Eerste Sprookje.

Schryven is afdruk nemen van de ziel.Als Publiek ziel heeft, laat hemzelf schryven.Heeft hy geen ziel, dan begrypt hy ook myngeschryfniet ... punctum!Maar er bestaat nog ’n reden die my de bibliotheek van m’n vriend doet schuwen als de pest. Ik ben inderdaad hoogmoedig en verwaand, en—ik verzeker u dit ernstig—het hoofdingrediënt van schryven of spreken is verwaandheid. Welnu, als ik veel boeken om my heen zie, laat ik my verlokken daarin het oog te slaan. Ik lees voort, vind gedurig iets dat ik niet wist ...word, vruchteloos tegenstrevend, overtuigd van onkunde, en weg is de verwaandheid die ik noodig heb om te schryven! Neem dit niet op als een sarkasme, als ironie, als scherts, als voorgewende nederigheid. Ik geef ’t u alseenvoudig waar, en ik ben zoo vry de menschen die voorwenden ’n anderen indruk te ondergaan, voor verwaander te houden dan myzelf.Ik denk altyd, wanneer ik iemand als spreker of schryver zie optreden: zou die man—’t spreekt vanzelf dat het altyd ’nmanis—zou die man nu inderdaad gelooven dat hy wat te zeggen heeft? Maar nooit doe ik deze vraag overluid, omdat ieder boos wordt, als men informeert naar z’n hoogmoed. Wanneer de menschen konden gebracht worden tot de erkentenis hunner verwaandheid, ware er veel gewonnen, want dan zouden ook de andere fouten blootliggen. Maar dit schynt zwaar te vallen. Altyd zyn er gaten in den mantel vanDiogenes. Ge weet dat ik beter vind den heelen mantel aftewerpen,“die man is hoogmoedig” beduidt eigenlyk: “Die man neemt de moeite niet, z’n hoogmoed te verbergen als wy?” Dat is, nòg eens overgezet: “hy loopt in z’n hemdsmouwen!”Wel zeker ... als ’t warm is! Of als men iets te doen heeft, waarby ’t opperkleed hindert, zooals by my dikwyls voorkomt. Ik heb geen tyd om nederig te schynen.Dat wegstoppen van aandoeningen is my te lastig op-den-duur. Ik heb meely met de menschen die hun geheel leven door souffreeren aan de nooit erkende obstruktie van eigenwaan, ’t is om te bersten!Ook zou ik vreezen onoprecht te worden in geheel omgekeerden zin. Wie zegt me of ik niet door dat kunstmatig en nooit gelukkend wegwringen myner deugd, wat ondeugd zou verbergen met-een? Laat ons maar altyd zeggen wat we meenen wáár te zyn, en het opgeven voor beter, ’t Iseenvoudigalweer, zoo als ge ziet.Bovendien er steekt veel hoogmoed in dat geklaag over hoogmoed. ’t Isdépitover al de verloren moeite die men zich getroost om ’n doel te bereiken, dat zonder schade wordt verwaarloosd door ’n ander.Christusverbergde zyn hoogmoedniet. Hy verwaardigde zichniet, iets wegtestoppen. “Ik ben de weg, de waarheid en het leven, wie My gezien heeft, heeft den Vader gezien!” Als hy ditmeende, had hy gelyk het tezeggen. ’t Stond aan ’n ander, hem tegen te spreken, en des-verkiezende te betoogen, dat hy trekvaart, leugen en dood was. Maar wat ik minder schoon vind inJezusis dat hy niet met dezelfde rondheid zei wat er aan hem ontbrak. Ik erken echter dat er meer moed noodig is omgoedte spreken van zichzelf dankwaad, en daarChristushet eerstedurfde, zou hy ook moed gehad hebben tot het laatste ... als het te-onpas gekomen ware. Waarschynlyk dacht hy dat de Farizeeën ’t wel voor hem zouden doen, en hierin dacht hy juist. Dit is nòg zoo.Moedom hoogmoedig te wezen? Welzeker!—Wie durft die bres bestormen? roept de bevelhebber.—Ik! zegt ’nhoogmoedige, die zich schynt te houden voor den braafsten man van ’t regiment.Maar toen hy “Ik” riep, wist hy dat er zou geantwoord worden:—Ga dan, en bestorm de bres!En hygaat! Want ik weet niet van wie “Ik!” roepen ennietgaan. Dit zou gehuichelde hoogmoed wezen, en ik trek alleen party voor deware. Och,Tine, al deze dingen zyn heel eenvoudig. Ieder weet ze, maar wy denken er niet aan, omdat we te veel zyn opgevoed en begodsdienst. Om wys te worden, heeft men niet veel te leeren, er moet maar een-en-ander wordenafgeleerd. Het uitroeien van één vooroordeel is meer waard dan ’t bedenken van tien nieuwe stelsels.Voltaire—met wien ik lang niet in alles eens ben, dat weet ge—Voltaireis ’n prul in de oogen vanKantianen,Hegelianen,Spinozisten,CartezianenenLeibnitzers. Waarom? Omdat hy niets heeft gezegd wat niet ieder kan begrypen, en omdat hy geenstelselheeft saamgeknoeid ... wat hy toch met zyn vernuft heel goed hadkunnendoen. Hy toont aan:wat niet waar is, en dat willen de menschen niet, tenzy men hun iets anders in de plaats vertelle, dat evenmin waar hoeft te wezen. Men hongert naar leugen. Zoodra ik ’n slecht mensch word, ga ik aan ’t systeem-maken. Ik zie er best kans toe ... ze komen er goed af! Ik wacht ’n standbeeld, met een opschrift ... ja zoo:STA VICTOR.DIT VERBEELDTDE MANDIEBETER HAD KUNNEN LIEGENDAN IEDER ANDER, ALSHY GEWILDHAD.Maar,Tine, om dan konsekwent te zyn, moet men veel andere standbeelden omverhalen.Ik ben in ’n andere kamer gevlucht, waarboven slechts gemangeld wordt: g.....! Ik heb ’n kolonel van de marine gekend, die ’n premie uitloofde voor ’n nieuwen vloek! O, ik begryp dien kolonel! Daar kryg ik weer brieven ... lees zelf, en oordeel. Wat willen ze toch?Ieder biedt me allerlei dingen aan, die ik niet noodig heb, maar niemand schynt te willen deelnemen in den moeielyken stryd dien ik voer. ’t Is zonderling!VAN EEN MEISJE.Dierbare broeder inChristus!Ja, ge zyt my dierbaar, al sluit ge uw oor ................30VAN EEN ANDER MEISJE.31VAN EEN DOMINE.Broeder!Uit innig gevoel des harten voel ik me gedrongen, u te verzoeken, my toetestaan persoonlyk kennis met u te maken. Ik ben van plan, morgen, na de preek, terstond naar Amsterdam te gaan, en by u myn bef en broek te komen afleggen, om met u te spreken over ’t geloof. Ge zyt op ’n goeden weg. Ge zyt een te goed mensch: om niet te gelooven als ik. Lees maar na ...32VAN EEN ANDEREN DOMINE.33AAN TINE.Ik ben vermoeid, lieve! Wees niet boos dat ik zoo weinig schryf. Ik kan u niets zenden. Tracht maar voltehouden. ’t Zal niet altyd zoo blyven. Maar vermoeid ben ik, dat is waar.Verbeeld u ... ze hebben zich in het hoofd gezet dat ik ’nschryverben, en dat ik moet schryvenvoor den kost! Ze verwarren my met dienMultatuli.Schryven voor den kost!’t Doet me denken aanDon Juan, die zóó’n pleizier vond in het praten van dien armen Mr.Dimanche, dat hy verzuimde te antwoorden op diens verzoek om betaling van de rekening.Ik heb geenMolieremeer ... achTine... onzeboeken! Weet ge nog wel dat we eens boeken hadden, en ’n huis? En dat we menschen binnenriepen die ergeenhadden? ’t Is toch zonderling ...nog dikwyls vraag ik mezelf: hoe komt het toch dat we geen huis hebben? ’t Is heel dom ... ik lyk kleineMaxwel, met z’n gekke vragen. Ik heb moeite om niet afgunstig te zyn, als ik denk aan zoovelen die wonen kunnen. En meestal ... maar ik zal u liever wat vertellen vanDon Juan. ’t Is heel goed dat ik geenMolieremeer heb. Dan zou ik misschien naschryven, en dit verveelt me zoo.Don Juanis dik en vet als betaamt. MaarDimancheis mager.—M’n huisgezin is in nood, o edeleDon Juan! Ge weet wat ik voor u gedaan heb ...—Goed gesproken, lieveDimanche, ga zitten!—Ik dank u voor ’t zitten, heerJan... ik wenschte dat ge deze rekening ...—Uw rekening is verrukkelyk. Ga voort! Mag ik u ’n snuifjen aanbieden?—Ik dank u voor ’t snuiven.Don Juan... maar zie deze rekening, en ...—Weet ge wel dat ge een goede hand schryft, o universeeleDimanche! Ik benoem u tot myn secretaris ... dan kunt ge schryven voor my!—Ik dank u voor ’t schryven, heerRidder, doch m’n gezin lydt gebrek ... en om-uwentwil zouden wy ...—Gebrek?...Lyden...Gebreklyden?... O heerlyk schoon verbond van diep gevoelde klanken ... Ik zeg ... ik gloei ... ik wil ... ik weet zelf niet wat ik wil, maar ’t doet er niets toe ... de uitdrukking is prachtig! Doe my ’t genoegen, en zeg dat nog eens.—Wy lyden gebrek, o heer ..,—Goddelyk! Wat ’n leven ... wat ’n gloed ... wat ’n vuur! Ik verhef u tot m’n lyfdichter. Ga voort, welsprekendeDimanche!—Ik dank u voor ’t dichten, heerGrande... ik meende dat gy ... om godswil, bedenk dat wy sterven ... en bovendien, ik heb schulden ... ik kan niet betalen ... en nu zegt men datikoneerlyk ben ... terwylgy... bedenk heer,Ridder,Jan,Juan,Grande... hoe moet ik u aanspreken om verstaan te worden?Don Juan... o god ... wy sterven, en men zegt dat ik ...—Sterven?... verheven denkbeeld! Maar ’t is onjuist ... vriendDimanche! Ge laat u door geestdrift vervoeren tot onnauwkeurigheid.Sterven?Gymet uw talent van voordracht?Sterven?Gy?... met zoo’n schrift? Onmogelyk,Dimanche! Ziehier! IkDon Juan... ik schenk u ... neem aan!.. . wees niet beschaamd ... ik ben ’t schuldig ... ik schenk u,ex plenitudine potestatis... begrypt ge dat?—Ach neen ... maar m’n rekening ...—Ik schenk u deonsterfelykheid!Leporello, wilje m’nheer uitlaten?Ik weet niet of ’t precies zoo staat byMoliere, ook niet ofDimanchenog tyd heeft om te antwoorden: “ik dank u,Don Juan...Publiek, voor uw onsterfelykheid!” maar me dunkt, ik zie den sukkel zoo bedroefd weggaan, om aan vrouw en kinderen onsterfelykheid thuis te brengen, in plaats van ’t verwachte brood om niet te sterven!En dan vraag ik, of er ook in dien tyd rustende Gouverneurs-generaal waren, met ongestoorde levensdigestie en zwygende gewetens?Moliereschreef aardig, maar hy had te weinigdonnées. Hy was ’n kind van z’n tyd en z’n tyd was eenvoudig.Ikschryvenvoor den kost ... voor geld?OnzeNonniis nu pas vier jaar .., stel u eens voor, dat ze later ... voor geld ... o god!Houd u staande, lieveTine, zoo goed mogelyk! Heb ik u reeds geschreven dat ik een brief zond aan den minister? Hy is ’n welwillend mensch ... hy zal zeker antwoorden. Ik heb hem daarin niets gezegd van den nood waarin we verkeeren. Dit zou niet goed wezen, want dan zou hy ons helpen uit medelyden. Was ik nu maar aan den drank, dan waren we gered! Ja, dan kon ik beterschap beloven, en waarachtig—zóó zyn ministers en menschen—als men beterschap belooft, wordt men meestal geholpen.—Rechtvaardigheid is duurder dan vergiffenis, en als ze niet zoo’n leven maakten boven m’n hoofd, zou ik u uitleggen waarom.Maar de zaak is nu juist omgekeerd, en hierom vrees ik dat m’n schryven niet baten zal. Door myn bod aantenemen, zoude Regeering beterschap beloven... en deze belofte valt zwaar aan wien ’t niet meenen kan. Maar ik denk toch wel dat ik antwoord zal krygen ...Er is nu ’n nieuwe Gouverneur-generaal benoemd.34Hy wordt geprezen of gelaakt, al naar men behoort tot de party van behoud of van oppositie. Maar dit moet ge nu zoobegrypen, dat de behouders opponeeren voor ’t moment, en dat de oppositie nu behouden wil. Ik zou u dit kunnen uitleggen, maar ’t is beneden uw aandacht. Wacht tot ik m’n brief aan de kiezers afmaak. Als ge ’t dan goed begrypt, zyt ge niets wyzer. De hoofdzaak komt hierop neer, dat die nieuwe Landvoogd wel wat gelykt op den “laatst-aangekomene” in een kleinstad. Elkecliqueroept hem toe: “ge zult immers totonsbehooren? Laat u toch volstrekt niet in met al ’t canalje van die andere societeit! ’t Is hier goed lezen ... als ge maar niet omgaat met de A’s en de B’s en de C’s....Al die initialen, samengevoegd, maken ’n kompleet adresboek van de kleinstad.Eén ding echter heeft me byzonder getroffen. Van de weinigen die niet schynen te behooren tot ’n politieke party, en toch eenigszins achtslaan op de publieke zaak, verneem ik dat de “nieuwaangekomene” groote verdiensten heeft. Nu vraag ik hoe ’t komt, dat deze verdiensten niet voorlang reeds ten nutte van het algemeen zyn aangewend, daar de man toch niet meer jong is? Waarom heeft men tot-nog-toe geen—of maar zeer onbeduidende—betrekkingen opgedragen aan iemand van zóóveel kennis, zóóveel integriteit, zóóveel karakter, zóóveelgenie... had ik byna gezegd? Ziet ge, daarvan begryp ik weer niets. Wie heeft al die Amerika’s ontdekt? Hoe heeft de man het aangelegd, om al die gaven zoolang schuil te houden?Hy is geweest:Griffier der Staten van Gelderland. Is ’t niet jammer dat men iemand die thans geacht wordt op de hoogte te staan van ’tONDERKONINKSCHAP VAN INSULINDE, op de hoogte dus van deBELANGRYKSTE BETREKKING IN DEN STAAT... is ’t niet jammer, vraag ik, dat die man is gebruikt tot het maken van die processen-verbaal der zittingen van de Geldersche Staten? Dat mendienman heeft belast met het opschryven der redekavelingen van anderen? Daartoe wasikte goed, lang voor ik u kende. Die man moet byzonder nederig zyn.Wanneer hy op de hoogte staat zyner schoone roeping—en ik heb geen andere reden hieraan te twyfelen dan voornamelyk die nederigheid (zieGöthe,in voce: “bescheidenheid”) en voorts dealgemeenereden die ’t juisttreffen in deze zaak zoo moeielyk maakt—welnualshy op de hoogte van z’n taak is, dan hadden de Geldersche Staten, kollectief of individueel, zich zeer vereerd moeten achten, heel nauwkeurig en eerbiedig op-te-schryven, wathyzou gelieven te zeggen. Maar ... omgekeerd, is ’t ’n gruwel.En zie nu eens weer, hoe zonderling! Men zou toch geen koetspaard spannen voor ’n kar. Moet ik nu gelooven dat men beter weet omtegaan met paarden en karren, dan metmenscheninInsulinde? Zoo schynt het, waarachtig!Maar, zeggen ze, hy is niet alleengriffier geweest. Hy isconcessionaris geweestvan ’n spoorweg, die er nietgeweestis, en daarna werd hy ter schadeloosstelling benoemd tot president van den Raad van toezicht over spoorwegen, die er tot heden toe nietgeweestzyn.De slotsom is, dat hy eigenlykniets geweestis.Ei,Nederland, hebt ge groote mannen te veel, dat ge ze ongebruikt laat? Dit is niet huishoudelyk.Ach, ik herinner me dat ook de laatstvoorgaande Gouverneur-generaal,die zich nu bezighoudt met rusten, byzonder geprezen werd! Ik heb neiging tot sympathie voor dentegenwoordigen, al bleek het nooit.35Ja, ik wou u graag wat zenden, myn kind, maar hoe kom ik er aan? Schryven voor geld? Aan wien? Wat? Moet ik schryven aan menschen die niet lezen kunnen? Na ’t boek vanMultatuliheb ik eigenlyk niets te zeggen. Ik wacht antwoord, en ik dacht ...Ziehier wat deTielsche Courantschreef ... had ik geen recht op antwoord van de natie?IS NEDERLAND EEN ROOFSTAAT.»Vier maanden zijn reeds voorbijgegaan, sinds Multatuli, een oud-Oost-Indisch ambtenaar,—naar hij beweert, miskend, vervolgd en tot aftredinggedwongendoor zijne superieuren, in zijn »Max Havelaar of de koffiveilingen der Ned. Handelmaatschappij,» de gezaghebbers in onze Oost-Indische koloniën openlijk aanklaagde dat zij hun pligt verzaken, hun eed schenden, de stem der menschelijkheid en der godsdienst, van het geweten en de eer smoren,—dat zij de Javanen, wier bescherming hun is opgedragen, met lafhartigheid, maar vooral ook uiteigen belang, willens en wetens, ten prooi laten aan de knevelarijen en afpersingen hunner hoofden, dat zij hen stelselmatig laten vertrappen en uitzuigen inonzennaam, en gelijk het heet, totonsvoordeel—dat zij valsche rapporten uitbrengen om het moederland van dien ons onteerenden toestand onkundig te laten,—en dat zij den zeldzamen ambtenaar, die zich niet tot hun medeplichtige leenen, maar zijn eed gestand doen, en zijn plicht volbrengen wil, tegenwerken, verdacht maken, vervolgen, ontslaan.Ontzettende beschuldiging voorwaar! Zoo zij gegrond ware, zoo de schatten, die ons uit onze koloniën, toestroomen, slechts verkregen werden ten koste van het zweet en het bloed onzer Javaansche broeders, dan zouden wij met den schrijver moeten uitroepen, dat Nederland den naam van “roofstaat” verdient, dan zou ons eene wonde zijn ontdekt, waarvan de diepte bijna niet te peilen, de genezing niet genoeg te bespoedigen zou zijn!Maar is die beschuldiging gegrond?Als Nederlander, als mensch, valt het moeilijk het te gelooven. Doch aan den anderen kant (en wij beroepen ons hier op allen, die den »Max Havelaar» gelezen hebben) de schrijver heeft niets wat aan een lasteraar zou kunnen doen denken; hij slaat eentoon aan, die overreedtniet alleen, maar die ook overtuigt, die aan zijne waarheidsliefde bijna nietkandoen twijfelen; hij deeltfeitenmede, gelijk alleen een ooggetuige, en eenwaarheidzoekendooggetuige, ze mededeelen kan; hij verklaart alles te kunnenbewijzen, hij duidt de schuldigen als met den vinger aan36en tart hen uit, hem van eene enkele onwaarheid te overtuigen.Als wij dus de vraag herhalen: »is die beschuldiging gegrond?» dan moeten wij antwoorden: »wij durven noch bevestigen noch ontkennen.” Een zeer onbevredigend antwoord voorzeker! Want de zekerheid van het nietbestaan der kwaal zou ons gerust stellen; de zekerheid van haar bestaan zou de genezing mogelijk maken; de onzekerheid alleen doemt tot vrees en tot werkeloosheid.Waarom zwijgen zij, die de waarheid kennen? Waarom laten zij ons, vier lange maanden in de onzekerheid?Oud-Gouverneurs-Generaal,Oud-Residenten,Oud-Assistent-Residenten, gij allen die door Multatuli zijt beschuldigd, breekt het stilzwijgen af! Het vaderland verlangt het, uwe eer vordert het! Hoe? Multatuli werpt als in het voorbijgaan, zonder opzet en uit onbedachtzame jacht op geestigheid, een smet op de edele zendelingszaak, en dadelijk treedt voor haar een kampioen op, ridderlijk loyaal, met open vizier, om hem voldoening te vragen37engy, die hij, niet in ’t voorbijgaan, maar zonder ophouden, opzettelyk trof,gy, die hij kwetste op de plaats, waar mannen van eer het gevoeligst zijn, gij zoudt voortgaan met zwijgen, gij zoudt u als weêrloos laten slaan, als eerloos, laten beleedigen, gij zoudt de smet laten kleven op uwe namen? U is een handschoen toegeworpen, openlijk voor ’t oog der gansche natie, bij het klaar licht der eeuw der openbaarheid; raapt hem op! treedt in het strijdperk! Vier maanden38zijn voldoende geweest, om uwe wapenen in orde te brengen.—Gij zijt gedagvaard voor de regtbank der openbare meening, verschijnt voor de balie! Vier maanden zijn u voldoende geweest om uwe verdediging voor te bereiden. Zoo gij onschuldig zijt, stelt ons gerust! Zijt gij schuldig, bekent dan schuld en geeft ons gelegenheid het kwaad te herstellen door u bedreven inonzennaam!Tweede Kamer der Staten-Generaal!de handhaving van de eer der natie behoort tot uwe roeping. Als zij, die in ’t bezit zijn van de waarheid, voortgaan met hun majestueus stilzwijgen, interpelleer dan den verantwoordelijken man, die door zijn post tot spreken geroepen is. Vraag den Minister van Koloniën, of Neêrlands eer in de O. Indiën met voeten getreden wordt!Volk van Nederland.Eerlijk volk, christelijk volk! blijft niet onverschillig in deze zaak. Het zijnuwebroeders, die niet totuwvoordeel, maar totuweschande, zouden worden vertrapt en uitgezogen inuwennaam. Gij hebt regt om te weten of die aanklagt gegrond of valsch, of uwe eer bevlekt of zuiver is! Gij hebt regt om te eischen, dat er een einde kome aan die onzekerheid, waaringij wordt gelaten. Het is beter het ergste te hooren, dan niets. Het is geen schande krank te zijn, maar het is schandelijk, om, als men u toeroept:«Gij zijt ziek!» onverschillig te blijven, en zonder naar uw vermeende kwaal onderzoek te doen, in flaauwheid den tijd tot herstel geschikt te laten voorbijgaan. Als het zwijgen der O.-Indische ambtenaren mogt voortduren, als ook uwe Vertegenwoordigers onverschillig mogten blijven, herinnert u dan, dat gij geregeerd wordt door een Koning, die het licht lief heeft, en de duisternis haat.Ga vrijmoedig tot hem, en zeg aan den Keizer van Insulinde:«Sire, laat een onderzoek instellen! Geef ons licht! Als Multatuli een valsch aanklager is, laat ons dan weten, dat Nederlands eer onbezoedeld is gebleven,—zoo hij de waarheid heeft doen hooren, herstel hem dan in zijne eer39den edelen Max Havelaar, straf de schuldigen, en neem de misbruiken weg.»Dagbladpers van Nederland, ondersteun onze pogingen! Laat niet af, met gelijk wij te vragen omlicht, dat ons in plaats van de vraag: «Is Nederland een roofstaat?» den kreet zal kunnen doen uiten: «Nederland is Goddank geen roofstaat!» of wel: «Nederland wil met Gods hulp ophouden een roofstaat te zijn!»In die merkwaardige zitting der Tweede Kamer, waarin onze volksvertegenwoordigers zoo treffend hebben getoond hunne roeping te begrijpen, waarin zij openlijk hebben gebroken met dat misbruik, dat het antwoord op de Troonrede verlaagt tot een loutere echo van de woorden der Regering, is ook (al werd de naam zelf angstvallig vermeden) de «Max Havelaar» ter sprake gebragt, en heeft een der leden der Tweede Kamer,indat boek zwaar beschuldigd,overdat boek het woord gevoerd.40De aanleiding daartoe werd gegeven door de HH. van Hoëvell en Myer. Eerstgenoemde constateerde het door ons reeds aangewezen feit «DAT DOOR DAT BOEK EENE ZEKERE RILLING DOOR HET LAND GEGAAN EN GROOTE ONGERUSTHEID, JA, VERONTWAARDIGING IN VELER GEMOED ONTSTAAN WAS,» en zag in die, door de Tweede Kamer niet beaamde zinsnede der Regeeringsboodschap: «de toestand der overzeesche bezittingen is in alle opzigten bevredigend» een door den Minister van Koloniënte vergeefsaangewend middel om die ongerustheid en die verontwaardiging weg te nemen. Laatstgemelde (op wiens rede wij straks nog zullen terugkomen) constateerde ook het feit, dat er in dat werk sommige personen—en wel bij name een oud-landvoogd—zwaar worden beschuldigd.41Wat mogt men nu verwachten toen deze laatste, de heer Duymaer van Twist, het woord opnam? Dat hij zichthansvan de aanklagt zou zuiveren? Geenszins: zoo iets kon niet te pas komen bij eene discussie over het antwoord op de Troonrede. Doch men had althans mogen verwachten, dat spreker zich onthouden zou van die ons onbegrijpelijke verklaring, dat hij Multatuli nooit weerleggen zal—eene verklaring, die, schoon niet met ronde woorden uitgesproken, evenwelmoetworden afgeleid uit sprekers ondubbelzinnige woorden: «ik meen dat uit ’t geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen, voor mij geen verpligting tot verantwoording kan ontstaan.»Voor zooverre nu een voortdurend stilzwijgen alleen de eer van de beschuldigden in gevaar zou kunnen brengen, is hethunnezaak: wij zijn niet geroepen voor particuliere belangen op te treden. Doch de «Max Havelaar» heeft ook door gansch Nederland ongerustheid en verontwaardiging verwekt. Dit is een feit dat niet kan worden geloochend, en nog daar te boven door den heer van Hoëvell in ’t openbaar is geconstateerd. Uit dit feit nu vloeit onmiddellijk voort, dat ieder Nederlander, die de ongerustheidkanwegnemen,verplichtis om dat te doen. Kan dan één hunner zich van dien pligt ontslaan door de verklaring: «dat uit ’t geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen,voor hemgeene verpligting tot verantwoording ontstaan kan?» Wij betwijfelen het.Vreemdsoortig is ook het argument, waarmede de heer D. v. T. dat stilzwijgen schijnt te willen regtvaardigen. «Ik meen,» zeide hij, «dat ’t geen ik over dat boek zou kunnen zeggen, den schijn van partijdigheidniet zou kunnen ontgaan.»Dit is eene overdrevene kieschheid. Waar het verdediging geldt, kan het verwijt van partijdigheid niet treffen. Een advokaat b.v. kan in zijn pleidooien nooit den schijn van partijdigheid ontgaan; hij is partijdig reeds daarom, omdat hij voor eene bepaalde partij optreedt. Is hij daarom verpligt of zelfs gerechtigd een deftig stilzwijgen te bewaren?Ook na de verklaring van den heer Duymaer v. Twist, blijven wij dus volharden bij ons vroeger ontwikkeld gevoelen, dat de aangeklaagden het stilzwijgen, dathunneeer en het geluk van Nederland in de waagschaal stelt, behooren af te breken. Zij kunnen er niets bij verliezen, en (zoo zij ten minste—wat wij nog altijd hopen—onschuldig zijn) alles bij winnen. Hoe langer zij dat uitstellen, hoe meer het vertrouwen van hen, die het slechte liefst niet geloovende, hen voor onschuldig houden, zal geschokt worden, en bleven zij zwijgen tot het einde toe, dan zouden wij vreezen, dat ook hier weder de openbare meening (waaraan hun toch zeker wel iets zou gelegen liggen) vonnissen zoude, volgens den ouden regel:ZWIJGEN IS TOESTEMMEN!42Laathen dat resultaat voorkomen, terwijl het nog tijd is! Laat hen vooral den eisch der eeuw niet vergeten! Onze 19deeeuw heeft nu eenmaal geen behagen in de duisternis; zij begint met om licht tevragen; wordt het geweigerd, daneischtzij het en weet het te verschaffen.Eindelijk nog iets over de redevoering van den heer Myer. Het doel van dezen spreker was, gelijk hij zeide,nietom de aangeklaagden te verdedigen (’t geen hij en teregt, aan hen zelven overliet). Van dit programma week hij niet af, toen hij een feit mededeelde, waaruit blijken moest en ook werkelijk blijkt, dat ersomsin Oost-Indië regt wordt gedaan en het onregt gestraft. Want dit feit, hoe waar ook, verzwakt in geenen deele de aanklagt van Multatuli. Dat erSOMSregt geschiedt, is nog geen reden om over het voorkomende onregt heen te stappen. Op dit gebied wordt geen compensatie toegestaan. In de18deeeuw zijn er in Frankrijk misschien duizende rechtvaardige vonnissen geveld; toch zal dit de verontwaardiging over den gerechtelijken moord van Jean Calas niet verminderen? Zoo het bleek, dat Multatuli’s klacht gegrond was, dan zou alleen de mogelijkheid, dat er zulke schreeuwendeonregtvaardighedenkunnengebeuren, (’t zij dan stelselmatig of niet) reeds eene onverwijlde hervorming in het O.-Indisch bestuur noodzakelijk maken. En als de heer Myer, toegevende dat er in Oost-Indiën misbruiken bestaan, beweert, dat die in alle Oostersche Staten worden aangetroffen, dan antwoorden wij dat het dan hoog tijd is, om eens te beproeven of er ook een Oostersch volkzonderonregt kan geregeerd worden, en dat in elk geval Nederland geen deel wil hebben aan schatten ten koste van het regt verkregen.Maar wèl week de heer Myer van zijn programma af, toen hij deze woorden uitsprak: »ik kan begrijpen dat een werk in eenen zoo schoonen, wegslependen stijl en met zooveel talent geschreven,op vele onkundigen en ligtgeloovigen, of bij dezulken die gaarne aannemen wat ten nadeele van het bestuur in N.-Indië gezegd wordt, een ongunstigen indruk heeft gemaakt.” Dit is eeneSeitenhiebop «Max Havelaar» dien wij betreuren, want de schrijver—al dwaalt hij welligt ook in zijne voorstellingen—behoort toch ongetwijfeld tot die weinige mannen, die aan het algemeen belang boven het eigenbelang de voorkeur gevende, voor eenein hunne oogengoede zaak, hunne carrière hebben opgeofferd en den haat der grooten hebben getrotseerd. Het is ook een aanval op ons, en op allen die met ons uit den«Max Havelaar» stof tot ongerustheid hebben geput; wij ongerusten moeten volgens die voorstelling òfdomòfslechtzijn. Wij achten ons niet verplicht de insinuatie te weerleggen.Integendeel, wij nemen ze aan. Wij zullen doen als de Geuzen en den scheldnaam aangrijpen! Welaan dan! Wij behooren tot die turbe van onkundigen en ligtgeloovigen! Wij zijn verleid, verblind!... Maar geeft ons dan tegengift, gij, oud-ambtenaren, die dat tegengift bewaart! Of zult gij onmenschelijk genoeg zijn spottende uit te roepen: zij zijn vergiftigd en ons dan het tegengift weigeren? Wijzijndom, onkundig, lichtgeloovig, al wat gij maar wilt? Zult gij dan nog voortgaan ons uw licht te onthouden?...Misschien hecht men weinig aan ons oordeel, en blijft ons vernieuwd verzoek om licht, nog door geen ander dagblad ondersteund, zonder uitwerking. Bedenke men dan, dat het altijd onvoorzichtig is een vonk te verachten, omdat hij slechts vonk is, vergetende, dat hij een vlam kan worden!»43Helaas, helaas, niemand antwoordt! Als ik eens aan den Koning schreef? Dit dééd ik ... tweemalen reeds! Hy heeft niet geantwoord. EnMultatulizond hem z’n boek over de veilingen! Zou de Koning ’t gelezen hebben? Zeker!Dan immers had hy gezegd:IK WIL WETEN OF DIT ALLES WAAR IS!Ja, dan zou hy me geroepen hebben, en ik had hem getoond:DAT ALLES WAAR IS!Ik ben bedroefd dat ik u niets kan zenden,Tine! Tracht nog wat uit te houden ... misschien antwoordt de minister. Leidt de kinderen wat af, als ze vragen ... o god!Ik ben moe.VAN TINE AAN FANCY.Fancy... ik smeek u ... kom hem te-hulp! ...AAN TINE.Ik heb u in lang niet geschreven, omdat ik ... omdat ik ... ik weet het niet. Ik geloof dat ik niet wèl ben. ’t Zal wel overgaan. Houd u maar goed, myn kind. Vraag aan dien man van ’t huis waarinMultatulidat boek schreef. Hy zal u wel wat eten geven voor de kinderen,..VAN TINE AAN FANCY.Fancy!VAN TINE.BesteMax! Wees maar opgeruimd,alles gaat heel goed. De kinderen zyn volmaakt wèl, àl te vrolyk eigenlyk, al te dartel! Zy zien wat bleek ... maar dat komt van ’t wisselen. Zy eten als wolven. Wees gerust, Max. Ook ik ben wèl, héél wel, en goed gestemd ... we wandelen veel ... o, ge moest het zien ... zoo levenslustig!VAN TINE AAN FANCY.Fancy... om-godswil ...Fancy!AAN TINE.Zóó! Dán is ’t goed. Ik dacht dat ge in grooten nood waart. Dit is zoo niet, zegt ge, dan is alles goed! Wat my betreft, ik word nog geplaagd door dien droom over leegte ... zonderling! Ik drink te veel koffi misschien. Nog gedurig kryg ik zotte brieven...Ik heb ’n bezoek gehad van dien domine. Hy heeft een paar uur by me gezeten. Hy wilde dat ik zyn geloof aannam. ’t Was zoo jammer, zeid-i dat ik geen Christen was, overigens was ikzoo’n goed mensch. Dan is ’t veranderen de moeite niet waard, dacht ik. Maar ’n paar dagen later schreef hy, dat-i zooveel kwaads van me gehoord had, en dat ik verdoemd was. In-godsnaam.Ik kan u niets zenden, lieveTine! ’t Doet me innig genoegen dat uw brief zoo vrolyk is, en dat de kinderen wèl zyn. Dat beurt me wat op. Ik was ’n beetje moe. Maar ik wilde toch dat ik u wat zenden kon, want me dunkt ... hoe maakt ge ’t toch?Ik wou zoo graag dat ik ’n ambacht verstond ... maar’tmoest iets wezen, waarby weinig of niets te denken viel. ’t Denken wilde ik graag voor óns houden. Vindt ge ook niet? Ik zou wel boekbinder willen wezen ... neen, tòch niet, dat is te verleidelyk. Maar steenzagen zou wel gaan, als ik daartoe sterk genoeg was. Ik vrees neen, want ik ben wat uitgeput. We zouden van zoo’n ambacht wel kunnen leven, dunkt me, als we maar geen schulden hadden. Maar ze zouden my de zaag afnemen ... neen, de wet waarborgt ieder het bezit van de gereedschappen, die noodig zyn voor z’n bedryf. Ook van dekleêrtjesdie de kinderenaanhebben... om de decentie, denk ik. Dat is toch lief van de wet.Maar allietmen my de zaag, ik kan daarmee niet genoeg verdienen om onze schulden te betalen. En als ik klaag, antwoorden ze:schryf!O, aanUschryven,.. dit is wat anders! Wilt ge dat ik wat schryf aanU? Wilt ge dat ikUiets vertel ... sprookjes, geschiedenissen ... heel graag,Tine! Ik zal gauw wat voor u maken, maar vertel ze niet aan kleinenMax. Hy begrypt ze niet ... evenmin als groote menschen, al heeft hy dan by ’tnietbegrypen geen belang.Eerste Sprookje.Een netgekleed heer, goudgekettingd en tevreden, wandelde langs een der grachten vanAmsterdam. Hy was in de stad voor “zaken”. Straks zult ge zien, wèlke zaken. Daar wandelde voor hem uit, een dame met haar kind. Door ik weet niet welk toeval, viel het kind in ’t water. De moeder gaf een gil ... en sprong het kind na, dat zy redde.De man van zaken zag het aan, haalde z’n zakboek uit, en maakte zich gereed daarin iets opteschryven.—Mevrouw, mag ik zoo vry zyn, uw naam en adres te vragen?—Myn kind, myn kind, ik heb m’n kind terug!—Zeer wel, maar mag ik zoo vry wezen...—Ik heb m’n kind terug, herhaalde de hoofdige moeder, die niet begreep dat men haar vragen kon naar iets anders dan haar kind.—Met die vrouw is niets te beginnen, bromde de nieuwsgierige vrager. Eilieve, vriendje, ik zal u ruim beloonen, als ge my morgen den naam en ’t adres opgeeft van die dame.Zóó vraagde de vreemdeling aan een der omstanders, en ’t schynt dat hy ditmaal te weten kwam wat hy begeerde te weten. Althans hy liet zich den volgenden dag aandienen by de gelukkige moeder.—Mevrouw, ik had de eer tegenwoordig te zyn...—O, waart ge dáár, mynheer? Hebt gy ’t gezien? Ik zag niets, ik hoorde niets, ik sprong...—Verschoon my, mevrouw, ik heb gehoord...—Gehoord?—Ja, mevrouw, Ik heb gehoord hoe ge...—Gehoord?Wàt toch?—Ik heb gehoord hoe gygegildheb, mevrouw ... ik kom u ’n engagement aanbieden by ’t theater.Arme moeder!Die man was ’nimpressariodie sujetten zocht. Hy heettePubliek.Tweede Sprookje.Chresoswoonde inBeotie. Van beroep was hy burgemeester van ’n dorpje welks naam ik niet weet. Ook kan ik u niet zeggen hoe hy verdwaald raakte inBeotie, daar z’n familie thuis hoorde in Athene ... ja, ik meende zelfs dat hy verwant was aanAlcibiades, een te vroeg geboren Franschman.Chresoswas ’n goed mensch, en leefde tevreden. Hy zorgde voor z’n dorpje zoo goed hy kon, en vermaakte zich in ledige oogenblikken met spelen op de luit. Maar dit deed hy alleen in huis, en nooit viel hy iemand lastig met z’n muziek.En zie, daar kwamen roovers die geweld-deden aan de bewoners van ’t dorpje, waarChresosgezag had. Hy legde z’n luit neer, en trachtte de roovers te verjagen. Men zeide hem, dat hy dit niet had moeten doen, omdat de roovers onder de bescherming stonden van den magistraat in de hoofdstad.MaarChresosgeloofde dit niet, omdat hy ’t àl te erg vond.Hy ging voort met het bestryden der roovers, en daar zy overmacht hadden, zond hy ’n bode naarThebeom hulp te vragen.In-stee van de gevraagde hulp te zenden, antwoordde men hem dat hy ’n onwaardig burgemeester was, en volstrekt niet geschikt om ’n ambt te bekleeden inBeotie. Dit laatste sprak hy niet tegen. Maar na z’n dorpelingen te hebben vermaand totgeduld, begaf hy zich met vrouw en kinderen op weg, niets meenemende dan z’n luit. Z’n huis werd ingenomen door ’n ander burgemeester, die zeker minder onwaardig was in de oogen van denThebaanschenmagistraat, en ook zeer bevriend scheen met de roovers die de dommeChresoshad willen uitroeien. Althans men hoorde niet meer klagen over de roovery, schoon de roovers in ’t land bleven.Met moeite verschafteChresoszich toegang tot denAreopagus, en verhaalde wat geschied was. Hy wees op z’n gezin, dat omkwam van ellende door ’tmisverstandvan den magistraat. Nog altyd hield hy de zaak voor misverstand. Ik heb u reeds gezegd dat hy eigenlyk niet thuishoorde inBeotie. Daarom oordeelde hy zoo verkeerd.Maar deAreopagusantwoordde niet.Chresosvermaande z’n vrouw tot geduld—wat niet noodig was—en troostte zich met spelen op de luit, dat ’n behoefte voor hem scheen.De tonen die hy aansloeg, waren in harmonie met z’n gewaarwordingen. Eigenlyk was hy geen groot muzikant, maar er is wat byzonders in ’t luitspel van ’n vader die z’n kinderen ziet derven. Dáárom en niet omdatChresosgoed speelde, luisterde men naar hem. Er was iets snydends in z’n spel, dat grove ooren kittelde. En er waren veel grove ooren inBeotie.Als men zeide: “fraai gespeeldChresos, ga voort!” dan viel z’n hand slap neder, en er blonk hem ’n traan in ’t oog, by de gedachte dat die onbegeerde lof de prys was van den honger zyner kinderen. Liever had hy nog slechter gespeeld, of in ’t geheel, niet, dan zóó! En hy vergeleek z’n ziel by de snaren zyner luit, die gespannen moesten zyn om klank te geven ... ja, gerekt op ’t breken af vóór de hoorders tevreden waren. “Zouden die snaren daarvan gevoel hebben als ik?” dacht hy.Maar toch speelde hy van-tyd tot-tyd, omdat hy niet anders kòn. En z’n gezin hongerde met geduld.Telkens weder beriep hy zich op denAreopagus. Eindelyk ontving hy het volgende vonnis:DeAreopagus, enz.“Gehoord de klachten van den oud-burgemeesterChresosover de rooveryen in ’t dorp ... enz.“Gehoord zyn verzoek om uitspraak te doen, tusschen hem en denThebaanschenmagistraat ... enz.“Gelet op de verklaring van gezegdenChresos, dat hy en de zynen verkeeren in zeer dringenden nood, ten-gevolge van een misverstand, dat dien magistraat zou hebben bewogen party te trekken voor de roovers die ’t dorp afloopen, waar gezegdeChresosvroeger burgemeester was.“Gelet op de verklaring van vele getuigen, die gezegdenChresoshebben hooren spelen op de luit.“Recht doende, enz.“Veroordeelt meergenoemdenChresostot de luit, en de kosten van ’t proces.”DieAreopaguswas omgekocht, en heetteNederland.Derde Sprookje.Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist,Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Werpt beitel neer en spade, o burgerluî,En roept uw dochters en uw knapen van hun spel.En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag!Werpt hamer, troffel, schaaf en weefspoel neer!Komt allen mee ... daar is wat fraais te zien!Komt allen mee ...hoerahvoorGolgotha!Hoerah,hoerahvoorGolgotha!—Dat zal, by God, wat schoons zyn deze keer!Hij schynt nog jong, en heeft iets in z’n blikDat taaiheid aanduidt ... zie, daar zygt hy neer:Hy schynt toch zwak te wezen! ’t Kruis is zwaar...Ik hoor: het is van ’t allerbeste hout! Men zegt,(MaarNathan, of het waar is weet ik niet!)Ze zeggen dat hyzelf het heeft geleverd,Toen hy als timmerman nog aan de schaafbank stond...Want, buurman, vóór hy, ’k weet niet wàt, misdeed,Ja, òf hy iets misdeed zelfsNathan, weet ik niet...Maar vóór hy deed wat men hem euvel nam,Was hy een timmerman als wy.—Hoe heet die man?—Dit weet ik waarlijk niet, men zegt hy ishanootzri...44Of wel, zijn vader was hanootzri. Hy lykt zwakVoor zulk ’n ambacht, maar z’n werk was goed...Hy struikelt weer ... (Op-zy wat,Jöchaz!Ei, laat my ook wat zien ... ge dringt me weg,Of ’t heele schouwspel waar voor u alleen! Hy zweet:Ik zeide u wel dat hy niet sterk was,Nathan.Maar toch geloof ik dat hy taai is, en ons nietBedriegen zal, als laatst die and’re diefDie pas ’n half uur had gehangen, toen z’n hoofdOp-zy knikte ... en ’t wasuit! Hy sprak geen enkel woordDat ons beloonde voor de moeite. Waart ge er by?(Houd kleineMirjamwat omhoog,Jochébed!)Zeg waart ge er by, oNathan ben Daöud,Toen ons die dief bestal voor zooveel moeite om-niet?—Ik had dien dag een splinter in myn voet,En dus geen lust inuitgaanof vermaak,Maar ’k heb gehoord ...—Ikwas er by, vriendNathan!Ik droeg m’n opperkleed van groene zyde,En had m’n tulband op vankashmirstofOmdat die koel is ... zie, hy struikelt weer,Maar staat weer op. Wat zeide ik ook het laatst?—De dief die u bedroog ...—Ik weet al. Nu dien dagWas ’t warm als heden ... neen, zoo warm was ’t niet:Want ... vindt ge ’t niet ontzettend heet van daagDe zon brandt me op den schedel. ’t Rouwt my welDat ik m’n tulband niet verruild heb voor mynKashmir,Die licht vankleuren koeler is ... dat doet de haast:Ik gunde my geen tijd—daar valt-i weer—Ik heb er spyt van ...Golgothais vèr!Zoo’n donk’re zuigt de warmte broeiend in,En dáárom heb ik spyt datGolgothazoo vèr is...Wat zeide ik ook het laatst?—Die slechte dief..—Ik bèn er! Uren liep ik mee, en hygde als nu...(Vervloekte hitte ... dringt zoo niet,Jöchaz!)Ik was vermoeid vóór halfweg ... en de dief(Let wel hoe schand’lijk die man ons bedroog)Liep met z’n kruis, als waar ’t ’n palmtak, voort!Hy zweette niet, en is niet eens gestruikeld ...Maar toen-ihing, was ’t daad’lijk met hemuit!Endeze—zie, hy struikelt weer—endezeIs niet zoo zwaar van bouw, zoo forsch van leest...Hy schynt wel teer van spieren ... doch zyn blikToont dat-i veel geleden heeft en droeg.Maar dat-ilangentyd nog lydenkàn!’k Ben zeker dat hysprekenzal aan ’t kruis,En dit is juist het aardigst van de zaak!De kinderen gaan, om dát te hooren, mee...Die andere dief was dood, vóór nog m’n vrouw,Die trager liep—omdat ze zwanger was, dien tyd,VanMirjam—(houd het schaapje omhoog,Jochébed!)Die dief was doód, vóór zy daar aankwam,Nathan!En ieder zeide dat het schande was!(GeefMirjammy,Jochébed! Hier m’n kind,Hu ... huup ... op vaders schouder! Kunje zien?Sla ’t kleine handje zóó ... om vaders hals,En houdje vast!) Wat zeide ik ook het laatst?—Die and’re dief ...—Ik weet al! Heel de buurtWas op de been gekomen, om dien man te zien.Daar waren met ons,Ruben,Ephraïm,Baënamet de kind’ren,Hiddal ben Elia,De dochters vanUrias,Schmoelde wisselaar ...(Ik zie hem juist, hy werpt den man met drek)Hy is ’t, die laatst verjaagd werd uit den tempel,Omdat hy schacherde inJehovah’shuis...—Wie jaagde ’m weg?—Ze zeggen zekereIscha...Jeshoeah, zoon vanJoszof, uit ’n grootGeslacht, die met ’n zweep hem voortjoeg als ’n hond,En ’t goud- en zilverkraampje omver smeet, dat de muntLinks, rechts wegspringend, neertikte op den grondEn rollend wegstoof onder ’t volk ...—Wie gaf hem rechtTot zulk ’n groot gezag?—Dit weet ik,Nathan, niet,Maar ’t is niet goed te schachren inJehovah’shuis!MynEphraïm... maar,Nathan ben Daöud,Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoop...(Daar werpt weerSchmoelden kruisman met z’n drek)Wat zeide ik ook het laatst?—Ge spraakt vanEphraïm,En van de wiss’laars in den tempel...—Juist!Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoopDat ge my niet verraden zult! M’n zoonDie ’t aanzag, wyl hy juist ’n handel sloot,Heeft, ylings bukkend, als om hulp te biênIn ’t zoeken—maar verklap me niet,ben Daud!—Hy heeft met scherp gezicht en vlugge hand..,In ’t kort, z’n handel was gezegend op dien dag:Hy kwam met dertig zilverlingen t’huis!Geloof me,Nathan, dieben Joszofhad gelyk ...’t Is ongeoorloofd dusJehovah’stempelTe ontwyden met ’n goud- en zilverkraam:jeshoeäh ben Joszofhad groot gelyk!’t Is dáárom ook datEphraïm, m’n zoon,Hem altyd zoekt en naloopt ... of hy weerTer zuivring uitgaat van Gods tempel, met ’n zweep,Maar sinds een week heeft hy hem niet gezien ...(Daar werpt dieSchmoelden kruisman weer met drek)—Die and’re dief ...—Ja, juist! Wy allen gingen mee, de heele buurt ...En toen-ihing, was ’t daadlyk uit,ben Daud!Och kleine, druk zoo zwaar niet aan m’n hals!)’t Is warm—hy struikelt weer—hy schynt vermoeid ...Ik zeg u, dit beteekent niets, vriendNathanGe weet, hoe ’t hout datmaklykbuigt, niet breekt,En hoe het harde knakt, by ’t minste buigen:Zóó ook die man ... ik zeg u, hy is taai!—Eilieve, zie ... die vrouw!... Zou dat z’nvrouwzyn?De vrouw die schreiend volgt, en neergebukt,Als-of zyzelve ’t kruis droeg op haar schouder!Zy steekt de magre hand gedurig uit,Als wilde zy den kruisman schragen ... Is ’t zynvrouw?—Dit weet ik waarlyk niet ... ze schynt my te oud.En bovendien ... ik zie geenkindren! Neen,Dat is gewis z’nmoeder... zie, ze waggelt!Ik heb zoo vaak zoo’n kruisweg meegemaakt,(De kind’ren zyn er dol op, de arme schapen!En altyd opgemerkt, dat wie ’nvrouwheeftEnkind’ren, die naar ’t kruis hem weenend volgen,(Wees rustig,Mirjam: vader is vermoeid!)Zoo taai niet is alsdeze,Nathan ben Daöud!Ik zeg u nog-eens: deze man istaai:Eenvaderzou zoo taai niet wezen,Nathan!Hy is wat moe van ’tgaan, maar als-ihangt,Is dit terstond voorby! VriendNathan, help me ’t kindEens overzetten, op dien andren schouder ... zóó!Het drukt zoo op-den-duur, al schynt het licht in ’t eerst!(Zit stil, m’n kind!) Ja,dezeis wat vermoeid,Misschien wat zwak ook door het bloedverlies,(Schuif niet zoo heen-en-weer, m’n kind: dat doet me pyn!)Men zegt dat-i gegeeseld is ... Ziet ge zynrug?Tracht heentekyken over ’t volk, vriendNathan!—Ik hebJöchazvoor my ...—Kuntgy’t zien,Jöchaz?—Ik zie alleen den top en d’ arm van ’t kruisDat slingrend voortschuift als-i waggelt, maar verdwyntZoodra hy neerzwikt ... zie, daar valt het weer,En ryst nu langzaam weer omhoog!—Dat zie ikzelfZoo goed als gy dat ziet,Jöchaz! Maar ik wenschTe weten of z’n rug ... zoo’n kind is vreeselyk zwaar!Wees niet zoo woelig, kleine: uw vader is vermoeid ...Kuntgyz’n rug zien, kind, zyn naakten rug?Den rug des mans, die ginds dat kruis draagt, kind,En die doorSchmoelgeworpen wordt met drek?Ik houd u hoog ... zie goed ... maar zie wat snel,Omdat ik moe ben, Mirjam! Nu?—Die rug is rood ...Ge hoort het,ben Daöud... dàt maakt hem zwak!Men heeft hem eerst gegeeseld, dat maakt zwàk!Maar ’t gaat wel òver, als-i hangt. Hij zalGewis zoo gauw niet knikken met het hoofd ...(Zit stil, myn kind, ge drukt me ontzettend zwaar!)Ik zeg u,Nathan, deze man is taai!’t Is jammer dat ik niet mynKashmirheb ...(Zit rustig kind, of vader zet u neer:Ik ben vermoed!) En ieder zei,ben Daöud:Het was ’n schande ... dáádlyk was hetuit!Maardezezal zoo gauw niet sterven aan het kruis,Hy zal gewis watsprekenvoor-i knikt!Dat praten dan de kindren jub’lend na,En maken grappig spel van wat-i zeide,En spelen kruisman, weken naderhand!Dit beurt wat op, in dezen slechten tyd!Maar als-i zwygt aan ’t kruis, is ’t niet de moeite waardZoo vèr te gaan—het is zoo vreeslyk heet,Als ’t weer gebeurt, zet ik m’nKashmirop!—Ik zeg u dat-i taai is,ben Daöud!Hy valt weer ... dit is niets! Wacht tot-i hangt,(Zit stil,Mirjam!) dan zult ge zien en hooren ...Neem ’t kind terug,Jochébed: ik ben moe ...Maar houd het schaapje omhoog ...Komt mee, komt mee, daar is wat schoons te zien!Komt allen mee ... daar wordt ’n man gekruist!Wat hy misdeed? ’k Weet niet wat hy misdeet ...Er zyn er zelfs die zeggen dat-i wèl deed ...Maar dit ’s om ’t even! Werpt uw grootboek neer,Vergeet uw koffi en uw suiker, burgerlui ...Uw beurs, uw oefning, en uw monsters van tabak,Uw winkel van gestolen kruinierswaren,Uw Evangelie en uw batig saldo!Laat liggen voor ’n wyl uw handel en moraal,Theologie ... moderne, antieke ... ’t heele zoodje!Neem uit de kast uw deftigst opperkleed,Bedast uw hals met allerwitst batist,En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag,En roept uw knapen en uw dochters van hun spel ...Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist!Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Ik zeg u dat-i taai is, die daar gaat ...Hy zal zoo gauw niet knikken met zyn hoofd ...Hy zal, by God, aan ’t kruis niet zwygend sterven!En voor uw kinderen zal ’t de moeite waard zynTe hooren—en het nàtepraten—wat-i zegt!Beloof hun vry een vroolijk kruismansspel,Dat beurt wat óp in deze slechte tyden!Ik zeg u dat-i taai is, deze man,Dat hy u niet bedriegen zal, als laatstDie andre dief, die daadlyk knikte met het hoofd,En toen was ’tuit! Maar deze man is taai,Al schynt hy zwak van bouw. Het is hem aantezienDat hy veel droeg, maar kracht heeft méér te dragen,Dat hy veel leed, maarlangnog lyden kàn!Hij spreekt reeds ... luister: “Eli Sabactani!”Hy roeptElias... kindren, bauwt hem na,En sart hem, dat hy nòg wat zegge aan ’t kruis,En krabt met lange nagels in z’n wonden ...Of beter, werpt hem—als vriendSchmoel—met drek:Licht slikt hy walging minder goed dan pyn!Hu ... huup ... omhoog uw kindren! Dat ze ’t zien.En dat ze ’t hooren, hoe de kruisman spreekt,Om stof te garen voor hun kruismansspel ...Komt allen mee!HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!Komt mee, komt mee, daar wordt een man gekruist:RoeptRubenhier, enNathan ben Daöud...Klaas Jakob,Nafthali,Albertus!Eliézer...De dames en de heeren uit de buurt,Verwanten, neven, nichten, broeders, en de rest,Behouders, Liberalen, mannen van de beurs,En van de balie of den kansel! KontraktantenEn Vry-arbeiders, oppozitie en ministers,De leden van de Tweede-Kamer in den Haag,En wie er rusten kan, na slecht regeeren,En wie geen tyd had om z’n plicht te doen,Maar licht nu tyd heeft voor ’n grappig schouwspel,RoeptMozes,Issascharen ’t heeleWillemspark,Piet,Paul,Ezéchiel... roept al wat naam heeft,Roept wat gedoopt is, of besneden, mee!Roept al wat juicht: “ik dank u voor myn braafheid!”Roept al wat kermt: “wees my genadig, Heer!”Roept wat verdoemd is, en wat deel heeft aan genade,Wat loopen, zien en hooren kan (al is ’t wat heet!)Jezuiten—protestantsche en katholieke—Van de orde of niet van de orde, Vrye-metselaren,Die over ’tgoede, schoone woordenspreekt,Maar u onthoudt vanstrydentegen ’t kwaad!Gy die ukind’ren noemt der weduw, maar uw handNiet uitstrekt om het kruis te dragen van haar zoon!Roep al wat bidt of schachert in den tempel,Al wat er wacht opNabi Issah’szweep!Al wat met scherpen blik en vlugge handenHem nasluipt—of soms te grissen vielVan ’t geld, dat rollend wegstuift onder ’t volk—En later meepraat over stelsels en principes!Roept al wat vet werd van gestolen spys,Al wat er pocht op linzen-eerstgeboorte,Al wat ’n gouden kalf in ’t wapen draagt,Al wat er knaagt aanInsulindscheknoken,Al wat er zuigt aan deInsulindschekoe,Al wat er hangt aan d’afgestroopten tepel,Al wat er zwelt van ’t afgezogen bloed!Komt allen mee ...Jochébedmet de kleine ...(En houdt vooral het schaapje omhoog,Jochébed!)RoeptJanszoon,Pieterszoon,ben Levi,ben Daöud...Ben...dìt,BEN...dàt,BEN...ieder!Roept ookSchmoel...Ja,Schmoelvooral, enJudas Judaszoon!Komt allen mee, komt mee naarGolgotha!Bij God ... daar is vandaag wat schoons te zien!Komt allen mee, daar wordt ’n man gekruist!Komt mee, komt mee ...HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!Ik ben wat moe, myn besteTine.VAN TINE AAN FANCY.Fancy... om-godswil ...Fancy!AAN TINE.LieveTine! Dat ik u in-lang niet schreef, was omdat ik u niets kon zenden. Ik ben niet wèl, en heb ’n vreemd gevoel van leegte, alsof ik me iets herinnerde, maar vatten kan ik ’t niet! Kuntgyme helpen? Ook heb ik pyn in ’t hart. Zou ’t ’n anevrisme wezen? Neen, dit kan niet. Zoo’n kwaal heeft ieder tegenwoordig, en ik zal toch geen ziekte krygen als ’n ander.Die minister antwoordt niet. Ze kunnen my niet gebruiken, denk ik. ’t Schynt dat men prokureur of griffier moet geweest zyn. Ik zal nog drie dagen wachten op dat antwoord van den minister, en dan ... ja dan weet ik waarlyk niet wat ik doen moet! Ik weet niets, begryp niets! Wat is er toch met ons gebeurd, dat we zoo in moeielykheid verkeeren? Hoor eens, lieve ... als ge volstrekt geen raad meer weet, tracht dan naarden Haagte komen ... al is ’t te-voet en bedelend. Ieder zal u zeker wat geven, als ge zegt dat het is om dáár te sterven met de kinderen. Ik ben er op gesteld dat we dáár sterven. MaarSAMEN, lieve Tine! Ik heb volstrekt geen moed meer om televen, ente handelen. Moed om teondergaanen testervenwèl. Ik ben moe! Kunt ge ’t nog drie dagen uithouden?Nog geen antwoord van den minister ...VAN TINE AAN FANCY.Fancy!!AAN TINE.O god, wat is dat vreemd ... ik droom altyd dien droom. Daar dwaalt my iets voor ’t oog ... een meisje, een schim, ’n spook ... Ik reikhals vruchteloos ... ze ontwykt me, en zweeft omhoog ... en lost zich op inniets! M’n hart is leeg, o god!Ik ben vermoeid.VAN TINE AAN FANCY.

Schryven is afdruk nemen van de ziel.Als Publiek ziel heeft, laat hemzelf schryven.Heeft hy geen ziel, dan begrypt hy ook myngeschryfniet ... punctum!Maar er bestaat nog ’n reden die my de bibliotheek van m’n vriend doet schuwen als de pest. Ik ben inderdaad hoogmoedig en verwaand, en—ik verzeker u dit ernstig—het hoofdingrediënt van schryven of spreken is verwaandheid. Welnu, als ik veel boeken om my heen zie, laat ik my verlokken daarin het oog te slaan. Ik lees voort, vind gedurig iets dat ik niet wist ...word, vruchteloos tegenstrevend, overtuigd van onkunde, en weg is de verwaandheid die ik noodig heb om te schryven! Neem dit niet op als een sarkasme, als ironie, als scherts, als voorgewende nederigheid. Ik geef ’t u alseenvoudig waar, en ik ben zoo vry de menschen die voorwenden ’n anderen indruk te ondergaan, voor verwaander te houden dan myzelf.Ik denk altyd, wanneer ik iemand als spreker of schryver zie optreden: zou die man—’t spreekt vanzelf dat het altyd ’nmanis—zou die man nu inderdaad gelooven dat hy wat te zeggen heeft? Maar nooit doe ik deze vraag overluid, omdat ieder boos wordt, als men informeert naar z’n hoogmoed. Wanneer de menschen konden gebracht worden tot de erkentenis hunner verwaandheid, ware er veel gewonnen, want dan zouden ook de andere fouten blootliggen. Maar dit schynt zwaar te vallen. Altyd zyn er gaten in den mantel vanDiogenes. Ge weet dat ik beter vind den heelen mantel aftewerpen,“die man is hoogmoedig” beduidt eigenlyk: “Die man neemt de moeite niet, z’n hoogmoed te verbergen als wy?” Dat is, nòg eens overgezet: “hy loopt in z’n hemdsmouwen!”Wel zeker ... als ’t warm is! Of als men iets te doen heeft, waarby ’t opperkleed hindert, zooals by my dikwyls voorkomt. Ik heb geen tyd om nederig te schynen.Dat wegstoppen van aandoeningen is my te lastig op-den-duur. Ik heb meely met de menschen die hun geheel leven door souffreeren aan de nooit erkende obstruktie van eigenwaan, ’t is om te bersten!Ook zou ik vreezen onoprecht te worden in geheel omgekeerden zin. Wie zegt me of ik niet door dat kunstmatig en nooit gelukkend wegwringen myner deugd, wat ondeugd zou verbergen met-een? Laat ons maar altyd zeggen wat we meenen wáár te zyn, en het opgeven voor beter, ’t Iseenvoudigalweer, zoo als ge ziet.Bovendien er steekt veel hoogmoed in dat geklaag over hoogmoed. ’t Isdépitover al de verloren moeite die men zich getroost om ’n doel te bereiken, dat zonder schade wordt verwaarloosd door ’n ander.Christusverbergde zyn hoogmoedniet. Hy verwaardigde zichniet, iets wegtestoppen. “Ik ben de weg, de waarheid en het leven, wie My gezien heeft, heeft den Vader gezien!” Als hy ditmeende, had hy gelyk het tezeggen. ’t Stond aan ’n ander, hem tegen te spreken, en des-verkiezende te betoogen, dat hy trekvaart, leugen en dood was. Maar wat ik minder schoon vind inJezusis dat hy niet met dezelfde rondheid zei wat er aan hem ontbrak. Ik erken echter dat er meer moed noodig is omgoedte spreken van zichzelf dankwaad, en daarChristushet eerstedurfde, zou hy ook moed gehad hebben tot het laatste ... als het te-onpas gekomen ware. Waarschynlyk dacht hy dat de Farizeeën ’t wel voor hem zouden doen, en hierin dacht hy juist. Dit is nòg zoo.Moedom hoogmoedig te wezen? Welzeker!—Wie durft die bres bestormen? roept de bevelhebber.—Ik! zegt ’nhoogmoedige, die zich schynt te houden voor den braafsten man van ’t regiment.Maar toen hy “Ik” riep, wist hy dat er zou geantwoord worden:—Ga dan, en bestorm de bres!En hygaat! Want ik weet niet van wie “Ik!” roepen ennietgaan. Dit zou gehuichelde hoogmoed wezen, en ik trek alleen party voor deware. Och,Tine, al deze dingen zyn heel eenvoudig. Ieder weet ze, maar wy denken er niet aan, omdat we te veel zyn opgevoed en begodsdienst. Om wys te worden, heeft men niet veel te leeren, er moet maar een-en-ander wordenafgeleerd. Het uitroeien van één vooroordeel is meer waard dan ’t bedenken van tien nieuwe stelsels.Voltaire—met wien ik lang niet in alles eens ben, dat weet ge—Voltaireis ’n prul in de oogen vanKantianen,Hegelianen,Spinozisten,CartezianenenLeibnitzers. Waarom? Omdat hy niets heeft gezegd wat niet ieder kan begrypen, en omdat hy geenstelselheeft saamgeknoeid ... wat hy toch met zyn vernuft heel goed hadkunnendoen. Hy toont aan:wat niet waar is, en dat willen de menschen niet, tenzy men hun iets anders in de plaats vertelle, dat evenmin waar hoeft te wezen. Men hongert naar leugen. Zoodra ik ’n slecht mensch word, ga ik aan ’t systeem-maken. Ik zie er best kans toe ... ze komen er goed af! Ik wacht ’n standbeeld, met een opschrift ... ja zoo:STA VICTOR.DIT VERBEELDTDE MANDIEBETER HAD KUNNEN LIEGENDAN IEDER ANDER, ALSHY GEWILDHAD.Maar,Tine, om dan konsekwent te zyn, moet men veel andere standbeelden omverhalen.Ik ben in ’n andere kamer gevlucht, waarboven slechts gemangeld wordt: g.....! Ik heb ’n kolonel van de marine gekend, die ’n premie uitloofde voor ’n nieuwen vloek! O, ik begryp dien kolonel! Daar kryg ik weer brieven ... lees zelf, en oordeel. Wat willen ze toch?Ieder biedt me allerlei dingen aan, die ik niet noodig heb, maar niemand schynt te willen deelnemen in den moeielyken stryd dien ik voer. ’t Is zonderling!VAN EEN MEISJE.Dierbare broeder inChristus!Ja, ge zyt my dierbaar, al sluit ge uw oor ................30VAN EEN ANDER MEISJE.31VAN EEN DOMINE.Broeder!Uit innig gevoel des harten voel ik me gedrongen, u te verzoeken, my toetestaan persoonlyk kennis met u te maken. Ik ben van plan, morgen, na de preek, terstond naar Amsterdam te gaan, en by u myn bef en broek te komen afleggen, om met u te spreken over ’t geloof. Ge zyt op ’n goeden weg. Ge zyt een te goed mensch: om niet te gelooven als ik. Lees maar na ...32VAN EEN ANDEREN DOMINE.33AAN TINE.Ik ben vermoeid, lieve! Wees niet boos dat ik zoo weinig schryf. Ik kan u niets zenden. Tracht maar voltehouden. ’t Zal niet altyd zoo blyven. Maar vermoeid ben ik, dat is waar.Verbeeld u ... ze hebben zich in het hoofd gezet dat ik ’nschryverben, en dat ik moet schryvenvoor den kost! Ze verwarren my met dienMultatuli.Schryven voor den kost!’t Doet me denken aanDon Juan, die zóó’n pleizier vond in het praten van dien armen Mr.Dimanche, dat hy verzuimde te antwoorden op diens verzoek om betaling van de rekening.Ik heb geenMolieremeer ... achTine... onzeboeken! Weet ge nog wel dat we eens boeken hadden, en ’n huis? En dat we menschen binnenriepen die ergeenhadden? ’t Is toch zonderling ...nog dikwyls vraag ik mezelf: hoe komt het toch dat we geen huis hebben? ’t Is heel dom ... ik lyk kleineMaxwel, met z’n gekke vragen. Ik heb moeite om niet afgunstig te zyn, als ik denk aan zoovelen die wonen kunnen. En meestal ... maar ik zal u liever wat vertellen vanDon Juan. ’t Is heel goed dat ik geenMolieremeer heb. Dan zou ik misschien naschryven, en dit verveelt me zoo.Don Juanis dik en vet als betaamt. MaarDimancheis mager.—M’n huisgezin is in nood, o edeleDon Juan! Ge weet wat ik voor u gedaan heb ...—Goed gesproken, lieveDimanche, ga zitten!—Ik dank u voor ’t zitten, heerJan... ik wenschte dat ge deze rekening ...—Uw rekening is verrukkelyk. Ga voort! Mag ik u ’n snuifjen aanbieden?—Ik dank u voor ’t snuiven.Don Juan... maar zie deze rekening, en ...—Weet ge wel dat ge een goede hand schryft, o universeeleDimanche! Ik benoem u tot myn secretaris ... dan kunt ge schryven voor my!—Ik dank u voor ’t schryven, heerRidder, doch m’n gezin lydt gebrek ... en om-uwentwil zouden wy ...—Gebrek?...Lyden...Gebreklyden?... O heerlyk schoon verbond van diep gevoelde klanken ... Ik zeg ... ik gloei ... ik wil ... ik weet zelf niet wat ik wil, maar ’t doet er niets toe ... de uitdrukking is prachtig! Doe my ’t genoegen, en zeg dat nog eens.—Wy lyden gebrek, o heer ..,—Goddelyk! Wat ’n leven ... wat ’n gloed ... wat ’n vuur! Ik verhef u tot m’n lyfdichter. Ga voort, welsprekendeDimanche!—Ik dank u voor ’t dichten, heerGrande... ik meende dat gy ... om godswil, bedenk dat wy sterven ... en bovendien, ik heb schulden ... ik kan niet betalen ... en nu zegt men datikoneerlyk ben ... terwylgy... bedenk heer,Ridder,Jan,Juan,Grande... hoe moet ik u aanspreken om verstaan te worden?Don Juan... o god ... wy sterven, en men zegt dat ik ...—Sterven?... verheven denkbeeld! Maar ’t is onjuist ... vriendDimanche! Ge laat u door geestdrift vervoeren tot onnauwkeurigheid.Sterven?Gymet uw talent van voordracht?Sterven?Gy?... met zoo’n schrift? Onmogelyk,Dimanche! Ziehier! IkDon Juan... ik schenk u ... neem aan!.. . wees niet beschaamd ... ik ben ’t schuldig ... ik schenk u,ex plenitudine potestatis... begrypt ge dat?—Ach neen ... maar m’n rekening ...—Ik schenk u deonsterfelykheid!Leporello, wilje m’nheer uitlaten?Ik weet niet of ’t precies zoo staat byMoliere, ook niet ofDimanchenog tyd heeft om te antwoorden: “ik dank u,Don Juan...Publiek, voor uw onsterfelykheid!” maar me dunkt, ik zie den sukkel zoo bedroefd weggaan, om aan vrouw en kinderen onsterfelykheid thuis te brengen, in plaats van ’t verwachte brood om niet te sterven!En dan vraag ik, of er ook in dien tyd rustende Gouverneurs-generaal waren, met ongestoorde levensdigestie en zwygende gewetens?Moliereschreef aardig, maar hy had te weinigdonnées. Hy was ’n kind van z’n tyd en z’n tyd was eenvoudig.Ikschryvenvoor den kost ... voor geld?OnzeNonniis nu pas vier jaar .., stel u eens voor, dat ze later ... voor geld ... o god!Houd u staande, lieveTine, zoo goed mogelyk! Heb ik u reeds geschreven dat ik een brief zond aan den minister? Hy is ’n welwillend mensch ... hy zal zeker antwoorden. Ik heb hem daarin niets gezegd van den nood waarin we verkeeren. Dit zou niet goed wezen, want dan zou hy ons helpen uit medelyden. Was ik nu maar aan den drank, dan waren we gered! Ja, dan kon ik beterschap beloven, en waarachtig—zóó zyn ministers en menschen—als men beterschap belooft, wordt men meestal geholpen.—Rechtvaardigheid is duurder dan vergiffenis, en als ze niet zoo’n leven maakten boven m’n hoofd, zou ik u uitleggen waarom.Maar de zaak is nu juist omgekeerd, en hierom vrees ik dat m’n schryven niet baten zal. Door myn bod aantenemen, zoude Regeering beterschap beloven... en deze belofte valt zwaar aan wien ’t niet meenen kan. Maar ik denk toch wel dat ik antwoord zal krygen ...Er is nu ’n nieuwe Gouverneur-generaal benoemd.34Hy wordt geprezen of gelaakt, al naar men behoort tot de party van behoud of van oppositie. Maar dit moet ge nu zoobegrypen, dat de behouders opponeeren voor ’t moment, en dat de oppositie nu behouden wil. Ik zou u dit kunnen uitleggen, maar ’t is beneden uw aandacht. Wacht tot ik m’n brief aan de kiezers afmaak. Als ge ’t dan goed begrypt, zyt ge niets wyzer. De hoofdzaak komt hierop neer, dat die nieuwe Landvoogd wel wat gelykt op den “laatst-aangekomene” in een kleinstad. Elkecliqueroept hem toe: “ge zult immers totonsbehooren? Laat u toch volstrekt niet in met al ’t canalje van die andere societeit! ’t Is hier goed lezen ... als ge maar niet omgaat met de A’s en de B’s en de C’s....Al die initialen, samengevoegd, maken ’n kompleet adresboek van de kleinstad.Eén ding echter heeft me byzonder getroffen. Van de weinigen die niet schynen te behooren tot ’n politieke party, en toch eenigszins achtslaan op de publieke zaak, verneem ik dat de “nieuwaangekomene” groote verdiensten heeft. Nu vraag ik hoe ’t komt, dat deze verdiensten niet voorlang reeds ten nutte van het algemeen zyn aangewend, daar de man toch niet meer jong is? Waarom heeft men tot-nog-toe geen—of maar zeer onbeduidende—betrekkingen opgedragen aan iemand van zóóveel kennis, zóóveel integriteit, zóóveel karakter, zóóveelgenie... had ik byna gezegd? Ziet ge, daarvan begryp ik weer niets. Wie heeft al die Amerika’s ontdekt? Hoe heeft de man het aangelegd, om al die gaven zoolang schuil te houden?Hy is geweest:Griffier der Staten van Gelderland. Is ’t niet jammer dat men iemand die thans geacht wordt op de hoogte te staan van ’tONDERKONINKSCHAP VAN INSULINDE, op de hoogte dus van deBELANGRYKSTE BETREKKING IN DEN STAAT... is ’t niet jammer, vraag ik, dat die man is gebruikt tot het maken van die processen-verbaal der zittingen van de Geldersche Staten? Dat mendienman heeft belast met het opschryven der redekavelingen van anderen? Daartoe wasikte goed, lang voor ik u kende. Die man moet byzonder nederig zyn.Wanneer hy op de hoogte staat zyner schoone roeping—en ik heb geen andere reden hieraan te twyfelen dan voornamelyk die nederigheid (zieGöthe,in voce: “bescheidenheid”) en voorts dealgemeenereden die ’t juisttreffen in deze zaak zoo moeielyk maakt—welnualshy op de hoogte van z’n taak is, dan hadden de Geldersche Staten, kollectief of individueel, zich zeer vereerd moeten achten, heel nauwkeurig en eerbiedig op-te-schryven, wathyzou gelieven te zeggen. Maar ... omgekeerd, is ’t ’n gruwel.En zie nu eens weer, hoe zonderling! Men zou toch geen koetspaard spannen voor ’n kar. Moet ik nu gelooven dat men beter weet omtegaan met paarden en karren, dan metmenscheninInsulinde? Zoo schynt het, waarachtig!Maar, zeggen ze, hy is niet alleengriffier geweest. Hy isconcessionaris geweestvan ’n spoorweg, die er nietgeweestis, en daarna werd hy ter schadeloosstelling benoemd tot president van den Raad van toezicht over spoorwegen, die er tot heden toe nietgeweestzyn.De slotsom is, dat hy eigenlykniets geweestis.Ei,Nederland, hebt ge groote mannen te veel, dat ge ze ongebruikt laat? Dit is niet huishoudelyk.Ach, ik herinner me dat ook de laatstvoorgaande Gouverneur-generaal,die zich nu bezighoudt met rusten, byzonder geprezen werd! Ik heb neiging tot sympathie voor dentegenwoordigen, al bleek het nooit.35Ja, ik wou u graag wat zenden, myn kind, maar hoe kom ik er aan? Schryven voor geld? Aan wien? Wat? Moet ik schryven aan menschen die niet lezen kunnen? Na ’t boek vanMultatuliheb ik eigenlyk niets te zeggen. Ik wacht antwoord, en ik dacht ...Ziehier wat deTielsche Courantschreef ... had ik geen recht op antwoord van de natie?IS NEDERLAND EEN ROOFSTAAT.»Vier maanden zijn reeds voorbijgegaan, sinds Multatuli, een oud-Oost-Indisch ambtenaar,—naar hij beweert, miskend, vervolgd en tot aftredinggedwongendoor zijne superieuren, in zijn »Max Havelaar of de koffiveilingen der Ned. Handelmaatschappij,» de gezaghebbers in onze Oost-Indische koloniën openlijk aanklaagde dat zij hun pligt verzaken, hun eed schenden, de stem der menschelijkheid en der godsdienst, van het geweten en de eer smoren,—dat zij de Javanen, wier bescherming hun is opgedragen, met lafhartigheid, maar vooral ook uiteigen belang, willens en wetens, ten prooi laten aan de knevelarijen en afpersingen hunner hoofden, dat zij hen stelselmatig laten vertrappen en uitzuigen inonzennaam, en gelijk het heet, totonsvoordeel—dat zij valsche rapporten uitbrengen om het moederland van dien ons onteerenden toestand onkundig te laten,—en dat zij den zeldzamen ambtenaar, die zich niet tot hun medeplichtige leenen, maar zijn eed gestand doen, en zijn plicht volbrengen wil, tegenwerken, verdacht maken, vervolgen, ontslaan.Ontzettende beschuldiging voorwaar! Zoo zij gegrond ware, zoo de schatten, die ons uit onze koloniën, toestroomen, slechts verkregen werden ten koste van het zweet en het bloed onzer Javaansche broeders, dan zouden wij met den schrijver moeten uitroepen, dat Nederland den naam van “roofstaat” verdient, dan zou ons eene wonde zijn ontdekt, waarvan de diepte bijna niet te peilen, de genezing niet genoeg te bespoedigen zou zijn!Maar is die beschuldiging gegrond?Als Nederlander, als mensch, valt het moeilijk het te gelooven. Doch aan den anderen kant (en wij beroepen ons hier op allen, die den »Max Havelaar» gelezen hebben) de schrijver heeft niets wat aan een lasteraar zou kunnen doen denken; hij slaat eentoon aan, die overreedtniet alleen, maar die ook overtuigt, die aan zijne waarheidsliefde bijna nietkandoen twijfelen; hij deeltfeitenmede, gelijk alleen een ooggetuige, en eenwaarheidzoekendooggetuige, ze mededeelen kan; hij verklaart alles te kunnenbewijzen, hij duidt de schuldigen als met den vinger aan36en tart hen uit, hem van eene enkele onwaarheid te overtuigen.Als wij dus de vraag herhalen: »is die beschuldiging gegrond?» dan moeten wij antwoorden: »wij durven noch bevestigen noch ontkennen.” Een zeer onbevredigend antwoord voorzeker! Want de zekerheid van het nietbestaan der kwaal zou ons gerust stellen; de zekerheid van haar bestaan zou de genezing mogelijk maken; de onzekerheid alleen doemt tot vrees en tot werkeloosheid.Waarom zwijgen zij, die de waarheid kennen? Waarom laten zij ons, vier lange maanden in de onzekerheid?Oud-Gouverneurs-Generaal,Oud-Residenten,Oud-Assistent-Residenten, gij allen die door Multatuli zijt beschuldigd, breekt het stilzwijgen af! Het vaderland verlangt het, uwe eer vordert het! Hoe? Multatuli werpt als in het voorbijgaan, zonder opzet en uit onbedachtzame jacht op geestigheid, een smet op de edele zendelingszaak, en dadelijk treedt voor haar een kampioen op, ridderlijk loyaal, met open vizier, om hem voldoening te vragen37engy, die hij, niet in ’t voorbijgaan, maar zonder ophouden, opzettelyk trof,gy, die hij kwetste op de plaats, waar mannen van eer het gevoeligst zijn, gij zoudt voortgaan met zwijgen, gij zoudt u als weêrloos laten slaan, als eerloos, laten beleedigen, gij zoudt de smet laten kleven op uwe namen? U is een handschoen toegeworpen, openlijk voor ’t oog der gansche natie, bij het klaar licht der eeuw der openbaarheid; raapt hem op! treedt in het strijdperk! Vier maanden38zijn voldoende geweest, om uwe wapenen in orde te brengen.—Gij zijt gedagvaard voor de regtbank der openbare meening, verschijnt voor de balie! Vier maanden zijn u voldoende geweest om uwe verdediging voor te bereiden. Zoo gij onschuldig zijt, stelt ons gerust! Zijt gij schuldig, bekent dan schuld en geeft ons gelegenheid het kwaad te herstellen door u bedreven inonzennaam!Tweede Kamer der Staten-Generaal!de handhaving van de eer der natie behoort tot uwe roeping. Als zij, die in ’t bezit zijn van de waarheid, voortgaan met hun majestueus stilzwijgen, interpelleer dan den verantwoordelijken man, die door zijn post tot spreken geroepen is. Vraag den Minister van Koloniën, of Neêrlands eer in de O. Indiën met voeten getreden wordt!Volk van Nederland.Eerlijk volk, christelijk volk! blijft niet onverschillig in deze zaak. Het zijnuwebroeders, die niet totuwvoordeel, maar totuweschande, zouden worden vertrapt en uitgezogen inuwennaam. Gij hebt regt om te weten of die aanklagt gegrond of valsch, of uwe eer bevlekt of zuiver is! Gij hebt regt om te eischen, dat er een einde kome aan die onzekerheid, waaringij wordt gelaten. Het is beter het ergste te hooren, dan niets. Het is geen schande krank te zijn, maar het is schandelijk, om, als men u toeroept:«Gij zijt ziek!» onverschillig te blijven, en zonder naar uw vermeende kwaal onderzoek te doen, in flaauwheid den tijd tot herstel geschikt te laten voorbijgaan. Als het zwijgen der O.-Indische ambtenaren mogt voortduren, als ook uwe Vertegenwoordigers onverschillig mogten blijven, herinnert u dan, dat gij geregeerd wordt door een Koning, die het licht lief heeft, en de duisternis haat.Ga vrijmoedig tot hem, en zeg aan den Keizer van Insulinde:«Sire, laat een onderzoek instellen! Geef ons licht! Als Multatuli een valsch aanklager is, laat ons dan weten, dat Nederlands eer onbezoedeld is gebleven,—zoo hij de waarheid heeft doen hooren, herstel hem dan in zijne eer39den edelen Max Havelaar, straf de schuldigen, en neem de misbruiken weg.»Dagbladpers van Nederland, ondersteun onze pogingen! Laat niet af, met gelijk wij te vragen omlicht, dat ons in plaats van de vraag: «Is Nederland een roofstaat?» den kreet zal kunnen doen uiten: «Nederland is Goddank geen roofstaat!» of wel: «Nederland wil met Gods hulp ophouden een roofstaat te zijn!»In die merkwaardige zitting der Tweede Kamer, waarin onze volksvertegenwoordigers zoo treffend hebben getoond hunne roeping te begrijpen, waarin zij openlijk hebben gebroken met dat misbruik, dat het antwoord op de Troonrede verlaagt tot een loutere echo van de woorden der Regering, is ook (al werd de naam zelf angstvallig vermeden) de «Max Havelaar» ter sprake gebragt, en heeft een der leden der Tweede Kamer,indat boek zwaar beschuldigd,overdat boek het woord gevoerd.40De aanleiding daartoe werd gegeven door de HH. van Hoëvell en Myer. Eerstgenoemde constateerde het door ons reeds aangewezen feit «DAT DOOR DAT BOEK EENE ZEKERE RILLING DOOR HET LAND GEGAAN EN GROOTE ONGERUSTHEID, JA, VERONTWAARDIGING IN VELER GEMOED ONTSTAAN WAS,» en zag in die, door de Tweede Kamer niet beaamde zinsnede der Regeeringsboodschap: «de toestand der overzeesche bezittingen is in alle opzigten bevredigend» een door den Minister van Koloniënte vergeefsaangewend middel om die ongerustheid en die verontwaardiging weg te nemen. Laatstgemelde (op wiens rede wij straks nog zullen terugkomen) constateerde ook het feit, dat er in dat werk sommige personen—en wel bij name een oud-landvoogd—zwaar worden beschuldigd.41Wat mogt men nu verwachten toen deze laatste, de heer Duymaer van Twist, het woord opnam? Dat hij zichthansvan de aanklagt zou zuiveren? Geenszins: zoo iets kon niet te pas komen bij eene discussie over het antwoord op de Troonrede. Doch men had althans mogen verwachten, dat spreker zich onthouden zou van die ons onbegrijpelijke verklaring, dat hij Multatuli nooit weerleggen zal—eene verklaring, die, schoon niet met ronde woorden uitgesproken, evenwelmoetworden afgeleid uit sprekers ondubbelzinnige woorden: «ik meen dat uit ’t geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen, voor mij geen verpligting tot verantwoording kan ontstaan.»Voor zooverre nu een voortdurend stilzwijgen alleen de eer van de beschuldigden in gevaar zou kunnen brengen, is hethunnezaak: wij zijn niet geroepen voor particuliere belangen op te treden. Doch de «Max Havelaar» heeft ook door gansch Nederland ongerustheid en verontwaardiging verwekt. Dit is een feit dat niet kan worden geloochend, en nog daar te boven door den heer van Hoëvell in ’t openbaar is geconstateerd. Uit dit feit nu vloeit onmiddellijk voort, dat ieder Nederlander, die de ongerustheidkanwegnemen,verplichtis om dat te doen. Kan dan één hunner zich van dien pligt ontslaan door de verklaring: «dat uit ’t geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen,voor hemgeene verpligting tot verantwoording ontstaan kan?» Wij betwijfelen het.Vreemdsoortig is ook het argument, waarmede de heer D. v. T. dat stilzwijgen schijnt te willen regtvaardigen. «Ik meen,» zeide hij, «dat ’t geen ik over dat boek zou kunnen zeggen, den schijn van partijdigheidniet zou kunnen ontgaan.»Dit is eene overdrevene kieschheid. Waar het verdediging geldt, kan het verwijt van partijdigheid niet treffen. Een advokaat b.v. kan in zijn pleidooien nooit den schijn van partijdigheid ontgaan; hij is partijdig reeds daarom, omdat hij voor eene bepaalde partij optreedt. Is hij daarom verpligt of zelfs gerechtigd een deftig stilzwijgen te bewaren?Ook na de verklaring van den heer Duymaer v. Twist, blijven wij dus volharden bij ons vroeger ontwikkeld gevoelen, dat de aangeklaagden het stilzwijgen, dathunneeer en het geluk van Nederland in de waagschaal stelt, behooren af te breken. Zij kunnen er niets bij verliezen, en (zoo zij ten minste—wat wij nog altijd hopen—onschuldig zijn) alles bij winnen. Hoe langer zij dat uitstellen, hoe meer het vertrouwen van hen, die het slechte liefst niet geloovende, hen voor onschuldig houden, zal geschokt worden, en bleven zij zwijgen tot het einde toe, dan zouden wij vreezen, dat ook hier weder de openbare meening (waaraan hun toch zeker wel iets zou gelegen liggen) vonnissen zoude, volgens den ouden regel:ZWIJGEN IS TOESTEMMEN!42Laathen dat resultaat voorkomen, terwijl het nog tijd is! Laat hen vooral den eisch der eeuw niet vergeten! Onze 19deeeuw heeft nu eenmaal geen behagen in de duisternis; zij begint met om licht tevragen; wordt het geweigerd, daneischtzij het en weet het te verschaffen.Eindelijk nog iets over de redevoering van den heer Myer. Het doel van dezen spreker was, gelijk hij zeide,nietom de aangeklaagden te verdedigen (’t geen hij en teregt, aan hen zelven overliet). Van dit programma week hij niet af, toen hij een feit mededeelde, waaruit blijken moest en ook werkelijk blijkt, dat ersomsin Oost-Indië regt wordt gedaan en het onregt gestraft. Want dit feit, hoe waar ook, verzwakt in geenen deele de aanklagt van Multatuli. Dat erSOMSregt geschiedt, is nog geen reden om over het voorkomende onregt heen te stappen. Op dit gebied wordt geen compensatie toegestaan. In de18deeeuw zijn er in Frankrijk misschien duizende rechtvaardige vonnissen geveld; toch zal dit de verontwaardiging over den gerechtelijken moord van Jean Calas niet verminderen? Zoo het bleek, dat Multatuli’s klacht gegrond was, dan zou alleen de mogelijkheid, dat er zulke schreeuwendeonregtvaardighedenkunnengebeuren, (’t zij dan stelselmatig of niet) reeds eene onverwijlde hervorming in het O.-Indisch bestuur noodzakelijk maken. En als de heer Myer, toegevende dat er in Oost-Indiën misbruiken bestaan, beweert, dat die in alle Oostersche Staten worden aangetroffen, dan antwoorden wij dat het dan hoog tijd is, om eens te beproeven of er ook een Oostersch volkzonderonregt kan geregeerd worden, en dat in elk geval Nederland geen deel wil hebben aan schatten ten koste van het regt verkregen.Maar wèl week de heer Myer van zijn programma af, toen hij deze woorden uitsprak: »ik kan begrijpen dat een werk in eenen zoo schoonen, wegslependen stijl en met zooveel talent geschreven,op vele onkundigen en ligtgeloovigen, of bij dezulken die gaarne aannemen wat ten nadeele van het bestuur in N.-Indië gezegd wordt, een ongunstigen indruk heeft gemaakt.” Dit is eeneSeitenhiebop «Max Havelaar» dien wij betreuren, want de schrijver—al dwaalt hij welligt ook in zijne voorstellingen—behoort toch ongetwijfeld tot die weinige mannen, die aan het algemeen belang boven het eigenbelang de voorkeur gevende, voor eenein hunne oogengoede zaak, hunne carrière hebben opgeofferd en den haat der grooten hebben getrotseerd. Het is ook een aanval op ons, en op allen die met ons uit den«Max Havelaar» stof tot ongerustheid hebben geput; wij ongerusten moeten volgens die voorstelling òfdomòfslechtzijn. Wij achten ons niet verplicht de insinuatie te weerleggen.Integendeel, wij nemen ze aan. Wij zullen doen als de Geuzen en den scheldnaam aangrijpen! Welaan dan! Wij behooren tot die turbe van onkundigen en ligtgeloovigen! Wij zijn verleid, verblind!... Maar geeft ons dan tegengift, gij, oud-ambtenaren, die dat tegengift bewaart! Of zult gij onmenschelijk genoeg zijn spottende uit te roepen: zij zijn vergiftigd en ons dan het tegengift weigeren? Wijzijndom, onkundig, lichtgeloovig, al wat gij maar wilt? Zult gij dan nog voortgaan ons uw licht te onthouden?...Misschien hecht men weinig aan ons oordeel, en blijft ons vernieuwd verzoek om licht, nog door geen ander dagblad ondersteund, zonder uitwerking. Bedenke men dan, dat het altijd onvoorzichtig is een vonk te verachten, omdat hij slechts vonk is, vergetende, dat hij een vlam kan worden!»43Helaas, helaas, niemand antwoordt! Als ik eens aan den Koning schreef? Dit dééd ik ... tweemalen reeds! Hy heeft niet geantwoord. EnMultatulizond hem z’n boek over de veilingen! Zou de Koning ’t gelezen hebben? Zeker!Dan immers had hy gezegd:IK WIL WETEN OF DIT ALLES WAAR IS!Ja, dan zou hy me geroepen hebben, en ik had hem getoond:DAT ALLES WAAR IS!Ik ben bedroefd dat ik u niets kan zenden,Tine! Tracht nog wat uit te houden ... misschien antwoordt de minister. Leidt de kinderen wat af, als ze vragen ... o god!Ik ben moe.VAN TINE AAN FANCY.Fancy... ik smeek u ... kom hem te-hulp! ...AAN TINE.Ik heb u in lang niet geschreven, omdat ik ... omdat ik ... ik weet het niet. Ik geloof dat ik niet wèl ben. ’t Zal wel overgaan. Houd u maar goed, myn kind. Vraag aan dien man van ’t huis waarinMultatulidat boek schreef. Hy zal u wel wat eten geven voor de kinderen,..VAN TINE AAN FANCY.Fancy!VAN TINE.BesteMax! Wees maar opgeruimd,alles gaat heel goed. De kinderen zyn volmaakt wèl, àl te vrolyk eigenlyk, al te dartel! Zy zien wat bleek ... maar dat komt van ’t wisselen. Zy eten als wolven. Wees gerust, Max. Ook ik ben wèl, héél wel, en goed gestemd ... we wandelen veel ... o, ge moest het zien ... zoo levenslustig!VAN TINE AAN FANCY.Fancy... om-godswil ...Fancy!AAN TINE.Zóó! Dán is ’t goed. Ik dacht dat ge in grooten nood waart. Dit is zoo niet, zegt ge, dan is alles goed! Wat my betreft, ik word nog geplaagd door dien droom over leegte ... zonderling! Ik drink te veel koffi misschien. Nog gedurig kryg ik zotte brieven...Ik heb ’n bezoek gehad van dien domine. Hy heeft een paar uur by me gezeten. Hy wilde dat ik zyn geloof aannam. ’t Was zoo jammer, zeid-i dat ik geen Christen was, overigens was ikzoo’n goed mensch. Dan is ’t veranderen de moeite niet waard, dacht ik. Maar ’n paar dagen later schreef hy, dat-i zooveel kwaads van me gehoord had, en dat ik verdoemd was. In-godsnaam.Ik kan u niets zenden, lieveTine! ’t Doet me innig genoegen dat uw brief zoo vrolyk is, en dat de kinderen wèl zyn. Dat beurt me wat op. Ik was ’n beetje moe. Maar ik wilde toch dat ik u wat zenden kon, want me dunkt ... hoe maakt ge ’t toch?Ik wou zoo graag dat ik ’n ambacht verstond ... maar’tmoest iets wezen, waarby weinig of niets te denken viel. ’t Denken wilde ik graag voor óns houden. Vindt ge ook niet? Ik zou wel boekbinder willen wezen ... neen, tòch niet, dat is te verleidelyk. Maar steenzagen zou wel gaan, als ik daartoe sterk genoeg was. Ik vrees neen, want ik ben wat uitgeput. We zouden van zoo’n ambacht wel kunnen leven, dunkt me, als we maar geen schulden hadden. Maar ze zouden my de zaag afnemen ... neen, de wet waarborgt ieder het bezit van de gereedschappen, die noodig zyn voor z’n bedryf. Ook van dekleêrtjesdie de kinderenaanhebben... om de decentie, denk ik. Dat is toch lief van de wet.Maar allietmen my de zaag, ik kan daarmee niet genoeg verdienen om onze schulden te betalen. En als ik klaag, antwoorden ze:schryf!O, aanUschryven,.. dit is wat anders! Wilt ge dat ik wat schryf aanU? Wilt ge dat ikUiets vertel ... sprookjes, geschiedenissen ... heel graag,Tine! Ik zal gauw wat voor u maken, maar vertel ze niet aan kleinenMax. Hy begrypt ze niet ... evenmin als groote menschen, al heeft hy dan by ’tnietbegrypen geen belang.Eerste Sprookje.Een netgekleed heer, goudgekettingd en tevreden, wandelde langs een der grachten vanAmsterdam. Hy was in de stad voor “zaken”. Straks zult ge zien, wèlke zaken. Daar wandelde voor hem uit, een dame met haar kind. Door ik weet niet welk toeval, viel het kind in ’t water. De moeder gaf een gil ... en sprong het kind na, dat zy redde.De man van zaken zag het aan, haalde z’n zakboek uit, en maakte zich gereed daarin iets opteschryven.—Mevrouw, mag ik zoo vry zyn, uw naam en adres te vragen?—Myn kind, myn kind, ik heb m’n kind terug!—Zeer wel, maar mag ik zoo vry wezen...—Ik heb m’n kind terug, herhaalde de hoofdige moeder, die niet begreep dat men haar vragen kon naar iets anders dan haar kind.—Met die vrouw is niets te beginnen, bromde de nieuwsgierige vrager. Eilieve, vriendje, ik zal u ruim beloonen, als ge my morgen den naam en ’t adres opgeeft van die dame.Zóó vraagde de vreemdeling aan een der omstanders, en ’t schynt dat hy ditmaal te weten kwam wat hy begeerde te weten. Althans hy liet zich den volgenden dag aandienen by de gelukkige moeder.—Mevrouw, ik had de eer tegenwoordig te zyn...—O, waart ge dáár, mynheer? Hebt gy ’t gezien? Ik zag niets, ik hoorde niets, ik sprong...—Verschoon my, mevrouw, ik heb gehoord...—Gehoord?—Ja, mevrouw, Ik heb gehoord hoe ge...—Gehoord?Wàt toch?—Ik heb gehoord hoe gygegildheb, mevrouw ... ik kom u ’n engagement aanbieden by ’t theater.Arme moeder!Die man was ’nimpressariodie sujetten zocht. Hy heettePubliek.Tweede Sprookje.Chresoswoonde inBeotie. Van beroep was hy burgemeester van ’n dorpje welks naam ik niet weet. Ook kan ik u niet zeggen hoe hy verdwaald raakte inBeotie, daar z’n familie thuis hoorde in Athene ... ja, ik meende zelfs dat hy verwant was aanAlcibiades, een te vroeg geboren Franschman.Chresoswas ’n goed mensch, en leefde tevreden. Hy zorgde voor z’n dorpje zoo goed hy kon, en vermaakte zich in ledige oogenblikken met spelen op de luit. Maar dit deed hy alleen in huis, en nooit viel hy iemand lastig met z’n muziek.En zie, daar kwamen roovers die geweld-deden aan de bewoners van ’t dorpje, waarChresosgezag had. Hy legde z’n luit neer, en trachtte de roovers te verjagen. Men zeide hem, dat hy dit niet had moeten doen, omdat de roovers onder de bescherming stonden van den magistraat in de hoofdstad.MaarChresosgeloofde dit niet, omdat hy ’t àl te erg vond.Hy ging voort met het bestryden der roovers, en daar zy overmacht hadden, zond hy ’n bode naarThebeom hulp te vragen.In-stee van de gevraagde hulp te zenden, antwoordde men hem dat hy ’n onwaardig burgemeester was, en volstrekt niet geschikt om ’n ambt te bekleeden inBeotie. Dit laatste sprak hy niet tegen. Maar na z’n dorpelingen te hebben vermaand totgeduld, begaf hy zich met vrouw en kinderen op weg, niets meenemende dan z’n luit. Z’n huis werd ingenomen door ’n ander burgemeester, die zeker minder onwaardig was in de oogen van denThebaanschenmagistraat, en ook zeer bevriend scheen met de roovers die de dommeChresoshad willen uitroeien. Althans men hoorde niet meer klagen over de roovery, schoon de roovers in ’t land bleven.Met moeite verschafteChresoszich toegang tot denAreopagus, en verhaalde wat geschied was. Hy wees op z’n gezin, dat omkwam van ellende door ’tmisverstandvan den magistraat. Nog altyd hield hy de zaak voor misverstand. Ik heb u reeds gezegd dat hy eigenlyk niet thuishoorde inBeotie. Daarom oordeelde hy zoo verkeerd.Maar deAreopagusantwoordde niet.Chresosvermaande z’n vrouw tot geduld—wat niet noodig was—en troostte zich met spelen op de luit, dat ’n behoefte voor hem scheen.De tonen die hy aansloeg, waren in harmonie met z’n gewaarwordingen. Eigenlyk was hy geen groot muzikant, maar er is wat byzonders in ’t luitspel van ’n vader die z’n kinderen ziet derven. Dáárom en niet omdatChresosgoed speelde, luisterde men naar hem. Er was iets snydends in z’n spel, dat grove ooren kittelde. En er waren veel grove ooren inBeotie.Als men zeide: “fraai gespeeldChresos, ga voort!” dan viel z’n hand slap neder, en er blonk hem ’n traan in ’t oog, by de gedachte dat die onbegeerde lof de prys was van den honger zyner kinderen. Liever had hy nog slechter gespeeld, of in ’t geheel, niet, dan zóó! En hy vergeleek z’n ziel by de snaren zyner luit, die gespannen moesten zyn om klank te geven ... ja, gerekt op ’t breken af vóór de hoorders tevreden waren. “Zouden die snaren daarvan gevoel hebben als ik?” dacht hy.Maar toch speelde hy van-tyd tot-tyd, omdat hy niet anders kòn. En z’n gezin hongerde met geduld.Telkens weder beriep hy zich op denAreopagus. Eindelyk ontving hy het volgende vonnis:DeAreopagus, enz.“Gehoord de klachten van den oud-burgemeesterChresosover de rooveryen in ’t dorp ... enz.“Gehoord zyn verzoek om uitspraak te doen, tusschen hem en denThebaanschenmagistraat ... enz.“Gelet op de verklaring van gezegdenChresos, dat hy en de zynen verkeeren in zeer dringenden nood, ten-gevolge van een misverstand, dat dien magistraat zou hebben bewogen party te trekken voor de roovers die ’t dorp afloopen, waar gezegdeChresosvroeger burgemeester was.“Gelet op de verklaring van vele getuigen, die gezegdenChresoshebben hooren spelen op de luit.“Recht doende, enz.“Veroordeelt meergenoemdenChresostot de luit, en de kosten van ’t proces.”DieAreopaguswas omgekocht, en heetteNederland.Derde Sprookje.Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist,Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Werpt beitel neer en spade, o burgerluî,En roept uw dochters en uw knapen van hun spel.En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag!Werpt hamer, troffel, schaaf en weefspoel neer!Komt allen mee ... daar is wat fraais te zien!Komt allen mee ...hoerahvoorGolgotha!Hoerah,hoerahvoorGolgotha!—Dat zal, by God, wat schoons zyn deze keer!Hij schynt nog jong, en heeft iets in z’n blikDat taaiheid aanduidt ... zie, daar zygt hy neer:Hy schynt toch zwak te wezen! ’t Kruis is zwaar...Ik hoor: het is van ’t allerbeste hout! Men zegt,(MaarNathan, of het waar is weet ik niet!)Ze zeggen dat hyzelf het heeft geleverd,Toen hy als timmerman nog aan de schaafbank stond...Want, buurman, vóór hy, ’k weet niet wàt, misdeed,Ja, òf hy iets misdeed zelfsNathan, weet ik niet...Maar vóór hy deed wat men hem euvel nam,Was hy een timmerman als wy.—Hoe heet die man?—Dit weet ik waarlijk niet, men zegt hy ishanootzri...44Of wel, zijn vader was hanootzri. Hy lykt zwakVoor zulk ’n ambacht, maar z’n werk was goed...Hy struikelt weer ... (Op-zy wat,Jöchaz!Ei, laat my ook wat zien ... ge dringt me weg,Of ’t heele schouwspel waar voor u alleen! Hy zweet:Ik zeide u wel dat hy niet sterk was,Nathan.Maar toch geloof ik dat hy taai is, en ons nietBedriegen zal, als laatst die and’re diefDie pas ’n half uur had gehangen, toen z’n hoofdOp-zy knikte ... en ’t wasuit! Hy sprak geen enkel woordDat ons beloonde voor de moeite. Waart ge er by?(Houd kleineMirjamwat omhoog,Jochébed!)Zeg waart ge er by, oNathan ben Daöud,Toen ons die dief bestal voor zooveel moeite om-niet?—Ik had dien dag een splinter in myn voet,En dus geen lust inuitgaanof vermaak,Maar ’k heb gehoord ...—Ikwas er by, vriendNathan!Ik droeg m’n opperkleed van groene zyde,En had m’n tulband op vankashmirstofOmdat die koel is ... zie, hy struikelt weer,Maar staat weer op. Wat zeide ik ook het laatst?—De dief die u bedroog ...—Ik weet al. Nu dien dagWas ’t warm als heden ... neen, zoo warm was ’t niet:Want ... vindt ge ’t niet ontzettend heet van daagDe zon brandt me op den schedel. ’t Rouwt my welDat ik m’n tulband niet verruild heb voor mynKashmir,Die licht vankleuren koeler is ... dat doet de haast:Ik gunde my geen tijd—daar valt-i weer—Ik heb er spyt van ...Golgothais vèr!Zoo’n donk’re zuigt de warmte broeiend in,En dáárom heb ik spyt datGolgothazoo vèr is...Wat zeide ik ook het laatst?—Die slechte dief..—Ik bèn er! Uren liep ik mee, en hygde als nu...(Vervloekte hitte ... dringt zoo niet,Jöchaz!)Ik was vermoeid vóór halfweg ... en de dief(Let wel hoe schand’lijk die man ons bedroog)Liep met z’n kruis, als waar ’t ’n palmtak, voort!Hy zweette niet, en is niet eens gestruikeld ...Maar toen-ihing, was ’t daad’lijk met hemuit!Endeze—zie, hy struikelt weer—endezeIs niet zoo zwaar van bouw, zoo forsch van leest...Hy schynt wel teer van spieren ... doch zyn blikToont dat-i veel geleden heeft en droeg.Maar dat-ilangentyd nog lydenkàn!’k Ben zeker dat hysprekenzal aan ’t kruis,En dit is juist het aardigst van de zaak!De kinderen gaan, om dát te hooren, mee...Die andere dief was dood, vóór nog m’n vrouw,Die trager liep—omdat ze zwanger was, dien tyd,VanMirjam—(houd het schaapje omhoog,Jochébed!)Die dief was doód, vóór zy daar aankwam,Nathan!En ieder zeide dat het schande was!(GeefMirjammy,Jochébed! Hier m’n kind,Hu ... huup ... op vaders schouder! Kunje zien?Sla ’t kleine handje zóó ... om vaders hals,En houdje vast!) Wat zeide ik ook het laatst?—Die and’re dief ...—Ik weet al! Heel de buurtWas op de been gekomen, om dien man te zien.Daar waren met ons,Ruben,Ephraïm,Baënamet de kind’ren,Hiddal ben Elia,De dochters vanUrias,Schmoelde wisselaar ...(Ik zie hem juist, hy werpt den man met drek)Hy is ’t, die laatst verjaagd werd uit den tempel,Omdat hy schacherde inJehovah’shuis...—Wie jaagde ’m weg?—Ze zeggen zekereIscha...Jeshoeah, zoon vanJoszof, uit ’n grootGeslacht, die met ’n zweep hem voortjoeg als ’n hond,En ’t goud- en zilverkraampje omver smeet, dat de muntLinks, rechts wegspringend, neertikte op den grondEn rollend wegstoof onder ’t volk ...—Wie gaf hem rechtTot zulk ’n groot gezag?—Dit weet ik,Nathan, niet,Maar ’t is niet goed te schachren inJehovah’shuis!MynEphraïm... maar,Nathan ben Daöud,Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoop...(Daar werpt weerSchmoelden kruisman met z’n drek)Wat zeide ik ook het laatst?—Ge spraakt vanEphraïm,En van de wiss’laars in den tempel...—Juist!Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoopDat ge my niet verraden zult! M’n zoonDie ’t aanzag, wyl hy juist ’n handel sloot,Heeft, ylings bukkend, als om hulp te biênIn ’t zoeken—maar verklap me niet,ben Daud!—Hy heeft met scherp gezicht en vlugge hand..,In ’t kort, z’n handel was gezegend op dien dag:Hy kwam met dertig zilverlingen t’huis!Geloof me,Nathan, dieben Joszofhad gelyk ...’t Is ongeoorloofd dusJehovah’stempelTe ontwyden met ’n goud- en zilverkraam:jeshoeäh ben Joszofhad groot gelyk!’t Is dáárom ook datEphraïm, m’n zoon,Hem altyd zoekt en naloopt ... of hy weerTer zuivring uitgaat van Gods tempel, met ’n zweep,Maar sinds een week heeft hy hem niet gezien ...(Daar werpt dieSchmoelden kruisman weer met drek)—Die and’re dief ...—Ja, juist! Wy allen gingen mee, de heele buurt ...En toen-ihing, was ’t daadlyk uit,ben Daud!Och kleine, druk zoo zwaar niet aan m’n hals!)’t Is warm—hy struikelt weer—hy schynt vermoeid ...Ik zeg u, dit beteekent niets, vriendNathanGe weet, hoe ’t hout datmaklykbuigt, niet breekt,En hoe het harde knakt, by ’t minste buigen:Zóó ook die man ... ik zeg u, hy is taai!—Eilieve, zie ... die vrouw!... Zou dat z’nvrouwzyn?De vrouw die schreiend volgt, en neergebukt,Als-of zyzelve ’t kruis droeg op haar schouder!Zy steekt de magre hand gedurig uit,Als wilde zy den kruisman schragen ... Is ’t zynvrouw?—Dit weet ik waarlyk niet ... ze schynt my te oud.En bovendien ... ik zie geenkindren! Neen,Dat is gewis z’nmoeder... zie, ze waggelt!Ik heb zoo vaak zoo’n kruisweg meegemaakt,(De kind’ren zyn er dol op, de arme schapen!En altyd opgemerkt, dat wie ’nvrouwheeftEnkind’ren, die naar ’t kruis hem weenend volgen,(Wees rustig,Mirjam: vader is vermoeid!)Zoo taai niet is alsdeze,Nathan ben Daöud!Ik zeg u nog-eens: deze man istaai:Eenvaderzou zoo taai niet wezen,Nathan!Hy is wat moe van ’tgaan, maar als-ihangt,Is dit terstond voorby! VriendNathan, help me ’t kindEens overzetten, op dien andren schouder ... zóó!Het drukt zoo op-den-duur, al schynt het licht in ’t eerst!(Zit stil, m’n kind!) Ja,dezeis wat vermoeid,Misschien wat zwak ook door het bloedverlies,(Schuif niet zoo heen-en-weer, m’n kind: dat doet me pyn!)Men zegt dat-i gegeeseld is ... Ziet ge zynrug?Tracht heentekyken over ’t volk, vriendNathan!—Ik hebJöchazvoor my ...—Kuntgy’t zien,Jöchaz?—Ik zie alleen den top en d’ arm van ’t kruisDat slingrend voortschuift als-i waggelt, maar verdwyntZoodra hy neerzwikt ... zie, daar valt het weer,En ryst nu langzaam weer omhoog!—Dat zie ikzelfZoo goed als gy dat ziet,Jöchaz! Maar ik wenschTe weten of z’n rug ... zoo’n kind is vreeselyk zwaar!Wees niet zoo woelig, kleine: uw vader is vermoeid ...Kuntgyz’n rug zien, kind, zyn naakten rug?Den rug des mans, die ginds dat kruis draagt, kind,En die doorSchmoelgeworpen wordt met drek?Ik houd u hoog ... zie goed ... maar zie wat snel,Omdat ik moe ben, Mirjam! Nu?—Die rug is rood ...Ge hoort het,ben Daöud... dàt maakt hem zwak!Men heeft hem eerst gegeeseld, dat maakt zwàk!Maar ’t gaat wel òver, als-i hangt. Hij zalGewis zoo gauw niet knikken met het hoofd ...(Zit stil, myn kind, ge drukt me ontzettend zwaar!)Ik zeg u,Nathan, deze man is taai!’t Is jammer dat ik niet mynKashmirheb ...(Zit rustig kind, of vader zet u neer:Ik ben vermoed!) En ieder zei,ben Daöud:Het was ’n schande ... dáádlyk was hetuit!Maardezezal zoo gauw niet sterven aan het kruis,Hy zal gewis watsprekenvoor-i knikt!Dat praten dan de kindren jub’lend na,En maken grappig spel van wat-i zeide,En spelen kruisman, weken naderhand!Dit beurt wat op, in dezen slechten tyd!Maar als-i zwygt aan ’t kruis, is ’t niet de moeite waardZoo vèr te gaan—het is zoo vreeslyk heet,Als ’t weer gebeurt, zet ik m’nKashmirop!—Ik zeg u dat-i taai is,ben Daöud!Hy valt weer ... dit is niets! Wacht tot-i hangt,(Zit stil,Mirjam!) dan zult ge zien en hooren ...Neem ’t kind terug,Jochébed: ik ben moe ...Maar houd het schaapje omhoog ...Komt mee, komt mee, daar is wat schoons te zien!Komt allen mee ... daar wordt ’n man gekruist!Wat hy misdeed? ’k Weet niet wat hy misdeet ...Er zyn er zelfs die zeggen dat-i wèl deed ...Maar dit ’s om ’t even! Werpt uw grootboek neer,Vergeet uw koffi en uw suiker, burgerlui ...Uw beurs, uw oefning, en uw monsters van tabak,Uw winkel van gestolen kruinierswaren,Uw Evangelie en uw batig saldo!Laat liggen voor ’n wyl uw handel en moraal,Theologie ... moderne, antieke ... ’t heele zoodje!Neem uit de kast uw deftigst opperkleed,Bedast uw hals met allerwitst batist,En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag,En roept uw knapen en uw dochters van hun spel ...Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist!Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Ik zeg u dat-i taai is, die daar gaat ...Hy zal zoo gauw niet knikken met zyn hoofd ...Hy zal, by God, aan ’t kruis niet zwygend sterven!En voor uw kinderen zal ’t de moeite waard zynTe hooren—en het nàtepraten—wat-i zegt!Beloof hun vry een vroolijk kruismansspel,Dat beurt wat óp in deze slechte tyden!Ik zeg u dat-i taai is, deze man,Dat hy u niet bedriegen zal, als laatstDie andre dief, die daadlyk knikte met het hoofd,En toen was ’tuit! Maar deze man is taai,Al schynt hy zwak van bouw. Het is hem aantezienDat hy veel droeg, maar kracht heeft méér te dragen,Dat hy veel leed, maarlangnog lyden kàn!Hij spreekt reeds ... luister: “Eli Sabactani!”Hy roeptElias... kindren, bauwt hem na,En sart hem, dat hy nòg wat zegge aan ’t kruis,En krabt met lange nagels in z’n wonden ...Of beter, werpt hem—als vriendSchmoel—met drek:Licht slikt hy walging minder goed dan pyn!Hu ... huup ... omhoog uw kindren! Dat ze ’t zien.En dat ze ’t hooren, hoe de kruisman spreekt,Om stof te garen voor hun kruismansspel ...Komt allen mee!HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!Komt mee, komt mee, daar wordt een man gekruist:RoeptRubenhier, enNathan ben Daöud...Klaas Jakob,Nafthali,Albertus!Eliézer...De dames en de heeren uit de buurt,Verwanten, neven, nichten, broeders, en de rest,Behouders, Liberalen, mannen van de beurs,En van de balie of den kansel! KontraktantenEn Vry-arbeiders, oppozitie en ministers,De leden van de Tweede-Kamer in den Haag,En wie er rusten kan, na slecht regeeren,En wie geen tyd had om z’n plicht te doen,Maar licht nu tyd heeft voor ’n grappig schouwspel,RoeptMozes,Issascharen ’t heeleWillemspark,Piet,Paul,Ezéchiel... roept al wat naam heeft,Roept wat gedoopt is, of besneden, mee!Roept al wat juicht: “ik dank u voor myn braafheid!”Roept al wat kermt: “wees my genadig, Heer!”Roept wat verdoemd is, en wat deel heeft aan genade,Wat loopen, zien en hooren kan (al is ’t wat heet!)Jezuiten—protestantsche en katholieke—Van de orde of niet van de orde, Vrye-metselaren,Die over ’tgoede, schoone woordenspreekt,Maar u onthoudt vanstrydentegen ’t kwaad!Gy die ukind’ren noemt der weduw, maar uw handNiet uitstrekt om het kruis te dragen van haar zoon!Roep al wat bidt of schachert in den tempel,Al wat er wacht opNabi Issah’szweep!Al wat met scherpen blik en vlugge handenHem nasluipt—of soms te grissen vielVan ’t geld, dat rollend wegstuift onder ’t volk—En later meepraat over stelsels en principes!Roept al wat vet werd van gestolen spys,Al wat er pocht op linzen-eerstgeboorte,Al wat ’n gouden kalf in ’t wapen draagt,Al wat er knaagt aanInsulindscheknoken,Al wat er zuigt aan deInsulindschekoe,Al wat er hangt aan d’afgestroopten tepel,Al wat er zwelt van ’t afgezogen bloed!Komt allen mee ...Jochébedmet de kleine ...(En houdt vooral het schaapje omhoog,Jochébed!)RoeptJanszoon,Pieterszoon,ben Levi,ben Daöud...Ben...dìt,BEN...dàt,BEN...ieder!Roept ookSchmoel...Ja,Schmoelvooral, enJudas Judaszoon!Komt allen mee, komt mee naarGolgotha!Bij God ... daar is vandaag wat schoons te zien!Komt allen mee, daar wordt ’n man gekruist!Komt mee, komt mee ...HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!Ik ben wat moe, myn besteTine.VAN TINE AAN FANCY.Fancy... om-godswil ...Fancy!AAN TINE.LieveTine! Dat ik u in-lang niet schreef, was omdat ik u niets kon zenden. Ik ben niet wèl, en heb ’n vreemd gevoel van leegte, alsof ik me iets herinnerde, maar vatten kan ik ’t niet! Kuntgyme helpen? Ook heb ik pyn in ’t hart. Zou ’t ’n anevrisme wezen? Neen, dit kan niet. Zoo’n kwaal heeft ieder tegenwoordig, en ik zal toch geen ziekte krygen als ’n ander.Die minister antwoordt niet. Ze kunnen my niet gebruiken, denk ik. ’t Schynt dat men prokureur of griffier moet geweest zyn. Ik zal nog drie dagen wachten op dat antwoord van den minister, en dan ... ja dan weet ik waarlyk niet wat ik doen moet! Ik weet niets, begryp niets! Wat is er toch met ons gebeurd, dat we zoo in moeielykheid verkeeren? Hoor eens, lieve ... als ge volstrekt geen raad meer weet, tracht dan naarden Haagte komen ... al is ’t te-voet en bedelend. Ieder zal u zeker wat geven, als ge zegt dat het is om dáár te sterven met de kinderen. Ik ben er op gesteld dat we dáár sterven. MaarSAMEN, lieve Tine! Ik heb volstrekt geen moed meer om televen, ente handelen. Moed om teondergaanen testervenwèl. Ik ben moe! Kunt ge ’t nog drie dagen uithouden?Nog geen antwoord van den minister ...VAN TINE AAN FANCY.Fancy!!AAN TINE.O god, wat is dat vreemd ... ik droom altyd dien droom. Daar dwaalt my iets voor ’t oog ... een meisje, een schim, ’n spook ... Ik reikhals vruchteloos ... ze ontwykt me, en zweeft omhoog ... en lost zich op inniets! M’n hart is leeg, o god!Ik ben vermoeid.VAN TINE AAN FANCY.

Schryven is afdruk nemen van de ziel.Als Publiek ziel heeft, laat hemzelf schryven.Heeft hy geen ziel, dan begrypt hy ook myngeschryfniet ... punctum!Maar er bestaat nog ’n reden die my de bibliotheek van m’n vriend doet schuwen als de pest. Ik ben inderdaad hoogmoedig en verwaand, en—ik verzeker u dit ernstig—het hoofdingrediënt van schryven of spreken is verwaandheid. Welnu, als ik veel boeken om my heen zie, laat ik my verlokken daarin het oog te slaan. Ik lees voort, vind gedurig iets dat ik niet wist ...word, vruchteloos tegenstrevend, overtuigd van onkunde, en weg is de verwaandheid die ik noodig heb om te schryven! Neem dit niet op als een sarkasme, als ironie, als scherts, als voorgewende nederigheid. Ik geef ’t u alseenvoudig waar, en ik ben zoo vry de menschen die voorwenden ’n anderen indruk te ondergaan, voor verwaander te houden dan myzelf.Ik denk altyd, wanneer ik iemand als spreker of schryver zie optreden: zou die man—’t spreekt vanzelf dat het altyd ’nmanis—zou die man nu inderdaad gelooven dat hy wat te zeggen heeft? Maar nooit doe ik deze vraag overluid, omdat ieder boos wordt, als men informeert naar z’n hoogmoed. Wanneer de menschen konden gebracht worden tot de erkentenis hunner verwaandheid, ware er veel gewonnen, want dan zouden ook de andere fouten blootliggen. Maar dit schynt zwaar te vallen. Altyd zyn er gaten in den mantel vanDiogenes. Ge weet dat ik beter vind den heelen mantel aftewerpen,“die man is hoogmoedig” beduidt eigenlyk: “Die man neemt de moeite niet, z’n hoogmoed te verbergen als wy?” Dat is, nòg eens overgezet: “hy loopt in z’n hemdsmouwen!”Wel zeker ... als ’t warm is! Of als men iets te doen heeft, waarby ’t opperkleed hindert, zooals by my dikwyls voorkomt. Ik heb geen tyd om nederig te schynen.Dat wegstoppen van aandoeningen is my te lastig op-den-duur. Ik heb meely met de menschen die hun geheel leven door souffreeren aan de nooit erkende obstruktie van eigenwaan, ’t is om te bersten!Ook zou ik vreezen onoprecht te worden in geheel omgekeerden zin. Wie zegt me of ik niet door dat kunstmatig en nooit gelukkend wegwringen myner deugd, wat ondeugd zou verbergen met-een? Laat ons maar altyd zeggen wat we meenen wáár te zyn, en het opgeven voor beter, ’t Iseenvoudigalweer, zoo als ge ziet.Bovendien er steekt veel hoogmoed in dat geklaag over hoogmoed. ’t Isdépitover al de verloren moeite die men zich getroost om ’n doel te bereiken, dat zonder schade wordt verwaarloosd door ’n ander.Christusverbergde zyn hoogmoedniet. Hy verwaardigde zichniet, iets wegtestoppen. “Ik ben de weg, de waarheid en het leven, wie My gezien heeft, heeft den Vader gezien!” Als hy ditmeende, had hy gelyk het tezeggen. ’t Stond aan ’n ander, hem tegen te spreken, en des-verkiezende te betoogen, dat hy trekvaart, leugen en dood was. Maar wat ik minder schoon vind inJezusis dat hy niet met dezelfde rondheid zei wat er aan hem ontbrak. Ik erken echter dat er meer moed noodig is omgoedte spreken van zichzelf dankwaad, en daarChristushet eerstedurfde, zou hy ook moed gehad hebben tot het laatste ... als het te-onpas gekomen ware. Waarschynlyk dacht hy dat de Farizeeën ’t wel voor hem zouden doen, en hierin dacht hy juist. Dit is nòg zoo.Moedom hoogmoedig te wezen? Welzeker!—Wie durft die bres bestormen? roept de bevelhebber.—Ik! zegt ’nhoogmoedige, die zich schynt te houden voor den braafsten man van ’t regiment.Maar toen hy “Ik” riep, wist hy dat er zou geantwoord worden:—Ga dan, en bestorm de bres!En hygaat! Want ik weet niet van wie “Ik!” roepen ennietgaan. Dit zou gehuichelde hoogmoed wezen, en ik trek alleen party voor deware. Och,Tine, al deze dingen zyn heel eenvoudig. Ieder weet ze, maar wy denken er niet aan, omdat we te veel zyn opgevoed en begodsdienst. Om wys te worden, heeft men niet veel te leeren, er moet maar een-en-ander wordenafgeleerd. Het uitroeien van één vooroordeel is meer waard dan ’t bedenken van tien nieuwe stelsels.Voltaire—met wien ik lang niet in alles eens ben, dat weet ge—Voltaireis ’n prul in de oogen vanKantianen,Hegelianen,Spinozisten,CartezianenenLeibnitzers. Waarom? Omdat hy niets heeft gezegd wat niet ieder kan begrypen, en omdat hy geenstelselheeft saamgeknoeid ... wat hy toch met zyn vernuft heel goed hadkunnendoen. Hy toont aan:wat niet waar is, en dat willen de menschen niet, tenzy men hun iets anders in de plaats vertelle, dat evenmin waar hoeft te wezen. Men hongert naar leugen. Zoodra ik ’n slecht mensch word, ga ik aan ’t systeem-maken. Ik zie er best kans toe ... ze komen er goed af! Ik wacht ’n standbeeld, met een opschrift ... ja zoo:STA VICTOR.DIT VERBEELDTDE MANDIEBETER HAD KUNNEN LIEGENDAN IEDER ANDER, ALSHY GEWILDHAD.Maar,Tine, om dan konsekwent te zyn, moet men veel andere standbeelden omverhalen.Ik ben in ’n andere kamer gevlucht, waarboven slechts gemangeld wordt: g.....! Ik heb ’n kolonel van de marine gekend, die ’n premie uitloofde voor ’n nieuwen vloek! O, ik begryp dien kolonel! Daar kryg ik weer brieven ... lees zelf, en oordeel. Wat willen ze toch?Ieder biedt me allerlei dingen aan, die ik niet noodig heb, maar niemand schynt te willen deelnemen in den moeielyken stryd dien ik voer. ’t Is zonderling!VAN EEN MEISJE.Dierbare broeder inChristus!Ja, ge zyt my dierbaar, al sluit ge uw oor ................30VAN EEN ANDER MEISJE.31VAN EEN DOMINE.Broeder!Uit innig gevoel des harten voel ik me gedrongen, u te verzoeken, my toetestaan persoonlyk kennis met u te maken. Ik ben van plan, morgen, na de preek, terstond naar Amsterdam te gaan, en by u myn bef en broek te komen afleggen, om met u te spreken over ’t geloof. Ge zyt op ’n goeden weg. Ge zyt een te goed mensch: om niet te gelooven als ik. Lees maar na ...32VAN EEN ANDEREN DOMINE.33AAN TINE.Ik ben vermoeid, lieve! Wees niet boos dat ik zoo weinig schryf. Ik kan u niets zenden. Tracht maar voltehouden. ’t Zal niet altyd zoo blyven. Maar vermoeid ben ik, dat is waar.Verbeeld u ... ze hebben zich in het hoofd gezet dat ik ’nschryverben, en dat ik moet schryvenvoor den kost! Ze verwarren my met dienMultatuli.Schryven voor den kost!’t Doet me denken aanDon Juan, die zóó’n pleizier vond in het praten van dien armen Mr.Dimanche, dat hy verzuimde te antwoorden op diens verzoek om betaling van de rekening.Ik heb geenMolieremeer ... achTine... onzeboeken! Weet ge nog wel dat we eens boeken hadden, en ’n huis? En dat we menschen binnenriepen die ergeenhadden? ’t Is toch zonderling ...nog dikwyls vraag ik mezelf: hoe komt het toch dat we geen huis hebben? ’t Is heel dom ... ik lyk kleineMaxwel, met z’n gekke vragen. Ik heb moeite om niet afgunstig te zyn, als ik denk aan zoovelen die wonen kunnen. En meestal ... maar ik zal u liever wat vertellen vanDon Juan. ’t Is heel goed dat ik geenMolieremeer heb. Dan zou ik misschien naschryven, en dit verveelt me zoo.Don Juanis dik en vet als betaamt. MaarDimancheis mager.—M’n huisgezin is in nood, o edeleDon Juan! Ge weet wat ik voor u gedaan heb ...—Goed gesproken, lieveDimanche, ga zitten!—Ik dank u voor ’t zitten, heerJan... ik wenschte dat ge deze rekening ...—Uw rekening is verrukkelyk. Ga voort! Mag ik u ’n snuifjen aanbieden?—Ik dank u voor ’t snuiven.Don Juan... maar zie deze rekening, en ...—Weet ge wel dat ge een goede hand schryft, o universeeleDimanche! Ik benoem u tot myn secretaris ... dan kunt ge schryven voor my!—Ik dank u voor ’t schryven, heerRidder, doch m’n gezin lydt gebrek ... en om-uwentwil zouden wy ...—Gebrek?...Lyden...Gebreklyden?... O heerlyk schoon verbond van diep gevoelde klanken ... Ik zeg ... ik gloei ... ik wil ... ik weet zelf niet wat ik wil, maar ’t doet er niets toe ... de uitdrukking is prachtig! Doe my ’t genoegen, en zeg dat nog eens.—Wy lyden gebrek, o heer ..,—Goddelyk! Wat ’n leven ... wat ’n gloed ... wat ’n vuur! Ik verhef u tot m’n lyfdichter. Ga voort, welsprekendeDimanche!—Ik dank u voor ’t dichten, heerGrande... ik meende dat gy ... om godswil, bedenk dat wy sterven ... en bovendien, ik heb schulden ... ik kan niet betalen ... en nu zegt men datikoneerlyk ben ... terwylgy... bedenk heer,Ridder,Jan,Juan,Grande... hoe moet ik u aanspreken om verstaan te worden?Don Juan... o god ... wy sterven, en men zegt dat ik ...—Sterven?... verheven denkbeeld! Maar ’t is onjuist ... vriendDimanche! Ge laat u door geestdrift vervoeren tot onnauwkeurigheid.Sterven?Gymet uw talent van voordracht?Sterven?Gy?... met zoo’n schrift? Onmogelyk,Dimanche! Ziehier! IkDon Juan... ik schenk u ... neem aan!.. . wees niet beschaamd ... ik ben ’t schuldig ... ik schenk u,ex plenitudine potestatis... begrypt ge dat?—Ach neen ... maar m’n rekening ...—Ik schenk u deonsterfelykheid!Leporello, wilje m’nheer uitlaten?Ik weet niet of ’t precies zoo staat byMoliere, ook niet ofDimanchenog tyd heeft om te antwoorden: “ik dank u,Don Juan...Publiek, voor uw onsterfelykheid!” maar me dunkt, ik zie den sukkel zoo bedroefd weggaan, om aan vrouw en kinderen onsterfelykheid thuis te brengen, in plaats van ’t verwachte brood om niet te sterven!En dan vraag ik, of er ook in dien tyd rustende Gouverneurs-generaal waren, met ongestoorde levensdigestie en zwygende gewetens?Moliereschreef aardig, maar hy had te weinigdonnées. Hy was ’n kind van z’n tyd en z’n tyd was eenvoudig.Ikschryvenvoor den kost ... voor geld?OnzeNonniis nu pas vier jaar .., stel u eens voor, dat ze later ... voor geld ... o god!Houd u staande, lieveTine, zoo goed mogelyk! Heb ik u reeds geschreven dat ik een brief zond aan den minister? Hy is ’n welwillend mensch ... hy zal zeker antwoorden. Ik heb hem daarin niets gezegd van den nood waarin we verkeeren. Dit zou niet goed wezen, want dan zou hy ons helpen uit medelyden. Was ik nu maar aan den drank, dan waren we gered! Ja, dan kon ik beterschap beloven, en waarachtig—zóó zyn ministers en menschen—als men beterschap belooft, wordt men meestal geholpen.—Rechtvaardigheid is duurder dan vergiffenis, en als ze niet zoo’n leven maakten boven m’n hoofd, zou ik u uitleggen waarom.Maar de zaak is nu juist omgekeerd, en hierom vrees ik dat m’n schryven niet baten zal. Door myn bod aantenemen, zoude Regeering beterschap beloven... en deze belofte valt zwaar aan wien ’t niet meenen kan. Maar ik denk toch wel dat ik antwoord zal krygen ...Er is nu ’n nieuwe Gouverneur-generaal benoemd.34Hy wordt geprezen of gelaakt, al naar men behoort tot de party van behoud of van oppositie. Maar dit moet ge nu zoobegrypen, dat de behouders opponeeren voor ’t moment, en dat de oppositie nu behouden wil. Ik zou u dit kunnen uitleggen, maar ’t is beneden uw aandacht. Wacht tot ik m’n brief aan de kiezers afmaak. Als ge ’t dan goed begrypt, zyt ge niets wyzer. De hoofdzaak komt hierop neer, dat die nieuwe Landvoogd wel wat gelykt op den “laatst-aangekomene” in een kleinstad. Elkecliqueroept hem toe: “ge zult immers totonsbehooren? Laat u toch volstrekt niet in met al ’t canalje van die andere societeit! ’t Is hier goed lezen ... als ge maar niet omgaat met de A’s en de B’s en de C’s....Al die initialen, samengevoegd, maken ’n kompleet adresboek van de kleinstad.Eén ding echter heeft me byzonder getroffen. Van de weinigen die niet schynen te behooren tot ’n politieke party, en toch eenigszins achtslaan op de publieke zaak, verneem ik dat de “nieuwaangekomene” groote verdiensten heeft. Nu vraag ik hoe ’t komt, dat deze verdiensten niet voorlang reeds ten nutte van het algemeen zyn aangewend, daar de man toch niet meer jong is? Waarom heeft men tot-nog-toe geen—of maar zeer onbeduidende—betrekkingen opgedragen aan iemand van zóóveel kennis, zóóveel integriteit, zóóveel karakter, zóóveelgenie... had ik byna gezegd? Ziet ge, daarvan begryp ik weer niets. Wie heeft al die Amerika’s ontdekt? Hoe heeft de man het aangelegd, om al die gaven zoolang schuil te houden?Hy is geweest:Griffier der Staten van Gelderland. Is ’t niet jammer dat men iemand die thans geacht wordt op de hoogte te staan van ’tONDERKONINKSCHAP VAN INSULINDE, op de hoogte dus van deBELANGRYKSTE BETREKKING IN DEN STAAT... is ’t niet jammer, vraag ik, dat die man is gebruikt tot het maken van die processen-verbaal der zittingen van de Geldersche Staten? Dat mendienman heeft belast met het opschryven der redekavelingen van anderen? Daartoe wasikte goed, lang voor ik u kende. Die man moet byzonder nederig zyn.Wanneer hy op de hoogte staat zyner schoone roeping—en ik heb geen andere reden hieraan te twyfelen dan voornamelyk die nederigheid (zieGöthe,in voce: “bescheidenheid”) en voorts dealgemeenereden die ’t juisttreffen in deze zaak zoo moeielyk maakt—welnualshy op de hoogte van z’n taak is, dan hadden de Geldersche Staten, kollectief of individueel, zich zeer vereerd moeten achten, heel nauwkeurig en eerbiedig op-te-schryven, wathyzou gelieven te zeggen. Maar ... omgekeerd, is ’t ’n gruwel.En zie nu eens weer, hoe zonderling! Men zou toch geen koetspaard spannen voor ’n kar. Moet ik nu gelooven dat men beter weet omtegaan met paarden en karren, dan metmenscheninInsulinde? Zoo schynt het, waarachtig!Maar, zeggen ze, hy is niet alleengriffier geweest. Hy isconcessionaris geweestvan ’n spoorweg, die er nietgeweestis, en daarna werd hy ter schadeloosstelling benoemd tot president van den Raad van toezicht over spoorwegen, die er tot heden toe nietgeweestzyn.De slotsom is, dat hy eigenlykniets geweestis.Ei,Nederland, hebt ge groote mannen te veel, dat ge ze ongebruikt laat? Dit is niet huishoudelyk.Ach, ik herinner me dat ook de laatstvoorgaande Gouverneur-generaal,die zich nu bezighoudt met rusten, byzonder geprezen werd! Ik heb neiging tot sympathie voor dentegenwoordigen, al bleek het nooit.35Ja, ik wou u graag wat zenden, myn kind, maar hoe kom ik er aan? Schryven voor geld? Aan wien? Wat? Moet ik schryven aan menschen die niet lezen kunnen? Na ’t boek vanMultatuliheb ik eigenlyk niets te zeggen. Ik wacht antwoord, en ik dacht ...Ziehier wat deTielsche Courantschreef ... had ik geen recht op antwoord van de natie?IS NEDERLAND EEN ROOFSTAAT.»Vier maanden zijn reeds voorbijgegaan, sinds Multatuli, een oud-Oost-Indisch ambtenaar,—naar hij beweert, miskend, vervolgd en tot aftredinggedwongendoor zijne superieuren, in zijn »Max Havelaar of de koffiveilingen der Ned. Handelmaatschappij,» de gezaghebbers in onze Oost-Indische koloniën openlijk aanklaagde dat zij hun pligt verzaken, hun eed schenden, de stem der menschelijkheid en der godsdienst, van het geweten en de eer smoren,—dat zij de Javanen, wier bescherming hun is opgedragen, met lafhartigheid, maar vooral ook uiteigen belang, willens en wetens, ten prooi laten aan de knevelarijen en afpersingen hunner hoofden, dat zij hen stelselmatig laten vertrappen en uitzuigen inonzennaam, en gelijk het heet, totonsvoordeel—dat zij valsche rapporten uitbrengen om het moederland van dien ons onteerenden toestand onkundig te laten,—en dat zij den zeldzamen ambtenaar, die zich niet tot hun medeplichtige leenen, maar zijn eed gestand doen, en zijn plicht volbrengen wil, tegenwerken, verdacht maken, vervolgen, ontslaan.Ontzettende beschuldiging voorwaar! Zoo zij gegrond ware, zoo de schatten, die ons uit onze koloniën, toestroomen, slechts verkregen werden ten koste van het zweet en het bloed onzer Javaansche broeders, dan zouden wij met den schrijver moeten uitroepen, dat Nederland den naam van “roofstaat” verdient, dan zou ons eene wonde zijn ontdekt, waarvan de diepte bijna niet te peilen, de genezing niet genoeg te bespoedigen zou zijn!Maar is die beschuldiging gegrond?Als Nederlander, als mensch, valt het moeilijk het te gelooven. Doch aan den anderen kant (en wij beroepen ons hier op allen, die den »Max Havelaar» gelezen hebben) de schrijver heeft niets wat aan een lasteraar zou kunnen doen denken; hij slaat eentoon aan, die overreedtniet alleen, maar die ook overtuigt, die aan zijne waarheidsliefde bijna nietkandoen twijfelen; hij deeltfeitenmede, gelijk alleen een ooggetuige, en eenwaarheidzoekendooggetuige, ze mededeelen kan; hij verklaart alles te kunnenbewijzen, hij duidt de schuldigen als met den vinger aan36en tart hen uit, hem van eene enkele onwaarheid te overtuigen.Als wij dus de vraag herhalen: »is die beschuldiging gegrond?» dan moeten wij antwoorden: »wij durven noch bevestigen noch ontkennen.” Een zeer onbevredigend antwoord voorzeker! Want de zekerheid van het nietbestaan der kwaal zou ons gerust stellen; de zekerheid van haar bestaan zou de genezing mogelijk maken; de onzekerheid alleen doemt tot vrees en tot werkeloosheid.Waarom zwijgen zij, die de waarheid kennen? Waarom laten zij ons, vier lange maanden in de onzekerheid?Oud-Gouverneurs-Generaal,Oud-Residenten,Oud-Assistent-Residenten, gij allen die door Multatuli zijt beschuldigd, breekt het stilzwijgen af! Het vaderland verlangt het, uwe eer vordert het! Hoe? Multatuli werpt als in het voorbijgaan, zonder opzet en uit onbedachtzame jacht op geestigheid, een smet op de edele zendelingszaak, en dadelijk treedt voor haar een kampioen op, ridderlijk loyaal, met open vizier, om hem voldoening te vragen37engy, die hij, niet in ’t voorbijgaan, maar zonder ophouden, opzettelyk trof,gy, die hij kwetste op de plaats, waar mannen van eer het gevoeligst zijn, gij zoudt voortgaan met zwijgen, gij zoudt u als weêrloos laten slaan, als eerloos, laten beleedigen, gij zoudt de smet laten kleven op uwe namen? U is een handschoen toegeworpen, openlijk voor ’t oog der gansche natie, bij het klaar licht der eeuw der openbaarheid; raapt hem op! treedt in het strijdperk! Vier maanden38zijn voldoende geweest, om uwe wapenen in orde te brengen.—Gij zijt gedagvaard voor de regtbank der openbare meening, verschijnt voor de balie! Vier maanden zijn u voldoende geweest om uwe verdediging voor te bereiden. Zoo gij onschuldig zijt, stelt ons gerust! Zijt gij schuldig, bekent dan schuld en geeft ons gelegenheid het kwaad te herstellen door u bedreven inonzennaam!Tweede Kamer der Staten-Generaal!de handhaving van de eer der natie behoort tot uwe roeping. Als zij, die in ’t bezit zijn van de waarheid, voortgaan met hun majestueus stilzwijgen, interpelleer dan den verantwoordelijken man, die door zijn post tot spreken geroepen is. Vraag den Minister van Koloniën, of Neêrlands eer in de O. Indiën met voeten getreden wordt!Volk van Nederland.Eerlijk volk, christelijk volk! blijft niet onverschillig in deze zaak. Het zijnuwebroeders, die niet totuwvoordeel, maar totuweschande, zouden worden vertrapt en uitgezogen inuwennaam. Gij hebt regt om te weten of die aanklagt gegrond of valsch, of uwe eer bevlekt of zuiver is! Gij hebt regt om te eischen, dat er een einde kome aan die onzekerheid, waaringij wordt gelaten. Het is beter het ergste te hooren, dan niets. Het is geen schande krank te zijn, maar het is schandelijk, om, als men u toeroept:«Gij zijt ziek!» onverschillig te blijven, en zonder naar uw vermeende kwaal onderzoek te doen, in flaauwheid den tijd tot herstel geschikt te laten voorbijgaan. Als het zwijgen der O.-Indische ambtenaren mogt voortduren, als ook uwe Vertegenwoordigers onverschillig mogten blijven, herinnert u dan, dat gij geregeerd wordt door een Koning, die het licht lief heeft, en de duisternis haat.Ga vrijmoedig tot hem, en zeg aan den Keizer van Insulinde:«Sire, laat een onderzoek instellen! Geef ons licht! Als Multatuli een valsch aanklager is, laat ons dan weten, dat Nederlands eer onbezoedeld is gebleven,—zoo hij de waarheid heeft doen hooren, herstel hem dan in zijne eer39den edelen Max Havelaar, straf de schuldigen, en neem de misbruiken weg.»Dagbladpers van Nederland, ondersteun onze pogingen! Laat niet af, met gelijk wij te vragen omlicht, dat ons in plaats van de vraag: «Is Nederland een roofstaat?» den kreet zal kunnen doen uiten: «Nederland is Goddank geen roofstaat!» of wel: «Nederland wil met Gods hulp ophouden een roofstaat te zijn!»In die merkwaardige zitting der Tweede Kamer, waarin onze volksvertegenwoordigers zoo treffend hebben getoond hunne roeping te begrijpen, waarin zij openlijk hebben gebroken met dat misbruik, dat het antwoord op de Troonrede verlaagt tot een loutere echo van de woorden der Regering, is ook (al werd de naam zelf angstvallig vermeden) de «Max Havelaar» ter sprake gebragt, en heeft een der leden der Tweede Kamer,indat boek zwaar beschuldigd,overdat boek het woord gevoerd.40De aanleiding daartoe werd gegeven door de HH. van Hoëvell en Myer. Eerstgenoemde constateerde het door ons reeds aangewezen feit «DAT DOOR DAT BOEK EENE ZEKERE RILLING DOOR HET LAND GEGAAN EN GROOTE ONGERUSTHEID, JA, VERONTWAARDIGING IN VELER GEMOED ONTSTAAN WAS,» en zag in die, door de Tweede Kamer niet beaamde zinsnede der Regeeringsboodschap: «de toestand der overzeesche bezittingen is in alle opzigten bevredigend» een door den Minister van Koloniënte vergeefsaangewend middel om die ongerustheid en die verontwaardiging weg te nemen. Laatstgemelde (op wiens rede wij straks nog zullen terugkomen) constateerde ook het feit, dat er in dat werk sommige personen—en wel bij name een oud-landvoogd—zwaar worden beschuldigd.41Wat mogt men nu verwachten toen deze laatste, de heer Duymaer van Twist, het woord opnam? Dat hij zichthansvan de aanklagt zou zuiveren? Geenszins: zoo iets kon niet te pas komen bij eene discussie over het antwoord op de Troonrede. Doch men had althans mogen verwachten, dat spreker zich onthouden zou van die ons onbegrijpelijke verklaring, dat hij Multatuli nooit weerleggen zal—eene verklaring, die, schoon niet met ronde woorden uitgesproken, evenwelmoetworden afgeleid uit sprekers ondubbelzinnige woorden: «ik meen dat uit ’t geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen, voor mij geen verpligting tot verantwoording kan ontstaan.»Voor zooverre nu een voortdurend stilzwijgen alleen de eer van de beschuldigden in gevaar zou kunnen brengen, is hethunnezaak: wij zijn niet geroepen voor particuliere belangen op te treden. Doch de «Max Havelaar» heeft ook door gansch Nederland ongerustheid en verontwaardiging verwekt. Dit is een feit dat niet kan worden geloochend, en nog daar te boven door den heer van Hoëvell in ’t openbaar is geconstateerd. Uit dit feit nu vloeit onmiddellijk voort, dat ieder Nederlander, die de ongerustheidkanwegnemen,verplichtis om dat te doen. Kan dan één hunner zich van dien pligt ontslaan door de verklaring: «dat uit ’t geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen,voor hemgeene verpligting tot verantwoording ontstaan kan?» Wij betwijfelen het.Vreemdsoortig is ook het argument, waarmede de heer D. v. T. dat stilzwijgen schijnt te willen regtvaardigen. «Ik meen,» zeide hij, «dat ’t geen ik over dat boek zou kunnen zeggen, den schijn van partijdigheidniet zou kunnen ontgaan.»Dit is eene overdrevene kieschheid. Waar het verdediging geldt, kan het verwijt van partijdigheid niet treffen. Een advokaat b.v. kan in zijn pleidooien nooit den schijn van partijdigheid ontgaan; hij is partijdig reeds daarom, omdat hij voor eene bepaalde partij optreedt. Is hij daarom verpligt of zelfs gerechtigd een deftig stilzwijgen te bewaren?Ook na de verklaring van den heer Duymaer v. Twist, blijven wij dus volharden bij ons vroeger ontwikkeld gevoelen, dat de aangeklaagden het stilzwijgen, dathunneeer en het geluk van Nederland in de waagschaal stelt, behooren af te breken. Zij kunnen er niets bij verliezen, en (zoo zij ten minste—wat wij nog altijd hopen—onschuldig zijn) alles bij winnen. Hoe langer zij dat uitstellen, hoe meer het vertrouwen van hen, die het slechte liefst niet geloovende, hen voor onschuldig houden, zal geschokt worden, en bleven zij zwijgen tot het einde toe, dan zouden wij vreezen, dat ook hier weder de openbare meening (waaraan hun toch zeker wel iets zou gelegen liggen) vonnissen zoude, volgens den ouden regel:ZWIJGEN IS TOESTEMMEN!42Laathen dat resultaat voorkomen, terwijl het nog tijd is! Laat hen vooral den eisch der eeuw niet vergeten! Onze 19deeeuw heeft nu eenmaal geen behagen in de duisternis; zij begint met om licht tevragen; wordt het geweigerd, daneischtzij het en weet het te verschaffen.Eindelijk nog iets over de redevoering van den heer Myer. Het doel van dezen spreker was, gelijk hij zeide,nietom de aangeklaagden te verdedigen (’t geen hij en teregt, aan hen zelven overliet). Van dit programma week hij niet af, toen hij een feit mededeelde, waaruit blijken moest en ook werkelijk blijkt, dat ersomsin Oost-Indië regt wordt gedaan en het onregt gestraft. Want dit feit, hoe waar ook, verzwakt in geenen deele de aanklagt van Multatuli. Dat erSOMSregt geschiedt, is nog geen reden om over het voorkomende onregt heen te stappen. Op dit gebied wordt geen compensatie toegestaan. In de18deeeuw zijn er in Frankrijk misschien duizende rechtvaardige vonnissen geveld; toch zal dit de verontwaardiging over den gerechtelijken moord van Jean Calas niet verminderen? Zoo het bleek, dat Multatuli’s klacht gegrond was, dan zou alleen de mogelijkheid, dat er zulke schreeuwendeonregtvaardighedenkunnengebeuren, (’t zij dan stelselmatig of niet) reeds eene onverwijlde hervorming in het O.-Indisch bestuur noodzakelijk maken. En als de heer Myer, toegevende dat er in Oost-Indiën misbruiken bestaan, beweert, dat die in alle Oostersche Staten worden aangetroffen, dan antwoorden wij dat het dan hoog tijd is, om eens te beproeven of er ook een Oostersch volkzonderonregt kan geregeerd worden, en dat in elk geval Nederland geen deel wil hebben aan schatten ten koste van het regt verkregen.Maar wèl week de heer Myer van zijn programma af, toen hij deze woorden uitsprak: »ik kan begrijpen dat een werk in eenen zoo schoonen, wegslependen stijl en met zooveel talent geschreven,op vele onkundigen en ligtgeloovigen, of bij dezulken die gaarne aannemen wat ten nadeele van het bestuur in N.-Indië gezegd wordt, een ongunstigen indruk heeft gemaakt.” Dit is eeneSeitenhiebop «Max Havelaar» dien wij betreuren, want de schrijver—al dwaalt hij welligt ook in zijne voorstellingen—behoort toch ongetwijfeld tot die weinige mannen, die aan het algemeen belang boven het eigenbelang de voorkeur gevende, voor eenein hunne oogengoede zaak, hunne carrière hebben opgeofferd en den haat der grooten hebben getrotseerd. Het is ook een aanval op ons, en op allen die met ons uit den«Max Havelaar» stof tot ongerustheid hebben geput; wij ongerusten moeten volgens die voorstelling òfdomòfslechtzijn. Wij achten ons niet verplicht de insinuatie te weerleggen.Integendeel, wij nemen ze aan. Wij zullen doen als de Geuzen en den scheldnaam aangrijpen! Welaan dan! Wij behooren tot die turbe van onkundigen en ligtgeloovigen! Wij zijn verleid, verblind!... Maar geeft ons dan tegengift, gij, oud-ambtenaren, die dat tegengift bewaart! Of zult gij onmenschelijk genoeg zijn spottende uit te roepen: zij zijn vergiftigd en ons dan het tegengift weigeren? Wijzijndom, onkundig, lichtgeloovig, al wat gij maar wilt? Zult gij dan nog voortgaan ons uw licht te onthouden?...Misschien hecht men weinig aan ons oordeel, en blijft ons vernieuwd verzoek om licht, nog door geen ander dagblad ondersteund, zonder uitwerking. Bedenke men dan, dat het altijd onvoorzichtig is een vonk te verachten, omdat hij slechts vonk is, vergetende, dat hij een vlam kan worden!»43Helaas, helaas, niemand antwoordt! Als ik eens aan den Koning schreef? Dit dééd ik ... tweemalen reeds! Hy heeft niet geantwoord. EnMultatulizond hem z’n boek over de veilingen! Zou de Koning ’t gelezen hebben? Zeker!Dan immers had hy gezegd:IK WIL WETEN OF DIT ALLES WAAR IS!Ja, dan zou hy me geroepen hebben, en ik had hem getoond:DAT ALLES WAAR IS!Ik ben bedroefd dat ik u niets kan zenden,Tine! Tracht nog wat uit te houden ... misschien antwoordt de minister. Leidt de kinderen wat af, als ze vragen ... o god!Ik ben moe.VAN TINE AAN FANCY.Fancy... ik smeek u ... kom hem te-hulp! ...AAN TINE.Ik heb u in lang niet geschreven, omdat ik ... omdat ik ... ik weet het niet. Ik geloof dat ik niet wèl ben. ’t Zal wel overgaan. Houd u maar goed, myn kind. Vraag aan dien man van ’t huis waarinMultatulidat boek schreef. Hy zal u wel wat eten geven voor de kinderen,..VAN TINE AAN FANCY.Fancy!VAN TINE.BesteMax! Wees maar opgeruimd,alles gaat heel goed. De kinderen zyn volmaakt wèl, àl te vrolyk eigenlyk, al te dartel! Zy zien wat bleek ... maar dat komt van ’t wisselen. Zy eten als wolven. Wees gerust, Max. Ook ik ben wèl, héél wel, en goed gestemd ... we wandelen veel ... o, ge moest het zien ... zoo levenslustig!VAN TINE AAN FANCY.Fancy... om-godswil ...Fancy!AAN TINE.Zóó! Dán is ’t goed. Ik dacht dat ge in grooten nood waart. Dit is zoo niet, zegt ge, dan is alles goed! Wat my betreft, ik word nog geplaagd door dien droom over leegte ... zonderling! Ik drink te veel koffi misschien. Nog gedurig kryg ik zotte brieven...Ik heb ’n bezoek gehad van dien domine. Hy heeft een paar uur by me gezeten. Hy wilde dat ik zyn geloof aannam. ’t Was zoo jammer, zeid-i dat ik geen Christen was, overigens was ikzoo’n goed mensch. Dan is ’t veranderen de moeite niet waard, dacht ik. Maar ’n paar dagen later schreef hy, dat-i zooveel kwaads van me gehoord had, en dat ik verdoemd was. In-godsnaam.Ik kan u niets zenden, lieveTine! ’t Doet me innig genoegen dat uw brief zoo vrolyk is, en dat de kinderen wèl zyn. Dat beurt me wat op. Ik was ’n beetje moe. Maar ik wilde toch dat ik u wat zenden kon, want me dunkt ... hoe maakt ge ’t toch?Ik wou zoo graag dat ik ’n ambacht verstond ... maar’tmoest iets wezen, waarby weinig of niets te denken viel. ’t Denken wilde ik graag voor óns houden. Vindt ge ook niet? Ik zou wel boekbinder willen wezen ... neen, tòch niet, dat is te verleidelyk. Maar steenzagen zou wel gaan, als ik daartoe sterk genoeg was. Ik vrees neen, want ik ben wat uitgeput. We zouden van zoo’n ambacht wel kunnen leven, dunkt me, als we maar geen schulden hadden. Maar ze zouden my de zaag afnemen ... neen, de wet waarborgt ieder het bezit van de gereedschappen, die noodig zyn voor z’n bedryf. Ook van dekleêrtjesdie de kinderenaanhebben... om de decentie, denk ik. Dat is toch lief van de wet.Maar allietmen my de zaag, ik kan daarmee niet genoeg verdienen om onze schulden te betalen. En als ik klaag, antwoorden ze:schryf!O, aanUschryven,.. dit is wat anders! Wilt ge dat ik wat schryf aanU? Wilt ge dat ikUiets vertel ... sprookjes, geschiedenissen ... heel graag,Tine! Ik zal gauw wat voor u maken, maar vertel ze niet aan kleinenMax. Hy begrypt ze niet ... evenmin als groote menschen, al heeft hy dan by ’tnietbegrypen geen belang.Eerste Sprookje.Een netgekleed heer, goudgekettingd en tevreden, wandelde langs een der grachten vanAmsterdam. Hy was in de stad voor “zaken”. Straks zult ge zien, wèlke zaken. Daar wandelde voor hem uit, een dame met haar kind. Door ik weet niet welk toeval, viel het kind in ’t water. De moeder gaf een gil ... en sprong het kind na, dat zy redde.De man van zaken zag het aan, haalde z’n zakboek uit, en maakte zich gereed daarin iets opteschryven.—Mevrouw, mag ik zoo vry zyn, uw naam en adres te vragen?—Myn kind, myn kind, ik heb m’n kind terug!—Zeer wel, maar mag ik zoo vry wezen...—Ik heb m’n kind terug, herhaalde de hoofdige moeder, die niet begreep dat men haar vragen kon naar iets anders dan haar kind.—Met die vrouw is niets te beginnen, bromde de nieuwsgierige vrager. Eilieve, vriendje, ik zal u ruim beloonen, als ge my morgen den naam en ’t adres opgeeft van die dame.Zóó vraagde de vreemdeling aan een der omstanders, en ’t schynt dat hy ditmaal te weten kwam wat hy begeerde te weten. Althans hy liet zich den volgenden dag aandienen by de gelukkige moeder.—Mevrouw, ik had de eer tegenwoordig te zyn...—O, waart ge dáár, mynheer? Hebt gy ’t gezien? Ik zag niets, ik hoorde niets, ik sprong...—Verschoon my, mevrouw, ik heb gehoord...—Gehoord?—Ja, mevrouw, Ik heb gehoord hoe ge...—Gehoord?Wàt toch?—Ik heb gehoord hoe gygegildheb, mevrouw ... ik kom u ’n engagement aanbieden by ’t theater.Arme moeder!Die man was ’nimpressariodie sujetten zocht. Hy heettePubliek.Tweede Sprookje.Chresoswoonde inBeotie. Van beroep was hy burgemeester van ’n dorpje welks naam ik niet weet. Ook kan ik u niet zeggen hoe hy verdwaald raakte inBeotie, daar z’n familie thuis hoorde in Athene ... ja, ik meende zelfs dat hy verwant was aanAlcibiades, een te vroeg geboren Franschman.Chresoswas ’n goed mensch, en leefde tevreden. Hy zorgde voor z’n dorpje zoo goed hy kon, en vermaakte zich in ledige oogenblikken met spelen op de luit. Maar dit deed hy alleen in huis, en nooit viel hy iemand lastig met z’n muziek.En zie, daar kwamen roovers die geweld-deden aan de bewoners van ’t dorpje, waarChresosgezag had. Hy legde z’n luit neer, en trachtte de roovers te verjagen. Men zeide hem, dat hy dit niet had moeten doen, omdat de roovers onder de bescherming stonden van den magistraat in de hoofdstad.MaarChresosgeloofde dit niet, omdat hy ’t àl te erg vond.Hy ging voort met het bestryden der roovers, en daar zy overmacht hadden, zond hy ’n bode naarThebeom hulp te vragen.In-stee van de gevraagde hulp te zenden, antwoordde men hem dat hy ’n onwaardig burgemeester was, en volstrekt niet geschikt om ’n ambt te bekleeden inBeotie. Dit laatste sprak hy niet tegen. Maar na z’n dorpelingen te hebben vermaand totgeduld, begaf hy zich met vrouw en kinderen op weg, niets meenemende dan z’n luit. Z’n huis werd ingenomen door ’n ander burgemeester, die zeker minder onwaardig was in de oogen van denThebaanschenmagistraat, en ook zeer bevriend scheen met de roovers die de dommeChresoshad willen uitroeien. Althans men hoorde niet meer klagen over de roovery, schoon de roovers in ’t land bleven.Met moeite verschafteChresoszich toegang tot denAreopagus, en verhaalde wat geschied was. Hy wees op z’n gezin, dat omkwam van ellende door ’tmisverstandvan den magistraat. Nog altyd hield hy de zaak voor misverstand. Ik heb u reeds gezegd dat hy eigenlyk niet thuishoorde inBeotie. Daarom oordeelde hy zoo verkeerd.Maar deAreopagusantwoordde niet.Chresosvermaande z’n vrouw tot geduld—wat niet noodig was—en troostte zich met spelen op de luit, dat ’n behoefte voor hem scheen.De tonen die hy aansloeg, waren in harmonie met z’n gewaarwordingen. Eigenlyk was hy geen groot muzikant, maar er is wat byzonders in ’t luitspel van ’n vader die z’n kinderen ziet derven. Dáárom en niet omdatChresosgoed speelde, luisterde men naar hem. Er was iets snydends in z’n spel, dat grove ooren kittelde. En er waren veel grove ooren inBeotie.Als men zeide: “fraai gespeeldChresos, ga voort!” dan viel z’n hand slap neder, en er blonk hem ’n traan in ’t oog, by de gedachte dat die onbegeerde lof de prys was van den honger zyner kinderen. Liever had hy nog slechter gespeeld, of in ’t geheel, niet, dan zóó! En hy vergeleek z’n ziel by de snaren zyner luit, die gespannen moesten zyn om klank te geven ... ja, gerekt op ’t breken af vóór de hoorders tevreden waren. “Zouden die snaren daarvan gevoel hebben als ik?” dacht hy.Maar toch speelde hy van-tyd tot-tyd, omdat hy niet anders kòn. En z’n gezin hongerde met geduld.Telkens weder beriep hy zich op denAreopagus. Eindelyk ontving hy het volgende vonnis:DeAreopagus, enz.“Gehoord de klachten van den oud-burgemeesterChresosover de rooveryen in ’t dorp ... enz.“Gehoord zyn verzoek om uitspraak te doen, tusschen hem en denThebaanschenmagistraat ... enz.“Gelet op de verklaring van gezegdenChresos, dat hy en de zynen verkeeren in zeer dringenden nood, ten-gevolge van een misverstand, dat dien magistraat zou hebben bewogen party te trekken voor de roovers die ’t dorp afloopen, waar gezegdeChresosvroeger burgemeester was.“Gelet op de verklaring van vele getuigen, die gezegdenChresoshebben hooren spelen op de luit.“Recht doende, enz.“Veroordeelt meergenoemdenChresostot de luit, en de kosten van ’t proces.”DieAreopaguswas omgekocht, en heetteNederland.Derde Sprookje.Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist,Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Werpt beitel neer en spade, o burgerluî,En roept uw dochters en uw knapen van hun spel.En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag!Werpt hamer, troffel, schaaf en weefspoel neer!Komt allen mee ... daar is wat fraais te zien!Komt allen mee ...hoerahvoorGolgotha!Hoerah,hoerahvoorGolgotha!—Dat zal, by God, wat schoons zyn deze keer!Hij schynt nog jong, en heeft iets in z’n blikDat taaiheid aanduidt ... zie, daar zygt hy neer:Hy schynt toch zwak te wezen! ’t Kruis is zwaar...Ik hoor: het is van ’t allerbeste hout! Men zegt,(MaarNathan, of het waar is weet ik niet!)Ze zeggen dat hyzelf het heeft geleverd,Toen hy als timmerman nog aan de schaafbank stond...Want, buurman, vóór hy, ’k weet niet wàt, misdeed,Ja, òf hy iets misdeed zelfsNathan, weet ik niet...Maar vóór hy deed wat men hem euvel nam,Was hy een timmerman als wy.—Hoe heet die man?—Dit weet ik waarlijk niet, men zegt hy ishanootzri...44Of wel, zijn vader was hanootzri. Hy lykt zwakVoor zulk ’n ambacht, maar z’n werk was goed...Hy struikelt weer ... (Op-zy wat,Jöchaz!Ei, laat my ook wat zien ... ge dringt me weg,Of ’t heele schouwspel waar voor u alleen! Hy zweet:Ik zeide u wel dat hy niet sterk was,Nathan.Maar toch geloof ik dat hy taai is, en ons nietBedriegen zal, als laatst die and’re diefDie pas ’n half uur had gehangen, toen z’n hoofdOp-zy knikte ... en ’t wasuit! Hy sprak geen enkel woordDat ons beloonde voor de moeite. Waart ge er by?(Houd kleineMirjamwat omhoog,Jochébed!)Zeg waart ge er by, oNathan ben Daöud,Toen ons die dief bestal voor zooveel moeite om-niet?—Ik had dien dag een splinter in myn voet,En dus geen lust inuitgaanof vermaak,Maar ’k heb gehoord ...—Ikwas er by, vriendNathan!Ik droeg m’n opperkleed van groene zyde,En had m’n tulband op vankashmirstofOmdat die koel is ... zie, hy struikelt weer,Maar staat weer op. Wat zeide ik ook het laatst?—De dief die u bedroog ...—Ik weet al. Nu dien dagWas ’t warm als heden ... neen, zoo warm was ’t niet:Want ... vindt ge ’t niet ontzettend heet van daagDe zon brandt me op den schedel. ’t Rouwt my welDat ik m’n tulband niet verruild heb voor mynKashmir,Die licht vankleuren koeler is ... dat doet de haast:Ik gunde my geen tijd—daar valt-i weer—Ik heb er spyt van ...Golgothais vèr!Zoo’n donk’re zuigt de warmte broeiend in,En dáárom heb ik spyt datGolgothazoo vèr is...Wat zeide ik ook het laatst?—Die slechte dief..—Ik bèn er! Uren liep ik mee, en hygde als nu...(Vervloekte hitte ... dringt zoo niet,Jöchaz!)Ik was vermoeid vóór halfweg ... en de dief(Let wel hoe schand’lijk die man ons bedroog)Liep met z’n kruis, als waar ’t ’n palmtak, voort!Hy zweette niet, en is niet eens gestruikeld ...Maar toen-ihing, was ’t daad’lijk met hemuit!Endeze—zie, hy struikelt weer—endezeIs niet zoo zwaar van bouw, zoo forsch van leest...Hy schynt wel teer van spieren ... doch zyn blikToont dat-i veel geleden heeft en droeg.Maar dat-ilangentyd nog lydenkàn!’k Ben zeker dat hysprekenzal aan ’t kruis,En dit is juist het aardigst van de zaak!De kinderen gaan, om dát te hooren, mee...Die andere dief was dood, vóór nog m’n vrouw,Die trager liep—omdat ze zwanger was, dien tyd,VanMirjam—(houd het schaapje omhoog,Jochébed!)Die dief was doód, vóór zy daar aankwam,Nathan!En ieder zeide dat het schande was!(GeefMirjammy,Jochébed! Hier m’n kind,Hu ... huup ... op vaders schouder! Kunje zien?Sla ’t kleine handje zóó ... om vaders hals,En houdje vast!) Wat zeide ik ook het laatst?—Die and’re dief ...—Ik weet al! Heel de buurtWas op de been gekomen, om dien man te zien.Daar waren met ons,Ruben,Ephraïm,Baënamet de kind’ren,Hiddal ben Elia,De dochters vanUrias,Schmoelde wisselaar ...(Ik zie hem juist, hy werpt den man met drek)Hy is ’t, die laatst verjaagd werd uit den tempel,Omdat hy schacherde inJehovah’shuis...—Wie jaagde ’m weg?—Ze zeggen zekereIscha...Jeshoeah, zoon vanJoszof, uit ’n grootGeslacht, die met ’n zweep hem voortjoeg als ’n hond,En ’t goud- en zilverkraampje omver smeet, dat de muntLinks, rechts wegspringend, neertikte op den grondEn rollend wegstoof onder ’t volk ...—Wie gaf hem rechtTot zulk ’n groot gezag?—Dit weet ik,Nathan, niet,Maar ’t is niet goed te schachren inJehovah’shuis!MynEphraïm... maar,Nathan ben Daöud,Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoop...(Daar werpt weerSchmoelden kruisman met z’n drek)Wat zeide ik ook het laatst?—Ge spraakt vanEphraïm,En van de wiss’laars in den tempel...—Juist!Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoopDat ge my niet verraden zult! M’n zoonDie ’t aanzag, wyl hy juist ’n handel sloot,Heeft, ylings bukkend, als om hulp te biênIn ’t zoeken—maar verklap me niet,ben Daud!—Hy heeft met scherp gezicht en vlugge hand..,In ’t kort, z’n handel was gezegend op dien dag:Hy kwam met dertig zilverlingen t’huis!Geloof me,Nathan, dieben Joszofhad gelyk ...’t Is ongeoorloofd dusJehovah’stempelTe ontwyden met ’n goud- en zilverkraam:jeshoeäh ben Joszofhad groot gelyk!’t Is dáárom ook datEphraïm, m’n zoon,Hem altyd zoekt en naloopt ... of hy weerTer zuivring uitgaat van Gods tempel, met ’n zweep,Maar sinds een week heeft hy hem niet gezien ...(Daar werpt dieSchmoelden kruisman weer met drek)—Die and’re dief ...—Ja, juist! Wy allen gingen mee, de heele buurt ...En toen-ihing, was ’t daadlyk uit,ben Daud!Och kleine, druk zoo zwaar niet aan m’n hals!)’t Is warm—hy struikelt weer—hy schynt vermoeid ...Ik zeg u, dit beteekent niets, vriendNathanGe weet, hoe ’t hout datmaklykbuigt, niet breekt,En hoe het harde knakt, by ’t minste buigen:Zóó ook die man ... ik zeg u, hy is taai!—Eilieve, zie ... die vrouw!... Zou dat z’nvrouwzyn?De vrouw die schreiend volgt, en neergebukt,Als-of zyzelve ’t kruis droeg op haar schouder!Zy steekt de magre hand gedurig uit,Als wilde zy den kruisman schragen ... Is ’t zynvrouw?—Dit weet ik waarlyk niet ... ze schynt my te oud.En bovendien ... ik zie geenkindren! Neen,Dat is gewis z’nmoeder... zie, ze waggelt!Ik heb zoo vaak zoo’n kruisweg meegemaakt,(De kind’ren zyn er dol op, de arme schapen!En altyd opgemerkt, dat wie ’nvrouwheeftEnkind’ren, die naar ’t kruis hem weenend volgen,(Wees rustig,Mirjam: vader is vermoeid!)Zoo taai niet is alsdeze,Nathan ben Daöud!Ik zeg u nog-eens: deze man istaai:Eenvaderzou zoo taai niet wezen,Nathan!Hy is wat moe van ’tgaan, maar als-ihangt,Is dit terstond voorby! VriendNathan, help me ’t kindEens overzetten, op dien andren schouder ... zóó!Het drukt zoo op-den-duur, al schynt het licht in ’t eerst!(Zit stil, m’n kind!) Ja,dezeis wat vermoeid,Misschien wat zwak ook door het bloedverlies,(Schuif niet zoo heen-en-weer, m’n kind: dat doet me pyn!)Men zegt dat-i gegeeseld is ... Ziet ge zynrug?Tracht heentekyken over ’t volk, vriendNathan!—Ik hebJöchazvoor my ...—Kuntgy’t zien,Jöchaz?—Ik zie alleen den top en d’ arm van ’t kruisDat slingrend voortschuift als-i waggelt, maar verdwyntZoodra hy neerzwikt ... zie, daar valt het weer,En ryst nu langzaam weer omhoog!—Dat zie ikzelfZoo goed als gy dat ziet,Jöchaz! Maar ik wenschTe weten of z’n rug ... zoo’n kind is vreeselyk zwaar!Wees niet zoo woelig, kleine: uw vader is vermoeid ...Kuntgyz’n rug zien, kind, zyn naakten rug?Den rug des mans, die ginds dat kruis draagt, kind,En die doorSchmoelgeworpen wordt met drek?Ik houd u hoog ... zie goed ... maar zie wat snel,Omdat ik moe ben, Mirjam! Nu?—Die rug is rood ...Ge hoort het,ben Daöud... dàt maakt hem zwak!Men heeft hem eerst gegeeseld, dat maakt zwàk!Maar ’t gaat wel òver, als-i hangt. Hij zalGewis zoo gauw niet knikken met het hoofd ...(Zit stil, myn kind, ge drukt me ontzettend zwaar!)Ik zeg u,Nathan, deze man is taai!’t Is jammer dat ik niet mynKashmirheb ...(Zit rustig kind, of vader zet u neer:Ik ben vermoed!) En ieder zei,ben Daöud:Het was ’n schande ... dáádlyk was hetuit!Maardezezal zoo gauw niet sterven aan het kruis,Hy zal gewis watsprekenvoor-i knikt!Dat praten dan de kindren jub’lend na,En maken grappig spel van wat-i zeide,En spelen kruisman, weken naderhand!Dit beurt wat op, in dezen slechten tyd!Maar als-i zwygt aan ’t kruis, is ’t niet de moeite waardZoo vèr te gaan—het is zoo vreeslyk heet,Als ’t weer gebeurt, zet ik m’nKashmirop!—Ik zeg u dat-i taai is,ben Daöud!Hy valt weer ... dit is niets! Wacht tot-i hangt,(Zit stil,Mirjam!) dan zult ge zien en hooren ...Neem ’t kind terug,Jochébed: ik ben moe ...Maar houd het schaapje omhoog ...Komt mee, komt mee, daar is wat schoons te zien!Komt allen mee ... daar wordt ’n man gekruist!Wat hy misdeed? ’k Weet niet wat hy misdeet ...Er zyn er zelfs die zeggen dat-i wèl deed ...Maar dit ’s om ’t even! Werpt uw grootboek neer,Vergeet uw koffi en uw suiker, burgerlui ...Uw beurs, uw oefning, en uw monsters van tabak,Uw winkel van gestolen kruinierswaren,Uw Evangelie en uw batig saldo!Laat liggen voor ’n wyl uw handel en moraal,Theologie ... moderne, antieke ... ’t heele zoodje!Neem uit de kast uw deftigst opperkleed,Bedast uw hals met allerwitst batist,En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag,En roept uw knapen en uw dochters van hun spel ...Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist!Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Ik zeg u dat-i taai is, die daar gaat ...Hy zal zoo gauw niet knikken met zyn hoofd ...Hy zal, by God, aan ’t kruis niet zwygend sterven!En voor uw kinderen zal ’t de moeite waard zynTe hooren—en het nàtepraten—wat-i zegt!Beloof hun vry een vroolijk kruismansspel,Dat beurt wat óp in deze slechte tyden!Ik zeg u dat-i taai is, deze man,Dat hy u niet bedriegen zal, als laatstDie andre dief, die daadlyk knikte met het hoofd,En toen was ’tuit! Maar deze man is taai,Al schynt hy zwak van bouw. Het is hem aantezienDat hy veel droeg, maar kracht heeft méér te dragen,Dat hy veel leed, maarlangnog lyden kàn!Hij spreekt reeds ... luister: “Eli Sabactani!”Hy roeptElias... kindren, bauwt hem na,En sart hem, dat hy nòg wat zegge aan ’t kruis,En krabt met lange nagels in z’n wonden ...Of beter, werpt hem—als vriendSchmoel—met drek:Licht slikt hy walging minder goed dan pyn!Hu ... huup ... omhoog uw kindren! Dat ze ’t zien.En dat ze ’t hooren, hoe de kruisman spreekt,Om stof te garen voor hun kruismansspel ...Komt allen mee!HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!Komt mee, komt mee, daar wordt een man gekruist:RoeptRubenhier, enNathan ben Daöud...Klaas Jakob,Nafthali,Albertus!Eliézer...De dames en de heeren uit de buurt,Verwanten, neven, nichten, broeders, en de rest,Behouders, Liberalen, mannen van de beurs,En van de balie of den kansel! KontraktantenEn Vry-arbeiders, oppozitie en ministers,De leden van de Tweede-Kamer in den Haag,En wie er rusten kan, na slecht regeeren,En wie geen tyd had om z’n plicht te doen,Maar licht nu tyd heeft voor ’n grappig schouwspel,RoeptMozes,Issascharen ’t heeleWillemspark,Piet,Paul,Ezéchiel... roept al wat naam heeft,Roept wat gedoopt is, of besneden, mee!Roept al wat juicht: “ik dank u voor myn braafheid!”Roept al wat kermt: “wees my genadig, Heer!”Roept wat verdoemd is, en wat deel heeft aan genade,Wat loopen, zien en hooren kan (al is ’t wat heet!)Jezuiten—protestantsche en katholieke—Van de orde of niet van de orde, Vrye-metselaren,Die over ’tgoede, schoone woordenspreekt,Maar u onthoudt vanstrydentegen ’t kwaad!Gy die ukind’ren noemt der weduw, maar uw handNiet uitstrekt om het kruis te dragen van haar zoon!Roep al wat bidt of schachert in den tempel,Al wat er wacht opNabi Issah’szweep!Al wat met scherpen blik en vlugge handenHem nasluipt—of soms te grissen vielVan ’t geld, dat rollend wegstuift onder ’t volk—En later meepraat over stelsels en principes!Roept al wat vet werd van gestolen spys,Al wat er pocht op linzen-eerstgeboorte,Al wat ’n gouden kalf in ’t wapen draagt,Al wat er knaagt aanInsulindscheknoken,Al wat er zuigt aan deInsulindschekoe,Al wat er hangt aan d’afgestroopten tepel,Al wat er zwelt van ’t afgezogen bloed!Komt allen mee ...Jochébedmet de kleine ...(En houdt vooral het schaapje omhoog,Jochébed!)RoeptJanszoon,Pieterszoon,ben Levi,ben Daöud...Ben...dìt,BEN...dàt,BEN...ieder!Roept ookSchmoel...Ja,Schmoelvooral, enJudas Judaszoon!Komt allen mee, komt mee naarGolgotha!Bij God ... daar is vandaag wat schoons te zien!Komt allen mee, daar wordt ’n man gekruist!Komt mee, komt mee ...HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!Ik ben wat moe, myn besteTine.VAN TINE AAN FANCY.Fancy... om-godswil ...Fancy!AAN TINE.LieveTine! Dat ik u in-lang niet schreef, was omdat ik u niets kon zenden. Ik ben niet wèl, en heb ’n vreemd gevoel van leegte, alsof ik me iets herinnerde, maar vatten kan ik ’t niet! Kuntgyme helpen? Ook heb ik pyn in ’t hart. Zou ’t ’n anevrisme wezen? Neen, dit kan niet. Zoo’n kwaal heeft ieder tegenwoordig, en ik zal toch geen ziekte krygen als ’n ander.Die minister antwoordt niet. Ze kunnen my niet gebruiken, denk ik. ’t Schynt dat men prokureur of griffier moet geweest zyn. Ik zal nog drie dagen wachten op dat antwoord van den minister, en dan ... ja dan weet ik waarlyk niet wat ik doen moet! Ik weet niets, begryp niets! Wat is er toch met ons gebeurd, dat we zoo in moeielykheid verkeeren? Hoor eens, lieve ... als ge volstrekt geen raad meer weet, tracht dan naarden Haagte komen ... al is ’t te-voet en bedelend. Ieder zal u zeker wat geven, als ge zegt dat het is om dáár te sterven met de kinderen. Ik ben er op gesteld dat we dáár sterven. MaarSAMEN, lieve Tine! Ik heb volstrekt geen moed meer om televen, ente handelen. Moed om teondergaanen testervenwèl. Ik ben moe! Kunt ge ’t nog drie dagen uithouden?Nog geen antwoord van den minister ...VAN TINE AAN FANCY.Fancy!!AAN TINE.O god, wat is dat vreemd ... ik droom altyd dien droom. Daar dwaalt my iets voor ’t oog ... een meisje, een schim, ’n spook ... Ik reikhals vruchteloos ... ze ontwykt me, en zweeft omhoog ... en lost zich op inniets! M’n hart is leeg, o god!Ik ben vermoeid.VAN TINE AAN FANCY.

Schryven is afdruk nemen van de ziel.Als Publiek ziel heeft, laat hemzelf schryven.Heeft hy geen ziel, dan begrypt hy ook myngeschryfniet ... punctum!Maar er bestaat nog ’n reden die my de bibliotheek van m’n vriend doet schuwen als de pest. Ik ben inderdaad hoogmoedig en verwaand, en—ik verzeker u dit ernstig—het hoofdingrediënt van schryven of spreken is verwaandheid. Welnu, als ik veel boeken om my heen zie, laat ik my verlokken daarin het oog te slaan. Ik lees voort, vind gedurig iets dat ik niet wist ...word, vruchteloos tegenstrevend, overtuigd van onkunde, en weg is de verwaandheid die ik noodig heb om te schryven! Neem dit niet op als een sarkasme, als ironie, als scherts, als voorgewende nederigheid. Ik geef ’t u alseenvoudig waar, en ik ben zoo vry de menschen die voorwenden ’n anderen indruk te ondergaan, voor verwaander te houden dan myzelf.Ik denk altyd, wanneer ik iemand als spreker of schryver zie optreden: zou die man—’t spreekt vanzelf dat het altyd ’nmanis—zou die man nu inderdaad gelooven dat hy wat te zeggen heeft? Maar nooit doe ik deze vraag overluid, omdat ieder boos wordt, als men informeert naar z’n hoogmoed. Wanneer de menschen konden gebracht worden tot de erkentenis hunner verwaandheid, ware er veel gewonnen, want dan zouden ook de andere fouten blootliggen. Maar dit schynt zwaar te vallen. Altyd zyn er gaten in den mantel vanDiogenes. Ge weet dat ik beter vind den heelen mantel aftewerpen,“die man is hoogmoedig” beduidt eigenlyk: “Die man neemt de moeite niet, z’n hoogmoed te verbergen als wy?” Dat is, nòg eens overgezet: “hy loopt in z’n hemdsmouwen!”Wel zeker ... als ’t warm is! Of als men iets te doen heeft, waarby ’t opperkleed hindert, zooals by my dikwyls voorkomt. Ik heb geen tyd om nederig te schynen.Dat wegstoppen van aandoeningen is my te lastig op-den-duur. Ik heb meely met de menschen die hun geheel leven door souffreeren aan de nooit erkende obstruktie van eigenwaan, ’t is om te bersten!Ook zou ik vreezen onoprecht te worden in geheel omgekeerden zin. Wie zegt me of ik niet door dat kunstmatig en nooit gelukkend wegwringen myner deugd, wat ondeugd zou verbergen met-een? Laat ons maar altyd zeggen wat we meenen wáár te zyn, en het opgeven voor beter, ’t Iseenvoudigalweer, zoo als ge ziet.Bovendien er steekt veel hoogmoed in dat geklaag over hoogmoed. ’t Isdépitover al de verloren moeite die men zich getroost om ’n doel te bereiken, dat zonder schade wordt verwaarloosd door ’n ander.Christusverbergde zyn hoogmoedniet. Hy verwaardigde zichniet, iets wegtestoppen. “Ik ben de weg, de waarheid en het leven, wie My gezien heeft, heeft den Vader gezien!” Als hy ditmeende, had hy gelyk het tezeggen. ’t Stond aan ’n ander, hem tegen te spreken, en des-verkiezende te betoogen, dat hy trekvaart, leugen en dood was. Maar wat ik minder schoon vind inJezusis dat hy niet met dezelfde rondheid zei wat er aan hem ontbrak. Ik erken echter dat er meer moed noodig is omgoedte spreken van zichzelf dankwaad, en daarChristushet eerstedurfde, zou hy ook moed gehad hebben tot het laatste ... als het te-onpas gekomen ware. Waarschynlyk dacht hy dat de Farizeeën ’t wel voor hem zouden doen, en hierin dacht hy juist. Dit is nòg zoo.Moedom hoogmoedig te wezen? Welzeker!—Wie durft die bres bestormen? roept de bevelhebber.—Ik! zegt ’nhoogmoedige, die zich schynt te houden voor den braafsten man van ’t regiment.Maar toen hy “Ik” riep, wist hy dat er zou geantwoord worden:—Ga dan, en bestorm de bres!En hygaat! Want ik weet niet van wie “Ik!” roepen ennietgaan. Dit zou gehuichelde hoogmoed wezen, en ik trek alleen party voor deware. Och,Tine, al deze dingen zyn heel eenvoudig. Ieder weet ze, maar wy denken er niet aan, omdat we te veel zyn opgevoed en begodsdienst. Om wys te worden, heeft men niet veel te leeren, er moet maar een-en-ander wordenafgeleerd. Het uitroeien van één vooroordeel is meer waard dan ’t bedenken van tien nieuwe stelsels.Voltaire—met wien ik lang niet in alles eens ben, dat weet ge—Voltaireis ’n prul in de oogen vanKantianen,Hegelianen,Spinozisten,CartezianenenLeibnitzers. Waarom? Omdat hy niets heeft gezegd wat niet ieder kan begrypen, en omdat hy geenstelselheeft saamgeknoeid ... wat hy toch met zyn vernuft heel goed hadkunnendoen. Hy toont aan:wat niet waar is, en dat willen de menschen niet, tenzy men hun iets anders in de plaats vertelle, dat evenmin waar hoeft te wezen. Men hongert naar leugen. Zoodra ik ’n slecht mensch word, ga ik aan ’t systeem-maken. Ik zie er best kans toe ... ze komen er goed af! Ik wacht ’n standbeeld, met een opschrift ... ja zoo:STA VICTOR.DIT VERBEELDTDE MANDIEBETER HAD KUNNEN LIEGENDAN IEDER ANDER, ALSHY GEWILDHAD.Maar,Tine, om dan konsekwent te zyn, moet men veel andere standbeelden omverhalen.Ik ben in ’n andere kamer gevlucht, waarboven slechts gemangeld wordt: g.....! Ik heb ’n kolonel van de marine gekend, die ’n premie uitloofde voor ’n nieuwen vloek! O, ik begryp dien kolonel! Daar kryg ik weer brieven ... lees zelf, en oordeel. Wat willen ze toch?Ieder biedt me allerlei dingen aan, die ik niet noodig heb, maar niemand schynt te willen deelnemen in den moeielyken stryd dien ik voer. ’t Is zonderling!VAN EEN MEISJE.Dierbare broeder inChristus!Ja, ge zyt my dierbaar, al sluit ge uw oor ................30VAN EEN ANDER MEISJE.31VAN EEN DOMINE.Broeder!Uit innig gevoel des harten voel ik me gedrongen, u te verzoeken, my toetestaan persoonlyk kennis met u te maken. Ik ben van plan, morgen, na de preek, terstond naar Amsterdam te gaan, en by u myn bef en broek te komen afleggen, om met u te spreken over ’t geloof. Ge zyt op ’n goeden weg. Ge zyt een te goed mensch: om niet te gelooven als ik. Lees maar na ...32VAN EEN ANDEREN DOMINE.33AAN TINE.Ik ben vermoeid, lieve! Wees niet boos dat ik zoo weinig schryf. Ik kan u niets zenden. Tracht maar voltehouden. ’t Zal niet altyd zoo blyven. Maar vermoeid ben ik, dat is waar.Verbeeld u ... ze hebben zich in het hoofd gezet dat ik ’nschryverben, en dat ik moet schryvenvoor den kost! Ze verwarren my met dienMultatuli.Schryven voor den kost!’t Doet me denken aanDon Juan, die zóó’n pleizier vond in het praten van dien armen Mr.Dimanche, dat hy verzuimde te antwoorden op diens verzoek om betaling van de rekening.Ik heb geenMolieremeer ... achTine... onzeboeken! Weet ge nog wel dat we eens boeken hadden, en ’n huis? En dat we menschen binnenriepen die ergeenhadden? ’t Is toch zonderling ...nog dikwyls vraag ik mezelf: hoe komt het toch dat we geen huis hebben? ’t Is heel dom ... ik lyk kleineMaxwel, met z’n gekke vragen. Ik heb moeite om niet afgunstig te zyn, als ik denk aan zoovelen die wonen kunnen. En meestal ... maar ik zal u liever wat vertellen vanDon Juan. ’t Is heel goed dat ik geenMolieremeer heb. Dan zou ik misschien naschryven, en dit verveelt me zoo.Don Juanis dik en vet als betaamt. MaarDimancheis mager.—M’n huisgezin is in nood, o edeleDon Juan! Ge weet wat ik voor u gedaan heb ...—Goed gesproken, lieveDimanche, ga zitten!—Ik dank u voor ’t zitten, heerJan... ik wenschte dat ge deze rekening ...—Uw rekening is verrukkelyk. Ga voort! Mag ik u ’n snuifjen aanbieden?—Ik dank u voor ’t snuiven.Don Juan... maar zie deze rekening, en ...—Weet ge wel dat ge een goede hand schryft, o universeeleDimanche! Ik benoem u tot myn secretaris ... dan kunt ge schryven voor my!—Ik dank u voor ’t schryven, heerRidder, doch m’n gezin lydt gebrek ... en om-uwentwil zouden wy ...—Gebrek?...Lyden...Gebreklyden?... O heerlyk schoon verbond van diep gevoelde klanken ... Ik zeg ... ik gloei ... ik wil ... ik weet zelf niet wat ik wil, maar ’t doet er niets toe ... de uitdrukking is prachtig! Doe my ’t genoegen, en zeg dat nog eens.—Wy lyden gebrek, o heer ..,—Goddelyk! Wat ’n leven ... wat ’n gloed ... wat ’n vuur! Ik verhef u tot m’n lyfdichter. Ga voort, welsprekendeDimanche!—Ik dank u voor ’t dichten, heerGrande... ik meende dat gy ... om godswil, bedenk dat wy sterven ... en bovendien, ik heb schulden ... ik kan niet betalen ... en nu zegt men datikoneerlyk ben ... terwylgy... bedenk heer,Ridder,Jan,Juan,Grande... hoe moet ik u aanspreken om verstaan te worden?Don Juan... o god ... wy sterven, en men zegt dat ik ...—Sterven?... verheven denkbeeld! Maar ’t is onjuist ... vriendDimanche! Ge laat u door geestdrift vervoeren tot onnauwkeurigheid.Sterven?Gymet uw talent van voordracht?Sterven?Gy?... met zoo’n schrift? Onmogelyk,Dimanche! Ziehier! IkDon Juan... ik schenk u ... neem aan!.. . wees niet beschaamd ... ik ben ’t schuldig ... ik schenk u,ex plenitudine potestatis... begrypt ge dat?—Ach neen ... maar m’n rekening ...—Ik schenk u deonsterfelykheid!Leporello, wilje m’nheer uitlaten?Ik weet niet of ’t precies zoo staat byMoliere, ook niet ofDimanchenog tyd heeft om te antwoorden: “ik dank u,Don Juan...Publiek, voor uw onsterfelykheid!” maar me dunkt, ik zie den sukkel zoo bedroefd weggaan, om aan vrouw en kinderen onsterfelykheid thuis te brengen, in plaats van ’t verwachte brood om niet te sterven!En dan vraag ik, of er ook in dien tyd rustende Gouverneurs-generaal waren, met ongestoorde levensdigestie en zwygende gewetens?Moliereschreef aardig, maar hy had te weinigdonnées. Hy was ’n kind van z’n tyd en z’n tyd was eenvoudig.Ikschryvenvoor den kost ... voor geld?OnzeNonniis nu pas vier jaar .., stel u eens voor, dat ze later ... voor geld ... o god!Houd u staande, lieveTine, zoo goed mogelyk! Heb ik u reeds geschreven dat ik een brief zond aan den minister? Hy is ’n welwillend mensch ... hy zal zeker antwoorden. Ik heb hem daarin niets gezegd van den nood waarin we verkeeren. Dit zou niet goed wezen, want dan zou hy ons helpen uit medelyden. Was ik nu maar aan den drank, dan waren we gered! Ja, dan kon ik beterschap beloven, en waarachtig—zóó zyn ministers en menschen—als men beterschap belooft, wordt men meestal geholpen.—Rechtvaardigheid is duurder dan vergiffenis, en als ze niet zoo’n leven maakten boven m’n hoofd, zou ik u uitleggen waarom.Maar de zaak is nu juist omgekeerd, en hierom vrees ik dat m’n schryven niet baten zal. Door myn bod aantenemen, zoude Regeering beterschap beloven... en deze belofte valt zwaar aan wien ’t niet meenen kan. Maar ik denk toch wel dat ik antwoord zal krygen ...Er is nu ’n nieuwe Gouverneur-generaal benoemd.34Hy wordt geprezen of gelaakt, al naar men behoort tot de party van behoud of van oppositie. Maar dit moet ge nu zoobegrypen, dat de behouders opponeeren voor ’t moment, en dat de oppositie nu behouden wil. Ik zou u dit kunnen uitleggen, maar ’t is beneden uw aandacht. Wacht tot ik m’n brief aan de kiezers afmaak. Als ge ’t dan goed begrypt, zyt ge niets wyzer. De hoofdzaak komt hierop neer, dat die nieuwe Landvoogd wel wat gelykt op den “laatst-aangekomene” in een kleinstad. Elkecliqueroept hem toe: “ge zult immers totonsbehooren? Laat u toch volstrekt niet in met al ’t canalje van die andere societeit! ’t Is hier goed lezen ... als ge maar niet omgaat met de A’s en de B’s en de C’s....Al die initialen, samengevoegd, maken ’n kompleet adresboek van de kleinstad.Eén ding echter heeft me byzonder getroffen. Van de weinigen die niet schynen te behooren tot ’n politieke party, en toch eenigszins achtslaan op de publieke zaak, verneem ik dat de “nieuwaangekomene” groote verdiensten heeft. Nu vraag ik hoe ’t komt, dat deze verdiensten niet voorlang reeds ten nutte van het algemeen zyn aangewend, daar de man toch niet meer jong is? Waarom heeft men tot-nog-toe geen—of maar zeer onbeduidende—betrekkingen opgedragen aan iemand van zóóveel kennis, zóóveel integriteit, zóóveel karakter, zóóveelgenie... had ik byna gezegd? Ziet ge, daarvan begryp ik weer niets. Wie heeft al die Amerika’s ontdekt? Hoe heeft de man het aangelegd, om al die gaven zoolang schuil te houden?Hy is geweest:Griffier der Staten van Gelderland. Is ’t niet jammer dat men iemand die thans geacht wordt op de hoogte te staan van ’tONDERKONINKSCHAP VAN INSULINDE, op de hoogte dus van deBELANGRYKSTE BETREKKING IN DEN STAAT... is ’t niet jammer, vraag ik, dat die man is gebruikt tot het maken van die processen-verbaal der zittingen van de Geldersche Staten? Dat mendienman heeft belast met het opschryven der redekavelingen van anderen? Daartoe wasikte goed, lang voor ik u kende. Die man moet byzonder nederig zyn.Wanneer hy op de hoogte staat zyner schoone roeping—en ik heb geen andere reden hieraan te twyfelen dan voornamelyk die nederigheid (zieGöthe,in voce: “bescheidenheid”) en voorts dealgemeenereden die ’t juisttreffen in deze zaak zoo moeielyk maakt—welnualshy op de hoogte van z’n taak is, dan hadden de Geldersche Staten, kollectief of individueel, zich zeer vereerd moeten achten, heel nauwkeurig en eerbiedig op-te-schryven, wathyzou gelieven te zeggen. Maar ... omgekeerd, is ’t ’n gruwel.En zie nu eens weer, hoe zonderling! Men zou toch geen koetspaard spannen voor ’n kar. Moet ik nu gelooven dat men beter weet omtegaan met paarden en karren, dan metmenscheninInsulinde? Zoo schynt het, waarachtig!Maar, zeggen ze, hy is niet alleengriffier geweest. Hy isconcessionaris geweestvan ’n spoorweg, die er nietgeweestis, en daarna werd hy ter schadeloosstelling benoemd tot president van den Raad van toezicht over spoorwegen, die er tot heden toe nietgeweestzyn.De slotsom is, dat hy eigenlykniets geweestis.Ei,Nederland, hebt ge groote mannen te veel, dat ge ze ongebruikt laat? Dit is niet huishoudelyk.Ach, ik herinner me dat ook de laatstvoorgaande Gouverneur-generaal,die zich nu bezighoudt met rusten, byzonder geprezen werd! Ik heb neiging tot sympathie voor dentegenwoordigen, al bleek het nooit.35Ja, ik wou u graag wat zenden, myn kind, maar hoe kom ik er aan? Schryven voor geld? Aan wien? Wat? Moet ik schryven aan menschen die niet lezen kunnen? Na ’t boek vanMultatuliheb ik eigenlyk niets te zeggen. Ik wacht antwoord, en ik dacht ...Ziehier wat deTielsche Courantschreef ... had ik geen recht op antwoord van de natie?IS NEDERLAND EEN ROOFSTAAT.»Vier maanden zijn reeds voorbijgegaan, sinds Multatuli, een oud-Oost-Indisch ambtenaar,—naar hij beweert, miskend, vervolgd en tot aftredinggedwongendoor zijne superieuren, in zijn »Max Havelaar of de koffiveilingen der Ned. Handelmaatschappij,» de gezaghebbers in onze Oost-Indische koloniën openlijk aanklaagde dat zij hun pligt verzaken, hun eed schenden, de stem der menschelijkheid en der godsdienst, van het geweten en de eer smoren,—dat zij de Javanen, wier bescherming hun is opgedragen, met lafhartigheid, maar vooral ook uiteigen belang, willens en wetens, ten prooi laten aan de knevelarijen en afpersingen hunner hoofden, dat zij hen stelselmatig laten vertrappen en uitzuigen inonzennaam, en gelijk het heet, totonsvoordeel—dat zij valsche rapporten uitbrengen om het moederland van dien ons onteerenden toestand onkundig te laten,—en dat zij den zeldzamen ambtenaar, die zich niet tot hun medeplichtige leenen, maar zijn eed gestand doen, en zijn plicht volbrengen wil, tegenwerken, verdacht maken, vervolgen, ontslaan.Ontzettende beschuldiging voorwaar! Zoo zij gegrond ware, zoo de schatten, die ons uit onze koloniën, toestroomen, slechts verkregen werden ten koste van het zweet en het bloed onzer Javaansche broeders, dan zouden wij met den schrijver moeten uitroepen, dat Nederland den naam van “roofstaat” verdient, dan zou ons eene wonde zijn ontdekt, waarvan de diepte bijna niet te peilen, de genezing niet genoeg te bespoedigen zou zijn!Maar is die beschuldiging gegrond?Als Nederlander, als mensch, valt het moeilijk het te gelooven. Doch aan den anderen kant (en wij beroepen ons hier op allen, die den »Max Havelaar» gelezen hebben) de schrijver heeft niets wat aan een lasteraar zou kunnen doen denken; hij slaat eentoon aan, die overreedtniet alleen, maar die ook overtuigt, die aan zijne waarheidsliefde bijna nietkandoen twijfelen; hij deeltfeitenmede, gelijk alleen een ooggetuige, en eenwaarheidzoekendooggetuige, ze mededeelen kan; hij verklaart alles te kunnenbewijzen, hij duidt de schuldigen als met den vinger aan36en tart hen uit, hem van eene enkele onwaarheid te overtuigen.Als wij dus de vraag herhalen: »is die beschuldiging gegrond?» dan moeten wij antwoorden: »wij durven noch bevestigen noch ontkennen.” Een zeer onbevredigend antwoord voorzeker! Want de zekerheid van het nietbestaan der kwaal zou ons gerust stellen; de zekerheid van haar bestaan zou de genezing mogelijk maken; de onzekerheid alleen doemt tot vrees en tot werkeloosheid.Waarom zwijgen zij, die de waarheid kennen? Waarom laten zij ons, vier lange maanden in de onzekerheid?Oud-Gouverneurs-Generaal,Oud-Residenten,Oud-Assistent-Residenten, gij allen die door Multatuli zijt beschuldigd, breekt het stilzwijgen af! Het vaderland verlangt het, uwe eer vordert het! Hoe? Multatuli werpt als in het voorbijgaan, zonder opzet en uit onbedachtzame jacht op geestigheid, een smet op de edele zendelingszaak, en dadelijk treedt voor haar een kampioen op, ridderlijk loyaal, met open vizier, om hem voldoening te vragen37engy, die hij, niet in ’t voorbijgaan, maar zonder ophouden, opzettelyk trof,gy, die hij kwetste op de plaats, waar mannen van eer het gevoeligst zijn, gij zoudt voortgaan met zwijgen, gij zoudt u als weêrloos laten slaan, als eerloos, laten beleedigen, gij zoudt de smet laten kleven op uwe namen? U is een handschoen toegeworpen, openlijk voor ’t oog der gansche natie, bij het klaar licht der eeuw der openbaarheid; raapt hem op! treedt in het strijdperk! Vier maanden38zijn voldoende geweest, om uwe wapenen in orde te brengen.—Gij zijt gedagvaard voor de regtbank der openbare meening, verschijnt voor de balie! Vier maanden zijn u voldoende geweest om uwe verdediging voor te bereiden. Zoo gij onschuldig zijt, stelt ons gerust! Zijt gij schuldig, bekent dan schuld en geeft ons gelegenheid het kwaad te herstellen door u bedreven inonzennaam!Tweede Kamer der Staten-Generaal!de handhaving van de eer der natie behoort tot uwe roeping. Als zij, die in ’t bezit zijn van de waarheid, voortgaan met hun majestueus stilzwijgen, interpelleer dan den verantwoordelijken man, die door zijn post tot spreken geroepen is. Vraag den Minister van Koloniën, of Neêrlands eer in de O. Indiën met voeten getreden wordt!Volk van Nederland.Eerlijk volk, christelijk volk! blijft niet onverschillig in deze zaak. Het zijnuwebroeders, die niet totuwvoordeel, maar totuweschande, zouden worden vertrapt en uitgezogen inuwennaam. Gij hebt regt om te weten of die aanklagt gegrond of valsch, of uwe eer bevlekt of zuiver is! Gij hebt regt om te eischen, dat er een einde kome aan die onzekerheid, waaringij wordt gelaten. Het is beter het ergste te hooren, dan niets. Het is geen schande krank te zijn, maar het is schandelijk, om, als men u toeroept:«Gij zijt ziek!» onverschillig te blijven, en zonder naar uw vermeende kwaal onderzoek te doen, in flaauwheid den tijd tot herstel geschikt te laten voorbijgaan. Als het zwijgen der O.-Indische ambtenaren mogt voortduren, als ook uwe Vertegenwoordigers onverschillig mogten blijven, herinnert u dan, dat gij geregeerd wordt door een Koning, die het licht lief heeft, en de duisternis haat.Ga vrijmoedig tot hem, en zeg aan den Keizer van Insulinde:«Sire, laat een onderzoek instellen! Geef ons licht! Als Multatuli een valsch aanklager is, laat ons dan weten, dat Nederlands eer onbezoedeld is gebleven,—zoo hij de waarheid heeft doen hooren, herstel hem dan in zijne eer39den edelen Max Havelaar, straf de schuldigen, en neem de misbruiken weg.»Dagbladpers van Nederland, ondersteun onze pogingen! Laat niet af, met gelijk wij te vragen omlicht, dat ons in plaats van de vraag: «Is Nederland een roofstaat?» den kreet zal kunnen doen uiten: «Nederland is Goddank geen roofstaat!» of wel: «Nederland wil met Gods hulp ophouden een roofstaat te zijn!»In die merkwaardige zitting der Tweede Kamer, waarin onze volksvertegenwoordigers zoo treffend hebben getoond hunne roeping te begrijpen, waarin zij openlijk hebben gebroken met dat misbruik, dat het antwoord op de Troonrede verlaagt tot een loutere echo van de woorden der Regering, is ook (al werd de naam zelf angstvallig vermeden) de «Max Havelaar» ter sprake gebragt, en heeft een der leden der Tweede Kamer,indat boek zwaar beschuldigd,overdat boek het woord gevoerd.40De aanleiding daartoe werd gegeven door de HH. van Hoëvell en Myer. Eerstgenoemde constateerde het door ons reeds aangewezen feit «DAT DOOR DAT BOEK EENE ZEKERE RILLING DOOR HET LAND GEGAAN EN GROOTE ONGERUSTHEID, JA, VERONTWAARDIGING IN VELER GEMOED ONTSTAAN WAS,» en zag in die, door de Tweede Kamer niet beaamde zinsnede der Regeeringsboodschap: «de toestand der overzeesche bezittingen is in alle opzigten bevredigend» een door den Minister van Koloniënte vergeefsaangewend middel om die ongerustheid en die verontwaardiging weg te nemen. Laatstgemelde (op wiens rede wij straks nog zullen terugkomen) constateerde ook het feit, dat er in dat werk sommige personen—en wel bij name een oud-landvoogd—zwaar worden beschuldigd.41Wat mogt men nu verwachten toen deze laatste, de heer Duymaer van Twist, het woord opnam? Dat hij zichthansvan de aanklagt zou zuiveren? Geenszins: zoo iets kon niet te pas komen bij eene discussie over het antwoord op de Troonrede. Doch men had althans mogen verwachten, dat spreker zich onthouden zou van die ons onbegrijpelijke verklaring, dat hij Multatuli nooit weerleggen zal—eene verklaring, die, schoon niet met ronde woorden uitgesproken, evenwelmoetworden afgeleid uit sprekers ondubbelzinnige woorden: «ik meen dat uit ’t geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen, voor mij geen verpligting tot verantwoording kan ontstaan.»Voor zooverre nu een voortdurend stilzwijgen alleen de eer van de beschuldigden in gevaar zou kunnen brengen, is hethunnezaak: wij zijn niet geroepen voor particuliere belangen op te treden. Doch de «Max Havelaar» heeft ook door gansch Nederland ongerustheid en verontwaardiging verwekt. Dit is een feit dat niet kan worden geloochend, en nog daar te boven door den heer van Hoëvell in ’t openbaar is geconstateerd. Uit dit feit nu vloeit onmiddellijk voort, dat ieder Nederlander, die de ongerustheidkanwegnemen,verplichtis om dat te doen. Kan dan één hunner zich van dien pligt ontslaan door de verklaring: «dat uit ’t geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen,voor hemgeene verpligting tot verantwoording ontstaan kan?» Wij betwijfelen het.Vreemdsoortig is ook het argument, waarmede de heer D. v. T. dat stilzwijgen schijnt te willen regtvaardigen. «Ik meen,» zeide hij, «dat ’t geen ik over dat boek zou kunnen zeggen, den schijn van partijdigheidniet zou kunnen ontgaan.»Dit is eene overdrevene kieschheid. Waar het verdediging geldt, kan het verwijt van partijdigheid niet treffen. Een advokaat b.v. kan in zijn pleidooien nooit den schijn van partijdigheid ontgaan; hij is partijdig reeds daarom, omdat hij voor eene bepaalde partij optreedt. Is hij daarom verpligt of zelfs gerechtigd een deftig stilzwijgen te bewaren?Ook na de verklaring van den heer Duymaer v. Twist, blijven wij dus volharden bij ons vroeger ontwikkeld gevoelen, dat de aangeklaagden het stilzwijgen, dathunneeer en het geluk van Nederland in de waagschaal stelt, behooren af te breken. Zij kunnen er niets bij verliezen, en (zoo zij ten minste—wat wij nog altijd hopen—onschuldig zijn) alles bij winnen. Hoe langer zij dat uitstellen, hoe meer het vertrouwen van hen, die het slechte liefst niet geloovende, hen voor onschuldig houden, zal geschokt worden, en bleven zij zwijgen tot het einde toe, dan zouden wij vreezen, dat ook hier weder de openbare meening (waaraan hun toch zeker wel iets zou gelegen liggen) vonnissen zoude, volgens den ouden regel:ZWIJGEN IS TOESTEMMEN!42Laathen dat resultaat voorkomen, terwijl het nog tijd is! Laat hen vooral den eisch der eeuw niet vergeten! Onze 19deeeuw heeft nu eenmaal geen behagen in de duisternis; zij begint met om licht tevragen; wordt het geweigerd, daneischtzij het en weet het te verschaffen.Eindelijk nog iets over de redevoering van den heer Myer. Het doel van dezen spreker was, gelijk hij zeide,nietom de aangeklaagden te verdedigen (’t geen hij en teregt, aan hen zelven overliet). Van dit programma week hij niet af, toen hij een feit mededeelde, waaruit blijken moest en ook werkelijk blijkt, dat ersomsin Oost-Indië regt wordt gedaan en het onregt gestraft. Want dit feit, hoe waar ook, verzwakt in geenen deele de aanklagt van Multatuli. Dat erSOMSregt geschiedt, is nog geen reden om over het voorkomende onregt heen te stappen. Op dit gebied wordt geen compensatie toegestaan. In de18deeeuw zijn er in Frankrijk misschien duizende rechtvaardige vonnissen geveld; toch zal dit de verontwaardiging over den gerechtelijken moord van Jean Calas niet verminderen? Zoo het bleek, dat Multatuli’s klacht gegrond was, dan zou alleen de mogelijkheid, dat er zulke schreeuwendeonregtvaardighedenkunnengebeuren, (’t zij dan stelselmatig of niet) reeds eene onverwijlde hervorming in het O.-Indisch bestuur noodzakelijk maken. En als de heer Myer, toegevende dat er in Oost-Indiën misbruiken bestaan, beweert, dat die in alle Oostersche Staten worden aangetroffen, dan antwoorden wij dat het dan hoog tijd is, om eens te beproeven of er ook een Oostersch volkzonderonregt kan geregeerd worden, en dat in elk geval Nederland geen deel wil hebben aan schatten ten koste van het regt verkregen.Maar wèl week de heer Myer van zijn programma af, toen hij deze woorden uitsprak: »ik kan begrijpen dat een werk in eenen zoo schoonen, wegslependen stijl en met zooveel talent geschreven,op vele onkundigen en ligtgeloovigen, of bij dezulken die gaarne aannemen wat ten nadeele van het bestuur in N.-Indië gezegd wordt, een ongunstigen indruk heeft gemaakt.” Dit is eeneSeitenhiebop «Max Havelaar» dien wij betreuren, want de schrijver—al dwaalt hij welligt ook in zijne voorstellingen—behoort toch ongetwijfeld tot die weinige mannen, die aan het algemeen belang boven het eigenbelang de voorkeur gevende, voor eenein hunne oogengoede zaak, hunne carrière hebben opgeofferd en den haat der grooten hebben getrotseerd. Het is ook een aanval op ons, en op allen die met ons uit den«Max Havelaar» stof tot ongerustheid hebben geput; wij ongerusten moeten volgens die voorstelling òfdomòfslechtzijn. Wij achten ons niet verplicht de insinuatie te weerleggen.Integendeel, wij nemen ze aan. Wij zullen doen als de Geuzen en den scheldnaam aangrijpen! Welaan dan! Wij behooren tot die turbe van onkundigen en ligtgeloovigen! Wij zijn verleid, verblind!... Maar geeft ons dan tegengift, gij, oud-ambtenaren, die dat tegengift bewaart! Of zult gij onmenschelijk genoeg zijn spottende uit te roepen: zij zijn vergiftigd en ons dan het tegengift weigeren? Wijzijndom, onkundig, lichtgeloovig, al wat gij maar wilt? Zult gij dan nog voortgaan ons uw licht te onthouden?...Misschien hecht men weinig aan ons oordeel, en blijft ons vernieuwd verzoek om licht, nog door geen ander dagblad ondersteund, zonder uitwerking. Bedenke men dan, dat het altijd onvoorzichtig is een vonk te verachten, omdat hij slechts vonk is, vergetende, dat hij een vlam kan worden!»43Helaas, helaas, niemand antwoordt! Als ik eens aan den Koning schreef? Dit dééd ik ... tweemalen reeds! Hy heeft niet geantwoord. EnMultatulizond hem z’n boek over de veilingen! Zou de Koning ’t gelezen hebben? Zeker!Dan immers had hy gezegd:IK WIL WETEN OF DIT ALLES WAAR IS!Ja, dan zou hy me geroepen hebben, en ik had hem getoond:DAT ALLES WAAR IS!Ik ben bedroefd dat ik u niets kan zenden,Tine! Tracht nog wat uit te houden ... misschien antwoordt de minister. Leidt de kinderen wat af, als ze vragen ... o god!Ik ben moe.VAN TINE AAN FANCY.Fancy... ik smeek u ... kom hem te-hulp! ...AAN TINE.Ik heb u in lang niet geschreven, omdat ik ... omdat ik ... ik weet het niet. Ik geloof dat ik niet wèl ben. ’t Zal wel overgaan. Houd u maar goed, myn kind. Vraag aan dien man van ’t huis waarinMultatulidat boek schreef. Hy zal u wel wat eten geven voor de kinderen,..VAN TINE AAN FANCY.Fancy!VAN TINE.BesteMax! Wees maar opgeruimd,alles gaat heel goed. De kinderen zyn volmaakt wèl, àl te vrolyk eigenlyk, al te dartel! Zy zien wat bleek ... maar dat komt van ’t wisselen. Zy eten als wolven. Wees gerust, Max. Ook ik ben wèl, héél wel, en goed gestemd ... we wandelen veel ... o, ge moest het zien ... zoo levenslustig!VAN TINE AAN FANCY.Fancy... om-godswil ...Fancy!AAN TINE.Zóó! Dán is ’t goed. Ik dacht dat ge in grooten nood waart. Dit is zoo niet, zegt ge, dan is alles goed! Wat my betreft, ik word nog geplaagd door dien droom over leegte ... zonderling! Ik drink te veel koffi misschien. Nog gedurig kryg ik zotte brieven...Ik heb ’n bezoek gehad van dien domine. Hy heeft een paar uur by me gezeten. Hy wilde dat ik zyn geloof aannam. ’t Was zoo jammer, zeid-i dat ik geen Christen was, overigens was ikzoo’n goed mensch. Dan is ’t veranderen de moeite niet waard, dacht ik. Maar ’n paar dagen later schreef hy, dat-i zooveel kwaads van me gehoord had, en dat ik verdoemd was. In-godsnaam.Ik kan u niets zenden, lieveTine! ’t Doet me innig genoegen dat uw brief zoo vrolyk is, en dat de kinderen wèl zyn. Dat beurt me wat op. Ik was ’n beetje moe. Maar ik wilde toch dat ik u wat zenden kon, want me dunkt ... hoe maakt ge ’t toch?Ik wou zoo graag dat ik ’n ambacht verstond ... maar’tmoest iets wezen, waarby weinig of niets te denken viel. ’t Denken wilde ik graag voor óns houden. Vindt ge ook niet? Ik zou wel boekbinder willen wezen ... neen, tòch niet, dat is te verleidelyk. Maar steenzagen zou wel gaan, als ik daartoe sterk genoeg was. Ik vrees neen, want ik ben wat uitgeput. We zouden van zoo’n ambacht wel kunnen leven, dunkt me, als we maar geen schulden hadden. Maar ze zouden my de zaag afnemen ... neen, de wet waarborgt ieder het bezit van de gereedschappen, die noodig zyn voor z’n bedryf. Ook van dekleêrtjesdie de kinderenaanhebben... om de decentie, denk ik. Dat is toch lief van de wet.Maar allietmen my de zaag, ik kan daarmee niet genoeg verdienen om onze schulden te betalen. En als ik klaag, antwoorden ze:schryf!O, aanUschryven,.. dit is wat anders! Wilt ge dat ik wat schryf aanU? Wilt ge dat ikUiets vertel ... sprookjes, geschiedenissen ... heel graag,Tine! Ik zal gauw wat voor u maken, maar vertel ze niet aan kleinenMax. Hy begrypt ze niet ... evenmin als groote menschen, al heeft hy dan by ’tnietbegrypen geen belang.Eerste Sprookje.Een netgekleed heer, goudgekettingd en tevreden, wandelde langs een der grachten vanAmsterdam. Hy was in de stad voor “zaken”. Straks zult ge zien, wèlke zaken. Daar wandelde voor hem uit, een dame met haar kind. Door ik weet niet welk toeval, viel het kind in ’t water. De moeder gaf een gil ... en sprong het kind na, dat zy redde.De man van zaken zag het aan, haalde z’n zakboek uit, en maakte zich gereed daarin iets opteschryven.—Mevrouw, mag ik zoo vry zyn, uw naam en adres te vragen?—Myn kind, myn kind, ik heb m’n kind terug!—Zeer wel, maar mag ik zoo vry wezen...—Ik heb m’n kind terug, herhaalde de hoofdige moeder, die niet begreep dat men haar vragen kon naar iets anders dan haar kind.—Met die vrouw is niets te beginnen, bromde de nieuwsgierige vrager. Eilieve, vriendje, ik zal u ruim beloonen, als ge my morgen den naam en ’t adres opgeeft van die dame.Zóó vraagde de vreemdeling aan een der omstanders, en ’t schynt dat hy ditmaal te weten kwam wat hy begeerde te weten. Althans hy liet zich den volgenden dag aandienen by de gelukkige moeder.—Mevrouw, ik had de eer tegenwoordig te zyn...—O, waart ge dáár, mynheer? Hebt gy ’t gezien? Ik zag niets, ik hoorde niets, ik sprong...—Verschoon my, mevrouw, ik heb gehoord...—Gehoord?—Ja, mevrouw, Ik heb gehoord hoe ge...—Gehoord?Wàt toch?—Ik heb gehoord hoe gygegildheb, mevrouw ... ik kom u ’n engagement aanbieden by ’t theater.Arme moeder!Die man was ’nimpressariodie sujetten zocht. Hy heettePubliek.Tweede Sprookje.Chresoswoonde inBeotie. Van beroep was hy burgemeester van ’n dorpje welks naam ik niet weet. Ook kan ik u niet zeggen hoe hy verdwaald raakte inBeotie, daar z’n familie thuis hoorde in Athene ... ja, ik meende zelfs dat hy verwant was aanAlcibiades, een te vroeg geboren Franschman.Chresoswas ’n goed mensch, en leefde tevreden. Hy zorgde voor z’n dorpje zoo goed hy kon, en vermaakte zich in ledige oogenblikken met spelen op de luit. Maar dit deed hy alleen in huis, en nooit viel hy iemand lastig met z’n muziek.En zie, daar kwamen roovers die geweld-deden aan de bewoners van ’t dorpje, waarChresosgezag had. Hy legde z’n luit neer, en trachtte de roovers te verjagen. Men zeide hem, dat hy dit niet had moeten doen, omdat de roovers onder de bescherming stonden van den magistraat in de hoofdstad.MaarChresosgeloofde dit niet, omdat hy ’t àl te erg vond.Hy ging voort met het bestryden der roovers, en daar zy overmacht hadden, zond hy ’n bode naarThebeom hulp te vragen.In-stee van de gevraagde hulp te zenden, antwoordde men hem dat hy ’n onwaardig burgemeester was, en volstrekt niet geschikt om ’n ambt te bekleeden inBeotie. Dit laatste sprak hy niet tegen. Maar na z’n dorpelingen te hebben vermaand totgeduld, begaf hy zich met vrouw en kinderen op weg, niets meenemende dan z’n luit. Z’n huis werd ingenomen door ’n ander burgemeester, die zeker minder onwaardig was in de oogen van denThebaanschenmagistraat, en ook zeer bevriend scheen met de roovers die de dommeChresoshad willen uitroeien. Althans men hoorde niet meer klagen over de roovery, schoon de roovers in ’t land bleven.Met moeite verschafteChresoszich toegang tot denAreopagus, en verhaalde wat geschied was. Hy wees op z’n gezin, dat omkwam van ellende door ’tmisverstandvan den magistraat. Nog altyd hield hy de zaak voor misverstand. Ik heb u reeds gezegd dat hy eigenlyk niet thuishoorde inBeotie. Daarom oordeelde hy zoo verkeerd.Maar deAreopagusantwoordde niet.Chresosvermaande z’n vrouw tot geduld—wat niet noodig was—en troostte zich met spelen op de luit, dat ’n behoefte voor hem scheen.De tonen die hy aansloeg, waren in harmonie met z’n gewaarwordingen. Eigenlyk was hy geen groot muzikant, maar er is wat byzonders in ’t luitspel van ’n vader die z’n kinderen ziet derven. Dáárom en niet omdatChresosgoed speelde, luisterde men naar hem. Er was iets snydends in z’n spel, dat grove ooren kittelde. En er waren veel grove ooren inBeotie.Als men zeide: “fraai gespeeldChresos, ga voort!” dan viel z’n hand slap neder, en er blonk hem ’n traan in ’t oog, by de gedachte dat die onbegeerde lof de prys was van den honger zyner kinderen. Liever had hy nog slechter gespeeld, of in ’t geheel, niet, dan zóó! En hy vergeleek z’n ziel by de snaren zyner luit, die gespannen moesten zyn om klank te geven ... ja, gerekt op ’t breken af vóór de hoorders tevreden waren. “Zouden die snaren daarvan gevoel hebben als ik?” dacht hy.Maar toch speelde hy van-tyd tot-tyd, omdat hy niet anders kòn. En z’n gezin hongerde met geduld.Telkens weder beriep hy zich op denAreopagus. Eindelyk ontving hy het volgende vonnis:DeAreopagus, enz.“Gehoord de klachten van den oud-burgemeesterChresosover de rooveryen in ’t dorp ... enz.“Gehoord zyn verzoek om uitspraak te doen, tusschen hem en denThebaanschenmagistraat ... enz.“Gelet op de verklaring van gezegdenChresos, dat hy en de zynen verkeeren in zeer dringenden nood, ten-gevolge van een misverstand, dat dien magistraat zou hebben bewogen party te trekken voor de roovers die ’t dorp afloopen, waar gezegdeChresosvroeger burgemeester was.“Gelet op de verklaring van vele getuigen, die gezegdenChresoshebben hooren spelen op de luit.“Recht doende, enz.“Veroordeelt meergenoemdenChresostot de luit, en de kosten van ’t proces.”DieAreopaguswas omgekocht, en heetteNederland.Derde Sprookje.Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist,Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Werpt beitel neer en spade, o burgerluî,En roept uw dochters en uw knapen van hun spel.En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag!Werpt hamer, troffel, schaaf en weefspoel neer!Komt allen mee ... daar is wat fraais te zien!Komt allen mee ...hoerahvoorGolgotha!Hoerah,hoerahvoorGolgotha!—Dat zal, by God, wat schoons zyn deze keer!Hij schynt nog jong, en heeft iets in z’n blikDat taaiheid aanduidt ... zie, daar zygt hy neer:Hy schynt toch zwak te wezen! ’t Kruis is zwaar...Ik hoor: het is van ’t allerbeste hout! Men zegt,(MaarNathan, of het waar is weet ik niet!)Ze zeggen dat hyzelf het heeft geleverd,Toen hy als timmerman nog aan de schaafbank stond...Want, buurman, vóór hy, ’k weet niet wàt, misdeed,Ja, òf hy iets misdeed zelfsNathan, weet ik niet...Maar vóór hy deed wat men hem euvel nam,Was hy een timmerman als wy.—Hoe heet die man?—Dit weet ik waarlijk niet, men zegt hy ishanootzri...44Of wel, zijn vader was hanootzri. Hy lykt zwakVoor zulk ’n ambacht, maar z’n werk was goed...Hy struikelt weer ... (Op-zy wat,Jöchaz!Ei, laat my ook wat zien ... ge dringt me weg,Of ’t heele schouwspel waar voor u alleen! Hy zweet:Ik zeide u wel dat hy niet sterk was,Nathan.Maar toch geloof ik dat hy taai is, en ons nietBedriegen zal, als laatst die and’re diefDie pas ’n half uur had gehangen, toen z’n hoofdOp-zy knikte ... en ’t wasuit! Hy sprak geen enkel woordDat ons beloonde voor de moeite. Waart ge er by?(Houd kleineMirjamwat omhoog,Jochébed!)Zeg waart ge er by, oNathan ben Daöud,Toen ons die dief bestal voor zooveel moeite om-niet?—Ik had dien dag een splinter in myn voet,En dus geen lust inuitgaanof vermaak,Maar ’k heb gehoord ...—Ikwas er by, vriendNathan!Ik droeg m’n opperkleed van groene zyde,En had m’n tulband op vankashmirstofOmdat die koel is ... zie, hy struikelt weer,Maar staat weer op. Wat zeide ik ook het laatst?—De dief die u bedroog ...—Ik weet al. Nu dien dagWas ’t warm als heden ... neen, zoo warm was ’t niet:Want ... vindt ge ’t niet ontzettend heet van daagDe zon brandt me op den schedel. ’t Rouwt my welDat ik m’n tulband niet verruild heb voor mynKashmir,Die licht vankleuren koeler is ... dat doet de haast:Ik gunde my geen tijd—daar valt-i weer—Ik heb er spyt van ...Golgothais vèr!Zoo’n donk’re zuigt de warmte broeiend in,En dáárom heb ik spyt datGolgothazoo vèr is...Wat zeide ik ook het laatst?—Die slechte dief..—Ik bèn er! Uren liep ik mee, en hygde als nu...(Vervloekte hitte ... dringt zoo niet,Jöchaz!)Ik was vermoeid vóór halfweg ... en de dief(Let wel hoe schand’lijk die man ons bedroog)Liep met z’n kruis, als waar ’t ’n palmtak, voort!Hy zweette niet, en is niet eens gestruikeld ...Maar toen-ihing, was ’t daad’lijk met hemuit!Endeze—zie, hy struikelt weer—endezeIs niet zoo zwaar van bouw, zoo forsch van leest...Hy schynt wel teer van spieren ... doch zyn blikToont dat-i veel geleden heeft en droeg.Maar dat-ilangentyd nog lydenkàn!’k Ben zeker dat hysprekenzal aan ’t kruis,En dit is juist het aardigst van de zaak!De kinderen gaan, om dát te hooren, mee...Die andere dief was dood, vóór nog m’n vrouw,Die trager liep—omdat ze zwanger was, dien tyd,VanMirjam—(houd het schaapje omhoog,Jochébed!)Die dief was doód, vóór zy daar aankwam,Nathan!En ieder zeide dat het schande was!(GeefMirjammy,Jochébed! Hier m’n kind,Hu ... huup ... op vaders schouder! Kunje zien?Sla ’t kleine handje zóó ... om vaders hals,En houdje vast!) Wat zeide ik ook het laatst?—Die and’re dief ...—Ik weet al! Heel de buurtWas op de been gekomen, om dien man te zien.Daar waren met ons,Ruben,Ephraïm,Baënamet de kind’ren,Hiddal ben Elia,De dochters vanUrias,Schmoelde wisselaar ...(Ik zie hem juist, hy werpt den man met drek)Hy is ’t, die laatst verjaagd werd uit den tempel,Omdat hy schacherde inJehovah’shuis...—Wie jaagde ’m weg?—Ze zeggen zekereIscha...Jeshoeah, zoon vanJoszof, uit ’n grootGeslacht, die met ’n zweep hem voortjoeg als ’n hond,En ’t goud- en zilverkraampje omver smeet, dat de muntLinks, rechts wegspringend, neertikte op den grondEn rollend wegstoof onder ’t volk ...—Wie gaf hem rechtTot zulk ’n groot gezag?—Dit weet ik,Nathan, niet,Maar ’t is niet goed te schachren inJehovah’shuis!MynEphraïm... maar,Nathan ben Daöud,Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoop...(Daar werpt weerSchmoelden kruisman met z’n drek)Wat zeide ik ook het laatst?—Ge spraakt vanEphraïm,En van de wiss’laars in den tempel...—Juist!Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoopDat ge my niet verraden zult! M’n zoonDie ’t aanzag, wyl hy juist ’n handel sloot,Heeft, ylings bukkend, als om hulp te biênIn ’t zoeken—maar verklap me niet,ben Daud!—Hy heeft met scherp gezicht en vlugge hand..,In ’t kort, z’n handel was gezegend op dien dag:Hy kwam met dertig zilverlingen t’huis!Geloof me,Nathan, dieben Joszofhad gelyk ...’t Is ongeoorloofd dusJehovah’stempelTe ontwyden met ’n goud- en zilverkraam:jeshoeäh ben Joszofhad groot gelyk!’t Is dáárom ook datEphraïm, m’n zoon,Hem altyd zoekt en naloopt ... of hy weerTer zuivring uitgaat van Gods tempel, met ’n zweep,Maar sinds een week heeft hy hem niet gezien ...(Daar werpt dieSchmoelden kruisman weer met drek)—Die and’re dief ...—Ja, juist! Wy allen gingen mee, de heele buurt ...En toen-ihing, was ’t daadlyk uit,ben Daud!Och kleine, druk zoo zwaar niet aan m’n hals!)’t Is warm—hy struikelt weer—hy schynt vermoeid ...Ik zeg u, dit beteekent niets, vriendNathanGe weet, hoe ’t hout datmaklykbuigt, niet breekt,En hoe het harde knakt, by ’t minste buigen:Zóó ook die man ... ik zeg u, hy is taai!—Eilieve, zie ... die vrouw!... Zou dat z’nvrouwzyn?De vrouw die schreiend volgt, en neergebukt,Als-of zyzelve ’t kruis droeg op haar schouder!Zy steekt de magre hand gedurig uit,Als wilde zy den kruisman schragen ... Is ’t zynvrouw?—Dit weet ik waarlyk niet ... ze schynt my te oud.En bovendien ... ik zie geenkindren! Neen,Dat is gewis z’nmoeder... zie, ze waggelt!Ik heb zoo vaak zoo’n kruisweg meegemaakt,(De kind’ren zyn er dol op, de arme schapen!En altyd opgemerkt, dat wie ’nvrouwheeftEnkind’ren, die naar ’t kruis hem weenend volgen,(Wees rustig,Mirjam: vader is vermoeid!)Zoo taai niet is alsdeze,Nathan ben Daöud!Ik zeg u nog-eens: deze man istaai:Eenvaderzou zoo taai niet wezen,Nathan!Hy is wat moe van ’tgaan, maar als-ihangt,Is dit terstond voorby! VriendNathan, help me ’t kindEens overzetten, op dien andren schouder ... zóó!Het drukt zoo op-den-duur, al schynt het licht in ’t eerst!(Zit stil, m’n kind!) Ja,dezeis wat vermoeid,Misschien wat zwak ook door het bloedverlies,(Schuif niet zoo heen-en-weer, m’n kind: dat doet me pyn!)Men zegt dat-i gegeeseld is ... Ziet ge zynrug?Tracht heentekyken over ’t volk, vriendNathan!—Ik hebJöchazvoor my ...—Kuntgy’t zien,Jöchaz?—Ik zie alleen den top en d’ arm van ’t kruisDat slingrend voortschuift als-i waggelt, maar verdwyntZoodra hy neerzwikt ... zie, daar valt het weer,En ryst nu langzaam weer omhoog!—Dat zie ikzelfZoo goed als gy dat ziet,Jöchaz! Maar ik wenschTe weten of z’n rug ... zoo’n kind is vreeselyk zwaar!Wees niet zoo woelig, kleine: uw vader is vermoeid ...Kuntgyz’n rug zien, kind, zyn naakten rug?Den rug des mans, die ginds dat kruis draagt, kind,En die doorSchmoelgeworpen wordt met drek?Ik houd u hoog ... zie goed ... maar zie wat snel,Omdat ik moe ben, Mirjam! Nu?—Die rug is rood ...Ge hoort het,ben Daöud... dàt maakt hem zwak!Men heeft hem eerst gegeeseld, dat maakt zwàk!Maar ’t gaat wel òver, als-i hangt. Hij zalGewis zoo gauw niet knikken met het hoofd ...(Zit stil, myn kind, ge drukt me ontzettend zwaar!)Ik zeg u,Nathan, deze man is taai!’t Is jammer dat ik niet mynKashmirheb ...(Zit rustig kind, of vader zet u neer:Ik ben vermoed!) En ieder zei,ben Daöud:Het was ’n schande ... dáádlyk was hetuit!Maardezezal zoo gauw niet sterven aan het kruis,Hy zal gewis watsprekenvoor-i knikt!Dat praten dan de kindren jub’lend na,En maken grappig spel van wat-i zeide,En spelen kruisman, weken naderhand!Dit beurt wat op, in dezen slechten tyd!Maar als-i zwygt aan ’t kruis, is ’t niet de moeite waardZoo vèr te gaan—het is zoo vreeslyk heet,Als ’t weer gebeurt, zet ik m’nKashmirop!—Ik zeg u dat-i taai is,ben Daöud!Hy valt weer ... dit is niets! Wacht tot-i hangt,(Zit stil,Mirjam!) dan zult ge zien en hooren ...Neem ’t kind terug,Jochébed: ik ben moe ...Maar houd het schaapje omhoog ...Komt mee, komt mee, daar is wat schoons te zien!Komt allen mee ... daar wordt ’n man gekruist!Wat hy misdeed? ’k Weet niet wat hy misdeet ...Er zyn er zelfs die zeggen dat-i wèl deed ...Maar dit ’s om ’t even! Werpt uw grootboek neer,Vergeet uw koffi en uw suiker, burgerlui ...Uw beurs, uw oefning, en uw monsters van tabak,Uw winkel van gestolen kruinierswaren,Uw Evangelie en uw batig saldo!Laat liggen voor ’n wyl uw handel en moraal,Theologie ... moderne, antieke ... ’t heele zoodje!Neem uit de kast uw deftigst opperkleed,Bedast uw hals met allerwitst batist,En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag,En roept uw knapen en uw dochters van hun spel ...Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist!Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Ik zeg u dat-i taai is, die daar gaat ...Hy zal zoo gauw niet knikken met zyn hoofd ...Hy zal, by God, aan ’t kruis niet zwygend sterven!En voor uw kinderen zal ’t de moeite waard zynTe hooren—en het nàtepraten—wat-i zegt!Beloof hun vry een vroolijk kruismansspel,Dat beurt wat óp in deze slechte tyden!Ik zeg u dat-i taai is, deze man,Dat hy u niet bedriegen zal, als laatstDie andre dief, die daadlyk knikte met het hoofd,En toen was ’tuit! Maar deze man is taai,Al schynt hy zwak van bouw. Het is hem aantezienDat hy veel droeg, maar kracht heeft méér te dragen,Dat hy veel leed, maarlangnog lyden kàn!Hij spreekt reeds ... luister: “Eli Sabactani!”Hy roeptElias... kindren, bauwt hem na,En sart hem, dat hy nòg wat zegge aan ’t kruis,En krabt met lange nagels in z’n wonden ...Of beter, werpt hem—als vriendSchmoel—met drek:Licht slikt hy walging minder goed dan pyn!Hu ... huup ... omhoog uw kindren! Dat ze ’t zien.En dat ze ’t hooren, hoe de kruisman spreekt,Om stof te garen voor hun kruismansspel ...Komt allen mee!HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!Komt mee, komt mee, daar wordt een man gekruist:RoeptRubenhier, enNathan ben Daöud...Klaas Jakob,Nafthali,Albertus!Eliézer...De dames en de heeren uit de buurt,Verwanten, neven, nichten, broeders, en de rest,Behouders, Liberalen, mannen van de beurs,En van de balie of den kansel! KontraktantenEn Vry-arbeiders, oppozitie en ministers,De leden van de Tweede-Kamer in den Haag,En wie er rusten kan, na slecht regeeren,En wie geen tyd had om z’n plicht te doen,Maar licht nu tyd heeft voor ’n grappig schouwspel,RoeptMozes,Issascharen ’t heeleWillemspark,Piet,Paul,Ezéchiel... roept al wat naam heeft,Roept wat gedoopt is, of besneden, mee!Roept al wat juicht: “ik dank u voor myn braafheid!”Roept al wat kermt: “wees my genadig, Heer!”Roept wat verdoemd is, en wat deel heeft aan genade,Wat loopen, zien en hooren kan (al is ’t wat heet!)Jezuiten—protestantsche en katholieke—Van de orde of niet van de orde, Vrye-metselaren,Die over ’tgoede, schoone woordenspreekt,Maar u onthoudt vanstrydentegen ’t kwaad!Gy die ukind’ren noemt der weduw, maar uw handNiet uitstrekt om het kruis te dragen van haar zoon!Roep al wat bidt of schachert in den tempel,Al wat er wacht opNabi Issah’szweep!Al wat met scherpen blik en vlugge handenHem nasluipt—of soms te grissen vielVan ’t geld, dat rollend wegstuift onder ’t volk—En later meepraat over stelsels en principes!Roept al wat vet werd van gestolen spys,Al wat er pocht op linzen-eerstgeboorte,Al wat ’n gouden kalf in ’t wapen draagt,Al wat er knaagt aanInsulindscheknoken,Al wat er zuigt aan deInsulindschekoe,Al wat er hangt aan d’afgestroopten tepel,Al wat er zwelt van ’t afgezogen bloed!Komt allen mee ...Jochébedmet de kleine ...(En houdt vooral het schaapje omhoog,Jochébed!)RoeptJanszoon,Pieterszoon,ben Levi,ben Daöud...Ben...dìt,BEN...dàt,BEN...ieder!Roept ookSchmoel...Ja,Schmoelvooral, enJudas Judaszoon!Komt allen mee, komt mee naarGolgotha!Bij God ... daar is vandaag wat schoons te zien!Komt allen mee, daar wordt ’n man gekruist!Komt mee, komt mee ...HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!Ik ben wat moe, myn besteTine.VAN TINE AAN FANCY.Fancy... om-godswil ...Fancy!AAN TINE.LieveTine! Dat ik u in-lang niet schreef, was omdat ik u niets kon zenden. Ik ben niet wèl, en heb ’n vreemd gevoel van leegte, alsof ik me iets herinnerde, maar vatten kan ik ’t niet! Kuntgyme helpen? Ook heb ik pyn in ’t hart. Zou ’t ’n anevrisme wezen? Neen, dit kan niet. Zoo’n kwaal heeft ieder tegenwoordig, en ik zal toch geen ziekte krygen als ’n ander.Die minister antwoordt niet. Ze kunnen my niet gebruiken, denk ik. ’t Schynt dat men prokureur of griffier moet geweest zyn. Ik zal nog drie dagen wachten op dat antwoord van den minister, en dan ... ja dan weet ik waarlyk niet wat ik doen moet! Ik weet niets, begryp niets! Wat is er toch met ons gebeurd, dat we zoo in moeielykheid verkeeren? Hoor eens, lieve ... als ge volstrekt geen raad meer weet, tracht dan naarden Haagte komen ... al is ’t te-voet en bedelend. Ieder zal u zeker wat geven, als ge zegt dat het is om dáár te sterven met de kinderen. Ik ben er op gesteld dat we dáár sterven. MaarSAMEN, lieve Tine! Ik heb volstrekt geen moed meer om televen, ente handelen. Moed om teondergaanen testervenwèl. Ik ben moe! Kunt ge ’t nog drie dagen uithouden?Nog geen antwoord van den minister ...VAN TINE AAN FANCY.Fancy!!AAN TINE.O god, wat is dat vreemd ... ik droom altyd dien droom. Daar dwaalt my iets voor ’t oog ... een meisje, een schim, ’n spook ... Ik reikhals vruchteloos ... ze ontwykt me, en zweeft omhoog ... en lost zich op inniets! M’n hart is leeg, o god!Ik ben vermoeid.VAN TINE AAN FANCY.

Schryven is afdruk nemen van de ziel.Als Publiek ziel heeft, laat hemzelf schryven.Heeft hy geen ziel, dan begrypt hy ook myngeschryfniet ... punctum!Maar er bestaat nog ’n reden die my de bibliotheek van m’n vriend doet schuwen als de pest. Ik ben inderdaad hoogmoedig en verwaand, en—ik verzeker u dit ernstig—het hoofdingrediënt van schryven of spreken is verwaandheid. Welnu, als ik veel boeken om my heen zie, laat ik my verlokken daarin het oog te slaan. Ik lees voort, vind gedurig iets dat ik niet wist ...word, vruchteloos tegenstrevend, overtuigd van onkunde, en weg is de verwaandheid die ik noodig heb om te schryven! Neem dit niet op als een sarkasme, als ironie, als scherts, als voorgewende nederigheid. Ik geef ’t u alseenvoudig waar, en ik ben zoo vry de menschen die voorwenden ’n anderen indruk te ondergaan, voor verwaander te houden dan myzelf.Ik denk altyd, wanneer ik iemand als spreker of schryver zie optreden: zou die man—’t spreekt vanzelf dat het altyd ’nmanis—zou die man nu inderdaad gelooven dat hy wat te zeggen heeft? Maar nooit doe ik deze vraag overluid, omdat ieder boos wordt, als men informeert naar z’n hoogmoed. Wanneer de menschen konden gebracht worden tot de erkentenis hunner verwaandheid, ware er veel gewonnen, want dan zouden ook de andere fouten blootliggen. Maar dit schynt zwaar te vallen. Altyd zyn er gaten in den mantel vanDiogenes. Ge weet dat ik beter vind den heelen mantel aftewerpen,“die man is hoogmoedig” beduidt eigenlyk: “Die man neemt de moeite niet, z’n hoogmoed te verbergen als wy?” Dat is, nòg eens overgezet: “hy loopt in z’n hemdsmouwen!”Wel zeker ... als ’t warm is! Of als men iets te doen heeft, waarby ’t opperkleed hindert, zooals by my dikwyls voorkomt. Ik heb geen tyd om nederig te schynen.Dat wegstoppen van aandoeningen is my te lastig op-den-duur. Ik heb meely met de menschen die hun geheel leven door souffreeren aan de nooit erkende obstruktie van eigenwaan, ’t is om te bersten!Ook zou ik vreezen onoprecht te worden in geheel omgekeerden zin. Wie zegt me of ik niet door dat kunstmatig en nooit gelukkend wegwringen myner deugd, wat ondeugd zou verbergen met-een? Laat ons maar altyd zeggen wat we meenen wáár te zyn, en het opgeven voor beter, ’t Iseenvoudigalweer, zoo als ge ziet.Bovendien er steekt veel hoogmoed in dat geklaag over hoogmoed. ’t Isdépitover al de verloren moeite die men zich getroost om ’n doel te bereiken, dat zonder schade wordt verwaarloosd door ’n ander.Christusverbergde zyn hoogmoedniet. Hy verwaardigde zichniet, iets wegtestoppen. “Ik ben de weg, de waarheid en het leven, wie My gezien heeft, heeft den Vader gezien!” Als hy ditmeende, had hy gelyk het tezeggen. ’t Stond aan ’n ander, hem tegen te spreken, en des-verkiezende te betoogen, dat hy trekvaart, leugen en dood was. Maar wat ik minder schoon vind inJezusis dat hy niet met dezelfde rondheid zei wat er aan hem ontbrak. Ik erken echter dat er meer moed noodig is omgoedte spreken van zichzelf dankwaad, en daarChristushet eerstedurfde, zou hy ook moed gehad hebben tot het laatste ... als het te-onpas gekomen ware. Waarschynlyk dacht hy dat de Farizeeën ’t wel voor hem zouden doen, en hierin dacht hy juist. Dit is nòg zoo.Moedom hoogmoedig te wezen? Welzeker!—Wie durft die bres bestormen? roept de bevelhebber.—Ik! zegt ’nhoogmoedige, die zich schynt te houden voor den braafsten man van ’t regiment.Maar toen hy “Ik” riep, wist hy dat er zou geantwoord worden:—Ga dan, en bestorm de bres!En hygaat! Want ik weet niet van wie “Ik!” roepen ennietgaan. Dit zou gehuichelde hoogmoed wezen, en ik trek alleen party voor deware. Och,Tine, al deze dingen zyn heel eenvoudig. Ieder weet ze, maar wy denken er niet aan, omdat we te veel zyn opgevoed en begodsdienst. Om wys te worden, heeft men niet veel te leeren, er moet maar een-en-ander wordenafgeleerd. Het uitroeien van één vooroordeel is meer waard dan ’t bedenken van tien nieuwe stelsels.Voltaire—met wien ik lang niet in alles eens ben, dat weet ge—Voltaireis ’n prul in de oogen vanKantianen,Hegelianen,Spinozisten,CartezianenenLeibnitzers. Waarom? Omdat hy niets heeft gezegd wat niet ieder kan begrypen, en omdat hy geenstelselheeft saamgeknoeid ... wat hy toch met zyn vernuft heel goed hadkunnendoen. Hy toont aan:wat niet waar is, en dat willen de menschen niet, tenzy men hun iets anders in de plaats vertelle, dat evenmin waar hoeft te wezen. Men hongert naar leugen. Zoodra ik ’n slecht mensch word, ga ik aan ’t systeem-maken. Ik zie er best kans toe ... ze komen er goed af! Ik wacht ’n standbeeld, met een opschrift ... ja zoo:STA VICTOR.DIT VERBEELDTDE MANDIEBETER HAD KUNNEN LIEGENDAN IEDER ANDER, ALSHY GEWILDHAD.Maar,Tine, om dan konsekwent te zyn, moet men veel andere standbeelden omverhalen.Ik ben in ’n andere kamer gevlucht, waarboven slechts gemangeld wordt: g.....! Ik heb ’n kolonel van de marine gekend, die ’n premie uitloofde voor ’n nieuwen vloek! O, ik begryp dien kolonel! Daar kryg ik weer brieven ... lees zelf, en oordeel. Wat willen ze toch?Ieder biedt me allerlei dingen aan, die ik niet noodig heb, maar niemand schynt te willen deelnemen in den moeielyken stryd dien ik voer. ’t Is zonderling!VAN EEN MEISJE.Dierbare broeder inChristus!Ja, ge zyt my dierbaar, al sluit ge uw oor ................30VAN EEN ANDER MEISJE.31VAN EEN DOMINE.Broeder!Uit innig gevoel des harten voel ik me gedrongen, u te verzoeken, my toetestaan persoonlyk kennis met u te maken. Ik ben van plan, morgen, na de preek, terstond naar Amsterdam te gaan, en by u myn bef en broek te komen afleggen, om met u te spreken over ’t geloof. Ge zyt op ’n goeden weg. Ge zyt een te goed mensch: om niet te gelooven als ik. Lees maar na ...32VAN EEN ANDEREN DOMINE.33AAN TINE.Ik ben vermoeid, lieve! Wees niet boos dat ik zoo weinig schryf. Ik kan u niets zenden. Tracht maar voltehouden. ’t Zal niet altyd zoo blyven. Maar vermoeid ben ik, dat is waar.Verbeeld u ... ze hebben zich in het hoofd gezet dat ik ’nschryverben, en dat ik moet schryvenvoor den kost! Ze verwarren my met dienMultatuli.Schryven voor den kost!’t Doet me denken aanDon Juan, die zóó’n pleizier vond in het praten van dien armen Mr.Dimanche, dat hy verzuimde te antwoorden op diens verzoek om betaling van de rekening.Ik heb geenMolieremeer ... achTine... onzeboeken! Weet ge nog wel dat we eens boeken hadden, en ’n huis? En dat we menschen binnenriepen die ergeenhadden? ’t Is toch zonderling ...nog dikwyls vraag ik mezelf: hoe komt het toch dat we geen huis hebben? ’t Is heel dom ... ik lyk kleineMaxwel, met z’n gekke vragen. Ik heb moeite om niet afgunstig te zyn, als ik denk aan zoovelen die wonen kunnen. En meestal ... maar ik zal u liever wat vertellen vanDon Juan. ’t Is heel goed dat ik geenMolieremeer heb. Dan zou ik misschien naschryven, en dit verveelt me zoo.Don Juanis dik en vet als betaamt. MaarDimancheis mager.—M’n huisgezin is in nood, o edeleDon Juan! Ge weet wat ik voor u gedaan heb ...—Goed gesproken, lieveDimanche, ga zitten!—Ik dank u voor ’t zitten, heerJan... ik wenschte dat ge deze rekening ...—Uw rekening is verrukkelyk. Ga voort! Mag ik u ’n snuifjen aanbieden?—Ik dank u voor ’t snuiven.Don Juan... maar zie deze rekening, en ...—Weet ge wel dat ge een goede hand schryft, o universeeleDimanche! Ik benoem u tot myn secretaris ... dan kunt ge schryven voor my!—Ik dank u voor ’t schryven, heerRidder, doch m’n gezin lydt gebrek ... en om-uwentwil zouden wy ...—Gebrek?...Lyden...Gebreklyden?... O heerlyk schoon verbond van diep gevoelde klanken ... Ik zeg ... ik gloei ... ik wil ... ik weet zelf niet wat ik wil, maar ’t doet er niets toe ... de uitdrukking is prachtig! Doe my ’t genoegen, en zeg dat nog eens.—Wy lyden gebrek, o heer ..,—Goddelyk! Wat ’n leven ... wat ’n gloed ... wat ’n vuur! Ik verhef u tot m’n lyfdichter. Ga voort, welsprekendeDimanche!—Ik dank u voor ’t dichten, heerGrande... ik meende dat gy ... om godswil, bedenk dat wy sterven ... en bovendien, ik heb schulden ... ik kan niet betalen ... en nu zegt men datikoneerlyk ben ... terwylgy... bedenk heer,Ridder,Jan,Juan,Grande... hoe moet ik u aanspreken om verstaan te worden?Don Juan... o god ... wy sterven, en men zegt dat ik ...—Sterven?... verheven denkbeeld! Maar ’t is onjuist ... vriendDimanche! Ge laat u door geestdrift vervoeren tot onnauwkeurigheid.Sterven?Gymet uw talent van voordracht?Sterven?Gy?... met zoo’n schrift? Onmogelyk,Dimanche! Ziehier! IkDon Juan... ik schenk u ... neem aan!.. . wees niet beschaamd ... ik ben ’t schuldig ... ik schenk u,ex plenitudine potestatis... begrypt ge dat?—Ach neen ... maar m’n rekening ...—Ik schenk u deonsterfelykheid!Leporello, wilje m’nheer uitlaten?Ik weet niet of ’t precies zoo staat byMoliere, ook niet ofDimanchenog tyd heeft om te antwoorden: “ik dank u,Don Juan...Publiek, voor uw onsterfelykheid!” maar me dunkt, ik zie den sukkel zoo bedroefd weggaan, om aan vrouw en kinderen onsterfelykheid thuis te brengen, in plaats van ’t verwachte brood om niet te sterven!En dan vraag ik, of er ook in dien tyd rustende Gouverneurs-generaal waren, met ongestoorde levensdigestie en zwygende gewetens?Moliereschreef aardig, maar hy had te weinigdonnées. Hy was ’n kind van z’n tyd en z’n tyd was eenvoudig.Ikschryvenvoor den kost ... voor geld?OnzeNonniis nu pas vier jaar .., stel u eens voor, dat ze later ... voor geld ... o god!Houd u staande, lieveTine, zoo goed mogelyk! Heb ik u reeds geschreven dat ik een brief zond aan den minister? Hy is ’n welwillend mensch ... hy zal zeker antwoorden. Ik heb hem daarin niets gezegd van den nood waarin we verkeeren. Dit zou niet goed wezen, want dan zou hy ons helpen uit medelyden. Was ik nu maar aan den drank, dan waren we gered! Ja, dan kon ik beterschap beloven, en waarachtig—zóó zyn ministers en menschen—als men beterschap belooft, wordt men meestal geholpen.—Rechtvaardigheid is duurder dan vergiffenis, en als ze niet zoo’n leven maakten boven m’n hoofd, zou ik u uitleggen waarom.Maar de zaak is nu juist omgekeerd, en hierom vrees ik dat m’n schryven niet baten zal. Door myn bod aantenemen, zoude Regeering beterschap beloven... en deze belofte valt zwaar aan wien ’t niet meenen kan. Maar ik denk toch wel dat ik antwoord zal krygen ...Er is nu ’n nieuwe Gouverneur-generaal benoemd.34Hy wordt geprezen of gelaakt, al naar men behoort tot de party van behoud of van oppositie. Maar dit moet ge nu zoobegrypen, dat de behouders opponeeren voor ’t moment, en dat de oppositie nu behouden wil. Ik zou u dit kunnen uitleggen, maar ’t is beneden uw aandacht. Wacht tot ik m’n brief aan de kiezers afmaak. Als ge ’t dan goed begrypt, zyt ge niets wyzer. De hoofdzaak komt hierop neer, dat die nieuwe Landvoogd wel wat gelykt op den “laatst-aangekomene” in een kleinstad. Elkecliqueroept hem toe: “ge zult immers totonsbehooren? Laat u toch volstrekt niet in met al ’t canalje van die andere societeit! ’t Is hier goed lezen ... als ge maar niet omgaat met de A’s en de B’s en de C’s....Al die initialen, samengevoegd, maken ’n kompleet adresboek van de kleinstad.Eén ding echter heeft me byzonder getroffen. Van de weinigen die niet schynen te behooren tot ’n politieke party, en toch eenigszins achtslaan op de publieke zaak, verneem ik dat de “nieuwaangekomene” groote verdiensten heeft. Nu vraag ik hoe ’t komt, dat deze verdiensten niet voorlang reeds ten nutte van het algemeen zyn aangewend, daar de man toch niet meer jong is? Waarom heeft men tot-nog-toe geen—of maar zeer onbeduidende—betrekkingen opgedragen aan iemand van zóóveel kennis, zóóveel integriteit, zóóveel karakter, zóóveelgenie... had ik byna gezegd? Ziet ge, daarvan begryp ik weer niets. Wie heeft al die Amerika’s ontdekt? Hoe heeft de man het aangelegd, om al die gaven zoolang schuil te houden?Hy is geweest:Griffier der Staten van Gelderland. Is ’t niet jammer dat men iemand die thans geacht wordt op de hoogte te staan van ’tONDERKONINKSCHAP VAN INSULINDE, op de hoogte dus van deBELANGRYKSTE BETREKKING IN DEN STAAT... is ’t niet jammer, vraag ik, dat die man is gebruikt tot het maken van die processen-verbaal der zittingen van de Geldersche Staten? Dat mendienman heeft belast met het opschryven der redekavelingen van anderen? Daartoe wasikte goed, lang voor ik u kende. Die man moet byzonder nederig zyn.Wanneer hy op de hoogte staat zyner schoone roeping—en ik heb geen andere reden hieraan te twyfelen dan voornamelyk die nederigheid (zieGöthe,in voce: “bescheidenheid”) en voorts dealgemeenereden die ’t juisttreffen in deze zaak zoo moeielyk maakt—welnualshy op de hoogte van z’n taak is, dan hadden de Geldersche Staten, kollectief of individueel, zich zeer vereerd moeten achten, heel nauwkeurig en eerbiedig op-te-schryven, wathyzou gelieven te zeggen. Maar ... omgekeerd, is ’t ’n gruwel.En zie nu eens weer, hoe zonderling! Men zou toch geen koetspaard spannen voor ’n kar. Moet ik nu gelooven dat men beter weet omtegaan met paarden en karren, dan metmenscheninInsulinde? Zoo schynt het, waarachtig!Maar, zeggen ze, hy is niet alleengriffier geweest. Hy isconcessionaris geweestvan ’n spoorweg, die er nietgeweestis, en daarna werd hy ter schadeloosstelling benoemd tot president van den Raad van toezicht over spoorwegen, die er tot heden toe nietgeweestzyn.De slotsom is, dat hy eigenlykniets geweestis.Ei,Nederland, hebt ge groote mannen te veel, dat ge ze ongebruikt laat? Dit is niet huishoudelyk.Ach, ik herinner me dat ook de laatstvoorgaande Gouverneur-generaal,die zich nu bezighoudt met rusten, byzonder geprezen werd! Ik heb neiging tot sympathie voor dentegenwoordigen, al bleek het nooit.35Ja, ik wou u graag wat zenden, myn kind, maar hoe kom ik er aan? Schryven voor geld? Aan wien? Wat? Moet ik schryven aan menschen die niet lezen kunnen? Na ’t boek vanMultatuliheb ik eigenlyk niets te zeggen. Ik wacht antwoord, en ik dacht ...Ziehier wat deTielsche Courantschreef ... had ik geen recht op antwoord van de natie?IS NEDERLAND EEN ROOFSTAAT.»Vier maanden zijn reeds voorbijgegaan, sinds Multatuli, een oud-Oost-Indisch ambtenaar,—naar hij beweert, miskend, vervolgd en tot aftredinggedwongendoor zijne superieuren, in zijn »Max Havelaar of de koffiveilingen der Ned. Handelmaatschappij,» de gezaghebbers in onze Oost-Indische koloniën openlijk aanklaagde dat zij hun pligt verzaken, hun eed schenden, de stem der menschelijkheid en der godsdienst, van het geweten en de eer smoren,—dat zij de Javanen, wier bescherming hun is opgedragen, met lafhartigheid, maar vooral ook uiteigen belang, willens en wetens, ten prooi laten aan de knevelarijen en afpersingen hunner hoofden, dat zij hen stelselmatig laten vertrappen en uitzuigen inonzennaam, en gelijk het heet, totonsvoordeel—dat zij valsche rapporten uitbrengen om het moederland van dien ons onteerenden toestand onkundig te laten,—en dat zij den zeldzamen ambtenaar, die zich niet tot hun medeplichtige leenen, maar zijn eed gestand doen, en zijn plicht volbrengen wil, tegenwerken, verdacht maken, vervolgen, ontslaan.Ontzettende beschuldiging voorwaar! Zoo zij gegrond ware, zoo de schatten, die ons uit onze koloniën, toestroomen, slechts verkregen werden ten koste van het zweet en het bloed onzer Javaansche broeders, dan zouden wij met den schrijver moeten uitroepen, dat Nederland den naam van “roofstaat” verdient, dan zou ons eene wonde zijn ontdekt, waarvan de diepte bijna niet te peilen, de genezing niet genoeg te bespoedigen zou zijn!Maar is die beschuldiging gegrond?Als Nederlander, als mensch, valt het moeilijk het te gelooven. Doch aan den anderen kant (en wij beroepen ons hier op allen, die den »Max Havelaar» gelezen hebben) de schrijver heeft niets wat aan een lasteraar zou kunnen doen denken; hij slaat eentoon aan, die overreedtniet alleen, maar die ook overtuigt, die aan zijne waarheidsliefde bijna nietkandoen twijfelen; hij deeltfeitenmede, gelijk alleen een ooggetuige, en eenwaarheidzoekendooggetuige, ze mededeelen kan; hij verklaart alles te kunnenbewijzen, hij duidt de schuldigen als met den vinger aan36en tart hen uit, hem van eene enkele onwaarheid te overtuigen.Als wij dus de vraag herhalen: »is die beschuldiging gegrond?» dan moeten wij antwoorden: »wij durven noch bevestigen noch ontkennen.” Een zeer onbevredigend antwoord voorzeker! Want de zekerheid van het nietbestaan der kwaal zou ons gerust stellen; de zekerheid van haar bestaan zou de genezing mogelijk maken; de onzekerheid alleen doemt tot vrees en tot werkeloosheid.Waarom zwijgen zij, die de waarheid kennen? Waarom laten zij ons, vier lange maanden in de onzekerheid?Oud-Gouverneurs-Generaal,Oud-Residenten,Oud-Assistent-Residenten, gij allen die door Multatuli zijt beschuldigd, breekt het stilzwijgen af! Het vaderland verlangt het, uwe eer vordert het! Hoe? Multatuli werpt als in het voorbijgaan, zonder opzet en uit onbedachtzame jacht op geestigheid, een smet op de edele zendelingszaak, en dadelijk treedt voor haar een kampioen op, ridderlijk loyaal, met open vizier, om hem voldoening te vragen37engy, die hij, niet in ’t voorbijgaan, maar zonder ophouden, opzettelyk trof,gy, die hij kwetste op de plaats, waar mannen van eer het gevoeligst zijn, gij zoudt voortgaan met zwijgen, gij zoudt u als weêrloos laten slaan, als eerloos, laten beleedigen, gij zoudt de smet laten kleven op uwe namen? U is een handschoen toegeworpen, openlijk voor ’t oog der gansche natie, bij het klaar licht der eeuw der openbaarheid; raapt hem op! treedt in het strijdperk! Vier maanden38zijn voldoende geweest, om uwe wapenen in orde te brengen.—Gij zijt gedagvaard voor de regtbank der openbare meening, verschijnt voor de balie! Vier maanden zijn u voldoende geweest om uwe verdediging voor te bereiden. Zoo gij onschuldig zijt, stelt ons gerust! Zijt gij schuldig, bekent dan schuld en geeft ons gelegenheid het kwaad te herstellen door u bedreven inonzennaam!Tweede Kamer der Staten-Generaal!de handhaving van de eer der natie behoort tot uwe roeping. Als zij, die in ’t bezit zijn van de waarheid, voortgaan met hun majestueus stilzwijgen, interpelleer dan den verantwoordelijken man, die door zijn post tot spreken geroepen is. Vraag den Minister van Koloniën, of Neêrlands eer in de O. Indiën met voeten getreden wordt!Volk van Nederland.Eerlijk volk, christelijk volk! blijft niet onverschillig in deze zaak. Het zijnuwebroeders, die niet totuwvoordeel, maar totuweschande, zouden worden vertrapt en uitgezogen inuwennaam. Gij hebt regt om te weten of die aanklagt gegrond of valsch, of uwe eer bevlekt of zuiver is! Gij hebt regt om te eischen, dat er een einde kome aan die onzekerheid, waaringij wordt gelaten. Het is beter het ergste te hooren, dan niets. Het is geen schande krank te zijn, maar het is schandelijk, om, als men u toeroept:«Gij zijt ziek!» onverschillig te blijven, en zonder naar uw vermeende kwaal onderzoek te doen, in flaauwheid den tijd tot herstel geschikt te laten voorbijgaan. Als het zwijgen der O.-Indische ambtenaren mogt voortduren, als ook uwe Vertegenwoordigers onverschillig mogten blijven, herinnert u dan, dat gij geregeerd wordt door een Koning, die het licht lief heeft, en de duisternis haat.Ga vrijmoedig tot hem, en zeg aan den Keizer van Insulinde:«Sire, laat een onderzoek instellen! Geef ons licht! Als Multatuli een valsch aanklager is, laat ons dan weten, dat Nederlands eer onbezoedeld is gebleven,—zoo hij de waarheid heeft doen hooren, herstel hem dan in zijne eer39den edelen Max Havelaar, straf de schuldigen, en neem de misbruiken weg.»Dagbladpers van Nederland, ondersteun onze pogingen! Laat niet af, met gelijk wij te vragen omlicht, dat ons in plaats van de vraag: «Is Nederland een roofstaat?» den kreet zal kunnen doen uiten: «Nederland is Goddank geen roofstaat!» of wel: «Nederland wil met Gods hulp ophouden een roofstaat te zijn!»In die merkwaardige zitting der Tweede Kamer, waarin onze volksvertegenwoordigers zoo treffend hebben getoond hunne roeping te begrijpen, waarin zij openlijk hebben gebroken met dat misbruik, dat het antwoord op de Troonrede verlaagt tot een loutere echo van de woorden der Regering, is ook (al werd de naam zelf angstvallig vermeden) de «Max Havelaar» ter sprake gebragt, en heeft een der leden der Tweede Kamer,indat boek zwaar beschuldigd,overdat boek het woord gevoerd.40De aanleiding daartoe werd gegeven door de HH. van Hoëvell en Myer. Eerstgenoemde constateerde het door ons reeds aangewezen feit «DAT DOOR DAT BOEK EENE ZEKERE RILLING DOOR HET LAND GEGAAN EN GROOTE ONGERUSTHEID, JA, VERONTWAARDIGING IN VELER GEMOED ONTSTAAN WAS,» en zag in die, door de Tweede Kamer niet beaamde zinsnede der Regeeringsboodschap: «de toestand der overzeesche bezittingen is in alle opzigten bevredigend» een door den Minister van Koloniënte vergeefsaangewend middel om die ongerustheid en die verontwaardiging weg te nemen. Laatstgemelde (op wiens rede wij straks nog zullen terugkomen) constateerde ook het feit, dat er in dat werk sommige personen—en wel bij name een oud-landvoogd—zwaar worden beschuldigd.41Wat mogt men nu verwachten toen deze laatste, de heer Duymaer van Twist, het woord opnam? Dat hij zichthansvan de aanklagt zou zuiveren? Geenszins: zoo iets kon niet te pas komen bij eene discussie over het antwoord op de Troonrede. Doch men had althans mogen verwachten, dat spreker zich onthouden zou van die ons onbegrijpelijke verklaring, dat hij Multatuli nooit weerleggen zal—eene verklaring, die, schoon niet met ronde woorden uitgesproken, evenwelmoetworden afgeleid uit sprekers ondubbelzinnige woorden: «ik meen dat uit ’t geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen, voor mij geen verpligting tot verantwoording kan ontstaan.»Voor zooverre nu een voortdurend stilzwijgen alleen de eer van de beschuldigden in gevaar zou kunnen brengen, is hethunnezaak: wij zijn niet geroepen voor particuliere belangen op te treden. Doch de «Max Havelaar» heeft ook door gansch Nederland ongerustheid en verontwaardiging verwekt. Dit is een feit dat niet kan worden geloochend, en nog daar te boven door den heer van Hoëvell in ’t openbaar is geconstateerd. Uit dit feit nu vloeit onmiddellijk voort, dat ieder Nederlander, die de ongerustheidkanwegnemen,verplichtis om dat te doen. Kan dan één hunner zich van dien pligt ontslaan door de verklaring: «dat uit ’t geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen,voor hemgeene verpligting tot verantwoording ontstaan kan?» Wij betwijfelen het.Vreemdsoortig is ook het argument, waarmede de heer D. v. T. dat stilzwijgen schijnt te willen regtvaardigen. «Ik meen,» zeide hij, «dat ’t geen ik over dat boek zou kunnen zeggen, den schijn van partijdigheidniet zou kunnen ontgaan.»Dit is eene overdrevene kieschheid. Waar het verdediging geldt, kan het verwijt van partijdigheid niet treffen. Een advokaat b.v. kan in zijn pleidooien nooit den schijn van partijdigheid ontgaan; hij is partijdig reeds daarom, omdat hij voor eene bepaalde partij optreedt. Is hij daarom verpligt of zelfs gerechtigd een deftig stilzwijgen te bewaren?Ook na de verklaring van den heer Duymaer v. Twist, blijven wij dus volharden bij ons vroeger ontwikkeld gevoelen, dat de aangeklaagden het stilzwijgen, dathunneeer en het geluk van Nederland in de waagschaal stelt, behooren af te breken. Zij kunnen er niets bij verliezen, en (zoo zij ten minste—wat wij nog altijd hopen—onschuldig zijn) alles bij winnen. Hoe langer zij dat uitstellen, hoe meer het vertrouwen van hen, die het slechte liefst niet geloovende, hen voor onschuldig houden, zal geschokt worden, en bleven zij zwijgen tot het einde toe, dan zouden wij vreezen, dat ook hier weder de openbare meening (waaraan hun toch zeker wel iets zou gelegen liggen) vonnissen zoude, volgens den ouden regel:ZWIJGEN IS TOESTEMMEN!42Laathen dat resultaat voorkomen, terwijl het nog tijd is! Laat hen vooral den eisch der eeuw niet vergeten! Onze 19deeeuw heeft nu eenmaal geen behagen in de duisternis; zij begint met om licht tevragen; wordt het geweigerd, daneischtzij het en weet het te verschaffen.Eindelijk nog iets over de redevoering van den heer Myer. Het doel van dezen spreker was, gelijk hij zeide,nietom de aangeklaagden te verdedigen (’t geen hij en teregt, aan hen zelven overliet). Van dit programma week hij niet af, toen hij een feit mededeelde, waaruit blijken moest en ook werkelijk blijkt, dat ersomsin Oost-Indië regt wordt gedaan en het onregt gestraft. Want dit feit, hoe waar ook, verzwakt in geenen deele de aanklagt van Multatuli. Dat erSOMSregt geschiedt, is nog geen reden om over het voorkomende onregt heen te stappen. Op dit gebied wordt geen compensatie toegestaan. In de18deeeuw zijn er in Frankrijk misschien duizende rechtvaardige vonnissen geveld; toch zal dit de verontwaardiging over den gerechtelijken moord van Jean Calas niet verminderen? Zoo het bleek, dat Multatuli’s klacht gegrond was, dan zou alleen de mogelijkheid, dat er zulke schreeuwendeonregtvaardighedenkunnengebeuren, (’t zij dan stelselmatig of niet) reeds eene onverwijlde hervorming in het O.-Indisch bestuur noodzakelijk maken. En als de heer Myer, toegevende dat er in Oost-Indiën misbruiken bestaan, beweert, dat die in alle Oostersche Staten worden aangetroffen, dan antwoorden wij dat het dan hoog tijd is, om eens te beproeven of er ook een Oostersch volkzonderonregt kan geregeerd worden, en dat in elk geval Nederland geen deel wil hebben aan schatten ten koste van het regt verkregen.Maar wèl week de heer Myer van zijn programma af, toen hij deze woorden uitsprak: »ik kan begrijpen dat een werk in eenen zoo schoonen, wegslependen stijl en met zooveel talent geschreven,op vele onkundigen en ligtgeloovigen, of bij dezulken die gaarne aannemen wat ten nadeele van het bestuur in N.-Indië gezegd wordt, een ongunstigen indruk heeft gemaakt.” Dit is eeneSeitenhiebop «Max Havelaar» dien wij betreuren, want de schrijver—al dwaalt hij welligt ook in zijne voorstellingen—behoort toch ongetwijfeld tot die weinige mannen, die aan het algemeen belang boven het eigenbelang de voorkeur gevende, voor eenein hunne oogengoede zaak, hunne carrière hebben opgeofferd en den haat der grooten hebben getrotseerd. Het is ook een aanval op ons, en op allen die met ons uit den«Max Havelaar» stof tot ongerustheid hebben geput; wij ongerusten moeten volgens die voorstelling òfdomòfslechtzijn. Wij achten ons niet verplicht de insinuatie te weerleggen.Integendeel, wij nemen ze aan. Wij zullen doen als de Geuzen en den scheldnaam aangrijpen! Welaan dan! Wij behooren tot die turbe van onkundigen en ligtgeloovigen! Wij zijn verleid, verblind!... Maar geeft ons dan tegengift, gij, oud-ambtenaren, die dat tegengift bewaart! Of zult gij onmenschelijk genoeg zijn spottende uit te roepen: zij zijn vergiftigd en ons dan het tegengift weigeren? Wijzijndom, onkundig, lichtgeloovig, al wat gij maar wilt? Zult gij dan nog voortgaan ons uw licht te onthouden?...Misschien hecht men weinig aan ons oordeel, en blijft ons vernieuwd verzoek om licht, nog door geen ander dagblad ondersteund, zonder uitwerking. Bedenke men dan, dat het altijd onvoorzichtig is een vonk te verachten, omdat hij slechts vonk is, vergetende, dat hij een vlam kan worden!»43Helaas, helaas, niemand antwoordt! Als ik eens aan den Koning schreef? Dit dééd ik ... tweemalen reeds! Hy heeft niet geantwoord. EnMultatulizond hem z’n boek over de veilingen! Zou de Koning ’t gelezen hebben? Zeker!Dan immers had hy gezegd:IK WIL WETEN OF DIT ALLES WAAR IS!Ja, dan zou hy me geroepen hebben, en ik had hem getoond:DAT ALLES WAAR IS!Ik ben bedroefd dat ik u niets kan zenden,Tine! Tracht nog wat uit te houden ... misschien antwoordt de minister. Leidt de kinderen wat af, als ze vragen ... o god!Ik ben moe.VAN TINE AAN FANCY.Fancy... ik smeek u ... kom hem te-hulp! ...AAN TINE.Ik heb u in lang niet geschreven, omdat ik ... omdat ik ... ik weet het niet. Ik geloof dat ik niet wèl ben. ’t Zal wel overgaan. Houd u maar goed, myn kind. Vraag aan dien man van ’t huis waarinMultatulidat boek schreef. Hy zal u wel wat eten geven voor de kinderen,..VAN TINE AAN FANCY.Fancy!VAN TINE.BesteMax! Wees maar opgeruimd,alles gaat heel goed. De kinderen zyn volmaakt wèl, àl te vrolyk eigenlyk, al te dartel! Zy zien wat bleek ... maar dat komt van ’t wisselen. Zy eten als wolven. Wees gerust, Max. Ook ik ben wèl, héél wel, en goed gestemd ... we wandelen veel ... o, ge moest het zien ... zoo levenslustig!VAN TINE AAN FANCY.Fancy... om-godswil ...Fancy!AAN TINE.Zóó! Dán is ’t goed. Ik dacht dat ge in grooten nood waart. Dit is zoo niet, zegt ge, dan is alles goed! Wat my betreft, ik word nog geplaagd door dien droom over leegte ... zonderling! Ik drink te veel koffi misschien. Nog gedurig kryg ik zotte brieven...Ik heb ’n bezoek gehad van dien domine. Hy heeft een paar uur by me gezeten. Hy wilde dat ik zyn geloof aannam. ’t Was zoo jammer, zeid-i dat ik geen Christen was, overigens was ikzoo’n goed mensch. Dan is ’t veranderen de moeite niet waard, dacht ik. Maar ’n paar dagen later schreef hy, dat-i zooveel kwaads van me gehoord had, en dat ik verdoemd was. In-godsnaam.Ik kan u niets zenden, lieveTine! ’t Doet me innig genoegen dat uw brief zoo vrolyk is, en dat de kinderen wèl zyn. Dat beurt me wat op. Ik was ’n beetje moe. Maar ik wilde toch dat ik u wat zenden kon, want me dunkt ... hoe maakt ge ’t toch?Ik wou zoo graag dat ik ’n ambacht verstond ... maar’tmoest iets wezen, waarby weinig of niets te denken viel. ’t Denken wilde ik graag voor óns houden. Vindt ge ook niet? Ik zou wel boekbinder willen wezen ... neen, tòch niet, dat is te verleidelyk. Maar steenzagen zou wel gaan, als ik daartoe sterk genoeg was. Ik vrees neen, want ik ben wat uitgeput. We zouden van zoo’n ambacht wel kunnen leven, dunkt me, als we maar geen schulden hadden. Maar ze zouden my de zaag afnemen ... neen, de wet waarborgt ieder het bezit van de gereedschappen, die noodig zyn voor z’n bedryf. Ook van dekleêrtjesdie de kinderenaanhebben... om de decentie, denk ik. Dat is toch lief van de wet.Maar allietmen my de zaag, ik kan daarmee niet genoeg verdienen om onze schulden te betalen. En als ik klaag, antwoorden ze:schryf!O, aanUschryven,.. dit is wat anders! Wilt ge dat ik wat schryf aanU? Wilt ge dat ikUiets vertel ... sprookjes, geschiedenissen ... heel graag,Tine! Ik zal gauw wat voor u maken, maar vertel ze niet aan kleinenMax. Hy begrypt ze niet ... evenmin als groote menschen, al heeft hy dan by ’tnietbegrypen geen belang.Eerste Sprookje.Een netgekleed heer, goudgekettingd en tevreden, wandelde langs een der grachten vanAmsterdam. Hy was in de stad voor “zaken”. Straks zult ge zien, wèlke zaken. Daar wandelde voor hem uit, een dame met haar kind. Door ik weet niet welk toeval, viel het kind in ’t water. De moeder gaf een gil ... en sprong het kind na, dat zy redde.De man van zaken zag het aan, haalde z’n zakboek uit, en maakte zich gereed daarin iets opteschryven.—Mevrouw, mag ik zoo vry zyn, uw naam en adres te vragen?—Myn kind, myn kind, ik heb m’n kind terug!—Zeer wel, maar mag ik zoo vry wezen...—Ik heb m’n kind terug, herhaalde de hoofdige moeder, die niet begreep dat men haar vragen kon naar iets anders dan haar kind.—Met die vrouw is niets te beginnen, bromde de nieuwsgierige vrager. Eilieve, vriendje, ik zal u ruim beloonen, als ge my morgen den naam en ’t adres opgeeft van die dame.Zóó vraagde de vreemdeling aan een der omstanders, en ’t schynt dat hy ditmaal te weten kwam wat hy begeerde te weten. Althans hy liet zich den volgenden dag aandienen by de gelukkige moeder.—Mevrouw, ik had de eer tegenwoordig te zyn...—O, waart ge dáár, mynheer? Hebt gy ’t gezien? Ik zag niets, ik hoorde niets, ik sprong...—Verschoon my, mevrouw, ik heb gehoord...—Gehoord?—Ja, mevrouw, Ik heb gehoord hoe ge...—Gehoord?Wàt toch?—Ik heb gehoord hoe gygegildheb, mevrouw ... ik kom u ’n engagement aanbieden by ’t theater.Arme moeder!Die man was ’nimpressariodie sujetten zocht. Hy heettePubliek.Tweede Sprookje.Chresoswoonde inBeotie. Van beroep was hy burgemeester van ’n dorpje welks naam ik niet weet. Ook kan ik u niet zeggen hoe hy verdwaald raakte inBeotie, daar z’n familie thuis hoorde in Athene ... ja, ik meende zelfs dat hy verwant was aanAlcibiades, een te vroeg geboren Franschman.Chresoswas ’n goed mensch, en leefde tevreden. Hy zorgde voor z’n dorpje zoo goed hy kon, en vermaakte zich in ledige oogenblikken met spelen op de luit. Maar dit deed hy alleen in huis, en nooit viel hy iemand lastig met z’n muziek.En zie, daar kwamen roovers die geweld-deden aan de bewoners van ’t dorpje, waarChresosgezag had. Hy legde z’n luit neer, en trachtte de roovers te verjagen. Men zeide hem, dat hy dit niet had moeten doen, omdat de roovers onder de bescherming stonden van den magistraat in de hoofdstad.MaarChresosgeloofde dit niet, omdat hy ’t àl te erg vond.Hy ging voort met het bestryden der roovers, en daar zy overmacht hadden, zond hy ’n bode naarThebeom hulp te vragen.In-stee van de gevraagde hulp te zenden, antwoordde men hem dat hy ’n onwaardig burgemeester was, en volstrekt niet geschikt om ’n ambt te bekleeden inBeotie. Dit laatste sprak hy niet tegen. Maar na z’n dorpelingen te hebben vermaand totgeduld, begaf hy zich met vrouw en kinderen op weg, niets meenemende dan z’n luit. Z’n huis werd ingenomen door ’n ander burgemeester, die zeker minder onwaardig was in de oogen van denThebaanschenmagistraat, en ook zeer bevriend scheen met de roovers die de dommeChresoshad willen uitroeien. Althans men hoorde niet meer klagen over de roovery, schoon de roovers in ’t land bleven.Met moeite verschafteChresoszich toegang tot denAreopagus, en verhaalde wat geschied was. Hy wees op z’n gezin, dat omkwam van ellende door ’tmisverstandvan den magistraat. Nog altyd hield hy de zaak voor misverstand. Ik heb u reeds gezegd dat hy eigenlyk niet thuishoorde inBeotie. Daarom oordeelde hy zoo verkeerd.Maar deAreopagusantwoordde niet.Chresosvermaande z’n vrouw tot geduld—wat niet noodig was—en troostte zich met spelen op de luit, dat ’n behoefte voor hem scheen.De tonen die hy aansloeg, waren in harmonie met z’n gewaarwordingen. Eigenlyk was hy geen groot muzikant, maar er is wat byzonders in ’t luitspel van ’n vader die z’n kinderen ziet derven. Dáárom en niet omdatChresosgoed speelde, luisterde men naar hem. Er was iets snydends in z’n spel, dat grove ooren kittelde. En er waren veel grove ooren inBeotie.Als men zeide: “fraai gespeeldChresos, ga voort!” dan viel z’n hand slap neder, en er blonk hem ’n traan in ’t oog, by de gedachte dat die onbegeerde lof de prys was van den honger zyner kinderen. Liever had hy nog slechter gespeeld, of in ’t geheel, niet, dan zóó! En hy vergeleek z’n ziel by de snaren zyner luit, die gespannen moesten zyn om klank te geven ... ja, gerekt op ’t breken af vóór de hoorders tevreden waren. “Zouden die snaren daarvan gevoel hebben als ik?” dacht hy.Maar toch speelde hy van-tyd tot-tyd, omdat hy niet anders kòn. En z’n gezin hongerde met geduld.Telkens weder beriep hy zich op denAreopagus. Eindelyk ontving hy het volgende vonnis:DeAreopagus, enz.“Gehoord de klachten van den oud-burgemeesterChresosover de rooveryen in ’t dorp ... enz.“Gehoord zyn verzoek om uitspraak te doen, tusschen hem en denThebaanschenmagistraat ... enz.“Gelet op de verklaring van gezegdenChresos, dat hy en de zynen verkeeren in zeer dringenden nood, ten-gevolge van een misverstand, dat dien magistraat zou hebben bewogen party te trekken voor de roovers die ’t dorp afloopen, waar gezegdeChresosvroeger burgemeester was.“Gelet op de verklaring van vele getuigen, die gezegdenChresoshebben hooren spelen op de luit.“Recht doende, enz.“Veroordeelt meergenoemdenChresostot de luit, en de kosten van ’t proces.”DieAreopaguswas omgekocht, en heetteNederland.Derde Sprookje.Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist,Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Werpt beitel neer en spade, o burgerluî,En roept uw dochters en uw knapen van hun spel.En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag!Werpt hamer, troffel, schaaf en weefspoel neer!Komt allen mee ... daar is wat fraais te zien!Komt allen mee ...hoerahvoorGolgotha!Hoerah,hoerahvoorGolgotha!—Dat zal, by God, wat schoons zyn deze keer!Hij schynt nog jong, en heeft iets in z’n blikDat taaiheid aanduidt ... zie, daar zygt hy neer:Hy schynt toch zwak te wezen! ’t Kruis is zwaar...Ik hoor: het is van ’t allerbeste hout! Men zegt,(MaarNathan, of het waar is weet ik niet!)Ze zeggen dat hyzelf het heeft geleverd,Toen hy als timmerman nog aan de schaafbank stond...Want, buurman, vóór hy, ’k weet niet wàt, misdeed,Ja, òf hy iets misdeed zelfsNathan, weet ik niet...Maar vóór hy deed wat men hem euvel nam,Was hy een timmerman als wy.—Hoe heet die man?—Dit weet ik waarlijk niet, men zegt hy ishanootzri...44Of wel, zijn vader was hanootzri. Hy lykt zwakVoor zulk ’n ambacht, maar z’n werk was goed...Hy struikelt weer ... (Op-zy wat,Jöchaz!Ei, laat my ook wat zien ... ge dringt me weg,Of ’t heele schouwspel waar voor u alleen! Hy zweet:Ik zeide u wel dat hy niet sterk was,Nathan.Maar toch geloof ik dat hy taai is, en ons nietBedriegen zal, als laatst die and’re diefDie pas ’n half uur had gehangen, toen z’n hoofdOp-zy knikte ... en ’t wasuit! Hy sprak geen enkel woordDat ons beloonde voor de moeite. Waart ge er by?(Houd kleineMirjamwat omhoog,Jochébed!)Zeg waart ge er by, oNathan ben Daöud,Toen ons die dief bestal voor zooveel moeite om-niet?—Ik had dien dag een splinter in myn voet,En dus geen lust inuitgaanof vermaak,Maar ’k heb gehoord ...—Ikwas er by, vriendNathan!Ik droeg m’n opperkleed van groene zyde,En had m’n tulband op vankashmirstofOmdat die koel is ... zie, hy struikelt weer,Maar staat weer op. Wat zeide ik ook het laatst?—De dief die u bedroog ...—Ik weet al. Nu dien dagWas ’t warm als heden ... neen, zoo warm was ’t niet:Want ... vindt ge ’t niet ontzettend heet van daagDe zon brandt me op den schedel. ’t Rouwt my welDat ik m’n tulband niet verruild heb voor mynKashmir,Die licht vankleuren koeler is ... dat doet de haast:Ik gunde my geen tijd—daar valt-i weer—Ik heb er spyt van ...Golgothais vèr!Zoo’n donk’re zuigt de warmte broeiend in,En dáárom heb ik spyt datGolgothazoo vèr is...Wat zeide ik ook het laatst?—Die slechte dief..—Ik bèn er! Uren liep ik mee, en hygde als nu...(Vervloekte hitte ... dringt zoo niet,Jöchaz!)Ik was vermoeid vóór halfweg ... en de dief(Let wel hoe schand’lijk die man ons bedroog)Liep met z’n kruis, als waar ’t ’n palmtak, voort!Hy zweette niet, en is niet eens gestruikeld ...Maar toen-ihing, was ’t daad’lijk met hemuit!Endeze—zie, hy struikelt weer—endezeIs niet zoo zwaar van bouw, zoo forsch van leest...Hy schynt wel teer van spieren ... doch zyn blikToont dat-i veel geleden heeft en droeg.Maar dat-ilangentyd nog lydenkàn!’k Ben zeker dat hysprekenzal aan ’t kruis,En dit is juist het aardigst van de zaak!De kinderen gaan, om dát te hooren, mee...Die andere dief was dood, vóór nog m’n vrouw,Die trager liep—omdat ze zwanger was, dien tyd,VanMirjam—(houd het schaapje omhoog,Jochébed!)Die dief was doód, vóór zy daar aankwam,Nathan!En ieder zeide dat het schande was!(GeefMirjammy,Jochébed! Hier m’n kind,Hu ... huup ... op vaders schouder! Kunje zien?Sla ’t kleine handje zóó ... om vaders hals,En houdje vast!) Wat zeide ik ook het laatst?—Die and’re dief ...—Ik weet al! Heel de buurtWas op de been gekomen, om dien man te zien.Daar waren met ons,Ruben,Ephraïm,Baënamet de kind’ren,Hiddal ben Elia,De dochters vanUrias,Schmoelde wisselaar ...(Ik zie hem juist, hy werpt den man met drek)Hy is ’t, die laatst verjaagd werd uit den tempel,Omdat hy schacherde inJehovah’shuis...—Wie jaagde ’m weg?—Ze zeggen zekereIscha...Jeshoeah, zoon vanJoszof, uit ’n grootGeslacht, die met ’n zweep hem voortjoeg als ’n hond,En ’t goud- en zilverkraampje omver smeet, dat de muntLinks, rechts wegspringend, neertikte op den grondEn rollend wegstoof onder ’t volk ...—Wie gaf hem rechtTot zulk ’n groot gezag?—Dit weet ik,Nathan, niet,Maar ’t is niet goed te schachren inJehovah’shuis!MynEphraïm... maar,Nathan ben Daöud,Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoop...(Daar werpt weerSchmoelden kruisman met z’n drek)Wat zeide ik ook het laatst?—Ge spraakt vanEphraïm,En van de wiss’laars in den tempel...—Juist!Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoopDat ge my niet verraden zult! M’n zoonDie ’t aanzag, wyl hy juist ’n handel sloot,Heeft, ylings bukkend, als om hulp te biênIn ’t zoeken—maar verklap me niet,ben Daud!—Hy heeft met scherp gezicht en vlugge hand..,In ’t kort, z’n handel was gezegend op dien dag:Hy kwam met dertig zilverlingen t’huis!Geloof me,Nathan, dieben Joszofhad gelyk ...’t Is ongeoorloofd dusJehovah’stempelTe ontwyden met ’n goud- en zilverkraam:jeshoeäh ben Joszofhad groot gelyk!’t Is dáárom ook datEphraïm, m’n zoon,Hem altyd zoekt en naloopt ... of hy weerTer zuivring uitgaat van Gods tempel, met ’n zweep,Maar sinds een week heeft hy hem niet gezien ...(Daar werpt dieSchmoelden kruisman weer met drek)—Die and’re dief ...—Ja, juist! Wy allen gingen mee, de heele buurt ...En toen-ihing, was ’t daadlyk uit,ben Daud!Och kleine, druk zoo zwaar niet aan m’n hals!)’t Is warm—hy struikelt weer—hy schynt vermoeid ...Ik zeg u, dit beteekent niets, vriendNathanGe weet, hoe ’t hout datmaklykbuigt, niet breekt,En hoe het harde knakt, by ’t minste buigen:Zóó ook die man ... ik zeg u, hy is taai!—Eilieve, zie ... die vrouw!... Zou dat z’nvrouwzyn?De vrouw die schreiend volgt, en neergebukt,Als-of zyzelve ’t kruis droeg op haar schouder!Zy steekt de magre hand gedurig uit,Als wilde zy den kruisman schragen ... Is ’t zynvrouw?—Dit weet ik waarlyk niet ... ze schynt my te oud.En bovendien ... ik zie geenkindren! Neen,Dat is gewis z’nmoeder... zie, ze waggelt!Ik heb zoo vaak zoo’n kruisweg meegemaakt,(De kind’ren zyn er dol op, de arme schapen!En altyd opgemerkt, dat wie ’nvrouwheeftEnkind’ren, die naar ’t kruis hem weenend volgen,(Wees rustig,Mirjam: vader is vermoeid!)Zoo taai niet is alsdeze,Nathan ben Daöud!Ik zeg u nog-eens: deze man istaai:Eenvaderzou zoo taai niet wezen,Nathan!Hy is wat moe van ’tgaan, maar als-ihangt,Is dit terstond voorby! VriendNathan, help me ’t kindEens overzetten, op dien andren schouder ... zóó!Het drukt zoo op-den-duur, al schynt het licht in ’t eerst!(Zit stil, m’n kind!) Ja,dezeis wat vermoeid,Misschien wat zwak ook door het bloedverlies,(Schuif niet zoo heen-en-weer, m’n kind: dat doet me pyn!)Men zegt dat-i gegeeseld is ... Ziet ge zynrug?Tracht heentekyken over ’t volk, vriendNathan!—Ik hebJöchazvoor my ...—Kuntgy’t zien,Jöchaz?—Ik zie alleen den top en d’ arm van ’t kruisDat slingrend voortschuift als-i waggelt, maar verdwyntZoodra hy neerzwikt ... zie, daar valt het weer,En ryst nu langzaam weer omhoog!—Dat zie ikzelfZoo goed als gy dat ziet,Jöchaz! Maar ik wenschTe weten of z’n rug ... zoo’n kind is vreeselyk zwaar!Wees niet zoo woelig, kleine: uw vader is vermoeid ...Kuntgyz’n rug zien, kind, zyn naakten rug?Den rug des mans, die ginds dat kruis draagt, kind,En die doorSchmoelgeworpen wordt met drek?Ik houd u hoog ... zie goed ... maar zie wat snel,Omdat ik moe ben, Mirjam! Nu?—Die rug is rood ...Ge hoort het,ben Daöud... dàt maakt hem zwak!Men heeft hem eerst gegeeseld, dat maakt zwàk!Maar ’t gaat wel òver, als-i hangt. Hij zalGewis zoo gauw niet knikken met het hoofd ...(Zit stil, myn kind, ge drukt me ontzettend zwaar!)Ik zeg u,Nathan, deze man is taai!’t Is jammer dat ik niet mynKashmirheb ...(Zit rustig kind, of vader zet u neer:Ik ben vermoed!) En ieder zei,ben Daöud:Het was ’n schande ... dáádlyk was hetuit!Maardezezal zoo gauw niet sterven aan het kruis,Hy zal gewis watsprekenvoor-i knikt!Dat praten dan de kindren jub’lend na,En maken grappig spel van wat-i zeide,En spelen kruisman, weken naderhand!Dit beurt wat op, in dezen slechten tyd!Maar als-i zwygt aan ’t kruis, is ’t niet de moeite waardZoo vèr te gaan—het is zoo vreeslyk heet,Als ’t weer gebeurt, zet ik m’nKashmirop!—Ik zeg u dat-i taai is,ben Daöud!Hy valt weer ... dit is niets! Wacht tot-i hangt,(Zit stil,Mirjam!) dan zult ge zien en hooren ...Neem ’t kind terug,Jochébed: ik ben moe ...Maar houd het schaapje omhoog ...Komt mee, komt mee, daar is wat schoons te zien!Komt allen mee ... daar wordt ’n man gekruist!Wat hy misdeed? ’k Weet niet wat hy misdeet ...Er zyn er zelfs die zeggen dat-i wèl deed ...Maar dit ’s om ’t even! Werpt uw grootboek neer,Vergeet uw koffi en uw suiker, burgerlui ...Uw beurs, uw oefning, en uw monsters van tabak,Uw winkel van gestolen kruinierswaren,Uw Evangelie en uw batig saldo!Laat liggen voor ’n wyl uw handel en moraal,Theologie ... moderne, antieke ... ’t heele zoodje!Neem uit de kast uw deftigst opperkleed,Bedast uw hals met allerwitst batist,En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag,En roept uw knapen en uw dochters van hun spel ...Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist!Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Ik zeg u dat-i taai is, die daar gaat ...Hy zal zoo gauw niet knikken met zyn hoofd ...Hy zal, by God, aan ’t kruis niet zwygend sterven!En voor uw kinderen zal ’t de moeite waard zynTe hooren—en het nàtepraten—wat-i zegt!Beloof hun vry een vroolijk kruismansspel,Dat beurt wat óp in deze slechte tyden!Ik zeg u dat-i taai is, deze man,Dat hy u niet bedriegen zal, als laatstDie andre dief, die daadlyk knikte met het hoofd,En toen was ’tuit! Maar deze man is taai,Al schynt hy zwak van bouw. Het is hem aantezienDat hy veel droeg, maar kracht heeft méér te dragen,Dat hy veel leed, maarlangnog lyden kàn!Hij spreekt reeds ... luister: “Eli Sabactani!”Hy roeptElias... kindren, bauwt hem na,En sart hem, dat hy nòg wat zegge aan ’t kruis,En krabt met lange nagels in z’n wonden ...Of beter, werpt hem—als vriendSchmoel—met drek:Licht slikt hy walging minder goed dan pyn!Hu ... huup ... omhoog uw kindren! Dat ze ’t zien.En dat ze ’t hooren, hoe de kruisman spreekt,Om stof te garen voor hun kruismansspel ...Komt allen mee!HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!Komt mee, komt mee, daar wordt een man gekruist:RoeptRubenhier, enNathan ben Daöud...Klaas Jakob,Nafthali,Albertus!Eliézer...De dames en de heeren uit de buurt,Verwanten, neven, nichten, broeders, en de rest,Behouders, Liberalen, mannen van de beurs,En van de balie of den kansel! KontraktantenEn Vry-arbeiders, oppozitie en ministers,De leden van de Tweede-Kamer in den Haag,En wie er rusten kan, na slecht regeeren,En wie geen tyd had om z’n plicht te doen,Maar licht nu tyd heeft voor ’n grappig schouwspel,RoeptMozes,Issascharen ’t heeleWillemspark,Piet,Paul,Ezéchiel... roept al wat naam heeft,Roept wat gedoopt is, of besneden, mee!Roept al wat juicht: “ik dank u voor myn braafheid!”Roept al wat kermt: “wees my genadig, Heer!”Roept wat verdoemd is, en wat deel heeft aan genade,Wat loopen, zien en hooren kan (al is ’t wat heet!)Jezuiten—protestantsche en katholieke—Van de orde of niet van de orde, Vrye-metselaren,Die over ’tgoede, schoone woordenspreekt,Maar u onthoudt vanstrydentegen ’t kwaad!Gy die ukind’ren noemt der weduw, maar uw handNiet uitstrekt om het kruis te dragen van haar zoon!Roep al wat bidt of schachert in den tempel,Al wat er wacht opNabi Issah’szweep!Al wat met scherpen blik en vlugge handenHem nasluipt—of soms te grissen vielVan ’t geld, dat rollend wegstuift onder ’t volk—En later meepraat over stelsels en principes!Roept al wat vet werd van gestolen spys,Al wat er pocht op linzen-eerstgeboorte,Al wat ’n gouden kalf in ’t wapen draagt,Al wat er knaagt aanInsulindscheknoken,Al wat er zuigt aan deInsulindschekoe,Al wat er hangt aan d’afgestroopten tepel,Al wat er zwelt van ’t afgezogen bloed!Komt allen mee ...Jochébedmet de kleine ...(En houdt vooral het schaapje omhoog,Jochébed!)RoeptJanszoon,Pieterszoon,ben Levi,ben Daöud...Ben...dìt,BEN...dàt,BEN...ieder!Roept ookSchmoel...Ja,Schmoelvooral, enJudas Judaszoon!Komt allen mee, komt mee naarGolgotha!Bij God ... daar is vandaag wat schoons te zien!Komt allen mee, daar wordt ’n man gekruist!Komt mee, komt mee ...HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!Ik ben wat moe, myn besteTine.VAN TINE AAN FANCY.Fancy... om-godswil ...Fancy!AAN TINE.LieveTine! Dat ik u in-lang niet schreef, was omdat ik u niets kon zenden. Ik ben niet wèl, en heb ’n vreemd gevoel van leegte, alsof ik me iets herinnerde, maar vatten kan ik ’t niet! Kuntgyme helpen? Ook heb ik pyn in ’t hart. Zou ’t ’n anevrisme wezen? Neen, dit kan niet. Zoo’n kwaal heeft ieder tegenwoordig, en ik zal toch geen ziekte krygen als ’n ander.Die minister antwoordt niet. Ze kunnen my niet gebruiken, denk ik. ’t Schynt dat men prokureur of griffier moet geweest zyn. Ik zal nog drie dagen wachten op dat antwoord van den minister, en dan ... ja dan weet ik waarlyk niet wat ik doen moet! Ik weet niets, begryp niets! Wat is er toch met ons gebeurd, dat we zoo in moeielykheid verkeeren? Hoor eens, lieve ... als ge volstrekt geen raad meer weet, tracht dan naarden Haagte komen ... al is ’t te-voet en bedelend. Ieder zal u zeker wat geven, als ge zegt dat het is om dáár te sterven met de kinderen. Ik ben er op gesteld dat we dáár sterven. MaarSAMEN, lieve Tine! Ik heb volstrekt geen moed meer om televen, ente handelen. Moed om teondergaanen testervenwèl. Ik ben moe! Kunt ge ’t nog drie dagen uithouden?Nog geen antwoord van den minister ...VAN TINE AAN FANCY.Fancy!!AAN TINE.O god, wat is dat vreemd ... ik droom altyd dien droom. Daar dwaalt my iets voor ’t oog ... een meisje, een schim, ’n spook ... Ik reikhals vruchteloos ... ze ontwykt me, en zweeft omhoog ... en lost zich op inniets! M’n hart is leeg, o god!Ik ben vermoeid.VAN TINE AAN FANCY.

Schryven is afdruk nemen van de ziel.Als Publiek ziel heeft, laat hemzelf schryven.Heeft hy geen ziel, dan begrypt hy ook myngeschryfniet ... punctum!Maar er bestaat nog ’n reden die my de bibliotheek van m’n vriend doet schuwen als de pest. Ik ben inderdaad hoogmoedig en verwaand, en—ik verzeker u dit ernstig—het hoofdingrediënt van schryven of spreken is verwaandheid. Welnu, als ik veel boeken om my heen zie, laat ik my verlokken daarin het oog te slaan. Ik lees voort, vind gedurig iets dat ik niet wist ...word, vruchteloos tegenstrevend, overtuigd van onkunde, en weg is de verwaandheid die ik noodig heb om te schryven! Neem dit niet op als een sarkasme, als ironie, als scherts, als voorgewende nederigheid. Ik geef ’t u alseenvoudig waar, en ik ben zoo vry de menschen die voorwenden ’n anderen indruk te ondergaan, voor verwaander te houden dan myzelf.Ik denk altyd, wanneer ik iemand als spreker of schryver zie optreden: zou die man—’t spreekt vanzelf dat het altyd ’nmanis—zou die man nu inderdaad gelooven dat hy wat te zeggen heeft? Maar nooit doe ik deze vraag overluid, omdat ieder boos wordt, als men informeert naar z’n hoogmoed. Wanneer de menschen konden gebracht worden tot de erkentenis hunner verwaandheid, ware er veel gewonnen, want dan zouden ook de andere fouten blootliggen. Maar dit schynt zwaar te vallen. Altyd zyn er gaten in den mantel vanDiogenes. Ge weet dat ik beter vind den heelen mantel aftewerpen,“die man is hoogmoedig” beduidt eigenlyk: “Die man neemt de moeite niet, z’n hoogmoed te verbergen als wy?” Dat is, nòg eens overgezet: “hy loopt in z’n hemdsmouwen!”Wel zeker ... als ’t warm is! Of als men iets te doen heeft, waarby ’t opperkleed hindert, zooals by my dikwyls voorkomt. Ik heb geen tyd om nederig te schynen.Dat wegstoppen van aandoeningen is my te lastig op-den-duur. Ik heb meely met de menschen die hun geheel leven door souffreeren aan de nooit erkende obstruktie van eigenwaan, ’t is om te bersten!Ook zou ik vreezen onoprecht te worden in geheel omgekeerden zin. Wie zegt me of ik niet door dat kunstmatig en nooit gelukkend wegwringen myner deugd, wat ondeugd zou verbergen met-een? Laat ons maar altyd zeggen wat we meenen wáár te zyn, en het opgeven voor beter, ’t Iseenvoudigalweer, zoo als ge ziet.Bovendien er steekt veel hoogmoed in dat geklaag over hoogmoed. ’t Isdépitover al de verloren moeite die men zich getroost om ’n doel te bereiken, dat zonder schade wordt verwaarloosd door ’n ander.Christusverbergde zyn hoogmoedniet. Hy verwaardigde zichniet, iets wegtestoppen. “Ik ben de weg, de waarheid en het leven, wie My gezien heeft, heeft den Vader gezien!” Als hy ditmeende, had hy gelyk het tezeggen. ’t Stond aan ’n ander, hem tegen te spreken, en des-verkiezende te betoogen, dat hy trekvaart, leugen en dood was. Maar wat ik minder schoon vind inJezusis dat hy niet met dezelfde rondheid zei wat er aan hem ontbrak. Ik erken echter dat er meer moed noodig is omgoedte spreken van zichzelf dankwaad, en daarChristushet eerstedurfde, zou hy ook moed gehad hebben tot het laatste ... als het te-onpas gekomen ware. Waarschynlyk dacht hy dat de Farizeeën ’t wel voor hem zouden doen, en hierin dacht hy juist. Dit is nòg zoo.Moedom hoogmoedig te wezen? Welzeker!—Wie durft die bres bestormen? roept de bevelhebber.—Ik! zegt ’nhoogmoedige, die zich schynt te houden voor den braafsten man van ’t regiment.Maar toen hy “Ik” riep, wist hy dat er zou geantwoord worden:—Ga dan, en bestorm de bres!En hygaat! Want ik weet niet van wie “Ik!” roepen ennietgaan. Dit zou gehuichelde hoogmoed wezen, en ik trek alleen party voor deware. Och,Tine, al deze dingen zyn heel eenvoudig. Ieder weet ze, maar wy denken er niet aan, omdat we te veel zyn opgevoed en begodsdienst. Om wys te worden, heeft men niet veel te leeren, er moet maar een-en-ander wordenafgeleerd. Het uitroeien van één vooroordeel is meer waard dan ’t bedenken van tien nieuwe stelsels.Voltaire—met wien ik lang niet in alles eens ben, dat weet ge—Voltaireis ’n prul in de oogen vanKantianen,Hegelianen,Spinozisten,CartezianenenLeibnitzers. Waarom? Omdat hy niets heeft gezegd wat niet ieder kan begrypen, en omdat hy geenstelselheeft saamgeknoeid ... wat hy toch met zyn vernuft heel goed hadkunnendoen. Hy toont aan:wat niet waar is, en dat willen de menschen niet, tenzy men hun iets anders in de plaats vertelle, dat evenmin waar hoeft te wezen. Men hongert naar leugen. Zoodra ik ’n slecht mensch word, ga ik aan ’t systeem-maken. Ik zie er best kans toe ... ze komen er goed af! Ik wacht ’n standbeeld, met een opschrift ... ja zoo:STA VICTOR.DIT VERBEELDTDE MANDIEBETER HAD KUNNEN LIEGENDAN IEDER ANDER, ALSHY GEWILDHAD.Maar,Tine, om dan konsekwent te zyn, moet men veel andere standbeelden omverhalen.Ik ben in ’n andere kamer gevlucht, waarboven slechts gemangeld wordt: g.....! Ik heb ’n kolonel van de marine gekend, die ’n premie uitloofde voor ’n nieuwen vloek! O, ik begryp dien kolonel! Daar kryg ik weer brieven ... lees zelf, en oordeel. Wat willen ze toch?Ieder biedt me allerlei dingen aan, die ik niet noodig heb, maar niemand schynt te willen deelnemen in den moeielyken stryd dien ik voer. ’t Is zonderling!VAN EEN MEISJE.Dierbare broeder inChristus!Ja, ge zyt my dierbaar, al sluit ge uw oor ................30VAN EEN ANDER MEISJE.31VAN EEN DOMINE.Broeder!Uit innig gevoel des harten voel ik me gedrongen, u te verzoeken, my toetestaan persoonlyk kennis met u te maken. Ik ben van plan, morgen, na de preek, terstond naar Amsterdam te gaan, en by u myn bef en broek te komen afleggen, om met u te spreken over ’t geloof. Ge zyt op ’n goeden weg. Ge zyt een te goed mensch: om niet te gelooven als ik. Lees maar na ...32VAN EEN ANDEREN DOMINE.33AAN TINE.Ik ben vermoeid, lieve! Wees niet boos dat ik zoo weinig schryf. Ik kan u niets zenden. Tracht maar voltehouden. ’t Zal niet altyd zoo blyven. Maar vermoeid ben ik, dat is waar.Verbeeld u ... ze hebben zich in het hoofd gezet dat ik ’nschryverben, en dat ik moet schryvenvoor den kost! Ze verwarren my met dienMultatuli.Schryven voor den kost!’t Doet me denken aanDon Juan, die zóó’n pleizier vond in het praten van dien armen Mr.Dimanche, dat hy verzuimde te antwoorden op diens verzoek om betaling van de rekening.Ik heb geenMolieremeer ... achTine... onzeboeken! Weet ge nog wel dat we eens boeken hadden, en ’n huis? En dat we menschen binnenriepen die ergeenhadden? ’t Is toch zonderling ...nog dikwyls vraag ik mezelf: hoe komt het toch dat we geen huis hebben? ’t Is heel dom ... ik lyk kleineMaxwel, met z’n gekke vragen. Ik heb moeite om niet afgunstig te zyn, als ik denk aan zoovelen die wonen kunnen. En meestal ... maar ik zal u liever wat vertellen vanDon Juan. ’t Is heel goed dat ik geenMolieremeer heb. Dan zou ik misschien naschryven, en dit verveelt me zoo.Don Juanis dik en vet als betaamt. MaarDimancheis mager.—M’n huisgezin is in nood, o edeleDon Juan! Ge weet wat ik voor u gedaan heb ...—Goed gesproken, lieveDimanche, ga zitten!—Ik dank u voor ’t zitten, heerJan... ik wenschte dat ge deze rekening ...—Uw rekening is verrukkelyk. Ga voort! Mag ik u ’n snuifjen aanbieden?—Ik dank u voor ’t snuiven.Don Juan... maar zie deze rekening, en ...—Weet ge wel dat ge een goede hand schryft, o universeeleDimanche! Ik benoem u tot myn secretaris ... dan kunt ge schryven voor my!—Ik dank u voor ’t schryven, heerRidder, doch m’n gezin lydt gebrek ... en om-uwentwil zouden wy ...—Gebrek?...Lyden...Gebreklyden?... O heerlyk schoon verbond van diep gevoelde klanken ... Ik zeg ... ik gloei ... ik wil ... ik weet zelf niet wat ik wil, maar ’t doet er niets toe ... de uitdrukking is prachtig! Doe my ’t genoegen, en zeg dat nog eens.—Wy lyden gebrek, o heer ..,—Goddelyk! Wat ’n leven ... wat ’n gloed ... wat ’n vuur! Ik verhef u tot m’n lyfdichter. Ga voort, welsprekendeDimanche!—Ik dank u voor ’t dichten, heerGrande... ik meende dat gy ... om godswil, bedenk dat wy sterven ... en bovendien, ik heb schulden ... ik kan niet betalen ... en nu zegt men datikoneerlyk ben ... terwylgy... bedenk heer,Ridder,Jan,Juan,Grande... hoe moet ik u aanspreken om verstaan te worden?Don Juan... o god ... wy sterven, en men zegt dat ik ...—Sterven?... verheven denkbeeld! Maar ’t is onjuist ... vriendDimanche! Ge laat u door geestdrift vervoeren tot onnauwkeurigheid.Sterven?Gymet uw talent van voordracht?Sterven?Gy?... met zoo’n schrift? Onmogelyk,Dimanche! Ziehier! IkDon Juan... ik schenk u ... neem aan!.. . wees niet beschaamd ... ik ben ’t schuldig ... ik schenk u,ex plenitudine potestatis... begrypt ge dat?—Ach neen ... maar m’n rekening ...—Ik schenk u deonsterfelykheid!Leporello, wilje m’nheer uitlaten?Ik weet niet of ’t precies zoo staat byMoliere, ook niet ofDimanchenog tyd heeft om te antwoorden: “ik dank u,Don Juan...Publiek, voor uw onsterfelykheid!” maar me dunkt, ik zie den sukkel zoo bedroefd weggaan, om aan vrouw en kinderen onsterfelykheid thuis te brengen, in plaats van ’t verwachte brood om niet te sterven!En dan vraag ik, of er ook in dien tyd rustende Gouverneurs-generaal waren, met ongestoorde levensdigestie en zwygende gewetens?Moliereschreef aardig, maar hy had te weinigdonnées. Hy was ’n kind van z’n tyd en z’n tyd was eenvoudig.Ikschryvenvoor den kost ... voor geld?OnzeNonniis nu pas vier jaar .., stel u eens voor, dat ze later ... voor geld ... o god!Houd u staande, lieveTine, zoo goed mogelyk! Heb ik u reeds geschreven dat ik een brief zond aan den minister? Hy is ’n welwillend mensch ... hy zal zeker antwoorden. Ik heb hem daarin niets gezegd van den nood waarin we verkeeren. Dit zou niet goed wezen, want dan zou hy ons helpen uit medelyden. Was ik nu maar aan den drank, dan waren we gered! Ja, dan kon ik beterschap beloven, en waarachtig—zóó zyn ministers en menschen—als men beterschap belooft, wordt men meestal geholpen.—Rechtvaardigheid is duurder dan vergiffenis, en als ze niet zoo’n leven maakten boven m’n hoofd, zou ik u uitleggen waarom.Maar de zaak is nu juist omgekeerd, en hierom vrees ik dat m’n schryven niet baten zal. Door myn bod aantenemen, zoude Regeering beterschap beloven... en deze belofte valt zwaar aan wien ’t niet meenen kan. Maar ik denk toch wel dat ik antwoord zal krygen ...Er is nu ’n nieuwe Gouverneur-generaal benoemd.34Hy wordt geprezen of gelaakt, al naar men behoort tot de party van behoud of van oppositie. Maar dit moet ge nu zoobegrypen, dat de behouders opponeeren voor ’t moment, en dat de oppositie nu behouden wil. Ik zou u dit kunnen uitleggen, maar ’t is beneden uw aandacht. Wacht tot ik m’n brief aan de kiezers afmaak. Als ge ’t dan goed begrypt, zyt ge niets wyzer. De hoofdzaak komt hierop neer, dat die nieuwe Landvoogd wel wat gelykt op den “laatst-aangekomene” in een kleinstad. Elkecliqueroept hem toe: “ge zult immers totonsbehooren? Laat u toch volstrekt niet in met al ’t canalje van die andere societeit! ’t Is hier goed lezen ... als ge maar niet omgaat met de A’s en de B’s en de C’s....Al die initialen, samengevoegd, maken ’n kompleet adresboek van de kleinstad.Eén ding echter heeft me byzonder getroffen. Van de weinigen die niet schynen te behooren tot ’n politieke party, en toch eenigszins achtslaan op de publieke zaak, verneem ik dat de “nieuwaangekomene” groote verdiensten heeft. Nu vraag ik hoe ’t komt, dat deze verdiensten niet voorlang reeds ten nutte van het algemeen zyn aangewend, daar de man toch niet meer jong is? Waarom heeft men tot-nog-toe geen—of maar zeer onbeduidende—betrekkingen opgedragen aan iemand van zóóveel kennis, zóóveel integriteit, zóóveel karakter, zóóveelgenie... had ik byna gezegd? Ziet ge, daarvan begryp ik weer niets. Wie heeft al die Amerika’s ontdekt? Hoe heeft de man het aangelegd, om al die gaven zoolang schuil te houden?Hy is geweest:Griffier der Staten van Gelderland. Is ’t niet jammer dat men iemand die thans geacht wordt op de hoogte te staan van ’tONDERKONINKSCHAP VAN INSULINDE, op de hoogte dus van deBELANGRYKSTE BETREKKING IN DEN STAAT... is ’t niet jammer, vraag ik, dat die man is gebruikt tot het maken van die processen-verbaal der zittingen van de Geldersche Staten? Dat mendienman heeft belast met het opschryven der redekavelingen van anderen? Daartoe wasikte goed, lang voor ik u kende. Die man moet byzonder nederig zyn.Wanneer hy op de hoogte staat zyner schoone roeping—en ik heb geen andere reden hieraan te twyfelen dan voornamelyk die nederigheid (zieGöthe,in voce: “bescheidenheid”) en voorts dealgemeenereden die ’t juisttreffen in deze zaak zoo moeielyk maakt—welnualshy op de hoogte van z’n taak is, dan hadden de Geldersche Staten, kollectief of individueel, zich zeer vereerd moeten achten, heel nauwkeurig en eerbiedig op-te-schryven, wathyzou gelieven te zeggen. Maar ... omgekeerd, is ’t ’n gruwel.En zie nu eens weer, hoe zonderling! Men zou toch geen koetspaard spannen voor ’n kar. Moet ik nu gelooven dat men beter weet omtegaan met paarden en karren, dan metmenscheninInsulinde? Zoo schynt het, waarachtig!Maar, zeggen ze, hy is niet alleengriffier geweest. Hy isconcessionaris geweestvan ’n spoorweg, die er nietgeweestis, en daarna werd hy ter schadeloosstelling benoemd tot president van den Raad van toezicht over spoorwegen, die er tot heden toe nietgeweestzyn.De slotsom is, dat hy eigenlykniets geweestis.Ei,Nederland, hebt ge groote mannen te veel, dat ge ze ongebruikt laat? Dit is niet huishoudelyk.Ach, ik herinner me dat ook de laatstvoorgaande Gouverneur-generaal,die zich nu bezighoudt met rusten, byzonder geprezen werd! Ik heb neiging tot sympathie voor dentegenwoordigen, al bleek het nooit.35Ja, ik wou u graag wat zenden, myn kind, maar hoe kom ik er aan? Schryven voor geld? Aan wien? Wat? Moet ik schryven aan menschen die niet lezen kunnen? Na ’t boek vanMultatuliheb ik eigenlyk niets te zeggen. Ik wacht antwoord, en ik dacht ...Ziehier wat deTielsche Courantschreef ... had ik geen recht op antwoord van de natie?IS NEDERLAND EEN ROOFSTAAT.»Vier maanden zijn reeds voorbijgegaan, sinds Multatuli, een oud-Oost-Indisch ambtenaar,—naar hij beweert, miskend, vervolgd en tot aftredinggedwongendoor zijne superieuren, in zijn »Max Havelaar of de koffiveilingen der Ned. Handelmaatschappij,» de gezaghebbers in onze Oost-Indische koloniën openlijk aanklaagde dat zij hun pligt verzaken, hun eed schenden, de stem der menschelijkheid en der godsdienst, van het geweten en de eer smoren,—dat zij de Javanen, wier bescherming hun is opgedragen, met lafhartigheid, maar vooral ook uiteigen belang, willens en wetens, ten prooi laten aan de knevelarijen en afpersingen hunner hoofden, dat zij hen stelselmatig laten vertrappen en uitzuigen inonzennaam, en gelijk het heet, totonsvoordeel—dat zij valsche rapporten uitbrengen om het moederland van dien ons onteerenden toestand onkundig te laten,—en dat zij den zeldzamen ambtenaar, die zich niet tot hun medeplichtige leenen, maar zijn eed gestand doen, en zijn plicht volbrengen wil, tegenwerken, verdacht maken, vervolgen, ontslaan.Ontzettende beschuldiging voorwaar! Zoo zij gegrond ware, zoo de schatten, die ons uit onze koloniën, toestroomen, slechts verkregen werden ten koste van het zweet en het bloed onzer Javaansche broeders, dan zouden wij met den schrijver moeten uitroepen, dat Nederland den naam van “roofstaat” verdient, dan zou ons eene wonde zijn ontdekt, waarvan de diepte bijna niet te peilen, de genezing niet genoeg te bespoedigen zou zijn!Maar is die beschuldiging gegrond?Als Nederlander, als mensch, valt het moeilijk het te gelooven. Doch aan den anderen kant (en wij beroepen ons hier op allen, die den »Max Havelaar» gelezen hebben) de schrijver heeft niets wat aan een lasteraar zou kunnen doen denken; hij slaat eentoon aan, die overreedtniet alleen, maar die ook overtuigt, die aan zijne waarheidsliefde bijna nietkandoen twijfelen; hij deeltfeitenmede, gelijk alleen een ooggetuige, en eenwaarheidzoekendooggetuige, ze mededeelen kan; hij verklaart alles te kunnenbewijzen, hij duidt de schuldigen als met den vinger aan36en tart hen uit, hem van eene enkele onwaarheid te overtuigen.Als wij dus de vraag herhalen: »is die beschuldiging gegrond?» dan moeten wij antwoorden: »wij durven noch bevestigen noch ontkennen.” Een zeer onbevredigend antwoord voorzeker! Want de zekerheid van het nietbestaan der kwaal zou ons gerust stellen; de zekerheid van haar bestaan zou de genezing mogelijk maken; de onzekerheid alleen doemt tot vrees en tot werkeloosheid.Waarom zwijgen zij, die de waarheid kennen? Waarom laten zij ons, vier lange maanden in de onzekerheid?Oud-Gouverneurs-Generaal,Oud-Residenten,Oud-Assistent-Residenten, gij allen die door Multatuli zijt beschuldigd, breekt het stilzwijgen af! Het vaderland verlangt het, uwe eer vordert het! Hoe? Multatuli werpt als in het voorbijgaan, zonder opzet en uit onbedachtzame jacht op geestigheid, een smet op de edele zendelingszaak, en dadelijk treedt voor haar een kampioen op, ridderlijk loyaal, met open vizier, om hem voldoening te vragen37engy, die hij, niet in ’t voorbijgaan, maar zonder ophouden, opzettelyk trof,gy, die hij kwetste op de plaats, waar mannen van eer het gevoeligst zijn, gij zoudt voortgaan met zwijgen, gij zoudt u als weêrloos laten slaan, als eerloos, laten beleedigen, gij zoudt de smet laten kleven op uwe namen? U is een handschoen toegeworpen, openlijk voor ’t oog der gansche natie, bij het klaar licht der eeuw der openbaarheid; raapt hem op! treedt in het strijdperk! Vier maanden38zijn voldoende geweest, om uwe wapenen in orde te brengen.—Gij zijt gedagvaard voor de regtbank der openbare meening, verschijnt voor de balie! Vier maanden zijn u voldoende geweest om uwe verdediging voor te bereiden. Zoo gij onschuldig zijt, stelt ons gerust! Zijt gij schuldig, bekent dan schuld en geeft ons gelegenheid het kwaad te herstellen door u bedreven inonzennaam!Tweede Kamer der Staten-Generaal!de handhaving van de eer der natie behoort tot uwe roeping. Als zij, die in ’t bezit zijn van de waarheid, voortgaan met hun majestueus stilzwijgen, interpelleer dan den verantwoordelijken man, die door zijn post tot spreken geroepen is. Vraag den Minister van Koloniën, of Neêrlands eer in de O. Indiën met voeten getreden wordt!Volk van Nederland.Eerlijk volk, christelijk volk! blijft niet onverschillig in deze zaak. Het zijnuwebroeders, die niet totuwvoordeel, maar totuweschande, zouden worden vertrapt en uitgezogen inuwennaam. Gij hebt regt om te weten of die aanklagt gegrond of valsch, of uwe eer bevlekt of zuiver is! Gij hebt regt om te eischen, dat er een einde kome aan die onzekerheid, waaringij wordt gelaten. Het is beter het ergste te hooren, dan niets. Het is geen schande krank te zijn, maar het is schandelijk, om, als men u toeroept:«Gij zijt ziek!» onverschillig te blijven, en zonder naar uw vermeende kwaal onderzoek te doen, in flaauwheid den tijd tot herstel geschikt te laten voorbijgaan. Als het zwijgen der O.-Indische ambtenaren mogt voortduren, als ook uwe Vertegenwoordigers onverschillig mogten blijven, herinnert u dan, dat gij geregeerd wordt door een Koning, die het licht lief heeft, en de duisternis haat.Ga vrijmoedig tot hem, en zeg aan den Keizer van Insulinde:«Sire, laat een onderzoek instellen! Geef ons licht! Als Multatuli een valsch aanklager is, laat ons dan weten, dat Nederlands eer onbezoedeld is gebleven,—zoo hij de waarheid heeft doen hooren, herstel hem dan in zijne eer39den edelen Max Havelaar, straf de schuldigen, en neem de misbruiken weg.»Dagbladpers van Nederland, ondersteun onze pogingen! Laat niet af, met gelijk wij te vragen omlicht, dat ons in plaats van de vraag: «Is Nederland een roofstaat?» den kreet zal kunnen doen uiten: «Nederland is Goddank geen roofstaat!» of wel: «Nederland wil met Gods hulp ophouden een roofstaat te zijn!»In die merkwaardige zitting der Tweede Kamer, waarin onze volksvertegenwoordigers zoo treffend hebben getoond hunne roeping te begrijpen, waarin zij openlijk hebben gebroken met dat misbruik, dat het antwoord op de Troonrede verlaagt tot een loutere echo van de woorden der Regering, is ook (al werd de naam zelf angstvallig vermeden) de «Max Havelaar» ter sprake gebragt, en heeft een der leden der Tweede Kamer,indat boek zwaar beschuldigd,overdat boek het woord gevoerd.40De aanleiding daartoe werd gegeven door de HH. van Hoëvell en Myer. Eerstgenoemde constateerde het door ons reeds aangewezen feit «DAT DOOR DAT BOEK EENE ZEKERE RILLING DOOR HET LAND GEGAAN EN GROOTE ONGERUSTHEID, JA, VERONTWAARDIGING IN VELER GEMOED ONTSTAAN WAS,» en zag in die, door de Tweede Kamer niet beaamde zinsnede der Regeeringsboodschap: «de toestand der overzeesche bezittingen is in alle opzigten bevredigend» een door den Minister van Koloniënte vergeefsaangewend middel om die ongerustheid en die verontwaardiging weg te nemen. Laatstgemelde (op wiens rede wij straks nog zullen terugkomen) constateerde ook het feit, dat er in dat werk sommige personen—en wel bij name een oud-landvoogd—zwaar worden beschuldigd.41Wat mogt men nu verwachten toen deze laatste, de heer Duymaer van Twist, het woord opnam? Dat hij zichthansvan de aanklagt zou zuiveren? Geenszins: zoo iets kon niet te pas komen bij eene discussie over het antwoord op de Troonrede. Doch men had althans mogen verwachten, dat spreker zich onthouden zou van die ons onbegrijpelijke verklaring, dat hij Multatuli nooit weerleggen zal—eene verklaring, die, schoon niet met ronde woorden uitgesproken, evenwelmoetworden afgeleid uit sprekers ondubbelzinnige woorden: «ik meen dat uit ’t geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen, voor mij geen verpligting tot verantwoording kan ontstaan.»Voor zooverre nu een voortdurend stilzwijgen alleen de eer van de beschuldigden in gevaar zou kunnen brengen, is hethunnezaak: wij zijn niet geroepen voor particuliere belangen op te treden. Doch de «Max Havelaar» heeft ook door gansch Nederland ongerustheid en verontwaardiging verwekt. Dit is een feit dat niet kan worden geloochend, en nog daar te boven door den heer van Hoëvell in ’t openbaar is geconstateerd. Uit dit feit nu vloeit onmiddellijk voort, dat ieder Nederlander, die de ongerustheidkanwegnemen,verplichtis om dat te doen. Kan dan één hunner zich van dien pligt ontslaan door de verklaring: «dat uit ’t geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen,voor hemgeene verpligting tot verantwoording ontstaan kan?» Wij betwijfelen het.Vreemdsoortig is ook het argument, waarmede de heer D. v. T. dat stilzwijgen schijnt te willen regtvaardigen. «Ik meen,» zeide hij, «dat ’t geen ik over dat boek zou kunnen zeggen, den schijn van partijdigheidniet zou kunnen ontgaan.»Dit is eene overdrevene kieschheid. Waar het verdediging geldt, kan het verwijt van partijdigheid niet treffen. Een advokaat b.v. kan in zijn pleidooien nooit den schijn van partijdigheid ontgaan; hij is partijdig reeds daarom, omdat hij voor eene bepaalde partij optreedt. Is hij daarom verpligt of zelfs gerechtigd een deftig stilzwijgen te bewaren?Ook na de verklaring van den heer Duymaer v. Twist, blijven wij dus volharden bij ons vroeger ontwikkeld gevoelen, dat de aangeklaagden het stilzwijgen, dathunneeer en het geluk van Nederland in de waagschaal stelt, behooren af te breken. Zij kunnen er niets bij verliezen, en (zoo zij ten minste—wat wij nog altijd hopen—onschuldig zijn) alles bij winnen. Hoe langer zij dat uitstellen, hoe meer het vertrouwen van hen, die het slechte liefst niet geloovende, hen voor onschuldig houden, zal geschokt worden, en bleven zij zwijgen tot het einde toe, dan zouden wij vreezen, dat ook hier weder de openbare meening (waaraan hun toch zeker wel iets zou gelegen liggen) vonnissen zoude, volgens den ouden regel:ZWIJGEN IS TOESTEMMEN!42Laathen dat resultaat voorkomen, terwijl het nog tijd is! Laat hen vooral den eisch der eeuw niet vergeten! Onze 19deeeuw heeft nu eenmaal geen behagen in de duisternis; zij begint met om licht tevragen; wordt het geweigerd, daneischtzij het en weet het te verschaffen.Eindelijk nog iets over de redevoering van den heer Myer. Het doel van dezen spreker was, gelijk hij zeide,nietom de aangeklaagden te verdedigen (’t geen hij en teregt, aan hen zelven overliet). Van dit programma week hij niet af, toen hij een feit mededeelde, waaruit blijken moest en ook werkelijk blijkt, dat ersomsin Oost-Indië regt wordt gedaan en het onregt gestraft. Want dit feit, hoe waar ook, verzwakt in geenen deele de aanklagt van Multatuli. Dat erSOMSregt geschiedt, is nog geen reden om over het voorkomende onregt heen te stappen. Op dit gebied wordt geen compensatie toegestaan. In de18deeeuw zijn er in Frankrijk misschien duizende rechtvaardige vonnissen geveld; toch zal dit de verontwaardiging over den gerechtelijken moord van Jean Calas niet verminderen? Zoo het bleek, dat Multatuli’s klacht gegrond was, dan zou alleen de mogelijkheid, dat er zulke schreeuwendeonregtvaardighedenkunnengebeuren, (’t zij dan stelselmatig of niet) reeds eene onverwijlde hervorming in het O.-Indisch bestuur noodzakelijk maken. En als de heer Myer, toegevende dat er in Oost-Indiën misbruiken bestaan, beweert, dat die in alle Oostersche Staten worden aangetroffen, dan antwoorden wij dat het dan hoog tijd is, om eens te beproeven of er ook een Oostersch volkzonderonregt kan geregeerd worden, en dat in elk geval Nederland geen deel wil hebben aan schatten ten koste van het regt verkregen.Maar wèl week de heer Myer van zijn programma af, toen hij deze woorden uitsprak: »ik kan begrijpen dat een werk in eenen zoo schoonen, wegslependen stijl en met zooveel talent geschreven,op vele onkundigen en ligtgeloovigen, of bij dezulken die gaarne aannemen wat ten nadeele van het bestuur in N.-Indië gezegd wordt, een ongunstigen indruk heeft gemaakt.” Dit is eeneSeitenhiebop «Max Havelaar» dien wij betreuren, want de schrijver—al dwaalt hij welligt ook in zijne voorstellingen—behoort toch ongetwijfeld tot die weinige mannen, die aan het algemeen belang boven het eigenbelang de voorkeur gevende, voor eenein hunne oogengoede zaak, hunne carrière hebben opgeofferd en den haat der grooten hebben getrotseerd. Het is ook een aanval op ons, en op allen die met ons uit den«Max Havelaar» stof tot ongerustheid hebben geput; wij ongerusten moeten volgens die voorstelling òfdomòfslechtzijn. Wij achten ons niet verplicht de insinuatie te weerleggen.Integendeel, wij nemen ze aan. Wij zullen doen als de Geuzen en den scheldnaam aangrijpen! Welaan dan! Wij behooren tot die turbe van onkundigen en ligtgeloovigen! Wij zijn verleid, verblind!... Maar geeft ons dan tegengift, gij, oud-ambtenaren, die dat tegengift bewaart! Of zult gij onmenschelijk genoeg zijn spottende uit te roepen: zij zijn vergiftigd en ons dan het tegengift weigeren? Wijzijndom, onkundig, lichtgeloovig, al wat gij maar wilt? Zult gij dan nog voortgaan ons uw licht te onthouden?...Misschien hecht men weinig aan ons oordeel, en blijft ons vernieuwd verzoek om licht, nog door geen ander dagblad ondersteund, zonder uitwerking. Bedenke men dan, dat het altijd onvoorzichtig is een vonk te verachten, omdat hij slechts vonk is, vergetende, dat hij een vlam kan worden!»43Helaas, helaas, niemand antwoordt! Als ik eens aan den Koning schreef? Dit dééd ik ... tweemalen reeds! Hy heeft niet geantwoord. EnMultatulizond hem z’n boek over de veilingen! Zou de Koning ’t gelezen hebben? Zeker!Dan immers had hy gezegd:IK WIL WETEN OF DIT ALLES WAAR IS!Ja, dan zou hy me geroepen hebben, en ik had hem getoond:DAT ALLES WAAR IS!Ik ben bedroefd dat ik u niets kan zenden,Tine! Tracht nog wat uit te houden ... misschien antwoordt de minister. Leidt de kinderen wat af, als ze vragen ... o god!Ik ben moe.VAN TINE AAN FANCY.Fancy... ik smeek u ... kom hem te-hulp! ...AAN TINE.Ik heb u in lang niet geschreven, omdat ik ... omdat ik ... ik weet het niet. Ik geloof dat ik niet wèl ben. ’t Zal wel overgaan. Houd u maar goed, myn kind. Vraag aan dien man van ’t huis waarinMultatulidat boek schreef. Hy zal u wel wat eten geven voor de kinderen,..VAN TINE AAN FANCY.Fancy!VAN TINE.BesteMax! Wees maar opgeruimd,alles gaat heel goed. De kinderen zyn volmaakt wèl, àl te vrolyk eigenlyk, al te dartel! Zy zien wat bleek ... maar dat komt van ’t wisselen. Zy eten als wolven. Wees gerust, Max. Ook ik ben wèl, héél wel, en goed gestemd ... we wandelen veel ... o, ge moest het zien ... zoo levenslustig!VAN TINE AAN FANCY.Fancy... om-godswil ...Fancy!AAN TINE.Zóó! Dán is ’t goed. Ik dacht dat ge in grooten nood waart. Dit is zoo niet, zegt ge, dan is alles goed! Wat my betreft, ik word nog geplaagd door dien droom over leegte ... zonderling! Ik drink te veel koffi misschien. Nog gedurig kryg ik zotte brieven...Ik heb ’n bezoek gehad van dien domine. Hy heeft een paar uur by me gezeten. Hy wilde dat ik zyn geloof aannam. ’t Was zoo jammer, zeid-i dat ik geen Christen was, overigens was ikzoo’n goed mensch. Dan is ’t veranderen de moeite niet waard, dacht ik. Maar ’n paar dagen later schreef hy, dat-i zooveel kwaads van me gehoord had, en dat ik verdoemd was. In-godsnaam.Ik kan u niets zenden, lieveTine! ’t Doet me innig genoegen dat uw brief zoo vrolyk is, en dat de kinderen wèl zyn. Dat beurt me wat op. Ik was ’n beetje moe. Maar ik wilde toch dat ik u wat zenden kon, want me dunkt ... hoe maakt ge ’t toch?Ik wou zoo graag dat ik ’n ambacht verstond ... maar’tmoest iets wezen, waarby weinig of niets te denken viel. ’t Denken wilde ik graag voor óns houden. Vindt ge ook niet? Ik zou wel boekbinder willen wezen ... neen, tòch niet, dat is te verleidelyk. Maar steenzagen zou wel gaan, als ik daartoe sterk genoeg was. Ik vrees neen, want ik ben wat uitgeput. We zouden van zoo’n ambacht wel kunnen leven, dunkt me, als we maar geen schulden hadden. Maar ze zouden my de zaag afnemen ... neen, de wet waarborgt ieder het bezit van de gereedschappen, die noodig zyn voor z’n bedryf. Ook van dekleêrtjesdie de kinderenaanhebben... om de decentie, denk ik. Dat is toch lief van de wet.Maar allietmen my de zaag, ik kan daarmee niet genoeg verdienen om onze schulden te betalen. En als ik klaag, antwoorden ze:schryf!O, aanUschryven,.. dit is wat anders! Wilt ge dat ik wat schryf aanU? Wilt ge dat ikUiets vertel ... sprookjes, geschiedenissen ... heel graag,Tine! Ik zal gauw wat voor u maken, maar vertel ze niet aan kleinenMax. Hy begrypt ze niet ... evenmin als groote menschen, al heeft hy dan by ’tnietbegrypen geen belang.Eerste Sprookje.Een netgekleed heer, goudgekettingd en tevreden, wandelde langs een der grachten vanAmsterdam. Hy was in de stad voor “zaken”. Straks zult ge zien, wèlke zaken. Daar wandelde voor hem uit, een dame met haar kind. Door ik weet niet welk toeval, viel het kind in ’t water. De moeder gaf een gil ... en sprong het kind na, dat zy redde.De man van zaken zag het aan, haalde z’n zakboek uit, en maakte zich gereed daarin iets opteschryven.—Mevrouw, mag ik zoo vry zyn, uw naam en adres te vragen?—Myn kind, myn kind, ik heb m’n kind terug!—Zeer wel, maar mag ik zoo vry wezen...—Ik heb m’n kind terug, herhaalde de hoofdige moeder, die niet begreep dat men haar vragen kon naar iets anders dan haar kind.—Met die vrouw is niets te beginnen, bromde de nieuwsgierige vrager. Eilieve, vriendje, ik zal u ruim beloonen, als ge my morgen den naam en ’t adres opgeeft van die dame.Zóó vraagde de vreemdeling aan een der omstanders, en ’t schynt dat hy ditmaal te weten kwam wat hy begeerde te weten. Althans hy liet zich den volgenden dag aandienen by de gelukkige moeder.—Mevrouw, ik had de eer tegenwoordig te zyn...—O, waart ge dáár, mynheer? Hebt gy ’t gezien? Ik zag niets, ik hoorde niets, ik sprong...—Verschoon my, mevrouw, ik heb gehoord...—Gehoord?—Ja, mevrouw, Ik heb gehoord hoe ge...—Gehoord?Wàt toch?—Ik heb gehoord hoe gygegildheb, mevrouw ... ik kom u ’n engagement aanbieden by ’t theater.Arme moeder!Die man was ’nimpressariodie sujetten zocht. Hy heettePubliek.Tweede Sprookje.Chresoswoonde inBeotie. Van beroep was hy burgemeester van ’n dorpje welks naam ik niet weet. Ook kan ik u niet zeggen hoe hy verdwaald raakte inBeotie, daar z’n familie thuis hoorde in Athene ... ja, ik meende zelfs dat hy verwant was aanAlcibiades, een te vroeg geboren Franschman.Chresoswas ’n goed mensch, en leefde tevreden. Hy zorgde voor z’n dorpje zoo goed hy kon, en vermaakte zich in ledige oogenblikken met spelen op de luit. Maar dit deed hy alleen in huis, en nooit viel hy iemand lastig met z’n muziek.En zie, daar kwamen roovers die geweld-deden aan de bewoners van ’t dorpje, waarChresosgezag had. Hy legde z’n luit neer, en trachtte de roovers te verjagen. Men zeide hem, dat hy dit niet had moeten doen, omdat de roovers onder de bescherming stonden van den magistraat in de hoofdstad.MaarChresosgeloofde dit niet, omdat hy ’t àl te erg vond.Hy ging voort met het bestryden der roovers, en daar zy overmacht hadden, zond hy ’n bode naarThebeom hulp te vragen.In-stee van de gevraagde hulp te zenden, antwoordde men hem dat hy ’n onwaardig burgemeester was, en volstrekt niet geschikt om ’n ambt te bekleeden inBeotie. Dit laatste sprak hy niet tegen. Maar na z’n dorpelingen te hebben vermaand totgeduld, begaf hy zich met vrouw en kinderen op weg, niets meenemende dan z’n luit. Z’n huis werd ingenomen door ’n ander burgemeester, die zeker minder onwaardig was in de oogen van denThebaanschenmagistraat, en ook zeer bevriend scheen met de roovers die de dommeChresoshad willen uitroeien. Althans men hoorde niet meer klagen over de roovery, schoon de roovers in ’t land bleven.Met moeite verschafteChresoszich toegang tot denAreopagus, en verhaalde wat geschied was. Hy wees op z’n gezin, dat omkwam van ellende door ’tmisverstandvan den magistraat. Nog altyd hield hy de zaak voor misverstand. Ik heb u reeds gezegd dat hy eigenlyk niet thuishoorde inBeotie. Daarom oordeelde hy zoo verkeerd.Maar deAreopagusantwoordde niet.Chresosvermaande z’n vrouw tot geduld—wat niet noodig was—en troostte zich met spelen op de luit, dat ’n behoefte voor hem scheen.De tonen die hy aansloeg, waren in harmonie met z’n gewaarwordingen. Eigenlyk was hy geen groot muzikant, maar er is wat byzonders in ’t luitspel van ’n vader die z’n kinderen ziet derven. Dáárom en niet omdatChresosgoed speelde, luisterde men naar hem. Er was iets snydends in z’n spel, dat grove ooren kittelde. En er waren veel grove ooren inBeotie.Als men zeide: “fraai gespeeldChresos, ga voort!” dan viel z’n hand slap neder, en er blonk hem ’n traan in ’t oog, by de gedachte dat die onbegeerde lof de prys was van den honger zyner kinderen. Liever had hy nog slechter gespeeld, of in ’t geheel, niet, dan zóó! En hy vergeleek z’n ziel by de snaren zyner luit, die gespannen moesten zyn om klank te geven ... ja, gerekt op ’t breken af vóór de hoorders tevreden waren. “Zouden die snaren daarvan gevoel hebben als ik?” dacht hy.Maar toch speelde hy van-tyd tot-tyd, omdat hy niet anders kòn. En z’n gezin hongerde met geduld.Telkens weder beriep hy zich op denAreopagus. Eindelyk ontving hy het volgende vonnis:DeAreopagus, enz.“Gehoord de klachten van den oud-burgemeesterChresosover de rooveryen in ’t dorp ... enz.“Gehoord zyn verzoek om uitspraak te doen, tusschen hem en denThebaanschenmagistraat ... enz.“Gelet op de verklaring van gezegdenChresos, dat hy en de zynen verkeeren in zeer dringenden nood, ten-gevolge van een misverstand, dat dien magistraat zou hebben bewogen party te trekken voor de roovers die ’t dorp afloopen, waar gezegdeChresosvroeger burgemeester was.“Gelet op de verklaring van vele getuigen, die gezegdenChresoshebben hooren spelen op de luit.“Recht doende, enz.“Veroordeelt meergenoemdenChresostot de luit, en de kosten van ’t proces.”DieAreopaguswas omgekocht, en heetteNederland.Derde Sprookje.Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist,Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Werpt beitel neer en spade, o burgerluî,En roept uw dochters en uw knapen van hun spel.En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag!Werpt hamer, troffel, schaaf en weefspoel neer!Komt allen mee ... daar is wat fraais te zien!Komt allen mee ...hoerahvoorGolgotha!Hoerah,hoerahvoorGolgotha!—Dat zal, by God, wat schoons zyn deze keer!Hij schynt nog jong, en heeft iets in z’n blikDat taaiheid aanduidt ... zie, daar zygt hy neer:Hy schynt toch zwak te wezen! ’t Kruis is zwaar...Ik hoor: het is van ’t allerbeste hout! Men zegt,(MaarNathan, of het waar is weet ik niet!)Ze zeggen dat hyzelf het heeft geleverd,Toen hy als timmerman nog aan de schaafbank stond...Want, buurman, vóór hy, ’k weet niet wàt, misdeed,Ja, òf hy iets misdeed zelfsNathan, weet ik niet...Maar vóór hy deed wat men hem euvel nam,Was hy een timmerman als wy.—Hoe heet die man?—Dit weet ik waarlijk niet, men zegt hy ishanootzri...44Of wel, zijn vader was hanootzri. Hy lykt zwakVoor zulk ’n ambacht, maar z’n werk was goed...Hy struikelt weer ... (Op-zy wat,Jöchaz!Ei, laat my ook wat zien ... ge dringt me weg,Of ’t heele schouwspel waar voor u alleen! Hy zweet:Ik zeide u wel dat hy niet sterk was,Nathan.Maar toch geloof ik dat hy taai is, en ons nietBedriegen zal, als laatst die and’re diefDie pas ’n half uur had gehangen, toen z’n hoofdOp-zy knikte ... en ’t wasuit! Hy sprak geen enkel woordDat ons beloonde voor de moeite. Waart ge er by?(Houd kleineMirjamwat omhoog,Jochébed!)Zeg waart ge er by, oNathan ben Daöud,Toen ons die dief bestal voor zooveel moeite om-niet?—Ik had dien dag een splinter in myn voet,En dus geen lust inuitgaanof vermaak,Maar ’k heb gehoord ...—Ikwas er by, vriendNathan!Ik droeg m’n opperkleed van groene zyde,En had m’n tulband op vankashmirstofOmdat die koel is ... zie, hy struikelt weer,Maar staat weer op. Wat zeide ik ook het laatst?—De dief die u bedroog ...—Ik weet al. Nu dien dagWas ’t warm als heden ... neen, zoo warm was ’t niet:Want ... vindt ge ’t niet ontzettend heet van daagDe zon brandt me op den schedel. ’t Rouwt my welDat ik m’n tulband niet verruild heb voor mynKashmir,Die licht vankleuren koeler is ... dat doet de haast:Ik gunde my geen tijd—daar valt-i weer—Ik heb er spyt van ...Golgothais vèr!Zoo’n donk’re zuigt de warmte broeiend in,En dáárom heb ik spyt datGolgothazoo vèr is...Wat zeide ik ook het laatst?—Die slechte dief..—Ik bèn er! Uren liep ik mee, en hygde als nu...(Vervloekte hitte ... dringt zoo niet,Jöchaz!)Ik was vermoeid vóór halfweg ... en de dief(Let wel hoe schand’lijk die man ons bedroog)Liep met z’n kruis, als waar ’t ’n palmtak, voort!Hy zweette niet, en is niet eens gestruikeld ...Maar toen-ihing, was ’t daad’lijk met hemuit!Endeze—zie, hy struikelt weer—endezeIs niet zoo zwaar van bouw, zoo forsch van leest...Hy schynt wel teer van spieren ... doch zyn blikToont dat-i veel geleden heeft en droeg.Maar dat-ilangentyd nog lydenkàn!’k Ben zeker dat hysprekenzal aan ’t kruis,En dit is juist het aardigst van de zaak!De kinderen gaan, om dát te hooren, mee...Die andere dief was dood, vóór nog m’n vrouw,Die trager liep—omdat ze zwanger was, dien tyd,VanMirjam—(houd het schaapje omhoog,Jochébed!)Die dief was doód, vóór zy daar aankwam,Nathan!En ieder zeide dat het schande was!(GeefMirjammy,Jochébed! Hier m’n kind,Hu ... huup ... op vaders schouder! Kunje zien?Sla ’t kleine handje zóó ... om vaders hals,En houdje vast!) Wat zeide ik ook het laatst?—Die and’re dief ...—Ik weet al! Heel de buurtWas op de been gekomen, om dien man te zien.Daar waren met ons,Ruben,Ephraïm,Baënamet de kind’ren,Hiddal ben Elia,De dochters vanUrias,Schmoelde wisselaar ...(Ik zie hem juist, hy werpt den man met drek)Hy is ’t, die laatst verjaagd werd uit den tempel,Omdat hy schacherde inJehovah’shuis...—Wie jaagde ’m weg?—Ze zeggen zekereIscha...Jeshoeah, zoon vanJoszof, uit ’n grootGeslacht, die met ’n zweep hem voortjoeg als ’n hond,En ’t goud- en zilverkraampje omver smeet, dat de muntLinks, rechts wegspringend, neertikte op den grondEn rollend wegstoof onder ’t volk ...—Wie gaf hem rechtTot zulk ’n groot gezag?—Dit weet ik,Nathan, niet,Maar ’t is niet goed te schachren inJehovah’shuis!MynEphraïm... maar,Nathan ben Daöud,Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoop...(Daar werpt weerSchmoelden kruisman met z’n drek)Wat zeide ik ook het laatst?—Ge spraakt vanEphraïm,En van de wiss’laars in den tempel...—Juist!Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoopDat ge my niet verraden zult! M’n zoonDie ’t aanzag, wyl hy juist ’n handel sloot,Heeft, ylings bukkend, als om hulp te biênIn ’t zoeken—maar verklap me niet,ben Daud!—Hy heeft met scherp gezicht en vlugge hand..,In ’t kort, z’n handel was gezegend op dien dag:Hy kwam met dertig zilverlingen t’huis!Geloof me,Nathan, dieben Joszofhad gelyk ...’t Is ongeoorloofd dusJehovah’stempelTe ontwyden met ’n goud- en zilverkraam:jeshoeäh ben Joszofhad groot gelyk!’t Is dáárom ook datEphraïm, m’n zoon,Hem altyd zoekt en naloopt ... of hy weerTer zuivring uitgaat van Gods tempel, met ’n zweep,Maar sinds een week heeft hy hem niet gezien ...(Daar werpt dieSchmoelden kruisman weer met drek)—Die and’re dief ...—Ja, juist! Wy allen gingen mee, de heele buurt ...En toen-ihing, was ’t daadlyk uit,ben Daud!Och kleine, druk zoo zwaar niet aan m’n hals!)’t Is warm—hy struikelt weer—hy schynt vermoeid ...Ik zeg u, dit beteekent niets, vriendNathanGe weet, hoe ’t hout datmaklykbuigt, niet breekt,En hoe het harde knakt, by ’t minste buigen:Zóó ook die man ... ik zeg u, hy is taai!—Eilieve, zie ... die vrouw!... Zou dat z’nvrouwzyn?De vrouw die schreiend volgt, en neergebukt,Als-of zyzelve ’t kruis droeg op haar schouder!Zy steekt de magre hand gedurig uit,Als wilde zy den kruisman schragen ... Is ’t zynvrouw?—Dit weet ik waarlyk niet ... ze schynt my te oud.En bovendien ... ik zie geenkindren! Neen,Dat is gewis z’nmoeder... zie, ze waggelt!Ik heb zoo vaak zoo’n kruisweg meegemaakt,(De kind’ren zyn er dol op, de arme schapen!En altyd opgemerkt, dat wie ’nvrouwheeftEnkind’ren, die naar ’t kruis hem weenend volgen,(Wees rustig,Mirjam: vader is vermoeid!)Zoo taai niet is alsdeze,Nathan ben Daöud!Ik zeg u nog-eens: deze man istaai:Eenvaderzou zoo taai niet wezen,Nathan!Hy is wat moe van ’tgaan, maar als-ihangt,Is dit terstond voorby! VriendNathan, help me ’t kindEens overzetten, op dien andren schouder ... zóó!Het drukt zoo op-den-duur, al schynt het licht in ’t eerst!(Zit stil, m’n kind!) Ja,dezeis wat vermoeid,Misschien wat zwak ook door het bloedverlies,(Schuif niet zoo heen-en-weer, m’n kind: dat doet me pyn!)Men zegt dat-i gegeeseld is ... Ziet ge zynrug?Tracht heentekyken over ’t volk, vriendNathan!—Ik hebJöchazvoor my ...—Kuntgy’t zien,Jöchaz?—Ik zie alleen den top en d’ arm van ’t kruisDat slingrend voortschuift als-i waggelt, maar verdwyntZoodra hy neerzwikt ... zie, daar valt het weer,En ryst nu langzaam weer omhoog!—Dat zie ikzelfZoo goed als gy dat ziet,Jöchaz! Maar ik wenschTe weten of z’n rug ... zoo’n kind is vreeselyk zwaar!Wees niet zoo woelig, kleine: uw vader is vermoeid ...Kuntgyz’n rug zien, kind, zyn naakten rug?Den rug des mans, die ginds dat kruis draagt, kind,En die doorSchmoelgeworpen wordt met drek?Ik houd u hoog ... zie goed ... maar zie wat snel,Omdat ik moe ben, Mirjam! Nu?—Die rug is rood ...Ge hoort het,ben Daöud... dàt maakt hem zwak!Men heeft hem eerst gegeeseld, dat maakt zwàk!Maar ’t gaat wel òver, als-i hangt. Hij zalGewis zoo gauw niet knikken met het hoofd ...(Zit stil, myn kind, ge drukt me ontzettend zwaar!)Ik zeg u,Nathan, deze man is taai!’t Is jammer dat ik niet mynKashmirheb ...(Zit rustig kind, of vader zet u neer:Ik ben vermoed!) En ieder zei,ben Daöud:Het was ’n schande ... dáádlyk was hetuit!Maardezezal zoo gauw niet sterven aan het kruis,Hy zal gewis watsprekenvoor-i knikt!Dat praten dan de kindren jub’lend na,En maken grappig spel van wat-i zeide,En spelen kruisman, weken naderhand!Dit beurt wat op, in dezen slechten tyd!Maar als-i zwygt aan ’t kruis, is ’t niet de moeite waardZoo vèr te gaan—het is zoo vreeslyk heet,Als ’t weer gebeurt, zet ik m’nKashmirop!—Ik zeg u dat-i taai is,ben Daöud!Hy valt weer ... dit is niets! Wacht tot-i hangt,(Zit stil,Mirjam!) dan zult ge zien en hooren ...Neem ’t kind terug,Jochébed: ik ben moe ...Maar houd het schaapje omhoog ...Komt mee, komt mee, daar is wat schoons te zien!Komt allen mee ... daar wordt ’n man gekruist!Wat hy misdeed? ’k Weet niet wat hy misdeet ...Er zyn er zelfs die zeggen dat-i wèl deed ...Maar dit ’s om ’t even! Werpt uw grootboek neer,Vergeet uw koffi en uw suiker, burgerlui ...Uw beurs, uw oefning, en uw monsters van tabak,Uw winkel van gestolen kruinierswaren,Uw Evangelie en uw batig saldo!Laat liggen voor ’n wyl uw handel en moraal,Theologie ... moderne, antieke ... ’t heele zoodje!Neem uit de kast uw deftigst opperkleed,Bedast uw hals met allerwitst batist,En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag,En roept uw knapen en uw dochters van hun spel ...Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist!Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Ik zeg u dat-i taai is, die daar gaat ...Hy zal zoo gauw niet knikken met zyn hoofd ...Hy zal, by God, aan ’t kruis niet zwygend sterven!En voor uw kinderen zal ’t de moeite waard zynTe hooren—en het nàtepraten—wat-i zegt!Beloof hun vry een vroolijk kruismansspel,Dat beurt wat óp in deze slechte tyden!Ik zeg u dat-i taai is, deze man,Dat hy u niet bedriegen zal, als laatstDie andre dief, die daadlyk knikte met het hoofd,En toen was ’tuit! Maar deze man is taai,Al schynt hy zwak van bouw. Het is hem aantezienDat hy veel droeg, maar kracht heeft méér te dragen,Dat hy veel leed, maarlangnog lyden kàn!Hij spreekt reeds ... luister: “Eli Sabactani!”Hy roeptElias... kindren, bauwt hem na,En sart hem, dat hy nòg wat zegge aan ’t kruis,En krabt met lange nagels in z’n wonden ...Of beter, werpt hem—als vriendSchmoel—met drek:Licht slikt hy walging minder goed dan pyn!Hu ... huup ... omhoog uw kindren! Dat ze ’t zien.En dat ze ’t hooren, hoe de kruisman spreekt,Om stof te garen voor hun kruismansspel ...Komt allen mee!HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!Komt mee, komt mee, daar wordt een man gekruist:RoeptRubenhier, enNathan ben Daöud...Klaas Jakob,Nafthali,Albertus!Eliézer...De dames en de heeren uit de buurt,Verwanten, neven, nichten, broeders, en de rest,Behouders, Liberalen, mannen van de beurs,En van de balie of den kansel! KontraktantenEn Vry-arbeiders, oppozitie en ministers,De leden van de Tweede-Kamer in den Haag,En wie er rusten kan, na slecht regeeren,En wie geen tyd had om z’n plicht te doen,Maar licht nu tyd heeft voor ’n grappig schouwspel,RoeptMozes,Issascharen ’t heeleWillemspark,Piet,Paul,Ezéchiel... roept al wat naam heeft,Roept wat gedoopt is, of besneden, mee!Roept al wat juicht: “ik dank u voor myn braafheid!”Roept al wat kermt: “wees my genadig, Heer!”Roept wat verdoemd is, en wat deel heeft aan genade,Wat loopen, zien en hooren kan (al is ’t wat heet!)Jezuiten—protestantsche en katholieke—Van de orde of niet van de orde, Vrye-metselaren,Die over ’tgoede, schoone woordenspreekt,Maar u onthoudt vanstrydentegen ’t kwaad!Gy die ukind’ren noemt der weduw, maar uw handNiet uitstrekt om het kruis te dragen van haar zoon!Roep al wat bidt of schachert in den tempel,Al wat er wacht opNabi Issah’szweep!Al wat met scherpen blik en vlugge handenHem nasluipt—of soms te grissen vielVan ’t geld, dat rollend wegstuift onder ’t volk—En later meepraat over stelsels en principes!Roept al wat vet werd van gestolen spys,Al wat er pocht op linzen-eerstgeboorte,Al wat ’n gouden kalf in ’t wapen draagt,Al wat er knaagt aanInsulindscheknoken,Al wat er zuigt aan deInsulindschekoe,Al wat er hangt aan d’afgestroopten tepel,Al wat er zwelt van ’t afgezogen bloed!Komt allen mee ...Jochébedmet de kleine ...(En houdt vooral het schaapje omhoog,Jochébed!)RoeptJanszoon,Pieterszoon,ben Levi,ben Daöud...Ben...dìt,BEN...dàt,BEN...ieder!Roept ookSchmoel...Ja,Schmoelvooral, enJudas Judaszoon!Komt allen mee, komt mee naarGolgotha!Bij God ... daar is vandaag wat schoons te zien!Komt allen mee, daar wordt ’n man gekruist!Komt mee, komt mee ...HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!Ik ben wat moe, myn besteTine.VAN TINE AAN FANCY.Fancy... om-godswil ...Fancy!AAN TINE.LieveTine! Dat ik u in-lang niet schreef, was omdat ik u niets kon zenden. Ik ben niet wèl, en heb ’n vreemd gevoel van leegte, alsof ik me iets herinnerde, maar vatten kan ik ’t niet! Kuntgyme helpen? Ook heb ik pyn in ’t hart. Zou ’t ’n anevrisme wezen? Neen, dit kan niet. Zoo’n kwaal heeft ieder tegenwoordig, en ik zal toch geen ziekte krygen als ’n ander.Die minister antwoordt niet. Ze kunnen my niet gebruiken, denk ik. ’t Schynt dat men prokureur of griffier moet geweest zyn. Ik zal nog drie dagen wachten op dat antwoord van den minister, en dan ... ja dan weet ik waarlyk niet wat ik doen moet! Ik weet niets, begryp niets! Wat is er toch met ons gebeurd, dat we zoo in moeielykheid verkeeren? Hoor eens, lieve ... als ge volstrekt geen raad meer weet, tracht dan naarden Haagte komen ... al is ’t te-voet en bedelend. Ieder zal u zeker wat geven, als ge zegt dat het is om dáár te sterven met de kinderen. Ik ben er op gesteld dat we dáár sterven. MaarSAMEN, lieve Tine! Ik heb volstrekt geen moed meer om televen, ente handelen. Moed om teondergaanen testervenwèl. Ik ben moe! Kunt ge ’t nog drie dagen uithouden?Nog geen antwoord van den minister ...VAN TINE AAN FANCY.Fancy!!AAN TINE.O god, wat is dat vreemd ... ik droom altyd dien droom. Daar dwaalt my iets voor ’t oog ... een meisje, een schim, ’n spook ... Ik reikhals vruchteloos ... ze ontwykt me, en zweeft omhoog ... en lost zich op inniets! M’n hart is leeg, o god!Ik ben vermoeid.VAN TINE AAN FANCY.

Schryven is afdruk nemen van de ziel.Als Publiek ziel heeft, laat hemzelf schryven.Heeft hy geen ziel, dan begrypt hy ook myngeschryfniet ... punctum!

Schryven is afdruk nemen van de ziel.

Als Publiek ziel heeft, laat hemzelf schryven.

Heeft hy geen ziel, dan begrypt hy ook myngeschryfniet ... punctum!

Maar er bestaat nog ’n reden die my de bibliotheek van m’n vriend doet schuwen als de pest. Ik ben inderdaad hoogmoedig en verwaand, en—ik verzeker u dit ernstig—het hoofdingrediënt van schryven of spreken is verwaandheid. Welnu, als ik veel boeken om my heen zie, laat ik my verlokken daarin het oog te slaan. Ik lees voort, vind gedurig iets dat ik niet wist ...word, vruchteloos tegenstrevend, overtuigd van onkunde, en weg is de verwaandheid die ik noodig heb om te schryven! Neem dit niet op als een sarkasme, als ironie, als scherts, als voorgewende nederigheid. Ik geef ’t u alseenvoudig waar, en ik ben zoo vry de menschen die voorwenden ’n anderen indruk te ondergaan, voor verwaander te houden dan myzelf.

Ik denk altyd, wanneer ik iemand als spreker of schryver zie optreden: zou die man—’t spreekt vanzelf dat het altyd ’nmanis—zou die man nu inderdaad gelooven dat hy wat te zeggen heeft? Maar nooit doe ik deze vraag overluid, omdat ieder boos wordt, als men informeert naar z’n hoogmoed. Wanneer de menschen konden gebracht worden tot de erkentenis hunner verwaandheid, ware er veel gewonnen, want dan zouden ook de andere fouten blootliggen. Maar dit schynt zwaar te vallen. Altyd zyn er gaten in den mantel vanDiogenes. Ge weet dat ik beter vind den heelen mantel aftewerpen,“die man is hoogmoedig” beduidt eigenlyk: “Die man neemt de moeite niet, z’n hoogmoed te verbergen als wy?” Dat is, nòg eens overgezet: “hy loopt in z’n hemdsmouwen!”

Wel zeker ... als ’t warm is! Of als men iets te doen heeft, waarby ’t opperkleed hindert, zooals by my dikwyls voorkomt. Ik heb geen tyd om nederig te schynen.

Dat wegstoppen van aandoeningen is my te lastig op-den-duur. Ik heb meely met de menschen die hun geheel leven door souffreeren aan de nooit erkende obstruktie van eigenwaan, ’t is om te bersten!

Ook zou ik vreezen onoprecht te worden in geheel omgekeerden zin. Wie zegt me of ik niet door dat kunstmatig en nooit gelukkend wegwringen myner deugd, wat ondeugd zou verbergen met-een? Laat ons maar altyd zeggen wat we meenen wáár te zyn, en het opgeven voor beter, ’t Iseenvoudigalweer, zoo als ge ziet.

Bovendien er steekt veel hoogmoed in dat geklaag over hoogmoed. ’t Isdépitover al de verloren moeite die men zich getroost om ’n doel te bereiken, dat zonder schade wordt verwaarloosd door ’n ander.

Christusverbergde zyn hoogmoedniet. Hy verwaardigde zichniet, iets wegtestoppen. “Ik ben de weg, de waarheid en het leven, wie My gezien heeft, heeft den Vader gezien!” Als hy ditmeende, had hy gelyk het tezeggen. ’t Stond aan ’n ander, hem tegen te spreken, en des-verkiezende te betoogen, dat hy trekvaart, leugen en dood was. Maar wat ik minder schoon vind inJezusis dat hy niet met dezelfde rondheid zei wat er aan hem ontbrak. Ik erken echter dat er meer moed noodig is omgoedte spreken van zichzelf dankwaad, en daarChristushet eerstedurfde, zou hy ook moed gehad hebben tot het laatste ... als het te-onpas gekomen ware. Waarschynlyk dacht hy dat de Farizeeën ’t wel voor hem zouden doen, en hierin dacht hy juist. Dit is nòg zoo.

Moedom hoogmoedig te wezen? Welzeker!

—Wie durft die bres bestormen? roept de bevelhebber.

—Ik! zegt ’nhoogmoedige, die zich schynt te houden voor den braafsten man van ’t regiment.

Maar toen hy “Ik” riep, wist hy dat er zou geantwoord worden:

—Ga dan, en bestorm de bres!

En hygaat! Want ik weet niet van wie “Ik!” roepen ennietgaan. Dit zou gehuichelde hoogmoed wezen, en ik trek alleen party voor deware. Och,Tine, al deze dingen zyn heel eenvoudig. Ieder weet ze, maar wy denken er niet aan, omdat we te veel zyn opgevoed en begodsdienst. Om wys te worden, heeft men niet veel te leeren, er moet maar een-en-ander wordenafgeleerd. Het uitroeien van één vooroordeel is meer waard dan ’t bedenken van tien nieuwe stelsels.

Voltaire—met wien ik lang niet in alles eens ben, dat weet ge—Voltaireis ’n prul in de oogen vanKantianen,Hegelianen,Spinozisten,CartezianenenLeibnitzers. Waarom? Omdat hy niets heeft gezegd wat niet ieder kan begrypen, en omdat hy geenstelselheeft saamgeknoeid ... wat hy toch met zyn vernuft heel goed hadkunnendoen. Hy toont aan:wat niet waar is, en dat willen de menschen niet, tenzy men hun iets anders in de plaats vertelle, dat evenmin waar hoeft te wezen. Men hongert naar leugen. Zoodra ik ’n slecht mensch word, ga ik aan ’t systeem-maken. Ik zie er best kans toe ... ze komen er goed af! Ik wacht ’n standbeeld, met een opschrift ... ja zoo:

STA VICTOR.DIT VERBEELDTDE MANDIEBETER HAD KUNNEN LIEGENDAN IEDER ANDER, ALSHY GEWILDHAD.

Maar,Tine, om dan konsekwent te zyn, moet men veel andere standbeelden omverhalen.

Ik ben in ’n andere kamer gevlucht, waarboven slechts gemangeld wordt: g.....! Ik heb ’n kolonel van de marine gekend, die ’n premie uitloofde voor ’n nieuwen vloek! O, ik begryp dien kolonel! Daar kryg ik weer brieven ... lees zelf, en oordeel. Wat willen ze toch?

Ieder biedt me allerlei dingen aan, die ik niet noodig heb, maar niemand schynt te willen deelnemen in den moeielyken stryd dien ik voer. ’t Is zonderling!

VAN EEN MEISJE.

Dierbare broeder inChristus!Ja, ge zyt my dierbaar, al sluit ge uw oor ................30

VAN EEN ANDER MEISJE.31

VAN EEN DOMINE.

Broeder!Uit innig gevoel des harten voel ik me gedrongen, u te verzoeken, my toetestaan persoonlyk kennis met u te maken. Ik ben van plan, morgen, na de preek, terstond naar Amsterdam te gaan, en by u myn bef en broek te komen afleggen, om met u te spreken over ’t geloof. Ge zyt op ’n goeden weg. Ge zyt een te goed mensch: om niet te gelooven als ik. Lees maar na ...32

VAN EEN ANDEREN DOMINE.33

AAN TINE.

Ik ben vermoeid, lieve! Wees niet boos dat ik zoo weinig schryf. Ik kan u niets zenden. Tracht maar voltehouden. ’t Zal niet altyd zoo blyven. Maar vermoeid ben ik, dat is waar.

Verbeeld u ... ze hebben zich in het hoofd gezet dat ik ’nschryverben, en dat ik moet schryvenvoor den kost! Ze verwarren my met dienMultatuli.Schryven voor den kost!’t Doet me denken aanDon Juan, die zóó’n pleizier vond in het praten van dien armen Mr.Dimanche, dat hy verzuimde te antwoorden op diens verzoek om betaling van de rekening.

Ik heb geenMolieremeer ... achTine... onzeboeken! Weet ge nog wel dat we eens boeken hadden, en ’n huis? En dat we menschen binnenriepen die ergeenhadden? ’t Is toch zonderling ...nog dikwyls vraag ik mezelf: hoe komt het toch dat we geen huis hebben? ’t Is heel dom ... ik lyk kleineMaxwel, met z’n gekke vragen. Ik heb moeite om niet afgunstig te zyn, als ik denk aan zoovelen die wonen kunnen. En meestal ... maar ik zal u liever wat vertellen vanDon Juan. ’t Is heel goed dat ik geenMolieremeer heb. Dan zou ik misschien naschryven, en dit verveelt me zoo.

Don Juanis dik en vet als betaamt. MaarDimancheis mager.

—M’n huisgezin is in nood, o edeleDon Juan! Ge weet wat ik voor u gedaan heb ...

—Goed gesproken, lieveDimanche, ga zitten!

—Ik dank u voor ’t zitten, heerJan... ik wenschte dat ge deze rekening ...

—Uw rekening is verrukkelyk. Ga voort! Mag ik u ’n snuifjen aanbieden?

—Ik dank u voor ’t snuiven.Don Juan... maar zie deze rekening, en ...

—Weet ge wel dat ge een goede hand schryft, o universeeleDimanche! Ik benoem u tot myn secretaris ... dan kunt ge schryven voor my!

—Ik dank u voor ’t schryven, heerRidder, doch m’n gezin lydt gebrek ... en om-uwentwil zouden wy ...

—Gebrek?...Lyden...Gebreklyden?... O heerlyk schoon verbond van diep gevoelde klanken ... Ik zeg ... ik gloei ... ik wil ... ik weet zelf niet wat ik wil, maar ’t doet er niets toe ... de uitdrukking is prachtig! Doe my ’t genoegen, en zeg dat nog eens.

—Wy lyden gebrek, o heer ..,

—Goddelyk! Wat ’n leven ... wat ’n gloed ... wat ’n vuur! Ik verhef u tot m’n lyfdichter. Ga voort, welsprekendeDimanche!

—Ik dank u voor ’t dichten, heerGrande... ik meende dat gy ... om godswil, bedenk dat wy sterven ... en bovendien, ik heb schulden ... ik kan niet betalen ... en nu zegt men datikoneerlyk ben ... terwylgy... bedenk heer,Ridder,Jan,Juan,Grande... hoe moet ik u aanspreken om verstaan te worden?Don Juan... o god ... wy sterven, en men zegt dat ik ...

—Sterven?... verheven denkbeeld! Maar ’t is onjuist ... vriendDimanche! Ge laat u door geestdrift vervoeren tot onnauwkeurigheid.Sterven?Gymet uw talent van voordracht?Sterven?Gy?... met zoo’n schrift? Onmogelyk,Dimanche! Ziehier! IkDon Juan... ik schenk u ... neem aan!.. . wees niet beschaamd ... ik ben ’t schuldig ... ik schenk u,ex plenitudine potestatis... begrypt ge dat?

—Ach neen ... maar m’n rekening ...

—Ik schenk u deonsterfelykheid!Leporello, wilje m’nheer uitlaten?

Ik weet niet of ’t precies zoo staat byMoliere, ook niet ofDimanchenog tyd heeft om te antwoorden: “ik dank u,Don Juan...Publiek, voor uw onsterfelykheid!” maar me dunkt, ik zie den sukkel zoo bedroefd weggaan, om aan vrouw en kinderen onsterfelykheid thuis te brengen, in plaats van ’t verwachte brood om niet te sterven!

En dan vraag ik, of er ook in dien tyd rustende Gouverneurs-generaal waren, met ongestoorde levensdigestie en zwygende gewetens?Moliereschreef aardig, maar hy had te weinigdonnées. Hy was ’n kind van z’n tyd en z’n tyd was eenvoudig.

Ikschryvenvoor den kost ... voor geld?OnzeNonniis nu pas vier jaar .., stel u eens voor, dat ze later ... voor geld ... o god!

Houd u staande, lieveTine, zoo goed mogelyk! Heb ik u reeds geschreven dat ik een brief zond aan den minister? Hy is ’n welwillend mensch ... hy zal zeker antwoorden. Ik heb hem daarin niets gezegd van den nood waarin we verkeeren. Dit zou niet goed wezen, want dan zou hy ons helpen uit medelyden. Was ik nu maar aan den drank, dan waren we gered! Ja, dan kon ik beterschap beloven, en waarachtig—zóó zyn ministers en menschen—als men beterschap belooft, wordt men meestal geholpen.—Rechtvaardigheid is duurder dan vergiffenis, en als ze niet zoo’n leven maakten boven m’n hoofd, zou ik u uitleggen waarom.

Maar de zaak is nu juist omgekeerd, en hierom vrees ik dat m’n schryven niet baten zal. Door myn bod aantenemen, zoude Regeering beterschap beloven... en deze belofte valt zwaar aan wien ’t niet meenen kan. Maar ik denk toch wel dat ik antwoord zal krygen ...

Er is nu ’n nieuwe Gouverneur-generaal benoemd.34Hy wordt geprezen of gelaakt, al naar men behoort tot de party van behoud of van oppositie. Maar dit moet ge nu zoobegrypen, dat de behouders opponeeren voor ’t moment, en dat de oppositie nu behouden wil. Ik zou u dit kunnen uitleggen, maar ’t is beneden uw aandacht. Wacht tot ik m’n brief aan de kiezers afmaak. Als ge ’t dan goed begrypt, zyt ge niets wyzer. De hoofdzaak komt hierop neer, dat die nieuwe Landvoogd wel wat gelykt op den “laatst-aangekomene” in een kleinstad. Elkecliqueroept hem toe: “ge zult immers totonsbehooren? Laat u toch volstrekt niet in met al ’t canalje van die andere societeit! ’t Is hier goed lezen ... als ge maar niet omgaat met de A’s en de B’s en de C’s....

Al die initialen, samengevoegd, maken ’n kompleet adresboek van de kleinstad.

Eén ding echter heeft me byzonder getroffen. Van de weinigen die niet schynen te behooren tot ’n politieke party, en toch eenigszins achtslaan op de publieke zaak, verneem ik dat de “nieuwaangekomene” groote verdiensten heeft. Nu vraag ik hoe ’t komt, dat deze verdiensten niet voorlang reeds ten nutte van het algemeen zyn aangewend, daar de man toch niet meer jong is? Waarom heeft men tot-nog-toe geen—of maar zeer onbeduidende—betrekkingen opgedragen aan iemand van zóóveel kennis, zóóveel integriteit, zóóveel karakter, zóóveelgenie... had ik byna gezegd? Ziet ge, daarvan begryp ik weer niets. Wie heeft al die Amerika’s ontdekt? Hoe heeft de man het aangelegd, om al die gaven zoolang schuil te houden?

Hy is geweest:Griffier der Staten van Gelderland. Is ’t niet jammer dat men iemand die thans geacht wordt op de hoogte te staan van ’tONDERKONINKSCHAP VAN INSULINDE, op de hoogte dus van deBELANGRYKSTE BETREKKING IN DEN STAAT... is ’t niet jammer, vraag ik, dat die man is gebruikt tot het maken van die processen-verbaal der zittingen van de Geldersche Staten? Dat mendienman heeft belast met het opschryven der redekavelingen van anderen? Daartoe wasikte goed, lang voor ik u kende. Die man moet byzonder nederig zyn.

Wanneer hy op de hoogte staat zyner schoone roeping—en ik heb geen andere reden hieraan te twyfelen dan voornamelyk die nederigheid (zieGöthe,in voce: “bescheidenheid”) en voorts dealgemeenereden die ’t juisttreffen in deze zaak zoo moeielyk maakt—welnualshy op de hoogte van z’n taak is, dan hadden de Geldersche Staten, kollectief of individueel, zich zeer vereerd moeten achten, heel nauwkeurig en eerbiedig op-te-schryven, wathyzou gelieven te zeggen. Maar ... omgekeerd, is ’t ’n gruwel.

En zie nu eens weer, hoe zonderling! Men zou toch geen koetspaard spannen voor ’n kar. Moet ik nu gelooven dat men beter weet omtegaan met paarden en karren, dan metmenscheninInsulinde? Zoo schynt het, waarachtig!

Maar, zeggen ze, hy is niet alleengriffier geweest. Hy isconcessionaris geweestvan ’n spoorweg, die er nietgeweestis, en daarna werd hy ter schadeloosstelling benoemd tot president van den Raad van toezicht over spoorwegen, die er tot heden toe nietgeweestzyn.

De slotsom is, dat hy eigenlykniets geweestis.

Ei,Nederland, hebt ge groote mannen te veel, dat ge ze ongebruikt laat? Dit is niet huishoudelyk.

Ach, ik herinner me dat ook de laatstvoorgaande Gouverneur-generaal,die zich nu bezighoudt met rusten, byzonder geprezen werd! Ik heb neiging tot sympathie voor dentegenwoordigen, al bleek het nooit.35

Ja, ik wou u graag wat zenden, myn kind, maar hoe kom ik er aan? Schryven voor geld? Aan wien? Wat? Moet ik schryven aan menschen die niet lezen kunnen? Na ’t boek vanMultatuliheb ik eigenlyk niets te zeggen. Ik wacht antwoord, en ik dacht ...

Ziehier wat deTielsche Courantschreef ... had ik geen recht op antwoord van de natie?

IS NEDERLAND EEN ROOFSTAAT.»Vier maanden zijn reeds voorbijgegaan, sinds Multatuli, een oud-Oost-Indisch ambtenaar,—naar hij beweert, miskend, vervolgd en tot aftredinggedwongendoor zijne superieuren, in zijn »Max Havelaar of de koffiveilingen der Ned. Handelmaatschappij,» de gezaghebbers in onze Oost-Indische koloniën openlijk aanklaagde dat zij hun pligt verzaken, hun eed schenden, de stem der menschelijkheid en der godsdienst, van het geweten en de eer smoren,—dat zij de Javanen, wier bescherming hun is opgedragen, met lafhartigheid, maar vooral ook uiteigen belang, willens en wetens, ten prooi laten aan de knevelarijen en afpersingen hunner hoofden, dat zij hen stelselmatig laten vertrappen en uitzuigen inonzennaam, en gelijk het heet, totonsvoordeel—dat zij valsche rapporten uitbrengen om het moederland van dien ons onteerenden toestand onkundig te laten,—en dat zij den zeldzamen ambtenaar, die zich niet tot hun medeplichtige leenen, maar zijn eed gestand doen, en zijn plicht volbrengen wil, tegenwerken, verdacht maken, vervolgen, ontslaan.Ontzettende beschuldiging voorwaar! Zoo zij gegrond ware, zoo de schatten, die ons uit onze koloniën, toestroomen, slechts verkregen werden ten koste van het zweet en het bloed onzer Javaansche broeders, dan zouden wij met den schrijver moeten uitroepen, dat Nederland den naam van “roofstaat” verdient, dan zou ons eene wonde zijn ontdekt, waarvan de diepte bijna niet te peilen, de genezing niet genoeg te bespoedigen zou zijn!Maar is die beschuldiging gegrond?Als Nederlander, als mensch, valt het moeilijk het te gelooven. Doch aan den anderen kant (en wij beroepen ons hier op allen, die den »Max Havelaar» gelezen hebben) de schrijver heeft niets wat aan een lasteraar zou kunnen doen denken; hij slaat eentoon aan, die overreedtniet alleen, maar die ook overtuigt, die aan zijne waarheidsliefde bijna nietkandoen twijfelen; hij deeltfeitenmede, gelijk alleen een ooggetuige, en eenwaarheidzoekendooggetuige, ze mededeelen kan; hij verklaart alles te kunnenbewijzen, hij duidt de schuldigen als met den vinger aan36en tart hen uit, hem van eene enkele onwaarheid te overtuigen.Als wij dus de vraag herhalen: »is die beschuldiging gegrond?» dan moeten wij antwoorden: »wij durven noch bevestigen noch ontkennen.” Een zeer onbevredigend antwoord voorzeker! Want de zekerheid van het nietbestaan der kwaal zou ons gerust stellen; de zekerheid van haar bestaan zou de genezing mogelijk maken; de onzekerheid alleen doemt tot vrees en tot werkeloosheid.Waarom zwijgen zij, die de waarheid kennen? Waarom laten zij ons, vier lange maanden in de onzekerheid?Oud-Gouverneurs-Generaal,Oud-Residenten,Oud-Assistent-Residenten, gij allen die door Multatuli zijt beschuldigd, breekt het stilzwijgen af! Het vaderland verlangt het, uwe eer vordert het! Hoe? Multatuli werpt als in het voorbijgaan, zonder opzet en uit onbedachtzame jacht op geestigheid, een smet op de edele zendelingszaak, en dadelijk treedt voor haar een kampioen op, ridderlijk loyaal, met open vizier, om hem voldoening te vragen37engy, die hij, niet in ’t voorbijgaan, maar zonder ophouden, opzettelyk trof,gy, die hij kwetste op de plaats, waar mannen van eer het gevoeligst zijn, gij zoudt voortgaan met zwijgen, gij zoudt u als weêrloos laten slaan, als eerloos, laten beleedigen, gij zoudt de smet laten kleven op uwe namen? U is een handschoen toegeworpen, openlijk voor ’t oog der gansche natie, bij het klaar licht der eeuw der openbaarheid; raapt hem op! treedt in het strijdperk! Vier maanden38zijn voldoende geweest, om uwe wapenen in orde te brengen.—Gij zijt gedagvaard voor de regtbank der openbare meening, verschijnt voor de balie! Vier maanden zijn u voldoende geweest om uwe verdediging voor te bereiden. Zoo gij onschuldig zijt, stelt ons gerust! Zijt gij schuldig, bekent dan schuld en geeft ons gelegenheid het kwaad te herstellen door u bedreven inonzennaam!Tweede Kamer der Staten-Generaal!de handhaving van de eer der natie behoort tot uwe roeping. Als zij, die in ’t bezit zijn van de waarheid, voortgaan met hun majestueus stilzwijgen, interpelleer dan den verantwoordelijken man, die door zijn post tot spreken geroepen is. Vraag den Minister van Koloniën, of Neêrlands eer in de O. Indiën met voeten getreden wordt!Volk van Nederland.Eerlijk volk, christelijk volk! blijft niet onverschillig in deze zaak. Het zijnuwebroeders, die niet totuwvoordeel, maar totuweschande, zouden worden vertrapt en uitgezogen inuwennaam. Gij hebt regt om te weten of die aanklagt gegrond of valsch, of uwe eer bevlekt of zuiver is! Gij hebt regt om te eischen, dat er een einde kome aan die onzekerheid, waaringij wordt gelaten. Het is beter het ergste te hooren, dan niets. Het is geen schande krank te zijn, maar het is schandelijk, om, als men u toeroept:«Gij zijt ziek!» onverschillig te blijven, en zonder naar uw vermeende kwaal onderzoek te doen, in flaauwheid den tijd tot herstel geschikt te laten voorbijgaan. Als het zwijgen der O.-Indische ambtenaren mogt voortduren, als ook uwe Vertegenwoordigers onverschillig mogten blijven, herinnert u dan, dat gij geregeerd wordt door een Koning, die het licht lief heeft, en de duisternis haat.Ga vrijmoedig tot hem, en zeg aan den Keizer van Insulinde:«Sire, laat een onderzoek instellen! Geef ons licht! Als Multatuli een valsch aanklager is, laat ons dan weten, dat Nederlands eer onbezoedeld is gebleven,—zoo hij de waarheid heeft doen hooren, herstel hem dan in zijne eer39den edelen Max Havelaar, straf de schuldigen, en neem de misbruiken weg.»Dagbladpers van Nederland, ondersteun onze pogingen! Laat niet af, met gelijk wij te vragen omlicht, dat ons in plaats van de vraag: «Is Nederland een roofstaat?» den kreet zal kunnen doen uiten: «Nederland is Goddank geen roofstaat!» of wel: «Nederland wil met Gods hulp ophouden een roofstaat te zijn!»In die merkwaardige zitting der Tweede Kamer, waarin onze volksvertegenwoordigers zoo treffend hebben getoond hunne roeping te begrijpen, waarin zij openlijk hebben gebroken met dat misbruik, dat het antwoord op de Troonrede verlaagt tot een loutere echo van de woorden der Regering, is ook (al werd de naam zelf angstvallig vermeden) de «Max Havelaar» ter sprake gebragt, en heeft een der leden der Tweede Kamer,indat boek zwaar beschuldigd,overdat boek het woord gevoerd.40De aanleiding daartoe werd gegeven door de HH. van Hoëvell en Myer. Eerstgenoemde constateerde het door ons reeds aangewezen feit «DAT DOOR DAT BOEK EENE ZEKERE RILLING DOOR HET LAND GEGAAN EN GROOTE ONGERUSTHEID, JA, VERONTWAARDIGING IN VELER GEMOED ONTSTAAN WAS,» en zag in die, door de Tweede Kamer niet beaamde zinsnede der Regeeringsboodschap: «de toestand der overzeesche bezittingen is in alle opzigten bevredigend» een door den Minister van Koloniënte vergeefsaangewend middel om die ongerustheid en die verontwaardiging weg te nemen. Laatstgemelde (op wiens rede wij straks nog zullen terugkomen) constateerde ook het feit, dat er in dat werk sommige personen—en wel bij name een oud-landvoogd—zwaar worden beschuldigd.41Wat mogt men nu verwachten toen deze laatste, de heer Duymaer van Twist, het woord opnam? Dat hij zichthansvan de aanklagt zou zuiveren? Geenszins: zoo iets kon niet te pas komen bij eene discussie over het antwoord op de Troonrede. Doch men had althans mogen verwachten, dat spreker zich onthouden zou van die ons onbegrijpelijke verklaring, dat hij Multatuli nooit weerleggen zal—eene verklaring, die, schoon niet met ronde woorden uitgesproken, evenwelmoetworden afgeleid uit sprekers ondubbelzinnige woorden: «ik meen dat uit ’t geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen, voor mij geen verpligting tot verantwoording kan ontstaan.»Voor zooverre nu een voortdurend stilzwijgen alleen de eer van de beschuldigden in gevaar zou kunnen brengen, is hethunnezaak: wij zijn niet geroepen voor particuliere belangen op te treden. Doch de «Max Havelaar» heeft ook door gansch Nederland ongerustheid en verontwaardiging verwekt. Dit is een feit dat niet kan worden geloochend, en nog daar te boven door den heer van Hoëvell in ’t openbaar is geconstateerd. Uit dit feit nu vloeit onmiddellijk voort, dat ieder Nederlander, die de ongerustheidkanwegnemen,verplichtis om dat te doen. Kan dan één hunner zich van dien pligt ontslaan door de verklaring: «dat uit ’t geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen,voor hemgeene verpligting tot verantwoording ontstaan kan?» Wij betwijfelen het.Vreemdsoortig is ook het argument, waarmede de heer D. v. T. dat stilzwijgen schijnt te willen regtvaardigen. «Ik meen,» zeide hij, «dat ’t geen ik over dat boek zou kunnen zeggen, den schijn van partijdigheidniet zou kunnen ontgaan.»Dit is eene overdrevene kieschheid. Waar het verdediging geldt, kan het verwijt van partijdigheid niet treffen. Een advokaat b.v. kan in zijn pleidooien nooit den schijn van partijdigheid ontgaan; hij is partijdig reeds daarom, omdat hij voor eene bepaalde partij optreedt. Is hij daarom verpligt of zelfs gerechtigd een deftig stilzwijgen te bewaren?Ook na de verklaring van den heer Duymaer v. Twist, blijven wij dus volharden bij ons vroeger ontwikkeld gevoelen, dat de aangeklaagden het stilzwijgen, dathunneeer en het geluk van Nederland in de waagschaal stelt, behooren af te breken. Zij kunnen er niets bij verliezen, en (zoo zij ten minste—wat wij nog altijd hopen—onschuldig zijn) alles bij winnen. Hoe langer zij dat uitstellen, hoe meer het vertrouwen van hen, die het slechte liefst niet geloovende, hen voor onschuldig houden, zal geschokt worden, en bleven zij zwijgen tot het einde toe, dan zouden wij vreezen, dat ook hier weder de openbare meening (waaraan hun toch zeker wel iets zou gelegen liggen) vonnissen zoude, volgens den ouden regel:ZWIJGEN IS TOESTEMMEN!42Laathen dat resultaat voorkomen, terwijl het nog tijd is! Laat hen vooral den eisch der eeuw niet vergeten! Onze 19deeeuw heeft nu eenmaal geen behagen in de duisternis; zij begint met om licht tevragen; wordt het geweigerd, daneischtzij het en weet het te verschaffen.Eindelijk nog iets over de redevoering van den heer Myer. Het doel van dezen spreker was, gelijk hij zeide,nietom de aangeklaagden te verdedigen (’t geen hij en teregt, aan hen zelven overliet). Van dit programma week hij niet af, toen hij een feit mededeelde, waaruit blijken moest en ook werkelijk blijkt, dat ersomsin Oost-Indië regt wordt gedaan en het onregt gestraft. Want dit feit, hoe waar ook, verzwakt in geenen deele de aanklagt van Multatuli. Dat erSOMSregt geschiedt, is nog geen reden om over het voorkomende onregt heen te stappen. Op dit gebied wordt geen compensatie toegestaan. In de18deeeuw zijn er in Frankrijk misschien duizende rechtvaardige vonnissen geveld; toch zal dit de verontwaardiging over den gerechtelijken moord van Jean Calas niet verminderen? Zoo het bleek, dat Multatuli’s klacht gegrond was, dan zou alleen de mogelijkheid, dat er zulke schreeuwendeonregtvaardighedenkunnengebeuren, (’t zij dan stelselmatig of niet) reeds eene onverwijlde hervorming in het O.-Indisch bestuur noodzakelijk maken. En als de heer Myer, toegevende dat er in Oost-Indiën misbruiken bestaan, beweert, dat die in alle Oostersche Staten worden aangetroffen, dan antwoorden wij dat het dan hoog tijd is, om eens te beproeven of er ook een Oostersch volkzonderonregt kan geregeerd worden, en dat in elk geval Nederland geen deel wil hebben aan schatten ten koste van het regt verkregen.Maar wèl week de heer Myer van zijn programma af, toen hij deze woorden uitsprak: »ik kan begrijpen dat een werk in eenen zoo schoonen, wegslependen stijl en met zooveel talent geschreven,op vele onkundigen en ligtgeloovigen, of bij dezulken die gaarne aannemen wat ten nadeele van het bestuur in N.-Indië gezegd wordt, een ongunstigen indruk heeft gemaakt.” Dit is eeneSeitenhiebop «Max Havelaar» dien wij betreuren, want de schrijver—al dwaalt hij welligt ook in zijne voorstellingen—behoort toch ongetwijfeld tot die weinige mannen, die aan het algemeen belang boven het eigenbelang de voorkeur gevende, voor eenein hunne oogengoede zaak, hunne carrière hebben opgeofferd en den haat der grooten hebben getrotseerd. Het is ook een aanval op ons, en op allen die met ons uit den«Max Havelaar» stof tot ongerustheid hebben geput; wij ongerusten moeten volgens die voorstelling òfdomòfslechtzijn. Wij achten ons niet verplicht de insinuatie te weerleggen.Integendeel, wij nemen ze aan. Wij zullen doen als de Geuzen en den scheldnaam aangrijpen! Welaan dan! Wij behooren tot die turbe van onkundigen en ligtgeloovigen! Wij zijn verleid, verblind!... Maar geeft ons dan tegengift, gij, oud-ambtenaren, die dat tegengift bewaart! Of zult gij onmenschelijk genoeg zijn spottende uit te roepen: zij zijn vergiftigd en ons dan het tegengift weigeren? Wijzijndom, onkundig, lichtgeloovig, al wat gij maar wilt? Zult gij dan nog voortgaan ons uw licht te onthouden?...Misschien hecht men weinig aan ons oordeel, en blijft ons vernieuwd verzoek om licht, nog door geen ander dagblad ondersteund, zonder uitwerking. Bedenke men dan, dat het altijd onvoorzichtig is een vonk te verachten, omdat hij slechts vonk is, vergetende, dat hij een vlam kan worden!»43

IS NEDERLAND EEN ROOFSTAAT.

»Vier maanden zijn reeds voorbijgegaan, sinds Multatuli, een oud-Oost-Indisch ambtenaar,—naar hij beweert, miskend, vervolgd en tot aftredinggedwongendoor zijne superieuren, in zijn »Max Havelaar of de koffiveilingen der Ned. Handelmaatschappij,» de gezaghebbers in onze Oost-Indische koloniën openlijk aanklaagde dat zij hun pligt verzaken, hun eed schenden, de stem der menschelijkheid en der godsdienst, van het geweten en de eer smoren,—dat zij de Javanen, wier bescherming hun is opgedragen, met lafhartigheid, maar vooral ook uiteigen belang, willens en wetens, ten prooi laten aan de knevelarijen en afpersingen hunner hoofden, dat zij hen stelselmatig laten vertrappen en uitzuigen inonzennaam, en gelijk het heet, totonsvoordeel—dat zij valsche rapporten uitbrengen om het moederland van dien ons onteerenden toestand onkundig te laten,—en dat zij den zeldzamen ambtenaar, die zich niet tot hun medeplichtige leenen, maar zijn eed gestand doen, en zijn plicht volbrengen wil, tegenwerken, verdacht maken, vervolgen, ontslaan.

Ontzettende beschuldiging voorwaar! Zoo zij gegrond ware, zoo de schatten, die ons uit onze koloniën, toestroomen, slechts verkregen werden ten koste van het zweet en het bloed onzer Javaansche broeders, dan zouden wij met den schrijver moeten uitroepen, dat Nederland den naam van “roofstaat” verdient, dan zou ons eene wonde zijn ontdekt, waarvan de diepte bijna niet te peilen, de genezing niet genoeg te bespoedigen zou zijn!

Maar is die beschuldiging gegrond?

Als Nederlander, als mensch, valt het moeilijk het te gelooven. Doch aan den anderen kant (en wij beroepen ons hier op allen, die den »Max Havelaar» gelezen hebben) de schrijver heeft niets wat aan een lasteraar zou kunnen doen denken; hij slaat eentoon aan, die overreedtniet alleen, maar die ook overtuigt, die aan zijne waarheidsliefde bijna nietkandoen twijfelen; hij deeltfeitenmede, gelijk alleen een ooggetuige, en eenwaarheidzoekendooggetuige, ze mededeelen kan; hij verklaart alles te kunnenbewijzen, hij duidt de schuldigen als met den vinger aan36en tart hen uit, hem van eene enkele onwaarheid te overtuigen.

Als wij dus de vraag herhalen: »is die beschuldiging gegrond?» dan moeten wij antwoorden: »wij durven noch bevestigen noch ontkennen.” Een zeer onbevredigend antwoord voorzeker! Want de zekerheid van het nietbestaan der kwaal zou ons gerust stellen; de zekerheid van haar bestaan zou de genezing mogelijk maken; de onzekerheid alleen doemt tot vrees en tot werkeloosheid.

Waarom zwijgen zij, die de waarheid kennen? Waarom laten zij ons, vier lange maanden in de onzekerheid?

Oud-Gouverneurs-Generaal,Oud-Residenten,Oud-Assistent-Residenten, gij allen die door Multatuli zijt beschuldigd, breekt het stilzwijgen af! Het vaderland verlangt het, uwe eer vordert het! Hoe? Multatuli werpt als in het voorbijgaan, zonder opzet en uit onbedachtzame jacht op geestigheid, een smet op de edele zendelingszaak, en dadelijk treedt voor haar een kampioen op, ridderlijk loyaal, met open vizier, om hem voldoening te vragen37engy, die hij, niet in ’t voorbijgaan, maar zonder ophouden, opzettelyk trof,gy, die hij kwetste op de plaats, waar mannen van eer het gevoeligst zijn, gij zoudt voortgaan met zwijgen, gij zoudt u als weêrloos laten slaan, als eerloos, laten beleedigen, gij zoudt de smet laten kleven op uwe namen? U is een handschoen toegeworpen, openlijk voor ’t oog der gansche natie, bij het klaar licht der eeuw der openbaarheid; raapt hem op! treedt in het strijdperk! Vier maanden38zijn voldoende geweest, om uwe wapenen in orde te brengen.—Gij zijt gedagvaard voor de regtbank der openbare meening, verschijnt voor de balie! Vier maanden zijn u voldoende geweest om uwe verdediging voor te bereiden. Zoo gij onschuldig zijt, stelt ons gerust! Zijt gij schuldig, bekent dan schuld en geeft ons gelegenheid het kwaad te herstellen door u bedreven inonzennaam!

Tweede Kamer der Staten-Generaal!de handhaving van de eer der natie behoort tot uwe roeping. Als zij, die in ’t bezit zijn van de waarheid, voortgaan met hun majestueus stilzwijgen, interpelleer dan den verantwoordelijken man, die door zijn post tot spreken geroepen is. Vraag den Minister van Koloniën, of Neêrlands eer in de O. Indiën met voeten getreden wordt!

Volk van Nederland.Eerlijk volk, christelijk volk! blijft niet onverschillig in deze zaak. Het zijnuwebroeders, die niet totuwvoordeel, maar totuweschande, zouden worden vertrapt en uitgezogen inuwennaam. Gij hebt regt om te weten of die aanklagt gegrond of valsch, of uwe eer bevlekt of zuiver is! Gij hebt regt om te eischen, dat er een einde kome aan die onzekerheid, waaringij wordt gelaten. Het is beter het ergste te hooren, dan niets. Het is geen schande krank te zijn, maar het is schandelijk, om, als men u toeroept:«Gij zijt ziek!» onverschillig te blijven, en zonder naar uw vermeende kwaal onderzoek te doen, in flaauwheid den tijd tot herstel geschikt te laten voorbijgaan. Als het zwijgen der O.-Indische ambtenaren mogt voortduren, als ook uwe Vertegenwoordigers onverschillig mogten blijven, herinnert u dan, dat gij geregeerd wordt door een Koning, die het licht lief heeft, en de duisternis haat.

Ga vrijmoedig tot hem, en zeg aan den Keizer van Insulinde:«Sire, laat een onderzoek instellen! Geef ons licht! Als Multatuli een valsch aanklager is, laat ons dan weten, dat Nederlands eer onbezoedeld is gebleven,—zoo hij de waarheid heeft doen hooren, herstel hem dan in zijne eer39den edelen Max Havelaar, straf de schuldigen, en neem de misbruiken weg.»

Dagbladpers van Nederland, ondersteun onze pogingen! Laat niet af, met gelijk wij te vragen omlicht, dat ons in plaats van de vraag: «Is Nederland een roofstaat?» den kreet zal kunnen doen uiten: «Nederland is Goddank geen roofstaat!» of wel: «Nederland wil met Gods hulp ophouden een roofstaat te zijn!»

In die merkwaardige zitting der Tweede Kamer, waarin onze volksvertegenwoordigers zoo treffend hebben getoond hunne roeping te begrijpen, waarin zij openlijk hebben gebroken met dat misbruik, dat het antwoord op de Troonrede verlaagt tot een loutere echo van de woorden der Regering, is ook (al werd de naam zelf angstvallig vermeden) de «Max Havelaar» ter sprake gebragt, en heeft een der leden der Tweede Kamer,indat boek zwaar beschuldigd,overdat boek het woord gevoerd.40

De aanleiding daartoe werd gegeven door de HH. van Hoëvell en Myer. Eerstgenoemde constateerde het door ons reeds aangewezen feit «DAT DOOR DAT BOEK EENE ZEKERE RILLING DOOR HET LAND GEGAAN EN GROOTE ONGERUSTHEID, JA, VERONTWAARDIGING IN VELER GEMOED ONTSTAAN WAS,» en zag in die, door de Tweede Kamer niet beaamde zinsnede der Regeeringsboodschap: «de toestand der overzeesche bezittingen is in alle opzigten bevredigend» een door den Minister van Koloniënte vergeefsaangewend middel om die ongerustheid en die verontwaardiging weg te nemen. Laatstgemelde (op wiens rede wij straks nog zullen terugkomen) constateerde ook het feit, dat er in dat werk sommige personen—en wel bij name een oud-landvoogd—zwaar worden beschuldigd.41

Wat mogt men nu verwachten toen deze laatste, de heer Duymaer van Twist, het woord opnam? Dat hij zichthansvan de aanklagt zou zuiveren? Geenszins: zoo iets kon niet te pas komen bij eene discussie over het antwoord op de Troonrede. Doch men had althans mogen verwachten, dat spreker zich onthouden zou van die ons onbegrijpelijke verklaring, dat hij Multatuli nooit weerleggen zal—eene verklaring, die, schoon niet met ronde woorden uitgesproken, evenwelmoetworden afgeleid uit sprekers ondubbelzinnige woorden: «ik meen dat uit ’t geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen, voor mij geen verpligting tot verantwoording kan ontstaan.»

Voor zooverre nu een voortdurend stilzwijgen alleen de eer van de beschuldigden in gevaar zou kunnen brengen, is hethunnezaak: wij zijn niet geroepen voor particuliere belangen op te treden. Doch de «Max Havelaar» heeft ook door gansch Nederland ongerustheid en verontwaardiging verwekt. Dit is een feit dat niet kan worden geloochend, en nog daar te boven door den heer van Hoëvell in ’t openbaar is geconstateerd. Uit dit feit nu vloeit onmiddellijk voort, dat ieder Nederlander, die de ongerustheidkanwegnemen,verplichtis om dat te doen. Kan dan één hunner zich van dien pligt ontslaan door de verklaring: «dat uit ’t geen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen,voor hemgeene verpligting tot verantwoording ontstaan kan?» Wij betwijfelen het.

Vreemdsoortig is ook het argument, waarmede de heer D. v. T. dat stilzwijgen schijnt te willen regtvaardigen. «Ik meen,» zeide hij, «dat ’t geen ik over dat boek zou kunnen zeggen, den schijn van partijdigheidniet zou kunnen ontgaan.»

Dit is eene overdrevene kieschheid. Waar het verdediging geldt, kan het verwijt van partijdigheid niet treffen. Een advokaat b.v. kan in zijn pleidooien nooit den schijn van partijdigheid ontgaan; hij is partijdig reeds daarom, omdat hij voor eene bepaalde partij optreedt. Is hij daarom verpligt of zelfs gerechtigd een deftig stilzwijgen te bewaren?

Ook na de verklaring van den heer Duymaer v. Twist, blijven wij dus volharden bij ons vroeger ontwikkeld gevoelen, dat de aangeklaagden het stilzwijgen, dathunneeer en het geluk van Nederland in de waagschaal stelt, behooren af te breken. Zij kunnen er niets bij verliezen, en (zoo zij ten minste—wat wij nog altijd hopen—onschuldig zijn) alles bij winnen. Hoe langer zij dat uitstellen, hoe meer het vertrouwen van hen, die het slechte liefst niet geloovende, hen voor onschuldig houden, zal geschokt worden, en bleven zij zwijgen tot het einde toe, dan zouden wij vreezen, dat ook hier weder de openbare meening (waaraan hun toch zeker wel iets zou gelegen liggen) vonnissen zoude, volgens den ouden regel:ZWIJGEN IS TOESTEMMEN!42Laathen dat resultaat voorkomen, terwijl het nog tijd is! Laat hen vooral den eisch der eeuw niet vergeten! Onze 19deeeuw heeft nu eenmaal geen behagen in de duisternis; zij begint met om licht tevragen; wordt het geweigerd, daneischtzij het en weet het te verschaffen.

Eindelijk nog iets over de redevoering van den heer Myer. Het doel van dezen spreker was, gelijk hij zeide,nietom de aangeklaagden te verdedigen (’t geen hij en teregt, aan hen zelven overliet). Van dit programma week hij niet af, toen hij een feit mededeelde, waaruit blijken moest en ook werkelijk blijkt, dat ersomsin Oost-Indië regt wordt gedaan en het onregt gestraft. Want dit feit, hoe waar ook, verzwakt in geenen deele de aanklagt van Multatuli. Dat erSOMSregt geschiedt, is nog geen reden om over het voorkomende onregt heen te stappen. Op dit gebied wordt geen compensatie toegestaan. In de18deeeuw zijn er in Frankrijk misschien duizende rechtvaardige vonnissen geveld; toch zal dit de verontwaardiging over den gerechtelijken moord van Jean Calas niet verminderen? Zoo het bleek, dat Multatuli’s klacht gegrond was, dan zou alleen de mogelijkheid, dat er zulke schreeuwendeonregtvaardighedenkunnengebeuren, (’t zij dan stelselmatig of niet) reeds eene onverwijlde hervorming in het O.-Indisch bestuur noodzakelijk maken. En als de heer Myer, toegevende dat er in Oost-Indiën misbruiken bestaan, beweert, dat die in alle Oostersche Staten worden aangetroffen, dan antwoorden wij dat het dan hoog tijd is, om eens te beproeven of er ook een Oostersch volkzonderonregt kan geregeerd worden, en dat in elk geval Nederland geen deel wil hebben aan schatten ten koste van het regt verkregen.

Maar wèl week de heer Myer van zijn programma af, toen hij deze woorden uitsprak: »ik kan begrijpen dat een werk in eenen zoo schoonen, wegslependen stijl en met zooveel talent geschreven,op vele onkundigen en ligtgeloovigen, of bij dezulken die gaarne aannemen wat ten nadeele van het bestuur in N.-Indië gezegd wordt, een ongunstigen indruk heeft gemaakt.” Dit is eeneSeitenhiebop «Max Havelaar» dien wij betreuren, want de schrijver—al dwaalt hij welligt ook in zijne voorstellingen—behoort toch ongetwijfeld tot die weinige mannen, die aan het algemeen belang boven het eigenbelang de voorkeur gevende, voor eenein hunne oogengoede zaak, hunne carrière hebben opgeofferd en den haat der grooten hebben getrotseerd. Het is ook een aanval op ons, en op allen die met ons uit den«Max Havelaar» stof tot ongerustheid hebben geput; wij ongerusten moeten volgens die voorstelling òfdomòfslechtzijn. Wij achten ons niet verplicht de insinuatie te weerleggen.

Integendeel, wij nemen ze aan. Wij zullen doen als de Geuzen en den scheldnaam aangrijpen! Welaan dan! Wij behooren tot die turbe van onkundigen en ligtgeloovigen! Wij zijn verleid, verblind!... Maar geeft ons dan tegengift, gij, oud-ambtenaren, die dat tegengift bewaart! Of zult gij onmenschelijk genoeg zijn spottende uit te roepen: zij zijn vergiftigd en ons dan het tegengift weigeren? Wijzijndom, onkundig, lichtgeloovig, al wat gij maar wilt? Zult gij dan nog voortgaan ons uw licht te onthouden?...

Misschien hecht men weinig aan ons oordeel, en blijft ons vernieuwd verzoek om licht, nog door geen ander dagblad ondersteund, zonder uitwerking. Bedenke men dan, dat het altijd onvoorzichtig is een vonk te verachten, omdat hij slechts vonk is, vergetende, dat hij een vlam kan worden!»43

Helaas, helaas, niemand antwoordt! Als ik eens aan den Koning schreef? Dit dééd ik ... tweemalen reeds! Hy heeft niet geantwoord. EnMultatulizond hem z’n boek over de veilingen! Zou de Koning ’t gelezen hebben? Zeker!

Dan immers had hy gezegd:IK WIL WETEN OF DIT ALLES WAAR IS!Ja, dan zou hy me geroepen hebben, en ik had hem getoond:DAT ALLES WAAR IS!

Ik ben bedroefd dat ik u niets kan zenden,Tine! Tracht nog wat uit te houden ... misschien antwoordt de minister. Leidt de kinderen wat af, als ze vragen ... o god!

Ik ben moe.

VAN TINE AAN FANCY.

Fancy... ik smeek u ... kom hem te-hulp! ...

AAN TINE.

Ik heb u in lang niet geschreven, omdat ik ... omdat ik ... ik weet het niet. Ik geloof dat ik niet wèl ben. ’t Zal wel overgaan. Houd u maar goed, myn kind. Vraag aan dien man van ’t huis waarinMultatulidat boek schreef. Hy zal u wel wat eten geven voor de kinderen,..

VAN TINE AAN FANCY.

Fancy!

VAN TINE.

BesteMax! Wees maar opgeruimd,alles gaat heel goed. De kinderen zyn volmaakt wèl, àl te vrolyk eigenlyk, al te dartel! Zy zien wat bleek ... maar dat komt van ’t wisselen. Zy eten als wolven. Wees gerust, Max. Ook ik ben wèl, héél wel, en goed gestemd ... we wandelen veel ... o, ge moest het zien ... zoo levenslustig!

VAN TINE AAN FANCY.

Fancy... om-godswil ...Fancy!

AAN TINE.

Zóó! Dán is ’t goed. Ik dacht dat ge in grooten nood waart. Dit is zoo niet, zegt ge, dan is alles goed! Wat my betreft, ik word nog geplaagd door dien droom over leegte ... zonderling! Ik drink te veel koffi misschien. Nog gedurig kryg ik zotte brieven...

Ik heb ’n bezoek gehad van dien domine. Hy heeft een paar uur by me gezeten. Hy wilde dat ik zyn geloof aannam. ’t Was zoo jammer, zeid-i dat ik geen Christen was, overigens was ikzoo’n goed mensch. Dan is ’t veranderen de moeite niet waard, dacht ik. Maar ’n paar dagen later schreef hy, dat-i zooveel kwaads van me gehoord had, en dat ik verdoemd was. In-godsnaam.

Ik kan u niets zenden, lieveTine! ’t Doet me innig genoegen dat uw brief zoo vrolyk is, en dat de kinderen wèl zyn. Dat beurt me wat op. Ik was ’n beetje moe. Maar ik wilde toch dat ik u wat zenden kon, want me dunkt ... hoe maakt ge ’t toch?

Ik wou zoo graag dat ik ’n ambacht verstond ... maar’tmoest iets wezen, waarby weinig of niets te denken viel. ’t Denken wilde ik graag voor óns houden. Vindt ge ook niet? Ik zou wel boekbinder willen wezen ... neen, tòch niet, dat is te verleidelyk. Maar steenzagen zou wel gaan, als ik daartoe sterk genoeg was. Ik vrees neen, want ik ben wat uitgeput. We zouden van zoo’n ambacht wel kunnen leven, dunkt me, als we maar geen schulden hadden. Maar ze zouden my de zaag afnemen ... neen, de wet waarborgt ieder het bezit van de gereedschappen, die noodig zyn voor z’n bedryf. Ook van dekleêrtjesdie de kinderenaanhebben... om de decentie, denk ik. Dat is toch lief van de wet.

Maar allietmen my de zaag, ik kan daarmee niet genoeg verdienen om onze schulden te betalen. En als ik klaag, antwoorden ze:schryf!

O, aanUschryven,.. dit is wat anders! Wilt ge dat ik wat schryf aanU? Wilt ge dat ikUiets vertel ... sprookjes, geschiedenissen ... heel graag,Tine! Ik zal gauw wat voor u maken, maar vertel ze niet aan kleinenMax. Hy begrypt ze niet ... evenmin als groote menschen, al heeft hy dan by ’tnietbegrypen geen belang.

Eerste Sprookje.Een netgekleed heer, goudgekettingd en tevreden, wandelde langs een der grachten vanAmsterdam. Hy was in de stad voor “zaken”. Straks zult ge zien, wèlke zaken. Daar wandelde voor hem uit, een dame met haar kind. Door ik weet niet welk toeval, viel het kind in ’t water. De moeder gaf een gil ... en sprong het kind na, dat zy redde.De man van zaken zag het aan, haalde z’n zakboek uit, en maakte zich gereed daarin iets opteschryven.—Mevrouw, mag ik zoo vry zyn, uw naam en adres te vragen?—Myn kind, myn kind, ik heb m’n kind terug!—Zeer wel, maar mag ik zoo vry wezen...—Ik heb m’n kind terug, herhaalde de hoofdige moeder, die niet begreep dat men haar vragen kon naar iets anders dan haar kind.—Met die vrouw is niets te beginnen, bromde de nieuwsgierige vrager. Eilieve, vriendje, ik zal u ruim beloonen, als ge my morgen den naam en ’t adres opgeeft van die dame.Zóó vraagde de vreemdeling aan een der omstanders, en ’t schynt dat hy ditmaal te weten kwam wat hy begeerde te weten. Althans hy liet zich den volgenden dag aandienen by de gelukkige moeder.—Mevrouw, ik had de eer tegenwoordig te zyn...—O, waart ge dáár, mynheer? Hebt gy ’t gezien? Ik zag niets, ik hoorde niets, ik sprong...—Verschoon my, mevrouw, ik heb gehoord...—Gehoord?—Ja, mevrouw, Ik heb gehoord hoe ge...—Gehoord?Wàt toch?—Ik heb gehoord hoe gygegildheb, mevrouw ... ik kom u ’n engagement aanbieden by ’t theater.Arme moeder!Die man was ’nimpressariodie sujetten zocht. Hy heettePubliek.Tweede Sprookje.Chresoswoonde inBeotie. Van beroep was hy burgemeester van ’n dorpje welks naam ik niet weet. Ook kan ik u niet zeggen hoe hy verdwaald raakte inBeotie, daar z’n familie thuis hoorde in Athene ... ja, ik meende zelfs dat hy verwant was aanAlcibiades, een te vroeg geboren Franschman.Chresoswas ’n goed mensch, en leefde tevreden. Hy zorgde voor z’n dorpje zoo goed hy kon, en vermaakte zich in ledige oogenblikken met spelen op de luit. Maar dit deed hy alleen in huis, en nooit viel hy iemand lastig met z’n muziek.En zie, daar kwamen roovers die geweld-deden aan de bewoners van ’t dorpje, waarChresosgezag had. Hy legde z’n luit neer, en trachtte de roovers te verjagen. Men zeide hem, dat hy dit niet had moeten doen, omdat de roovers onder de bescherming stonden van den magistraat in de hoofdstad.MaarChresosgeloofde dit niet, omdat hy ’t àl te erg vond.Hy ging voort met het bestryden der roovers, en daar zy overmacht hadden, zond hy ’n bode naarThebeom hulp te vragen.In-stee van de gevraagde hulp te zenden, antwoordde men hem dat hy ’n onwaardig burgemeester was, en volstrekt niet geschikt om ’n ambt te bekleeden inBeotie. Dit laatste sprak hy niet tegen. Maar na z’n dorpelingen te hebben vermaand totgeduld, begaf hy zich met vrouw en kinderen op weg, niets meenemende dan z’n luit. Z’n huis werd ingenomen door ’n ander burgemeester, die zeker minder onwaardig was in de oogen van denThebaanschenmagistraat, en ook zeer bevriend scheen met de roovers die de dommeChresoshad willen uitroeien. Althans men hoorde niet meer klagen over de roovery, schoon de roovers in ’t land bleven.Met moeite verschafteChresoszich toegang tot denAreopagus, en verhaalde wat geschied was. Hy wees op z’n gezin, dat omkwam van ellende door ’tmisverstandvan den magistraat. Nog altyd hield hy de zaak voor misverstand. Ik heb u reeds gezegd dat hy eigenlyk niet thuishoorde inBeotie. Daarom oordeelde hy zoo verkeerd.Maar deAreopagusantwoordde niet.Chresosvermaande z’n vrouw tot geduld—wat niet noodig was—en troostte zich met spelen op de luit, dat ’n behoefte voor hem scheen.De tonen die hy aansloeg, waren in harmonie met z’n gewaarwordingen. Eigenlyk was hy geen groot muzikant, maar er is wat byzonders in ’t luitspel van ’n vader die z’n kinderen ziet derven. Dáárom en niet omdatChresosgoed speelde, luisterde men naar hem. Er was iets snydends in z’n spel, dat grove ooren kittelde. En er waren veel grove ooren inBeotie.Als men zeide: “fraai gespeeldChresos, ga voort!” dan viel z’n hand slap neder, en er blonk hem ’n traan in ’t oog, by de gedachte dat die onbegeerde lof de prys was van den honger zyner kinderen. Liever had hy nog slechter gespeeld, of in ’t geheel, niet, dan zóó! En hy vergeleek z’n ziel by de snaren zyner luit, die gespannen moesten zyn om klank te geven ... ja, gerekt op ’t breken af vóór de hoorders tevreden waren. “Zouden die snaren daarvan gevoel hebben als ik?” dacht hy.Maar toch speelde hy van-tyd tot-tyd, omdat hy niet anders kòn. En z’n gezin hongerde met geduld.Telkens weder beriep hy zich op denAreopagus. Eindelyk ontving hy het volgende vonnis:DeAreopagus, enz.“Gehoord de klachten van den oud-burgemeesterChresosover de rooveryen in ’t dorp ... enz.“Gehoord zyn verzoek om uitspraak te doen, tusschen hem en denThebaanschenmagistraat ... enz.“Gelet op de verklaring van gezegdenChresos, dat hy en de zynen verkeeren in zeer dringenden nood, ten-gevolge van een misverstand, dat dien magistraat zou hebben bewogen party te trekken voor de roovers die ’t dorp afloopen, waar gezegdeChresosvroeger burgemeester was.“Gelet op de verklaring van vele getuigen, die gezegdenChresoshebben hooren spelen op de luit.“Recht doende, enz.“Veroordeelt meergenoemdenChresostot de luit, en de kosten van ’t proces.”DieAreopaguswas omgekocht, en heetteNederland.Derde Sprookje.Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist,Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Werpt beitel neer en spade, o burgerluî,En roept uw dochters en uw knapen van hun spel.En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag!Werpt hamer, troffel, schaaf en weefspoel neer!Komt allen mee ... daar is wat fraais te zien!Komt allen mee ...hoerahvoorGolgotha!Hoerah,hoerahvoorGolgotha!—Dat zal, by God, wat schoons zyn deze keer!Hij schynt nog jong, en heeft iets in z’n blikDat taaiheid aanduidt ... zie, daar zygt hy neer:Hy schynt toch zwak te wezen! ’t Kruis is zwaar...Ik hoor: het is van ’t allerbeste hout! Men zegt,(MaarNathan, of het waar is weet ik niet!)Ze zeggen dat hyzelf het heeft geleverd,Toen hy als timmerman nog aan de schaafbank stond...Want, buurman, vóór hy, ’k weet niet wàt, misdeed,Ja, òf hy iets misdeed zelfsNathan, weet ik niet...Maar vóór hy deed wat men hem euvel nam,Was hy een timmerman als wy.—Hoe heet die man?—Dit weet ik waarlijk niet, men zegt hy ishanootzri...44Of wel, zijn vader was hanootzri. Hy lykt zwakVoor zulk ’n ambacht, maar z’n werk was goed...Hy struikelt weer ... (Op-zy wat,Jöchaz!Ei, laat my ook wat zien ... ge dringt me weg,Of ’t heele schouwspel waar voor u alleen! Hy zweet:Ik zeide u wel dat hy niet sterk was,Nathan.Maar toch geloof ik dat hy taai is, en ons nietBedriegen zal, als laatst die and’re diefDie pas ’n half uur had gehangen, toen z’n hoofdOp-zy knikte ... en ’t wasuit! Hy sprak geen enkel woordDat ons beloonde voor de moeite. Waart ge er by?(Houd kleineMirjamwat omhoog,Jochébed!)Zeg waart ge er by, oNathan ben Daöud,Toen ons die dief bestal voor zooveel moeite om-niet?—Ik had dien dag een splinter in myn voet,En dus geen lust inuitgaanof vermaak,Maar ’k heb gehoord ...—Ikwas er by, vriendNathan!Ik droeg m’n opperkleed van groene zyde,En had m’n tulband op vankashmirstofOmdat die koel is ... zie, hy struikelt weer,Maar staat weer op. Wat zeide ik ook het laatst?—De dief die u bedroog ...—Ik weet al. Nu dien dagWas ’t warm als heden ... neen, zoo warm was ’t niet:Want ... vindt ge ’t niet ontzettend heet van daagDe zon brandt me op den schedel. ’t Rouwt my welDat ik m’n tulband niet verruild heb voor mynKashmir,Die licht vankleuren koeler is ... dat doet de haast:Ik gunde my geen tijd—daar valt-i weer—Ik heb er spyt van ...Golgothais vèr!Zoo’n donk’re zuigt de warmte broeiend in,En dáárom heb ik spyt datGolgothazoo vèr is...Wat zeide ik ook het laatst?—Die slechte dief..—Ik bèn er! Uren liep ik mee, en hygde als nu...(Vervloekte hitte ... dringt zoo niet,Jöchaz!)Ik was vermoeid vóór halfweg ... en de dief(Let wel hoe schand’lijk die man ons bedroog)Liep met z’n kruis, als waar ’t ’n palmtak, voort!Hy zweette niet, en is niet eens gestruikeld ...Maar toen-ihing, was ’t daad’lijk met hemuit!Endeze—zie, hy struikelt weer—endezeIs niet zoo zwaar van bouw, zoo forsch van leest...Hy schynt wel teer van spieren ... doch zyn blikToont dat-i veel geleden heeft en droeg.Maar dat-ilangentyd nog lydenkàn!’k Ben zeker dat hysprekenzal aan ’t kruis,En dit is juist het aardigst van de zaak!De kinderen gaan, om dát te hooren, mee...Die andere dief was dood, vóór nog m’n vrouw,Die trager liep—omdat ze zwanger was, dien tyd,VanMirjam—(houd het schaapje omhoog,Jochébed!)Die dief was doód, vóór zy daar aankwam,Nathan!En ieder zeide dat het schande was!(GeefMirjammy,Jochébed! Hier m’n kind,Hu ... huup ... op vaders schouder! Kunje zien?Sla ’t kleine handje zóó ... om vaders hals,En houdje vast!) Wat zeide ik ook het laatst?—Die and’re dief ...—Ik weet al! Heel de buurtWas op de been gekomen, om dien man te zien.Daar waren met ons,Ruben,Ephraïm,Baënamet de kind’ren,Hiddal ben Elia,De dochters vanUrias,Schmoelde wisselaar ...(Ik zie hem juist, hy werpt den man met drek)Hy is ’t, die laatst verjaagd werd uit den tempel,Omdat hy schacherde inJehovah’shuis...—Wie jaagde ’m weg?—Ze zeggen zekereIscha...Jeshoeah, zoon vanJoszof, uit ’n grootGeslacht, die met ’n zweep hem voortjoeg als ’n hond,En ’t goud- en zilverkraampje omver smeet, dat de muntLinks, rechts wegspringend, neertikte op den grondEn rollend wegstoof onder ’t volk ...—Wie gaf hem rechtTot zulk ’n groot gezag?—Dit weet ik,Nathan, niet,Maar ’t is niet goed te schachren inJehovah’shuis!MynEphraïm... maar,Nathan ben Daöud,Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoop...(Daar werpt weerSchmoelden kruisman met z’n drek)Wat zeide ik ook het laatst?—Ge spraakt vanEphraïm,En van de wiss’laars in den tempel...—Juist!Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoopDat ge my niet verraden zult! M’n zoonDie ’t aanzag, wyl hy juist ’n handel sloot,Heeft, ylings bukkend, als om hulp te biênIn ’t zoeken—maar verklap me niet,ben Daud!—Hy heeft met scherp gezicht en vlugge hand..,In ’t kort, z’n handel was gezegend op dien dag:Hy kwam met dertig zilverlingen t’huis!Geloof me,Nathan, dieben Joszofhad gelyk ...’t Is ongeoorloofd dusJehovah’stempelTe ontwyden met ’n goud- en zilverkraam:jeshoeäh ben Joszofhad groot gelyk!’t Is dáárom ook datEphraïm, m’n zoon,Hem altyd zoekt en naloopt ... of hy weerTer zuivring uitgaat van Gods tempel, met ’n zweep,Maar sinds een week heeft hy hem niet gezien ...(Daar werpt dieSchmoelden kruisman weer met drek)—Die and’re dief ...—Ja, juist! Wy allen gingen mee, de heele buurt ...En toen-ihing, was ’t daadlyk uit,ben Daud!Och kleine, druk zoo zwaar niet aan m’n hals!)’t Is warm—hy struikelt weer—hy schynt vermoeid ...Ik zeg u, dit beteekent niets, vriendNathanGe weet, hoe ’t hout datmaklykbuigt, niet breekt,En hoe het harde knakt, by ’t minste buigen:Zóó ook die man ... ik zeg u, hy is taai!—Eilieve, zie ... die vrouw!... Zou dat z’nvrouwzyn?De vrouw die schreiend volgt, en neergebukt,Als-of zyzelve ’t kruis droeg op haar schouder!Zy steekt de magre hand gedurig uit,Als wilde zy den kruisman schragen ... Is ’t zynvrouw?—Dit weet ik waarlyk niet ... ze schynt my te oud.En bovendien ... ik zie geenkindren! Neen,Dat is gewis z’nmoeder... zie, ze waggelt!Ik heb zoo vaak zoo’n kruisweg meegemaakt,(De kind’ren zyn er dol op, de arme schapen!En altyd opgemerkt, dat wie ’nvrouwheeftEnkind’ren, die naar ’t kruis hem weenend volgen,(Wees rustig,Mirjam: vader is vermoeid!)Zoo taai niet is alsdeze,Nathan ben Daöud!Ik zeg u nog-eens: deze man istaai:Eenvaderzou zoo taai niet wezen,Nathan!Hy is wat moe van ’tgaan, maar als-ihangt,Is dit terstond voorby! VriendNathan, help me ’t kindEens overzetten, op dien andren schouder ... zóó!Het drukt zoo op-den-duur, al schynt het licht in ’t eerst!(Zit stil, m’n kind!) Ja,dezeis wat vermoeid,Misschien wat zwak ook door het bloedverlies,(Schuif niet zoo heen-en-weer, m’n kind: dat doet me pyn!)Men zegt dat-i gegeeseld is ... Ziet ge zynrug?Tracht heentekyken over ’t volk, vriendNathan!—Ik hebJöchazvoor my ...—Kuntgy’t zien,Jöchaz?—Ik zie alleen den top en d’ arm van ’t kruisDat slingrend voortschuift als-i waggelt, maar verdwyntZoodra hy neerzwikt ... zie, daar valt het weer,En ryst nu langzaam weer omhoog!—Dat zie ikzelfZoo goed als gy dat ziet,Jöchaz! Maar ik wenschTe weten of z’n rug ... zoo’n kind is vreeselyk zwaar!Wees niet zoo woelig, kleine: uw vader is vermoeid ...Kuntgyz’n rug zien, kind, zyn naakten rug?Den rug des mans, die ginds dat kruis draagt, kind,En die doorSchmoelgeworpen wordt met drek?Ik houd u hoog ... zie goed ... maar zie wat snel,Omdat ik moe ben, Mirjam! Nu?—Die rug is rood ...Ge hoort het,ben Daöud... dàt maakt hem zwak!Men heeft hem eerst gegeeseld, dat maakt zwàk!Maar ’t gaat wel òver, als-i hangt. Hij zalGewis zoo gauw niet knikken met het hoofd ...(Zit stil, myn kind, ge drukt me ontzettend zwaar!)Ik zeg u,Nathan, deze man is taai!’t Is jammer dat ik niet mynKashmirheb ...(Zit rustig kind, of vader zet u neer:Ik ben vermoed!) En ieder zei,ben Daöud:Het was ’n schande ... dáádlyk was hetuit!Maardezezal zoo gauw niet sterven aan het kruis,Hy zal gewis watsprekenvoor-i knikt!Dat praten dan de kindren jub’lend na,En maken grappig spel van wat-i zeide,En spelen kruisman, weken naderhand!Dit beurt wat op, in dezen slechten tyd!Maar als-i zwygt aan ’t kruis, is ’t niet de moeite waardZoo vèr te gaan—het is zoo vreeslyk heet,Als ’t weer gebeurt, zet ik m’nKashmirop!—Ik zeg u dat-i taai is,ben Daöud!Hy valt weer ... dit is niets! Wacht tot-i hangt,(Zit stil,Mirjam!) dan zult ge zien en hooren ...Neem ’t kind terug,Jochébed: ik ben moe ...Maar houd het schaapje omhoog ...Komt mee, komt mee, daar is wat schoons te zien!Komt allen mee ... daar wordt ’n man gekruist!Wat hy misdeed? ’k Weet niet wat hy misdeet ...Er zyn er zelfs die zeggen dat-i wèl deed ...Maar dit ’s om ’t even! Werpt uw grootboek neer,Vergeet uw koffi en uw suiker, burgerlui ...Uw beurs, uw oefning, en uw monsters van tabak,Uw winkel van gestolen kruinierswaren,Uw Evangelie en uw batig saldo!Laat liggen voor ’n wyl uw handel en moraal,Theologie ... moderne, antieke ... ’t heele zoodje!Neem uit de kast uw deftigst opperkleed,Bedast uw hals met allerwitst batist,En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag,En roept uw knapen en uw dochters van hun spel ...Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist!Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Ik zeg u dat-i taai is, die daar gaat ...Hy zal zoo gauw niet knikken met zyn hoofd ...Hy zal, by God, aan ’t kruis niet zwygend sterven!En voor uw kinderen zal ’t de moeite waard zynTe hooren—en het nàtepraten—wat-i zegt!Beloof hun vry een vroolijk kruismansspel,Dat beurt wat óp in deze slechte tyden!Ik zeg u dat-i taai is, deze man,Dat hy u niet bedriegen zal, als laatstDie andre dief, die daadlyk knikte met het hoofd,En toen was ’tuit! Maar deze man is taai,Al schynt hy zwak van bouw. Het is hem aantezienDat hy veel droeg, maar kracht heeft méér te dragen,Dat hy veel leed, maarlangnog lyden kàn!Hij spreekt reeds ... luister: “Eli Sabactani!”Hy roeptElias... kindren, bauwt hem na,En sart hem, dat hy nòg wat zegge aan ’t kruis,En krabt met lange nagels in z’n wonden ...Of beter, werpt hem—als vriendSchmoel—met drek:Licht slikt hy walging minder goed dan pyn!Hu ... huup ... omhoog uw kindren! Dat ze ’t zien.En dat ze ’t hooren, hoe de kruisman spreekt,Om stof te garen voor hun kruismansspel ...Komt allen mee!HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!Komt mee, komt mee, daar wordt een man gekruist:RoeptRubenhier, enNathan ben Daöud...Klaas Jakob,Nafthali,Albertus!Eliézer...De dames en de heeren uit de buurt,Verwanten, neven, nichten, broeders, en de rest,Behouders, Liberalen, mannen van de beurs,En van de balie of den kansel! KontraktantenEn Vry-arbeiders, oppozitie en ministers,De leden van de Tweede-Kamer in den Haag,En wie er rusten kan, na slecht regeeren,En wie geen tyd had om z’n plicht te doen,Maar licht nu tyd heeft voor ’n grappig schouwspel,RoeptMozes,Issascharen ’t heeleWillemspark,Piet,Paul,Ezéchiel... roept al wat naam heeft,Roept wat gedoopt is, of besneden, mee!Roept al wat juicht: “ik dank u voor myn braafheid!”Roept al wat kermt: “wees my genadig, Heer!”Roept wat verdoemd is, en wat deel heeft aan genade,Wat loopen, zien en hooren kan (al is ’t wat heet!)Jezuiten—protestantsche en katholieke—Van de orde of niet van de orde, Vrye-metselaren,Die over ’tgoede, schoone woordenspreekt,Maar u onthoudt vanstrydentegen ’t kwaad!Gy die ukind’ren noemt der weduw, maar uw handNiet uitstrekt om het kruis te dragen van haar zoon!Roep al wat bidt of schachert in den tempel,Al wat er wacht opNabi Issah’szweep!Al wat met scherpen blik en vlugge handenHem nasluipt—of soms te grissen vielVan ’t geld, dat rollend wegstuift onder ’t volk—En later meepraat over stelsels en principes!Roept al wat vet werd van gestolen spys,Al wat er pocht op linzen-eerstgeboorte,Al wat ’n gouden kalf in ’t wapen draagt,Al wat er knaagt aanInsulindscheknoken,Al wat er zuigt aan deInsulindschekoe,Al wat er hangt aan d’afgestroopten tepel,Al wat er zwelt van ’t afgezogen bloed!Komt allen mee ...Jochébedmet de kleine ...(En houdt vooral het schaapje omhoog,Jochébed!)RoeptJanszoon,Pieterszoon,ben Levi,ben Daöud...Ben...dìt,BEN...dàt,BEN...ieder!Roept ookSchmoel...Ja,Schmoelvooral, enJudas Judaszoon!Komt allen mee, komt mee naarGolgotha!Bij God ... daar is vandaag wat schoons te zien!Komt allen mee, daar wordt ’n man gekruist!Komt mee, komt mee ...HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!

Eerste Sprookje.Een netgekleed heer, goudgekettingd en tevreden, wandelde langs een der grachten vanAmsterdam. Hy was in de stad voor “zaken”. Straks zult ge zien, wèlke zaken. Daar wandelde voor hem uit, een dame met haar kind. Door ik weet niet welk toeval, viel het kind in ’t water. De moeder gaf een gil ... en sprong het kind na, dat zy redde.De man van zaken zag het aan, haalde z’n zakboek uit, en maakte zich gereed daarin iets opteschryven.—Mevrouw, mag ik zoo vry zyn, uw naam en adres te vragen?—Myn kind, myn kind, ik heb m’n kind terug!—Zeer wel, maar mag ik zoo vry wezen...—Ik heb m’n kind terug, herhaalde de hoofdige moeder, die niet begreep dat men haar vragen kon naar iets anders dan haar kind.—Met die vrouw is niets te beginnen, bromde de nieuwsgierige vrager. Eilieve, vriendje, ik zal u ruim beloonen, als ge my morgen den naam en ’t adres opgeeft van die dame.Zóó vraagde de vreemdeling aan een der omstanders, en ’t schynt dat hy ditmaal te weten kwam wat hy begeerde te weten. Althans hy liet zich den volgenden dag aandienen by de gelukkige moeder.—Mevrouw, ik had de eer tegenwoordig te zyn...—O, waart ge dáár, mynheer? Hebt gy ’t gezien? Ik zag niets, ik hoorde niets, ik sprong...—Verschoon my, mevrouw, ik heb gehoord...—Gehoord?—Ja, mevrouw, Ik heb gehoord hoe ge...—Gehoord?Wàt toch?—Ik heb gehoord hoe gygegildheb, mevrouw ... ik kom u ’n engagement aanbieden by ’t theater.Arme moeder!Die man was ’nimpressariodie sujetten zocht. Hy heettePubliek.Tweede Sprookje.Chresoswoonde inBeotie. Van beroep was hy burgemeester van ’n dorpje welks naam ik niet weet. Ook kan ik u niet zeggen hoe hy verdwaald raakte inBeotie, daar z’n familie thuis hoorde in Athene ... ja, ik meende zelfs dat hy verwant was aanAlcibiades, een te vroeg geboren Franschman.Chresoswas ’n goed mensch, en leefde tevreden. Hy zorgde voor z’n dorpje zoo goed hy kon, en vermaakte zich in ledige oogenblikken met spelen op de luit. Maar dit deed hy alleen in huis, en nooit viel hy iemand lastig met z’n muziek.En zie, daar kwamen roovers die geweld-deden aan de bewoners van ’t dorpje, waarChresosgezag had. Hy legde z’n luit neer, en trachtte de roovers te verjagen. Men zeide hem, dat hy dit niet had moeten doen, omdat de roovers onder de bescherming stonden van den magistraat in de hoofdstad.MaarChresosgeloofde dit niet, omdat hy ’t àl te erg vond.Hy ging voort met het bestryden der roovers, en daar zy overmacht hadden, zond hy ’n bode naarThebeom hulp te vragen.In-stee van de gevraagde hulp te zenden, antwoordde men hem dat hy ’n onwaardig burgemeester was, en volstrekt niet geschikt om ’n ambt te bekleeden inBeotie. Dit laatste sprak hy niet tegen. Maar na z’n dorpelingen te hebben vermaand totgeduld, begaf hy zich met vrouw en kinderen op weg, niets meenemende dan z’n luit. Z’n huis werd ingenomen door ’n ander burgemeester, die zeker minder onwaardig was in de oogen van denThebaanschenmagistraat, en ook zeer bevriend scheen met de roovers die de dommeChresoshad willen uitroeien. Althans men hoorde niet meer klagen over de roovery, schoon de roovers in ’t land bleven.Met moeite verschafteChresoszich toegang tot denAreopagus, en verhaalde wat geschied was. Hy wees op z’n gezin, dat omkwam van ellende door ’tmisverstandvan den magistraat. Nog altyd hield hy de zaak voor misverstand. Ik heb u reeds gezegd dat hy eigenlyk niet thuishoorde inBeotie. Daarom oordeelde hy zoo verkeerd.Maar deAreopagusantwoordde niet.Chresosvermaande z’n vrouw tot geduld—wat niet noodig was—en troostte zich met spelen op de luit, dat ’n behoefte voor hem scheen.De tonen die hy aansloeg, waren in harmonie met z’n gewaarwordingen. Eigenlyk was hy geen groot muzikant, maar er is wat byzonders in ’t luitspel van ’n vader die z’n kinderen ziet derven. Dáárom en niet omdatChresosgoed speelde, luisterde men naar hem. Er was iets snydends in z’n spel, dat grove ooren kittelde. En er waren veel grove ooren inBeotie.Als men zeide: “fraai gespeeldChresos, ga voort!” dan viel z’n hand slap neder, en er blonk hem ’n traan in ’t oog, by de gedachte dat die onbegeerde lof de prys was van den honger zyner kinderen. Liever had hy nog slechter gespeeld, of in ’t geheel, niet, dan zóó! En hy vergeleek z’n ziel by de snaren zyner luit, die gespannen moesten zyn om klank te geven ... ja, gerekt op ’t breken af vóór de hoorders tevreden waren. “Zouden die snaren daarvan gevoel hebben als ik?” dacht hy.Maar toch speelde hy van-tyd tot-tyd, omdat hy niet anders kòn. En z’n gezin hongerde met geduld.Telkens weder beriep hy zich op denAreopagus. Eindelyk ontving hy het volgende vonnis:DeAreopagus, enz.“Gehoord de klachten van den oud-burgemeesterChresosover de rooveryen in ’t dorp ... enz.“Gehoord zyn verzoek om uitspraak te doen, tusschen hem en denThebaanschenmagistraat ... enz.“Gelet op de verklaring van gezegdenChresos, dat hy en de zynen verkeeren in zeer dringenden nood, ten-gevolge van een misverstand, dat dien magistraat zou hebben bewogen party te trekken voor de roovers die ’t dorp afloopen, waar gezegdeChresosvroeger burgemeester was.“Gelet op de verklaring van vele getuigen, die gezegdenChresoshebben hooren spelen op de luit.“Recht doende, enz.“Veroordeelt meergenoemdenChresostot de luit, en de kosten van ’t proces.”DieAreopaguswas omgekocht, en heetteNederland.Derde Sprookje.Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist,Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Werpt beitel neer en spade, o burgerluî,En roept uw dochters en uw knapen van hun spel.En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag!Werpt hamer, troffel, schaaf en weefspoel neer!Komt allen mee ... daar is wat fraais te zien!Komt allen mee ...hoerahvoorGolgotha!Hoerah,hoerahvoorGolgotha!—Dat zal, by God, wat schoons zyn deze keer!Hij schynt nog jong, en heeft iets in z’n blikDat taaiheid aanduidt ... zie, daar zygt hy neer:Hy schynt toch zwak te wezen! ’t Kruis is zwaar...Ik hoor: het is van ’t allerbeste hout! Men zegt,(MaarNathan, of het waar is weet ik niet!)Ze zeggen dat hyzelf het heeft geleverd,Toen hy als timmerman nog aan de schaafbank stond...Want, buurman, vóór hy, ’k weet niet wàt, misdeed,Ja, òf hy iets misdeed zelfsNathan, weet ik niet...Maar vóór hy deed wat men hem euvel nam,Was hy een timmerman als wy.—Hoe heet die man?—Dit weet ik waarlijk niet, men zegt hy ishanootzri...44Of wel, zijn vader was hanootzri. Hy lykt zwakVoor zulk ’n ambacht, maar z’n werk was goed...Hy struikelt weer ... (Op-zy wat,Jöchaz!Ei, laat my ook wat zien ... ge dringt me weg,Of ’t heele schouwspel waar voor u alleen! Hy zweet:Ik zeide u wel dat hy niet sterk was,Nathan.Maar toch geloof ik dat hy taai is, en ons nietBedriegen zal, als laatst die and’re diefDie pas ’n half uur had gehangen, toen z’n hoofdOp-zy knikte ... en ’t wasuit! Hy sprak geen enkel woordDat ons beloonde voor de moeite. Waart ge er by?(Houd kleineMirjamwat omhoog,Jochébed!)Zeg waart ge er by, oNathan ben Daöud,Toen ons die dief bestal voor zooveel moeite om-niet?—Ik had dien dag een splinter in myn voet,En dus geen lust inuitgaanof vermaak,Maar ’k heb gehoord ...—Ikwas er by, vriendNathan!Ik droeg m’n opperkleed van groene zyde,En had m’n tulband op vankashmirstofOmdat die koel is ... zie, hy struikelt weer,Maar staat weer op. Wat zeide ik ook het laatst?—De dief die u bedroog ...—Ik weet al. Nu dien dagWas ’t warm als heden ... neen, zoo warm was ’t niet:Want ... vindt ge ’t niet ontzettend heet van daagDe zon brandt me op den schedel. ’t Rouwt my welDat ik m’n tulband niet verruild heb voor mynKashmir,Die licht vankleuren koeler is ... dat doet de haast:Ik gunde my geen tijd—daar valt-i weer—Ik heb er spyt van ...Golgothais vèr!Zoo’n donk’re zuigt de warmte broeiend in,En dáárom heb ik spyt datGolgothazoo vèr is...Wat zeide ik ook het laatst?—Die slechte dief..—Ik bèn er! Uren liep ik mee, en hygde als nu...(Vervloekte hitte ... dringt zoo niet,Jöchaz!)Ik was vermoeid vóór halfweg ... en de dief(Let wel hoe schand’lijk die man ons bedroog)Liep met z’n kruis, als waar ’t ’n palmtak, voort!Hy zweette niet, en is niet eens gestruikeld ...Maar toen-ihing, was ’t daad’lijk met hemuit!Endeze—zie, hy struikelt weer—endezeIs niet zoo zwaar van bouw, zoo forsch van leest...Hy schynt wel teer van spieren ... doch zyn blikToont dat-i veel geleden heeft en droeg.Maar dat-ilangentyd nog lydenkàn!’k Ben zeker dat hysprekenzal aan ’t kruis,En dit is juist het aardigst van de zaak!De kinderen gaan, om dát te hooren, mee...Die andere dief was dood, vóór nog m’n vrouw,Die trager liep—omdat ze zwanger was, dien tyd,VanMirjam—(houd het schaapje omhoog,Jochébed!)Die dief was doód, vóór zy daar aankwam,Nathan!En ieder zeide dat het schande was!(GeefMirjammy,Jochébed! Hier m’n kind,Hu ... huup ... op vaders schouder! Kunje zien?Sla ’t kleine handje zóó ... om vaders hals,En houdje vast!) Wat zeide ik ook het laatst?—Die and’re dief ...—Ik weet al! Heel de buurtWas op de been gekomen, om dien man te zien.Daar waren met ons,Ruben,Ephraïm,Baënamet de kind’ren,Hiddal ben Elia,De dochters vanUrias,Schmoelde wisselaar ...(Ik zie hem juist, hy werpt den man met drek)Hy is ’t, die laatst verjaagd werd uit den tempel,Omdat hy schacherde inJehovah’shuis...—Wie jaagde ’m weg?—Ze zeggen zekereIscha...Jeshoeah, zoon vanJoszof, uit ’n grootGeslacht, die met ’n zweep hem voortjoeg als ’n hond,En ’t goud- en zilverkraampje omver smeet, dat de muntLinks, rechts wegspringend, neertikte op den grondEn rollend wegstoof onder ’t volk ...—Wie gaf hem rechtTot zulk ’n groot gezag?—Dit weet ik,Nathan, niet,Maar ’t is niet goed te schachren inJehovah’shuis!MynEphraïm... maar,Nathan ben Daöud,Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoop...(Daar werpt weerSchmoelden kruisman met z’n drek)Wat zeide ik ook het laatst?—Ge spraakt vanEphraïm,En van de wiss’laars in den tempel...—Juist!Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoopDat ge my niet verraden zult! M’n zoonDie ’t aanzag, wyl hy juist ’n handel sloot,Heeft, ylings bukkend, als om hulp te biênIn ’t zoeken—maar verklap me niet,ben Daud!—Hy heeft met scherp gezicht en vlugge hand..,In ’t kort, z’n handel was gezegend op dien dag:Hy kwam met dertig zilverlingen t’huis!Geloof me,Nathan, dieben Joszofhad gelyk ...’t Is ongeoorloofd dusJehovah’stempelTe ontwyden met ’n goud- en zilverkraam:jeshoeäh ben Joszofhad groot gelyk!’t Is dáárom ook datEphraïm, m’n zoon,Hem altyd zoekt en naloopt ... of hy weerTer zuivring uitgaat van Gods tempel, met ’n zweep,Maar sinds een week heeft hy hem niet gezien ...(Daar werpt dieSchmoelden kruisman weer met drek)—Die and’re dief ...—Ja, juist! Wy allen gingen mee, de heele buurt ...En toen-ihing, was ’t daadlyk uit,ben Daud!Och kleine, druk zoo zwaar niet aan m’n hals!)’t Is warm—hy struikelt weer—hy schynt vermoeid ...Ik zeg u, dit beteekent niets, vriendNathanGe weet, hoe ’t hout datmaklykbuigt, niet breekt,En hoe het harde knakt, by ’t minste buigen:Zóó ook die man ... ik zeg u, hy is taai!—Eilieve, zie ... die vrouw!... Zou dat z’nvrouwzyn?De vrouw die schreiend volgt, en neergebukt,Als-of zyzelve ’t kruis droeg op haar schouder!Zy steekt de magre hand gedurig uit,Als wilde zy den kruisman schragen ... Is ’t zynvrouw?—Dit weet ik waarlyk niet ... ze schynt my te oud.En bovendien ... ik zie geenkindren! Neen,Dat is gewis z’nmoeder... zie, ze waggelt!Ik heb zoo vaak zoo’n kruisweg meegemaakt,(De kind’ren zyn er dol op, de arme schapen!En altyd opgemerkt, dat wie ’nvrouwheeftEnkind’ren, die naar ’t kruis hem weenend volgen,(Wees rustig,Mirjam: vader is vermoeid!)Zoo taai niet is alsdeze,Nathan ben Daöud!Ik zeg u nog-eens: deze man istaai:Eenvaderzou zoo taai niet wezen,Nathan!Hy is wat moe van ’tgaan, maar als-ihangt,Is dit terstond voorby! VriendNathan, help me ’t kindEens overzetten, op dien andren schouder ... zóó!Het drukt zoo op-den-duur, al schynt het licht in ’t eerst!(Zit stil, m’n kind!) Ja,dezeis wat vermoeid,Misschien wat zwak ook door het bloedverlies,(Schuif niet zoo heen-en-weer, m’n kind: dat doet me pyn!)Men zegt dat-i gegeeseld is ... Ziet ge zynrug?Tracht heentekyken over ’t volk, vriendNathan!—Ik hebJöchazvoor my ...—Kuntgy’t zien,Jöchaz?—Ik zie alleen den top en d’ arm van ’t kruisDat slingrend voortschuift als-i waggelt, maar verdwyntZoodra hy neerzwikt ... zie, daar valt het weer,En ryst nu langzaam weer omhoog!—Dat zie ikzelfZoo goed als gy dat ziet,Jöchaz! Maar ik wenschTe weten of z’n rug ... zoo’n kind is vreeselyk zwaar!Wees niet zoo woelig, kleine: uw vader is vermoeid ...Kuntgyz’n rug zien, kind, zyn naakten rug?Den rug des mans, die ginds dat kruis draagt, kind,En die doorSchmoelgeworpen wordt met drek?Ik houd u hoog ... zie goed ... maar zie wat snel,Omdat ik moe ben, Mirjam! Nu?—Die rug is rood ...Ge hoort het,ben Daöud... dàt maakt hem zwak!Men heeft hem eerst gegeeseld, dat maakt zwàk!Maar ’t gaat wel òver, als-i hangt. Hij zalGewis zoo gauw niet knikken met het hoofd ...(Zit stil, myn kind, ge drukt me ontzettend zwaar!)Ik zeg u,Nathan, deze man is taai!’t Is jammer dat ik niet mynKashmirheb ...(Zit rustig kind, of vader zet u neer:Ik ben vermoed!) En ieder zei,ben Daöud:Het was ’n schande ... dáádlyk was hetuit!Maardezezal zoo gauw niet sterven aan het kruis,Hy zal gewis watsprekenvoor-i knikt!Dat praten dan de kindren jub’lend na,En maken grappig spel van wat-i zeide,En spelen kruisman, weken naderhand!Dit beurt wat op, in dezen slechten tyd!Maar als-i zwygt aan ’t kruis, is ’t niet de moeite waardZoo vèr te gaan—het is zoo vreeslyk heet,Als ’t weer gebeurt, zet ik m’nKashmirop!—Ik zeg u dat-i taai is,ben Daöud!Hy valt weer ... dit is niets! Wacht tot-i hangt,(Zit stil,Mirjam!) dan zult ge zien en hooren ...Neem ’t kind terug,Jochébed: ik ben moe ...Maar houd het schaapje omhoog ...Komt mee, komt mee, daar is wat schoons te zien!Komt allen mee ... daar wordt ’n man gekruist!Wat hy misdeed? ’k Weet niet wat hy misdeet ...Er zyn er zelfs die zeggen dat-i wèl deed ...Maar dit ’s om ’t even! Werpt uw grootboek neer,Vergeet uw koffi en uw suiker, burgerlui ...Uw beurs, uw oefning, en uw monsters van tabak,Uw winkel van gestolen kruinierswaren,Uw Evangelie en uw batig saldo!Laat liggen voor ’n wyl uw handel en moraal,Theologie ... moderne, antieke ... ’t heele zoodje!Neem uit de kast uw deftigst opperkleed,Bedast uw hals met allerwitst batist,En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag,En roept uw knapen en uw dochters van hun spel ...Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist!Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Ik zeg u dat-i taai is, die daar gaat ...Hy zal zoo gauw niet knikken met zyn hoofd ...Hy zal, by God, aan ’t kruis niet zwygend sterven!En voor uw kinderen zal ’t de moeite waard zynTe hooren—en het nàtepraten—wat-i zegt!Beloof hun vry een vroolijk kruismansspel,Dat beurt wat óp in deze slechte tyden!Ik zeg u dat-i taai is, deze man,Dat hy u niet bedriegen zal, als laatstDie andre dief, die daadlyk knikte met het hoofd,En toen was ’tuit! Maar deze man is taai,Al schynt hy zwak van bouw. Het is hem aantezienDat hy veel droeg, maar kracht heeft méér te dragen,Dat hy veel leed, maarlangnog lyden kàn!Hij spreekt reeds ... luister: “Eli Sabactani!”Hy roeptElias... kindren, bauwt hem na,En sart hem, dat hy nòg wat zegge aan ’t kruis,En krabt met lange nagels in z’n wonden ...Of beter, werpt hem—als vriendSchmoel—met drek:Licht slikt hy walging minder goed dan pyn!Hu ... huup ... omhoog uw kindren! Dat ze ’t zien.En dat ze ’t hooren, hoe de kruisman spreekt,Om stof te garen voor hun kruismansspel ...Komt allen mee!HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!Komt mee, komt mee, daar wordt een man gekruist:RoeptRubenhier, enNathan ben Daöud...Klaas Jakob,Nafthali,Albertus!Eliézer...De dames en de heeren uit de buurt,Verwanten, neven, nichten, broeders, en de rest,Behouders, Liberalen, mannen van de beurs,En van de balie of den kansel! KontraktantenEn Vry-arbeiders, oppozitie en ministers,De leden van de Tweede-Kamer in den Haag,En wie er rusten kan, na slecht regeeren,En wie geen tyd had om z’n plicht te doen,Maar licht nu tyd heeft voor ’n grappig schouwspel,RoeptMozes,Issascharen ’t heeleWillemspark,Piet,Paul,Ezéchiel... roept al wat naam heeft,Roept wat gedoopt is, of besneden, mee!Roept al wat juicht: “ik dank u voor myn braafheid!”Roept al wat kermt: “wees my genadig, Heer!”Roept wat verdoemd is, en wat deel heeft aan genade,Wat loopen, zien en hooren kan (al is ’t wat heet!)Jezuiten—protestantsche en katholieke—Van de orde of niet van de orde, Vrye-metselaren,Die over ’tgoede, schoone woordenspreekt,Maar u onthoudt vanstrydentegen ’t kwaad!Gy die ukind’ren noemt der weduw, maar uw handNiet uitstrekt om het kruis te dragen van haar zoon!Roep al wat bidt of schachert in den tempel,Al wat er wacht opNabi Issah’szweep!Al wat met scherpen blik en vlugge handenHem nasluipt—of soms te grissen vielVan ’t geld, dat rollend wegstuift onder ’t volk—En later meepraat over stelsels en principes!Roept al wat vet werd van gestolen spys,Al wat er pocht op linzen-eerstgeboorte,Al wat ’n gouden kalf in ’t wapen draagt,Al wat er knaagt aanInsulindscheknoken,Al wat er zuigt aan deInsulindschekoe,Al wat er hangt aan d’afgestroopten tepel,Al wat er zwelt van ’t afgezogen bloed!Komt allen mee ...Jochébedmet de kleine ...(En houdt vooral het schaapje omhoog,Jochébed!)RoeptJanszoon,Pieterszoon,ben Levi,ben Daöud...Ben...dìt,BEN...dàt,BEN...ieder!Roept ookSchmoel...Ja,Schmoelvooral, enJudas Judaszoon!Komt allen mee, komt mee naarGolgotha!Bij God ... daar is vandaag wat schoons te zien!Komt allen mee, daar wordt ’n man gekruist!Komt mee, komt mee ...HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!

Eerste Sprookje.Een netgekleed heer, goudgekettingd en tevreden, wandelde langs een der grachten vanAmsterdam. Hy was in de stad voor “zaken”. Straks zult ge zien, wèlke zaken. Daar wandelde voor hem uit, een dame met haar kind. Door ik weet niet welk toeval, viel het kind in ’t water. De moeder gaf een gil ... en sprong het kind na, dat zy redde.De man van zaken zag het aan, haalde z’n zakboek uit, en maakte zich gereed daarin iets opteschryven.—Mevrouw, mag ik zoo vry zyn, uw naam en adres te vragen?—Myn kind, myn kind, ik heb m’n kind terug!—Zeer wel, maar mag ik zoo vry wezen...—Ik heb m’n kind terug, herhaalde de hoofdige moeder, die niet begreep dat men haar vragen kon naar iets anders dan haar kind.—Met die vrouw is niets te beginnen, bromde de nieuwsgierige vrager. Eilieve, vriendje, ik zal u ruim beloonen, als ge my morgen den naam en ’t adres opgeeft van die dame.Zóó vraagde de vreemdeling aan een der omstanders, en ’t schynt dat hy ditmaal te weten kwam wat hy begeerde te weten. Althans hy liet zich den volgenden dag aandienen by de gelukkige moeder.—Mevrouw, ik had de eer tegenwoordig te zyn...—O, waart ge dáár, mynheer? Hebt gy ’t gezien? Ik zag niets, ik hoorde niets, ik sprong...—Verschoon my, mevrouw, ik heb gehoord...—Gehoord?—Ja, mevrouw, Ik heb gehoord hoe ge...—Gehoord?Wàt toch?—Ik heb gehoord hoe gygegildheb, mevrouw ... ik kom u ’n engagement aanbieden by ’t theater.Arme moeder!Die man was ’nimpressariodie sujetten zocht. Hy heettePubliek.

Eerste Sprookje.

Een netgekleed heer, goudgekettingd en tevreden, wandelde langs een der grachten vanAmsterdam. Hy was in de stad voor “zaken”. Straks zult ge zien, wèlke zaken. Daar wandelde voor hem uit, een dame met haar kind. Door ik weet niet welk toeval, viel het kind in ’t water. De moeder gaf een gil ... en sprong het kind na, dat zy redde.De man van zaken zag het aan, haalde z’n zakboek uit, en maakte zich gereed daarin iets opteschryven.—Mevrouw, mag ik zoo vry zyn, uw naam en adres te vragen?—Myn kind, myn kind, ik heb m’n kind terug!—Zeer wel, maar mag ik zoo vry wezen...—Ik heb m’n kind terug, herhaalde de hoofdige moeder, die niet begreep dat men haar vragen kon naar iets anders dan haar kind.—Met die vrouw is niets te beginnen, bromde de nieuwsgierige vrager. Eilieve, vriendje, ik zal u ruim beloonen, als ge my morgen den naam en ’t adres opgeeft van die dame.Zóó vraagde de vreemdeling aan een der omstanders, en ’t schynt dat hy ditmaal te weten kwam wat hy begeerde te weten. Althans hy liet zich den volgenden dag aandienen by de gelukkige moeder.—Mevrouw, ik had de eer tegenwoordig te zyn...—O, waart ge dáár, mynheer? Hebt gy ’t gezien? Ik zag niets, ik hoorde niets, ik sprong...—Verschoon my, mevrouw, ik heb gehoord...—Gehoord?—Ja, mevrouw, Ik heb gehoord hoe ge...—Gehoord?Wàt toch?—Ik heb gehoord hoe gygegildheb, mevrouw ... ik kom u ’n engagement aanbieden by ’t theater.Arme moeder!Die man was ’nimpressariodie sujetten zocht. Hy heettePubliek.

Een netgekleed heer, goudgekettingd en tevreden, wandelde langs een der grachten vanAmsterdam. Hy was in de stad voor “zaken”. Straks zult ge zien, wèlke zaken. Daar wandelde voor hem uit, een dame met haar kind. Door ik weet niet welk toeval, viel het kind in ’t water. De moeder gaf een gil ... en sprong het kind na, dat zy redde.

De man van zaken zag het aan, haalde z’n zakboek uit, en maakte zich gereed daarin iets opteschryven.

—Mevrouw, mag ik zoo vry zyn, uw naam en adres te vragen?

—Myn kind, myn kind, ik heb m’n kind terug!

—Zeer wel, maar mag ik zoo vry wezen...

—Ik heb m’n kind terug, herhaalde de hoofdige moeder, die niet begreep dat men haar vragen kon naar iets anders dan haar kind.

—Met die vrouw is niets te beginnen, bromde de nieuwsgierige vrager. Eilieve, vriendje, ik zal u ruim beloonen, als ge my morgen den naam en ’t adres opgeeft van die dame.

Zóó vraagde de vreemdeling aan een der omstanders, en ’t schynt dat hy ditmaal te weten kwam wat hy begeerde te weten. Althans hy liet zich den volgenden dag aandienen by de gelukkige moeder.

—Mevrouw, ik had de eer tegenwoordig te zyn...

—O, waart ge dáár, mynheer? Hebt gy ’t gezien? Ik zag niets, ik hoorde niets, ik sprong...

—Verschoon my, mevrouw, ik heb gehoord...

—Gehoord?

—Ja, mevrouw, Ik heb gehoord hoe ge...

—Gehoord?Wàt toch?

—Ik heb gehoord hoe gygegildheb, mevrouw ... ik kom u ’n engagement aanbieden by ’t theater.

Arme moeder!

Die man was ’nimpressariodie sujetten zocht. Hy heettePubliek.

Tweede Sprookje.Chresoswoonde inBeotie. Van beroep was hy burgemeester van ’n dorpje welks naam ik niet weet. Ook kan ik u niet zeggen hoe hy verdwaald raakte inBeotie, daar z’n familie thuis hoorde in Athene ... ja, ik meende zelfs dat hy verwant was aanAlcibiades, een te vroeg geboren Franschman.Chresoswas ’n goed mensch, en leefde tevreden. Hy zorgde voor z’n dorpje zoo goed hy kon, en vermaakte zich in ledige oogenblikken met spelen op de luit. Maar dit deed hy alleen in huis, en nooit viel hy iemand lastig met z’n muziek.En zie, daar kwamen roovers die geweld-deden aan de bewoners van ’t dorpje, waarChresosgezag had. Hy legde z’n luit neer, en trachtte de roovers te verjagen. Men zeide hem, dat hy dit niet had moeten doen, omdat de roovers onder de bescherming stonden van den magistraat in de hoofdstad.MaarChresosgeloofde dit niet, omdat hy ’t àl te erg vond.Hy ging voort met het bestryden der roovers, en daar zy overmacht hadden, zond hy ’n bode naarThebeom hulp te vragen.In-stee van de gevraagde hulp te zenden, antwoordde men hem dat hy ’n onwaardig burgemeester was, en volstrekt niet geschikt om ’n ambt te bekleeden inBeotie. Dit laatste sprak hy niet tegen. Maar na z’n dorpelingen te hebben vermaand totgeduld, begaf hy zich met vrouw en kinderen op weg, niets meenemende dan z’n luit. Z’n huis werd ingenomen door ’n ander burgemeester, die zeker minder onwaardig was in de oogen van denThebaanschenmagistraat, en ook zeer bevriend scheen met de roovers die de dommeChresoshad willen uitroeien. Althans men hoorde niet meer klagen over de roovery, schoon de roovers in ’t land bleven.Met moeite verschafteChresoszich toegang tot denAreopagus, en verhaalde wat geschied was. Hy wees op z’n gezin, dat omkwam van ellende door ’tmisverstandvan den magistraat. Nog altyd hield hy de zaak voor misverstand. Ik heb u reeds gezegd dat hy eigenlyk niet thuishoorde inBeotie. Daarom oordeelde hy zoo verkeerd.Maar deAreopagusantwoordde niet.Chresosvermaande z’n vrouw tot geduld—wat niet noodig was—en troostte zich met spelen op de luit, dat ’n behoefte voor hem scheen.De tonen die hy aansloeg, waren in harmonie met z’n gewaarwordingen. Eigenlyk was hy geen groot muzikant, maar er is wat byzonders in ’t luitspel van ’n vader die z’n kinderen ziet derven. Dáárom en niet omdatChresosgoed speelde, luisterde men naar hem. Er was iets snydends in z’n spel, dat grove ooren kittelde. En er waren veel grove ooren inBeotie.Als men zeide: “fraai gespeeldChresos, ga voort!” dan viel z’n hand slap neder, en er blonk hem ’n traan in ’t oog, by de gedachte dat die onbegeerde lof de prys was van den honger zyner kinderen. Liever had hy nog slechter gespeeld, of in ’t geheel, niet, dan zóó! En hy vergeleek z’n ziel by de snaren zyner luit, die gespannen moesten zyn om klank te geven ... ja, gerekt op ’t breken af vóór de hoorders tevreden waren. “Zouden die snaren daarvan gevoel hebben als ik?” dacht hy.Maar toch speelde hy van-tyd tot-tyd, omdat hy niet anders kòn. En z’n gezin hongerde met geduld.Telkens weder beriep hy zich op denAreopagus. Eindelyk ontving hy het volgende vonnis:DeAreopagus, enz.“Gehoord de klachten van den oud-burgemeesterChresosover de rooveryen in ’t dorp ... enz.“Gehoord zyn verzoek om uitspraak te doen, tusschen hem en denThebaanschenmagistraat ... enz.“Gelet op de verklaring van gezegdenChresos, dat hy en de zynen verkeeren in zeer dringenden nood, ten-gevolge van een misverstand, dat dien magistraat zou hebben bewogen party te trekken voor de roovers die ’t dorp afloopen, waar gezegdeChresosvroeger burgemeester was.“Gelet op de verklaring van vele getuigen, die gezegdenChresoshebben hooren spelen op de luit.“Recht doende, enz.“Veroordeelt meergenoemdenChresostot de luit, en de kosten van ’t proces.”DieAreopaguswas omgekocht, en heetteNederland.

Tweede Sprookje.

Chresoswoonde inBeotie. Van beroep was hy burgemeester van ’n dorpje welks naam ik niet weet. Ook kan ik u niet zeggen hoe hy verdwaald raakte inBeotie, daar z’n familie thuis hoorde in Athene ... ja, ik meende zelfs dat hy verwant was aanAlcibiades, een te vroeg geboren Franschman.Chresoswas ’n goed mensch, en leefde tevreden. Hy zorgde voor z’n dorpje zoo goed hy kon, en vermaakte zich in ledige oogenblikken met spelen op de luit. Maar dit deed hy alleen in huis, en nooit viel hy iemand lastig met z’n muziek.En zie, daar kwamen roovers die geweld-deden aan de bewoners van ’t dorpje, waarChresosgezag had. Hy legde z’n luit neer, en trachtte de roovers te verjagen. Men zeide hem, dat hy dit niet had moeten doen, omdat de roovers onder de bescherming stonden van den magistraat in de hoofdstad.MaarChresosgeloofde dit niet, omdat hy ’t àl te erg vond.Hy ging voort met het bestryden der roovers, en daar zy overmacht hadden, zond hy ’n bode naarThebeom hulp te vragen.In-stee van de gevraagde hulp te zenden, antwoordde men hem dat hy ’n onwaardig burgemeester was, en volstrekt niet geschikt om ’n ambt te bekleeden inBeotie. Dit laatste sprak hy niet tegen. Maar na z’n dorpelingen te hebben vermaand totgeduld, begaf hy zich met vrouw en kinderen op weg, niets meenemende dan z’n luit. Z’n huis werd ingenomen door ’n ander burgemeester, die zeker minder onwaardig was in de oogen van denThebaanschenmagistraat, en ook zeer bevriend scheen met de roovers die de dommeChresoshad willen uitroeien. Althans men hoorde niet meer klagen over de roovery, schoon de roovers in ’t land bleven.Met moeite verschafteChresoszich toegang tot denAreopagus, en verhaalde wat geschied was. Hy wees op z’n gezin, dat omkwam van ellende door ’tmisverstandvan den magistraat. Nog altyd hield hy de zaak voor misverstand. Ik heb u reeds gezegd dat hy eigenlyk niet thuishoorde inBeotie. Daarom oordeelde hy zoo verkeerd.Maar deAreopagusantwoordde niet.Chresosvermaande z’n vrouw tot geduld—wat niet noodig was—en troostte zich met spelen op de luit, dat ’n behoefte voor hem scheen.De tonen die hy aansloeg, waren in harmonie met z’n gewaarwordingen. Eigenlyk was hy geen groot muzikant, maar er is wat byzonders in ’t luitspel van ’n vader die z’n kinderen ziet derven. Dáárom en niet omdatChresosgoed speelde, luisterde men naar hem. Er was iets snydends in z’n spel, dat grove ooren kittelde. En er waren veel grove ooren inBeotie.Als men zeide: “fraai gespeeldChresos, ga voort!” dan viel z’n hand slap neder, en er blonk hem ’n traan in ’t oog, by de gedachte dat die onbegeerde lof de prys was van den honger zyner kinderen. Liever had hy nog slechter gespeeld, of in ’t geheel, niet, dan zóó! En hy vergeleek z’n ziel by de snaren zyner luit, die gespannen moesten zyn om klank te geven ... ja, gerekt op ’t breken af vóór de hoorders tevreden waren. “Zouden die snaren daarvan gevoel hebben als ik?” dacht hy.Maar toch speelde hy van-tyd tot-tyd, omdat hy niet anders kòn. En z’n gezin hongerde met geduld.Telkens weder beriep hy zich op denAreopagus. Eindelyk ontving hy het volgende vonnis:DeAreopagus, enz.“Gehoord de klachten van den oud-burgemeesterChresosover de rooveryen in ’t dorp ... enz.“Gehoord zyn verzoek om uitspraak te doen, tusschen hem en denThebaanschenmagistraat ... enz.“Gelet op de verklaring van gezegdenChresos, dat hy en de zynen verkeeren in zeer dringenden nood, ten-gevolge van een misverstand, dat dien magistraat zou hebben bewogen party te trekken voor de roovers die ’t dorp afloopen, waar gezegdeChresosvroeger burgemeester was.“Gelet op de verklaring van vele getuigen, die gezegdenChresoshebben hooren spelen op de luit.“Recht doende, enz.“Veroordeelt meergenoemdenChresostot de luit, en de kosten van ’t proces.”DieAreopaguswas omgekocht, en heetteNederland.

Chresoswoonde inBeotie. Van beroep was hy burgemeester van ’n dorpje welks naam ik niet weet. Ook kan ik u niet zeggen hoe hy verdwaald raakte inBeotie, daar z’n familie thuis hoorde in Athene ... ja, ik meende zelfs dat hy verwant was aanAlcibiades, een te vroeg geboren Franschman.Chresoswas ’n goed mensch, en leefde tevreden. Hy zorgde voor z’n dorpje zoo goed hy kon, en vermaakte zich in ledige oogenblikken met spelen op de luit. Maar dit deed hy alleen in huis, en nooit viel hy iemand lastig met z’n muziek.

En zie, daar kwamen roovers die geweld-deden aan de bewoners van ’t dorpje, waarChresosgezag had. Hy legde z’n luit neer, en trachtte de roovers te verjagen. Men zeide hem, dat hy dit niet had moeten doen, omdat de roovers onder de bescherming stonden van den magistraat in de hoofdstad.

MaarChresosgeloofde dit niet, omdat hy ’t àl te erg vond.

Hy ging voort met het bestryden der roovers, en daar zy overmacht hadden, zond hy ’n bode naarThebeom hulp te vragen.

In-stee van de gevraagde hulp te zenden, antwoordde men hem dat hy ’n onwaardig burgemeester was, en volstrekt niet geschikt om ’n ambt te bekleeden inBeotie. Dit laatste sprak hy niet tegen. Maar na z’n dorpelingen te hebben vermaand totgeduld, begaf hy zich met vrouw en kinderen op weg, niets meenemende dan z’n luit. Z’n huis werd ingenomen door ’n ander burgemeester, die zeker minder onwaardig was in de oogen van denThebaanschenmagistraat, en ook zeer bevriend scheen met de roovers die de dommeChresoshad willen uitroeien. Althans men hoorde niet meer klagen over de roovery, schoon de roovers in ’t land bleven.

Met moeite verschafteChresoszich toegang tot denAreopagus, en verhaalde wat geschied was. Hy wees op z’n gezin, dat omkwam van ellende door ’tmisverstandvan den magistraat. Nog altyd hield hy de zaak voor misverstand. Ik heb u reeds gezegd dat hy eigenlyk niet thuishoorde inBeotie. Daarom oordeelde hy zoo verkeerd.

Maar deAreopagusantwoordde niet.Chresosvermaande z’n vrouw tot geduld—wat niet noodig was—en troostte zich met spelen op de luit, dat ’n behoefte voor hem scheen.De tonen die hy aansloeg, waren in harmonie met z’n gewaarwordingen. Eigenlyk was hy geen groot muzikant, maar er is wat byzonders in ’t luitspel van ’n vader die z’n kinderen ziet derven. Dáárom en niet omdatChresosgoed speelde, luisterde men naar hem. Er was iets snydends in z’n spel, dat grove ooren kittelde. En er waren veel grove ooren inBeotie.

Als men zeide: “fraai gespeeldChresos, ga voort!” dan viel z’n hand slap neder, en er blonk hem ’n traan in ’t oog, by de gedachte dat die onbegeerde lof de prys was van den honger zyner kinderen. Liever had hy nog slechter gespeeld, of in ’t geheel, niet, dan zóó! En hy vergeleek z’n ziel by de snaren zyner luit, die gespannen moesten zyn om klank te geven ... ja, gerekt op ’t breken af vóór de hoorders tevreden waren. “Zouden die snaren daarvan gevoel hebben als ik?” dacht hy.

Maar toch speelde hy van-tyd tot-tyd, omdat hy niet anders kòn. En z’n gezin hongerde met geduld.

Telkens weder beriep hy zich op denAreopagus. Eindelyk ontving hy het volgende vonnis:

DeAreopagus, enz.“Gehoord de klachten van den oud-burgemeesterChresosover de rooveryen in ’t dorp ... enz.“Gehoord zyn verzoek om uitspraak te doen, tusschen hem en denThebaanschenmagistraat ... enz.“Gelet op de verklaring van gezegdenChresos, dat hy en de zynen verkeeren in zeer dringenden nood, ten-gevolge van een misverstand, dat dien magistraat zou hebben bewogen party te trekken voor de roovers die ’t dorp afloopen, waar gezegdeChresosvroeger burgemeester was.“Gelet op de verklaring van vele getuigen, die gezegdenChresoshebben hooren spelen op de luit.“Recht doende, enz.“Veroordeelt meergenoemdenChresostot de luit, en de kosten van ’t proces.”DieAreopaguswas omgekocht, en heetteNederland.

DeAreopagus, enz.

“Gehoord de klachten van den oud-burgemeesterChresosover de rooveryen in ’t dorp ... enz.

“Gehoord zyn verzoek om uitspraak te doen, tusschen hem en denThebaanschenmagistraat ... enz.

“Gelet op de verklaring van gezegdenChresos, dat hy en de zynen verkeeren in zeer dringenden nood, ten-gevolge van een misverstand, dat dien magistraat zou hebben bewogen party te trekken voor de roovers die ’t dorp afloopen, waar gezegdeChresosvroeger burgemeester was.

“Gelet op de verklaring van vele getuigen, die gezegdenChresoshebben hooren spelen op de luit.

“Recht doende, enz.

“Veroordeelt meergenoemdenChresostot de luit, en de kosten van ’t proces.”

DieAreopaguswas omgekocht, en heetteNederland.

Derde Sprookje.Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist,Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Werpt beitel neer en spade, o burgerluî,En roept uw dochters en uw knapen van hun spel.En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag!Werpt hamer, troffel, schaaf en weefspoel neer!Komt allen mee ... daar is wat fraais te zien!Komt allen mee ...hoerahvoorGolgotha!Hoerah,hoerahvoorGolgotha!—Dat zal, by God, wat schoons zyn deze keer!Hij schynt nog jong, en heeft iets in z’n blikDat taaiheid aanduidt ... zie, daar zygt hy neer:Hy schynt toch zwak te wezen! ’t Kruis is zwaar...Ik hoor: het is van ’t allerbeste hout! Men zegt,(MaarNathan, of het waar is weet ik niet!)Ze zeggen dat hyzelf het heeft geleverd,Toen hy als timmerman nog aan de schaafbank stond...Want, buurman, vóór hy, ’k weet niet wàt, misdeed,Ja, òf hy iets misdeed zelfsNathan, weet ik niet...Maar vóór hy deed wat men hem euvel nam,Was hy een timmerman als wy.—Hoe heet die man?—Dit weet ik waarlijk niet, men zegt hy ishanootzri...44Of wel, zijn vader was hanootzri. Hy lykt zwakVoor zulk ’n ambacht, maar z’n werk was goed...Hy struikelt weer ... (Op-zy wat,Jöchaz!Ei, laat my ook wat zien ... ge dringt me weg,Of ’t heele schouwspel waar voor u alleen! Hy zweet:Ik zeide u wel dat hy niet sterk was,Nathan.Maar toch geloof ik dat hy taai is, en ons nietBedriegen zal, als laatst die and’re diefDie pas ’n half uur had gehangen, toen z’n hoofdOp-zy knikte ... en ’t wasuit! Hy sprak geen enkel woordDat ons beloonde voor de moeite. Waart ge er by?(Houd kleineMirjamwat omhoog,Jochébed!)Zeg waart ge er by, oNathan ben Daöud,Toen ons die dief bestal voor zooveel moeite om-niet?—Ik had dien dag een splinter in myn voet,En dus geen lust inuitgaanof vermaak,Maar ’k heb gehoord ...—Ikwas er by, vriendNathan!Ik droeg m’n opperkleed van groene zyde,En had m’n tulband op vankashmirstofOmdat die koel is ... zie, hy struikelt weer,Maar staat weer op. Wat zeide ik ook het laatst?—De dief die u bedroog ...—Ik weet al. Nu dien dagWas ’t warm als heden ... neen, zoo warm was ’t niet:Want ... vindt ge ’t niet ontzettend heet van daagDe zon brandt me op den schedel. ’t Rouwt my welDat ik m’n tulband niet verruild heb voor mynKashmir,Die licht vankleuren koeler is ... dat doet de haast:Ik gunde my geen tijd—daar valt-i weer—Ik heb er spyt van ...Golgothais vèr!Zoo’n donk’re zuigt de warmte broeiend in,En dáárom heb ik spyt datGolgothazoo vèr is...Wat zeide ik ook het laatst?—Die slechte dief..—Ik bèn er! Uren liep ik mee, en hygde als nu...(Vervloekte hitte ... dringt zoo niet,Jöchaz!)Ik was vermoeid vóór halfweg ... en de dief(Let wel hoe schand’lijk die man ons bedroog)Liep met z’n kruis, als waar ’t ’n palmtak, voort!Hy zweette niet, en is niet eens gestruikeld ...Maar toen-ihing, was ’t daad’lijk met hemuit!Endeze—zie, hy struikelt weer—endezeIs niet zoo zwaar van bouw, zoo forsch van leest...Hy schynt wel teer van spieren ... doch zyn blikToont dat-i veel geleden heeft en droeg.Maar dat-ilangentyd nog lydenkàn!’k Ben zeker dat hysprekenzal aan ’t kruis,En dit is juist het aardigst van de zaak!De kinderen gaan, om dát te hooren, mee...Die andere dief was dood, vóór nog m’n vrouw,Die trager liep—omdat ze zwanger was, dien tyd,VanMirjam—(houd het schaapje omhoog,Jochébed!)Die dief was doód, vóór zy daar aankwam,Nathan!En ieder zeide dat het schande was!(GeefMirjammy,Jochébed! Hier m’n kind,Hu ... huup ... op vaders schouder! Kunje zien?Sla ’t kleine handje zóó ... om vaders hals,En houdje vast!) Wat zeide ik ook het laatst?—Die and’re dief ...—Ik weet al! Heel de buurtWas op de been gekomen, om dien man te zien.Daar waren met ons,Ruben,Ephraïm,Baënamet de kind’ren,Hiddal ben Elia,De dochters vanUrias,Schmoelde wisselaar ...(Ik zie hem juist, hy werpt den man met drek)Hy is ’t, die laatst verjaagd werd uit den tempel,Omdat hy schacherde inJehovah’shuis...—Wie jaagde ’m weg?—Ze zeggen zekereIscha...Jeshoeah, zoon vanJoszof, uit ’n grootGeslacht, die met ’n zweep hem voortjoeg als ’n hond,En ’t goud- en zilverkraampje omver smeet, dat de muntLinks, rechts wegspringend, neertikte op den grondEn rollend wegstoof onder ’t volk ...—Wie gaf hem rechtTot zulk ’n groot gezag?—Dit weet ik,Nathan, niet,Maar ’t is niet goed te schachren inJehovah’shuis!MynEphraïm... maar,Nathan ben Daöud,Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoop...(Daar werpt weerSchmoelden kruisman met z’n drek)Wat zeide ik ook het laatst?—Ge spraakt vanEphraïm,En van de wiss’laars in den tempel...—Juist!Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoopDat ge my niet verraden zult! M’n zoonDie ’t aanzag, wyl hy juist ’n handel sloot,Heeft, ylings bukkend, als om hulp te biênIn ’t zoeken—maar verklap me niet,ben Daud!—Hy heeft met scherp gezicht en vlugge hand..,In ’t kort, z’n handel was gezegend op dien dag:Hy kwam met dertig zilverlingen t’huis!Geloof me,Nathan, dieben Joszofhad gelyk ...’t Is ongeoorloofd dusJehovah’stempelTe ontwyden met ’n goud- en zilverkraam:jeshoeäh ben Joszofhad groot gelyk!’t Is dáárom ook datEphraïm, m’n zoon,Hem altyd zoekt en naloopt ... of hy weerTer zuivring uitgaat van Gods tempel, met ’n zweep,Maar sinds een week heeft hy hem niet gezien ...(Daar werpt dieSchmoelden kruisman weer met drek)—Die and’re dief ...—Ja, juist! Wy allen gingen mee, de heele buurt ...En toen-ihing, was ’t daadlyk uit,ben Daud!Och kleine, druk zoo zwaar niet aan m’n hals!)’t Is warm—hy struikelt weer—hy schynt vermoeid ...Ik zeg u, dit beteekent niets, vriendNathanGe weet, hoe ’t hout datmaklykbuigt, niet breekt,En hoe het harde knakt, by ’t minste buigen:Zóó ook die man ... ik zeg u, hy is taai!—Eilieve, zie ... die vrouw!... Zou dat z’nvrouwzyn?De vrouw die schreiend volgt, en neergebukt,Als-of zyzelve ’t kruis droeg op haar schouder!Zy steekt de magre hand gedurig uit,Als wilde zy den kruisman schragen ... Is ’t zynvrouw?—Dit weet ik waarlyk niet ... ze schynt my te oud.En bovendien ... ik zie geenkindren! Neen,Dat is gewis z’nmoeder... zie, ze waggelt!Ik heb zoo vaak zoo’n kruisweg meegemaakt,(De kind’ren zyn er dol op, de arme schapen!En altyd opgemerkt, dat wie ’nvrouwheeftEnkind’ren, die naar ’t kruis hem weenend volgen,(Wees rustig,Mirjam: vader is vermoeid!)Zoo taai niet is alsdeze,Nathan ben Daöud!Ik zeg u nog-eens: deze man istaai:Eenvaderzou zoo taai niet wezen,Nathan!Hy is wat moe van ’tgaan, maar als-ihangt,Is dit terstond voorby! VriendNathan, help me ’t kindEens overzetten, op dien andren schouder ... zóó!Het drukt zoo op-den-duur, al schynt het licht in ’t eerst!(Zit stil, m’n kind!) Ja,dezeis wat vermoeid,Misschien wat zwak ook door het bloedverlies,(Schuif niet zoo heen-en-weer, m’n kind: dat doet me pyn!)Men zegt dat-i gegeeseld is ... Ziet ge zynrug?Tracht heentekyken over ’t volk, vriendNathan!—Ik hebJöchazvoor my ...—Kuntgy’t zien,Jöchaz?—Ik zie alleen den top en d’ arm van ’t kruisDat slingrend voortschuift als-i waggelt, maar verdwyntZoodra hy neerzwikt ... zie, daar valt het weer,En ryst nu langzaam weer omhoog!—Dat zie ikzelfZoo goed als gy dat ziet,Jöchaz! Maar ik wenschTe weten of z’n rug ... zoo’n kind is vreeselyk zwaar!Wees niet zoo woelig, kleine: uw vader is vermoeid ...Kuntgyz’n rug zien, kind, zyn naakten rug?Den rug des mans, die ginds dat kruis draagt, kind,En die doorSchmoelgeworpen wordt met drek?Ik houd u hoog ... zie goed ... maar zie wat snel,Omdat ik moe ben, Mirjam! Nu?—Die rug is rood ...Ge hoort het,ben Daöud... dàt maakt hem zwak!Men heeft hem eerst gegeeseld, dat maakt zwàk!Maar ’t gaat wel òver, als-i hangt. Hij zalGewis zoo gauw niet knikken met het hoofd ...(Zit stil, myn kind, ge drukt me ontzettend zwaar!)Ik zeg u,Nathan, deze man is taai!’t Is jammer dat ik niet mynKashmirheb ...(Zit rustig kind, of vader zet u neer:Ik ben vermoed!) En ieder zei,ben Daöud:Het was ’n schande ... dáádlyk was hetuit!Maardezezal zoo gauw niet sterven aan het kruis,Hy zal gewis watsprekenvoor-i knikt!Dat praten dan de kindren jub’lend na,En maken grappig spel van wat-i zeide,En spelen kruisman, weken naderhand!Dit beurt wat op, in dezen slechten tyd!Maar als-i zwygt aan ’t kruis, is ’t niet de moeite waardZoo vèr te gaan—het is zoo vreeslyk heet,Als ’t weer gebeurt, zet ik m’nKashmirop!—Ik zeg u dat-i taai is,ben Daöud!Hy valt weer ... dit is niets! Wacht tot-i hangt,(Zit stil,Mirjam!) dan zult ge zien en hooren ...Neem ’t kind terug,Jochébed: ik ben moe ...Maar houd het schaapje omhoog ...Komt mee, komt mee, daar is wat schoons te zien!Komt allen mee ... daar wordt ’n man gekruist!Wat hy misdeed? ’k Weet niet wat hy misdeet ...Er zyn er zelfs die zeggen dat-i wèl deed ...Maar dit ’s om ’t even! Werpt uw grootboek neer,Vergeet uw koffi en uw suiker, burgerlui ...Uw beurs, uw oefning, en uw monsters van tabak,Uw winkel van gestolen kruinierswaren,Uw Evangelie en uw batig saldo!Laat liggen voor ’n wyl uw handel en moraal,Theologie ... moderne, antieke ... ’t heele zoodje!Neem uit de kast uw deftigst opperkleed,Bedast uw hals met allerwitst batist,En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag,En roept uw knapen en uw dochters van hun spel ...Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist!Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Ik zeg u dat-i taai is, die daar gaat ...Hy zal zoo gauw niet knikken met zyn hoofd ...Hy zal, by God, aan ’t kruis niet zwygend sterven!En voor uw kinderen zal ’t de moeite waard zynTe hooren—en het nàtepraten—wat-i zegt!Beloof hun vry een vroolijk kruismansspel,Dat beurt wat óp in deze slechte tyden!Ik zeg u dat-i taai is, deze man,Dat hy u niet bedriegen zal, als laatstDie andre dief, die daadlyk knikte met het hoofd,En toen was ’tuit! Maar deze man is taai,Al schynt hy zwak van bouw. Het is hem aantezienDat hy veel droeg, maar kracht heeft méér te dragen,Dat hy veel leed, maarlangnog lyden kàn!Hij spreekt reeds ... luister: “Eli Sabactani!”Hy roeptElias... kindren, bauwt hem na,En sart hem, dat hy nòg wat zegge aan ’t kruis,En krabt met lange nagels in z’n wonden ...Of beter, werpt hem—als vriendSchmoel—met drek:Licht slikt hy walging minder goed dan pyn!Hu ... huup ... omhoog uw kindren! Dat ze ’t zien.En dat ze ’t hooren, hoe de kruisman spreekt,Om stof te garen voor hun kruismansspel ...Komt allen mee!HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!Komt mee, komt mee, daar wordt een man gekruist:RoeptRubenhier, enNathan ben Daöud...Klaas Jakob,Nafthali,Albertus!Eliézer...De dames en de heeren uit de buurt,Verwanten, neven, nichten, broeders, en de rest,Behouders, Liberalen, mannen van de beurs,En van de balie of den kansel! KontraktantenEn Vry-arbeiders, oppozitie en ministers,De leden van de Tweede-Kamer in den Haag,En wie er rusten kan, na slecht regeeren,En wie geen tyd had om z’n plicht te doen,Maar licht nu tyd heeft voor ’n grappig schouwspel,RoeptMozes,Issascharen ’t heeleWillemspark,Piet,Paul,Ezéchiel... roept al wat naam heeft,Roept wat gedoopt is, of besneden, mee!Roept al wat juicht: “ik dank u voor myn braafheid!”Roept al wat kermt: “wees my genadig, Heer!”Roept wat verdoemd is, en wat deel heeft aan genade,Wat loopen, zien en hooren kan (al is ’t wat heet!)Jezuiten—protestantsche en katholieke—Van de orde of niet van de orde, Vrye-metselaren,Die over ’tgoede, schoone woordenspreekt,Maar u onthoudt vanstrydentegen ’t kwaad!Gy die ukind’ren noemt der weduw, maar uw handNiet uitstrekt om het kruis te dragen van haar zoon!Roep al wat bidt of schachert in den tempel,Al wat er wacht opNabi Issah’szweep!Al wat met scherpen blik en vlugge handenHem nasluipt—of soms te grissen vielVan ’t geld, dat rollend wegstuift onder ’t volk—En later meepraat over stelsels en principes!Roept al wat vet werd van gestolen spys,Al wat er pocht op linzen-eerstgeboorte,Al wat ’n gouden kalf in ’t wapen draagt,Al wat er knaagt aanInsulindscheknoken,Al wat er zuigt aan deInsulindschekoe,Al wat er hangt aan d’afgestroopten tepel,Al wat er zwelt van ’t afgezogen bloed!Komt allen mee ...Jochébedmet de kleine ...(En houdt vooral het schaapje omhoog,Jochébed!)RoeptJanszoon,Pieterszoon,ben Levi,ben Daöud...Ben...dìt,BEN...dàt,BEN...ieder!Roept ookSchmoel...Ja,Schmoelvooral, enJudas Judaszoon!Komt allen mee, komt mee naarGolgotha!Bij God ... daar is vandaag wat schoons te zien!Komt allen mee, daar wordt ’n man gekruist!Komt mee, komt mee ...HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!

Derde Sprookje.Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist,Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Werpt beitel neer en spade, o burgerluî,En roept uw dochters en uw knapen van hun spel.En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag!Werpt hamer, troffel, schaaf en weefspoel neer!Komt allen mee ... daar is wat fraais te zien!Komt allen mee ...hoerahvoorGolgotha!Hoerah,hoerahvoorGolgotha!—Dat zal, by God, wat schoons zyn deze keer!Hij schynt nog jong, en heeft iets in z’n blikDat taaiheid aanduidt ... zie, daar zygt hy neer:Hy schynt toch zwak te wezen! ’t Kruis is zwaar...Ik hoor: het is van ’t allerbeste hout! Men zegt,(MaarNathan, of het waar is weet ik niet!)Ze zeggen dat hyzelf het heeft geleverd,Toen hy als timmerman nog aan de schaafbank stond...Want, buurman, vóór hy, ’k weet niet wàt, misdeed,Ja, òf hy iets misdeed zelfsNathan, weet ik niet...Maar vóór hy deed wat men hem euvel nam,Was hy een timmerman als wy.—Hoe heet die man?—Dit weet ik waarlijk niet, men zegt hy ishanootzri...44Of wel, zijn vader was hanootzri. Hy lykt zwakVoor zulk ’n ambacht, maar z’n werk was goed...Hy struikelt weer ... (Op-zy wat,Jöchaz!Ei, laat my ook wat zien ... ge dringt me weg,Of ’t heele schouwspel waar voor u alleen! Hy zweet:Ik zeide u wel dat hy niet sterk was,Nathan.Maar toch geloof ik dat hy taai is, en ons nietBedriegen zal, als laatst die and’re diefDie pas ’n half uur had gehangen, toen z’n hoofdOp-zy knikte ... en ’t wasuit! Hy sprak geen enkel woordDat ons beloonde voor de moeite. Waart ge er by?(Houd kleineMirjamwat omhoog,Jochébed!)Zeg waart ge er by, oNathan ben Daöud,Toen ons die dief bestal voor zooveel moeite om-niet?—Ik had dien dag een splinter in myn voet,En dus geen lust inuitgaanof vermaak,Maar ’k heb gehoord ...—Ikwas er by, vriendNathan!Ik droeg m’n opperkleed van groene zyde,En had m’n tulband op vankashmirstofOmdat die koel is ... zie, hy struikelt weer,Maar staat weer op. Wat zeide ik ook het laatst?—De dief die u bedroog ...—Ik weet al. Nu dien dagWas ’t warm als heden ... neen, zoo warm was ’t niet:Want ... vindt ge ’t niet ontzettend heet van daagDe zon brandt me op den schedel. ’t Rouwt my welDat ik m’n tulband niet verruild heb voor mynKashmir,Die licht vankleuren koeler is ... dat doet de haast:Ik gunde my geen tijd—daar valt-i weer—Ik heb er spyt van ...Golgothais vèr!Zoo’n donk’re zuigt de warmte broeiend in,En dáárom heb ik spyt datGolgothazoo vèr is...Wat zeide ik ook het laatst?—Die slechte dief..—Ik bèn er! Uren liep ik mee, en hygde als nu...(Vervloekte hitte ... dringt zoo niet,Jöchaz!)Ik was vermoeid vóór halfweg ... en de dief(Let wel hoe schand’lijk die man ons bedroog)Liep met z’n kruis, als waar ’t ’n palmtak, voort!Hy zweette niet, en is niet eens gestruikeld ...Maar toen-ihing, was ’t daad’lijk met hemuit!Endeze—zie, hy struikelt weer—endezeIs niet zoo zwaar van bouw, zoo forsch van leest...Hy schynt wel teer van spieren ... doch zyn blikToont dat-i veel geleden heeft en droeg.Maar dat-ilangentyd nog lydenkàn!’k Ben zeker dat hysprekenzal aan ’t kruis,En dit is juist het aardigst van de zaak!De kinderen gaan, om dát te hooren, mee...Die andere dief was dood, vóór nog m’n vrouw,Die trager liep—omdat ze zwanger was, dien tyd,VanMirjam—(houd het schaapje omhoog,Jochébed!)Die dief was doód, vóór zy daar aankwam,Nathan!En ieder zeide dat het schande was!(GeefMirjammy,Jochébed! Hier m’n kind,Hu ... huup ... op vaders schouder! Kunje zien?Sla ’t kleine handje zóó ... om vaders hals,En houdje vast!) Wat zeide ik ook het laatst?—Die and’re dief ...—Ik weet al! Heel de buurtWas op de been gekomen, om dien man te zien.Daar waren met ons,Ruben,Ephraïm,Baënamet de kind’ren,Hiddal ben Elia,De dochters vanUrias,Schmoelde wisselaar ...(Ik zie hem juist, hy werpt den man met drek)Hy is ’t, die laatst verjaagd werd uit den tempel,Omdat hy schacherde inJehovah’shuis...—Wie jaagde ’m weg?—Ze zeggen zekereIscha...Jeshoeah, zoon vanJoszof, uit ’n grootGeslacht, die met ’n zweep hem voortjoeg als ’n hond,En ’t goud- en zilverkraampje omver smeet, dat de muntLinks, rechts wegspringend, neertikte op den grondEn rollend wegstoof onder ’t volk ...—Wie gaf hem rechtTot zulk ’n groot gezag?—Dit weet ik,Nathan, niet,Maar ’t is niet goed te schachren inJehovah’shuis!MynEphraïm... maar,Nathan ben Daöud,Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoop...(Daar werpt weerSchmoelden kruisman met z’n drek)Wat zeide ik ook het laatst?—Ge spraakt vanEphraïm,En van de wiss’laars in den tempel...—Juist!Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoopDat ge my niet verraden zult! M’n zoonDie ’t aanzag, wyl hy juist ’n handel sloot,Heeft, ylings bukkend, als om hulp te biênIn ’t zoeken—maar verklap me niet,ben Daud!—Hy heeft met scherp gezicht en vlugge hand..,In ’t kort, z’n handel was gezegend op dien dag:Hy kwam met dertig zilverlingen t’huis!Geloof me,Nathan, dieben Joszofhad gelyk ...’t Is ongeoorloofd dusJehovah’stempelTe ontwyden met ’n goud- en zilverkraam:jeshoeäh ben Joszofhad groot gelyk!’t Is dáárom ook datEphraïm, m’n zoon,Hem altyd zoekt en naloopt ... of hy weerTer zuivring uitgaat van Gods tempel, met ’n zweep,Maar sinds een week heeft hy hem niet gezien ...(Daar werpt dieSchmoelden kruisman weer met drek)—Die and’re dief ...—Ja, juist! Wy allen gingen mee, de heele buurt ...En toen-ihing, was ’t daadlyk uit,ben Daud!Och kleine, druk zoo zwaar niet aan m’n hals!)’t Is warm—hy struikelt weer—hy schynt vermoeid ...Ik zeg u, dit beteekent niets, vriendNathanGe weet, hoe ’t hout datmaklykbuigt, niet breekt,En hoe het harde knakt, by ’t minste buigen:Zóó ook die man ... ik zeg u, hy is taai!—Eilieve, zie ... die vrouw!... Zou dat z’nvrouwzyn?De vrouw die schreiend volgt, en neergebukt,Als-of zyzelve ’t kruis droeg op haar schouder!Zy steekt de magre hand gedurig uit,Als wilde zy den kruisman schragen ... Is ’t zynvrouw?—Dit weet ik waarlyk niet ... ze schynt my te oud.En bovendien ... ik zie geenkindren! Neen,Dat is gewis z’nmoeder... zie, ze waggelt!Ik heb zoo vaak zoo’n kruisweg meegemaakt,(De kind’ren zyn er dol op, de arme schapen!En altyd opgemerkt, dat wie ’nvrouwheeftEnkind’ren, die naar ’t kruis hem weenend volgen,(Wees rustig,Mirjam: vader is vermoeid!)Zoo taai niet is alsdeze,Nathan ben Daöud!Ik zeg u nog-eens: deze man istaai:Eenvaderzou zoo taai niet wezen,Nathan!Hy is wat moe van ’tgaan, maar als-ihangt,Is dit terstond voorby! VriendNathan, help me ’t kindEens overzetten, op dien andren schouder ... zóó!Het drukt zoo op-den-duur, al schynt het licht in ’t eerst!(Zit stil, m’n kind!) Ja,dezeis wat vermoeid,Misschien wat zwak ook door het bloedverlies,(Schuif niet zoo heen-en-weer, m’n kind: dat doet me pyn!)Men zegt dat-i gegeeseld is ... Ziet ge zynrug?Tracht heentekyken over ’t volk, vriendNathan!—Ik hebJöchazvoor my ...—Kuntgy’t zien,Jöchaz?—Ik zie alleen den top en d’ arm van ’t kruisDat slingrend voortschuift als-i waggelt, maar verdwyntZoodra hy neerzwikt ... zie, daar valt het weer,En ryst nu langzaam weer omhoog!—Dat zie ikzelfZoo goed als gy dat ziet,Jöchaz! Maar ik wenschTe weten of z’n rug ... zoo’n kind is vreeselyk zwaar!Wees niet zoo woelig, kleine: uw vader is vermoeid ...Kuntgyz’n rug zien, kind, zyn naakten rug?Den rug des mans, die ginds dat kruis draagt, kind,En die doorSchmoelgeworpen wordt met drek?Ik houd u hoog ... zie goed ... maar zie wat snel,Omdat ik moe ben, Mirjam! Nu?—Die rug is rood ...Ge hoort het,ben Daöud... dàt maakt hem zwak!Men heeft hem eerst gegeeseld, dat maakt zwàk!Maar ’t gaat wel òver, als-i hangt. Hij zalGewis zoo gauw niet knikken met het hoofd ...(Zit stil, myn kind, ge drukt me ontzettend zwaar!)Ik zeg u,Nathan, deze man is taai!’t Is jammer dat ik niet mynKashmirheb ...(Zit rustig kind, of vader zet u neer:Ik ben vermoed!) En ieder zei,ben Daöud:Het was ’n schande ... dáádlyk was hetuit!Maardezezal zoo gauw niet sterven aan het kruis,Hy zal gewis watsprekenvoor-i knikt!Dat praten dan de kindren jub’lend na,En maken grappig spel van wat-i zeide,En spelen kruisman, weken naderhand!Dit beurt wat op, in dezen slechten tyd!Maar als-i zwygt aan ’t kruis, is ’t niet de moeite waardZoo vèr te gaan—het is zoo vreeslyk heet,Als ’t weer gebeurt, zet ik m’nKashmirop!—Ik zeg u dat-i taai is,ben Daöud!Hy valt weer ... dit is niets! Wacht tot-i hangt,(Zit stil,Mirjam!) dan zult ge zien en hooren ...Neem ’t kind terug,Jochébed: ik ben moe ...Maar houd het schaapje omhoog ...Komt mee, komt mee, daar is wat schoons te zien!Komt allen mee ... daar wordt ’n man gekruist!Wat hy misdeed? ’k Weet niet wat hy misdeet ...Er zyn er zelfs die zeggen dat-i wèl deed ...Maar dit ’s om ’t even! Werpt uw grootboek neer,Vergeet uw koffi en uw suiker, burgerlui ...Uw beurs, uw oefning, en uw monsters van tabak,Uw winkel van gestolen kruinierswaren,Uw Evangelie en uw batig saldo!Laat liggen voor ’n wyl uw handel en moraal,Theologie ... moderne, antieke ... ’t heele zoodje!Neem uit de kast uw deftigst opperkleed,Bedast uw hals met allerwitst batist,En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag,En roept uw knapen en uw dochters van hun spel ...Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist!Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Ik zeg u dat-i taai is, die daar gaat ...Hy zal zoo gauw niet knikken met zyn hoofd ...Hy zal, by God, aan ’t kruis niet zwygend sterven!En voor uw kinderen zal ’t de moeite waard zynTe hooren—en het nàtepraten—wat-i zegt!Beloof hun vry een vroolijk kruismansspel,Dat beurt wat óp in deze slechte tyden!Ik zeg u dat-i taai is, deze man,Dat hy u niet bedriegen zal, als laatstDie andre dief, die daadlyk knikte met het hoofd,En toen was ’tuit! Maar deze man is taai,Al schynt hy zwak van bouw. Het is hem aantezienDat hy veel droeg, maar kracht heeft méér te dragen,Dat hy veel leed, maarlangnog lyden kàn!Hij spreekt reeds ... luister: “Eli Sabactani!”Hy roeptElias... kindren, bauwt hem na,En sart hem, dat hy nòg wat zegge aan ’t kruis,En krabt met lange nagels in z’n wonden ...Of beter, werpt hem—als vriendSchmoel—met drek:Licht slikt hy walging minder goed dan pyn!Hu ... huup ... omhoog uw kindren! Dat ze ’t zien.En dat ze ’t hooren, hoe de kruisman spreekt,Om stof te garen voor hun kruismansspel ...Komt allen mee!HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!Komt mee, komt mee, daar wordt een man gekruist:RoeptRubenhier, enNathan ben Daöud...Klaas Jakob,Nafthali,Albertus!Eliézer...De dames en de heeren uit de buurt,Verwanten, neven, nichten, broeders, en de rest,Behouders, Liberalen, mannen van de beurs,En van de balie of den kansel! KontraktantenEn Vry-arbeiders, oppozitie en ministers,De leden van de Tweede-Kamer in den Haag,En wie er rusten kan, na slecht regeeren,En wie geen tyd had om z’n plicht te doen,Maar licht nu tyd heeft voor ’n grappig schouwspel,RoeptMozes,Issascharen ’t heeleWillemspark,Piet,Paul,Ezéchiel... roept al wat naam heeft,Roept wat gedoopt is, of besneden, mee!Roept al wat juicht: “ik dank u voor myn braafheid!”Roept al wat kermt: “wees my genadig, Heer!”Roept wat verdoemd is, en wat deel heeft aan genade,Wat loopen, zien en hooren kan (al is ’t wat heet!)Jezuiten—protestantsche en katholieke—Van de orde of niet van de orde, Vrye-metselaren,Die over ’tgoede, schoone woordenspreekt,Maar u onthoudt vanstrydentegen ’t kwaad!Gy die ukind’ren noemt der weduw, maar uw handNiet uitstrekt om het kruis te dragen van haar zoon!Roep al wat bidt of schachert in den tempel,Al wat er wacht opNabi Issah’szweep!Al wat met scherpen blik en vlugge handenHem nasluipt—of soms te grissen vielVan ’t geld, dat rollend wegstuift onder ’t volk—En later meepraat over stelsels en principes!Roept al wat vet werd van gestolen spys,Al wat er pocht op linzen-eerstgeboorte,Al wat ’n gouden kalf in ’t wapen draagt,Al wat er knaagt aanInsulindscheknoken,Al wat er zuigt aan deInsulindschekoe,Al wat er hangt aan d’afgestroopten tepel,Al wat er zwelt van ’t afgezogen bloed!Komt allen mee ...Jochébedmet de kleine ...(En houdt vooral het schaapje omhoog,Jochébed!)RoeptJanszoon,Pieterszoon,ben Levi,ben Daöud...Ben...dìt,BEN...dàt,BEN...ieder!Roept ookSchmoel...Ja,Schmoelvooral, enJudas Judaszoon!Komt allen mee, komt mee naarGolgotha!Bij God ... daar is vandaag wat schoons te zien!Komt allen mee, daar wordt ’n man gekruist!Komt mee, komt mee ...HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!

Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist,Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Werpt beitel neer en spade, o burgerluî,En roept uw dochters en uw knapen van hun spel.En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag!Werpt hamer, troffel, schaaf en weefspoel neer!Komt allen mee ... daar is wat fraais te zien!Komt allen mee ...hoerahvoorGolgotha!Hoerah,hoerahvoorGolgotha!—Dat zal, by God, wat schoons zyn deze keer!Hij schynt nog jong, en heeft iets in z’n blikDat taaiheid aanduidt ... zie, daar zygt hy neer:Hy schynt toch zwak te wezen! ’t Kruis is zwaar...Ik hoor: het is van ’t allerbeste hout! Men zegt,(MaarNathan, of het waar is weet ik niet!)Ze zeggen dat hyzelf het heeft geleverd,Toen hy als timmerman nog aan de schaafbank stond...Want, buurman, vóór hy, ’k weet niet wàt, misdeed,Ja, òf hy iets misdeed zelfsNathan, weet ik niet...Maar vóór hy deed wat men hem euvel nam,Was hy een timmerman als wy.—Hoe heet die man?—Dit weet ik waarlijk niet, men zegt hy ishanootzri...44Of wel, zijn vader was hanootzri. Hy lykt zwakVoor zulk ’n ambacht, maar z’n werk was goed...Hy struikelt weer ... (Op-zy wat,Jöchaz!Ei, laat my ook wat zien ... ge dringt me weg,Of ’t heele schouwspel waar voor u alleen! Hy zweet:Ik zeide u wel dat hy niet sterk was,Nathan.Maar toch geloof ik dat hy taai is, en ons nietBedriegen zal, als laatst die and’re diefDie pas ’n half uur had gehangen, toen z’n hoofdOp-zy knikte ... en ’t wasuit! Hy sprak geen enkel woordDat ons beloonde voor de moeite. Waart ge er by?(Houd kleineMirjamwat omhoog,Jochébed!)Zeg waart ge er by, oNathan ben Daöud,Toen ons die dief bestal voor zooveel moeite om-niet?—Ik had dien dag een splinter in myn voet,En dus geen lust inuitgaanof vermaak,Maar ’k heb gehoord ...—Ikwas er by, vriendNathan!Ik droeg m’n opperkleed van groene zyde,En had m’n tulband op vankashmirstofOmdat die koel is ... zie, hy struikelt weer,Maar staat weer op. Wat zeide ik ook het laatst?—De dief die u bedroog ...—Ik weet al. Nu dien dagWas ’t warm als heden ... neen, zoo warm was ’t niet:Want ... vindt ge ’t niet ontzettend heet van daagDe zon brandt me op den schedel. ’t Rouwt my welDat ik m’n tulband niet verruild heb voor mynKashmir,Die licht vankleuren koeler is ... dat doet de haast:Ik gunde my geen tijd—daar valt-i weer—Ik heb er spyt van ...Golgothais vèr!Zoo’n donk’re zuigt de warmte broeiend in,En dáárom heb ik spyt datGolgothazoo vèr is...Wat zeide ik ook het laatst?—Die slechte dief..—Ik bèn er! Uren liep ik mee, en hygde als nu...(Vervloekte hitte ... dringt zoo niet,Jöchaz!)Ik was vermoeid vóór halfweg ... en de dief(Let wel hoe schand’lijk die man ons bedroog)Liep met z’n kruis, als waar ’t ’n palmtak, voort!Hy zweette niet, en is niet eens gestruikeld ...Maar toen-ihing, was ’t daad’lijk met hemuit!Endeze—zie, hy struikelt weer—endezeIs niet zoo zwaar van bouw, zoo forsch van leest...Hy schynt wel teer van spieren ... doch zyn blikToont dat-i veel geleden heeft en droeg.Maar dat-ilangentyd nog lydenkàn!’k Ben zeker dat hysprekenzal aan ’t kruis,En dit is juist het aardigst van de zaak!De kinderen gaan, om dát te hooren, mee...Die andere dief was dood, vóór nog m’n vrouw,Die trager liep—omdat ze zwanger was, dien tyd,VanMirjam—(houd het schaapje omhoog,Jochébed!)Die dief was doód, vóór zy daar aankwam,Nathan!En ieder zeide dat het schande was!(GeefMirjammy,Jochébed! Hier m’n kind,Hu ... huup ... op vaders schouder! Kunje zien?Sla ’t kleine handje zóó ... om vaders hals,En houdje vast!) Wat zeide ik ook het laatst?—Die and’re dief ...—Ik weet al! Heel de buurtWas op de been gekomen, om dien man te zien.Daar waren met ons,Ruben,Ephraïm,Baënamet de kind’ren,Hiddal ben Elia,De dochters vanUrias,Schmoelde wisselaar ...(Ik zie hem juist, hy werpt den man met drek)Hy is ’t, die laatst verjaagd werd uit den tempel,Omdat hy schacherde inJehovah’shuis...—Wie jaagde ’m weg?—Ze zeggen zekereIscha...Jeshoeah, zoon vanJoszof, uit ’n grootGeslacht, die met ’n zweep hem voortjoeg als ’n hond,En ’t goud- en zilverkraampje omver smeet, dat de muntLinks, rechts wegspringend, neertikte op den grondEn rollend wegstoof onder ’t volk ...—Wie gaf hem rechtTot zulk ’n groot gezag?—Dit weet ik,Nathan, niet,Maar ’t is niet goed te schachren inJehovah’shuis!MynEphraïm... maar,Nathan ben Daöud,Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoop...(Daar werpt weerSchmoelden kruisman met z’n drek)Wat zeide ik ook het laatst?—Ge spraakt vanEphraïm,En van de wiss’laars in den tempel...—Juist!Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoopDat ge my niet verraden zult! M’n zoonDie ’t aanzag, wyl hy juist ’n handel sloot,Heeft, ylings bukkend, als om hulp te biênIn ’t zoeken—maar verklap me niet,ben Daud!—Hy heeft met scherp gezicht en vlugge hand..,In ’t kort, z’n handel was gezegend op dien dag:Hy kwam met dertig zilverlingen t’huis!Geloof me,Nathan, dieben Joszofhad gelyk ...’t Is ongeoorloofd dusJehovah’stempelTe ontwyden met ’n goud- en zilverkraam:jeshoeäh ben Joszofhad groot gelyk!’t Is dáárom ook datEphraïm, m’n zoon,Hem altyd zoekt en naloopt ... of hy weerTer zuivring uitgaat van Gods tempel, met ’n zweep,Maar sinds een week heeft hy hem niet gezien ...(Daar werpt dieSchmoelden kruisman weer met drek)—Die and’re dief ...—Ja, juist! Wy allen gingen mee, de heele buurt ...En toen-ihing, was ’t daadlyk uit,ben Daud!Och kleine, druk zoo zwaar niet aan m’n hals!)’t Is warm—hy struikelt weer—hy schynt vermoeid ...Ik zeg u, dit beteekent niets, vriendNathanGe weet, hoe ’t hout datmaklykbuigt, niet breekt,En hoe het harde knakt, by ’t minste buigen:Zóó ook die man ... ik zeg u, hy is taai!—Eilieve, zie ... die vrouw!... Zou dat z’nvrouwzyn?De vrouw die schreiend volgt, en neergebukt,Als-of zyzelve ’t kruis droeg op haar schouder!Zy steekt de magre hand gedurig uit,Als wilde zy den kruisman schragen ... Is ’t zynvrouw?—Dit weet ik waarlyk niet ... ze schynt my te oud.En bovendien ... ik zie geenkindren! Neen,Dat is gewis z’nmoeder... zie, ze waggelt!Ik heb zoo vaak zoo’n kruisweg meegemaakt,(De kind’ren zyn er dol op, de arme schapen!En altyd opgemerkt, dat wie ’nvrouwheeftEnkind’ren, die naar ’t kruis hem weenend volgen,(Wees rustig,Mirjam: vader is vermoeid!)Zoo taai niet is alsdeze,Nathan ben Daöud!Ik zeg u nog-eens: deze man istaai:Eenvaderzou zoo taai niet wezen,Nathan!Hy is wat moe van ’tgaan, maar als-ihangt,Is dit terstond voorby! VriendNathan, help me ’t kindEens overzetten, op dien andren schouder ... zóó!Het drukt zoo op-den-duur, al schynt het licht in ’t eerst!(Zit stil, m’n kind!) Ja,dezeis wat vermoeid,Misschien wat zwak ook door het bloedverlies,(Schuif niet zoo heen-en-weer, m’n kind: dat doet me pyn!)Men zegt dat-i gegeeseld is ... Ziet ge zynrug?Tracht heentekyken over ’t volk, vriendNathan!—Ik hebJöchazvoor my ...—Kuntgy’t zien,Jöchaz?—Ik zie alleen den top en d’ arm van ’t kruisDat slingrend voortschuift als-i waggelt, maar verdwyntZoodra hy neerzwikt ... zie, daar valt het weer,En ryst nu langzaam weer omhoog!—Dat zie ikzelfZoo goed als gy dat ziet,Jöchaz! Maar ik wenschTe weten of z’n rug ... zoo’n kind is vreeselyk zwaar!Wees niet zoo woelig, kleine: uw vader is vermoeid ...Kuntgyz’n rug zien, kind, zyn naakten rug?Den rug des mans, die ginds dat kruis draagt, kind,En die doorSchmoelgeworpen wordt met drek?Ik houd u hoog ... zie goed ... maar zie wat snel,Omdat ik moe ben, Mirjam! Nu?—Die rug is rood ...Ge hoort het,ben Daöud... dàt maakt hem zwak!Men heeft hem eerst gegeeseld, dat maakt zwàk!Maar ’t gaat wel òver, als-i hangt. Hij zalGewis zoo gauw niet knikken met het hoofd ...(Zit stil, myn kind, ge drukt me ontzettend zwaar!)Ik zeg u,Nathan, deze man is taai!’t Is jammer dat ik niet mynKashmirheb ...(Zit rustig kind, of vader zet u neer:Ik ben vermoed!) En ieder zei,ben Daöud:Het was ’n schande ... dáádlyk was hetuit!Maardezezal zoo gauw niet sterven aan het kruis,Hy zal gewis watsprekenvoor-i knikt!Dat praten dan de kindren jub’lend na,En maken grappig spel van wat-i zeide,En spelen kruisman, weken naderhand!Dit beurt wat op, in dezen slechten tyd!Maar als-i zwygt aan ’t kruis, is ’t niet de moeite waardZoo vèr te gaan—het is zoo vreeslyk heet,Als ’t weer gebeurt, zet ik m’nKashmirop!—Ik zeg u dat-i taai is,ben Daöud!Hy valt weer ... dit is niets! Wacht tot-i hangt,(Zit stil,Mirjam!) dan zult ge zien en hooren ...Neem ’t kind terug,Jochébed: ik ben moe ...Maar houd het schaapje omhoog ...Komt mee, komt mee, daar is wat schoons te zien!Komt allen mee ... daar wordt ’n man gekruist!Wat hy misdeed? ’k Weet niet wat hy misdeet ...Er zyn er zelfs die zeggen dat-i wèl deed ...Maar dit ’s om ’t even! Werpt uw grootboek neer,Vergeet uw koffi en uw suiker, burgerlui ...Uw beurs, uw oefning, en uw monsters van tabak,Uw winkel van gestolen kruinierswaren,Uw Evangelie en uw batig saldo!Laat liggen voor ’n wyl uw handel en moraal,Theologie ... moderne, antieke ... ’t heele zoodje!Neem uit de kast uw deftigst opperkleed,Bedast uw hals met allerwitst batist,En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag,En roept uw knapen en uw dochters van hun spel ...Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist!Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Ik zeg u dat-i taai is, die daar gaat ...Hy zal zoo gauw niet knikken met zyn hoofd ...Hy zal, by God, aan ’t kruis niet zwygend sterven!En voor uw kinderen zal ’t de moeite waard zynTe hooren—en het nàtepraten—wat-i zegt!Beloof hun vry een vroolijk kruismansspel,Dat beurt wat óp in deze slechte tyden!Ik zeg u dat-i taai is, deze man,Dat hy u niet bedriegen zal, als laatstDie andre dief, die daadlyk knikte met het hoofd,En toen was ’tuit! Maar deze man is taai,Al schynt hy zwak van bouw. Het is hem aantezienDat hy veel droeg, maar kracht heeft méér te dragen,Dat hy veel leed, maarlangnog lyden kàn!Hij spreekt reeds ... luister: “Eli Sabactani!”Hy roeptElias... kindren, bauwt hem na,En sart hem, dat hy nòg wat zegge aan ’t kruis,En krabt met lange nagels in z’n wonden ...Of beter, werpt hem—als vriendSchmoel—met drek:Licht slikt hy walging minder goed dan pyn!Hu ... huup ... omhoog uw kindren! Dat ze ’t zien.En dat ze ’t hooren, hoe de kruisman spreekt,Om stof te garen voor hun kruismansspel ...Komt allen mee!HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!Komt mee, komt mee, daar wordt een man gekruist:RoeptRubenhier, enNathan ben Daöud...Klaas Jakob,Nafthali,Albertus!Eliézer...De dames en de heeren uit de buurt,Verwanten, neven, nichten, broeders, en de rest,Behouders, Liberalen, mannen van de beurs,En van de balie of den kansel! KontraktantenEn Vry-arbeiders, oppozitie en ministers,De leden van de Tweede-Kamer in den Haag,En wie er rusten kan, na slecht regeeren,En wie geen tyd had om z’n plicht te doen,Maar licht nu tyd heeft voor ’n grappig schouwspel,RoeptMozes,Issascharen ’t heeleWillemspark,Piet,Paul,Ezéchiel... roept al wat naam heeft,Roept wat gedoopt is, of besneden, mee!Roept al wat juicht: “ik dank u voor myn braafheid!”Roept al wat kermt: “wees my genadig, Heer!”Roept wat verdoemd is, en wat deel heeft aan genade,Wat loopen, zien en hooren kan (al is ’t wat heet!)Jezuiten—protestantsche en katholieke—Van de orde of niet van de orde, Vrye-metselaren,Die over ’tgoede, schoone woordenspreekt,Maar u onthoudt vanstrydentegen ’t kwaad!Gy die ukind’ren noemt der weduw, maar uw handNiet uitstrekt om het kruis te dragen van haar zoon!Roep al wat bidt of schachert in den tempel,Al wat er wacht opNabi Issah’szweep!Al wat met scherpen blik en vlugge handenHem nasluipt—of soms te grissen vielVan ’t geld, dat rollend wegstuift onder ’t volk—En later meepraat over stelsels en principes!Roept al wat vet werd van gestolen spys,Al wat er pocht op linzen-eerstgeboorte,Al wat ’n gouden kalf in ’t wapen draagt,Al wat er knaagt aanInsulindscheknoken,Al wat er zuigt aan deInsulindschekoe,Al wat er hangt aan d’afgestroopten tepel,Al wat er zwelt van ’t afgezogen bloed!Komt allen mee ...Jochébedmet de kleine ...(En houdt vooral het schaapje omhoog,Jochébed!)RoeptJanszoon,Pieterszoon,ben Levi,ben Daöud...Ben...dìt,BEN...dàt,BEN...ieder!Roept ookSchmoel...Ja,Schmoelvooral, enJudas Judaszoon!Komt allen mee, komt mee naarGolgotha!Bij God ... daar is vandaag wat schoons te zien!Komt allen mee, daar wordt ’n man gekruist!Komt mee, komt mee ...HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!

Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist,Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Werpt beitel neer en spade, o burgerluî,En roept uw dochters en uw knapen van hun spel.En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag!Werpt hamer, troffel, schaaf en weefspoel neer!Komt allen mee ... daar is wat fraais te zien!Komt allen mee ...hoerahvoorGolgotha!Hoerah,hoerahvoorGolgotha!

Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist,

Daar is wat schoons te zien opGolgotha!

Werpt beitel neer en spade, o burgerluî,

En roept uw dochters en uw knapen van hun spel.

En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag!

Werpt hamer, troffel, schaaf en weefspoel neer!

Komt allen mee ... daar is wat fraais te zien!

Komt allen mee ...hoerahvoorGolgotha!

Hoerah,hoerahvoorGolgotha!

—Dat zal, by God, wat schoons zyn deze keer!Hij schynt nog jong, en heeft iets in z’n blikDat taaiheid aanduidt ... zie, daar zygt hy neer:Hy schynt toch zwak te wezen! ’t Kruis is zwaar...Ik hoor: het is van ’t allerbeste hout! Men zegt,(MaarNathan, of het waar is weet ik niet!)Ze zeggen dat hyzelf het heeft geleverd,Toen hy als timmerman nog aan de schaafbank stond...Want, buurman, vóór hy, ’k weet niet wàt, misdeed,Ja, òf hy iets misdeed zelfsNathan, weet ik niet...Maar vóór hy deed wat men hem euvel nam,Was hy een timmerman als wy.

—Dat zal, by God, wat schoons zyn deze keer!

Hij schynt nog jong, en heeft iets in z’n blik

Dat taaiheid aanduidt ... zie, daar zygt hy neer:

Hy schynt toch zwak te wezen! ’t Kruis is zwaar...

Ik hoor: het is van ’t allerbeste hout! Men zegt,

(MaarNathan, of het waar is weet ik niet!)

Ze zeggen dat hyzelf het heeft geleverd,

Toen hy als timmerman nog aan de schaafbank stond...

Want, buurman, vóór hy, ’k weet niet wàt, misdeed,

Ja, òf hy iets misdeed zelfsNathan, weet ik niet...

Maar vóór hy deed wat men hem euvel nam,

Was hy een timmerman als wy.

—Hoe heet die man?

—Hoe heet die man?

—Dit weet ik waarlijk niet, men zegt hy ishanootzri...44Of wel, zijn vader was hanootzri. Hy lykt zwakVoor zulk ’n ambacht, maar z’n werk was goed...Hy struikelt weer ... (Op-zy wat,Jöchaz!Ei, laat my ook wat zien ... ge dringt me weg,Of ’t heele schouwspel waar voor u alleen! Hy zweet:Ik zeide u wel dat hy niet sterk was,Nathan.Maar toch geloof ik dat hy taai is, en ons nietBedriegen zal, als laatst die and’re diefDie pas ’n half uur had gehangen, toen z’n hoofdOp-zy knikte ... en ’t wasuit! Hy sprak geen enkel woordDat ons beloonde voor de moeite. Waart ge er by?(Houd kleineMirjamwat omhoog,Jochébed!)Zeg waart ge er by, oNathan ben Daöud,Toen ons die dief bestal voor zooveel moeite om-niet?

—Dit weet ik waarlijk niet, men zegt hy ishanootzri...44

Of wel, zijn vader was hanootzri. Hy lykt zwak

Voor zulk ’n ambacht, maar z’n werk was goed...

Hy struikelt weer ... (Op-zy wat,Jöchaz!

Ei, laat my ook wat zien ... ge dringt me weg,

Of ’t heele schouwspel waar voor u alleen! Hy zweet:

Ik zeide u wel dat hy niet sterk was,Nathan.

Maar toch geloof ik dat hy taai is, en ons niet

Bedriegen zal, als laatst die and’re dief

Die pas ’n half uur had gehangen, toen z’n hoofd

Op-zy knikte ... en ’t wasuit! Hy sprak geen enkel woord

Dat ons beloonde voor de moeite. Waart ge er by?

(Houd kleineMirjamwat omhoog,Jochébed!)

Zeg waart ge er by, oNathan ben Daöud,

Toen ons die dief bestal voor zooveel moeite om-niet?

—Ik had dien dag een splinter in myn voet,En dus geen lust inuitgaanof vermaak,Maar ’k heb gehoord ...

—Ik had dien dag een splinter in myn voet,

En dus geen lust inuitgaanof vermaak,

Maar ’k heb gehoord ...

—Ikwas er by, vriendNathan!

—Ikwas er by, vriendNathan!

Ik droeg m’n opperkleed van groene zyde,En had m’n tulband op vankashmirstofOmdat die koel is ... zie, hy struikelt weer,Maar staat weer op. Wat zeide ik ook het laatst?

Ik droeg m’n opperkleed van groene zyde,

En had m’n tulband op vankashmirstof

Omdat die koel is ... zie, hy struikelt weer,

Maar staat weer op. Wat zeide ik ook het laatst?

—De dief die u bedroog ...

—De dief die u bedroog ...

—Ik weet al. Nu dien dag

—Ik weet al. Nu dien dag

Was ’t warm als heden ... neen, zoo warm was ’t niet:Want ... vindt ge ’t niet ontzettend heet van daagDe zon brandt me op den schedel. ’t Rouwt my welDat ik m’n tulband niet verruild heb voor mynKashmir,Die licht vankleuren koeler is ... dat doet de haast:Ik gunde my geen tijd—daar valt-i weer—Ik heb er spyt van ...Golgothais vèr!Zoo’n donk’re zuigt de warmte broeiend in,En dáárom heb ik spyt datGolgothazoo vèr is...Wat zeide ik ook het laatst?

Was ’t warm als heden ... neen, zoo warm was ’t niet:

Want ... vindt ge ’t niet ontzettend heet van daag

De zon brandt me op den schedel. ’t Rouwt my wel

Dat ik m’n tulband niet verruild heb voor mynKashmir,

Die licht vankleuren koeler is ... dat doet de haast:

Ik gunde my geen tijd—daar valt-i weer—

Ik heb er spyt van ...Golgothais vèr!

Zoo’n donk’re zuigt de warmte broeiend in,

En dáárom heb ik spyt datGolgothazoo vèr is...

Wat zeide ik ook het laatst?

—Die slechte dief..

—Die slechte dief..

—Ik bèn er! Uren liep ik mee, en hygde als nu...(Vervloekte hitte ... dringt zoo niet,Jöchaz!)Ik was vermoeid vóór halfweg ... en de dief(Let wel hoe schand’lijk die man ons bedroog)Liep met z’n kruis, als waar ’t ’n palmtak, voort!Hy zweette niet, en is niet eens gestruikeld ...Maar toen-ihing, was ’t daad’lijk met hemuit!Endeze—zie, hy struikelt weer—endezeIs niet zoo zwaar van bouw, zoo forsch van leest...Hy schynt wel teer van spieren ... doch zyn blikToont dat-i veel geleden heeft en droeg.Maar dat-ilangentyd nog lydenkàn!’k Ben zeker dat hysprekenzal aan ’t kruis,En dit is juist het aardigst van de zaak!De kinderen gaan, om dát te hooren, mee...Die andere dief was dood, vóór nog m’n vrouw,Die trager liep—omdat ze zwanger was, dien tyd,VanMirjam—(houd het schaapje omhoog,Jochébed!)Die dief was doód, vóór zy daar aankwam,Nathan!En ieder zeide dat het schande was!(GeefMirjammy,Jochébed! Hier m’n kind,Hu ... huup ... op vaders schouder! Kunje zien?Sla ’t kleine handje zóó ... om vaders hals,En houdje vast!) Wat zeide ik ook het laatst?

—Ik bèn er! Uren liep ik mee, en hygde als nu...

(Vervloekte hitte ... dringt zoo niet,Jöchaz!)

Ik was vermoeid vóór halfweg ... en de dief

(Let wel hoe schand’lijk die man ons bedroog)

Liep met z’n kruis, als waar ’t ’n palmtak, voort!

Hy zweette niet, en is niet eens gestruikeld ...

Maar toen-ihing, was ’t daad’lijk met hemuit!

Endeze—zie, hy struikelt weer—endeze

Is niet zoo zwaar van bouw, zoo forsch van leest...

Hy schynt wel teer van spieren ... doch zyn blik

Toont dat-i veel geleden heeft en droeg.

Maar dat-ilangentyd nog lydenkàn!

’k Ben zeker dat hysprekenzal aan ’t kruis,

En dit is juist het aardigst van de zaak!

De kinderen gaan, om dát te hooren, mee...

Die andere dief was dood, vóór nog m’n vrouw,

Die trager liep—omdat ze zwanger was, dien tyd,

VanMirjam—(houd het schaapje omhoog,Jochébed!)

Die dief was doód, vóór zy daar aankwam,Nathan!

En ieder zeide dat het schande was!

(GeefMirjammy,Jochébed! Hier m’n kind,

Hu ... huup ... op vaders schouder! Kunje zien?

Sla ’t kleine handje zóó ... om vaders hals,

En houdje vast!) Wat zeide ik ook het laatst?

—Die and’re dief ...

—Die and’re dief ...

—Ik weet al! Heel de buurt

—Ik weet al! Heel de buurt

Was op de been gekomen, om dien man te zien.Daar waren met ons,Ruben,Ephraïm,Baënamet de kind’ren,Hiddal ben Elia,De dochters vanUrias,Schmoelde wisselaar ...(Ik zie hem juist, hy werpt den man met drek)Hy is ’t, die laatst verjaagd werd uit den tempel,Omdat hy schacherde inJehovah’shuis...

Was op de been gekomen, om dien man te zien.

Daar waren met ons,Ruben,Ephraïm,

Baënamet de kind’ren,Hiddal ben Elia,

De dochters vanUrias,Schmoelde wisselaar ...

(Ik zie hem juist, hy werpt den man met drek)

Hy is ’t, die laatst verjaagd werd uit den tempel,

Omdat hy schacherde inJehovah’shuis...

—Wie jaagde ’m weg?

—Wie jaagde ’m weg?

—Ze zeggen zekereIscha...

—Ze zeggen zekereIscha...

Jeshoeah, zoon vanJoszof, uit ’n grootGeslacht, die met ’n zweep hem voortjoeg als ’n hond,En ’t goud- en zilverkraampje omver smeet, dat de muntLinks, rechts wegspringend, neertikte op den grondEn rollend wegstoof onder ’t volk ...

Jeshoeah, zoon vanJoszof, uit ’n groot

Geslacht, die met ’n zweep hem voortjoeg als ’n hond,

En ’t goud- en zilverkraampje omver smeet, dat de munt

Links, rechts wegspringend, neertikte op den grond

En rollend wegstoof onder ’t volk ...

—Wie gaf hem recht

—Wie gaf hem recht

Tot zulk ’n groot gezag?

Tot zulk ’n groot gezag?

—Dit weet ik,Nathan, niet,

—Dit weet ik,Nathan, niet,

Maar ’t is niet goed te schachren inJehovah’shuis!MynEphraïm... maar,Nathan ben Daöud,Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoop...(Daar werpt weerSchmoelden kruisman met z’n drek)Wat zeide ik ook het laatst?

Maar ’t is niet goed te schachren inJehovah’shuis!

MynEphraïm... maar,Nathan ben Daöud,

Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoop...

(Daar werpt weerSchmoelden kruisman met z’n drek)

Wat zeide ik ook het laatst?

—Ge spraakt vanEphraïm,

—Ge spraakt vanEphraïm,

En van de wiss’laars in den tempel...

En van de wiss’laars in den tempel...

—Juist!

—Juist!

Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoopDat ge my niet verraden zult! M’n zoonDie ’t aanzag, wyl hy juist ’n handel sloot,Heeft, ylings bukkend, als om hulp te biênIn ’t zoeken—maar verklap me niet,ben Daud!—Hy heeft met scherp gezicht en vlugge hand..,In ’t kort, z’n handel was gezegend op dien dag:Hy kwam met dertig zilverlingen t’huis!Geloof me,Nathan, dieben Joszofhad gelyk ...’t Is ongeoorloofd dusJehovah’stempelTe ontwyden met ’n goud- en zilverkraam:jeshoeäh ben Joszofhad groot gelyk!’t Is dáárom ook datEphraïm, m’n zoon,Hem altyd zoekt en naloopt ... of hy weerTer zuivring uitgaat van Gods tempel, met ’n zweep,Maar sinds een week heeft hy hem niet gezien ...(Daar werpt dieSchmoelden kruisman weer met drek)

Ik zeg ’t u in vertrouwen, en ik hoop

Dat ge my niet verraden zult! M’n zoon

Die ’t aanzag, wyl hy juist ’n handel sloot,

Heeft, ylings bukkend, als om hulp te biên

In ’t zoeken—maar verklap me niet,ben Daud!—

Hy heeft met scherp gezicht en vlugge hand..,

In ’t kort, z’n handel was gezegend op dien dag:

Hy kwam met dertig zilverlingen t’huis!

Geloof me,Nathan, dieben Joszofhad gelyk ...

’t Is ongeoorloofd dusJehovah’stempel

Te ontwyden met ’n goud- en zilverkraam:

jeshoeäh ben Joszofhad groot gelyk!

’t Is dáárom ook datEphraïm, m’n zoon,

Hem altyd zoekt en naloopt ... of hy weer

Ter zuivring uitgaat van Gods tempel, met ’n zweep,

Maar sinds een week heeft hy hem niet gezien ...

(Daar werpt dieSchmoelden kruisman weer met drek)

—Die and’re dief ...

—Die and’re dief ...

—Ja, juist! Wy allen gingen mee, de heele buurt ...En toen-ihing, was ’t daadlyk uit,ben Daud!Och kleine, druk zoo zwaar niet aan m’n hals!)’t Is warm—hy struikelt weer—hy schynt vermoeid ...Ik zeg u, dit beteekent niets, vriendNathanGe weet, hoe ’t hout datmaklykbuigt, niet breekt,En hoe het harde knakt, by ’t minste buigen:Zóó ook die man ... ik zeg u, hy is taai!

—Ja, juist! Wy allen gingen mee, de heele buurt ...

En toen-ihing, was ’t daadlyk uit,ben Daud!

Och kleine, druk zoo zwaar niet aan m’n hals!)

’t Is warm—hy struikelt weer—hy schynt vermoeid ...

Ik zeg u, dit beteekent niets, vriendNathan

Ge weet, hoe ’t hout datmaklykbuigt, niet breekt,

En hoe het harde knakt, by ’t minste buigen:

Zóó ook die man ... ik zeg u, hy is taai!

—Eilieve, zie ... die vrouw!... Zou dat z’nvrouwzyn?De vrouw die schreiend volgt, en neergebukt,Als-of zyzelve ’t kruis droeg op haar schouder!Zy steekt de magre hand gedurig uit,Als wilde zy den kruisman schragen ... Is ’t zynvrouw?

—Eilieve, zie ... die vrouw!... Zou dat z’nvrouwzyn?

De vrouw die schreiend volgt, en neergebukt,

Als-of zyzelve ’t kruis droeg op haar schouder!

Zy steekt de magre hand gedurig uit,

Als wilde zy den kruisman schragen ... Is ’t zynvrouw?

—Dit weet ik waarlyk niet ... ze schynt my te oud.En bovendien ... ik zie geenkindren! Neen,Dat is gewis z’nmoeder... zie, ze waggelt!Ik heb zoo vaak zoo’n kruisweg meegemaakt,(De kind’ren zyn er dol op, de arme schapen!En altyd opgemerkt, dat wie ’nvrouwheeftEnkind’ren, die naar ’t kruis hem weenend volgen,(Wees rustig,Mirjam: vader is vermoeid!)Zoo taai niet is alsdeze,Nathan ben Daöud!Ik zeg u nog-eens: deze man istaai:Eenvaderzou zoo taai niet wezen,Nathan!Hy is wat moe van ’tgaan, maar als-ihangt,Is dit terstond voorby! VriendNathan, help me ’t kindEens overzetten, op dien andren schouder ... zóó!Het drukt zoo op-den-duur, al schynt het licht in ’t eerst!(Zit stil, m’n kind!) Ja,dezeis wat vermoeid,Misschien wat zwak ook door het bloedverlies,(Schuif niet zoo heen-en-weer, m’n kind: dat doet me pyn!)Men zegt dat-i gegeeseld is ... Ziet ge zynrug?Tracht heentekyken over ’t volk, vriendNathan!

—Dit weet ik waarlyk niet ... ze schynt my te oud.

En bovendien ... ik zie geenkindren! Neen,

Dat is gewis z’nmoeder... zie, ze waggelt!

Ik heb zoo vaak zoo’n kruisweg meegemaakt,

(De kind’ren zyn er dol op, de arme schapen!

En altyd opgemerkt, dat wie ’nvrouwheeft

Enkind’ren, die naar ’t kruis hem weenend volgen,

(Wees rustig,Mirjam: vader is vermoeid!)

Zoo taai niet is alsdeze,Nathan ben Daöud!

Ik zeg u nog-eens: deze man istaai:

Eenvaderzou zoo taai niet wezen,Nathan!

Hy is wat moe van ’tgaan, maar als-ihangt,

Is dit terstond voorby! VriendNathan, help me ’t kind

Eens overzetten, op dien andren schouder ... zóó!

Het drukt zoo op-den-duur, al schynt het licht in ’t eerst!

(Zit stil, m’n kind!) Ja,dezeis wat vermoeid,

Misschien wat zwak ook door het bloedverlies,

(Schuif niet zoo heen-en-weer, m’n kind: dat doet me pyn!)

Men zegt dat-i gegeeseld is ... Ziet ge zynrug?

Tracht heentekyken over ’t volk, vriendNathan!

—Ik hebJöchazvoor my ...

—Ik hebJöchazvoor my ...

—Kuntgy’t zien,Jöchaz?

—Kuntgy’t zien,Jöchaz?

—Ik zie alleen den top en d’ arm van ’t kruisDat slingrend voortschuift als-i waggelt, maar verdwyntZoodra hy neerzwikt ... zie, daar valt het weer,En ryst nu langzaam weer omhoog!

—Ik zie alleen den top en d’ arm van ’t kruis

Dat slingrend voortschuift als-i waggelt, maar verdwynt

Zoodra hy neerzwikt ... zie, daar valt het weer,

En ryst nu langzaam weer omhoog!

—Dat zie ikzelf

—Dat zie ikzelf

Zoo goed als gy dat ziet,Jöchaz! Maar ik wenschTe weten of z’n rug ... zoo’n kind is vreeselyk zwaar!Wees niet zoo woelig, kleine: uw vader is vermoeid ...Kuntgyz’n rug zien, kind, zyn naakten rug?Den rug des mans, die ginds dat kruis draagt, kind,En die doorSchmoelgeworpen wordt met drek?Ik houd u hoog ... zie goed ... maar zie wat snel,Omdat ik moe ben, Mirjam! Nu?

Zoo goed als gy dat ziet,Jöchaz! Maar ik wensch

Te weten of z’n rug ... zoo’n kind is vreeselyk zwaar!

Wees niet zoo woelig, kleine: uw vader is vermoeid ...

Kuntgyz’n rug zien, kind, zyn naakten rug?

Den rug des mans, die ginds dat kruis draagt, kind,

En die doorSchmoelgeworpen wordt met drek?

Ik houd u hoog ... zie goed ... maar zie wat snel,

Omdat ik moe ben, Mirjam! Nu?

—Die rug is rood ...

—Die rug is rood ...

Ge hoort het,ben Daöud... dàt maakt hem zwak!Men heeft hem eerst gegeeseld, dat maakt zwàk!Maar ’t gaat wel òver, als-i hangt. Hij zalGewis zoo gauw niet knikken met het hoofd ...(Zit stil, myn kind, ge drukt me ontzettend zwaar!)Ik zeg u,Nathan, deze man is taai!’t Is jammer dat ik niet mynKashmirheb ...(Zit rustig kind, of vader zet u neer:Ik ben vermoed!) En ieder zei,ben Daöud:Het was ’n schande ... dáádlyk was hetuit!Maardezezal zoo gauw niet sterven aan het kruis,Hy zal gewis watsprekenvoor-i knikt!Dat praten dan de kindren jub’lend na,En maken grappig spel van wat-i zeide,En spelen kruisman, weken naderhand!Dit beurt wat op, in dezen slechten tyd!Maar als-i zwygt aan ’t kruis, is ’t niet de moeite waardZoo vèr te gaan—het is zoo vreeslyk heet,Als ’t weer gebeurt, zet ik m’nKashmirop!—Ik zeg u dat-i taai is,ben Daöud!Hy valt weer ... dit is niets! Wacht tot-i hangt,(Zit stil,Mirjam!) dan zult ge zien en hooren ...Neem ’t kind terug,Jochébed: ik ben moe ...Maar houd het schaapje omhoog ...

Ge hoort het,ben Daöud... dàt maakt hem zwak!

Men heeft hem eerst gegeeseld, dat maakt zwàk!

Maar ’t gaat wel òver, als-i hangt. Hij zal

Gewis zoo gauw niet knikken met het hoofd ...

(Zit stil, myn kind, ge drukt me ontzettend zwaar!)

Ik zeg u,Nathan, deze man is taai!

’t Is jammer dat ik niet mynKashmirheb ...

(Zit rustig kind, of vader zet u neer:

Ik ben vermoed!) En ieder zei,ben Daöud:

Het was ’n schande ... dáádlyk was hetuit!

Maardezezal zoo gauw niet sterven aan het kruis,

Hy zal gewis watsprekenvoor-i knikt!

Dat praten dan de kindren jub’lend na,

En maken grappig spel van wat-i zeide,

En spelen kruisman, weken naderhand!

Dit beurt wat op, in dezen slechten tyd!

Maar als-i zwygt aan ’t kruis, is ’t niet de moeite waard

Zoo vèr te gaan—het is zoo vreeslyk heet,

Als ’t weer gebeurt, zet ik m’nKashmirop!—

Ik zeg u dat-i taai is,ben Daöud!

Hy valt weer ... dit is niets! Wacht tot-i hangt,

(Zit stil,Mirjam!) dan zult ge zien en hooren ...

Neem ’t kind terug,Jochébed: ik ben moe ...

Maar houd het schaapje omhoog ...

Komt mee, komt mee, daar is wat schoons te zien!Komt allen mee ... daar wordt ’n man gekruist!Wat hy misdeed? ’k Weet niet wat hy misdeet ...Er zyn er zelfs die zeggen dat-i wèl deed ...Maar dit ’s om ’t even! Werpt uw grootboek neer,Vergeet uw koffi en uw suiker, burgerlui ...Uw beurs, uw oefning, en uw monsters van tabak,Uw winkel van gestolen kruinierswaren,Uw Evangelie en uw batig saldo!Laat liggen voor ’n wyl uw handel en moraal,Theologie ... moderne, antieke ... ’t heele zoodje!Neem uit de kast uw deftigst opperkleed,Bedast uw hals met allerwitst batist,En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag,En roept uw knapen en uw dochters van hun spel ...

Komt mee, komt mee, daar is wat schoons te zien!

Komt allen mee ... daar wordt ’n man gekruist!

Wat hy misdeed? ’k Weet niet wat hy misdeet ...

Er zyn er zelfs die zeggen dat-i wèl deed ...

Maar dit ’s om ’t even! Werpt uw grootboek neer,

Vergeet uw koffi en uw suiker, burgerlui ...

Uw beurs, uw oefning, en uw monsters van tabak,

Uw winkel van gestolen kruinierswaren,

Uw Evangelie en uw batig saldo!

Laat liggen voor ’n wyl uw handel en moraal,

Theologie ... moderne, antieke ... ’t heele zoodje!

Neem uit de kast uw deftigst opperkleed,

Bedast uw hals met allerwitst batist,

En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag,

En roept uw knapen en uw dochters van hun spel ...

Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist!Daar is wat schoons te zien opGolgotha!Ik zeg u dat-i taai is, die daar gaat ...Hy zal zoo gauw niet knikken met zyn hoofd ...Hy zal, by God, aan ’t kruis niet zwygend sterven!En voor uw kinderen zal ’t de moeite waard zynTe hooren—en het nàtepraten—wat-i zegt!Beloof hun vry een vroolijk kruismansspel,Dat beurt wat óp in deze slechte tyden!Ik zeg u dat-i taai is, deze man,Dat hy u niet bedriegen zal, als laatstDie andre dief, die daadlyk knikte met het hoofd,En toen was ’tuit! Maar deze man is taai,Al schynt hy zwak van bouw. Het is hem aantezienDat hy veel droeg, maar kracht heeft méér te dragen,Dat hy veel leed, maarlangnog lyden kàn!Hij spreekt reeds ... luister: “Eli Sabactani!”Hy roeptElias... kindren, bauwt hem na,En sart hem, dat hy nòg wat zegge aan ’t kruis,En krabt met lange nagels in z’n wonden ...Of beter, werpt hem—als vriendSchmoel—met drek:Licht slikt hy walging minder goed dan pyn!Hu ... huup ... omhoog uw kindren! Dat ze ’t zien.En dat ze ’t hooren, hoe de kruisman spreekt,Om stof te garen voor hun kruismansspel ...Komt allen mee!HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!

Komt mee, komt mee, daar wordt ’n man gekruist!

Daar is wat schoons te zien opGolgotha!

Ik zeg u dat-i taai is, die daar gaat ...

Hy zal zoo gauw niet knikken met zyn hoofd ...

Hy zal, by God, aan ’t kruis niet zwygend sterven!

En voor uw kinderen zal ’t de moeite waard zyn

Te hooren—en het nàtepraten—wat-i zegt!

Beloof hun vry een vroolijk kruismansspel,

Dat beurt wat óp in deze slechte tyden!

Ik zeg u dat-i taai is, deze man,

Dat hy u niet bedriegen zal, als laatst

Die andre dief, die daadlyk knikte met het hoofd,

En toen was ’tuit! Maar deze man is taai,

Al schynt hy zwak van bouw. Het is hem aantezien

Dat hy veel droeg, maar kracht heeft méér te dragen,

Dat hy veel leed, maarlangnog lyden kàn!

Hij spreekt reeds ... luister: “Eli Sabactani!”

Hy roeptElias... kindren, bauwt hem na,

En sart hem, dat hy nòg wat zegge aan ’t kruis,

En krabt met lange nagels in z’n wonden ...

Of beter, werpt hem—als vriendSchmoel—met drek:

Licht slikt hy walging minder goed dan pyn!

Hu ... huup ... omhoog uw kindren! Dat ze ’t zien.

En dat ze ’t hooren, hoe de kruisman spreekt,

Om stof te garen voor hun kruismansspel ...

Komt allen mee!HoerahvoorGolgotha!

Hoerah, HoerahvoorGolgotha!

Komt mee, komt mee, daar wordt een man gekruist:RoeptRubenhier, enNathan ben Daöud...Klaas Jakob,Nafthali,Albertus!Eliézer...De dames en de heeren uit de buurt,Verwanten, neven, nichten, broeders, en de rest,Behouders, Liberalen, mannen van de beurs,En van de balie of den kansel! KontraktantenEn Vry-arbeiders, oppozitie en ministers,De leden van de Tweede-Kamer in den Haag,En wie er rusten kan, na slecht regeeren,En wie geen tyd had om z’n plicht te doen,Maar licht nu tyd heeft voor ’n grappig schouwspel,RoeptMozes,Issascharen ’t heeleWillemspark,Piet,Paul,Ezéchiel... roept al wat naam heeft,Roept wat gedoopt is, of besneden, mee!Roept al wat juicht: “ik dank u voor myn braafheid!”Roept al wat kermt: “wees my genadig, Heer!”Roept wat verdoemd is, en wat deel heeft aan genade,Wat loopen, zien en hooren kan (al is ’t wat heet!)Jezuiten—protestantsche en katholieke—Van de orde of niet van de orde, Vrye-metselaren,Die over ’tgoede, schoone woordenspreekt,Maar u onthoudt vanstrydentegen ’t kwaad!Gy die ukind’ren noemt der weduw, maar uw handNiet uitstrekt om het kruis te dragen van haar zoon!Roep al wat bidt of schachert in den tempel,Al wat er wacht opNabi Issah’szweep!Al wat met scherpen blik en vlugge handenHem nasluipt—of soms te grissen vielVan ’t geld, dat rollend wegstuift onder ’t volk—En later meepraat over stelsels en principes!Roept al wat vet werd van gestolen spys,Al wat er pocht op linzen-eerstgeboorte,Al wat ’n gouden kalf in ’t wapen draagt,Al wat er knaagt aanInsulindscheknoken,Al wat er zuigt aan deInsulindschekoe,Al wat er hangt aan d’afgestroopten tepel,Al wat er zwelt van ’t afgezogen bloed!Komt allen mee ...Jochébedmet de kleine ...(En houdt vooral het schaapje omhoog,Jochébed!)RoeptJanszoon,Pieterszoon,ben Levi,ben Daöud...Ben...dìt,BEN...dàt,BEN...ieder!

Komt mee, komt mee, daar wordt een man gekruist:

RoeptRubenhier, enNathan ben Daöud...

Klaas Jakob,Nafthali,Albertus!Eliézer...

De dames en de heeren uit de buurt,

Verwanten, neven, nichten, broeders, en de rest,

Behouders, Liberalen, mannen van de beurs,

En van de balie of den kansel! Kontraktanten

En Vry-arbeiders, oppozitie en ministers,

De leden van de Tweede-Kamer in den Haag,

En wie er rusten kan, na slecht regeeren,

En wie geen tyd had om z’n plicht te doen,

Maar licht nu tyd heeft voor ’n grappig schouwspel,

RoeptMozes,Issascharen ’t heeleWillemspark,

Piet,Paul,Ezéchiel... roept al wat naam heeft,

Roept wat gedoopt is, of besneden, mee!

Roept al wat juicht: “ik dank u voor myn braafheid!”

Roept al wat kermt: “wees my genadig, Heer!”

Roept wat verdoemd is, en wat deel heeft aan genade,

Wat loopen, zien en hooren kan (al is ’t wat heet!)

Jezuiten—protestantsche en katholieke—

Van de orde of niet van de orde, Vrye-metselaren,

Die over ’tgoede, schoone woordenspreekt,

Maar u onthoudt vanstrydentegen ’t kwaad!

Gy die ukind’ren noemt der weduw, maar uw hand

Niet uitstrekt om het kruis te dragen van haar zoon!

Roep al wat bidt of schachert in den tempel,

Al wat er wacht opNabi Issah’szweep!

Al wat met scherpen blik en vlugge handen

Hem nasluipt—of soms te grissen viel

Van ’t geld, dat rollend wegstuift onder ’t volk—

En later meepraat over stelsels en principes!

Roept al wat vet werd van gestolen spys,

Al wat er pocht op linzen-eerstgeboorte,

Al wat ’n gouden kalf in ’t wapen draagt,

Al wat er knaagt aanInsulindscheknoken,

Al wat er zuigt aan deInsulindschekoe,

Al wat er hangt aan d’afgestroopten tepel,

Al wat er zwelt van ’t afgezogen bloed!

Komt allen mee ...Jochébedmet de kleine ...

(En houdt vooral het schaapje omhoog,Jochébed!)

RoeptJanszoon,Pieterszoon,ben Levi,ben Daöud...

Ben...dìt,BEN...dàt,BEN...ieder!

Roept ookSchmoel...

Roept ookSchmoel...

Ja,Schmoelvooral, enJudas Judaszoon!

Ja,Schmoelvooral, enJudas Judaszoon!

Komt allen mee, komt mee naarGolgotha!Bij God ... daar is vandaag wat schoons te zien!Komt allen mee, daar wordt ’n man gekruist!Komt mee, komt mee ...HoerahvoorGolgotha!Hoerah, HoerahvoorGolgotha!

Komt allen mee, komt mee naarGolgotha!

Bij God ... daar is vandaag wat schoons te zien!

Komt allen mee, daar wordt ’n man gekruist!

Komt mee, komt mee ...HoerahvoorGolgotha!

Hoerah, HoerahvoorGolgotha!

Ik ben wat moe, myn besteTine.

VAN TINE AAN FANCY.

Fancy... om-godswil ...Fancy!

AAN TINE.

LieveTine! Dat ik u in-lang niet schreef, was omdat ik u niets kon zenden. Ik ben niet wèl, en heb ’n vreemd gevoel van leegte, alsof ik me iets herinnerde, maar vatten kan ik ’t niet! Kuntgyme helpen? Ook heb ik pyn in ’t hart. Zou ’t ’n anevrisme wezen? Neen, dit kan niet. Zoo’n kwaal heeft ieder tegenwoordig, en ik zal toch geen ziekte krygen als ’n ander.

Die minister antwoordt niet. Ze kunnen my niet gebruiken, denk ik. ’t Schynt dat men prokureur of griffier moet geweest zyn. Ik zal nog drie dagen wachten op dat antwoord van den minister, en dan ... ja dan weet ik waarlyk niet wat ik doen moet! Ik weet niets, begryp niets! Wat is er toch met ons gebeurd, dat we zoo in moeielykheid verkeeren? Hoor eens, lieve ... als ge volstrekt geen raad meer weet, tracht dan naarden Haagte komen ... al is ’t te-voet en bedelend. Ieder zal u zeker wat geven, als ge zegt dat het is om dáár te sterven met de kinderen. Ik ben er op gesteld dat we dáár sterven. MaarSAMEN, lieve Tine! Ik heb volstrekt geen moed meer om televen, ente handelen. Moed om teondergaanen testervenwèl. Ik ben moe! Kunt ge ’t nog drie dagen uithouden?

Nog geen antwoord van den minister ...

VAN TINE AAN FANCY.

Fancy!!

AAN TINE.

O god, wat is dat vreemd ... ik droom altyd dien droom. Daar dwaalt my iets voor ’t oog ... een meisje, een schim, ’n spook ... Ik reikhals vruchteloos ... ze ontwykt me, en zweeft omhoog ... en lost zich op inniets! M’n hart is leeg, o god!

Ik ben vermoeid.

VAN TINE AAN FANCY.


Back to IndexNext