Chapter 6

„De ondergeteekende Eduard Douwes Dekker, schrijver van het werkje, getiteld: Max Havelaar of de koffieveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij, door Multatuli, verklaart het copyrecht over gezegd werk te hebben afgestaan aan den heere Mr. J. van Lennep, zijnde de ondergeteekende daarvoor naar genoegen en volkomen voldaan.Douwes Dekker.”Brussel, 25 Januari 1860.Toen, in zijn „Vrije Arbeid”, Dekker, nadat hij het proces in eerste instantie verloren had, Van Lennep over deze zaak, „voor de rechtbank der publieke opinie” daagde en hem nogmaals toeriep dat hij, Dekker, en niet Van Lennep, eigenaar van den Havelaar was, en o. a. zeide: „Het voorgeven van den heer Van Lennep dat hij eigenaar was van„’t copyrecht, is van later datum en van later uitvinding”,—antwoordde Van Lennep hierop in een openbaren Brief aan den heer E. Douwes Dekker, waarin hij o. a. repliceert:... „Maar zoo werkelijk dat systeem van latere uitvinding is, dan komt niet mij, maar u zelven de eer dier uitvinding toe. Reeds op 7 April 1860 schreeft ge mij: „Het boek behoort u. Mag ik het vertalen?”Hiermede hebben wij een beknopt maar volledig overzicht van het geding.Nu komt, naar onze meening, de geheele zaak hierop neder: Indien de heer Van Lennep, Dekker’s meening deelende, dat er van den Havelaar een goedkoope en zooveel mogelijk te verspreiden uitgaaf in de wereld gezonden moest worden, opdat er zoo iets als een algemeen nationaal adres met honderdduizenden handteekeningen voorzien, aan de Kamers der Staten-Generaal of aan den Koning zou gezonden worden, en opdat er, mocht zulk een adresbeweging zonder de gewenschte uitwerking blijven, zelfs een burgeroorlog zou losbarsten (zie de brochure Swart Abrahamsz-Multatulidoor F. v. d. Goes), met het doel Dekker tot zulk een hoogen post te doen bevorderen, dat hij het bestuur der koloniën naar zijn inzicht kon hervormen;—indien de heer Van Lennep, van die meening zijnde, met Dekker afgesproken had, dat er een goedkoope uitgaaf zou komen; en hij later, van meening veranderd zijnde, om het ministerie te believen, waarmede hij toen op goeden voet was, de goedkoope uitgaaf heeft tegengehouden, daarvoor gebruik makende van een eigendomsbewijs, dat hij vroeger voor een formaliteit van ondergeschikt belang van den schrijver had gekregen;—indien het zóó met de zaak gesteld is, dan moet de heer Van Lennep veroordeeld worden.Maar: zoo is het niet met de zaak gesteld. Wij nemen aan, dat de heer Van Lennep, omdat hij met het ministerie weêr vrede had gesloten, nuMax Havelaareenigszins in zijn macht wilde houden. Wij nemen aan, dat hij dáarvoor het bewijs van eigendom in handen wilde hebben, dat hij, om het gemakkelijk te krijgen, aan Dekker een onwaredoch in Dekker’s belang klinkende reden opgaf, waarom hij het moest hebben,—dan is hierin wel een zekere veinzerij te bespeuren, maar dan is dat daarom geen laaghartige bedriegerij, die een klad op iemand’s nagedachtenis kan werpen.Wij herhalen: de quaestie is alléen of Van Lennep èn in Dekker’s belang èn in het belang van het nederlandsche volk een goedkoope uitgaaf wenschelijk achtte, en haar terughield om een bijreden, in casu om het ministerie te believen.Van Lennep schrijft: „In confesso. Dat ik de acte van cessie gevraagd heb, om met een uitgever een kontrakt te kunnen sluiten, dat is volkomen waar, en, voeg ik er bij, volkomen natuurlijk.”De uitgeefster der Brieven repliceert hierop: „Neen, natuurlijk is dat niet. De heer Van Lennep had hoogstens een volmacht van den auteur noodig om namens dezen een contract te sluiten met een uitgever. De heer Van Lennep wist als rechtsgeleerde natuurlijk zeer goed, dat daartoe geen acte van cessie vereischt werd.”Zeer wel, dat is ook onze meening. De advokaat Feisser heeft in zijn brief aan Dekker volkomen gelijk, waar hij aantoont hoe listig het briefje, waarmede de heer Van Lennep de acte van cessie vroeg, is opgesteld. Van Lennep wist dat hij met Dekker voorzichtig moest omgaan, hij vond dat hij Dekker met ƒ1200.– voor de eerste uitgave goed betaalde (ook alheettehet verstrekken dier gelden niet betaling van het werk), hij wilde de macht overMax Havelaarin handen hebben,—en nu schreef hij een wat draaierig briefje om dat gedaan te krijgen, over welk briefje hij zich later vruchteloos poogde te verdedigen,—dat alles is heel eenvoudig. Daar Van Lennep een goedkoope uitgaaf noch in het belang van uitgever en schrijver, noch in het belang van het land achtte te zijn, hield hij die, door listig bedachte middelen, tegen. De uitgeefster der Brieven had in haar pleidooi eene uiting van den heer Van Lennep moeten kunnen bijbrengen, waarbij deze heer zich ten sterkste vóór een goedkoope uitgaaf verklaarde. Dan had zij haar zaak gewonnen; nú moet zij geachtworden haar, wat de hoofdzaak betreft, te hebben verloren.Er is buitendien iets tegenstrijdigs in Dekker’s beweringen. Immers zijn éene bewering luidt, dat Van Lennep’s voorgeven eigenaar van ’t kopierecht te zijn, „van later datum en van later uitvinding” is; maar indien dát zoo ware, dan zou de beschuldiging als hadde de heer Van Lennep zijn briefje, waarin hij het cessiebewijs vraagt, met een niet daarin uitgedrukt doel geschreven, niet kunnen blijven bestaan. Het beweren eigenaar te zijn was niet van later datum en het briefje was met eene bijbedoeling geschreven, zóó is de waarheid.Ook doet de uitgeefster, op grond van Dekker’s eigen mededeelingen natuurlijk, het voorkomen als hadd’ Dekker er zelf geen oogenblik aan gedacht, dat hij met dat bewijs van cessie af te geven het eigendomsrecht aan Van Lennep overdroeg. Zelfs Dekker’s volzin: „Het boek behoort u, mag ik het vertalen?” interpreteert zij als volgt:„Ik, die Multatuli zoo goed kende in de exuberantie van zijn indrukken en uitingen,kan me denken hoe hij in April ’60, toen nog in de overmaat van zijn dankbaar en hartelijk gevoel voor Van Lennep, die vraag stelde met kinderlijk genot. Zeker, daar was een toespeling in op dat bewijsje van cessie, dat hij gegeven had, zonder erg. Ook deze vraag was spelerij. Een deftig toestemmend antwoord zou hem zeker wakker hebben gemaakt, maar nu... hij vond het prettig alle eigendom weg te werpen. Wat kwam het er ook op aan wien dat boek behoorde? Aan dien flinken vriend, aan dien trouwen helper Van Lennep, of aan hem, of aan beide? Wat deed het er toe? Was het niet gelijk? Ja, was ’t niet heerlijk dat boek, zijn boek, de eindvorm van zijn gedragen leed, zijnen trouwen bondgenoot toe te werpen als behoorde het hem?”De uitgeefster heeft gelijk in hare beschouwing, maar ongelijk in de gevolgtrekking. Zeker, Dekker vond het pleizierig het eigendomsrecht weg te werpen, daarom deed hij het, en wist zeer goed wat hij deed. Hij deed het, hij stond het eigendomsrecht af omdat hij meende, dat Van Lennep juistzoo over zijn (Dekker’s) belang dacht en over het nederlandsche volk als Dekker daar zelf over dacht. Daarin vergiste hij zich, dit merkte hij toen het te laat was, en toen, in zijn ontsteltenis, zonder zich precies te herinneren hoe het gegaan was, riep hij uit, dat hij het eigendomsrecht nooit had afgestaan.Nu wij de zaak Multatuli-Van Lennep van naderbij hebben bekeken en tot een besluit daaromtrent gekomen zijn, blijft ons, ter volledige kenschetsing van Dekker’s toestand, toen hij, in volle levensdrukte, plotseling „onder de menschen” was geplaatst, de vermelding van eenige buitensporige bijzonderheden over, die de gedachte doen ontstaan: met dien Dekker moesten nu ook álle zonderlinge dingen te gelijk gebeuren. De eerst te vermelden dier gebeurtenissen, moet tevens dienen om de bewering te staven, dat Dekker nagenoeg voortdurend zonder nagedachte en zelfbeheersching handelde.In Juni 1860, kreeg Dekker, die te Rotterdam vertoefde, een brief van Van Lennep, waarin deze onder anderen een geval vertelde,dat hem een dier dagen was overkomen. Hij had namelijk op zekeren dag plotseling bezoek gekregen van... Barbier, den beroemden dichter derJambes, die om staatkundige reden uit Frankrijk verbannen was en nu, hulpbehoevend zijnde, hulp kwam vragen bij een Hollandschen kollega. Daar Van Lennep, zooals hij schreef, juist aan tafel was, kon hij tot zijn genoegen den armen kunstbroeder een kotelet en een glas wijn aanbieden. Bovendien gaf hij hem wat oude kleeren en eenig reisgeld om verder te gaan. Het was Barbier’s bedoeling zich naar Baden te begeven, waar hij hoopte vrienden te zullen aantreffen. Toen Dekker dit vernam, begon zijn bloed te koken. Hij was een vereerder van Barbier, wiensJambeszijn lievelingsgedichten waren; in gloed en kracht stelde hij Barbier bóven Victor Hugo. En dat het voorwerp zijner vurige bewondering een oude broek zou dragen, kon hij niet velen. Zonder zich te bedenken, zonder in ’t minst onderzoek in te stellen, wist hij dadelijk raad. Hij vraagt aan Tels, hoofdredakteur der Nieuwe Rotterdamsche Courant, waarhij hier ergens een lokaal zou kunnen krijgen. Tels verwijst hem naar het Notarishuis. Dekker brengt daar de zaak in orde en dien avond verschijnt in de courant eene advertentie, waarin Dekker het „fatsoenlijk Rotterdamsch publiek” uitnoodigt den volgenden middag in het Notarishuis bijeen te komen, tegen vrijen toegang. Om twee uur, den aangegeven tijd, kon Dekker waarnemen dat aan zijne oproeping zoo goed mogelijk gehoor was gegeven. Er was een volte, waardoor heen hij zich nauwelijks een weg kon banen. Dekker beklimt het spreekgestoelte, leest Van Lennep’s brief voor zonder den schrijver te noemen, en zegt: Mijne Heeren, ik kom u vragen u te vereenigen om iets voor dien armen grooten dichter te doen. Misschien kent gij hem niet. Dan zal ik zoo vrij zijn u hem te doen kennen. Daarop draagt hij het schoone fragment uit Barbier voor, waarin deze Napoléon vergelijkt bij een ruiter die zijn paard dooddrukt:O Corse à cheveux plats, que ta France était belleAu grand soleil de messidor;C’était une cavale indomptable et rebelle.De uitgeefster der Brieven geeft dit citaat niet, doch wie kent deze regelen niet van buiten! Goed; na de voordracht neemt Dekker afscheid van het publiek. Tels doet hem opmerken, dat hij het ijzer had moeten smeden terwijl het heet was en van de geestdrift gebruik maken om een kollekte te houden; maar beiden zijn van gevoelen, dat dit verzuim nog verholpen kan worden. In de N. Rott. Crt. zal een bericht worden geplaatst, waarbij het bestuur zich bereid verklaart giften in ontvangst te nemen, die de menschen, welke onder Dekker’s gehoor zijn geweest, bereid mochten zijn voor het door Dekker besproken doel af te zonderen.Nu keert Dekker terug naar zijn hôtel en een uur later komt er, buiten adem, een employé der N. Rott. Crt. binnengeloopen. Stotterend brengt hij uit: mijnheer, wij kunnen dat... dat bericht niet plaatsen. „Wat drommel wat is er dan met die zaak?” vraagt Dekker. En het bleek dat Barbier Barbier niet was, maar een valsche Barbier, een listige oplichter, die in België en Nederland, door zich uit te geven voor den dichter derJambes, menigen letterkundige reeds wat geld uit den zak had geklopt. Het was op een grappige manier uitgelekt. Onze Barbier had zich namelijk ook vervoegd bij den dichter Bogaers te Rotterdam, maar deze was ongelukkigerwijze... doof! In plaats van een kotelet, schrijft Dekker, bood hij Barbier een leitje aan, waarop deze zou gelieven te schrijven wat hij mede te deelen had. Toen heeft het schrift en de spelling onzen slimmerik verraden. Het gevolg was, dat de heer Bogaers informaties nam aan het konsulaat, en dat de valsche Barbier in allerijl de goede stad Rotterdam van zijn beminnelijke tegenwoordigheid bevrijdde.Dekker maakte dus eigenlijk een mal figuur, maar hij merkte er weinig van, daar hij niet meer in aanraking kwam met zijn publiek van het Notarishuis.De overige buitensporige bijzonderheden vallen meer voor in Multatuli’s omgang met het schoone geslacht. Daarom zullen wij de behandeling er van in ons nieuw hoofdstuk opnemen, over: Multatuli en de vrouwen.

„De ondergeteekende Eduard Douwes Dekker, schrijver van het werkje, getiteld: Max Havelaar of de koffieveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij, door Multatuli, verklaart het copyrecht over gezegd werk te hebben afgestaan aan den heere Mr. J. van Lennep, zijnde de ondergeteekende daarvoor naar genoegen en volkomen voldaan.Douwes Dekker.”Brussel, 25 Januari 1860.Toen, in zijn „Vrije Arbeid”, Dekker, nadat hij het proces in eerste instantie verloren had, Van Lennep over deze zaak, „voor de rechtbank der publieke opinie” daagde en hem nogmaals toeriep dat hij, Dekker, en niet Van Lennep, eigenaar van den Havelaar was, en o. a. zeide: „Het voorgeven van den heer Van Lennep dat hij eigenaar was van„’t copyrecht, is van later datum en van later uitvinding”,—antwoordde Van Lennep hierop in een openbaren Brief aan den heer E. Douwes Dekker, waarin hij o. a. repliceert:... „Maar zoo werkelijk dat systeem van latere uitvinding is, dan komt niet mij, maar u zelven de eer dier uitvinding toe. Reeds op 7 April 1860 schreeft ge mij: „Het boek behoort u. Mag ik het vertalen?”Hiermede hebben wij een beknopt maar volledig overzicht van het geding.Nu komt, naar onze meening, de geheele zaak hierop neder: Indien de heer Van Lennep, Dekker’s meening deelende, dat er van den Havelaar een goedkoope en zooveel mogelijk te verspreiden uitgaaf in de wereld gezonden moest worden, opdat er zoo iets als een algemeen nationaal adres met honderdduizenden handteekeningen voorzien, aan de Kamers der Staten-Generaal of aan den Koning zou gezonden worden, en opdat er, mocht zulk een adresbeweging zonder de gewenschte uitwerking blijven, zelfs een burgeroorlog zou losbarsten (zie de brochure Swart Abrahamsz-Multatulidoor F. v. d. Goes), met het doel Dekker tot zulk een hoogen post te doen bevorderen, dat hij het bestuur der koloniën naar zijn inzicht kon hervormen;—indien de heer Van Lennep, van die meening zijnde, met Dekker afgesproken had, dat er een goedkoope uitgaaf zou komen; en hij later, van meening veranderd zijnde, om het ministerie te believen, waarmede hij toen op goeden voet was, de goedkoope uitgaaf heeft tegengehouden, daarvoor gebruik makende van een eigendomsbewijs, dat hij vroeger voor een formaliteit van ondergeschikt belang van den schrijver had gekregen;—indien het zóó met de zaak gesteld is, dan moet de heer Van Lennep veroordeeld worden.Maar: zoo is het niet met de zaak gesteld. Wij nemen aan, dat de heer Van Lennep, omdat hij met het ministerie weêr vrede had gesloten, nuMax Havelaareenigszins in zijn macht wilde houden. Wij nemen aan, dat hij dáarvoor het bewijs van eigendom in handen wilde hebben, dat hij, om het gemakkelijk te krijgen, aan Dekker een onwaredoch in Dekker’s belang klinkende reden opgaf, waarom hij het moest hebben,—dan is hierin wel een zekere veinzerij te bespeuren, maar dan is dat daarom geen laaghartige bedriegerij, die een klad op iemand’s nagedachtenis kan werpen.Wij herhalen: de quaestie is alléen of Van Lennep èn in Dekker’s belang èn in het belang van het nederlandsche volk een goedkoope uitgaaf wenschelijk achtte, en haar terughield om een bijreden, in casu om het ministerie te believen.Van Lennep schrijft: „In confesso. Dat ik de acte van cessie gevraagd heb, om met een uitgever een kontrakt te kunnen sluiten, dat is volkomen waar, en, voeg ik er bij, volkomen natuurlijk.”De uitgeefster der Brieven repliceert hierop: „Neen, natuurlijk is dat niet. De heer Van Lennep had hoogstens een volmacht van den auteur noodig om namens dezen een contract te sluiten met een uitgever. De heer Van Lennep wist als rechtsgeleerde natuurlijk zeer goed, dat daartoe geen acte van cessie vereischt werd.”Zeer wel, dat is ook onze meening. De advokaat Feisser heeft in zijn brief aan Dekker volkomen gelijk, waar hij aantoont hoe listig het briefje, waarmede de heer Van Lennep de acte van cessie vroeg, is opgesteld. Van Lennep wist dat hij met Dekker voorzichtig moest omgaan, hij vond dat hij Dekker met ƒ1200.– voor de eerste uitgave goed betaalde (ook alheettehet verstrekken dier gelden niet betaling van het werk), hij wilde de macht overMax Havelaarin handen hebben,—en nu schreef hij een wat draaierig briefje om dat gedaan te krijgen, over welk briefje hij zich later vruchteloos poogde te verdedigen,—dat alles is heel eenvoudig. Daar Van Lennep een goedkoope uitgaaf noch in het belang van uitgever en schrijver, noch in het belang van het land achtte te zijn, hield hij die, door listig bedachte middelen, tegen. De uitgeefster der Brieven had in haar pleidooi eene uiting van den heer Van Lennep moeten kunnen bijbrengen, waarbij deze heer zich ten sterkste vóór een goedkoope uitgaaf verklaarde. Dan had zij haar zaak gewonnen; nú moet zij geachtworden haar, wat de hoofdzaak betreft, te hebben verloren.Er is buitendien iets tegenstrijdigs in Dekker’s beweringen. Immers zijn éene bewering luidt, dat Van Lennep’s voorgeven eigenaar van ’t kopierecht te zijn, „van later datum en van later uitvinding” is; maar indien dát zoo ware, dan zou de beschuldiging als hadde de heer Van Lennep zijn briefje, waarin hij het cessiebewijs vraagt, met een niet daarin uitgedrukt doel geschreven, niet kunnen blijven bestaan. Het beweren eigenaar te zijn was niet van later datum en het briefje was met eene bijbedoeling geschreven, zóó is de waarheid.Ook doet de uitgeefster, op grond van Dekker’s eigen mededeelingen natuurlijk, het voorkomen als hadd’ Dekker er zelf geen oogenblik aan gedacht, dat hij met dat bewijs van cessie af te geven het eigendomsrecht aan Van Lennep overdroeg. Zelfs Dekker’s volzin: „Het boek behoort u, mag ik het vertalen?” interpreteert zij als volgt:„Ik, die Multatuli zoo goed kende in de exuberantie van zijn indrukken en uitingen,kan me denken hoe hij in April ’60, toen nog in de overmaat van zijn dankbaar en hartelijk gevoel voor Van Lennep, die vraag stelde met kinderlijk genot. Zeker, daar was een toespeling in op dat bewijsje van cessie, dat hij gegeven had, zonder erg. Ook deze vraag was spelerij. Een deftig toestemmend antwoord zou hem zeker wakker hebben gemaakt, maar nu... hij vond het prettig alle eigendom weg te werpen. Wat kwam het er ook op aan wien dat boek behoorde? Aan dien flinken vriend, aan dien trouwen helper Van Lennep, of aan hem, of aan beide? Wat deed het er toe? Was het niet gelijk? Ja, was ’t niet heerlijk dat boek, zijn boek, de eindvorm van zijn gedragen leed, zijnen trouwen bondgenoot toe te werpen als behoorde het hem?”De uitgeefster heeft gelijk in hare beschouwing, maar ongelijk in de gevolgtrekking. Zeker, Dekker vond het pleizierig het eigendomsrecht weg te werpen, daarom deed hij het, en wist zeer goed wat hij deed. Hij deed het, hij stond het eigendomsrecht af omdat hij meende, dat Van Lennep juistzoo over zijn (Dekker’s) belang dacht en over het nederlandsche volk als Dekker daar zelf over dacht. Daarin vergiste hij zich, dit merkte hij toen het te laat was, en toen, in zijn ontsteltenis, zonder zich precies te herinneren hoe het gegaan was, riep hij uit, dat hij het eigendomsrecht nooit had afgestaan.Nu wij de zaak Multatuli-Van Lennep van naderbij hebben bekeken en tot een besluit daaromtrent gekomen zijn, blijft ons, ter volledige kenschetsing van Dekker’s toestand, toen hij, in volle levensdrukte, plotseling „onder de menschen” was geplaatst, de vermelding van eenige buitensporige bijzonderheden over, die de gedachte doen ontstaan: met dien Dekker moesten nu ook álle zonderlinge dingen te gelijk gebeuren. De eerst te vermelden dier gebeurtenissen, moet tevens dienen om de bewering te staven, dat Dekker nagenoeg voortdurend zonder nagedachte en zelfbeheersching handelde.In Juni 1860, kreeg Dekker, die te Rotterdam vertoefde, een brief van Van Lennep, waarin deze onder anderen een geval vertelde,dat hem een dier dagen was overkomen. Hij had namelijk op zekeren dag plotseling bezoek gekregen van... Barbier, den beroemden dichter derJambes, die om staatkundige reden uit Frankrijk verbannen was en nu, hulpbehoevend zijnde, hulp kwam vragen bij een Hollandschen kollega. Daar Van Lennep, zooals hij schreef, juist aan tafel was, kon hij tot zijn genoegen den armen kunstbroeder een kotelet en een glas wijn aanbieden. Bovendien gaf hij hem wat oude kleeren en eenig reisgeld om verder te gaan. Het was Barbier’s bedoeling zich naar Baden te begeven, waar hij hoopte vrienden te zullen aantreffen. Toen Dekker dit vernam, begon zijn bloed te koken. Hij was een vereerder van Barbier, wiensJambeszijn lievelingsgedichten waren; in gloed en kracht stelde hij Barbier bóven Victor Hugo. En dat het voorwerp zijner vurige bewondering een oude broek zou dragen, kon hij niet velen. Zonder zich te bedenken, zonder in ’t minst onderzoek in te stellen, wist hij dadelijk raad. Hij vraagt aan Tels, hoofdredakteur der Nieuwe Rotterdamsche Courant, waarhij hier ergens een lokaal zou kunnen krijgen. Tels verwijst hem naar het Notarishuis. Dekker brengt daar de zaak in orde en dien avond verschijnt in de courant eene advertentie, waarin Dekker het „fatsoenlijk Rotterdamsch publiek” uitnoodigt den volgenden middag in het Notarishuis bijeen te komen, tegen vrijen toegang. Om twee uur, den aangegeven tijd, kon Dekker waarnemen dat aan zijne oproeping zoo goed mogelijk gehoor was gegeven. Er was een volte, waardoor heen hij zich nauwelijks een weg kon banen. Dekker beklimt het spreekgestoelte, leest Van Lennep’s brief voor zonder den schrijver te noemen, en zegt: Mijne Heeren, ik kom u vragen u te vereenigen om iets voor dien armen grooten dichter te doen. Misschien kent gij hem niet. Dan zal ik zoo vrij zijn u hem te doen kennen. Daarop draagt hij het schoone fragment uit Barbier voor, waarin deze Napoléon vergelijkt bij een ruiter die zijn paard dooddrukt:O Corse à cheveux plats, que ta France était belleAu grand soleil de messidor;C’était une cavale indomptable et rebelle.De uitgeefster der Brieven geeft dit citaat niet, doch wie kent deze regelen niet van buiten! Goed; na de voordracht neemt Dekker afscheid van het publiek. Tels doet hem opmerken, dat hij het ijzer had moeten smeden terwijl het heet was en van de geestdrift gebruik maken om een kollekte te houden; maar beiden zijn van gevoelen, dat dit verzuim nog verholpen kan worden. In de N. Rott. Crt. zal een bericht worden geplaatst, waarbij het bestuur zich bereid verklaart giften in ontvangst te nemen, die de menschen, welke onder Dekker’s gehoor zijn geweest, bereid mochten zijn voor het door Dekker besproken doel af te zonderen.Nu keert Dekker terug naar zijn hôtel en een uur later komt er, buiten adem, een employé der N. Rott. Crt. binnengeloopen. Stotterend brengt hij uit: mijnheer, wij kunnen dat... dat bericht niet plaatsen. „Wat drommel wat is er dan met die zaak?” vraagt Dekker. En het bleek dat Barbier Barbier niet was, maar een valsche Barbier, een listige oplichter, die in België en Nederland, door zich uit te geven voor den dichter derJambes, menigen letterkundige reeds wat geld uit den zak had geklopt. Het was op een grappige manier uitgelekt. Onze Barbier had zich namelijk ook vervoegd bij den dichter Bogaers te Rotterdam, maar deze was ongelukkigerwijze... doof! In plaats van een kotelet, schrijft Dekker, bood hij Barbier een leitje aan, waarop deze zou gelieven te schrijven wat hij mede te deelen had. Toen heeft het schrift en de spelling onzen slimmerik verraden. Het gevolg was, dat de heer Bogaers informaties nam aan het konsulaat, en dat de valsche Barbier in allerijl de goede stad Rotterdam van zijn beminnelijke tegenwoordigheid bevrijdde.Dekker maakte dus eigenlijk een mal figuur, maar hij merkte er weinig van, daar hij niet meer in aanraking kwam met zijn publiek van het Notarishuis.De overige buitensporige bijzonderheden vallen meer voor in Multatuli’s omgang met het schoone geslacht. Daarom zullen wij de behandeling er van in ons nieuw hoofdstuk opnemen, over: Multatuli en de vrouwen.

„De ondergeteekende Eduard Douwes Dekker, schrijver van het werkje, getiteld: Max Havelaar of de koffieveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij, door Multatuli, verklaart het copyrecht over gezegd werk te hebben afgestaan aan den heere Mr. J. van Lennep, zijnde de ondergeteekende daarvoor naar genoegen en volkomen voldaan.Douwes Dekker.”Brussel, 25 Januari 1860.Toen, in zijn „Vrije Arbeid”, Dekker, nadat hij het proces in eerste instantie verloren had, Van Lennep over deze zaak, „voor de rechtbank der publieke opinie” daagde en hem nogmaals toeriep dat hij, Dekker, en niet Van Lennep, eigenaar van den Havelaar was, en o. a. zeide: „Het voorgeven van den heer Van Lennep dat hij eigenaar was van„’t copyrecht, is van later datum en van later uitvinding”,—antwoordde Van Lennep hierop in een openbaren Brief aan den heer E. Douwes Dekker, waarin hij o. a. repliceert:... „Maar zoo werkelijk dat systeem van latere uitvinding is, dan komt niet mij, maar u zelven de eer dier uitvinding toe. Reeds op 7 April 1860 schreeft ge mij: „Het boek behoort u. Mag ik het vertalen?”Hiermede hebben wij een beknopt maar volledig overzicht van het geding.Nu komt, naar onze meening, de geheele zaak hierop neder: Indien de heer Van Lennep, Dekker’s meening deelende, dat er van den Havelaar een goedkoope en zooveel mogelijk te verspreiden uitgaaf in de wereld gezonden moest worden, opdat er zoo iets als een algemeen nationaal adres met honderdduizenden handteekeningen voorzien, aan de Kamers der Staten-Generaal of aan den Koning zou gezonden worden, en opdat er, mocht zulk een adresbeweging zonder de gewenschte uitwerking blijven, zelfs een burgeroorlog zou losbarsten (zie de brochure Swart Abrahamsz-Multatulidoor F. v. d. Goes), met het doel Dekker tot zulk een hoogen post te doen bevorderen, dat hij het bestuur der koloniën naar zijn inzicht kon hervormen;—indien de heer Van Lennep, van die meening zijnde, met Dekker afgesproken had, dat er een goedkoope uitgaaf zou komen; en hij later, van meening veranderd zijnde, om het ministerie te believen, waarmede hij toen op goeden voet was, de goedkoope uitgaaf heeft tegengehouden, daarvoor gebruik makende van een eigendomsbewijs, dat hij vroeger voor een formaliteit van ondergeschikt belang van den schrijver had gekregen;—indien het zóó met de zaak gesteld is, dan moet de heer Van Lennep veroordeeld worden.Maar: zoo is het niet met de zaak gesteld. Wij nemen aan, dat de heer Van Lennep, omdat hij met het ministerie weêr vrede had gesloten, nuMax Havelaareenigszins in zijn macht wilde houden. Wij nemen aan, dat hij dáarvoor het bewijs van eigendom in handen wilde hebben, dat hij, om het gemakkelijk te krijgen, aan Dekker een onwaredoch in Dekker’s belang klinkende reden opgaf, waarom hij het moest hebben,—dan is hierin wel een zekere veinzerij te bespeuren, maar dan is dat daarom geen laaghartige bedriegerij, die een klad op iemand’s nagedachtenis kan werpen.Wij herhalen: de quaestie is alléen of Van Lennep èn in Dekker’s belang èn in het belang van het nederlandsche volk een goedkoope uitgaaf wenschelijk achtte, en haar terughield om een bijreden, in casu om het ministerie te believen.Van Lennep schrijft: „In confesso. Dat ik de acte van cessie gevraagd heb, om met een uitgever een kontrakt te kunnen sluiten, dat is volkomen waar, en, voeg ik er bij, volkomen natuurlijk.”De uitgeefster der Brieven repliceert hierop: „Neen, natuurlijk is dat niet. De heer Van Lennep had hoogstens een volmacht van den auteur noodig om namens dezen een contract te sluiten met een uitgever. De heer Van Lennep wist als rechtsgeleerde natuurlijk zeer goed, dat daartoe geen acte van cessie vereischt werd.”Zeer wel, dat is ook onze meening. De advokaat Feisser heeft in zijn brief aan Dekker volkomen gelijk, waar hij aantoont hoe listig het briefje, waarmede de heer Van Lennep de acte van cessie vroeg, is opgesteld. Van Lennep wist dat hij met Dekker voorzichtig moest omgaan, hij vond dat hij Dekker met ƒ1200.– voor de eerste uitgave goed betaalde (ook alheettehet verstrekken dier gelden niet betaling van het werk), hij wilde de macht overMax Havelaarin handen hebben,—en nu schreef hij een wat draaierig briefje om dat gedaan te krijgen, over welk briefje hij zich later vruchteloos poogde te verdedigen,—dat alles is heel eenvoudig. Daar Van Lennep een goedkoope uitgaaf noch in het belang van uitgever en schrijver, noch in het belang van het land achtte te zijn, hield hij die, door listig bedachte middelen, tegen. De uitgeefster der Brieven had in haar pleidooi eene uiting van den heer Van Lennep moeten kunnen bijbrengen, waarbij deze heer zich ten sterkste vóór een goedkoope uitgaaf verklaarde. Dan had zij haar zaak gewonnen; nú moet zij geachtworden haar, wat de hoofdzaak betreft, te hebben verloren.Er is buitendien iets tegenstrijdigs in Dekker’s beweringen. Immers zijn éene bewering luidt, dat Van Lennep’s voorgeven eigenaar van ’t kopierecht te zijn, „van later datum en van later uitvinding” is; maar indien dát zoo ware, dan zou de beschuldiging als hadde de heer Van Lennep zijn briefje, waarin hij het cessiebewijs vraagt, met een niet daarin uitgedrukt doel geschreven, niet kunnen blijven bestaan. Het beweren eigenaar te zijn was niet van later datum en het briefje was met eene bijbedoeling geschreven, zóó is de waarheid.Ook doet de uitgeefster, op grond van Dekker’s eigen mededeelingen natuurlijk, het voorkomen als hadd’ Dekker er zelf geen oogenblik aan gedacht, dat hij met dat bewijs van cessie af te geven het eigendomsrecht aan Van Lennep overdroeg. Zelfs Dekker’s volzin: „Het boek behoort u, mag ik het vertalen?” interpreteert zij als volgt:„Ik, die Multatuli zoo goed kende in de exuberantie van zijn indrukken en uitingen,kan me denken hoe hij in April ’60, toen nog in de overmaat van zijn dankbaar en hartelijk gevoel voor Van Lennep, die vraag stelde met kinderlijk genot. Zeker, daar was een toespeling in op dat bewijsje van cessie, dat hij gegeven had, zonder erg. Ook deze vraag was spelerij. Een deftig toestemmend antwoord zou hem zeker wakker hebben gemaakt, maar nu... hij vond het prettig alle eigendom weg te werpen. Wat kwam het er ook op aan wien dat boek behoorde? Aan dien flinken vriend, aan dien trouwen helper Van Lennep, of aan hem, of aan beide? Wat deed het er toe? Was het niet gelijk? Ja, was ’t niet heerlijk dat boek, zijn boek, de eindvorm van zijn gedragen leed, zijnen trouwen bondgenoot toe te werpen als behoorde het hem?”De uitgeefster heeft gelijk in hare beschouwing, maar ongelijk in de gevolgtrekking. Zeker, Dekker vond het pleizierig het eigendomsrecht weg te werpen, daarom deed hij het, en wist zeer goed wat hij deed. Hij deed het, hij stond het eigendomsrecht af omdat hij meende, dat Van Lennep juistzoo over zijn (Dekker’s) belang dacht en over het nederlandsche volk als Dekker daar zelf over dacht. Daarin vergiste hij zich, dit merkte hij toen het te laat was, en toen, in zijn ontsteltenis, zonder zich precies te herinneren hoe het gegaan was, riep hij uit, dat hij het eigendomsrecht nooit had afgestaan.Nu wij de zaak Multatuli-Van Lennep van naderbij hebben bekeken en tot een besluit daaromtrent gekomen zijn, blijft ons, ter volledige kenschetsing van Dekker’s toestand, toen hij, in volle levensdrukte, plotseling „onder de menschen” was geplaatst, de vermelding van eenige buitensporige bijzonderheden over, die de gedachte doen ontstaan: met dien Dekker moesten nu ook álle zonderlinge dingen te gelijk gebeuren. De eerst te vermelden dier gebeurtenissen, moet tevens dienen om de bewering te staven, dat Dekker nagenoeg voortdurend zonder nagedachte en zelfbeheersching handelde.In Juni 1860, kreeg Dekker, die te Rotterdam vertoefde, een brief van Van Lennep, waarin deze onder anderen een geval vertelde,dat hem een dier dagen was overkomen. Hij had namelijk op zekeren dag plotseling bezoek gekregen van... Barbier, den beroemden dichter derJambes, die om staatkundige reden uit Frankrijk verbannen was en nu, hulpbehoevend zijnde, hulp kwam vragen bij een Hollandschen kollega. Daar Van Lennep, zooals hij schreef, juist aan tafel was, kon hij tot zijn genoegen den armen kunstbroeder een kotelet en een glas wijn aanbieden. Bovendien gaf hij hem wat oude kleeren en eenig reisgeld om verder te gaan. Het was Barbier’s bedoeling zich naar Baden te begeven, waar hij hoopte vrienden te zullen aantreffen. Toen Dekker dit vernam, begon zijn bloed te koken. Hij was een vereerder van Barbier, wiensJambeszijn lievelingsgedichten waren; in gloed en kracht stelde hij Barbier bóven Victor Hugo. En dat het voorwerp zijner vurige bewondering een oude broek zou dragen, kon hij niet velen. Zonder zich te bedenken, zonder in ’t minst onderzoek in te stellen, wist hij dadelijk raad. Hij vraagt aan Tels, hoofdredakteur der Nieuwe Rotterdamsche Courant, waarhij hier ergens een lokaal zou kunnen krijgen. Tels verwijst hem naar het Notarishuis. Dekker brengt daar de zaak in orde en dien avond verschijnt in de courant eene advertentie, waarin Dekker het „fatsoenlijk Rotterdamsch publiek” uitnoodigt den volgenden middag in het Notarishuis bijeen te komen, tegen vrijen toegang. Om twee uur, den aangegeven tijd, kon Dekker waarnemen dat aan zijne oproeping zoo goed mogelijk gehoor was gegeven. Er was een volte, waardoor heen hij zich nauwelijks een weg kon banen. Dekker beklimt het spreekgestoelte, leest Van Lennep’s brief voor zonder den schrijver te noemen, en zegt: Mijne Heeren, ik kom u vragen u te vereenigen om iets voor dien armen grooten dichter te doen. Misschien kent gij hem niet. Dan zal ik zoo vrij zijn u hem te doen kennen. Daarop draagt hij het schoone fragment uit Barbier voor, waarin deze Napoléon vergelijkt bij een ruiter die zijn paard dooddrukt:O Corse à cheveux plats, que ta France était belleAu grand soleil de messidor;C’était une cavale indomptable et rebelle.De uitgeefster der Brieven geeft dit citaat niet, doch wie kent deze regelen niet van buiten! Goed; na de voordracht neemt Dekker afscheid van het publiek. Tels doet hem opmerken, dat hij het ijzer had moeten smeden terwijl het heet was en van de geestdrift gebruik maken om een kollekte te houden; maar beiden zijn van gevoelen, dat dit verzuim nog verholpen kan worden. In de N. Rott. Crt. zal een bericht worden geplaatst, waarbij het bestuur zich bereid verklaart giften in ontvangst te nemen, die de menschen, welke onder Dekker’s gehoor zijn geweest, bereid mochten zijn voor het door Dekker besproken doel af te zonderen.Nu keert Dekker terug naar zijn hôtel en een uur later komt er, buiten adem, een employé der N. Rott. Crt. binnengeloopen. Stotterend brengt hij uit: mijnheer, wij kunnen dat... dat bericht niet plaatsen. „Wat drommel wat is er dan met die zaak?” vraagt Dekker. En het bleek dat Barbier Barbier niet was, maar een valsche Barbier, een listige oplichter, die in België en Nederland, door zich uit te geven voor den dichter derJambes, menigen letterkundige reeds wat geld uit den zak had geklopt. Het was op een grappige manier uitgelekt. Onze Barbier had zich namelijk ook vervoegd bij den dichter Bogaers te Rotterdam, maar deze was ongelukkigerwijze... doof! In plaats van een kotelet, schrijft Dekker, bood hij Barbier een leitje aan, waarop deze zou gelieven te schrijven wat hij mede te deelen had. Toen heeft het schrift en de spelling onzen slimmerik verraden. Het gevolg was, dat de heer Bogaers informaties nam aan het konsulaat, en dat de valsche Barbier in allerijl de goede stad Rotterdam van zijn beminnelijke tegenwoordigheid bevrijdde.Dekker maakte dus eigenlijk een mal figuur, maar hij merkte er weinig van, daar hij niet meer in aanraking kwam met zijn publiek van het Notarishuis.De overige buitensporige bijzonderheden vallen meer voor in Multatuli’s omgang met het schoone geslacht. Daarom zullen wij de behandeling er van in ons nieuw hoofdstuk opnemen, over: Multatuli en de vrouwen.

„De ondergeteekende Eduard Douwes Dekker, schrijver van het werkje, getiteld: Max Havelaar of de koffieveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij, door Multatuli, verklaart het copyrecht over gezegd werk te hebben afgestaan aan den heere Mr. J. van Lennep, zijnde de ondergeteekende daarvoor naar genoegen en volkomen voldaan.Douwes Dekker.”Brussel, 25 Januari 1860.

„De ondergeteekende Eduard Douwes Dekker, schrijver van het werkje, getiteld: Max Havelaar of de koffieveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij, door Multatuli, verklaart het copyrecht over gezegd werk te hebben afgestaan aan den heere Mr. J. van Lennep, zijnde de ondergeteekende daarvoor naar genoegen en volkomen voldaan.

Douwes Dekker.”

Brussel, 25 Januari 1860.

Toen, in zijn „Vrije Arbeid”, Dekker, nadat hij het proces in eerste instantie verloren had, Van Lennep over deze zaak, „voor de rechtbank der publieke opinie” daagde en hem nogmaals toeriep dat hij, Dekker, en niet Van Lennep, eigenaar van den Havelaar was, en o. a. zeide: „Het voorgeven van den heer Van Lennep dat hij eigenaar was van„’t copyrecht, is van later datum en van later uitvinding”,—antwoordde Van Lennep hierop in een openbaren Brief aan den heer E. Douwes Dekker, waarin hij o. a. repliceert:... „Maar zoo werkelijk dat systeem van latere uitvinding is, dan komt niet mij, maar u zelven de eer dier uitvinding toe. Reeds op 7 April 1860 schreeft ge mij: „Het boek behoort u. Mag ik het vertalen?”

Hiermede hebben wij een beknopt maar volledig overzicht van het geding.

Nu komt, naar onze meening, de geheele zaak hierop neder: Indien de heer Van Lennep, Dekker’s meening deelende, dat er van den Havelaar een goedkoope en zooveel mogelijk te verspreiden uitgaaf in de wereld gezonden moest worden, opdat er zoo iets als een algemeen nationaal adres met honderdduizenden handteekeningen voorzien, aan de Kamers der Staten-Generaal of aan den Koning zou gezonden worden, en opdat er, mocht zulk een adresbeweging zonder de gewenschte uitwerking blijven, zelfs een burgeroorlog zou losbarsten (zie de brochure Swart Abrahamsz-Multatulidoor F. v. d. Goes), met het doel Dekker tot zulk een hoogen post te doen bevorderen, dat hij het bestuur der koloniën naar zijn inzicht kon hervormen;—indien de heer Van Lennep, van die meening zijnde, met Dekker afgesproken had, dat er een goedkoope uitgaaf zou komen; en hij later, van meening veranderd zijnde, om het ministerie te believen, waarmede hij toen op goeden voet was, de goedkoope uitgaaf heeft tegengehouden, daarvoor gebruik makende van een eigendomsbewijs, dat hij vroeger voor een formaliteit van ondergeschikt belang van den schrijver had gekregen;—indien het zóó met de zaak gesteld is, dan moet de heer Van Lennep veroordeeld worden.

Maar: zoo is het niet met de zaak gesteld. Wij nemen aan, dat de heer Van Lennep, omdat hij met het ministerie weêr vrede had gesloten, nuMax Havelaareenigszins in zijn macht wilde houden. Wij nemen aan, dat hij dáarvoor het bewijs van eigendom in handen wilde hebben, dat hij, om het gemakkelijk te krijgen, aan Dekker een onwaredoch in Dekker’s belang klinkende reden opgaf, waarom hij het moest hebben,—dan is hierin wel een zekere veinzerij te bespeuren, maar dan is dat daarom geen laaghartige bedriegerij, die een klad op iemand’s nagedachtenis kan werpen.

Wij herhalen: de quaestie is alléen of Van Lennep èn in Dekker’s belang èn in het belang van het nederlandsche volk een goedkoope uitgaaf wenschelijk achtte, en haar terughield om een bijreden, in casu om het ministerie te believen.

Van Lennep schrijft: „In confesso. Dat ik de acte van cessie gevraagd heb, om met een uitgever een kontrakt te kunnen sluiten, dat is volkomen waar, en, voeg ik er bij, volkomen natuurlijk.”

De uitgeefster der Brieven repliceert hierop: „Neen, natuurlijk is dat niet. De heer Van Lennep had hoogstens een volmacht van den auteur noodig om namens dezen een contract te sluiten met een uitgever. De heer Van Lennep wist als rechtsgeleerde natuurlijk zeer goed, dat daartoe geen acte van cessie vereischt werd.”

Zeer wel, dat is ook onze meening. De advokaat Feisser heeft in zijn brief aan Dekker volkomen gelijk, waar hij aantoont hoe listig het briefje, waarmede de heer Van Lennep de acte van cessie vroeg, is opgesteld. Van Lennep wist dat hij met Dekker voorzichtig moest omgaan, hij vond dat hij Dekker met ƒ1200.– voor de eerste uitgave goed betaalde (ook alheettehet verstrekken dier gelden niet betaling van het werk), hij wilde de macht overMax Havelaarin handen hebben,—en nu schreef hij een wat draaierig briefje om dat gedaan te krijgen, over welk briefje hij zich later vruchteloos poogde te verdedigen,—dat alles is heel eenvoudig. Daar Van Lennep een goedkoope uitgaaf noch in het belang van uitgever en schrijver, noch in het belang van het land achtte te zijn, hield hij die, door listig bedachte middelen, tegen. De uitgeefster der Brieven had in haar pleidooi eene uiting van den heer Van Lennep moeten kunnen bijbrengen, waarbij deze heer zich ten sterkste vóór een goedkoope uitgaaf verklaarde. Dan had zij haar zaak gewonnen; nú moet zij geachtworden haar, wat de hoofdzaak betreft, te hebben verloren.

Er is buitendien iets tegenstrijdigs in Dekker’s beweringen. Immers zijn éene bewering luidt, dat Van Lennep’s voorgeven eigenaar van ’t kopierecht te zijn, „van later datum en van later uitvinding” is; maar indien dát zoo ware, dan zou de beschuldiging als hadde de heer Van Lennep zijn briefje, waarin hij het cessiebewijs vraagt, met een niet daarin uitgedrukt doel geschreven, niet kunnen blijven bestaan. Het beweren eigenaar te zijn was niet van later datum en het briefje was met eene bijbedoeling geschreven, zóó is de waarheid.

Ook doet de uitgeefster, op grond van Dekker’s eigen mededeelingen natuurlijk, het voorkomen als hadd’ Dekker er zelf geen oogenblik aan gedacht, dat hij met dat bewijs van cessie af te geven het eigendomsrecht aan Van Lennep overdroeg. Zelfs Dekker’s volzin: „Het boek behoort u, mag ik het vertalen?” interpreteert zij als volgt:

„Ik, die Multatuli zoo goed kende in de exuberantie van zijn indrukken en uitingen,kan me denken hoe hij in April ’60, toen nog in de overmaat van zijn dankbaar en hartelijk gevoel voor Van Lennep, die vraag stelde met kinderlijk genot. Zeker, daar was een toespeling in op dat bewijsje van cessie, dat hij gegeven had, zonder erg. Ook deze vraag was spelerij. Een deftig toestemmend antwoord zou hem zeker wakker hebben gemaakt, maar nu... hij vond het prettig alle eigendom weg te werpen. Wat kwam het er ook op aan wien dat boek behoorde? Aan dien flinken vriend, aan dien trouwen helper Van Lennep, of aan hem, of aan beide? Wat deed het er toe? Was het niet gelijk? Ja, was ’t niet heerlijk dat boek, zijn boek, de eindvorm van zijn gedragen leed, zijnen trouwen bondgenoot toe te werpen als behoorde het hem?”

De uitgeefster heeft gelijk in hare beschouwing, maar ongelijk in de gevolgtrekking. Zeker, Dekker vond het pleizierig het eigendomsrecht weg te werpen, daarom deed hij het, en wist zeer goed wat hij deed. Hij deed het, hij stond het eigendomsrecht af omdat hij meende, dat Van Lennep juistzoo over zijn (Dekker’s) belang dacht en over het nederlandsche volk als Dekker daar zelf over dacht. Daarin vergiste hij zich, dit merkte hij toen het te laat was, en toen, in zijn ontsteltenis, zonder zich precies te herinneren hoe het gegaan was, riep hij uit, dat hij het eigendomsrecht nooit had afgestaan.

Nu wij de zaak Multatuli-Van Lennep van naderbij hebben bekeken en tot een besluit daaromtrent gekomen zijn, blijft ons, ter volledige kenschetsing van Dekker’s toestand, toen hij, in volle levensdrukte, plotseling „onder de menschen” was geplaatst, de vermelding van eenige buitensporige bijzonderheden over, die de gedachte doen ontstaan: met dien Dekker moesten nu ook álle zonderlinge dingen te gelijk gebeuren. De eerst te vermelden dier gebeurtenissen, moet tevens dienen om de bewering te staven, dat Dekker nagenoeg voortdurend zonder nagedachte en zelfbeheersching handelde.

In Juni 1860, kreeg Dekker, die te Rotterdam vertoefde, een brief van Van Lennep, waarin deze onder anderen een geval vertelde,dat hem een dier dagen was overkomen. Hij had namelijk op zekeren dag plotseling bezoek gekregen van... Barbier, den beroemden dichter derJambes, die om staatkundige reden uit Frankrijk verbannen was en nu, hulpbehoevend zijnde, hulp kwam vragen bij een Hollandschen kollega. Daar Van Lennep, zooals hij schreef, juist aan tafel was, kon hij tot zijn genoegen den armen kunstbroeder een kotelet en een glas wijn aanbieden. Bovendien gaf hij hem wat oude kleeren en eenig reisgeld om verder te gaan. Het was Barbier’s bedoeling zich naar Baden te begeven, waar hij hoopte vrienden te zullen aantreffen. Toen Dekker dit vernam, begon zijn bloed te koken. Hij was een vereerder van Barbier, wiensJambeszijn lievelingsgedichten waren; in gloed en kracht stelde hij Barbier bóven Victor Hugo. En dat het voorwerp zijner vurige bewondering een oude broek zou dragen, kon hij niet velen. Zonder zich te bedenken, zonder in ’t minst onderzoek in te stellen, wist hij dadelijk raad. Hij vraagt aan Tels, hoofdredakteur der Nieuwe Rotterdamsche Courant, waarhij hier ergens een lokaal zou kunnen krijgen. Tels verwijst hem naar het Notarishuis. Dekker brengt daar de zaak in orde en dien avond verschijnt in de courant eene advertentie, waarin Dekker het „fatsoenlijk Rotterdamsch publiek” uitnoodigt den volgenden middag in het Notarishuis bijeen te komen, tegen vrijen toegang. Om twee uur, den aangegeven tijd, kon Dekker waarnemen dat aan zijne oproeping zoo goed mogelijk gehoor was gegeven. Er was een volte, waardoor heen hij zich nauwelijks een weg kon banen. Dekker beklimt het spreekgestoelte, leest Van Lennep’s brief voor zonder den schrijver te noemen, en zegt: Mijne Heeren, ik kom u vragen u te vereenigen om iets voor dien armen grooten dichter te doen. Misschien kent gij hem niet. Dan zal ik zoo vrij zijn u hem te doen kennen. Daarop draagt hij het schoone fragment uit Barbier voor, waarin deze Napoléon vergelijkt bij een ruiter die zijn paard dooddrukt:

O Corse à cheveux plats, que ta France était belleAu grand soleil de messidor;C’était une cavale indomptable et rebelle.

O Corse à cheveux plats, que ta France était belle

Au grand soleil de messidor;

C’était une cavale indomptable et rebelle.

De uitgeefster der Brieven geeft dit citaat niet, doch wie kent deze regelen niet van buiten! Goed; na de voordracht neemt Dekker afscheid van het publiek. Tels doet hem opmerken, dat hij het ijzer had moeten smeden terwijl het heet was en van de geestdrift gebruik maken om een kollekte te houden; maar beiden zijn van gevoelen, dat dit verzuim nog verholpen kan worden. In de N. Rott. Crt. zal een bericht worden geplaatst, waarbij het bestuur zich bereid verklaart giften in ontvangst te nemen, die de menschen, welke onder Dekker’s gehoor zijn geweest, bereid mochten zijn voor het door Dekker besproken doel af te zonderen.

Nu keert Dekker terug naar zijn hôtel en een uur later komt er, buiten adem, een employé der N. Rott. Crt. binnengeloopen. Stotterend brengt hij uit: mijnheer, wij kunnen dat... dat bericht niet plaatsen. „Wat drommel wat is er dan met die zaak?” vraagt Dekker. En het bleek dat Barbier Barbier niet was, maar een valsche Barbier, een listige oplichter, die in België en Nederland, door zich uit te geven voor den dichter derJambes, menigen letterkundige reeds wat geld uit den zak had geklopt. Het was op een grappige manier uitgelekt. Onze Barbier had zich namelijk ook vervoegd bij den dichter Bogaers te Rotterdam, maar deze was ongelukkigerwijze... doof! In plaats van een kotelet, schrijft Dekker, bood hij Barbier een leitje aan, waarop deze zou gelieven te schrijven wat hij mede te deelen had. Toen heeft het schrift en de spelling onzen slimmerik verraden. Het gevolg was, dat de heer Bogaers informaties nam aan het konsulaat, en dat de valsche Barbier in allerijl de goede stad Rotterdam van zijn beminnelijke tegenwoordigheid bevrijdde.

Dekker maakte dus eigenlijk een mal figuur, maar hij merkte er weinig van, daar hij niet meer in aanraking kwam met zijn publiek van het Notarishuis.

De overige buitensporige bijzonderheden vallen meer voor in Multatuli’s omgang met het schoone geslacht. Daarom zullen wij de behandeling er van in ons nieuw hoofdstuk opnemen, over: Multatuli en de vrouwen.


Back to IndexNext