht of te onrecht, zich beklaagde over geweldenarijen, door die vanHeusdentegen ingezetenen derMeierygepleegd, en zijn Drossaart met krijgsbenden afzond omHeusdenin te sluiten. De bezetting, ’t ergste duchtende, gaf zich over, en de Hertog, eerlang de stad binnengetrokken, liet er zich tot Heer huldigen: zoo datJan VII, wilde hy anders in ’t bezit zijner Heerlijkheid blijven, zich genoodzaakt zag, daarvan hulde te doen aanBrabant, en den Hertog als zijn Leenheer te erkennen. Hierby bleef het niet; toen kort daarna die geweldige oorlog om ’t bezit vanLimburguitbarstte tusschenReinoutvanGelreenJanvanBrabant, toen volgdeJanvanHeusdenzijn nieuwen Leenheer inden strijd; en met hem togen zijn broeders,Aernoutvan derSluyse, die het rad van zilver voerde op het veld van keel,Jan, Heer vanHeesbeen, die het rad van goud droeg op een veld van keel, enDiederik, de eenige van zijn geslacht, die niet uit den krijg terug zoû keeren: voorts zijn zonen,Jan, die later zijn opvolger werd, enAernout, die, ofschoon tot den geestelijken stand behoorende, geen zijner ridderlijken stamgenooten in heldenmoed week. Het was by de banier vanJanvanKuik, dat zy de hunne opstaken, en onder de aanvoering van dien wakkeren krijgsman, dat zy in ’t jaar 1286 den tocht begonnen.Te Senne(d. i.Sennewyne, in deThielerwaard) verhaaltJanvanHeeluin zijn heldendicht,Te Senne, daer vergadert lagenDes Graven (van Gelre) lieden te dier tide,Daer socht se coenlike met strideHeer Jan van Cuyck met sine gesellen,Daer men wonder af mach tellen.Soe eerlike ende soe sconeWaegden syt. Daer was de heereVan Hoesdinne (Heusden) met ende her JanVan Hesbinne (Heesbeen) een vromich man,Ende van der Sluys her Arnout,Een coene ridder ende een stoutEnde van Hoesdinne her Dideric.Hevig was de strijd.Ende menegen helm mogt men scouwen,Seere gescoort ende dorhouwenEer die sege gewonnen wart.Ja in den aanvang scheen de kans ongunstig voor den HeervanKuikte loopen, toen hemJanutenHovemet zijn Bredasche krijgsknechten ter hulpe kwam.OttovanBuerenenAllartvanDriel, die de Gelderschen aanvoerden, werden gevangen, enTiel, waarop zy ’t gemunt hadden, voorBrabantbewaard. Dan dit gevecht, hoe veel het ook tot den roem der overwinnaars bybracht, was maar een voorspel van den gewichtigen veldslag, waaraan zy later zouden deel nemen. Het was op den 5enJuly 1288, dat byWoeringendat hevig samentreffen plaats had tusschen de legers van den Aartsbisschop vanKeulen, den Graaf vanLuxemburgen dien vanGelreter eener, en die van den Hertog vanBrabanten zijn bondgenooten aan den anderen kant. Reeds zoo menigmalen is die slag beschreven, dat het noodeloos kan geächt worden die beschrijving hier te herhalen: alleen moet hier medegedeeld worden, in hoeverreHeusdenen de zijnen aandeel hadden in den zege, doorBrabantbehaald. De eerste aanval, door den Aartsbisschop gedaan op den linker vleugel, die door GraafAdolfvan denBerghwerd aangevoerd, had dezen doen wijken. Toen was het, datKuik, metArkelenHeusden, de orde hielp herstellen, en den vyand een wijl tot staan bracht.Luxemburg, die mede toegeschoten was, wordt teruggedrongen; dochBernardvanHalloy, tot zijn hulp gekomen, doet voor een wijl de kans wederom keeren. Het was nu, dat drie wakkere helden een nieuwen uitval tegen de Luxemburgers waagden; zy waren de Heer vanFrambach, die vanYsele, enDes heren broeder2van Hoesdinne,Arnout hiet hi ende was clerck,Maer ridderlike was syn werc.Van groote persse ende meswinde (tegenspoed)Leet hi: daer bleef ooc een indeVan sinen nase, dat hi vercochteEerlike daer hi den stryt sochte.Doch niet alleen hadAernout van Heusdenzijn neus in den strijd verkocht, of, als wy nu zouden zeggen, verspeeld, zijn vader was in erger gevaar, ja een wijl in ’s vyands handen geweest: men hoore slechts:Hier noemic nu eenen van de besten,Die in des hertoghen sideMet banieren was ten stride.Dat was van Kuc her JanDie in den stryt, doe men began,Comen was in grooten noot.Met hem waren in syn convootTwee baenroetse, twee vromige man,Beide her Jan ende her JanVan Ercle (Arkel) ende van HoesdinneDie beide in dien beghinneWaeren ooc in selke pineComen, dat si in scineWaender mede ondergaenDat eerlyc wert wederstaen;Want het wederbrachte (hy herstelde dit)Met grooter daden die hi wrachteVan Kuc die vrome ridder alsoe,Wert, inder viande side,Doe die here van Kuc met strideOverhant dus weder namMaer eert alsoe vere quamDat hi die plaetse weder wanWas bleven gevaen her JanVan Hoesdinne, die stoute heereDie hem weerde alsoe seereAls ridderen mochte doen, met strideMaer noch doen te dien tideReden met so sterken rotenDie gene die gerne hadden genotenMaselendre (Maaslanders) ende Ruire (Roerlanders)Dan si vingen3; maer sine baniere4Bleef gehouden in den tasOntploken; met gheninde,Eerlyc ende wale toten inde:Want daer waren bi blevenVromighe ridderen sinen neven,Dese hilden met gewoutVan der Sclues her ArnoutDire vroomster ridder eenVan den conroete, dat wale sceenAen groote dade, die hi dede:Maer daer was syn neve medeHer Diederic van HoesdinneDie men te Ceulen inneVueren moeste, na den stryt,Daer hi sterf in corten tijt.Want hem coste syn levenVromicheit, die hy gedrevenHadde in den stryt, met groeten daden.Die siele moet varen te genadenSoo dat si hemelrike vercrighe!Hoe en door wieHeusdenweder uit de handen der Maaslanders geraakte, wordt niet gemeld; doch by de volkomen nederlaag,dieGelreen zijn bondgenooten leden, mogen wy hoogst waarschijnlijk aannemen, dat hy reeds voor het einde van den slag weder aan de zijnen was teruggegeven.—De opgevolgde vrede tusschen de twistende partyen deedHeusdeneerlang weder huiswaart keeren.Niet weinig had de oorlog, dien zijne naburen tegen elkander voerden, gestrekt om de macht van den wakkerenFloris V, die toen inHollandde gravekroon droeg, te bevestigen. Niet alleen was hy door HertogJan, die zijn bondgenootschap zocht, van alle leenhulde voorZuid-Hollandontheven; maar hy had zich, terwijl het krijgstooneel op een verwijderd grondgebied was overgebracht, in staat gezien, zijn onrustige Edelen te fnuiken, de erfgoederen van de meesten hunner in leen te verkeeren, de Westfriezen te tuchtigen, landbouw en handel in zijn Graafschap te doen bloeien. Wel zag hy zich eerlang in twist gewikkeld met de Zeeuwsche Edelen, en dien ten gevolge met den Graaf vanVlaanderen; doch twee malen werd een zoen getroffen, de eerste reis, door bemiddeling van HertogJan, de tweede reis, in 1295, toen deze brave Vorst overleden was, door die vanJanvanKuik.Het was te dezer gelegenheid, datJanvanHeusden, ’t zij gewillig, ’t zij door dwang, zijn stad aanFlorisopdroeg en weder van hem in leen ontfing. Hoe hy dit kon rijmen met de vroegere opdracht, aanBrabantgedaan, en of die opdracht al dan niet met toestemming van den nieuwen HertogJan IIgeschiedde, zie daar, wat we niet kunnen beslissen. Zeker is het, dat GraafFloriszijn aanspraak op den tytel van Leenheer niet bloot uit die opdracht ontleende, maar uit een gift, hem doorDiederik, Grave vanKleef, in 1290 gedaan. Immers volgends de oude overlevering berustte, als wy gezien hebben, het leenrecht by dezen. Intusschen, de verknochtheid vanHeusdenaan zijn nieuwen Leenheer was niet van langen duur. Reeds toen smeulde, onder schijn van trouw en dienstbetoon, by een aantal Hollandsche Edelen hevige verbittering tegen den Graaf,die hen van zoo vele voorrechten had beroofd. Die verbittering werd in ’t geheim gevoed door KoningEduardvanEngeland, wiens ongenoegen was opgewekt door de naauwe verbintenis, doorFlorismetFrankrijkaangegaan. Tot werktuig bediende zich de Koning vanJanvanKuik,die meer dan eens inEngelandgeweest was, en zijn vol vertrouwen genoot.Kuikhad zich mede genoodzaakt gezien, zijn slot teTongelareals leen aanFlorisop te dragen, en hem dat vanter Horstin vollen eigendom af te staan; en zoo wel hieruit, als uit de geschenken, welke hy vanEduardontfing, laat zich zijn vijandelijke handelwijze jegends den Graaf verklaren.Heusden,aan wiens zoonJanhy zijn dochter ten vrouwe geschonken had, was van ouds zijn vriend en wapenbroeder, en liet zich, vermoedelijk door hem, overhalen om aan een geheim verbond tegenFlorisdeel te nemen. Vroegere schrijvers hebben de reden vanHeusdenstoetreding tot het verbond toegeschreven aan zijn verbolgenheid, omdat de Graaf de eer zijner dochter zoû hebben geschonden. Latere nasporingen hebben echter bewezen, dat de overlevering op dat punt wel niet op zoo valsche en logenachtige gronden als die betreffende’t Schandelyck omhelzen,Het schennen van de spruyt, de schoone bloem van Velsen;—maar toch evenzeer uit een dwaling is gesproten. De schooneAgneta,voor welkeFlorisin liefde ontstak, en die hem en ’t Vaderland den edelenWittevanHollandschonk, was wel een telg uit het Huis vanHeusden, maar geen dochter van HeerJan.Haar vader was dieAernoutvan derSluyse,van wiens heldendaden voorWoeringenwy vroeger hebben gewach gemaakt, doch wiens naam ons verder in de geschiedenis niet is voorgekomen: en schier alle getuigenissen vereenigen zich, om inWittegeen spruit van bastaardy, maar een zoon uit wettigen echt te erkennen. De geslachtlijst derElshouten—mede eenstam derHeusdens, als wy later zullen zien—vermeldt met ronde woorden, datAgnetaden Graaf huwde: haar zoon voerde van den aanvang af en overal den naam vanWittevanHolland,en, wat meer zegt, den leeuw vanHolland, gebroken met het rad van van derSluyse,doch zonder eenig filet of ander teeken van bastaardy: iets dat hy zich niet zoû hebben durven onderstaan, zonder zich aan misdaad van gekwetste majesteit schuldig te maken, indien zijn geboorte onwettig ware geweest. Wat echter van de betrekking tusschenFlorisenAgnetazij, genoeg, dat zy de aanleiding niet geweest kan zijn omHeusdenin het eed-verbond tegen den Graaf te doen treden.Onder de diensten, welkeEduardvan de Hollandsche Edelen verwachtte, was voornamelijk begrepen het verydelen van het bondgenootschap tusschenFrankrijkenHolland, en hiertoe deed zich geen beter middel aan de hand, dan den Graaf op te lichten en naarEngelandte zenden, terwijl hem dan zijn zoon als vasal vanEduard,zou opvolgen. De afspraak tot het plegen dier schanddaad geschiedde teBergen-op-Zoom,op een byeenkomst, waartoeVelzen,Woerden,Heusdenen anderen doorKuikgenoodigd waren. Hier verzekerde hy de wankelmoedigen van den bystand des Konings vanEngelandniet alleen, maar ook van die van HertogJan IIen van GraafGwyvanVlaanderen, terwijl hy hen waarborgde, dat zy niets van de zijde van ’s Graven zoon,Jan, die zich inEngelandbevond, te vreezen hadden. Een schriftelijk verbond tot verderf vanFloriswerd thands bezegeld, en later teKamerijkhet plan nader overwogen en vastgesteld.Kuikwilde nog zijn snood verraad met den schijn van kordaatheid bestempelen, en zond aanFloriseen ontzegbrief: ofHeusdendit voorbeeld gevolgd heeft, vinden wy niet gemeld: by de gevangenneming en moord des Graven was hy niet tegenwoordig: intusschen schijnt het vrij zeker, ofschoon de kronijkschrijvers het niet bepaald vermelden, dat ook hy ten lande heeft moeten uitwijken, toen de wrekende hand der gerechtigheid de moordenaars vervolgde. Nog beleefde hy ’t, datHollandaan’t Huis vanHenegouwenverviel, en overleed in den jare 1303. Twee malen was hy gehuwd geweest: de eerste reis metAleid, ’s Graven dochter vanWybestein, die hemJan, zijn opvolger gebaard had, enJan, eersten heer vanDrongelen, die een zilveren rad op lazuur voerde: de tweede reis metErmgardvanWickeloo, die hem mede een zoon schonk, insgelijksJangeheeten, en die de stamvader werd van het geslacht vanElshout.WatJan VIIIbetreft, van hem is het zeker, dat hy metKuik, zijn schoonvader, naarEngelandweek en aldaar een geruimen tijd ten dienste vanEduardde wapens tegenFrankrijkvoerde. Wy vinden ook, dat hem, voor de diensten aanEngelandbewezen, door HertogJanvanBrabant, twee duizend pond Tornoois en een rente van honderd pond Brabantsch werden toegezegd. Jaren verliepen er, eerHeusdenvan zijns vaders erfgoed bezit kwam nemen: en niet lang had hy er genot van, daar hy reeds in 1318 overleed, by zijn tweede gemalinSofia, vanKranendonk, een zoon nalatende, die hem opvolgde alsJan IX.Niet geheel zonder tegenkanting schijnt deze laatste aan de regeering te zijn gekomen. Immers er bestaat een handvest van datzelfde jaar 1318, waarinJan, Heer vanSaffenbergh, en zijn vrouwSofia, die uit het huwelijk vanJan VIIImetMargarethavanKuikgeboren was, als wettige Heeren beschikkingen maken, en zich het oppergezach overHeusdenaanmatigen. Waarschijnlijk begreep dit echtpaar, datJan IX, wiens huwelijk metCunigundavanArkeldoor geen kinderen gezegend werd, hun toch de Heerlijkheid zoû moeten overlaten, en dat het dus maar zaak was, zich by voorraad in ’t bezit daarvan te stellen. ’t Kan echter ook zijn, datJan IXzwak van geestvermogens was, en buiten staat zijn goederen zelf te beheeren: weinig vermelden van hem de Kronijkschrijvers, en slechts een hunner bericht, dat hy in ’t Heilige Land tot Ridder zoû geslagen zijn geweest, iets, wat van zoo velen verteld wordt, dat men, vooral by hetletten op tijden en omstandigheden er niet dan met groote omzichtigheid geloof aan hechten moet.Jan IXstierf in 1334, en met hem de laatste van die reeks van Heeren, die achtereenvolgends, van vader tot zoon, hun banier vanHeusdenstorentrans hadden laten waaien.SofiavanSassenbergh, die alsnu zijn naaste erfgename was, zocht de Heerlijkheid aan HertogJan IIIvanBrabantop te dragen, in de hoop van er wederkeerig ’t verlij van te bekomen; doch de Hertog, die liever de vrije beschikking overHeusdenaan zich behouden wilde, sloeg ’t haar af; waarop zy aan den Graaf vanHolland,WillemdenGoede, haar recht op de Heerlijkheid afstond, en hy haar echtgenoot daarmede verlijdde. Intusschen viel het den Graaf gemakkelijker een verlijbrief te geven, dan de stad-zelve, die reeds van wege den Hertog met krijgsvolk bezet was geworden, aangevoerd doorJanvanElshout. Waarschijnlijk had deze laatste, die toch aan deHeusdenswas vermaagschapt, eenige hoop, het leen voor zich te bekomen. Moedig wees hy elken aanval af, dien de Hollandsche benden op den burg beproefden, en dwong hen, met groot verlies weder af te trekken. Ziende, dat hy met geweld niets winnen kon, en ongeneigd wellicht tot een volslagen vredebreuk metBrabant, onderwierp GraafWillemde zaak aan de beslissing van den Graaf vanGulik, die ten voordeele van den Hertog uitspraak deed: waarop deze de stad en ’t land vanHeusdenin leen gaf aan den Graaf vanKleef. Wel berustteSassenberghniet in deze schikkingen, waardoor hy van zijn aanspraak verstoken was, wel viel hy inBrabant, en plunderde en verbranddeTurnhout; maar hy begreep toch in tijds dat de Hertog een te machtige tegenparty voor hem wezen zou, en stond hem zijn aanspraken af tegen een rente van drie honderd gouden realen, waar de stad’s Hertogenboschborg voor bleef.Dan, intusschen deed zich een nieuwe pretendent op, die opHeusdenaanspraak maakte. Deze wasJanvanDrongelen, die, oom vanJan IX, en, in gevalHeusdenniet als een spilleleenbeschouwd kon worden, het naaste tot de erfenis gerechtigd was. Vergeefs echter wendde hy zich totWillemvanHolland, om door dezen in zijn aanspraak gehandhaafd te worden. De Graaf wees hem af, enDrongelenstierf, eer hy zijn vermeend recht had kunnen doen gelden; maar hy had het niet opgegeven en het aan zijn zonen nagelaten.HertogJan III, de noodzakelijkheid inziende, om de stad tegen nieuwe aanvallen te dekken, liet in 1340 een aanvang maken met het versterken en vergrooten van het kasteel. Op een afstand van het hoofdgebouw deed hy een hoogen, boven alle andere torens uitstekenden, achtkantigen toren rijzen, die—langs een stevige ophaalbrug, gelegen over een diepe gracht, welke de geheele vest omgaf—gemeenschap had met het ruim betimmerde nederhof, ’t welk niet alleen geschikte woningen voor de dienaars bevatte, maar ook ruime verblijven voor krijgsknechten, en uitgestrekte paardenstallen. Van daar geleidde een tweede zware ophaalbrug tot het kasteel-zelf, van welks groote en luchtige binnenplaats men den toegang had tot talrijke vertrekken, waaronder vooral de ridderzaal uitmuntte. Een onderaardsch gewelf, waarvan de opening potvormig in het midden van het binnenplein uitkwam, verstrekte tot gevangenis.Het was echter eerst onder de regeering van ’s Hertogen dochter en opvolgsterJohanna, dat de vergrooting van het Kasteel geheel voltooid werd: en zoo aanzienlijk waren de onkosten, daaraan besteed, datBrabanter tot driemaal toe voor geschat werd.Hoe vaster en prachtiger intusschen de burcht opgebouwd, en hoe sterker de plaats—hoe meer begeerlijk haar bezit geworden was: en geen wonder, dat die vanHollandhaar niet dan met leede oogen in de macht des Hertogs bleven zien.Willem III, hoezeer hy van den Graaf vanKleefdiens rechten opHeusdenhad afgekocht, had zijn aanspraken na den gesloten vrede wel niet laten gelden; doch zijn opvolgers zochten alleen naar een geschikte gelegenheid om die te doen herleven.WillemvanDrongelen, even als zijn vaderJanhakende naar ’t bezit van wat hy oordeelde, hem naar erfrecht te behoorden, liet niet na, den wrevel der Hollanders te voeden, en het vuur van tweedracht tusschen hen en de Brabanders aan te stoken. Strooptochten over en weder waren niet ongewoon: en het waren alsdan doorgaandsWillemvanDrongelenen zijn zonen, die de Zuid-Hollanders aanvoerden. Eens echter had er een samentreffen plaats der beide partyen, waarby met ongewone hevigheid gestreden werd. De Hollanders behielden de overhand; doch die gekocht werd met het bloed vanRobbertvanDrongelen, den oudsten zoon des mans, die hen tot den strijd had aangespoord.De staat van zaken was echter met betrekking totHeusdende zelfde gebleven, toen in 1355Jan IIIoverleed, en zijn dochterJohanna, gade vanWenceslausvanLuxemburghem in ’t Hertogdom opvolgde. Naauwlijks echter waren de beide echtgenooten plechtig ingehuldigd, toen de Graaf vanVlaanderen, verbitterd, dat zy hem gelden onthielden, welke zy hem wettig schuldig waren, plotseling den vollen prijs eischte, waarvoor hy, tien jaren te voren, zijn recht opMechelenaan HertogJan IIIhad afgestaan, en die nog niet voldaan was. Vruchteloos waren alle onderhandelingen, tot vereffening van den twist gehouden. De krijg begon: de Vlamingen rukten, terwijlWenceslausteMaastrichtzijn tijd in werkeloosheid doorbracht,Brabantbinnen, vermeesterdenBrussel,Leuven, en een aantal andere plaatsen, en brachtenWenceslausop den rand des verderfs. De moed vanEvert ’Tserclaes, dieBrusselweêr verraste, deed de krijgkans keeren, en bracht eerlang geheelBrabantonder ’t gezach vanWenceslausterug. Niet te min bleef de Graaf vanVlaanderenden krijg met afgewisseld geluk voortzetten, tot partyen, het strijden moede, besloten hun geschil aan de bemiddeling van GraafWillem VvanHollandte onderwerpen. Met blijdschap nam deze het voorstel aan, zich daarby ten stelligsten voornemende, om in elk geval te zorgen, dat, welke der beide partyen zich ook over zijn uitspraak beklagen mocht, hy-zelf er wel byvaren zoû. Hy begon daarom met aanWenceslausden afstand vanHeusdenals voorwaarde te stellen, zonder welken hy zich niet met de zaak bemoeien wilde. Die eisch werd toegestaan: hy nam het ambt van middelaar aan, en, hoezeer de vrede, welken hy tot stand bracht, alles behalven eervol voor die vanBrabantwas, hy wees echterWenceslausMechelentoe, tegen allen schijn van billijkheid, en tot verbazing van hen, die hem niet hadden hooren zeggen tot den Hertog: »Heusdenmijn,Mechelendijn;” woorden die van dien tijd af tot een spreekwoord werden, dat zoo veel gold als: »de eene dienst is de andere waard.”Nu wasHeusdenmetHollandvereenigd; maar ookWillemvanDrongelenmoest te vrede gesteld worden. Wel kwam het den Graaf niet in de gedachte, hem de Heerlijkheid-zelve in leen af te staan, welke hy liever voor zich behield; maar hy kon hem echter zijn aandeel in den zoo gemakkelijk verworven buit niet onthouden; en hy had te zorgen bovendien, dat voortaan alle geschil betreffende den wettigen eigendom vanHeusdenvoor goed uit ware. Hy schonk daarom aan de Heeren vanDrongelende Heerlijkheid vanEethenenMeeuwentot een Hollandsch erfleen, en steldeJanvanDrongelentot Baljuw vanZuid-Hollandaan, onder voorwaarden, dat zy van alle aanspraken op Stad, Slot en Heerlijkheid vanHeusdenvoor eeuwig afstand deden ten zijnen behoeve. Wat zouden deDrongelensdoen? Zy onderwierpen zich aan wat zy niet beletten konden. En dit was in hun geval wel hetwijste.Nu dacht GraafWillemde rust der Heerlijkheid voor goed verzekerd te hebben!—en echter, geen drie jaren waren er verloopen, ofHeusdenmoest de ellende des oorlogs ondervinden. Wel waren het deze reize geene aanspraken op erf- of domeinrecht die den krijg ontstaken, maar de gevolgen van binnenlandsche verdeeldheid.Willem V, krankzinnig geworden, was van de regeering ontzet. Zijn broeder, HertogAelbrecht, had, Ruwaard geworden, de Kabeljauwschen van de bedieningen, die zy bekleedden, verstoken, en die aan de Hoekschen geschonken.Maar niet geduldig hadden de eerstgenoemden zich die vernedering getroost.HeemskerkriepKennemerlandin de wapens,Delftstond openlijk tegen den Ruwaard op, enFlorisvanBorselenbrachtZeelandin rep en roer.Laatstgenoemde Edelman was doorWillem Vtot Burggraaf vanHeusdenaangesteld; hy maakte zich meester van het zegel en de papieren des Graven, en borg die met eenige kleinodiën op het slot. Daar werd hy door HertogAelbrechtbelegerd, en genoodzaakt zich by verdrag over te geven. Maar kort was de rust, welkeHeusdengenoot. Toen in ’t zelfde jaarDelftzich aan den Graaf moest onderwerpen, namen eenige Edelen, die den opstandelingen hulp hadden geboden, en waaronderGijsbertvanNyenrodeenJan Kervenagenoemd worden, de wijk naarHeusdenen verschansten zich op ’t slot. Op nieuw werd dit belegerd; doch zoo hardnekkig was de verdediging, datNyenrodeen de zijnen het een rond jaar tegen de macht vanAelbrechtuithielden. Toen werd er, door bemiddeling vanOttovanArkeleen zoen getroffen, en de belegerden in genade aangenomen, onder voorwaarde van binnen twee jaren naarJeruzalemin bedevaart te gaan.Na ’t vermelden dezer gebeurtenis zwijgen de Kronijken een tijd lang overHeusden, of bepalen zich tot het gewagen van eenige handvesten, doorAelbrechtof door zijn opvolgerWillemvanBeyerenaan de stad geschonken, en van eenige stichtingen, aldaar door den tot Kastelein aangesteldenWillemvanKroonenburggedaan. By het uitbarsten van den twist tusschen HertogJanvanBeyerenen GravinJakoba, hieldHeusdende zijde des eerstgenoemden, als uit een handvest blijkt, door hem ten jare 1419 aan de stad geschonken; doch in ’t volgend jaar verscheenJakobamet haar krijgsvolk voor de stad. De inwoners, voor een storm beducht, openden haar de poorten; en zy vertoefde een tijd lang op het slot; haar verblijf gaf den kronijkschrijvers vanHeusdenstof tot gelijke verhalen, als door anderen ten opzichte van haar gevangenschap opTeylingenworden opgedischt;namelijk, dat zy gewoon was, goed te drinken, en alle kannetjens, na ze geledigd te hebben, over ’t hoofd in de slotgracht te werpen. Men weet, dat hieruit later het laffe volkssprookjen ontstaan, en zelfs doorWagenaaren andere deftige schrijvers nagepraat is, als zoude zy zich zelve onledig gehouden hebben met het fabriceeren van dergelijke kannetjens. Wat my betreft, ik geloof noch aan de eene noch aan de andere vertelling, althands zoo lang men daar geen beteren grond voor aanvoert, dan het vinden van aarden kannetjens in de grachten van kasteelen.In 1446 werden de President of Stadhouder vanHolland,Gozewijn de Wilde, enFilip Banjaart, Kastelein van het slot teMedemblik, die elkander van een schandelijke wandaad beticht hadden, teHeusdengevangen gezet. De eerste werd naderhand teLoevesteinonthoofd, en de andere vrijgelaten.SedertFilipsvanBourgondiënde Hertogskroon vanBrabanten de Gravenkroon vanHollandtevens droeg, kon er wel geen twijfel bestaan, ofHeusdenhem als zijn Heer erkennen moest, maar ontstond er van tijd tot tijd weder verschil, over de vraag, in welke hoedanigheid zulks geschiedde. Immers, toen GraafJanvanNassau, Heer vanBreda, na ’t overlijden vanDirkvanMerwededoorFilipstot kastelein vanHeusdenwerd aangesteld, brachten die vanHollandbezwaren daartegen in, op grond dat gemelde Graaf Drossaart vanBrabantwas, en die aanstelling schijnbaar te kennen gaf, datHeusdengerekend werd onderBrabantte behooren.Filipsbegreep zich echter aan die bezwaren niet te moeten stooren, maar gaf by besluit van 18 December 1447 aan die vanHeusdente kennen, dat zy GraveJanzouden hebben te gehoorzamen, zonder daaruit af te leiden dat zy meer aanBrabantdan aanHollandverbonden waren; terwijl hy de vraag, onder welke Souvereiniteit de plaats behoorde, geheel in ’t midden liet. Het vraagpunt bleef alzoo hangende, en, wat opmerking verdient, terwijl de Staten vanBrabantvoortdurend, ter gelegenheid der blijde inkomsten, hunne Vorsten lieten zweeren, dat zyHeusdenweder aanBrabantzouden hechten, lieten dievanHollandhen ter zelfder gelegenheid zweeren, dat zy het nooit vanHollandzouden scheiden.In den Gelderschen oorlog, die in ’t jaar 1497 begon, had het platte land rondomHeusdenveel van de Gelderschen onder den OversteBoudewijnte lijden; doch die vanHeusdenversloegen hen tusschenHerpenHedikhuizen; by welke gelegenheid zy, hetgeen zeldzaam is, een grooter getal vyanden gevangen maakten dan zy zelve sterk waren.Boudewijnzelf sneuvelde te dier gelegenheid, en werd met meer Gelderschen begraven, ter plaatse, die sedert den naam vanBoukens-kerkhofdroeg. Men wil, dat het er daarna geweldig spookte, van waar nog lang de spreekwijze in zwang bleef: »’tSpookt alsBoukensgeest.”Het was ook teHeusden, dat, op den 4enJuly 1524, een stilstand van wapenen tusschen de Gelderschen en Borgondiërs gesloten werd: en vijftien jaar later had de stad het voorrecht, KeizerKarel Vbinnen haar muren te begroeten, wien zy een zekere hoeveelheid Rijnwijn vereerde. Dan, in 1542 vertoonde zich een min welkome bezoeker voor de poort, en wel geen ander dan de gevreesdeMaartenvanRossum, die zich niet met een weinig Rijnwijn paaien liet, maar eerst tegen voldoening eener aanzienlijke geldsom weder aftrok.Geen jaar meer duurde het echter, of al deNederlandenwaren onder KeizerKarelgebracht, en mochten zich een geruimen tijd in ’t genot eener zoete rust verheugen. Op den 24enSeptember 1549 was het wederom feest op het hooge slot teHeusden: de pektonnen brandden op de burchtpleinen: wimpels, banieren en feestlantaarnen werden uitgestoken van de tinnen: muziek en gezang weêrgalmden langs de straten, en blijde begroette de stad haar toekomstigen Heer, PrinsFilips, des Keizers zoon, die zijn aanstaande Nederlandsche onderdanen met een bezoek vereerde. Die hem toen als Kastelein-Drossaart de sleutels der stad aanbood was JonkerGerard SpieringhvanWel, uit het geslacht vanHeusdengesproten, en in 1533 in gemelde hoedanigheid opgevolgd aan JonkerWynand Maschareel.ToenAlvain deNederlandenkwam, en alle vaste plaatsen door zijne troepen in bedwang werden gehouden, ontfingHeusdeneen bezetting Albaneesche ruiters, gemeenlijk Roodrokken genoemd, onderNicolaodeBasto, en werd de burgery met den last bezwaard, om hen van den noodigen leeftocht en voeragie te verzorgen. Reeds dit op zich-zelf was lastig en onaangenaam; doch nog minder te verdragen was de trots en moedwil dier woeste vreemdelingen, waarvan onder anderen drie burgers,Geraert Geraertsen van Ghesel,Jan BruerenHuybert Leendertsz Goudsmit, de slachtoffers werden, die op 24 Mei 1567 buiten de Oud-Heusdensche poort jammerlijk door eenige beschonken ruiters werden vermoord. Wel raakten de Heusdeners van die lastige gasten ontslagen; maar op den 17enJanuary 1569 bekwamen zyFrancisco Vargasmet een vendel Spanjaarts in hun plaats, die er insgelijks vrij onbehoorlijk huis hielden.De Heusdensche kronijken brengen tot dat zelfde jaar 1569 een poging, door de anti-Spaansche party aangewend, omHeusdente verrassen. Op een tijdstip namelijk, dat er geen bezetting lag, trok deHopmanWaerdenburghmetJoost Hoeck(een uitgeweken Heusdenaar) en eenig volk de stad binnen: waarop de DrossaertSpieringh, bygenaamdQuaedtael, met eenige arbeidslieden op ’t kasteel weken. Hier werd hy doorWaardenburgbelegerd; doch toen deze het buskruit aan zijn volk uitdeelde, gebeurde het, dat door onvoorzichtigheid een brandende lont in een buskruitvaatjen viel, en een ontploffing veroorzaakte, ten gevolge waarvan niet alleen een menigte volks gekwetst raakte, maar ook schier het derde deel der stad afbrandde, benevens de Katharynekerk en ’t Raadhuis. De krygsbende, die uit nieuw geworven en saamgeraapt volk bestond, was door het gebeurde zoo ontsteld, dat zy uit de stad week, en om geen belegering meer dacht. Wel wist de Hopman hen te overreden om terug te keeren; doch na eenigen tijd toevens zag hy zich genoodzaakt,Heusdenweder te verlaten, op de aankomst vanJan Hol, opperste Ritmeester des Hertogen vanHolstein, die op 16 September met troepenuit’s Hertogenboschwas afgezonden. Hoewel als vriend teHeusdenontfangen, beäntwoordde hy het onthaal slecht, en plunderde de stad; terwijl ettelijken vanWaerdenburghsvolk door de zijnen achterhaald en gedood werden. Vier dagen later kwam de Hertog vanHolsteinzelf binnenHeusden, ontfing de inwoners in genade, en nam hun den eed van getrouwheid af, terwijl er voorts aldaar afwisselend Duitsche en Waalsche bezetting bleef.Wy vermelden het feit, zoo als het door de kronijkschrijvers is opgegeven. Alleen mogen wy de opmerking maken, dat het jaartal ons apokryf voorkomt. Immers de eerste pogingen, doorOranje, GraafLodewijken anderen aangewend, om deNederlandenvanAlvaasjuk te bevrijden, waren in 1568 reeds verydeld geworden en werden—te lande namelijk—niet voor 1572 hernieuwd. In 1569 heerschte hier betrekkelijke rust, en een op zich zelf staande aanslag op een binnenstad alsHeusdenzou belachlijk zijn geweest, en tot niets hebben kunnen leiden. De gebeurtenis moet dus of veel vroeger plaats gehad en in verband gestaan hebben met den inval, doorHoogstratenenKuilenburginGelderlandbeproefd:—of later, na 1572: welk laatste men schier zoude aannemen, omdatSpieringhvanWel, genaamdQuaedtael, eerst in 1571 zijn vader als Kastelein-Drossaart opvolgde. Waarschijnlijk heeft het verbranden van het Stadhuis, met de aldaar bewaarde registers en archieven, de verwarring in de opgave van het jaartal veroorzaakt.Nog sluit zich aan het hier gegeven verhaal een ander, ’t welk wy elders vinden, en waarin vermeld wordt, hoeJoost Hoecken de Heusdeners, die met hem uitgeweken waren, zich dapper weerden by ’t beleg vanBommeneede; doch, by ’t innemen der stad door de Spaanschen op den 25 October 1575, met de overige bezettelingen om ’t leven werden gebracht.Het was ook aan een afstammeling uit het geslacht vanHeusden, datWalcherenzijn bevrijding van ’t Spaansche juk te danken had, en wel aanJanvanKuik, Heer vanHerp, die in 1571Vlissingentot ’s Prinsen zijde deed overslaan;voor welke kloeke daad hy later met de HeerlijkheidDomburgbeleend werd.Eerst in 1577 werdHeusden, ten gevolge der Pacifikatie vanGent, van vreemde bezetting ontslagen. Kort daarna trokken de Kastelein-Drossaart en de Schout naarBrabantmetter woon, en werd in de plaats van eerstgemelde aangesteld JonkerJohan Bax, een der leden uit dat geslacht van krijgshelden, zoo beroemd in onze militaire oirkonden. Reeds twee jaren daarna werd hem gelegenheid verschaft, zijn wakkerheid te toonen, toenParma, na ’t innemen vanMaastricht,Valdezafzond omHeusdente verrassen. Reeds had hy geduchte toebereidselen gemaakt ter belegering; en de pogingen, doorBaxgedaan, om het omliggende land onder water te zetten, werden verydeld door den lagen stand der rivier, toen ergelukkigeen stormwind opstak, die het water tot een verbazende hoogte rijzen deed, zoodat de dijk buiten de Herpsche poort doorbrak, en de vyand genoeg te doen had om het instroomende water door een snelle vlucht te ontkomen.Hoezeer, als wy gezien hebben, de stad in 1577 de Pacifikatie aannam, bleef de Roomsche Godsdienst nog een tijd lang de heerschende en werd de Hervormde leer alleen op ’t kasteel gepredikt. In ’t jaar 1579 echter werden, voornamelijk door toedoen van eenige naarHeusdengeweken Bosschenaars, de beelden en andere voorwerpen van eeredienst uit de kerken genomen, en de nieuwe leer zonder opschudding ingevoerd.In 1588 leedHeusdenwederom last; doch deze reis niet van een vyand van buiten.Leycesterhad de stad met een zware bezetting voorzien, onder bevel vanChristoffelvanYsselstein. De wanbetaling der soldij bracht hier, gelijk in vele andere steden, de troepen aan ’t muiten: de stadsregeering werd op het raadhuis gevangen gezet, enYsselsteinzelf op ’t kasteel belegerd. Het oproer duurde van 31 January tot 23 Maart, toen hetNikolaas Blanckaert, die in 1584 aanBaxals Kastelein-Drossaart was opgevolgd, en den BurgemeesterDierck Hamel Dierckszgelukte, de rust te herstellen.Sedert er voortdurend Staatsche bezetting binnenHeusdenlag, onthield zich de Drossaart niet langer op ’t kasteel, maar liet, waarschijnlijk om alle konflikt van gezach te vermijden, het verblijf aldaar over aan den Kommandant.KarelvanLevin, Heer vanFamars, hadYsselsteinals zoodanig vervangen, toen GraafKarelvanMansveldzich in 1589 aan ’t hoofd van een aanzienlijk leger voor de stad vertoonde en haar in ’s Konings naam opeischte. De bezetting was op dat tijdstip zwak, enFamarsdrong by PrinsMauritsaan op versterking. Deze voldeed gereedelijk aan het verzoek, en liet, niet ver vanHedikhuizen, eenige benden over deMaasvoeren; maar nu kwam het er nog op aan, hoe men die binnen de stad zoû brengen, welke reeds door den vyand was ingesloten. Het eenige middel daartoe was, zich, met de wapens in de vuist, een weg door de Spaanschen en hun verschansingen heen te banen: dit werd beproefd, en, hoezeer niet dan na een hardnekkig gevecht, en verlies van vrij wat volk, met een gewenschten uitslag bekroond. De plaats, waar dit gevecht voorviel, bewaart nog in haar naam het aandenken van dezen strijd, en heet deSpanjaartsslag. Vijf maanden en twee dagen stond de stad het beleg door, zich alleen tot verdediging bepalende, daar de rondom liggende schansen teDoeveren,ElshoutenHemertalle door den vyand bemachtigd waren; doch toen kwamen de winter en vooral het wassende water den Staatschen te hulp, zoodat de troepen vanMansveldzich niet alleen gedwongen zagen van allen verderen aanval af te zien, maar zelfs het beleg op te breken. De schansen, door hen bezet, werden in ’t volgende jaar doorMauritsingenomen.Een aandoenlijke plechtigheid viel op den 20enOktober 1603 teHeusdenvoor: namelijk de begrafenis van den wakkeren en beweenden krijgsoversteOliviervan denTempel, Heer vanCorbecke, die voor’s Hertogenboschdoor een kanonschot van ’t leven was beroofd geworden. Het lichaam werd met groote staatsie in de Groote kerk ter aarde besteld, en de laatste eer aan den overledene bewezen door PrinsMaurits, GraveWillemvanNassau,den Vorst vanAnholt, en een aanzienlijk getal krijgshoofden en voorname Heeren.Op den 6enSeptember 1614 had een zware doorbraak plaats, door welke al de steenwerken buiten de Wijksche poort wegspoelden. In 1623 zond de LandvoogdesIzabellaheimelijk zekeren Priester,MichielvanOphovengenaamd, Prior der Preekheeren teAntwerpen, totWillem AdriaanvanHoorne, Heer vanKessel, destijds Gouverneur der stad, met belofte, dat, indien hyHeusdenin hare handen leverde, zy hem den tytel van Graaf vanHoorne, de ridderorde van ’t Gulden Vlies, en een aanzienlijke geldsom zou verstrekken, alsmede zijn kinderen tot hoogen rang verheffen.Kessel, dit voorstel gehoord hebbende, wees het met fierheid van de hand, zeggende, dat hy om al de schatten des Konings vanSpanjegeen verrader worden zoû; terwijl hy voorts den Prior aanzeide, dat hy zijn gevangen blijven moest. Werkelijk werd dan ookOphovennaarden Hagegezonden, waar hy ruim anderhalf jaar op de voorpoort gevangen zat, en toen werd uitgewisseld. Hy werd later Bisschop van’s Hertogenbosch, en bleef zulks tot aan de verovering dier stad doorFrederik Hendrik.Gedurende het beleg vanBredadoorSpinola, in de jaren 1624 en 1625, werden in de naaste grensvestingen Bezettingen gelegd, uit vrijwilligers van de Burgeryen: en zoo viel aan die vanHaarlemen aan eenige Hagenaars het lot te beurt, inHeusdengelegerd te worden. Deze bezettelingen waren aangevoerd doorJan Klaasz. Loo, Burgemeester vanHaarlem, als Kolonel. Hun optocht werd, nevens een gezicht op de stadHeusden, in ’t koper gebracht door den beroemdenMatham.Gedurende het beleg van’s Hertogenbosch, in den jare 1629, werden nogmaals teHeusdentwee voor die stad gevallen krijgshelden begraven: de een was de RitmeesterNikolaas Smeetsing, die zes-en-dertig jaren den Lande gediend, het Luitenant Gouverneurschap over de steden vanOverysselvoor den Prins vanOranje, en het Voorzitterschap van den krijgsraad bekleed had.Zijn lichaam, geleid door den Vorst vanNassau, de GravenErnstenWillemvanNassau, en andere Legerhoofden, werd in Mei van genoemd jaar in ’t zelfde graf gelegd, waarinOliviervan denTempelbegraven was.—De andere was de KolonelLouisdeLevin, Heer vanFamars, zoon van den reeds genoemdenCharlesdeLevin, en broeder vanFilipsdeLevin, die beiden Gouverneurs vanHeusdenwaren geweest. Onder ’t doen eener ronde in den rug door een kogel getroffen, was hy in de zelfde nacht overleden. Zijn lijk werd tot buiten het leger vergezelschapt door den Prins vanOranje, den Koning vanBohemen, en de meeste krijgsoversten.Meer dan ooit in den loop van dertig jaren werd de stad door hevige pestkoortsen aangetast: de eerste reis in 1624 en 25, toen er wekelijks van twintig tot dertig menschen stierven: de tweede in 1634–35, en de derde reis in 1664.In den jare 1666 sloeg de bliksem in den hoogen burchttoren, doch werd gebluscht, tot groot geluk voor de inwoners, aangezien het kruitmagazijn daar onder was, en door het openslaan der deuren groot gevaar liep. Wy zullen zoo aanstonds zien, dat deze waarschuwing, die aanleiding tot het nemen van betere voorzorgen had moeten geven, geheel vruchteloos bleef.Het verdient opmerking, datHeusden, nadat het Staatsch geworden was, noch in den oorlog tegenSpanje, noch in dien tegenFrankrijkgevoerd, het lot ondervond, dat byna alle andere grenssteden en zoovele landsteden te beurt viel, van namelijk in handen van den vyand te geraken, en dat alle daartoe aangewende pogingen vruchteloos afliepen. Merkwaardig vooral was dit in den jare 1672, toen, by de algemeene flaauwhartigheid der ingezetenen, schier alle rondomHeusdengelegen plaatsen door de Franschen bezet waren geworden. Op zekeren Zondag van gemeld jaar was een troep van ongeveer tachtig man, die een toeleg opHeusdenin den zin had, in ’t dorpBaartwykgekomen, dat ongeveer een uur gaands van daar gelegen is. Zy vroegen eenen huisman den weg naar de stad, hem daarby te kennengevende, dat zy onderricht waren, voorby zekere schans te moeten trekken, waarmede zy de Elswoutsche schans bedoelden, langs welke zy overOud-Heusdenwellicht ongemerkt in de stad hadden kunnen komen. De boer echter, ’t zij uit misverstand, ’t zij met opzet, wees hun den weg aan door deBaartwyksche steegop het dorpDoeveren, waar mede een schans lag, toen geslecht, en zoo totHeesbeen. Hier gekomen, zonden zy twee trompetters naar de stad, die, voor de Wijksche poort gekomen,Heusdenin naam des Konings opeischten. Maar de sergeant, die er toen de wacht had, gaf hun dit moedig bescheid, dat er kruid en lood genoeg binnen de stad was, om hun eisch voeglijk te beäntwoorden, waarna hy hen verjaagde, de valbrug liet ophalen, en de poort sluiten. De gandsche stad geraakte in de wapenen: de schuttery wedyverde met de bezettelingen in yver: het geschut werd op den wal geplaatst, en de vyanden, hun toeleg mislukt ziende, dropen af met schande. Intusschen deed het gebeurde de aandacht der Staten opHeusdenvestigen, en werd het Gouverneurschap over die stad, ’t welk sedert 1663 door den Heer vanSchagen, by wijze vansinecure, bekleed was geworden, aan den VeldmaarschalkPaulus Würtzopgedragen, die er een tijdlang in persoon aanwezig bleef.Het was omtrent dezen zelfden tijd, dat zekere Heusdenaar,Jan Beensgenaamd, zich voor eenig werk buiten de stad begeven moest. Een vuurroer om den schouder gehangen hebbende, toog hy de poort uit, toen hy, teHeesbeengekomen, Fransche soldaten bespeurde. Hen willende ontwijken, sloeg hy een pad in, dat hem naarGenderenbrengen moest; doch in de zoogenaamdeGroensteeggekomen, reed hem een Fransch ruiter te gemoet, die hem reeds van verre toeschreeuwde, dat hy staan moest en zich gevangen geven. Hiertoe wilde echterJan Beensniet besluiten, die naar een hek terug week en zich daarachter verborg. De Franschman naderde, greep zijn karabijn, en loste die opJan Beens, maar trof alleen eene der hekstijlen, waarop de Heusdenaar, zijn kans waarnemende, met zijn snaphaan op den ruiteraanlegde, hem van ’t paard deed tuimelen, overweldigde, gevangen nam, en met paard en rusting, tot aller verwondering, binnenHeusdenvoerde.De moed, door de Heusdenaars betoond, en de sterkte der plaats, hadden waarschijnlijk aan de Franschen de lust ontnomen een nieuwen aanval te beproeven, en de stad leed dan ook minder dan andere van de rampen van den krijg.Maar van droeviger gevolg dan het onweer van 1666 was een onweer dat op den 24enJuly des jaars 1680 bovenHeusdenlosbarstte, wanneer de bliksem andermaal in den grooten achtkantigen toren sloeg. Het buskruit, dat daaronder in diepe gewelven bewaard werd, geraakte in vlam, en de toren niet alleen, maar het grootste gedeelte des kasteels, van zijn grondvesten afgerukt, sprong met een schrikkelijken slag uit elkander. Verscheiden huizen in de nabyheid werden door dien schok het onderst boven gesmeten; in velen daarvan vond men vijf tot zes dooden, jammerlijk omgekomen onder ’t puin hunner verbrijzelde woningen. Slechts enkelen, onder de opgerukte steenen gered, doch meest deerlijk gekwetst en gekneusd, behielden ’t leven. Het jammer, de schade en de ellende waren groot; want van de geheele straat, omtrent het kasteel gelegen, was byna niet een huis overeind gebleven. De plaats, waar de kruittoren gestaan had, was veranderd in een diepen kolk, vol zwart water, ’t welk, door het geweld des poeders beroerd, al borrelende scheen te koken. En toch, hoe ijsselijk de verwoesting was, nog moest men het gelukkig noemen, dat het losgebarsten buspoeder zijn meeste uitwerking van de stadszijde af en buitenwaart gedaan had: dewijl anders de stad eenalgeheelevernieling zou hebben ondergaan.AanWillem Adriaan, Grave vanHornes, dieWürtzals Gouverneur vervangen had, volgde in 1688DanieldeTafindeTorsay. Tijdens diens bestuur werd de stad door het aanleggen van sterke beeren en schutsluizen tegen overstrooming beveiligd, en nieuwe vestingwerken aangelegd, terwijl een der torens totkruitmagazijn werd ingericht. Na het overlijden vanTafin, in 1709, werdJohan TheodoorBaron vanFriesheimtot Gouverneur aangesteld, welke betrekking hy in 1723 tegen die van Gouverneur van’s Hertogenboschverwisselde. Hem vervingen achtereenvolgends in ’t zelfde jaarJacob Harduïn PalmenStatius FilipGrave totBenthem.De stadHeusden, die, by de vestiging van het Gemeenebest, op de Dagvaarten beschreven werd en teekende vóorPurmerend, had zich, even als vele andere kleinere Steden, dit recht—waarvan de uitoefening met geen geringe kosten gepaard ging—van lieverlede laten ontnemen. Ten tijde der troebelen van 1787 deed zy echter deze aanspraken weder gelden, ’t welk de toenmalige Staten niet weinig in verlegenheid bracht, om het voorbeeld, dat hierdoor aan andere kleine Steden zou gegeven worden. De zaak werd slepende gehouden, en weldra deden gewichtige gebeurtenissen het geheele vraagpunt van zelf vervallen. De oorlog tegenFrankrijkwas uitgebarsten. De Franschen, in 1793 in ons Land gevallen, haddenBredaenGeertruidenbergveroverd, en eischten nu ookHeusdenop. Die eisch werd echter afgeslagen, daar de stad zich in genoegzamen staat van tegenweer bevond. De vestingwerken toch waren sterk, de schansen teDoeverenenHemertin goede orde, en de Bezetting boven de 2000 man sterk. De Erfprins vanOranje(later KoningWillem I) kwam zelf in de nacht van 10 Maart teHeusdenzijn hoofdkwartier vestigen, doch bleef er niet lang, en werd door zijn broederFrederikvervangen.Misten de Franschen te dier gelegenheid hun kans, in ’t volgende jaar waren zy voorspoediger: zy hadden op 9 Oktoberden Boschovermeesterd, en men was teHeusdenhun aanval verwachtende; weshalve men, ter meerdere bevestiging, een doorsnijding in den hoogen Maasdijk teHedikhuizengemaakt had. Inmiddels was de gemeenschap metHolland, door de omHeusdenzwervende of gelegerde Franschen, afgesneden; de vorst viel met buitengewone strengheid in, en de middelen tot verdediging werden hierdoorgrootendeels verzwakt.Van Liesvelt, die het bevel over de bezetting voerde, ziende, dat het ijs de onder-water-zetting nutteloos maakte, gelastte den burgeren, gezamentlijk met zijn krijgsvolk, de stadsgrachten en deMaasopen te houden, waarmede, den 28stenDecember, door veertig burgers tevens, een aanvang werd gemaakt. Het leed tot in het begin van January 1795, dat de bezetting in ’t ongewisse bleef, of de vyand het inderdaad opHeusdengemunt had. Dan op den vijfden dier maand deed de GeneraalDaendelsde vesting opeischen, met bedreiging van storm te zullen loopen indien men niet gewillig de poorten voor hem openstelde. Zelfs liet hy aan een hem toegezonden officier zijn gemaakte voorbereidselen zien, ten bewijze, dat zijn dreigen geen ijdele grootspraak was. Niettemin sloeg men den eisch af: waarop het beschieten der stad op den negenden een aanvang nam, en tot den twaalfden voortduurde. De stad werd nogmaals opgeëischt: de Kommandant, na zich nevens zijn volk verbonden te hebben, in geen jaar en zes weken tegen de Franschen te zullen dienen, verkreeg een vrijen uittocht, met achterlating van een verbazenden voorraad krijgs- en mondbehoeften, welkeDaendelsin handen vielen.Onder het bewind vanNapoleonlagen er veteranen in bezetting teHeusden, die in 1813, op het gerucht van de aannadering der Pruissen, de stad verlieten. Naauwlijks waren zy de Herptsche poort uitgetrokken of de Pruissen rukten die binnen. Nu scheenHeusdeneensklaps uit den doodslaap, waarin het gedurende achttien jaren was verzonken geweest, herrezen, en in een wapenplaats herschapen te zijn. Duizenden van Russen en Pruissen stroomden er beurtelings in en uit, en de GeneraalBulowhad er een tijd lang zijn hoofdkwartier.Maar weldra zou de tijd aanbreken, datHeusdenuit den rij vanNeêrlandssterke plaatsen verdwijnen moest. In 1821 werd de stad ontmanteld, de bolwerken en ravelijnen aan partikulieren verhuurd en tot warmoeziersland aangelegd. Alleen bleef er nog een kazerne bestaan, die in 1837 belangrijke herstellingenonderging: voorts een arsenaal en artillerieloods; terwijl een nieuwe affuitloods op het Burchtplein gebouwd werd. De eenig overgebleven zijtoren en de kelders van het oude slot werden tot een bomvrij kruitmagazijn ingericht, en vertoonen zich thands nog als een vierkant gevaarte zonder kap, maar met zware muren en diepe gewelven; terwijl het plein, daarnevens, met iepenboomen bezet, een fraaie wandeling oplevert.1Voorkomende in den Muzen Almanak van 1821, pag. 149.2Namelijk vanJanVIII die regeerde, toenHeeluschreef; wantAernout, broeder vanJanVII, was geenklerk.3De zin is: »die liever zich (genoten) vereenigd hadden, dan den Heer vanHeusdente vangen.4Die vanHeusdennamelijk.

In de ruimte, welke ten noorden door deMaas, ten oosten en ten zuiden door de Meiery vanden Boschen ten westen door het Land vanAltenaomgrensd wordt, liggen ruim tienduizend bunders laag bouwland bevat, die het hoofdbestaan verschaffen aan een bevolking van nagenoeg 15000 zielen, over een kleine stad en zeventien dorpen verspreid. Ofschoon noch die stad, noch de daar om heen gelegen vlas-, hennep-, en hopvelden den reiziger veel bekoorlijks of merkwaardigs aanbieden, by den geschiedvorscher en by den dichter wekt de aanblik daarvan herinneringen op, die niet van belangrijkheid ontbloot zijn, al ware het maar om de wisselingen, welke de streek ondergaan heeft. Maakt zy thands een deel uit van de ProvincieNoord-Brabant, en onderNapoleonvan het Departement derMonden van den Rijn, in 1801 was zy in tweën gesplitst en voor de helft byBrabant, voor de wederhelft byHollandingedeeld geweest, na vijf d’halve eeuw lang tot dit laatstgenoemde en vroeger een geruimen tijd tot het eerstgenoemde Gewest behoord te hebben. Die streek is nog heden ten dage bekend onder den naam van hetLand van Heusden: die stad isHeusden: die dorpen zijnEngelen,Vlijmen,HonsoirtofOnsenoord,Hedikhuizen,Herpt,Oud-HeusdenenBaardwijk, die van ouds den naam van »bovendorpen,”Heesbeen,Genderen,Doeveren,Drongelen,Eethen,Meeuwen,Babyloniënbroek,Veen,WijkenAalburgh, die den naam van »benedendorpen” dragen.

Het kasteel van Heusden.Het kasteel van Heusden.

Het kasteel van Heusden.

Maar had die streek dikwijls in de laatste eeuwen van meester verwisseld, en, eer zy aan Holland kwam, tot een twistappel gestrekt, waar hevig om gestreden werd, er had een tijd bestaan toen zy haar eigen, schier onafhankelijke Heeren had, en wel zoodanigen, die, ondanks de beperktheid van hun grondgebied, rijk, aanzienlijk en by hun naburen geducht waren, die zich reeds vroeg door verbintenissen met machtige Vorsten en Heeren versterkt hadden, zoo dat wederkeerig de hunne met yver gezocht werd.

Wat den oorsprong en afkomst dier Heeren betreft, die zijn even onzeker als die onzer meeste adelijke Huizen en het daaromtrent vermelde evenzeer met tastbare fabelen doormengd. Buiten twijfel echter schijnt het, dat het Land vanHeusdenoorspronkelijk een deel uitmaakte van het GraafschapTeisterbant, en in vervolg van tijd, by broederdeeling, onderClevekwam, aan welk laatste Graafschap het tot op het einde der dertiende eeuw leenroerig schijnt geweest te zijn. Een jongere zoon uit het Teisterbantsche of Kleefsche Huis,Robbertgeheeten, wordt voor den eersten Heer vanHeusdengehouden. Het was voorwaar niet onder gelukkige voorteekenen, dat deze nieuwe dynastie begon. Nog duurde de eeuw van plondering en geweld, toen onze nog onbeschermde kusten gedurig bloot stonden aan de herhaalde invallen dier Noordsche Zeekoningen, die eerlang aanNederland, aanNormandyen, aanEngeland, aanSiciliën, zijn vorsten zouden schenken: en by eenen dier strooptochten was het, dat in 839 de stad en ’t slot, waar HeerRobbertzijn zetel had, door de vreemde zeeschuimers verwoest werden. Schooner en sterker dan te voren echter, rezen beiden weder op onder de regeering vanBoudewijn, die in 857 zijn vaderRobbertopvolgde. Was het vroegere kasteel niet sterk genoeg geweest, omaan een onverwachten aanval weêrstand te bieden, het nieuwer zoû dien beter kunnen verduren; want het paarde nu de zwaarte en omvang van dubbele wallen en torens aan de sterkte zijner natuurlijke ligging: terwijl het een natuurlijke verdediging bezat in de breedeMaas, die er voorby stroomde, en in de oude of zoogenaamdeverloren Maas, die er langs kronkelde, om zich hooger op, byAalburg, te verliezen. Ook het stichten der Sloten vanPoederoyen, vanBrakel, en vanAelstwordt aanBoudewijnvanHeusdentoegeschreven; waaruit men zoû moeten opmaken, dat hy, ook elders dan in het eigentlijke Land vanHeusden, Heerlijkheden bezeten heeft.

Maar vrij wat belangrijker, of liever behagelijker herinneringen, dan die het bouwen van kasteelen oplevert, biedt ons de legende met betrekking totBoudewijnaan. Van hem toch verhaalt zy, hoe hy, in zijn jeugd metReinoutGrave vanAngiersnaarEngelandgetogen, den KoningEdmundin den krijg bystond, door zijn dappere daden de liefde won der schooneSofia, ’s Konings dochter, en deze heimelijk ontvoerde. Lang treurde de Koning om zijn spruit en zocht vergeefs den naam van haren roover en het oord, waar zy zich onthield, te ontdekken. In ’t eind gelukte hem dit, en vonden zijn zendelingen haar teHeusden, aan ’t spinnewiel gezeten. Een verzoening had plaats, en onder de voorwaarden daarvan was er eene, datHeusdenvoortaan een rad van keel als wapen voeren zoû, ter gedachtenis aan het roode spinnewiel, waarbySophiateruggevonden was.

Zoodanig, met eenig gering verschil in byzonderheden by sommigen, luidt de legende. Nu weet ik vooraf, dat er ongeloovigen zijn, die haar als geheel fabelachtig zullen verwerpen; die met een glimlach de schouderen zullen ophalen, en zeggen, dat alle geslachtboomen van onze oude Hollandsche Huizen reeds in den beginne een verbintenis aantoonen met het een of ander vorsten-geslacht, de eene nog meer uit de lucht gegrepen dan de andere: dat er geen Koning vanEngelandonder den naam vanEdmundin de dagen vanBoudewijnvanHeusdengeregeerdheeft, maar wel, achtereenvolgends,EgbertenEthelwolf, en dat de geschiedenis vanEngelandniets vermeldt van het wegloopen der dochter van een van beiden met een Ridder uitNeder-Duitschland: eindelijk, dat er in de negende eeuw nog geen blazoenen bekend waren, en dat het wiel vanHeusdenin allen gevalle niets anders is, dan de acht schepters vanCleve, met een band omringd.

Al moge ik de beide laatste aanmerkingen gedeeltelijk toegeven, zoo zie ik in de rest van ’t verhaal niets, dat zoo onbepaald verworpen behoeft te worden. Of is er iets onwaarschijnlijks in, datBoudewijn, gedurende het leven zijns vaders, en vooral toen zijn door de Noren verwoest erfgoed hem weinig aanlokkelijks aanbood, even als zoo vele andere jonge Edellieden van dien tijd, zijn fortuin heeft zoeken te maken in een uitheemschen oorlog? En wat dien Koning vanEngelandbetreft, wy behoeven hier niet aan een Koning over dat gandsche Rijk te denken. Op het tijdstip, datBoudewijnvanHeusdenEngelandbezocht zoû hebben, waren er nog maar weinige jaren verloopen, sedert KoningEgbertde Vorsten der Heptarchy onderworpen had, en enkelen hunner bleven waarschijnlijk levenslang hun tytel behouden. Onder die Vorsten treffen wy, omstreeks dien zelfden tijd, een Koning vanOost-Engelandaan, die den naam vanEdmonddroeg, van wien gemeld wordt, dat hy zich door byzondere vroomheid onderscheidde (zoo zelfs, dat hy heilig werd verklaard) en dat hy sneuvelde in den krijg tegen de Denen of Noormannen. En waarom nu, vraag ik, zou het ongelooflijk, waarom niet integendeel zeer aannemelijk zijn, dat onzeBoudewijnaan de zijde diens KoningsEdmondgestreden zoû hebben tegen diezelfde zeeschuimers, die zijn erfslot in puin verwoest hadden?—Waarom ongelooflijk, dat hy een schoone vorstendochter verleid zoû hebben, hem over zee te volgen?—Er is nog in 1841 wel een Infante vanSpanjegeweest, die zich heeft laten schaken.—En wie door die redenen niet overtuigd is, die leze de bekoorlijke Romance vanBilderdijk,HetWiel van Heusdengetyteld1, en hy zal niet meer willen twijfelen aan de echtheid van een verhaal, dat de stof tot zulk een meesterstuk van poëzy heeft opgeleverd.

In 870 overleedBoudewijnvanHeusdenen werd, daar zijn oudste zoon,Edmond, inEngelandby zijn grootvader verbleven en tot grooten staat geraakt was, opgevolgd door zijn tweeden zoon,Robbert II, die tot huisvrouw nam des Graven vanZutfendochter, welke my veel apokryfer voorkomt dan die Engelsche princes.Robbertstreed heel dapper.... in ’t Heilige Land, een anakronismus, aan welken de kronijkschrijvers zich met betrekking tot al de Edele Heeren uit die dagen schuldig maken: hy stierf in 914, en liet de Heerlijkheid na aan zijn zoonEdmond, die getrouwd was met een dochter des Graven vanSeyn. ’k Wil ’t liever blind gelooven dan dat ik het zoû gaan onderzoeken.

OpEdmondvolgde in 929 zijn zoonJan I, wiens huisvrouw al wederom een Gravedochter was, en wel van dien vanLoon; opJan Idie in 956 overleed,Robert III, die de dochter des Graven vanSpanheimtot vrouwe nam, en in 972 stierf: op dezen,Boudewijn II, met een dochter des Graven vanGennepgetrouwd.

Hier begint de kronijk een meer historische kleur aan te nemen; en, even als dit met de meeste oude geslachtnamen het geval is, zien wy allengskens de Gravedochters door eenvoudige Jonkvrouwen afgewisseld. Zoo trouwtJan II, die in 1028 aan de regeering kwam, metMachteltvanSteenvoorde, enRobbert IV, die hem in 1073 opvolgde, met een dochter uit den Huize vanArkel.Boudewijn III, die in 1092 Heer werd, kreeg tot echtgenote een dochter des Graven van derLippe. Hy stierf in 1100, en liet de Heerlijkheid aan zijn zoonJan III, met een Jonkvrouwe vanArentsberghgehuwd. NaJan IIIkwam in 1135, zijn zoonWillem, die, in 1153 overleden,Heusdennaliet aan zijn broederAernout. Deze verwekte by een dochter des Graven vanSalmJan IV, die hem in 1168 opvolgde. Een tweede zoon vanAernout,Boudewijn Knijfgeheeten, was de stamvader der Heeren vanHeeswijk, en voerde twee raderen van keel op een half sabel half gouden schild.

OpJan IVvolgde in 1192Robbert V, uit wiens broederWouter, bygenaamd Spiering, het geslacht derSpieringensproot, die een gouden rad in een veld van sabel voerden.Robbertstierf in 1202: hy had by zijn Huisvrouw, een dochter des heeren vanDiest, verwektJan V, die, tochtgenoot van GraafWillemvanHolland, twee malen het Heilige Land bezocht. Van zijn broederWillemsproot het geslacht derHedikhuysens, die een gouden rad op lazuur voerden.

Jan VI, zoon vanJan Ven van de dochter des Graven vanVernenburgh, volgde in 1235 zijn vader op; hy zelf verkreeg de hand eener Gravinne vanLoon, zuster van dien Graaf vanLoon, wiens huwelijk metAdavanHollandzoo veel rampen verwekte. Zijn broeder, die mede den naam droeg vanJan, wordt gezegd de eerste Heer vanVeengeweest te zijn.

Meer dan vanJan VI, die in 1279 overleed, valt van zijn zoonJan VII, te vermelden. Nog naauwelijks was hy aan de regeering gekomen, of hy vond zich in krijg gewikkeld met een machtigen nabuur. Deze was HertogJan IvanBrabant, die, te recht of te onrecht, zich beklaagde over geweldenarijen, door die vanHeusdentegen ingezetenen derMeierygepleegd, en zijn Drossaart met krijgsbenden afzond omHeusdenin te sluiten. De bezetting, ’t ergste duchtende, gaf zich over, en de Hertog, eerlang de stad binnengetrokken, liet er zich tot Heer huldigen: zoo datJan VII, wilde hy anders in ’t bezit zijner Heerlijkheid blijven, zich genoodzaakt zag, daarvan hulde te doen aanBrabant, en den Hertog als zijn Leenheer te erkennen. Hierby bleef het niet; toen kort daarna die geweldige oorlog om ’t bezit vanLimburguitbarstte tusschenReinoutvanGelreenJanvanBrabant, toen volgdeJanvanHeusdenzijn nieuwen Leenheer inden strijd; en met hem togen zijn broeders,Aernoutvan derSluyse, die het rad van zilver voerde op het veld van keel,Jan, Heer vanHeesbeen, die het rad van goud droeg op een veld van keel, enDiederik, de eenige van zijn geslacht, die niet uit den krijg terug zoû keeren: voorts zijn zonen,Jan, die later zijn opvolger werd, enAernout, die, ofschoon tot den geestelijken stand behoorende, geen zijner ridderlijken stamgenooten in heldenmoed week. Het was by de banier vanJanvanKuik, dat zy de hunne opstaken, en onder de aanvoering van dien wakkeren krijgsman, dat zy in ’t jaar 1286 den tocht begonnen.

Te Senne

(d. i.Sennewyne, in deThielerwaard) verhaaltJanvanHeeluin zijn heldendicht,

Te Senne, daer vergadert lagenDes Graven (van Gelre) lieden te dier tide,Daer socht se coenlike met strideHeer Jan van Cuyck met sine gesellen,Daer men wonder af mach tellen.Soe eerlike ende soe sconeWaegden syt. Daer was de heereVan Hoesdinne (Heusden) met ende her JanVan Hesbinne (Heesbeen) een vromich man,Ende van der Sluys her Arnout,Een coene ridder ende een stoutEnde van Hoesdinne her Dideric.

Te Senne, daer vergadert lagen

Des Graven (van Gelre) lieden te dier tide,

Daer socht se coenlike met stride

Heer Jan van Cuyck met sine gesellen,

Daer men wonder af mach tellen.

Soe eerlike ende soe scone

Waegden syt. Daer was de heere

Van Hoesdinne (Heusden) met ende her Jan

Van Hesbinne (Heesbeen) een vromich man,

Ende van der Sluys her Arnout,

Een coene ridder ende een stout

Ende van Hoesdinne her Dideric.

Hevig was de strijd.

Ende menegen helm mogt men scouwen,Seere gescoort ende dorhouwenEer die sege gewonnen wart.

Ende menegen helm mogt men scouwen,

Seere gescoort ende dorhouwen

Eer die sege gewonnen wart.

Ja in den aanvang scheen de kans ongunstig voor den HeervanKuikte loopen, toen hemJanutenHovemet zijn Bredasche krijgsknechten ter hulpe kwam.OttovanBuerenenAllartvanDriel, die de Gelderschen aanvoerden, werden gevangen, enTiel, waarop zy ’t gemunt hadden, voorBrabantbewaard. Dan dit gevecht, hoe veel het ook tot den roem der overwinnaars bybracht, was maar een voorspel van den gewichtigen veldslag, waaraan zy later zouden deel nemen. Het was op den 5enJuly 1288, dat byWoeringendat hevig samentreffen plaats had tusschen de legers van den Aartsbisschop vanKeulen, den Graaf vanLuxemburgen dien vanGelreter eener, en die van den Hertog vanBrabanten zijn bondgenooten aan den anderen kant. Reeds zoo menigmalen is die slag beschreven, dat het noodeloos kan geächt worden die beschrijving hier te herhalen: alleen moet hier medegedeeld worden, in hoeverreHeusdenen de zijnen aandeel hadden in den zege, doorBrabantbehaald. De eerste aanval, door den Aartsbisschop gedaan op den linker vleugel, die door GraafAdolfvan denBerghwerd aangevoerd, had dezen doen wijken. Toen was het, datKuik, metArkelenHeusden, de orde hielp herstellen, en den vyand een wijl tot staan bracht.Luxemburg, die mede toegeschoten was, wordt teruggedrongen; dochBernardvanHalloy, tot zijn hulp gekomen, doet voor een wijl de kans wederom keeren. Het was nu, dat drie wakkere helden een nieuwen uitval tegen de Luxemburgers waagden; zy waren de Heer vanFrambach, die vanYsele, en

Des heren broeder2van Hoesdinne,Arnout hiet hi ende was clerck,Maer ridderlike was syn werc.Van groote persse ende meswinde (tegenspoed)Leet hi: daer bleef ooc een indeVan sinen nase, dat hi vercochteEerlike daer hi den stryt sochte.

Des heren broeder2van Hoesdinne,

Arnout hiet hi ende was clerck,

Maer ridderlike was syn werc.

Van groote persse ende meswinde (tegenspoed)

Leet hi: daer bleef ooc een inde

Van sinen nase, dat hi vercochte

Eerlike daer hi den stryt sochte.

Doch niet alleen hadAernout van Heusdenzijn neus in den strijd verkocht, of, als wy nu zouden zeggen, verspeeld, zijn vader was in erger gevaar, ja een wijl in ’s vyands handen geweest: men hoore slechts:

Hier noemic nu eenen van de besten,Die in des hertoghen sideMet banieren was ten stride.Dat was van Kuc her JanDie in den stryt, doe men began,Comen was in grooten noot.Met hem waren in syn convootTwee baenroetse, twee vromige man,Beide her Jan ende her JanVan Ercle (Arkel) ende van HoesdinneDie beide in dien beghinneWaeren ooc in selke pineComen, dat si in scineWaender mede ondergaenDat eerlyc wert wederstaen;Want het wederbrachte (hy herstelde dit)Met grooter daden die hi wrachteVan Kuc die vrome ridder alsoe,Wert, inder viande side,Doe die here van Kuc met strideOverhant dus weder namMaer eert alsoe vere quamDat hi die plaetse weder wanWas bleven gevaen her JanVan Hoesdinne, die stoute heereDie hem weerde alsoe seereAls ridderen mochte doen, met strideMaer noch doen te dien tideReden met so sterken rotenDie gene die gerne hadden genotenMaselendre (Maaslanders) ende Ruire (Roerlanders)Dan si vingen3; maer sine baniere4Bleef gehouden in den tasOntploken; met gheninde,Eerlyc ende wale toten inde:Want daer waren bi blevenVromighe ridderen sinen neven,Dese hilden met gewoutVan der Sclues her ArnoutDire vroomster ridder eenVan den conroete, dat wale sceenAen groote dade, die hi dede:Maer daer was syn neve medeHer Diederic van HoesdinneDie men te Ceulen inneVueren moeste, na den stryt,Daer hi sterf in corten tijt.Want hem coste syn levenVromicheit, die hy gedrevenHadde in den stryt, met groeten daden.Die siele moet varen te genadenSoo dat si hemelrike vercrighe!

Hier noemic nu eenen van de besten,

Die in des hertoghen side

Met banieren was ten stride.

Dat was van Kuc her Jan

Die in den stryt, doe men began,

Comen was in grooten noot.

Met hem waren in syn convoot

Twee baenroetse, twee vromige man,

Beide her Jan ende her Jan

Van Ercle (Arkel) ende van Hoesdinne

Die beide in dien beghinne

Waeren ooc in selke pine

Comen, dat si in scine

Waender mede ondergaen

Dat eerlyc wert wederstaen;

Want het wederbrachte (hy herstelde dit)

Met grooter daden die hi wrachte

Van Kuc die vrome ridder alsoe,

Wert, inder viande side,

Doe die here van Kuc met stride

Overhant dus weder nam

Maer eert alsoe vere quam

Dat hi die plaetse weder wan

Was bleven gevaen her Jan

Van Hoesdinne, die stoute heere

Die hem weerde alsoe seere

Als ridderen mochte doen, met stride

Maer noch doen te dien tide

Reden met so sterken roten

Die gene die gerne hadden genoten

Maselendre (Maaslanders) ende Ruire (Roerlanders)

Dan si vingen3; maer sine baniere4

Bleef gehouden in den tas

Ontploken; met gheninde,

Eerlyc ende wale toten inde:

Want daer waren bi bleven

Vromighe ridderen sinen neven,

Dese hilden met gewout

Van der Sclues her Arnout

Dire vroomster ridder een

Van den conroete, dat wale sceen

Aen groote dade, die hi dede:

Maer daer was syn neve mede

Her Diederic van Hoesdinne

Die men te Ceulen inne

Vueren moeste, na den stryt,

Daer hi sterf in corten tijt.

Want hem coste syn leven

Vromicheit, die hy gedreven

Hadde in den stryt, met groeten daden.

Die siele moet varen te genaden

Soo dat si hemelrike vercrighe!

Hoe en door wieHeusdenweder uit de handen der Maaslanders geraakte, wordt niet gemeld; doch by de volkomen nederlaag,dieGelreen zijn bondgenooten leden, mogen wy hoogst waarschijnlijk aannemen, dat hy reeds voor het einde van den slag weder aan de zijnen was teruggegeven.—De opgevolgde vrede tusschen de twistende partyen deedHeusdeneerlang weder huiswaart keeren.

Niet weinig had de oorlog, dien zijne naburen tegen elkander voerden, gestrekt om de macht van den wakkerenFloris V, die toen inHollandde gravekroon droeg, te bevestigen. Niet alleen was hy door HertogJan, die zijn bondgenootschap zocht, van alle leenhulde voorZuid-Hollandontheven; maar hy had zich, terwijl het krijgstooneel op een verwijderd grondgebied was overgebracht, in staat gezien, zijn onrustige Edelen te fnuiken, de erfgoederen van de meesten hunner in leen te verkeeren, de Westfriezen te tuchtigen, landbouw en handel in zijn Graafschap te doen bloeien. Wel zag hy zich eerlang in twist gewikkeld met de Zeeuwsche Edelen, en dien ten gevolge met den Graaf vanVlaanderen; doch twee malen werd een zoen getroffen, de eerste reis, door bemiddeling van HertogJan, de tweede reis, in 1295, toen deze brave Vorst overleden was, door die vanJanvanKuik.

Het was te dezer gelegenheid, datJanvanHeusden, ’t zij gewillig, ’t zij door dwang, zijn stad aanFlorisopdroeg en weder van hem in leen ontfing. Hoe hy dit kon rijmen met de vroegere opdracht, aanBrabantgedaan, en of die opdracht al dan niet met toestemming van den nieuwen HertogJan IIgeschiedde, zie daar, wat we niet kunnen beslissen. Zeker is het, dat GraafFloriszijn aanspraak op den tytel van Leenheer niet bloot uit die opdracht ontleende, maar uit een gift, hem doorDiederik, Grave vanKleef, in 1290 gedaan. Immers volgends de oude overlevering berustte, als wy gezien hebben, het leenrecht by dezen. Intusschen, de verknochtheid vanHeusdenaan zijn nieuwen Leenheer was niet van langen duur. Reeds toen smeulde, onder schijn van trouw en dienstbetoon, by een aantal Hollandsche Edelen hevige verbittering tegen den Graaf,die hen van zoo vele voorrechten had beroofd. Die verbittering werd in ’t geheim gevoed door KoningEduardvanEngeland, wiens ongenoegen was opgewekt door de naauwe verbintenis, doorFlorismetFrankrijkaangegaan. Tot werktuig bediende zich de Koning vanJanvanKuik,die meer dan eens inEngelandgeweest was, en zijn vol vertrouwen genoot.Kuikhad zich mede genoodzaakt gezien, zijn slot teTongelareals leen aanFlorisop te dragen, en hem dat vanter Horstin vollen eigendom af te staan; en zoo wel hieruit, als uit de geschenken, welke hy vanEduardontfing, laat zich zijn vijandelijke handelwijze jegends den Graaf verklaren.Heusden,aan wiens zoonJanhy zijn dochter ten vrouwe geschonken had, was van ouds zijn vriend en wapenbroeder, en liet zich, vermoedelijk door hem, overhalen om aan een geheim verbond tegenFlorisdeel te nemen. Vroegere schrijvers hebben de reden vanHeusdenstoetreding tot het verbond toegeschreven aan zijn verbolgenheid, omdat de Graaf de eer zijner dochter zoû hebben geschonden. Latere nasporingen hebben echter bewezen, dat de overlevering op dat punt wel niet op zoo valsche en logenachtige gronden als die betreffende

’t Schandelyck omhelzen,Het schennen van de spruyt, de schoone bloem van Velsen;—

’t Schandelyck omhelzen,

Het schennen van de spruyt, de schoone bloem van Velsen;—

maar toch evenzeer uit een dwaling is gesproten. De schooneAgneta,voor welkeFlorisin liefde ontstak, en die hem en ’t Vaderland den edelenWittevanHollandschonk, was wel een telg uit het Huis vanHeusden, maar geen dochter van HeerJan.Haar vader was dieAernoutvan derSluyse,van wiens heldendaden voorWoeringenwy vroeger hebben gewach gemaakt, doch wiens naam ons verder in de geschiedenis niet is voorgekomen: en schier alle getuigenissen vereenigen zich, om inWittegeen spruit van bastaardy, maar een zoon uit wettigen echt te erkennen. De geslachtlijst derElshouten—mede eenstam derHeusdens, als wy later zullen zien—vermeldt met ronde woorden, datAgnetaden Graaf huwde: haar zoon voerde van den aanvang af en overal den naam vanWittevanHolland,en, wat meer zegt, den leeuw vanHolland, gebroken met het rad van van derSluyse,doch zonder eenig filet of ander teeken van bastaardy: iets dat hy zich niet zoû hebben durven onderstaan, zonder zich aan misdaad van gekwetste majesteit schuldig te maken, indien zijn geboorte onwettig ware geweest. Wat echter van de betrekking tusschenFlorisenAgnetazij, genoeg, dat zy de aanleiding niet geweest kan zijn omHeusdenin het eed-verbond tegen den Graaf te doen treden.

Onder de diensten, welkeEduardvan de Hollandsche Edelen verwachtte, was voornamelijk begrepen het verydelen van het bondgenootschap tusschenFrankrijkenHolland, en hiertoe deed zich geen beter middel aan de hand, dan den Graaf op te lichten en naarEngelandte zenden, terwijl hem dan zijn zoon als vasal vanEduard,zou opvolgen. De afspraak tot het plegen dier schanddaad geschiedde teBergen-op-Zoom,op een byeenkomst, waartoeVelzen,Woerden,Heusdenen anderen doorKuikgenoodigd waren. Hier verzekerde hy de wankelmoedigen van den bystand des Konings vanEngelandniet alleen, maar ook van die van HertogJan IIen van GraafGwyvanVlaanderen, terwijl hy hen waarborgde, dat zy niets van de zijde van ’s Graven zoon,Jan, die zich inEngelandbevond, te vreezen hadden. Een schriftelijk verbond tot verderf vanFloriswerd thands bezegeld, en later teKamerijkhet plan nader overwogen en vastgesteld.Kuikwilde nog zijn snood verraad met den schijn van kordaatheid bestempelen, en zond aanFloriseen ontzegbrief: ofHeusdendit voorbeeld gevolgd heeft, vinden wy niet gemeld: by de gevangenneming en moord des Graven was hy niet tegenwoordig: intusschen schijnt het vrij zeker, ofschoon de kronijkschrijvers het niet bepaald vermelden, dat ook hy ten lande heeft moeten uitwijken, toen de wrekende hand der gerechtigheid de moordenaars vervolgde. Nog beleefde hy ’t, datHollandaan’t Huis vanHenegouwenverviel, en overleed in den jare 1303. Twee malen was hy gehuwd geweest: de eerste reis metAleid, ’s Graven dochter vanWybestein, die hemJan, zijn opvolger gebaard had, enJan, eersten heer vanDrongelen, die een zilveren rad op lazuur voerde: de tweede reis metErmgardvanWickeloo, die hem mede een zoon schonk, insgelijksJangeheeten, en die de stamvader werd van het geslacht vanElshout.

WatJan VIIIbetreft, van hem is het zeker, dat hy metKuik, zijn schoonvader, naarEngelandweek en aldaar een geruimen tijd ten dienste vanEduardde wapens tegenFrankrijkvoerde. Wy vinden ook, dat hem, voor de diensten aanEngelandbewezen, door HertogJanvanBrabant, twee duizend pond Tornoois en een rente van honderd pond Brabantsch werden toegezegd. Jaren verliepen er, eerHeusdenvan zijns vaders erfgoed bezit kwam nemen: en niet lang had hy er genot van, daar hy reeds in 1318 overleed, by zijn tweede gemalinSofia, vanKranendonk, een zoon nalatende, die hem opvolgde alsJan IX.

Niet geheel zonder tegenkanting schijnt deze laatste aan de regeering te zijn gekomen. Immers er bestaat een handvest van datzelfde jaar 1318, waarinJan, Heer vanSaffenbergh, en zijn vrouwSofia, die uit het huwelijk vanJan VIIImetMargarethavanKuikgeboren was, als wettige Heeren beschikkingen maken, en zich het oppergezach overHeusdenaanmatigen. Waarschijnlijk begreep dit echtpaar, datJan IX, wiens huwelijk metCunigundavanArkeldoor geen kinderen gezegend werd, hun toch de Heerlijkheid zoû moeten overlaten, en dat het dus maar zaak was, zich by voorraad in ’t bezit daarvan te stellen. ’t Kan echter ook zijn, datJan IXzwak van geestvermogens was, en buiten staat zijn goederen zelf te beheeren: weinig vermelden van hem de Kronijkschrijvers, en slechts een hunner bericht, dat hy in ’t Heilige Land tot Ridder zoû geslagen zijn geweest, iets, wat van zoo velen verteld wordt, dat men, vooral by hetletten op tijden en omstandigheden er niet dan met groote omzichtigheid geloof aan hechten moet.Jan IXstierf in 1334, en met hem de laatste van die reeks van Heeren, die achtereenvolgends, van vader tot zoon, hun banier vanHeusdenstorentrans hadden laten waaien.

SofiavanSassenbergh, die alsnu zijn naaste erfgename was, zocht de Heerlijkheid aan HertogJan IIIvanBrabantop te dragen, in de hoop van er wederkeerig ’t verlij van te bekomen; doch de Hertog, die liever de vrije beschikking overHeusdenaan zich behouden wilde, sloeg ’t haar af; waarop zy aan den Graaf vanHolland,WillemdenGoede, haar recht op de Heerlijkheid afstond, en hy haar echtgenoot daarmede verlijdde. Intusschen viel het den Graaf gemakkelijker een verlijbrief te geven, dan de stad-zelve, die reeds van wege den Hertog met krijgsvolk bezet was geworden, aangevoerd doorJanvanElshout. Waarschijnlijk had deze laatste, die toch aan deHeusdenswas vermaagschapt, eenige hoop, het leen voor zich te bekomen. Moedig wees hy elken aanval af, dien de Hollandsche benden op den burg beproefden, en dwong hen, met groot verlies weder af te trekken. Ziende, dat hy met geweld niets winnen kon, en ongeneigd wellicht tot een volslagen vredebreuk metBrabant, onderwierp GraafWillemde zaak aan de beslissing van den Graaf vanGulik, die ten voordeele van den Hertog uitspraak deed: waarop deze de stad en ’t land vanHeusdenin leen gaf aan den Graaf vanKleef. Wel berustteSassenberghniet in deze schikkingen, waardoor hy van zijn aanspraak verstoken was, wel viel hy inBrabant, en plunderde en verbranddeTurnhout; maar hy begreep toch in tijds dat de Hertog een te machtige tegenparty voor hem wezen zou, en stond hem zijn aanspraken af tegen een rente van drie honderd gouden realen, waar de stad’s Hertogenboschborg voor bleef.

Dan, intusschen deed zich een nieuwe pretendent op, die opHeusdenaanspraak maakte. Deze wasJanvanDrongelen, die, oom vanJan IX, en, in gevalHeusdenniet als een spilleleenbeschouwd kon worden, het naaste tot de erfenis gerechtigd was. Vergeefs echter wendde hy zich totWillemvanHolland, om door dezen in zijn aanspraak gehandhaafd te worden. De Graaf wees hem af, enDrongelenstierf, eer hy zijn vermeend recht had kunnen doen gelden; maar hy had het niet opgegeven en het aan zijn zonen nagelaten.

HertogJan III, de noodzakelijkheid inziende, om de stad tegen nieuwe aanvallen te dekken, liet in 1340 een aanvang maken met het versterken en vergrooten van het kasteel. Op een afstand van het hoofdgebouw deed hy een hoogen, boven alle andere torens uitstekenden, achtkantigen toren rijzen, die—langs een stevige ophaalbrug, gelegen over een diepe gracht, welke de geheele vest omgaf—gemeenschap had met het ruim betimmerde nederhof, ’t welk niet alleen geschikte woningen voor de dienaars bevatte, maar ook ruime verblijven voor krijgsknechten, en uitgestrekte paardenstallen. Van daar geleidde een tweede zware ophaalbrug tot het kasteel-zelf, van welks groote en luchtige binnenplaats men den toegang had tot talrijke vertrekken, waaronder vooral de ridderzaal uitmuntte. Een onderaardsch gewelf, waarvan de opening potvormig in het midden van het binnenplein uitkwam, verstrekte tot gevangenis.

Het was echter eerst onder de regeering van ’s Hertogen dochter en opvolgsterJohanna, dat de vergrooting van het Kasteel geheel voltooid werd: en zoo aanzienlijk waren de onkosten, daaraan besteed, datBrabanter tot driemaal toe voor geschat werd.

Hoe vaster en prachtiger intusschen de burcht opgebouwd, en hoe sterker de plaats—hoe meer begeerlijk haar bezit geworden was: en geen wonder, dat die vanHollandhaar niet dan met leede oogen in de macht des Hertogs bleven zien.Willem III, hoezeer hy van den Graaf vanKleefdiens rechten opHeusdenhad afgekocht, had zijn aanspraken na den gesloten vrede wel niet laten gelden; doch zijn opvolgers zochten alleen naar een geschikte gelegenheid om die te doen herleven.WillemvanDrongelen, even als zijn vaderJanhakende naar ’t bezit van wat hy oordeelde, hem naar erfrecht te behoorden, liet niet na, den wrevel der Hollanders te voeden, en het vuur van tweedracht tusschen hen en de Brabanders aan te stoken. Strooptochten over en weder waren niet ongewoon: en het waren alsdan doorgaandsWillemvanDrongelenen zijn zonen, die de Zuid-Hollanders aanvoerden. Eens echter had er een samentreffen plaats der beide partyen, waarby met ongewone hevigheid gestreden werd. De Hollanders behielden de overhand; doch die gekocht werd met het bloed vanRobbertvanDrongelen, den oudsten zoon des mans, die hen tot den strijd had aangespoord.

De staat van zaken was echter met betrekking totHeusdende zelfde gebleven, toen in 1355Jan IIIoverleed, en zijn dochterJohanna, gade vanWenceslausvanLuxemburghem in ’t Hertogdom opvolgde. Naauwlijks echter waren de beide echtgenooten plechtig ingehuldigd, toen de Graaf vanVlaanderen, verbitterd, dat zy hem gelden onthielden, welke zy hem wettig schuldig waren, plotseling den vollen prijs eischte, waarvoor hy, tien jaren te voren, zijn recht opMechelenaan HertogJan IIIhad afgestaan, en die nog niet voldaan was. Vruchteloos waren alle onderhandelingen, tot vereffening van den twist gehouden. De krijg begon: de Vlamingen rukten, terwijlWenceslausteMaastrichtzijn tijd in werkeloosheid doorbracht,Brabantbinnen, vermeesterdenBrussel,Leuven, en een aantal andere plaatsen, en brachtenWenceslausop den rand des verderfs. De moed vanEvert ’Tserclaes, dieBrusselweêr verraste, deed de krijgkans keeren, en bracht eerlang geheelBrabantonder ’t gezach vanWenceslausterug. Niet te min bleef de Graaf vanVlaanderenden krijg met afgewisseld geluk voortzetten, tot partyen, het strijden moede, besloten hun geschil aan de bemiddeling van GraafWillem VvanHollandte onderwerpen. Met blijdschap nam deze het voorstel aan, zich daarby ten stelligsten voornemende, om in elk geval te zorgen, dat, welke der beide partyen zich ook over zijn uitspraak beklagen mocht, hy-zelf er wel byvaren zoû. Hy begon daarom met aanWenceslausden afstand vanHeusdenals voorwaarde te stellen, zonder welken hy zich niet met de zaak bemoeien wilde. Die eisch werd toegestaan: hy nam het ambt van middelaar aan, en, hoezeer de vrede, welken hy tot stand bracht, alles behalven eervol voor die vanBrabantwas, hy wees echterWenceslausMechelentoe, tegen allen schijn van billijkheid, en tot verbazing van hen, die hem niet hadden hooren zeggen tot den Hertog: »Heusdenmijn,Mechelendijn;” woorden die van dien tijd af tot een spreekwoord werden, dat zoo veel gold als: »de eene dienst is de andere waard.”

Nu wasHeusdenmetHollandvereenigd; maar ookWillemvanDrongelenmoest te vrede gesteld worden. Wel kwam het den Graaf niet in de gedachte, hem de Heerlijkheid-zelve in leen af te staan, welke hy liever voor zich behield; maar hy kon hem echter zijn aandeel in den zoo gemakkelijk verworven buit niet onthouden; en hy had te zorgen bovendien, dat voortaan alle geschil betreffende den wettigen eigendom vanHeusdenvoor goed uit ware. Hy schonk daarom aan de Heeren vanDrongelende Heerlijkheid vanEethenenMeeuwentot een Hollandsch erfleen, en steldeJanvanDrongelentot Baljuw vanZuid-Hollandaan, onder voorwaarden, dat zy van alle aanspraken op Stad, Slot en Heerlijkheid vanHeusdenvoor eeuwig afstand deden ten zijnen behoeve. Wat zouden deDrongelensdoen? Zy onderwierpen zich aan wat zy niet beletten konden. En dit was in hun geval wel hetwijste.

Nu dacht GraafWillemde rust der Heerlijkheid voor goed verzekerd te hebben!—en echter, geen drie jaren waren er verloopen, ofHeusdenmoest de ellende des oorlogs ondervinden. Wel waren het deze reize geene aanspraken op erf- of domeinrecht die den krijg ontstaken, maar de gevolgen van binnenlandsche verdeeldheid.Willem V, krankzinnig geworden, was van de regeering ontzet. Zijn broeder, HertogAelbrecht, had, Ruwaard geworden, de Kabeljauwschen van de bedieningen, die zy bekleedden, verstoken, en die aan de Hoekschen geschonken.Maar niet geduldig hadden de eerstgenoemden zich die vernedering getroost.HeemskerkriepKennemerlandin de wapens,Delftstond openlijk tegen den Ruwaard op, enFlorisvanBorselenbrachtZeelandin rep en roer.

Laatstgenoemde Edelman was doorWillem Vtot Burggraaf vanHeusdenaangesteld; hy maakte zich meester van het zegel en de papieren des Graven, en borg die met eenige kleinodiën op het slot. Daar werd hy door HertogAelbrechtbelegerd, en genoodzaakt zich by verdrag over te geven. Maar kort was de rust, welkeHeusdengenoot. Toen in ’t zelfde jaarDelftzich aan den Graaf moest onderwerpen, namen eenige Edelen, die den opstandelingen hulp hadden geboden, en waaronderGijsbertvanNyenrodeenJan Kervenagenoemd worden, de wijk naarHeusdenen verschansten zich op ’t slot. Op nieuw werd dit belegerd; doch zoo hardnekkig was de verdediging, datNyenrodeen de zijnen het een rond jaar tegen de macht vanAelbrechtuithielden. Toen werd er, door bemiddeling vanOttovanArkeleen zoen getroffen, en de belegerden in genade aangenomen, onder voorwaarde van binnen twee jaren naarJeruzalemin bedevaart te gaan.

Na ’t vermelden dezer gebeurtenis zwijgen de Kronijken een tijd lang overHeusden, of bepalen zich tot het gewagen van eenige handvesten, doorAelbrechtof door zijn opvolgerWillemvanBeyerenaan de stad geschonken, en van eenige stichtingen, aldaar door den tot Kastelein aangesteldenWillemvanKroonenburggedaan. By het uitbarsten van den twist tusschen HertogJanvanBeyerenen GravinJakoba, hieldHeusdende zijde des eerstgenoemden, als uit een handvest blijkt, door hem ten jare 1419 aan de stad geschonken; doch in ’t volgend jaar verscheenJakobamet haar krijgsvolk voor de stad. De inwoners, voor een storm beducht, openden haar de poorten; en zy vertoefde een tijd lang op het slot; haar verblijf gaf den kronijkschrijvers vanHeusdenstof tot gelijke verhalen, als door anderen ten opzichte van haar gevangenschap opTeylingenworden opgedischt;namelijk, dat zy gewoon was, goed te drinken, en alle kannetjens, na ze geledigd te hebben, over ’t hoofd in de slotgracht te werpen. Men weet, dat hieruit later het laffe volkssprookjen ontstaan, en zelfs doorWagenaaren andere deftige schrijvers nagepraat is, als zoude zy zich zelve onledig gehouden hebben met het fabriceeren van dergelijke kannetjens. Wat my betreft, ik geloof noch aan de eene noch aan de andere vertelling, althands zoo lang men daar geen beteren grond voor aanvoert, dan het vinden van aarden kannetjens in de grachten van kasteelen.

In 1446 werden de President of Stadhouder vanHolland,Gozewijn de Wilde, enFilip Banjaart, Kastelein van het slot teMedemblik, die elkander van een schandelijke wandaad beticht hadden, teHeusdengevangen gezet. De eerste werd naderhand teLoevesteinonthoofd, en de andere vrijgelaten.

SedertFilipsvanBourgondiënde Hertogskroon vanBrabanten de Gravenkroon vanHollandtevens droeg, kon er wel geen twijfel bestaan, ofHeusdenhem als zijn Heer erkennen moest, maar ontstond er van tijd tot tijd weder verschil, over de vraag, in welke hoedanigheid zulks geschiedde. Immers, toen GraafJanvanNassau, Heer vanBreda, na ’t overlijden vanDirkvanMerwededoorFilipstot kastelein vanHeusdenwerd aangesteld, brachten die vanHollandbezwaren daartegen in, op grond dat gemelde Graaf Drossaart vanBrabantwas, en die aanstelling schijnbaar te kennen gaf, datHeusdengerekend werd onderBrabantte behooren.Filipsbegreep zich echter aan die bezwaren niet te moeten stooren, maar gaf by besluit van 18 December 1447 aan die vanHeusdente kennen, dat zy GraveJanzouden hebben te gehoorzamen, zonder daaruit af te leiden dat zy meer aanBrabantdan aanHollandverbonden waren; terwijl hy de vraag, onder welke Souvereiniteit de plaats behoorde, geheel in ’t midden liet. Het vraagpunt bleef alzoo hangende, en, wat opmerking verdient, terwijl de Staten vanBrabantvoortdurend, ter gelegenheid der blijde inkomsten, hunne Vorsten lieten zweeren, dat zyHeusdenweder aanBrabantzouden hechten, lieten dievanHollandhen ter zelfder gelegenheid zweeren, dat zy het nooit vanHollandzouden scheiden.

In den Gelderschen oorlog, die in ’t jaar 1497 begon, had het platte land rondomHeusdenveel van de Gelderschen onder den OversteBoudewijnte lijden; doch die vanHeusdenversloegen hen tusschenHerpenHedikhuizen; by welke gelegenheid zy, hetgeen zeldzaam is, een grooter getal vyanden gevangen maakten dan zy zelve sterk waren.Boudewijnzelf sneuvelde te dier gelegenheid, en werd met meer Gelderschen begraven, ter plaatse, die sedert den naam vanBoukens-kerkhofdroeg. Men wil, dat het er daarna geweldig spookte, van waar nog lang de spreekwijze in zwang bleef: »’tSpookt alsBoukensgeest.”

Het was ook teHeusden, dat, op den 4enJuly 1524, een stilstand van wapenen tusschen de Gelderschen en Borgondiërs gesloten werd: en vijftien jaar later had de stad het voorrecht, KeizerKarel Vbinnen haar muren te begroeten, wien zy een zekere hoeveelheid Rijnwijn vereerde. Dan, in 1542 vertoonde zich een min welkome bezoeker voor de poort, en wel geen ander dan de gevreesdeMaartenvanRossum, die zich niet met een weinig Rijnwijn paaien liet, maar eerst tegen voldoening eener aanzienlijke geldsom weder aftrok.

Geen jaar meer duurde het echter, of al deNederlandenwaren onder KeizerKarelgebracht, en mochten zich een geruimen tijd in ’t genot eener zoete rust verheugen. Op den 24enSeptember 1549 was het wederom feest op het hooge slot teHeusden: de pektonnen brandden op de burchtpleinen: wimpels, banieren en feestlantaarnen werden uitgestoken van de tinnen: muziek en gezang weêrgalmden langs de straten, en blijde begroette de stad haar toekomstigen Heer, PrinsFilips, des Keizers zoon, die zijn aanstaande Nederlandsche onderdanen met een bezoek vereerde. Die hem toen als Kastelein-Drossaart de sleutels der stad aanbood was JonkerGerard SpieringhvanWel, uit het geslacht vanHeusdengesproten, en in 1533 in gemelde hoedanigheid opgevolgd aan JonkerWynand Maschareel.

ToenAlvain deNederlandenkwam, en alle vaste plaatsen door zijne troepen in bedwang werden gehouden, ontfingHeusdeneen bezetting Albaneesche ruiters, gemeenlijk Roodrokken genoemd, onderNicolaodeBasto, en werd de burgery met den last bezwaard, om hen van den noodigen leeftocht en voeragie te verzorgen. Reeds dit op zich-zelf was lastig en onaangenaam; doch nog minder te verdragen was de trots en moedwil dier woeste vreemdelingen, waarvan onder anderen drie burgers,Geraert Geraertsen van Ghesel,Jan BruerenHuybert Leendertsz Goudsmit, de slachtoffers werden, die op 24 Mei 1567 buiten de Oud-Heusdensche poort jammerlijk door eenige beschonken ruiters werden vermoord. Wel raakten de Heusdeners van die lastige gasten ontslagen; maar op den 17enJanuary 1569 bekwamen zyFrancisco Vargasmet een vendel Spanjaarts in hun plaats, die er insgelijks vrij onbehoorlijk huis hielden.

De Heusdensche kronijken brengen tot dat zelfde jaar 1569 een poging, door de anti-Spaansche party aangewend, omHeusdente verrassen. Op een tijdstip namelijk, dat er geen bezetting lag, trok deHopmanWaerdenburghmetJoost Hoeck(een uitgeweken Heusdenaar) en eenig volk de stad binnen: waarop de DrossaertSpieringh, bygenaamdQuaedtael, met eenige arbeidslieden op ’t kasteel weken. Hier werd hy doorWaardenburgbelegerd; doch toen deze het buskruit aan zijn volk uitdeelde, gebeurde het, dat door onvoorzichtigheid een brandende lont in een buskruitvaatjen viel, en een ontploffing veroorzaakte, ten gevolge waarvan niet alleen een menigte volks gekwetst raakte, maar ook schier het derde deel der stad afbrandde, benevens de Katharynekerk en ’t Raadhuis. De krygsbende, die uit nieuw geworven en saamgeraapt volk bestond, was door het gebeurde zoo ontsteld, dat zy uit de stad week, en om geen belegering meer dacht. Wel wist de Hopman hen te overreden om terug te keeren; doch na eenigen tijd toevens zag hy zich genoodzaakt,Heusdenweder te verlaten, op de aankomst vanJan Hol, opperste Ritmeester des Hertogen vanHolstein, die op 16 September met troepenuit’s Hertogenboschwas afgezonden. Hoewel als vriend teHeusdenontfangen, beäntwoordde hy het onthaal slecht, en plunderde de stad; terwijl ettelijken vanWaerdenburghsvolk door de zijnen achterhaald en gedood werden. Vier dagen later kwam de Hertog vanHolsteinzelf binnenHeusden, ontfing de inwoners in genade, en nam hun den eed van getrouwheid af, terwijl er voorts aldaar afwisselend Duitsche en Waalsche bezetting bleef.

Wy vermelden het feit, zoo als het door de kronijkschrijvers is opgegeven. Alleen mogen wy de opmerking maken, dat het jaartal ons apokryf voorkomt. Immers de eerste pogingen, doorOranje, GraafLodewijken anderen aangewend, om deNederlandenvanAlvaasjuk te bevrijden, waren in 1568 reeds verydeld geworden en werden—te lande namelijk—niet voor 1572 hernieuwd. In 1569 heerschte hier betrekkelijke rust, en een op zich zelf staande aanslag op een binnenstad alsHeusdenzou belachlijk zijn geweest, en tot niets hebben kunnen leiden. De gebeurtenis moet dus of veel vroeger plaats gehad en in verband gestaan hebben met den inval, doorHoogstratenenKuilenburginGelderlandbeproefd:—of later, na 1572: welk laatste men schier zoude aannemen, omdatSpieringhvanWel, genaamdQuaedtael, eerst in 1571 zijn vader als Kastelein-Drossaart opvolgde. Waarschijnlijk heeft het verbranden van het Stadhuis, met de aldaar bewaarde registers en archieven, de verwarring in de opgave van het jaartal veroorzaakt.

Nog sluit zich aan het hier gegeven verhaal een ander, ’t welk wy elders vinden, en waarin vermeld wordt, hoeJoost Hoecken de Heusdeners, die met hem uitgeweken waren, zich dapper weerden by ’t beleg vanBommeneede; doch, by ’t innemen der stad door de Spaanschen op den 25 October 1575, met de overige bezettelingen om ’t leven werden gebracht.

Het was ook aan een afstammeling uit het geslacht vanHeusden, datWalcherenzijn bevrijding van ’t Spaansche juk te danken had, en wel aanJanvanKuik, Heer vanHerp, die in 1571Vlissingentot ’s Prinsen zijde deed overslaan;voor welke kloeke daad hy later met de HeerlijkheidDomburgbeleend werd.

Eerst in 1577 werdHeusden, ten gevolge der Pacifikatie vanGent, van vreemde bezetting ontslagen. Kort daarna trokken de Kastelein-Drossaart en de Schout naarBrabantmetter woon, en werd in de plaats van eerstgemelde aangesteld JonkerJohan Bax, een der leden uit dat geslacht van krijgshelden, zoo beroemd in onze militaire oirkonden. Reeds twee jaren daarna werd hem gelegenheid verschaft, zijn wakkerheid te toonen, toenParma, na ’t innemen vanMaastricht,Valdezafzond omHeusdente verrassen. Reeds had hy geduchte toebereidselen gemaakt ter belegering; en de pogingen, doorBaxgedaan, om het omliggende land onder water te zetten, werden verydeld door den lagen stand der rivier, toen ergelukkigeen stormwind opstak, die het water tot een verbazende hoogte rijzen deed, zoodat de dijk buiten de Herpsche poort doorbrak, en de vyand genoeg te doen had om het instroomende water door een snelle vlucht te ontkomen.

Hoezeer, als wy gezien hebben, de stad in 1577 de Pacifikatie aannam, bleef de Roomsche Godsdienst nog een tijd lang de heerschende en werd de Hervormde leer alleen op ’t kasteel gepredikt. In ’t jaar 1579 echter werden, voornamelijk door toedoen van eenige naarHeusdengeweken Bosschenaars, de beelden en andere voorwerpen van eeredienst uit de kerken genomen, en de nieuwe leer zonder opschudding ingevoerd.

In 1588 leedHeusdenwederom last; doch deze reis niet van een vyand van buiten.Leycesterhad de stad met een zware bezetting voorzien, onder bevel vanChristoffelvanYsselstein. De wanbetaling der soldij bracht hier, gelijk in vele andere steden, de troepen aan ’t muiten: de stadsregeering werd op het raadhuis gevangen gezet, enYsselsteinzelf op ’t kasteel belegerd. Het oproer duurde van 31 January tot 23 Maart, toen hetNikolaas Blanckaert, die in 1584 aanBaxals Kastelein-Drossaart was opgevolgd, en den BurgemeesterDierck Hamel Dierckszgelukte, de rust te herstellen.

Sedert er voortdurend Staatsche bezetting binnenHeusdenlag, onthield zich de Drossaart niet langer op ’t kasteel, maar liet, waarschijnlijk om alle konflikt van gezach te vermijden, het verblijf aldaar over aan den Kommandant.KarelvanLevin, Heer vanFamars, hadYsselsteinals zoodanig vervangen, toen GraafKarelvanMansveldzich in 1589 aan ’t hoofd van een aanzienlijk leger voor de stad vertoonde en haar in ’s Konings naam opeischte. De bezetting was op dat tijdstip zwak, enFamarsdrong by PrinsMauritsaan op versterking. Deze voldeed gereedelijk aan het verzoek, en liet, niet ver vanHedikhuizen, eenige benden over deMaasvoeren; maar nu kwam het er nog op aan, hoe men die binnen de stad zoû brengen, welke reeds door den vyand was ingesloten. Het eenige middel daartoe was, zich, met de wapens in de vuist, een weg door de Spaanschen en hun verschansingen heen te banen: dit werd beproefd, en, hoezeer niet dan na een hardnekkig gevecht, en verlies van vrij wat volk, met een gewenschten uitslag bekroond. De plaats, waar dit gevecht voorviel, bewaart nog in haar naam het aandenken van dezen strijd, en heet deSpanjaartsslag. Vijf maanden en twee dagen stond de stad het beleg door, zich alleen tot verdediging bepalende, daar de rondom liggende schansen teDoeveren,ElshoutenHemertalle door den vyand bemachtigd waren; doch toen kwamen de winter en vooral het wassende water den Staatschen te hulp, zoodat de troepen vanMansveldzich niet alleen gedwongen zagen van allen verderen aanval af te zien, maar zelfs het beleg op te breken. De schansen, door hen bezet, werden in ’t volgende jaar doorMauritsingenomen.

Een aandoenlijke plechtigheid viel op den 20enOktober 1603 teHeusdenvoor: namelijk de begrafenis van den wakkeren en beweenden krijgsoversteOliviervan denTempel, Heer vanCorbecke, die voor’s Hertogenboschdoor een kanonschot van ’t leven was beroofd geworden. Het lichaam werd met groote staatsie in de Groote kerk ter aarde besteld, en de laatste eer aan den overledene bewezen door PrinsMaurits, GraveWillemvanNassau,den Vorst vanAnholt, en een aanzienlijk getal krijgshoofden en voorname Heeren.

Op den 6enSeptember 1614 had een zware doorbraak plaats, door welke al de steenwerken buiten de Wijksche poort wegspoelden. In 1623 zond de LandvoogdesIzabellaheimelijk zekeren Priester,MichielvanOphovengenaamd, Prior der Preekheeren teAntwerpen, totWillem AdriaanvanHoorne, Heer vanKessel, destijds Gouverneur der stad, met belofte, dat, indien hyHeusdenin hare handen leverde, zy hem den tytel van Graaf vanHoorne, de ridderorde van ’t Gulden Vlies, en een aanzienlijke geldsom zou verstrekken, alsmede zijn kinderen tot hoogen rang verheffen.Kessel, dit voorstel gehoord hebbende, wees het met fierheid van de hand, zeggende, dat hy om al de schatten des Konings vanSpanjegeen verrader worden zoû; terwijl hy voorts den Prior aanzeide, dat hy zijn gevangen blijven moest. Werkelijk werd dan ookOphovennaarden Hagegezonden, waar hy ruim anderhalf jaar op de voorpoort gevangen zat, en toen werd uitgewisseld. Hy werd later Bisschop van’s Hertogenbosch, en bleef zulks tot aan de verovering dier stad doorFrederik Hendrik.

Gedurende het beleg vanBredadoorSpinola, in de jaren 1624 en 1625, werden in de naaste grensvestingen Bezettingen gelegd, uit vrijwilligers van de Burgeryen: en zoo viel aan die vanHaarlemen aan eenige Hagenaars het lot te beurt, inHeusdengelegerd te worden. Deze bezettelingen waren aangevoerd doorJan Klaasz. Loo, Burgemeester vanHaarlem, als Kolonel. Hun optocht werd, nevens een gezicht op de stadHeusden, in ’t koper gebracht door den beroemdenMatham.

Gedurende het beleg van’s Hertogenbosch, in den jare 1629, werden nogmaals teHeusdentwee voor die stad gevallen krijgshelden begraven: de een was de RitmeesterNikolaas Smeetsing, die zes-en-dertig jaren den Lande gediend, het Luitenant Gouverneurschap over de steden vanOverysselvoor den Prins vanOranje, en het Voorzitterschap van den krijgsraad bekleed had.Zijn lichaam, geleid door den Vorst vanNassau, de GravenErnstenWillemvanNassau, en andere Legerhoofden, werd in Mei van genoemd jaar in ’t zelfde graf gelegd, waarinOliviervan denTempelbegraven was.—De andere was de KolonelLouisdeLevin, Heer vanFamars, zoon van den reeds genoemdenCharlesdeLevin, en broeder vanFilipsdeLevin, die beiden Gouverneurs vanHeusdenwaren geweest. Onder ’t doen eener ronde in den rug door een kogel getroffen, was hy in de zelfde nacht overleden. Zijn lijk werd tot buiten het leger vergezelschapt door den Prins vanOranje, den Koning vanBohemen, en de meeste krijgsoversten.

Meer dan ooit in den loop van dertig jaren werd de stad door hevige pestkoortsen aangetast: de eerste reis in 1624 en 25, toen er wekelijks van twintig tot dertig menschen stierven: de tweede in 1634–35, en de derde reis in 1664.

In den jare 1666 sloeg de bliksem in den hoogen burchttoren, doch werd gebluscht, tot groot geluk voor de inwoners, aangezien het kruitmagazijn daar onder was, en door het openslaan der deuren groot gevaar liep. Wy zullen zoo aanstonds zien, dat deze waarschuwing, die aanleiding tot het nemen van betere voorzorgen had moeten geven, geheel vruchteloos bleef.

Het verdient opmerking, datHeusden, nadat het Staatsch geworden was, noch in den oorlog tegenSpanje, noch in dien tegenFrankrijkgevoerd, het lot ondervond, dat byna alle andere grenssteden en zoovele landsteden te beurt viel, van namelijk in handen van den vyand te geraken, en dat alle daartoe aangewende pogingen vruchteloos afliepen. Merkwaardig vooral was dit in den jare 1672, toen, by de algemeene flaauwhartigheid der ingezetenen, schier alle rondomHeusdengelegen plaatsen door de Franschen bezet waren geworden. Op zekeren Zondag van gemeld jaar was een troep van ongeveer tachtig man, die een toeleg opHeusdenin den zin had, in ’t dorpBaartwykgekomen, dat ongeveer een uur gaands van daar gelegen is. Zy vroegen eenen huisman den weg naar de stad, hem daarby te kennengevende, dat zy onderricht waren, voorby zekere schans te moeten trekken, waarmede zy de Elswoutsche schans bedoelden, langs welke zy overOud-Heusdenwellicht ongemerkt in de stad hadden kunnen komen. De boer echter, ’t zij uit misverstand, ’t zij met opzet, wees hun den weg aan door deBaartwyksche steegop het dorpDoeveren, waar mede een schans lag, toen geslecht, en zoo totHeesbeen. Hier gekomen, zonden zy twee trompetters naar de stad, die, voor de Wijksche poort gekomen,Heusdenin naam des Konings opeischten. Maar de sergeant, die er toen de wacht had, gaf hun dit moedig bescheid, dat er kruid en lood genoeg binnen de stad was, om hun eisch voeglijk te beäntwoorden, waarna hy hen verjaagde, de valbrug liet ophalen, en de poort sluiten. De gandsche stad geraakte in de wapenen: de schuttery wedyverde met de bezettelingen in yver: het geschut werd op den wal geplaatst, en de vyanden, hun toeleg mislukt ziende, dropen af met schande. Intusschen deed het gebeurde de aandacht der Staten opHeusdenvestigen, en werd het Gouverneurschap over die stad, ’t welk sedert 1663 door den Heer vanSchagen, by wijze vansinecure, bekleed was geworden, aan den VeldmaarschalkPaulus Würtzopgedragen, die er een tijdlang in persoon aanwezig bleef.

Het was omtrent dezen zelfden tijd, dat zekere Heusdenaar,Jan Beensgenaamd, zich voor eenig werk buiten de stad begeven moest. Een vuurroer om den schouder gehangen hebbende, toog hy de poort uit, toen hy, teHeesbeengekomen, Fransche soldaten bespeurde. Hen willende ontwijken, sloeg hy een pad in, dat hem naarGenderenbrengen moest; doch in de zoogenaamdeGroensteeggekomen, reed hem een Fransch ruiter te gemoet, die hem reeds van verre toeschreeuwde, dat hy staan moest en zich gevangen geven. Hiertoe wilde echterJan Beensniet besluiten, die naar een hek terug week en zich daarachter verborg. De Franschman naderde, greep zijn karabijn, en loste die opJan Beens, maar trof alleen eene der hekstijlen, waarop de Heusdenaar, zijn kans waarnemende, met zijn snaphaan op den ruiteraanlegde, hem van ’t paard deed tuimelen, overweldigde, gevangen nam, en met paard en rusting, tot aller verwondering, binnenHeusdenvoerde.

De moed, door de Heusdenaars betoond, en de sterkte der plaats, hadden waarschijnlijk aan de Franschen de lust ontnomen een nieuwen aanval te beproeven, en de stad leed dan ook minder dan andere van de rampen van den krijg.

Maar van droeviger gevolg dan het onweer van 1666 was een onweer dat op den 24enJuly des jaars 1680 bovenHeusdenlosbarstte, wanneer de bliksem andermaal in den grooten achtkantigen toren sloeg. Het buskruit, dat daaronder in diepe gewelven bewaard werd, geraakte in vlam, en de toren niet alleen, maar het grootste gedeelte des kasteels, van zijn grondvesten afgerukt, sprong met een schrikkelijken slag uit elkander. Verscheiden huizen in de nabyheid werden door dien schok het onderst boven gesmeten; in velen daarvan vond men vijf tot zes dooden, jammerlijk omgekomen onder ’t puin hunner verbrijzelde woningen. Slechts enkelen, onder de opgerukte steenen gered, doch meest deerlijk gekwetst en gekneusd, behielden ’t leven. Het jammer, de schade en de ellende waren groot; want van de geheele straat, omtrent het kasteel gelegen, was byna niet een huis overeind gebleven. De plaats, waar de kruittoren gestaan had, was veranderd in een diepen kolk, vol zwart water, ’t welk, door het geweld des poeders beroerd, al borrelende scheen te koken. En toch, hoe ijsselijk de verwoesting was, nog moest men het gelukkig noemen, dat het losgebarsten buspoeder zijn meeste uitwerking van de stadszijde af en buitenwaart gedaan had: dewijl anders de stad eenalgeheelevernieling zou hebben ondergaan.

AanWillem Adriaan, Grave vanHornes, dieWürtzals Gouverneur vervangen had, volgde in 1688DanieldeTafindeTorsay. Tijdens diens bestuur werd de stad door het aanleggen van sterke beeren en schutsluizen tegen overstrooming beveiligd, en nieuwe vestingwerken aangelegd, terwijl een der torens totkruitmagazijn werd ingericht. Na het overlijden vanTafin, in 1709, werdJohan TheodoorBaron vanFriesheimtot Gouverneur aangesteld, welke betrekking hy in 1723 tegen die van Gouverneur van’s Hertogenboschverwisselde. Hem vervingen achtereenvolgends in ’t zelfde jaarJacob Harduïn PalmenStatius FilipGrave totBenthem.

De stadHeusden, die, by de vestiging van het Gemeenebest, op de Dagvaarten beschreven werd en teekende vóorPurmerend, had zich, even als vele andere kleinere Steden, dit recht—waarvan de uitoefening met geen geringe kosten gepaard ging—van lieverlede laten ontnemen. Ten tijde der troebelen van 1787 deed zy echter deze aanspraken weder gelden, ’t welk de toenmalige Staten niet weinig in verlegenheid bracht, om het voorbeeld, dat hierdoor aan andere kleine Steden zou gegeven worden. De zaak werd slepende gehouden, en weldra deden gewichtige gebeurtenissen het geheele vraagpunt van zelf vervallen. De oorlog tegenFrankrijkwas uitgebarsten. De Franschen, in 1793 in ons Land gevallen, haddenBredaenGeertruidenbergveroverd, en eischten nu ookHeusdenop. Die eisch werd echter afgeslagen, daar de stad zich in genoegzamen staat van tegenweer bevond. De vestingwerken toch waren sterk, de schansen teDoeverenenHemertin goede orde, en de Bezetting boven de 2000 man sterk. De Erfprins vanOranje(later KoningWillem I) kwam zelf in de nacht van 10 Maart teHeusdenzijn hoofdkwartier vestigen, doch bleef er niet lang, en werd door zijn broederFrederikvervangen.

Misten de Franschen te dier gelegenheid hun kans, in ’t volgende jaar waren zy voorspoediger: zy hadden op 9 Oktoberden Boschovermeesterd, en men was teHeusdenhun aanval verwachtende; weshalve men, ter meerdere bevestiging, een doorsnijding in den hoogen Maasdijk teHedikhuizengemaakt had. Inmiddels was de gemeenschap metHolland, door de omHeusdenzwervende of gelegerde Franschen, afgesneden; de vorst viel met buitengewone strengheid in, en de middelen tot verdediging werden hierdoorgrootendeels verzwakt.Van Liesvelt, die het bevel over de bezetting voerde, ziende, dat het ijs de onder-water-zetting nutteloos maakte, gelastte den burgeren, gezamentlijk met zijn krijgsvolk, de stadsgrachten en deMaasopen te houden, waarmede, den 28stenDecember, door veertig burgers tevens, een aanvang werd gemaakt. Het leed tot in het begin van January 1795, dat de bezetting in ’t ongewisse bleef, of de vyand het inderdaad opHeusdengemunt had. Dan op den vijfden dier maand deed de GeneraalDaendelsde vesting opeischen, met bedreiging van storm te zullen loopen indien men niet gewillig de poorten voor hem openstelde. Zelfs liet hy aan een hem toegezonden officier zijn gemaakte voorbereidselen zien, ten bewijze, dat zijn dreigen geen ijdele grootspraak was. Niettemin sloeg men den eisch af: waarop het beschieten der stad op den negenden een aanvang nam, en tot den twaalfden voortduurde. De stad werd nogmaals opgeëischt: de Kommandant, na zich nevens zijn volk verbonden te hebben, in geen jaar en zes weken tegen de Franschen te zullen dienen, verkreeg een vrijen uittocht, met achterlating van een verbazenden voorraad krijgs- en mondbehoeften, welkeDaendelsin handen vielen.

Onder het bewind vanNapoleonlagen er veteranen in bezetting teHeusden, die in 1813, op het gerucht van de aannadering der Pruissen, de stad verlieten. Naauwlijks waren zy de Herptsche poort uitgetrokken of de Pruissen rukten die binnen. Nu scheenHeusdeneensklaps uit den doodslaap, waarin het gedurende achttien jaren was verzonken geweest, herrezen, en in een wapenplaats herschapen te zijn. Duizenden van Russen en Pruissen stroomden er beurtelings in en uit, en de GeneraalBulowhad er een tijd lang zijn hoofdkwartier.

Maar weldra zou de tijd aanbreken, datHeusdenuit den rij vanNeêrlandssterke plaatsen verdwijnen moest. In 1821 werd de stad ontmanteld, de bolwerken en ravelijnen aan partikulieren verhuurd en tot warmoeziersland aangelegd. Alleen bleef er nog een kazerne bestaan, die in 1837 belangrijke herstellingenonderging: voorts een arsenaal en artillerieloods; terwijl een nieuwe affuitloods op het Burchtplein gebouwd werd. De eenig overgebleven zijtoren en de kelders van het oude slot werden tot een bomvrij kruitmagazijn ingericht, en vertoonen zich thands nog als een vierkant gevaarte zonder kap, maar met zware muren en diepe gewelven; terwijl het plein, daarnevens, met iepenboomen bezet, een fraaie wandeling oplevert.

1Voorkomende in den Muzen Almanak van 1821, pag. 149.2Namelijk vanJanVIII die regeerde, toenHeeluschreef; wantAernout, broeder vanJanVII, was geenklerk.3De zin is: »die liever zich (genoten) vereenigd hadden, dan den Heer vanHeusdente vangen.4Die vanHeusdennamelijk.

1Voorkomende in den Muzen Almanak van 1821, pag. 149.

2Namelijk vanJanVIII die regeerde, toenHeeluschreef; wantAernout, broeder vanJanVII, was geenklerk.

3De zin is: »die liever zich (genoten) vereenigd hadden, dan den Heer vanHeusdente vangen.

4Die vanHeusdennamelijk.


Back to IndexNext