NASCHRIFT BY DEN VIERDEN DRUK.

NASCHRIFT BY DEN VIERDEN DRUK.Ruim elf jaren zyn verloopen, sedert ik deze brochure tegenVryen-Arbeid—d.i.tegen het overleveren van den Javaan aan de hebzucht van aventuriers uit alle windstreken—in het licht gaf.Ook een tweede stuk van gelyke strekking is reeds drie jaren oud.Van wederlegging myner beschouwingen is me niets gebleken.Immers het is geen wederleggen, indien men—gelyk door ’n verslaggever in de N. Rotterdamsche Courant geschied is—myn persoon tracht te verguizen, en de door my aangewende gronden voorbygaat, of juister gezegd, indien men zich aanstelt als-of men de gegevenwenkenniet begrepen heeft.Ook kan ik den rang van wederlegging niet toekennen aan geschriften die ten-duidelykste blyk geven dat de auteurs het verschil niet kennen tusschen eigenlyk gezegdeKoloniën, en officiëeleEtablissementen,Settlements,Factoryen,Vestigingen, of hoe men dan ons dominium inIndiëgelieft te betitelen. EeneKolonievan Nederlanders is Insulinde niet! Zy die dit uit het oog verliezen en toch over de zaak meespreken, doen denken aan den dwaas die ’n schaakparty aanvangt, zonder den naam der stukken te kennen, waaruit kan worden afgeleid dat hy niet zeer vertrouwd is met denloopdaarvan, en nog minder met de fynheden van ’t spel.Maar ons Publiek is nu eenmaal niet gewoon zulke dwazen het zwygen opteleggen. Door ’t lezen van allerlei ontuig heeft men ’t lezen verleerd, en meent iets vernomen te hebben—en geleerd misschien—wanneer ’n auteur redelyk weet omtegaan met de frazen van den dag. “Menschenrecht, vrye-arbeid,verfoeielykdwangstelsel,liberalismus...Wel zeker!Dusmoet de Javaan arbeiden ten-behoeve van zwendelaars, bankroetiers, industrieele vrybuiters uit alle hoeken van de wereld.De Weledele HeerDroogstoppelwil wel zoo!En de bemanning der amerikaansche whalers ook! Wie zou z’n armzalig leven willen doorbrengen op zee, met de kans op ’n weinig spermaceti, wanneer daar in de nabyheid, door de menschlievende Nederlandsche Natie ’n half werelddeel wordt te harpoeneeren en te villen gegeven?Zoowel in deze brochure als in de later geschrevene, meen ik te hebben aangetoond dat de geheele zoogenaamde kwestie berust op ’n woordspeling. En tevens dat de daaruit voortgevloeide dwaling voedsel heeft gekregen door de behoefte van sommigen aan ’nleus. De meesten van die heeren zyn uitmuntend geslaagd. Maar ze hebben de Natie zeer veel gekost. Indien men den heervan Hoevell,oogenblikkelykna z’n verbanning uit Indië—waar hy zich ten-eenen-male onbevoegd opwierp als voorganger—staatsraad met ’n behoorlyk inkomen had gemaakt, zou er veel geld en leed bespaard gebleven zyn. De kans dat in dit geval een ander de Natie was komen begoochelen met klank, ware gering geweest. Bekwaamheden als van den heervan Hoevellzyn zeldzaam.Ook had de ware economie voorgeschreven de bemoeienis van den millionairFransen van de Putteaftekoopen met ’n paar ton ’s jaars, voor-i zyn in Indië op denJavaanveroverd fortuin, in de schaal kon leggen, waaropJavaansche belangenzouden gewogen worden door Nederlandscheéconomie philantropique. Dit heeft men verzuimd, en hiervan is thans de domme en misdadige—jazelfsgeldverslindende—oorlog met Atjin, een der middelyke gevolgen! Me dunkt toch dat ieder met gewoon verstand begaafd persoon had kunnen voorzien, hoe schadelyk het werken moest, de hoogste belangen van den Staat toetevertrouwen aan een man zonder bekwaamheid, zonder antecedenten die van studie getuigen, en zonder anderen waarborg voor integriteit, dan de zeer negatieve van ’t snel ryk-worden.Nederland zal gestraft worden op de plek waar ’t gezondigd heeft. Door geld liet zich de Natie verblinden, met geld wordt de aanbidding van den Mammon geboet.De inwendige gronden waarom iemand alsFransen van de Putte, in zyn zonderlinge positie gedreven werd tot de misdaad der oorlogsverklaring aan Atjin, zyn niet moeielyk optegeven. De man moest, om niet niemendal te zyn, zich toetakelen met ’nair-Louvois. OokPrud’hommewilde iets wezen, en zou zeker dezen of genen oorlog hebben uitgedacht, als hy ’n land had kunnen vinden, krankzinnig en onzedelyk genoeg om hem aan ’t hoofd der zaken te stellen. Maar de goeiePrud’hommeheeft dezechanceniet gehad, omdat-i verzuimde zich by-tyde te laten geboren worden in ’t verrot Nederland, waar men ieder gebruiken kan die geld heeft, onverschillig hoe ’t gewonnen is.Er begint te blyken dat deze Mammon-dienst de wysheid bedriegt, en dat de aanbidding van ’t gouden kalf ’n zeer dure eeredienst is. En nog spreek ik niet van de ruimzeven millioen, waarop de oorlog met Atjin ons thans reeds te-staan komt. Dit is een kleinigheid, vergeleken by de finantiëele gevolgen van het kibbelen over Vryen-arbeid, en de daaruit voortgevloeidenoodlottige verslapping van ons gezag in Indië. De tyd nadert, waarop wy met het grootst genoegen afstand zouden doen van alle aanspraken op Atjin, en des-noods van geheel Sumatra, indien we tot dien prys slechts Java mochten behouden. Ja, al moesten wy ’t behoud van die eene melkkoe betalen door ’t opgeven van àlle andere bezittingen in den archipel, dan nog ...Maar dit kan niet. Het zoogenaamdNederlandsch Indiëgelykt ’n glastraan die by de geringste breuk tot stof verbryzeld wordt. Ons gezag in die gewesten—een kunstwerk!—is niet bestand tegen de minste onhandige aanraking. Wie daarmee niet weet omtegaan—waartoe noodig is: diepe kennis van speciale toestanden, wysgeerige algemeenheid van blik, en ernstige wil om wèl te handelen—zal dat Gezag doen uiteenspatten. Waarlyk, Nederlanders, gy vergist u in de meening dat de eerste de beste die brutaal genoeg is, niets zynde, zich uittegeven voor iets, bekwaam wezen zou aan het hoofd te staan van een zoo fyn bewerktuigd organismus als ons bestuur inIndië! Wanneer dit zoo gemakkelyk ware, zou ieder land, ieder duitsch vorstendommetje—ja waarom niet elk particulier?—zich de weelde aanschaffen, ryke overzeesche provinciën te bezitten. Noch het verkrygen, noch het behoud van zulke zaken kan men gevoegelyk opdragen aan kwae-jongens, wier eenige verdienste bestaat in plompe baldadigheid en ’n beetje zakgeld.Het schermen met de leus: Vrye-Arbeid voor den Javaan, is onoprecht. Zelfsvan HoevellenFransen van de Putte, hoe onbekend dan ook met inlandsche toestanden—tegenovermyzullen die heeren dit toch niet loochenen?—zelfs zy zyn evenzeer als ik overtuigd dat hun zoogenaamd principe dien aangaande slechts voorgewend is.Het bewys?Waarom liet zich deuitstekend bekwameheervan Hoevellniet minister maken, toen de clique waartoe hy behoorde, op ’t kussen kwam, en genoeg invloed bleek te hebben om hem te doen benoemen tot wèl-bezoldigd lid in den Raad van State? Dan immers had hy metéénpennestreek die vervloekte dwang-cultuur kunnen afschaffen.En waarom deed dit niet de MinisterFransen van de Putte?Ze durfden niet!Zoo goed als ik wisten zy dat de openstelling van ’tBinnenland, het sein zou wezen tot oogenblikkelykevernietiging van ’t Nederlandsche gezag.Ik beroep me te dezer zake op m’n tweede brochure, om nu alleen te doen in ’t oog vallen hoe weinig logische en moreele integriteit er te wachten is van mannen die op zulke wyze het voorgewend algemeen belang gebruiken als voetbank om opteklimmen tot het hunne.Doch Nederland wilde dit zoo! Drie drukken van deze eerste brochure over Vryen-arbeid zyn uitverkocht, en toch is de fortuinmakervan de Putte, op dezen oogenblik voor den tweeden keer Minister van Koloniën. Toch zit nog altyd de plichtvergetenDuymaer van Twistin de Eerste Kamer meetespreken over Indische zaken! Toch meent men nog altyd dat het er iets toe doet, of men in den Haag deze of gene wet al dan niet bekrachtigt!De hoofdzaak, de eenige ware hoofdzaak, Nederlanders, isdat er niet geroofd en gemoord wordt. En dat ge niet eereposten opdraagt aan hen die roof en moord in bescherming namen. Verandering der wetten is van later zorg. De wetten waren zoo slecht niet. En al ware nu zoo’nvan de Puttein-staat béter wetten voortestellen—wat weethydaarvan?—ik vraag u wat dit baten zou, zoolang gy premiën blyft betalen op ’t verkrachten van de wet? De geheele toestand van ons Indië op dit stuk wordt vry zuiver gekarakteriseerd door de volgende passage uit ’nKölnische Zeitungin het laatst van ’t ’70, die ik ter overweging aanbeveel.Neulich empfing der Kaiser von Russland eine Deputation der Petersburger Kaufmannschaft. Bei dem dehnbaren Begriffe eines Kaufmanns nach russischem Rechte war die Zusammensetzung der Deputation eine sehr gemischte. Der Kaiser beruhigte die Deputation über ihre Wünsche, welche die inneren Reformen betrafen; “schliesslich”, meinte der Kaiser, “werden viele eurer Wünsche erledigt in dem neuen Bankerott-Reglement”.—“Väterchen Czaar (Tsaa batjuschka),” sagte einer der Deputirten, “wird das neue Bankerott-Reglement nun ordentlich ausgeführt werden (badut li jewo ispolnatj)?”—Was willst du damit sagen?” fragte der Kaiser.—“Ich meine nur” versetzte der Deputirte des Handelsstandes,“wenn man es richtig ausgeführt hätte, so war ja eigentlich auch das alte Reglement ganz gut(tak i stary ustaw byl chorosch)!” Diese einfache Antwort beweist, dass Russland etwas ganz Anderes Noth thut als Schiffe auf dem Schwarzen Meere und neue Eroberungen.Zoo ook heeft ons ongelukkig Nederland behoefte aangeheel anderezaken dan zoogenaamd-politieke kwestiën, en ’n oorlog met Atjin! Maar ook dit heeft men gewild! Juist nu ’n jaar geleden—bytyds alzoo!—heb ik in myn “Brief aan den Koning” gewaarschuwd. Noch hy noch de Natie heeft willen luisteren. Zal ’t op-den-duur zoo gaan met m’n vermaningen over den leugen van Vrye-Arbeid?De oorzaak van ’t in den wind slaan der wenken die ik herhaaldelyk gaf, is me zeer wel bekend. Te veel personen zouden er schade by hebben, indien de invloed dien ik uitoefen, officiëelgestempeld werd tot gezag. Velen weten uit de laatste bladzyden van m’n “Een-en-ander” wat hun in dat geval zou te wachten staan. Ze zyn er zoo bang voor, dat zelfs stukken van myn hand die schynbaar niet in ’t minste verband staan met zaken van rechtstreeksch-politischen aard—dit laatste woord nu in bekrompen zin gebruikt—terstond zooveel mogelyk moeten worden verkleind. Zie byv. de komisch-wanhopige pogingen van denN. Rotterdammerom m’nVorstenschoolvan de baan te dringen. Dit blad heeft volkomen gelyk... in ’tpogen.Van de PutteenVorstenschoolkunnen niet te-gelyker-tyd “mooi” gevonden worden. Of ’t één, òf de ander is ’n prul. De lezer kieze, en voor ’t minst dat-i mede-aandeelhouder is in zoo’n krant—of in zóó’n ministerie!—geef ik hem den raad zich aanvan de Puttete houden.Ja, ik ken de oorzaken van dat doodzwygen en voorgewend minachten myner waarschuwingen. Maar ik wil even stellen dat ik ze niet kende, om aanleiding te hebben tot het doen van eenige vragen.Van-waar, o Nederlanders, dat ge waarde hecht aan de meening van personen dieuitdie meening voordeel putten, en geen acht slaan op de opinie van iemand die zichopofferdevoor z’n beginselen?Ik beweer geenszins dat dit offer op-zichzelf juistheid van inzicht bewyst, doch wèl pleit het voor oprechtheid en integriteit, dunkt me. Ook wanneer al m’n stellingen valsch waren, dan nog had ik aanspraak op den eerbied dien ieder schuldig is aanovertuiging, eene eigenschap, die by m’n tegenstanders—zie blz. 46—te-vergeefs gezocht wordt.Doch niet hierom alleen noem ik m’n Publiek oneerlyk. De meeste verschynselen van politieken en socialen aard die op dit oogenbliktopicsleveren aan hoofd-artikelschryvers, zyn door my lang te-voren aangekondigd. Van-waar dan op-den-duur de linksche huichelary, als-of men myne voorzeggingen geen aandacht waard keurde? Nietom-mynent-wilklaag ik hierover. Tegen ieder, als ’t moet, en tegen àlles, zullen myn woorden doordringen. De herdruk myner werken is hiervan een onwederlegbaar blyk. Ik maak de opmerking in ’t belang van henzelf die meenen my te kunnen smoren met zoo’n onnoozel taktiekje.Is ’t wáár of niet, dat ik waarschuwde tegen den dommen en misdadigen oorlog met Atjin, op ’n oogenblik toen slechts aan ’n zeer klein deel der Natie dat Rykje by naam bekend was?Is ’t waar of niet, dat reeds nu in ’t Hoogerhuis van Engeland—door LordStanley—die oorlog is aangegrepen als ... voorwendsel om òns in den steek te laten, wanneerwyworden aangevallen door ’n machtiger buurman? En dat ik dit in letterlyke bewoordingen in myn bekenden “Brief aan den Koning” voorspeld heb,toen ’t nog tyd wasde beoogde wandaad te voorkomen,door ’t wegjagen van den Minister die zoo’n schandelyk spel speelde met de belangen van Nederland?Is ’t wáár of niet, dat ik voor tien jaren reeds, den raad gaf acht te slaan op den toestand van den werkman? (Tweede bundel Ideën.)Is ’t wáár of niet, dat ik in dienzelfden bundel de ledigheid tentoonstelde, èn van ’t zoogenaamd modernisme op theologisch, èn van de Thorbeckery op politisch gebied?Is ’t wáár of niet, dat ik gedurig in deIdeën, en zelfs reeds inditboekje—zie blz.65— aantoonde hoe weinig goeds er te wachten was van onze Kieswet in ’t algemeen, en van de daaruit voortgesproten Tweede Kamer in ’t byzonder?Is ’t wáár of niet, dat ik in al m’n werken demalaisevoorspeld heb, die thans in Nederland heerscht? En de gezagverslappende verwarring in Indië?Is dit alles wáár of niet, Nederlanders?Waarom dan by-voortduring u aangesteld als-of ge myne inzichten de moeite van ’t overwegen niet waard keurt? My smoort ge daarmee niet. Ge smoort met zulke kinderachtigheid uzelf enuw eigenbelang. Eéns tochmoetde gevreesdeBogowontoworden overgetrokken, en ’t zal u weinig baten dat oogenblik uittestellen tot na ’t verslyten van nog ’n paar dozynvan de Putte’sof dergelyken.Wie, in-weerwil van dit alles, zich wil blyven houden als-of hy myne werken niet kende, mag z’n gang gaan. Ik ontzeg niemand het recht onkundig te zyn, mits men my ’t recht gunne die onkunde aan den dag te brengen, en het Volk daartegen te waarschuwen.M’n aandacht werd dezer dagen getrokken door zekere beweringen van den heerde Bruyn Kops, die in het voorbericht by den vyfden druk zyner...’n Oogenblik, mynheerKops! In die “Beginselen van Staathuishoudkunde” komt geen enkel denkbeeld voor, dateconomisch-politisch-industrieelgesproken, het uwe is. Vergeef my uit ’n staathuishoudkundig oogpunt—myn en dyn!—deze opmerking. Ik moet ze wel maken, ik die ook in “beginselen” doe, en op de wereldmarkt m’neigenmeestalzeer duur betaaldedenkbeelden tracht aan den man te brengen. De concurrentie met ingesmokkelde waren is ... wel niet moeielyk—zoo heel diepdenkend als gy schynt te meenen, zyn deStuart Mill’swaaruit uw wyshedens geput worden, eigenlyk niet—maar ik zou het toch billyk vinden, uit ’neconomisch-politisch-industrieeloogpunt alweer, dat ’n origineel niet te concurreeren had met zulke al te goedkoope kopiën. Worden de “werken” van die soort alleen gelezen door ’n publiek dat noch fransch, noch duitsch, nochengelsch, nochitaliaansch verstaat? Dan heb ik er nagenoeg vrede mee, en wensch uw boekjes goed succes.Maar ik heb géén vrede met sommige zinsneden uit het—niet vertaald—voorbericht van den heerKops. De schryver somt allerlei verbeteringen op, die in de laatste vyf-en-twintig jaar zyn tot stand gekomen, en waaraan zyn “werkje”—lees: het uit allerlei vreemde schryvers en schryvertjes byeen geharkte—niet vreemd is geweest”. Op ’t lystje dier verbeteringen komt eene quasi-Hooftiaansche periode voor, misschien om te bewyzen dat de nederlandsche voorgangers zelfs in hun voorberichten, ’n afschrik hebben van oorspronkelykheid. Tegen den inhoud dier periode teeken ik protest aan.“Wyzagen,”aldus spreekt onze naschryver:“Wy zagen op Java de gedwongen cultures getemperd, gedeeltelyk opgeheven; veel noodelooze kwelling van den inlander afgeschaft; zyn plantloon vermeerderd; het volks-onderwys ter hand genomen, en eindelyk eenig vooruitzicht aan Europeesche kultuur-ondernemingen geopend.”Een weinig verder betreurt o.a. de heerKops, dat wy:“...onze heerlyke O. I. bezittingen voor europeesch kapitaal gesloten houden, en wy ons blyven vastklemmen aan een kortzichtig stelsel van ryksexploitatie. Onze gouvernements-koffieteelt op Java en het consignatiestelsel, tegen zoo vele stemmen in nog steeds volgehouden, zyn met gezonde begrippen van staathuishoudkunde onvereenigbaar. Maar behalve die quaestiëen, waaromtrent men het in beginsel ongeveer eens is...”De concordantie dezer beide citaten uit het Voorbericht des heerenKops, zy opgedragen aan deStuart Mill’s die onze geleerden en kamerleden van denkbeelden voorzien.Maar, het goddelyk recht op onkunde blyvende eerbiedigen, vraag ik of ’t geoorloofd is, daarvan een zoo verregaand misbruik te maken, als de schryver zich hier veroorlooft?Weetde heerKopsniet, dat er wel degelyk verschil van opinie bestaat over de oorbaarheid, doelmatigheid, de uitvoerbaarheid der posten, die hy hiermir nichts dir nichtsboekt op de credietzyde? Is het hemonbekenddat de verschynsels die hy betreurt, door velen nog altyd worden beschouwd als gronden van hoop op eenige verbetering? Mag hy verzekeren dat: “men het in beginsel over die quaestiën ongeveer eens is?”Doch nu alleen lettende op de punten die de heerKopsaanvoert alsverblydendeteekenen des-tyds, wie zóó redeneert, kanaltydtevreden zyn! Om op een gunstig resultaat te bogen, behoeft men slechts ignorantie voortewenden van de noodige verschynselen. Al bestond er mogelykheid om de twee aangehaalde citaten over-een te brengen, al mocht men daarby alleen achtslaanop dat waarin de zoogenaamde vooruitgang wordt geschetst, en al ware het dat die vooruitgang doorsommigenwerd aangenomen als bewezen, dan nog had de eerlykheid gevorderd, daarby de opmerking te voegen: datzeer velen hierover altyd nog anders denken. De... staathuishoudkunde van den geest schryft voor, geen enkel element van kennis te verwaarloozen, dat misschien zou kunnen meehelpen aan het benaderen der waarheid. Al heeft nuStuart Millz’n opinie over onze Indische zaken niet gelieven te openbaren, toch zou het z’n nut hebben gehad, den lezer te waarschuwen dat de volgens den heerKopsbereikte resultaten, niet inalleroogen doorgaan voor verbeteringen.Ik, byv. beweer dat de toestand in Indië sedert 1848, en vooral na de infame wyze waaropmynepogingen werden gedwarsboomd, schromelyk verachterd is.Hierover nu met den heerKopsin tournooi te treden, zou me verder leiden dan my in dit “Naschrift” gelegen komt. En ’t behoeft ook niet. Met één woord meen ik zoowel den optimistischen heerKopsmet z’n “werkje” als de liberaliseerende Kolonie-Ministertjes die sedert vyf-en-twintig jaren ons land bederven, uit het veld te kunnen slaan:Op Java heerscht telkens, en byna gedurighongersnood.Noch beginselaars in de staathuishoudkunde, noch beryders van liberalistische stokpaardjes, zullen tegen dit argument iets degelyks kunnen inbrengen. Gelukkig voor die heeren, dat de idiote meerderheid ook met het niet-degelyke tevreden is. Dáárvan echter zal het eind den last dragen. Men had moeten leeren lezen. Als studie-exemplaar beveel ik deIndischecourantenaan.Om van myne zyde geen aanleiding te geven tot misverstand, sluit ik met de verklaring—ze moest overbodig wezen!—eerstens: dat ik zeer liberaal ben, en ten-tweede: dat ik de staathuishoudkunde op hoogen prys stel. Ik ben gewoon my met yver op die wetenschap—het gezond verstand wordt toegepast op algemeene welvaart—toe te leggen, en bepaal me, byv. niet tot het sprokkelen van buitenlandsche wysheden die in dat Buitenland zelf reeds byna weer vergeten zyn.Het ware te wenschen dat zy die zich liberalen noemen, en de vertalers van handboekjes over de staathuishoudkunde, zich toe-legden op de juistheid van uitdrukking. Ook met den zin der woorden behoort men... economisch omtegaan. By ’n slordigheid van terminologie, al die waardoor onze politieke tinnegieters en collecteurs van europeesche gemeenplaatsen zich kenmerken, is staathuishoudkunde ’nhors-d’oeuvre, en liberalismus—ja, alleKennis, Wetenschap en juistheid van oordeel, dus ook:WELVAART!—’n onmogelykheid.Wiesbaden,1 September 1873. MULTATULI.

NASCHRIFT BY DEN VIERDEN DRUK.Ruim elf jaren zyn verloopen, sedert ik deze brochure tegenVryen-Arbeid—d.i.tegen het overleveren van den Javaan aan de hebzucht van aventuriers uit alle windstreken—in het licht gaf.Ook een tweede stuk van gelyke strekking is reeds drie jaren oud.Van wederlegging myner beschouwingen is me niets gebleken.Immers het is geen wederleggen, indien men—gelyk door ’n verslaggever in de N. Rotterdamsche Courant geschied is—myn persoon tracht te verguizen, en de door my aangewende gronden voorbygaat, of juister gezegd, indien men zich aanstelt als-of men de gegevenwenkenniet begrepen heeft.Ook kan ik den rang van wederlegging niet toekennen aan geschriften die ten-duidelykste blyk geven dat de auteurs het verschil niet kennen tusschen eigenlyk gezegdeKoloniën, en officiëeleEtablissementen,Settlements,Factoryen,Vestigingen, of hoe men dan ons dominium inIndiëgelieft te betitelen. EeneKolonievan Nederlanders is Insulinde niet! Zy die dit uit het oog verliezen en toch over de zaak meespreken, doen denken aan den dwaas die ’n schaakparty aanvangt, zonder den naam der stukken te kennen, waaruit kan worden afgeleid dat hy niet zeer vertrouwd is met denloopdaarvan, en nog minder met de fynheden van ’t spel.Maar ons Publiek is nu eenmaal niet gewoon zulke dwazen het zwygen opteleggen. Door ’t lezen van allerlei ontuig heeft men ’t lezen verleerd, en meent iets vernomen te hebben—en geleerd misschien—wanneer ’n auteur redelyk weet omtegaan met de frazen van den dag. “Menschenrecht, vrye-arbeid,verfoeielykdwangstelsel,liberalismus...Wel zeker!Dusmoet de Javaan arbeiden ten-behoeve van zwendelaars, bankroetiers, industrieele vrybuiters uit alle hoeken van de wereld.De Weledele HeerDroogstoppelwil wel zoo!En de bemanning der amerikaansche whalers ook! Wie zou z’n armzalig leven willen doorbrengen op zee, met de kans op ’n weinig spermaceti, wanneer daar in de nabyheid, door de menschlievende Nederlandsche Natie ’n half werelddeel wordt te harpoeneeren en te villen gegeven?Zoowel in deze brochure als in de later geschrevene, meen ik te hebben aangetoond dat de geheele zoogenaamde kwestie berust op ’n woordspeling. En tevens dat de daaruit voortgevloeide dwaling voedsel heeft gekregen door de behoefte van sommigen aan ’nleus. De meesten van die heeren zyn uitmuntend geslaagd. Maar ze hebben de Natie zeer veel gekost. Indien men den heervan Hoevell,oogenblikkelykna z’n verbanning uit Indië—waar hy zich ten-eenen-male onbevoegd opwierp als voorganger—staatsraad met ’n behoorlyk inkomen had gemaakt, zou er veel geld en leed bespaard gebleven zyn. De kans dat in dit geval een ander de Natie was komen begoochelen met klank, ware gering geweest. Bekwaamheden als van den heervan Hoevellzyn zeldzaam.Ook had de ware economie voorgeschreven de bemoeienis van den millionairFransen van de Putteaftekoopen met ’n paar ton ’s jaars, voor-i zyn in Indië op denJavaanveroverd fortuin, in de schaal kon leggen, waaropJavaansche belangenzouden gewogen worden door Nederlandscheéconomie philantropique. Dit heeft men verzuimd, en hiervan is thans de domme en misdadige—jazelfsgeldverslindende—oorlog met Atjin, een der middelyke gevolgen! Me dunkt toch dat ieder met gewoon verstand begaafd persoon had kunnen voorzien, hoe schadelyk het werken moest, de hoogste belangen van den Staat toetevertrouwen aan een man zonder bekwaamheid, zonder antecedenten die van studie getuigen, en zonder anderen waarborg voor integriteit, dan de zeer negatieve van ’t snel ryk-worden.Nederland zal gestraft worden op de plek waar ’t gezondigd heeft. Door geld liet zich de Natie verblinden, met geld wordt de aanbidding van den Mammon geboet.De inwendige gronden waarom iemand alsFransen van de Putte, in zyn zonderlinge positie gedreven werd tot de misdaad der oorlogsverklaring aan Atjin, zyn niet moeielyk optegeven. De man moest, om niet niemendal te zyn, zich toetakelen met ’nair-Louvois. OokPrud’hommewilde iets wezen, en zou zeker dezen of genen oorlog hebben uitgedacht, als hy ’n land had kunnen vinden, krankzinnig en onzedelyk genoeg om hem aan ’t hoofd der zaken te stellen. Maar de goeiePrud’hommeheeft dezechanceniet gehad, omdat-i verzuimde zich by-tyde te laten geboren worden in ’t verrot Nederland, waar men ieder gebruiken kan die geld heeft, onverschillig hoe ’t gewonnen is.Er begint te blyken dat deze Mammon-dienst de wysheid bedriegt, en dat de aanbidding van ’t gouden kalf ’n zeer dure eeredienst is. En nog spreek ik niet van de ruimzeven millioen, waarop de oorlog met Atjin ons thans reeds te-staan komt. Dit is een kleinigheid, vergeleken by de finantiëele gevolgen van het kibbelen over Vryen-arbeid, en de daaruit voortgevloeidenoodlottige verslapping van ons gezag in Indië. De tyd nadert, waarop wy met het grootst genoegen afstand zouden doen van alle aanspraken op Atjin, en des-noods van geheel Sumatra, indien we tot dien prys slechts Java mochten behouden. Ja, al moesten wy ’t behoud van die eene melkkoe betalen door ’t opgeven van àlle andere bezittingen in den archipel, dan nog ...Maar dit kan niet. Het zoogenaamdNederlandsch Indiëgelykt ’n glastraan die by de geringste breuk tot stof verbryzeld wordt. Ons gezag in die gewesten—een kunstwerk!—is niet bestand tegen de minste onhandige aanraking. Wie daarmee niet weet omtegaan—waartoe noodig is: diepe kennis van speciale toestanden, wysgeerige algemeenheid van blik, en ernstige wil om wèl te handelen—zal dat Gezag doen uiteenspatten. Waarlyk, Nederlanders, gy vergist u in de meening dat de eerste de beste die brutaal genoeg is, niets zynde, zich uittegeven voor iets, bekwaam wezen zou aan het hoofd te staan van een zoo fyn bewerktuigd organismus als ons bestuur inIndië! Wanneer dit zoo gemakkelyk ware, zou ieder land, ieder duitsch vorstendommetje—ja waarom niet elk particulier?—zich de weelde aanschaffen, ryke overzeesche provinciën te bezitten. Noch het verkrygen, noch het behoud van zulke zaken kan men gevoegelyk opdragen aan kwae-jongens, wier eenige verdienste bestaat in plompe baldadigheid en ’n beetje zakgeld.Het schermen met de leus: Vrye-Arbeid voor den Javaan, is onoprecht. Zelfsvan HoevellenFransen van de Putte, hoe onbekend dan ook met inlandsche toestanden—tegenovermyzullen die heeren dit toch niet loochenen?—zelfs zy zyn evenzeer als ik overtuigd dat hun zoogenaamd principe dien aangaande slechts voorgewend is.Het bewys?Waarom liet zich deuitstekend bekwameheervan Hoevellniet minister maken, toen de clique waartoe hy behoorde, op ’t kussen kwam, en genoeg invloed bleek te hebben om hem te doen benoemen tot wèl-bezoldigd lid in den Raad van State? Dan immers had hy metéénpennestreek die vervloekte dwang-cultuur kunnen afschaffen.En waarom deed dit niet de MinisterFransen van de Putte?Ze durfden niet!Zoo goed als ik wisten zy dat de openstelling van ’tBinnenland, het sein zou wezen tot oogenblikkelykevernietiging van ’t Nederlandsche gezag.Ik beroep me te dezer zake op m’n tweede brochure, om nu alleen te doen in ’t oog vallen hoe weinig logische en moreele integriteit er te wachten is van mannen die op zulke wyze het voorgewend algemeen belang gebruiken als voetbank om opteklimmen tot het hunne.Doch Nederland wilde dit zoo! Drie drukken van deze eerste brochure over Vryen-arbeid zyn uitverkocht, en toch is de fortuinmakervan de Putte, op dezen oogenblik voor den tweeden keer Minister van Koloniën. Toch zit nog altyd de plichtvergetenDuymaer van Twistin de Eerste Kamer meetespreken over Indische zaken! Toch meent men nog altyd dat het er iets toe doet, of men in den Haag deze of gene wet al dan niet bekrachtigt!De hoofdzaak, de eenige ware hoofdzaak, Nederlanders, isdat er niet geroofd en gemoord wordt. En dat ge niet eereposten opdraagt aan hen die roof en moord in bescherming namen. Verandering der wetten is van later zorg. De wetten waren zoo slecht niet. En al ware nu zoo’nvan de Puttein-staat béter wetten voortestellen—wat weethydaarvan?—ik vraag u wat dit baten zou, zoolang gy premiën blyft betalen op ’t verkrachten van de wet? De geheele toestand van ons Indië op dit stuk wordt vry zuiver gekarakteriseerd door de volgende passage uit ’nKölnische Zeitungin het laatst van ’t ’70, die ik ter overweging aanbeveel.Neulich empfing der Kaiser von Russland eine Deputation der Petersburger Kaufmannschaft. Bei dem dehnbaren Begriffe eines Kaufmanns nach russischem Rechte war die Zusammensetzung der Deputation eine sehr gemischte. Der Kaiser beruhigte die Deputation über ihre Wünsche, welche die inneren Reformen betrafen; “schliesslich”, meinte der Kaiser, “werden viele eurer Wünsche erledigt in dem neuen Bankerott-Reglement”.—“Väterchen Czaar (Tsaa batjuschka),” sagte einer der Deputirten, “wird das neue Bankerott-Reglement nun ordentlich ausgeführt werden (badut li jewo ispolnatj)?”—Was willst du damit sagen?” fragte der Kaiser.—“Ich meine nur” versetzte der Deputirte des Handelsstandes,“wenn man es richtig ausgeführt hätte, so war ja eigentlich auch das alte Reglement ganz gut(tak i stary ustaw byl chorosch)!” Diese einfache Antwort beweist, dass Russland etwas ganz Anderes Noth thut als Schiffe auf dem Schwarzen Meere und neue Eroberungen.Zoo ook heeft ons ongelukkig Nederland behoefte aangeheel anderezaken dan zoogenaamd-politieke kwestiën, en ’n oorlog met Atjin! Maar ook dit heeft men gewild! Juist nu ’n jaar geleden—bytyds alzoo!—heb ik in myn “Brief aan den Koning” gewaarschuwd. Noch hy noch de Natie heeft willen luisteren. Zal ’t op-den-duur zoo gaan met m’n vermaningen over den leugen van Vrye-Arbeid?De oorzaak van ’t in den wind slaan der wenken die ik herhaaldelyk gaf, is me zeer wel bekend. Te veel personen zouden er schade by hebben, indien de invloed dien ik uitoefen, officiëelgestempeld werd tot gezag. Velen weten uit de laatste bladzyden van m’n “Een-en-ander” wat hun in dat geval zou te wachten staan. Ze zyn er zoo bang voor, dat zelfs stukken van myn hand die schynbaar niet in ’t minste verband staan met zaken van rechtstreeksch-politischen aard—dit laatste woord nu in bekrompen zin gebruikt—terstond zooveel mogelyk moeten worden verkleind. Zie byv. de komisch-wanhopige pogingen van denN. Rotterdammerom m’nVorstenschoolvan de baan te dringen. Dit blad heeft volkomen gelyk... in ’tpogen.Van de PutteenVorstenschoolkunnen niet te-gelyker-tyd “mooi” gevonden worden. Of ’t één, òf de ander is ’n prul. De lezer kieze, en voor ’t minst dat-i mede-aandeelhouder is in zoo’n krant—of in zóó’n ministerie!—geef ik hem den raad zich aanvan de Puttete houden.Ja, ik ken de oorzaken van dat doodzwygen en voorgewend minachten myner waarschuwingen. Maar ik wil even stellen dat ik ze niet kende, om aanleiding te hebben tot het doen van eenige vragen.Van-waar, o Nederlanders, dat ge waarde hecht aan de meening van personen dieuitdie meening voordeel putten, en geen acht slaan op de opinie van iemand die zichopofferdevoor z’n beginselen?Ik beweer geenszins dat dit offer op-zichzelf juistheid van inzicht bewyst, doch wèl pleit het voor oprechtheid en integriteit, dunkt me. Ook wanneer al m’n stellingen valsch waren, dan nog had ik aanspraak op den eerbied dien ieder schuldig is aanovertuiging, eene eigenschap, die by m’n tegenstanders—zie blz. 46—te-vergeefs gezocht wordt.Doch niet hierom alleen noem ik m’n Publiek oneerlyk. De meeste verschynselen van politieken en socialen aard die op dit oogenbliktopicsleveren aan hoofd-artikelschryvers, zyn door my lang te-voren aangekondigd. Van-waar dan op-den-duur de linksche huichelary, als-of men myne voorzeggingen geen aandacht waard keurde? Nietom-mynent-wilklaag ik hierover. Tegen ieder, als ’t moet, en tegen àlles, zullen myn woorden doordringen. De herdruk myner werken is hiervan een onwederlegbaar blyk. Ik maak de opmerking in ’t belang van henzelf die meenen my te kunnen smoren met zoo’n onnoozel taktiekje.Is ’t wáár of niet, dat ik waarschuwde tegen den dommen en misdadigen oorlog met Atjin, op ’n oogenblik toen slechts aan ’n zeer klein deel der Natie dat Rykje by naam bekend was?Is ’t waar of niet, dat reeds nu in ’t Hoogerhuis van Engeland—door LordStanley—die oorlog is aangegrepen als ... voorwendsel om òns in den steek te laten, wanneerwyworden aangevallen door ’n machtiger buurman? En dat ik dit in letterlyke bewoordingen in myn bekenden “Brief aan den Koning” voorspeld heb,toen ’t nog tyd wasde beoogde wandaad te voorkomen,door ’t wegjagen van den Minister die zoo’n schandelyk spel speelde met de belangen van Nederland?Is ’t wáár of niet, dat ik voor tien jaren reeds, den raad gaf acht te slaan op den toestand van den werkman? (Tweede bundel Ideën.)Is ’t wáár of niet, dat ik in dienzelfden bundel de ledigheid tentoonstelde, èn van ’t zoogenaamd modernisme op theologisch, èn van de Thorbeckery op politisch gebied?Is ’t wáár of niet, dat ik gedurig in deIdeën, en zelfs reeds inditboekje—zie blz.65— aantoonde hoe weinig goeds er te wachten was van onze Kieswet in ’t algemeen, en van de daaruit voortgesproten Tweede Kamer in ’t byzonder?Is ’t wáár of niet, dat ik in al m’n werken demalaisevoorspeld heb, die thans in Nederland heerscht? En de gezagverslappende verwarring in Indië?Is dit alles wáár of niet, Nederlanders?Waarom dan by-voortduring u aangesteld als-of ge myne inzichten de moeite van ’t overwegen niet waard keurt? My smoort ge daarmee niet. Ge smoort met zulke kinderachtigheid uzelf enuw eigenbelang. Eéns tochmoetde gevreesdeBogowontoworden overgetrokken, en ’t zal u weinig baten dat oogenblik uittestellen tot na ’t verslyten van nog ’n paar dozynvan de Putte’sof dergelyken.Wie, in-weerwil van dit alles, zich wil blyven houden als-of hy myne werken niet kende, mag z’n gang gaan. Ik ontzeg niemand het recht onkundig te zyn, mits men my ’t recht gunne die onkunde aan den dag te brengen, en het Volk daartegen te waarschuwen.M’n aandacht werd dezer dagen getrokken door zekere beweringen van den heerde Bruyn Kops, die in het voorbericht by den vyfden druk zyner...’n Oogenblik, mynheerKops! In die “Beginselen van Staathuishoudkunde” komt geen enkel denkbeeld voor, dateconomisch-politisch-industrieelgesproken, het uwe is. Vergeef my uit ’n staathuishoudkundig oogpunt—myn en dyn!—deze opmerking. Ik moet ze wel maken, ik die ook in “beginselen” doe, en op de wereldmarkt m’neigenmeestalzeer duur betaaldedenkbeelden tracht aan den man te brengen. De concurrentie met ingesmokkelde waren is ... wel niet moeielyk—zoo heel diepdenkend als gy schynt te meenen, zyn deStuart Mill’swaaruit uw wyshedens geput worden, eigenlyk niet—maar ik zou het toch billyk vinden, uit ’neconomisch-politisch-industrieeloogpunt alweer, dat ’n origineel niet te concurreeren had met zulke al te goedkoope kopiën. Worden de “werken” van die soort alleen gelezen door ’n publiek dat noch fransch, noch duitsch, nochengelsch, nochitaliaansch verstaat? Dan heb ik er nagenoeg vrede mee, en wensch uw boekjes goed succes.Maar ik heb géén vrede met sommige zinsneden uit het—niet vertaald—voorbericht van den heerKops. De schryver somt allerlei verbeteringen op, die in de laatste vyf-en-twintig jaar zyn tot stand gekomen, en waaraan zyn “werkje”—lees: het uit allerlei vreemde schryvers en schryvertjes byeen geharkte—niet vreemd is geweest”. Op ’t lystje dier verbeteringen komt eene quasi-Hooftiaansche periode voor, misschien om te bewyzen dat de nederlandsche voorgangers zelfs in hun voorberichten, ’n afschrik hebben van oorspronkelykheid. Tegen den inhoud dier periode teeken ik protest aan.“Wyzagen,”aldus spreekt onze naschryver:“Wy zagen op Java de gedwongen cultures getemperd, gedeeltelyk opgeheven; veel noodelooze kwelling van den inlander afgeschaft; zyn plantloon vermeerderd; het volks-onderwys ter hand genomen, en eindelyk eenig vooruitzicht aan Europeesche kultuur-ondernemingen geopend.”Een weinig verder betreurt o.a. de heerKops, dat wy:“...onze heerlyke O. I. bezittingen voor europeesch kapitaal gesloten houden, en wy ons blyven vastklemmen aan een kortzichtig stelsel van ryksexploitatie. Onze gouvernements-koffieteelt op Java en het consignatiestelsel, tegen zoo vele stemmen in nog steeds volgehouden, zyn met gezonde begrippen van staathuishoudkunde onvereenigbaar. Maar behalve die quaestiëen, waaromtrent men het in beginsel ongeveer eens is...”De concordantie dezer beide citaten uit het Voorbericht des heerenKops, zy opgedragen aan deStuart Mill’s die onze geleerden en kamerleden van denkbeelden voorzien.Maar, het goddelyk recht op onkunde blyvende eerbiedigen, vraag ik of ’t geoorloofd is, daarvan een zoo verregaand misbruik te maken, als de schryver zich hier veroorlooft?Weetde heerKopsniet, dat er wel degelyk verschil van opinie bestaat over de oorbaarheid, doelmatigheid, de uitvoerbaarheid der posten, die hy hiermir nichts dir nichtsboekt op de credietzyde? Is het hemonbekenddat de verschynsels die hy betreurt, door velen nog altyd worden beschouwd als gronden van hoop op eenige verbetering? Mag hy verzekeren dat: “men het in beginsel over die quaestiën ongeveer eens is?”Doch nu alleen lettende op de punten die de heerKopsaanvoert alsverblydendeteekenen des-tyds, wie zóó redeneert, kanaltydtevreden zyn! Om op een gunstig resultaat te bogen, behoeft men slechts ignorantie voortewenden van de noodige verschynselen. Al bestond er mogelykheid om de twee aangehaalde citaten over-een te brengen, al mocht men daarby alleen achtslaanop dat waarin de zoogenaamde vooruitgang wordt geschetst, en al ware het dat die vooruitgang doorsommigenwerd aangenomen als bewezen, dan nog had de eerlykheid gevorderd, daarby de opmerking te voegen: datzeer velen hierover altyd nog anders denken. De... staathuishoudkunde van den geest schryft voor, geen enkel element van kennis te verwaarloozen, dat misschien zou kunnen meehelpen aan het benaderen der waarheid. Al heeft nuStuart Millz’n opinie over onze Indische zaken niet gelieven te openbaren, toch zou het z’n nut hebben gehad, den lezer te waarschuwen dat de volgens den heerKopsbereikte resultaten, niet inalleroogen doorgaan voor verbeteringen.Ik, byv. beweer dat de toestand in Indië sedert 1848, en vooral na de infame wyze waaropmynepogingen werden gedwarsboomd, schromelyk verachterd is.Hierover nu met den heerKopsin tournooi te treden, zou me verder leiden dan my in dit “Naschrift” gelegen komt. En ’t behoeft ook niet. Met één woord meen ik zoowel den optimistischen heerKopsmet z’n “werkje” als de liberaliseerende Kolonie-Ministertjes die sedert vyf-en-twintig jaren ons land bederven, uit het veld te kunnen slaan:Op Java heerscht telkens, en byna gedurighongersnood.Noch beginselaars in de staathuishoudkunde, noch beryders van liberalistische stokpaardjes, zullen tegen dit argument iets degelyks kunnen inbrengen. Gelukkig voor die heeren, dat de idiote meerderheid ook met het niet-degelyke tevreden is. Dáárvan echter zal het eind den last dragen. Men had moeten leeren lezen. Als studie-exemplaar beveel ik deIndischecourantenaan.Om van myne zyde geen aanleiding te geven tot misverstand, sluit ik met de verklaring—ze moest overbodig wezen!—eerstens: dat ik zeer liberaal ben, en ten-tweede: dat ik de staathuishoudkunde op hoogen prys stel. Ik ben gewoon my met yver op die wetenschap—het gezond verstand wordt toegepast op algemeene welvaart—toe te leggen, en bepaal me, byv. niet tot het sprokkelen van buitenlandsche wysheden die in dat Buitenland zelf reeds byna weer vergeten zyn.Het ware te wenschen dat zy die zich liberalen noemen, en de vertalers van handboekjes over de staathuishoudkunde, zich toe-legden op de juistheid van uitdrukking. Ook met den zin der woorden behoort men... economisch omtegaan. By ’n slordigheid van terminologie, al die waardoor onze politieke tinnegieters en collecteurs van europeesche gemeenplaatsen zich kenmerken, is staathuishoudkunde ’nhors-d’oeuvre, en liberalismus—ja, alleKennis, Wetenschap en juistheid van oordeel, dus ook:WELVAART!—’n onmogelykheid.Wiesbaden,1 September 1873. MULTATULI.

NASCHRIFT BY DEN VIERDEN DRUK.Ruim elf jaren zyn verloopen, sedert ik deze brochure tegenVryen-Arbeid—d.i.tegen het overleveren van den Javaan aan de hebzucht van aventuriers uit alle windstreken—in het licht gaf.Ook een tweede stuk van gelyke strekking is reeds drie jaren oud.Van wederlegging myner beschouwingen is me niets gebleken.Immers het is geen wederleggen, indien men—gelyk door ’n verslaggever in de N. Rotterdamsche Courant geschied is—myn persoon tracht te verguizen, en de door my aangewende gronden voorbygaat, of juister gezegd, indien men zich aanstelt als-of men de gegevenwenkenniet begrepen heeft.Ook kan ik den rang van wederlegging niet toekennen aan geschriften die ten-duidelykste blyk geven dat de auteurs het verschil niet kennen tusschen eigenlyk gezegdeKoloniën, en officiëeleEtablissementen,Settlements,Factoryen,Vestigingen, of hoe men dan ons dominium inIndiëgelieft te betitelen. EeneKolonievan Nederlanders is Insulinde niet! Zy die dit uit het oog verliezen en toch over de zaak meespreken, doen denken aan den dwaas die ’n schaakparty aanvangt, zonder den naam der stukken te kennen, waaruit kan worden afgeleid dat hy niet zeer vertrouwd is met denloopdaarvan, en nog minder met de fynheden van ’t spel.Maar ons Publiek is nu eenmaal niet gewoon zulke dwazen het zwygen opteleggen. Door ’t lezen van allerlei ontuig heeft men ’t lezen verleerd, en meent iets vernomen te hebben—en geleerd misschien—wanneer ’n auteur redelyk weet omtegaan met de frazen van den dag. “Menschenrecht, vrye-arbeid,verfoeielykdwangstelsel,liberalismus...Wel zeker!Dusmoet de Javaan arbeiden ten-behoeve van zwendelaars, bankroetiers, industrieele vrybuiters uit alle hoeken van de wereld.De Weledele HeerDroogstoppelwil wel zoo!En de bemanning der amerikaansche whalers ook! Wie zou z’n armzalig leven willen doorbrengen op zee, met de kans op ’n weinig spermaceti, wanneer daar in de nabyheid, door de menschlievende Nederlandsche Natie ’n half werelddeel wordt te harpoeneeren en te villen gegeven?Zoowel in deze brochure als in de later geschrevene, meen ik te hebben aangetoond dat de geheele zoogenaamde kwestie berust op ’n woordspeling. En tevens dat de daaruit voortgevloeide dwaling voedsel heeft gekregen door de behoefte van sommigen aan ’nleus. De meesten van die heeren zyn uitmuntend geslaagd. Maar ze hebben de Natie zeer veel gekost. Indien men den heervan Hoevell,oogenblikkelykna z’n verbanning uit Indië—waar hy zich ten-eenen-male onbevoegd opwierp als voorganger—staatsraad met ’n behoorlyk inkomen had gemaakt, zou er veel geld en leed bespaard gebleven zyn. De kans dat in dit geval een ander de Natie was komen begoochelen met klank, ware gering geweest. Bekwaamheden als van den heervan Hoevellzyn zeldzaam.Ook had de ware economie voorgeschreven de bemoeienis van den millionairFransen van de Putteaftekoopen met ’n paar ton ’s jaars, voor-i zyn in Indië op denJavaanveroverd fortuin, in de schaal kon leggen, waaropJavaansche belangenzouden gewogen worden door Nederlandscheéconomie philantropique. Dit heeft men verzuimd, en hiervan is thans de domme en misdadige—jazelfsgeldverslindende—oorlog met Atjin, een der middelyke gevolgen! Me dunkt toch dat ieder met gewoon verstand begaafd persoon had kunnen voorzien, hoe schadelyk het werken moest, de hoogste belangen van den Staat toetevertrouwen aan een man zonder bekwaamheid, zonder antecedenten die van studie getuigen, en zonder anderen waarborg voor integriteit, dan de zeer negatieve van ’t snel ryk-worden.Nederland zal gestraft worden op de plek waar ’t gezondigd heeft. Door geld liet zich de Natie verblinden, met geld wordt de aanbidding van den Mammon geboet.De inwendige gronden waarom iemand alsFransen van de Putte, in zyn zonderlinge positie gedreven werd tot de misdaad der oorlogsverklaring aan Atjin, zyn niet moeielyk optegeven. De man moest, om niet niemendal te zyn, zich toetakelen met ’nair-Louvois. OokPrud’hommewilde iets wezen, en zou zeker dezen of genen oorlog hebben uitgedacht, als hy ’n land had kunnen vinden, krankzinnig en onzedelyk genoeg om hem aan ’t hoofd der zaken te stellen. Maar de goeiePrud’hommeheeft dezechanceniet gehad, omdat-i verzuimde zich by-tyde te laten geboren worden in ’t verrot Nederland, waar men ieder gebruiken kan die geld heeft, onverschillig hoe ’t gewonnen is.Er begint te blyken dat deze Mammon-dienst de wysheid bedriegt, en dat de aanbidding van ’t gouden kalf ’n zeer dure eeredienst is. En nog spreek ik niet van de ruimzeven millioen, waarop de oorlog met Atjin ons thans reeds te-staan komt. Dit is een kleinigheid, vergeleken by de finantiëele gevolgen van het kibbelen over Vryen-arbeid, en de daaruit voortgevloeidenoodlottige verslapping van ons gezag in Indië. De tyd nadert, waarop wy met het grootst genoegen afstand zouden doen van alle aanspraken op Atjin, en des-noods van geheel Sumatra, indien we tot dien prys slechts Java mochten behouden. Ja, al moesten wy ’t behoud van die eene melkkoe betalen door ’t opgeven van àlle andere bezittingen in den archipel, dan nog ...Maar dit kan niet. Het zoogenaamdNederlandsch Indiëgelykt ’n glastraan die by de geringste breuk tot stof verbryzeld wordt. Ons gezag in die gewesten—een kunstwerk!—is niet bestand tegen de minste onhandige aanraking. Wie daarmee niet weet omtegaan—waartoe noodig is: diepe kennis van speciale toestanden, wysgeerige algemeenheid van blik, en ernstige wil om wèl te handelen—zal dat Gezag doen uiteenspatten. Waarlyk, Nederlanders, gy vergist u in de meening dat de eerste de beste die brutaal genoeg is, niets zynde, zich uittegeven voor iets, bekwaam wezen zou aan het hoofd te staan van een zoo fyn bewerktuigd organismus als ons bestuur inIndië! Wanneer dit zoo gemakkelyk ware, zou ieder land, ieder duitsch vorstendommetje—ja waarom niet elk particulier?—zich de weelde aanschaffen, ryke overzeesche provinciën te bezitten. Noch het verkrygen, noch het behoud van zulke zaken kan men gevoegelyk opdragen aan kwae-jongens, wier eenige verdienste bestaat in plompe baldadigheid en ’n beetje zakgeld.Het schermen met de leus: Vrye-Arbeid voor den Javaan, is onoprecht. Zelfsvan HoevellenFransen van de Putte, hoe onbekend dan ook met inlandsche toestanden—tegenovermyzullen die heeren dit toch niet loochenen?—zelfs zy zyn evenzeer als ik overtuigd dat hun zoogenaamd principe dien aangaande slechts voorgewend is.Het bewys?Waarom liet zich deuitstekend bekwameheervan Hoevellniet minister maken, toen de clique waartoe hy behoorde, op ’t kussen kwam, en genoeg invloed bleek te hebben om hem te doen benoemen tot wèl-bezoldigd lid in den Raad van State? Dan immers had hy metéénpennestreek die vervloekte dwang-cultuur kunnen afschaffen.En waarom deed dit niet de MinisterFransen van de Putte?Ze durfden niet!Zoo goed als ik wisten zy dat de openstelling van ’tBinnenland, het sein zou wezen tot oogenblikkelykevernietiging van ’t Nederlandsche gezag.Ik beroep me te dezer zake op m’n tweede brochure, om nu alleen te doen in ’t oog vallen hoe weinig logische en moreele integriteit er te wachten is van mannen die op zulke wyze het voorgewend algemeen belang gebruiken als voetbank om opteklimmen tot het hunne.Doch Nederland wilde dit zoo! Drie drukken van deze eerste brochure over Vryen-arbeid zyn uitverkocht, en toch is de fortuinmakervan de Putte, op dezen oogenblik voor den tweeden keer Minister van Koloniën. Toch zit nog altyd de plichtvergetenDuymaer van Twistin de Eerste Kamer meetespreken over Indische zaken! Toch meent men nog altyd dat het er iets toe doet, of men in den Haag deze of gene wet al dan niet bekrachtigt!De hoofdzaak, de eenige ware hoofdzaak, Nederlanders, isdat er niet geroofd en gemoord wordt. En dat ge niet eereposten opdraagt aan hen die roof en moord in bescherming namen. Verandering der wetten is van later zorg. De wetten waren zoo slecht niet. En al ware nu zoo’nvan de Puttein-staat béter wetten voortestellen—wat weethydaarvan?—ik vraag u wat dit baten zou, zoolang gy premiën blyft betalen op ’t verkrachten van de wet? De geheele toestand van ons Indië op dit stuk wordt vry zuiver gekarakteriseerd door de volgende passage uit ’nKölnische Zeitungin het laatst van ’t ’70, die ik ter overweging aanbeveel.Neulich empfing der Kaiser von Russland eine Deputation der Petersburger Kaufmannschaft. Bei dem dehnbaren Begriffe eines Kaufmanns nach russischem Rechte war die Zusammensetzung der Deputation eine sehr gemischte. Der Kaiser beruhigte die Deputation über ihre Wünsche, welche die inneren Reformen betrafen; “schliesslich”, meinte der Kaiser, “werden viele eurer Wünsche erledigt in dem neuen Bankerott-Reglement”.—“Väterchen Czaar (Tsaa batjuschka),” sagte einer der Deputirten, “wird das neue Bankerott-Reglement nun ordentlich ausgeführt werden (badut li jewo ispolnatj)?”—Was willst du damit sagen?” fragte der Kaiser.—“Ich meine nur” versetzte der Deputirte des Handelsstandes,“wenn man es richtig ausgeführt hätte, so war ja eigentlich auch das alte Reglement ganz gut(tak i stary ustaw byl chorosch)!” Diese einfache Antwort beweist, dass Russland etwas ganz Anderes Noth thut als Schiffe auf dem Schwarzen Meere und neue Eroberungen.Zoo ook heeft ons ongelukkig Nederland behoefte aangeheel anderezaken dan zoogenaamd-politieke kwestiën, en ’n oorlog met Atjin! Maar ook dit heeft men gewild! Juist nu ’n jaar geleden—bytyds alzoo!—heb ik in myn “Brief aan den Koning” gewaarschuwd. Noch hy noch de Natie heeft willen luisteren. Zal ’t op-den-duur zoo gaan met m’n vermaningen over den leugen van Vrye-Arbeid?De oorzaak van ’t in den wind slaan der wenken die ik herhaaldelyk gaf, is me zeer wel bekend. Te veel personen zouden er schade by hebben, indien de invloed dien ik uitoefen, officiëelgestempeld werd tot gezag. Velen weten uit de laatste bladzyden van m’n “Een-en-ander” wat hun in dat geval zou te wachten staan. Ze zyn er zoo bang voor, dat zelfs stukken van myn hand die schynbaar niet in ’t minste verband staan met zaken van rechtstreeksch-politischen aard—dit laatste woord nu in bekrompen zin gebruikt—terstond zooveel mogelyk moeten worden verkleind. Zie byv. de komisch-wanhopige pogingen van denN. Rotterdammerom m’nVorstenschoolvan de baan te dringen. Dit blad heeft volkomen gelyk... in ’tpogen.Van de PutteenVorstenschoolkunnen niet te-gelyker-tyd “mooi” gevonden worden. Of ’t één, òf de ander is ’n prul. De lezer kieze, en voor ’t minst dat-i mede-aandeelhouder is in zoo’n krant—of in zóó’n ministerie!—geef ik hem den raad zich aanvan de Puttete houden.Ja, ik ken de oorzaken van dat doodzwygen en voorgewend minachten myner waarschuwingen. Maar ik wil even stellen dat ik ze niet kende, om aanleiding te hebben tot het doen van eenige vragen.Van-waar, o Nederlanders, dat ge waarde hecht aan de meening van personen dieuitdie meening voordeel putten, en geen acht slaan op de opinie van iemand die zichopofferdevoor z’n beginselen?Ik beweer geenszins dat dit offer op-zichzelf juistheid van inzicht bewyst, doch wèl pleit het voor oprechtheid en integriteit, dunkt me. Ook wanneer al m’n stellingen valsch waren, dan nog had ik aanspraak op den eerbied dien ieder schuldig is aanovertuiging, eene eigenschap, die by m’n tegenstanders—zie blz. 46—te-vergeefs gezocht wordt.Doch niet hierom alleen noem ik m’n Publiek oneerlyk. De meeste verschynselen van politieken en socialen aard die op dit oogenbliktopicsleveren aan hoofd-artikelschryvers, zyn door my lang te-voren aangekondigd. Van-waar dan op-den-duur de linksche huichelary, als-of men myne voorzeggingen geen aandacht waard keurde? Nietom-mynent-wilklaag ik hierover. Tegen ieder, als ’t moet, en tegen àlles, zullen myn woorden doordringen. De herdruk myner werken is hiervan een onwederlegbaar blyk. Ik maak de opmerking in ’t belang van henzelf die meenen my te kunnen smoren met zoo’n onnoozel taktiekje.Is ’t wáár of niet, dat ik waarschuwde tegen den dommen en misdadigen oorlog met Atjin, op ’n oogenblik toen slechts aan ’n zeer klein deel der Natie dat Rykje by naam bekend was?Is ’t waar of niet, dat reeds nu in ’t Hoogerhuis van Engeland—door LordStanley—die oorlog is aangegrepen als ... voorwendsel om òns in den steek te laten, wanneerwyworden aangevallen door ’n machtiger buurman? En dat ik dit in letterlyke bewoordingen in myn bekenden “Brief aan den Koning” voorspeld heb,toen ’t nog tyd wasde beoogde wandaad te voorkomen,door ’t wegjagen van den Minister die zoo’n schandelyk spel speelde met de belangen van Nederland?Is ’t wáár of niet, dat ik voor tien jaren reeds, den raad gaf acht te slaan op den toestand van den werkman? (Tweede bundel Ideën.)Is ’t wáár of niet, dat ik in dienzelfden bundel de ledigheid tentoonstelde, èn van ’t zoogenaamd modernisme op theologisch, èn van de Thorbeckery op politisch gebied?Is ’t wáár of niet, dat ik gedurig in deIdeën, en zelfs reeds inditboekje—zie blz.65— aantoonde hoe weinig goeds er te wachten was van onze Kieswet in ’t algemeen, en van de daaruit voortgesproten Tweede Kamer in ’t byzonder?Is ’t wáár of niet, dat ik in al m’n werken demalaisevoorspeld heb, die thans in Nederland heerscht? En de gezagverslappende verwarring in Indië?Is dit alles wáár of niet, Nederlanders?Waarom dan by-voortduring u aangesteld als-of ge myne inzichten de moeite van ’t overwegen niet waard keurt? My smoort ge daarmee niet. Ge smoort met zulke kinderachtigheid uzelf enuw eigenbelang. Eéns tochmoetde gevreesdeBogowontoworden overgetrokken, en ’t zal u weinig baten dat oogenblik uittestellen tot na ’t verslyten van nog ’n paar dozynvan de Putte’sof dergelyken.Wie, in-weerwil van dit alles, zich wil blyven houden als-of hy myne werken niet kende, mag z’n gang gaan. Ik ontzeg niemand het recht onkundig te zyn, mits men my ’t recht gunne die onkunde aan den dag te brengen, en het Volk daartegen te waarschuwen.M’n aandacht werd dezer dagen getrokken door zekere beweringen van den heerde Bruyn Kops, die in het voorbericht by den vyfden druk zyner...’n Oogenblik, mynheerKops! In die “Beginselen van Staathuishoudkunde” komt geen enkel denkbeeld voor, dateconomisch-politisch-industrieelgesproken, het uwe is. Vergeef my uit ’n staathuishoudkundig oogpunt—myn en dyn!—deze opmerking. Ik moet ze wel maken, ik die ook in “beginselen” doe, en op de wereldmarkt m’neigenmeestalzeer duur betaaldedenkbeelden tracht aan den man te brengen. De concurrentie met ingesmokkelde waren is ... wel niet moeielyk—zoo heel diepdenkend als gy schynt te meenen, zyn deStuart Mill’swaaruit uw wyshedens geput worden, eigenlyk niet—maar ik zou het toch billyk vinden, uit ’neconomisch-politisch-industrieeloogpunt alweer, dat ’n origineel niet te concurreeren had met zulke al te goedkoope kopiën. Worden de “werken” van die soort alleen gelezen door ’n publiek dat noch fransch, noch duitsch, nochengelsch, nochitaliaansch verstaat? Dan heb ik er nagenoeg vrede mee, en wensch uw boekjes goed succes.Maar ik heb géén vrede met sommige zinsneden uit het—niet vertaald—voorbericht van den heerKops. De schryver somt allerlei verbeteringen op, die in de laatste vyf-en-twintig jaar zyn tot stand gekomen, en waaraan zyn “werkje”—lees: het uit allerlei vreemde schryvers en schryvertjes byeen geharkte—niet vreemd is geweest”. Op ’t lystje dier verbeteringen komt eene quasi-Hooftiaansche periode voor, misschien om te bewyzen dat de nederlandsche voorgangers zelfs in hun voorberichten, ’n afschrik hebben van oorspronkelykheid. Tegen den inhoud dier periode teeken ik protest aan.“Wyzagen,”aldus spreekt onze naschryver:“Wy zagen op Java de gedwongen cultures getemperd, gedeeltelyk opgeheven; veel noodelooze kwelling van den inlander afgeschaft; zyn plantloon vermeerderd; het volks-onderwys ter hand genomen, en eindelyk eenig vooruitzicht aan Europeesche kultuur-ondernemingen geopend.”Een weinig verder betreurt o.a. de heerKops, dat wy:“...onze heerlyke O. I. bezittingen voor europeesch kapitaal gesloten houden, en wy ons blyven vastklemmen aan een kortzichtig stelsel van ryksexploitatie. Onze gouvernements-koffieteelt op Java en het consignatiestelsel, tegen zoo vele stemmen in nog steeds volgehouden, zyn met gezonde begrippen van staathuishoudkunde onvereenigbaar. Maar behalve die quaestiëen, waaromtrent men het in beginsel ongeveer eens is...”De concordantie dezer beide citaten uit het Voorbericht des heerenKops, zy opgedragen aan deStuart Mill’s die onze geleerden en kamerleden van denkbeelden voorzien.Maar, het goddelyk recht op onkunde blyvende eerbiedigen, vraag ik of ’t geoorloofd is, daarvan een zoo verregaand misbruik te maken, als de schryver zich hier veroorlooft?Weetde heerKopsniet, dat er wel degelyk verschil van opinie bestaat over de oorbaarheid, doelmatigheid, de uitvoerbaarheid der posten, die hy hiermir nichts dir nichtsboekt op de credietzyde? Is het hemonbekenddat de verschynsels die hy betreurt, door velen nog altyd worden beschouwd als gronden van hoop op eenige verbetering? Mag hy verzekeren dat: “men het in beginsel over die quaestiën ongeveer eens is?”Doch nu alleen lettende op de punten die de heerKopsaanvoert alsverblydendeteekenen des-tyds, wie zóó redeneert, kanaltydtevreden zyn! Om op een gunstig resultaat te bogen, behoeft men slechts ignorantie voortewenden van de noodige verschynselen. Al bestond er mogelykheid om de twee aangehaalde citaten over-een te brengen, al mocht men daarby alleen achtslaanop dat waarin de zoogenaamde vooruitgang wordt geschetst, en al ware het dat die vooruitgang doorsommigenwerd aangenomen als bewezen, dan nog had de eerlykheid gevorderd, daarby de opmerking te voegen: datzeer velen hierover altyd nog anders denken. De... staathuishoudkunde van den geest schryft voor, geen enkel element van kennis te verwaarloozen, dat misschien zou kunnen meehelpen aan het benaderen der waarheid. Al heeft nuStuart Millz’n opinie over onze Indische zaken niet gelieven te openbaren, toch zou het z’n nut hebben gehad, den lezer te waarschuwen dat de volgens den heerKopsbereikte resultaten, niet inalleroogen doorgaan voor verbeteringen.Ik, byv. beweer dat de toestand in Indië sedert 1848, en vooral na de infame wyze waaropmynepogingen werden gedwarsboomd, schromelyk verachterd is.Hierover nu met den heerKopsin tournooi te treden, zou me verder leiden dan my in dit “Naschrift” gelegen komt. En ’t behoeft ook niet. Met één woord meen ik zoowel den optimistischen heerKopsmet z’n “werkje” als de liberaliseerende Kolonie-Ministertjes die sedert vyf-en-twintig jaren ons land bederven, uit het veld te kunnen slaan:Op Java heerscht telkens, en byna gedurighongersnood.Noch beginselaars in de staathuishoudkunde, noch beryders van liberalistische stokpaardjes, zullen tegen dit argument iets degelyks kunnen inbrengen. Gelukkig voor die heeren, dat de idiote meerderheid ook met het niet-degelyke tevreden is. Dáárvan echter zal het eind den last dragen. Men had moeten leeren lezen. Als studie-exemplaar beveel ik deIndischecourantenaan.Om van myne zyde geen aanleiding te geven tot misverstand, sluit ik met de verklaring—ze moest overbodig wezen!—eerstens: dat ik zeer liberaal ben, en ten-tweede: dat ik de staathuishoudkunde op hoogen prys stel. Ik ben gewoon my met yver op die wetenschap—het gezond verstand wordt toegepast op algemeene welvaart—toe te leggen, en bepaal me, byv. niet tot het sprokkelen van buitenlandsche wysheden die in dat Buitenland zelf reeds byna weer vergeten zyn.Het ware te wenschen dat zy die zich liberalen noemen, en de vertalers van handboekjes over de staathuishoudkunde, zich toe-legden op de juistheid van uitdrukking. Ook met den zin der woorden behoort men... economisch omtegaan. By ’n slordigheid van terminologie, al die waardoor onze politieke tinnegieters en collecteurs van europeesche gemeenplaatsen zich kenmerken, is staathuishoudkunde ’nhors-d’oeuvre, en liberalismus—ja, alleKennis, Wetenschap en juistheid van oordeel, dus ook:WELVAART!—’n onmogelykheid.Wiesbaden,1 September 1873. MULTATULI.

NASCHRIFT BY DEN VIERDEN DRUK.

Ruim elf jaren zyn verloopen, sedert ik deze brochure tegenVryen-Arbeid—d.i.tegen het overleveren van den Javaan aan de hebzucht van aventuriers uit alle windstreken—in het licht gaf.Ook een tweede stuk van gelyke strekking is reeds drie jaren oud.Van wederlegging myner beschouwingen is me niets gebleken.Immers het is geen wederleggen, indien men—gelyk door ’n verslaggever in de N. Rotterdamsche Courant geschied is—myn persoon tracht te verguizen, en de door my aangewende gronden voorbygaat, of juister gezegd, indien men zich aanstelt als-of men de gegevenwenkenniet begrepen heeft.Ook kan ik den rang van wederlegging niet toekennen aan geschriften die ten-duidelykste blyk geven dat de auteurs het verschil niet kennen tusschen eigenlyk gezegdeKoloniën, en officiëeleEtablissementen,Settlements,Factoryen,Vestigingen, of hoe men dan ons dominium inIndiëgelieft te betitelen. EeneKolonievan Nederlanders is Insulinde niet! Zy die dit uit het oog verliezen en toch over de zaak meespreken, doen denken aan den dwaas die ’n schaakparty aanvangt, zonder den naam der stukken te kennen, waaruit kan worden afgeleid dat hy niet zeer vertrouwd is met denloopdaarvan, en nog minder met de fynheden van ’t spel.Maar ons Publiek is nu eenmaal niet gewoon zulke dwazen het zwygen opteleggen. Door ’t lezen van allerlei ontuig heeft men ’t lezen verleerd, en meent iets vernomen te hebben—en geleerd misschien—wanneer ’n auteur redelyk weet omtegaan met de frazen van den dag. “Menschenrecht, vrye-arbeid,verfoeielykdwangstelsel,liberalismus...Wel zeker!Dusmoet de Javaan arbeiden ten-behoeve van zwendelaars, bankroetiers, industrieele vrybuiters uit alle hoeken van de wereld.De Weledele HeerDroogstoppelwil wel zoo!En de bemanning der amerikaansche whalers ook! Wie zou z’n armzalig leven willen doorbrengen op zee, met de kans op ’n weinig spermaceti, wanneer daar in de nabyheid, door de menschlievende Nederlandsche Natie ’n half werelddeel wordt te harpoeneeren en te villen gegeven?Zoowel in deze brochure als in de later geschrevene, meen ik te hebben aangetoond dat de geheele zoogenaamde kwestie berust op ’n woordspeling. En tevens dat de daaruit voortgevloeide dwaling voedsel heeft gekregen door de behoefte van sommigen aan ’nleus. De meesten van die heeren zyn uitmuntend geslaagd. Maar ze hebben de Natie zeer veel gekost. Indien men den heervan Hoevell,oogenblikkelykna z’n verbanning uit Indië—waar hy zich ten-eenen-male onbevoegd opwierp als voorganger—staatsraad met ’n behoorlyk inkomen had gemaakt, zou er veel geld en leed bespaard gebleven zyn. De kans dat in dit geval een ander de Natie was komen begoochelen met klank, ware gering geweest. Bekwaamheden als van den heervan Hoevellzyn zeldzaam.Ook had de ware economie voorgeschreven de bemoeienis van den millionairFransen van de Putteaftekoopen met ’n paar ton ’s jaars, voor-i zyn in Indië op denJavaanveroverd fortuin, in de schaal kon leggen, waaropJavaansche belangenzouden gewogen worden door Nederlandscheéconomie philantropique. Dit heeft men verzuimd, en hiervan is thans de domme en misdadige—jazelfsgeldverslindende—oorlog met Atjin, een der middelyke gevolgen! Me dunkt toch dat ieder met gewoon verstand begaafd persoon had kunnen voorzien, hoe schadelyk het werken moest, de hoogste belangen van den Staat toetevertrouwen aan een man zonder bekwaamheid, zonder antecedenten die van studie getuigen, en zonder anderen waarborg voor integriteit, dan de zeer negatieve van ’t snel ryk-worden.Nederland zal gestraft worden op de plek waar ’t gezondigd heeft. Door geld liet zich de Natie verblinden, met geld wordt de aanbidding van den Mammon geboet.De inwendige gronden waarom iemand alsFransen van de Putte, in zyn zonderlinge positie gedreven werd tot de misdaad der oorlogsverklaring aan Atjin, zyn niet moeielyk optegeven. De man moest, om niet niemendal te zyn, zich toetakelen met ’nair-Louvois. OokPrud’hommewilde iets wezen, en zou zeker dezen of genen oorlog hebben uitgedacht, als hy ’n land had kunnen vinden, krankzinnig en onzedelyk genoeg om hem aan ’t hoofd der zaken te stellen. Maar de goeiePrud’hommeheeft dezechanceniet gehad, omdat-i verzuimde zich by-tyde te laten geboren worden in ’t verrot Nederland, waar men ieder gebruiken kan die geld heeft, onverschillig hoe ’t gewonnen is.Er begint te blyken dat deze Mammon-dienst de wysheid bedriegt, en dat de aanbidding van ’t gouden kalf ’n zeer dure eeredienst is. En nog spreek ik niet van de ruimzeven millioen, waarop de oorlog met Atjin ons thans reeds te-staan komt. Dit is een kleinigheid, vergeleken by de finantiëele gevolgen van het kibbelen over Vryen-arbeid, en de daaruit voortgevloeidenoodlottige verslapping van ons gezag in Indië. De tyd nadert, waarop wy met het grootst genoegen afstand zouden doen van alle aanspraken op Atjin, en des-noods van geheel Sumatra, indien we tot dien prys slechts Java mochten behouden. Ja, al moesten wy ’t behoud van die eene melkkoe betalen door ’t opgeven van àlle andere bezittingen in den archipel, dan nog ...Maar dit kan niet. Het zoogenaamdNederlandsch Indiëgelykt ’n glastraan die by de geringste breuk tot stof verbryzeld wordt. Ons gezag in die gewesten—een kunstwerk!—is niet bestand tegen de minste onhandige aanraking. Wie daarmee niet weet omtegaan—waartoe noodig is: diepe kennis van speciale toestanden, wysgeerige algemeenheid van blik, en ernstige wil om wèl te handelen—zal dat Gezag doen uiteenspatten. Waarlyk, Nederlanders, gy vergist u in de meening dat de eerste de beste die brutaal genoeg is, niets zynde, zich uittegeven voor iets, bekwaam wezen zou aan het hoofd te staan van een zoo fyn bewerktuigd organismus als ons bestuur inIndië! Wanneer dit zoo gemakkelyk ware, zou ieder land, ieder duitsch vorstendommetje—ja waarom niet elk particulier?—zich de weelde aanschaffen, ryke overzeesche provinciën te bezitten. Noch het verkrygen, noch het behoud van zulke zaken kan men gevoegelyk opdragen aan kwae-jongens, wier eenige verdienste bestaat in plompe baldadigheid en ’n beetje zakgeld.Het schermen met de leus: Vrye-Arbeid voor den Javaan, is onoprecht. Zelfsvan HoevellenFransen van de Putte, hoe onbekend dan ook met inlandsche toestanden—tegenovermyzullen die heeren dit toch niet loochenen?—zelfs zy zyn evenzeer als ik overtuigd dat hun zoogenaamd principe dien aangaande slechts voorgewend is.Het bewys?Waarom liet zich deuitstekend bekwameheervan Hoevellniet minister maken, toen de clique waartoe hy behoorde, op ’t kussen kwam, en genoeg invloed bleek te hebben om hem te doen benoemen tot wèl-bezoldigd lid in den Raad van State? Dan immers had hy metéénpennestreek die vervloekte dwang-cultuur kunnen afschaffen.En waarom deed dit niet de MinisterFransen van de Putte?Ze durfden niet!Zoo goed als ik wisten zy dat de openstelling van ’tBinnenland, het sein zou wezen tot oogenblikkelykevernietiging van ’t Nederlandsche gezag.Ik beroep me te dezer zake op m’n tweede brochure, om nu alleen te doen in ’t oog vallen hoe weinig logische en moreele integriteit er te wachten is van mannen die op zulke wyze het voorgewend algemeen belang gebruiken als voetbank om opteklimmen tot het hunne.Doch Nederland wilde dit zoo! Drie drukken van deze eerste brochure over Vryen-arbeid zyn uitverkocht, en toch is de fortuinmakervan de Putte, op dezen oogenblik voor den tweeden keer Minister van Koloniën. Toch zit nog altyd de plichtvergetenDuymaer van Twistin de Eerste Kamer meetespreken over Indische zaken! Toch meent men nog altyd dat het er iets toe doet, of men in den Haag deze of gene wet al dan niet bekrachtigt!De hoofdzaak, de eenige ware hoofdzaak, Nederlanders, isdat er niet geroofd en gemoord wordt. En dat ge niet eereposten opdraagt aan hen die roof en moord in bescherming namen. Verandering der wetten is van later zorg. De wetten waren zoo slecht niet. En al ware nu zoo’nvan de Puttein-staat béter wetten voortestellen—wat weethydaarvan?—ik vraag u wat dit baten zou, zoolang gy premiën blyft betalen op ’t verkrachten van de wet? De geheele toestand van ons Indië op dit stuk wordt vry zuiver gekarakteriseerd door de volgende passage uit ’nKölnische Zeitungin het laatst van ’t ’70, die ik ter overweging aanbeveel.Neulich empfing der Kaiser von Russland eine Deputation der Petersburger Kaufmannschaft. Bei dem dehnbaren Begriffe eines Kaufmanns nach russischem Rechte war die Zusammensetzung der Deputation eine sehr gemischte. Der Kaiser beruhigte die Deputation über ihre Wünsche, welche die inneren Reformen betrafen; “schliesslich”, meinte der Kaiser, “werden viele eurer Wünsche erledigt in dem neuen Bankerott-Reglement”.—“Väterchen Czaar (Tsaa batjuschka),” sagte einer der Deputirten, “wird das neue Bankerott-Reglement nun ordentlich ausgeführt werden (badut li jewo ispolnatj)?”—Was willst du damit sagen?” fragte der Kaiser.—“Ich meine nur” versetzte der Deputirte des Handelsstandes,“wenn man es richtig ausgeführt hätte, so war ja eigentlich auch das alte Reglement ganz gut(tak i stary ustaw byl chorosch)!” Diese einfache Antwort beweist, dass Russland etwas ganz Anderes Noth thut als Schiffe auf dem Schwarzen Meere und neue Eroberungen.Zoo ook heeft ons ongelukkig Nederland behoefte aangeheel anderezaken dan zoogenaamd-politieke kwestiën, en ’n oorlog met Atjin! Maar ook dit heeft men gewild! Juist nu ’n jaar geleden—bytyds alzoo!—heb ik in myn “Brief aan den Koning” gewaarschuwd. Noch hy noch de Natie heeft willen luisteren. Zal ’t op-den-duur zoo gaan met m’n vermaningen over den leugen van Vrye-Arbeid?De oorzaak van ’t in den wind slaan der wenken die ik herhaaldelyk gaf, is me zeer wel bekend. Te veel personen zouden er schade by hebben, indien de invloed dien ik uitoefen, officiëelgestempeld werd tot gezag. Velen weten uit de laatste bladzyden van m’n “Een-en-ander” wat hun in dat geval zou te wachten staan. Ze zyn er zoo bang voor, dat zelfs stukken van myn hand die schynbaar niet in ’t minste verband staan met zaken van rechtstreeksch-politischen aard—dit laatste woord nu in bekrompen zin gebruikt—terstond zooveel mogelyk moeten worden verkleind. Zie byv. de komisch-wanhopige pogingen van denN. Rotterdammerom m’nVorstenschoolvan de baan te dringen. Dit blad heeft volkomen gelyk... in ’tpogen.Van de PutteenVorstenschoolkunnen niet te-gelyker-tyd “mooi” gevonden worden. Of ’t één, òf de ander is ’n prul. De lezer kieze, en voor ’t minst dat-i mede-aandeelhouder is in zoo’n krant—of in zóó’n ministerie!—geef ik hem den raad zich aanvan de Puttete houden.Ja, ik ken de oorzaken van dat doodzwygen en voorgewend minachten myner waarschuwingen. Maar ik wil even stellen dat ik ze niet kende, om aanleiding te hebben tot het doen van eenige vragen.Van-waar, o Nederlanders, dat ge waarde hecht aan de meening van personen dieuitdie meening voordeel putten, en geen acht slaan op de opinie van iemand die zichopofferdevoor z’n beginselen?Ik beweer geenszins dat dit offer op-zichzelf juistheid van inzicht bewyst, doch wèl pleit het voor oprechtheid en integriteit, dunkt me. Ook wanneer al m’n stellingen valsch waren, dan nog had ik aanspraak op den eerbied dien ieder schuldig is aanovertuiging, eene eigenschap, die by m’n tegenstanders—zie blz. 46—te-vergeefs gezocht wordt.Doch niet hierom alleen noem ik m’n Publiek oneerlyk. De meeste verschynselen van politieken en socialen aard die op dit oogenbliktopicsleveren aan hoofd-artikelschryvers, zyn door my lang te-voren aangekondigd. Van-waar dan op-den-duur de linksche huichelary, als-of men myne voorzeggingen geen aandacht waard keurde? Nietom-mynent-wilklaag ik hierover. Tegen ieder, als ’t moet, en tegen àlles, zullen myn woorden doordringen. De herdruk myner werken is hiervan een onwederlegbaar blyk. Ik maak de opmerking in ’t belang van henzelf die meenen my te kunnen smoren met zoo’n onnoozel taktiekje.Is ’t wáár of niet, dat ik waarschuwde tegen den dommen en misdadigen oorlog met Atjin, op ’n oogenblik toen slechts aan ’n zeer klein deel der Natie dat Rykje by naam bekend was?Is ’t waar of niet, dat reeds nu in ’t Hoogerhuis van Engeland—door LordStanley—die oorlog is aangegrepen als ... voorwendsel om òns in den steek te laten, wanneerwyworden aangevallen door ’n machtiger buurman? En dat ik dit in letterlyke bewoordingen in myn bekenden “Brief aan den Koning” voorspeld heb,toen ’t nog tyd wasde beoogde wandaad te voorkomen,door ’t wegjagen van den Minister die zoo’n schandelyk spel speelde met de belangen van Nederland?Is ’t wáár of niet, dat ik voor tien jaren reeds, den raad gaf acht te slaan op den toestand van den werkman? (Tweede bundel Ideën.)Is ’t wáár of niet, dat ik in dienzelfden bundel de ledigheid tentoonstelde, èn van ’t zoogenaamd modernisme op theologisch, èn van de Thorbeckery op politisch gebied?Is ’t wáár of niet, dat ik gedurig in deIdeën, en zelfs reeds inditboekje—zie blz.65— aantoonde hoe weinig goeds er te wachten was van onze Kieswet in ’t algemeen, en van de daaruit voortgesproten Tweede Kamer in ’t byzonder?Is ’t wáár of niet, dat ik in al m’n werken demalaisevoorspeld heb, die thans in Nederland heerscht? En de gezagverslappende verwarring in Indië?Is dit alles wáár of niet, Nederlanders?Waarom dan by-voortduring u aangesteld als-of ge myne inzichten de moeite van ’t overwegen niet waard keurt? My smoort ge daarmee niet. Ge smoort met zulke kinderachtigheid uzelf enuw eigenbelang. Eéns tochmoetde gevreesdeBogowontoworden overgetrokken, en ’t zal u weinig baten dat oogenblik uittestellen tot na ’t verslyten van nog ’n paar dozynvan de Putte’sof dergelyken.Wie, in-weerwil van dit alles, zich wil blyven houden als-of hy myne werken niet kende, mag z’n gang gaan. Ik ontzeg niemand het recht onkundig te zyn, mits men my ’t recht gunne die onkunde aan den dag te brengen, en het Volk daartegen te waarschuwen.M’n aandacht werd dezer dagen getrokken door zekere beweringen van den heerde Bruyn Kops, die in het voorbericht by den vyfden druk zyner...’n Oogenblik, mynheerKops! In die “Beginselen van Staathuishoudkunde” komt geen enkel denkbeeld voor, dateconomisch-politisch-industrieelgesproken, het uwe is. Vergeef my uit ’n staathuishoudkundig oogpunt—myn en dyn!—deze opmerking. Ik moet ze wel maken, ik die ook in “beginselen” doe, en op de wereldmarkt m’neigenmeestalzeer duur betaaldedenkbeelden tracht aan den man te brengen. De concurrentie met ingesmokkelde waren is ... wel niet moeielyk—zoo heel diepdenkend als gy schynt te meenen, zyn deStuart Mill’swaaruit uw wyshedens geput worden, eigenlyk niet—maar ik zou het toch billyk vinden, uit ’neconomisch-politisch-industrieeloogpunt alweer, dat ’n origineel niet te concurreeren had met zulke al te goedkoope kopiën. Worden de “werken” van die soort alleen gelezen door ’n publiek dat noch fransch, noch duitsch, nochengelsch, nochitaliaansch verstaat? Dan heb ik er nagenoeg vrede mee, en wensch uw boekjes goed succes.Maar ik heb géén vrede met sommige zinsneden uit het—niet vertaald—voorbericht van den heerKops. De schryver somt allerlei verbeteringen op, die in de laatste vyf-en-twintig jaar zyn tot stand gekomen, en waaraan zyn “werkje”—lees: het uit allerlei vreemde schryvers en schryvertjes byeen geharkte—niet vreemd is geweest”. Op ’t lystje dier verbeteringen komt eene quasi-Hooftiaansche periode voor, misschien om te bewyzen dat de nederlandsche voorgangers zelfs in hun voorberichten, ’n afschrik hebben van oorspronkelykheid. Tegen den inhoud dier periode teeken ik protest aan.“Wyzagen,”aldus spreekt onze naschryver:“Wy zagen op Java de gedwongen cultures getemperd, gedeeltelyk opgeheven; veel noodelooze kwelling van den inlander afgeschaft; zyn plantloon vermeerderd; het volks-onderwys ter hand genomen, en eindelyk eenig vooruitzicht aan Europeesche kultuur-ondernemingen geopend.”Een weinig verder betreurt o.a. de heerKops, dat wy:“...onze heerlyke O. I. bezittingen voor europeesch kapitaal gesloten houden, en wy ons blyven vastklemmen aan een kortzichtig stelsel van ryksexploitatie. Onze gouvernements-koffieteelt op Java en het consignatiestelsel, tegen zoo vele stemmen in nog steeds volgehouden, zyn met gezonde begrippen van staathuishoudkunde onvereenigbaar. Maar behalve die quaestiëen, waaromtrent men het in beginsel ongeveer eens is...”De concordantie dezer beide citaten uit het Voorbericht des heerenKops, zy opgedragen aan deStuart Mill’s die onze geleerden en kamerleden van denkbeelden voorzien.Maar, het goddelyk recht op onkunde blyvende eerbiedigen, vraag ik of ’t geoorloofd is, daarvan een zoo verregaand misbruik te maken, als de schryver zich hier veroorlooft?Weetde heerKopsniet, dat er wel degelyk verschil van opinie bestaat over de oorbaarheid, doelmatigheid, de uitvoerbaarheid der posten, die hy hiermir nichts dir nichtsboekt op de credietzyde? Is het hemonbekenddat de verschynsels die hy betreurt, door velen nog altyd worden beschouwd als gronden van hoop op eenige verbetering? Mag hy verzekeren dat: “men het in beginsel over die quaestiën ongeveer eens is?”Doch nu alleen lettende op de punten die de heerKopsaanvoert alsverblydendeteekenen des-tyds, wie zóó redeneert, kanaltydtevreden zyn! Om op een gunstig resultaat te bogen, behoeft men slechts ignorantie voortewenden van de noodige verschynselen. Al bestond er mogelykheid om de twee aangehaalde citaten over-een te brengen, al mocht men daarby alleen achtslaanop dat waarin de zoogenaamde vooruitgang wordt geschetst, en al ware het dat die vooruitgang doorsommigenwerd aangenomen als bewezen, dan nog had de eerlykheid gevorderd, daarby de opmerking te voegen: datzeer velen hierover altyd nog anders denken. De... staathuishoudkunde van den geest schryft voor, geen enkel element van kennis te verwaarloozen, dat misschien zou kunnen meehelpen aan het benaderen der waarheid. Al heeft nuStuart Millz’n opinie over onze Indische zaken niet gelieven te openbaren, toch zou het z’n nut hebben gehad, den lezer te waarschuwen dat de volgens den heerKopsbereikte resultaten, niet inalleroogen doorgaan voor verbeteringen.Ik, byv. beweer dat de toestand in Indië sedert 1848, en vooral na de infame wyze waaropmynepogingen werden gedwarsboomd, schromelyk verachterd is.Hierover nu met den heerKopsin tournooi te treden, zou me verder leiden dan my in dit “Naschrift” gelegen komt. En ’t behoeft ook niet. Met één woord meen ik zoowel den optimistischen heerKopsmet z’n “werkje” als de liberaliseerende Kolonie-Ministertjes die sedert vyf-en-twintig jaren ons land bederven, uit het veld te kunnen slaan:Op Java heerscht telkens, en byna gedurighongersnood.Noch beginselaars in de staathuishoudkunde, noch beryders van liberalistische stokpaardjes, zullen tegen dit argument iets degelyks kunnen inbrengen. Gelukkig voor die heeren, dat de idiote meerderheid ook met het niet-degelyke tevreden is. Dáárvan echter zal het eind den last dragen. Men had moeten leeren lezen. Als studie-exemplaar beveel ik deIndischecourantenaan.Om van myne zyde geen aanleiding te geven tot misverstand, sluit ik met de verklaring—ze moest overbodig wezen!—eerstens: dat ik zeer liberaal ben, en ten-tweede: dat ik de staathuishoudkunde op hoogen prys stel. Ik ben gewoon my met yver op die wetenschap—het gezond verstand wordt toegepast op algemeene welvaart—toe te leggen, en bepaal me, byv. niet tot het sprokkelen van buitenlandsche wysheden die in dat Buitenland zelf reeds byna weer vergeten zyn.Het ware te wenschen dat zy die zich liberalen noemen, en de vertalers van handboekjes over de staathuishoudkunde, zich toe-legden op de juistheid van uitdrukking. Ook met den zin der woorden behoort men... economisch omtegaan. By ’n slordigheid van terminologie, al die waardoor onze politieke tinnegieters en collecteurs van europeesche gemeenplaatsen zich kenmerken, is staathuishoudkunde ’nhors-d’oeuvre, en liberalismus—ja, alleKennis, Wetenschap en juistheid van oordeel, dus ook:WELVAART!—’n onmogelykheid.Wiesbaden,1 September 1873. MULTATULI.

Ruim elf jaren zyn verloopen, sedert ik deze brochure tegenVryen-Arbeid—d.i.tegen het overleveren van den Javaan aan de hebzucht van aventuriers uit alle windstreken—in het licht gaf.

Ook een tweede stuk van gelyke strekking is reeds drie jaren oud.

Van wederlegging myner beschouwingen is me niets gebleken.

Immers het is geen wederleggen, indien men—gelyk door ’n verslaggever in de N. Rotterdamsche Courant geschied is—myn persoon tracht te verguizen, en de door my aangewende gronden voorbygaat, of juister gezegd, indien men zich aanstelt als-of men de gegevenwenkenniet begrepen heeft.

Ook kan ik den rang van wederlegging niet toekennen aan geschriften die ten-duidelykste blyk geven dat de auteurs het verschil niet kennen tusschen eigenlyk gezegdeKoloniën, en officiëeleEtablissementen,Settlements,Factoryen,Vestigingen, of hoe men dan ons dominium inIndiëgelieft te betitelen. EeneKolonievan Nederlanders is Insulinde niet! Zy die dit uit het oog verliezen en toch over de zaak meespreken, doen denken aan den dwaas die ’n schaakparty aanvangt, zonder den naam der stukken te kennen, waaruit kan worden afgeleid dat hy niet zeer vertrouwd is met denloopdaarvan, en nog minder met de fynheden van ’t spel.

Maar ons Publiek is nu eenmaal niet gewoon zulke dwazen het zwygen opteleggen. Door ’t lezen van allerlei ontuig heeft men ’t lezen verleerd, en meent iets vernomen te hebben—en geleerd misschien—wanneer ’n auteur redelyk weet omtegaan met de frazen van den dag. “Menschenrecht, vrye-arbeid,verfoeielykdwangstelsel,liberalismus...

Wel zeker!Dusmoet de Javaan arbeiden ten-behoeve van zwendelaars, bankroetiers, industrieele vrybuiters uit alle hoeken van de wereld.

De Weledele HeerDroogstoppelwil wel zoo!

En de bemanning der amerikaansche whalers ook! Wie zou z’n armzalig leven willen doorbrengen op zee, met de kans op ’n weinig spermaceti, wanneer daar in de nabyheid, door de menschlievende Nederlandsche Natie ’n half werelddeel wordt te harpoeneeren en te villen gegeven?

Zoowel in deze brochure als in de later geschrevene, meen ik te hebben aangetoond dat de geheele zoogenaamde kwestie berust op ’n woordspeling. En tevens dat de daaruit voortgevloeide dwaling voedsel heeft gekregen door de behoefte van sommigen aan ’nleus. De meesten van die heeren zyn uitmuntend geslaagd. Maar ze hebben de Natie zeer veel gekost. Indien men den heervan Hoevell,oogenblikkelykna z’n verbanning uit Indië—waar hy zich ten-eenen-male onbevoegd opwierp als voorganger—staatsraad met ’n behoorlyk inkomen had gemaakt, zou er veel geld en leed bespaard gebleven zyn. De kans dat in dit geval een ander de Natie was komen begoochelen met klank, ware gering geweest. Bekwaamheden als van den heervan Hoevellzyn zeldzaam.

Ook had de ware economie voorgeschreven de bemoeienis van den millionairFransen van de Putteaftekoopen met ’n paar ton ’s jaars, voor-i zyn in Indië op denJavaanveroverd fortuin, in de schaal kon leggen, waaropJavaansche belangenzouden gewogen worden door Nederlandscheéconomie philantropique. Dit heeft men verzuimd, en hiervan is thans de domme en misdadige—jazelfsgeldverslindende—oorlog met Atjin, een der middelyke gevolgen! Me dunkt toch dat ieder met gewoon verstand begaafd persoon had kunnen voorzien, hoe schadelyk het werken moest, de hoogste belangen van den Staat toetevertrouwen aan een man zonder bekwaamheid, zonder antecedenten die van studie getuigen, en zonder anderen waarborg voor integriteit, dan de zeer negatieve van ’t snel ryk-worden.

Nederland zal gestraft worden op de plek waar ’t gezondigd heeft. Door geld liet zich de Natie verblinden, met geld wordt de aanbidding van den Mammon geboet.

De inwendige gronden waarom iemand alsFransen van de Putte, in zyn zonderlinge positie gedreven werd tot de misdaad der oorlogsverklaring aan Atjin, zyn niet moeielyk optegeven. De man moest, om niet niemendal te zyn, zich toetakelen met ’nair-Louvois. OokPrud’hommewilde iets wezen, en zou zeker dezen of genen oorlog hebben uitgedacht, als hy ’n land had kunnen vinden, krankzinnig en onzedelyk genoeg om hem aan ’t hoofd der zaken te stellen. Maar de goeiePrud’hommeheeft dezechanceniet gehad, omdat-i verzuimde zich by-tyde te laten geboren worden in ’t verrot Nederland, waar men ieder gebruiken kan die geld heeft, onverschillig hoe ’t gewonnen is.

Er begint te blyken dat deze Mammon-dienst de wysheid bedriegt, en dat de aanbidding van ’t gouden kalf ’n zeer dure eeredienst is. En nog spreek ik niet van de ruimzeven millioen, waarop de oorlog met Atjin ons thans reeds te-staan komt. Dit is een kleinigheid, vergeleken by de finantiëele gevolgen van het kibbelen over Vryen-arbeid, en de daaruit voortgevloeidenoodlottige verslapping van ons gezag in Indië. De tyd nadert, waarop wy met het grootst genoegen afstand zouden doen van alle aanspraken op Atjin, en des-noods van geheel Sumatra, indien we tot dien prys slechts Java mochten behouden. Ja, al moesten wy ’t behoud van die eene melkkoe betalen door ’t opgeven van àlle andere bezittingen in den archipel, dan nog ...

Maar dit kan niet. Het zoogenaamdNederlandsch Indiëgelykt ’n glastraan die by de geringste breuk tot stof verbryzeld wordt. Ons gezag in die gewesten—een kunstwerk!—is niet bestand tegen de minste onhandige aanraking. Wie daarmee niet weet omtegaan—waartoe noodig is: diepe kennis van speciale toestanden, wysgeerige algemeenheid van blik, en ernstige wil om wèl te handelen—zal dat Gezag doen uiteenspatten. Waarlyk, Nederlanders, gy vergist u in de meening dat de eerste de beste die brutaal genoeg is, niets zynde, zich uittegeven voor iets, bekwaam wezen zou aan het hoofd te staan van een zoo fyn bewerktuigd organismus als ons bestuur inIndië! Wanneer dit zoo gemakkelyk ware, zou ieder land, ieder duitsch vorstendommetje—ja waarom niet elk particulier?—zich de weelde aanschaffen, ryke overzeesche provinciën te bezitten. Noch het verkrygen, noch het behoud van zulke zaken kan men gevoegelyk opdragen aan kwae-jongens, wier eenige verdienste bestaat in plompe baldadigheid en ’n beetje zakgeld.

Het schermen met de leus: Vrye-Arbeid voor den Javaan, is onoprecht. Zelfsvan HoevellenFransen van de Putte, hoe onbekend dan ook met inlandsche toestanden—tegenovermyzullen die heeren dit toch niet loochenen?—zelfs zy zyn evenzeer als ik overtuigd dat hun zoogenaamd principe dien aangaande slechts voorgewend is.

Het bewys?

Waarom liet zich deuitstekend bekwameheervan Hoevellniet minister maken, toen de clique waartoe hy behoorde, op ’t kussen kwam, en genoeg invloed bleek te hebben om hem te doen benoemen tot wèl-bezoldigd lid in den Raad van State? Dan immers had hy metéénpennestreek die vervloekte dwang-cultuur kunnen afschaffen.

En waarom deed dit niet de MinisterFransen van de Putte?

Ze durfden niet!

Zoo goed als ik wisten zy dat de openstelling van ’tBinnenland, het sein zou wezen tot oogenblikkelykevernietiging van ’t Nederlandsche gezag.

Ik beroep me te dezer zake op m’n tweede brochure, om nu alleen te doen in ’t oog vallen hoe weinig logische en moreele integriteit er te wachten is van mannen die op zulke wyze het voorgewend algemeen belang gebruiken als voetbank om opteklimmen tot het hunne.

Doch Nederland wilde dit zoo! Drie drukken van deze eerste brochure over Vryen-arbeid zyn uitverkocht, en toch is de fortuinmakervan de Putte, op dezen oogenblik voor den tweeden keer Minister van Koloniën. Toch zit nog altyd de plichtvergetenDuymaer van Twistin de Eerste Kamer meetespreken over Indische zaken! Toch meent men nog altyd dat het er iets toe doet, of men in den Haag deze of gene wet al dan niet bekrachtigt!

De hoofdzaak, de eenige ware hoofdzaak, Nederlanders, isdat er niet geroofd en gemoord wordt. En dat ge niet eereposten opdraagt aan hen die roof en moord in bescherming namen. Verandering der wetten is van later zorg. De wetten waren zoo slecht niet. En al ware nu zoo’nvan de Puttein-staat béter wetten voortestellen—wat weethydaarvan?—ik vraag u wat dit baten zou, zoolang gy premiën blyft betalen op ’t verkrachten van de wet? De geheele toestand van ons Indië op dit stuk wordt vry zuiver gekarakteriseerd door de volgende passage uit ’nKölnische Zeitungin het laatst van ’t ’70, die ik ter overweging aanbeveel.

Neulich empfing der Kaiser von Russland eine Deputation der Petersburger Kaufmannschaft. Bei dem dehnbaren Begriffe eines Kaufmanns nach russischem Rechte war die Zusammensetzung der Deputation eine sehr gemischte. Der Kaiser beruhigte die Deputation über ihre Wünsche, welche die inneren Reformen betrafen; “schliesslich”, meinte der Kaiser, “werden viele eurer Wünsche erledigt in dem neuen Bankerott-Reglement”.—“Väterchen Czaar (Tsaa batjuschka),” sagte einer der Deputirten, “wird das neue Bankerott-Reglement nun ordentlich ausgeführt werden (badut li jewo ispolnatj)?”—Was willst du damit sagen?” fragte der Kaiser.—“Ich meine nur” versetzte der Deputirte des Handelsstandes,“wenn man es richtig ausgeführt hätte, so war ja eigentlich auch das alte Reglement ganz gut(tak i stary ustaw byl chorosch)!” Diese einfache Antwort beweist, dass Russland etwas ganz Anderes Noth thut als Schiffe auf dem Schwarzen Meere und neue Eroberungen.

Zoo ook heeft ons ongelukkig Nederland behoefte aangeheel anderezaken dan zoogenaamd-politieke kwestiën, en ’n oorlog met Atjin! Maar ook dit heeft men gewild! Juist nu ’n jaar geleden—bytyds alzoo!—heb ik in myn “Brief aan den Koning” gewaarschuwd. Noch hy noch de Natie heeft willen luisteren. Zal ’t op-den-duur zoo gaan met m’n vermaningen over den leugen van Vrye-Arbeid?

De oorzaak van ’t in den wind slaan der wenken die ik herhaaldelyk gaf, is me zeer wel bekend. Te veel personen zouden er schade by hebben, indien de invloed dien ik uitoefen, officiëelgestempeld werd tot gezag. Velen weten uit de laatste bladzyden van m’n “Een-en-ander” wat hun in dat geval zou te wachten staan. Ze zyn er zoo bang voor, dat zelfs stukken van myn hand die schynbaar niet in ’t minste verband staan met zaken van rechtstreeksch-politischen aard—dit laatste woord nu in bekrompen zin gebruikt—terstond zooveel mogelyk moeten worden verkleind. Zie byv. de komisch-wanhopige pogingen van denN. Rotterdammerom m’nVorstenschoolvan de baan te dringen. Dit blad heeft volkomen gelyk... in ’tpogen.Van de PutteenVorstenschoolkunnen niet te-gelyker-tyd “mooi” gevonden worden. Of ’t één, òf de ander is ’n prul. De lezer kieze, en voor ’t minst dat-i mede-aandeelhouder is in zoo’n krant—of in zóó’n ministerie!—geef ik hem den raad zich aanvan de Puttete houden.

Ja, ik ken de oorzaken van dat doodzwygen en voorgewend minachten myner waarschuwingen. Maar ik wil even stellen dat ik ze niet kende, om aanleiding te hebben tot het doen van eenige vragen.

Van-waar, o Nederlanders, dat ge waarde hecht aan de meening van personen dieuitdie meening voordeel putten, en geen acht slaan op de opinie van iemand die zichopofferdevoor z’n beginselen?

Ik beweer geenszins dat dit offer op-zichzelf juistheid van inzicht bewyst, doch wèl pleit het voor oprechtheid en integriteit, dunkt me. Ook wanneer al m’n stellingen valsch waren, dan nog had ik aanspraak op den eerbied dien ieder schuldig is aanovertuiging, eene eigenschap, die by m’n tegenstanders—zie blz. 46—te-vergeefs gezocht wordt.

Doch niet hierom alleen noem ik m’n Publiek oneerlyk. De meeste verschynselen van politieken en socialen aard die op dit oogenbliktopicsleveren aan hoofd-artikelschryvers, zyn door my lang te-voren aangekondigd. Van-waar dan op-den-duur de linksche huichelary, als-of men myne voorzeggingen geen aandacht waard keurde? Nietom-mynent-wilklaag ik hierover. Tegen ieder, als ’t moet, en tegen àlles, zullen myn woorden doordringen. De herdruk myner werken is hiervan een onwederlegbaar blyk. Ik maak de opmerking in ’t belang van henzelf die meenen my te kunnen smoren met zoo’n onnoozel taktiekje.

Is ’t wáár of niet, dat ik waarschuwde tegen den dommen en misdadigen oorlog met Atjin, op ’n oogenblik toen slechts aan ’n zeer klein deel der Natie dat Rykje by naam bekend was?

Is ’t waar of niet, dat reeds nu in ’t Hoogerhuis van Engeland—door LordStanley—die oorlog is aangegrepen als ... voorwendsel om òns in den steek te laten, wanneerwyworden aangevallen door ’n machtiger buurman? En dat ik dit in letterlyke bewoordingen in myn bekenden “Brief aan den Koning” voorspeld heb,toen ’t nog tyd wasde beoogde wandaad te voorkomen,door ’t wegjagen van den Minister die zoo’n schandelyk spel speelde met de belangen van Nederland?

Is ’t wáár of niet, dat ik voor tien jaren reeds, den raad gaf acht te slaan op den toestand van den werkman? (Tweede bundel Ideën.)

Is ’t wáár of niet, dat ik in dienzelfden bundel de ledigheid tentoonstelde, èn van ’t zoogenaamd modernisme op theologisch, èn van de Thorbeckery op politisch gebied?

Is ’t wáár of niet, dat ik gedurig in deIdeën, en zelfs reeds inditboekje—zie blz.65— aantoonde hoe weinig goeds er te wachten was van onze Kieswet in ’t algemeen, en van de daaruit voortgesproten Tweede Kamer in ’t byzonder?

Is ’t wáár of niet, dat ik in al m’n werken demalaisevoorspeld heb, die thans in Nederland heerscht? En de gezagverslappende verwarring in Indië?

Is dit alles wáár of niet, Nederlanders?

Waarom dan by-voortduring u aangesteld als-of ge myne inzichten de moeite van ’t overwegen niet waard keurt? My smoort ge daarmee niet. Ge smoort met zulke kinderachtigheid uzelf enuw eigenbelang. Eéns tochmoetde gevreesdeBogowontoworden overgetrokken, en ’t zal u weinig baten dat oogenblik uittestellen tot na ’t verslyten van nog ’n paar dozynvan de Putte’sof dergelyken.

Wie, in-weerwil van dit alles, zich wil blyven houden als-of hy myne werken niet kende, mag z’n gang gaan. Ik ontzeg niemand het recht onkundig te zyn, mits men my ’t recht gunne die onkunde aan den dag te brengen, en het Volk daartegen te waarschuwen.

M’n aandacht werd dezer dagen getrokken door zekere beweringen van den heerde Bruyn Kops, die in het voorbericht by den vyfden druk zyner...

’n Oogenblik, mynheerKops! In die “Beginselen van Staathuishoudkunde” komt geen enkel denkbeeld voor, dateconomisch-politisch-industrieelgesproken, het uwe is. Vergeef my uit ’n staathuishoudkundig oogpunt—myn en dyn!—deze opmerking. Ik moet ze wel maken, ik die ook in “beginselen” doe, en op de wereldmarkt m’neigenmeestalzeer duur betaaldedenkbeelden tracht aan den man te brengen. De concurrentie met ingesmokkelde waren is ... wel niet moeielyk—zoo heel diepdenkend als gy schynt te meenen, zyn deStuart Mill’swaaruit uw wyshedens geput worden, eigenlyk niet—maar ik zou het toch billyk vinden, uit ’neconomisch-politisch-industrieeloogpunt alweer, dat ’n origineel niet te concurreeren had met zulke al te goedkoope kopiën. Worden de “werken” van die soort alleen gelezen door ’n publiek dat noch fransch, noch duitsch, nochengelsch, nochitaliaansch verstaat? Dan heb ik er nagenoeg vrede mee, en wensch uw boekjes goed succes.

Maar ik heb géén vrede met sommige zinsneden uit het—niet vertaald—voorbericht van den heerKops. De schryver somt allerlei verbeteringen op, die in de laatste vyf-en-twintig jaar zyn tot stand gekomen, en waaraan zyn “werkje”—lees: het uit allerlei vreemde schryvers en schryvertjes byeen geharkte—niet vreemd is geweest”. Op ’t lystje dier verbeteringen komt eene quasi-Hooftiaansche periode voor, misschien om te bewyzen dat de nederlandsche voorgangers zelfs in hun voorberichten, ’n afschrik hebben van oorspronkelykheid. Tegen den inhoud dier periode teeken ik protest aan.

“Wyzagen,”aldus spreekt onze naschryver:

“Wy zagen op Java de gedwongen cultures getemperd, gedeeltelyk opgeheven; veel noodelooze kwelling van den inlander afgeschaft; zyn plantloon vermeerderd; het volks-onderwys ter hand genomen, en eindelyk eenig vooruitzicht aan Europeesche kultuur-ondernemingen geopend.”

Een weinig verder betreurt o.a. de heerKops, dat wy:

“...onze heerlyke O. I. bezittingen voor europeesch kapitaal gesloten houden, en wy ons blyven vastklemmen aan een kortzichtig stelsel van ryksexploitatie. Onze gouvernements-koffieteelt op Java en het consignatiestelsel, tegen zoo vele stemmen in nog steeds volgehouden, zyn met gezonde begrippen van staathuishoudkunde onvereenigbaar. Maar behalve die quaestiëen, waaromtrent men het in beginsel ongeveer eens is...”

De concordantie dezer beide citaten uit het Voorbericht des heerenKops, zy opgedragen aan deStuart Mill’s die onze geleerden en kamerleden van denkbeelden voorzien.

Maar, het goddelyk recht op onkunde blyvende eerbiedigen, vraag ik of ’t geoorloofd is, daarvan een zoo verregaand misbruik te maken, als de schryver zich hier veroorlooft?Weetde heerKopsniet, dat er wel degelyk verschil van opinie bestaat over de oorbaarheid, doelmatigheid, de uitvoerbaarheid der posten, die hy hiermir nichts dir nichtsboekt op de credietzyde? Is het hemonbekenddat de verschynsels die hy betreurt, door velen nog altyd worden beschouwd als gronden van hoop op eenige verbetering? Mag hy verzekeren dat: “men het in beginsel over die quaestiën ongeveer eens is?”

Doch nu alleen lettende op de punten die de heerKopsaanvoert alsverblydendeteekenen des-tyds, wie zóó redeneert, kanaltydtevreden zyn! Om op een gunstig resultaat te bogen, behoeft men slechts ignorantie voortewenden van de noodige verschynselen. Al bestond er mogelykheid om de twee aangehaalde citaten over-een te brengen, al mocht men daarby alleen achtslaanop dat waarin de zoogenaamde vooruitgang wordt geschetst, en al ware het dat die vooruitgang doorsommigenwerd aangenomen als bewezen, dan nog had de eerlykheid gevorderd, daarby de opmerking te voegen: datzeer velen hierover altyd nog anders denken. De... staathuishoudkunde van den geest schryft voor, geen enkel element van kennis te verwaarloozen, dat misschien zou kunnen meehelpen aan het benaderen der waarheid. Al heeft nuStuart Millz’n opinie over onze Indische zaken niet gelieven te openbaren, toch zou het z’n nut hebben gehad, den lezer te waarschuwen dat de volgens den heerKopsbereikte resultaten, niet inalleroogen doorgaan voor verbeteringen.

Ik, byv. beweer dat de toestand in Indië sedert 1848, en vooral na de infame wyze waaropmynepogingen werden gedwarsboomd, schromelyk verachterd is.

Hierover nu met den heerKopsin tournooi te treden, zou me verder leiden dan my in dit “Naschrift” gelegen komt. En ’t behoeft ook niet. Met één woord meen ik zoowel den optimistischen heerKopsmet z’n “werkje” als de liberaliseerende Kolonie-Ministertjes die sedert vyf-en-twintig jaren ons land bederven, uit het veld te kunnen slaan:

Op Java heerscht telkens, en byna gedurighongersnood.

Noch beginselaars in de staathuishoudkunde, noch beryders van liberalistische stokpaardjes, zullen tegen dit argument iets degelyks kunnen inbrengen. Gelukkig voor die heeren, dat de idiote meerderheid ook met het niet-degelyke tevreden is. Dáárvan echter zal het eind den last dragen. Men had moeten leeren lezen. Als studie-exemplaar beveel ik deIndischecourantenaan.

Om van myne zyde geen aanleiding te geven tot misverstand, sluit ik met de verklaring—ze moest overbodig wezen!—eerstens: dat ik zeer liberaal ben, en ten-tweede: dat ik de staathuishoudkunde op hoogen prys stel. Ik ben gewoon my met yver op die wetenschap—het gezond verstand wordt toegepast op algemeene welvaart—toe te leggen, en bepaal me, byv. niet tot het sprokkelen van buitenlandsche wysheden die in dat Buitenland zelf reeds byna weer vergeten zyn.

Het ware te wenschen dat zy die zich liberalen noemen, en de vertalers van handboekjes over de staathuishoudkunde, zich toe-legden op de juistheid van uitdrukking. Ook met den zin der woorden behoort men... economisch omtegaan. By ’n slordigheid van terminologie, al die waardoor onze politieke tinnegieters en collecteurs van europeesche gemeenplaatsen zich kenmerken, is staathuishoudkunde ’nhors-d’oeuvre, en liberalismus—ja, alleKennis, Wetenschap en juistheid van oordeel, dus ook:WELVAART!—’n onmogelykheid.

Wiesbaden,1 September 1873. MULTATULI.


Back to IndexNext