Het Kasteel van Montfoort.GodfriedvanRhenen, Bisschop vanUtrecht, was geen man des vredes; zijne regeering (1156–1178) is ten minste een aaneenschakeling van oorlogen te noemen. Even fier van moed, als reusachtig van lichaam1, gaf hy het den belagers van het bloeiende Sticht, die hy zoowel onder zijne vasallen als onder zijne naburen vond, volstrekt niet gewonnen; en om het aan zijne zorg toevertrouwde gewest beter te kunnen beveiligen, onderzocht hy met een scherp oog naar de zwakste plaatsen, waarlangs den vijand het indringen gemakkelijk viel, en deed er sterkten bouwen, die by den eersten aanval niet licht zouden bezwijken. Om de muitzieke Edelen vanAemstelin bedwang te houden, stichtte hy een kasteel teWoerden. Om de Friesche grenzen te dekken, deed hy er een teVollenhovenbouwen; en tegen de Gelderschen richtte hy byRhenenhet geduchte kasteelter Horstop. Hy had echter een te goeden blik in den toestand des lands geworpen, om niet te zien, dat de verdedigingsmaatregel nog slechts ten deele was uitgevoerd, zoolang de Hollandsche zijde niet gesloten werd. De geschiktste plaats hiertoe scheen hem de landstreek beöostenOudewater, aan den linkerYssel-oever, tegenover hetYssel-veld, en slechts drie uren van zijn zetelstad verwijderd; hier verrees dan omstreeks 1174 op zijnenlast het sterke slot, dat, zoo men wil, door hemMons fortiswerd genoemd, maar waarvan zeker is, dat het weldra onder den naam vanMontfoertofMontfoortbekend staat.Het slot te Montfoort.Het slot te Montfoort.Ongetwijfeld werd dit kasteel terstond na zijne voltooiïng in handen gesteld van een Burchtvoogd of Kastelein, aan het hoofd eener genoegzame bezetting, om de invallen en strooperijen der Hollanders af te weeren en te keer te gaan. Van deze Kasteleins, die spoedig den tytel van Burchtgraaf verkregen, wordt echter met name geen melding gemaakt voor 1227, wanneer wyEveraertBurchtgraaf vanMontfoortvinden, die tot wapen voerde een schaakbord, met ruiten van zilver en sabel of zwart, blijkends het zegel, dat hy als getuige aan een brief van BisschopOttovan derLippehing. Vervolgends wordt er gewach gemaakt van eenenWillem, zonder bepaling of hy tot het geslacht zijns voorgangers behoorde, en daarna, in een brief van BisschopHenricden Eerste, 1260, van den BurchtgraafWouter,Geraertszone uit den huize van derGoude.Dan trekken de nevelen der onzekerheid allengs wech, en treden de handelende personen op het tooneel der gebeurtenissen in een meer helder licht ons voor het oog.BisschopJohanvanNassau, die van 1267 tot 12882regeerde, was een goedhartig mensch, maar een volstrekt ongeschikt regent. Een kerkelijk historieschrijver heeft de geschiedenis van dat bestuur zeer zakelijk en naar waarheid samengevat in deze regelen:»Geduurende al den tijd van zijne regeeringe is ’t er zeer holbollig in het Bisdom toegegaan. De regeering van ’t gemeenebeste is tenemaal t’onderste boven gekeert; de edelen en groote Heeren zijn ter stede uytgejaagt; de Regenten en de Magistraat van toen af, en zederd altijd, uyt het gemeene volk gekozen;ambachtsgilden ingestelt, die zedert het opzigt over de stad en de Majestraat gehad hebben; ja het zegel zelf van de stad is verandert geweest.”Trouwens—er was een vaste hand noodig in die dagen, toen by het volk besef van natuurlijke rechten begon te ontwaken, de steeds naar macht grijpende Adel, dat volstrekt zocht te onderdrukken, en de Vorst, in het midden der soms in den volsten zin des woords strijdende partijen geplaatst, tegen de aanmatiging des laatsten de rechten van het eerste steunde—om er dikwijlszelf, het zij reeds in zich, het zij eerst in zijne nakomelingen, het slachtoffer van te worden.Eener ongeschikte regeering mangelt het gewoonlijk aan geld. Zoo ging het ook BisschopJohan; en by een der maatregelen tot voorziening hierin, verpandde hy twee Stichtsche kasteelen, het slotVreelanden dat vanMontfoort, welks Burchtgraaf overleden was, aan twee met elkander zeer bevriende en voor hunnen Leenheer allergevaarlijkste vasallen van het Bisdom:GijsbrechtvanAemstel, enHermanvanWoerden. Het onvoorzichtige dezer handelwijze kwam weldra ten duidelijkste aan den dag, toenGijsbrechtbyVreelandeen tol hief, tot groot bezwaar der handeldrijvende Stichtenaren. Wel bood de Bisschop, door de zijnen hierover zeker niet weinig lastig gevallen, terstond de teruggave der pandpenningen aan—maar hier had de Aemstellander geen ooren naar; en toen de getergde Bisschop in ’t eind de wapenen opvattede, om den valschen Leenman te tuchtigen, riep deze de hulp van zijn waardigen bondgenoot, den nieuwen Burchtgraaf vanMontfoortin.HermanvanWoerdensammelde niet lang, en kwam met eene aanzienlijke krijgsbendeAemstelsleger versterken, waarop zy, aldus toegerust, samen den Bisschop, by denSoestereng, tegentrokken.Gijsbrecht, aan het hoofd van den voortocht, leed eene geduchte nederlaag, en velen der zijnen werden gevangen of verslagen; maarWoerden, daarop met zijne versche benden uitHollandaanrukkende, keerde weldra de kans van den strijd ten nadeele der Bisschoppelijken. OfschoonWoerdenreeds in den eersten aanval zwaar gekwetst werd, verdedigde hy zich evenwel nog »vromelic”; en zijne krijgers, zijn voorbeeld volgende, en verbitterd wellicht over het ongeval huns aanvoerders, gaven zijnen vijanden de nederlaag: BisschopJohanverliet in haaste het veld, met verlies van vele kloeke strijders, waaronder vooralStevenenFrederykvanZuylenmoeten hebben uitgemunt, en bergde zich binnenAmersfoort.In het pijnlijk gevoel zijner onmacht riep hy toen den strijdbaren Hollander, GraafFlorisden Vijfde, te hulp; en het bleek, dat hy thands ten minste eene goede keuze gedaan had.Floriszond den beiden Edelen een ontzegbrief, en rukte spoedig voorVreeland; zijne moedige Zeeuwen, onderCostijnvanRenesse, sloegen den tot ontzet aangesneldenGijsbrechtgeheel, en namen hem zelfs gevangen;ArentvanAemstelzag zich toen genoodzaakt tot de overgave vanVreeland, enFloris, na het kasteel van eene Hollandsche bezetting voorzien te hebben, sloeg den weg in naarMontfoort.Hier hadHermanvanWoerdenhem niet afgewacht. ’s Graven krijgsmacht duchtende, had hy het kasteel versterkt en van manschap en leeftocht wel voorzien, maar was toen ook uit het land geweken, om veilig het einde te kunnen afwachten. De »magnelen ende andere instrumenten omme dat slot dair mede te que tsen ende te vernielen”3, die reeds voorVreelandhadden gediend, werden ongetwijfeld ook voorMontfoortgebezigd, want de Graaf deed byna daaglijks storm blazen en den muur beuken. Toen bleek het, datGodfriedvanRhenengoede bouwmeesters in ’t werk gesteld, en te gelijk, datHermanvanWoerdenzijne ongerechte zaak toch aan goede handen toevertrouwd had: byna een jaar lang boden de belegerden een moedigen en hardnekkigen tegenstand aan het staal der grafelijke wapenknechten, even als de muren van het kasteel aan blyde en stormram. Telkensvinniger trokken de Hollanders, by het schetteren der klaroenen, by het kraken en dreunen hunner geschut- en beukwerktuigen, ten storm; sloegen hunne ladders aan de wallen, en stegen by hoopen onder beschutting van het schilddak op—telkens werden zy met bebloede koppen te rug geworpen. Toch besliste eindelijk de overmacht: meer verbitterd dan ontmoedigd herhalen zy eenmaal weder den aanval; de verdedigers, misschien lijdende onder vermindering van leeftocht, blijken zwakker, deinzen, en—»Holland! Holland!” is de zegekreet, die binnenMontfoortswallen den val vermeld der burchtzaten, waarvan de meesten een beter lot verdiend hadden dan zy ondergingen: de bestormers, aan de hitte hunner strijdlust toegevende, velden hen allen op slechts twee na. Dus viel de bontgekleurde banier vanWoerden, die zich boven het roode kruis des Bisschops verheven had, en de klimmende liebaart vanHollandZag fier van de transen langs d’Yssel-boord rond:want de Graaf, het kasteel met den zwaarde gewonnen hebbende, deed het door zijne eigene wapentuurs bezetten. Er bestaat verschil omtrent de opgave van den tijd dezer gebeurtenissen; maar wanneer men alles naauwkeurig nagaat, moeten zy ongeveer in den nazomer van 1279, en in den voorzomer van 1280 hebben plaats gehad.Na de verzoening, tusschen den Bisschop en den Grave eenerzijds, en deAemstellaers4ter anderer zijde, op den 27enOktober 1285 tot stand gekomen, werden de veroverde kasteelen te rug gegeven, en kwamMontfoortalzoo weder in handen van den Bisschop.Tijdens deze voorvallen bevond zich onder de Edelen die GraafFlorisomringden een Brabantsch Ridder,HenricvanRodenofRoyen, jonger zoon uit het geslacht der Graven vanRoden, en om manslag uit zijn vaderland gevlucht. Hy moet de zelfde zijn, die in een brief van 1296Henricde Rover genoemd wordt, waarschijnlijk ten gevolge eener kwade lezing: eene andere opvatting is hier niet mooglijk, en een latereHenricvan dien naam, kleinzoon van BurchtgraafSwederden Eerste, zal wel aanleiding tot deze verwarring hebben gegeven.De zaak van den manslag droeg zich op volgende wijze toe. Terwijl HeerHenricvanRodenzich nog inBrabantbevond, stierf daar zijn oudste broeder, nalatende twee dochters, beide in den geest des tijds zeer vrome Jonkvrouwen, die hun vaderlijk erfgoed voor een groot deel aan godsdienstige doeleinden besteedden. Zoo stichtten zy drie halve Kanunnikdijen: teRoden, teHilvarenbeec, en teOirschot; begiftigden er elken Kanunnik met 100 Fransche schilden, en den Deken in elk der Kerken met 200 oude schilden. Dit alles ergerde op ’t hoogst HeerHenric, die haar erf-oom was, en, minder een vriend der geestelijken, de goederen der Heerlijkheid ongaarne zoo aanmerkelijk zag krimpen. Hy verbond zich met andere verwanten en eenige vrienden in de Meiery tot verzet; en de twist, daardoor ontstaan, werd zoo handdadig, dat er eenmaal twee Kanunniken het leven by inschoten. Het gevolg daarvan was, dat de heftige Ridder en de zijnen moesten vluchten, en huns levens lang ballingen vanBrabantblijven: sommigen begaven zich naarVlaanderen, en verbleven teBrugge, hy-zelf week naarHolland, en begaf zich tot GraafFlorisden Vijfde, by wien hy een goede ontfangst genoot. Ook schijnt hy er zich verdienstelijk te hebben gemaakt: ten minste het jammerde den Graaf, dat zoo fier een Heer van eigendommen en inkomen verstoken moest zijn; en toen de Stichtsche zaken in 1285 ten einde waren gebracht, vond hy eenige jaren later juist daarin eene geschikte gelegenheid om hem te helpen, op eene wijze, den Edelman waardig.De jongste dochter van den Burchtgraaf, die vóorHermanvanWoerdenMontfoortbezeten had, was nog in leven, en dewaardigheid heurs overledenen vaders onvervuld. GraafFloriswendde zich daarop tot BisschopJohanvanSyric, en wist door zijne voorspraak te bewerken, dat HeerHenricvanRodende hand der verweesde Jonkvrouwe vanMontfoortbekwam, en daarby tevens het Burchtgraafschap, op gelijke wijze en voorwaarde, als dit voorheen door haren vader en HeerHermanbezeten was geweest. De Bisschop verstond misschien daardoor: als gewoon-,Henricechter als erfleen, schoon ’t niet blijkt, dat een van beide zich daarover verklaard heeft.Die onvolledigheid in den verlijbrief: »alsoo vry als haer vader, ofte HeerHermanvanWoerdenoyt geweest hadde,” gaf evenwel aanleiding tot eene botsing metJohansopvolgerWillemvanMechelen, die zoo hoog liep, dat het in den aanvang van 1297 noodzakelijk werd geacht om er een einde aan te maken. Het moet gezegd, dat de Bisschop daarby hoogst onpartijdig te werk ging: hy kende zich het recht toe, om den Burchtgraaf te ontzetten en hem te doen vervangen wanneer hy zulks goed dacht; de Burchtgraaf hield daarentegen vast, dat hy zich Erf-Borchman op het Slot teMontfoortwist, en dat de goederen, tot het huis behoorende, zijn Erf-borch-leen uitmaakten, altoos, gelijk hy erkende, in dienst van het Sticht. Hy eischte daarom een dag, om zijne zaak voor goede Stichts-mannen te brengen. De Bisschop stemde hier in als naar goed recht toe, en beide beloofden zich aan de uitspraak onvoorwaardelijk te onderwerpen.Vrijdag voor Maria-Lichtmis, 1297, op het bestemde uur, verscheen de Burchtgraaf met zijne vrienden in de zaal van het Bisschoppelijk paleis teUtrecht, waar hy met den Bisschop ook de RiddersHubrechtvanBosinchen,GhysebrechtvanSchalcwijc,GhysebrechtutenGoye,HubrechtvanVyanen, enLambrechtde Frese vond, benevens de HeerenJacobvanLichtenberch,Herman TeutelaerenGhysebrecht Pellencussen, Schepenen der Stede, allen Sint-Maartens-mannen, die het verschil zouden beöordeelen en slechten. Beide partijen zetteden vervolgends hunne aanspraken uit een, en de Rechtzitters, hetgebrek aan bescheiden ziende, vonnisden: dat, wanneer de Burchtgraaf en nog twee Leenmannen van het Sticht, der zake kundig, met eede de wettigheid van zijn erfrecht op kasteel en goederen konden bevestigen, hy voor zich en zijne nakomelingen, in het rustig bezit daarvan blijven moest. Toen legde HeerHenricmet zijne getuigen de hand op een voorgebracht reliekkistjen, en deed den gevorderden eed, waarop zijn recht door allen werd erkend, en hy, ten bewijze daarvan, eene door den Bisschop en de Rechtzitters gezegelde oirconde ontfing.Hy bracht daarna den geslachtsnaam zijner gemalin op zijn oudsten zoon over, en kwartileerde zijn eigen wapenschild, bestaande uit een zilveren veld, beladen met drie molenijzers van keel, met dat van graafschap; de jongste zoon daarentegen behield den geslachtsnaam vanRoyen, en voerde op het zilveren veld een enkel molenijzer van keel.5In 1300 was BurchtgraafHenricniet meer in leven, en teMontfoortheerschte zijn oudste zoonSweder. Deze, zegt men, huwde met eene Jonkvrouwe vanHolland; maar het proza der geschiedenis wordt hier zoo ruw, dat wy ons gelukkig rekenen, het te kunnen verwisselen voor de poëzy der sage, die dus luidt:Een dochter van Holland.—»Gy Heeren! maakt u reê ten tocht,”»Wy zoekenHollandweer.”Zoo sprak in ’t hof vanEngelandGraafWillemsEdele Gezant,Volyvrig voor zijn Heer.Maar ijlings trad, met biddend oog,Een jonker hem ter zij.Die droeg in ’t oog een vurig hart;Een wapen, wit en rood en zwart,Gestikt op zijn kleedij.—»Ter wille van uw Edelvrouw»Die gy in ’t hart vereert—»Twee enkle dagen nog getoefd,”Zoo bad hy: »schoon ’t mijn ziel bedroeft—»En dan—naar gy begeert.”—»Die bede zy u toegestaan»Mijn Jonker vanMontfoort!”—En ijlings was de Jonker heen,Te paard, en voort, en gants alleen;Men wist niet naar wat oord.—AanMedwaysblaauwen waterstroomDaar rijst een landkasteel.Daar staart een Jonkvrouw van den trans.Heur lieflijk aanzicht blinkt van glans,Als ducht zy ’t lot niet veel.Nu wuift zy snel ten toren af,Met hoog-gebloosd gelaat:Een ruiter nadert, gants verhit...Zijn wapen, zwart en rood en wit,Gestikt op zijn gewaad.Hy stijgt van ’t paard—en ijlings op,En zy daalt ijlings neer.Hy klemt haar vrolijk aan zijn hart,En zy, van zoete vreugd verward,Zy stelt zich niet te weer.Hy sprak: »Een tijding droef—en blij:»Ras keer ik naar mijn land.»Nu zeg my,Ellen! dierbre Maagd!»Van wat geslacht den naam gy draagt,»En ’k spoed my om uw hand.”Zy bloost—zy siddert—zy ontzet—Zy slaakt een droeve kreet;Zy meldt met diepe droefenis:»Ik weet niet wie mijn moeder is,»Noch hoe mijn vader heet!....”—»Ik ben van onbetwijfeld bloed!”Zoo borst hy angstig uit:»Mijn vader is een Hooge Heer....»Toch,Ellen! toch—ik zie u weêr,»En als mijn dierbre bruid!”—Straks joeg een strijdros langs den wegDie recht naarLondengaat.Zijn Ruiter reed met rustloos hart;Een wapen, wit en rood en zwart,Gestikt op zijn gewaad.En later reed er, eer de schaaûwNog heenkroop naar het oost,Een droeve Jonkvrouw langs die baan.Toch blonk er door zoo menig traanEen stille hoop van troost.Zy wisselde in de ruime stadMet niemant woord of taal;Maar waar ’t arduin paleisbordes’t Blazoen droeg van de Rijks-princes,Daar steeg zy uit het zaal.Zy vroeg geen lijftrawant den weg,Geen knaap of kamervrouw:Zy ging er tot in ’t rijk klozet,En boog zich neêr, als ten gebed,Alleen met de Edelvrouw,Zy bad met woorden uit de ziel,Maar diepe eerbiedenis:»O zeg, Mevrouwe! hoog van staat,»Die my steeds gunstig gade slaat,»Zeg wie mijn vader is?”De Rijksprinces verschoot van blos,En siddrend boog ze saâm:»Wat raadslen,Ellen! vraagt ge my...»Wat weet ik wie uw vader zij?»Wie noemde me ooit zijn naam?”—En zichtbaar greep hetEllenaanMet zielsontroerenis;En dieper, dieper boog ze neêr,En schreide, en smeekte naamloos teêr:»Zeg wie mijn vader is.”—Dat brak het hart der Rijksprinces:Zy snikte op schellen toon:»Weet!...” maar toen duizelig en dof:»AanHollandsmachtig Gravenhof»Daar draagt hy-zelf de kroon!...”EnEllenbrak in jubel uit,En viel haar aan de borst.—»Dat andwoord, Vrouwe! loone u God:»Dat spelt me een eindloos zoeter lot»Dan ik ooit hopen dorst.»Neem nu mijn droef en blij vaarwel:»Ik trek naar ander oord;»En zoo gy ooit my wederziet,»Dan is ’t inHollandsrijksgebied,»En Vrouwe vanMontfoort!”Toen scheen de hooge Vrouwe een lijk;Maar zy verhief zich ras:»Gy gaat, gy gaat, met vrolijk hart...»Maar wat dan...” en zy kreet van smart:»Zoo ik... uwmoederwas?...”EnEllentrad versteend te rug:»Mevrouw! wat zegt ge my?»Gy, die steeds aan mijn eigen haard»My goedig—maar als vreemde waart,»Myn moeder,moedergy?”—Toen kromp het moederhart in een:»U afstaan!...” rilde zy:»Neen,Ellen! spreek dat woord niet weêr:»Al kostte ’t my mijn rang, mijn eer—»Kies tusschen hem en my!...”—»Ik heb... gekozen...” sprak zy zacht(Van smart bestierf heur stem):»Mijn moeder... heeft my... nooit bemind:»Zy was een vreemde voor heur kind.»Mevrouwe!... ik ga methem.”—Wie vraagt gehoor byHollandsGraaf?De Jonker vanMontfoort.—»Al wat ik Uw Genade breng,»Wanneer ze ’t my in gunst geheng,»Dat is een luttel woord:»Een groete van de Rijksprinces,»Een vorstelijke groet;»Daarby een bede, koen en stout:»Een Jonkvrouw,twintigjaren oud,»Die drukt ze u op ’t gemoed.—”GraafWillemsloot zijn kind aan ’t hart,Geroerd en blij te moê:»Nu spreek, mijn dochter! gul en rond:»Ik zie, een beê zweeft om uw mond;»’k Zweer u verhooring toe.”Wie vraagt nog, wat de Jonkvrouw badNa ’s Graven plechtig woord?Daar gingen luttel weken om,Toen was zy bruid; de bruidegomWasSwedervanMontfoort.Maar wie, wie schepen flux daarnaIn ’t heimlijk zich aan boord,En houden koers naar ’t Britsche strand?Het wapen, schittrend aan het want,Is ’t wapen vanMontfoort.Men vraagt, met hoofsche plechtigheid,Der Rijksprinces gehoor;Maar als geheel den gang bewust,Treedt de Edelvrouw vanHollandskustHeur eedlen gade voor.Zy knielde voor de Rijksprinces,Wel kinderlijk gezind:»Doof niet aan ’t Hof uw gloriekrans,»Maar, moeder! wees in ’t heimlijk thands»Gelukkig met uw kind!”SwedervanMontfoortgingen de weldaden vergeten, die zijne ouders van den Bisschoppelijken stoel hadden ontfangen, en die den grond tot zijne eigene grootheid hadden gelegd. By de oneenigheden tusschen BisschopWillemvanMechelen, die het algemeen leenrecht zeer goed kende, het byzondere onderzocht, en zijn vasallen zoowel op den fulpen als op den ijzeren handschoe zag, koosSwederde partij vanHubrechtvanVianen,JanvanLinschoten,JacobvanLichtenberch, en andere samenspannende Edelen, en was onder hen, die zich gerechtigd meenden den strengen Leenheer een halfjaar lang in zijne eigene stad gevangen te houden. De Bisschop ontkwam evenwel, en zocht zich, op Pauselijken last bygestaan door den Aartsbisschop vanKeulen, en nog veel meer vrijwillig door zijne getrouwe Overijsselaars, weder van zijne ongehoorzame stadUtrecht, waar de BurgemeesterJacobvanLichtenberchthands het hoogbewind in handen had, meester te maken. Eenige Hollandsche Ridders,DiedericvanWassenaer,Henric, Burchtgraaf vanLeyden,FilipsvanDuvenvoirde,SimonvanBenthem, enJacobvan derWoude, rukten daarop hunne dienstmannen by een, omLichtenberchter hulp te komen. Het gevolg daarvan was een vinnig gevecht op deHooge-woerd, eene vlakte, omstreeks den oever desOuden-Rijns. Met schetterende klaroenen en wapperende banieren was de Bisschop zijns vijands helpers tegen getrokken; reeds richtte hy er een geduchte slachting onder aan; reeds was een deel der tegenstanders te rug gedeinsd, en reeds vleide hy zich met eene volkomene overwinning. Toen klonk er op nieuw een trompet van de zijde vanMontfoort, en de banier, weldra boven de aanrukkende bende zichtbaar, vertoonde het schaakbord en de molenijzers gekwartileerd. Een juichkreet ging by de Hollanders op: er naderde een nieuwe bondgenoot met versche krijgers, »en daar begonste van niwes een groote strijt, want die vechters sloegen elc anderen ter neder, harde manlicken, om den seghe te vercryghen.” Maar de moedige Bisschop gaf het nog niet verloren: tweewerf reed hy dwars door het Hollandsche heir,als Bisschop kenbaar, als Ridder strijdende, en om zijne waardigheid door allen ontzien; maar toen hy het ten derdemaal waagde, viel hy als een offer zijner roekeloosheid, en werd verslagen. Deze strijd geschiedde op den 12enJuli, 1301.SwedervanMontfoorthad de overwinning aan de zijde der Hollandsche Ridders gebracht.In de eerste dagen des jaars 1353, terwijl BisschopJanvanArckelvoor het kasteelWoudenburch, en zijn Maarschalk voor dat vanRuwiellagen, zonden de RiddersJanvanCulemborchenGijsbrechtvanVianenhem een ontzegbrief, vielen roovende in zijn land, en verbrandden zijne dorpen en kasteelen. BurchtgraafSwederdeed daarin dapper meê, zonder dat wy weten of hy er oorzaak toe had; maarJanvanArckelwas geen Bisschop om het ongestraft toe te laten. Zoodra hy den overmoed des Jonkers vanWoudenburchgebogen, en het kasteel ten gronde toe vernield had, ordende hy op nieuw zijn leger, en trok op Sint-Pancraes voor de stad en het kasteelMontfoort, beide doorSwederbezet en verdedigd.De Bisschop had een geweldige stormkat met zich gebracht, en de bloedige bestormingstooneelen van 1280 gingen zich vernieuwen. Wakker en hardnekkig was de verdediging van den Burchtgraaf, maar by het beschouwen van de maatregelen des Bisschops, die zoowel van moed als van volharding getuigden, werd het hem evenwel een weinig angstig: hy begon de onmooglijkheid in te zien van een duurzaam verzet tegen een Opperheer van zoo krachtigen wil. Daarom zocht hy een algeheelen ondergang door onderwerping te voorkomen, en verzocht vrede en lijfsgenade; en de voorwaarden, waarop de Bisschop hem deze verleende, getuigen maar al te zeer van zijn benarden toestand. Dat hy, dien men om zijne groote goederenSwederden rijke noemde, eene belangrijke som gelds moest betalen, was in zich-zelf niet moeielijker dan het doen van een nieuwen eed van trouw, al stond beide hem tegen; maar het zwaarst van allen viel hem den gedwongen afstand van het hooge recht in de HeerlijkheidMontfoort, voor altoos, terwijl hy het lage recht niet als eigendom, maar slechts als leen van den Bisschop weder ontfing. Ook trad de staatkundige Prelaat, zichtbaar tot verkleining van des Burchtgraven aanzien en gezach, in een afzonderlijk verdrag met Schout, Schepenen en gemeene buren vanMontfoort, waarby deze beloofden de stad nimmer op eigen gezach te zullen omwallen, en met niemant, wie ’t ook zijn mochte, tegen hunnen rechten Landsheere, den Bisschop vanUtrecht, samen te spannen, op verbeurte van goed en eere.Het zij nu datSwederedel genoeg dacht, om ook eene door den nood afgeperste belofte gestand te doen, het zij de krachtige hand van den geduchten Bisschop hem zijns ondanks in toom hield—het blijkt niet, dat hy meer in eenig verzet is gekomen, en hy schijnt zich rustig te hebben gehouden tot aan zijn dood, die ook niet veel later kan zijn voorgevallen.Dat valt niet te getuigen van zijn oudsten zoonHenric6. Deze Burchtgraaf, die zich den tytel vanHeervanMontfoortaanmatigde, verbond zich omstreeks 1379 met den Maarschalk vanAbcou, HeerWillem, tegen BisschopFlorisvanWevelichoven, en eigende zich met kracht van wapenen de tienden van het Bisdom toe, terwijl hy zich daarby het hoogste recht over de ingezetenen toekende. Dat kon de Bisschop niet dulden. Hy begon met den wederspannigen Vasal van diens steun te berooven, en belegerde het slot vanAbcou; toen hy dit overmeesterd, en den Maarschalk tot onderwerping gedwongen had, wendde hy zich totHenricvanMontfoort, en daagde dezen voor den rechterstoel van het Sticht. Te vergeefs beriep de onberaden Burchtgraaf zich thands op den verdragsbrief van 1297: BisschopFloriswilde, als een voorzichtig Staatsman, een arm knotten, die hem in het midden van zijn eigen gebied meer dan gevaarlijkwerd, en thands de machtigste zijnde, maakte hy, als ’t gewoonlijk gaat, van die macht misbruik.Voor het generaal Kapittel verschenen, dat uit vertegenwoordigers van de Geestelijkheid, de Ridderschap, en de Steden van het Sticht bestond, werd de Burchtgraaf door den Bisschop beschuldigd, dat hy zich binnen de banne vanMontfoortmeer gezach aanmatigde dan hem toekwam; dat hy er het hooggerecht uitoefende; de lieden placht te dwingen, om in de stadMontfoortte komen wonen, en van daar niet weder te vertrekken; en dat hy zich schuldig maakte aan meer andere zaken, strijdende tegen de bisschoppelijke leenheerschappij.Henricverdedigde zich met kracht. Zijne voorouders, zeide hy, hadden reeds sedert honderd jaren en langer het betwist rechtsgebied van de Bisschoppen en de stadUtrechtin leen ontfangen en uitgeöefend; dat kon men bewijzen uit de opene brieven, daarvan zijnde, waarin alles breedelijk stond uitgedrukt. Wat men hem in betrekking daartoe aantichtte, was valsch, en hy-zelf derhalven onschuldig. Daarom was hy met de meeste gerustheid voor het Kapittel verschenen, en vorderde nu ernstig, dat zijne zaak zou worden uitgesproken volgends het Landrecht vanUtrecht, door den Bisschop, by diens komst aan het bestuur, bezworen, en ten gevolge waarvan deze gehouden was een iegelijk recht en vonnisse te doen, en niemant aan lijf of goed te vervolgen, dan na schuldig verklaring volgends recht en oordeel. Naar dit landrecht, of naar het algemeen Keizerlijk recht, verlangde de Burchtgraaf gevonnisd te worden; maar daarmeê ging onderzoek gepaard, dat, misschien, niet geheel ten nadeele des beklaagden leiden zou, en het blijkt uit alles, dat men niet voornemens was teonderzoeken, maar wel teoordeelen. De Bisschop bracht ten minste, zonder van eenige inzage van brieven te reppen, daar tegen in: dat de Burchtgraaf zich het hooge rechtsgebied willekeurig had aangematigd, en in meer andere zaken boven zijn gezach was gegaan, waarover voldoening gegeven moest worden. HeerHenricverklaarde die gaarne te willen geven—mitszijn schuld uit het onderzoek blijken zou. Toen geliet zich de Domdeken van het Sticht, alsof hy onpartijdig bemiddelaar wilde zijn, en vroeg den Burchtgraaf, of deze de uitspraak wilde stellen in handen van het algemeen Kapittel. MaarHenricwas te goed Ridder, om een slag verloren te willen geven eer er nog gestreden was: hy bleef bestendig by zijn beroep op het landrecht, of op dat des Keizers, en bood den Bisschop zelfs duizend Fransche schilden, indien hem »lantrecht geschien mogt, gelyk den minsten en den meesten van den lande.” En daar hem zulks niet werd toegestaan, verliet hy de vergadering, protesteerde openlijk, en klaagde dat men hem opzettelijk zijn recht onthield.Vertoonde de Bisschop zich hier in een niet volkomen gunstig licht, nog ongunstiger verschijnt hy ons in zijne volgende daden. Hy-zelf had HeerHenricverlijd met het Dijkgraafschap »tusscen dennywen-DamendeSevenhoven, dieLeckelangens, ende tusscen dennywen-DamendeHaestrecht, weder dieYsellangens,” gelijk dit van ouds Stichtsch eigendom geweest, en steeds door deMontfoortsal van over honderd jaren en meer, bezeten was; thands echter nam hy het weder zonder eenig vervolg van recht te rug, deed hem in den ban, en begon de Montfoortenaars op allerlei wijze te kwellen en te benaauwen met brandstichting, plundering, en gevangenneming. Hy dwong zijne Edelen, Leenmannen en Steden van ’t Sticht met den Burchtgraaf te breken; en al gehoorzaamden hem niet allen, hy wist toch op deze wijze een bondgenootschap te voorkomen, en zijn Leenman machteloos te maken. Toen naderde hy zijn doel; en als nu het kwade jaargetijde van 1387 voor goed geweken was, en de zachte aprils-dagen welhaast de naderende meimaand verkondigden, trok hy, den dag na Sint-Joris (23 April), met een sterk leger voorMontfoort. Daar deed hy eene reusachtige blyde oprichten, die steenen van wel dertienhonderd pond wierp, en stelde er zestien groote steenbussen, waarvan de minste honderd pond zwaarte schoot; de kleine bussen, hoewel zy wel degelijk in werkingwerden gebracht, telde men niet eens. Bovendien had hy zich voorzien van een aantal tuimelaars of schanskorven, van teenen gevlochten, om by de bestorming te dienen; twee katten echter, die hy mede had doen bouwen, deden weinig werking. Intusschen blijkt uit dit alles de geduchte sterkte van het kasteel, dat, niettegenstaande het daaglijks werd gebeukt en beschoten, met bussteenen geteisterd en met blydesteenen gepletterd, toch zestien weken lang de felle aanvallen weerstond, en een veilige toevlucht bood aan de verdedigers, die van hunne zijde niets onvergolden lieten, maar insgelijks, zoo wel met steenbussen als met klein geschut, hunnen vijanden groot nadeel toebrachten. Het gebrek zou evenwel datgene hebben bewerkt, waartoe zelfs de overmacht te onmachtig was, toen nog ter goeder ure de voormalige Utrechtsche, thands Luyksche, BisschopAernoutvanHoorn, oom van HeerHenricsgemalin, tusschen beide kwam, met voorstel om eene verzoening te bewerken. Dit werd door beide partijen aangenomen; maar de harde voorwaarden, waaronder de verdreven Burchtgraaf gedwongen werd het hoofd te buigen, spreken ook weder hier luide het wanhopige van zijnen toestand uit. Hoofdzakelijk komen zy hierop neder:Daar het hooggericht in de Heerlijkheid alleen mag geoefend worden door den Bisschop, zoo zullen de Burchtgraaf en zijne nakomelingen zich nimmermeerHeeren, maarBurchtgravenvanMontfoortschrijven. De stad en het kasteel zullen ten allen tijde voor den Bisschop en diens opvolgers opensta an, zoo dikwijls het hun gelust, daar te komen. Het zenden van indaag- en banbrieven, en al wat tot het geestelijk gericht behoort, zal vrij en ongehinderd in het Burchtgraafschap plaats vinden. De Burchtgraaf mocht de tienden niet meer stellen naar zijn goeddunken, maar hy moest ze verpachten, of doen mijnen; hy zou ook niemant meer dwingen zich teMontfoortneêr te zetten. Met betrekking tot het Dijkgraafschap zou nader uitspraak worden gedaan, maar de Burchtgraaf moest het huisgeld en andere belastingen, die hy in de Heerlijkheid ontfangen en nog niet verandwoord had, terstonduitbetalen; ook moest hy de oirconde van BisschopJanvanNassauaan den Luykenaar in handen geven, waarvoor hy een andere van BisschopWillemzou ontfangen, inhoudende de nieuw gemaakte bepalingen. Vervolgends moesten de wederzijdsche gevangenen uitgeleverd, door onbetaalde rantsoenen een streep gehaald, en dooden tegen dooden, roof tegen roof, brand tegen brand kwijtgescholden worden.Hiermede was echter nog niet alles afgedaan: de Burchtgraaf moest zich nog persoonlijke vernedering onderwerpen, wilde hy eenmaal weder hoogen staat voeren. Met twintig van zijne mannen moest hy komen, blootshoofds en in ’t openbaar, dragende in zijne hand de sleutels van het kasteel en van de stede, om die den Bisschop over te geven, daarby vergiffenis biddende voor zijn verzet, of een nieuwen eed van trouwe doende7. En totdat deze zoen geheel geregeld was, mits binnen den tijd van zes weken, zou hy zich met vijfentwintig man inUtrechtlegeren, terwijl gedurende dien tijd de banieren van den Bisschop vanUtrechten vanAmersfoortzoo wel op der stede als op des kasteels wallen bleven waaien, en zes Bisschoppelijke Edelen dit laatste zouden inhouden. Zoo ik nu den loop der hier verhaalde gebeurtenissen, in verband met de geslachts-opgave, wèl vat, dan komt het my voor, dat de Bisschop inmiddels tot Burchtgraaf benoemdeHenricvanMontfoort, HeerHenricsneef, die daarom van zijne anders denkende verwanten, of misschien van de verontwaardigde burchtzaten, den toenaam »de Rover” ontfing. Wy lezen ten minste: »dese HeerHenricde Rover, HeerWillemssoon, bleef doot in het besit vanMontfoort, t’welck Godt geklaegt moet syn, in het jaer doe men schreef 1387. des Vrydaechs nae Pinsterdach.”Was nu eenmaal de zoen gesloten, dan kon de Burchtgraafweer huiswaart rijden, frank en vrij, en zijn leengoed te rug nemen, maar bleef dan nog gehouden om, zoo hy werd opgeroepen, den Bisschop vanUtrechtte dienen, deszijds denIJsselmet 25 speeren8, op eigene kosten, en, des gevorderd, tot drie verschillende reizen toe.Op zoodanige voorwaarden verzoende zich de Burchtgraaf met zijn »lieven, geminden Heer”, en werd de oirconde daarvan bezegeld »dynsdags na S. Laurentius-dag (10 Aug.) 1387.” Nogtans verklaarde hy, en wel, zonderling genoeg, tevens in ’t volle kapittel, by zijn eed en ridderschap, dat hy ’t alleen deed uit bedwang en noodzakelijkheid, vreezende anders lijf, goed en onderzaten te moeten verliezen. Ook schijnt het werkelijk, dat er met betrekking tot het bovengemelde Dijkgraafschap een onrechtvaardig vonnis is geveld, blijkends des Ridders sterke bewoordingen in ’t kapittel.—»Daarmeê neem ik geen vrede,” sprak hy: »dat men het Dijkgraafschap den Bisschop, en niet my toe wijst. Zulk eene verklaring kan my in mijn recht niet benadeelen:—omdat allen, die hierover moeten zitten, niet tegenwoordig, en ook niet beroepen zijn geweest; omdat ik het onder den vorigen Bisschop reeds heb bezeten, zoo als mijne getuigen (maar die men niet gehoord heeft!) kunnen bevestigen; omdat vele Baanrotsen, Ridders, Schildknapen, Vasallen en Dienstmannen van het Sticht verklaard en gevonnisd hebben, dat mijn recht tot het Dijkgraafschap beter gegrond is dan dat des Bisschops, duidelijk thands blijkende, daar verschillende Baanrotsen, Ridders, en anderen, die hier ten oordeele hebben gezeten, ziende dat niet alle gerechtigden waren beroepen, het kapittel hebben verlaten, zonder vonnis te spreken; omdat, eindelijk, zelfs de openbare roep der gemeente my gelijk geeft, en erkent, dat mijne voorouders en ik sedert honderd jaar en langer in ’t bezit van het Dijkgraafschap zijn geweest.”Zijne verdediging blijkt echter niet te hebben gebaat; en in zoo knellende kluisters geprangd, moest hy, schoon van een hoog gemoed en onrustigen aart, zich wel onderwerpelijk houden: hy had de klaauw van den leeuw op zijn schouder gevoeld, en de lust tot terging was hem voor goed vergaan. De Bisschop daarentegen toonde by de eerste gelegenheid de beste, dat hy ernstig bedacht was, om zijn verkregen recht te handhaven: Nog in het zelfde jaar werd er binnenMontfoort, door zekerenJan JansvanBoemel, een manslag gepleegd op eenenArentdenSchermer; de Maarschalk van het Sticht trok de stad binnen, en maakte er zich meester van den moordenaar, die, naarUtrechtgevoerd, daar werd gevonnisd, en zijn schuld met het hoofd boette.VanHenricstwee zonen,Sweder, Ridder, enJan, Domdeken en Proost teUtrecht, volgde de oudste hem na zijn dood niet terstond op, als toch wel billijk ware geweest. BisschopFredericvanBlanckenheymweigerde dezen Edelman aanvankelijk met het leen te verlijen, en verklaarde in ’t openbaar, dat hy hem het recht, waarop hy aandrong, niet schuldig was, en dat het goed en leen verwillekeurd waren. Echter, ’t zij nu dat deze ongunstige beschikking van den Bisschop werkelijk gegrond was op zijn geloof aan zijn goed recht, het zij dat hy ze alleen voorwendde, ter strengere handhaving van zijn gezach—hy liet zich eindelijk door bidden en dreigen vanSwederen diens vrienden bewegen, om hem met het Burchtgraafschap te beleenen, maar—op de zelfde voorwaarden, waarop HeerHenricdat ontfangen had. HeerSwederbleef geen andere keuze, en hy onderwierp zich; men legde hem den zoenbrief zijns vaders voor, waarin die voorwaarden werden uiteengezet, en hy hing er zijn zegel aan, ten blijke dat hy ze bevestigde, 26 Mei 1405. De Bisschop, thands te vreden, beleende hem toen ook met het Dijkgraafschap, en hield verder het woord, waarby hy beloofd had »hem sonder sorge van gewelde” te zullen laten.ToenSweder, kort daarna, ongehuwd overleden was, hernieuwde zich de zelfde strijd. Zijn broederJan, de Utrechtsche Domdeken,had de kap aan den wand gehangen, en begeerde nu verlij der Heerlijkheid; hy kon echter niets meer verkrijgen dan de beleening van het Burchtgraafschap, waarmede hy eindelijk (1413) wijs genoeg was vrede te nemen, hoewel almede onder protest van zijnen kant. Weldra rees er dan ook verschil tusschen hem en BisschopFrederic, over het verbreken der overeenkomst van 1387, waarin GraafWillemvanHolland, als scheidsman, hem echter in ’t gelijk stelde.De goede verstandhouding werd sints niet weder verstoord; integendeel werd zy versterkt, toen in den aanvang van 1420 de oneenigheden tusschenUtrechten den slinkschenJanvanBeierentot dadelijken krijg overgingen, en deMontfoortersdes Bisschops partij kozen. In dezen oorlog maakte een van des Burchtgraven verwanten, HeerLodewijcvanMontfoort, zich door een wakker feit van wapenen vermaard:By een inval van die vanOudewaterin ’t Sticht, trokLodewijcin der haast teMontfoortzoo vele manschappen samen, als er uit de verdedigers van slot en stede gemist konden worden, en voerde deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand tegen. En, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijverVan der Beke, toen HeerLodewijcmet de zijnen hen ontmoette, gedroeg hy zich als een onvertsaagd Ridder, die den moed van een leeuw bezat, en reed op de vijanden in; en zijne voetknechten deden als heerlijk stoute mannen, en streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden zich mannelijk en stout, of zy Jonkers waren, en zoo werd er, niettegenstaande het getal volks aan beide zijden slechts klein was, kloek en wakker gestreden, want elk wilde gaarne het veld behouden. Maar die vanOudewatermoesten ’t eindelijk opgeven, en ruimden met een verlies van omstreeks 70 man aan dooden en gevangenen het veld, terwijl de Montfoorters in triomf met de buit binnen hunne stad keerden, »ende dancten Gode ende sinteMartyn, dat si mit sulker eeren ende mit sulcken gewin ontstaen waren.”Ook de Burchtgraaf-zelf deed de zaak der ongelukkige en trouwloos behandeldeJacobavanBeierenzoo menig goede dienst, dat zy hem uit erkentelijkheid de toezegging deed tot het verlij met drie Heerlijkheden, palende aan het Land vanMontfoort, namelijk:Linscoten,HekendorpenSnelrewaerd, die hy later, schoon eerst onderFilipsvanBorgondiën, 1440, ook werkelijk bekwam. Vóor dien tijd had hy ook bezittingen inHollandverkregen: de HeerlijkheidPurmerende, die hy in 1431 van den Ridder vanSijlhad gekocht.Onder hem raakte ook de verhouding van den Leenheer tot den Leenman, van den Bisschop vanUtrechttot den Burchtgraaf vanMontfoort, in eene omgekeerde verhouding van wat zy te voren geweest was. De aanleidende oorzaak hiertoe rees uit den strijd om den zetel, tusschenRudolfvanDiepholtenSwedervanCulemborch. De Burchtgraaf, by het verdrag tusschen BisschopFredericenJanvanBeierenbuiten gesloten, vond zich deswege verongelijkt en beleedigd, en dit was wellicht de oorzaak, waarom hy de zijde des door den Paus beschermden, maar door ’t groote meerendeel der Stichtenaars gehaten, BisschopsSwederkoos. Hy leende dezen, op zich-zelf onwaardigen, Prelaat de belangrijke som van 12000 Hollandsche Wilhelmsschilden9, en ontfing daarvoor ten jare 1430 in pandschap de hooge Heerlijkheid vanMontfoort, met uitdrukkelijke voorwaarden, dat de bepalingen van den ouden zoenbrief, die zoo dikwerf aanleiding tot twist en tweespalt hadden gegeven, nietig en krachteloos bleven, zoolang de voorgeschoten penningen niet werden te rug betaald. Van die aflossing kwam niet, en de Burchtgraven konden zich dus voortaan met volle recht betytelen: Heeren vanMontfoort, wat in onze ooren minder fraai moge klinken, maar destijds ongelijk hoogere aanspraken gaf, en veel minder afhankelijkheid vooruitstelde.HeerJanvanMontfoorthad alzoo door zijne rijkdommenverworven, wat zijne voorgangers zoo dikwerf te vergeefs door het zwaard hadden getracht te vermeesteren. Zijn verdere levensloop was daarom niet gelukkiger, maar werd integendeel verbitterd door een leed, dat te feller griefde, omdat het de hand van een kind was, die het sloeg.Uit zijn huwelijk metCunigondevanBronchorstwaren hem drie zonen geboren,Henric,Willem, enSweder.Henric, een heethoofdig en onberaden jongeling, had eene vurige genegenheid opgevat voorAgnesvanIJsselsteyn, zeer tegen den zin zijns vaders, omdat het huwelijksgoed der Jonkvrouwe van zoo weinig beteekenis was: hare bezittingen bestonden slechts in twee hoeven, de eene boven aanBlocland, de andere inBenscoep. Dat was te luttel om hun, nu zy, ondanks de bestaande bezwaren, zich toch in den echt verbonden hadden, een inkomen te geven naar hunnen stand; en de Burchtgraaf wilde van geene ondersteuning zijner zijds iets weten, en schijnt niet vreemd geweest te zijn aan het voornemen om zijnen ongehoorzamen zoon te onterven.De gevolgen waren droevig. Geperst door zijne bekrompene omstandigheden, kwamHenrictot het gruwzaam besluit, om zijnen grijzen vader te dwingen. Gants in ’t heimelijk bracht hy zyne aanhangelingen, waaronder voornamelijk de verwanten van zekerenJanvanNaerden, poorters vanWoerden, worden genoemd, allengs in zoo grooten getale op het kasteel, dat hy er eerlang geheel meester werd, alle dingen naar zijne hand zettede, en zijn vader »jammerlycken en deerlycken” gevangen hield. Zyn broederWillem, wien dit verdroot, begaf zich, daar de Bisschop door verdeeldheid met diens eigene onderdanen machteloos was, naarHolland,en klaagdeFilipsvanBorgondiënwat er teMontfoortplaats greep. De Hertog begaf zich daarop, in het belang van den ouden Burchtgraaf, dien hy in 1439 zijn getrouwen Raad en Kamerling noemt, derwaart, en bracht de schandelijke zaak tot een vergelijk, waarbyJohanin het bezit zijner goederen hersteld en bevestigd werd, ondervoorwaarde, dat hy JonkerHenricnoch onterven, noch ook maar een deel van diens toekomende goederen vervreemden zou. Leest men echter daarby op eene andere plaats: »deselve HeerJohan Voorsz. sterf daer nae in de gevangenis, Anno 1448, op sanct Anthonis dach,” dan heeft men zeker niet ongegronde reden om te gelooven, datHenricin zyn onwaardig gedrag is voortgegaan, en, op zijn zachtst gesproken, het gezach over ’t Burchtgraafschap in handen gehouden heeft, zonder zich aan de gemaakte bepalingen te storen.In geen gunstiger licht komt verder ook het karakter van zijn broederWillemvoor. Deze had zich door dorperlijke aanslagen teUtrechtzoo gehaat, en te gelijk bevreesd, gemaakt, dat de Raad dier stad in 1445 een prijs uitloofde van duizend Borgoensche schilden voor die hem dood, van drie duizend voor die hem levend in hunne handen stelde; daarby werd der burgerij tevens op lijf en goed verboden, om in eenige verstandhouding met hem te zijn. De listige staatkunde evenwel vanFilipsden Goede, die in de toekomst alreeds den opengevallen bisschopszetel door zijn bastertzoonDavidzag bekleeden, sloot zich denMontfoortersaan, en maakte hen, door een verbond van onderlingen bystand met hem en de Edelen vanMynden,Zuylen,Cronenborchen anderen, waarby zich ook de StadAmersfoortvoegde, zoo machtig, dat zy weldra eene geduchte partij vormden, en BisschopRudolfde hand konden bieden, om hem weder in ’t bezit zijner met hem in oneenigheid geraakte stad te brengen, en op deze wijze zelf invloed op de Stichtsche zaken te erlangen. De Utrechtenaars verfoeiden den slechten zoon; de Bisschop echter schold hem de schuld jegens zijn kort te voren overleden vader kwijt, en onthief hem van den ban, maar deed hem toch eene belangrijke boete betalen.WillemvanMontfoorthield, na de bevrediging doorFilips, geheel de zijde zijns broeders, en beproefde, door zich met eenige speerruiters naby de wallen vanUtrechtte vertoonen, eene opschudding binnen de Stad tenvoordeele vanRudolfte verwekken, wat echter door de waakzaamheid van den Raad mislukte.En toch verkreeg de Bisschop reeds het volgende jaar wat hy zocht.Zaturdag voor St. Blasius, 1449, was, volgends jaarlijksche gewoonte, het bestuur binnenUtrechtveranderd, en de poorters hielden, almede naar oud gebruik, vrolijken avond, met feestmalen en drinkgelagen. Wie daar evenwel niet in deelden, waren de aanhangers van den Bisschop. Onder bedekking der luidruchtigheid van het feestrumoer, waarby de zorgvuldigheid der wacht veronachtzaamd werd, brachten zy eenige moddervletten in de buitengracht, tusschen de Wittevrouwenpoort en den Plompentoren, wel wetende wat de Bisschop, dien zy in ’t heimelijk verwachtten, daarmede zou aanvangen. De nacht kwam—en, in hare duisternis verborgen, ook BisschopRudolf. Met hem waren zijn neef ProostCoenraadvanDiepholt, de DomproostSwedervanCulemborch, BurchtgraafHenric, en andere Edelen en Geestelijken, benevens eene bende krijgsvolk. Allen naderden in de grootste stilte. Een deel der krijgers stak in de vaartuigen de gracht over, en drong door eene ijlings in den muur gegravene opening de stad binnen, brak daarop de Wittevrouwenpoort open, en gaf den Bisschop met diens volgers den toegang. De Utrechtenaars, door ’t gerucht en de kreten thands gewekt, klepten de noodklok, liepen ondanks het nachtelijk donker te wapen, en verzetteden zich met kracht. Een onstuimig gevecht greep plaats in de Schoutensteeg; en, waren de Amersfoorters die vanUtrechtniet in den rug gevallen—de Bisschoppelijken hadden de stad waarschijnlijk niet behouden.Rudolfbehaalde de overwinning, maar werd zwaar aan het been gekwetst, zoodat hy sints altoos mank ging. Ook de Burchtgraaf bekwam eene kwetsuur, die echter niet van belang schijnt geweest te zijn, en niet in aanmerking kwam by de voordeelen, die uit zijne verzoening met den Bisschop voortvloeiden, enwaarin natuurlijk zijn broederWillemdeelde, wiens banvonnis door den Stedelijken Raad terstond herroepen werd.Na den dood van BisschopRudolfschijnen de broeders minder eenstemmig geweest te zijn: HeerWillemwordt gevonden op de lijst dergenen, wien, als tegenstanders van BisschopGijsbrechtvanBrederode, in 1456 by klokkeslag de stad werd ontzegd; terwijl de Burchtgraaf in dat zelfde jaar voorkomt onder de Edelen, die zich, hoewel vruchteloos, metReynoutvanBrederodeenJohanvanClevenaarLeydenbegaven, om HertogFilipsmet den Bisschop en diens stad te bevredigen.Twee jaar later, 1458, overleedHenric, en werd opgevolgd door zijn zoonJohanden Tweede, bekend onder den naam vanJohande Rijke, thands Heer vanMontfoort,LynschotenenPurmerende, en, door zijn huwelijk metWillemyne, Erfdochter vanNaeltwyc, na 1496 tevens Heer vanNaeltwyc,CappelleenWateringhe, en Erfmaarschalk vanHolland. Het verlij metMontfoort, dat in 1461 plaats vond, geschiedde weer geheel en al op de oude voorwaarden, volgends »alle punten ende articulen, die inder zoenen, die tusschen den eerwaerdigen in Goide HerenFlorensvanWevelkoven, BisscopteUtrechtan die een zyde, ende HeerenHenrickBorchgrave totMontfoirdean die ander zyde, gededingt was, begrepen syn.” Intusschen was hier het hoogheerlijkheidsrechtnietonder begrepen, en bleef de Burchtgraaf altijd een der machtigste vasallen van het Bisdom, en van grooten invloed op den loop der Stichtsche zaken. Aanvankelijk liet hy zich daar echter niet veel meê in, en onttrok zich zelfs eenigen tijd geheel en al aan zijn vaderland, door een tocht naar het Heilige Land, van waar hy in 1469 te rug keerde. De oversten der gilden teUtrechtgaven hem toen, met goedkeuring der Magistraat, een bewijs van hunne vreugde over zijn behouden wederkomst, door hem een maaltijd aan te bieden, die door den Domproost, door HeerJanvanRenesse, en andere voorname leden van Adel en Geestelijkheid, benevens onderscheidene leden van den ouden en nieuwen Raad der stad werd bygewoond,en waarvan de onkosten aan spijzen, gebakken, confituren, geleien, en wijn, eene som van 10 rijnsguldens (ƒ 13.) en 14 stuivers beliepen.BisschopDavidvanBorgondiën, die niet zeer by zijne poorters gezien was, mag uit hunne goede gezindheid jegens den Burchtgrave wel eenige achterdocht geraapt hebben10; hy vond ten minste goed om hem naauwer aan zich te verbinden, en ontfing van hem eene verzekering van trouwe als vasal en onderdaan, by gezegelden brieve van 1474.Johangaf die verklaring toenmaals misschien gants in oprechtheid en ter goeder trouwe; maar de Bisschop had wijzer gehandeld, wanneer hy, in plaats van zich op dergelijke verbindtenissen met zijne Edelen te steunen, zijne onderzaten in ’t algemeen minder van zich verwijderd, en zijn Borgondische willekeur meer ingetoomd had; hy deed dit evenwel niet—en het gevolg daarvan was eene openbare breuke met zijne stadUtrecht, die in 1477 den Burchtgraaf tot haren Hoofdman verkoos.Johanwas voorzichtig genoeg, om zich niet terstond binnenUtrechtte vestigen, maar liet zich eindelijk overhalen, en was er toen ook ten eenenmale meester, zoodat de Raad niets ondernam dan met zijn voorkennis en medeweten, hetgeen zelfs op de zaak der Hoekschen inHolland, die hy ten sterkste toegedaan was, gunstig inwerkte. ToenReyniervanBroechusenin 1481 de stadLeydenvoor die partij niet langer behouden kon, maar heimelijk in de nacht vertrok, spoedde hy zich overWoerdennaarMontfoort, wel wetende daar eene goede ontfangst te zullen vinden. Hy bedroog zich niet, hoewel de Burchtgraaf afwezig was, en de trouw der Montfoorters terstond op eene zware proef werd gesteld. De AartshertogMaximiliaanvanOostenrijkzette hem, met ongeveer 600 krijgsknechten, byna op den voet na, kwam voor de stad, eischte vrijen ingang,en daarby de uitlevering van HeerReyniermet diens manschap. Hy ontfing nogtans een ander andwoord dan hy verwacht had: die vanMontfoortstelden zich te weer, en deden hunne donderbussen en serpentynen dapper op de Hollandsche benden spelen, zoodatMaximiliaanzelf byna door een serpentijnkogel gekwetst werd. Vertoornd trok hy daarop, schoon ’t Palmzondag was, te rug, maar niet zonder op dien keertocht eenige dorpen en gebouwen, tot de eigendommen vanMontfoortbehoorende, aan de vlammen te hebben opgeofferd. Ook was hy naauwelijks weder in denHage, of hy vaardigde tegenBroechusen,HenricvanNyevelten anderen, waaronder ookJohanbehoorde, een banvonnis uit, daarby hunne goederen, voor zoo ver zy onder zijn gebied lagen, verbeurd verklarende. Den Burchtgraaf kwam dit op het verlies zijner HeerlijkheidPurmerendete staan, met wier inwoners hy trouwens reeds sedert 1470 op onaangenamen voet stond.Maximiliaansmaatregelen van ontzeg en in beslagneming strekten zich ook over de Stichtenaars uit, die zich thands ernstig ongerust maakten, en den Bisschop gezanten zonden, om diens voorspraak by den Aartshertog af te bidden.Davidstelde ter voorwaarde de uitdrijving van den Burchtgraaf, ’tgeen den Raad in groote ongelegenheid en tweespalt bracht, en ten gevolge had datJohan, die in den laatsten tijd steeds van een twintigtal lijftrawanten omringd was, allen verzamelde die hem getrouw waren, met hen en zijn neefHenricvanZuylen van Nyeveltvoor het stadhuis trok, waar hy de stads banier plantte, en de poorters op het kleppen der buurkerkklok te wapen deed snellen. Terstond openbaarden zich twee partijen; het kwam tot handdadigheid; het staal besliste—de Burchtgraaf verdreef zijn tegenstanders, en werd volstrekt meester van de stad.Thands was de oorlog zoo goed als verklaard. De Bisschop trok, half genoodzaakt, de zijde vanMaximiliaan, steldeFrederycvanEgmond van IJsselsteyn, die zich met 200 man tot hem begeven had, als Legeroverste aan, ontfing uitHolland, behalven400 wapenknechten onderJanvanCatsenJacobvanBoshuzen, den bekenden RidderPetit Salisart, met 34 Biscaysche boogschutters, en deed al het mogelijke, om zijnen ongehoorzamen onderdanen afbreuk te doen en hen te verzwakken. Onderhandelingen, door deze laatsten met den Aartshertog aangeknoopt, leidden zoo weinig tot bevrediging, dat een Hollandsch heir van ruim 8000 man, onder opperbevel van den StadhouderLa Layng, in October 1481 het Sticht binnentrok, en den 10endier maand het beleg sloeg voor het blokhuis teVreeswijcaan de vaart, dat op des Burchtgraven last gesticht was. Zoodra die vanUtrechtde noodvuren der belegerden hadden bespeurd, deed de Burchtgraaf terstond de reizige-ruiters11en voetknechten uitMontfoortenAmersfoortlichten, voegde daar soudenieren en poorters by, en trok, met zijn oomSwedervanMontfoort,HenricvanZuylen van Nyevelt,DircvanZuylen van der Haer,VincentvanSwanenburch, enWillemvanWachtendonck, aan het hoofd van 3500 man den belegeraars tegen. Nadat het leger byEngelenburchwas gerangschikt, werdenVincent,Willem, enDirc(Henricweigerde die eer) Ridder geslagen, en trok men de vijanden stout en welgemoed tegen. Deze meenden aanvankelijk dat het de Bisschop met zijne afgesprokene versterking was, maar zagen weldra hunne misvatting in, en stelden zich haastig te weer. Eene achterwaartsche beweging hunner eigene reizige-ruiters by den eersten aanval reeds als wijken aanziende, werden zy echter door een plotselijke schrik bevangen, en sloegen ijlings in de grootste verwarring op de vlucht. Op de wegen naarSchoonhoven,Oudewater,Woerden, enIJsselsteyn, stoven de vliedenden voort, en wierpen hunne wapenen van zich; velen vloden de uiterwaarden op, en verdronken in deLeck; de krijgshoofden, wie bidden noch dreigen om hen tot staan te brengen hielp, werden medegesleept. Van tien ure des morgens tot in het duister van den laten avond zettendenMontfoorten de zijnen hen na, en bekwamen een belangrijke buit aan wapenen, krijgsvoorraad, geld, en gevangenen. Met een honderdtal dezer laatsten, en de veroverde vanen vanDordrecht,Delft,Rotterdam, enHeusden, trokken zy in triomf hunne stad weder binnen. Des Burchtgraven gezach was er merkelijk door gestevigd, hoewel de bedaarden zich door dezen aanvankelijken voorspoed niet lieten misleiden, maar zeer goed inzagen, dat drie Utrechtsche steden niet tegen de Nederlandsche Hertogdommen en Graafschappen, de Burchtgraaf vanMontfoortniet tegen den Aartshertog vanOostenrijk, op den duur bestand waren. De inmiddels nog hangende onderhandelingen over den vrede werden thands door de stoutere eischen der Utrechtenaren afgebroken; want de Burchtgraaf, zegt men, verklaarde: dat hy liever de velden verwoest, en de ploegschaar door de grondvesten der stad zou zien gaan,—dat hy en zijne aanhangers liever den nood van honger, pest, en andere kwalen wilden ondergaan, ja lijden dat alle poorters met hen werden verdelgd, dan dáarin toe te geven, datUtrechtongeschonden onder de heerschappij van BisschopDavidzou te rug komen.
Het Kasteel van Montfoort.GodfriedvanRhenen, Bisschop vanUtrecht, was geen man des vredes; zijne regeering (1156–1178) is ten minste een aaneenschakeling van oorlogen te noemen. Even fier van moed, als reusachtig van lichaam1, gaf hy het den belagers van het bloeiende Sticht, die hy zoowel onder zijne vasallen als onder zijne naburen vond, volstrekt niet gewonnen; en om het aan zijne zorg toevertrouwde gewest beter te kunnen beveiligen, onderzocht hy met een scherp oog naar de zwakste plaatsen, waarlangs den vijand het indringen gemakkelijk viel, en deed er sterkten bouwen, die by den eersten aanval niet licht zouden bezwijken. Om de muitzieke Edelen vanAemstelin bedwang te houden, stichtte hy een kasteel teWoerden. Om de Friesche grenzen te dekken, deed hy er een teVollenhovenbouwen; en tegen de Gelderschen richtte hy byRhenenhet geduchte kasteelter Horstop. Hy had echter een te goeden blik in den toestand des lands geworpen, om niet te zien, dat de verdedigingsmaatregel nog slechts ten deele was uitgevoerd, zoolang de Hollandsche zijde niet gesloten werd. De geschiktste plaats hiertoe scheen hem de landstreek beöostenOudewater, aan den linkerYssel-oever, tegenover hetYssel-veld, en slechts drie uren van zijn zetelstad verwijderd; hier verrees dan omstreeks 1174 op zijnenlast het sterke slot, dat, zoo men wil, door hemMons fortiswerd genoemd, maar waarvan zeker is, dat het weldra onder den naam vanMontfoertofMontfoortbekend staat.Het slot te Montfoort.Het slot te Montfoort.Ongetwijfeld werd dit kasteel terstond na zijne voltooiïng in handen gesteld van een Burchtvoogd of Kastelein, aan het hoofd eener genoegzame bezetting, om de invallen en strooperijen der Hollanders af te weeren en te keer te gaan. Van deze Kasteleins, die spoedig den tytel van Burchtgraaf verkregen, wordt echter met name geen melding gemaakt voor 1227, wanneer wyEveraertBurchtgraaf vanMontfoortvinden, die tot wapen voerde een schaakbord, met ruiten van zilver en sabel of zwart, blijkends het zegel, dat hy als getuige aan een brief van BisschopOttovan derLippehing. Vervolgends wordt er gewach gemaakt van eenenWillem, zonder bepaling of hy tot het geslacht zijns voorgangers behoorde, en daarna, in een brief van BisschopHenricden Eerste, 1260, van den BurchtgraafWouter,Geraertszone uit den huize van derGoude.Dan trekken de nevelen der onzekerheid allengs wech, en treden de handelende personen op het tooneel der gebeurtenissen in een meer helder licht ons voor het oog.BisschopJohanvanNassau, die van 1267 tot 12882regeerde, was een goedhartig mensch, maar een volstrekt ongeschikt regent. Een kerkelijk historieschrijver heeft de geschiedenis van dat bestuur zeer zakelijk en naar waarheid samengevat in deze regelen:»Geduurende al den tijd van zijne regeeringe is ’t er zeer holbollig in het Bisdom toegegaan. De regeering van ’t gemeenebeste is tenemaal t’onderste boven gekeert; de edelen en groote Heeren zijn ter stede uytgejaagt; de Regenten en de Magistraat van toen af, en zederd altijd, uyt het gemeene volk gekozen;ambachtsgilden ingestelt, die zedert het opzigt over de stad en de Majestraat gehad hebben; ja het zegel zelf van de stad is verandert geweest.”Trouwens—er was een vaste hand noodig in die dagen, toen by het volk besef van natuurlijke rechten begon te ontwaken, de steeds naar macht grijpende Adel, dat volstrekt zocht te onderdrukken, en de Vorst, in het midden der soms in den volsten zin des woords strijdende partijen geplaatst, tegen de aanmatiging des laatsten de rechten van het eerste steunde—om er dikwijlszelf, het zij reeds in zich, het zij eerst in zijne nakomelingen, het slachtoffer van te worden.Eener ongeschikte regeering mangelt het gewoonlijk aan geld. Zoo ging het ook BisschopJohan; en by een der maatregelen tot voorziening hierin, verpandde hy twee Stichtsche kasteelen, het slotVreelanden dat vanMontfoort, welks Burchtgraaf overleden was, aan twee met elkander zeer bevriende en voor hunnen Leenheer allergevaarlijkste vasallen van het Bisdom:GijsbrechtvanAemstel, enHermanvanWoerden. Het onvoorzichtige dezer handelwijze kwam weldra ten duidelijkste aan den dag, toenGijsbrechtbyVreelandeen tol hief, tot groot bezwaar der handeldrijvende Stichtenaren. Wel bood de Bisschop, door de zijnen hierover zeker niet weinig lastig gevallen, terstond de teruggave der pandpenningen aan—maar hier had de Aemstellander geen ooren naar; en toen de getergde Bisschop in ’t eind de wapenen opvattede, om den valschen Leenman te tuchtigen, riep deze de hulp van zijn waardigen bondgenoot, den nieuwen Burchtgraaf vanMontfoortin.HermanvanWoerdensammelde niet lang, en kwam met eene aanzienlijke krijgsbendeAemstelsleger versterken, waarop zy, aldus toegerust, samen den Bisschop, by denSoestereng, tegentrokken.Gijsbrecht, aan het hoofd van den voortocht, leed eene geduchte nederlaag, en velen der zijnen werden gevangen of verslagen; maarWoerden, daarop met zijne versche benden uitHollandaanrukkende, keerde weldra de kans van den strijd ten nadeele der Bisschoppelijken. OfschoonWoerdenreeds in den eersten aanval zwaar gekwetst werd, verdedigde hy zich evenwel nog »vromelic”; en zijne krijgers, zijn voorbeeld volgende, en verbitterd wellicht over het ongeval huns aanvoerders, gaven zijnen vijanden de nederlaag: BisschopJohanverliet in haaste het veld, met verlies van vele kloeke strijders, waaronder vooralStevenenFrederykvanZuylenmoeten hebben uitgemunt, en bergde zich binnenAmersfoort.In het pijnlijk gevoel zijner onmacht riep hy toen den strijdbaren Hollander, GraafFlorisden Vijfde, te hulp; en het bleek, dat hy thands ten minste eene goede keuze gedaan had.Floriszond den beiden Edelen een ontzegbrief, en rukte spoedig voorVreeland; zijne moedige Zeeuwen, onderCostijnvanRenesse, sloegen den tot ontzet aangesneldenGijsbrechtgeheel, en namen hem zelfs gevangen;ArentvanAemstelzag zich toen genoodzaakt tot de overgave vanVreeland, enFloris, na het kasteel van eene Hollandsche bezetting voorzien te hebben, sloeg den weg in naarMontfoort.Hier hadHermanvanWoerdenhem niet afgewacht. ’s Graven krijgsmacht duchtende, had hy het kasteel versterkt en van manschap en leeftocht wel voorzien, maar was toen ook uit het land geweken, om veilig het einde te kunnen afwachten. De »magnelen ende andere instrumenten omme dat slot dair mede te que tsen ende te vernielen”3, die reeds voorVreelandhadden gediend, werden ongetwijfeld ook voorMontfoortgebezigd, want de Graaf deed byna daaglijks storm blazen en den muur beuken. Toen bleek het, datGodfriedvanRhenengoede bouwmeesters in ’t werk gesteld, en te gelijk, datHermanvanWoerdenzijne ongerechte zaak toch aan goede handen toevertrouwd had: byna een jaar lang boden de belegerden een moedigen en hardnekkigen tegenstand aan het staal der grafelijke wapenknechten, even als de muren van het kasteel aan blyde en stormram. Telkensvinniger trokken de Hollanders, by het schetteren der klaroenen, by het kraken en dreunen hunner geschut- en beukwerktuigen, ten storm; sloegen hunne ladders aan de wallen, en stegen by hoopen onder beschutting van het schilddak op—telkens werden zy met bebloede koppen te rug geworpen. Toch besliste eindelijk de overmacht: meer verbitterd dan ontmoedigd herhalen zy eenmaal weder den aanval; de verdedigers, misschien lijdende onder vermindering van leeftocht, blijken zwakker, deinzen, en—»Holland! Holland!” is de zegekreet, die binnenMontfoortswallen den val vermeld der burchtzaten, waarvan de meesten een beter lot verdiend hadden dan zy ondergingen: de bestormers, aan de hitte hunner strijdlust toegevende, velden hen allen op slechts twee na. Dus viel de bontgekleurde banier vanWoerden, die zich boven het roode kruis des Bisschops verheven had, en de klimmende liebaart vanHollandZag fier van de transen langs d’Yssel-boord rond:want de Graaf, het kasteel met den zwaarde gewonnen hebbende, deed het door zijne eigene wapentuurs bezetten. Er bestaat verschil omtrent de opgave van den tijd dezer gebeurtenissen; maar wanneer men alles naauwkeurig nagaat, moeten zy ongeveer in den nazomer van 1279, en in den voorzomer van 1280 hebben plaats gehad.Na de verzoening, tusschen den Bisschop en den Grave eenerzijds, en deAemstellaers4ter anderer zijde, op den 27enOktober 1285 tot stand gekomen, werden de veroverde kasteelen te rug gegeven, en kwamMontfoortalzoo weder in handen van den Bisschop.Tijdens deze voorvallen bevond zich onder de Edelen die GraafFlorisomringden een Brabantsch Ridder,HenricvanRodenofRoyen, jonger zoon uit het geslacht der Graven vanRoden, en om manslag uit zijn vaderland gevlucht. Hy moet de zelfde zijn, die in een brief van 1296Henricde Rover genoemd wordt, waarschijnlijk ten gevolge eener kwade lezing: eene andere opvatting is hier niet mooglijk, en een latereHenricvan dien naam, kleinzoon van BurchtgraafSwederden Eerste, zal wel aanleiding tot deze verwarring hebben gegeven.De zaak van den manslag droeg zich op volgende wijze toe. Terwijl HeerHenricvanRodenzich nog inBrabantbevond, stierf daar zijn oudste broeder, nalatende twee dochters, beide in den geest des tijds zeer vrome Jonkvrouwen, die hun vaderlijk erfgoed voor een groot deel aan godsdienstige doeleinden besteedden. Zoo stichtten zy drie halve Kanunnikdijen: teRoden, teHilvarenbeec, en teOirschot; begiftigden er elken Kanunnik met 100 Fransche schilden, en den Deken in elk der Kerken met 200 oude schilden. Dit alles ergerde op ’t hoogst HeerHenric, die haar erf-oom was, en, minder een vriend der geestelijken, de goederen der Heerlijkheid ongaarne zoo aanmerkelijk zag krimpen. Hy verbond zich met andere verwanten en eenige vrienden in de Meiery tot verzet; en de twist, daardoor ontstaan, werd zoo handdadig, dat er eenmaal twee Kanunniken het leven by inschoten. Het gevolg daarvan was, dat de heftige Ridder en de zijnen moesten vluchten, en huns levens lang ballingen vanBrabantblijven: sommigen begaven zich naarVlaanderen, en verbleven teBrugge, hy-zelf week naarHolland, en begaf zich tot GraafFlorisden Vijfde, by wien hy een goede ontfangst genoot. Ook schijnt hy er zich verdienstelijk te hebben gemaakt: ten minste het jammerde den Graaf, dat zoo fier een Heer van eigendommen en inkomen verstoken moest zijn; en toen de Stichtsche zaken in 1285 ten einde waren gebracht, vond hy eenige jaren later juist daarin eene geschikte gelegenheid om hem te helpen, op eene wijze, den Edelman waardig.De jongste dochter van den Burchtgraaf, die vóorHermanvanWoerdenMontfoortbezeten had, was nog in leven, en dewaardigheid heurs overledenen vaders onvervuld. GraafFloriswendde zich daarop tot BisschopJohanvanSyric, en wist door zijne voorspraak te bewerken, dat HeerHenricvanRodende hand der verweesde Jonkvrouwe vanMontfoortbekwam, en daarby tevens het Burchtgraafschap, op gelijke wijze en voorwaarde, als dit voorheen door haren vader en HeerHermanbezeten was geweest. De Bisschop verstond misschien daardoor: als gewoon-,Henricechter als erfleen, schoon ’t niet blijkt, dat een van beide zich daarover verklaard heeft.Die onvolledigheid in den verlijbrief: »alsoo vry als haer vader, ofte HeerHermanvanWoerdenoyt geweest hadde,” gaf evenwel aanleiding tot eene botsing metJohansopvolgerWillemvanMechelen, die zoo hoog liep, dat het in den aanvang van 1297 noodzakelijk werd geacht om er een einde aan te maken. Het moet gezegd, dat de Bisschop daarby hoogst onpartijdig te werk ging: hy kende zich het recht toe, om den Burchtgraaf te ontzetten en hem te doen vervangen wanneer hy zulks goed dacht; de Burchtgraaf hield daarentegen vast, dat hy zich Erf-Borchman op het Slot teMontfoortwist, en dat de goederen, tot het huis behoorende, zijn Erf-borch-leen uitmaakten, altoos, gelijk hy erkende, in dienst van het Sticht. Hy eischte daarom een dag, om zijne zaak voor goede Stichts-mannen te brengen. De Bisschop stemde hier in als naar goed recht toe, en beide beloofden zich aan de uitspraak onvoorwaardelijk te onderwerpen.Vrijdag voor Maria-Lichtmis, 1297, op het bestemde uur, verscheen de Burchtgraaf met zijne vrienden in de zaal van het Bisschoppelijk paleis teUtrecht, waar hy met den Bisschop ook de RiddersHubrechtvanBosinchen,GhysebrechtvanSchalcwijc,GhysebrechtutenGoye,HubrechtvanVyanen, enLambrechtde Frese vond, benevens de HeerenJacobvanLichtenberch,Herman TeutelaerenGhysebrecht Pellencussen, Schepenen der Stede, allen Sint-Maartens-mannen, die het verschil zouden beöordeelen en slechten. Beide partijen zetteden vervolgends hunne aanspraken uit een, en de Rechtzitters, hetgebrek aan bescheiden ziende, vonnisden: dat, wanneer de Burchtgraaf en nog twee Leenmannen van het Sticht, der zake kundig, met eede de wettigheid van zijn erfrecht op kasteel en goederen konden bevestigen, hy voor zich en zijne nakomelingen, in het rustig bezit daarvan blijven moest. Toen legde HeerHenricmet zijne getuigen de hand op een voorgebracht reliekkistjen, en deed den gevorderden eed, waarop zijn recht door allen werd erkend, en hy, ten bewijze daarvan, eene door den Bisschop en de Rechtzitters gezegelde oirconde ontfing.Hy bracht daarna den geslachtsnaam zijner gemalin op zijn oudsten zoon over, en kwartileerde zijn eigen wapenschild, bestaande uit een zilveren veld, beladen met drie molenijzers van keel, met dat van graafschap; de jongste zoon daarentegen behield den geslachtsnaam vanRoyen, en voerde op het zilveren veld een enkel molenijzer van keel.5In 1300 was BurchtgraafHenricniet meer in leven, en teMontfoortheerschte zijn oudste zoonSweder. Deze, zegt men, huwde met eene Jonkvrouwe vanHolland; maar het proza der geschiedenis wordt hier zoo ruw, dat wy ons gelukkig rekenen, het te kunnen verwisselen voor de poëzy der sage, die dus luidt:Een dochter van Holland.—»Gy Heeren! maakt u reê ten tocht,”»Wy zoekenHollandweer.”Zoo sprak in ’t hof vanEngelandGraafWillemsEdele Gezant,Volyvrig voor zijn Heer.Maar ijlings trad, met biddend oog,Een jonker hem ter zij.Die droeg in ’t oog een vurig hart;Een wapen, wit en rood en zwart,Gestikt op zijn kleedij.—»Ter wille van uw Edelvrouw»Die gy in ’t hart vereert—»Twee enkle dagen nog getoefd,”Zoo bad hy: »schoon ’t mijn ziel bedroeft—»En dan—naar gy begeert.”—»Die bede zy u toegestaan»Mijn Jonker vanMontfoort!”—En ijlings was de Jonker heen,Te paard, en voort, en gants alleen;Men wist niet naar wat oord.—AanMedwaysblaauwen waterstroomDaar rijst een landkasteel.Daar staart een Jonkvrouw van den trans.Heur lieflijk aanzicht blinkt van glans,Als ducht zy ’t lot niet veel.Nu wuift zy snel ten toren af,Met hoog-gebloosd gelaat:Een ruiter nadert, gants verhit...Zijn wapen, zwart en rood en wit,Gestikt op zijn gewaad.Hy stijgt van ’t paard—en ijlings op,En zy daalt ijlings neer.Hy klemt haar vrolijk aan zijn hart,En zy, van zoete vreugd verward,Zy stelt zich niet te weer.Hy sprak: »Een tijding droef—en blij:»Ras keer ik naar mijn land.»Nu zeg my,Ellen! dierbre Maagd!»Van wat geslacht den naam gy draagt,»En ’k spoed my om uw hand.”Zy bloost—zy siddert—zy ontzet—Zy slaakt een droeve kreet;Zy meldt met diepe droefenis:»Ik weet niet wie mijn moeder is,»Noch hoe mijn vader heet!....”—»Ik ben van onbetwijfeld bloed!”Zoo borst hy angstig uit:»Mijn vader is een Hooge Heer....»Toch,Ellen! toch—ik zie u weêr,»En als mijn dierbre bruid!”—Straks joeg een strijdros langs den wegDie recht naarLondengaat.Zijn Ruiter reed met rustloos hart;Een wapen, wit en rood en zwart,Gestikt op zijn gewaad.En later reed er, eer de schaaûwNog heenkroop naar het oost,Een droeve Jonkvrouw langs die baan.Toch blonk er door zoo menig traanEen stille hoop van troost.Zy wisselde in de ruime stadMet niemant woord of taal;Maar waar ’t arduin paleisbordes’t Blazoen droeg van de Rijks-princes,Daar steeg zy uit het zaal.Zy vroeg geen lijftrawant den weg,Geen knaap of kamervrouw:Zy ging er tot in ’t rijk klozet,En boog zich neêr, als ten gebed,Alleen met de Edelvrouw,Zy bad met woorden uit de ziel,Maar diepe eerbiedenis:»O zeg, Mevrouwe! hoog van staat,»Die my steeds gunstig gade slaat,»Zeg wie mijn vader is?”De Rijksprinces verschoot van blos,En siddrend boog ze saâm:»Wat raadslen,Ellen! vraagt ge my...»Wat weet ik wie uw vader zij?»Wie noemde me ooit zijn naam?”—En zichtbaar greep hetEllenaanMet zielsontroerenis;En dieper, dieper boog ze neêr,En schreide, en smeekte naamloos teêr:»Zeg wie mijn vader is.”—Dat brak het hart der Rijksprinces:Zy snikte op schellen toon:»Weet!...” maar toen duizelig en dof:»AanHollandsmachtig Gravenhof»Daar draagt hy-zelf de kroon!...”EnEllenbrak in jubel uit,En viel haar aan de borst.—»Dat andwoord, Vrouwe! loone u God:»Dat spelt me een eindloos zoeter lot»Dan ik ooit hopen dorst.»Neem nu mijn droef en blij vaarwel:»Ik trek naar ander oord;»En zoo gy ooit my wederziet,»Dan is ’t inHollandsrijksgebied,»En Vrouwe vanMontfoort!”Toen scheen de hooge Vrouwe een lijk;Maar zy verhief zich ras:»Gy gaat, gy gaat, met vrolijk hart...»Maar wat dan...” en zy kreet van smart:»Zoo ik... uwmoederwas?...”EnEllentrad versteend te rug:»Mevrouw! wat zegt ge my?»Gy, die steeds aan mijn eigen haard»My goedig—maar als vreemde waart,»Myn moeder,moedergy?”—Toen kromp het moederhart in een:»U afstaan!...” rilde zy:»Neen,Ellen! spreek dat woord niet weêr:»Al kostte ’t my mijn rang, mijn eer—»Kies tusschen hem en my!...”—»Ik heb... gekozen...” sprak zy zacht(Van smart bestierf heur stem):»Mijn moeder... heeft my... nooit bemind:»Zy was een vreemde voor heur kind.»Mevrouwe!... ik ga methem.”—Wie vraagt gehoor byHollandsGraaf?De Jonker vanMontfoort.—»Al wat ik Uw Genade breng,»Wanneer ze ’t my in gunst geheng,»Dat is een luttel woord:»Een groete van de Rijksprinces,»Een vorstelijke groet;»Daarby een bede, koen en stout:»Een Jonkvrouw,twintigjaren oud,»Die drukt ze u op ’t gemoed.—”GraafWillemsloot zijn kind aan ’t hart,Geroerd en blij te moê:»Nu spreek, mijn dochter! gul en rond:»Ik zie, een beê zweeft om uw mond;»’k Zweer u verhooring toe.”Wie vraagt nog, wat de Jonkvrouw badNa ’s Graven plechtig woord?Daar gingen luttel weken om,Toen was zy bruid; de bruidegomWasSwedervanMontfoort.Maar wie, wie schepen flux daarnaIn ’t heimlijk zich aan boord,En houden koers naar ’t Britsche strand?Het wapen, schittrend aan het want,Is ’t wapen vanMontfoort.Men vraagt, met hoofsche plechtigheid,Der Rijksprinces gehoor;Maar als geheel den gang bewust,Treedt de Edelvrouw vanHollandskustHeur eedlen gade voor.Zy knielde voor de Rijksprinces,Wel kinderlijk gezind:»Doof niet aan ’t Hof uw gloriekrans,»Maar, moeder! wees in ’t heimlijk thands»Gelukkig met uw kind!”SwedervanMontfoortgingen de weldaden vergeten, die zijne ouders van den Bisschoppelijken stoel hadden ontfangen, en die den grond tot zijne eigene grootheid hadden gelegd. By de oneenigheden tusschen BisschopWillemvanMechelen, die het algemeen leenrecht zeer goed kende, het byzondere onderzocht, en zijn vasallen zoowel op den fulpen als op den ijzeren handschoe zag, koosSwederde partij vanHubrechtvanVianen,JanvanLinschoten,JacobvanLichtenberch, en andere samenspannende Edelen, en was onder hen, die zich gerechtigd meenden den strengen Leenheer een halfjaar lang in zijne eigene stad gevangen te houden. De Bisschop ontkwam evenwel, en zocht zich, op Pauselijken last bygestaan door den Aartsbisschop vanKeulen, en nog veel meer vrijwillig door zijne getrouwe Overijsselaars, weder van zijne ongehoorzame stadUtrecht, waar de BurgemeesterJacobvanLichtenberchthands het hoogbewind in handen had, meester te maken. Eenige Hollandsche Ridders,DiedericvanWassenaer,Henric, Burchtgraaf vanLeyden,FilipsvanDuvenvoirde,SimonvanBenthem, enJacobvan derWoude, rukten daarop hunne dienstmannen by een, omLichtenberchter hulp te komen. Het gevolg daarvan was een vinnig gevecht op deHooge-woerd, eene vlakte, omstreeks den oever desOuden-Rijns. Met schetterende klaroenen en wapperende banieren was de Bisschop zijns vijands helpers tegen getrokken; reeds richtte hy er een geduchte slachting onder aan; reeds was een deel der tegenstanders te rug gedeinsd, en reeds vleide hy zich met eene volkomene overwinning. Toen klonk er op nieuw een trompet van de zijde vanMontfoort, en de banier, weldra boven de aanrukkende bende zichtbaar, vertoonde het schaakbord en de molenijzers gekwartileerd. Een juichkreet ging by de Hollanders op: er naderde een nieuwe bondgenoot met versche krijgers, »en daar begonste van niwes een groote strijt, want die vechters sloegen elc anderen ter neder, harde manlicken, om den seghe te vercryghen.” Maar de moedige Bisschop gaf het nog niet verloren: tweewerf reed hy dwars door het Hollandsche heir,als Bisschop kenbaar, als Ridder strijdende, en om zijne waardigheid door allen ontzien; maar toen hy het ten derdemaal waagde, viel hy als een offer zijner roekeloosheid, en werd verslagen. Deze strijd geschiedde op den 12enJuli, 1301.SwedervanMontfoorthad de overwinning aan de zijde der Hollandsche Ridders gebracht.In de eerste dagen des jaars 1353, terwijl BisschopJanvanArckelvoor het kasteelWoudenburch, en zijn Maarschalk voor dat vanRuwiellagen, zonden de RiddersJanvanCulemborchenGijsbrechtvanVianenhem een ontzegbrief, vielen roovende in zijn land, en verbrandden zijne dorpen en kasteelen. BurchtgraafSwederdeed daarin dapper meê, zonder dat wy weten of hy er oorzaak toe had; maarJanvanArckelwas geen Bisschop om het ongestraft toe te laten. Zoodra hy den overmoed des Jonkers vanWoudenburchgebogen, en het kasteel ten gronde toe vernield had, ordende hy op nieuw zijn leger, en trok op Sint-Pancraes voor de stad en het kasteelMontfoort, beide doorSwederbezet en verdedigd.De Bisschop had een geweldige stormkat met zich gebracht, en de bloedige bestormingstooneelen van 1280 gingen zich vernieuwen. Wakker en hardnekkig was de verdediging van den Burchtgraaf, maar by het beschouwen van de maatregelen des Bisschops, die zoowel van moed als van volharding getuigden, werd het hem evenwel een weinig angstig: hy begon de onmooglijkheid in te zien van een duurzaam verzet tegen een Opperheer van zoo krachtigen wil. Daarom zocht hy een algeheelen ondergang door onderwerping te voorkomen, en verzocht vrede en lijfsgenade; en de voorwaarden, waarop de Bisschop hem deze verleende, getuigen maar al te zeer van zijn benarden toestand. Dat hy, dien men om zijne groote goederenSwederden rijke noemde, eene belangrijke som gelds moest betalen, was in zich-zelf niet moeielijker dan het doen van een nieuwen eed van trouw, al stond beide hem tegen; maar het zwaarst van allen viel hem den gedwongen afstand van het hooge recht in de HeerlijkheidMontfoort, voor altoos, terwijl hy het lage recht niet als eigendom, maar slechts als leen van den Bisschop weder ontfing. Ook trad de staatkundige Prelaat, zichtbaar tot verkleining van des Burchtgraven aanzien en gezach, in een afzonderlijk verdrag met Schout, Schepenen en gemeene buren vanMontfoort, waarby deze beloofden de stad nimmer op eigen gezach te zullen omwallen, en met niemant, wie ’t ook zijn mochte, tegen hunnen rechten Landsheere, den Bisschop vanUtrecht, samen te spannen, op verbeurte van goed en eere.Het zij nu datSwederedel genoeg dacht, om ook eene door den nood afgeperste belofte gestand te doen, het zij de krachtige hand van den geduchten Bisschop hem zijns ondanks in toom hield—het blijkt niet, dat hy meer in eenig verzet is gekomen, en hy schijnt zich rustig te hebben gehouden tot aan zijn dood, die ook niet veel later kan zijn voorgevallen.Dat valt niet te getuigen van zijn oudsten zoonHenric6. Deze Burchtgraaf, die zich den tytel vanHeervanMontfoortaanmatigde, verbond zich omstreeks 1379 met den Maarschalk vanAbcou, HeerWillem, tegen BisschopFlorisvanWevelichoven, en eigende zich met kracht van wapenen de tienden van het Bisdom toe, terwijl hy zich daarby het hoogste recht over de ingezetenen toekende. Dat kon de Bisschop niet dulden. Hy begon met den wederspannigen Vasal van diens steun te berooven, en belegerde het slot vanAbcou; toen hy dit overmeesterd, en den Maarschalk tot onderwerping gedwongen had, wendde hy zich totHenricvanMontfoort, en daagde dezen voor den rechterstoel van het Sticht. Te vergeefs beriep de onberaden Burchtgraaf zich thands op den verdragsbrief van 1297: BisschopFloriswilde, als een voorzichtig Staatsman, een arm knotten, die hem in het midden van zijn eigen gebied meer dan gevaarlijkwerd, en thands de machtigste zijnde, maakte hy, als ’t gewoonlijk gaat, van die macht misbruik.Voor het generaal Kapittel verschenen, dat uit vertegenwoordigers van de Geestelijkheid, de Ridderschap, en de Steden van het Sticht bestond, werd de Burchtgraaf door den Bisschop beschuldigd, dat hy zich binnen de banne vanMontfoortmeer gezach aanmatigde dan hem toekwam; dat hy er het hooggerecht uitoefende; de lieden placht te dwingen, om in de stadMontfoortte komen wonen, en van daar niet weder te vertrekken; en dat hy zich schuldig maakte aan meer andere zaken, strijdende tegen de bisschoppelijke leenheerschappij.Henricverdedigde zich met kracht. Zijne voorouders, zeide hy, hadden reeds sedert honderd jaren en langer het betwist rechtsgebied van de Bisschoppen en de stadUtrechtin leen ontfangen en uitgeöefend; dat kon men bewijzen uit de opene brieven, daarvan zijnde, waarin alles breedelijk stond uitgedrukt. Wat men hem in betrekking daartoe aantichtte, was valsch, en hy-zelf derhalven onschuldig. Daarom was hy met de meeste gerustheid voor het Kapittel verschenen, en vorderde nu ernstig, dat zijne zaak zou worden uitgesproken volgends het Landrecht vanUtrecht, door den Bisschop, by diens komst aan het bestuur, bezworen, en ten gevolge waarvan deze gehouden was een iegelijk recht en vonnisse te doen, en niemant aan lijf of goed te vervolgen, dan na schuldig verklaring volgends recht en oordeel. Naar dit landrecht, of naar het algemeen Keizerlijk recht, verlangde de Burchtgraaf gevonnisd te worden; maar daarmeê ging onderzoek gepaard, dat, misschien, niet geheel ten nadeele des beklaagden leiden zou, en het blijkt uit alles, dat men niet voornemens was teonderzoeken, maar wel teoordeelen. De Bisschop bracht ten minste, zonder van eenige inzage van brieven te reppen, daar tegen in: dat de Burchtgraaf zich het hooge rechtsgebied willekeurig had aangematigd, en in meer andere zaken boven zijn gezach was gegaan, waarover voldoening gegeven moest worden. HeerHenricverklaarde die gaarne te willen geven—mitszijn schuld uit het onderzoek blijken zou. Toen geliet zich de Domdeken van het Sticht, alsof hy onpartijdig bemiddelaar wilde zijn, en vroeg den Burchtgraaf, of deze de uitspraak wilde stellen in handen van het algemeen Kapittel. MaarHenricwas te goed Ridder, om een slag verloren te willen geven eer er nog gestreden was: hy bleef bestendig by zijn beroep op het landrecht, of op dat des Keizers, en bood den Bisschop zelfs duizend Fransche schilden, indien hem »lantrecht geschien mogt, gelyk den minsten en den meesten van den lande.” En daar hem zulks niet werd toegestaan, verliet hy de vergadering, protesteerde openlijk, en klaagde dat men hem opzettelijk zijn recht onthield.Vertoonde de Bisschop zich hier in een niet volkomen gunstig licht, nog ongunstiger verschijnt hy ons in zijne volgende daden. Hy-zelf had HeerHenricverlijd met het Dijkgraafschap »tusscen dennywen-DamendeSevenhoven, dieLeckelangens, ende tusscen dennywen-DamendeHaestrecht, weder dieYsellangens,” gelijk dit van ouds Stichtsch eigendom geweest, en steeds door deMontfoortsal van over honderd jaren en meer, bezeten was; thands echter nam hy het weder zonder eenig vervolg van recht te rug, deed hem in den ban, en begon de Montfoortenaars op allerlei wijze te kwellen en te benaauwen met brandstichting, plundering, en gevangenneming. Hy dwong zijne Edelen, Leenmannen en Steden van ’t Sticht met den Burchtgraaf te breken; en al gehoorzaamden hem niet allen, hy wist toch op deze wijze een bondgenootschap te voorkomen, en zijn Leenman machteloos te maken. Toen naderde hy zijn doel; en als nu het kwade jaargetijde van 1387 voor goed geweken was, en de zachte aprils-dagen welhaast de naderende meimaand verkondigden, trok hy, den dag na Sint-Joris (23 April), met een sterk leger voorMontfoort. Daar deed hy eene reusachtige blyde oprichten, die steenen van wel dertienhonderd pond wierp, en stelde er zestien groote steenbussen, waarvan de minste honderd pond zwaarte schoot; de kleine bussen, hoewel zy wel degelijk in werkingwerden gebracht, telde men niet eens. Bovendien had hy zich voorzien van een aantal tuimelaars of schanskorven, van teenen gevlochten, om by de bestorming te dienen; twee katten echter, die hy mede had doen bouwen, deden weinig werking. Intusschen blijkt uit dit alles de geduchte sterkte van het kasteel, dat, niettegenstaande het daaglijks werd gebeukt en beschoten, met bussteenen geteisterd en met blydesteenen gepletterd, toch zestien weken lang de felle aanvallen weerstond, en een veilige toevlucht bood aan de verdedigers, die van hunne zijde niets onvergolden lieten, maar insgelijks, zoo wel met steenbussen als met klein geschut, hunnen vijanden groot nadeel toebrachten. Het gebrek zou evenwel datgene hebben bewerkt, waartoe zelfs de overmacht te onmachtig was, toen nog ter goeder ure de voormalige Utrechtsche, thands Luyksche, BisschopAernoutvanHoorn, oom van HeerHenricsgemalin, tusschen beide kwam, met voorstel om eene verzoening te bewerken. Dit werd door beide partijen aangenomen; maar de harde voorwaarden, waaronder de verdreven Burchtgraaf gedwongen werd het hoofd te buigen, spreken ook weder hier luide het wanhopige van zijnen toestand uit. Hoofdzakelijk komen zy hierop neder:Daar het hooggericht in de Heerlijkheid alleen mag geoefend worden door den Bisschop, zoo zullen de Burchtgraaf en zijne nakomelingen zich nimmermeerHeeren, maarBurchtgravenvanMontfoortschrijven. De stad en het kasteel zullen ten allen tijde voor den Bisschop en diens opvolgers opensta an, zoo dikwijls het hun gelust, daar te komen. Het zenden van indaag- en banbrieven, en al wat tot het geestelijk gericht behoort, zal vrij en ongehinderd in het Burchtgraafschap plaats vinden. De Burchtgraaf mocht de tienden niet meer stellen naar zijn goeddunken, maar hy moest ze verpachten, of doen mijnen; hy zou ook niemant meer dwingen zich teMontfoortneêr te zetten. Met betrekking tot het Dijkgraafschap zou nader uitspraak worden gedaan, maar de Burchtgraaf moest het huisgeld en andere belastingen, die hy in de Heerlijkheid ontfangen en nog niet verandwoord had, terstonduitbetalen; ook moest hy de oirconde van BisschopJanvanNassauaan den Luykenaar in handen geven, waarvoor hy een andere van BisschopWillemzou ontfangen, inhoudende de nieuw gemaakte bepalingen. Vervolgends moesten de wederzijdsche gevangenen uitgeleverd, door onbetaalde rantsoenen een streep gehaald, en dooden tegen dooden, roof tegen roof, brand tegen brand kwijtgescholden worden.Hiermede was echter nog niet alles afgedaan: de Burchtgraaf moest zich nog persoonlijke vernedering onderwerpen, wilde hy eenmaal weder hoogen staat voeren. Met twintig van zijne mannen moest hy komen, blootshoofds en in ’t openbaar, dragende in zijne hand de sleutels van het kasteel en van de stede, om die den Bisschop over te geven, daarby vergiffenis biddende voor zijn verzet, of een nieuwen eed van trouwe doende7. En totdat deze zoen geheel geregeld was, mits binnen den tijd van zes weken, zou hy zich met vijfentwintig man inUtrechtlegeren, terwijl gedurende dien tijd de banieren van den Bisschop vanUtrechten vanAmersfoortzoo wel op der stede als op des kasteels wallen bleven waaien, en zes Bisschoppelijke Edelen dit laatste zouden inhouden. Zoo ik nu den loop der hier verhaalde gebeurtenissen, in verband met de geslachts-opgave, wèl vat, dan komt het my voor, dat de Bisschop inmiddels tot Burchtgraaf benoemdeHenricvanMontfoort, HeerHenricsneef, die daarom van zijne anders denkende verwanten, of misschien van de verontwaardigde burchtzaten, den toenaam »de Rover” ontfing. Wy lezen ten minste: »dese HeerHenricde Rover, HeerWillemssoon, bleef doot in het besit vanMontfoort, t’welck Godt geklaegt moet syn, in het jaer doe men schreef 1387. des Vrydaechs nae Pinsterdach.”Was nu eenmaal de zoen gesloten, dan kon de Burchtgraafweer huiswaart rijden, frank en vrij, en zijn leengoed te rug nemen, maar bleef dan nog gehouden om, zoo hy werd opgeroepen, den Bisschop vanUtrechtte dienen, deszijds denIJsselmet 25 speeren8, op eigene kosten, en, des gevorderd, tot drie verschillende reizen toe.Op zoodanige voorwaarden verzoende zich de Burchtgraaf met zijn »lieven, geminden Heer”, en werd de oirconde daarvan bezegeld »dynsdags na S. Laurentius-dag (10 Aug.) 1387.” Nogtans verklaarde hy, en wel, zonderling genoeg, tevens in ’t volle kapittel, by zijn eed en ridderschap, dat hy ’t alleen deed uit bedwang en noodzakelijkheid, vreezende anders lijf, goed en onderzaten te moeten verliezen. Ook schijnt het werkelijk, dat er met betrekking tot het bovengemelde Dijkgraafschap een onrechtvaardig vonnis is geveld, blijkends des Ridders sterke bewoordingen in ’t kapittel.—»Daarmeê neem ik geen vrede,” sprak hy: »dat men het Dijkgraafschap den Bisschop, en niet my toe wijst. Zulk eene verklaring kan my in mijn recht niet benadeelen:—omdat allen, die hierover moeten zitten, niet tegenwoordig, en ook niet beroepen zijn geweest; omdat ik het onder den vorigen Bisschop reeds heb bezeten, zoo als mijne getuigen (maar die men niet gehoord heeft!) kunnen bevestigen; omdat vele Baanrotsen, Ridders, Schildknapen, Vasallen en Dienstmannen van het Sticht verklaard en gevonnisd hebben, dat mijn recht tot het Dijkgraafschap beter gegrond is dan dat des Bisschops, duidelijk thands blijkende, daar verschillende Baanrotsen, Ridders, en anderen, die hier ten oordeele hebben gezeten, ziende dat niet alle gerechtigden waren beroepen, het kapittel hebben verlaten, zonder vonnis te spreken; omdat, eindelijk, zelfs de openbare roep der gemeente my gelijk geeft, en erkent, dat mijne voorouders en ik sedert honderd jaar en langer in ’t bezit van het Dijkgraafschap zijn geweest.”Zijne verdediging blijkt echter niet te hebben gebaat; en in zoo knellende kluisters geprangd, moest hy, schoon van een hoog gemoed en onrustigen aart, zich wel onderwerpelijk houden: hy had de klaauw van den leeuw op zijn schouder gevoeld, en de lust tot terging was hem voor goed vergaan. De Bisschop daarentegen toonde by de eerste gelegenheid de beste, dat hy ernstig bedacht was, om zijn verkregen recht te handhaven: Nog in het zelfde jaar werd er binnenMontfoort, door zekerenJan JansvanBoemel, een manslag gepleegd op eenenArentdenSchermer; de Maarschalk van het Sticht trok de stad binnen, en maakte er zich meester van den moordenaar, die, naarUtrechtgevoerd, daar werd gevonnisd, en zijn schuld met het hoofd boette.VanHenricstwee zonen,Sweder, Ridder, enJan, Domdeken en Proost teUtrecht, volgde de oudste hem na zijn dood niet terstond op, als toch wel billijk ware geweest. BisschopFredericvanBlanckenheymweigerde dezen Edelman aanvankelijk met het leen te verlijen, en verklaarde in ’t openbaar, dat hy hem het recht, waarop hy aandrong, niet schuldig was, en dat het goed en leen verwillekeurd waren. Echter, ’t zij nu dat deze ongunstige beschikking van den Bisschop werkelijk gegrond was op zijn geloof aan zijn goed recht, het zij dat hy ze alleen voorwendde, ter strengere handhaving van zijn gezach—hy liet zich eindelijk door bidden en dreigen vanSwederen diens vrienden bewegen, om hem met het Burchtgraafschap te beleenen, maar—op de zelfde voorwaarden, waarop HeerHenricdat ontfangen had. HeerSwederbleef geen andere keuze, en hy onderwierp zich; men legde hem den zoenbrief zijns vaders voor, waarin die voorwaarden werden uiteengezet, en hy hing er zijn zegel aan, ten blijke dat hy ze bevestigde, 26 Mei 1405. De Bisschop, thands te vreden, beleende hem toen ook met het Dijkgraafschap, en hield verder het woord, waarby hy beloofd had »hem sonder sorge van gewelde” te zullen laten.ToenSweder, kort daarna, ongehuwd overleden was, hernieuwde zich de zelfde strijd. Zijn broederJan, de Utrechtsche Domdeken,had de kap aan den wand gehangen, en begeerde nu verlij der Heerlijkheid; hy kon echter niets meer verkrijgen dan de beleening van het Burchtgraafschap, waarmede hy eindelijk (1413) wijs genoeg was vrede te nemen, hoewel almede onder protest van zijnen kant. Weldra rees er dan ook verschil tusschen hem en BisschopFrederic, over het verbreken der overeenkomst van 1387, waarin GraafWillemvanHolland, als scheidsman, hem echter in ’t gelijk stelde.De goede verstandhouding werd sints niet weder verstoord; integendeel werd zy versterkt, toen in den aanvang van 1420 de oneenigheden tusschenUtrechten den slinkschenJanvanBeierentot dadelijken krijg overgingen, en deMontfoortersdes Bisschops partij kozen. In dezen oorlog maakte een van des Burchtgraven verwanten, HeerLodewijcvanMontfoort, zich door een wakker feit van wapenen vermaard:By een inval van die vanOudewaterin ’t Sticht, trokLodewijcin der haast teMontfoortzoo vele manschappen samen, als er uit de verdedigers van slot en stede gemist konden worden, en voerde deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand tegen. En, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijverVan der Beke, toen HeerLodewijcmet de zijnen hen ontmoette, gedroeg hy zich als een onvertsaagd Ridder, die den moed van een leeuw bezat, en reed op de vijanden in; en zijne voetknechten deden als heerlijk stoute mannen, en streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden zich mannelijk en stout, of zy Jonkers waren, en zoo werd er, niettegenstaande het getal volks aan beide zijden slechts klein was, kloek en wakker gestreden, want elk wilde gaarne het veld behouden. Maar die vanOudewatermoesten ’t eindelijk opgeven, en ruimden met een verlies van omstreeks 70 man aan dooden en gevangenen het veld, terwijl de Montfoorters in triomf met de buit binnen hunne stad keerden, »ende dancten Gode ende sinteMartyn, dat si mit sulker eeren ende mit sulcken gewin ontstaen waren.”Ook de Burchtgraaf-zelf deed de zaak der ongelukkige en trouwloos behandeldeJacobavanBeierenzoo menig goede dienst, dat zy hem uit erkentelijkheid de toezegging deed tot het verlij met drie Heerlijkheden, palende aan het Land vanMontfoort, namelijk:Linscoten,HekendorpenSnelrewaerd, die hy later, schoon eerst onderFilipsvanBorgondiën, 1440, ook werkelijk bekwam. Vóor dien tijd had hy ook bezittingen inHollandverkregen: de HeerlijkheidPurmerende, die hy in 1431 van den Ridder vanSijlhad gekocht.Onder hem raakte ook de verhouding van den Leenheer tot den Leenman, van den Bisschop vanUtrechttot den Burchtgraaf vanMontfoort, in eene omgekeerde verhouding van wat zy te voren geweest was. De aanleidende oorzaak hiertoe rees uit den strijd om den zetel, tusschenRudolfvanDiepholtenSwedervanCulemborch. De Burchtgraaf, by het verdrag tusschen BisschopFredericenJanvanBeierenbuiten gesloten, vond zich deswege verongelijkt en beleedigd, en dit was wellicht de oorzaak, waarom hy de zijde des door den Paus beschermden, maar door ’t groote meerendeel der Stichtenaars gehaten, BisschopsSwederkoos. Hy leende dezen, op zich-zelf onwaardigen, Prelaat de belangrijke som van 12000 Hollandsche Wilhelmsschilden9, en ontfing daarvoor ten jare 1430 in pandschap de hooge Heerlijkheid vanMontfoort, met uitdrukkelijke voorwaarden, dat de bepalingen van den ouden zoenbrief, die zoo dikwerf aanleiding tot twist en tweespalt hadden gegeven, nietig en krachteloos bleven, zoolang de voorgeschoten penningen niet werden te rug betaald. Van die aflossing kwam niet, en de Burchtgraven konden zich dus voortaan met volle recht betytelen: Heeren vanMontfoort, wat in onze ooren minder fraai moge klinken, maar destijds ongelijk hoogere aanspraken gaf, en veel minder afhankelijkheid vooruitstelde.HeerJanvanMontfoorthad alzoo door zijne rijkdommenverworven, wat zijne voorgangers zoo dikwerf te vergeefs door het zwaard hadden getracht te vermeesteren. Zijn verdere levensloop was daarom niet gelukkiger, maar werd integendeel verbitterd door een leed, dat te feller griefde, omdat het de hand van een kind was, die het sloeg.Uit zijn huwelijk metCunigondevanBronchorstwaren hem drie zonen geboren,Henric,Willem, enSweder.Henric, een heethoofdig en onberaden jongeling, had eene vurige genegenheid opgevat voorAgnesvanIJsselsteyn, zeer tegen den zin zijns vaders, omdat het huwelijksgoed der Jonkvrouwe van zoo weinig beteekenis was: hare bezittingen bestonden slechts in twee hoeven, de eene boven aanBlocland, de andere inBenscoep. Dat was te luttel om hun, nu zy, ondanks de bestaande bezwaren, zich toch in den echt verbonden hadden, een inkomen te geven naar hunnen stand; en de Burchtgraaf wilde van geene ondersteuning zijner zijds iets weten, en schijnt niet vreemd geweest te zijn aan het voornemen om zijnen ongehoorzamen zoon te onterven.De gevolgen waren droevig. Geperst door zijne bekrompene omstandigheden, kwamHenrictot het gruwzaam besluit, om zijnen grijzen vader te dwingen. Gants in ’t heimelijk bracht hy zyne aanhangelingen, waaronder voornamelijk de verwanten van zekerenJanvanNaerden, poorters vanWoerden, worden genoemd, allengs in zoo grooten getale op het kasteel, dat hy er eerlang geheel meester werd, alle dingen naar zijne hand zettede, en zijn vader »jammerlycken en deerlycken” gevangen hield. Zyn broederWillem, wien dit verdroot, begaf zich, daar de Bisschop door verdeeldheid met diens eigene onderdanen machteloos was, naarHolland,en klaagdeFilipsvanBorgondiënwat er teMontfoortplaats greep. De Hertog begaf zich daarop, in het belang van den ouden Burchtgraaf, dien hy in 1439 zijn getrouwen Raad en Kamerling noemt, derwaart, en bracht de schandelijke zaak tot een vergelijk, waarbyJohanin het bezit zijner goederen hersteld en bevestigd werd, ondervoorwaarde, dat hy JonkerHenricnoch onterven, noch ook maar een deel van diens toekomende goederen vervreemden zou. Leest men echter daarby op eene andere plaats: »deselve HeerJohan Voorsz. sterf daer nae in de gevangenis, Anno 1448, op sanct Anthonis dach,” dan heeft men zeker niet ongegronde reden om te gelooven, datHenricin zyn onwaardig gedrag is voortgegaan, en, op zijn zachtst gesproken, het gezach over ’t Burchtgraafschap in handen gehouden heeft, zonder zich aan de gemaakte bepalingen te storen.In geen gunstiger licht komt verder ook het karakter van zijn broederWillemvoor. Deze had zich door dorperlijke aanslagen teUtrechtzoo gehaat, en te gelijk bevreesd, gemaakt, dat de Raad dier stad in 1445 een prijs uitloofde van duizend Borgoensche schilden voor die hem dood, van drie duizend voor die hem levend in hunne handen stelde; daarby werd der burgerij tevens op lijf en goed verboden, om in eenige verstandhouding met hem te zijn. De listige staatkunde evenwel vanFilipsden Goede, die in de toekomst alreeds den opengevallen bisschopszetel door zijn bastertzoonDavidzag bekleeden, sloot zich denMontfoortersaan, en maakte hen, door een verbond van onderlingen bystand met hem en de Edelen vanMynden,Zuylen,Cronenborchen anderen, waarby zich ook de StadAmersfoortvoegde, zoo machtig, dat zy weldra eene geduchte partij vormden, en BisschopRudolfde hand konden bieden, om hem weder in ’t bezit zijner met hem in oneenigheid geraakte stad te brengen, en op deze wijze zelf invloed op de Stichtsche zaken te erlangen. De Utrechtenaars verfoeiden den slechten zoon; de Bisschop echter schold hem de schuld jegens zijn kort te voren overleden vader kwijt, en onthief hem van den ban, maar deed hem toch eene belangrijke boete betalen.WillemvanMontfoorthield, na de bevrediging doorFilips, geheel de zijde zijns broeders, en beproefde, door zich met eenige speerruiters naby de wallen vanUtrechtte vertoonen, eene opschudding binnen de Stad tenvoordeele vanRudolfte verwekken, wat echter door de waakzaamheid van den Raad mislukte.En toch verkreeg de Bisschop reeds het volgende jaar wat hy zocht.Zaturdag voor St. Blasius, 1449, was, volgends jaarlijksche gewoonte, het bestuur binnenUtrechtveranderd, en de poorters hielden, almede naar oud gebruik, vrolijken avond, met feestmalen en drinkgelagen. Wie daar evenwel niet in deelden, waren de aanhangers van den Bisschop. Onder bedekking der luidruchtigheid van het feestrumoer, waarby de zorgvuldigheid der wacht veronachtzaamd werd, brachten zy eenige moddervletten in de buitengracht, tusschen de Wittevrouwenpoort en den Plompentoren, wel wetende wat de Bisschop, dien zy in ’t heimelijk verwachtten, daarmede zou aanvangen. De nacht kwam—en, in hare duisternis verborgen, ook BisschopRudolf. Met hem waren zijn neef ProostCoenraadvanDiepholt, de DomproostSwedervanCulemborch, BurchtgraafHenric, en andere Edelen en Geestelijken, benevens eene bende krijgsvolk. Allen naderden in de grootste stilte. Een deel der krijgers stak in de vaartuigen de gracht over, en drong door eene ijlings in den muur gegravene opening de stad binnen, brak daarop de Wittevrouwenpoort open, en gaf den Bisschop met diens volgers den toegang. De Utrechtenaars, door ’t gerucht en de kreten thands gewekt, klepten de noodklok, liepen ondanks het nachtelijk donker te wapen, en verzetteden zich met kracht. Een onstuimig gevecht greep plaats in de Schoutensteeg; en, waren de Amersfoorters die vanUtrechtniet in den rug gevallen—de Bisschoppelijken hadden de stad waarschijnlijk niet behouden.Rudolfbehaalde de overwinning, maar werd zwaar aan het been gekwetst, zoodat hy sints altoos mank ging. Ook de Burchtgraaf bekwam eene kwetsuur, die echter niet van belang schijnt geweest te zijn, en niet in aanmerking kwam by de voordeelen, die uit zijne verzoening met den Bisschop voortvloeiden, enwaarin natuurlijk zijn broederWillemdeelde, wiens banvonnis door den Stedelijken Raad terstond herroepen werd.Na den dood van BisschopRudolfschijnen de broeders minder eenstemmig geweest te zijn: HeerWillemwordt gevonden op de lijst dergenen, wien, als tegenstanders van BisschopGijsbrechtvanBrederode, in 1456 by klokkeslag de stad werd ontzegd; terwijl de Burchtgraaf in dat zelfde jaar voorkomt onder de Edelen, die zich, hoewel vruchteloos, metReynoutvanBrederodeenJohanvanClevenaarLeydenbegaven, om HertogFilipsmet den Bisschop en diens stad te bevredigen.Twee jaar later, 1458, overleedHenric, en werd opgevolgd door zijn zoonJohanden Tweede, bekend onder den naam vanJohande Rijke, thands Heer vanMontfoort,LynschotenenPurmerende, en, door zijn huwelijk metWillemyne, Erfdochter vanNaeltwyc, na 1496 tevens Heer vanNaeltwyc,CappelleenWateringhe, en Erfmaarschalk vanHolland. Het verlij metMontfoort, dat in 1461 plaats vond, geschiedde weer geheel en al op de oude voorwaarden, volgends »alle punten ende articulen, die inder zoenen, die tusschen den eerwaerdigen in Goide HerenFlorensvanWevelkoven, BisscopteUtrechtan die een zyde, ende HeerenHenrickBorchgrave totMontfoirdean die ander zyde, gededingt was, begrepen syn.” Intusschen was hier het hoogheerlijkheidsrechtnietonder begrepen, en bleef de Burchtgraaf altijd een der machtigste vasallen van het Bisdom, en van grooten invloed op den loop der Stichtsche zaken. Aanvankelijk liet hy zich daar echter niet veel meê in, en onttrok zich zelfs eenigen tijd geheel en al aan zijn vaderland, door een tocht naar het Heilige Land, van waar hy in 1469 te rug keerde. De oversten der gilden teUtrechtgaven hem toen, met goedkeuring der Magistraat, een bewijs van hunne vreugde over zijn behouden wederkomst, door hem een maaltijd aan te bieden, die door den Domproost, door HeerJanvanRenesse, en andere voorname leden van Adel en Geestelijkheid, benevens onderscheidene leden van den ouden en nieuwen Raad der stad werd bygewoond,en waarvan de onkosten aan spijzen, gebakken, confituren, geleien, en wijn, eene som van 10 rijnsguldens (ƒ 13.) en 14 stuivers beliepen.BisschopDavidvanBorgondiën, die niet zeer by zijne poorters gezien was, mag uit hunne goede gezindheid jegens den Burchtgrave wel eenige achterdocht geraapt hebben10; hy vond ten minste goed om hem naauwer aan zich te verbinden, en ontfing van hem eene verzekering van trouwe als vasal en onderdaan, by gezegelden brieve van 1474.Johangaf die verklaring toenmaals misschien gants in oprechtheid en ter goeder trouwe; maar de Bisschop had wijzer gehandeld, wanneer hy, in plaats van zich op dergelijke verbindtenissen met zijne Edelen te steunen, zijne onderzaten in ’t algemeen minder van zich verwijderd, en zijn Borgondische willekeur meer ingetoomd had; hy deed dit evenwel niet—en het gevolg daarvan was eene openbare breuke met zijne stadUtrecht, die in 1477 den Burchtgraaf tot haren Hoofdman verkoos.Johanwas voorzichtig genoeg, om zich niet terstond binnenUtrechtte vestigen, maar liet zich eindelijk overhalen, en was er toen ook ten eenenmale meester, zoodat de Raad niets ondernam dan met zijn voorkennis en medeweten, hetgeen zelfs op de zaak der Hoekschen inHolland, die hy ten sterkste toegedaan was, gunstig inwerkte. ToenReyniervanBroechusenin 1481 de stadLeydenvoor die partij niet langer behouden kon, maar heimelijk in de nacht vertrok, spoedde hy zich overWoerdennaarMontfoort, wel wetende daar eene goede ontfangst te zullen vinden. Hy bedroog zich niet, hoewel de Burchtgraaf afwezig was, en de trouw der Montfoorters terstond op eene zware proef werd gesteld. De AartshertogMaximiliaanvanOostenrijkzette hem, met ongeveer 600 krijgsknechten, byna op den voet na, kwam voor de stad, eischte vrijen ingang,en daarby de uitlevering van HeerReyniermet diens manschap. Hy ontfing nogtans een ander andwoord dan hy verwacht had: die vanMontfoortstelden zich te weer, en deden hunne donderbussen en serpentynen dapper op de Hollandsche benden spelen, zoodatMaximiliaanzelf byna door een serpentijnkogel gekwetst werd. Vertoornd trok hy daarop, schoon ’t Palmzondag was, te rug, maar niet zonder op dien keertocht eenige dorpen en gebouwen, tot de eigendommen vanMontfoortbehoorende, aan de vlammen te hebben opgeofferd. Ook was hy naauwelijks weder in denHage, of hy vaardigde tegenBroechusen,HenricvanNyevelten anderen, waaronder ookJohanbehoorde, een banvonnis uit, daarby hunne goederen, voor zoo ver zy onder zijn gebied lagen, verbeurd verklarende. Den Burchtgraaf kwam dit op het verlies zijner HeerlijkheidPurmerendete staan, met wier inwoners hy trouwens reeds sedert 1470 op onaangenamen voet stond.Maximiliaansmaatregelen van ontzeg en in beslagneming strekten zich ook over de Stichtenaars uit, die zich thands ernstig ongerust maakten, en den Bisschop gezanten zonden, om diens voorspraak by den Aartshertog af te bidden.Davidstelde ter voorwaarde de uitdrijving van den Burchtgraaf, ’tgeen den Raad in groote ongelegenheid en tweespalt bracht, en ten gevolge had datJohan, die in den laatsten tijd steeds van een twintigtal lijftrawanten omringd was, allen verzamelde die hem getrouw waren, met hen en zijn neefHenricvanZuylen van Nyeveltvoor het stadhuis trok, waar hy de stads banier plantte, en de poorters op het kleppen der buurkerkklok te wapen deed snellen. Terstond openbaarden zich twee partijen; het kwam tot handdadigheid; het staal besliste—de Burchtgraaf verdreef zijn tegenstanders, en werd volstrekt meester van de stad.Thands was de oorlog zoo goed als verklaard. De Bisschop trok, half genoodzaakt, de zijde vanMaximiliaan, steldeFrederycvanEgmond van IJsselsteyn, die zich met 200 man tot hem begeven had, als Legeroverste aan, ontfing uitHolland, behalven400 wapenknechten onderJanvanCatsenJacobvanBoshuzen, den bekenden RidderPetit Salisart, met 34 Biscaysche boogschutters, en deed al het mogelijke, om zijnen ongehoorzamen onderdanen afbreuk te doen en hen te verzwakken. Onderhandelingen, door deze laatsten met den Aartshertog aangeknoopt, leidden zoo weinig tot bevrediging, dat een Hollandsch heir van ruim 8000 man, onder opperbevel van den StadhouderLa Layng, in October 1481 het Sticht binnentrok, en den 10endier maand het beleg sloeg voor het blokhuis teVreeswijcaan de vaart, dat op des Burchtgraven last gesticht was. Zoodra die vanUtrechtde noodvuren der belegerden hadden bespeurd, deed de Burchtgraaf terstond de reizige-ruiters11en voetknechten uitMontfoortenAmersfoortlichten, voegde daar soudenieren en poorters by, en trok, met zijn oomSwedervanMontfoort,HenricvanZuylen van Nyevelt,DircvanZuylen van der Haer,VincentvanSwanenburch, enWillemvanWachtendonck, aan het hoofd van 3500 man den belegeraars tegen. Nadat het leger byEngelenburchwas gerangschikt, werdenVincent,Willem, enDirc(Henricweigerde die eer) Ridder geslagen, en trok men de vijanden stout en welgemoed tegen. Deze meenden aanvankelijk dat het de Bisschop met zijne afgesprokene versterking was, maar zagen weldra hunne misvatting in, en stelden zich haastig te weer. Eene achterwaartsche beweging hunner eigene reizige-ruiters by den eersten aanval reeds als wijken aanziende, werden zy echter door een plotselijke schrik bevangen, en sloegen ijlings in de grootste verwarring op de vlucht. Op de wegen naarSchoonhoven,Oudewater,Woerden, enIJsselsteyn, stoven de vliedenden voort, en wierpen hunne wapenen van zich; velen vloden de uiterwaarden op, en verdronken in deLeck; de krijgshoofden, wie bidden noch dreigen om hen tot staan te brengen hielp, werden medegesleept. Van tien ure des morgens tot in het duister van den laten avond zettendenMontfoorten de zijnen hen na, en bekwamen een belangrijke buit aan wapenen, krijgsvoorraad, geld, en gevangenen. Met een honderdtal dezer laatsten, en de veroverde vanen vanDordrecht,Delft,Rotterdam, enHeusden, trokken zy in triomf hunne stad weder binnen. Des Burchtgraven gezach was er merkelijk door gestevigd, hoewel de bedaarden zich door dezen aanvankelijken voorspoed niet lieten misleiden, maar zeer goed inzagen, dat drie Utrechtsche steden niet tegen de Nederlandsche Hertogdommen en Graafschappen, de Burchtgraaf vanMontfoortniet tegen den Aartshertog vanOostenrijk, op den duur bestand waren. De inmiddels nog hangende onderhandelingen over den vrede werden thands door de stoutere eischen der Utrechtenaren afgebroken; want de Burchtgraaf, zegt men, verklaarde: dat hy liever de velden verwoest, en de ploegschaar door de grondvesten der stad zou zien gaan,—dat hy en zijne aanhangers liever den nood van honger, pest, en andere kwalen wilden ondergaan, ja lijden dat alle poorters met hen werden verdelgd, dan dáarin toe te geven, datUtrechtongeschonden onder de heerschappij van BisschopDavidzou te rug komen.
GodfriedvanRhenen, Bisschop vanUtrecht, was geen man des vredes; zijne regeering (1156–1178) is ten minste een aaneenschakeling van oorlogen te noemen. Even fier van moed, als reusachtig van lichaam1, gaf hy het den belagers van het bloeiende Sticht, die hy zoowel onder zijne vasallen als onder zijne naburen vond, volstrekt niet gewonnen; en om het aan zijne zorg toevertrouwde gewest beter te kunnen beveiligen, onderzocht hy met een scherp oog naar de zwakste plaatsen, waarlangs den vijand het indringen gemakkelijk viel, en deed er sterkten bouwen, die by den eersten aanval niet licht zouden bezwijken. Om de muitzieke Edelen vanAemstelin bedwang te houden, stichtte hy een kasteel teWoerden. Om de Friesche grenzen te dekken, deed hy er een teVollenhovenbouwen; en tegen de Gelderschen richtte hy byRhenenhet geduchte kasteelter Horstop. Hy had echter een te goeden blik in den toestand des lands geworpen, om niet te zien, dat de verdedigingsmaatregel nog slechts ten deele was uitgevoerd, zoolang de Hollandsche zijde niet gesloten werd. De geschiktste plaats hiertoe scheen hem de landstreek beöostenOudewater, aan den linkerYssel-oever, tegenover hetYssel-veld, en slechts drie uren van zijn zetelstad verwijderd; hier verrees dan omstreeks 1174 op zijnenlast het sterke slot, dat, zoo men wil, door hemMons fortiswerd genoemd, maar waarvan zeker is, dat het weldra onder den naam vanMontfoertofMontfoortbekend staat.
Het slot te Montfoort.Het slot te Montfoort.
Het slot te Montfoort.
Ongetwijfeld werd dit kasteel terstond na zijne voltooiïng in handen gesteld van een Burchtvoogd of Kastelein, aan het hoofd eener genoegzame bezetting, om de invallen en strooperijen der Hollanders af te weeren en te keer te gaan. Van deze Kasteleins, die spoedig den tytel van Burchtgraaf verkregen, wordt echter met name geen melding gemaakt voor 1227, wanneer wyEveraertBurchtgraaf vanMontfoortvinden, die tot wapen voerde een schaakbord, met ruiten van zilver en sabel of zwart, blijkends het zegel, dat hy als getuige aan een brief van BisschopOttovan derLippehing. Vervolgends wordt er gewach gemaakt van eenenWillem, zonder bepaling of hy tot het geslacht zijns voorgangers behoorde, en daarna, in een brief van BisschopHenricden Eerste, 1260, van den BurchtgraafWouter,Geraertszone uit den huize van derGoude.
Dan trekken de nevelen der onzekerheid allengs wech, en treden de handelende personen op het tooneel der gebeurtenissen in een meer helder licht ons voor het oog.
BisschopJohanvanNassau, die van 1267 tot 12882regeerde, was een goedhartig mensch, maar een volstrekt ongeschikt regent. Een kerkelijk historieschrijver heeft de geschiedenis van dat bestuur zeer zakelijk en naar waarheid samengevat in deze regelen:
»Geduurende al den tijd van zijne regeeringe is ’t er zeer holbollig in het Bisdom toegegaan. De regeering van ’t gemeenebeste is tenemaal t’onderste boven gekeert; de edelen en groote Heeren zijn ter stede uytgejaagt; de Regenten en de Magistraat van toen af, en zederd altijd, uyt het gemeene volk gekozen;ambachtsgilden ingestelt, die zedert het opzigt over de stad en de Majestraat gehad hebben; ja het zegel zelf van de stad is verandert geweest.”
Trouwens—er was een vaste hand noodig in die dagen, toen by het volk besef van natuurlijke rechten begon te ontwaken, de steeds naar macht grijpende Adel, dat volstrekt zocht te onderdrukken, en de Vorst, in het midden der soms in den volsten zin des woords strijdende partijen geplaatst, tegen de aanmatiging des laatsten de rechten van het eerste steunde—om er dikwijlszelf, het zij reeds in zich, het zij eerst in zijne nakomelingen, het slachtoffer van te worden.
Eener ongeschikte regeering mangelt het gewoonlijk aan geld. Zoo ging het ook BisschopJohan; en by een der maatregelen tot voorziening hierin, verpandde hy twee Stichtsche kasteelen, het slotVreelanden dat vanMontfoort, welks Burchtgraaf overleden was, aan twee met elkander zeer bevriende en voor hunnen Leenheer allergevaarlijkste vasallen van het Bisdom:GijsbrechtvanAemstel, enHermanvanWoerden. Het onvoorzichtige dezer handelwijze kwam weldra ten duidelijkste aan den dag, toenGijsbrechtbyVreelandeen tol hief, tot groot bezwaar der handeldrijvende Stichtenaren. Wel bood de Bisschop, door de zijnen hierover zeker niet weinig lastig gevallen, terstond de teruggave der pandpenningen aan—maar hier had de Aemstellander geen ooren naar; en toen de getergde Bisschop in ’t eind de wapenen opvattede, om den valschen Leenman te tuchtigen, riep deze de hulp van zijn waardigen bondgenoot, den nieuwen Burchtgraaf vanMontfoortin.HermanvanWoerdensammelde niet lang, en kwam met eene aanzienlijke krijgsbendeAemstelsleger versterken, waarop zy, aldus toegerust, samen den Bisschop, by denSoestereng, tegentrokken.Gijsbrecht, aan het hoofd van den voortocht, leed eene geduchte nederlaag, en velen der zijnen werden gevangen of verslagen; maarWoerden, daarop met zijne versche benden uitHollandaanrukkende, keerde weldra de kans van den strijd ten nadeele der Bisschoppelijken. OfschoonWoerdenreeds in den eersten aanval zwaar gekwetst werd, verdedigde hy zich evenwel nog »vromelic”; en zijne krijgers, zijn voorbeeld volgende, en verbitterd wellicht over het ongeval huns aanvoerders, gaven zijnen vijanden de nederlaag: BisschopJohanverliet in haaste het veld, met verlies van vele kloeke strijders, waaronder vooralStevenenFrederykvanZuylenmoeten hebben uitgemunt, en bergde zich binnenAmersfoort.
In het pijnlijk gevoel zijner onmacht riep hy toen den strijdbaren Hollander, GraafFlorisden Vijfde, te hulp; en het bleek, dat hy thands ten minste eene goede keuze gedaan had.Floriszond den beiden Edelen een ontzegbrief, en rukte spoedig voorVreeland; zijne moedige Zeeuwen, onderCostijnvanRenesse, sloegen den tot ontzet aangesneldenGijsbrechtgeheel, en namen hem zelfs gevangen;ArentvanAemstelzag zich toen genoodzaakt tot de overgave vanVreeland, enFloris, na het kasteel van eene Hollandsche bezetting voorzien te hebben, sloeg den weg in naarMontfoort.
Hier hadHermanvanWoerdenhem niet afgewacht. ’s Graven krijgsmacht duchtende, had hy het kasteel versterkt en van manschap en leeftocht wel voorzien, maar was toen ook uit het land geweken, om veilig het einde te kunnen afwachten. De »magnelen ende andere instrumenten omme dat slot dair mede te que tsen ende te vernielen”3, die reeds voorVreelandhadden gediend, werden ongetwijfeld ook voorMontfoortgebezigd, want de Graaf deed byna daaglijks storm blazen en den muur beuken. Toen bleek het, datGodfriedvanRhenengoede bouwmeesters in ’t werk gesteld, en te gelijk, datHermanvanWoerdenzijne ongerechte zaak toch aan goede handen toevertrouwd had: byna een jaar lang boden de belegerden een moedigen en hardnekkigen tegenstand aan het staal der grafelijke wapenknechten, even als de muren van het kasteel aan blyde en stormram. Telkensvinniger trokken de Hollanders, by het schetteren der klaroenen, by het kraken en dreunen hunner geschut- en beukwerktuigen, ten storm; sloegen hunne ladders aan de wallen, en stegen by hoopen onder beschutting van het schilddak op—telkens werden zy met bebloede koppen te rug geworpen. Toch besliste eindelijk de overmacht: meer verbitterd dan ontmoedigd herhalen zy eenmaal weder den aanval; de verdedigers, misschien lijdende onder vermindering van leeftocht, blijken zwakker, deinzen, en—»Holland! Holland!” is de zegekreet, die binnenMontfoortswallen den val vermeld der burchtzaten, waarvan de meesten een beter lot verdiend hadden dan zy ondergingen: de bestormers, aan de hitte hunner strijdlust toegevende, velden hen allen op slechts twee na. Dus viel de bontgekleurde banier vanWoerden, die zich boven het roode kruis des Bisschops verheven had, en de klimmende liebaart vanHolland
Zag fier van de transen langs d’Yssel-boord rond:
Zag fier van de transen langs d’Yssel-boord rond:
want de Graaf, het kasteel met den zwaarde gewonnen hebbende, deed het door zijne eigene wapentuurs bezetten. Er bestaat verschil omtrent de opgave van den tijd dezer gebeurtenissen; maar wanneer men alles naauwkeurig nagaat, moeten zy ongeveer in den nazomer van 1279, en in den voorzomer van 1280 hebben plaats gehad.
Na de verzoening, tusschen den Bisschop en den Grave eenerzijds, en deAemstellaers4ter anderer zijde, op den 27enOktober 1285 tot stand gekomen, werden de veroverde kasteelen te rug gegeven, en kwamMontfoortalzoo weder in handen van den Bisschop.
Tijdens deze voorvallen bevond zich onder de Edelen die GraafFlorisomringden een Brabantsch Ridder,HenricvanRodenofRoyen, jonger zoon uit het geslacht der Graven vanRoden, en om manslag uit zijn vaderland gevlucht. Hy moet de zelfde zijn, die in een brief van 1296Henricde Rover genoemd wordt, waarschijnlijk ten gevolge eener kwade lezing: eene andere opvatting is hier niet mooglijk, en een latereHenricvan dien naam, kleinzoon van BurchtgraafSwederden Eerste, zal wel aanleiding tot deze verwarring hebben gegeven.
De zaak van den manslag droeg zich op volgende wijze toe. Terwijl HeerHenricvanRodenzich nog inBrabantbevond, stierf daar zijn oudste broeder, nalatende twee dochters, beide in den geest des tijds zeer vrome Jonkvrouwen, die hun vaderlijk erfgoed voor een groot deel aan godsdienstige doeleinden besteedden. Zoo stichtten zy drie halve Kanunnikdijen: teRoden, teHilvarenbeec, en teOirschot; begiftigden er elken Kanunnik met 100 Fransche schilden, en den Deken in elk der Kerken met 200 oude schilden. Dit alles ergerde op ’t hoogst HeerHenric, die haar erf-oom was, en, minder een vriend der geestelijken, de goederen der Heerlijkheid ongaarne zoo aanmerkelijk zag krimpen. Hy verbond zich met andere verwanten en eenige vrienden in de Meiery tot verzet; en de twist, daardoor ontstaan, werd zoo handdadig, dat er eenmaal twee Kanunniken het leven by inschoten. Het gevolg daarvan was, dat de heftige Ridder en de zijnen moesten vluchten, en huns levens lang ballingen vanBrabantblijven: sommigen begaven zich naarVlaanderen, en verbleven teBrugge, hy-zelf week naarHolland, en begaf zich tot GraafFlorisden Vijfde, by wien hy een goede ontfangst genoot. Ook schijnt hy er zich verdienstelijk te hebben gemaakt: ten minste het jammerde den Graaf, dat zoo fier een Heer van eigendommen en inkomen verstoken moest zijn; en toen de Stichtsche zaken in 1285 ten einde waren gebracht, vond hy eenige jaren later juist daarin eene geschikte gelegenheid om hem te helpen, op eene wijze, den Edelman waardig.
De jongste dochter van den Burchtgraaf, die vóorHermanvanWoerdenMontfoortbezeten had, was nog in leven, en dewaardigheid heurs overledenen vaders onvervuld. GraafFloriswendde zich daarop tot BisschopJohanvanSyric, en wist door zijne voorspraak te bewerken, dat HeerHenricvanRodende hand der verweesde Jonkvrouwe vanMontfoortbekwam, en daarby tevens het Burchtgraafschap, op gelijke wijze en voorwaarde, als dit voorheen door haren vader en HeerHermanbezeten was geweest. De Bisschop verstond misschien daardoor: als gewoon-,Henricechter als erfleen, schoon ’t niet blijkt, dat een van beide zich daarover verklaard heeft.
Die onvolledigheid in den verlijbrief: »alsoo vry als haer vader, ofte HeerHermanvanWoerdenoyt geweest hadde,” gaf evenwel aanleiding tot eene botsing metJohansopvolgerWillemvanMechelen, die zoo hoog liep, dat het in den aanvang van 1297 noodzakelijk werd geacht om er een einde aan te maken. Het moet gezegd, dat de Bisschop daarby hoogst onpartijdig te werk ging: hy kende zich het recht toe, om den Burchtgraaf te ontzetten en hem te doen vervangen wanneer hy zulks goed dacht; de Burchtgraaf hield daarentegen vast, dat hy zich Erf-Borchman op het Slot teMontfoortwist, en dat de goederen, tot het huis behoorende, zijn Erf-borch-leen uitmaakten, altoos, gelijk hy erkende, in dienst van het Sticht. Hy eischte daarom een dag, om zijne zaak voor goede Stichts-mannen te brengen. De Bisschop stemde hier in als naar goed recht toe, en beide beloofden zich aan de uitspraak onvoorwaardelijk te onderwerpen.
Vrijdag voor Maria-Lichtmis, 1297, op het bestemde uur, verscheen de Burchtgraaf met zijne vrienden in de zaal van het Bisschoppelijk paleis teUtrecht, waar hy met den Bisschop ook de RiddersHubrechtvanBosinchen,GhysebrechtvanSchalcwijc,GhysebrechtutenGoye,HubrechtvanVyanen, enLambrechtde Frese vond, benevens de HeerenJacobvanLichtenberch,Herman TeutelaerenGhysebrecht Pellencussen, Schepenen der Stede, allen Sint-Maartens-mannen, die het verschil zouden beöordeelen en slechten. Beide partijen zetteden vervolgends hunne aanspraken uit een, en de Rechtzitters, hetgebrek aan bescheiden ziende, vonnisden: dat, wanneer de Burchtgraaf en nog twee Leenmannen van het Sticht, der zake kundig, met eede de wettigheid van zijn erfrecht op kasteel en goederen konden bevestigen, hy voor zich en zijne nakomelingen, in het rustig bezit daarvan blijven moest. Toen legde HeerHenricmet zijne getuigen de hand op een voorgebracht reliekkistjen, en deed den gevorderden eed, waarop zijn recht door allen werd erkend, en hy, ten bewijze daarvan, eene door den Bisschop en de Rechtzitters gezegelde oirconde ontfing.
Hy bracht daarna den geslachtsnaam zijner gemalin op zijn oudsten zoon over, en kwartileerde zijn eigen wapenschild, bestaande uit een zilveren veld, beladen met drie molenijzers van keel, met dat van graafschap; de jongste zoon daarentegen behield den geslachtsnaam vanRoyen, en voerde op het zilveren veld een enkel molenijzer van keel.5
In 1300 was BurchtgraafHenricniet meer in leven, en teMontfoortheerschte zijn oudste zoonSweder. Deze, zegt men, huwde met eene Jonkvrouwe vanHolland; maar het proza der geschiedenis wordt hier zoo ruw, dat wy ons gelukkig rekenen, het te kunnen verwisselen voor de poëzy der sage, die dus luidt:
Een dochter van Holland.—»Gy Heeren! maakt u reê ten tocht,”»Wy zoekenHollandweer.”Zoo sprak in ’t hof vanEngelandGraafWillemsEdele Gezant,Volyvrig voor zijn Heer.
—»Gy Heeren! maakt u reê ten tocht,”
»Wy zoekenHollandweer.”
Zoo sprak in ’t hof vanEngeland
GraafWillemsEdele Gezant,
Volyvrig voor zijn Heer.
Maar ijlings trad, met biddend oog,Een jonker hem ter zij.Die droeg in ’t oog een vurig hart;Een wapen, wit en rood en zwart,Gestikt op zijn kleedij.
Maar ijlings trad, met biddend oog,
Een jonker hem ter zij.
Die droeg in ’t oog een vurig hart;
Een wapen, wit en rood en zwart,
Gestikt op zijn kleedij.
—»Ter wille van uw Edelvrouw»Die gy in ’t hart vereert—»Twee enkle dagen nog getoefd,”Zoo bad hy: »schoon ’t mijn ziel bedroeft—»En dan—naar gy begeert.”
—»Ter wille van uw Edelvrouw
»Die gy in ’t hart vereert—
»Twee enkle dagen nog getoefd,”
Zoo bad hy: »schoon ’t mijn ziel bedroeft—
»En dan—naar gy begeert.”
—»Die bede zy u toegestaan»Mijn Jonker vanMontfoort!”—En ijlings was de Jonker heen,Te paard, en voort, en gants alleen;Men wist niet naar wat oord.—
—»Die bede zy u toegestaan
»Mijn Jonker vanMontfoort!”—
En ijlings was de Jonker heen,
Te paard, en voort, en gants alleen;
Men wist niet naar wat oord.—
AanMedwaysblaauwen waterstroomDaar rijst een landkasteel.Daar staart een Jonkvrouw van den trans.Heur lieflijk aanzicht blinkt van glans,Als ducht zy ’t lot niet veel.
AanMedwaysblaauwen waterstroom
Daar rijst een landkasteel.
Daar staart een Jonkvrouw van den trans.
Heur lieflijk aanzicht blinkt van glans,
Als ducht zy ’t lot niet veel.
Nu wuift zy snel ten toren af,Met hoog-gebloosd gelaat:Een ruiter nadert, gants verhit...Zijn wapen, zwart en rood en wit,Gestikt op zijn gewaad.
Nu wuift zy snel ten toren af,
Met hoog-gebloosd gelaat:
Een ruiter nadert, gants verhit...
Zijn wapen, zwart en rood en wit,
Gestikt op zijn gewaad.
Hy stijgt van ’t paard—en ijlings op,En zy daalt ijlings neer.Hy klemt haar vrolijk aan zijn hart,En zy, van zoete vreugd verward,Zy stelt zich niet te weer.
Hy stijgt van ’t paard—en ijlings op,
En zy daalt ijlings neer.
Hy klemt haar vrolijk aan zijn hart,
En zy, van zoete vreugd verward,
Zy stelt zich niet te weer.
Hy sprak: »Een tijding droef—en blij:»Ras keer ik naar mijn land.»Nu zeg my,Ellen! dierbre Maagd!»Van wat geslacht den naam gy draagt,»En ’k spoed my om uw hand.”
Hy sprak: »Een tijding droef—en blij:
»Ras keer ik naar mijn land.
»Nu zeg my,Ellen! dierbre Maagd!
»Van wat geslacht den naam gy draagt,
»En ’k spoed my om uw hand.”
Zy bloost—zy siddert—zy ontzet—Zy slaakt een droeve kreet;Zy meldt met diepe droefenis:»Ik weet niet wie mijn moeder is,»Noch hoe mijn vader heet!....”
Zy bloost—zy siddert—zy ontzet—
Zy slaakt een droeve kreet;
Zy meldt met diepe droefenis:
»Ik weet niet wie mijn moeder is,
»Noch hoe mijn vader heet!....”
—»Ik ben van onbetwijfeld bloed!”Zoo borst hy angstig uit:»Mijn vader is een Hooge Heer....»Toch,Ellen! toch—ik zie u weêr,»En als mijn dierbre bruid!”—
—»Ik ben van onbetwijfeld bloed!”
Zoo borst hy angstig uit:
»Mijn vader is een Hooge Heer....
»Toch,Ellen! toch—ik zie u weêr,
»En als mijn dierbre bruid!”—
Straks joeg een strijdros langs den wegDie recht naarLondengaat.Zijn Ruiter reed met rustloos hart;Een wapen, wit en rood en zwart,Gestikt op zijn gewaad.
Straks joeg een strijdros langs den weg
Die recht naarLondengaat.
Zijn Ruiter reed met rustloos hart;
Een wapen, wit en rood en zwart,
Gestikt op zijn gewaad.
En later reed er, eer de schaaûwNog heenkroop naar het oost,Een droeve Jonkvrouw langs die baan.Toch blonk er door zoo menig traanEen stille hoop van troost.
En later reed er, eer de schaaûw
Nog heenkroop naar het oost,
Een droeve Jonkvrouw langs die baan.
Toch blonk er door zoo menig traan
Een stille hoop van troost.
Zy wisselde in de ruime stadMet niemant woord of taal;Maar waar ’t arduin paleisbordes’t Blazoen droeg van de Rijks-princes,Daar steeg zy uit het zaal.
Zy wisselde in de ruime stad
Met niemant woord of taal;
Maar waar ’t arduin paleisbordes
’t Blazoen droeg van de Rijks-princes,
Daar steeg zy uit het zaal.
Zy vroeg geen lijftrawant den weg,Geen knaap of kamervrouw:Zy ging er tot in ’t rijk klozet,En boog zich neêr, als ten gebed,Alleen met de Edelvrouw,
Zy vroeg geen lijftrawant den weg,
Geen knaap of kamervrouw:
Zy ging er tot in ’t rijk klozet,
En boog zich neêr, als ten gebed,
Alleen met de Edelvrouw,
Zy bad met woorden uit de ziel,Maar diepe eerbiedenis:»O zeg, Mevrouwe! hoog van staat,»Die my steeds gunstig gade slaat,»Zeg wie mijn vader is?”
Zy bad met woorden uit de ziel,
Maar diepe eerbiedenis:
»O zeg, Mevrouwe! hoog van staat,
»Die my steeds gunstig gade slaat,
»Zeg wie mijn vader is?”
De Rijksprinces verschoot van blos,En siddrend boog ze saâm:»Wat raadslen,Ellen! vraagt ge my...»Wat weet ik wie uw vader zij?»Wie noemde me ooit zijn naam?”—
De Rijksprinces verschoot van blos,
En siddrend boog ze saâm:
»Wat raadslen,Ellen! vraagt ge my...
»Wat weet ik wie uw vader zij?
»Wie noemde me ooit zijn naam?”—
En zichtbaar greep hetEllenaanMet zielsontroerenis;En dieper, dieper boog ze neêr,En schreide, en smeekte naamloos teêr:»Zeg wie mijn vader is.”—
En zichtbaar greep hetEllenaan
Met zielsontroerenis;
En dieper, dieper boog ze neêr,
En schreide, en smeekte naamloos teêr:
»Zeg wie mijn vader is.”—
Dat brak het hart der Rijksprinces:Zy snikte op schellen toon:»Weet!...” maar toen duizelig en dof:»AanHollandsmachtig Gravenhof»Daar draagt hy-zelf de kroon!...”
Dat brak het hart der Rijksprinces:
Zy snikte op schellen toon:
»Weet!...” maar toen duizelig en dof:
»AanHollandsmachtig Gravenhof
»Daar draagt hy-zelf de kroon!...”
EnEllenbrak in jubel uit,En viel haar aan de borst.—»Dat andwoord, Vrouwe! loone u God:»Dat spelt me een eindloos zoeter lot»Dan ik ooit hopen dorst.
EnEllenbrak in jubel uit,
En viel haar aan de borst.
—»Dat andwoord, Vrouwe! loone u God:
»Dat spelt me een eindloos zoeter lot
»Dan ik ooit hopen dorst.
»Neem nu mijn droef en blij vaarwel:»Ik trek naar ander oord;»En zoo gy ooit my wederziet,»Dan is ’t inHollandsrijksgebied,»En Vrouwe vanMontfoort!”
»Neem nu mijn droef en blij vaarwel:
»Ik trek naar ander oord;
»En zoo gy ooit my wederziet,
»Dan is ’t inHollandsrijksgebied,
»En Vrouwe vanMontfoort!”
Toen scheen de hooge Vrouwe een lijk;Maar zy verhief zich ras:»Gy gaat, gy gaat, met vrolijk hart...»Maar wat dan...” en zy kreet van smart:»Zoo ik... uwmoederwas?...”
Toen scheen de hooge Vrouwe een lijk;
Maar zy verhief zich ras:
»Gy gaat, gy gaat, met vrolijk hart...
»Maar wat dan...” en zy kreet van smart:
»Zoo ik... uwmoederwas?...”
EnEllentrad versteend te rug:»Mevrouw! wat zegt ge my?»Gy, die steeds aan mijn eigen haard»My goedig—maar als vreemde waart,»Myn moeder,moedergy?”—
EnEllentrad versteend te rug:
»Mevrouw! wat zegt ge my?
»Gy, die steeds aan mijn eigen haard
»My goedig—maar als vreemde waart,
»Myn moeder,moedergy?”—
Toen kromp het moederhart in een:»U afstaan!...” rilde zy:»Neen,Ellen! spreek dat woord niet weêr:»Al kostte ’t my mijn rang, mijn eer—»Kies tusschen hem en my!...”
Toen kromp het moederhart in een:
»U afstaan!...” rilde zy:
»Neen,Ellen! spreek dat woord niet weêr:
»Al kostte ’t my mijn rang, mijn eer—
»Kies tusschen hem en my!...”
—»Ik heb... gekozen...” sprak zy zacht(Van smart bestierf heur stem):»Mijn moeder... heeft my... nooit bemind:»Zy was een vreemde voor heur kind.»Mevrouwe!... ik ga methem.”—
—»Ik heb... gekozen...” sprak zy zacht
(Van smart bestierf heur stem):
»Mijn moeder... heeft my... nooit bemind:
»Zy was een vreemde voor heur kind.
»Mevrouwe!... ik ga methem.”—
Wie vraagt gehoor byHollandsGraaf?De Jonker vanMontfoort.—»Al wat ik Uw Genade breng,»Wanneer ze ’t my in gunst geheng,»Dat is een luttel woord:
Wie vraagt gehoor byHollandsGraaf?
De Jonker vanMontfoort.
—»Al wat ik Uw Genade breng,
»Wanneer ze ’t my in gunst geheng,
»Dat is een luttel woord:
»Een groete van de Rijksprinces,»Een vorstelijke groet;»Daarby een bede, koen en stout:»Een Jonkvrouw,twintigjaren oud,»Die drukt ze u op ’t gemoed.—”
»Een groete van de Rijksprinces,
»Een vorstelijke groet;
»Daarby een bede, koen en stout:
»Een Jonkvrouw,twintigjaren oud,
»Die drukt ze u op ’t gemoed.—”
GraafWillemsloot zijn kind aan ’t hart,Geroerd en blij te moê:»Nu spreek, mijn dochter! gul en rond:»Ik zie, een beê zweeft om uw mond;»’k Zweer u verhooring toe.”
GraafWillemsloot zijn kind aan ’t hart,
Geroerd en blij te moê:
»Nu spreek, mijn dochter! gul en rond:
»Ik zie, een beê zweeft om uw mond;
»’k Zweer u verhooring toe.”
Wie vraagt nog, wat de Jonkvrouw badNa ’s Graven plechtig woord?Daar gingen luttel weken om,Toen was zy bruid; de bruidegomWasSwedervanMontfoort.
Wie vraagt nog, wat de Jonkvrouw bad
Na ’s Graven plechtig woord?
Daar gingen luttel weken om,
Toen was zy bruid; de bruidegom
WasSwedervanMontfoort.
Maar wie, wie schepen flux daarnaIn ’t heimlijk zich aan boord,En houden koers naar ’t Britsche strand?Het wapen, schittrend aan het want,Is ’t wapen vanMontfoort.
Maar wie, wie schepen flux daarna
In ’t heimlijk zich aan boord,
En houden koers naar ’t Britsche strand?
Het wapen, schittrend aan het want,
Is ’t wapen vanMontfoort.
Men vraagt, met hoofsche plechtigheid,Der Rijksprinces gehoor;Maar als geheel den gang bewust,Treedt de Edelvrouw vanHollandskustHeur eedlen gade voor.
Men vraagt, met hoofsche plechtigheid,
Der Rijksprinces gehoor;
Maar als geheel den gang bewust,
Treedt de Edelvrouw vanHollandskust
Heur eedlen gade voor.
Zy knielde voor de Rijksprinces,Wel kinderlijk gezind:»Doof niet aan ’t Hof uw gloriekrans,»Maar, moeder! wees in ’t heimlijk thands»Gelukkig met uw kind!”
Zy knielde voor de Rijksprinces,
Wel kinderlijk gezind:
»Doof niet aan ’t Hof uw gloriekrans,
»Maar, moeder! wees in ’t heimlijk thands
»Gelukkig met uw kind!”
SwedervanMontfoortgingen de weldaden vergeten, die zijne ouders van den Bisschoppelijken stoel hadden ontfangen, en die den grond tot zijne eigene grootheid hadden gelegd. By de oneenigheden tusschen BisschopWillemvanMechelen, die het algemeen leenrecht zeer goed kende, het byzondere onderzocht, en zijn vasallen zoowel op den fulpen als op den ijzeren handschoe zag, koosSwederde partij vanHubrechtvanVianen,JanvanLinschoten,JacobvanLichtenberch, en andere samenspannende Edelen, en was onder hen, die zich gerechtigd meenden den strengen Leenheer een halfjaar lang in zijne eigene stad gevangen te houden. De Bisschop ontkwam evenwel, en zocht zich, op Pauselijken last bygestaan door den Aartsbisschop vanKeulen, en nog veel meer vrijwillig door zijne getrouwe Overijsselaars, weder van zijne ongehoorzame stadUtrecht, waar de BurgemeesterJacobvanLichtenberchthands het hoogbewind in handen had, meester te maken. Eenige Hollandsche Ridders,DiedericvanWassenaer,Henric, Burchtgraaf vanLeyden,FilipsvanDuvenvoirde,SimonvanBenthem, enJacobvan derWoude, rukten daarop hunne dienstmannen by een, omLichtenberchter hulp te komen. Het gevolg daarvan was een vinnig gevecht op deHooge-woerd, eene vlakte, omstreeks den oever desOuden-Rijns. Met schetterende klaroenen en wapperende banieren was de Bisschop zijns vijands helpers tegen getrokken; reeds richtte hy er een geduchte slachting onder aan; reeds was een deel der tegenstanders te rug gedeinsd, en reeds vleide hy zich met eene volkomene overwinning. Toen klonk er op nieuw een trompet van de zijde vanMontfoort, en de banier, weldra boven de aanrukkende bende zichtbaar, vertoonde het schaakbord en de molenijzers gekwartileerd. Een juichkreet ging by de Hollanders op: er naderde een nieuwe bondgenoot met versche krijgers, »en daar begonste van niwes een groote strijt, want die vechters sloegen elc anderen ter neder, harde manlicken, om den seghe te vercryghen.” Maar de moedige Bisschop gaf het nog niet verloren: tweewerf reed hy dwars door het Hollandsche heir,als Bisschop kenbaar, als Ridder strijdende, en om zijne waardigheid door allen ontzien; maar toen hy het ten derdemaal waagde, viel hy als een offer zijner roekeloosheid, en werd verslagen. Deze strijd geschiedde op den 12enJuli, 1301.SwedervanMontfoorthad de overwinning aan de zijde der Hollandsche Ridders gebracht.
In de eerste dagen des jaars 1353, terwijl BisschopJanvanArckelvoor het kasteelWoudenburch, en zijn Maarschalk voor dat vanRuwiellagen, zonden de RiddersJanvanCulemborchenGijsbrechtvanVianenhem een ontzegbrief, vielen roovende in zijn land, en verbrandden zijne dorpen en kasteelen. BurchtgraafSwederdeed daarin dapper meê, zonder dat wy weten of hy er oorzaak toe had; maarJanvanArckelwas geen Bisschop om het ongestraft toe te laten. Zoodra hy den overmoed des Jonkers vanWoudenburchgebogen, en het kasteel ten gronde toe vernield had, ordende hy op nieuw zijn leger, en trok op Sint-Pancraes voor de stad en het kasteelMontfoort, beide doorSwederbezet en verdedigd.
De Bisschop had een geweldige stormkat met zich gebracht, en de bloedige bestormingstooneelen van 1280 gingen zich vernieuwen. Wakker en hardnekkig was de verdediging van den Burchtgraaf, maar by het beschouwen van de maatregelen des Bisschops, die zoowel van moed als van volharding getuigden, werd het hem evenwel een weinig angstig: hy begon de onmooglijkheid in te zien van een duurzaam verzet tegen een Opperheer van zoo krachtigen wil. Daarom zocht hy een algeheelen ondergang door onderwerping te voorkomen, en verzocht vrede en lijfsgenade; en de voorwaarden, waarop de Bisschop hem deze verleende, getuigen maar al te zeer van zijn benarden toestand. Dat hy, dien men om zijne groote goederenSwederden rijke noemde, eene belangrijke som gelds moest betalen, was in zich-zelf niet moeielijker dan het doen van een nieuwen eed van trouw, al stond beide hem tegen; maar het zwaarst van allen viel hem den gedwongen afstand van het hooge recht in de HeerlijkheidMontfoort, voor altoos, terwijl hy het lage recht niet als eigendom, maar slechts als leen van den Bisschop weder ontfing. Ook trad de staatkundige Prelaat, zichtbaar tot verkleining van des Burchtgraven aanzien en gezach, in een afzonderlijk verdrag met Schout, Schepenen en gemeene buren vanMontfoort, waarby deze beloofden de stad nimmer op eigen gezach te zullen omwallen, en met niemant, wie ’t ook zijn mochte, tegen hunnen rechten Landsheere, den Bisschop vanUtrecht, samen te spannen, op verbeurte van goed en eere.
Het zij nu datSwederedel genoeg dacht, om ook eene door den nood afgeperste belofte gestand te doen, het zij de krachtige hand van den geduchten Bisschop hem zijns ondanks in toom hield—het blijkt niet, dat hy meer in eenig verzet is gekomen, en hy schijnt zich rustig te hebben gehouden tot aan zijn dood, die ook niet veel later kan zijn voorgevallen.
Dat valt niet te getuigen van zijn oudsten zoonHenric6. Deze Burchtgraaf, die zich den tytel vanHeervanMontfoortaanmatigde, verbond zich omstreeks 1379 met den Maarschalk vanAbcou, HeerWillem, tegen BisschopFlorisvanWevelichoven, en eigende zich met kracht van wapenen de tienden van het Bisdom toe, terwijl hy zich daarby het hoogste recht over de ingezetenen toekende. Dat kon de Bisschop niet dulden. Hy begon met den wederspannigen Vasal van diens steun te berooven, en belegerde het slot vanAbcou; toen hy dit overmeesterd, en den Maarschalk tot onderwerping gedwongen had, wendde hy zich totHenricvanMontfoort, en daagde dezen voor den rechterstoel van het Sticht. Te vergeefs beriep de onberaden Burchtgraaf zich thands op den verdragsbrief van 1297: BisschopFloriswilde, als een voorzichtig Staatsman, een arm knotten, die hem in het midden van zijn eigen gebied meer dan gevaarlijkwerd, en thands de machtigste zijnde, maakte hy, als ’t gewoonlijk gaat, van die macht misbruik.
Voor het generaal Kapittel verschenen, dat uit vertegenwoordigers van de Geestelijkheid, de Ridderschap, en de Steden van het Sticht bestond, werd de Burchtgraaf door den Bisschop beschuldigd, dat hy zich binnen de banne vanMontfoortmeer gezach aanmatigde dan hem toekwam; dat hy er het hooggerecht uitoefende; de lieden placht te dwingen, om in de stadMontfoortte komen wonen, en van daar niet weder te vertrekken; en dat hy zich schuldig maakte aan meer andere zaken, strijdende tegen de bisschoppelijke leenheerschappij.Henricverdedigde zich met kracht. Zijne voorouders, zeide hy, hadden reeds sedert honderd jaren en langer het betwist rechtsgebied van de Bisschoppen en de stadUtrechtin leen ontfangen en uitgeöefend; dat kon men bewijzen uit de opene brieven, daarvan zijnde, waarin alles breedelijk stond uitgedrukt. Wat men hem in betrekking daartoe aantichtte, was valsch, en hy-zelf derhalven onschuldig. Daarom was hy met de meeste gerustheid voor het Kapittel verschenen, en vorderde nu ernstig, dat zijne zaak zou worden uitgesproken volgends het Landrecht vanUtrecht, door den Bisschop, by diens komst aan het bestuur, bezworen, en ten gevolge waarvan deze gehouden was een iegelijk recht en vonnisse te doen, en niemant aan lijf of goed te vervolgen, dan na schuldig verklaring volgends recht en oordeel. Naar dit landrecht, of naar het algemeen Keizerlijk recht, verlangde de Burchtgraaf gevonnisd te worden; maar daarmeê ging onderzoek gepaard, dat, misschien, niet geheel ten nadeele des beklaagden leiden zou, en het blijkt uit alles, dat men niet voornemens was teonderzoeken, maar wel teoordeelen. De Bisschop bracht ten minste, zonder van eenige inzage van brieven te reppen, daar tegen in: dat de Burchtgraaf zich het hooge rechtsgebied willekeurig had aangematigd, en in meer andere zaken boven zijn gezach was gegaan, waarover voldoening gegeven moest worden. HeerHenricverklaarde die gaarne te willen geven—mitszijn schuld uit het onderzoek blijken zou. Toen geliet zich de Domdeken van het Sticht, alsof hy onpartijdig bemiddelaar wilde zijn, en vroeg den Burchtgraaf, of deze de uitspraak wilde stellen in handen van het algemeen Kapittel. MaarHenricwas te goed Ridder, om een slag verloren te willen geven eer er nog gestreden was: hy bleef bestendig by zijn beroep op het landrecht, of op dat des Keizers, en bood den Bisschop zelfs duizend Fransche schilden, indien hem »lantrecht geschien mogt, gelyk den minsten en den meesten van den lande.” En daar hem zulks niet werd toegestaan, verliet hy de vergadering, protesteerde openlijk, en klaagde dat men hem opzettelijk zijn recht onthield.
Vertoonde de Bisschop zich hier in een niet volkomen gunstig licht, nog ongunstiger verschijnt hy ons in zijne volgende daden. Hy-zelf had HeerHenricverlijd met het Dijkgraafschap »tusscen dennywen-DamendeSevenhoven, dieLeckelangens, ende tusscen dennywen-DamendeHaestrecht, weder dieYsellangens,” gelijk dit van ouds Stichtsch eigendom geweest, en steeds door deMontfoortsal van over honderd jaren en meer, bezeten was; thands echter nam hy het weder zonder eenig vervolg van recht te rug, deed hem in den ban, en begon de Montfoortenaars op allerlei wijze te kwellen en te benaauwen met brandstichting, plundering, en gevangenneming. Hy dwong zijne Edelen, Leenmannen en Steden van ’t Sticht met den Burchtgraaf te breken; en al gehoorzaamden hem niet allen, hy wist toch op deze wijze een bondgenootschap te voorkomen, en zijn Leenman machteloos te maken. Toen naderde hy zijn doel; en als nu het kwade jaargetijde van 1387 voor goed geweken was, en de zachte aprils-dagen welhaast de naderende meimaand verkondigden, trok hy, den dag na Sint-Joris (23 April), met een sterk leger voorMontfoort. Daar deed hy eene reusachtige blyde oprichten, die steenen van wel dertienhonderd pond wierp, en stelde er zestien groote steenbussen, waarvan de minste honderd pond zwaarte schoot; de kleine bussen, hoewel zy wel degelijk in werkingwerden gebracht, telde men niet eens. Bovendien had hy zich voorzien van een aantal tuimelaars of schanskorven, van teenen gevlochten, om by de bestorming te dienen; twee katten echter, die hy mede had doen bouwen, deden weinig werking. Intusschen blijkt uit dit alles de geduchte sterkte van het kasteel, dat, niettegenstaande het daaglijks werd gebeukt en beschoten, met bussteenen geteisterd en met blydesteenen gepletterd, toch zestien weken lang de felle aanvallen weerstond, en een veilige toevlucht bood aan de verdedigers, die van hunne zijde niets onvergolden lieten, maar insgelijks, zoo wel met steenbussen als met klein geschut, hunnen vijanden groot nadeel toebrachten. Het gebrek zou evenwel datgene hebben bewerkt, waartoe zelfs de overmacht te onmachtig was, toen nog ter goeder ure de voormalige Utrechtsche, thands Luyksche, BisschopAernoutvanHoorn, oom van HeerHenricsgemalin, tusschen beide kwam, met voorstel om eene verzoening te bewerken. Dit werd door beide partijen aangenomen; maar de harde voorwaarden, waaronder de verdreven Burchtgraaf gedwongen werd het hoofd te buigen, spreken ook weder hier luide het wanhopige van zijnen toestand uit. Hoofdzakelijk komen zy hierop neder:
Daar het hooggericht in de Heerlijkheid alleen mag geoefend worden door den Bisschop, zoo zullen de Burchtgraaf en zijne nakomelingen zich nimmermeerHeeren, maarBurchtgravenvanMontfoortschrijven. De stad en het kasteel zullen ten allen tijde voor den Bisschop en diens opvolgers opensta an, zoo dikwijls het hun gelust, daar te komen. Het zenden van indaag- en banbrieven, en al wat tot het geestelijk gericht behoort, zal vrij en ongehinderd in het Burchtgraafschap plaats vinden. De Burchtgraaf mocht de tienden niet meer stellen naar zijn goeddunken, maar hy moest ze verpachten, of doen mijnen; hy zou ook niemant meer dwingen zich teMontfoortneêr te zetten. Met betrekking tot het Dijkgraafschap zou nader uitspraak worden gedaan, maar de Burchtgraaf moest het huisgeld en andere belastingen, die hy in de Heerlijkheid ontfangen en nog niet verandwoord had, terstonduitbetalen; ook moest hy de oirconde van BisschopJanvanNassauaan den Luykenaar in handen geven, waarvoor hy een andere van BisschopWillemzou ontfangen, inhoudende de nieuw gemaakte bepalingen. Vervolgends moesten de wederzijdsche gevangenen uitgeleverd, door onbetaalde rantsoenen een streep gehaald, en dooden tegen dooden, roof tegen roof, brand tegen brand kwijtgescholden worden.
Hiermede was echter nog niet alles afgedaan: de Burchtgraaf moest zich nog persoonlijke vernedering onderwerpen, wilde hy eenmaal weder hoogen staat voeren. Met twintig van zijne mannen moest hy komen, blootshoofds en in ’t openbaar, dragende in zijne hand de sleutels van het kasteel en van de stede, om die den Bisschop over te geven, daarby vergiffenis biddende voor zijn verzet, of een nieuwen eed van trouwe doende7. En totdat deze zoen geheel geregeld was, mits binnen den tijd van zes weken, zou hy zich met vijfentwintig man inUtrechtlegeren, terwijl gedurende dien tijd de banieren van den Bisschop vanUtrechten vanAmersfoortzoo wel op der stede als op des kasteels wallen bleven waaien, en zes Bisschoppelijke Edelen dit laatste zouden inhouden. Zoo ik nu den loop der hier verhaalde gebeurtenissen, in verband met de geslachts-opgave, wèl vat, dan komt het my voor, dat de Bisschop inmiddels tot Burchtgraaf benoemdeHenricvanMontfoort, HeerHenricsneef, die daarom van zijne anders denkende verwanten, of misschien van de verontwaardigde burchtzaten, den toenaam »de Rover” ontfing. Wy lezen ten minste: »dese HeerHenricde Rover, HeerWillemssoon, bleef doot in het besit vanMontfoort, t’welck Godt geklaegt moet syn, in het jaer doe men schreef 1387. des Vrydaechs nae Pinsterdach.”
Was nu eenmaal de zoen gesloten, dan kon de Burchtgraafweer huiswaart rijden, frank en vrij, en zijn leengoed te rug nemen, maar bleef dan nog gehouden om, zoo hy werd opgeroepen, den Bisschop vanUtrechtte dienen, deszijds denIJsselmet 25 speeren8, op eigene kosten, en, des gevorderd, tot drie verschillende reizen toe.
Op zoodanige voorwaarden verzoende zich de Burchtgraaf met zijn »lieven, geminden Heer”, en werd de oirconde daarvan bezegeld »dynsdags na S. Laurentius-dag (10 Aug.) 1387.” Nogtans verklaarde hy, en wel, zonderling genoeg, tevens in ’t volle kapittel, by zijn eed en ridderschap, dat hy ’t alleen deed uit bedwang en noodzakelijkheid, vreezende anders lijf, goed en onderzaten te moeten verliezen. Ook schijnt het werkelijk, dat er met betrekking tot het bovengemelde Dijkgraafschap een onrechtvaardig vonnis is geveld, blijkends des Ridders sterke bewoordingen in ’t kapittel.—»Daarmeê neem ik geen vrede,” sprak hy: »dat men het Dijkgraafschap den Bisschop, en niet my toe wijst. Zulk eene verklaring kan my in mijn recht niet benadeelen:—omdat allen, die hierover moeten zitten, niet tegenwoordig, en ook niet beroepen zijn geweest; omdat ik het onder den vorigen Bisschop reeds heb bezeten, zoo als mijne getuigen (maar die men niet gehoord heeft!) kunnen bevestigen; omdat vele Baanrotsen, Ridders, Schildknapen, Vasallen en Dienstmannen van het Sticht verklaard en gevonnisd hebben, dat mijn recht tot het Dijkgraafschap beter gegrond is dan dat des Bisschops, duidelijk thands blijkende, daar verschillende Baanrotsen, Ridders, en anderen, die hier ten oordeele hebben gezeten, ziende dat niet alle gerechtigden waren beroepen, het kapittel hebben verlaten, zonder vonnis te spreken; omdat, eindelijk, zelfs de openbare roep der gemeente my gelijk geeft, en erkent, dat mijne voorouders en ik sedert honderd jaar en langer in ’t bezit van het Dijkgraafschap zijn geweest.”
Zijne verdediging blijkt echter niet te hebben gebaat; en in zoo knellende kluisters geprangd, moest hy, schoon van een hoog gemoed en onrustigen aart, zich wel onderwerpelijk houden: hy had de klaauw van den leeuw op zijn schouder gevoeld, en de lust tot terging was hem voor goed vergaan. De Bisschop daarentegen toonde by de eerste gelegenheid de beste, dat hy ernstig bedacht was, om zijn verkregen recht te handhaven: Nog in het zelfde jaar werd er binnenMontfoort, door zekerenJan JansvanBoemel, een manslag gepleegd op eenenArentdenSchermer; de Maarschalk van het Sticht trok de stad binnen, en maakte er zich meester van den moordenaar, die, naarUtrechtgevoerd, daar werd gevonnisd, en zijn schuld met het hoofd boette.
VanHenricstwee zonen,Sweder, Ridder, enJan, Domdeken en Proost teUtrecht, volgde de oudste hem na zijn dood niet terstond op, als toch wel billijk ware geweest. BisschopFredericvanBlanckenheymweigerde dezen Edelman aanvankelijk met het leen te verlijen, en verklaarde in ’t openbaar, dat hy hem het recht, waarop hy aandrong, niet schuldig was, en dat het goed en leen verwillekeurd waren. Echter, ’t zij nu dat deze ongunstige beschikking van den Bisschop werkelijk gegrond was op zijn geloof aan zijn goed recht, het zij dat hy ze alleen voorwendde, ter strengere handhaving van zijn gezach—hy liet zich eindelijk door bidden en dreigen vanSwederen diens vrienden bewegen, om hem met het Burchtgraafschap te beleenen, maar—op de zelfde voorwaarden, waarop HeerHenricdat ontfangen had. HeerSwederbleef geen andere keuze, en hy onderwierp zich; men legde hem den zoenbrief zijns vaders voor, waarin die voorwaarden werden uiteengezet, en hy hing er zijn zegel aan, ten blijke dat hy ze bevestigde, 26 Mei 1405. De Bisschop, thands te vreden, beleende hem toen ook met het Dijkgraafschap, en hield verder het woord, waarby hy beloofd had »hem sonder sorge van gewelde” te zullen laten.
ToenSweder, kort daarna, ongehuwd overleden was, hernieuwde zich de zelfde strijd. Zijn broederJan, de Utrechtsche Domdeken,had de kap aan den wand gehangen, en begeerde nu verlij der Heerlijkheid; hy kon echter niets meer verkrijgen dan de beleening van het Burchtgraafschap, waarmede hy eindelijk (1413) wijs genoeg was vrede te nemen, hoewel almede onder protest van zijnen kant. Weldra rees er dan ook verschil tusschen hem en BisschopFrederic, over het verbreken der overeenkomst van 1387, waarin GraafWillemvanHolland, als scheidsman, hem echter in ’t gelijk stelde.
De goede verstandhouding werd sints niet weder verstoord; integendeel werd zy versterkt, toen in den aanvang van 1420 de oneenigheden tusschenUtrechten den slinkschenJanvanBeierentot dadelijken krijg overgingen, en deMontfoortersdes Bisschops partij kozen. In dezen oorlog maakte een van des Burchtgraven verwanten, HeerLodewijcvanMontfoort, zich door een wakker feit van wapenen vermaard:
By een inval van die vanOudewaterin ’t Sticht, trokLodewijcin der haast teMontfoortzoo vele manschappen samen, als er uit de verdedigers van slot en stede gemist konden worden, en voerde deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand tegen. En, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijverVan der Beke, toen HeerLodewijcmet de zijnen hen ontmoette, gedroeg hy zich als een onvertsaagd Ridder, die den moed van een leeuw bezat, en reed op de vijanden in; en zijne voetknechten deden als heerlijk stoute mannen, en streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden zich mannelijk en stout, of zy Jonkers waren, en zoo werd er, niettegenstaande het getal volks aan beide zijden slechts klein was, kloek en wakker gestreden, want elk wilde gaarne het veld behouden. Maar die vanOudewatermoesten ’t eindelijk opgeven, en ruimden met een verlies van omstreeks 70 man aan dooden en gevangenen het veld, terwijl de Montfoorters in triomf met de buit binnen hunne stad keerden, »ende dancten Gode ende sinteMartyn, dat si mit sulker eeren ende mit sulcken gewin ontstaen waren.”
Ook de Burchtgraaf-zelf deed de zaak der ongelukkige en trouwloos behandeldeJacobavanBeierenzoo menig goede dienst, dat zy hem uit erkentelijkheid de toezegging deed tot het verlij met drie Heerlijkheden, palende aan het Land vanMontfoort, namelijk:Linscoten,HekendorpenSnelrewaerd, die hy later, schoon eerst onderFilipsvanBorgondiën, 1440, ook werkelijk bekwam. Vóor dien tijd had hy ook bezittingen inHollandverkregen: de HeerlijkheidPurmerende, die hy in 1431 van den Ridder vanSijlhad gekocht.
Onder hem raakte ook de verhouding van den Leenheer tot den Leenman, van den Bisschop vanUtrechttot den Burchtgraaf vanMontfoort, in eene omgekeerde verhouding van wat zy te voren geweest was. De aanleidende oorzaak hiertoe rees uit den strijd om den zetel, tusschenRudolfvanDiepholtenSwedervanCulemborch. De Burchtgraaf, by het verdrag tusschen BisschopFredericenJanvanBeierenbuiten gesloten, vond zich deswege verongelijkt en beleedigd, en dit was wellicht de oorzaak, waarom hy de zijde des door den Paus beschermden, maar door ’t groote meerendeel der Stichtenaars gehaten, BisschopsSwederkoos. Hy leende dezen, op zich-zelf onwaardigen, Prelaat de belangrijke som van 12000 Hollandsche Wilhelmsschilden9, en ontfing daarvoor ten jare 1430 in pandschap de hooge Heerlijkheid vanMontfoort, met uitdrukkelijke voorwaarden, dat de bepalingen van den ouden zoenbrief, die zoo dikwerf aanleiding tot twist en tweespalt hadden gegeven, nietig en krachteloos bleven, zoolang de voorgeschoten penningen niet werden te rug betaald. Van die aflossing kwam niet, en de Burchtgraven konden zich dus voortaan met volle recht betytelen: Heeren vanMontfoort, wat in onze ooren minder fraai moge klinken, maar destijds ongelijk hoogere aanspraken gaf, en veel minder afhankelijkheid vooruitstelde.
HeerJanvanMontfoorthad alzoo door zijne rijkdommenverworven, wat zijne voorgangers zoo dikwerf te vergeefs door het zwaard hadden getracht te vermeesteren. Zijn verdere levensloop was daarom niet gelukkiger, maar werd integendeel verbitterd door een leed, dat te feller griefde, omdat het de hand van een kind was, die het sloeg.
Uit zijn huwelijk metCunigondevanBronchorstwaren hem drie zonen geboren,Henric,Willem, enSweder.Henric, een heethoofdig en onberaden jongeling, had eene vurige genegenheid opgevat voorAgnesvanIJsselsteyn, zeer tegen den zin zijns vaders, omdat het huwelijksgoed der Jonkvrouwe van zoo weinig beteekenis was: hare bezittingen bestonden slechts in twee hoeven, de eene boven aanBlocland, de andere inBenscoep. Dat was te luttel om hun, nu zy, ondanks de bestaande bezwaren, zich toch in den echt verbonden hadden, een inkomen te geven naar hunnen stand; en de Burchtgraaf wilde van geene ondersteuning zijner zijds iets weten, en schijnt niet vreemd geweest te zijn aan het voornemen om zijnen ongehoorzamen zoon te onterven.
De gevolgen waren droevig. Geperst door zijne bekrompene omstandigheden, kwamHenrictot het gruwzaam besluit, om zijnen grijzen vader te dwingen. Gants in ’t heimelijk bracht hy zyne aanhangelingen, waaronder voornamelijk de verwanten van zekerenJanvanNaerden, poorters vanWoerden, worden genoemd, allengs in zoo grooten getale op het kasteel, dat hy er eerlang geheel meester werd, alle dingen naar zijne hand zettede, en zijn vader »jammerlycken en deerlycken” gevangen hield. Zyn broederWillem, wien dit verdroot, begaf zich, daar de Bisschop door verdeeldheid met diens eigene onderdanen machteloos was, naarHolland,en klaagdeFilipsvanBorgondiënwat er teMontfoortplaats greep. De Hertog begaf zich daarop, in het belang van den ouden Burchtgraaf, dien hy in 1439 zijn getrouwen Raad en Kamerling noemt, derwaart, en bracht de schandelijke zaak tot een vergelijk, waarbyJohanin het bezit zijner goederen hersteld en bevestigd werd, ondervoorwaarde, dat hy JonkerHenricnoch onterven, noch ook maar een deel van diens toekomende goederen vervreemden zou. Leest men echter daarby op eene andere plaats: »deselve HeerJohan Voorsz. sterf daer nae in de gevangenis, Anno 1448, op sanct Anthonis dach,” dan heeft men zeker niet ongegronde reden om te gelooven, datHenricin zyn onwaardig gedrag is voortgegaan, en, op zijn zachtst gesproken, het gezach over ’t Burchtgraafschap in handen gehouden heeft, zonder zich aan de gemaakte bepalingen te storen.
In geen gunstiger licht komt verder ook het karakter van zijn broederWillemvoor. Deze had zich door dorperlijke aanslagen teUtrechtzoo gehaat, en te gelijk bevreesd, gemaakt, dat de Raad dier stad in 1445 een prijs uitloofde van duizend Borgoensche schilden voor die hem dood, van drie duizend voor die hem levend in hunne handen stelde; daarby werd der burgerij tevens op lijf en goed verboden, om in eenige verstandhouding met hem te zijn. De listige staatkunde evenwel vanFilipsden Goede, die in de toekomst alreeds den opengevallen bisschopszetel door zijn bastertzoonDavidzag bekleeden, sloot zich denMontfoortersaan, en maakte hen, door een verbond van onderlingen bystand met hem en de Edelen vanMynden,Zuylen,Cronenborchen anderen, waarby zich ook de StadAmersfoortvoegde, zoo machtig, dat zy weldra eene geduchte partij vormden, en BisschopRudolfde hand konden bieden, om hem weder in ’t bezit zijner met hem in oneenigheid geraakte stad te brengen, en op deze wijze zelf invloed op de Stichtsche zaken te erlangen. De Utrechtenaars verfoeiden den slechten zoon; de Bisschop echter schold hem de schuld jegens zijn kort te voren overleden vader kwijt, en onthief hem van den ban, maar deed hem toch eene belangrijke boete betalen.WillemvanMontfoorthield, na de bevrediging doorFilips, geheel de zijde zijns broeders, en beproefde, door zich met eenige speerruiters naby de wallen vanUtrechtte vertoonen, eene opschudding binnen de Stad tenvoordeele vanRudolfte verwekken, wat echter door de waakzaamheid van den Raad mislukte.
En toch verkreeg de Bisschop reeds het volgende jaar wat hy zocht.
Zaturdag voor St. Blasius, 1449, was, volgends jaarlijksche gewoonte, het bestuur binnenUtrechtveranderd, en de poorters hielden, almede naar oud gebruik, vrolijken avond, met feestmalen en drinkgelagen. Wie daar evenwel niet in deelden, waren de aanhangers van den Bisschop. Onder bedekking der luidruchtigheid van het feestrumoer, waarby de zorgvuldigheid der wacht veronachtzaamd werd, brachten zy eenige moddervletten in de buitengracht, tusschen de Wittevrouwenpoort en den Plompentoren, wel wetende wat de Bisschop, dien zy in ’t heimelijk verwachtten, daarmede zou aanvangen. De nacht kwam—en, in hare duisternis verborgen, ook BisschopRudolf. Met hem waren zijn neef ProostCoenraadvanDiepholt, de DomproostSwedervanCulemborch, BurchtgraafHenric, en andere Edelen en Geestelijken, benevens eene bende krijgsvolk. Allen naderden in de grootste stilte. Een deel der krijgers stak in de vaartuigen de gracht over, en drong door eene ijlings in den muur gegravene opening de stad binnen, brak daarop de Wittevrouwenpoort open, en gaf den Bisschop met diens volgers den toegang. De Utrechtenaars, door ’t gerucht en de kreten thands gewekt, klepten de noodklok, liepen ondanks het nachtelijk donker te wapen, en verzetteden zich met kracht. Een onstuimig gevecht greep plaats in de Schoutensteeg; en, waren de Amersfoorters die vanUtrechtniet in den rug gevallen—de Bisschoppelijken hadden de stad waarschijnlijk niet behouden.Rudolfbehaalde de overwinning, maar werd zwaar aan het been gekwetst, zoodat hy sints altoos mank ging. Ook de Burchtgraaf bekwam eene kwetsuur, die echter niet van belang schijnt geweest te zijn, en niet in aanmerking kwam by de voordeelen, die uit zijne verzoening met den Bisschop voortvloeiden, enwaarin natuurlijk zijn broederWillemdeelde, wiens banvonnis door den Stedelijken Raad terstond herroepen werd.
Na den dood van BisschopRudolfschijnen de broeders minder eenstemmig geweest te zijn: HeerWillemwordt gevonden op de lijst dergenen, wien, als tegenstanders van BisschopGijsbrechtvanBrederode, in 1456 by klokkeslag de stad werd ontzegd; terwijl de Burchtgraaf in dat zelfde jaar voorkomt onder de Edelen, die zich, hoewel vruchteloos, metReynoutvanBrederodeenJohanvanClevenaarLeydenbegaven, om HertogFilipsmet den Bisschop en diens stad te bevredigen.
Twee jaar later, 1458, overleedHenric, en werd opgevolgd door zijn zoonJohanden Tweede, bekend onder den naam vanJohande Rijke, thands Heer vanMontfoort,LynschotenenPurmerende, en, door zijn huwelijk metWillemyne, Erfdochter vanNaeltwyc, na 1496 tevens Heer vanNaeltwyc,CappelleenWateringhe, en Erfmaarschalk vanHolland. Het verlij metMontfoort, dat in 1461 plaats vond, geschiedde weer geheel en al op de oude voorwaarden, volgends »alle punten ende articulen, die inder zoenen, die tusschen den eerwaerdigen in Goide HerenFlorensvanWevelkoven, BisscopteUtrechtan die een zyde, ende HeerenHenrickBorchgrave totMontfoirdean die ander zyde, gededingt was, begrepen syn.” Intusschen was hier het hoogheerlijkheidsrechtnietonder begrepen, en bleef de Burchtgraaf altijd een der machtigste vasallen van het Bisdom, en van grooten invloed op den loop der Stichtsche zaken. Aanvankelijk liet hy zich daar echter niet veel meê in, en onttrok zich zelfs eenigen tijd geheel en al aan zijn vaderland, door een tocht naar het Heilige Land, van waar hy in 1469 te rug keerde. De oversten der gilden teUtrechtgaven hem toen, met goedkeuring der Magistraat, een bewijs van hunne vreugde over zijn behouden wederkomst, door hem een maaltijd aan te bieden, die door den Domproost, door HeerJanvanRenesse, en andere voorname leden van Adel en Geestelijkheid, benevens onderscheidene leden van den ouden en nieuwen Raad der stad werd bygewoond,en waarvan de onkosten aan spijzen, gebakken, confituren, geleien, en wijn, eene som van 10 rijnsguldens (ƒ 13.) en 14 stuivers beliepen.
BisschopDavidvanBorgondiën, die niet zeer by zijne poorters gezien was, mag uit hunne goede gezindheid jegens den Burchtgrave wel eenige achterdocht geraapt hebben10; hy vond ten minste goed om hem naauwer aan zich te verbinden, en ontfing van hem eene verzekering van trouwe als vasal en onderdaan, by gezegelden brieve van 1474.Johangaf die verklaring toenmaals misschien gants in oprechtheid en ter goeder trouwe; maar de Bisschop had wijzer gehandeld, wanneer hy, in plaats van zich op dergelijke verbindtenissen met zijne Edelen te steunen, zijne onderzaten in ’t algemeen minder van zich verwijderd, en zijn Borgondische willekeur meer ingetoomd had; hy deed dit evenwel niet—en het gevolg daarvan was eene openbare breuke met zijne stadUtrecht, die in 1477 den Burchtgraaf tot haren Hoofdman verkoos.Johanwas voorzichtig genoeg, om zich niet terstond binnenUtrechtte vestigen, maar liet zich eindelijk overhalen, en was er toen ook ten eenenmale meester, zoodat de Raad niets ondernam dan met zijn voorkennis en medeweten, hetgeen zelfs op de zaak der Hoekschen inHolland, die hy ten sterkste toegedaan was, gunstig inwerkte. ToenReyniervanBroechusenin 1481 de stadLeydenvoor die partij niet langer behouden kon, maar heimelijk in de nacht vertrok, spoedde hy zich overWoerdennaarMontfoort, wel wetende daar eene goede ontfangst te zullen vinden. Hy bedroog zich niet, hoewel de Burchtgraaf afwezig was, en de trouw der Montfoorters terstond op eene zware proef werd gesteld. De AartshertogMaximiliaanvanOostenrijkzette hem, met ongeveer 600 krijgsknechten, byna op den voet na, kwam voor de stad, eischte vrijen ingang,en daarby de uitlevering van HeerReyniermet diens manschap. Hy ontfing nogtans een ander andwoord dan hy verwacht had: die vanMontfoortstelden zich te weer, en deden hunne donderbussen en serpentynen dapper op de Hollandsche benden spelen, zoodatMaximiliaanzelf byna door een serpentijnkogel gekwetst werd. Vertoornd trok hy daarop, schoon ’t Palmzondag was, te rug, maar niet zonder op dien keertocht eenige dorpen en gebouwen, tot de eigendommen vanMontfoortbehoorende, aan de vlammen te hebben opgeofferd. Ook was hy naauwelijks weder in denHage, of hy vaardigde tegenBroechusen,HenricvanNyevelten anderen, waaronder ookJohanbehoorde, een banvonnis uit, daarby hunne goederen, voor zoo ver zy onder zijn gebied lagen, verbeurd verklarende. Den Burchtgraaf kwam dit op het verlies zijner HeerlijkheidPurmerendete staan, met wier inwoners hy trouwens reeds sedert 1470 op onaangenamen voet stond.
Maximiliaansmaatregelen van ontzeg en in beslagneming strekten zich ook over de Stichtenaars uit, die zich thands ernstig ongerust maakten, en den Bisschop gezanten zonden, om diens voorspraak by den Aartshertog af te bidden.Davidstelde ter voorwaarde de uitdrijving van den Burchtgraaf, ’tgeen den Raad in groote ongelegenheid en tweespalt bracht, en ten gevolge had datJohan, die in den laatsten tijd steeds van een twintigtal lijftrawanten omringd was, allen verzamelde die hem getrouw waren, met hen en zijn neefHenricvanZuylen van Nyeveltvoor het stadhuis trok, waar hy de stads banier plantte, en de poorters op het kleppen der buurkerkklok te wapen deed snellen. Terstond openbaarden zich twee partijen; het kwam tot handdadigheid; het staal besliste—de Burchtgraaf verdreef zijn tegenstanders, en werd volstrekt meester van de stad.
Thands was de oorlog zoo goed als verklaard. De Bisschop trok, half genoodzaakt, de zijde vanMaximiliaan, steldeFrederycvanEgmond van IJsselsteyn, die zich met 200 man tot hem begeven had, als Legeroverste aan, ontfing uitHolland, behalven400 wapenknechten onderJanvanCatsenJacobvanBoshuzen, den bekenden RidderPetit Salisart, met 34 Biscaysche boogschutters, en deed al het mogelijke, om zijnen ongehoorzamen onderdanen afbreuk te doen en hen te verzwakken. Onderhandelingen, door deze laatsten met den Aartshertog aangeknoopt, leidden zoo weinig tot bevrediging, dat een Hollandsch heir van ruim 8000 man, onder opperbevel van den StadhouderLa Layng, in October 1481 het Sticht binnentrok, en den 10endier maand het beleg sloeg voor het blokhuis teVreeswijcaan de vaart, dat op des Burchtgraven last gesticht was. Zoodra die vanUtrechtde noodvuren der belegerden hadden bespeurd, deed de Burchtgraaf terstond de reizige-ruiters11en voetknechten uitMontfoortenAmersfoortlichten, voegde daar soudenieren en poorters by, en trok, met zijn oomSwedervanMontfoort,HenricvanZuylen van Nyevelt,DircvanZuylen van der Haer,VincentvanSwanenburch, enWillemvanWachtendonck, aan het hoofd van 3500 man den belegeraars tegen. Nadat het leger byEngelenburchwas gerangschikt, werdenVincent,Willem, enDirc(Henricweigerde die eer) Ridder geslagen, en trok men de vijanden stout en welgemoed tegen. Deze meenden aanvankelijk dat het de Bisschop met zijne afgesprokene versterking was, maar zagen weldra hunne misvatting in, en stelden zich haastig te weer. Eene achterwaartsche beweging hunner eigene reizige-ruiters by den eersten aanval reeds als wijken aanziende, werden zy echter door een plotselijke schrik bevangen, en sloegen ijlings in de grootste verwarring op de vlucht. Op de wegen naarSchoonhoven,Oudewater,Woerden, enIJsselsteyn, stoven de vliedenden voort, en wierpen hunne wapenen van zich; velen vloden de uiterwaarden op, en verdronken in deLeck; de krijgshoofden, wie bidden noch dreigen om hen tot staan te brengen hielp, werden medegesleept. Van tien ure des morgens tot in het duister van den laten avond zettendenMontfoorten de zijnen hen na, en bekwamen een belangrijke buit aan wapenen, krijgsvoorraad, geld, en gevangenen. Met een honderdtal dezer laatsten, en de veroverde vanen vanDordrecht,Delft,Rotterdam, enHeusden, trokken zy in triomf hunne stad weder binnen. Des Burchtgraven gezach was er merkelijk door gestevigd, hoewel de bedaarden zich door dezen aanvankelijken voorspoed niet lieten misleiden, maar zeer goed inzagen, dat drie Utrechtsche steden niet tegen de Nederlandsche Hertogdommen en Graafschappen, de Burchtgraaf vanMontfoortniet tegen den Aartshertog vanOostenrijk, op den duur bestand waren. De inmiddels nog hangende onderhandelingen over den vrede werden thands door de stoutere eischen der Utrechtenaren afgebroken; want de Burchtgraaf, zegt men, verklaarde: dat hy liever de velden verwoest, en de ploegschaar door de grondvesten der stad zou zien gaan,—dat hy en zijne aanhangers liever den nood van honger, pest, en andere kwalen wilden ondergaan, ja lijden dat alle poorters met hen werden verdelgd, dan dáarin toe te geven, datUtrechtongeschonden onder de heerschappij van BisschopDavidzou te rug komen.