Chapter 4

“Welke waarschynlykheid is er, dat ’n geworpen bal een bepaald punt zal treffen op ’n muur, dieO, die waarschynlykheid! Hadt gy ’t voor waarschynlyk gehouden, datzy’n meisje was! HadLobattodat kunnen berekenen! Ik zalhem’n voorstel opgeven:“Gegeven iets dat op my dien indruk maakt, welke waarschynlykheid is er, dat dit “iets” lakens uit elkander trekt?”Kuntgydat uitrekenen, besteTine? KusMaxenNonni,en zendt me tien franken, als gy die hebt.P.S. Ik kryg daar weer ’n brief van haar ... weer door ’n kruier, die ’t bekende dubbeltje vraagt. Ik wil niet lezen wat ze schryft. Duld geen poëzie inMax.AisA...BisB.. wat daarboven ligt, of daarbuiten, is uit den booze.Och, ze is’nmeisje! Ik zal voortaan u alleen liefhebben, als ’t u niet te lastig is.Ik zend u haar brief, ongeopend. Lees als ge wilt, maar zeg er me niets van. ’t Is uit, onherroepelyk uit!VAN TINE.Hierbytien franken, enFancy’sbrief dien ik gelezen heb.Ga tot haar, en vraag vergeving. Ditmoetge doen, ditzultge doen. Gy kunt niet leven zonderFancy. Haar afwyzen is zelfmoord,Max!Ik maak haast om de tien franken. Geef die aan de meisjes die voor u gezongen hebben, en laat ze den bon opInsulindemaar houden bovendien.O,De Pèneheeft gelyk...c’est un emploi assez difficile que d’être la femme d’un poète!5Want toch zyt ge een dichter,Max, al wilt ge ’t niet weten! Nu, nu, ik klaag niet, en ik zal ’t niemand zeggen. Wanneer komt ge eens weer hier om me te slaan? MaarFancygaat vóór, dit beken ik. Zonder my zoudt ge kunnen leven, zonder haar...nooit!Dag lieve dwaze ondeugende dichter!VAN FANCY.Max, ik heb u lief. Uw schryven heeft me diep gewond, maar ik wil de uwe zyn ... geheel-en-al!Toen ik uw geschiedenis las,—o, nu weet ik dat het maar ’n klein deel was van uw geschiedenis—toen trilde my het hart, en ik vloekte ’t lot, dat me veroordeelde tot twintig jaren meisje en levenslang onder ’t opzicht van ’n man?Want ikben’n meisje!En wanneer ik dit betreur, dan is ’t niet als gy, die me maken wilt tot ’n ideaal, neen, ik wilde eenmanzyn om te kunnen handelen, om te kunnen optreden als uw kampioen. Ik vraag waarom die mannen zich alles toeëigenen, zich alles aanmatigen? Waarom ze wetten maken in hun voordeel? Waarom ze zich hoofden noemen van ’t menschelyk geslacht? En waarom ze lafhartig wegschuilen, zoodra er iets te doen valt, wat men gewoon is—alweer onrecht!—mannelykte noemen.Eerst wondde my uw brief zoo diep, dat ik vreesde tebezwyken. Ge zyt bitter, ge zyt scherp, ge zyt onrechtvaardig! Maar ik heb u lief, en de liefde overwint alle dingen.Als gy eenmaal u hebt vertrouwd gemaakt met het denkbeeld dat ik niet zweef, zult ge u misschien verzoenen met de honderd ponden stof, die me nu zoo verachtelyk maken in uw oogen ... en die er heel lief uitzien.Luister. Ge vraagdet omantwoordin uw brief aanDs. Francken. Ge zegt daar:“Koning van Nederland, doe uitspraak tusschen die menschen enMax Havelaar!”en“Nederlandsche natie, sta op, ga tot Hem en vraag: Is het waar, o Koning, dat deze dingen geschieden in Uw ryk, in uw prachtig ryk van Insulinde?”Er is niemand opgestaan om dit te vragen aan den Koning.Natuurlyk, het nageslacht is nog niet geboren.En die Koning heeft geen uitspraak gedaan...Welnu,Ikzal opstaan, ik zal die uitspraak doen. Ik,Fancy!Want ik heb u lief, u en uw zaak.Te-vergeefs hebt ge u beroepen op staatslieden en koningen. Te-vergeefs op Christenen en menschelykheid. Koningen houden zich bezig met de gesp van de buikbanden hunner officieren. Koningen hebben geen tyd om u te hooren.Staatslieden dryven handel in stemmen van Kamerleden en maken verhandelingen, waarin “zy zich de vryheid veroorloven, zich deze of geene vryheid te veroorloven.”6Staatslieden hebben geen tyd u te hooren.Christenen zyn aan ’t twisten over het geloof. Christenen hebben geen tyd u te hooren.En de menschelykheid! Eilieve, schryf eens een brief aan die menschelykheid, en zie of hy te-recht komt alszyschryven aan my, met het eenvoudige opschrift:Fancy! O, ’t is nietaltydnadeel, vleesch en been en bestaan te hebben! Het ware voor u te wenschen, dat de menschelykheid ponderabel ware, en adresselyk als ik!Ik zal opstaan. Ik zal tot den koning gaan. Ik zal u antwoorden. Ik zal u aanhangen. Ik zal u doen overwinnen.En de kracht tot dit alles? Wacht tot volle maan,Max, dan word ik geknipt...Maar vergeef my intusschen dat ik maar een meisje ben, en leer my een en ander, als het waar is ten-minste, dat ge meerweet dan ik. Ik weet zeer weinig, en dit is natuurlyk ... door al die beddelakens.Is het waar dat kousenweven is uitgevonden door de liefde? Hebt ge my niet lief genoeg om ’n machine uit-te-denken diehuishoudt?Ach, m’n moeder is dood! Er is geen poëzie in ons huis. Alles is dor en droog en fatsoenlyk en vervelend. Ik heb veel te weinig geleerd. Leer me wat ... maar geen vormleer, die ken ik al. Als ’t noodig is, zal ik voor u sterven, maar dit komt nog minder voor dan schermen en zwemmen. ’t Is wèl vervelend!Ik ben geestig, maar kan hier niets uitvoeren met m’n geest. ’t Oude kabinet kon ook de deur niet in, toen we hier kwamen wonen. ’t Staat nu te wachten by ’n uitdrager, tot we grooter “behuisd” zyn. En m’n hart is overkompleet. Ik geef het het u, “tot ik grooter behuisd ben maar ...” leer me wat, intusschen!Sedert lang bemerkte ik dat er veel zaken zyn, die men niet zegt aan vrouwen. Ik heb ’n oom die altyd spreekt van “de” vrouw: “dit of dat dient niet aan de vrouw!” “Dat behoort niet tot het gebied der vrouw!” “Dat zegt men niet aandevrouw!”Is “de” vrouwmenschof is zegeenmensch? Dat eeuwige “de” intrigeert me. Het doet me denken aan ’n zoölogische verhandeling over den jakhals ... ik “leer” m’n examen voor sekondante, dit merkte ge.“De” jakhals leeft van den afvaldesleeuws. Het wyfje werpt...Wat zoo’n wyfje werpt, gaat me niet aan. Maar dit vraag ik u: leeftdevrouw van den afvaldesmans?Numoetge me wel antwoorden! Ik vraag u, me wat te leeren, opdat ik niet als ’n jakhals den leeuw hoef nateloopen, om te soupeeren van zyn diner.Wacht overigens geduldig tot volle maan. Wist ge dat m’n haren ... ik word weer geroepen.AAN FANCY.Ze schryft dat ik my met u moet verzoenen. En al schreef ze dit niet, ik kàn niet anders!Maar toch ben ik bedroefd. Iets leeren aanU!IkaanUietsleeren? O, ik honderdvoudige dwaas die meende dat ge bestondt, toenJehovahde fondamenten legde der wereld! Ik, die geloofde dat gy het wist, hoe de rechtheid der aarde was gemeten met ’n koord, en hoe de melodie klonk van het lied, dat de sterren zongen ter verheuging, den dag nadat zy gemaakt waren!Ik, die dacht dat gy gebod hadt over den nacht, en den morgenstond z’n plaats aanweest!Zyt gy ’t dan niet, die kracht geeft aan het paard, en die den Behemoth leidt met uwen vinger. Weet ge niet hoe zich de stralen van het licht splitsen, en kunt ge niet uitspreken het getal luchtgloben die rondassen in den orkaan? Vouwt ge niet bliksemen saam als halmen, en voert ge niet heerschappy over de weerlichten, dat zy zich verzamelen voor uwen voet, deemoedig geknakt zeggende: hier zyn wy.MaarFancy, ik heb u toch lief, waarom heb ik u dan zoo lief,Fancy? Ik die niet tevreden ben met minder dan dat alles?U iets leeren? Wat zal ik u leeren? Ik weet niets.Ik ben gegaan tot myn vriend die in wysheid handelt. “Ze wil iets leeren, zei ik bedroefd, leen my iets uit uwen voorraad.”Hybracht my in de binnenkamer van z’n huis, en toonde my de schatten van kennis die hy verzameld had. Ik zag daar veel zwarte letteren, saemgevoegd op wit papier dat geel was. Ik hoorde daar de gesprekken der wyzen van alle eeuwen, en werd niet wyzer dan zy allen schynen geweest te zyn, want de meesten erkenden dat zy niets wisten, als ik. En die ’t niet erkenden, zagen er dommer uit dan de anderen.Daar waren er, die in dikke boeken ’n god gemaakt hebben .. ’n god in Hebreeuwsch en Grieksch ... ’n god .. komaan, ik zal ’t u vertellen.MaarFancy, ik doe dit niet om u te leeren watis, ik doe het om u—als gy ’t inderdaad niet weet, wat ik nog altyd niet gelooven kan—te leeren watnietis.Er was eens niets!Waskomt vanwezen,zyn,bestaan. “Er was niets” beduidt dus: er bestond iets dat niet bestond.En God, of de god...begrypt ge dit woord? ’t Is verwant metweten7.Dat hebben de ouden goed genaamd! Zoo is er meer dat, wèl bedoeld, verkeerd uitviel, en dit is veelal de schuld van de dominees,—indisch, egyptische, joodsche, dordsche en moderne,—die zelden dichters verstaan.Die god dan maakte ’n zandkorrel met wat gedierte er op, ietsgrooter dan ’t gedierte op de stofjes die wy afslaan van onze schoenen, als we gewandeld hebben.Wanneer zal ik met u wandelen,Fancy?Onder dat gedierte was veel verschil. Er waren er, die staarten hadden, en gras aten. Anderen spraken-kwaad, en bezaten eigenliefde. Sommigen behoefden veel lucht. Eenige, water. Enkelen, rauw vleesch. En weer anderen konden niet leven zonder heerschappy. Deze laatsten hebben zelf gezegd—in ’t dikke boek dat ik u zenden zal—dat zy heer en meester zyn over alles wat bestaat. Ten hunnen behoeve bestond de visch, de vogel, de leeuw, de sprinkhaan, alles!Maar niet alleen de overige diersoorten moesten onderdanig zyn aan de dieren die dat dikke boek maakten, ook de andere zandkorlen—want er waren er meer, en daaronder velen die toch eigenlyk grooter en belangryker waren—dienden alleen om die kleine korl te vermaken. ’t Geen ze deden, door er om heen te draaien.Ik heb ’n muis gekend,Fancy! die in ’n Edammer kaas woonde. Ik kon dat beestje maar niet uit het kopje praten, dat het heelekaasmagazynwas opgericht, om hem te voorzien van ’n behoorlyk verblyf.De dieren die baas-speelden over de kleine zandkorl, noemden zichMenschen, ’n woord dat zeker iets schoons aanduidde, maar waarvan in dit geval de beteekenis op alle manieren is verloren gegaan. Ik zal den wortel opzoeken, en u vertellen wat ik er van vind. Dit weet ik nu al, ’t is ’n indisch woord. Ik zal ’t verder nasporen by m’n vriend den boekverkooper.8Menschendus! Straks zal ik u uitleggen hoe ook onder hen veel onderscheid heerschte, dat alweer neder kwam op verschil in gezag. Dit onderwerp ligt me na aan het hart.Maar eerst wil ik U meedeelen, wat men van dien god gemaakt heeft. Kort na het scheppen van denmensch, liet hy dezen in ’n val loopen, en om nu denmenschte straffen voorzyn—namelyk: voorGods—arglistigheid, veroordeelde hy hem tot allerlei dingen, die deelsnietgebeurden, en deels toch zouden gebeurd zyn, als de mensch den strik was misgeloopen, dien de god hem gelegd had. De straf zou duren “ten eeuwige dage”, dit wil zeggen, dat zy eenmaal zou ophouden, en wel zoodra er iemand kwam die de schuld overnam. Vierduizend jaar wachtte de misdadiger, die zich had schuldig gemaakt aan de kwaadaardigheid van den god, tevergeefs op de toegezegde verlossing. Als ik zeg: dat hy wachtte, is dit weêr onjuist gesproken, maar ’t is heel moeilyk zich juistuit te drukken als men onjuiste dingen vertelt. De misdadiger wachtte eigenlyk volstrekt niet, want hy was in die vierduizend jaar reeds 100 of 120 malen verdoemd gestorven, en vervangen door anderen, die ook weer verdoemd stierven. Ten-laatste zond God ’n persoon “die de zonden der wereld zou dragen.” Toen was op-eenmaal alles goed! De slangen kregen vleugels, en ’t kraambed werd ’n ware uitspanning. Ook zweette men niet meer. Dat alles is zeerduidelyk, en wie ’t niet begrypt, is verdoemd.Ziedaar ’n kort begrip van de leer der zaligheid.Ik erken dat ik hier-en-daar wat heb overgeslagen, omdat ik ’t onfatsoenlyk vind alles te schryven aan ’n meisje ... zooals gezyt, helaas!Maar als ge dit alles toch wilt weten—meisjes zyn zoo—dan kunt ge ’t nalezen in het dikke boek dat ik u zend, en waaruit veel kan geleerd worden door iemand die weten wil wat niet waar is. Is ’t u nu en dan om waarheid te doen, lees dan “Bernstein,boven lucht en wolken,” of koop werken vanStrootman,de Gelder, ofvan Swinden, schoon ge ook metdieheeren voorzichtig moet zyn. Want het isnietwaar dat een rechte lyn de kortste afstand tusschen twee puntenis, zooals ze leerden aan my toen ik ’n kleine jongen was, en nog niet mocht tegenspreken ...—Dáár staat het! zeide men:Gezag!—Een kind vraagt niet naar oorzaak of reden:Gezag!—Een kind gehoorzaamt!Gezag!Hierop nu wil ik terugkomen en ik deed deSchepping, deZondeval—ja wèl ’n val, ’n warepiège!—deVerdoemenisen deVerlossingwat kort af, om tyd te vinden voor ’n paar geschiedenissen, overgezagdie ik wensch te verhalen.

“Welke waarschynlykheid is er, dat ’n geworpen bal een bepaald punt zal treffen op ’n muur, dieO, die waarschynlykheid! Hadt gy ’t voor waarschynlyk gehouden, datzy’n meisje was! HadLobattodat kunnen berekenen! Ik zalhem’n voorstel opgeven:“Gegeven iets dat op my dien indruk maakt, welke waarschynlykheid is er, dat dit “iets” lakens uit elkander trekt?”Kuntgydat uitrekenen, besteTine? KusMaxenNonni,en zendt me tien franken, als gy die hebt.P.S. Ik kryg daar weer ’n brief van haar ... weer door ’n kruier, die ’t bekende dubbeltje vraagt. Ik wil niet lezen wat ze schryft. Duld geen poëzie inMax.AisA...BisB.. wat daarboven ligt, of daarbuiten, is uit den booze.Och, ze is’nmeisje! Ik zal voortaan u alleen liefhebben, als ’t u niet te lastig is.Ik zend u haar brief, ongeopend. Lees als ge wilt, maar zeg er me niets van. ’t Is uit, onherroepelyk uit!VAN TINE.Hierbytien franken, enFancy’sbrief dien ik gelezen heb.Ga tot haar, en vraag vergeving. Ditmoetge doen, ditzultge doen. Gy kunt niet leven zonderFancy. Haar afwyzen is zelfmoord,Max!Ik maak haast om de tien franken. Geef die aan de meisjes die voor u gezongen hebben, en laat ze den bon opInsulindemaar houden bovendien.O,De Pèneheeft gelyk...c’est un emploi assez difficile que d’être la femme d’un poète!5Want toch zyt ge een dichter,Max, al wilt ge ’t niet weten! Nu, nu, ik klaag niet, en ik zal ’t niemand zeggen. Wanneer komt ge eens weer hier om me te slaan? MaarFancygaat vóór, dit beken ik. Zonder my zoudt ge kunnen leven, zonder haar...nooit!Dag lieve dwaze ondeugende dichter!VAN FANCY.Max, ik heb u lief. Uw schryven heeft me diep gewond, maar ik wil de uwe zyn ... geheel-en-al!Toen ik uw geschiedenis las,—o, nu weet ik dat het maar ’n klein deel was van uw geschiedenis—toen trilde my het hart, en ik vloekte ’t lot, dat me veroordeelde tot twintig jaren meisje en levenslang onder ’t opzicht van ’n man?Want ikben’n meisje!En wanneer ik dit betreur, dan is ’t niet als gy, die me maken wilt tot ’n ideaal, neen, ik wilde eenmanzyn om te kunnen handelen, om te kunnen optreden als uw kampioen. Ik vraag waarom die mannen zich alles toeëigenen, zich alles aanmatigen? Waarom ze wetten maken in hun voordeel? Waarom ze zich hoofden noemen van ’t menschelyk geslacht? En waarom ze lafhartig wegschuilen, zoodra er iets te doen valt, wat men gewoon is—alweer onrecht!—mannelykte noemen.Eerst wondde my uw brief zoo diep, dat ik vreesde tebezwyken. Ge zyt bitter, ge zyt scherp, ge zyt onrechtvaardig! Maar ik heb u lief, en de liefde overwint alle dingen.Als gy eenmaal u hebt vertrouwd gemaakt met het denkbeeld dat ik niet zweef, zult ge u misschien verzoenen met de honderd ponden stof, die me nu zoo verachtelyk maken in uw oogen ... en die er heel lief uitzien.Luister. Ge vraagdet omantwoordin uw brief aanDs. Francken. Ge zegt daar:“Koning van Nederland, doe uitspraak tusschen die menschen enMax Havelaar!”en“Nederlandsche natie, sta op, ga tot Hem en vraag: Is het waar, o Koning, dat deze dingen geschieden in Uw ryk, in uw prachtig ryk van Insulinde?”Er is niemand opgestaan om dit te vragen aan den Koning.Natuurlyk, het nageslacht is nog niet geboren.En die Koning heeft geen uitspraak gedaan...Welnu,Ikzal opstaan, ik zal die uitspraak doen. Ik,Fancy!Want ik heb u lief, u en uw zaak.Te-vergeefs hebt ge u beroepen op staatslieden en koningen. Te-vergeefs op Christenen en menschelykheid. Koningen houden zich bezig met de gesp van de buikbanden hunner officieren. Koningen hebben geen tyd om u te hooren.Staatslieden dryven handel in stemmen van Kamerleden en maken verhandelingen, waarin “zy zich de vryheid veroorloven, zich deze of geene vryheid te veroorloven.”6Staatslieden hebben geen tyd u te hooren.Christenen zyn aan ’t twisten over het geloof. Christenen hebben geen tyd u te hooren.En de menschelykheid! Eilieve, schryf eens een brief aan die menschelykheid, en zie of hy te-recht komt alszyschryven aan my, met het eenvoudige opschrift:Fancy! O, ’t is nietaltydnadeel, vleesch en been en bestaan te hebben! Het ware voor u te wenschen, dat de menschelykheid ponderabel ware, en adresselyk als ik!Ik zal opstaan. Ik zal tot den koning gaan. Ik zal u antwoorden. Ik zal u aanhangen. Ik zal u doen overwinnen.En de kracht tot dit alles? Wacht tot volle maan,Max, dan word ik geknipt...Maar vergeef my intusschen dat ik maar een meisje ben, en leer my een en ander, als het waar is ten-minste, dat ge meerweet dan ik. Ik weet zeer weinig, en dit is natuurlyk ... door al die beddelakens.Is het waar dat kousenweven is uitgevonden door de liefde? Hebt ge my niet lief genoeg om ’n machine uit-te-denken diehuishoudt?Ach, m’n moeder is dood! Er is geen poëzie in ons huis. Alles is dor en droog en fatsoenlyk en vervelend. Ik heb veel te weinig geleerd. Leer me wat ... maar geen vormleer, die ken ik al. Als ’t noodig is, zal ik voor u sterven, maar dit komt nog minder voor dan schermen en zwemmen. ’t Is wèl vervelend!Ik ben geestig, maar kan hier niets uitvoeren met m’n geest. ’t Oude kabinet kon ook de deur niet in, toen we hier kwamen wonen. ’t Staat nu te wachten by ’n uitdrager, tot we grooter “behuisd” zyn. En m’n hart is overkompleet. Ik geef het het u, “tot ik grooter behuisd ben maar ...” leer me wat, intusschen!Sedert lang bemerkte ik dat er veel zaken zyn, die men niet zegt aan vrouwen. Ik heb ’n oom die altyd spreekt van “de” vrouw: “dit of dat dient niet aan de vrouw!” “Dat behoort niet tot het gebied der vrouw!” “Dat zegt men niet aandevrouw!”Is “de” vrouwmenschof is zegeenmensch? Dat eeuwige “de” intrigeert me. Het doet me denken aan ’n zoölogische verhandeling over den jakhals ... ik “leer” m’n examen voor sekondante, dit merkte ge.“De” jakhals leeft van den afvaldesleeuws. Het wyfje werpt...Wat zoo’n wyfje werpt, gaat me niet aan. Maar dit vraag ik u: leeftdevrouw van den afvaldesmans?Numoetge me wel antwoorden! Ik vraag u, me wat te leeren, opdat ik niet als ’n jakhals den leeuw hoef nateloopen, om te soupeeren van zyn diner.Wacht overigens geduldig tot volle maan. Wist ge dat m’n haren ... ik word weer geroepen.AAN FANCY.Ze schryft dat ik my met u moet verzoenen. En al schreef ze dit niet, ik kàn niet anders!Maar toch ben ik bedroefd. Iets leeren aanU!IkaanUietsleeren? O, ik honderdvoudige dwaas die meende dat ge bestondt, toenJehovahde fondamenten legde der wereld! Ik, die geloofde dat gy het wist, hoe de rechtheid der aarde was gemeten met ’n koord, en hoe de melodie klonk van het lied, dat de sterren zongen ter verheuging, den dag nadat zy gemaakt waren!Ik, die dacht dat gy gebod hadt over den nacht, en den morgenstond z’n plaats aanweest!Zyt gy ’t dan niet, die kracht geeft aan het paard, en die den Behemoth leidt met uwen vinger. Weet ge niet hoe zich de stralen van het licht splitsen, en kunt ge niet uitspreken het getal luchtgloben die rondassen in den orkaan? Vouwt ge niet bliksemen saam als halmen, en voert ge niet heerschappy over de weerlichten, dat zy zich verzamelen voor uwen voet, deemoedig geknakt zeggende: hier zyn wy.MaarFancy, ik heb u toch lief, waarom heb ik u dan zoo lief,Fancy? Ik die niet tevreden ben met minder dan dat alles?U iets leeren? Wat zal ik u leeren? Ik weet niets.Ik ben gegaan tot myn vriend die in wysheid handelt. “Ze wil iets leeren, zei ik bedroefd, leen my iets uit uwen voorraad.”Hybracht my in de binnenkamer van z’n huis, en toonde my de schatten van kennis die hy verzameld had. Ik zag daar veel zwarte letteren, saemgevoegd op wit papier dat geel was. Ik hoorde daar de gesprekken der wyzen van alle eeuwen, en werd niet wyzer dan zy allen schynen geweest te zyn, want de meesten erkenden dat zy niets wisten, als ik. En die ’t niet erkenden, zagen er dommer uit dan de anderen.Daar waren er, die in dikke boeken ’n god gemaakt hebben .. ’n god in Hebreeuwsch en Grieksch ... ’n god .. komaan, ik zal ’t u vertellen.MaarFancy, ik doe dit niet om u te leeren watis, ik doe het om u—als gy ’t inderdaad niet weet, wat ik nog altyd niet gelooven kan—te leeren watnietis.Er was eens niets!Waskomt vanwezen,zyn,bestaan. “Er was niets” beduidt dus: er bestond iets dat niet bestond.En God, of de god...begrypt ge dit woord? ’t Is verwant metweten7.Dat hebben de ouden goed genaamd! Zoo is er meer dat, wèl bedoeld, verkeerd uitviel, en dit is veelal de schuld van de dominees,—indisch, egyptische, joodsche, dordsche en moderne,—die zelden dichters verstaan.Die god dan maakte ’n zandkorrel met wat gedierte er op, ietsgrooter dan ’t gedierte op de stofjes die wy afslaan van onze schoenen, als we gewandeld hebben.Wanneer zal ik met u wandelen,Fancy?Onder dat gedierte was veel verschil. Er waren er, die staarten hadden, en gras aten. Anderen spraken-kwaad, en bezaten eigenliefde. Sommigen behoefden veel lucht. Eenige, water. Enkelen, rauw vleesch. En weer anderen konden niet leven zonder heerschappy. Deze laatsten hebben zelf gezegd—in ’t dikke boek dat ik u zenden zal—dat zy heer en meester zyn over alles wat bestaat. Ten hunnen behoeve bestond de visch, de vogel, de leeuw, de sprinkhaan, alles!Maar niet alleen de overige diersoorten moesten onderdanig zyn aan de dieren die dat dikke boek maakten, ook de andere zandkorlen—want er waren er meer, en daaronder velen die toch eigenlyk grooter en belangryker waren—dienden alleen om die kleine korl te vermaken. ’t Geen ze deden, door er om heen te draaien.Ik heb ’n muis gekend,Fancy! die in ’n Edammer kaas woonde. Ik kon dat beestje maar niet uit het kopje praten, dat het heelekaasmagazynwas opgericht, om hem te voorzien van ’n behoorlyk verblyf.De dieren die baas-speelden over de kleine zandkorl, noemden zichMenschen, ’n woord dat zeker iets schoons aanduidde, maar waarvan in dit geval de beteekenis op alle manieren is verloren gegaan. Ik zal den wortel opzoeken, en u vertellen wat ik er van vind. Dit weet ik nu al, ’t is ’n indisch woord. Ik zal ’t verder nasporen by m’n vriend den boekverkooper.8Menschendus! Straks zal ik u uitleggen hoe ook onder hen veel onderscheid heerschte, dat alweer neder kwam op verschil in gezag. Dit onderwerp ligt me na aan het hart.Maar eerst wil ik U meedeelen, wat men van dien god gemaakt heeft. Kort na het scheppen van denmensch, liet hy dezen in ’n val loopen, en om nu denmenschte straffen voorzyn—namelyk: voorGods—arglistigheid, veroordeelde hy hem tot allerlei dingen, die deelsnietgebeurden, en deels toch zouden gebeurd zyn, als de mensch den strik was misgeloopen, dien de god hem gelegd had. De straf zou duren “ten eeuwige dage”, dit wil zeggen, dat zy eenmaal zou ophouden, en wel zoodra er iemand kwam die de schuld overnam. Vierduizend jaar wachtte de misdadiger, die zich had schuldig gemaakt aan de kwaadaardigheid van den god, tevergeefs op de toegezegde verlossing. Als ik zeg: dat hy wachtte, is dit weêr onjuist gesproken, maar ’t is heel moeilyk zich juistuit te drukken als men onjuiste dingen vertelt. De misdadiger wachtte eigenlyk volstrekt niet, want hy was in die vierduizend jaar reeds 100 of 120 malen verdoemd gestorven, en vervangen door anderen, die ook weer verdoemd stierven. Ten-laatste zond God ’n persoon “die de zonden der wereld zou dragen.” Toen was op-eenmaal alles goed! De slangen kregen vleugels, en ’t kraambed werd ’n ware uitspanning. Ook zweette men niet meer. Dat alles is zeerduidelyk, en wie ’t niet begrypt, is verdoemd.Ziedaar ’n kort begrip van de leer der zaligheid.Ik erken dat ik hier-en-daar wat heb overgeslagen, omdat ik ’t onfatsoenlyk vind alles te schryven aan ’n meisje ... zooals gezyt, helaas!Maar als ge dit alles toch wilt weten—meisjes zyn zoo—dan kunt ge ’t nalezen in het dikke boek dat ik u zend, en waaruit veel kan geleerd worden door iemand die weten wil wat niet waar is. Is ’t u nu en dan om waarheid te doen, lees dan “Bernstein,boven lucht en wolken,” of koop werken vanStrootman,de Gelder, ofvan Swinden, schoon ge ook metdieheeren voorzichtig moet zyn. Want het isnietwaar dat een rechte lyn de kortste afstand tusschen twee puntenis, zooals ze leerden aan my toen ik ’n kleine jongen was, en nog niet mocht tegenspreken ...—Dáár staat het! zeide men:Gezag!—Een kind vraagt niet naar oorzaak of reden:Gezag!—Een kind gehoorzaamt!Gezag!Hierop nu wil ik terugkomen en ik deed deSchepping, deZondeval—ja wèl ’n val, ’n warepiège!—deVerdoemenisen deVerlossingwat kort af, om tyd te vinden voor ’n paar geschiedenissen, overgezagdie ik wensch te verhalen.

“Welke waarschynlykheid is er, dat ’n geworpen bal een bepaald punt zal treffen op ’n muur, dieO, die waarschynlykheid! Hadt gy ’t voor waarschynlyk gehouden, datzy’n meisje was! HadLobattodat kunnen berekenen! Ik zalhem’n voorstel opgeven:“Gegeven iets dat op my dien indruk maakt, welke waarschynlykheid is er, dat dit “iets” lakens uit elkander trekt?”Kuntgydat uitrekenen, besteTine? KusMaxenNonni,en zendt me tien franken, als gy die hebt.P.S. Ik kryg daar weer ’n brief van haar ... weer door ’n kruier, die ’t bekende dubbeltje vraagt. Ik wil niet lezen wat ze schryft. Duld geen poëzie inMax.AisA...BisB.. wat daarboven ligt, of daarbuiten, is uit den booze.Och, ze is’nmeisje! Ik zal voortaan u alleen liefhebben, als ’t u niet te lastig is.Ik zend u haar brief, ongeopend. Lees als ge wilt, maar zeg er me niets van. ’t Is uit, onherroepelyk uit!VAN TINE.Hierbytien franken, enFancy’sbrief dien ik gelezen heb.Ga tot haar, en vraag vergeving. Ditmoetge doen, ditzultge doen. Gy kunt niet leven zonderFancy. Haar afwyzen is zelfmoord,Max!Ik maak haast om de tien franken. Geef die aan de meisjes die voor u gezongen hebben, en laat ze den bon opInsulindemaar houden bovendien.O,De Pèneheeft gelyk...c’est un emploi assez difficile que d’être la femme d’un poète!5Want toch zyt ge een dichter,Max, al wilt ge ’t niet weten! Nu, nu, ik klaag niet, en ik zal ’t niemand zeggen. Wanneer komt ge eens weer hier om me te slaan? MaarFancygaat vóór, dit beken ik. Zonder my zoudt ge kunnen leven, zonder haar...nooit!Dag lieve dwaze ondeugende dichter!VAN FANCY.Max, ik heb u lief. Uw schryven heeft me diep gewond, maar ik wil de uwe zyn ... geheel-en-al!Toen ik uw geschiedenis las,—o, nu weet ik dat het maar ’n klein deel was van uw geschiedenis—toen trilde my het hart, en ik vloekte ’t lot, dat me veroordeelde tot twintig jaren meisje en levenslang onder ’t opzicht van ’n man?Want ikben’n meisje!En wanneer ik dit betreur, dan is ’t niet als gy, die me maken wilt tot ’n ideaal, neen, ik wilde eenmanzyn om te kunnen handelen, om te kunnen optreden als uw kampioen. Ik vraag waarom die mannen zich alles toeëigenen, zich alles aanmatigen? Waarom ze wetten maken in hun voordeel? Waarom ze zich hoofden noemen van ’t menschelyk geslacht? En waarom ze lafhartig wegschuilen, zoodra er iets te doen valt, wat men gewoon is—alweer onrecht!—mannelykte noemen.Eerst wondde my uw brief zoo diep, dat ik vreesde tebezwyken. Ge zyt bitter, ge zyt scherp, ge zyt onrechtvaardig! Maar ik heb u lief, en de liefde overwint alle dingen.Als gy eenmaal u hebt vertrouwd gemaakt met het denkbeeld dat ik niet zweef, zult ge u misschien verzoenen met de honderd ponden stof, die me nu zoo verachtelyk maken in uw oogen ... en die er heel lief uitzien.Luister. Ge vraagdet omantwoordin uw brief aanDs. Francken. Ge zegt daar:“Koning van Nederland, doe uitspraak tusschen die menschen enMax Havelaar!”en“Nederlandsche natie, sta op, ga tot Hem en vraag: Is het waar, o Koning, dat deze dingen geschieden in Uw ryk, in uw prachtig ryk van Insulinde?”Er is niemand opgestaan om dit te vragen aan den Koning.Natuurlyk, het nageslacht is nog niet geboren.En die Koning heeft geen uitspraak gedaan...Welnu,Ikzal opstaan, ik zal die uitspraak doen. Ik,Fancy!Want ik heb u lief, u en uw zaak.Te-vergeefs hebt ge u beroepen op staatslieden en koningen. Te-vergeefs op Christenen en menschelykheid. Koningen houden zich bezig met de gesp van de buikbanden hunner officieren. Koningen hebben geen tyd om u te hooren.Staatslieden dryven handel in stemmen van Kamerleden en maken verhandelingen, waarin “zy zich de vryheid veroorloven, zich deze of geene vryheid te veroorloven.”6Staatslieden hebben geen tyd u te hooren.Christenen zyn aan ’t twisten over het geloof. Christenen hebben geen tyd u te hooren.En de menschelykheid! Eilieve, schryf eens een brief aan die menschelykheid, en zie of hy te-recht komt alszyschryven aan my, met het eenvoudige opschrift:Fancy! O, ’t is nietaltydnadeel, vleesch en been en bestaan te hebben! Het ware voor u te wenschen, dat de menschelykheid ponderabel ware, en adresselyk als ik!Ik zal opstaan. Ik zal tot den koning gaan. Ik zal u antwoorden. Ik zal u aanhangen. Ik zal u doen overwinnen.En de kracht tot dit alles? Wacht tot volle maan,Max, dan word ik geknipt...Maar vergeef my intusschen dat ik maar een meisje ben, en leer my een en ander, als het waar is ten-minste, dat ge meerweet dan ik. Ik weet zeer weinig, en dit is natuurlyk ... door al die beddelakens.Is het waar dat kousenweven is uitgevonden door de liefde? Hebt ge my niet lief genoeg om ’n machine uit-te-denken diehuishoudt?Ach, m’n moeder is dood! Er is geen poëzie in ons huis. Alles is dor en droog en fatsoenlyk en vervelend. Ik heb veel te weinig geleerd. Leer me wat ... maar geen vormleer, die ken ik al. Als ’t noodig is, zal ik voor u sterven, maar dit komt nog minder voor dan schermen en zwemmen. ’t Is wèl vervelend!Ik ben geestig, maar kan hier niets uitvoeren met m’n geest. ’t Oude kabinet kon ook de deur niet in, toen we hier kwamen wonen. ’t Staat nu te wachten by ’n uitdrager, tot we grooter “behuisd” zyn. En m’n hart is overkompleet. Ik geef het het u, “tot ik grooter behuisd ben maar ...” leer me wat, intusschen!Sedert lang bemerkte ik dat er veel zaken zyn, die men niet zegt aan vrouwen. Ik heb ’n oom die altyd spreekt van “de” vrouw: “dit of dat dient niet aan de vrouw!” “Dat behoort niet tot het gebied der vrouw!” “Dat zegt men niet aandevrouw!”Is “de” vrouwmenschof is zegeenmensch? Dat eeuwige “de” intrigeert me. Het doet me denken aan ’n zoölogische verhandeling over den jakhals ... ik “leer” m’n examen voor sekondante, dit merkte ge.“De” jakhals leeft van den afvaldesleeuws. Het wyfje werpt...Wat zoo’n wyfje werpt, gaat me niet aan. Maar dit vraag ik u: leeftdevrouw van den afvaldesmans?Numoetge me wel antwoorden! Ik vraag u, me wat te leeren, opdat ik niet als ’n jakhals den leeuw hoef nateloopen, om te soupeeren van zyn diner.Wacht overigens geduldig tot volle maan. Wist ge dat m’n haren ... ik word weer geroepen.AAN FANCY.Ze schryft dat ik my met u moet verzoenen. En al schreef ze dit niet, ik kàn niet anders!Maar toch ben ik bedroefd. Iets leeren aanU!IkaanUietsleeren? O, ik honderdvoudige dwaas die meende dat ge bestondt, toenJehovahde fondamenten legde der wereld! Ik, die geloofde dat gy het wist, hoe de rechtheid der aarde was gemeten met ’n koord, en hoe de melodie klonk van het lied, dat de sterren zongen ter verheuging, den dag nadat zy gemaakt waren!Ik, die dacht dat gy gebod hadt over den nacht, en den morgenstond z’n plaats aanweest!Zyt gy ’t dan niet, die kracht geeft aan het paard, en die den Behemoth leidt met uwen vinger. Weet ge niet hoe zich de stralen van het licht splitsen, en kunt ge niet uitspreken het getal luchtgloben die rondassen in den orkaan? Vouwt ge niet bliksemen saam als halmen, en voert ge niet heerschappy over de weerlichten, dat zy zich verzamelen voor uwen voet, deemoedig geknakt zeggende: hier zyn wy.MaarFancy, ik heb u toch lief, waarom heb ik u dan zoo lief,Fancy? Ik die niet tevreden ben met minder dan dat alles?U iets leeren? Wat zal ik u leeren? Ik weet niets.Ik ben gegaan tot myn vriend die in wysheid handelt. “Ze wil iets leeren, zei ik bedroefd, leen my iets uit uwen voorraad.”Hybracht my in de binnenkamer van z’n huis, en toonde my de schatten van kennis die hy verzameld had. Ik zag daar veel zwarte letteren, saemgevoegd op wit papier dat geel was. Ik hoorde daar de gesprekken der wyzen van alle eeuwen, en werd niet wyzer dan zy allen schynen geweest te zyn, want de meesten erkenden dat zy niets wisten, als ik. En die ’t niet erkenden, zagen er dommer uit dan de anderen.Daar waren er, die in dikke boeken ’n god gemaakt hebben .. ’n god in Hebreeuwsch en Grieksch ... ’n god .. komaan, ik zal ’t u vertellen.MaarFancy, ik doe dit niet om u te leeren watis, ik doe het om u—als gy ’t inderdaad niet weet, wat ik nog altyd niet gelooven kan—te leeren watnietis.Er was eens niets!Waskomt vanwezen,zyn,bestaan. “Er was niets” beduidt dus: er bestond iets dat niet bestond.En God, of de god...begrypt ge dit woord? ’t Is verwant metweten7.Dat hebben de ouden goed genaamd! Zoo is er meer dat, wèl bedoeld, verkeerd uitviel, en dit is veelal de schuld van de dominees,—indisch, egyptische, joodsche, dordsche en moderne,—die zelden dichters verstaan.Die god dan maakte ’n zandkorrel met wat gedierte er op, ietsgrooter dan ’t gedierte op de stofjes die wy afslaan van onze schoenen, als we gewandeld hebben.Wanneer zal ik met u wandelen,Fancy?Onder dat gedierte was veel verschil. Er waren er, die staarten hadden, en gras aten. Anderen spraken-kwaad, en bezaten eigenliefde. Sommigen behoefden veel lucht. Eenige, water. Enkelen, rauw vleesch. En weer anderen konden niet leven zonder heerschappy. Deze laatsten hebben zelf gezegd—in ’t dikke boek dat ik u zenden zal—dat zy heer en meester zyn over alles wat bestaat. Ten hunnen behoeve bestond de visch, de vogel, de leeuw, de sprinkhaan, alles!Maar niet alleen de overige diersoorten moesten onderdanig zyn aan de dieren die dat dikke boek maakten, ook de andere zandkorlen—want er waren er meer, en daaronder velen die toch eigenlyk grooter en belangryker waren—dienden alleen om die kleine korl te vermaken. ’t Geen ze deden, door er om heen te draaien.Ik heb ’n muis gekend,Fancy! die in ’n Edammer kaas woonde. Ik kon dat beestje maar niet uit het kopje praten, dat het heelekaasmagazynwas opgericht, om hem te voorzien van ’n behoorlyk verblyf.De dieren die baas-speelden over de kleine zandkorl, noemden zichMenschen, ’n woord dat zeker iets schoons aanduidde, maar waarvan in dit geval de beteekenis op alle manieren is verloren gegaan. Ik zal den wortel opzoeken, en u vertellen wat ik er van vind. Dit weet ik nu al, ’t is ’n indisch woord. Ik zal ’t verder nasporen by m’n vriend den boekverkooper.8Menschendus! Straks zal ik u uitleggen hoe ook onder hen veel onderscheid heerschte, dat alweer neder kwam op verschil in gezag. Dit onderwerp ligt me na aan het hart.Maar eerst wil ik U meedeelen, wat men van dien god gemaakt heeft. Kort na het scheppen van denmensch, liet hy dezen in ’n val loopen, en om nu denmenschte straffen voorzyn—namelyk: voorGods—arglistigheid, veroordeelde hy hem tot allerlei dingen, die deelsnietgebeurden, en deels toch zouden gebeurd zyn, als de mensch den strik was misgeloopen, dien de god hem gelegd had. De straf zou duren “ten eeuwige dage”, dit wil zeggen, dat zy eenmaal zou ophouden, en wel zoodra er iemand kwam die de schuld overnam. Vierduizend jaar wachtte de misdadiger, die zich had schuldig gemaakt aan de kwaadaardigheid van den god, tevergeefs op de toegezegde verlossing. Als ik zeg: dat hy wachtte, is dit weêr onjuist gesproken, maar ’t is heel moeilyk zich juistuit te drukken als men onjuiste dingen vertelt. De misdadiger wachtte eigenlyk volstrekt niet, want hy was in die vierduizend jaar reeds 100 of 120 malen verdoemd gestorven, en vervangen door anderen, die ook weer verdoemd stierven. Ten-laatste zond God ’n persoon “die de zonden der wereld zou dragen.” Toen was op-eenmaal alles goed! De slangen kregen vleugels, en ’t kraambed werd ’n ware uitspanning. Ook zweette men niet meer. Dat alles is zeerduidelyk, en wie ’t niet begrypt, is verdoemd.Ziedaar ’n kort begrip van de leer der zaligheid.Ik erken dat ik hier-en-daar wat heb overgeslagen, omdat ik ’t onfatsoenlyk vind alles te schryven aan ’n meisje ... zooals gezyt, helaas!Maar als ge dit alles toch wilt weten—meisjes zyn zoo—dan kunt ge ’t nalezen in het dikke boek dat ik u zend, en waaruit veel kan geleerd worden door iemand die weten wil wat niet waar is. Is ’t u nu en dan om waarheid te doen, lees dan “Bernstein,boven lucht en wolken,” of koop werken vanStrootman,de Gelder, ofvan Swinden, schoon ge ook metdieheeren voorzichtig moet zyn. Want het isnietwaar dat een rechte lyn de kortste afstand tusschen twee puntenis, zooals ze leerden aan my toen ik ’n kleine jongen was, en nog niet mocht tegenspreken ...—Dáár staat het! zeide men:Gezag!—Een kind vraagt niet naar oorzaak of reden:Gezag!—Een kind gehoorzaamt!Gezag!Hierop nu wil ik terugkomen en ik deed deSchepping, deZondeval—ja wèl ’n val, ’n warepiège!—deVerdoemenisen deVerlossingwat kort af, om tyd te vinden voor ’n paar geschiedenissen, overgezagdie ik wensch te verhalen.

“Welke waarschynlykheid is er, dat ’n geworpen bal een bepaald punt zal treffen op ’n muur, dieO, die waarschynlykheid! Hadt gy ’t voor waarschynlyk gehouden, datzy’n meisje was! HadLobattodat kunnen berekenen! Ik zalhem’n voorstel opgeven:“Gegeven iets dat op my dien indruk maakt, welke waarschynlykheid is er, dat dit “iets” lakens uit elkander trekt?”Kuntgydat uitrekenen, besteTine? KusMaxenNonni,en zendt me tien franken, als gy die hebt.P.S. Ik kryg daar weer ’n brief van haar ... weer door ’n kruier, die ’t bekende dubbeltje vraagt. Ik wil niet lezen wat ze schryft. Duld geen poëzie inMax.AisA...BisB.. wat daarboven ligt, of daarbuiten, is uit den booze.Och, ze is’nmeisje! Ik zal voortaan u alleen liefhebben, als ’t u niet te lastig is.Ik zend u haar brief, ongeopend. Lees als ge wilt, maar zeg er me niets van. ’t Is uit, onherroepelyk uit!VAN TINE.Hierbytien franken, enFancy’sbrief dien ik gelezen heb.Ga tot haar, en vraag vergeving. Ditmoetge doen, ditzultge doen. Gy kunt niet leven zonderFancy. Haar afwyzen is zelfmoord,Max!Ik maak haast om de tien franken. Geef die aan de meisjes die voor u gezongen hebben, en laat ze den bon opInsulindemaar houden bovendien.O,De Pèneheeft gelyk...c’est un emploi assez difficile que d’être la femme d’un poète!5Want toch zyt ge een dichter,Max, al wilt ge ’t niet weten! Nu, nu, ik klaag niet, en ik zal ’t niemand zeggen. Wanneer komt ge eens weer hier om me te slaan? MaarFancygaat vóór, dit beken ik. Zonder my zoudt ge kunnen leven, zonder haar...nooit!Dag lieve dwaze ondeugende dichter!VAN FANCY.Max, ik heb u lief. Uw schryven heeft me diep gewond, maar ik wil de uwe zyn ... geheel-en-al!Toen ik uw geschiedenis las,—o, nu weet ik dat het maar ’n klein deel was van uw geschiedenis—toen trilde my het hart, en ik vloekte ’t lot, dat me veroordeelde tot twintig jaren meisje en levenslang onder ’t opzicht van ’n man?Want ikben’n meisje!En wanneer ik dit betreur, dan is ’t niet als gy, die me maken wilt tot ’n ideaal, neen, ik wilde eenmanzyn om te kunnen handelen, om te kunnen optreden als uw kampioen. Ik vraag waarom die mannen zich alles toeëigenen, zich alles aanmatigen? Waarom ze wetten maken in hun voordeel? Waarom ze zich hoofden noemen van ’t menschelyk geslacht? En waarom ze lafhartig wegschuilen, zoodra er iets te doen valt, wat men gewoon is—alweer onrecht!—mannelykte noemen.Eerst wondde my uw brief zoo diep, dat ik vreesde tebezwyken. Ge zyt bitter, ge zyt scherp, ge zyt onrechtvaardig! Maar ik heb u lief, en de liefde overwint alle dingen.Als gy eenmaal u hebt vertrouwd gemaakt met het denkbeeld dat ik niet zweef, zult ge u misschien verzoenen met de honderd ponden stof, die me nu zoo verachtelyk maken in uw oogen ... en die er heel lief uitzien.Luister. Ge vraagdet omantwoordin uw brief aanDs. Francken. Ge zegt daar:“Koning van Nederland, doe uitspraak tusschen die menschen enMax Havelaar!”en“Nederlandsche natie, sta op, ga tot Hem en vraag: Is het waar, o Koning, dat deze dingen geschieden in Uw ryk, in uw prachtig ryk van Insulinde?”Er is niemand opgestaan om dit te vragen aan den Koning.Natuurlyk, het nageslacht is nog niet geboren.En die Koning heeft geen uitspraak gedaan...Welnu,Ikzal opstaan, ik zal die uitspraak doen. Ik,Fancy!Want ik heb u lief, u en uw zaak.Te-vergeefs hebt ge u beroepen op staatslieden en koningen. Te-vergeefs op Christenen en menschelykheid. Koningen houden zich bezig met de gesp van de buikbanden hunner officieren. Koningen hebben geen tyd om u te hooren.Staatslieden dryven handel in stemmen van Kamerleden en maken verhandelingen, waarin “zy zich de vryheid veroorloven, zich deze of geene vryheid te veroorloven.”6Staatslieden hebben geen tyd u te hooren.Christenen zyn aan ’t twisten over het geloof. Christenen hebben geen tyd u te hooren.En de menschelykheid! Eilieve, schryf eens een brief aan die menschelykheid, en zie of hy te-recht komt alszyschryven aan my, met het eenvoudige opschrift:Fancy! O, ’t is nietaltydnadeel, vleesch en been en bestaan te hebben! Het ware voor u te wenschen, dat de menschelykheid ponderabel ware, en adresselyk als ik!Ik zal opstaan. Ik zal tot den koning gaan. Ik zal u antwoorden. Ik zal u aanhangen. Ik zal u doen overwinnen.En de kracht tot dit alles? Wacht tot volle maan,Max, dan word ik geknipt...Maar vergeef my intusschen dat ik maar een meisje ben, en leer my een en ander, als het waar is ten-minste, dat ge meerweet dan ik. Ik weet zeer weinig, en dit is natuurlyk ... door al die beddelakens.Is het waar dat kousenweven is uitgevonden door de liefde? Hebt ge my niet lief genoeg om ’n machine uit-te-denken diehuishoudt?Ach, m’n moeder is dood! Er is geen poëzie in ons huis. Alles is dor en droog en fatsoenlyk en vervelend. Ik heb veel te weinig geleerd. Leer me wat ... maar geen vormleer, die ken ik al. Als ’t noodig is, zal ik voor u sterven, maar dit komt nog minder voor dan schermen en zwemmen. ’t Is wèl vervelend!Ik ben geestig, maar kan hier niets uitvoeren met m’n geest. ’t Oude kabinet kon ook de deur niet in, toen we hier kwamen wonen. ’t Staat nu te wachten by ’n uitdrager, tot we grooter “behuisd” zyn. En m’n hart is overkompleet. Ik geef het het u, “tot ik grooter behuisd ben maar ...” leer me wat, intusschen!Sedert lang bemerkte ik dat er veel zaken zyn, die men niet zegt aan vrouwen. Ik heb ’n oom die altyd spreekt van “de” vrouw: “dit of dat dient niet aan de vrouw!” “Dat behoort niet tot het gebied der vrouw!” “Dat zegt men niet aandevrouw!”Is “de” vrouwmenschof is zegeenmensch? Dat eeuwige “de” intrigeert me. Het doet me denken aan ’n zoölogische verhandeling over den jakhals ... ik “leer” m’n examen voor sekondante, dit merkte ge.“De” jakhals leeft van den afvaldesleeuws. Het wyfje werpt...Wat zoo’n wyfje werpt, gaat me niet aan. Maar dit vraag ik u: leeftdevrouw van den afvaldesmans?Numoetge me wel antwoorden! Ik vraag u, me wat te leeren, opdat ik niet als ’n jakhals den leeuw hoef nateloopen, om te soupeeren van zyn diner.Wacht overigens geduldig tot volle maan. Wist ge dat m’n haren ... ik word weer geroepen.AAN FANCY.Ze schryft dat ik my met u moet verzoenen. En al schreef ze dit niet, ik kàn niet anders!Maar toch ben ik bedroefd. Iets leeren aanU!IkaanUietsleeren? O, ik honderdvoudige dwaas die meende dat ge bestondt, toenJehovahde fondamenten legde der wereld! Ik, die geloofde dat gy het wist, hoe de rechtheid der aarde was gemeten met ’n koord, en hoe de melodie klonk van het lied, dat de sterren zongen ter verheuging, den dag nadat zy gemaakt waren!Ik, die dacht dat gy gebod hadt over den nacht, en den morgenstond z’n plaats aanweest!Zyt gy ’t dan niet, die kracht geeft aan het paard, en die den Behemoth leidt met uwen vinger. Weet ge niet hoe zich de stralen van het licht splitsen, en kunt ge niet uitspreken het getal luchtgloben die rondassen in den orkaan? Vouwt ge niet bliksemen saam als halmen, en voert ge niet heerschappy over de weerlichten, dat zy zich verzamelen voor uwen voet, deemoedig geknakt zeggende: hier zyn wy.MaarFancy, ik heb u toch lief, waarom heb ik u dan zoo lief,Fancy? Ik die niet tevreden ben met minder dan dat alles?U iets leeren? Wat zal ik u leeren? Ik weet niets.Ik ben gegaan tot myn vriend die in wysheid handelt. “Ze wil iets leeren, zei ik bedroefd, leen my iets uit uwen voorraad.”Hybracht my in de binnenkamer van z’n huis, en toonde my de schatten van kennis die hy verzameld had. Ik zag daar veel zwarte letteren, saemgevoegd op wit papier dat geel was. Ik hoorde daar de gesprekken der wyzen van alle eeuwen, en werd niet wyzer dan zy allen schynen geweest te zyn, want de meesten erkenden dat zy niets wisten, als ik. En die ’t niet erkenden, zagen er dommer uit dan de anderen.Daar waren er, die in dikke boeken ’n god gemaakt hebben .. ’n god in Hebreeuwsch en Grieksch ... ’n god .. komaan, ik zal ’t u vertellen.MaarFancy, ik doe dit niet om u te leeren watis, ik doe het om u—als gy ’t inderdaad niet weet, wat ik nog altyd niet gelooven kan—te leeren watnietis.Er was eens niets!Waskomt vanwezen,zyn,bestaan. “Er was niets” beduidt dus: er bestond iets dat niet bestond.En God, of de god...begrypt ge dit woord? ’t Is verwant metweten7.Dat hebben de ouden goed genaamd! Zoo is er meer dat, wèl bedoeld, verkeerd uitviel, en dit is veelal de schuld van de dominees,—indisch, egyptische, joodsche, dordsche en moderne,—die zelden dichters verstaan.Die god dan maakte ’n zandkorrel met wat gedierte er op, ietsgrooter dan ’t gedierte op de stofjes die wy afslaan van onze schoenen, als we gewandeld hebben.Wanneer zal ik met u wandelen,Fancy?Onder dat gedierte was veel verschil. Er waren er, die staarten hadden, en gras aten. Anderen spraken-kwaad, en bezaten eigenliefde. Sommigen behoefden veel lucht. Eenige, water. Enkelen, rauw vleesch. En weer anderen konden niet leven zonder heerschappy. Deze laatsten hebben zelf gezegd—in ’t dikke boek dat ik u zenden zal—dat zy heer en meester zyn over alles wat bestaat. Ten hunnen behoeve bestond de visch, de vogel, de leeuw, de sprinkhaan, alles!Maar niet alleen de overige diersoorten moesten onderdanig zyn aan de dieren die dat dikke boek maakten, ook de andere zandkorlen—want er waren er meer, en daaronder velen die toch eigenlyk grooter en belangryker waren—dienden alleen om die kleine korl te vermaken. ’t Geen ze deden, door er om heen te draaien.Ik heb ’n muis gekend,Fancy! die in ’n Edammer kaas woonde. Ik kon dat beestje maar niet uit het kopje praten, dat het heelekaasmagazynwas opgericht, om hem te voorzien van ’n behoorlyk verblyf.De dieren die baas-speelden over de kleine zandkorl, noemden zichMenschen, ’n woord dat zeker iets schoons aanduidde, maar waarvan in dit geval de beteekenis op alle manieren is verloren gegaan. Ik zal den wortel opzoeken, en u vertellen wat ik er van vind. Dit weet ik nu al, ’t is ’n indisch woord. Ik zal ’t verder nasporen by m’n vriend den boekverkooper.8Menschendus! Straks zal ik u uitleggen hoe ook onder hen veel onderscheid heerschte, dat alweer neder kwam op verschil in gezag. Dit onderwerp ligt me na aan het hart.Maar eerst wil ik U meedeelen, wat men van dien god gemaakt heeft. Kort na het scheppen van denmensch, liet hy dezen in ’n val loopen, en om nu denmenschte straffen voorzyn—namelyk: voorGods—arglistigheid, veroordeelde hy hem tot allerlei dingen, die deelsnietgebeurden, en deels toch zouden gebeurd zyn, als de mensch den strik was misgeloopen, dien de god hem gelegd had. De straf zou duren “ten eeuwige dage”, dit wil zeggen, dat zy eenmaal zou ophouden, en wel zoodra er iemand kwam die de schuld overnam. Vierduizend jaar wachtte de misdadiger, die zich had schuldig gemaakt aan de kwaadaardigheid van den god, tevergeefs op de toegezegde verlossing. Als ik zeg: dat hy wachtte, is dit weêr onjuist gesproken, maar ’t is heel moeilyk zich juistuit te drukken als men onjuiste dingen vertelt. De misdadiger wachtte eigenlyk volstrekt niet, want hy was in die vierduizend jaar reeds 100 of 120 malen verdoemd gestorven, en vervangen door anderen, die ook weer verdoemd stierven. Ten-laatste zond God ’n persoon “die de zonden der wereld zou dragen.” Toen was op-eenmaal alles goed! De slangen kregen vleugels, en ’t kraambed werd ’n ware uitspanning. Ook zweette men niet meer. Dat alles is zeerduidelyk, en wie ’t niet begrypt, is verdoemd.Ziedaar ’n kort begrip van de leer der zaligheid.Ik erken dat ik hier-en-daar wat heb overgeslagen, omdat ik ’t onfatsoenlyk vind alles te schryven aan ’n meisje ... zooals gezyt, helaas!Maar als ge dit alles toch wilt weten—meisjes zyn zoo—dan kunt ge ’t nalezen in het dikke boek dat ik u zend, en waaruit veel kan geleerd worden door iemand die weten wil wat niet waar is. Is ’t u nu en dan om waarheid te doen, lees dan “Bernstein,boven lucht en wolken,” of koop werken vanStrootman,de Gelder, ofvan Swinden, schoon ge ook metdieheeren voorzichtig moet zyn. Want het isnietwaar dat een rechte lyn de kortste afstand tusschen twee puntenis, zooals ze leerden aan my toen ik ’n kleine jongen was, en nog niet mocht tegenspreken ...—Dáár staat het! zeide men:Gezag!—Een kind vraagt niet naar oorzaak of reden:Gezag!—Een kind gehoorzaamt!Gezag!Hierop nu wil ik terugkomen en ik deed deSchepping, deZondeval—ja wèl ’n val, ’n warepiège!—deVerdoemenisen deVerlossingwat kort af, om tyd te vinden voor ’n paar geschiedenissen, overgezagdie ik wensch te verhalen.

“Welke waarschynlykheid is er, dat ’n geworpen bal een bepaald punt zal treffen op ’n muur, die

“Welke waarschynlykheid is er, dat ’n geworpen bal een bepaald punt zal treffen op ’n muur, die

O, die waarschynlykheid! Hadt gy ’t voor waarschynlyk gehouden, datzy’n meisje was! HadLobattodat kunnen berekenen! Ik zalhem’n voorstel opgeven:

“Gegeven iets dat op my dien indruk maakt, welke waarschynlykheid is er, dat dit “iets” lakens uit elkander trekt?”

“Gegeven iets dat op my dien indruk maakt, welke waarschynlykheid is er, dat dit “iets” lakens uit elkander trekt?”

Kuntgydat uitrekenen, besteTine? KusMaxenNonni,en zendt me tien franken, als gy die hebt.

P.S. Ik kryg daar weer ’n brief van haar ... weer door ’n kruier, die ’t bekende dubbeltje vraagt. Ik wil niet lezen wat ze schryft. Duld geen poëzie inMax.AisA...BisB.. wat daarboven ligt, of daarbuiten, is uit den booze.Och, ze is’nmeisje! Ik zal voortaan u alleen liefhebben, als ’t u niet te lastig is.Ik zend u haar brief, ongeopend. Lees als ge wilt, maar zeg er me niets van. ’t Is uit, onherroepelyk uit!

P.S. Ik kryg daar weer ’n brief van haar ... weer door ’n kruier, die ’t bekende dubbeltje vraagt. Ik wil niet lezen wat ze schryft. Duld geen poëzie inMax.AisA...BisB.. wat daarboven ligt, of daarbuiten, is uit den booze.

Och, ze is’nmeisje! Ik zal voortaan u alleen liefhebben, als ’t u niet te lastig is.

Ik zend u haar brief, ongeopend. Lees als ge wilt, maar zeg er me niets van. ’t Is uit, onherroepelyk uit!

VAN TINE.

Hierbytien franken, enFancy’sbrief dien ik gelezen heb.

Ga tot haar, en vraag vergeving. Ditmoetge doen, ditzultge doen. Gy kunt niet leven zonderFancy. Haar afwyzen is zelfmoord,Max!

Ik maak haast om de tien franken. Geef die aan de meisjes die voor u gezongen hebben, en laat ze den bon opInsulindemaar houden bovendien.

O,De Pèneheeft gelyk...c’est un emploi assez difficile que d’être la femme d’un poète!5

Want toch zyt ge een dichter,Max, al wilt ge ’t niet weten! Nu, nu, ik klaag niet, en ik zal ’t niemand zeggen. Wanneer komt ge eens weer hier om me te slaan? MaarFancygaat vóór, dit beken ik. Zonder my zoudt ge kunnen leven, zonder haar...nooit!

Dag lieve dwaze ondeugende dichter!

VAN FANCY.

Max, ik heb u lief. Uw schryven heeft me diep gewond, maar ik wil de uwe zyn ... geheel-en-al!

Toen ik uw geschiedenis las,—o, nu weet ik dat het maar ’n klein deel was van uw geschiedenis—toen trilde my het hart, en ik vloekte ’t lot, dat me veroordeelde tot twintig jaren meisje en levenslang onder ’t opzicht van ’n man?

Want ikben’n meisje!

En wanneer ik dit betreur, dan is ’t niet als gy, die me maken wilt tot ’n ideaal, neen, ik wilde eenmanzyn om te kunnen handelen, om te kunnen optreden als uw kampioen. Ik vraag waarom die mannen zich alles toeëigenen, zich alles aanmatigen? Waarom ze wetten maken in hun voordeel? Waarom ze zich hoofden noemen van ’t menschelyk geslacht? En waarom ze lafhartig wegschuilen, zoodra er iets te doen valt, wat men gewoon is—alweer onrecht!—mannelykte noemen.

Eerst wondde my uw brief zoo diep, dat ik vreesde tebezwyken. Ge zyt bitter, ge zyt scherp, ge zyt onrechtvaardig! Maar ik heb u lief, en de liefde overwint alle dingen.

Als gy eenmaal u hebt vertrouwd gemaakt met het denkbeeld dat ik niet zweef, zult ge u misschien verzoenen met de honderd ponden stof, die me nu zoo verachtelyk maken in uw oogen ... en die er heel lief uitzien.

Luister. Ge vraagdet omantwoordin uw brief aanDs. Francken. Ge zegt daar:

“Koning van Nederland, doe uitspraak tusschen die menschen enMax Havelaar!”

“Koning van Nederland, doe uitspraak tusschen die menschen enMax Havelaar!”

en

“Nederlandsche natie, sta op, ga tot Hem en vraag: Is het waar, o Koning, dat deze dingen geschieden in Uw ryk, in uw prachtig ryk van Insulinde?”

“Nederlandsche natie, sta op, ga tot Hem en vraag: Is het waar, o Koning, dat deze dingen geschieden in Uw ryk, in uw prachtig ryk van Insulinde?”

Er is niemand opgestaan om dit te vragen aan den Koning.

Natuurlyk, het nageslacht is nog niet geboren.

En die Koning heeft geen uitspraak gedaan...

Welnu,Ikzal opstaan, ik zal die uitspraak doen. Ik,Fancy!

Want ik heb u lief, u en uw zaak.

Te-vergeefs hebt ge u beroepen op staatslieden en koningen. Te-vergeefs op Christenen en menschelykheid. Koningen houden zich bezig met de gesp van de buikbanden hunner officieren. Koningen hebben geen tyd om u te hooren.

Staatslieden dryven handel in stemmen van Kamerleden en maken verhandelingen, waarin “zy zich de vryheid veroorloven, zich deze of geene vryheid te veroorloven.”6Staatslieden hebben geen tyd u te hooren.

Christenen zyn aan ’t twisten over het geloof. Christenen hebben geen tyd u te hooren.

En de menschelykheid! Eilieve, schryf eens een brief aan die menschelykheid, en zie of hy te-recht komt alszyschryven aan my, met het eenvoudige opschrift:Fancy! O, ’t is nietaltydnadeel, vleesch en been en bestaan te hebben! Het ware voor u te wenschen, dat de menschelykheid ponderabel ware, en adresselyk als ik!

Ik zal opstaan. Ik zal tot den koning gaan. Ik zal u antwoorden. Ik zal u aanhangen. Ik zal u doen overwinnen.

En de kracht tot dit alles? Wacht tot volle maan,Max, dan word ik geknipt...

Maar vergeef my intusschen dat ik maar een meisje ben, en leer my een en ander, als het waar is ten-minste, dat ge meerweet dan ik. Ik weet zeer weinig, en dit is natuurlyk ... door al die beddelakens.

Is het waar dat kousenweven is uitgevonden door de liefde? Hebt ge my niet lief genoeg om ’n machine uit-te-denken diehuishoudt?

Ach, m’n moeder is dood! Er is geen poëzie in ons huis. Alles is dor en droog en fatsoenlyk en vervelend. Ik heb veel te weinig geleerd. Leer me wat ... maar geen vormleer, die ken ik al. Als ’t noodig is, zal ik voor u sterven, maar dit komt nog minder voor dan schermen en zwemmen. ’t Is wèl vervelend!

Ik ben geestig, maar kan hier niets uitvoeren met m’n geest. ’t Oude kabinet kon ook de deur niet in, toen we hier kwamen wonen. ’t Staat nu te wachten by ’n uitdrager, tot we grooter “behuisd” zyn. En m’n hart is overkompleet. Ik geef het het u, “tot ik grooter behuisd ben maar ...” leer me wat, intusschen!

Sedert lang bemerkte ik dat er veel zaken zyn, die men niet zegt aan vrouwen. Ik heb ’n oom die altyd spreekt van “de” vrouw: “dit of dat dient niet aan de vrouw!” “Dat behoort niet tot het gebied der vrouw!” “Dat zegt men niet aandevrouw!”

Is “de” vrouwmenschof is zegeenmensch? Dat eeuwige “de” intrigeert me. Het doet me denken aan ’n zoölogische verhandeling over den jakhals ... ik “leer” m’n examen voor sekondante, dit merkte ge.

“De” jakhals leeft van den afvaldesleeuws. Het wyfje werpt...

Wat zoo’n wyfje werpt, gaat me niet aan. Maar dit vraag ik u: leeftdevrouw van den afvaldesmans?

Numoetge me wel antwoorden! Ik vraag u, me wat te leeren, opdat ik niet als ’n jakhals den leeuw hoef nateloopen, om te soupeeren van zyn diner.

Wacht overigens geduldig tot volle maan. Wist ge dat m’n haren ... ik word weer geroepen.

AAN FANCY.

Ze schryft dat ik my met u moet verzoenen. En al schreef ze dit niet, ik kàn niet anders!

Maar toch ben ik bedroefd. Iets leeren aanU!IkaanUietsleeren? O, ik honderdvoudige dwaas die meende dat ge bestondt, toenJehovahde fondamenten legde der wereld! Ik, die geloofde dat gy het wist, hoe de rechtheid der aarde was gemeten met ’n koord, en hoe de melodie klonk van het lied, dat de sterren zongen ter verheuging, den dag nadat zy gemaakt waren!

Ik, die dacht dat gy gebod hadt over den nacht, en den morgenstond z’n plaats aanweest!

Zyt gy ’t dan niet, die kracht geeft aan het paard, en die den Behemoth leidt met uwen vinger. Weet ge niet hoe zich de stralen van het licht splitsen, en kunt ge niet uitspreken het getal luchtgloben die rondassen in den orkaan? Vouwt ge niet bliksemen saam als halmen, en voert ge niet heerschappy over de weerlichten, dat zy zich verzamelen voor uwen voet, deemoedig geknakt zeggende: hier zyn wy.

MaarFancy, ik heb u toch lief, waarom heb ik u dan zoo lief,Fancy? Ik die niet tevreden ben met minder dan dat alles?

U iets leeren? Wat zal ik u leeren? Ik weet niets.

Ik ben gegaan tot myn vriend die in wysheid handelt. “Ze wil iets leeren, zei ik bedroefd, leen my iets uit uwen voorraad.”Hybracht my in de binnenkamer van z’n huis, en toonde my de schatten van kennis die hy verzameld had. Ik zag daar veel zwarte letteren, saemgevoegd op wit papier dat geel was. Ik hoorde daar de gesprekken der wyzen van alle eeuwen, en werd niet wyzer dan zy allen schynen geweest te zyn, want de meesten erkenden dat zy niets wisten, als ik. En die ’t niet erkenden, zagen er dommer uit dan de anderen.

Daar waren er, die in dikke boeken ’n god gemaakt hebben .. ’n god in Hebreeuwsch en Grieksch ... ’n god .. komaan, ik zal ’t u vertellen.

MaarFancy, ik doe dit niet om u te leeren watis, ik doe het om u—als gy ’t inderdaad niet weet, wat ik nog altyd niet gelooven kan—te leeren watnietis.

Er was eens niets!Waskomt vanwezen,zyn,bestaan. “Er was niets” beduidt dus: er bestond iets dat niet bestond.

En God, of de god...begrypt ge dit woord? ’t Is verwant metweten7.Dat hebben de ouden goed genaamd! Zoo is er meer dat, wèl bedoeld, verkeerd uitviel, en dit is veelal de schuld van de dominees,—indisch, egyptische, joodsche, dordsche en moderne,—die zelden dichters verstaan.

Die god dan maakte ’n zandkorrel met wat gedierte er op, ietsgrooter dan ’t gedierte op de stofjes die wy afslaan van onze schoenen, als we gewandeld hebben.

Wanneer zal ik met u wandelen,Fancy?

Onder dat gedierte was veel verschil. Er waren er, die staarten hadden, en gras aten. Anderen spraken-kwaad, en bezaten eigenliefde. Sommigen behoefden veel lucht. Eenige, water. Enkelen, rauw vleesch. En weer anderen konden niet leven zonder heerschappy. Deze laatsten hebben zelf gezegd—in ’t dikke boek dat ik u zenden zal—dat zy heer en meester zyn over alles wat bestaat. Ten hunnen behoeve bestond de visch, de vogel, de leeuw, de sprinkhaan, alles!

Maar niet alleen de overige diersoorten moesten onderdanig zyn aan de dieren die dat dikke boek maakten, ook de andere zandkorlen—want er waren er meer, en daaronder velen die toch eigenlyk grooter en belangryker waren—dienden alleen om die kleine korl te vermaken. ’t Geen ze deden, door er om heen te draaien.

Ik heb ’n muis gekend,Fancy! die in ’n Edammer kaas woonde. Ik kon dat beestje maar niet uit het kopje praten, dat het heelekaasmagazynwas opgericht, om hem te voorzien van ’n behoorlyk verblyf.

De dieren die baas-speelden over de kleine zandkorl, noemden zichMenschen, ’n woord dat zeker iets schoons aanduidde, maar waarvan in dit geval de beteekenis op alle manieren is verloren gegaan. Ik zal den wortel opzoeken, en u vertellen wat ik er van vind. Dit weet ik nu al, ’t is ’n indisch woord. Ik zal ’t verder nasporen by m’n vriend den boekverkooper.8

Menschendus! Straks zal ik u uitleggen hoe ook onder hen veel onderscheid heerschte, dat alweer neder kwam op verschil in gezag. Dit onderwerp ligt me na aan het hart.

Maar eerst wil ik U meedeelen, wat men van dien god gemaakt heeft. Kort na het scheppen van denmensch, liet hy dezen in ’n val loopen, en om nu denmenschte straffen voorzyn—namelyk: voorGods—arglistigheid, veroordeelde hy hem tot allerlei dingen, die deelsnietgebeurden, en deels toch zouden gebeurd zyn, als de mensch den strik was misgeloopen, dien de god hem gelegd had. De straf zou duren “ten eeuwige dage”, dit wil zeggen, dat zy eenmaal zou ophouden, en wel zoodra er iemand kwam die de schuld overnam. Vierduizend jaar wachtte de misdadiger, die zich had schuldig gemaakt aan de kwaadaardigheid van den god, tevergeefs op de toegezegde verlossing. Als ik zeg: dat hy wachtte, is dit weêr onjuist gesproken, maar ’t is heel moeilyk zich juistuit te drukken als men onjuiste dingen vertelt. De misdadiger wachtte eigenlyk volstrekt niet, want hy was in die vierduizend jaar reeds 100 of 120 malen verdoemd gestorven, en vervangen door anderen, die ook weer verdoemd stierven. Ten-laatste zond God ’n persoon “die de zonden der wereld zou dragen.” Toen was op-eenmaal alles goed! De slangen kregen vleugels, en ’t kraambed werd ’n ware uitspanning. Ook zweette men niet meer. Dat alles is zeerduidelyk, en wie ’t niet begrypt, is verdoemd.

Ziedaar ’n kort begrip van de leer der zaligheid.

Ik erken dat ik hier-en-daar wat heb overgeslagen, omdat ik ’t onfatsoenlyk vind alles te schryven aan ’n meisje ... zooals gezyt, helaas!

Maar als ge dit alles toch wilt weten—meisjes zyn zoo—dan kunt ge ’t nalezen in het dikke boek dat ik u zend, en waaruit veel kan geleerd worden door iemand die weten wil wat niet waar is. Is ’t u nu en dan om waarheid te doen, lees dan “Bernstein,boven lucht en wolken,” of koop werken vanStrootman,de Gelder, ofvan Swinden, schoon ge ook metdieheeren voorzichtig moet zyn. Want het isnietwaar dat een rechte lyn de kortste afstand tusschen twee puntenis, zooals ze leerden aan my toen ik ’n kleine jongen was, en nog niet mocht tegenspreken ...

—Dáár staat het! zeide men:Gezag!

—Een kind vraagt niet naar oorzaak of reden:Gezag!

—Een kind gehoorzaamt!Gezag!

Hierop nu wil ik terugkomen en ik deed deSchepping, deZondeval—ja wèl ’n val, ’n warepiège!—deVerdoemenisen deVerlossingwat kort af, om tyd te vinden voor ’n paar geschiedenissen, overgezagdie ik wensch te verhalen.


Back to IndexNext