Rijs vrolijk, rijs met spoed,Gewenschte Nachtbodinne,Die ik met eerbied groet,Als leidstar mijner minne!Geef mij gehoor!Licht op deez' avondtocht mijn' vluggen schreden voor!BevangenVan verlangen,Trotseer ik 't aakligst van den nacht:Niet om roof of menschenslacht;Maar om Fyllis, die mij wacht.—Zo pralenUwe stralenMet zilvren licht en gouden' glans,Aan d'azuren Hemeltrans.
Rijs vrolijk, rijs met spoed,Gewenschte Nachtbodinne,Die ik met eerbied groet,Als leidstar mijner minne!Geef mij gehoor!Licht op deez' avondtocht mijn' vluggen schreden voor!BevangenVan verlangen,Trotseer ik 't aakligst van den nacht:Niet om roof of menschenslacht;Maar om Fyllis, die mij wacht.—Zo pralenUwe stralenMet zilvren licht en gouden' glans,Aan d'azuren Hemeltrans.
Rijs vrolijk, rijs met spoed,Gewenschte Nachtbodinne,Die ik met eerbied groet,Als leidstar mijner minne!Geef mij gehoor!Licht op deez' avondtocht mijn' vluggen schreden voor!BevangenVan verlangen,Trotseer ik 't aakligst van den nacht:Niet om roof of menschenslacht;Maar om Fyllis, die mij wacht.—Zo pralenUwe stralenMet zilvren licht en gouden' glans,Aan d'azuren Hemeltrans.
Rijs vrolijk, rijs met spoed,
Gewenschte Nachtbodinne,
Die ik met eerbied groet,
Als leidstar mijner minne!
Geef mij gehoor!
Licht op deez' avondtocht mijn' vluggen schreden voor!
Bevangen
Van verlangen,
Trotseer ik 't aakligst van den nacht:
Niet om roof of menschenslacht;
Maar om Fyllis, die mij wacht.—
Zo pralen
Uwe stralen
Met zilvren licht en gouden' glans,
Aan d'azuren Hemeltrans.
ôLust van 't oog, ô lenteplant,Die, als Vorstin van 't bloemrijk land,De veldkroon spant:Ontluik, bekoorlijk Roosje!Maar neen: ontzie, vertraag dien stond;Of uw aanminnig bloosjeGaat ijlings, eer gij 't weet, te grond.—Mijn Fyllis is een bloem als gij;Haar roem gaat als uw roem, voorbij:Gij moet, als zij, bekoren;En hare schoonheid (hoe volmaakt!)Als de uwe, gaan verloren.Helaas! het vreeslijk uur genaakt,Dat uw satijnen bladers slaakt,En 't zelfde lot is haar beschoren.Welaan dan, frisse bloem, ontluik:En, eer de tijd uw' luister fnuik',Verlaat uw' struik!Ga Fyllis borst bekleeden!Haar sneeuwwit gloei' door uwen gloed;En, slage ik in mijn beden,Uw zachtheid lenig' heur gemoed!—Beminlijk Roosje, dat 'k benij'!Erken uw heil! het staat u vrij,Aan Fyllis borst te sterven!Haar boezem is uw throon en graf!Mocht ik dit lot verwerven!Ik wees Augustus wareldstafEn Krêzus goudtrezoren af,Om dus het levenslicht te derven.Ga dan, en volg haar schone hand,Beschikster van uw plaats' en stand';Als 't onderpandVan mijn wanhopig blaken.Doch, als zij u deze eerplaats biedt;Wier glans gij moet volmaken,Versier haar; maar bedek haar niet.—Dan, teffens, sla haar zuchtjes ga,Indien haar ooit een zucht ontsta:En poog haar te overreden,Door 't onherstelbaar ondergaanVan uw bevalligheden,Naauwkeurig acht op zich te slaan:ô Dat ze, zonder blinden waan,In tijds de haren mocht besteden'!
ôLust van 't oog, ô lenteplant,Die, als Vorstin van 't bloemrijk land,De veldkroon spant:Ontluik, bekoorlijk Roosje!Maar neen: ontzie, vertraag dien stond;Of uw aanminnig bloosjeGaat ijlings, eer gij 't weet, te grond.—Mijn Fyllis is een bloem als gij;Haar roem gaat als uw roem, voorbij:Gij moet, als zij, bekoren;En hare schoonheid (hoe volmaakt!)Als de uwe, gaan verloren.Helaas! het vreeslijk uur genaakt,Dat uw satijnen bladers slaakt,En 't zelfde lot is haar beschoren.Welaan dan, frisse bloem, ontluik:En, eer de tijd uw' luister fnuik',Verlaat uw' struik!Ga Fyllis borst bekleeden!Haar sneeuwwit gloei' door uwen gloed;En, slage ik in mijn beden,Uw zachtheid lenig' heur gemoed!—Beminlijk Roosje, dat 'k benij'!Erken uw heil! het staat u vrij,Aan Fyllis borst te sterven!Haar boezem is uw throon en graf!Mocht ik dit lot verwerven!Ik wees Augustus wareldstafEn Krêzus goudtrezoren af,Om dus het levenslicht te derven.Ga dan, en volg haar schone hand,Beschikster van uw plaats' en stand';Als 't onderpandVan mijn wanhopig blaken.Doch, als zij u deze eerplaats biedt;Wier glans gij moet volmaken,Versier haar; maar bedek haar niet.—Dan, teffens, sla haar zuchtjes ga,Indien haar ooit een zucht ontsta:En poog haar te overreden,Door 't onherstelbaar ondergaanVan uw bevalligheden,Naauwkeurig acht op zich te slaan:ô Dat ze, zonder blinden waan,In tijds de haren mocht besteden'!
ôLust van 't oog, ô lenteplant,Die, als Vorstin van 't bloemrijk land,De veldkroon spant:Ontluik, bekoorlijk Roosje!Maar neen: ontzie, vertraag dien stond;Of uw aanminnig bloosjeGaat ijlings, eer gij 't weet, te grond.—Mijn Fyllis is een bloem als gij;Haar roem gaat als uw roem, voorbij:Gij moet, als zij, bekoren;En hare schoonheid (hoe volmaakt!)Als de uwe, gaan verloren.Helaas! het vreeslijk uur genaakt,Dat uw satijnen bladers slaakt,En 't zelfde lot is haar beschoren.
ôLust van 't oog, ô lenteplant,
Die, als Vorstin van 't bloemrijk land,
De veldkroon spant:
Ontluik, bekoorlijk Roosje!
Maar neen: ontzie, vertraag dien stond;
Of uw aanminnig bloosje
Gaat ijlings, eer gij 't weet, te grond.
—Mijn Fyllis is een bloem als gij;
Haar roem gaat als uw roem, voorbij:
Gij moet, als zij, bekoren;
En hare schoonheid (hoe volmaakt!)
Als de uwe, gaan verloren.
Helaas! het vreeslijk uur genaakt,
Dat uw satijnen bladers slaakt,
En 't zelfde lot is haar beschoren.
Welaan dan, frisse bloem, ontluik:En, eer de tijd uw' luister fnuik',Verlaat uw' struik!Ga Fyllis borst bekleeden!Haar sneeuwwit gloei' door uwen gloed;En, slage ik in mijn beden,Uw zachtheid lenig' heur gemoed!—Beminlijk Roosje, dat 'k benij'!Erken uw heil! het staat u vrij,Aan Fyllis borst te sterven!Haar boezem is uw throon en graf!Mocht ik dit lot verwerven!Ik wees Augustus wareldstafEn Krêzus goudtrezoren af,Om dus het levenslicht te derven.
Welaan dan, frisse bloem, ontluik:
En, eer de tijd uw' luister fnuik',
Verlaat uw' struik!
Ga Fyllis borst bekleeden!
Haar sneeuwwit gloei' door uwen gloed;
En, slage ik in mijn beden,
Uw zachtheid lenig' heur gemoed!
—Beminlijk Roosje, dat 'k benij'!
Erken uw heil! het staat u vrij,
Aan Fyllis borst te sterven!
Haar boezem is uw throon en graf!
Mocht ik dit lot verwerven!
Ik wees Augustus wareldstaf
En Krêzus goudtrezoren af,
Om dus het levenslicht te derven.
Ga dan, en volg haar schone hand,Beschikster van uw plaats' en stand';Als 't onderpandVan mijn wanhopig blaken.Doch, als zij u deze eerplaats biedt;Wier glans gij moet volmaken,Versier haar; maar bedek haar niet.—Dan, teffens, sla haar zuchtjes ga,Indien haar ooit een zucht ontsta:En poog haar te overreden,Door 't onherstelbaar ondergaanVan uw bevalligheden,Naauwkeurig acht op zich te slaan:ô Dat ze, zonder blinden waan,In tijds de haren mocht besteden'!
Ga dan, en volg haar schone hand,
Beschikster van uw plaats' en stand';
Als 't onderpand
Van mijn wanhopig blaken.
Doch, als zij u deze eerplaats biedt;
Wier glans gij moet volmaken,
Versier haar; maar bedek haar niet.
—Dan, teffens, sla haar zuchtjes ga,
Indien haar ooit een zucht ontsta:
En poog haar te overreden,
Door 't onherstelbaar ondergaan
Van uw bevalligheden,
Naauwkeurig acht op zich te slaan:
ô Dat ze, zonder blinden waan,
In tijds de haren mocht besteden'!
'kGing naar Pafos heiligdom,Om de taal der min te leren;Maar in Pafos werd ik stom,En moest spraakloos wederkeren.'k Schrei Cythére troostloos aan;'k Zie haar bij mij nederstijgen:Jongling, (zegt zij) wees voldaan;'t Is de taal der min, tezwijgen.
'kGing naar Pafos heiligdom,Om de taal der min te leren;Maar in Pafos werd ik stom,En moest spraakloos wederkeren.'k Schrei Cythére troostloos aan;'k Zie haar bij mij nederstijgen:Jongling, (zegt zij) wees voldaan;'t Is de taal der min, tezwijgen.
'kGing naar Pafos heiligdom,Om de taal der min te leren;Maar in Pafos werd ik stom,En moest spraakloos wederkeren.
'kGing naar Pafos heiligdom,
Om de taal der min te leren;
Maar in Pafos werd ik stom,
En moest spraakloos wederkeren.
'k Schrei Cythére troostloos aan;'k Zie haar bij mij nederstijgen:Jongling, (zegt zij) wees voldaan;'t Is de taal der min, tezwijgen.
'k Schrei Cythére troostloos aan;
'k Zie haar bij mij nederstijgen:
Jongling, (zegt zij) wees voldaan;
't Is de taal der min, tezwijgen.
'tHoofd der dartle minnegoden,Van een Honigbie gewond,Die hij in een roosje vond,Gaf, tot Venus schoot gevloden,Kreet op kreet.Moeder, riep hij, 'k zal 't besterven,Red mij, laat mij troost verwervenIn mijn leed.In de rozeblaân gedoken,Heeft me een kleene draak gestoken,Dien de boer een Bietje heet.Cypris zag zijn schreiende oogen,Overstelpt van traan bij traan,Met een' zoeten glimlach aan;En ze drukte uit mededogenHem de hand.Staak, dus sprak zij, staak uw zuchten;Zoudt ge een' Bietjes angel duchten?Welk een schand!Doet zo klein een wond u klagen,Denk, wat pijnen hij moet dragen,Dien ge uw' schicht in 't harte plant?
'tHoofd der dartle minnegoden,Van een Honigbie gewond,Die hij in een roosje vond,Gaf, tot Venus schoot gevloden,Kreet op kreet.Moeder, riep hij, 'k zal 't besterven,Red mij, laat mij troost verwervenIn mijn leed.In de rozeblaân gedoken,Heeft me een kleene draak gestoken,Dien de boer een Bietje heet.Cypris zag zijn schreiende oogen,Overstelpt van traan bij traan,Met een' zoeten glimlach aan;En ze drukte uit mededogenHem de hand.Staak, dus sprak zij, staak uw zuchten;Zoudt ge een' Bietjes angel duchten?Welk een schand!Doet zo klein een wond u klagen,Denk, wat pijnen hij moet dragen,Dien ge uw' schicht in 't harte plant?
'tHoofd der dartle minnegoden,Van een Honigbie gewond,Die hij in een roosje vond,Gaf, tot Venus schoot gevloden,Kreet op kreet.Moeder, riep hij, 'k zal 't besterven,Red mij, laat mij troost verwervenIn mijn leed.In de rozeblaân gedoken,Heeft me een kleene draak gestoken,Dien de boer een Bietje heet.
'tHoofd der dartle minnegoden,
Van een Honigbie gewond,
Die hij in een roosje vond,
Gaf, tot Venus schoot gevloden,
Kreet op kreet.
Moeder, riep hij, 'k zal 't besterven,
Red mij, laat mij troost verwerven
In mijn leed.
In de rozeblaân gedoken,
Heeft me een kleene draak gestoken,
Dien de boer een Bietje heet.
Cypris zag zijn schreiende oogen,Overstelpt van traan bij traan,Met een' zoeten glimlach aan;En ze drukte uit mededogenHem de hand.Staak, dus sprak zij, staak uw zuchten;Zoudt ge een' Bietjes angel duchten?Welk een schand!Doet zo klein een wond u klagen,Denk, wat pijnen hij moet dragen,Dien ge uw' schicht in 't harte plant?
Cypris zag zijn schreiende oogen,
Overstelpt van traan bij traan,
Met een' zoeten glimlach aan;
En ze drukte uit mededogen
Hem de hand.
Staak, dus sprak zij, staak uw zuchten;
Zoudt ge een' Bietjes angel duchten?
Welk een schand!
Doet zo klein een wond u klagen,
Denk, wat pijnen hij moet dragen,
Dien ge uw' schicht in 't harte plant?
Natuur heeft al wat zij deed levenMet eigen' wapentuig' voorzien;Of om 't geweld te wederstreven,Of om zijns vijands macht te ontvliên.Den rossen Koning van de dierenGaf ze overmacht in klaauw en tand:En heeft het woest geslacht der StierenHet voorhoofdwapen ingeplant.Dus schonk zij, voor de felle krachten,Verleend aan Tijger, Wolf, en Beer,Den Ever, ondoordringbre vachten;Den Haas, de snelheid, tot geweer.Zij gaf den Visschen, om de baren,Den Vooglen, om het hemelruim,Op vlugge wieken door te varen,De breede vin en lichte pluim.Zo heeft zij, voor alle ander wapen,Den Mann' een' onbetembren moed,Een stugge zielskracht, ingeschapen;Waar voor hij 't alles buigen doet.Dit alles werd der Vrouw' onthouen.Zij bleef dan ongewapend?—Neen.—Wat was dan 't aandeel van de Vrouwen?—'t Aanminnig lichaamsschoon alleen.Dit strekt haar in de plaats van speeren,Van klingen, bijlen, boog en schicht.Hier door weet ze alles te overheeren,Met eenen wenk van haar gezicht.
Natuur heeft al wat zij deed levenMet eigen' wapentuig' voorzien;Of om 't geweld te wederstreven,Of om zijns vijands macht te ontvliên.Den rossen Koning van de dierenGaf ze overmacht in klaauw en tand:En heeft het woest geslacht der StierenHet voorhoofdwapen ingeplant.Dus schonk zij, voor de felle krachten,Verleend aan Tijger, Wolf, en Beer,Den Ever, ondoordringbre vachten;Den Haas, de snelheid, tot geweer.Zij gaf den Visschen, om de baren,Den Vooglen, om het hemelruim,Op vlugge wieken door te varen,De breede vin en lichte pluim.Zo heeft zij, voor alle ander wapen,Den Mann' een' onbetembren moed,Een stugge zielskracht, ingeschapen;Waar voor hij 't alles buigen doet.Dit alles werd der Vrouw' onthouen.Zij bleef dan ongewapend?—Neen.—Wat was dan 't aandeel van de Vrouwen?—'t Aanminnig lichaamsschoon alleen.Dit strekt haar in de plaats van speeren,Van klingen, bijlen, boog en schicht.Hier door weet ze alles te overheeren,Met eenen wenk van haar gezicht.
Natuur heeft al wat zij deed levenMet eigen' wapentuig' voorzien;Of om 't geweld te wederstreven,Of om zijns vijands macht te ontvliên.
Natuur heeft al wat zij deed leven
Met eigen' wapentuig' voorzien;
Of om 't geweld te wederstreven,
Of om zijns vijands macht te ontvliên.
Den rossen Koning van de dierenGaf ze overmacht in klaauw en tand:En heeft het woest geslacht der StierenHet voorhoofdwapen ingeplant.
Den rossen Koning van de dieren
Gaf ze overmacht in klaauw en tand:
En heeft het woest geslacht der Stieren
Het voorhoofdwapen ingeplant.
Dus schonk zij, voor de felle krachten,Verleend aan Tijger, Wolf, en Beer,Den Ever, ondoordringbre vachten;Den Haas, de snelheid, tot geweer.
Dus schonk zij, voor de felle krachten,
Verleend aan Tijger, Wolf, en Beer,
Den Ever, ondoordringbre vachten;
Den Haas, de snelheid, tot geweer.
Zij gaf den Visschen, om de baren,Den Vooglen, om het hemelruim,Op vlugge wieken door te varen,De breede vin en lichte pluim.
Zij gaf den Visschen, om de baren,
Den Vooglen, om het hemelruim,
Op vlugge wieken door te varen,
De breede vin en lichte pluim.
Zo heeft zij, voor alle ander wapen,Den Mann' een' onbetembren moed,Een stugge zielskracht, ingeschapen;Waar voor hij 't alles buigen doet.
Zo heeft zij, voor alle ander wapen,
Den Mann' een' onbetembren moed,
Een stugge zielskracht, ingeschapen;
Waar voor hij 't alles buigen doet.
Dit alles werd der Vrouw' onthouen.Zij bleef dan ongewapend?—Neen.—Wat was dan 't aandeel van de Vrouwen?—'t Aanminnig lichaamsschoon alleen.
Dit alles werd der Vrouw' onthouen.
Zij bleef dan ongewapend?—Neen.—
Wat was dan 't aandeel van de Vrouwen?—
't Aanminnig lichaamsschoon alleen.
Dit strekt haar in de plaats van speeren,Van klingen, bijlen, boog en schicht.Hier door weet ze alles te overheeren,Met eenen wenk van haar gezicht.
Dit strekt haar in de plaats van speeren,
Van klingen, bijlen, boog en schicht.
Hier door weet ze alles te overheeren,
Met eenen wenk van haar gezicht.
'tWas middernacht; men zag het wentelend gewemelDer starren aan den duistren hemel;De mensch, door d'arbeid en de zorg des daags vermoeid,Lag in den zachten slaap geboeid;Wanneer ik aan mijn deur een dof geraas hoor maken."Wie (roep ik,) doet mij dus ontwaken"?Men antwoordt: "'k ben een kind, doe open onbevreesd:'k Ben al den nacht op weg geweest:Mijn kleedren zijn doornat van zware regenvlagen:Dus koom ik u herberging vragen.Mijn leden zijn verstijfd, van 't onweêr aangedaan,Zo dat ik verder niet kan gaan".Dit hoorend, word ik straks door teder mededogenVoor 't hulpeloze wicht bewogen:'k Ontsteek een fakkel, en ontsluit in ijl de deur,Als ik een' jongen knaap bespeur;Maar met een' boog voorzien, en wapperende pennen,'t Geen mij Kupîdo deed herkennen.Ik breng hem bij den haard, op dat hij drogen mocht',En uit zijn lokken pers ik 't vocht,En poog de stramme leên van 't wichtje te verwarmen,Door 't wel te koestren in mijne armen.Doch naauwlijks was het warm, en zijn gewaad weêr droog,Of 't sprak: "beproeven wij mijn' boog,Of mogelijk de pees, bevochtigd door den regen,Ook eenig letsel heeft gekregen".Dus zegt hij; spant den boog; en treft me in 't ingewand,Dat ijlings vloog in vollen brand.Toen sprong hij schaatrend op, en riep: "wees wel te vreden,ô Vriend; mijn boog heeft niets geleden:Maar gij gevoelt nog lang de folterende smartVan deze wonde in 't kwijnend hart".
'tWas middernacht; men zag het wentelend gewemelDer starren aan den duistren hemel;De mensch, door d'arbeid en de zorg des daags vermoeid,Lag in den zachten slaap geboeid;Wanneer ik aan mijn deur een dof geraas hoor maken."Wie (roep ik,) doet mij dus ontwaken"?Men antwoordt: "'k ben een kind, doe open onbevreesd:'k Ben al den nacht op weg geweest:Mijn kleedren zijn doornat van zware regenvlagen:Dus koom ik u herberging vragen.Mijn leden zijn verstijfd, van 't onweêr aangedaan,Zo dat ik verder niet kan gaan".Dit hoorend, word ik straks door teder mededogenVoor 't hulpeloze wicht bewogen:'k Ontsteek een fakkel, en ontsluit in ijl de deur,Als ik een' jongen knaap bespeur;Maar met een' boog voorzien, en wapperende pennen,'t Geen mij Kupîdo deed herkennen.Ik breng hem bij den haard, op dat hij drogen mocht',En uit zijn lokken pers ik 't vocht,En poog de stramme leên van 't wichtje te verwarmen,Door 't wel te koestren in mijne armen.Doch naauwlijks was het warm, en zijn gewaad weêr droog,Of 't sprak: "beproeven wij mijn' boog,Of mogelijk de pees, bevochtigd door den regen,Ook eenig letsel heeft gekregen".Dus zegt hij; spant den boog; en treft me in 't ingewand,Dat ijlings vloog in vollen brand.Toen sprong hij schaatrend op, en riep: "wees wel te vreden,ô Vriend; mijn boog heeft niets geleden:Maar gij gevoelt nog lang de folterende smartVan deze wonde in 't kwijnend hart".
'tWas middernacht; men zag het wentelend gewemelDer starren aan den duistren hemel;De mensch, door d'arbeid en de zorg des daags vermoeid,Lag in den zachten slaap geboeid;Wanneer ik aan mijn deur een dof geraas hoor maken."Wie (roep ik,) doet mij dus ontwaken"?Men antwoordt: "'k ben een kind, doe open onbevreesd:'k Ben al den nacht op weg geweest:Mijn kleedren zijn doornat van zware regenvlagen:Dus koom ik u herberging vragen.Mijn leden zijn verstijfd, van 't onweêr aangedaan,Zo dat ik verder niet kan gaan".Dit hoorend, word ik straks door teder mededogenVoor 't hulpeloze wicht bewogen:'k Ontsteek een fakkel, en ontsluit in ijl de deur,Als ik een' jongen knaap bespeur;Maar met een' boog voorzien, en wapperende pennen,'t Geen mij Kupîdo deed herkennen.Ik breng hem bij den haard, op dat hij drogen mocht',En uit zijn lokken pers ik 't vocht,En poog de stramme leên van 't wichtje te verwarmen,Door 't wel te koestren in mijne armen.Doch naauwlijks was het warm, en zijn gewaad weêr droog,Of 't sprak: "beproeven wij mijn' boog,Of mogelijk de pees, bevochtigd door den regen,Ook eenig letsel heeft gekregen".Dus zegt hij; spant den boog; en treft me in 't ingewand,Dat ijlings vloog in vollen brand.Toen sprong hij schaatrend op, en riep: "wees wel te vreden,ô Vriend; mijn boog heeft niets geleden:Maar gij gevoelt nog lang de folterende smartVan deze wonde in 't kwijnend hart".
'tWas middernacht; men zag het wentelend gewemel
Der starren aan den duistren hemel;
De mensch, door d'arbeid en de zorg des daags vermoeid,
Lag in den zachten slaap geboeid;
Wanneer ik aan mijn deur een dof geraas hoor maken.
"Wie (roep ik,) doet mij dus ontwaken"?
Men antwoordt: "'k ben een kind, doe open onbevreesd:
'k Ben al den nacht op weg geweest:
Mijn kleedren zijn doornat van zware regenvlagen:
Dus koom ik u herberging vragen.
Mijn leden zijn verstijfd, van 't onweêr aangedaan,
Zo dat ik verder niet kan gaan".
Dit hoorend, word ik straks door teder mededogen
Voor 't hulpeloze wicht bewogen:
'k Ontsteek een fakkel, en ontsluit in ijl de deur,
Als ik een' jongen knaap bespeur;
Maar met een' boog voorzien, en wapperende pennen,
't Geen mij Kupîdo deed herkennen.
Ik breng hem bij den haard, op dat hij drogen mocht',
En uit zijn lokken pers ik 't vocht,
En poog de stramme leên van 't wichtje te verwarmen,
Door 't wel te koestren in mijne armen.
Doch naauwlijks was het warm, en zijn gewaad weêr droog,
Of 't sprak: "beproeven wij mijn' boog,
Of mogelijk de pees, bevochtigd door den regen,
Ook eenig letsel heeft gekregen".
Dus zegt hij; spant den boog; en treft me in 't ingewand,
Dat ijlings vloog in vollen brand.
Toen sprong hij schaatrend op, en riep: "wees wel te vreden,
ô Vriend; mijn boog heeft niets geleden:
Maar gij gevoelt nog lang de folterende smart
Van deze wonde in 't kwijnend hart".
'tValt hard, den bloem, de lente van zijn dagenIn doodkil ongevoel te slijten zonder min:'t Valt hard, den last der minnekwaal te dragen:Maar liefde zonder hoop heeft alle rampen in.Dan ach! wat grond, om zich met hoop te vleien?Thands wordt de aeloude roem van 't glorierijkst geslacht,Thands 't eêlst vernuft, de groenste lauwrenmeien,Ja 't heilig zilverblank der reinste deugd veracht.Wees om den glans der onbevlekste zeden,Wees om 't verlichtst verstand, beroemd, gezocht, geëerd:De Geldgod spreekt: en geen voortreflijkheden,Die zijn gezag niet straks met d'eersten wenk verneêrt.Vervloekt zij hij, en zijn gedachtenisse,Die 't eerst aan schittrende erts een waarde heeft verknocht!Hij heeft het recht, de waarheid, en 't gewisse,Begeerlijkheid ter gunst', voor 't misdrijf omgekocht.Hij heeft de twist ontstoken in gemoederen,Door de inspraak van natuur op 't allerteêrst vereend:Den band van 't bloed verbroken tusschen Broederen,En 't ouderlijke hart voor 't hulploos kroost versteend.Van daar die pest, van bloed en tranen dronken,Wier voetstap 't bloeiendst veld met de ijzren zool vertrapt;Wier druipend zwaard, geschaard op menschenschonken,Niets aanblikt in 't gevecht, dat aan zijn woede ontsnapt.Van daar, van hem, alle onheil in ons leven.—Hoe zalig vloot het uwe, ô vroeger menschdom! voort,Eer weelde ons nog de wet had voorgeschreven,En 't onrustbarend goud de stem van 't hart versmoord!Gij leefdet vrij van al die slaafsche boeien,Waar meê 't verderf der eeuw uw' naneef heeft belaân:Een zuivrer vreugd mocht u de borst doorgloeien,Dan die ooit overvloed in de onze deed ontstaan.Gij mindet meê; maar vrij van de ongenuchten,Waar mede in onzen tijd de liefde wordt omstuwd.—Leide ooit uw hart zich wetten op in 't zuchten?Of dwong het zich, om 't goud, te vleien 't geen het schuwt?Noodlottig goud! Onlijdbre dwinglandije!Is 't offer onzer rust dan nog niet groot genoeg,Ontbreekt er iets aan uwe heerschappije,Ten zij het harte-zelf in uwe ketens zwoeg'?ô Gruwzaamheên!—Door vuig metaal bewogen,Verraadt zich 't maagdlijk hart, en werpt zich weg, en beeft!De minnaar ziet zijn hoop, zijn heil vervlogen!—Hij zwijgt, en voedt zijn vlam, en kwijnt, en zucht, en sneeft!
'tValt hard, den bloem, de lente van zijn dagenIn doodkil ongevoel te slijten zonder min:'t Valt hard, den last der minnekwaal te dragen:Maar liefde zonder hoop heeft alle rampen in.Dan ach! wat grond, om zich met hoop te vleien?Thands wordt de aeloude roem van 't glorierijkst geslacht,Thands 't eêlst vernuft, de groenste lauwrenmeien,Ja 't heilig zilverblank der reinste deugd veracht.Wees om den glans der onbevlekste zeden,Wees om 't verlichtst verstand, beroemd, gezocht, geëerd:De Geldgod spreekt: en geen voortreflijkheden,Die zijn gezag niet straks met d'eersten wenk verneêrt.Vervloekt zij hij, en zijn gedachtenisse,Die 't eerst aan schittrende erts een waarde heeft verknocht!Hij heeft het recht, de waarheid, en 't gewisse,Begeerlijkheid ter gunst', voor 't misdrijf omgekocht.Hij heeft de twist ontstoken in gemoederen,Door de inspraak van natuur op 't allerteêrst vereend:Den band van 't bloed verbroken tusschen Broederen,En 't ouderlijke hart voor 't hulploos kroost versteend.Van daar die pest, van bloed en tranen dronken,Wier voetstap 't bloeiendst veld met de ijzren zool vertrapt;Wier druipend zwaard, geschaard op menschenschonken,Niets aanblikt in 't gevecht, dat aan zijn woede ontsnapt.Van daar, van hem, alle onheil in ons leven.—Hoe zalig vloot het uwe, ô vroeger menschdom! voort,Eer weelde ons nog de wet had voorgeschreven,En 't onrustbarend goud de stem van 't hart versmoord!Gij leefdet vrij van al die slaafsche boeien,Waar meê 't verderf der eeuw uw' naneef heeft belaân:Een zuivrer vreugd mocht u de borst doorgloeien,Dan die ooit overvloed in de onze deed ontstaan.Gij mindet meê; maar vrij van de ongenuchten,Waar mede in onzen tijd de liefde wordt omstuwd.—Leide ooit uw hart zich wetten op in 't zuchten?Of dwong het zich, om 't goud, te vleien 't geen het schuwt?Noodlottig goud! Onlijdbre dwinglandije!Is 't offer onzer rust dan nog niet groot genoeg,Ontbreekt er iets aan uwe heerschappije,Ten zij het harte-zelf in uwe ketens zwoeg'?ô Gruwzaamheên!—Door vuig metaal bewogen,Verraadt zich 't maagdlijk hart, en werpt zich weg, en beeft!De minnaar ziet zijn hoop, zijn heil vervlogen!—Hij zwijgt, en voedt zijn vlam, en kwijnt, en zucht, en sneeft!
'tValt hard, den bloem, de lente van zijn dagenIn doodkil ongevoel te slijten zonder min:'t Valt hard, den last der minnekwaal te dragen:Maar liefde zonder hoop heeft alle rampen in.
'tValt hard, den bloem, de lente van zijn dagen
In doodkil ongevoel te slijten zonder min:
't Valt hard, den last der minnekwaal te dragen:
Maar liefde zonder hoop heeft alle rampen in.
Dan ach! wat grond, om zich met hoop te vleien?Thands wordt de aeloude roem van 't glorierijkst geslacht,Thands 't eêlst vernuft, de groenste lauwrenmeien,Ja 't heilig zilverblank der reinste deugd veracht.
Dan ach! wat grond, om zich met hoop te vleien?
Thands wordt de aeloude roem van 't glorierijkst geslacht,
Thands 't eêlst vernuft, de groenste lauwrenmeien,
Ja 't heilig zilverblank der reinste deugd veracht.
Wees om den glans der onbevlekste zeden,Wees om 't verlichtst verstand, beroemd, gezocht, geëerd:De Geldgod spreekt: en geen voortreflijkheden,Die zijn gezag niet straks met d'eersten wenk verneêrt.
Wees om den glans der onbevlekste zeden,
Wees om 't verlichtst verstand, beroemd, gezocht, geëerd:
De Geldgod spreekt: en geen voortreflijkheden,
Die zijn gezag niet straks met d'eersten wenk verneêrt.
Vervloekt zij hij, en zijn gedachtenisse,Die 't eerst aan schittrende erts een waarde heeft verknocht!Hij heeft het recht, de waarheid, en 't gewisse,Begeerlijkheid ter gunst', voor 't misdrijf omgekocht.
Vervloekt zij hij, en zijn gedachtenisse,
Die 't eerst aan schittrende erts een waarde heeft verknocht!
Hij heeft het recht, de waarheid, en 't gewisse,
Begeerlijkheid ter gunst', voor 't misdrijf omgekocht.
Hij heeft de twist ontstoken in gemoederen,Door de inspraak van natuur op 't allerteêrst vereend:Den band van 't bloed verbroken tusschen Broederen,En 't ouderlijke hart voor 't hulploos kroost versteend.
Hij heeft de twist ontstoken in gemoederen,
Door de inspraak van natuur op 't allerteêrst vereend:
Den band van 't bloed verbroken tusschen Broederen,
En 't ouderlijke hart voor 't hulploos kroost versteend.
Van daar die pest, van bloed en tranen dronken,Wier voetstap 't bloeiendst veld met de ijzren zool vertrapt;Wier druipend zwaard, geschaard op menschenschonken,Niets aanblikt in 't gevecht, dat aan zijn woede ontsnapt.
Van daar die pest, van bloed en tranen dronken,
Wier voetstap 't bloeiendst veld met de ijzren zool vertrapt;
Wier druipend zwaard, geschaard op menschenschonken,
Niets aanblikt in 't gevecht, dat aan zijn woede ontsnapt.
Van daar, van hem, alle onheil in ons leven.—Hoe zalig vloot het uwe, ô vroeger menschdom! voort,Eer weelde ons nog de wet had voorgeschreven,En 't onrustbarend goud de stem van 't hart versmoord!
Van daar, van hem, alle onheil in ons leven.—
Hoe zalig vloot het uwe, ô vroeger menschdom! voort,
Eer weelde ons nog de wet had voorgeschreven,
En 't onrustbarend goud de stem van 't hart versmoord!
Gij leefdet vrij van al die slaafsche boeien,Waar meê 't verderf der eeuw uw' naneef heeft belaân:Een zuivrer vreugd mocht u de borst doorgloeien,Dan die ooit overvloed in de onze deed ontstaan.
Gij leefdet vrij van al die slaafsche boeien,
Waar meê 't verderf der eeuw uw' naneef heeft belaân:
Een zuivrer vreugd mocht u de borst doorgloeien,
Dan die ooit overvloed in de onze deed ontstaan.
Gij mindet meê; maar vrij van de ongenuchten,Waar mede in onzen tijd de liefde wordt omstuwd.—Leide ooit uw hart zich wetten op in 't zuchten?Of dwong het zich, om 't goud, te vleien 't geen het schuwt?
Gij mindet meê; maar vrij van de ongenuchten,
Waar mede in onzen tijd de liefde wordt omstuwd.—
Leide ooit uw hart zich wetten op in 't zuchten?
Of dwong het zich, om 't goud, te vleien 't geen het schuwt?
Noodlottig goud! Onlijdbre dwinglandije!Is 't offer onzer rust dan nog niet groot genoeg,Ontbreekt er iets aan uwe heerschappije,Ten zij het harte-zelf in uwe ketens zwoeg'?
Noodlottig goud! Onlijdbre dwinglandije!
Is 't offer onzer rust dan nog niet groot genoeg,
Ontbreekt er iets aan uwe heerschappije,
Ten zij het harte-zelf in uwe ketens zwoeg'?
ô Gruwzaamheên!—Door vuig metaal bewogen,Verraadt zich 't maagdlijk hart, en werpt zich weg, en beeft!De minnaar ziet zijn hoop, zijn heil vervlogen!—Hij zwijgt, en voedt zijn vlam, en kwijnt, en zucht, en sneeft!
ô Gruwzaamheên!—Door vuig metaal bewogen,
Verraadt zich 't maagdlijk hart, en werpt zich weg, en beeft!
De minnaar ziet zijn hoop, zijn heil vervlogen!—
Hij zwijgt, en voedt zijn vlam, en kwijnt, en zucht, en sneeft!
Als Kupîdo, met zijn' staf,Mij in hobbelige dalen,Die nooit wind verfrissing gaf,Door de struiken heen deed dwalen;Heeft me een adder, voor het oogIn de kruiden neêrgedoken,Op het onvoorzienst gestoken:'t Scheen dat mij de geest ontvloog;'t Hart kromp in mijne ingewanden;'k Dacht, mijn dood is nu voor handen:Maar Kupîdo, die dit ziet,Slaande 't dons van zijne vlerkenOp mijn hoofd, om mij te sterken,Zegt: gij kunt nog 't minnen niet.
Als Kupîdo, met zijn' staf,Mij in hobbelige dalen,Die nooit wind verfrissing gaf,Door de struiken heen deed dwalen;Heeft me een adder, voor het oogIn de kruiden neêrgedoken,Op het onvoorzienst gestoken:'t Scheen dat mij de geest ontvloog;'t Hart kromp in mijne ingewanden;'k Dacht, mijn dood is nu voor handen:Maar Kupîdo, die dit ziet,Slaande 't dons van zijne vlerkenOp mijn hoofd, om mij te sterken,Zegt: gij kunt nog 't minnen niet.
Als Kupîdo, met zijn' staf,Mij in hobbelige dalen,Die nooit wind verfrissing gaf,Door de struiken heen deed dwalen;Heeft me een adder, voor het oogIn de kruiden neêrgedoken,Op het onvoorzienst gestoken:'t Scheen dat mij de geest ontvloog;'t Hart kromp in mijne ingewanden;'k Dacht, mijn dood is nu voor handen:Maar Kupîdo, die dit ziet,Slaande 't dons van zijne vlerkenOp mijn hoofd, om mij te sterken,Zegt: gij kunt nog 't minnen niet.
Als Kupîdo, met zijn' staf,
Mij in hobbelige dalen,
Die nooit wind verfrissing gaf,
Door de struiken heen deed dwalen;
Heeft me een adder, voor het oog
In de kruiden neêrgedoken,
Op het onvoorzienst gestoken:
't Scheen dat mij de geest ontvloog;
't Hart kromp in mijne ingewanden;
'k Dacht, mijn dood is nu voor handen:
Maar Kupîdo, die dit ziet,
Slaande 't dons van zijne vlerken
Op mijn hoofd, om mij te sterken,
Zegt: gij kunt nog 't minnen niet.
Voor overvloed, voor mateloze schattenBezit ik u, beminnelijke Luit!Gij zijt mij meer, dan Peruus mijnen vatten,Of de Indus in zijn kronklende armen sluit.Gij zijt mij de eer, de wellust, en 't genoegen,'t Genot van 't heil, de troost in 't zwoegen,En perst aan 't drijvend oog de zoetste traantjes uit.Rampzalig! die, gevoelloos voor uw klanken,Die sombre vreugd miskent, waar meê ge ons harte streelt.Hij moog zich vrij van 't blinde lot bedanken,Wien 't staven gouds en gouden staven deelt:Hij is, wat staat hem zij beschoren,In 's Hemels ongenaâ geboren,Die 't hart voor maatzang heeft vereeld.Mijn Cyther, klink, ja klink dan in mijn handen!En zo mijn ziel ooit zweemsel voel' van nijd,Zo ze ooit mijn borst van wrevel voele ontbranden,ô Wees mij dan, wees gij mij tot verwijt!Dan moeten, midden in mijn zingen,Uw snaren mij voor 't voorhoofd springen,En roepen, dat gij me alles zijt!
Voor overvloed, voor mateloze schattenBezit ik u, beminnelijke Luit!Gij zijt mij meer, dan Peruus mijnen vatten,Of de Indus in zijn kronklende armen sluit.Gij zijt mij de eer, de wellust, en 't genoegen,'t Genot van 't heil, de troost in 't zwoegen,En perst aan 't drijvend oog de zoetste traantjes uit.Rampzalig! die, gevoelloos voor uw klanken,Die sombre vreugd miskent, waar meê ge ons harte streelt.Hij moog zich vrij van 't blinde lot bedanken,Wien 't staven gouds en gouden staven deelt:Hij is, wat staat hem zij beschoren,In 's Hemels ongenaâ geboren,Die 't hart voor maatzang heeft vereeld.Mijn Cyther, klink, ja klink dan in mijn handen!En zo mijn ziel ooit zweemsel voel' van nijd,Zo ze ooit mijn borst van wrevel voele ontbranden,ô Wees mij dan, wees gij mij tot verwijt!Dan moeten, midden in mijn zingen,Uw snaren mij voor 't voorhoofd springen,En roepen, dat gij me alles zijt!
Voor overvloed, voor mateloze schattenBezit ik u, beminnelijke Luit!Gij zijt mij meer, dan Peruus mijnen vatten,Of de Indus in zijn kronklende armen sluit.Gij zijt mij de eer, de wellust, en 't genoegen,'t Genot van 't heil, de troost in 't zwoegen,En perst aan 't drijvend oog de zoetste traantjes uit.
Voor overvloed, voor mateloze schatten
Bezit ik u, beminnelijke Luit!
Gij zijt mij meer, dan Peruus mijnen vatten,
Of de Indus in zijn kronklende armen sluit.
Gij zijt mij de eer, de wellust, en 't genoegen,
't Genot van 't heil, de troost in 't zwoegen,
En perst aan 't drijvend oog de zoetste traantjes uit.
Rampzalig! die, gevoelloos voor uw klanken,Die sombre vreugd miskent, waar meê ge ons harte streelt.Hij moog zich vrij van 't blinde lot bedanken,Wien 't staven gouds en gouden staven deelt:Hij is, wat staat hem zij beschoren,In 's Hemels ongenaâ geboren,Die 't hart voor maatzang heeft vereeld.
Rampzalig! die, gevoelloos voor uw klanken,
Die sombre vreugd miskent, waar meê ge ons harte streelt.
Hij moog zich vrij van 't blinde lot bedanken,
Wien 't staven gouds en gouden staven deelt:
Hij is, wat staat hem zij beschoren,
In 's Hemels ongenaâ geboren,
Die 't hart voor maatzang heeft vereeld.
Mijn Cyther, klink, ja klink dan in mijn handen!En zo mijn ziel ooit zweemsel voel' van nijd,Zo ze ooit mijn borst van wrevel voele ontbranden,ô Wees mij dan, wees gij mij tot verwijt!Dan moeten, midden in mijn zingen,Uw snaren mij voor 't voorhoofd springen,En roepen, dat gij me alles zijt!
Mijn Cyther, klink, ja klink dan in mijn handen!
En zo mijn ziel ooit zweemsel voel' van nijd,
Zo ze ooit mijn borst van wrevel voele ontbranden,
ô Wees mij dan, wees gij mij tot verwijt!
Dan moeten, midden in mijn zingen,
Uw snaren mij voor 't voorhoofd springen,
En roepen, dat gij me alles zijt!
Het lust, het lust me te beminnen:Kupído had het mij geboôn;Maar ik, geheel beroofd van zinnen,Verachtede 't bevel van Cytherêaas zoon.Dus, na mij tot den strijd te dagen,Maakt hij zijn' stalen boog gereed,En pijlen, op den rug gedragen,Die hem Vulkaan weleer in Lemnos had gesmeed.Ik gesp het harnas aan de leden,En koom, van speer en schild voorzien,Als Peleûs zoon, te voorschijn treden,Om met een' fieren moed Kupído weer te biên.'t Gevecht begon; hij schoot; ik vluchtte;Tot hij, van pijlen gantsch ontbloot,Van spijt en wrevel diep verzuchtte,En, als een' schicht, zich-zelv' in mijnen boezem schoot.Dus drong het wicht zich in mijn harte:Op zulk een wijs beheerscht hij mij.Nu baat geen schild voor deze smarte:'t Is al inwendig en onzichtbaar dat ik lij'.
Het lust, het lust me te beminnen:Kupído had het mij geboôn;Maar ik, geheel beroofd van zinnen,Verachtede 't bevel van Cytherêaas zoon.Dus, na mij tot den strijd te dagen,Maakt hij zijn' stalen boog gereed,En pijlen, op den rug gedragen,Die hem Vulkaan weleer in Lemnos had gesmeed.Ik gesp het harnas aan de leden,En koom, van speer en schild voorzien,Als Peleûs zoon, te voorschijn treden,Om met een' fieren moed Kupído weer te biên.'t Gevecht begon; hij schoot; ik vluchtte;Tot hij, van pijlen gantsch ontbloot,Van spijt en wrevel diep verzuchtte,En, als een' schicht, zich-zelv' in mijnen boezem schoot.Dus drong het wicht zich in mijn harte:Op zulk een wijs beheerscht hij mij.Nu baat geen schild voor deze smarte:'t Is al inwendig en onzichtbaar dat ik lij'.
Het lust, het lust me te beminnen:Kupído had het mij geboôn;Maar ik, geheel beroofd van zinnen,Verachtede 't bevel van Cytherêaas zoon.Dus, na mij tot den strijd te dagen,Maakt hij zijn' stalen boog gereed,En pijlen, op den rug gedragen,Die hem Vulkaan weleer in Lemnos had gesmeed.Ik gesp het harnas aan de leden,En koom, van speer en schild voorzien,Als Peleûs zoon, te voorschijn treden,Om met een' fieren moed Kupído weer te biên.'t Gevecht begon; hij schoot; ik vluchtte;Tot hij, van pijlen gantsch ontbloot,Van spijt en wrevel diep verzuchtte,En, als een' schicht, zich-zelv' in mijnen boezem schoot.Dus drong het wicht zich in mijn harte:Op zulk een wijs beheerscht hij mij.Nu baat geen schild voor deze smarte:'t Is al inwendig en onzichtbaar dat ik lij'.
Het lust, het lust me te beminnen:
Kupído had het mij geboôn;
Maar ik, geheel beroofd van zinnen,
Verachtede 't bevel van Cytherêaas zoon.
Dus, na mij tot den strijd te dagen,
Maakt hij zijn' stalen boog gereed,
En pijlen, op den rug gedragen,
Die hem Vulkaan weleer in Lemnos had gesmeed.
Ik gesp het harnas aan de leden,
En koom, van speer en schild voorzien,
Als Peleûs zoon, te voorschijn treden,
Om met een' fieren moed Kupído weer te biên.
't Gevecht begon; hij schoot; ik vluchtte;
Tot hij, van pijlen gantsch ontbloot,
Van spijt en wrevel diep verzuchtte,
En, als een' schicht, zich-zelv' in mijnen boezem schoot.
Dus drong het wicht zich in mijn harte:
Op zulk een wijs beheerscht hij mij.
Nu baat geen schild voor deze smarte:
't Is al inwendig en onzichtbaar dat ik lij'.
Als Venus kreupele GemaalIn Lemnos smits', van blinkend staal,Kupído pijlen stond te smeden,Die zij met honig streek, door 't wicht vermengd met gal;Kwam daar de Krijgsgod, bij geval,Den heirbijl zwaaiende, uit het slagveld binnen treden.Hij spotte met den kleenen schicht,Van 't snelgevleugeld Minnewicht,Dat hij beneden zich verachtte.Kupído sprak hier op: "dit tuig is u te zwaar:Beproef mijn woorden vrij, hou daar":En Mavors nam 't geweer, daar Cytherê om lachte.Doch zo als hij het aangevat,En in zijn hand geheven had,Moest hem zijn overmoed berouwen:"'t is zwaar, (verzucht hij straks;) neem gij het pijltje weêr:Ik geef u uw verschuldigde eer"."Neen, (zegt de loze knaap:) gij zult den pijl behouen".
Als Venus kreupele GemaalIn Lemnos smits', van blinkend staal,Kupído pijlen stond te smeden,Die zij met honig streek, door 't wicht vermengd met gal;Kwam daar de Krijgsgod, bij geval,Den heirbijl zwaaiende, uit het slagveld binnen treden.Hij spotte met den kleenen schicht,Van 't snelgevleugeld Minnewicht,Dat hij beneden zich verachtte.Kupído sprak hier op: "dit tuig is u te zwaar:Beproef mijn woorden vrij, hou daar":En Mavors nam 't geweer, daar Cytherê om lachte.Doch zo als hij het aangevat,En in zijn hand geheven had,Moest hem zijn overmoed berouwen:"'t is zwaar, (verzucht hij straks;) neem gij het pijltje weêr:Ik geef u uw verschuldigde eer"."Neen, (zegt de loze knaap:) gij zult den pijl behouen".
Als Venus kreupele GemaalIn Lemnos smits', van blinkend staal,Kupído pijlen stond te smeden,Die zij met honig streek, door 't wicht vermengd met gal;Kwam daar de Krijgsgod, bij geval,Den heirbijl zwaaiende, uit het slagveld binnen treden.Hij spotte met den kleenen schicht,Van 't snelgevleugeld Minnewicht,Dat hij beneden zich verachtte.Kupído sprak hier op: "dit tuig is u te zwaar:Beproef mijn woorden vrij, hou daar":En Mavors nam 't geweer, daar Cytherê om lachte.Doch zo als hij het aangevat,En in zijn hand geheven had,Moest hem zijn overmoed berouwen:"'t is zwaar, (verzucht hij straks;) neem gij het pijltje weêr:Ik geef u uw verschuldigde eer"."Neen, (zegt de loze knaap:) gij zult den pijl behouen".
Als Venus kreupele Gemaal
In Lemnos smits', van blinkend staal,
Kupído pijlen stond te smeden,
Die zij met honig streek, door 't wicht vermengd met gal;
Kwam daar de Krijgsgod, bij geval,
Den heirbijl zwaaiende, uit het slagveld binnen treden.
Hij spotte met den kleenen schicht,
Van 't snelgevleugeld Minnewicht,
Dat hij beneden zich verachtte.
Kupído sprak hier op: "dit tuig is u te zwaar:
Beproef mijn woorden vrij, hou daar":
En Mavors nam 't geweer, daar Cytherê om lachte.
Doch zo als hij het aangevat,
En in zijn hand geheven had,
Moest hem zijn overmoed berouwen:
"'t is zwaar, (verzucht hij straks;) neem gij het pijltje weêr:
Ik geef u uw verschuldigde eer".
"Neen, (zegt de loze knaap:) gij zult den pijl behouen".
Men zegt dat Niobe voorheenAan Xanthus oever is veranderd in een' steen;En dat Pandsons telg het wraakzwaard naar den hogenOp zwaluwwieken is ontvlogen:Maar ik, ik wenschte een spiegelglasTe zijn, op dat me altoos uw minlijke oogen zagen:Ik wenschte dat ik u een kleed, ô schone, was,Op dat gij me altijd meê mocht dragen.ô! Ware ik u een halssieraad,Of kostelijk kleinood van jaspis of agaat:Zo mogt ik 't zachte albast van uwen boezem strelen,En dartel om uw' gorgel spelen!Och of ik ware een zuiver vocht;Zo waschtet gij met mij uw poezle en blanke leden!Och of ik in uw' schoen voor 't minst verwandlen mocht;Zo wierd ik door uw' lieven voet vertreden!
Men zegt dat Niobe voorheenAan Xanthus oever is veranderd in een' steen;En dat Pandsons telg het wraakzwaard naar den hogenOp zwaluwwieken is ontvlogen:Maar ik, ik wenschte een spiegelglasTe zijn, op dat me altoos uw minlijke oogen zagen:Ik wenschte dat ik u een kleed, ô schone, was,Op dat gij me altijd meê mocht dragen.ô! Ware ik u een halssieraad,Of kostelijk kleinood van jaspis of agaat:Zo mogt ik 't zachte albast van uwen boezem strelen,En dartel om uw' gorgel spelen!Och of ik ware een zuiver vocht;Zo waschtet gij met mij uw poezle en blanke leden!Och of ik in uw' schoen voor 't minst verwandlen mocht;Zo wierd ik door uw' lieven voet vertreden!
Men zegt dat Niobe voorheenAan Xanthus oever is veranderd in een' steen;En dat Pandsons telg het wraakzwaard naar den hogenOp zwaluwwieken is ontvlogen:
Men zegt dat Niobe voorheen
Aan Xanthus oever is veranderd in een' steen;
En dat Pandsons telg het wraakzwaard naar den hogen
Op zwaluwwieken is ontvlogen:
Maar ik, ik wenschte een spiegelglasTe zijn, op dat me altoos uw minlijke oogen zagen:Ik wenschte dat ik u een kleed, ô schone, was,Op dat gij me altijd meê mocht dragen.
Maar ik, ik wenschte een spiegelglas
Te zijn, op dat me altoos uw minlijke oogen zagen:
Ik wenschte dat ik u een kleed, ô schone, was,
Op dat gij me altijd meê mocht dragen.
ô! Ware ik u een halssieraad,Of kostelijk kleinood van jaspis of agaat:Zo mogt ik 't zachte albast van uwen boezem strelen,En dartel om uw' gorgel spelen!
ô! Ware ik u een halssieraad,
Of kostelijk kleinood van jaspis of agaat:
Zo mogt ik 't zachte albast van uwen boezem strelen,
En dartel om uw' gorgel spelen!
Och of ik ware een zuiver vocht;Zo waschtet gij met mij uw poezle en blanke leden!Och of ik in uw' schoen voor 't minst verwandlen mocht;Zo wierd ik door uw' lieven voet vertreden!
Och of ik ware een zuiver vocht;
Zo waschtet gij met mij uw poezle en blanke leden!
Och of ik in uw' schoen voor 't minst verwandlen mocht;
Zo wierd ik door uw' lieven voet vertreden!
Bewoneres der dichte loovrenzalen,ô Toef, ja toef, geliefde Filomeel!Verbeid bij 't licht der eerste morgenstralen,Verbeid Lykoor in 't ruischend woudprieel.Uw gorgeltoon verrukt de veldelingen;Doch hoor heur stem: en tuig, dat ze u verwint.Leer, leer van haar een' zuivren Zangtoon zingen;Maar gij, leer gij Lykoris, hoe men mint.
Bewoneres der dichte loovrenzalen,ô Toef, ja toef, geliefde Filomeel!Verbeid bij 't licht der eerste morgenstralen,Verbeid Lykoor in 't ruischend woudprieel.Uw gorgeltoon verrukt de veldelingen;Doch hoor heur stem: en tuig, dat ze u verwint.Leer, leer van haar een' zuivren Zangtoon zingen;Maar gij, leer gij Lykoris, hoe men mint.
Bewoneres der dichte loovrenzalen,ô Toef, ja toef, geliefde Filomeel!Verbeid bij 't licht der eerste morgenstralen,Verbeid Lykoor in 't ruischend woudprieel.Uw gorgeltoon verrukt de veldelingen;Doch hoor heur stem: en tuig, dat ze u verwint.Leer, leer van haar een' zuivren Zangtoon zingen;Maar gij, leer gij Lykoris, hoe men mint.
Bewoneres der dichte loovrenzalen,
ô Toef, ja toef, geliefde Filomeel!
Verbeid bij 't licht der eerste morgenstralen,
Verbeid Lykoor in 't ruischend woudprieel.
Uw gorgeltoon verrukt de veldelingen;
Doch hoor heur stem: en tuig, dat ze u verwint.
Leer, leer van haar een' zuivren Zangtoon zingen;
Maar gij, leer gij Lykoris, hoe men mint.
Op zachte myrth- en lotosblaânGenoeglijk uitgestrekt,Breng' mij Kupído-zelf den vollen beker aan,Met opgestrikt gewaad bedekt!Want, met wat spoed een rennend wagenspanDoor 't vlak der velden rijd',Veel sneller is het vlieden vanDes menschen levenstijd:En liggen we in het graf ter neêr,Wij zijn een hand vol asch; niets meer.Waar toe stort ge offergaven uit?Wat zalft gij toch den steen,Die in zijn' hollen buik het zielloos rif besluit?Wat strooit gij daar 't gebloemte om heen?Spil liever nu den nardus aan mijn hoofd,En vlecht me een' rozenkrans:Eer ik, van 't levenslicht beroofd,De schimmen lei' ten dans',Wil ik van alle zorg en pijn,Van allen druk ontheven zijn.
Op zachte myrth- en lotosblaânGenoeglijk uitgestrekt,Breng' mij Kupído-zelf den vollen beker aan,Met opgestrikt gewaad bedekt!Want, met wat spoed een rennend wagenspanDoor 't vlak der velden rijd',Veel sneller is het vlieden vanDes menschen levenstijd:En liggen we in het graf ter neêr,Wij zijn een hand vol asch; niets meer.Waar toe stort ge offergaven uit?Wat zalft gij toch den steen,Die in zijn' hollen buik het zielloos rif besluit?Wat strooit gij daar 't gebloemte om heen?Spil liever nu den nardus aan mijn hoofd,En vlecht me een' rozenkrans:Eer ik, van 't levenslicht beroofd,De schimmen lei' ten dans',Wil ik van alle zorg en pijn,Van allen druk ontheven zijn.
Op zachte myrth- en lotosblaânGenoeglijk uitgestrekt,Breng' mij Kupído-zelf den vollen beker aan,Met opgestrikt gewaad bedekt!Want, met wat spoed een rennend wagenspanDoor 't vlak der velden rijd',Veel sneller is het vlieden vanDes menschen levenstijd:En liggen we in het graf ter neêr,Wij zijn een hand vol asch; niets meer.
Op zachte myrth- en lotosblaân
Genoeglijk uitgestrekt,
Breng' mij Kupído-zelf den vollen beker aan,
Met opgestrikt gewaad bedekt!
Want, met wat spoed een rennend wagenspan
Door 't vlak der velden rijd',
Veel sneller is het vlieden van
Des menschen levenstijd:
En liggen we in het graf ter neêr,
Wij zijn een hand vol asch; niets meer.
Waar toe stort ge offergaven uit?Wat zalft gij toch den steen,Die in zijn' hollen buik het zielloos rif besluit?Wat strooit gij daar 't gebloemte om heen?Spil liever nu den nardus aan mijn hoofd,En vlecht me een' rozenkrans:Eer ik, van 't levenslicht beroofd,De schimmen lei' ten dans',Wil ik van alle zorg en pijn,Van allen druk ontheven zijn.
Waar toe stort ge offergaven uit?
Wat zalft gij toch den steen,
Die in zijn' hollen buik het zielloos rif besluit?
Wat strooit gij daar 't gebloemte om heen?
Spil liever nu den nardus aan mijn hoofd,
En vlecht me een' rozenkrans:
Eer ik, van 't levenslicht beroofd,
De schimmen lei' ten dans',
Wil ik van alle zorg en pijn,
Van allen druk ontheven zijn.
Kon 't Goud de stervelingen't Geweld des doods ontwringen;'k Vergaarde een' groten schat,Om, tot rantsoen voor 't leven,Aan 't lelijk spook te geven,Wanneer het tot mij trad.Maar wijl men 's menschen dagenIn 't minst niet kan vertragen,Vergeefsch is 't wat ik klaag:Moet ik mijn leven laten,Wat kan het geld mij baten,Dat 'k in mijn' gordel draag?Mag ik, voor alle schatten,Den berkenmeier vattenIn de opgeheven hand!Mag ik mijn' lust verzaden,En in de weelde badenVan 't troetelledikant!
Kon 't Goud de stervelingen't Geweld des doods ontwringen;'k Vergaarde een' groten schat,Om, tot rantsoen voor 't leven,Aan 't lelijk spook te geven,Wanneer het tot mij trad.Maar wijl men 's menschen dagenIn 't minst niet kan vertragen,Vergeefsch is 't wat ik klaag:Moet ik mijn leven laten,Wat kan het geld mij baten,Dat 'k in mijn' gordel draag?Mag ik, voor alle schatten,Den berkenmeier vattenIn de opgeheven hand!Mag ik mijn' lust verzaden,En in de weelde badenVan 't troetelledikant!
Kon 't Goud de stervelingen't Geweld des doods ontwringen;'k Vergaarde een' groten schat,Om, tot rantsoen voor 't leven,Aan 't lelijk spook te geven,Wanneer het tot mij trad.Maar wijl men 's menschen dagenIn 't minst niet kan vertragen,Vergeefsch is 't wat ik klaag:Moet ik mijn leven laten,Wat kan het geld mij baten,Dat 'k in mijn' gordel draag?Mag ik, voor alle schatten,Den berkenmeier vattenIn de opgeheven hand!Mag ik mijn' lust verzaden,En in de weelde badenVan 't troetelledikant!
Kon 't Goud de stervelingen
't Geweld des doods ontwringen;
'k Vergaarde een' groten schat,
Om, tot rantsoen voor 't leven,
Aan 't lelijk spook te geven,
Wanneer het tot mij trad.
Maar wijl men 's menschen dagen
In 't minst niet kan vertragen,
Vergeefsch is 't wat ik klaag:
Moet ik mijn leven laten,
Wat kan het geld mij baten,
Dat 'k in mijn' gordel draag?
Mag ik, voor alle schatten,
Den berkenmeier vatten
In de opgeheven hand!
Mag ik mijn' lust verzaden,
En in de weelde baden
Van 't troetelledikant!
De Paarden hadden in hun zijden,Voorheen, huns meesters merk gebrand;Zo was de Parth, sints oude tijden,Te kennen aan zijn' tulleband:Maar mij zijn al die liefde kwekenOp 't allereerst gezicht bekend;Want allen is een zelfde teekenIn 't teêrverzuchtend hart geprent.
De Paarden hadden in hun zijden,Voorheen, huns meesters merk gebrand;Zo was de Parth, sints oude tijden,Te kennen aan zijn' tulleband:Maar mij zijn al die liefde kwekenOp 't allereerst gezicht bekend;Want allen is een zelfde teekenIn 't teêrverzuchtend hart geprent.
De Paarden hadden in hun zijden,Voorheen, huns meesters merk gebrand;Zo was de Parth, sints oude tijden,Te kennen aan zijn' tulleband:Maar mij zijn al die liefde kwekenOp 't allereerst gezicht bekend;Want allen is een zelfde teekenIn 't teêrverzuchtend hart geprent.
De Paarden hadden in hun zijden,
Voorheen, huns meesters merk gebrand;
Zo was de Parth, sints oude tijden,
Te kennen aan zijn' tulleband:
Maar mij zijn al die liefde kweken
Op 't allereerst gezicht bekend;
Want allen is een zelfde teeken
In 't teêrverzuchtend hart geprent.
Beminlijk Vogeltje, van Cytherê geliefd,Ai! zeg, wat is de reênDat gij, met zulk een' spoed, de ruime lucht doorklieft?Waar toch, waar vliegt gij heen?Van waar brengt gij dien balsem aan,Waar mede uw wieken zijn belaân?En waar gij 't bloemtapijt der velden meê besproeit,Daar 't van uw veedren vloeit?"Hoe dus? gaat u dat aan? of waarom vraagt gij dit?Mijn Meester vaardigt me afAan haar, die, als vorstin, geheel zijn hart bezit,Dat haar de liefde gaf.Beschouw hoe ik op zijn bevel,Zijn minneliederen bestell'.Hij zei' mij voor de trouw, die ik hem blijken doe,Ontslag en vrijheid toe."Doch alhoewel hij mij in volle vrijheid stelt,Ik blijf bij mijnen Heer.Want waarom zoude ik toch, om berg, en bosch, en veld,Steeds vliegen heen en weêr;Op dat ik, in mijn snelle vlucht,Mij de eene, of andre wilde vrucht(Wat wordt men, buiten die, in 't woeste woud gewaar?)Ter wrange spijz' vergaar'?"Terwijl ik, in mijn' dienst', een beter lot geniet,En edeler onthaal.'k Eet brood uit 's Meesters hand, die mij te drinken biedtUit zijn kristallen schaal:Waar na ik om hem henen zwier,Of rust op zijne ijvoren Lier.Vaarwel! Gij hebt der kraai', om haar geklap gelaakt,Mij reeds gelijk gemaakt".
Beminlijk Vogeltje, van Cytherê geliefd,Ai! zeg, wat is de reênDat gij, met zulk een' spoed, de ruime lucht doorklieft?Waar toch, waar vliegt gij heen?Van waar brengt gij dien balsem aan,Waar mede uw wieken zijn belaân?En waar gij 't bloemtapijt der velden meê besproeit,Daar 't van uw veedren vloeit?"Hoe dus? gaat u dat aan? of waarom vraagt gij dit?Mijn Meester vaardigt me afAan haar, die, als vorstin, geheel zijn hart bezit,Dat haar de liefde gaf.Beschouw hoe ik op zijn bevel,Zijn minneliederen bestell'.Hij zei' mij voor de trouw, die ik hem blijken doe,Ontslag en vrijheid toe."Doch alhoewel hij mij in volle vrijheid stelt,Ik blijf bij mijnen Heer.Want waarom zoude ik toch, om berg, en bosch, en veld,Steeds vliegen heen en weêr;Op dat ik, in mijn snelle vlucht,Mij de eene, of andre wilde vrucht(Wat wordt men, buiten die, in 't woeste woud gewaar?)Ter wrange spijz' vergaar'?"Terwijl ik, in mijn' dienst', een beter lot geniet,En edeler onthaal.'k Eet brood uit 's Meesters hand, die mij te drinken biedtUit zijn kristallen schaal:Waar na ik om hem henen zwier,Of rust op zijne ijvoren Lier.Vaarwel! Gij hebt der kraai', om haar geklap gelaakt,Mij reeds gelijk gemaakt".
Beminlijk Vogeltje, van Cytherê geliefd,Ai! zeg, wat is de reênDat gij, met zulk een' spoed, de ruime lucht doorklieft?Waar toch, waar vliegt gij heen?Van waar brengt gij dien balsem aan,Waar mede uw wieken zijn belaân?En waar gij 't bloemtapijt der velden meê besproeit,Daar 't van uw veedren vloeit?
Beminlijk Vogeltje, van Cytherê geliefd,
Ai! zeg, wat is de reên
Dat gij, met zulk een' spoed, de ruime lucht doorklieft?
Waar toch, waar vliegt gij heen?
Van waar brengt gij dien balsem aan,
Waar mede uw wieken zijn belaân?
En waar gij 't bloemtapijt der velden meê besproeit,
Daar 't van uw veedren vloeit?
"Hoe dus? gaat u dat aan? of waarom vraagt gij dit?Mijn Meester vaardigt me afAan haar, die, als vorstin, geheel zijn hart bezit,Dat haar de liefde gaf.Beschouw hoe ik op zijn bevel,Zijn minneliederen bestell'.Hij zei' mij voor de trouw, die ik hem blijken doe,Ontslag en vrijheid toe.
"Hoe dus? gaat u dat aan? of waarom vraagt gij dit?
Mijn Meester vaardigt me af
Aan haar, die, als vorstin, geheel zijn hart bezit,
Dat haar de liefde gaf.
Beschouw hoe ik op zijn bevel,
Zijn minneliederen bestell'.
Hij zei' mij voor de trouw, die ik hem blijken doe,
Ontslag en vrijheid toe.
"Doch alhoewel hij mij in volle vrijheid stelt,Ik blijf bij mijnen Heer.Want waarom zoude ik toch, om berg, en bosch, en veld,Steeds vliegen heen en weêr;Op dat ik, in mijn snelle vlucht,Mij de eene, of andre wilde vrucht(Wat wordt men, buiten die, in 't woeste woud gewaar?)Ter wrange spijz' vergaar'?
"Doch alhoewel hij mij in volle vrijheid stelt,
Ik blijf bij mijnen Heer.
Want waarom zoude ik toch, om berg, en bosch, en veld,
Steeds vliegen heen en weêr;
Op dat ik, in mijn snelle vlucht,
Mij de eene, of andre wilde vrucht
(Wat wordt men, buiten die, in 't woeste woud gewaar?)
Ter wrange spijz' vergaar'?
"Terwijl ik, in mijn' dienst', een beter lot geniet,En edeler onthaal.'k Eet brood uit 's Meesters hand, die mij te drinken biedtUit zijn kristallen schaal:Waar na ik om hem henen zwier,Of rust op zijne ijvoren Lier.Vaarwel! Gij hebt der kraai', om haar geklap gelaakt,Mij reeds gelijk gemaakt".
"Terwijl ik, in mijn' dienst', een beter lot geniet,
En edeler onthaal.
'k Eet brood uit 's Meesters hand, die mij te drinken biedt
Uit zijn kristallen schaal:
Waar na ik om hem henen zwier,
Of rust op zijne ijvoren Lier.
Vaarwel! Gij hebt der kraai', om haar geklap gelaakt,
Mij reeds gelijk gemaakt".
Mij lust de Lent', die bloemgewassen draagt,De Lenteroos, die Goôn en mensch' behaagt;'t Aanminnigste versiersel voor een Maagd,Ter eer' te zingen.Het is de Roos, de malsche Roos-alleen,Met welker blaân de drie Bevalligheên,Als 't Minnewicht met haar ten rei' zal treên,Haar hoofd omringen.Zing, Dischgenoot! zing vrolijk met mij meê!De Roos, de lust van gulden Cythereê:De schone Roos, 't bemind gewas der ne-gen Zanggodinnen!Schoon zij de hand met spitsche doornen drukt,Wanneer men haar den groenen steel ontrukt;Wie is er, die geen lieflijk Roosje pluktMet blijde zinnen?Hoe aangenaam zijn haar satijnen blaân!Men brengt de Roos op blijde tafels aan,En Bacchus feest. Wat wordt er toch gedaan,Wat zonder Rozen?Haar purper doet den schonen Dageraad,Die 's Hemels poort in 't Oost' ontsluiten gaat,En 't Wagenspan van Titan binnen laat,De vingers blozen:Zelv Cypris wordt, van die haar schoonheid roemt,In heilig Dicht, na dezen blos genoemd.Der Helden graf versiert men door 't gebloemt'Der Rozelaren.Niet minder is haar frissche reuk geacht:Vergeefsch beproeft de tijd daar op zijn macht;Haar geur houdt stand, hoewel haar tooi en prachtZijn weggevaren.Doch melden wij, hoe ze eerst haar' oorsprong kreeg!Als Venus uit de azuren golven steegDer zee, die voor haar oog zich stilde, en zweeg,En scheen te slapen;Wanneer Minerve uit 's Vaders edel hoofd,Door 't diamant van Mulciber gekloofd,Met speer en schild, wier glans den glans verdooftVan Mavors wapen,Te voorschijn kwam; toen is de nieuwe plantDer Roos, gevormd door de alleswijze handVan vrouw' Natuur, uit 's aardrijks ingewandEerst voortgesproten.Het Godendom zag 't Roosje pas volbloeid,Of heeft het met zijn' nektar mild besproeid;En uit haar' struik is de eedle druif gegroeid,Die sedert wortel heeft geschoten.
Mij lust de Lent', die bloemgewassen draagt,De Lenteroos, die Goôn en mensch' behaagt;'t Aanminnigste versiersel voor een Maagd,Ter eer' te zingen.Het is de Roos, de malsche Roos-alleen,Met welker blaân de drie Bevalligheên,Als 't Minnewicht met haar ten rei' zal treên,Haar hoofd omringen.Zing, Dischgenoot! zing vrolijk met mij meê!De Roos, de lust van gulden Cythereê:De schone Roos, 't bemind gewas der ne-gen Zanggodinnen!Schoon zij de hand met spitsche doornen drukt,Wanneer men haar den groenen steel ontrukt;Wie is er, die geen lieflijk Roosje pluktMet blijde zinnen?Hoe aangenaam zijn haar satijnen blaân!Men brengt de Roos op blijde tafels aan,En Bacchus feest. Wat wordt er toch gedaan,Wat zonder Rozen?Haar purper doet den schonen Dageraad,Die 's Hemels poort in 't Oost' ontsluiten gaat,En 't Wagenspan van Titan binnen laat,De vingers blozen:Zelv Cypris wordt, van die haar schoonheid roemt,In heilig Dicht, na dezen blos genoemd.Der Helden graf versiert men door 't gebloemt'Der Rozelaren.Niet minder is haar frissche reuk geacht:Vergeefsch beproeft de tijd daar op zijn macht;Haar geur houdt stand, hoewel haar tooi en prachtZijn weggevaren.Doch melden wij, hoe ze eerst haar' oorsprong kreeg!Als Venus uit de azuren golven steegDer zee, die voor haar oog zich stilde, en zweeg,En scheen te slapen;Wanneer Minerve uit 's Vaders edel hoofd,Door 't diamant van Mulciber gekloofd,Met speer en schild, wier glans den glans verdooftVan Mavors wapen,Te voorschijn kwam; toen is de nieuwe plantDer Roos, gevormd door de alleswijze handVan vrouw' Natuur, uit 's aardrijks ingewandEerst voortgesproten.Het Godendom zag 't Roosje pas volbloeid,Of heeft het met zijn' nektar mild besproeid;En uit haar' struik is de eedle druif gegroeid,Die sedert wortel heeft geschoten.
Mij lust de Lent', die bloemgewassen draagt,De Lenteroos, die Goôn en mensch' behaagt;'t Aanminnigste versiersel voor een Maagd,Ter eer' te zingen.Het is de Roos, de malsche Roos-alleen,Met welker blaân de drie Bevalligheên,Als 't Minnewicht met haar ten rei' zal treên,Haar hoofd omringen.Zing, Dischgenoot! zing vrolijk met mij meê!De Roos, de lust van gulden Cythereê:De schone Roos, 't bemind gewas der ne-gen Zanggodinnen!Schoon zij de hand met spitsche doornen drukt,Wanneer men haar den groenen steel ontrukt;Wie is er, die geen lieflijk Roosje pluktMet blijde zinnen?Hoe aangenaam zijn haar satijnen blaân!Men brengt de Roos op blijde tafels aan,En Bacchus feest. Wat wordt er toch gedaan,Wat zonder Rozen?Haar purper doet den schonen Dageraad,Die 's Hemels poort in 't Oost' ontsluiten gaat,En 't Wagenspan van Titan binnen laat,De vingers blozen:Zelv Cypris wordt, van die haar schoonheid roemt,In heilig Dicht, na dezen blos genoemd.Der Helden graf versiert men door 't gebloemt'Der Rozelaren.Niet minder is haar frissche reuk geacht:Vergeefsch beproeft de tijd daar op zijn macht;Haar geur houdt stand, hoewel haar tooi en prachtZijn weggevaren.Doch melden wij, hoe ze eerst haar' oorsprong kreeg!Als Venus uit de azuren golven steegDer zee, die voor haar oog zich stilde, en zweeg,En scheen te slapen;Wanneer Minerve uit 's Vaders edel hoofd,Door 't diamant van Mulciber gekloofd,Met speer en schild, wier glans den glans verdooftVan Mavors wapen,Te voorschijn kwam; toen is de nieuwe plantDer Roos, gevormd door de alleswijze handVan vrouw' Natuur, uit 's aardrijks ingewandEerst voortgesproten.Het Godendom zag 't Roosje pas volbloeid,Of heeft het met zijn' nektar mild besproeid;En uit haar' struik is de eedle druif gegroeid,Die sedert wortel heeft geschoten.
Mij lust de Lent', die bloemgewassen draagt,
De Lenteroos, die Goôn en mensch' behaagt;
't Aanminnigste versiersel voor een Maagd,
Ter eer' te zingen.
Het is de Roos, de malsche Roos-alleen,
Met welker blaân de drie Bevalligheên,
Als 't Minnewicht met haar ten rei' zal treên,
Haar hoofd omringen.
Zing, Dischgenoot! zing vrolijk met mij meê!
De Roos, de lust van gulden Cythereê:
De schone Roos, 't bemind gewas der ne-
gen Zanggodinnen!
Schoon zij de hand met spitsche doornen drukt,
Wanneer men haar den groenen steel ontrukt;
Wie is er, die geen lieflijk Roosje plukt
Met blijde zinnen?
Hoe aangenaam zijn haar satijnen blaân!
Men brengt de Roos op blijde tafels aan,
En Bacchus feest. Wat wordt er toch gedaan,
Wat zonder Rozen?
Haar purper doet den schonen Dageraad,
Die 's Hemels poort in 't Oost' ontsluiten gaat,
En 't Wagenspan van Titan binnen laat,
De vingers blozen:
Zelv Cypris wordt, van die haar schoonheid roemt,
In heilig Dicht, na dezen blos genoemd.
Der Helden graf versiert men door 't gebloemt'
Der Rozelaren.
Niet minder is haar frissche reuk geacht:
Vergeefsch beproeft de tijd daar op zijn macht;
Haar geur houdt stand, hoewel haar tooi en pracht
Zijn weggevaren.
Doch melden wij, hoe ze eerst haar' oorsprong kreeg!
Als Venus uit de azuren golven steeg
Der zee, die voor haar oog zich stilde, en zweeg,
En scheen te slapen;
Wanneer Minerve uit 's Vaders edel hoofd,
Door 't diamant van Mulciber gekloofd,
Met speer en schild, wier glans den glans verdooft
Van Mavors wapen,
Te voorschijn kwam; toen is de nieuwe plant
Der Roos, gevormd door de alleswijze hand
Van vrouw' Natuur, uit 's aardrijks ingewand
Eerst voortgesproten.
Het Godendom zag 't Roosje pas volbloeid,
Of heeft het met zijn' nektar mild besproeid;
En uit haar' struik is de eedle druif gegroeid,
Die sedert wortel heeft geschoten.
***
Zo Jupiter in 't Rijk der bloemenEen Heerscheresse zou benoemen,Aan 't Roosje schonk hij de oppermacht.—Der bloemen oog, des aardrijks pracht,Der planten luister, zijn de Rozen,Zij ademen een liefdegeur,En doen, door schitterende kleur,De velden allerlieflijkst blozen.Zij pronken met de zachtste blaân:Zij kweken minnelustjes aan;En lachen, van groen loof omgeven,De Zéfyrs toe, die om haar zweven.
Zo Jupiter in 't Rijk der bloemenEen Heerscheresse zou benoemen,Aan 't Roosje schonk hij de oppermacht.—Der bloemen oog, des aardrijks pracht,Der planten luister, zijn de Rozen,Zij ademen een liefdegeur,En doen, door schitterende kleur,De velden allerlieflijkst blozen.Zij pronken met de zachtste blaân:Zij kweken minnelustjes aan;En lachen, van groen loof omgeven,De Zéfyrs toe, die om haar zweven.
Zo Jupiter in 't Rijk der bloemenEen Heerscheresse zou benoemen,Aan 't Roosje schonk hij de oppermacht.—Der bloemen oog, des aardrijks pracht,Der planten luister, zijn de Rozen,Zij ademen een liefdegeur,En doen, door schitterende kleur,De velden allerlieflijkst blozen.Zij pronken met de zachtste blaân:Zij kweken minnelustjes aan;En lachen, van groen loof omgeven,De Zéfyrs toe, die om haar zweven.
Zo Jupiter in 't Rijk der bloemen
Een Heerscheresse zou benoemen,
Aan 't Roosje schonk hij de oppermacht.—
Der bloemen oog, des aardrijks pracht,
Der planten luister, zijn de Rozen,
Zij ademen een liefdegeur,
En doen, door schitterende kleur,
De velden allerlieflijkst blozen.
Zij pronken met de zachtste blaân:
Zij kweken minnelustjes aan;
En lachen, van groen loof omgeven,
De Zéfyrs toe, die om haar zweven.
Dat wij de Roos, der minn' gewijd,Met Vader Bacchus paren!Dat we, in het druivenvocht verblijd,En 't hoofd bekransende met frissche rozeblaâren,Geen zoete lachjes sparen!—De Roos, der Lente schoonste pracht,De Roos, het sierraad van de bloemen,De Roos, bij 't Godendom geacht,Wil ik op mijne Cyther roemen.—Diones dartelende zoonVlecht om zijn blonde kruin een purpren rozekroon,Wanneer de drie BevallighedenMet hem ten reie treden.—Dat ik mij ook met Roosjes sier',En in uw' tempel, op mijn lier,ô Bacchus! u verbreide:En een beminnelijke maagd,Die Roosjes om heur' schedel draagt,Ten blijden dans' geleide!
Dat wij de Roos, der minn' gewijd,Met Vader Bacchus paren!Dat we, in het druivenvocht verblijd,En 't hoofd bekransende met frissche rozeblaâren,Geen zoete lachjes sparen!—De Roos, der Lente schoonste pracht,De Roos, het sierraad van de bloemen,De Roos, bij 't Godendom geacht,Wil ik op mijne Cyther roemen.—Diones dartelende zoonVlecht om zijn blonde kruin een purpren rozekroon,Wanneer de drie BevallighedenMet hem ten reie treden.—Dat ik mij ook met Roosjes sier',En in uw' tempel, op mijn lier,ô Bacchus! u verbreide:En een beminnelijke maagd,Die Roosjes om heur' schedel draagt,Ten blijden dans' geleide!
Dat wij de Roos, der minn' gewijd,Met Vader Bacchus paren!Dat we, in het druivenvocht verblijd,En 't hoofd bekransende met frissche rozeblaâren,Geen zoete lachjes sparen!—De Roos, der Lente schoonste pracht,De Roos, het sierraad van de bloemen,De Roos, bij 't Godendom geacht,Wil ik op mijne Cyther roemen.—Diones dartelende zoonVlecht om zijn blonde kruin een purpren rozekroon,Wanneer de drie BevallighedenMet hem ten reie treden.—Dat ik mij ook met Roosjes sier',En in uw' tempel, op mijn lier,ô Bacchus! u verbreide:En een beminnelijke maagd,Die Roosjes om heur' schedel draagt,Ten blijden dans' geleide!
Dat wij de Roos, der minn' gewijd,
Met Vader Bacchus paren!
Dat we, in het druivenvocht verblijd,
En 't hoofd bekransende met frissche rozeblaâren,
Geen zoete lachjes sparen!
—De Roos, der Lente schoonste pracht,
De Roos, het sierraad van de bloemen,
De Roos, bij 't Godendom geacht,
Wil ik op mijne Cyther roemen.
—Diones dartelende zoon
Vlecht om zijn blonde kruin een purpren rozekroon,
Wanneer de drie Bevalligheden
Met hem ten reie treden.
—Dat ik mij ook met Roosjes sier',
En in uw' tempel, op mijn lier,
ô Bacchus! u verbreide:
En een beminnelijke maagd,
Die Roosjes om heur' schedel draagt,
Ten blijden dans' geleide!
Wil mij, vernuftige Vulkaan,Geen wapenrusting voor mijn leden(Want wat gaat mij Gradívus aan?)Maar een' Bokaal van zilver smeden.Wil om den rand geen Firmament,Orìon, of Kalisto snijden:(Mij zijn de starren niet bekend;Ik wil den zouten plas vermijden.)Maar dat me uw bijtel daar een' wijnstok om vertoon,Met vruchten, die het hart ververschen;En Sémeles en Venus zoon,Die in een gouden kuip de rijpe druiven persen.
Wil mij, vernuftige Vulkaan,Geen wapenrusting voor mijn leden(Want wat gaat mij Gradívus aan?)Maar een' Bokaal van zilver smeden.Wil om den rand geen Firmament,Orìon, of Kalisto snijden:(Mij zijn de starren niet bekend;Ik wil den zouten plas vermijden.)Maar dat me uw bijtel daar een' wijnstok om vertoon,Met vruchten, die het hart ververschen;En Sémeles en Venus zoon,Die in een gouden kuip de rijpe druiven persen.
Wil mij, vernuftige Vulkaan,Geen wapenrusting voor mijn leden(Want wat gaat mij Gradívus aan?)Maar een' Bokaal van zilver smeden.Wil om den rand geen Firmament,Orìon, of Kalisto snijden:(Mij zijn de starren niet bekend;Ik wil den zouten plas vermijden.)Maar dat me uw bijtel daar een' wijnstok om vertoon,Met vruchten, die het hart ververschen;En Sémeles en Venus zoon,Die in een gouden kuip de rijpe druiven persen.
Wil mij, vernuftige Vulkaan,
Geen wapenrusting voor mijn leden
(Want wat gaat mij Gradívus aan?)
Maar een' Bokaal van zilver smeden.
Wil om den rand geen Firmament,
Orìon, of Kalisto snijden:
(Mij zijn de starren niet bekend;
Ik wil den zouten plas vermijden.)
Maar dat me uw bijtel daar een' wijnstok om vertoon,
Met vruchten, die het hart ververschen;
En Sémeles en Venus zoon,
Die in een gouden kuip de rijpe druiven persen.
ôEdel voorwerp onzer bedoelingen,Volschone Deugd! maar zwaar ter betrachtinge!Wat is het schoon, voor u te sterven!'t Aakligste, gruuwzaamste wee te lijden!Den geest bedeelt gij Hemelsche voorrechten,Meer waard dan 't goud, ja 't eêlst der bezittingen;En meer dan de edelste geboorte,'t Treffelijkst stamhuis, op prijs te stellen:Den zinnen deelt gij stille gelatenheid,En zoete rust meê; kalmte en te vredenheid,Verkwikkelijker dan de sluimring,Die den vermoeide de leden koestert.Om u, om u is 't, dat de onverwinlijkeGedrochtenschrik, dat Spartes gebroederenZo veel verrichtten en verduurden,Door uwe mogendheid ingenomen.Door zucht tot u is 't, dat de DardanierEn Peleus zoon, en Aiax zag sneuvelen,En 't bloed van duizend andre heldenDe oevers des snellen Scamanders verwen.'t Was ook om u, om uwe beminlijkheid,Dat Smyrnes burger, 't daglicht verliezende,De glibberige weg der oogen,Voor de begeerlijkheid werd gefloten:Maar, door zijn werken eindloos verheerelijkt,Zo verre 't aardrijk pronkt met bewoneren,Beschonken hem de ZanggodinnenMet eene onsterflijkheid, u vereerend.
ôEdel voorwerp onzer bedoelingen,Volschone Deugd! maar zwaar ter betrachtinge!Wat is het schoon, voor u te sterven!'t Aakligste, gruuwzaamste wee te lijden!Den geest bedeelt gij Hemelsche voorrechten,Meer waard dan 't goud, ja 't eêlst der bezittingen;En meer dan de edelste geboorte,'t Treffelijkst stamhuis, op prijs te stellen:Den zinnen deelt gij stille gelatenheid,En zoete rust meê; kalmte en te vredenheid,Verkwikkelijker dan de sluimring,Die den vermoeide de leden koestert.Om u, om u is 't, dat de onverwinlijkeGedrochtenschrik, dat Spartes gebroederenZo veel verrichtten en verduurden,Door uwe mogendheid ingenomen.Door zucht tot u is 't, dat de DardanierEn Peleus zoon, en Aiax zag sneuvelen,En 't bloed van duizend andre heldenDe oevers des snellen Scamanders verwen.'t Was ook om u, om uwe beminlijkheid,Dat Smyrnes burger, 't daglicht verliezende,De glibberige weg der oogen,Voor de begeerlijkheid werd gefloten:Maar, door zijn werken eindloos verheerelijkt,Zo verre 't aardrijk pronkt met bewoneren,Beschonken hem de ZanggodinnenMet eene onsterflijkheid, u vereerend.
ôEdel voorwerp onzer bedoelingen,Volschone Deugd! maar zwaar ter betrachtinge!Wat is het schoon, voor u te sterven!'t Aakligste, gruuwzaamste wee te lijden!
ôEdel voorwerp onzer bedoelingen,
Volschone Deugd! maar zwaar ter betrachtinge!
Wat is het schoon, voor u te sterven!
't Aakligste, gruuwzaamste wee te lijden!
Den geest bedeelt gij Hemelsche voorrechten,Meer waard dan 't goud, ja 't eêlst der bezittingen;En meer dan de edelste geboorte,'t Treffelijkst stamhuis, op prijs te stellen:
Den geest bedeelt gij Hemelsche voorrechten,
Meer waard dan 't goud, ja 't eêlst der bezittingen;
En meer dan de edelste geboorte,
't Treffelijkst stamhuis, op prijs te stellen:
Den zinnen deelt gij stille gelatenheid,En zoete rust meê; kalmte en te vredenheid,Verkwikkelijker dan de sluimring,Die den vermoeide de leden koestert.
Den zinnen deelt gij stille gelatenheid,
En zoete rust meê; kalmte en te vredenheid,
Verkwikkelijker dan de sluimring,
Die den vermoeide de leden koestert.
Om u, om u is 't, dat de onverwinlijkeGedrochtenschrik, dat Spartes gebroederenZo veel verrichtten en verduurden,Door uwe mogendheid ingenomen.
Om u, om u is 't, dat de onverwinlijke
Gedrochtenschrik, dat Spartes gebroederen
Zo veel verrichtten en verduurden,
Door uwe mogendheid ingenomen.
Door zucht tot u is 't, dat de DardanierEn Peleus zoon, en Aiax zag sneuvelen,En 't bloed van duizend andre heldenDe oevers des snellen Scamanders verwen.
Door zucht tot u is 't, dat de Dardanier
En Peleus zoon, en Aiax zag sneuvelen,
En 't bloed van duizend andre helden
De oevers des snellen Scamanders verwen.
't Was ook om u, om uwe beminlijkheid,Dat Smyrnes burger, 't daglicht verliezende,De glibberige weg der oogen,Voor de begeerlijkheid werd gefloten:
't Was ook om u, om uwe beminlijkheid,
Dat Smyrnes burger, 't daglicht verliezende,
De glibberige weg der oogen,
Voor de begeerlijkheid werd gefloten:
Maar, door zijn werken eindloos verheerelijkt,Zo verre 't aardrijk pronkt met bewoneren,Beschonken hem de ZanggodinnenMet eene onsterflijkheid, u vereerend.
Maar, door zijn werken eindloos verheerelijkt,
Zo verre 't aardrijk pronkt met bewoneren,
Beschonken hem de Zanggodinnen
Met eene onsterflijkheid, u vereerend.
Nooit moet het denkbeeld van uw' vond,Nooit uw geheugenis versterven,Beminnelijke Rozemond!Wier vlugge hand zich onderwond,Door losse trekken, duistre verven,Eens wuften minnaars vluchtig beeldTe hechten aan 't paneel, waar op zijn schaduw speelt.De Liefde, roerster van uw' zin,Wier Godheid uwe kool geleidde,Gaf u dit edel denkbeeld in;Als 't lieve voorwerp uwer minn'Van uw verkleefde lippen scheidde:Zij deelde, in weêrwil van Natuur,'t Afwezig, 't aanzijn meê; 't verdwijnend, stand en duur.Zo dit een dartle vlam vermocht,Laat vriendschap u in deze trekken,(Hoe ruw en kunsteloos gewrocht)Een hart, dat ze aan uw hart verknocht,Apell! het hart eens vriends ontdekken.Zo blijv' mijn naam u steeds zo waard,Als ik 't penceel waardeer, dat d'uwen maakt vermaard!
Nooit moet het denkbeeld van uw' vond,Nooit uw geheugenis versterven,Beminnelijke Rozemond!Wier vlugge hand zich onderwond,Door losse trekken, duistre verven,Eens wuften minnaars vluchtig beeldTe hechten aan 't paneel, waar op zijn schaduw speelt.De Liefde, roerster van uw' zin,Wier Godheid uwe kool geleidde,Gaf u dit edel denkbeeld in;Als 't lieve voorwerp uwer minn'Van uw verkleefde lippen scheidde:Zij deelde, in weêrwil van Natuur,'t Afwezig, 't aanzijn meê; 't verdwijnend, stand en duur.Zo dit een dartle vlam vermocht,Laat vriendschap u in deze trekken,(Hoe ruw en kunsteloos gewrocht)Een hart, dat ze aan uw hart verknocht,Apell! het hart eens vriends ontdekken.Zo blijv' mijn naam u steeds zo waard,Als ik 't penceel waardeer, dat d'uwen maakt vermaard!
Nooit moet het denkbeeld van uw' vond,Nooit uw geheugenis versterven,Beminnelijke Rozemond!Wier vlugge hand zich onderwond,Door losse trekken, duistre verven,Eens wuften minnaars vluchtig beeldTe hechten aan 't paneel, waar op zijn schaduw speelt.
Nooit moet het denkbeeld van uw' vond,
Nooit uw geheugenis versterven,
Beminnelijke Rozemond!
Wier vlugge hand zich onderwond,
Door losse trekken, duistre verven,
Eens wuften minnaars vluchtig beeld
Te hechten aan 't paneel, waar op zijn schaduw speelt.
De Liefde, roerster van uw' zin,Wier Godheid uwe kool geleidde,Gaf u dit edel denkbeeld in;Als 't lieve voorwerp uwer minn'Van uw verkleefde lippen scheidde:Zij deelde, in weêrwil van Natuur,'t Afwezig, 't aanzijn meê; 't verdwijnend, stand en duur.
De Liefde, roerster van uw' zin,
Wier Godheid uwe kool geleidde,
Gaf u dit edel denkbeeld in;
Als 't lieve voorwerp uwer minn'
Van uw verkleefde lippen scheidde:
Zij deelde, in weêrwil van Natuur,
't Afwezig, 't aanzijn meê; 't verdwijnend, stand en duur.
Zo dit een dartle vlam vermocht,Laat vriendschap u in deze trekken,(Hoe ruw en kunsteloos gewrocht)Een hart, dat ze aan uw hart verknocht,Apell! het hart eens vriends ontdekken.Zo blijv' mijn naam u steeds zo waard,Als ik 't penceel waardeer, dat d'uwen maakt vermaard!
Zo dit een dartle vlam vermocht,
Laat vriendschap u in deze trekken,
(Hoe ruw en kunsteloos gewrocht)
Een hart, dat ze aan uw hart verknocht,
Apell! het hart eens vriends ontdekken.
Zo blijv' mijn naam u steeds zo waard,
Als ik 't penceel waardeer, dat d'uwen maakt vermaard!
Aan 't eind van de zaal vertoont zich een Tempel, waar in men het beeld en Altaar vanHYMENbeschouwt.
een zanger.Rijst op, rijst op, ô Zangchoralen;De tijd vermaant ons onzen pligt;Vervangt den klank der feestbokalenMet keur en trant van maatgedicht.een stemuit den Tempel.Treedt toe, treedt toe, ô Zangchoralen!Ziet Hymens blijde tempelzalen.Tot uwen feestzang ingericht.een zangeres.Ja viert deez' dag, mijn Zanggenoten,Die Hymen toegeheiligd is!Zijn outerchoren, reeds ontsloten,Onttrekken ons den tragen disch.beide.Zingt Hymens roem, ô Zanggenoten!Zijn we allen uit hem voortgesproten,Hij eischt dan onze erkentenis.de rei,bestaande uit Feestgenoten, treedt in den Tempel, en, met palmen in de handen, 't Altaar omringende, zingt.Geheiligde echt! behoud der stervelingen!Wiens zachte boei heel 't menschdom houdt vereend:Ter uwer eer' is 't dat wij zingen!—Gij hebt ons 't levenslicht verleend.Geheiligde echt .... enz.Gij schenkt deez' dag, deez' EchtgenotenIn 't blij vernieuwen van den trouwdag hunner jeugd,In 't aanzien hunner huwlijkslotenDe liefelijkste hartevreugd.Geheiligde echt! behoud der stervelingen!Wiens zachte boei heel 't menschdom houdt vereend:Ter uwer eer' is 't dat wij zingen!—Gij, gij hebt hun dit heil verleend!'t Is u ter eer' dat onze reienDit zilvren bruiloftsfeest verbreien.Mijn tonen, rijst! mijn stem, herneem een dubble kracht,Een huwlijksfeest is 't feest van 't menschelijk geslacht.Een huwlijksfeest is 't feest van 't menschelijk geslacht.een zanger,voorgetreden.ô Huwlijksmin! wat waar de onzalige aarde,Zo niet alom uw invloed waar verspreid?Wat, zo uw hand ons niet te samen paarde,De mensch, gedoemd tot aaklige eenzaamheid?Hij zuchtte, en kwijnde, en zwoegde, in onrust omgedreven,En walgde van 't genot van 't duurgeschatte leven.RECITATIEF.Niet anders ligt de zwakke wijngaartrankOp 't woeste veld bij 't kruipend kruid te kwijnen.Nooit toont ze een' drop van Bacchus GodendrankIn 't gloeiend rood van groeiende robijnen.Geen groene bot, gekronkeld om heur' bast,Zal 't jeugdig hout met dartle kusjes lekken:Maar neêrgebukt, gekromd door eigen' last,Moet ze aan den wind een nietig speeltuig strekken.een zangeres.Maar heeft des bouwmans nijvre handHaar bij een' frisschen olm geplant,En aan zijn' stam een' steun geschonken;—Straks heft zij 't groenend hoofd omhoog,Om voor ons opgetoogen oogOp 't luisterrijkst te pronken.Straks zien we in trotschen purpergloedEen' tallelozen overvloedVan frisse en eedle muskadellenDoor liefelijken nektar zwellen.beide.Thands is zij 't siersel, de eer en wellust der landouw'Geworden door haar trouw.RECITATIEF.Zo is een paar van Echtelingen,Aan één verknocht door hart en hand.Een stroom van HemelzegeningenBedauwd hunn' teedren huwlijksband.Zij juichen in dien lieven kluisterDie, altoos even zacht en even zeer bemind,Het schittrend goud verdooft in luisterEn 't harde diamant in duurzaamheid verwint.Zij doen zich in hun kroost herleven,Door aan hun Vaders wakkre nevenOp wie hun deugd wordt voortgeplant,En Burgers aan den Staat te geven,En zijn oneindig waard aan 't lieve Vaderland.de rei.ô Heil! onschatbaar heil van Hymens heilgen band!een zanger.Wat kan halen bij de min,Die 't vereende hart en zinVan een paar doet samenvloeien,Dat, in 't bloeienVan zijns levens lentetijd,Door een zelfde vlam aan 't gloeien,Zijne trouw elkander wijdt?een zangeres.Geen spartlend veil in 't welig woudKan aan 't omvlochten eikenhoutZich ooit zo vast verkleven:een zanger.Geen zeilsteen aan het ijzer: ja,Geen parelschelp, door storm op 't onvrij strand gedreven,Aan zijne wedergaê:beide.Als huwlijksliefde 't hart verkleeftAan d'onwaardeerbren schat, in wiens bezit het leeft.de reiherhaalt het slot.een zangeres.Maar vaster, ja oneindig vaster,Verbindt hen de echtknoop saam, wier hartsvereenigingEen vierde van een' eeuwenkringTen zegelmerk' ontfing.een zanger.Ja, hoe de tijd het al verbaster',De huwlijksmin- alleen bezit een hemelkracht,Die de allesbuigende overmachtVan dien tyran veracht.beide.Zij groeit,En gloeit:Zij kent, onsterflijk, geen verouden:de rei.Haar vlammen zijn niet vatbaar voor 't verkouden,Uit de eeuwge liefdevlam des hemels voortgevloeid.zanger.Laat duizenden aantreklijkheden,Waar onze jeugd zich in verblindt,Door de ongenaê des tijds bestreden,Verdwenen zijn gelijk de wind;Geen deugdzaam hart heeft iets bij 't tijdsverloop geleden,En dit, dit is 't alleen, 't geen 't echtsnoer samenbindt.Terwijl dees naauwverknochte bandenDoor eene reeks van echte pandenWaar meê hun vruchtbre sponde praalt,Nog naauwer worden toegehaald.zangeres.Ja, 't is de Liefde voor hun telgen,De zegen van de huwlijkskoets;zanger.'t Is de onweêrspreekbre zucht des bloeds,Door geen vermogen uit te delgen:zangeres.'t Is wederzijdsche kindermin:'t Is de inspraak der natuur; waar inDe tederheid der EchtgenotenVoor 't dierbaar zaad, uit hun gesproten,Zich t' allen oogenblikk' ontmoet,Hier in vernieuwt hun hart zijn' onderlingen gloed!de rei.Wat wellust voor een teêr gemoed!Wat wellust voor een teêr gemoed,Wanneer 't in 't lachend wicht, wanneer 't in rijper spruiten,De tederheid van 't echte bloed;En in het voorwerp van zijn' gloed,Den oorsprong van zijn kroost ontmoet!ô Treffend, zielverrukkend zoet!Wie kan uw zaligheid in flaauwe klanken uiten?zangeres.ô Echt! ô heilig echtverbond!Gij hebt deez' dierbren twee dit strelend heil vergond.Gij schonkt in de aardsche zorg en kommer,Hun in de omhelzing' van hun kroost,De teêrste vreugd, den rijksten troost!Gij hebt hunn' disch gedekt in stille olijvenlommer!ô Echt! ô heilig echtverbond!Gij hebt deez' dierbren twee dit strelend heil vergond.zanger.Vereenden, 't is aan u gegeven,Geacht, geëerd, geliefkoosd van uw zaad,(Dat u voor de eedle gift van 't levenEn zo veel weldaân, meer verheven,Ontbloot van tal, gewicht en maat,Erkentelijke harten heiligt,Naar d'onverbreekbren kinderplicht,)'t Genot te minnen van het licht.Terwijl gij, voor den schrik van 't menschlijk lot beveiligd,Gerust in d'arm van uw geslacht,Na frissen ouderdom en hooggeklommen dagen,De dankbre tranen uwer magenOp uwen grafsteen wacht.zangeres.Hoe heerlijk, ach! hoe welbehaaglijk isDe dierbre naam en nagedachtenisVan oudren, die 't bestaan aan brave telgen schonken!Wat ongevoelige verleentGeen tranen aan hun koud gebeent'!En doet hun tombe niet met frisse bloemen pronken.RECITATIEF.Geen zachte hyacinth, geen blanke leliebladen,Geen geurige viool, noch Indiesch balsemhof,Geen frisse rozengaard, met uchtenddauw beladen,Haalt in welriekendheid, bij hunn' gerechten lof.Geen zoete honigzeem kan zo 't verhemelt' strelen,Als hun geliefde naam der braven tong verheugt.Het laatste nakroost smaakt, en roemt met luide kelen,De vruchten van hun deugd.een zanger.Gewis: want zo wij eerbied dragenVoor hem, dien we in den Heldenzaâl,Tot ons behoud, het lijf zien wagenAan 't woeden van musket en staal:Indien wij wettige achting tonenAan hem, die 't leven ons behoedt;Wat zijn dan rechtgeaartde zonenVerplicht aan d'oorsprong van hun bloed?een stemvan binnen.Laat af, Gespelen, staakt uw zingen;'t Is Hymen reeds genoeg verbreid.Toont nu deez' Echtverbondelingen,Wien vijf en twintig zonnekringenDe kruin met zilvren glans omringen,De blijken van uw tederheid.de reiherhaalt.'t Is genoeg, laat af van zingenHymen werd genoeg verbreid.Zij scharen zich in twee rijen, waar van de voorste zich tot de Echtgenoten wendt met het volgendRECITATIEF.ô Welvereenden! wien we op deez' gewenschten stond,Na 't tijdsverloop van dertienhonderd weken,De fakkel van uw trouwverbondTen tweeden male zien ontsteken!Duldt, dat uw maagschap, in dees rij',U hare oprechte beden wij',Uit een welmeenend hart gesproten.Hoe kleen een gaaf 't ook zij, een wensch,Indien hij invloed heeft op 't welzijn van een' mensch,Zijt, tot aan 't late graf, de zaligste Echtgenoten!de rei.Zo moet ge in 't volste zielsgenoegenBij dit uw tweede BruiloftsfeestDe derde Huwlijksviering voegen,In de eigen bloei en kracht van lichaam beide en geest!Zo doen nog vijf en twintig jarenOp 't blinkend zilver van uw hairenOok eens de gouden Echtkroon staan!Zo moet ge niet dan laat, van 't levenslicht verzadigd,En door des Hemels gunst geduurzaam beweldadigd,Het algemeene lot der menschheid ondergaan!een zanger.Zo juiche uw echte sponde in bloesemrijke struiken!een ander.Zo moet een dankbaar kroost uw stervende oogen luiken!eerste rij.Dit wenscht uw vriend, uw bloedverwant,Die uwen disch versiert.een stem.De menschheid, welker feest in 't uwe wordt gevierd.tweede rij.En dit 's de wensch van 't lieve Vaderland,Dat uit uw' vruchtbren echt zich burgers op ziet kweken.allen.Gij, Hemel! laat uw milde handd'Oprechten wensch van bloedverwant,Van vriendschap, menschheid, Vaderland,Geen heuchlijke uitkomst doen ontbreken!RECITATIEF,voor de Kinderen.En ons, wie plicht en dankbaarheidAan 't Ouderlijke hart zo naauw, zo teêr verbinden,Wat vergt ons 't Bruiloftsfeest, dus staatlijk toebereid,Te voegen bij den wensch van zo veel dierbre vrinden?Wat wensch? wat heilbeê?—Hemel, ach!Wat kan uw kroost voor zich van 's Hoogsten gunst verlangen;Dan 't dier geluk, van, dag aan dagDe blijken van uw tederheid te ontfangen?Het blaakt voor u in kinderlijke minn'.Uw heil is 't zijn; uw rampen zijn zijn plagen.Gij hebt ons hart gevormd, mijne Ouders; leest daarin,'t Is u geheel plichtmatig opgedragen.de reitreedt ten Tempel en omringt Hymens beeld en Altaar.Hymen, Hymen, bron van 't leven,En behouder der natuur!Wil in dit gelukkig uur't Echte paar op nieuw verkleven;Geef hunn' banden kracht en duur:Laat uw heilig hemelvuurAltoos door hunn' boezem zweven!de zangeressenomhangen het Altaar met bloemen.Hymen, Hymen, bron van 't leven!Laat het u gewijd altaar,Onder plechtig feestgebaarMet dit bloemfestoen omgeven,Door de jonge maagdenschaarTot eene echtkroon saamgeweven.de zangeres,die den krans omhangen heeft.Zo moet hun huwlijksband altoosDe glorende en satijnen blaârenDer verschgeplukte lenteroosIn bloei en zachtheid evenaren!de rei,onder 't ontsteken van 't Altaar.Gij, behouder der natuur,Gij, van wien wij 't licht ontfingen!Hymen, Hymen, wien wij zingen!In deez' blijden TempelmuurWijden deze jongelingen,Die uw Outerchoor omringen,U dit blakend offervuur.de zanger,die 't vuur ontstoken heeft.Zo moet de huwlijksmin oneindig sterker brandenIn 't teder hart van dit vereenigd paar,Dan de offervlam, die onze handenOntstaken op dit echtaltaar!allen.Zo moet de huwlijksmin oneindig sterker brandenIn 't teder hart van dit vereenigd paar,Dan de offervlam, die onze handenOntstaken op dit echtaltaar!Zo moet hun huwlijksband altoosDe glorende en satijnen blaârenDer verschgeplukte lenteroosIn bloei en zachtheid evenaren!(Zij doen eenen statigen ommegang om het brandend Altaar.)Hymen, Hymen, bron van 't leven!En behouder der natuur!Wil in dit gelukkig uur't Echte paar op nieuw verkleven;Geef hunn' banden kracht en duur:Laat uw heilig hemelvuurAltoos door hunn' boezem zweven!Zo moet hun huwlijksband altoos, enz.Zo moet de huwlijksmin oneindig sterker branden, enz.
een zanger.Rijst op, rijst op, ô Zangchoralen;De tijd vermaant ons onzen pligt;Vervangt den klank der feestbokalenMet keur en trant van maatgedicht.een stemuit den Tempel.Treedt toe, treedt toe, ô Zangchoralen!Ziet Hymens blijde tempelzalen.Tot uwen feestzang ingericht.een zangeres.Ja viert deez' dag, mijn Zanggenoten,Die Hymen toegeheiligd is!Zijn outerchoren, reeds ontsloten,Onttrekken ons den tragen disch.beide.Zingt Hymens roem, ô Zanggenoten!Zijn we allen uit hem voortgesproten,Hij eischt dan onze erkentenis.de rei,bestaande uit Feestgenoten, treedt in den Tempel, en, met palmen in de handen, 't Altaar omringende, zingt.Geheiligde echt! behoud der stervelingen!Wiens zachte boei heel 't menschdom houdt vereend:Ter uwer eer' is 't dat wij zingen!—Gij hebt ons 't levenslicht verleend.Geheiligde echt .... enz.Gij schenkt deez' dag, deez' EchtgenotenIn 't blij vernieuwen van den trouwdag hunner jeugd,In 't aanzien hunner huwlijkslotenDe liefelijkste hartevreugd.Geheiligde echt! behoud der stervelingen!Wiens zachte boei heel 't menschdom houdt vereend:Ter uwer eer' is 't dat wij zingen!—Gij, gij hebt hun dit heil verleend!'t Is u ter eer' dat onze reienDit zilvren bruiloftsfeest verbreien.Mijn tonen, rijst! mijn stem, herneem een dubble kracht,Een huwlijksfeest is 't feest van 't menschelijk geslacht.Een huwlijksfeest is 't feest van 't menschelijk geslacht.een zanger,voorgetreden.ô Huwlijksmin! wat waar de onzalige aarde,Zo niet alom uw invloed waar verspreid?Wat, zo uw hand ons niet te samen paarde,De mensch, gedoemd tot aaklige eenzaamheid?Hij zuchtte, en kwijnde, en zwoegde, in onrust omgedreven,En walgde van 't genot van 't duurgeschatte leven.RECITATIEF.Niet anders ligt de zwakke wijngaartrankOp 't woeste veld bij 't kruipend kruid te kwijnen.Nooit toont ze een' drop van Bacchus GodendrankIn 't gloeiend rood van groeiende robijnen.Geen groene bot, gekronkeld om heur' bast,Zal 't jeugdig hout met dartle kusjes lekken:Maar neêrgebukt, gekromd door eigen' last,Moet ze aan den wind een nietig speeltuig strekken.een zangeres.Maar heeft des bouwmans nijvre handHaar bij een' frisschen olm geplant,En aan zijn' stam een' steun geschonken;—Straks heft zij 't groenend hoofd omhoog,Om voor ons opgetoogen oogOp 't luisterrijkst te pronken.Straks zien we in trotschen purpergloedEen' tallelozen overvloedVan frisse en eedle muskadellenDoor liefelijken nektar zwellen.beide.Thands is zij 't siersel, de eer en wellust der landouw'Geworden door haar trouw.RECITATIEF.Zo is een paar van Echtelingen,Aan één verknocht door hart en hand.Een stroom van HemelzegeningenBedauwd hunn' teedren huwlijksband.Zij juichen in dien lieven kluisterDie, altoos even zacht en even zeer bemind,Het schittrend goud verdooft in luisterEn 't harde diamant in duurzaamheid verwint.Zij doen zich in hun kroost herleven,Door aan hun Vaders wakkre nevenOp wie hun deugd wordt voortgeplant,En Burgers aan den Staat te geven,En zijn oneindig waard aan 't lieve Vaderland.de rei.ô Heil! onschatbaar heil van Hymens heilgen band!een zanger.Wat kan halen bij de min,Die 't vereende hart en zinVan een paar doet samenvloeien,Dat, in 't bloeienVan zijns levens lentetijd,Door een zelfde vlam aan 't gloeien,Zijne trouw elkander wijdt?een zangeres.Geen spartlend veil in 't welig woudKan aan 't omvlochten eikenhoutZich ooit zo vast verkleven:een zanger.Geen zeilsteen aan het ijzer: ja,Geen parelschelp, door storm op 't onvrij strand gedreven,Aan zijne wedergaê:beide.Als huwlijksliefde 't hart verkleeftAan d'onwaardeerbren schat, in wiens bezit het leeft.de reiherhaalt het slot.een zangeres.Maar vaster, ja oneindig vaster,Verbindt hen de echtknoop saam, wier hartsvereenigingEen vierde van een' eeuwenkringTen zegelmerk' ontfing.een zanger.Ja, hoe de tijd het al verbaster',De huwlijksmin- alleen bezit een hemelkracht,Die de allesbuigende overmachtVan dien tyran veracht.beide.Zij groeit,En gloeit:Zij kent, onsterflijk, geen verouden:de rei.Haar vlammen zijn niet vatbaar voor 't verkouden,Uit de eeuwge liefdevlam des hemels voortgevloeid.zanger.Laat duizenden aantreklijkheden,Waar onze jeugd zich in verblindt,Door de ongenaê des tijds bestreden,Verdwenen zijn gelijk de wind;Geen deugdzaam hart heeft iets bij 't tijdsverloop geleden,En dit, dit is 't alleen, 't geen 't echtsnoer samenbindt.Terwijl dees naauwverknochte bandenDoor eene reeks van echte pandenWaar meê hun vruchtbre sponde praalt,Nog naauwer worden toegehaald.zangeres.Ja, 't is de Liefde voor hun telgen,De zegen van de huwlijkskoets;zanger.'t Is de onweêrspreekbre zucht des bloeds,Door geen vermogen uit te delgen:zangeres.'t Is wederzijdsche kindermin:'t Is de inspraak der natuur; waar inDe tederheid der EchtgenotenVoor 't dierbaar zaad, uit hun gesproten,Zich t' allen oogenblikk' ontmoet,Hier in vernieuwt hun hart zijn' onderlingen gloed!de rei.Wat wellust voor een teêr gemoed!Wat wellust voor een teêr gemoed,Wanneer 't in 't lachend wicht, wanneer 't in rijper spruiten,De tederheid van 't echte bloed;En in het voorwerp van zijn' gloed,Den oorsprong van zijn kroost ontmoet!ô Treffend, zielverrukkend zoet!Wie kan uw zaligheid in flaauwe klanken uiten?zangeres.ô Echt! ô heilig echtverbond!Gij hebt deez' dierbren twee dit strelend heil vergond.Gij schonkt in de aardsche zorg en kommer,Hun in de omhelzing' van hun kroost,De teêrste vreugd, den rijksten troost!Gij hebt hunn' disch gedekt in stille olijvenlommer!ô Echt! ô heilig echtverbond!Gij hebt deez' dierbren twee dit strelend heil vergond.zanger.Vereenden, 't is aan u gegeven,Geacht, geëerd, geliefkoosd van uw zaad,(Dat u voor de eedle gift van 't levenEn zo veel weldaân, meer verheven,Ontbloot van tal, gewicht en maat,Erkentelijke harten heiligt,Naar d'onverbreekbren kinderplicht,)'t Genot te minnen van het licht.Terwijl gij, voor den schrik van 't menschlijk lot beveiligd,Gerust in d'arm van uw geslacht,Na frissen ouderdom en hooggeklommen dagen,De dankbre tranen uwer magenOp uwen grafsteen wacht.zangeres.Hoe heerlijk, ach! hoe welbehaaglijk isDe dierbre naam en nagedachtenisVan oudren, die 't bestaan aan brave telgen schonken!Wat ongevoelige verleentGeen tranen aan hun koud gebeent'!En doet hun tombe niet met frisse bloemen pronken.RECITATIEF.Geen zachte hyacinth, geen blanke leliebladen,Geen geurige viool, noch Indiesch balsemhof,Geen frisse rozengaard, met uchtenddauw beladen,Haalt in welriekendheid, bij hunn' gerechten lof.Geen zoete honigzeem kan zo 't verhemelt' strelen,Als hun geliefde naam der braven tong verheugt.Het laatste nakroost smaakt, en roemt met luide kelen,De vruchten van hun deugd.een zanger.Gewis: want zo wij eerbied dragenVoor hem, dien we in den Heldenzaâl,Tot ons behoud, het lijf zien wagenAan 't woeden van musket en staal:Indien wij wettige achting tonenAan hem, die 't leven ons behoedt;Wat zijn dan rechtgeaartde zonenVerplicht aan d'oorsprong van hun bloed?een stemvan binnen.Laat af, Gespelen, staakt uw zingen;'t Is Hymen reeds genoeg verbreid.Toont nu deez' Echtverbondelingen,Wien vijf en twintig zonnekringenDe kruin met zilvren glans omringen,De blijken van uw tederheid.de reiherhaalt.'t Is genoeg, laat af van zingenHymen werd genoeg verbreid.Zij scharen zich in twee rijen, waar van de voorste zich tot de Echtgenoten wendt met het volgendRECITATIEF.ô Welvereenden! wien we op deez' gewenschten stond,Na 't tijdsverloop van dertienhonderd weken,De fakkel van uw trouwverbondTen tweeden male zien ontsteken!Duldt, dat uw maagschap, in dees rij',U hare oprechte beden wij',Uit een welmeenend hart gesproten.Hoe kleen een gaaf 't ook zij, een wensch,Indien hij invloed heeft op 't welzijn van een' mensch,Zijt, tot aan 't late graf, de zaligste Echtgenoten!de rei.Zo moet ge in 't volste zielsgenoegenBij dit uw tweede BruiloftsfeestDe derde Huwlijksviering voegen,In de eigen bloei en kracht van lichaam beide en geest!Zo doen nog vijf en twintig jarenOp 't blinkend zilver van uw hairenOok eens de gouden Echtkroon staan!Zo moet ge niet dan laat, van 't levenslicht verzadigd,En door des Hemels gunst geduurzaam beweldadigd,Het algemeene lot der menschheid ondergaan!een zanger.Zo juiche uw echte sponde in bloesemrijke struiken!een ander.Zo moet een dankbaar kroost uw stervende oogen luiken!eerste rij.Dit wenscht uw vriend, uw bloedverwant,Die uwen disch versiert.een stem.De menschheid, welker feest in 't uwe wordt gevierd.tweede rij.En dit 's de wensch van 't lieve Vaderland,Dat uit uw' vruchtbren echt zich burgers op ziet kweken.allen.Gij, Hemel! laat uw milde handd'Oprechten wensch van bloedverwant,Van vriendschap, menschheid, Vaderland,Geen heuchlijke uitkomst doen ontbreken!RECITATIEF,voor de Kinderen.En ons, wie plicht en dankbaarheidAan 't Ouderlijke hart zo naauw, zo teêr verbinden,Wat vergt ons 't Bruiloftsfeest, dus staatlijk toebereid,Te voegen bij den wensch van zo veel dierbre vrinden?Wat wensch? wat heilbeê?—Hemel, ach!Wat kan uw kroost voor zich van 's Hoogsten gunst verlangen;Dan 't dier geluk, van, dag aan dagDe blijken van uw tederheid te ontfangen?Het blaakt voor u in kinderlijke minn'.Uw heil is 't zijn; uw rampen zijn zijn plagen.Gij hebt ons hart gevormd, mijne Ouders; leest daarin,'t Is u geheel plichtmatig opgedragen.de reitreedt ten Tempel en omringt Hymens beeld en Altaar.Hymen, Hymen, bron van 't leven,En behouder der natuur!Wil in dit gelukkig uur't Echte paar op nieuw verkleven;Geef hunn' banden kracht en duur:Laat uw heilig hemelvuurAltoos door hunn' boezem zweven!de zangeressenomhangen het Altaar met bloemen.Hymen, Hymen, bron van 't leven!Laat het u gewijd altaar,Onder plechtig feestgebaarMet dit bloemfestoen omgeven,Door de jonge maagdenschaarTot eene echtkroon saamgeweven.de zangeres,die den krans omhangen heeft.Zo moet hun huwlijksband altoosDe glorende en satijnen blaârenDer verschgeplukte lenteroosIn bloei en zachtheid evenaren!de rei,onder 't ontsteken van 't Altaar.Gij, behouder der natuur,Gij, van wien wij 't licht ontfingen!Hymen, Hymen, wien wij zingen!In deez' blijden TempelmuurWijden deze jongelingen,Die uw Outerchoor omringen,U dit blakend offervuur.de zanger,die 't vuur ontstoken heeft.Zo moet de huwlijksmin oneindig sterker brandenIn 't teder hart van dit vereenigd paar,Dan de offervlam, die onze handenOntstaken op dit echtaltaar!allen.Zo moet de huwlijksmin oneindig sterker brandenIn 't teder hart van dit vereenigd paar,Dan de offervlam, die onze handenOntstaken op dit echtaltaar!Zo moet hun huwlijksband altoosDe glorende en satijnen blaârenDer verschgeplukte lenteroosIn bloei en zachtheid evenaren!(Zij doen eenen statigen ommegang om het brandend Altaar.)Hymen, Hymen, bron van 't leven!En behouder der natuur!Wil in dit gelukkig uur't Echte paar op nieuw verkleven;Geef hunn' banden kracht en duur:Laat uw heilig hemelvuurAltoos door hunn' boezem zweven!Zo moet hun huwlijksband altoos, enz.Zo moet de huwlijksmin oneindig sterker branden, enz.
een zanger.
Rijst op, rijst op, ô Zangchoralen;De tijd vermaant ons onzen pligt;Vervangt den klank der feestbokalenMet keur en trant van maatgedicht.
Rijst op, rijst op, ô Zangchoralen;
De tijd vermaant ons onzen pligt;
Vervangt den klank der feestbokalen
Met keur en trant van maatgedicht.
een stemuit den Tempel.
Treedt toe, treedt toe, ô Zangchoralen!Ziet Hymens blijde tempelzalen.Tot uwen feestzang ingericht.
Treedt toe, treedt toe, ô Zangchoralen!
Ziet Hymens blijde tempelzalen.
Tot uwen feestzang ingericht.
een zangeres.
Ja viert deez' dag, mijn Zanggenoten,Die Hymen toegeheiligd is!Zijn outerchoren, reeds ontsloten,Onttrekken ons den tragen disch.
Ja viert deez' dag, mijn Zanggenoten,
Die Hymen toegeheiligd is!
Zijn outerchoren, reeds ontsloten,
Onttrekken ons den tragen disch.
beide.
Zingt Hymens roem, ô Zanggenoten!Zijn we allen uit hem voortgesproten,Hij eischt dan onze erkentenis.
Zingt Hymens roem, ô Zanggenoten!
Zijn we allen uit hem voortgesproten,
Hij eischt dan onze erkentenis.
de rei,
bestaande uit Feestgenoten, treedt in den Tempel, en, met palmen in de handen, 't Altaar omringende, zingt.
Geheiligde echt! behoud der stervelingen!Wiens zachte boei heel 't menschdom houdt vereend:Ter uwer eer' is 't dat wij zingen!—Gij hebt ons 't levenslicht verleend.Geheiligde echt .... enz.Gij schenkt deez' dag, deez' EchtgenotenIn 't blij vernieuwen van den trouwdag hunner jeugd,In 't aanzien hunner huwlijkslotenDe liefelijkste hartevreugd.Geheiligde echt! behoud der stervelingen!Wiens zachte boei heel 't menschdom houdt vereend:Ter uwer eer' is 't dat wij zingen!—Gij, gij hebt hun dit heil verleend!'t Is u ter eer' dat onze reienDit zilvren bruiloftsfeest verbreien.Mijn tonen, rijst! mijn stem, herneem een dubble kracht,Een huwlijksfeest is 't feest van 't menschelijk geslacht.Een huwlijksfeest is 't feest van 't menschelijk geslacht.
Geheiligde echt! behoud der stervelingen!
Wiens zachte boei heel 't menschdom houdt vereend:
Ter uwer eer' is 't dat wij zingen!—
Gij hebt ons 't levenslicht verleend.
Geheiligde echt .... enz.
Gij schenkt deez' dag, deez' Echtgenoten
In 't blij vernieuwen van den trouwdag hunner jeugd,
In 't aanzien hunner huwlijksloten
De liefelijkste hartevreugd.
Geheiligde echt! behoud der stervelingen!
Wiens zachte boei heel 't menschdom houdt vereend:
Ter uwer eer' is 't dat wij zingen!—
Gij, gij hebt hun dit heil verleend!
't Is u ter eer' dat onze reien
Dit zilvren bruiloftsfeest verbreien.
Mijn tonen, rijst! mijn stem, herneem een dubble kracht,
Een huwlijksfeest is 't feest van 't menschelijk geslacht.
Een huwlijksfeest is 't feest van 't menschelijk geslacht.
een zanger,voorgetreden.
ô Huwlijksmin! wat waar de onzalige aarde,Zo niet alom uw invloed waar verspreid?Wat, zo uw hand ons niet te samen paarde,De mensch, gedoemd tot aaklige eenzaamheid?Hij zuchtte, en kwijnde, en zwoegde, in onrust omgedreven,En walgde van 't genot van 't duurgeschatte leven.
ô Huwlijksmin! wat waar de onzalige aarde,
Zo niet alom uw invloed waar verspreid?
Wat, zo uw hand ons niet te samen paarde,
De mensch, gedoemd tot aaklige eenzaamheid?
Hij zuchtte, en kwijnde, en zwoegde, in onrust omgedreven,
En walgde van 't genot van 't duurgeschatte leven.
RECITATIEF.
Niet anders ligt de zwakke wijngaartrankOp 't woeste veld bij 't kruipend kruid te kwijnen.Nooit toont ze een' drop van Bacchus GodendrankIn 't gloeiend rood van groeiende robijnen.Geen groene bot, gekronkeld om heur' bast,Zal 't jeugdig hout met dartle kusjes lekken:Maar neêrgebukt, gekromd door eigen' last,Moet ze aan den wind een nietig speeltuig strekken.
Niet anders ligt de zwakke wijngaartrank
Op 't woeste veld bij 't kruipend kruid te kwijnen.
Nooit toont ze een' drop van Bacchus Godendrank
In 't gloeiend rood van groeiende robijnen.
Geen groene bot, gekronkeld om heur' bast,
Zal 't jeugdig hout met dartle kusjes lekken:
Maar neêrgebukt, gekromd door eigen' last,
Moet ze aan den wind een nietig speeltuig strekken.
een zangeres.
Maar heeft des bouwmans nijvre handHaar bij een' frisschen olm geplant,En aan zijn' stam een' steun geschonken;—Straks heft zij 't groenend hoofd omhoog,Om voor ons opgetoogen oogOp 't luisterrijkst te pronken.Straks zien we in trotschen purpergloedEen' tallelozen overvloedVan frisse en eedle muskadellenDoor liefelijken nektar zwellen.
Maar heeft des bouwmans nijvre hand
Haar bij een' frisschen olm geplant,
En aan zijn' stam een' steun geschonken;—
Straks heft zij 't groenend hoofd omhoog,
Om voor ons opgetoogen oog
Op 't luisterrijkst te pronken.
Straks zien we in trotschen purpergloed
Een' tallelozen overvloed
Van frisse en eedle muskadellen
Door liefelijken nektar zwellen.
beide.
Thands is zij 't siersel, de eer en wellust der landouw'Geworden door haar trouw.
Thands is zij 't siersel, de eer en wellust der landouw'
Geworden door haar trouw.
RECITATIEF.
Zo is een paar van Echtelingen,Aan één verknocht door hart en hand.Een stroom van HemelzegeningenBedauwd hunn' teedren huwlijksband.Zij juichen in dien lieven kluisterDie, altoos even zacht en even zeer bemind,Het schittrend goud verdooft in luisterEn 't harde diamant in duurzaamheid verwint.Zij doen zich in hun kroost herleven,Door aan hun Vaders wakkre nevenOp wie hun deugd wordt voortgeplant,En Burgers aan den Staat te geven,En zijn oneindig waard aan 't lieve Vaderland.
Zo is een paar van Echtelingen,
Aan één verknocht door hart en hand.
Een stroom van Hemelzegeningen
Bedauwd hunn' teedren huwlijksband.
Zij juichen in dien lieven kluister
Die, altoos even zacht en even zeer bemind,
Het schittrend goud verdooft in luister
En 't harde diamant in duurzaamheid verwint.
Zij doen zich in hun kroost herleven,
Door aan hun Vaders wakkre neven
Op wie hun deugd wordt voortgeplant,
En Burgers aan den Staat te geven,
En zijn oneindig waard aan 't lieve Vaderland.
de rei.
ô Heil! onschatbaar heil van Hymens heilgen band!
ô Heil! onschatbaar heil van Hymens heilgen band!
een zanger.
Wat kan halen bij de min,Die 't vereende hart en zinVan een paar doet samenvloeien,Dat, in 't bloeienVan zijns levens lentetijd,Door een zelfde vlam aan 't gloeien,Zijne trouw elkander wijdt?
Wat kan halen bij de min,
Die 't vereende hart en zin
Van een paar doet samenvloeien,
Dat, in 't bloeien
Van zijns levens lentetijd,
Door een zelfde vlam aan 't gloeien,
Zijne trouw elkander wijdt?
een zangeres.
Geen spartlend veil in 't welig woudKan aan 't omvlochten eikenhoutZich ooit zo vast verkleven:
Geen spartlend veil in 't welig woud
Kan aan 't omvlochten eikenhout
Zich ooit zo vast verkleven:
een zanger.
Geen zeilsteen aan het ijzer: ja,Geen parelschelp, door storm op 't onvrij strand gedreven,Aan zijne wedergaê:
Geen zeilsteen aan het ijzer: ja,
Geen parelschelp, door storm op 't onvrij strand gedreven,
Aan zijne wedergaê:
beide.
Als huwlijksliefde 't hart verkleeftAan d'onwaardeerbren schat, in wiens bezit het leeft.
Als huwlijksliefde 't hart verkleeft
Aan d'onwaardeerbren schat, in wiens bezit het leeft.
de reiherhaalt het slot.
een zangeres.
Maar vaster, ja oneindig vaster,Verbindt hen de echtknoop saam, wier hartsvereenigingEen vierde van een' eeuwenkringTen zegelmerk' ontfing.
Maar vaster, ja oneindig vaster,
Verbindt hen de echtknoop saam, wier hartsvereeniging
Een vierde van een' eeuwenkring
Ten zegelmerk' ontfing.
een zanger.
Ja, hoe de tijd het al verbaster',De huwlijksmin- alleen bezit een hemelkracht,Die de allesbuigende overmachtVan dien tyran veracht.
Ja, hoe de tijd het al verbaster',
De huwlijksmin- alleen bezit een hemelkracht,
Die de allesbuigende overmacht
Van dien tyran veracht.
beide.
Zij groeit,En gloeit:Zij kent, onsterflijk, geen verouden:
Zij groeit,
En gloeit:
Zij kent, onsterflijk, geen verouden:
de rei.
Haar vlammen zijn niet vatbaar voor 't verkouden,Uit de eeuwge liefdevlam des hemels voortgevloeid.
Haar vlammen zijn niet vatbaar voor 't verkouden,
Uit de eeuwge liefdevlam des hemels voortgevloeid.
zanger.
Laat duizenden aantreklijkheden,Waar onze jeugd zich in verblindt,Door de ongenaê des tijds bestreden,Verdwenen zijn gelijk de wind;Geen deugdzaam hart heeft iets bij 't tijdsverloop geleden,En dit, dit is 't alleen, 't geen 't echtsnoer samenbindt.Terwijl dees naauwverknochte bandenDoor eene reeks van echte pandenWaar meê hun vruchtbre sponde praalt,Nog naauwer worden toegehaald.
Laat duizenden aantreklijkheden,
Waar onze jeugd zich in verblindt,
Door de ongenaê des tijds bestreden,
Verdwenen zijn gelijk de wind;
Geen deugdzaam hart heeft iets bij 't tijdsverloop geleden,
En dit, dit is 't alleen, 't geen 't echtsnoer samenbindt.
Terwijl dees naauwverknochte banden
Door eene reeks van echte panden
Waar meê hun vruchtbre sponde praalt,
Nog naauwer worden toegehaald.
zangeres.
Ja, 't is de Liefde voor hun telgen,De zegen van de huwlijkskoets;
Ja, 't is de Liefde voor hun telgen,
De zegen van de huwlijkskoets;
zanger.
't Is de onweêrspreekbre zucht des bloeds,Door geen vermogen uit te delgen:
't Is de onweêrspreekbre zucht des bloeds,
Door geen vermogen uit te delgen:
zangeres.
't Is wederzijdsche kindermin:'t Is de inspraak der natuur; waar inDe tederheid der EchtgenotenVoor 't dierbaar zaad, uit hun gesproten,Zich t' allen oogenblikk' ontmoet,Hier in vernieuwt hun hart zijn' onderlingen gloed!
't Is wederzijdsche kindermin:
't Is de inspraak der natuur; waar in
De tederheid der Echtgenoten
Voor 't dierbaar zaad, uit hun gesproten,
Zich t' allen oogenblikk' ontmoet,
Hier in vernieuwt hun hart zijn' onderlingen gloed!
de rei.
Wat wellust voor een teêr gemoed!
Wat wellust voor een teêr gemoed!
Wat wellust voor een teêr gemoed,Wanneer 't in 't lachend wicht, wanneer 't in rijper spruiten,De tederheid van 't echte bloed;En in het voorwerp van zijn' gloed,Den oorsprong van zijn kroost ontmoet!ô Treffend, zielverrukkend zoet!Wie kan uw zaligheid in flaauwe klanken uiten?
Wat wellust voor een teêr gemoed,
Wanneer 't in 't lachend wicht, wanneer 't in rijper spruiten,
De tederheid van 't echte bloed;
En in het voorwerp van zijn' gloed,
Den oorsprong van zijn kroost ontmoet!
ô Treffend, zielverrukkend zoet!
Wie kan uw zaligheid in flaauwe klanken uiten?
zangeres.
ô Echt! ô heilig echtverbond!Gij hebt deez' dierbren twee dit strelend heil vergond.Gij schonkt in de aardsche zorg en kommer,Hun in de omhelzing' van hun kroost,De teêrste vreugd, den rijksten troost!Gij hebt hunn' disch gedekt in stille olijvenlommer!ô Echt! ô heilig echtverbond!Gij hebt deez' dierbren twee dit strelend heil vergond.
ô Echt! ô heilig echtverbond!
Gij hebt deez' dierbren twee dit strelend heil vergond.
Gij schonkt in de aardsche zorg en kommer,
Hun in de omhelzing' van hun kroost,
De teêrste vreugd, den rijksten troost!
Gij hebt hunn' disch gedekt in stille olijvenlommer!
ô Echt! ô heilig echtverbond!
Gij hebt deez' dierbren twee dit strelend heil vergond.
zanger.
Vereenden, 't is aan u gegeven,Geacht, geëerd, geliefkoosd van uw zaad,(Dat u voor de eedle gift van 't levenEn zo veel weldaân, meer verheven,Ontbloot van tal, gewicht en maat,Erkentelijke harten heiligt,Naar d'onverbreekbren kinderplicht,)'t Genot te minnen van het licht.Terwijl gij, voor den schrik van 't menschlijk lot beveiligd,Gerust in d'arm van uw geslacht,Na frissen ouderdom en hooggeklommen dagen,De dankbre tranen uwer magenOp uwen grafsteen wacht.
Vereenden, 't is aan u gegeven,
Geacht, geëerd, geliefkoosd van uw zaad,
(Dat u voor de eedle gift van 't leven
En zo veel weldaân, meer verheven,
Ontbloot van tal, gewicht en maat,
Erkentelijke harten heiligt,
Naar d'onverbreekbren kinderplicht,)
't Genot te minnen van het licht.
Terwijl gij, voor den schrik van 't menschlijk lot beveiligd,
Gerust in d'arm van uw geslacht,
Na frissen ouderdom en hooggeklommen dagen,
De dankbre tranen uwer magen
Op uwen grafsteen wacht.
zangeres.
Hoe heerlijk, ach! hoe welbehaaglijk isDe dierbre naam en nagedachtenisVan oudren, die 't bestaan aan brave telgen schonken!Wat ongevoelige verleentGeen tranen aan hun koud gebeent'!En doet hun tombe niet met frisse bloemen pronken.
Hoe heerlijk, ach! hoe welbehaaglijk is
De dierbre naam en nagedachtenis
Van oudren, die 't bestaan aan brave telgen schonken!
Wat ongevoelige verleent
Geen tranen aan hun koud gebeent'!
En doet hun tombe niet met frisse bloemen pronken.
RECITATIEF.
Geen zachte hyacinth, geen blanke leliebladen,Geen geurige viool, noch Indiesch balsemhof,Geen frisse rozengaard, met uchtenddauw beladen,Haalt in welriekendheid, bij hunn' gerechten lof.Geen zoete honigzeem kan zo 't verhemelt' strelen,Als hun geliefde naam der braven tong verheugt.Het laatste nakroost smaakt, en roemt met luide kelen,De vruchten van hun deugd.
Geen zachte hyacinth, geen blanke leliebladen,
Geen geurige viool, noch Indiesch balsemhof,
Geen frisse rozengaard, met uchtenddauw beladen,
Haalt in welriekendheid, bij hunn' gerechten lof.
Geen zoete honigzeem kan zo 't verhemelt' strelen,
Als hun geliefde naam der braven tong verheugt.
Het laatste nakroost smaakt, en roemt met luide kelen,
De vruchten van hun deugd.
een zanger.
Gewis: want zo wij eerbied dragenVoor hem, dien we in den Heldenzaâl,Tot ons behoud, het lijf zien wagenAan 't woeden van musket en staal:Indien wij wettige achting tonenAan hem, die 't leven ons behoedt;Wat zijn dan rechtgeaartde zonenVerplicht aan d'oorsprong van hun bloed?
Gewis: want zo wij eerbied dragen
Voor hem, dien we in den Heldenzaâl,
Tot ons behoud, het lijf zien wagen
Aan 't woeden van musket en staal:
Indien wij wettige achting tonen
Aan hem, die 't leven ons behoedt;
Wat zijn dan rechtgeaartde zonen
Verplicht aan d'oorsprong van hun bloed?
een stemvan binnen.
Laat af, Gespelen, staakt uw zingen;'t Is Hymen reeds genoeg verbreid.Toont nu deez' Echtverbondelingen,Wien vijf en twintig zonnekringenDe kruin met zilvren glans omringen,De blijken van uw tederheid.
Laat af, Gespelen, staakt uw zingen;
't Is Hymen reeds genoeg verbreid.
Toont nu deez' Echtverbondelingen,
Wien vijf en twintig zonnekringen
De kruin met zilvren glans omringen,
De blijken van uw tederheid.
de reiherhaalt.
't Is genoeg, laat af van zingenHymen werd genoeg verbreid.
't Is genoeg, laat af van zingen
Hymen werd genoeg verbreid.
Zij scharen zich in twee rijen, waar van de voorste zich tot de Echtgenoten wendt met het volgend
RECITATIEF.
ô Welvereenden! wien we op deez' gewenschten stond,Na 't tijdsverloop van dertienhonderd weken,De fakkel van uw trouwverbondTen tweeden male zien ontsteken!Duldt, dat uw maagschap, in dees rij',U hare oprechte beden wij',Uit een welmeenend hart gesproten.Hoe kleen een gaaf 't ook zij, een wensch,Indien hij invloed heeft op 't welzijn van een' mensch,Zijt, tot aan 't late graf, de zaligste Echtgenoten!
ô Welvereenden! wien we op deez' gewenschten stond,
Na 't tijdsverloop van dertienhonderd weken,
De fakkel van uw trouwverbond
Ten tweeden male zien ontsteken!
Duldt, dat uw maagschap, in dees rij',
U hare oprechte beden wij',
Uit een welmeenend hart gesproten.
Hoe kleen een gaaf 't ook zij, een wensch,
Indien hij invloed heeft op 't welzijn van een' mensch,
Zijt, tot aan 't late graf, de zaligste Echtgenoten!
de rei.
Zo moet ge in 't volste zielsgenoegenBij dit uw tweede BruiloftsfeestDe derde Huwlijksviering voegen,In de eigen bloei en kracht van lichaam beide en geest!Zo doen nog vijf en twintig jarenOp 't blinkend zilver van uw hairenOok eens de gouden Echtkroon staan!Zo moet ge niet dan laat, van 't levenslicht verzadigd,En door des Hemels gunst geduurzaam beweldadigd,Het algemeene lot der menschheid ondergaan!
Zo moet ge in 't volste zielsgenoegen
Bij dit uw tweede Bruiloftsfeest
De derde Huwlijksviering voegen,
In de eigen bloei en kracht van lichaam beide en geest!
Zo doen nog vijf en twintig jaren
Op 't blinkend zilver van uw hairen
Ook eens de gouden Echtkroon staan!
Zo moet ge niet dan laat, van 't levenslicht verzadigd,
En door des Hemels gunst geduurzaam beweldadigd,
Het algemeene lot der menschheid ondergaan!
een zanger.
Zo juiche uw echte sponde in bloesemrijke struiken!
Zo juiche uw echte sponde in bloesemrijke struiken!
een ander.
Zo moet een dankbaar kroost uw stervende oogen luiken!
Zo moet een dankbaar kroost uw stervende oogen luiken!
eerste rij.
Dit wenscht uw vriend, uw bloedverwant,Die uwen disch versiert.
Dit wenscht uw vriend, uw bloedverwant,
Die uwen disch versiert.
een stem.
De menschheid, welker feest in 't uwe wordt gevierd.
De menschheid, welker feest in 't uwe wordt gevierd.
tweede rij.
En dit 's de wensch van 't lieve Vaderland,Dat uit uw' vruchtbren echt zich burgers op ziet kweken.
En dit 's de wensch van 't lieve Vaderland,
Dat uit uw' vruchtbren echt zich burgers op ziet kweken.
allen.
Gij, Hemel! laat uw milde handd'Oprechten wensch van bloedverwant,Van vriendschap, menschheid, Vaderland,Geen heuchlijke uitkomst doen ontbreken!
Gij, Hemel! laat uw milde hand
d'Oprechten wensch van bloedverwant,
Van vriendschap, menschheid, Vaderland,
Geen heuchlijke uitkomst doen ontbreken!
RECITATIEF,
voor de Kinderen.
En ons, wie plicht en dankbaarheidAan 't Ouderlijke hart zo naauw, zo teêr verbinden,Wat vergt ons 't Bruiloftsfeest, dus staatlijk toebereid,Te voegen bij den wensch van zo veel dierbre vrinden?Wat wensch? wat heilbeê?—Hemel, ach!Wat kan uw kroost voor zich van 's Hoogsten gunst verlangen;Dan 't dier geluk, van, dag aan dagDe blijken van uw tederheid te ontfangen?Het blaakt voor u in kinderlijke minn'.Uw heil is 't zijn; uw rampen zijn zijn plagen.Gij hebt ons hart gevormd, mijne Ouders; leest daarin,'t Is u geheel plichtmatig opgedragen.
En ons, wie plicht en dankbaarheid
Aan 't Ouderlijke hart zo naauw, zo teêr verbinden,
Wat vergt ons 't Bruiloftsfeest, dus staatlijk toebereid,
Te voegen bij den wensch van zo veel dierbre vrinden?
Wat wensch? wat heilbeê?—Hemel, ach!
Wat kan uw kroost voor zich van 's Hoogsten gunst verlangen;
Dan 't dier geluk, van, dag aan dag
De blijken van uw tederheid te ontfangen?
Het blaakt voor u in kinderlijke minn'.
Uw heil is 't zijn; uw rampen zijn zijn plagen.
Gij hebt ons hart gevormd, mijne Ouders; leest daarin,
't Is u geheel plichtmatig opgedragen.
de rei
treedt ten Tempel en omringt Hymens beeld en Altaar.
Hymen, Hymen, bron van 't leven,En behouder der natuur!Wil in dit gelukkig uur't Echte paar op nieuw verkleven;Geef hunn' banden kracht en duur:Laat uw heilig hemelvuurAltoos door hunn' boezem zweven!
Hymen, Hymen, bron van 't leven,
En behouder der natuur!
Wil in dit gelukkig uur
't Echte paar op nieuw verkleven;
Geef hunn' banden kracht en duur:
Laat uw heilig hemelvuur
Altoos door hunn' boezem zweven!
de zangeressen
omhangen het Altaar met bloemen.
Hymen, Hymen, bron van 't leven!Laat het u gewijd altaar,Onder plechtig feestgebaarMet dit bloemfestoen omgeven,Door de jonge maagdenschaarTot eene echtkroon saamgeweven.
Hymen, Hymen, bron van 't leven!
Laat het u gewijd altaar,
Onder plechtig feestgebaar
Met dit bloemfestoen omgeven,
Door de jonge maagdenschaar
Tot eene echtkroon saamgeweven.
de zangeres,die den krans omhangen heeft.
Zo moet hun huwlijksband altoosDe glorende en satijnen blaârenDer verschgeplukte lenteroosIn bloei en zachtheid evenaren!
Zo moet hun huwlijksband altoos
De glorende en satijnen blaâren
Der verschgeplukte lenteroos
In bloei en zachtheid evenaren!
de rei,onder 't ontsteken van 't Altaar.
Gij, behouder der natuur,Gij, van wien wij 't licht ontfingen!Hymen, Hymen, wien wij zingen!In deez' blijden TempelmuurWijden deze jongelingen,Die uw Outerchoor omringen,U dit blakend offervuur.
Gij, behouder der natuur,
Gij, van wien wij 't licht ontfingen!
Hymen, Hymen, wien wij zingen!
In deez' blijden Tempelmuur
Wijden deze jongelingen,
Die uw Outerchoor omringen,
U dit blakend offervuur.
de zanger,die 't vuur ontstoken heeft.
Zo moet de huwlijksmin oneindig sterker brandenIn 't teder hart van dit vereenigd paar,Dan de offervlam, die onze handenOntstaken op dit echtaltaar!
Zo moet de huwlijksmin oneindig sterker branden
In 't teder hart van dit vereenigd paar,
Dan de offervlam, die onze handen
Ontstaken op dit echtaltaar!
allen.
Zo moet de huwlijksmin oneindig sterker brandenIn 't teder hart van dit vereenigd paar,Dan de offervlam, die onze handenOntstaken op dit echtaltaar!Zo moet hun huwlijksband altoosDe glorende en satijnen blaârenDer verschgeplukte lenteroosIn bloei en zachtheid evenaren!
Zo moet de huwlijksmin oneindig sterker branden
In 't teder hart van dit vereenigd paar,
Dan de offervlam, die onze handen
Ontstaken op dit echtaltaar!
Zo moet hun huwlijksband altoos
De glorende en satijnen blaâren
Der verschgeplukte lenteroos
In bloei en zachtheid evenaren!
(Zij doen eenen statigen ommegang om het brandend Altaar.)
Hymen, Hymen, bron van 't leven!En behouder der natuur!Wil in dit gelukkig uur't Echte paar op nieuw verkleven;Geef hunn' banden kracht en duur:Laat uw heilig hemelvuurAltoos door hunn' boezem zweven!
Hymen, Hymen, bron van 't leven!
En behouder der natuur!
Wil in dit gelukkig uur
't Echte paar op nieuw verkleven;
Geef hunn' banden kracht en duur:
Laat uw heilig hemelvuur
Altoos door hunn' boezem zweven!
Zo moet hun huwlijksband altoos, enz.
Zo moet hun huwlijksband altoos, enz.
Zo moet de huwlijksmin oneindig sterker branden, enz.
Zo moet de huwlijksmin oneindig sterker branden, enz.