IV. POLEMIEK. KONKLUZIE.

IV. POLEMIEK. KONKLUZIE.Na de verschijning van Multatuli’s Brieven zijn er twee geschriften in het licht gekomen, in welke beide Multatuli’s nagedachtenis ten zeerste is betrokken. Het eene is de brochure, getiteldMultatulienSpiritisme(„naar de oorspronkelijke Handschriften uitgegeven door S. F. W. Roorda van Eysinga, Emeritus Predikant”), het andere is de brief over de uitgave der korrespondentie zijns vaders door den heer E. Douwes Dekker Junior, te Sarronno, gepubliceerd in een weekblad, deTribune, van 3 Maart 1891.De brochure over Multatuli en Spiritisme is een zonderlinge en niet weinig eigenaardige uitgave. De schrijver daarvan is ... Multatuli, namelijk Multatuli’s „geest”, die zich van de hand eens anderen bedient, om ons zijn laatste producten aan te bieden. Die andere wordt ons door den uitgever, den heer Roorda van Eysinga, voorgesteld als „een Nederlander, ernstig beoefenaar van het spiritisme, begaafd magnetizeur en schrijvend medium.” Forster is zijn verdichte naam, Manstede de pseudoniem van de stadzijner inwoning.MejuffrouwE. K. is eene begaafde clairvoyante, met wie hij werkt.Indien het waar was, dat de heer Forster het vermogen had om den geest van Douwes Dekker op te roepen en dien nieuwe gedachten te doen produceeren, zou dat een zaakje zijn, waarmede de heer Forster zich schatrijk zou kunnen maken. De heer Forster zal hier niet tegen aanvoeren, dat hij rijkdom minacht en er dus niet naar streven zal dien te verwerven, want wilde hij dien rijkdom dan niet ten zijnen persoonlijken bate aanwenden, dan kon hij, ijveraar voor het spiritisme als hij zich betoont, dien aanwenden om op groote schaal propaganda voor het spiritisme te maken, hij kon er voorts liefdadigheidsinstellingen mede stichten, enz.Indien de heer Forster ook nog andere geesten van overleden groote mannen kon oproepen, zou dat inderdaad in de eerste plaats de meest reëele onsterfelijkheid aan die mannen verzekeren en zoude op die wijze de onsterfelijkheid waarvan de dichters steeds gewagen op een verrassende, geheel onvoorziene, wijze waarheid blijken te zijn; in detweede plaats zou ons vaderland zich op deze unieke vinding van een zijner zonen kunnen verhoovaardigen, en de heer Forster zoude, als impressario van geesten van gestorven groote mannen, eene reis om de wereld kunnen doen, die hem weldra eene algemeene vermaardheid zoude doen verwerven. Hij zou buitendien niet eens voor honoraria of reiskosten voor de geesten behoeven te zorgen...De heer Forster intusschen, wiens goede trouw wij natuurlijk boven elken zweem van verdenking verheven achten, heeft zeer wel ingezien, dat hij met deze zaak de waardeering van velen voor het spiritisme,—waardeering van hen, die in het spiritisme gelooven, waardeering ook van de eenigszins reaktionaire moderne geleerden, die het spiritisme wetenschappelijk onderzocht willen zien—aan een gevaarlijke vuurproef onderwierp, waartegen zij alle kans had niet bestand te blijken. Immers, men kende Multatuli’s zeer van alle andere geesten verschillenden geest, zoo als die zich tijdens Multatuli’s stoffelijk leven uitte. Men haddus een zeker middel bij de hand om te kontroleeren, of het werkelijk Multatuli’s geest was, die in den heer Forster sprak en of de heer Forster niet de dupe was der grappen van den een of anderen schalkschen spotgeest. Hierop is de heer Forster bedacht geweest en de bezwaren, die tegen zijn stelsel zouden te berde worden gebracht ten gevolge der voor iederen lezer der brochure verblindend duidelijke waarheid, dat de in die brochure zich openbarende geest hoegenaamd niets gemeen heeft met Multatuli’s geest,—die bezwaren heeft hij van te voren meenen te weerleggen door een werkelijk niet weinig spitsvondig bedachte argumenteering. Het is de geest van Multatuli zelf, die deze argumenten ten beste geeft. Laat het u niet verwonderen, zegt hij ongeveer tot zijn medium Forster, dat gij in wat ik u thans dikteer, mijn eigenaardigen stijl en uitdrukkingswijze mist. De oorzaak daarvan is, dat ik nu niet meer het tot mijn stoffelijk omhulsel behoorend instrument tot mijn beschikking heb, dat mij als mensch diende om mijne gedachten te vertolken.Ik bedien mij thans van úw hersenen, van úw instrument, vandaar dat mijn gedachten thans geheel anders klinken dan voorheen. Men moet dit vergelijken bij een zelfde door zekeren komponist ontworpen melodie, die op een orgel of piano gespeeld geheel anders klinkt dan op een viool of fluit. Men behoort dus, zegt de geest, alleen acht te geven op de essence van het medegedeelde.Ons komt het evenwel voor, dat deze argumentatie, in weêrwil harer oogenschijnlijk bewijzende kracht, geen steek houdt, want juist de essence, de gedachte op zich zelve, van Multatuli’s geest, was zoo bijzonder en eigenaardig, dat wij haar zouden herkennen van welk herseninstrument zij zich ook mocht bedienen om tot uiting te komen. Wij herkennen immers in de geschriften der Multatulianen,—in die van den heer Engelbert de Chateleux b.v.—onmiddellijk den geest van Multatuli, hoe zeer van het zijne verschillend het instrument ook is, dat hem ten gehoore brengt?... De gevolgtrekking ligt voor de hand, dat, daar juist de essence van hetgeen de aan den heer Forster verschenengeest vertelt geheel en al verschillend is van de essence van Multatuli’s gedachten, slechts deze twee gevallen mogelijk zijn: òf de heer Forster is beetgenomen door een dier ondeugende gnomen, gelijk er zoovelen door het heelal rondzwerven en die zich onder den naam Douwes Dekker bij hem heeft aangediend, òf de essence van Multatuli’s gedachten is veranderd. En in het laatste geval is het onmogelijk te kontroleeren of het werkelijk Multatuli is, die zich aan den heer Forster heeft geopenbaard.De geheel éénige gelegenheid om de pretentiën van het spiritisme te toetsen heeft dus geenerlei resultaat opgeleverd. Als de heer Forster niet anders tot onze kennis brengt dan eenige ouderwetsche godsdienstvoorstellingen, vermengd met een weinig natuurkunde, uit een vulgarisatie-werk opgedaan, en geuit in den eersten stijl den besten, ons daarbij verzekerende, dat het Multatuli is, die zoo schrijft met eens anders hand, dat wij hem wel aan niets herkennen, maar dat Multatuli’s algeheele verandering daarvan de oorzaak is, nu ja, dan heeft hijnatuurlijk goed praten. Maak dat nu maar eens uit.Daarom zeggen wij: door een vlugschrift als dit wint de bewering der spiritisten geenszins aan waarschijnlijkheid; doch wordt hare geloofwaardigheid er integendeel eerder door geschaad dan gebaat.De heer Forster schijnt eene benijdenswaardige zekerheid te hebben omtrent het goed recht van zijn zaak. Hij is zoo zeker van hetgeen zijne mededeelingen zullen uitwerken, dat hij met eenigen overmoed de door den geest Douwes Dekker gevulde bladzijden doet voorafgaan door een uitspraak door Dekker bij zijn leven over het spiritisme gedaan. Zij is vervat in een brief dien Dekker in 1876 aan den heer Forster schreef. Hij zegt daarin o.a.:„Een schoonzuster van me, die zich geheel en al aan spiritisme wijdde en die NB. op velerlei gebied ’n heftige tegenstandster van mij was, zóó zelfs dat ik vele jaren lang taal noch teeken van haar ontving, schreef me op eens dat „de geesten” (wie weet ik niet) haar gezegd hadden:„Multatuli is ’n apostel der waarheid.”Ik antwoordde: „in m’n hoedanigheid van apostel der waarheid ontken ik ’t bestaan van geesten.”Nooit heb ik vernomen hoe „de geesten” zich gered hebben uit het (cretenser leugenaars-) dilemma, dat hieruit voortspruit.”En daarna volgen dan de veertig, door Multatuli’s geest den heer Forster voorgezegde, bladzijden, waarin hij bovenstaanden uitval geheel en al terugneemt en begint met te zeggen, dat het spiritisme de eenvoudigste zaak ter wereld is en gelijk staat met tweemaal twee is gelijk vier. Vervolgens beschrijft Multatuli zijn verbranding in den lijkoven en zijne lotgevallen in hoogere gewesten. Daarbij keurt hij de meeste zijner levenshandelingen van vroeger nu ten sterkste af en neemt het meeste terug van al wat hij geschreven heeft. Hij vindt zijn leven nu één leugen, ééne komedievertooning, en zijne geschriften zeer slecht van strekking. Toen wij lazen van zijne ontmoeting met Tine in de geestenwereld, vroegen wij ons onwillekeurig af, hoe het gaan moet als al de anderegeliefde vrouwen daar later ook bij zullen komen. Van monogamische liefdesbegrippen schijnt in de geestenwereld ook al heel weinig meer over te blijven. Het einde der mededeelingen is, dat Multatuli’s geest nogmaals geïnkarneerd zal worden en wel in een jongeling, die goed zal maken wat Multatuli vroeger als volwassen man misdreven heeft...Wij herhalen, wij kunnen in dit alles niet anders zien dan eene onschuldige tijdpasseering voor goedgeloovige geestenbezweerders. Wel moge het hun bekomen, zouden wij zeggen.De brief van den jongen Eduard Douwes Dekker is ook een eigenaardig dokument.Het schijnt wel dat de nagedachtenis van Multatuli een even rumoerig lot moet hebben als gedurende zijn leven Multatuli’s deel is geweest. Dat wil maar niet tot rust komen. De opschudding door dezen held met zijn geweldige ziel in het rustige vaderland veroorzaakt, duurt nog maar steeds voort.De jonge Dekker behandelt in dien zeer onbezadigd gestelden brief zijne stiefmoederop alles behalve eerbiedige wijze. Hij verhaalt hoe zijn vader háar alles (!) bij testament gemaakt heeft, dat zij daarom ook het recht tot de uitgave der Brieven meent te hebben, dat hij er aan wanhoopt om, mocht hij de zaak voor een Nederlandsche rechtbank brengen, door de rechters in ’t gelijk gesteld te worden, en dat hij derhalve de zaak maar voor die rechtbank zal brengen, waarvan zijn vader ook zoo dikwijls gebruik heeft gemaakt, namelijk de rechtbank der openbare meening.Il faut laver son linge sale en famille, zegt het spreekwoord. Zelden werd dit spreekwoord zoo weinig in toepassing gebracht als door Dekker’s familie, zelden werd een vuile wasch zoo volledig in ’t publiek behandeld. Wij vernemen ook dat Tine’s familie „een en al verontwaardiging” is. Nu, dit is geen wonder, de Van Wijnbergens, de Van Heeckerens, enz. maken in die Brieven niet juist een bijzonder luisterrijk figuur.Wat echter de voornaamste grief van Multatuli’s vereerders tegen de uitgeefsterder Brieven aangaat, luidende dat zij haar man op die wijze „van zijn voetstuk haalt”—hiermede kan men zich, dunkt ons, niet vereenigen. Het zoude een weinig soliede voetstuk genoemd moeten worden, dat smelten zou in het licht door de Brieven op Multatuli’s leven en karakter geworpen. Neen, in deze voelen wij ons genoopt ons geheel aan de zijde der uitgeefster te scharen, die zeer juist heeft ingezien, dat het eene zwakke en verwerpelijke vereering is, een vereering op wier bestaan men niet den minsten prijs behoeft te stellen,—die door de lektuur der Brieven zou verminderen. Zouden wij dan omtrent sommige zaken in Multatuli’s leven in dwaling moeten verkeeren of in het onzekere moeten gelaten worden, om Multatuli de achting en de bewondering te blijven schenken, waarop hij recht heeft bij de gratie van zijn ontzaglijk talent? Is het niet beter dat wij hem ook van de klein-menschelijke zijde leeren kennen? Zullen wij hem niet inniger waardeeren en waarachtiger liefhebben indien wij den echten mensch in hem zien, die bij al zijngrootheid toch steeds mensch bleef en als mensch ook zijne zwakheden had;—dan indien wij hem als een soort van onnatuurlijken half-god moesten beschouwen?Neen zeker, de bewondering en liefde, die op halve kennis berusten, kunnen nooit de ware en aanbevelenswaardige zijn.Daarom herhalen wij den bij den aanvang dezer beschouwing aan mevrouw Douwes Dekker geboren Hamminck Schepel gebrachten dank, voor den belangrijken dienst, welken zij met de uitgave dezer Brieven aan de Nederlandsche Letteren heeft bewezen.Jan.–Maart. 1891.

IV. POLEMIEK. KONKLUZIE.Na de verschijning van Multatuli’s Brieven zijn er twee geschriften in het licht gekomen, in welke beide Multatuli’s nagedachtenis ten zeerste is betrokken. Het eene is de brochure, getiteldMultatulienSpiritisme(„naar de oorspronkelijke Handschriften uitgegeven door S. F. W. Roorda van Eysinga, Emeritus Predikant”), het andere is de brief over de uitgave der korrespondentie zijns vaders door den heer E. Douwes Dekker Junior, te Sarronno, gepubliceerd in een weekblad, deTribune, van 3 Maart 1891.De brochure over Multatuli en Spiritisme is een zonderlinge en niet weinig eigenaardige uitgave. De schrijver daarvan is ... Multatuli, namelijk Multatuli’s „geest”, die zich van de hand eens anderen bedient, om ons zijn laatste producten aan te bieden. Die andere wordt ons door den uitgever, den heer Roorda van Eysinga, voorgesteld als „een Nederlander, ernstig beoefenaar van het spiritisme, begaafd magnetizeur en schrijvend medium.” Forster is zijn verdichte naam, Manstede de pseudoniem van de stadzijner inwoning.MejuffrouwE. K. is eene begaafde clairvoyante, met wie hij werkt.Indien het waar was, dat de heer Forster het vermogen had om den geest van Douwes Dekker op te roepen en dien nieuwe gedachten te doen produceeren, zou dat een zaakje zijn, waarmede de heer Forster zich schatrijk zou kunnen maken. De heer Forster zal hier niet tegen aanvoeren, dat hij rijkdom minacht en er dus niet naar streven zal dien te verwerven, want wilde hij dien rijkdom dan niet ten zijnen persoonlijken bate aanwenden, dan kon hij, ijveraar voor het spiritisme als hij zich betoont, dien aanwenden om op groote schaal propaganda voor het spiritisme te maken, hij kon er voorts liefdadigheidsinstellingen mede stichten, enz.Indien de heer Forster ook nog andere geesten van overleden groote mannen kon oproepen, zou dat inderdaad in de eerste plaats de meest reëele onsterfelijkheid aan die mannen verzekeren en zoude op die wijze de onsterfelijkheid waarvan de dichters steeds gewagen op een verrassende, geheel onvoorziene, wijze waarheid blijken te zijn; in detweede plaats zou ons vaderland zich op deze unieke vinding van een zijner zonen kunnen verhoovaardigen, en de heer Forster zoude, als impressario van geesten van gestorven groote mannen, eene reis om de wereld kunnen doen, die hem weldra eene algemeene vermaardheid zoude doen verwerven. Hij zou buitendien niet eens voor honoraria of reiskosten voor de geesten behoeven te zorgen...De heer Forster intusschen, wiens goede trouw wij natuurlijk boven elken zweem van verdenking verheven achten, heeft zeer wel ingezien, dat hij met deze zaak de waardeering van velen voor het spiritisme,—waardeering van hen, die in het spiritisme gelooven, waardeering ook van de eenigszins reaktionaire moderne geleerden, die het spiritisme wetenschappelijk onderzocht willen zien—aan een gevaarlijke vuurproef onderwierp, waartegen zij alle kans had niet bestand te blijken. Immers, men kende Multatuli’s zeer van alle andere geesten verschillenden geest, zoo als die zich tijdens Multatuli’s stoffelijk leven uitte. Men haddus een zeker middel bij de hand om te kontroleeren, of het werkelijk Multatuli’s geest was, die in den heer Forster sprak en of de heer Forster niet de dupe was der grappen van den een of anderen schalkschen spotgeest. Hierop is de heer Forster bedacht geweest en de bezwaren, die tegen zijn stelsel zouden te berde worden gebracht ten gevolge der voor iederen lezer der brochure verblindend duidelijke waarheid, dat de in die brochure zich openbarende geest hoegenaamd niets gemeen heeft met Multatuli’s geest,—die bezwaren heeft hij van te voren meenen te weerleggen door een werkelijk niet weinig spitsvondig bedachte argumenteering. Het is de geest van Multatuli zelf, die deze argumenten ten beste geeft. Laat het u niet verwonderen, zegt hij ongeveer tot zijn medium Forster, dat gij in wat ik u thans dikteer, mijn eigenaardigen stijl en uitdrukkingswijze mist. De oorzaak daarvan is, dat ik nu niet meer het tot mijn stoffelijk omhulsel behoorend instrument tot mijn beschikking heb, dat mij als mensch diende om mijne gedachten te vertolken.Ik bedien mij thans van úw hersenen, van úw instrument, vandaar dat mijn gedachten thans geheel anders klinken dan voorheen. Men moet dit vergelijken bij een zelfde door zekeren komponist ontworpen melodie, die op een orgel of piano gespeeld geheel anders klinkt dan op een viool of fluit. Men behoort dus, zegt de geest, alleen acht te geven op de essence van het medegedeelde.Ons komt het evenwel voor, dat deze argumentatie, in weêrwil harer oogenschijnlijk bewijzende kracht, geen steek houdt, want juist de essence, de gedachte op zich zelve, van Multatuli’s geest, was zoo bijzonder en eigenaardig, dat wij haar zouden herkennen van welk herseninstrument zij zich ook mocht bedienen om tot uiting te komen. Wij herkennen immers in de geschriften der Multatulianen,—in die van den heer Engelbert de Chateleux b.v.—onmiddellijk den geest van Multatuli, hoe zeer van het zijne verschillend het instrument ook is, dat hem ten gehoore brengt?... De gevolgtrekking ligt voor de hand, dat, daar juist de essence van hetgeen de aan den heer Forster verschenengeest vertelt geheel en al verschillend is van de essence van Multatuli’s gedachten, slechts deze twee gevallen mogelijk zijn: òf de heer Forster is beetgenomen door een dier ondeugende gnomen, gelijk er zoovelen door het heelal rondzwerven en die zich onder den naam Douwes Dekker bij hem heeft aangediend, òf de essence van Multatuli’s gedachten is veranderd. En in het laatste geval is het onmogelijk te kontroleeren of het werkelijk Multatuli is, die zich aan den heer Forster heeft geopenbaard.De geheel éénige gelegenheid om de pretentiën van het spiritisme te toetsen heeft dus geenerlei resultaat opgeleverd. Als de heer Forster niet anders tot onze kennis brengt dan eenige ouderwetsche godsdienstvoorstellingen, vermengd met een weinig natuurkunde, uit een vulgarisatie-werk opgedaan, en geuit in den eersten stijl den besten, ons daarbij verzekerende, dat het Multatuli is, die zoo schrijft met eens anders hand, dat wij hem wel aan niets herkennen, maar dat Multatuli’s algeheele verandering daarvan de oorzaak is, nu ja, dan heeft hijnatuurlijk goed praten. Maak dat nu maar eens uit.Daarom zeggen wij: door een vlugschrift als dit wint de bewering der spiritisten geenszins aan waarschijnlijkheid; doch wordt hare geloofwaardigheid er integendeel eerder door geschaad dan gebaat.De heer Forster schijnt eene benijdenswaardige zekerheid te hebben omtrent het goed recht van zijn zaak. Hij is zoo zeker van hetgeen zijne mededeelingen zullen uitwerken, dat hij met eenigen overmoed de door den geest Douwes Dekker gevulde bladzijden doet voorafgaan door een uitspraak door Dekker bij zijn leven over het spiritisme gedaan. Zij is vervat in een brief dien Dekker in 1876 aan den heer Forster schreef. Hij zegt daarin o.a.:„Een schoonzuster van me, die zich geheel en al aan spiritisme wijdde en die NB. op velerlei gebied ’n heftige tegenstandster van mij was, zóó zelfs dat ik vele jaren lang taal noch teeken van haar ontving, schreef me op eens dat „de geesten” (wie weet ik niet) haar gezegd hadden:„Multatuli is ’n apostel der waarheid.”Ik antwoordde: „in m’n hoedanigheid van apostel der waarheid ontken ik ’t bestaan van geesten.”Nooit heb ik vernomen hoe „de geesten” zich gered hebben uit het (cretenser leugenaars-) dilemma, dat hieruit voortspruit.”En daarna volgen dan de veertig, door Multatuli’s geest den heer Forster voorgezegde, bladzijden, waarin hij bovenstaanden uitval geheel en al terugneemt en begint met te zeggen, dat het spiritisme de eenvoudigste zaak ter wereld is en gelijk staat met tweemaal twee is gelijk vier. Vervolgens beschrijft Multatuli zijn verbranding in den lijkoven en zijne lotgevallen in hoogere gewesten. Daarbij keurt hij de meeste zijner levenshandelingen van vroeger nu ten sterkste af en neemt het meeste terug van al wat hij geschreven heeft. Hij vindt zijn leven nu één leugen, ééne komedievertooning, en zijne geschriften zeer slecht van strekking. Toen wij lazen van zijne ontmoeting met Tine in de geestenwereld, vroegen wij ons onwillekeurig af, hoe het gaan moet als al de anderegeliefde vrouwen daar later ook bij zullen komen. Van monogamische liefdesbegrippen schijnt in de geestenwereld ook al heel weinig meer over te blijven. Het einde der mededeelingen is, dat Multatuli’s geest nogmaals geïnkarneerd zal worden en wel in een jongeling, die goed zal maken wat Multatuli vroeger als volwassen man misdreven heeft...Wij herhalen, wij kunnen in dit alles niet anders zien dan eene onschuldige tijdpasseering voor goedgeloovige geestenbezweerders. Wel moge het hun bekomen, zouden wij zeggen.De brief van den jongen Eduard Douwes Dekker is ook een eigenaardig dokument.Het schijnt wel dat de nagedachtenis van Multatuli een even rumoerig lot moet hebben als gedurende zijn leven Multatuli’s deel is geweest. Dat wil maar niet tot rust komen. De opschudding door dezen held met zijn geweldige ziel in het rustige vaderland veroorzaakt, duurt nog maar steeds voort.De jonge Dekker behandelt in dien zeer onbezadigd gestelden brief zijne stiefmoederop alles behalve eerbiedige wijze. Hij verhaalt hoe zijn vader háar alles (!) bij testament gemaakt heeft, dat zij daarom ook het recht tot de uitgave der Brieven meent te hebben, dat hij er aan wanhoopt om, mocht hij de zaak voor een Nederlandsche rechtbank brengen, door de rechters in ’t gelijk gesteld te worden, en dat hij derhalve de zaak maar voor die rechtbank zal brengen, waarvan zijn vader ook zoo dikwijls gebruik heeft gemaakt, namelijk de rechtbank der openbare meening.Il faut laver son linge sale en famille, zegt het spreekwoord. Zelden werd dit spreekwoord zoo weinig in toepassing gebracht als door Dekker’s familie, zelden werd een vuile wasch zoo volledig in ’t publiek behandeld. Wij vernemen ook dat Tine’s familie „een en al verontwaardiging” is. Nu, dit is geen wonder, de Van Wijnbergens, de Van Heeckerens, enz. maken in die Brieven niet juist een bijzonder luisterrijk figuur.Wat echter de voornaamste grief van Multatuli’s vereerders tegen de uitgeefsterder Brieven aangaat, luidende dat zij haar man op die wijze „van zijn voetstuk haalt”—hiermede kan men zich, dunkt ons, niet vereenigen. Het zoude een weinig soliede voetstuk genoemd moeten worden, dat smelten zou in het licht door de Brieven op Multatuli’s leven en karakter geworpen. Neen, in deze voelen wij ons genoopt ons geheel aan de zijde der uitgeefster te scharen, die zeer juist heeft ingezien, dat het eene zwakke en verwerpelijke vereering is, een vereering op wier bestaan men niet den minsten prijs behoeft te stellen,—die door de lektuur der Brieven zou verminderen. Zouden wij dan omtrent sommige zaken in Multatuli’s leven in dwaling moeten verkeeren of in het onzekere moeten gelaten worden, om Multatuli de achting en de bewondering te blijven schenken, waarop hij recht heeft bij de gratie van zijn ontzaglijk talent? Is het niet beter dat wij hem ook van de klein-menschelijke zijde leeren kennen? Zullen wij hem niet inniger waardeeren en waarachtiger liefhebben indien wij den echten mensch in hem zien, die bij al zijngrootheid toch steeds mensch bleef en als mensch ook zijne zwakheden had;—dan indien wij hem als een soort van onnatuurlijken half-god moesten beschouwen?Neen zeker, de bewondering en liefde, die op halve kennis berusten, kunnen nooit de ware en aanbevelenswaardige zijn.Daarom herhalen wij den bij den aanvang dezer beschouwing aan mevrouw Douwes Dekker geboren Hamminck Schepel gebrachten dank, voor den belangrijken dienst, welken zij met de uitgave dezer Brieven aan de Nederlandsche Letteren heeft bewezen.Jan.–Maart. 1891.

IV. POLEMIEK. KONKLUZIE.

Na de verschijning van Multatuli’s Brieven zijn er twee geschriften in het licht gekomen, in welke beide Multatuli’s nagedachtenis ten zeerste is betrokken. Het eene is de brochure, getiteldMultatulienSpiritisme(„naar de oorspronkelijke Handschriften uitgegeven door S. F. W. Roorda van Eysinga, Emeritus Predikant”), het andere is de brief over de uitgave der korrespondentie zijns vaders door den heer E. Douwes Dekker Junior, te Sarronno, gepubliceerd in een weekblad, deTribune, van 3 Maart 1891.De brochure over Multatuli en Spiritisme is een zonderlinge en niet weinig eigenaardige uitgave. De schrijver daarvan is ... Multatuli, namelijk Multatuli’s „geest”, die zich van de hand eens anderen bedient, om ons zijn laatste producten aan te bieden. Die andere wordt ons door den uitgever, den heer Roorda van Eysinga, voorgesteld als „een Nederlander, ernstig beoefenaar van het spiritisme, begaafd magnetizeur en schrijvend medium.” Forster is zijn verdichte naam, Manstede de pseudoniem van de stadzijner inwoning.MejuffrouwE. K. is eene begaafde clairvoyante, met wie hij werkt.Indien het waar was, dat de heer Forster het vermogen had om den geest van Douwes Dekker op te roepen en dien nieuwe gedachten te doen produceeren, zou dat een zaakje zijn, waarmede de heer Forster zich schatrijk zou kunnen maken. De heer Forster zal hier niet tegen aanvoeren, dat hij rijkdom minacht en er dus niet naar streven zal dien te verwerven, want wilde hij dien rijkdom dan niet ten zijnen persoonlijken bate aanwenden, dan kon hij, ijveraar voor het spiritisme als hij zich betoont, dien aanwenden om op groote schaal propaganda voor het spiritisme te maken, hij kon er voorts liefdadigheidsinstellingen mede stichten, enz.Indien de heer Forster ook nog andere geesten van overleden groote mannen kon oproepen, zou dat inderdaad in de eerste plaats de meest reëele onsterfelijkheid aan die mannen verzekeren en zoude op die wijze de onsterfelijkheid waarvan de dichters steeds gewagen op een verrassende, geheel onvoorziene, wijze waarheid blijken te zijn; in detweede plaats zou ons vaderland zich op deze unieke vinding van een zijner zonen kunnen verhoovaardigen, en de heer Forster zoude, als impressario van geesten van gestorven groote mannen, eene reis om de wereld kunnen doen, die hem weldra eene algemeene vermaardheid zoude doen verwerven. Hij zou buitendien niet eens voor honoraria of reiskosten voor de geesten behoeven te zorgen...De heer Forster intusschen, wiens goede trouw wij natuurlijk boven elken zweem van verdenking verheven achten, heeft zeer wel ingezien, dat hij met deze zaak de waardeering van velen voor het spiritisme,—waardeering van hen, die in het spiritisme gelooven, waardeering ook van de eenigszins reaktionaire moderne geleerden, die het spiritisme wetenschappelijk onderzocht willen zien—aan een gevaarlijke vuurproef onderwierp, waartegen zij alle kans had niet bestand te blijken. Immers, men kende Multatuli’s zeer van alle andere geesten verschillenden geest, zoo als die zich tijdens Multatuli’s stoffelijk leven uitte. Men haddus een zeker middel bij de hand om te kontroleeren, of het werkelijk Multatuli’s geest was, die in den heer Forster sprak en of de heer Forster niet de dupe was der grappen van den een of anderen schalkschen spotgeest. Hierop is de heer Forster bedacht geweest en de bezwaren, die tegen zijn stelsel zouden te berde worden gebracht ten gevolge der voor iederen lezer der brochure verblindend duidelijke waarheid, dat de in die brochure zich openbarende geest hoegenaamd niets gemeen heeft met Multatuli’s geest,—die bezwaren heeft hij van te voren meenen te weerleggen door een werkelijk niet weinig spitsvondig bedachte argumenteering. Het is de geest van Multatuli zelf, die deze argumenten ten beste geeft. Laat het u niet verwonderen, zegt hij ongeveer tot zijn medium Forster, dat gij in wat ik u thans dikteer, mijn eigenaardigen stijl en uitdrukkingswijze mist. De oorzaak daarvan is, dat ik nu niet meer het tot mijn stoffelijk omhulsel behoorend instrument tot mijn beschikking heb, dat mij als mensch diende om mijne gedachten te vertolken.Ik bedien mij thans van úw hersenen, van úw instrument, vandaar dat mijn gedachten thans geheel anders klinken dan voorheen. Men moet dit vergelijken bij een zelfde door zekeren komponist ontworpen melodie, die op een orgel of piano gespeeld geheel anders klinkt dan op een viool of fluit. Men behoort dus, zegt de geest, alleen acht te geven op de essence van het medegedeelde.Ons komt het evenwel voor, dat deze argumentatie, in weêrwil harer oogenschijnlijk bewijzende kracht, geen steek houdt, want juist de essence, de gedachte op zich zelve, van Multatuli’s geest, was zoo bijzonder en eigenaardig, dat wij haar zouden herkennen van welk herseninstrument zij zich ook mocht bedienen om tot uiting te komen. Wij herkennen immers in de geschriften der Multatulianen,—in die van den heer Engelbert de Chateleux b.v.—onmiddellijk den geest van Multatuli, hoe zeer van het zijne verschillend het instrument ook is, dat hem ten gehoore brengt?... De gevolgtrekking ligt voor de hand, dat, daar juist de essence van hetgeen de aan den heer Forster verschenengeest vertelt geheel en al verschillend is van de essence van Multatuli’s gedachten, slechts deze twee gevallen mogelijk zijn: òf de heer Forster is beetgenomen door een dier ondeugende gnomen, gelijk er zoovelen door het heelal rondzwerven en die zich onder den naam Douwes Dekker bij hem heeft aangediend, òf de essence van Multatuli’s gedachten is veranderd. En in het laatste geval is het onmogelijk te kontroleeren of het werkelijk Multatuli is, die zich aan den heer Forster heeft geopenbaard.De geheel éénige gelegenheid om de pretentiën van het spiritisme te toetsen heeft dus geenerlei resultaat opgeleverd. Als de heer Forster niet anders tot onze kennis brengt dan eenige ouderwetsche godsdienstvoorstellingen, vermengd met een weinig natuurkunde, uit een vulgarisatie-werk opgedaan, en geuit in den eersten stijl den besten, ons daarbij verzekerende, dat het Multatuli is, die zoo schrijft met eens anders hand, dat wij hem wel aan niets herkennen, maar dat Multatuli’s algeheele verandering daarvan de oorzaak is, nu ja, dan heeft hijnatuurlijk goed praten. Maak dat nu maar eens uit.Daarom zeggen wij: door een vlugschrift als dit wint de bewering der spiritisten geenszins aan waarschijnlijkheid; doch wordt hare geloofwaardigheid er integendeel eerder door geschaad dan gebaat.De heer Forster schijnt eene benijdenswaardige zekerheid te hebben omtrent het goed recht van zijn zaak. Hij is zoo zeker van hetgeen zijne mededeelingen zullen uitwerken, dat hij met eenigen overmoed de door den geest Douwes Dekker gevulde bladzijden doet voorafgaan door een uitspraak door Dekker bij zijn leven over het spiritisme gedaan. Zij is vervat in een brief dien Dekker in 1876 aan den heer Forster schreef. Hij zegt daarin o.a.:„Een schoonzuster van me, die zich geheel en al aan spiritisme wijdde en die NB. op velerlei gebied ’n heftige tegenstandster van mij was, zóó zelfs dat ik vele jaren lang taal noch teeken van haar ontving, schreef me op eens dat „de geesten” (wie weet ik niet) haar gezegd hadden:„Multatuli is ’n apostel der waarheid.”Ik antwoordde: „in m’n hoedanigheid van apostel der waarheid ontken ik ’t bestaan van geesten.”Nooit heb ik vernomen hoe „de geesten” zich gered hebben uit het (cretenser leugenaars-) dilemma, dat hieruit voortspruit.”En daarna volgen dan de veertig, door Multatuli’s geest den heer Forster voorgezegde, bladzijden, waarin hij bovenstaanden uitval geheel en al terugneemt en begint met te zeggen, dat het spiritisme de eenvoudigste zaak ter wereld is en gelijk staat met tweemaal twee is gelijk vier. Vervolgens beschrijft Multatuli zijn verbranding in den lijkoven en zijne lotgevallen in hoogere gewesten. Daarbij keurt hij de meeste zijner levenshandelingen van vroeger nu ten sterkste af en neemt het meeste terug van al wat hij geschreven heeft. Hij vindt zijn leven nu één leugen, ééne komedievertooning, en zijne geschriften zeer slecht van strekking. Toen wij lazen van zijne ontmoeting met Tine in de geestenwereld, vroegen wij ons onwillekeurig af, hoe het gaan moet als al de anderegeliefde vrouwen daar later ook bij zullen komen. Van monogamische liefdesbegrippen schijnt in de geestenwereld ook al heel weinig meer over te blijven. Het einde der mededeelingen is, dat Multatuli’s geest nogmaals geïnkarneerd zal worden en wel in een jongeling, die goed zal maken wat Multatuli vroeger als volwassen man misdreven heeft...Wij herhalen, wij kunnen in dit alles niet anders zien dan eene onschuldige tijdpasseering voor goedgeloovige geestenbezweerders. Wel moge het hun bekomen, zouden wij zeggen.De brief van den jongen Eduard Douwes Dekker is ook een eigenaardig dokument.Het schijnt wel dat de nagedachtenis van Multatuli een even rumoerig lot moet hebben als gedurende zijn leven Multatuli’s deel is geweest. Dat wil maar niet tot rust komen. De opschudding door dezen held met zijn geweldige ziel in het rustige vaderland veroorzaakt, duurt nog maar steeds voort.De jonge Dekker behandelt in dien zeer onbezadigd gestelden brief zijne stiefmoederop alles behalve eerbiedige wijze. Hij verhaalt hoe zijn vader háar alles (!) bij testament gemaakt heeft, dat zij daarom ook het recht tot de uitgave der Brieven meent te hebben, dat hij er aan wanhoopt om, mocht hij de zaak voor een Nederlandsche rechtbank brengen, door de rechters in ’t gelijk gesteld te worden, en dat hij derhalve de zaak maar voor die rechtbank zal brengen, waarvan zijn vader ook zoo dikwijls gebruik heeft gemaakt, namelijk de rechtbank der openbare meening.Il faut laver son linge sale en famille, zegt het spreekwoord. Zelden werd dit spreekwoord zoo weinig in toepassing gebracht als door Dekker’s familie, zelden werd een vuile wasch zoo volledig in ’t publiek behandeld. Wij vernemen ook dat Tine’s familie „een en al verontwaardiging” is. Nu, dit is geen wonder, de Van Wijnbergens, de Van Heeckerens, enz. maken in die Brieven niet juist een bijzonder luisterrijk figuur.Wat echter de voornaamste grief van Multatuli’s vereerders tegen de uitgeefsterder Brieven aangaat, luidende dat zij haar man op die wijze „van zijn voetstuk haalt”—hiermede kan men zich, dunkt ons, niet vereenigen. Het zoude een weinig soliede voetstuk genoemd moeten worden, dat smelten zou in het licht door de Brieven op Multatuli’s leven en karakter geworpen. Neen, in deze voelen wij ons genoopt ons geheel aan de zijde der uitgeefster te scharen, die zeer juist heeft ingezien, dat het eene zwakke en verwerpelijke vereering is, een vereering op wier bestaan men niet den minsten prijs behoeft te stellen,—die door de lektuur der Brieven zou verminderen. Zouden wij dan omtrent sommige zaken in Multatuli’s leven in dwaling moeten verkeeren of in het onzekere moeten gelaten worden, om Multatuli de achting en de bewondering te blijven schenken, waarop hij recht heeft bij de gratie van zijn ontzaglijk talent? Is het niet beter dat wij hem ook van de klein-menschelijke zijde leeren kennen? Zullen wij hem niet inniger waardeeren en waarachtiger liefhebben indien wij den echten mensch in hem zien, die bij al zijngrootheid toch steeds mensch bleef en als mensch ook zijne zwakheden had;—dan indien wij hem als een soort van onnatuurlijken half-god moesten beschouwen?Neen zeker, de bewondering en liefde, die op halve kennis berusten, kunnen nooit de ware en aanbevelenswaardige zijn.Daarom herhalen wij den bij den aanvang dezer beschouwing aan mevrouw Douwes Dekker geboren Hamminck Schepel gebrachten dank, voor den belangrijken dienst, welken zij met de uitgave dezer Brieven aan de Nederlandsche Letteren heeft bewezen.Jan.–Maart. 1891.

Na de verschijning van Multatuli’s Brieven zijn er twee geschriften in het licht gekomen, in welke beide Multatuli’s nagedachtenis ten zeerste is betrokken. Het eene is de brochure, getiteldMultatulienSpiritisme(„naar de oorspronkelijke Handschriften uitgegeven door S. F. W. Roorda van Eysinga, Emeritus Predikant”), het andere is de brief over de uitgave der korrespondentie zijns vaders door den heer E. Douwes Dekker Junior, te Sarronno, gepubliceerd in een weekblad, deTribune, van 3 Maart 1891.

De brochure over Multatuli en Spiritisme is een zonderlinge en niet weinig eigenaardige uitgave. De schrijver daarvan is ... Multatuli, namelijk Multatuli’s „geest”, die zich van de hand eens anderen bedient, om ons zijn laatste producten aan te bieden. Die andere wordt ons door den uitgever, den heer Roorda van Eysinga, voorgesteld als „een Nederlander, ernstig beoefenaar van het spiritisme, begaafd magnetizeur en schrijvend medium.” Forster is zijn verdichte naam, Manstede de pseudoniem van de stadzijner inwoning.MejuffrouwE. K. is eene begaafde clairvoyante, met wie hij werkt.

Indien het waar was, dat de heer Forster het vermogen had om den geest van Douwes Dekker op te roepen en dien nieuwe gedachten te doen produceeren, zou dat een zaakje zijn, waarmede de heer Forster zich schatrijk zou kunnen maken. De heer Forster zal hier niet tegen aanvoeren, dat hij rijkdom minacht en er dus niet naar streven zal dien te verwerven, want wilde hij dien rijkdom dan niet ten zijnen persoonlijken bate aanwenden, dan kon hij, ijveraar voor het spiritisme als hij zich betoont, dien aanwenden om op groote schaal propaganda voor het spiritisme te maken, hij kon er voorts liefdadigheidsinstellingen mede stichten, enz.

Indien de heer Forster ook nog andere geesten van overleden groote mannen kon oproepen, zou dat inderdaad in de eerste plaats de meest reëele onsterfelijkheid aan die mannen verzekeren en zoude op die wijze de onsterfelijkheid waarvan de dichters steeds gewagen op een verrassende, geheel onvoorziene, wijze waarheid blijken te zijn; in detweede plaats zou ons vaderland zich op deze unieke vinding van een zijner zonen kunnen verhoovaardigen, en de heer Forster zoude, als impressario van geesten van gestorven groote mannen, eene reis om de wereld kunnen doen, die hem weldra eene algemeene vermaardheid zoude doen verwerven. Hij zou buitendien niet eens voor honoraria of reiskosten voor de geesten behoeven te zorgen...

De heer Forster intusschen, wiens goede trouw wij natuurlijk boven elken zweem van verdenking verheven achten, heeft zeer wel ingezien, dat hij met deze zaak de waardeering van velen voor het spiritisme,—waardeering van hen, die in het spiritisme gelooven, waardeering ook van de eenigszins reaktionaire moderne geleerden, die het spiritisme wetenschappelijk onderzocht willen zien—aan een gevaarlijke vuurproef onderwierp, waartegen zij alle kans had niet bestand te blijken. Immers, men kende Multatuli’s zeer van alle andere geesten verschillenden geest, zoo als die zich tijdens Multatuli’s stoffelijk leven uitte. Men haddus een zeker middel bij de hand om te kontroleeren, of het werkelijk Multatuli’s geest was, die in den heer Forster sprak en of de heer Forster niet de dupe was der grappen van den een of anderen schalkschen spotgeest. Hierop is de heer Forster bedacht geweest en de bezwaren, die tegen zijn stelsel zouden te berde worden gebracht ten gevolge der voor iederen lezer der brochure verblindend duidelijke waarheid, dat de in die brochure zich openbarende geest hoegenaamd niets gemeen heeft met Multatuli’s geest,—die bezwaren heeft hij van te voren meenen te weerleggen door een werkelijk niet weinig spitsvondig bedachte argumenteering. Het is de geest van Multatuli zelf, die deze argumenten ten beste geeft. Laat het u niet verwonderen, zegt hij ongeveer tot zijn medium Forster, dat gij in wat ik u thans dikteer, mijn eigenaardigen stijl en uitdrukkingswijze mist. De oorzaak daarvan is, dat ik nu niet meer het tot mijn stoffelijk omhulsel behoorend instrument tot mijn beschikking heb, dat mij als mensch diende om mijne gedachten te vertolken.Ik bedien mij thans van úw hersenen, van úw instrument, vandaar dat mijn gedachten thans geheel anders klinken dan voorheen. Men moet dit vergelijken bij een zelfde door zekeren komponist ontworpen melodie, die op een orgel of piano gespeeld geheel anders klinkt dan op een viool of fluit. Men behoort dus, zegt de geest, alleen acht te geven op de essence van het medegedeelde.

Ons komt het evenwel voor, dat deze argumentatie, in weêrwil harer oogenschijnlijk bewijzende kracht, geen steek houdt, want juist de essence, de gedachte op zich zelve, van Multatuli’s geest, was zoo bijzonder en eigenaardig, dat wij haar zouden herkennen van welk herseninstrument zij zich ook mocht bedienen om tot uiting te komen. Wij herkennen immers in de geschriften der Multatulianen,—in die van den heer Engelbert de Chateleux b.v.—onmiddellijk den geest van Multatuli, hoe zeer van het zijne verschillend het instrument ook is, dat hem ten gehoore brengt?... De gevolgtrekking ligt voor de hand, dat, daar juist de essence van hetgeen de aan den heer Forster verschenengeest vertelt geheel en al verschillend is van de essence van Multatuli’s gedachten, slechts deze twee gevallen mogelijk zijn: òf de heer Forster is beetgenomen door een dier ondeugende gnomen, gelijk er zoovelen door het heelal rondzwerven en die zich onder den naam Douwes Dekker bij hem heeft aangediend, òf de essence van Multatuli’s gedachten is veranderd. En in het laatste geval is het onmogelijk te kontroleeren of het werkelijk Multatuli is, die zich aan den heer Forster heeft geopenbaard.

De geheel éénige gelegenheid om de pretentiën van het spiritisme te toetsen heeft dus geenerlei resultaat opgeleverd. Als de heer Forster niet anders tot onze kennis brengt dan eenige ouderwetsche godsdienstvoorstellingen, vermengd met een weinig natuurkunde, uit een vulgarisatie-werk opgedaan, en geuit in den eersten stijl den besten, ons daarbij verzekerende, dat het Multatuli is, die zoo schrijft met eens anders hand, dat wij hem wel aan niets herkennen, maar dat Multatuli’s algeheele verandering daarvan de oorzaak is, nu ja, dan heeft hijnatuurlijk goed praten. Maak dat nu maar eens uit.

Daarom zeggen wij: door een vlugschrift als dit wint de bewering der spiritisten geenszins aan waarschijnlijkheid; doch wordt hare geloofwaardigheid er integendeel eerder door geschaad dan gebaat.

De heer Forster schijnt eene benijdenswaardige zekerheid te hebben omtrent het goed recht van zijn zaak. Hij is zoo zeker van hetgeen zijne mededeelingen zullen uitwerken, dat hij met eenigen overmoed de door den geest Douwes Dekker gevulde bladzijden doet voorafgaan door een uitspraak door Dekker bij zijn leven over het spiritisme gedaan. Zij is vervat in een brief dien Dekker in 1876 aan den heer Forster schreef. Hij zegt daarin o.a.:

„Een schoonzuster van me, die zich geheel en al aan spiritisme wijdde en die NB. op velerlei gebied ’n heftige tegenstandster van mij was, zóó zelfs dat ik vele jaren lang taal noch teeken van haar ontving, schreef me op eens dat „de geesten” (wie weet ik niet) haar gezegd hadden:

„Multatuli is ’n apostel der waarheid.”

Ik antwoordde: „in m’n hoedanigheid van apostel der waarheid ontken ik ’t bestaan van geesten.”

Nooit heb ik vernomen hoe „de geesten” zich gered hebben uit het (cretenser leugenaars-) dilemma, dat hieruit voortspruit.”

En daarna volgen dan de veertig, door Multatuli’s geest den heer Forster voorgezegde, bladzijden, waarin hij bovenstaanden uitval geheel en al terugneemt en begint met te zeggen, dat het spiritisme de eenvoudigste zaak ter wereld is en gelijk staat met tweemaal twee is gelijk vier. Vervolgens beschrijft Multatuli zijn verbranding in den lijkoven en zijne lotgevallen in hoogere gewesten. Daarbij keurt hij de meeste zijner levenshandelingen van vroeger nu ten sterkste af en neemt het meeste terug van al wat hij geschreven heeft. Hij vindt zijn leven nu één leugen, ééne komedievertooning, en zijne geschriften zeer slecht van strekking. Toen wij lazen van zijne ontmoeting met Tine in de geestenwereld, vroegen wij ons onwillekeurig af, hoe het gaan moet als al de anderegeliefde vrouwen daar later ook bij zullen komen. Van monogamische liefdesbegrippen schijnt in de geestenwereld ook al heel weinig meer over te blijven. Het einde der mededeelingen is, dat Multatuli’s geest nogmaals geïnkarneerd zal worden en wel in een jongeling, die goed zal maken wat Multatuli vroeger als volwassen man misdreven heeft...

Wij herhalen, wij kunnen in dit alles niet anders zien dan eene onschuldige tijdpasseering voor goedgeloovige geestenbezweerders. Wel moge het hun bekomen, zouden wij zeggen.

De brief van den jongen Eduard Douwes Dekker is ook een eigenaardig dokument.

Het schijnt wel dat de nagedachtenis van Multatuli een even rumoerig lot moet hebben als gedurende zijn leven Multatuli’s deel is geweest. Dat wil maar niet tot rust komen. De opschudding door dezen held met zijn geweldige ziel in het rustige vaderland veroorzaakt, duurt nog maar steeds voort.

De jonge Dekker behandelt in dien zeer onbezadigd gestelden brief zijne stiefmoederop alles behalve eerbiedige wijze. Hij verhaalt hoe zijn vader háar alles (!) bij testament gemaakt heeft, dat zij daarom ook het recht tot de uitgave der Brieven meent te hebben, dat hij er aan wanhoopt om, mocht hij de zaak voor een Nederlandsche rechtbank brengen, door de rechters in ’t gelijk gesteld te worden, en dat hij derhalve de zaak maar voor die rechtbank zal brengen, waarvan zijn vader ook zoo dikwijls gebruik heeft gemaakt, namelijk de rechtbank der openbare meening.

Il faut laver son linge sale en famille, zegt het spreekwoord. Zelden werd dit spreekwoord zoo weinig in toepassing gebracht als door Dekker’s familie, zelden werd een vuile wasch zoo volledig in ’t publiek behandeld. Wij vernemen ook dat Tine’s familie „een en al verontwaardiging” is. Nu, dit is geen wonder, de Van Wijnbergens, de Van Heeckerens, enz. maken in die Brieven niet juist een bijzonder luisterrijk figuur.

Wat echter de voornaamste grief van Multatuli’s vereerders tegen de uitgeefsterder Brieven aangaat, luidende dat zij haar man op die wijze „van zijn voetstuk haalt”—hiermede kan men zich, dunkt ons, niet vereenigen. Het zoude een weinig soliede voetstuk genoemd moeten worden, dat smelten zou in het licht door de Brieven op Multatuli’s leven en karakter geworpen. Neen, in deze voelen wij ons genoopt ons geheel aan de zijde der uitgeefster te scharen, die zeer juist heeft ingezien, dat het eene zwakke en verwerpelijke vereering is, een vereering op wier bestaan men niet den minsten prijs behoeft te stellen,—die door de lektuur der Brieven zou verminderen. Zouden wij dan omtrent sommige zaken in Multatuli’s leven in dwaling moeten verkeeren of in het onzekere moeten gelaten worden, om Multatuli de achting en de bewondering te blijven schenken, waarop hij recht heeft bij de gratie van zijn ontzaglijk talent? Is het niet beter dat wij hem ook van de klein-menschelijke zijde leeren kennen? Zullen wij hem niet inniger waardeeren en waarachtiger liefhebben indien wij den echten mensch in hem zien, die bij al zijngrootheid toch steeds mensch bleef en als mensch ook zijne zwakheden had;—dan indien wij hem als een soort van onnatuurlijken half-god moesten beschouwen?

Neen zeker, de bewondering en liefde, die op halve kennis berusten, kunnen nooit de ware en aanbevelenswaardige zijn.

Daarom herhalen wij den bij den aanvang dezer beschouwing aan mevrouw Douwes Dekker geboren Hamminck Schepel gebrachten dank, voor den belangrijken dienst, welken zij met de uitgave dezer Brieven aan de Nederlandsche Letteren heeft bewezen.

Jan.–Maart. 1891.


Back to IndexNext