1Gebed van den Onwetende, opgenomen in deVerspreide Stukken.2Misschien had hyArriamoeten raden.3Deeersteuitgaaf van dit werk is inderdaad verschenen by den UitgeverGünst, die geen bezwaar maakte de acceptatie te honoreeren.4Zie de parabel van den goudmaker aan het slot vanIdee527.5Motto van denHavelaar.6Fancyciteert.7God, goden = woden,Wodan. Degenwworden herhaaldelyk verwisseld. Etymologisch staat het woordGodnader aanwetten, dandiesaanjour, dat er toch van afkomt:dies diurnus,djur,djour. In den Sanskritwortel van ons woordwettenligt de beteekenis van heiligheid, hetgoddelyk weten,het weten van goddelyke zaken. Er is veel te leeren uit etymologie, maar de schoolmeesters hebben ’t moeilyk gemaakt.8Menschkomt van den Sanskrit-wortelman= denken.9De beteekenis van het woorddochter—in ’t Sanskrit:thugathêris melkster.10Gune = vrouw.11Rockis ’n reuzenvogel in de mythologie van het Oosten. Onze kasteelen in ’t schaakspel waren vroeger Olifanten, nog vroeger:rocks. Van hier ’t woordrokeeren.12Indaloes=Pertjah=Sumatra. Ik denk dat het eenBeowas, die over Sumatra van Nieuw-Guinea kwam. Het woordBeo(nababbelaar, naklapper) zou wel eens de rationeele wortel vanBiologiekunnen wezen. Op gelyken grond heeft misschien:λὸγος’t aanzyn aan ons:leugengeschonken. Zie ’t Evangelie van Johannes, cap. I, vs. 1.13Konstantinopel.14Ben= zoon.15Idee, 527.16Havelaar, blz, 157, uitgaaf 1871.17Uit overmaat van goeden smaak heeft de uitgever gemeend hier ’n twintigtalMinnebrievenvan Kappellieden te moeten supprimeeren.18De overige dozynen stiefbrieven liggen ter dispositie van de schryfsters aan het bureau vande Dageraad.19Plaatsgebrek noopt den uitgever ’t vervolg te supprimeeren. De arme dwaas wordt door allen om ’t zeerst uitgescholden, dit spreekt vanzelf!Touchanteovereenstemming tusschen de modernen en de antieken.20Gesupprimeerd!21Gesupprimeerd!22Gesupprimeerd!23Deze brief schynt te behooren tot de kathegorie dieFancyverbood uittegeven.24Ietoe andjing belanda bakelahi sama tahi!d.i.die honden van Hollanders vechten met drek!Dit was de kreet, waarmede de Jakatranen zich overwonnen verklaarden. (Historisch, en nog altyd van toepassing!)25Noot van den heer Van Lennep.Wy geven de toespraak van Eleonora, om der naïveteits wille, in de oude taal, zoo als die in deKeulsche kronykfol. 325 geboekt is.26Zie de parabel van den granaat, op pag. 33.27Wys my de plaats, enz.28Zoo heeftBuffongezegd, en niet: «le style c’est l’homme». Er is verschil.29Slaapkamerkostuum inIndië.30’t Vervolg door den uitgever gesupprimeerd.31Gesupprimeerd, als nog ’n twintigtal andere brieven, waarin zorg voor ziel en zaligheid van den gejaagden dwaas ’n hoofdrol spelen,mais le moindre grain de mil... etc.32Een legio bybelteksten ... gesupprimeerd!33Gesupprimeerd!34(Nootvan1874). De heerSloet, nu reeds sedert jaren aan ’t rusten.35(Noot van 1874.) Dit was de heerPahud, dezelfde die na ’t verschynen van denHavelaarpersoonlyk den toestand te Lebak onderzocht, uit welk onderzoek de erkentenis is voortgevloeid dat er in die Afdeeling «misbruiken» bestonden. ’t Spreekt vanzelf dat daarby met geen woord melding werd gemaakt van myn aanklacht. Men zie hierover ’t oordeel van den heerVethin denGidsvanAugustus ’60.36[Noot van 1865.] Juist in 1860. Thans,na vier jaren, heeft de kring der schuldigen zich uitgebreid. De geheeleNederlandsche Natie—vroeger onwetend, nu sedert lang ingelicht—is medeplichtig aan al de schelmery die ik in den Havelaar ten-toonstelde.37DomineFrancken.38[Noot van1865.] Zeggevier jaren!39(Noot van 1865). Hier is ’n fout in ’t anders zoo schoone stuk. Behalve door bakerpraatjes, waarvan ik geen nota mag nemen, om me niet te laten aftrekken van myn weg—want dat is daarvan de vry duidelyke bedoeling—werdHavelaarseer nooit aangetast, zoover ik weet. Dit zou ook na ’t gebeurde heel zonderling wezen. Een troep schelmen te ontmaskeren—ik bedoelde in 1860personen, nu:’t nederlandsche volk—en daarna van die schelmen herstel van eer te ontvangen—c’est trop fort!40(Noot van 1865). Zitting van den 25sten September 1860.41(Noot van 1865). Die man is nog altyd by de Nederlanders zeer geacht. Nu dit is billyk. Zóó’n persoon verdient achting van zóó’n natie! Nog onlangs is hy verkozen tot lid in ’t bestuur vanMettray, ’n instelling,nota bene, die ten-doel heeft te voorkomen, dat er roovers en dieven groeien uit arme jongens. Treffende zorg voor ’n oud-gouverneur-generaal vanNederlandsch-Indië, die my kwalyk nam dat ik geen genoegen nam in diefstal, roof en moord. Wat zal datMettraygoede resultaten geven!42[Noot van 1865.] Welnu, de aangeklaagden hebben gezwegen ten einde toe! DeMax Havelaarverscheen inMei 1860, en heden14 Juli 1865, zal dan toch wel de termyn van antwoord verstreken zyn. Zoo neen ... wanneer? Ik wacht sedert lang niet meer op antwoord, en beweer dat het niet-antwoorden ’n duidelyk antwoordis.De natie die, blijkens dagblad- en tijdschrift-litteratuur van 1860 en 1861, zoo gesteld was op haareer, is met wapens en bagage overgeloopen naar den kant der schande. Men heeftgezag,invloedengeld,—ja,geldvooral: een javasche rykworder is Minister van Koloniën!—men heeft invloed, geld en gezag aangehangen, in-plaats van den man te steunen, die alleen tegen allen den moed had z’n plicht te doen.Mag men my euvel duiden, dat ik hoogmoedig ben? Begrypt men niet hoe onmogelyk ’t wezen zou, zich niet hoog te stellen tegen-over zooveel laagheid?Het is nu eenmaal waar, o braveNederlanders, datHavelaar’n byzonder slecht mensch is. ’t Is wáár dat-i alle meisjes verleidt ... dat hy z’n lieve, edele vrouw mishandelt ... dat-i z’n schulden niet betaalt ... dat-i altyd dronken is ... dat-i liederlyk leeft ... dat-i verkwistend is ... dat-i met gemeen volk omgaat,—schoon hy nooit in de kerk of op de beurs komt—dat hy ... dat hy ... kort-om,Havelaaris ’n antichrist! Dit kan men vernemen van ieder wien hy in den weg staat. Maar Nederlanders,dit alles is de vraag niet!De vraag is: of Holland ’n gemeene roofstaat was onder deKonservatieven, en of Holland ’n gemeene roofstaat bleef onder deliberalen? Dit is de vraag! Met bakerpraatjes beantwoordt men geen beschuldiging als die welke hy u in ’t aangezicht wierp. Gy komt my voor als de dief die zich zou willen ontschuldigen door de beweering dat de publieke aanklager ’n leelyke pruik draagt ...OfHavelaar’spruik zoo leelijkis, zal misschien later blyken, als ’t hem schikt zich neertebuigen tot openbaring. Maar eerst dezaken,Nederlanders, en dan uw oud-wyvenvertellingen.Een beetje menschkunde, als ge die bezit! KànHavelaarwezen, zoo-als ’t belang dervan Twistenen konsorten—d.i. de personen encliquesdie hy vry naakt uitkleedde—meebrengt hem voortestellen?Menschkunde? Ik vergis me. Ik vergat datge beter weet, en eerloos handelt uitlafhartigheid. ’t Is goedkooper, niet waar—billykerzeggen verduitschte kooplui in winkeltaal—’t is billyker, den alleen-staande te schelden, dan met hem party te trekken voor recht, tegen de bende die hy aantastte.Menschkunde! Het nageslacht zal oordeelen, of ’t u dááraan haperde, of ... aan hart? Och, wat zoudt ge een fyn gevoel voor recht hebben, zoodra ge inzaagt dat er by dat recht wat te verdienen viel!De weinigen die me hartelyk aanhangen, hoef ik niet by naam uittezonderen. Hen dank ik voor de trouw aan ’t heilig recht, hen de edele hovelingen en «courtisanes» van den tegenspoed! Hen, wien ik niet hoef te zeggen, dat ik nietklaag, wyl hun liefde en trouw ruimschoots opweegt tegen de schandelyke desertie van ’t gros der Natie. Voor de tiende maal: M’n verwyt is geenklacht, het isaanklacht. Ik heb niet te klagen, want ik geniet veel groote liefde, al draag ik van zoovelen den kleinen haat.MetNederland overwinnen? Deze hoop gaf ik reeds op, zes maanden na ’t verschynen van denHavelaar.TegenNederland ... ja! Ik heb ’t beloofd, en men meene niet dat ik m’n woord brak, indien ik mocht komen te bezwyken vóór ’t bereiken van m’n doel. Ik zal zorg dragen nooit geheel te sterven. M’n geest zal leven en overwinnen, lang nadat de koninkjes en ministertjes van heden zullen vergeten zyn. Ziedaar nu, christenen,mynonsterfelykheid!43(Noot van 1865). Om ook onkundigen te doen begrypen, wat de reden is dat alle personen op eenmaal verdwenen zyn, die in 1860 en 1861 zoo welsprekend aandrongen oprecht, herhaal ik hier de vaak meegedeelde byzonderheid dat èn Liberalen èn Behouders denMax Havelaarwilden gebruiken alsmachine de guerrein hun partijgekibbel. Toen ik debeidecliques barsch had afgewezen, en alleen hulp vraagde aan wie ’t wèl meende metmenschelykheidenrechtvaardigheid, bleek er dat niemand den moed had zich aan m’n zy te stellen. Indien ik de taele Kanaäns van ’t Liberalisme had willen spreken, ware ik sedert lang Minister van koloniën. En ook de behouders hadden myn «talent» kunnen gebruiken, als nu maar eenmaal dat talent «te gebruiken» ware. Lieve god, ikzelf ben er geen meester van, en geloof er niet aan. (Idee112).44Hanootzri= Timmerman.45(Noot van1865). Zitting der Tweede Kamer van den 25 September 1860.46(Noot van1865.) Voorloopig heb ik op ’tInternationaal Congres, dat gehouden werdin het paleis des koningste Amsterdam, gezegddatNederland ’n roofstaat is. Men zie hieroverIdee534.47Deze man wasLoerah= klein hoofd. Dáárom zeker nam men hemtweebuffels af, dat ook heel billyk was, daar hy de macht had z’n schade te verhalen op ’n ander.48OfPasir-aijer. Ik houd van stiptheid in «zaken.»49Deze man was dorpshoofd.50De juiste verhouding van den veestapel inLebak, tot dien van ’t distriktParang-Koetjangwas op ultimo 1853 = 980 : 260 geboorten. Verkiest men naar deze verhouding dus slechts te vermenigvuldigen metvier... ’t is my wel, schoon men verkeerd zou doen. ’t Ware kluchtig als de betrokkenen durfden aanmerking maken op ’tcijfervan wat er onder hun bescherming wordt gestolen.51(Noot van1865.)Bantamhad voor ’n tiental jaren vyfhonderd-duizend inwoners, en de bevolking vanJava was toen twaalf millioen.52(Noot van1865.) Velen zullen—met niet ongewone miskenning van de kracht der vermenigvuldiging—dit cyfer vanduizend millioenguldens overdreven vinden, en in deze meening door de aangeklaagden gestyfd worden, die heel gaarne schrik voor myn resultaten omknoeien in afschrik van onderzoek.Welnu,ikblyf op dit onderzoek aandringen! Ik houd de juistheid myner konklusie staande, en vraag aan wien ze betwyfelt, of loochent:Welke fout ik maakte in m’n berekening?Hoeveel er dàn wordt gestolen onder ’t bestuur van één Gouverneur-Generaal die z’n plicht niet doet?LaatDuymaer van Twisttoch eens antwoorden op deze vragen, als-i beweert beter te rekenen dan ik. En dat hy dan tevens berekene hoeveel fortuinen met buitenplaatsen, enz. van gewezen Gouverneurs-Generaal, er noodig zyn om de fouten van éénplichtvergetenLandvoogd te boeten?Ik konstateer—heden 16 Juli 1865—dat niemand protest heeft aangeteekend tegen het punt van uitgang myner berekening:den staat van gestolen buffels in de Lebaksche afdeeling Parang-Koedjang, gedurende Februari 1856.Wil men ’t nog doen? ’t Is my wel. Men zal, na myn vertrek uitLebak, toch nietallegetuigen vermoord hebben! En al ware dit zoo...ik ben tot dupliek bereid en gereed. Maar ik zou beginnen met de vraag: waarom menvier jaar lang gezwegen heeft?Dit zwygen veroordeelt! Op ’t internationaal kongres, waar ’t beschaafdEuropakon geacht worden vertegenwoordigd te zyn, vraagde de heerDumonceauvan Luik, of er onder de aanwezige Nederlanders niemand opkwam tegen myn aanklacht? Hy zou dit betreuren, zeide hy, wyl dan de vreemdelingen Nederland moesten verlaten onder den indruk dat ze gastvryheid hadden genoten van roovers. Die vraag en die vrees waren gepast en gegrond.Na my sprak de heerRochussen’n redevoering uit, waarin hoofdzakelyk werd betoogd datNederlandveel voordeel trekt uitIndië, wat ik volmondig toestem. DeIndépendance, in den verkeerden waan dat de heerRochussenmyn beschuldigingen wilde weerleggen, noemt die rede:un discours ministre. De scherpte dezer kwalifikatie treft geen doel, als men weet—zooals ik verzekeren kan—dat het voornemen des heeren R. geenszins was om myn grieven te behandelen, evenmin als hy ’t verdedigen of vergoelyken op zich wilde nemen van de gruwelen die inIndiëplaats vinden. Dat die Staatsdienaar onmiddellyk na my optrad, was toevallig, en ’n gevolg van deordre du jour, gewyzigd trouwens op ’n verzoek van den heerPovinvan Brussel, die na my had moeten spreken, maar aan den heer R. had verzocht te mogen ruilen van beurt.De heerRochussenheeft een statistisch-ekonomische bydrage geleverd, en... en... ziedaar: ik geloof dat die oud-minister,wanneerhy de zaken had aangeroerd, waarover ik klaag, aanmynkant zou geweest zyn, en niettegenmy!Ik blyf gelooven dat de heerRochussen, die hart heeft in-plaats van dordroge deugdzaamachtigheid, gehoor zou hebben gegeven aanHavelaar, en dat er recht zou geschied zyn, indienhygouverneur-generaal ware geweest, in de dagen toenvan Twistzich ter-ruste legde op ’t christelyk hoofdkussen van al te goedkoopen vrede met z’n “Heer.”Neen, de heerRochussenzou en zal my niet bestryden. Hy staat niet vast genoeg in ’tgeloofom schelmery aantezien zonder wrevel of om zonder wroeging party-te-trekken tegen iemand die opstaat tegen schelmery. Om te slikken en te verteeren, wat zoo’nvan Twistkan verdragen, is godsdienst noodig, veel godsdienst... als in ’t vers voor die dame. (Idee527).En dat ook inderdaad de rede van den heer R. niet werd opgenomen als antwoord op myn beschuldigingen, blykt onder anderen hieruit, dat ’n hoofdambtenaar uitden Haag—de referendarisvan Alphen, meen ik—met zekerélan, het woord vraagde, en stamelend van drift, de hoop uitte: “dat men my toch eens zou tegenspreken!”Nu ja, dit hoopte ik al lang! Maar op-nieuw konstateer ik, dat men ’t niet doet.Het eenige wat men kan en durft, is onders’hands uittestrooien, dat “dieHavelaarzoo ’n byzonder slecht mensch is.” Dit is wat al te gemakkelyk, vind ik.Nederlanders! Zult ge dan nooit wakker worden?53De hier bedoelde brief is die welke later in deVerspreideStukkenis opgenomen.54Zie ’t boek over de Veilingen, pag. 93. Men vergelyke overigens alle antwoorden van den kontroleur met dat boek,voor zooveel de hoofdzaken aangaat. Wie nog twyfelt heeft belang by twyfel en liegt uit dat belang.55Een inlandsch beambte die den Regent ter-zyde staat, enin casudiens vertrouweling was.56«Nog nooit heeft eenig heer aldus gesproken.»57Mr.P. Myer.58Zie hier wat prof.Vethhiervan zegt in denGidsvan Augustus 1863.«Sedert heeftHavelaarmet de zynen gebrek geleden, hy is het voorwerp geworden van den smaad der Droogstoppels—want de Droogstoppels in Nederland maken altyd gemeene zaak met de Slymeringen in Indië—hy is geworden: Multatuli, niet alleen in aangenomen naam, maar inderdaad.«En wat bewyst nu het feit, dat, na zyn ontslag, werkelyk een onderzoek naar de knevelaryen in het RegentschapLebakplaats had, dat de Regent een scherpe vermaning ontving, en eenige mindere hoofden werden afgezet?«Primo:de waarheid van het spreekwoord, dat de kleine dieven gehangen worden, terwyl men de groote laat loopen.«Secundo:dat de zaak te veel ruchtbaarheid had verkregen om nu nog gesmoord te worden.«Tertio:dat de knevelary in Lebak al zeer erg moet geweest zyn, wanneer zelfs een Resident, die zoo gaarne schipperde, en zoo ongaarne een inlandsch hoofd vervolgde, constateren moest, dat er werkelyk reden tot klagen bestond, en by gevolg«Quarto:dat Havelaar volkomen gelyk had.”59Brief aan de Kiezers te Amsterdam, byJ. H. de Ruyter.60(Noot van 1865) «Helponshierin, dan beloof ik u de stem van dat of dat geacht lid voordiezaak!” Verbeeld u het lid eener jury, die tot ’n kollega zei:«help my dezen man hangen, dan zal ik u helpen aan ’t geeselen van dien ander?”61(Noot van 1865). Ikciteer! Hoe ik denk over dienesprit de clocher, moge uit het volgende blyken. In ’nFrieschecourant lezende dat men my had voorgesteld tot kandidaat, onder verzekering dat ik ’nkordateFries was, heb ik terstond tegen die eer geprotesteerd. Kordaat beweer ik te zyn—en ik zal ’t toonen—maar ’nFriesben ik niet. Er is ’n kreet van verwondering opgegaan, toen ik daarop betuigde: «Fries of geen Fries, dat is hetzelfde. Ik zou m’n votum weigeren aan ’n wet ter bescherming van de Jenever, al ware ik met algemeene stemmen gekozen te Schiedam.” ZieLeeuwarder Courant, 30 Oktober 1860.
1Gebed van den Onwetende, opgenomen in deVerspreide Stukken.2Misschien had hyArriamoeten raden.3Deeersteuitgaaf van dit werk is inderdaad verschenen by den UitgeverGünst, die geen bezwaar maakte de acceptatie te honoreeren.4Zie de parabel van den goudmaker aan het slot vanIdee527.5Motto van denHavelaar.6Fancyciteert.7God, goden = woden,Wodan. Degenwworden herhaaldelyk verwisseld. Etymologisch staat het woordGodnader aanwetten, dandiesaanjour, dat er toch van afkomt:dies diurnus,djur,djour. In den Sanskritwortel van ons woordwettenligt de beteekenis van heiligheid, hetgoddelyk weten,het weten van goddelyke zaken. Er is veel te leeren uit etymologie, maar de schoolmeesters hebben ’t moeilyk gemaakt.8Menschkomt van den Sanskrit-wortelman= denken.9De beteekenis van het woorddochter—in ’t Sanskrit:thugathêris melkster.10Gune = vrouw.11Rockis ’n reuzenvogel in de mythologie van het Oosten. Onze kasteelen in ’t schaakspel waren vroeger Olifanten, nog vroeger:rocks. Van hier ’t woordrokeeren.12Indaloes=Pertjah=Sumatra. Ik denk dat het eenBeowas, die over Sumatra van Nieuw-Guinea kwam. Het woordBeo(nababbelaar, naklapper) zou wel eens de rationeele wortel vanBiologiekunnen wezen. Op gelyken grond heeft misschien:λὸγος’t aanzyn aan ons:leugengeschonken. Zie ’t Evangelie van Johannes, cap. I, vs. 1.13Konstantinopel.14Ben= zoon.15Idee, 527.16Havelaar, blz, 157, uitgaaf 1871.17Uit overmaat van goeden smaak heeft de uitgever gemeend hier ’n twintigtalMinnebrievenvan Kappellieden te moeten supprimeeren.18De overige dozynen stiefbrieven liggen ter dispositie van de schryfsters aan het bureau vande Dageraad.19Plaatsgebrek noopt den uitgever ’t vervolg te supprimeeren. De arme dwaas wordt door allen om ’t zeerst uitgescholden, dit spreekt vanzelf!Touchanteovereenstemming tusschen de modernen en de antieken.20Gesupprimeerd!21Gesupprimeerd!22Gesupprimeerd!23Deze brief schynt te behooren tot de kathegorie dieFancyverbood uittegeven.24Ietoe andjing belanda bakelahi sama tahi!d.i.die honden van Hollanders vechten met drek!Dit was de kreet, waarmede de Jakatranen zich overwonnen verklaarden. (Historisch, en nog altyd van toepassing!)25Noot van den heer Van Lennep.Wy geven de toespraak van Eleonora, om der naïveteits wille, in de oude taal, zoo als die in deKeulsche kronykfol. 325 geboekt is.26Zie de parabel van den granaat, op pag. 33.27Wys my de plaats, enz.28Zoo heeftBuffongezegd, en niet: «le style c’est l’homme». Er is verschil.29Slaapkamerkostuum inIndië.30’t Vervolg door den uitgever gesupprimeerd.31Gesupprimeerd, als nog ’n twintigtal andere brieven, waarin zorg voor ziel en zaligheid van den gejaagden dwaas ’n hoofdrol spelen,mais le moindre grain de mil... etc.32Een legio bybelteksten ... gesupprimeerd!33Gesupprimeerd!34(Nootvan1874). De heerSloet, nu reeds sedert jaren aan ’t rusten.35(Noot van 1874.) Dit was de heerPahud, dezelfde die na ’t verschynen van denHavelaarpersoonlyk den toestand te Lebak onderzocht, uit welk onderzoek de erkentenis is voortgevloeid dat er in die Afdeeling «misbruiken» bestonden. ’t Spreekt vanzelf dat daarby met geen woord melding werd gemaakt van myn aanklacht. Men zie hierover ’t oordeel van den heerVethin denGidsvanAugustus ’60.36[Noot van 1865.] Juist in 1860. Thans,na vier jaren, heeft de kring der schuldigen zich uitgebreid. De geheeleNederlandsche Natie—vroeger onwetend, nu sedert lang ingelicht—is medeplichtig aan al de schelmery die ik in den Havelaar ten-toonstelde.37DomineFrancken.38[Noot van1865.] Zeggevier jaren!39(Noot van 1865). Hier is ’n fout in ’t anders zoo schoone stuk. Behalve door bakerpraatjes, waarvan ik geen nota mag nemen, om me niet te laten aftrekken van myn weg—want dat is daarvan de vry duidelyke bedoeling—werdHavelaarseer nooit aangetast, zoover ik weet. Dit zou ook na ’t gebeurde heel zonderling wezen. Een troep schelmen te ontmaskeren—ik bedoelde in 1860personen, nu:’t nederlandsche volk—en daarna van die schelmen herstel van eer te ontvangen—c’est trop fort!40(Noot van 1865). Zitting van den 25sten September 1860.41(Noot van 1865). Die man is nog altyd by de Nederlanders zeer geacht. Nu dit is billyk. Zóó’n persoon verdient achting van zóó’n natie! Nog onlangs is hy verkozen tot lid in ’t bestuur vanMettray, ’n instelling,nota bene, die ten-doel heeft te voorkomen, dat er roovers en dieven groeien uit arme jongens. Treffende zorg voor ’n oud-gouverneur-generaal vanNederlandsch-Indië, die my kwalyk nam dat ik geen genoegen nam in diefstal, roof en moord. Wat zal datMettraygoede resultaten geven!42[Noot van 1865.] Welnu, de aangeklaagden hebben gezwegen ten einde toe! DeMax Havelaarverscheen inMei 1860, en heden14 Juli 1865, zal dan toch wel de termyn van antwoord verstreken zyn. Zoo neen ... wanneer? Ik wacht sedert lang niet meer op antwoord, en beweer dat het niet-antwoorden ’n duidelyk antwoordis.De natie die, blijkens dagblad- en tijdschrift-litteratuur van 1860 en 1861, zoo gesteld was op haareer, is met wapens en bagage overgeloopen naar den kant der schande. Men heeftgezag,invloedengeld,—ja,geldvooral: een javasche rykworder is Minister van Koloniën!—men heeft invloed, geld en gezag aangehangen, in-plaats van den man te steunen, die alleen tegen allen den moed had z’n plicht te doen.Mag men my euvel duiden, dat ik hoogmoedig ben? Begrypt men niet hoe onmogelyk ’t wezen zou, zich niet hoog te stellen tegen-over zooveel laagheid?Het is nu eenmaal waar, o braveNederlanders, datHavelaar’n byzonder slecht mensch is. ’t Is wáár dat-i alle meisjes verleidt ... dat hy z’n lieve, edele vrouw mishandelt ... dat-i z’n schulden niet betaalt ... dat-i altyd dronken is ... dat-i liederlyk leeft ... dat-i verkwistend is ... dat-i met gemeen volk omgaat,—schoon hy nooit in de kerk of op de beurs komt—dat hy ... dat hy ... kort-om,Havelaaris ’n antichrist! Dit kan men vernemen van ieder wien hy in den weg staat. Maar Nederlanders,dit alles is de vraag niet!De vraag is: of Holland ’n gemeene roofstaat was onder deKonservatieven, en of Holland ’n gemeene roofstaat bleef onder deliberalen? Dit is de vraag! Met bakerpraatjes beantwoordt men geen beschuldiging als die welke hy u in ’t aangezicht wierp. Gy komt my voor als de dief die zich zou willen ontschuldigen door de beweering dat de publieke aanklager ’n leelyke pruik draagt ...OfHavelaar’spruik zoo leelijkis, zal misschien later blyken, als ’t hem schikt zich neertebuigen tot openbaring. Maar eerst dezaken,Nederlanders, en dan uw oud-wyvenvertellingen.Een beetje menschkunde, als ge die bezit! KànHavelaarwezen, zoo-als ’t belang dervan Twistenen konsorten—d.i. de personen encliquesdie hy vry naakt uitkleedde—meebrengt hem voortestellen?Menschkunde? Ik vergis me. Ik vergat datge beter weet, en eerloos handelt uitlafhartigheid. ’t Is goedkooper, niet waar—billykerzeggen verduitschte kooplui in winkeltaal—’t is billyker, den alleen-staande te schelden, dan met hem party te trekken voor recht, tegen de bende die hy aantastte.Menschkunde! Het nageslacht zal oordeelen, of ’t u dááraan haperde, of ... aan hart? Och, wat zoudt ge een fyn gevoel voor recht hebben, zoodra ge inzaagt dat er by dat recht wat te verdienen viel!De weinigen die me hartelyk aanhangen, hoef ik niet by naam uittezonderen. Hen dank ik voor de trouw aan ’t heilig recht, hen de edele hovelingen en «courtisanes» van den tegenspoed! Hen, wien ik niet hoef te zeggen, dat ik nietklaag, wyl hun liefde en trouw ruimschoots opweegt tegen de schandelyke desertie van ’t gros der Natie. Voor de tiende maal: M’n verwyt is geenklacht, het isaanklacht. Ik heb niet te klagen, want ik geniet veel groote liefde, al draag ik van zoovelen den kleinen haat.MetNederland overwinnen? Deze hoop gaf ik reeds op, zes maanden na ’t verschynen van denHavelaar.TegenNederland ... ja! Ik heb ’t beloofd, en men meene niet dat ik m’n woord brak, indien ik mocht komen te bezwyken vóór ’t bereiken van m’n doel. Ik zal zorg dragen nooit geheel te sterven. M’n geest zal leven en overwinnen, lang nadat de koninkjes en ministertjes van heden zullen vergeten zyn. Ziedaar nu, christenen,mynonsterfelykheid!43(Noot van 1865). Om ook onkundigen te doen begrypen, wat de reden is dat alle personen op eenmaal verdwenen zyn, die in 1860 en 1861 zoo welsprekend aandrongen oprecht, herhaal ik hier de vaak meegedeelde byzonderheid dat èn Liberalen èn Behouders denMax Havelaarwilden gebruiken alsmachine de guerrein hun partijgekibbel. Toen ik debeidecliques barsch had afgewezen, en alleen hulp vraagde aan wie ’t wèl meende metmenschelykheidenrechtvaardigheid, bleek er dat niemand den moed had zich aan m’n zy te stellen. Indien ik de taele Kanaäns van ’t Liberalisme had willen spreken, ware ik sedert lang Minister van koloniën. En ook de behouders hadden myn «talent» kunnen gebruiken, als nu maar eenmaal dat talent «te gebruiken» ware. Lieve god, ikzelf ben er geen meester van, en geloof er niet aan. (Idee112).44Hanootzri= Timmerman.45(Noot van1865). Zitting der Tweede Kamer van den 25 September 1860.46(Noot van1865.) Voorloopig heb ik op ’tInternationaal Congres, dat gehouden werdin het paleis des koningste Amsterdam, gezegddatNederland ’n roofstaat is. Men zie hieroverIdee534.47Deze man wasLoerah= klein hoofd. Dáárom zeker nam men hemtweebuffels af, dat ook heel billyk was, daar hy de macht had z’n schade te verhalen op ’n ander.48OfPasir-aijer. Ik houd van stiptheid in «zaken.»49Deze man was dorpshoofd.50De juiste verhouding van den veestapel inLebak, tot dien van ’t distriktParang-Koetjangwas op ultimo 1853 = 980 : 260 geboorten. Verkiest men naar deze verhouding dus slechts te vermenigvuldigen metvier... ’t is my wel, schoon men verkeerd zou doen. ’t Ware kluchtig als de betrokkenen durfden aanmerking maken op ’tcijfervan wat er onder hun bescherming wordt gestolen.51(Noot van1865.)Bantamhad voor ’n tiental jaren vyfhonderd-duizend inwoners, en de bevolking vanJava was toen twaalf millioen.52(Noot van1865.) Velen zullen—met niet ongewone miskenning van de kracht der vermenigvuldiging—dit cyfer vanduizend millioenguldens overdreven vinden, en in deze meening door de aangeklaagden gestyfd worden, die heel gaarne schrik voor myn resultaten omknoeien in afschrik van onderzoek.Welnu,ikblyf op dit onderzoek aandringen! Ik houd de juistheid myner konklusie staande, en vraag aan wien ze betwyfelt, of loochent:Welke fout ik maakte in m’n berekening?Hoeveel er dàn wordt gestolen onder ’t bestuur van één Gouverneur-Generaal die z’n plicht niet doet?LaatDuymaer van Twisttoch eens antwoorden op deze vragen, als-i beweert beter te rekenen dan ik. En dat hy dan tevens berekene hoeveel fortuinen met buitenplaatsen, enz. van gewezen Gouverneurs-Generaal, er noodig zyn om de fouten van éénplichtvergetenLandvoogd te boeten?Ik konstateer—heden 16 Juli 1865—dat niemand protest heeft aangeteekend tegen het punt van uitgang myner berekening:den staat van gestolen buffels in de Lebaksche afdeeling Parang-Koedjang, gedurende Februari 1856.Wil men ’t nog doen? ’t Is my wel. Men zal, na myn vertrek uitLebak, toch nietallegetuigen vermoord hebben! En al ware dit zoo...ik ben tot dupliek bereid en gereed. Maar ik zou beginnen met de vraag: waarom menvier jaar lang gezwegen heeft?Dit zwygen veroordeelt! Op ’t internationaal kongres, waar ’t beschaafdEuropakon geacht worden vertegenwoordigd te zyn, vraagde de heerDumonceauvan Luik, of er onder de aanwezige Nederlanders niemand opkwam tegen myn aanklacht? Hy zou dit betreuren, zeide hy, wyl dan de vreemdelingen Nederland moesten verlaten onder den indruk dat ze gastvryheid hadden genoten van roovers. Die vraag en die vrees waren gepast en gegrond.Na my sprak de heerRochussen’n redevoering uit, waarin hoofdzakelyk werd betoogd datNederlandveel voordeel trekt uitIndië, wat ik volmondig toestem. DeIndépendance, in den verkeerden waan dat de heerRochussenmyn beschuldigingen wilde weerleggen, noemt die rede:un discours ministre. De scherpte dezer kwalifikatie treft geen doel, als men weet—zooals ik verzekeren kan—dat het voornemen des heeren R. geenszins was om myn grieven te behandelen, evenmin als hy ’t verdedigen of vergoelyken op zich wilde nemen van de gruwelen die inIndiëplaats vinden. Dat die Staatsdienaar onmiddellyk na my optrad, was toevallig, en ’n gevolg van deordre du jour, gewyzigd trouwens op ’n verzoek van den heerPovinvan Brussel, die na my had moeten spreken, maar aan den heer R. had verzocht te mogen ruilen van beurt.De heerRochussenheeft een statistisch-ekonomische bydrage geleverd, en... en... ziedaar: ik geloof dat die oud-minister,wanneerhy de zaken had aangeroerd, waarover ik klaag, aanmynkant zou geweest zyn, en niettegenmy!Ik blyf gelooven dat de heerRochussen, die hart heeft in-plaats van dordroge deugdzaamachtigheid, gehoor zou hebben gegeven aanHavelaar, en dat er recht zou geschied zyn, indienhygouverneur-generaal ware geweest, in de dagen toenvan Twistzich ter-ruste legde op ’t christelyk hoofdkussen van al te goedkoopen vrede met z’n “Heer.”Neen, de heerRochussenzou en zal my niet bestryden. Hy staat niet vast genoeg in ’tgeloofom schelmery aantezien zonder wrevel of om zonder wroeging party-te-trekken tegen iemand die opstaat tegen schelmery. Om te slikken en te verteeren, wat zoo’nvan Twistkan verdragen, is godsdienst noodig, veel godsdienst... als in ’t vers voor die dame. (Idee527).En dat ook inderdaad de rede van den heer R. niet werd opgenomen als antwoord op myn beschuldigingen, blykt onder anderen hieruit, dat ’n hoofdambtenaar uitden Haag—de referendarisvan Alphen, meen ik—met zekerélan, het woord vraagde, en stamelend van drift, de hoop uitte: “dat men my toch eens zou tegenspreken!”Nu ja, dit hoopte ik al lang! Maar op-nieuw konstateer ik, dat men ’t niet doet.Het eenige wat men kan en durft, is onders’hands uittestrooien, dat “dieHavelaarzoo ’n byzonder slecht mensch is.” Dit is wat al te gemakkelyk, vind ik.Nederlanders! Zult ge dan nooit wakker worden?53De hier bedoelde brief is die welke later in deVerspreideStukkenis opgenomen.54Zie ’t boek over de Veilingen, pag. 93. Men vergelyke overigens alle antwoorden van den kontroleur met dat boek,voor zooveel de hoofdzaken aangaat. Wie nog twyfelt heeft belang by twyfel en liegt uit dat belang.55Een inlandsch beambte die den Regent ter-zyde staat, enin casudiens vertrouweling was.56«Nog nooit heeft eenig heer aldus gesproken.»57Mr.P. Myer.58Zie hier wat prof.Vethhiervan zegt in denGidsvan Augustus 1863.«Sedert heeftHavelaarmet de zynen gebrek geleden, hy is het voorwerp geworden van den smaad der Droogstoppels—want de Droogstoppels in Nederland maken altyd gemeene zaak met de Slymeringen in Indië—hy is geworden: Multatuli, niet alleen in aangenomen naam, maar inderdaad.«En wat bewyst nu het feit, dat, na zyn ontslag, werkelyk een onderzoek naar de knevelaryen in het RegentschapLebakplaats had, dat de Regent een scherpe vermaning ontving, en eenige mindere hoofden werden afgezet?«Primo:de waarheid van het spreekwoord, dat de kleine dieven gehangen worden, terwyl men de groote laat loopen.«Secundo:dat de zaak te veel ruchtbaarheid had verkregen om nu nog gesmoord te worden.«Tertio:dat de knevelary in Lebak al zeer erg moet geweest zyn, wanneer zelfs een Resident, die zoo gaarne schipperde, en zoo ongaarne een inlandsch hoofd vervolgde, constateren moest, dat er werkelyk reden tot klagen bestond, en by gevolg«Quarto:dat Havelaar volkomen gelyk had.”59Brief aan de Kiezers te Amsterdam, byJ. H. de Ruyter.60(Noot van 1865) «Helponshierin, dan beloof ik u de stem van dat of dat geacht lid voordiezaak!” Verbeeld u het lid eener jury, die tot ’n kollega zei:«help my dezen man hangen, dan zal ik u helpen aan ’t geeselen van dien ander?”61(Noot van 1865). Ikciteer! Hoe ik denk over dienesprit de clocher, moge uit het volgende blyken. In ’nFrieschecourant lezende dat men my had voorgesteld tot kandidaat, onder verzekering dat ik ’nkordateFries was, heb ik terstond tegen die eer geprotesteerd. Kordaat beweer ik te zyn—en ik zal ’t toonen—maar ’nFriesben ik niet. Er is ’n kreet van verwondering opgegaan, toen ik daarop betuigde: «Fries of geen Fries, dat is hetzelfde. Ik zou m’n votum weigeren aan ’n wet ter bescherming van de Jenever, al ware ik met algemeene stemmen gekozen te Schiedam.” ZieLeeuwarder Courant, 30 Oktober 1860.
1Gebed van den Onwetende, opgenomen in deVerspreide Stukken.2Misschien had hyArriamoeten raden.3Deeersteuitgaaf van dit werk is inderdaad verschenen by den UitgeverGünst, die geen bezwaar maakte de acceptatie te honoreeren.4Zie de parabel van den goudmaker aan het slot vanIdee527.5Motto van denHavelaar.6Fancyciteert.7God, goden = woden,Wodan. Degenwworden herhaaldelyk verwisseld. Etymologisch staat het woordGodnader aanwetten, dandiesaanjour, dat er toch van afkomt:dies diurnus,djur,djour. In den Sanskritwortel van ons woordwettenligt de beteekenis van heiligheid, hetgoddelyk weten,het weten van goddelyke zaken. Er is veel te leeren uit etymologie, maar de schoolmeesters hebben ’t moeilyk gemaakt.8Menschkomt van den Sanskrit-wortelman= denken.9De beteekenis van het woorddochter—in ’t Sanskrit:thugathêris melkster.10Gune = vrouw.11Rockis ’n reuzenvogel in de mythologie van het Oosten. Onze kasteelen in ’t schaakspel waren vroeger Olifanten, nog vroeger:rocks. Van hier ’t woordrokeeren.12Indaloes=Pertjah=Sumatra. Ik denk dat het eenBeowas, die over Sumatra van Nieuw-Guinea kwam. Het woordBeo(nababbelaar, naklapper) zou wel eens de rationeele wortel vanBiologiekunnen wezen. Op gelyken grond heeft misschien:λὸγος’t aanzyn aan ons:leugengeschonken. Zie ’t Evangelie van Johannes, cap. I, vs. 1.13Konstantinopel.14Ben= zoon.15Idee, 527.16Havelaar, blz, 157, uitgaaf 1871.17Uit overmaat van goeden smaak heeft de uitgever gemeend hier ’n twintigtalMinnebrievenvan Kappellieden te moeten supprimeeren.18De overige dozynen stiefbrieven liggen ter dispositie van de schryfsters aan het bureau vande Dageraad.19Plaatsgebrek noopt den uitgever ’t vervolg te supprimeeren. De arme dwaas wordt door allen om ’t zeerst uitgescholden, dit spreekt vanzelf!Touchanteovereenstemming tusschen de modernen en de antieken.20Gesupprimeerd!21Gesupprimeerd!22Gesupprimeerd!23Deze brief schynt te behooren tot de kathegorie dieFancyverbood uittegeven.24Ietoe andjing belanda bakelahi sama tahi!d.i.die honden van Hollanders vechten met drek!Dit was de kreet, waarmede de Jakatranen zich overwonnen verklaarden. (Historisch, en nog altyd van toepassing!)25Noot van den heer Van Lennep.Wy geven de toespraak van Eleonora, om der naïveteits wille, in de oude taal, zoo als die in deKeulsche kronykfol. 325 geboekt is.26Zie de parabel van den granaat, op pag. 33.27Wys my de plaats, enz.28Zoo heeftBuffongezegd, en niet: «le style c’est l’homme». Er is verschil.29Slaapkamerkostuum inIndië.30’t Vervolg door den uitgever gesupprimeerd.31Gesupprimeerd, als nog ’n twintigtal andere brieven, waarin zorg voor ziel en zaligheid van den gejaagden dwaas ’n hoofdrol spelen,mais le moindre grain de mil... etc.32Een legio bybelteksten ... gesupprimeerd!33Gesupprimeerd!34(Nootvan1874). De heerSloet, nu reeds sedert jaren aan ’t rusten.35(Noot van 1874.) Dit was de heerPahud, dezelfde die na ’t verschynen van denHavelaarpersoonlyk den toestand te Lebak onderzocht, uit welk onderzoek de erkentenis is voortgevloeid dat er in die Afdeeling «misbruiken» bestonden. ’t Spreekt vanzelf dat daarby met geen woord melding werd gemaakt van myn aanklacht. Men zie hierover ’t oordeel van den heerVethin denGidsvanAugustus ’60.36[Noot van 1865.] Juist in 1860. Thans,na vier jaren, heeft de kring der schuldigen zich uitgebreid. De geheeleNederlandsche Natie—vroeger onwetend, nu sedert lang ingelicht—is medeplichtig aan al de schelmery die ik in den Havelaar ten-toonstelde.37DomineFrancken.38[Noot van1865.] Zeggevier jaren!39(Noot van 1865). Hier is ’n fout in ’t anders zoo schoone stuk. Behalve door bakerpraatjes, waarvan ik geen nota mag nemen, om me niet te laten aftrekken van myn weg—want dat is daarvan de vry duidelyke bedoeling—werdHavelaarseer nooit aangetast, zoover ik weet. Dit zou ook na ’t gebeurde heel zonderling wezen. Een troep schelmen te ontmaskeren—ik bedoelde in 1860personen, nu:’t nederlandsche volk—en daarna van die schelmen herstel van eer te ontvangen—c’est trop fort!40(Noot van 1865). Zitting van den 25sten September 1860.41(Noot van 1865). Die man is nog altyd by de Nederlanders zeer geacht. Nu dit is billyk. Zóó’n persoon verdient achting van zóó’n natie! Nog onlangs is hy verkozen tot lid in ’t bestuur vanMettray, ’n instelling,nota bene, die ten-doel heeft te voorkomen, dat er roovers en dieven groeien uit arme jongens. Treffende zorg voor ’n oud-gouverneur-generaal vanNederlandsch-Indië, die my kwalyk nam dat ik geen genoegen nam in diefstal, roof en moord. Wat zal datMettraygoede resultaten geven!42[Noot van 1865.] Welnu, de aangeklaagden hebben gezwegen ten einde toe! DeMax Havelaarverscheen inMei 1860, en heden14 Juli 1865, zal dan toch wel de termyn van antwoord verstreken zyn. Zoo neen ... wanneer? Ik wacht sedert lang niet meer op antwoord, en beweer dat het niet-antwoorden ’n duidelyk antwoordis.De natie die, blijkens dagblad- en tijdschrift-litteratuur van 1860 en 1861, zoo gesteld was op haareer, is met wapens en bagage overgeloopen naar den kant der schande. Men heeftgezag,invloedengeld,—ja,geldvooral: een javasche rykworder is Minister van Koloniën!—men heeft invloed, geld en gezag aangehangen, in-plaats van den man te steunen, die alleen tegen allen den moed had z’n plicht te doen.Mag men my euvel duiden, dat ik hoogmoedig ben? Begrypt men niet hoe onmogelyk ’t wezen zou, zich niet hoog te stellen tegen-over zooveel laagheid?Het is nu eenmaal waar, o braveNederlanders, datHavelaar’n byzonder slecht mensch is. ’t Is wáár dat-i alle meisjes verleidt ... dat hy z’n lieve, edele vrouw mishandelt ... dat-i z’n schulden niet betaalt ... dat-i altyd dronken is ... dat-i liederlyk leeft ... dat-i verkwistend is ... dat-i met gemeen volk omgaat,—schoon hy nooit in de kerk of op de beurs komt—dat hy ... dat hy ... kort-om,Havelaaris ’n antichrist! Dit kan men vernemen van ieder wien hy in den weg staat. Maar Nederlanders,dit alles is de vraag niet!De vraag is: of Holland ’n gemeene roofstaat was onder deKonservatieven, en of Holland ’n gemeene roofstaat bleef onder deliberalen? Dit is de vraag! Met bakerpraatjes beantwoordt men geen beschuldiging als die welke hy u in ’t aangezicht wierp. Gy komt my voor als de dief die zich zou willen ontschuldigen door de beweering dat de publieke aanklager ’n leelyke pruik draagt ...OfHavelaar’spruik zoo leelijkis, zal misschien later blyken, als ’t hem schikt zich neertebuigen tot openbaring. Maar eerst dezaken,Nederlanders, en dan uw oud-wyvenvertellingen.Een beetje menschkunde, als ge die bezit! KànHavelaarwezen, zoo-als ’t belang dervan Twistenen konsorten—d.i. de personen encliquesdie hy vry naakt uitkleedde—meebrengt hem voortestellen?Menschkunde? Ik vergis me. Ik vergat datge beter weet, en eerloos handelt uitlafhartigheid. ’t Is goedkooper, niet waar—billykerzeggen verduitschte kooplui in winkeltaal—’t is billyker, den alleen-staande te schelden, dan met hem party te trekken voor recht, tegen de bende die hy aantastte.Menschkunde! Het nageslacht zal oordeelen, of ’t u dááraan haperde, of ... aan hart? Och, wat zoudt ge een fyn gevoel voor recht hebben, zoodra ge inzaagt dat er by dat recht wat te verdienen viel!De weinigen die me hartelyk aanhangen, hoef ik niet by naam uittezonderen. Hen dank ik voor de trouw aan ’t heilig recht, hen de edele hovelingen en «courtisanes» van den tegenspoed! Hen, wien ik niet hoef te zeggen, dat ik nietklaag, wyl hun liefde en trouw ruimschoots opweegt tegen de schandelyke desertie van ’t gros der Natie. Voor de tiende maal: M’n verwyt is geenklacht, het isaanklacht. Ik heb niet te klagen, want ik geniet veel groote liefde, al draag ik van zoovelen den kleinen haat.MetNederland overwinnen? Deze hoop gaf ik reeds op, zes maanden na ’t verschynen van denHavelaar.TegenNederland ... ja! Ik heb ’t beloofd, en men meene niet dat ik m’n woord brak, indien ik mocht komen te bezwyken vóór ’t bereiken van m’n doel. Ik zal zorg dragen nooit geheel te sterven. M’n geest zal leven en overwinnen, lang nadat de koninkjes en ministertjes van heden zullen vergeten zyn. Ziedaar nu, christenen,mynonsterfelykheid!43(Noot van 1865). Om ook onkundigen te doen begrypen, wat de reden is dat alle personen op eenmaal verdwenen zyn, die in 1860 en 1861 zoo welsprekend aandrongen oprecht, herhaal ik hier de vaak meegedeelde byzonderheid dat èn Liberalen èn Behouders denMax Havelaarwilden gebruiken alsmachine de guerrein hun partijgekibbel. Toen ik debeidecliques barsch had afgewezen, en alleen hulp vraagde aan wie ’t wèl meende metmenschelykheidenrechtvaardigheid, bleek er dat niemand den moed had zich aan m’n zy te stellen. Indien ik de taele Kanaäns van ’t Liberalisme had willen spreken, ware ik sedert lang Minister van koloniën. En ook de behouders hadden myn «talent» kunnen gebruiken, als nu maar eenmaal dat talent «te gebruiken» ware. Lieve god, ikzelf ben er geen meester van, en geloof er niet aan. (Idee112).44Hanootzri= Timmerman.45(Noot van1865). Zitting der Tweede Kamer van den 25 September 1860.46(Noot van1865.) Voorloopig heb ik op ’tInternationaal Congres, dat gehouden werdin het paleis des koningste Amsterdam, gezegddatNederland ’n roofstaat is. Men zie hieroverIdee534.47Deze man wasLoerah= klein hoofd. Dáárom zeker nam men hemtweebuffels af, dat ook heel billyk was, daar hy de macht had z’n schade te verhalen op ’n ander.48OfPasir-aijer. Ik houd van stiptheid in «zaken.»49Deze man was dorpshoofd.50De juiste verhouding van den veestapel inLebak, tot dien van ’t distriktParang-Koetjangwas op ultimo 1853 = 980 : 260 geboorten. Verkiest men naar deze verhouding dus slechts te vermenigvuldigen metvier... ’t is my wel, schoon men verkeerd zou doen. ’t Ware kluchtig als de betrokkenen durfden aanmerking maken op ’tcijfervan wat er onder hun bescherming wordt gestolen.51(Noot van1865.)Bantamhad voor ’n tiental jaren vyfhonderd-duizend inwoners, en de bevolking vanJava was toen twaalf millioen.52(Noot van1865.) Velen zullen—met niet ongewone miskenning van de kracht der vermenigvuldiging—dit cyfer vanduizend millioenguldens overdreven vinden, en in deze meening door de aangeklaagden gestyfd worden, die heel gaarne schrik voor myn resultaten omknoeien in afschrik van onderzoek.Welnu,ikblyf op dit onderzoek aandringen! Ik houd de juistheid myner konklusie staande, en vraag aan wien ze betwyfelt, of loochent:Welke fout ik maakte in m’n berekening?Hoeveel er dàn wordt gestolen onder ’t bestuur van één Gouverneur-Generaal die z’n plicht niet doet?LaatDuymaer van Twisttoch eens antwoorden op deze vragen, als-i beweert beter te rekenen dan ik. En dat hy dan tevens berekene hoeveel fortuinen met buitenplaatsen, enz. van gewezen Gouverneurs-Generaal, er noodig zyn om de fouten van éénplichtvergetenLandvoogd te boeten?Ik konstateer—heden 16 Juli 1865—dat niemand protest heeft aangeteekend tegen het punt van uitgang myner berekening:den staat van gestolen buffels in de Lebaksche afdeeling Parang-Koedjang, gedurende Februari 1856.Wil men ’t nog doen? ’t Is my wel. Men zal, na myn vertrek uitLebak, toch nietallegetuigen vermoord hebben! En al ware dit zoo...ik ben tot dupliek bereid en gereed. Maar ik zou beginnen met de vraag: waarom menvier jaar lang gezwegen heeft?Dit zwygen veroordeelt! Op ’t internationaal kongres, waar ’t beschaafdEuropakon geacht worden vertegenwoordigd te zyn, vraagde de heerDumonceauvan Luik, of er onder de aanwezige Nederlanders niemand opkwam tegen myn aanklacht? Hy zou dit betreuren, zeide hy, wyl dan de vreemdelingen Nederland moesten verlaten onder den indruk dat ze gastvryheid hadden genoten van roovers. Die vraag en die vrees waren gepast en gegrond.Na my sprak de heerRochussen’n redevoering uit, waarin hoofdzakelyk werd betoogd datNederlandveel voordeel trekt uitIndië, wat ik volmondig toestem. DeIndépendance, in den verkeerden waan dat de heerRochussenmyn beschuldigingen wilde weerleggen, noemt die rede:un discours ministre. De scherpte dezer kwalifikatie treft geen doel, als men weet—zooals ik verzekeren kan—dat het voornemen des heeren R. geenszins was om myn grieven te behandelen, evenmin als hy ’t verdedigen of vergoelyken op zich wilde nemen van de gruwelen die inIndiëplaats vinden. Dat die Staatsdienaar onmiddellyk na my optrad, was toevallig, en ’n gevolg van deordre du jour, gewyzigd trouwens op ’n verzoek van den heerPovinvan Brussel, die na my had moeten spreken, maar aan den heer R. had verzocht te mogen ruilen van beurt.De heerRochussenheeft een statistisch-ekonomische bydrage geleverd, en... en... ziedaar: ik geloof dat die oud-minister,wanneerhy de zaken had aangeroerd, waarover ik klaag, aanmynkant zou geweest zyn, en niettegenmy!Ik blyf gelooven dat de heerRochussen, die hart heeft in-plaats van dordroge deugdzaamachtigheid, gehoor zou hebben gegeven aanHavelaar, en dat er recht zou geschied zyn, indienhygouverneur-generaal ware geweest, in de dagen toenvan Twistzich ter-ruste legde op ’t christelyk hoofdkussen van al te goedkoopen vrede met z’n “Heer.”Neen, de heerRochussenzou en zal my niet bestryden. Hy staat niet vast genoeg in ’tgeloofom schelmery aantezien zonder wrevel of om zonder wroeging party-te-trekken tegen iemand die opstaat tegen schelmery. Om te slikken en te verteeren, wat zoo’nvan Twistkan verdragen, is godsdienst noodig, veel godsdienst... als in ’t vers voor die dame. (Idee527).En dat ook inderdaad de rede van den heer R. niet werd opgenomen als antwoord op myn beschuldigingen, blykt onder anderen hieruit, dat ’n hoofdambtenaar uitden Haag—de referendarisvan Alphen, meen ik—met zekerélan, het woord vraagde, en stamelend van drift, de hoop uitte: “dat men my toch eens zou tegenspreken!”Nu ja, dit hoopte ik al lang! Maar op-nieuw konstateer ik, dat men ’t niet doet.Het eenige wat men kan en durft, is onders’hands uittestrooien, dat “dieHavelaarzoo ’n byzonder slecht mensch is.” Dit is wat al te gemakkelyk, vind ik.Nederlanders! Zult ge dan nooit wakker worden?53De hier bedoelde brief is die welke later in deVerspreideStukkenis opgenomen.54Zie ’t boek over de Veilingen, pag. 93. Men vergelyke overigens alle antwoorden van den kontroleur met dat boek,voor zooveel de hoofdzaken aangaat. Wie nog twyfelt heeft belang by twyfel en liegt uit dat belang.55Een inlandsch beambte die den Regent ter-zyde staat, enin casudiens vertrouweling was.56«Nog nooit heeft eenig heer aldus gesproken.»57Mr.P. Myer.58Zie hier wat prof.Vethhiervan zegt in denGidsvan Augustus 1863.«Sedert heeftHavelaarmet de zynen gebrek geleden, hy is het voorwerp geworden van den smaad der Droogstoppels—want de Droogstoppels in Nederland maken altyd gemeene zaak met de Slymeringen in Indië—hy is geworden: Multatuli, niet alleen in aangenomen naam, maar inderdaad.«En wat bewyst nu het feit, dat, na zyn ontslag, werkelyk een onderzoek naar de knevelaryen in het RegentschapLebakplaats had, dat de Regent een scherpe vermaning ontving, en eenige mindere hoofden werden afgezet?«Primo:de waarheid van het spreekwoord, dat de kleine dieven gehangen worden, terwyl men de groote laat loopen.«Secundo:dat de zaak te veel ruchtbaarheid had verkregen om nu nog gesmoord te worden.«Tertio:dat de knevelary in Lebak al zeer erg moet geweest zyn, wanneer zelfs een Resident, die zoo gaarne schipperde, en zoo ongaarne een inlandsch hoofd vervolgde, constateren moest, dat er werkelyk reden tot klagen bestond, en by gevolg«Quarto:dat Havelaar volkomen gelyk had.”59Brief aan de Kiezers te Amsterdam, byJ. H. de Ruyter.60(Noot van 1865) «Helponshierin, dan beloof ik u de stem van dat of dat geacht lid voordiezaak!” Verbeeld u het lid eener jury, die tot ’n kollega zei:«help my dezen man hangen, dan zal ik u helpen aan ’t geeselen van dien ander?”61(Noot van 1865). Ikciteer! Hoe ik denk over dienesprit de clocher, moge uit het volgende blyken. In ’nFrieschecourant lezende dat men my had voorgesteld tot kandidaat, onder verzekering dat ik ’nkordateFries was, heb ik terstond tegen die eer geprotesteerd. Kordaat beweer ik te zyn—en ik zal ’t toonen—maar ’nFriesben ik niet. Er is ’n kreet van verwondering opgegaan, toen ik daarop betuigde: «Fries of geen Fries, dat is hetzelfde. Ik zou m’n votum weigeren aan ’n wet ter bescherming van de Jenever, al ware ik met algemeene stemmen gekozen te Schiedam.” ZieLeeuwarder Courant, 30 Oktober 1860.
1Gebed van den Onwetende, opgenomen in deVerspreide Stukken.2Misschien had hyArriamoeten raden.3Deeersteuitgaaf van dit werk is inderdaad verschenen by den UitgeverGünst, die geen bezwaar maakte de acceptatie te honoreeren.4Zie de parabel van den goudmaker aan het slot vanIdee527.5Motto van denHavelaar.6Fancyciteert.7God, goden = woden,Wodan. Degenwworden herhaaldelyk verwisseld. Etymologisch staat het woordGodnader aanwetten, dandiesaanjour, dat er toch van afkomt:dies diurnus,djur,djour. In den Sanskritwortel van ons woordwettenligt de beteekenis van heiligheid, hetgoddelyk weten,het weten van goddelyke zaken. Er is veel te leeren uit etymologie, maar de schoolmeesters hebben ’t moeilyk gemaakt.8Menschkomt van den Sanskrit-wortelman= denken.9De beteekenis van het woorddochter—in ’t Sanskrit:thugathêris melkster.10Gune = vrouw.11Rockis ’n reuzenvogel in de mythologie van het Oosten. Onze kasteelen in ’t schaakspel waren vroeger Olifanten, nog vroeger:rocks. Van hier ’t woordrokeeren.12Indaloes=Pertjah=Sumatra. Ik denk dat het eenBeowas, die over Sumatra van Nieuw-Guinea kwam. Het woordBeo(nababbelaar, naklapper) zou wel eens de rationeele wortel vanBiologiekunnen wezen. Op gelyken grond heeft misschien:λὸγος’t aanzyn aan ons:leugengeschonken. Zie ’t Evangelie van Johannes, cap. I, vs. 1.13Konstantinopel.14Ben= zoon.15Idee, 527.16Havelaar, blz, 157, uitgaaf 1871.17Uit overmaat van goeden smaak heeft de uitgever gemeend hier ’n twintigtalMinnebrievenvan Kappellieden te moeten supprimeeren.18De overige dozynen stiefbrieven liggen ter dispositie van de schryfsters aan het bureau vande Dageraad.19Plaatsgebrek noopt den uitgever ’t vervolg te supprimeeren. De arme dwaas wordt door allen om ’t zeerst uitgescholden, dit spreekt vanzelf!Touchanteovereenstemming tusschen de modernen en de antieken.20Gesupprimeerd!21Gesupprimeerd!22Gesupprimeerd!23Deze brief schynt te behooren tot de kathegorie dieFancyverbood uittegeven.24Ietoe andjing belanda bakelahi sama tahi!d.i.die honden van Hollanders vechten met drek!Dit was de kreet, waarmede de Jakatranen zich overwonnen verklaarden. (Historisch, en nog altyd van toepassing!)25Noot van den heer Van Lennep.Wy geven de toespraak van Eleonora, om der naïveteits wille, in de oude taal, zoo als die in deKeulsche kronykfol. 325 geboekt is.26Zie de parabel van den granaat, op pag. 33.27Wys my de plaats, enz.28Zoo heeftBuffongezegd, en niet: «le style c’est l’homme». Er is verschil.29Slaapkamerkostuum inIndië.30’t Vervolg door den uitgever gesupprimeerd.31Gesupprimeerd, als nog ’n twintigtal andere brieven, waarin zorg voor ziel en zaligheid van den gejaagden dwaas ’n hoofdrol spelen,mais le moindre grain de mil... etc.32Een legio bybelteksten ... gesupprimeerd!33Gesupprimeerd!34(Nootvan1874). De heerSloet, nu reeds sedert jaren aan ’t rusten.35(Noot van 1874.) Dit was de heerPahud, dezelfde die na ’t verschynen van denHavelaarpersoonlyk den toestand te Lebak onderzocht, uit welk onderzoek de erkentenis is voortgevloeid dat er in die Afdeeling «misbruiken» bestonden. ’t Spreekt vanzelf dat daarby met geen woord melding werd gemaakt van myn aanklacht. Men zie hierover ’t oordeel van den heerVethin denGidsvanAugustus ’60.36[Noot van 1865.] Juist in 1860. Thans,na vier jaren, heeft de kring der schuldigen zich uitgebreid. De geheeleNederlandsche Natie—vroeger onwetend, nu sedert lang ingelicht—is medeplichtig aan al de schelmery die ik in den Havelaar ten-toonstelde.37DomineFrancken.38[Noot van1865.] Zeggevier jaren!39(Noot van 1865). Hier is ’n fout in ’t anders zoo schoone stuk. Behalve door bakerpraatjes, waarvan ik geen nota mag nemen, om me niet te laten aftrekken van myn weg—want dat is daarvan de vry duidelyke bedoeling—werdHavelaarseer nooit aangetast, zoover ik weet. Dit zou ook na ’t gebeurde heel zonderling wezen. Een troep schelmen te ontmaskeren—ik bedoelde in 1860personen, nu:’t nederlandsche volk—en daarna van die schelmen herstel van eer te ontvangen—c’est trop fort!40(Noot van 1865). Zitting van den 25sten September 1860.41(Noot van 1865). Die man is nog altyd by de Nederlanders zeer geacht. Nu dit is billyk. Zóó’n persoon verdient achting van zóó’n natie! Nog onlangs is hy verkozen tot lid in ’t bestuur vanMettray, ’n instelling,nota bene, die ten-doel heeft te voorkomen, dat er roovers en dieven groeien uit arme jongens. Treffende zorg voor ’n oud-gouverneur-generaal vanNederlandsch-Indië, die my kwalyk nam dat ik geen genoegen nam in diefstal, roof en moord. Wat zal datMettraygoede resultaten geven!42[Noot van 1865.] Welnu, de aangeklaagden hebben gezwegen ten einde toe! DeMax Havelaarverscheen inMei 1860, en heden14 Juli 1865, zal dan toch wel de termyn van antwoord verstreken zyn. Zoo neen ... wanneer? Ik wacht sedert lang niet meer op antwoord, en beweer dat het niet-antwoorden ’n duidelyk antwoordis.De natie die, blijkens dagblad- en tijdschrift-litteratuur van 1860 en 1861, zoo gesteld was op haareer, is met wapens en bagage overgeloopen naar den kant der schande. Men heeftgezag,invloedengeld,—ja,geldvooral: een javasche rykworder is Minister van Koloniën!—men heeft invloed, geld en gezag aangehangen, in-plaats van den man te steunen, die alleen tegen allen den moed had z’n plicht te doen.Mag men my euvel duiden, dat ik hoogmoedig ben? Begrypt men niet hoe onmogelyk ’t wezen zou, zich niet hoog te stellen tegen-over zooveel laagheid?Het is nu eenmaal waar, o braveNederlanders, datHavelaar’n byzonder slecht mensch is. ’t Is wáár dat-i alle meisjes verleidt ... dat hy z’n lieve, edele vrouw mishandelt ... dat-i z’n schulden niet betaalt ... dat-i altyd dronken is ... dat-i liederlyk leeft ... dat-i verkwistend is ... dat-i met gemeen volk omgaat,—schoon hy nooit in de kerk of op de beurs komt—dat hy ... dat hy ... kort-om,Havelaaris ’n antichrist! Dit kan men vernemen van ieder wien hy in den weg staat. Maar Nederlanders,dit alles is de vraag niet!De vraag is: of Holland ’n gemeene roofstaat was onder deKonservatieven, en of Holland ’n gemeene roofstaat bleef onder deliberalen? Dit is de vraag! Met bakerpraatjes beantwoordt men geen beschuldiging als die welke hy u in ’t aangezicht wierp. Gy komt my voor als de dief die zich zou willen ontschuldigen door de beweering dat de publieke aanklager ’n leelyke pruik draagt ...OfHavelaar’spruik zoo leelijkis, zal misschien later blyken, als ’t hem schikt zich neertebuigen tot openbaring. Maar eerst dezaken,Nederlanders, en dan uw oud-wyvenvertellingen.Een beetje menschkunde, als ge die bezit! KànHavelaarwezen, zoo-als ’t belang dervan Twistenen konsorten—d.i. de personen encliquesdie hy vry naakt uitkleedde—meebrengt hem voortestellen?Menschkunde? Ik vergis me. Ik vergat datge beter weet, en eerloos handelt uitlafhartigheid. ’t Is goedkooper, niet waar—billykerzeggen verduitschte kooplui in winkeltaal—’t is billyker, den alleen-staande te schelden, dan met hem party te trekken voor recht, tegen de bende die hy aantastte.Menschkunde! Het nageslacht zal oordeelen, of ’t u dááraan haperde, of ... aan hart? Och, wat zoudt ge een fyn gevoel voor recht hebben, zoodra ge inzaagt dat er by dat recht wat te verdienen viel!De weinigen die me hartelyk aanhangen, hoef ik niet by naam uittezonderen. Hen dank ik voor de trouw aan ’t heilig recht, hen de edele hovelingen en «courtisanes» van den tegenspoed! Hen, wien ik niet hoef te zeggen, dat ik nietklaag, wyl hun liefde en trouw ruimschoots opweegt tegen de schandelyke desertie van ’t gros der Natie. Voor de tiende maal: M’n verwyt is geenklacht, het isaanklacht. Ik heb niet te klagen, want ik geniet veel groote liefde, al draag ik van zoovelen den kleinen haat.MetNederland overwinnen? Deze hoop gaf ik reeds op, zes maanden na ’t verschynen van denHavelaar.TegenNederland ... ja! Ik heb ’t beloofd, en men meene niet dat ik m’n woord brak, indien ik mocht komen te bezwyken vóór ’t bereiken van m’n doel. Ik zal zorg dragen nooit geheel te sterven. M’n geest zal leven en overwinnen, lang nadat de koninkjes en ministertjes van heden zullen vergeten zyn. Ziedaar nu, christenen,mynonsterfelykheid!43(Noot van 1865). Om ook onkundigen te doen begrypen, wat de reden is dat alle personen op eenmaal verdwenen zyn, die in 1860 en 1861 zoo welsprekend aandrongen oprecht, herhaal ik hier de vaak meegedeelde byzonderheid dat èn Liberalen èn Behouders denMax Havelaarwilden gebruiken alsmachine de guerrein hun partijgekibbel. Toen ik debeidecliques barsch had afgewezen, en alleen hulp vraagde aan wie ’t wèl meende metmenschelykheidenrechtvaardigheid, bleek er dat niemand den moed had zich aan m’n zy te stellen. Indien ik de taele Kanaäns van ’t Liberalisme had willen spreken, ware ik sedert lang Minister van koloniën. En ook de behouders hadden myn «talent» kunnen gebruiken, als nu maar eenmaal dat talent «te gebruiken» ware. Lieve god, ikzelf ben er geen meester van, en geloof er niet aan. (Idee112).44Hanootzri= Timmerman.45(Noot van1865). Zitting der Tweede Kamer van den 25 September 1860.46(Noot van1865.) Voorloopig heb ik op ’tInternationaal Congres, dat gehouden werdin het paleis des koningste Amsterdam, gezegddatNederland ’n roofstaat is. Men zie hieroverIdee534.47Deze man wasLoerah= klein hoofd. Dáárom zeker nam men hemtweebuffels af, dat ook heel billyk was, daar hy de macht had z’n schade te verhalen op ’n ander.48OfPasir-aijer. Ik houd van stiptheid in «zaken.»49Deze man was dorpshoofd.50De juiste verhouding van den veestapel inLebak, tot dien van ’t distriktParang-Koetjangwas op ultimo 1853 = 980 : 260 geboorten. Verkiest men naar deze verhouding dus slechts te vermenigvuldigen metvier... ’t is my wel, schoon men verkeerd zou doen. ’t Ware kluchtig als de betrokkenen durfden aanmerking maken op ’tcijfervan wat er onder hun bescherming wordt gestolen.51(Noot van1865.)Bantamhad voor ’n tiental jaren vyfhonderd-duizend inwoners, en de bevolking vanJava was toen twaalf millioen.52(Noot van1865.) Velen zullen—met niet ongewone miskenning van de kracht der vermenigvuldiging—dit cyfer vanduizend millioenguldens overdreven vinden, en in deze meening door de aangeklaagden gestyfd worden, die heel gaarne schrik voor myn resultaten omknoeien in afschrik van onderzoek.Welnu,ikblyf op dit onderzoek aandringen! Ik houd de juistheid myner konklusie staande, en vraag aan wien ze betwyfelt, of loochent:Welke fout ik maakte in m’n berekening?Hoeveel er dàn wordt gestolen onder ’t bestuur van één Gouverneur-Generaal die z’n plicht niet doet?LaatDuymaer van Twisttoch eens antwoorden op deze vragen, als-i beweert beter te rekenen dan ik. En dat hy dan tevens berekene hoeveel fortuinen met buitenplaatsen, enz. van gewezen Gouverneurs-Generaal, er noodig zyn om de fouten van éénplichtvergetenLandvoogd te boeten?Ik konstateer—heden 16 Juli 1865—dat niemand protest heeft aangeteekend tegen het punt van uitgang myner berekening:den staat van gestolen buffels in de Lebaksche afdeeling Parang-Koedjang, gedurende Februari 1856.Wil men ’t nog doen? ’t Is my wel. Men zal, na myn vertrek uitLebak, toch nietallegetuigen vermoord hebben! En al ware dit zoo...ik ben tot dupliek bereid en gereed. Maar ik zou beginnen met de vraag: waarom menvier jaar lang gezwegen heeft?Dit zwygen veroordeelt! Op ’t internationaal kongres, waar ’t beschaafdEuropakon geacht worden vertegenwoordigd te zyn, vraagde de heerDumonceauvan Luik, of er onder de aanwezige Nederlanders niemand opkwam tegen myn aanklacht? Hy zou dit betreuren, zeide hy, wyl dan de vreemdelingen Nederland moesten verlaten onder den indruk dat ze gastvryheid hadden genoten van roovers. Die vraag en die vrees waren gepast en gegrond.Na my sprak de heerRochussen’n redevoering uit, waarin hoofdzakelyk werd betoogd datNederlandveel voordeel trekt uitIndië, wat ik volmondig toestem. DeIndépendance, in den verkeerden waan dat de heerRochussenmyn beschuldigingen wilde weerleggen, noemt die rede:un discours ministre. De scherpte dezer kwalifikatie treft geen doel, als men weet—zooals ik verzekeren kan—dat het voornemen des heeren R. geenszins was om myn grieven te behandelen, evenmin als hy ’t verdedigen of vergoelyken op zich wilde nemen van de gruwelen die inIndiëplaats vinden. Dat die Staatsdienaar onmiddellyk na my optrad, was toevallig, en ’n gevolg van deordre du jour, gewyzigd trouwens op ’n verzoek van den heerPovinvan Brussel, die na my had moeten spreken, maar aan den heer R. had verzocht te mogen ruilen van beurt.De heerRochussenheeft een statistisch-ekonomische bydrage geleverd, en... en... ziedaar: ik geloof dat die oud-minister,wanneerhy de zaken had aangeroerd, waarover ik klaag, aanmynkant zou geweest zyn, en niettegenmy!Ik blyf gelooven dat de heerRochussen, die hart heeft in-plaats van dordroge deugdzaamachtigheid, gehoor zou hebben gegeven aanHavelaar, en dat er recht zou geschied zyn, indienhygouverneur-generaal ware geweest, in de dagen toenvan Twistzich ter-ruste legde op ’t christelyk hoofdkussen van al te goedkoopen vrede met z’n “Heer.”Neen, de heerRochussenzou en zal my niet bestryden. Hy staat niet vast genoeg in ’tgeloofom schelmery aantezien zonder wrevel of om zonder wroeging party-te-trekken tegen iemand die opstaat tegen schelmery. Om te slikken en te verteeren, wat zoo’nvan Twistkan verdragen, is godsdienst noodig, veel godsdienst... als in ’t vers voor die dame. (Idee527).En dat ook inderdaad de rede van den heer R. niet werd opgenomen als antwoord op myn beschuldigingen, blykt onder anderen hieruit, dat ’n hoofdambtenaar uitden Haag—de referendarisvan Alphen, meen ik—met zekerélan, het woord vraagde, en stamelend van drift, de hoop uitte: “dat men my toch eens zou tegenspreken!”Nu ja, dit hoopte ik al lang! Maar op-nieuw konstateer ik, dat men ’t niet doet.Het eenige wat men kan en durft, is onders’hands uittestrooien, dat “dieHavelaarzoo ’n byzonder slecht mensch is.” Dit is wat al te gemakkelyk, vind ik.Nederlanders! Zult ge dan nooit wakker worden?53De hier bedoelde brief is die welke later in deVerspreideStukkenis opgenomen.54Zie ’t boek over de Veilingen, pag. 93. Men vergelyke overigens alle antwoorden van den kontroleur met dat boek,voor zooveel de hoofdzaken aangaat. Wie nog twyfelt heeft belang by twyfel en liegt uit dat belang.55Een inlandsch beambte die den Regent ter-zyde staat, enin casudiens vertrouweling was.56«Nog nooit heeft eenig heer aldus gesproken.»57Mr.P. Myer.58Zie hier wat prof.Vethhiervan zegt in denGidsvan Augustus 1863.«Sedert heeftHavelaarmet de zynen gebrek geleden, hy is het voorwerp geworden van den smaad der Droogstoppels—want de Droogstoppels in Nederland maken altyd gemeene zaak met de Slymeringen in Indië—hy is geworden: Multatuli, niet alleen in aangenomen naam, maar inderdaad.«En wat bewyst nu het feit, dat, na zyn ontslag, werkelyk een onderzoek naar de knevelaryen in het RegentschapLebakplaats had, dat de Regent een scherpe vermaning ontving, en eenige mindere hoofden werden afgezet?«Primo:de waarheid van het spreekwoord, dat de kleine dieven gehangen worden, terwyl men de groote laat loopen.«Secundo:dat de zaak te veel ruchtbaarheid had verkregen om nu nog gesmoord te worden.«Tertio:dat de knevelary in Lebak al zeer erg moet geweest zyn, wanneer zelfs een Resident, die zoo gaarne schipperde, en zoo ongaarne een inlandsch hoofd vervolgde, constateren moest, dat er werkelyk reden tot klagen bestond, en by gevolg«Quarto:dat Havelaar volkomen gelyk had.”59Brief aan de Kiezers te Amsterdam, byJ. H. de Ruyter.60(Noot van 1865) «Helponshierin, dan beloof ik u de stem van dat of dat geacht lid voordiezaak!” Verbeeld u het lid eener jury, die tot ’n kollega zei:«help my dezen man hangen, dan zal ik u helpen aan ’t geeselen van dien ander?”61(Noot van 1865). Ikciteer! Hoe ik denk over dienesprit de clocher, moge uit het volgende blyken. In ’nFrieschecourant lezende dat men my had voorgesteld tot kandidaat, onder verzekering dat ik ’nkordateFries was, heb ik terstond tegen die eer geprotesteerd. Kordaat beweer ik te zyn—en ik zal ’t toonen—maar ’nFriesben ik niet. Er is ’n kreet van verwondering opgegaan, toen ik daarop betuigde: «Fries of geen Fries, dat is hetzelfde. Ik zou m’n votum weigeren aan ’n wet ter bescherming van de Jenever, al ware ik met algemeene stemmen gekozen te Schiedam.” ZieLeeuwarder Courant, 30 Oktober 1860.
1Gebed van den Onwetende, opgenomen in deVerspreide Stukken.
2Misschien had hyArriamoeten raden.
3Deeersteuitgaaf van dit werk is inderdaad verschenen by den UitgeverGünst, die geen bezwaar maakte de acceptatie te honoreeren.
4Zie de parabel van den goudmaker aan het slot vanIdee527.
5Motto van denHavelaar.
6Fancyciteert.
7God, goden = woden,Wodan. Degenwworden herhaaldelyk verwisseld. Etymologisch staat het woordGodnader aanwetten, dandiesaanjour, dat er toch van afkomt:dies diurnus,djur,djour. In den Sanskritwortel van ons woordwettenligt de beteekenis van heiligheid, hetgoddelyk weten,het weten van goddelyke zaken. Er is veel te leeren uit etymologie, maar de schoolmeesters hebben ’t moeilyk gemaakt.
8Menschkomt van den Sanskrit-wortelman= denken.
9De beteekenis van het woorddochter—in ’t Sanskrit:thugathêris melkster.
10Gune = vrouw.
11Rockis ’n reuzenvogel in de mythologie van het Oosten. Onze kasteelen in ’t schaakspel waren vroeger Olifanten, nog vroeger:rocks. Van hier ’t woordrokeeren.
12Indaloes=Pertjah=Sumatra. Ik denk dat het eenBeowas, die over Sumatra van Nieuw-Guinea kwam. Het woordBeo(nababbelaar, naklapper) zou wel eens de rationeele wortel vanBiologiekunnen wezen. Op gelyken grond heeft misschien:λὸγος’t aanzyn aan ons:leugengeschonken. Zie ’t Evangelie van Johannes, cap. I, vs. 1.
13Konstantinopel.
14Ben= zoon.
15Idee, 527.
16Havelaar, blz, 157, uitgaaf 1871.
17Uit overmaat van goeden smaak heeft de uitgever gemeend hier ’n twintigtalMinnebrievenvan Kappellieden te moeten supprimeeren.
18De overige dozynen stiefbrieven liggen ter dispositie van de schryfsters aan het bureau vande Dageraad.
19Plaatsgebrek noopt den uitgever ’t vervolg te supprimeeren. De arme dwaas wordt door allen om ’t zeerst uitgescholden, dit spreekt vanzelf!Touchanteovereenstemming tusschen de modernen en de antieken.
20Gesupprimeerd!
21Gesupprimeerd!
22Gesupprimeerd!
23Deze brief schynt te behooren tot de kathegorie dieFancyverbood uittegeven.
24Ietoe andjing belanda bakelahi sama tahi!d.i.die honden van Hollanders vechten met drek!Dit was de kreet, waarmede de Jakatranen zich overwonnen verklaarden. (Historisch, en nog altyd van toepassing!)
25Noot van den heer Van Lennep.Wy geven de toespraak van Eleonora, om der naïveteits wille, in de oude taal, zoo als die in deKeulsche kronykfol. 325 geboekt is.
26Zie de parabel van den granaat, op pag. 33.
27Wys my de plaats, enz.
28Zoo heeftBuffongezegd, en niet: «le style c’est l’homme». Er is verschil.
29Slaapkamerkostuum inIndië.
30’t Vervolg door den uitgever gesupprimeerd.
31Gesupprimeerd, als nog ’n twintigtal andere brieven, waarin zorg voor ziel en zaligheid van den gejaagden dwaas ’n hoofdrol spelen,mais le moindre grain de mil... etc.
32Een legio bybelteksten ... gesupprimeerd!
33Gesupprimeerd!
34(Nootvan1874). De heerSloet, nu reeds sedert jaren aan ’t rusten.
35(Noot van 1874.) Dit was de heerPahud, dezelfde die na ’t verschynen van denHavelaarpersoonlyk den toestand te Lebak onderzocht, uit welk onderzoek de erkentenis is voortgevloeid dat er in die Afdeeling «misbruiken» bestonden. ’t Spreekt vanzelf dat daarby met geen woord melding werd gemaakt van myn aanklacht. Men zie hierover ’t oordeel van den heerVethin denGidsvanAugustus ’60.
36[Noot van 1865.] Juist in 1860. Thans,na vier jaren, heeft de kring der schuldigen zich uitgebreid. De geheeleNederlandsche Natie—vroeger onwetend, nu sedert lang ingelicht—is medeplichtig aan al de schelmery die ik in den Havelaar ten-toonstelde.
37DomineFrancken.
38[Noot van1865.] Zeggevier jaren!
39(Noot van 1865). Hier is ’n fout in ’t anders zoo schoone stuk. Behalve door bakerpraatjes, waarvan ik geen nota mag nemen, om me niet te laten aftrekken van myn weg—want dat is daarvan de vry duidelyke bedoeling—werdHavelaarseer nooit aangetast, zoover ik weet. Dit zou ook na ’t gebeurde heel zonderling wezen. Een troep schelmen te ontmaskeren—ik bedoelde in 1860personen, nu:’t nederlandsche volk—en daarna van die schelmen herstel van eer te ontvangen—c’est trop fort!
40(Noot van 1865). Zitting van den 25sten September 1860.
41(Noot van 1865). Die man is nog altyd by de Nederlanders zeer geacht. Nu dit is billyk. Zóó’n persoon verdient achting van zóó’n natie! Nog onlangs is hy verkozen tot lid in ’t bestuur vanMettray, ’n instelling,nota bene, die ten-doel heeft te voorkomen, dat er roovers en dieven groeien uit arme jongens. Treffende zorg voor ’n oud-gouverneur-generaal vanNederlandsch-Indië, die my kwalyk nam dat ik geen genoegen nam in diefstal, roof en moord. Wat zal datMettraygoede resultaten geven!
42[Noot van 1865.] Welnu, de aangeklaagden hebben gezwegen ten einde toe! DeMax Havelaarverscheen inMei 1860, en heden14 Juli 1865, zal dan toch wel de termyn van antwoord verstreken zyn. Zoo neen ... wanneer? Ik wacht sedert lang niet meer op antwoord, en beweer dat het niet-antwoorden ’n duidelyk antwoordis.
De natie die, blijkens dagblad- en tijdschrift-litteratuur van 1860 en 1861, zoo gesteld was op haareer, is met wapens en bagage overgeloopen naar den kant der schande. Men heeftgezag,invloedengeld,—ja,geldvooral: een javasche rykworder is Minister van Koloniën!—men heeft invloed, geld en gezag aangehangen, in-plaats van den man te steunen, die alleen tegen allen den moed had z’n plicht te doen.Mag men my euvel duiden, dat ik hoogmoedig ben? Begrypt men niet hoe onmogelyk ’t wezen zou, zich niet hoog te stellen tegen-over zooveel laagheid?
Het is nu eenmaal waar, o braveNederlanders, datHavelaar’n byzonder slecht mensch is. ’t Is wáár dat-i alle meisjes verleidt ... dat hy z’n lieve, edele vrouw mishandelt ... dat-i z’n schulden niet betaalt ... dat-i altyd dronken is ... dat-i liederlyk leeft ... dat-i verkwistend is ... dat-i met gemeen volk omgaat,—schoon hy nooit in de kerk of op de beurs komt—dat hy ... dat hy ... kort-om,Havelaaris ’n antichrist! Dit kan men vernemen van ieder wien hy in den weg staat. Maar Nederlanders,dit alles is de vraag niet!De vraag is: of Holland ’n gemeene roofstaat was onder deKonservatieven, en of Holland ’n gemeene roofstaat bleef onder deliberalen? Dit is de vraag! Met bakerpraatjes beantwoordt men geen beschuldiging als die welke hy u in ’t aangezicht wierp. Gy komt my voor als de dief die zich zou willen ontschuldigen door de beweering dat de publieke aanklager ’n leelyke pruik draagt ...
OfHavelaar’spruik zoo leelijkis, zal misschien later blyken, als ’t hem schikt zich neertebuigen tot openbaring. Maar eerst dezaken,Nederlanders, en dan uw oud-wyvenvertellingen.
Een beetje menschkunde, als ge die bezit! KànHavelaarwezen, zoo-als ’t belang dervan Twistenen konsorten—d.i. de personen encliquesdie hy vry naakt uitkleedde—meebrengt hem voortestellen?
Menschkunde? Ik vergis me. Ik vergat datge beter weet, en eerloos handelt uitlafhartigheid. ’t Is goedkooper, niet waar—billykerzeggen verduitschte kooplui in winkeltaal—’t is billyker, den alleen-staande te schelden, dan met hem party te trekken voor recht, tegen de bende die hy aantastte.
Menschkunde! Het nageslacht zal oordeelen, of ’t u dááraan haperde, of ... aan hart? Och, wat zoudt ge een fyn gevoel voor recht hebben, zoodra ge inzaagt dat er by dat recht wat te verdienen viel!
De weinigen die me hartelyk aanhangen, hoef ik niet by naam uittezonderen. Hen dank ik voor de trouw aan ’t heilig recht, hen de edele hovelingen en «courtisanes» van den tegenspoed! Hen, wien ik niet hoef te zeggen, dat ik nietklaag, wyl hun liefde en trouw ruimschoots opweegt tegen de schandelyke desertie van ’t gros der Natie. Voor de tiende maal: M’n verwyt is geenklacht, het isaanklacht. Ik heb niet te klagen, want ik geniet veel groote liefde, al draag ik van zoovelen den kleinen haat.
MetNederland overwinnen? Deze hoop gaf ik reeds op, zes maanden na ’t verschynen van denHavelaar.TegenNederland ... ja! Ik heb ’t beloofd, en men meene niet dat ik m’n woord brak, indien ik mocht komen te bezwyken vóór ’t bereiken van m’n doel. Ik zal zorg dragen nooit geheel te sterven. M’n geest zal leven en overwinnen, lang nadat de koninkjes en ministertjes van heden zullen vergeten zyn. Ziedaar nu, christenen,mynonsterfelykheid!
43(Noot van 1865). Om ook onkundigen te doen begrypen, wat de reden is dat alle personen op eenmaal verdwenen zyn, die in 1860 en 1861 zoo welsprekend aandrongen oprecht, herhaal ik hier de vaak meegedeelde byzonderheid dat èn Liberalen èn Behouders denMax Havelaarwilden gebruiken alsmachine de guerrein hun partijgekibbel. Toen ik debeidecliques barsch had afgewezen, en alleen hulp vraagde aan wie ’t wèl meende metmenschelykheidenrechtvaardigheid, bleek er dat niemand den moed had zich aan m’n zy te stellen. Indien ik de taele Kanaäns van ’t Liberalisme had willen spreken, ware ik sedert lang Minister van koloniën. En ook de behouders hadden myn «talent» kunnen gebruiken, als nu maar eenmaal dat talent «te gebruiken» ware. Lieve god, ikzelf ben er geen meester van, en geloof er niet aan. (Idee112).
44Hanootzri= Timmerman.
45(Noot van1865). Zitting der Tweede Kamer van den 25 September 1860.
46(Noot van1865.) Voorloopig heb ik op ’tInternationaal Congres, dat gehouden werdin het paleis des koningste Amsterdam, gezegddatNederland ’n roofstaat is. Men zie hieroverIdee534.
47Deze man wasLoerah= klein hoofd. Dáárom zeker nam men hemtweebuffels af, dat ook heel billyk was, daar hy de macht had z’n schade te verhalen op ’n ander.
48OfPasir-aijer. Ik houd van stiptheid in «zaken.»
49Deze man was dorpshoofd.
50De juiste verhouding van den veestapel inLebak, tot dien van ’t distriktParang-Koetjangwas op ultimo 1853 = 980 : 260 geboorten. Verkiest men naar deze verhouding dus slechts te vermenigvuldigen metvier... ’t is my wel, schoon men verkeerd zou doen. ’t Ware kluchtig als de betrokkenen durfden aanmerking maken op ’tcijfervan wat er onder hun bescherming wordt gestolen.
51(Noot van1865.)Bantamhad voor ’n tiental jaren vyfhonderd-duizend inwoners, en de bevolking vanJava was toen twaalf millioen.
52(Noot van1865.) Velen zullen—met niet ongewone miskenning van de kracht der vermenigvuldiging—dit cyfer vanduizend millioenguldens overdreven vinden, en in deze meening door de aangeklaagden gestyfd worden, die heel gaarne schrik voor myn resultaten omknoeien in afschrik van onderzoek.
Welnu,ikblyf op dit onderzoek aandringen! Ik houd de juistheid myner konklusie staande, en vraag aan wien ze betwyfelt, of loochent:
Welke fout ik maakte in m’n berekening?
Hoeveel er dàn wordt gestolen onder ’t bestuur van één Gouverneur-Generaal die z’n plicht niet doet?
LaatDuymaer van Twisttoch eens antwoorden op deze vragen, als-i beweert beter te rekenen dan ik. En dat hy dan tevens berekene hoeveel fortuinen met buitenplaatsen, enz. van gewezen Gouverneurs-Generaal, er noodig zyn om de fouten van éénplichtvergetenLandvoogd te boeten?
Ik konstateer—heden 16 Juli 1865—dat niemand protest heeft aangeteekend tegen het punt van uitgang myner berekening:den staat van gestolen buffels in de Lebaksche afdeeling Parang-Koedjang, gedurende Februari 1856.
Wil men ’t nog doen? ’t Is my wel. Men zal, na myn vertrek uitLebak, toch nietallegetuigen vermoord hebben! En al ware dit zoo...ik ben tot dupliek bereid en gereed. Maar ik zou beginnen met de vraag: waarom menvier jaar lang gezwegen heeft?
Dit zwygen veroordeelt! Op ’t internationaal kongres, waar ’t beschaafdEuropakon geacht worden vertegenwoordigd te zyn, vraagde de heerDumonceauvan Luik, of er onder de aanwezige Nederlanders niemand opkwam tegen myn aanklacht? Hy zou dit betreuren, zeide hy, wyl dan de vreemdelingen Nederland moesten verlaten onder den indruk dat ze gastvryheid hadden genoten van roovers. Die vraag en die vrees waren gepast en gegrond.
Na my sprak de heerRochussen’n redevoering uit, waarin hoofdzakelyk werd betoogd datNederlandveel voordeel trekt uitIndië, wat ik volmondig toestem. DeIndépendance, in den verkeerden waan dat de heerRochussenmyn beschuldigingen wilde weerleggen, noemt die rede:un discours ministre. De scherpte dezer kwalifikatie treft geen doel, als men weet—zooals ik verzekeren kan—dat het voornemen des heeren R. geenszins was om myn grieven te behandelen, evenmin als hy ’t verdedigen of vergoelyken op zich wilde nemen van de gruwelen die inIndiëplaats vinden. Dat die Staatsdienaar onmiddellyk na my optrad, was toevallig, en ’n gevolg van deordre du jour, gewyzigd trouwens op ’n verzoek van den heerPovinvan Brussel, die na my had moeten spreken, maar aan den heer R. had verzocht te mogen ruilen van beurt.
De heerRochussenheeft een statistisch-ekonomische bydrage geleverd, en... en... ziedaar: ik geloof dat die oud-minister,wanneerhy de zaken had aangeroerd, waarover ik klaag, aanmynkant zou geweest zyn, en niettegenmy!
Ik blyf gelooven dat de heerRochussen, die hart heeft in-plaats van dordroge deugdzaamachtigheid, gehoor zou hebben gegeven aanHavelaar, en dat er recht zou geschied zyn, indienhygouverneur-generaal ware geweest, in de dagen toenvan Twistzich ter-ruste legde op ’t christelyk hoofdkussen van al te goedkoopen vrede met z’n “Heer.”
Neen, de heerRochussenzou en zal my niet bestryden. Hy staat niet vast genoeg in ’tgeloofom schelmery aantezien zonder wrevel of om zonder wroeging party-te-trekken tegen iemand die opstaat tegen schelmery. Om te slikken en te verteeren, wat zoo’nvan Twistkan verdragen, is godsdienst noodig, veel godsdienst... als in ’t vers voor die dame. (Idee527).
En dat ook inderdaad de rede van den heer R. niet werd opgenomen als antwoord op myn beschuldigingen, blykt onder anderen hieruit, dat ’n hoofdambtenaar uitden Haag—de referendarisvan Alphen, meen ik—met zekerélan, het woord vraagde, en stamelend van drift, de hoop uitte: “dat men my toch eens zou tegenspreken!”
Nu ja, dit hoopte ik al lang! Maar op-nieuw konstateer ik, dat men ’t niet doet.
Het eenige wat men kan en durft, is onders’hands uittestrooien, dat “dieHavelaarzoo ’n byzonder slecht mensch is.” Dit is wat al te gemakkelyk, vind ik.Nederlanders! Zult ge dan nooit wakker worden?
53De hier bedoelde brief is die welke later in deVerspreideStukkenis opgenomen.
54Zie ’t boek over de Veilingen, pag. 93. Men vergelyke overigens alle antwoorden van den kontroleur met dat boek,voor zooveel de hoofdzaken aangaat. Wie nog twyfelt heeft belang by twyfel en liegt uit dat belang.
55Een inlandsch beambte die den Regent ter-zyde staat, enin casudiens vertrouweling was.
56«Nog nooit heeft eenig heer aldus gesproken.»
57Mr.P. Myer.
58Zie hier wat prof.Vethhiervan zegt in denGidsvan Augustus 1863.
«Sedert heeftHavelaarmet de zynen gebrek geleden, hy is het voorwerp geworden van den smaad der Droogstoppels—want de Droogstoppels in Nederland maken altyd gemeene zaak met de Slymeringen in Indië—hy is geworden: Multatuli, niet alleen in aangenomen naam, maar inderdaad.
«En wat bewyst nu het feit, dat, na zyn ontslag, werkelyk een onderzoek naar de knevelaryen in het RegentschapLebakplaats had, dat de Regent een scherpe vermaning ontving, en eenige mindere hoofden werden afgezet?
«Primo:de waarheid van het spreekwoord, dat de kleine dieven gehangen worden, terwyl men de groote laat loopen.
«Secundo:dat de zaak te veel ruchtbaarheid had verkregen om nu nog gesmoord te worden.
«Tertio:dat de knevelary in Lebak al zeer erg moet geweest zyn, wanneer zelfs een Resident, die zoo gaarne schipperde, en zoo ongaarne een inlandsch hoofd vervolgde, constateren moest, dat er werkelyk reden tot klagen bestond, en by gevolg
«Quarto:dat Havelaar volkomen gelyk had.”
59Brief aan de Kiezers te Amsterdam, byJ. H. de Ruyter.
60(Noot van 1865) «Helponshierin, dan beloof ik u de stem van dat of dat geacht lid voordiezaak!” Verbeeld u het lid eener jury, die tot ’n kollega zei:«help my dezen man hangen, dan zal ik u helpen aan ’t geeselen van dien ander?”
61(Noot van 1865). Ikciteer! Hoe ik denk over dienesprit de clocher, moge uit het volgende blyken. In ’nFrieschecourant lezende dat men my had voorgesteld tot kandidaat, onder verzekering dat ik ’nkordateFries was, heb ik terstond tegen die eer geprotesteerd. Kordaat beweer ik te zyn—en ik zal ’t toonen—maar ’nFriesben ik niet. Er is ’n kreet van verwondering opgegaan, toen ik daarop betuigde: «Fries of geen Fries, dat is hetzelfde. Ik zou m’n votum weigeren aan ’n wet ter bescherming van de Jenever, al ware ik met algemeene stemmen gekozen te Schiedam.” ZieLeeuwarder Courant, 30 Oktober 1860.