INLEIDINGIn den geweldigen tijd van de Fransche Revolutie en de Napoleontische oorlogen schijnt Europa zich te zullen vernieuwen: de besten droomen van een vrije, rechtvaardige samenleving. Dit blijft een droom: het moeitevol verworvene dreigt in een alles verstikkende reactie onder te gaan. Herleving van het Roomsch-Katholicisme, van traditioneele vorstelijke macht, van den invloed van de oude, heerschende families, van oude zeden, doet zich alom voor, in ons land zoo goed als in overig Europa.De Hollanders waanden zich, nu de benauwenis der Fransche overheersching van hen was afgenomen, in een hemel op aarde. Er was tevreden berusting onder het aartsvaderlijk, maar autocratisch bewind van Willem I. Politiek leven komt niet op. Handel en nijverheid blijven op laag peil. De ondernemingsgeest komt niet over het doode punt heen. Wetenschap en godsdienst kwijnen voort. Het leven trekt zich in de binnenkamers terug. Het familieleven bloeit in innige nederigheid, maar het mist frischheid en veelzijdigheid,het verliest alle contact met de groote wereld en het gaat op in lieve kleinigheden. Het maatschappelijk leven is uiterst saai en vormelijk. Teekenend voor de stemming in de jaren tusschen 1820 en 1840 is het Dagboek van Willem de Clercq: het is een doorloopende klacht over de geesteloosheid van het letterkundig en godsdienstig leven zijner tijdgenooten, over het gebrek aan energie in handelskringen, over het uiterst onbeteekenende van den gezelligen omgang.Omstreeks 1820 begint in sommige landen van Europa eenig revolutionnair besef in de liberale partijen te ontwaken: in Duitschland verzetten jonge studenten zich tegen de reactionnaire regeering; de carbonari in Italië, de liberalen in Spanje en Zuid-Amerika gaan zich roeren. Griekenland verzet zich tegen de Turksche tiranny. En de bezieling komt van enkele opstandige dichters: van Byron en Shelley, van Heine, Lamartine en Victor Hugo.In ons land is van revolutionnair verzet geen sprake: het eerste nationale enthousiasme wordt hier te lande gewekt door den tiendaagschen veldtocht en de eerste geestelijke beweging dier dagen beteekent een versterking der reactie: Da Costa schrijft zijn geestdriftigebezwaren tegen den geest der eeuw,d. i.tegen het liberalisme. Met Bilderdijk wordt hij de geestelijke vader van het réveil en van de anti-revolutionairepartij: een partij gericht tegen een revolutie, die hier al lang morsdood was.Het nieuwe geluid van de Europeesche opstandige dichters drong niet door tot het geestelijk leven onzer voorouders: zij werden door de rhetorische preeken van Van der Palm (bevroren muziekvolgens Willem de Clercq), het huiselijk gerijmel van Tollens en de goedmoedige humor van Beets volkomen bevredigd; het degelijke werk van Potgieter ging den meesten te hoog.De religieuse opleving (het réveil), de vernieuwing van het geestelijk leven onder invloed van mannen als Potgieter, Bakhuizen van den Brink mogen in hun beteekenis niet worden onderschat, maar toch.... Nederland volgde slechts zéér, zéér van verre het Europeesche geestesleven, tot wanhoop zijner geestelijke leiders.Na 1860 zal het dien achterstand eerst inhalen en verrassend snel inhalen zelfs. Door een samenloop van omstandigheden wordt het economisch leven intenser. Nieuwe verkeerswegen te land en te water worden aangelegd, de opbloei van het Duitsche achterland komt den Hollandschen handel ten goede. En evenals in het economische leven komt er ook in wetenschap, kunst en letteren meer beweging.Tot de geestelijke opleving na 1860 heeft Multatuli den grooten stoot gegeven: hij heeftde gedachten en gevoelens van de groote dichters en denkers der romantiek in Hollandsche woordkunst vertolkt. Hij heeft zijn leven gewijd aan de romantische idealen van vrijheid en rechtvaardigheid. De Hollanders zijner dagen heeft hij tot besef van hun wereldburgerschap gebracht, door in het hart van ons volk menschelijk medevoelen voor de bevolking van Insulinde te wekken. Wat een levenskwestie voor den Javaan was en een belangenkwestie voor Indische industriëelen, was slechts een partijkwestie in de Tweede Kamer. Multatuli maakt het tot een gewetensvraag voor het Nederlandsche volk.Multatuli’s boek heeft een omwenteling te weeg gebracht in de verhouding van de Indische regeering tot de inlandsche bevolking. Maar dit is uiterst langzaam gegaan, veel te langzaam naar den zin van den vurigen verkondiger dezer nieuwe idealen. Al waren het medegevoel en de ontroering door deMax Havelaargewekt, echt, toch zou het jaren duren eer dit gevoel in tastbare hervormingen werd omgezet.HANDSCHRIFT VAN EEN BLADZIJDE UIT DE “IDEËN”HANDSCHRIFT VAN EEN BLADZIJDE UIT DE “IDEËN”(Universiteitsbibliotheek Amsterdam)Multatuli zoekt de oorzaak van dit talmen in de algemeene achterlijkheid der Hollandsche natie, in de verleugening van maatschappij, politiek en regeering. Hij stelt zich tot taak de kluisters van overgeleverde opvattingen op ’t gebied van staatkunde en moraal, van zeden en van godsdienst te verbreken. Benauwendegrenzen heeft hij weggevaagd, nieuwe mogelijkheden van ruimer voelen en denken heeft hij geschapen.Het enorme verschil tusschen de geestelijke benepenheid van ons volk in 1820 en de alom ontkiemende vrijheid en veelzijdigheid in 1920 is voor een groot deel aan Multatuli’s optreden te danken. De geschiedenis van zijn leven en werken is een belangrijk hoofdstuk uit de geschiedenis van de bevrijding van den Hollandschen geest.JEUGD EN KINDERDROOMENEr bestaat een innig verband tusschen het innerlijk leven van den volwassene en het gemoedsleven van het kind. Het zieleleven van den kinderleeftijd is de voedingsbodem van latere geestelijke ontwikkeling.Vele kunstenaars en denkers met een diep en rijk gemoedsleven en een sterke verbeelding hebben fijne, zuivere schetsen en opmerkingen over het kinderleven gegeven, welke getuigen hoe sterk ervaringen uit eigen kinderjaren doorwerken in het gemoed.Zoo leeren we uit het werk van den volwassene het kind kennen, en uit deze openbaringen den mensen beter verstaan. Kennis van het kinderlijk gemoedsleven is van groote beteekenis om de persoonlijkheid van denkers en dichters te doorgronden.Niet de kennis van de uiterlijke omstandigheden is van het grootste belang, maar het inzicht in het innerlijk leven van het kind: de ontwikkeling zijner fantasie, het aanvoelen zijner omgeving, het reageeren op zijn opvoeding.Dit laatste heeft Douwes Dekker onthuld in deGeschiedenis van Woutertje Pieterse, terwijl ook in de brieven aan Tine, in den verlovingstijd geschreven, vele herinneringen aan het kinderleven zijn opgehaald.Eduard Douwes Dekker was de vierde spruit uit een gelukkig en degelijk Hollandsch burgergezin.Zijn vader was kapitein ter koopvaardij; een goedhartig, zeer beschaafd, welbespraakt man, maar bij al zijne goedhartigheid was hij een man, die gehoorzaamd wilde worden en die zijne jongens eenigszins Spartaansch opvoedde. De moeder daarentegen moet eene liefdevolle, verstandige, maar zeer nerveuse vrouw zijn geweest. Doordat zij veel aan hoofdpijnen leed, moederde de oudste zuster mee over de vier jongere broertjes. Van deze zuster heeft Eduard veel gehouden. Pieter, zijn zeven jaar oudere broeder, een bedaarde, ijverige jongen, die in alles het tegenovergestelde was van den ondeugenden Eduard, viel minder in diens smaak. Pieter bracht het tot Doopsgezind predikant en achtte het zijn plicht, onjuistheden in het spraakgebruik zijner familieleden te corrigeeren en in ’t bizonder placht hij Eduard zijne gebreken op meesterachtigen toon onder het oog te brengen. Uit de geweldige antipathie tegen dezen braven broeder is dan later de figuur vanStoffel Pietersegeboren: Wouters van kan niettoevallig zijn: de familie Pieterse is naar broeder Pieter genoemd!HUIS IN DE KORSJESPOORTSTEEG TE AMSTERDAM,HUIS IN DE KORSJESPOORTSTEEG TE AMSTERDAM,waar Multatuli op 2 Maart 1820 werd geboren.Met beide andere broeders was hij goede vrienden. Vooral met Jan, die drie jaar ouder was, met hem naar Indië ging en hem in zijn moeilijk leven meermalen trouw steunde.De kinderen kregen een eenvoudige, maar goede en godsdienstige opvoeding. Voor luxe-uitgaven, als muziekonderwijs, was echter geen geld beschikbaar. Jan werd zeeman, later landheer in Indië, Pieter studeerde en ook Eduard werd voor de studie bestemd.Eduard was het eenige kind, dat uit den band sprong; dat hij met zijn broers guitenstreken uithaalde, was zeer normaal. Maar in huis en school was hij een moeilijk kind.Hoe gelukkig en gunstig de uiterlijke omstandigheden mochten zijn, toch ging het eigenlijke leven van dit kind buiten het gezin om. Een met dichterlijke verbeelding begaafd kind, heeft in het gelukkigste gezin zijn innerlijk leed te dragen, dat uit de tegenstelling voortvloeit tusschen zijne aspiraties naar al wat groot en heerlijk is en het eng-begrensde kinderleven. Deze afgetrokkenheid, dit droomen leidt tot tal van vergrijpen tegen de orde van het dagelijksche leven. Telkens botst het: knorren, straffen, komt herhaaldelijk voor. En van zijn kant poogt het kind zich aan het verstoren zijner droombeelden te onttrekken door leugens.Door vele berispingen is hij verhard, hij raakt er aan gewend als zondebok te worden gebruikt. Zijne moeder kan hem vrij goed regeeren, maar met den vader, die op autoriteit gesteld is, vallen herhaaldelijk verdrietige scènes voor. Ook op school gaat het slecht. Zijne ouders roepen de toegevelijkheid zijner onderwijzers in, omdat hij h. i. moeilijk kan leeren. Verdiept in de tooverwereld zijner fantasie kan hij zijn verstand niet bepalen bij taaloefeningen en jaartallen.De school haat hij, het ouderlijk huis benauwt hem: zoo vaak hij kan zwerft hij buiten de poort—zijne ouders woonden op den Haarlemmerdijk te Amsterdam—langs de buitenpaden, om daar bij sloten, bruggetjes en molens te mijmeren. Dit droomleven neemt hem geheel in beslag als de wereld van ridderen rooverromans voor hem opengaat. De beelden uit zijn lectuur, de ervaringen uit zijn kinderleven vermengen zich in zijn fantasieën; en daar speelt hij zelf temidden van zijn romanhelden en heldinnen de schoonste rol. Peinzende over deze romantische heerlijkheden wordt in zijn zielFancygeboren. Fancy nam hem op en voerde hem mee, en heeft hem nooit weer losgelaten.Maar het bleef niet bij droomen en fantaseeren: hij wil zelf de idealen van ridderlijkheid in praktijk brengen, hij wil zelf bovenanderen uitmunten, hij wilde eerstezijn. Een groote eerzucht ontwikkelt zich in het kinderlijk gemoed,—een eerzucht, om het goede en rechte te doen zegevieren. De zucht om zelf de eerste te zijn wordt geëvenaard door den drang tot weldoen en helpen. Beide vloeien ineen. Kenmerkend is de geschiedenis van een zijner jeugdige heldendaden, die hij aan Tine opbiecht:“Ik wandelde op een Zaterdag met mijn broeder Willem, die helaas niet meer leeft—hij was een allerliefste jongen en drie jaren jonger dan ik—op de Hoogesluis te Amsterdam. Ik herinner mij zeer goed, dat het juist Zaterdag was, omdat er veel Joden op de been waren. Voor ons uit liepen twee jodenkindertjes, een jongetje en een meisje. Het waaide hard en het meisje, dat het toezicht over haar broêrtje scheen te hebben, vermaande hem zijn mutsje goed vast te houden. Ik onthoud nog al goed kleinigheden, het was een fluweel baretje met schotse ruiten om den rand. Het mutsje waaide af en rolde over de steenen tot de wind het naar den kant.... Herinnert ge u die laagte naast de hooge sluis, daar waar een soort van tuintje is, bijna au niveau van het water? Daar waaide het mutsje in.“De jongen, die vergeefs het ding tot bij de leuning was nageloopen, huilde, en het meisje scheen bang te wezen voor berisping, als zijthuis kwam, het arme kind wrong de handen en zag zoo bedroefd naar beneden...“Men vraagde een man, die in een schuitje de brug doorvoer het aan te reiken. Hij wilde niet. Wie houdt zich ook op om het mutsje van een jodenkind,—wie let er op het geschrei van een jodenmeisje!“Ja men lette er op om eene reden te hebben tot stilstaan bij den weg.“Gij weet hoe men in Europeesche steden om elke kleinigheid samenschoolt, hoe ieder vraagt: ‘wat is het?’ en niemand vraagt: ‘kan ik helpen?’“Toen de laatstaangekomenen eenige oogenblikken later vraagden: ‘wat is er?’ was het antwoord: ‘Daar is een jongeheer naar beneden geklommen om het mutsje van dat kind terug te halen.’ Die jonge heer was ik, natuurlijk.“Men hielp mij met een touw naar boven, want ik kon niet tegen den gladden rechten muur op. Ik scheurde mijne kleederen en schaafde mij de handen, maar niet genoeg naar mijn zin. Ik heb in mijn leven weinig genot gehad, dat boven de aandoening ging die ik gevoelde toen ik weder boven stond. Ik wilde mijn portret wel hebben van dat oogenblik. Twintig of dertig menschen, allen lieden van geringeren stand en meest joden, juichten mij toe. Een oud man, dezelfde die het touw hadgegeven, gaf mij de hand en zeide: ‘Jongeheer, het zal u goed gaan!’ Mijn lieve Willem riep als of hij grootsch was: ‘dat is mijn broêr Eduard!’ en ik...“O, die vervloekte ijdelheid! ik gloeide van genot. Ja, ik was wel blijde om de vreugde van het kind, dat voor knorren der ouders gevrijwaard was, maar dit was het niet,—als ik daarom alleen verheugd ware geweest, zoude het voor mijne goedhartigheid pleiten, neen ‘ik had mijn loon weg.’ Alles zag op mij, alles noemde mij, alles prees mij! Die menschen zouden mij op dat oogenblik gehoorzaamd hebben als ik—kleine jongen—hen iets gelast had. Ik nam de voorspelling van den ouden man aan als iets natuurlijks en ik liep dien dag op stelten des hoogmoeds voort, ieder aanziende alsof ik vragen wilde: ‘groet gij mij niet, mij...’”1Zulke voorvallen zijn teekenend voor zijn karakter. Maar zulke kleine heldendaden bevredigen hem niet. Hij droomt als een tweede Josef van macht en heerschappij: hij wil de uitdeeler zijn van weldaden, handhaver van het recht. Pijnlijk voelt hij de benauwende tegenstelling tusschen deze gedroomde heerlijkheid en het leven thuis en op school met al zijn beperkingen en voorschriften, waarin hij nietalleen een zeer onbelangrijk, maar ook een alles behalve volmaakt jongetje is. Maar zijn kritiek richt hij niet op eigen tekortkomingen, maar op die zijner omgeving. Hij bespeurt alras de onevenredigheid tusschen woord en daad der volwassenen: dit schokt zijn vertrouwen. En hij ziet de armoede, die niet wordt gelenigd en het onrecht, dat wordt geduld. In zijn droomen wil hij dan alles verbeteren, wat hem voorkomt verkeerd en onrechtvaardig te zijn. En hij begrijpt niet, dat God zooveel onrecht dulden kan. “De kleine jongen veroorloofde zich Hem kwalijk te nemen dat niet alles in de wereld overeenkwam metzijnbegrippen over ’t goede, en hij was dan ook ernstig van plan allerlei verbeteringen intevoeren, zoodra hij...”Wanneer? Hoe?Dit:wanneeren dit:hoespeelden de hoofdrol in z’n gedachten. Het denken hieraan beheerschte hem, en had den dubbelen invloed, eerst hem neerslachtig te maken, en ontevreden met het tegenwoordige, vervolgens kracht te geven tot geduldig dragen van de kleine tegenspoedjes die hem drukten, omdat-i de hoop koesterde later alles te regelen naar z’n wil.Ach, er was zoo véél te doen! En hij was zoo ver achter! Wat moest er nog veel gebeuren voor-i ’n eind kon maken aan al ’tverkeerde! En dit toch was z’n roeping, naar-i meende. De straat was slecht geplaveid. Daar ginds stond ’n huis op ’t instorten. Leentje stak povertjes in de kleeren. Er was onlangs een arme blindeman in ’t water gevallen en verdronken. Er scheen niemand bij geweest te zijn om te helpen... ook alweer God niet. Bovendien waarom was die man blind? En, nu eenmaal blind zijnde, waarom was-i arm? En nu eenmaal arm zijnde, waarom... och, er was geen eind aan verwijtende vragen.“De Fancy-verschijning had hem aangestoken met onmetelijkheid. Hij onderging onbewust den indruk van ’t verhevene en z’n onwetende ziel doolde rond in ’n oneindige reeks van middelen, die hij te kiezen had, en van wegen die hij wilde inslaan. Hij was goed, innig goed.Op ’t gebied van het goede wilde hij ’t hoogste grijpen, het moeielijkste tot stand brengen. Z’n weifelen in keus was ’n natuurlijk gevolg van onwetendheid. Bij elk voorkomend geval greep hij met z’n verbeelding terstond het uiterste, het hoogste, het beste, of wat z’n ongeoefend oordeel daarvoor hield. Dat ook bij hem alzoo ’n rol werd gespeeld door de gewone fout van edele harten—’n zeer ongewone fout dus—om de zedelijke waarde eener handeling alleen naar de zwaarte van ’t gebracht offer te schatten, spreekt vanzelf. En tevens, dat dit hem verleidde tot de zucht om offers te brengenwaar ze òf niet noodig waren òf niet verlangd werden, en in beide gevallen niet gewaardeerd. Ach, hoe gaarne ware hij uitgetogen om hier-en-daar bij bekken- en schildslag te doen bekend maken dat er ’n ridder was aangekomen, die om de klandizie verzocht van wat martelarij!“Later, later!” dacht hij. Later als-i bevrijd zou zijn van schoolsche en huiselijke banden. Dan zou-i ’n werelddeel gelukkig maken. En nog een. En nóg een...“Helaas er stonden er maar vijf in ’t boekje van zijn geografie.“Vijf werelddeelen slechts! ’t Is niet de moeite waard om van te spreken.“Wat dàn? Wat daarna?“Hier begon zich z’n fantasie te verliezen in de ruimte, en ’t firmament verwarrende met ’n gedroomden onstoffelijken hemel, naderden zijn gedachten het Wezen dat men hem had opgedrongen als: God. Maar dit bevredigde hem niet.“Geen ‘weg ter Zaligheid’ en geen katechismus was er in geslaagd het kind den anderen god te ontrooven, die hij in ’t gemoed droeg, en waarmee hij zich—ziehier z’n hoogmoed!—zonder de minste aanbidding vereenzelvigde. God, of ’n god, moest noodwendig hetgoedewillen, het goede zijn. Dit wilde en was Wouter ook. Hij stond dus zoo’n Wezen zeer na, enbeschouwde het in z’n trouwhartigen waan als z’n natuurlijken bondgenoot, als z’n gezel, als z’n kameraad. Zoo voelde hij zich prins van geestelijken bloede.”Zoo droomde Woutertje en zoo heeft Multatuli zelf gedroomd. Hij wil koning van Afrika worden...Deze kinderdroomen worden jongelingsdroomen, hij wil een tweede Napoleon zijn—en als man droomt hij van een keizerschap van Insulinde.In de droomen van het kind teekent het streven van den man zich reeds af. “Ik wou zorgen dat er in ’t heele land geen onrecht geschiedde,” lezen we in Idee 1063 en omdat hij niet kon dulden, niet in staat te zijn onrecht te straffen, te verhinderen, nam hij ontslag als assistent-resident van Lebak.Op het gymnasium kon hij het niet uithouden: het onderwijs was hem te dor en te schoolsch. Zijn vader plaatste hem als jongste bediende op het kantoor bij Van der Velde, die in katoentjes handelde. Hier kwam hij op zijn vijftiende jaar. Hoe moeilijk deze jaren voor den intelligenten jongen geweest zijn blijkt uit de satire, die hij op dit handelshuis in de Woutergeschiedenis leverde. Zich onderdanig te schikken viel hem uiterst moeilijk: de opgeblazendeftigheid, de koopmanstrots van de Keizersgracht was hem een gruwel. En dan voelde hij het pijnlijk maar een heel gewone burgerjongen te zijn, tot zoo’n uiterst onbelangrijken stand te behooren. Als hij met zijn vriend op een “buiten” op bezoek is vindt hij het zeer moeilijk om te bekennen, dat hij op den Haarlemmerdijk woont!“Ik had een zucht voor onafhankelijkheid die tot het bespottelijke ging,” bekent hij aan Everdine.In die jaren had hij een boezemvriend: den jongen Abraham des Amorie van der Hoeven, dien hij op het gymnasium had leeren kennen. Tot aan Van der Hoeven’s dood toe hebben beide vrienden gecorrespondeerd. Als jongelui hebben ze gelezen en geredeneerd over alles, wat hun jonge gemoederen bezig hield. Ze hebben ook druk getheologiseerd: Van der Hoeven zou theoloog worden, en is in Utrecht Remonstrantsch predikant geweest.D. D.heeft een godsdienstige opvoeding genoten en omstreeks 1830 beteekent een godsdienstige een orthodoxe opvoeding. Reeds als kind zijn de dogmatische voorstellingen geen klanken voor hem: de vrees voor hel en verdoemenis lééft in hem. En omdat die geloofsvoorstellingen hem boeien, doet hij kinderlijk-naïeve vragen die soms zeer oneerbiedig klinken. Zij spruiten geenszins voort uit onbewustentwijfel, maar integendeel uit een kinderlijk-ernstig godsdienstig gevoel. Zoo vroeg hij aan de baker of God ooit jong was geweest en of ze Hem had gekend zonder baard... Maar de baker berispte hem en dreigde met de verdoemenis, zoodat ’t kind zijn zucht naar kennis smoorde met de vrees, dat de aarde zich voor zijn voet zou openen en hem zou verzwelgen.Eens had hij in een speelsche bui op Gods neus een bril geteekend: en toen heeft hij gesidderd voor de trompet der diligence, die hem in de ooren klonk als de bazuin der kinderen Assurs, door God te hulp geroepen om zijn kinderlijke euveldaad te wreken.Met zijn vragen kan hij het zijn predikant op de catechisatie lastig genoeg maken; daar hij ’t niet met zichzelf eens was heeft hij zich niet laten doopen—zijn ouders waren Doopsgezind—; maar van twijfel, van ongeloof was toen nog geen sprake.Vóór zijn achttiende jaar heeft hij zich al bezondigd aan het maken van verzen: in een gedichtDe Schaatsenbezong hij de genoegens van wintersport en van vertellingen bij den huiselijken haard om te eindigen met een sentimenteele aansporing om het leed van den arme te verzachten met een beroep op... hemelsche vergelding!Veel vlotter en beter is de berijmde vertaling vanAndrieux’ De Molenaar van Sans-Souci,een berijming, waaraan hij trouwens later nog veel verbeterd heeft. De grondgedachte van dit vers vinden we in een van de fijnste hoofdstukken derMillioenenstudiënterug:Vieux Delft en moraal. Zoo sterk zijn de indrukken van ’t geen hij in zijn jonge jaren las, dat de herinnering er aan in later jaren telkens terugkeert.De achttienjarige besluit zijn gedicht over de bekende anecdote van Frederik den Grooten met de regels:Zie: een landschap wordt gestolen,En een molen blijft gespaard.En 35 jaar later schrijft hij: “Zou ook niet hier alweeralles in alleszijn? Onbeschaamdheid inpudeur? Kemels in muggen? Gestolen landschappen in gespaarde molens?”Uit deze verzen blijkt, dat de achttienjarige Douwes Dekker, wat literaire smaak betreft, op een lijn stond met de almanakschrijvers dier dagen. Dat hij Jean Paul leest is een belofte voor de toekomst.Zijn moeder en broeder lietenDe Schaatsenin een almanak opnemen: dit deed Eduard, die toen al in Indië was, aangenaam aan. Doch gelukkig voor zijne ontwikkeling en voor die onzer letterkunde zat hij in Indië buiten ’t bereik van almanakredacties en letterlievendegenootschappen. Zoo is zijn onvaste smaak er voor behoed om door onbevoegden lof en aanmoediging voor goed bedorven te worden.1Brieven I: 128–130.INDISCHE LEERJAREN (1838–1845).Met het schip, waarop zijn vader kapitein en zijn broeder Jan stuurman was, ging Eduard op zijn achttiende jaar naar Indië. Door een verlof van drie jaren onderbroken is hij daar zeventien jaar geweest: de jaren van zijn intellectueele en innerlijke vorming brengt hij door ver van Holland. Hij is daardoor afgesneden van de Hollandsche cultuur. Zijn vader weet hem geplaatst te krijgen als klerk zonder bezoldiging bij de Algemeene Rekenkamer. Zijn loopbaan is de eerste jaren zeer voorspoedig. Na zes weken reeds ontvangt hij salaris. In een officieele missieve van 10 April 1839 lezen we dat hij “een zeer bekwaam onderwijs genoten heeft,” en “ofschoon jong van jaren, de verwachting doet koesteren, dat hij tot een bekwaam ambtenaar zal kunnen worden opgeleid.” En het blijkt, dat andere departementen hem voordeelige aanbiedingen hebben gedaan.Een jaar na zijn komst in Indië wordt hij dan ook al benoemd tot kommies 2deklasse; hij onderscheid zich niet alleen door vlijt enwerkzaamheid, maar ook geeft hij “de onbetwistbaarste bewijzen van vlugheid, doorzicht en kunde, in al hetgeen hem wordt opgedragen.”Na het neerdrukkend bestaan van jongste bediende op de Keizersgracht—waar het opgedragen werk steeds verre bleef beneden zijn kennen en kunnen—was de arbeid in de Indische regeeringsbureaux eene verademing: hier kregen ook beginnelingen werk, waar iets van te maken viel. Voor wie toonde te willen werken, was er kans op snelle bevordering.Niet alleen in de bureaux, ook in de samenleving van Batavia heeft de jonge Douwes Dekker snel zijn weg gevonden: van het neerdrukkend gevoelmaareen burgerjongen te zijn, voelt hij zich bevrijd. Hij werd gewaardeerd als een geestig en ontwikkeld jongmensch, die niet gewoon was zijn chefs, die hij niet lijden mocht te sparen. Maar het gezellige leven is duur—hij verspeelde met biljarten wel eens ƒ 100 per week1—en een goed financier is Douwes Dekker nooit geweest! Om zijne schulden (ruim ƒ 2000) te betalen zal hij hoogstwaarschijnlijk overplaatsing naar Sumatra’s Westkust hebben gevraagd. In 1842 werd hij wederom met een zeer loffelijke aanbeveling bevorderd tot controleur 2deklasse ter Westkust van Sumatra.De Assistent-Residentswoning van Douwes Dekker te Rangkas Betoeng, hoofdplaats van Lebak.De Assistent-Residentswoning van Douwes Dekker te Rangkas Betoeng, hoofdplaats van Lebak.(Naar een photographie).Maar zijne schulden waren niet het eenige wat hem in Batavia benauwde: het bureauwerk waarvoor hij zoo geschikt bleek, verveelde hem op den duur: het vrije en avontuurlijke van een bestuursbetrekking in de buitenbezittingen, waar hij als eerst-aanwezend ambtenaar, een soort vorstelijke macht zou uitoefenen, werkte op zijne fantasie: zelfstandig en rechtvaardig besturen en recht spreken, ervoor waken, dat geen onrecht geschiede ... dat alles trok hem aan. “Een meer levendigen en werkdadigen werkkring” vraagt hij daarom in zijn rekest aan den Gouverneur-Generaal.Het zijn de kinderdroomen, die vasteren vorm gaan aannemen, die werkelijkheid zullen worden.En dan is er nog iets, dat hem van Batavia wegdreef: zijn verbroken engagement met Caroline Versteegh, dat hij omdichtte tot een ongelukkige liefde. Zij was een koel en nuchter meisje: kenschetsend is deze vermaning in een kort briefje: “denk niet te veel”. Om de toestemming van haren vader te verwerven werd hij Roomsch, maar het mocht niet baten; in Aug. 1842 maakt haar vader een eind aan de verloving, waarschijnlijk onder invloed van praatjes over zijn financieele onsoliditeit.Onder deze teleurstelling heeft hij veel geleden, maar tegelijkertijd was het hem een genot zich in de smart zijner ongelukkige liefde te koesteren, zooals hij eerst in een geluksroesgeleefd had, waarin hij met haar dweepte, waarin zij hem een heilige was2.Deze eerste, ernstige liefde—want uit de Woutergeschiedenis weten we, dat Wouter-Eduard van zijn kinderjaren af heel wat “vlammen” gehad heeft—is tot romantische beleving verdicht.Hoe een geliefde te idealiseeren, hoe eene ongelukkige liefde te dragen, dat had hij uit zijn romantische boeken geleerd: het was een nieuwe sensatie nu zèlf in het leven dat belangwekkende te ervaren. Zijne ongelukkige liefde belette hem niet bekoord te worden door het dochtertje van een inlandsch hoofd met wie hij een tochtje in een prauw maakte langs de kust; zij leefde met hem te Natal; maar te Padang zond hij haar om zijn armoede naar haar vader terug.In deze jaren blijkt het hoe langer hoe duidelijker, dat de droomwereld, waarin hij als kind geleefd had, ook macht over zijn ziel behoudt op rijper leeftijd. Het wordt hem meer en meer ernst met zijn droomen, met zijn luchtkasteelen: “ik moet bekennen nooit verstandig genoeg geweest te zijn om mijne zestienjarige luchtkasteelen omver te halen”3. Zijn levenstaak gaat hij er meer en meer op richten om zijne luchtkasteelen te verwerkelijken.De anderhalf jaar op Sumatra doorgebracht zijn van groote beteekenis voor zijn ambtelijk leven, maar ook voor zijne geestelijke vorming: zelf heeft hij menigmaal later gezegd, dat hij zich te Natal bewust is geworden. Steeds duidelijker grijpen literatuur en leven, droom en werkelijkheid in elkander.In Natal waren maar enkele Europeanen, zoodat de jonge controleur veel tijd had om te lezen. Hij las niet bij voorkeur Hollandsche boeken: in den geest trekt hij den band met Holland niet toe. Hij was uit Holland vertrokken, voordat hij er tot intellectueele kringen toegang had gekregen. De religieuse beweging van het réveil was niet tot hem doorgedrongen en evenmin wist hij af van ’t geen er leefde in jonge mannen als Potgieter en Bakhuyzen van den Brink, die een jaar vóór zijn vertrek “De Gids” begonnen uit te geven. En in Indië heeft hij zich om de ontwikkeling van het geestelijk leven in Holland weinig bekommerd. Een enkel woord over een lief vers van Ten Kate lezen we in zijn Brieven, maar verder is hij van Walter Scott, Sue en Lamartine, van Heine en August Lafontaine vervuld;m. a. w.niet de geestelijke leiders van zijn eigen volk, maar die van de Europeesche romantiek hebben zijn geestelijk leven gevormd. Dit heeft niet alleen op zijn levens- en wereldbeschouwing een overwegenden invloed geoefend,maar ook op zijne literairen smaak en op zijn eigen stijl. Deze is levendiger, losser en daardoor pakkender dan die der best gestileerde stukken zijner Hollandsche tijdgenooten. In Indië heeft hij onder invloed van buitenlandsche schrijvers langzamerhand een talent van schrijven ontwikkeld, waarmede hij een dertigtal jaren later zijne landgenooten diep zal treffen. Niet alleen zijn stijl heeft hij in de afzondering der tropen gevormd, ook zijn denkbeelden gaan onder invloed van de Europeesche denkers en schrijvers der romantiek hoe langer hoe meer afwijken van de in Holland gangbare. Dat proces heeft zich geleidelijk voltrokken; alles werkt mede om van den jongen Douwes Dekker een typisch vertegenwoordiger der romantiek te maken. Door zijn aanleg is hij er zeer zeker toe voorbestemd: zijn impulsief temperament, zijn neiging tot droomen en fantaseeren, hem van kind af eigen, zijn verlangen naar macht om ’t goede te kunnen doen zegevieren, zijn amoureuze aanleg, maken hem uiterst gevoelig voor romantische lectuur; en door die lectuur wordt zijn aanleg in die richting verder ontwikkeld.Het Indische milieu, de ambtenaarsloopbaan, die hem op jeugdigen leeftijd in zijn onmiddellijke omgeving met de hoogste macht heeft bekleed, hebben zijn romantische heerschersneigingen versterkt.Aanleg, lectuur en omstandigheden drijven hem alle tot romantische daden in het ambtelijke leven, tot een romantische levenshouding.Zeer merkwaardig in dit inzicht zijn de romans van August Lafontaine: deze boeken blijven hem boeien. Het zijn dezelfde, die in de Woutergeschiedenis herhaaldelijk ter sprake komen en in welker stijl hij de luchtkasteelen van zijn zestienjarigen leeftijd optrok. In zijn brieven aan Tine, in zijnIdeënkomt hij telkens terug op die romans: één er van noemt hij in het bizonder:Hermann Lange. In verband met zijn eigen lotgevallen is dit een merkwaardig boek: de jonge held wordt door z’n rijke, naar aanzien strevende ouders, een fantast genoemd, die niet voor de wereld deugt, daar hij te eerlijk, te edel en te oprecht is! Hij heeft zelfstandig leeren denken, en hij voelt diep. Om zijn scherpzinnigheid te oefenen, weerlegt hij elke meening, ook als hij ze voor waar houdt! Hij heeft gevoel voor humor: hij vindt alles zoowel eerbiedwaardig als lachwekkend.Met zijn fier en edel karakter is hij in de ambtelijke wereld van een klein vorstendommetje niet bemind: als hem wordt opgedragen om een stuk, dat hij gesteld heeft, over te maken, omdat het poëzie en geen proza is, neemt hij zijn ontslag. Hij wil het geluk der fortuin niet zoeken door daden, die hij immoreelvindt. “Kruipen leer ik nooit, daar ik geleerd heb te ontberen.” Hij ontwikkelt uitvoerig een theorie, waaromgoedemenschen in Staatsdienst weinig kunnen uitrichten; want zij, die belang hebben bij de misbruiken, waaronder ’t volk gebukt gaat, kénnen juist de zaken ’t best, zoodat de deugdzaamste en ijverigste vorst of minister, niets kan uitrichten met zoo’n bende deugnieten. Weer in dienst geplaatst wordt Hermann Lange voor de tweede maal onrechtvaardig behandeld. Maar hij verdedigt zich flink en houdt zijn goed recht staande. Wederom wordt hij ontslagen. En zijn vrouw glimlacht en zegt gelaten: “een gerust geweten is meer waard dan de rijkste bezoldiging.” Een liefelijke en uiterst sobere huiselijkheid is de belooning voor zijn karaktervol handelen.Inderdaad vinden we hier verschillende trekken, die ook in deMax Havelaarvoorkomen: de verheven aspiraties, de zin voor humor, de afkeer van “misbruiken”, de minachting van rijkdom en de fierheid, waarmede hij liever wordt ontslagen dan te buigen voor zijn chef. Wat Douwes Dekker in zijn held bewondert, wat zoo strookt met zijn eigen aanleg, dat heeft hij in eigen loopbaan in praktijk gebracht.Hoe grooten indruk op zijn gemoed een levensbeschrijving van Napoleon heeft gemaakt, blijkt uit een stuk door hem in Natal geschreven, en het eerst door zijne weduwe in 1891uitgegeven. In dezeLosse Bladen uit het Dagboek van een oud man, zien we hoe de jonge man zich af gaat vragen, wat zalik, die in mijn tot nu toe vage droomen en aspiraties eigen superioriteit zoo levendig heb beseft, voor groots tot stand brengen? En dan zijn er twee genieën, die hem voor den geest zweven: Napoleon en Rousseau. Het groote van Napoleon was niet zoozeer zijn dapperheid, zijn krijgskunst, als wel zijndenkbeeld: “Napoleon was groot toen hij met het hoofd in de hand nadacht, en het lot van Europa vaststelde, voor nog iemand voorzien kon dat hij op Europa eenigen invloed zoude kunnen uitoefenen.” Hieruit volgt dan volgensD. D., datdie begeerte zelvetot grootheid, de eerste stap tot grootheid is. En deze begeerte koesterde hij in hooge mate. “Ik zit met het hoofd in de hand en peins.... Wanneer ik ooit voor het oog van de wereld schitteren zal, men danke het dit oogenblik!”En hij weifelt lang tusschen Diogenes en Alexander, tusschen Rousseau en Napoleon, tusschen het verhevene en het verheven schijnende! Maar hij laat den schrijver van de dagboekbladen het laatste kiezen: “uit zwakheid, uit ijdelheid, misschien uit wraakzucht!” En terwijl hij den man van de daad wil navolgen, verheerlijkt hij hem om ... zijndenkbeeld. Hij wil een kroon bemachtigen:“Ik beminde een meisje en verloor haar. Wat anders dan een kroon kan mij schadeloos stellen?”Zoowel deze uitingen als wat volgt verraden een zoekenden geest, die grootsche plannen in zich omdraagt, om dan weer spoedig te vertwijfelen aan hun verwerkelijking. Want dezelfde jonge aspirant-veroveraar laat hij na 33 jaren gelaten als gepensionneerde grootvader Alexander en diens generaal vasthouden bij het soldaatje spelen van zijn kleinzoon.Uit dit stuk spreken eene grenzenlooze eerzucht en diepste wanhoop aan eigen kunnen. Merkwaardig is het ook, dat hem van den aanvang af, het tweeledige van zijn levensideaal bewust is geweest.DeLosse Bladenzijn in zeker opzicht eene bekentenis: het hoogste is de geestelijk roem van een Diogenes, een Rousseau; maar uit ijdelheid kiest hij de wereldsche grootheid van een Napoleon! En toch eert hij in deze in de eerste plaats de grootheid der gedachte: in Napoleon eert hij, dat wat Rousseau groot maakte; en hij beseft het manco van den denker: de daad ontbreekt. In later jaren, als hij door zijn woord, door zijne ideeën duizenden meesleept, droomt hij van wereldsche macht, van een keizerrijk van Insulinde. Als hij machtig inwerkt op den geest zijner landgenooten, betreurt hij het, dat de macht hem ontbreekt, allerlei practische hervormingenin te voeren. De tragiek dezer vergissing openbaart zich al in een zijner eerste stukken!In zijn Natalsche maanden is hij vervuld van drang tot daden; hij heeft veelomvattende plannen: hij wil een haven te Natal laten aanleggen om het uit zijn isolement op te heffen. Maar zijn chefs zijn niet gediend van de grootsche plannen van den jongen controleur, zij eischen nauwkeurige administratie in de eerste plaats. Hierdoor voeltD. D.zich gekrenkt in zijn ijdelheid: terwijl hij zich droomde regelaar van een zonnestelsel, was ’t hard voor hem nog zoo weinig te beteekenen dat hij niet eens een haven kon laten maken, waar hij wilde.D. D.heeft voor de zelfstandige bestuursmacht zijn plichten als ondergeschikt ambtenaar verwaarloosd: al zijn lijden op Sumatra is hieraan toe te schrijven, dat hij als besturend ambtenaar zich inderdaad bestuurder, vorst der onder hem gestelde bevolking voelde, maar dat hij als ambtenaar telkens faalde. Hij had zeer vele en uiteenloopende functies te vervullen: hij was zelfstandig bestuurder en inspecteur der pepervelden, politiehoofd, politierechter, voorzitter van den rapat (= inlandsche rechtbank), vendumeester, beheerder van het gouvernements-provisie- en zoutpakhuis, ontvanger van de tolrechten, postmeester, agent van de Padangsche wees- en boedelkamer en voorts was hij belast met het toezicht op ’s lands gebouwen en openbare werken!Al die administraties en kassen moesten nauwkeurig worden bij- en uit elkaar gehouden. De streek was bovendien pas tot rust gebracht. Onder zijn voorganger was een complot ontdekt om oproer te maken en den controleur te vermoorden. Intriges van inlandsche hoofden maakte de berechting van zulke quaesties hoogst moeilijk. Met een paar Inlandsche Hoofden was hij zéér bevriend en vertrouwde hen volkomen. Zoo kwam het, dat hij in allerlei intriges van inlanders de zaak door hun oogen bezag en den gouverneur tegenwerkte, die zijn vrienden afzette en verbande; dit heeft de stemming van gouverneur Michiels ten zijnen opzichte niet beter gemaakt. Dreigende oproeren, die hem noopten, dikwijls ver van zijn kas te vertoeven, voerde hij dan ook als verontschuldiging aan voor zijn slordig bijgehouden administratie. Uit het Natalsche archief blijkt echter niets van dien voorkomen opstand en ook het genoemde complot is gebleken een verzinsel van inlanders te zijn; maar Douwes Dekker zag met romantische verbeelding het gevaar van opstand, van moord dreigen en dat was voor zijn psychisch evenwicht niet bevorderlijk: het versterkte hem in de heroïsche opvatting zijner taak en maakte hem nog ongeschikter voor het accuraat beheer van de gelden, het zout en de rijst van het gouvernement.Talrijk zijn de aanmerkingen op zijn administratie: telkens moet hij tekorten bijpassen,boeten betalen. In zijn ambtelijke antwoorden teekent zich de Havelaar-figuur al af: als de reglementen voor een goed transport toestaan ƒ 12 voor drie koelies en ƒ 4 voor een conducteur in rekening te brengen, terwijl ook al onder zijn voorgangers, de conducteur ƒ 8 kreeg, terwijl er maar2 koelieswaren, wasD. D.er niet toe te bewegen de declaratie reglementair in te richten. “Ikwildeenkonniet zeggen, dat ik ƒ 4 voor een conducteur betaalde, want het was eene onwaarheid! Ik mogt niet 3 koelies opbrengen waar ik slechts 2 betaalde, want het ware een logen geweest! Ik zal er trotsch op zijn met de telkenreize voorkomende vergoeding van ƒ 4 belast te worden,omdat ik niet wilde liegen, waartoe mijne voorgangers zich door den drang der omstandigheden hadden laten dwingen.” En als hij berispt wordt, omdat hijprauwhuurinplaats van de reglementair toegestane scheepsruimte en tafelgelden, declareert, antwoordt hij: “Indien er bepalingen bestaan die de verzaking der waarheid vorderen dan zijn dezelve voor mij van geene kracht. Ik acht de waarheid hooger dan het Staatsblad en geef openlijk deze verklaring al zoude mijne ongeschiktheid tot ambtenaar als een onmiddellijk gevolg dier verzekering beschouwd worden.”De toon zijner verantwoording is scherp, soms pathetisch. Als hij er kans toe ziet, schrijft hij graag een hatelijkheid aan den steeds aanmerkingenmakenden chef. In een verslag over een inspectie van de pepertuinen weet hij zijn chef mee te deelen, dat deze de hoofdpaden bij zijn inspectie niet had verlaten, maar dathijzich niet bepaald (heeft) tot het waarnemen der langs de hoofdpaden aangeplante ranken, maar (zich) ginds en herwaarts van den weg af begeven (heeft).Waardoor hem bleek datzijnoordeel over de aanplantingen nog verreweg ongunstiger is, dan dat van zijn chef. Zulke opmerkingen maakten zijn chef niet zachtzinniger in diens oordeel over de talrijke overtredingen der reglementen.Medegevoel met den inlandschen arbeider spreekt uit zijne missive over de pepercultuur: de stand van zaken is daar “allerellendigst”, maar: “De arbeiders hebben gebrek aan behoorlijk voedsel! Ik weet niet in hoeverre deze omstandigheid in dienst een reden tot verschooning kan daarstellen van achterlijkheid in het vervullen der op ondergeschikten rustende verpligtingen, doch dat is zeker dat het mij in gemoede moeijelijk zoude vallen menschen tot werken aan te zetten voor ik mij verzekerd konde houden dat het allernoodigste tot levensonderhoud in genoegzame mate voorhanden was. Rijst is op het oogenblik voor de arbeiders in de pepertuinen niet te verkrijgen, men voedt zich sober met InlandscheoebienPisang, die overigens nog niet eens in genoegzame hoeveelheidaanhanden is.” Hij meent in de geknakte énergie de oorzaak der werkeloosheid te hebben gevonden: en deze moet worden opgewekt door “voor den arbeider eene meer lagchende toekomst, een vrolijker vooruitzigt daar te stellen, en in dit geval een aanvang te maken met hem te voeden.” Zijn chef bericht hem koeltjes, dat de Hoofden moeten worden aangespoord dezehunneplicht na te komen! Vielen werkzaamheden voor het gouvernement verricht tegen en klaagden de belanghebbenden, dan was de jonge controleur al te gauw geneigd, meer te betalen dan de reglementen toestonden.Na een half jaar zijn de aanmerkingen op zijn administratie zoo talrijk, dat degouverneur, generaal Michiels, hem dreigt met overplaatsing, “zoo hij nog langer achterlijk is in het tijdig genoeg afleggen van zijne geldelijke en materieele verantwoording.” En als de resident na een maand bericht zend, dat “de controleur voornoemd een halsstarrigheid en kwade wil aan den dag legt, die afkeuring en bestraffing verdienen,” wordt Douwes Dekker ter beschikking gesteld van den resident der Padangsche Bovenlanden. Hij verlaat Natal met een schuld aan ’t gouvernement van ƒ 1350: dit kastekort was louter het gevolg van slordig beheer, van ongeauthoriseerde uitgaven, van opgeloopen boeten; zelfs zijn chef, die hem allerminst welgezind was, heeft er niet aan gedacht hem vanoneerlijkheid te verdenken. De gouverneur echter was buitengewoon verstoord over zooveel nonchalance in dienstzaken en heeft hem onbillijk streng behandeld. Tot overmaat van ramp werd na zijn vertrek uit Natal nog een belangrijk tekort ontdekt, doordat een wissel, van ruim ƒ 8000 voor ruim ƒ 2000 minder was geboekt. Generaal Michiels verdachtD. D.nu van ontrouw en suspendeerde hem; zoo heeft hij een jaar lang te Padang, welke plaats hij niet verlaten mocht, moeten leven zonder inkomsten. Haast niemand wilde of durfde om eigen carrière met hem omgaan, omdat hij onder verdenking van diefstal stond en in ongenade bij den despotischen Michiels was gevallen. Zijn verzoek om in Natal zelf de zaak van den wissel te mogen onderzoeken werd hem geweigerd. En zoo is deze zaak nooit opgehelderd. In zijn ambtelijk schrijven hierover lezen we: “Ik moet volmondig bekennen de zaak in kwestie niet ten mijnen voordeele te kunnen ophelderen; ik hoop dat deze of gene onvoorziene omstandigheid in den vervolge de zaak tot klaarheid brengen zal. Voorloopig vergenoeg ik mij met de mededeeling dat particuliere omstandigheden van ernstigen aard het mij onmogelijk maken mij de bijzonderheden die de afgave van den wissel hebben vergezeld, te herinneren.”Aan Tine schrijft hij later, dat hij bestolen is.“Was ik dan zoo slordig, dat ik mij bestelen liet? Ik was krankzinnig na het lezen der advertentie in de courant dat mijn meisje met een ander getrouwd was. Eene kas van ƒ 100.000 was onder opzicht van eenen inlandschen schrijver. Ik bemoeide mij met niets.”4Caroline huwde 5 Januari 1843 te Samarang en de fatale wissel werd geboekt op 3 Mei 1843. Nu is het zeer onwaarschijnlijk, dat couranten pas na 4 maanden Natal bereikten. Bovendien is de wisselpost doorD. D.zelven behandeld en geboekt en niet door een inlandsch bediende. Het bedrag van de kas is ook sterk overdreven, want in de geheele maand Mei 1843 bedragen de ingekomen gelden plus het aanwezige saldo een kleine ƒ 35.000, dus nog lang geen ƒ 100.0005.In deMax Havelaaris dit voorval in het heroïsche omgewerkt: daar vertelt Max, hoe zulke fouten begaan waren op oogenblikken, dat hij—dikwijls in levensgevaar—ver van de kas, het beheer had moeten toevertrouwen aan anderen. “Als er door slordigheid of verzuim eenige duizenden tekort waren in mijn beheer, noem ik ditop-zich-zelfgeen kleinigheid. Maar als deze duizenden ontbraken tengevolge van mijn gelukte pogingen om denopstand te voorkomen, die de streek van Mandheling dreigde in vuur en vlam te zetten, en de Atjineezen te doen terugkeeren in de vesten waaruit wij hen pas met veel opoffering van geld en volk hadden verjaagd, dan vervalt het gewicht van zoodanig te-kort, en ’t werd zelfs reeds eenigszins onbillijk de terugbetaling daarvan opteleggen aan iemand die oneindig grooter belangen gered had.” In een brief aan den Gouverneur-Generaal van 2 Febr. 1846 gewaagt hij slechts van spanning in Natal.Zoo heeftD. D.inden loop der jaren deze gebeurtenis in zijn verbeelding omgewerkt tot een gebeurtenis, waarin hij de lijdende heldenrol speelt.Zonder een cent inkomen, door de meesten gemeden, heeft hij bijna een jaar lang te Padang een ellendigen tijd gehad. Hij woonde in een klein inlandsch huisje. Zijn kleeren waren grootendeels verkocht, en als hij honger heeft kaapt hij een kalkoen van den Gouverneur, als diens kudde langs zijn hut werd gedreven. Hij duelleert met wie hem, om den Gouverneur te believen, onhebbelijk bejegenen, en hij schrijft verzen en een comedie. Op een quitantie van een tijdschrift, die onbetaald naar het bureau te Batavia zou teruggaan schetst hij in enkele geestige Fransche verzen zijn lot. En op de ontbijttafel van den Gouverneur, die beruchtis om het schorsen van ambtenaren, laat hij dit gedicht leggen:Het wandlend schorsbesluit, dat schorsend ons regeert,Jan Schors-al, Gouverneur, de weerwolf onzer dagen,Had zijn geweten zelf met vreugd gesuspendeerd...Als ’t niet voor langen tijd finaal reeds ware ontslagen.Maar de Gouverneur negeerde deze snaaksche wanhoopsuitingen en strafte den jongen auteur hierdoor het pijnlijkst, getuige zijn klacht in deMax Havelaar: “Hij gunde me niet het minste martelaars-air, ik werd niet belangwekkend door vervolging, en mocht niet ongelukkig wezen door verregaande geestigheid!... ’t Was om eens-voor-al te walgen van puntdichten en kalkoenen!”In een brief van 1846 aan den Gouverneur-Generaal Rochussen schetst hij zijn lijden te Padang aldus: “Twaalf volle maanden heb ik op die wijze op een plaats waar ik niemand en niemand mij dan volgens de nadeeligste geruchten kende, geleefd. Ik had volstrekt geene middelen overgespaard, en trachtte dus te bestaan der weinige kleederen, die ik succievelijk verkocht.“Op het laatst van mijn verblijf aldaar, openbaarde zich in den algemeenen geest eene verandering ten mijnen voordeele, men kreeg medelijden, en bood mij een aalmoes aan.“Men was begonnen met mij onregtvaardig te verdenken, ik kon dus niets van die lieden aannemen.“Toen leed ik honger, Uwe Excellentie, toen bracht ik meermalen, als het mij niet gelukt was de huur van een klein inlandsch huisje te betalen, den nacht onder den blooten hemel door.“Erger dan dat, ik was veracht en verstoten door eene maatschappij die mij voor een schurk hield, want de Gouverneur had het gezegd!“Niemand groette mij, niemand kende mij, niemand liet zich met mij in, want ik stond op het punt om eerloos te worden.“Zoo leefde ik twaalf maanden, Uwe Excellentie, als het leven heeten mag, worstelen als het was met de dagelijksch terugkeerende grief van armoede en schande, gemarteld door de verwachting eener criminele regtspleging; zoo leefde ik twaalf maanden, elken dag denkende: dit is de laatste, en mij elken dag bedrogen ziende.“Den 10enAugustus 1844 heb ik mij neergelegd om te sterven, van honger te sterven, Uwe Excellentie. Ik had in drie etmalen niet gegeten! Een Chinees, wien ik eens eene dienst bewezen had, vond mij, en bragt mij eten.“Op eenen avond, toen ik te acht ure nog niet wist, waar ik den nacht zoude doorbrengen, schreef ik eenen brief aan Z. E. den Gouverneur-Generaal Merkus.“Kort daarop ontving de Civiel- en Militair-Gouverneur der Westkust lastmijnaar Java te laten vertrekken.”6Al het leed, al de bitterheid over zijn maatschappelijke onteering en zijn ongelukkige liefde, al zijn hunkeren, afwisselend naar den dood of naar het geluk of naar rehabilitatie, heeft hij in zijn tooneelstuk:De Eerlooze, uitgeklaagd. Het heele stuk wordt gedragen door het besef slechtsschijnbaarschuldig te zijn, innerlijk hoog verheven te zijn boven iedere laagheid, elk bedrog. Wel erkent hij, “ikzelf ben een zwak mensch die ’t goede wil, maar menigmaal struikelde,” maar zijn geweten is zuiver: zijne bedoelingen zijn altijd zuiver geweest. Het doorleden leed, zijn krachtig idealisme, zijn drang zich voor zijn ideaal te geven, te offeren, heeft hij echter niet weten om te scheppen tot een stuk met oorspronkelijke situaties en karakters. Hij heeft eigen gemoeds- en levenservaring in de vormen gegoten van romantische schrijvers als Kotzebue en Lafontaine. De arme, burgerlijke muziekmeester Holm, die op zijne adellijke leerlinge Caroline verliefdwordt, voor wie hij sentimenteele romances dicht, Karel van Bergen, de misdadige bon-vivant van ouden adel, die door Caroline’s stiefmoeder als schoonzoon begeerd wordt, het offer dat de edele Holm bij herhaling brengt ten einde dezen onwaardigen medeminnaar te redden, om de schuld van zijn vader jegens dien van Karel te boeten, en eindelijk de uitredding door een vriend van beider reeds overleden vaders, tevens broeder van de booze stiefmoeder, die den armen Holm in zijn eer hersteld, tot zijn zoon en erfgenaam aanneemt, en hem de geliefde Caroline in de armen voert—dat alles zijn karakters en situaties uit de boekenwereld van Kotzebue, Lafontaine e. d. “Al zulke schrijverij, ’t produkt van middelmatig talent, veel nabootsing enniet de minste studie, is leeg. Dat is geen grijpenins volle Menschenleben, dat is grabbelen in een muffe leesbibliotheek. Dat is geen zielkundige ontleding van wat ons de wereld te aanschouwen geeft, dat is ’n marionetten-repetitie. Dat is geen menschteekenen, dat is kladderij van de poppenkast. Dat is geen waarheid, dat is leugen. Wie de wereld niet kent, en toch voorgeeft haar te kopieeren of te schetsen is onnoozel als ik in ’43, of...” Dit oordeel van den schrijver zelf 30 jaar later over zijn eersteling uitgesproken is scherp maar juist.De Raad van Indië was niet zoo overtuigdvan de oneerlijkheid van den geschorsten ambtenaar als Generaal Michiels: een der leden maakte de opmerking dat “het getal ambtenaren dat onder den Gouverneur ongelukkig is geworden, weder met één vermeerderd is.”Dekker krijgt verlof om naar Batavia te gaan. Hij wordt op wachtgeld gesteld vanaf ’t oogenblik zijner schorsing, die hier feitelijk mede te niet is gedaan; het tekort in zijn kas moet hij aanzuiveren en dan zal hij voor plaatsing wederom in aanmerking komen.In Batavia heeft hij weer vrienden gevonden, die hem voorthelpen en in het najaar van 1845 wordt hij weer geplaatst, doordat hij ter beschikking van den assistent-resident van Krawang wordt gesteld. De administratie was daar ten achteren geraakt en moest worden bijgewerkt. Een half jaar bleef hij daar en kreeg toen een vaste aanstelling als commies te Bagalen. Dit was beneden zijn rang. Een vaderlijk vriend heeft hem er van teruggehouden uit verontwaardiging hierover ontslag te nemen. Twee jaar lang ziet hij met iedere post uit naar het bericht zijner overplaatsing, totdat hij eindelijk tot secretaris van Menado benoemd werd.1Dit verwijt Caroline hem in een brief.2Brieven I: 116.3Brieven I: 78.4Brieven II: 27.5Zie de Bruyn Prince:Officiëele Bescheiden, blz. 234–235, 256, facsimile’s bij blz. 248, en Brieven I: 33.6Brieven II: 40–41.
INLEIDINGIn den geweldigen tijd van de Fransche Revolutie en de Napoleontische oorlogen schijnt Europa zich te zullen vernieuwen: de besten droomen van een vrije, rechtvaardige samenleving. Dit blijft een droom: het moeitevol verworvene dreigt in een alles verstikkende reactie onder te gaan. Herleving van het Roomsch-Katholicisme, van traditioneele vorstelijke macht, van den invloed van de oude, heerschende families, van oude zeden, doet zich alom voor, in ons land zoo goed als in overig Europa.De Hollanders waanden zich, nu de benauwenis der Fransche overheersching van hen was afgenomen, in een hemel op aarde. Er was tevreden berusting onder het aartsvaderlijk, maar autocratisch bewind van Willem I. Politiek leven komt niet op. Handel en nijverheid blijven op laag peil. De ondernemingsgeest komt niet over het doode punt heen. Wetenschap en godsdienst kwijnen voort. Het leven trekt zich in de binnenkamers terug. Het familieleven bloeit in innige nederigheid, maar het mist frischheid en veelzijdigheid,het verliest alle contact met de groote wereld en het gaat op in lieve kleinigheden. Het maatschappelijk leven is uiterst saai en vormelijk. Teekenend voor de stemming in de jaren tusschen 1820 en 1840 is het Dagboek van Willem de Clercq: het is een doorloopende klacht over de geesteloosheid van het letterkundig en godsdienstig leven zijner tijdgenooten, over het gebrek aan energie in handelskringen, over het uiterst onbeteekenende van den gezelligen omgang.Omstreeks 1820 begint in sommige landen van Europa eenig revolutionnair besef in de liberale partijen te ontwaken: in Duitschland verzetten jonge studenten zich tegen de reactionnaire regeering; de carbonari in Italië, de liberalen in Spanje en Zuid-Amerika gaan zich roeren. Griekenland verzet zich tegen de Turksche tiranny. En de bezieling komt van enkele opstandige dichters: van Byron en Shelley, van Heine, Lamartine en Victor Hugo.In ons land is van revolutionnair verzet geen sprake: het eerste nationale enthousiasme wordt hier te lande gewekt door den tiendaagschen veldtocht en de eerste geestelijke beweging dier dagen beteekent een versterking der reactie: Da Costa schrijft zijn geestdriftigebezwaren tegen den geest der eeuw,d. i.tegen het liberalisme. Met Bilderdijk wordt hij de geestelijke vader van het réveil en van de anti-revolutionairepartij: een partij gericht tegen een revolutie, die hier al lang morsdood was.Het nieuwe geluid van de Europeesche opstandige dichters drong niet door tot het geestelijk leven onzer voorouders: zij werden door de rhetorische preeken van Van der Palm (bevroren muziekvolgens Willem de Clercq), het huiselijk gerijmel van Tollens en de goedmoedige humor van Beets volkomen bevredigd; het degelijke werk van Potgieter ging den meesten te hoog.De religieuse opleving (het réveil), de vernieuwing van het geestelijk leven onder invloed van mannen als Potgieter, Bakhuizen van den Brink mogen in hun beteekenis niet worden onderschat, maar toch.... Nederland volgde slechts zéér, zéér van verre het Europeesche geestesleven, tot wanhoop zijner geestelijke leiders.Na 1860 zal het dien achterstand eerst inhalen en verrassend snel inhalen zelfs. Door een samenloop van omstandigheden wordt het economisch leven intenser. Nieuwe verkeerswegen te land en te water worden aangelegd, de opbloei van het Duitsche achterland komt den Hollandschen handel ten goede. En evenals in het economische leven komt er ook in wetenschap, kunst en letteren meer beweging.Tot de geestelijke opleving na 1860 heeft Multatuli den grooten stoot gegeven: hij heeftde gedachten en gevoelens van de groote dichters en denkers der romantiek in Hollandsche woordkunst vertolkt. Hij heeft zijn leven gewijd aan de romantische idealen van vrijheid en rechtvaardigheid. De Hollanders zijner dagen heeft hij tot besef van hun wereldburgerschap gebracht, door in het hart van ons volk menschelijk medevoelen voor de bevolking van Insulinde te wekken. Wat een levenskwestie voor den Javaan was en een belangenkwestie voor Indische industriëelen, was slechts een partijkwestie in de Tweede Kamer. Multatuli maakt het tot een gewetensvraag voor het Nederlandsche volk.Multatuli’s boek heeft een omwenteling te weeg gebracht in de verhouding van de Indische regeering tot de inlandsche bevolking. Maar dit is uiterst langzaam gegaan, veel te langzaam naar den zin van den vurigen verkondiger dezer nieuwe idealen. Al waren het medegevoel en de ontroering door deMax Havelaargewekt, echt, toch zou het jaren duren eer dit gevoel in tastbare hervormingen werd omgezet.HANDSCHRIFT VAN EEN BLADZIJDE UIT DE “IDEËN”HANDSCHRIFT VAN EEN BLADZIJDE UIT DE “IDEËN”(Universiteitsbibliotheek Amsterdam)Multatuli zoekt de oorzaak van dit talmen in de algemeene achterlijkheid der Hollandsche natie, in de verleugening van maatschappij, politiek en regeering. Hij stelt zich tot taak de kluisters van overgeleverde opvattingen op ’t gebied van staatkunde en moraal, van zeden en van godsdienst te verbreken. Benauwendegrenzen heeft hij weggevaagd, nieuwe mogelijkheden van ruimer voelen en denken heeft hij geschapen.Het enorme verschil tusschen de geestelijke benepenheid van ons volk in 1820 en de alom ontkiemende vrijheid en veelzijdigheid in 1920 is voor een groot deel aan Multatuli’s optreden te danken. De geschiedenis van zijn leven en werken is een belangrijk hoofdstuk uit de geschiedenis van de bevrijding van den Hollandschen geest.
In den geweldigen tijd van de Fransche Revolutie en de Napoleontische oorlogen schijnt Europa zich te zullen vernieuwen: de besten droomen van een vrije, rechtvaardige samenleving. Dit blijft een droom: het moeitevol verworvene dreigt in een alles verstikkende reactie onder te gaan. Herleving van het Roomsch-Katholicisme, van traditioneele vorstelijke macht, van den invloed van de oude, heerschende families, van oude zeden, doet zich alom voor, in ons land zoo goed als in overig Europa.
De Hollanders waanden zich, nu de benauwenis der Fransche overheersching van hen was afgenomen, in een hemel op aarde. Er was tevreden berusting onder het aartsvaderlijk, maar autocratisch bewind van Willem I. Politiek leven komt niet op. Handel en nijverheid blijven op laag peil. De ondernemingsgeest komt niet over het doode punt heen. Wetenschap en godsdienst kwijnen voort. Het leven trekt zich in de binnenkamers terug. Het familieleven bloeit in innige nederigheid, maar het mist frischheid en veelzijdigheid,het verliest alle contact met de groote wereld en het gaat op in lieve kleinigheden. Het maatschappelijk leven is uiterst saai en vormelijk. Teekenend voor de stemming in de jaren tusschen 1820 en 1840 is het Dagboek van Willem de Clercq: het is een doorloopende klacht over de geesteloosheid van het letterkundig en godsdienstig leven zijner tijdgenooten, over het gebrek aan energie in handelskringen, over het uiterst onbeteekenende van den gezelligen omgang.
Omstreeks 1820 begint in sommige landen van Europa eenig revolutionnair besef in de liberale partijen te ontwaken: in Duitschland verzetten jonge studenten zich tegen de reactionnaire regeering; de carbonari in Italië, de liberalen in Spanje en Zuid-Amerika gaan zich roeren. Griekenland verzet zich tegen de Turksche tiranny. En de bezieling komt van enkele opstandige dichters: van Byron en Shelley, van Heine, Lamartine en Victor Hugo.
In ons land is van revolutionnair verzet geen sprake: het eerste nationale enthousiasme wordt hier te lande gewekt door den tiendaagschen veldtocht en de eerste geestelijke beweging dier dagen beteekent een versterking der reactie: Da Costa schrijft zijn geestdriftigebezwaren tegen den geest der eeuw,d. i.tegen het liberalisme. Met Bilderdijk wordt hij de geestelijke vader van het réveil en van de anti-revolutionairepartij: een partij gericht tegen een revolutie, die hier al lang morsdood was.
Het nieuwe geluid van de Europeesche opstandige dichters drong niet door tot het geestelijk leven onzer voorouders: zij werden door de rhetorische preeken van Van der Palm (bevroren muziekvolgens Willem de Clercq), het huiselijk gerijmel van Tollens en de goedmoedige humor van Beets volkomen bevredigd; het degelijke werk van Potgieter ging den meesten te hoog.
De religieuse opleving (het réveil), de vernieuwing van het geestelijk leven onder invloed van mannen als Potgieter, Bakhuizen van den Brink mogen in hun beteekenis niet worden onderschat, maar toch.... Nederland volgde slechts zéér, zéér van verre het Europeesche geestesleven, tot wanhoop zijner geestelijke leiders.
Na 1860 zal het dien achterstand eerst inhalen en verrassend snel inhalen zelfs. Door een samenloop van omstandigheden wordt het economisch leven intenser. Nieuwe verkeerswegen te land en te water worden aangelegd, de opbloei van het Duitsche achterland komt den Hollandschen handel ten goede. En evenals in het economische leven komt er ook in wetenschap, kunst en letteren meer beweging.
Tot de geestelijke opleving na 1860 heeft Multatuli den grooten stoot gegeven: hij heeftde gedachten en gevoelens van de groote dichters en denkers der romantiek in Hollandsche woordkunst vertolkt. Hij heeft zijn leven gewijd aan de romantische idealen van vrijheid en rechtvaardigheid. De Hollanders zijner dagen heeft hij tot besef van hun wereldburgerschap gebracht, door in het hart van ons volk menschelijk medevoelen voor de bevolking van Insulinde te wekken. Wat een levenskwestie voor den Javaan was en een belangenkwestie voor Indische industriëelen, was slechts een partijkwestie in de Tweede Kamer. Multatuli maakt het tot een gewetensvraag voor het Nederlandsche volk.
Multatuli’s boek heeft een omwenteling te weeg gebracht in de verhouding van de Indische regeering tot de inlandsche bevolking. Maar dit is uiterst langzaam gegaan, veel te langzaam naar den zin van den vurigen verkondiger dezer nieuwe idealen. Al waren het medegevoel en de ontroering door deMax Havelaargewekt, echt, toch zou het jaren duren eer dit gevoel in tastbare hervormingen werd omgezet.
HANDSCHRIFT VAN EEN BLADZIJDE UIT DE “IDEËN”HANDSCHRIFT VAN EEN BLADZIJDE UIT DE “IDEËN”(Universiteitsbibliotheek Amsterdam)
HANDSCHRIFT VAN EEN BLADZIJDE UIT DE “IDEËN”
(Universiteitsbibliotheek Amsterdam)
Multatuli zoekt de oorzaak van dit talmen in de algemeene achterlijkheid der Hollandsche natie, in de verleugening van maatschappij, politiek en regeering. Hij stelt zich tot taak de kluisters van overgeleverde opvattingen op ’t gebied van staatkunde en moraal, van zeden en van godsdienst te verbreken. Benauwendegrenzen heeft hij weggevaagd, nieuwe mogelijkheden van ruimer voelen en denken heeft hij geschapen.
Het enorme verschil tusschen de geestelijke benepenheid van ons volk in 1820 en de alom ontkiemende vrijheid en veelzijdigheid in 1920 is voor een groot deel aan Multatuli’s optreden te danken. De geschiedenis van zijn leven en werken is een belangrijk hoofdstuk uit de geschiedenis van de bevrijding van den Hollandschen geest.
JEUGD EN KINDERDROOMENEr bestaat een innig verband tusschen het innerlijk leven van den volwassene en het gemoedsleven van het kind. Het zieleleven van den kinderleeftijd is de voedingsbodem van latere geestelijke ontwikkeling.Vele kunstenaars en denkers met een diep en rijk gemoedsleven en een sterke verbeelding hebben fijne, zuivere schetsen en opmerkingen over het kinderleven gegeven, welke getuigen hoe sterk ervaringen uit eigen kinderjaren doorwerken in het gemoed.Zoo leeren we uit het werk van den volwassene het kind kennen, en uit deze openbaringen den mensen beter verstaan. Kennis van het kinderlijk gemoedsleven is van groote beteekenis om de persoonlijkheid van denkers en dichters te doorgronden.Niet de kennis van de uiterlijke omstandigheden is van het grootste belang, maar het inzicht in het innerlijk leven van het kind: de ontwikkeling zijner fantasie, het aanvoelen zijner omgeving, het reageeren op zijn opvoeding.Dit laatste heeft Douwes Dekker onthuld in deGeschiedenis van Woutertje Pieterse, terwijl ook in de brieven aan Tine, in den verlovingstijd geschreven, vele herinneringen aan het kinderleven zijn opgehaald.Eduard Douwes Dekker was de vierde spruit uit een gelukkig en degelijk Hollandsch burgergezin.Zijn vader was kapitein ter koopvaardij; een goedhartig, zeer beschaafd, welbespraakt man, maar bij al zijne goedhartigheid was hij een man, die gehoorzaamd wilde worden en die zijne jongens eenigszins Spartaansch opvoedde. De moeder daarentegen moet eene liefdevolle, verstandige, maar zeer nerveuse vrouw zijn geweest. Doordat zij veel aan hoofdpijnen leed, moederde de oudste zuster mee over de vier jongere broertjes. Van deze zuster heeft Eduard veel gehouden. Pieter, zijn zeven jaar oudere broeder, een bedaarde, ijverige jongen, die in alles het tegenovergestelde was van den ondeugenden Eduard, viel minder in diens smaak. Pieter bracht het tot Doopsgezind predikant en achtte het zijn plicht, onjuistheden in het spraakgebruik zijner familieleden te corrigeeren en in ’t bizonder placht hij Eduard zijne gebreken op meesterachtigen toon onder het oog te brengen. Uit de geweldige antipathie tegen dezen braven broeder is dan later de figuur vanStoffel Pietersegeboren: Wouters van kan niettoevallig zijn: de familie Pieterse is naar broeder Pieter genoemd!HUIS IN DE KORSJESPOORTSTEEG TE AMSTERDAM,HUIS IN DE KORSJESPOORTSTEEG TE AMSTERDAM,waar Multatuli op 2 Maart 1820 werd geboren.Met beide andere broeders was hij goede vrienden. Vooral met Jan, die drie jaar ouder was, met hem naar Indië ging en hem in zijn moeilijk leven meermalen trouw steunde.De kinderen kregen een eenvoudige, maar goede en godsdienstige opvoeding. Voor luxe-uitgaven, als muziekonderwijs, was echter geen geld beschikbaar. Jan werd zeeman, later landheer in Indië, Pieter studeerde en ook Eduard werd voor de studie bestemd.Eduard was het eenige kind, dat uit den band sprong; dat hij met zijn broers guitenstreken uithaalde, was zeer normaal. Maar in huis en school was hij een moeilijk kind.Hoe gelukkig en gunstig de uiterlijke omstandigheden mochten zijn, toch ging het eigenlijke leven van dit kind buiten het gezin om. Een met dichterlijke verbeelding begaafd kind, heeft in het gelukkigste gezin zijn innerlijk leed te dragen, dat uit de tegenstelling voortvloeit tusschen zijne aspiraties naar al wat groot en heerlijk is en het eng-begrensde kinderleven. Deze afgetrokkenheid, dit droomen leidt tot tal van vergrijpen tegen de orde van het dagelijksche leven. Telkens botst het: knorren, straffen, komt herhaaldelijk voor. En van zijn kant poogt het kind zich aan het verstoren zijner droombeelden te onttrekken door leugens.Door vele berispingen is hij verhard, hij raakt er aan gewend als zondebok te worden gebruikt. Zijne moeder kan hem vrij goed regeeren, maar met den vader, die op autoriteit gesteld is, vallen herhaaldelijk verdrietige scènes voor. Ook op school gaat het slecht. Zijne ouders roepen de toegevelijkheid zijner onderwijzers in, omdat hij h. i. moeilijk kan leeren. Verdiept in de tooverwereld zijner fantasie kan hij zijn verstand niet bepalen bij taaloefeningen en jaartallen.De school haat hij, het ouderlijk huis benauwt hem: zoo vaak hij kan zwerft hij buiten de poort—zijne ouders woonden op den Haarlemmerdijk te Amsterdam—langs de buitenpaden, om daar bij sloten, bruggetjes en molens te mijmeren. Dit droomleven neemt hem geheel in beslag als de wereld van ridderen rooverromans voor hem opengaat. De beelden uit zijn lectuur, de ervaringen uit zijn kinderleven vermengen zich in zijn fantasieën; en daar speelt hij zelf temidden van zijn romanhelden en heldinnen de schoonste rol. Peinzende over deze romantische heerlijkheden wordt in zijn zielFancygeboren. Fancy nam hem op en voerde hem mee, en heeft hem nooit weer losgelaten.Maar het bleef niet bij droomen en fantaseeren: hij wil zelf de idealen van ridderlijkheid in praktijk brengen, hij wil zelf bovenanderen uitmunten, hij wilde eerstezijn. Een groote eerzucht ontwikkelt zich in het kinderlijk gemoed,—een eerzucht, om het goede en rechte te doen zegevieren. De zucht om zelf de eerste te zijn wordt geëvenaard door den drang tot weldoen en helpen. Beide vloeien ineen. Kenmerkend is de geschiedenis van een zijner jeugdige heldendaden, die hij aan Tine opbiecht:“Ik wandelde op een Zaterdag met mijn broeder Willem, die helaas niet meer leeft—hij was een allerliefste jongen en drie jaren jonger dan ik—op de Hoogesluis te Amsterdam. Ik herinner mij zeer goed, dat het juist Zaterdag was, omdat er veel Joden op de been waren. Voor ons uit liepen twee jodenkindertjes, een jongetje en een meisje. Het waaide hard en het meisje, dat het toezicht over haar broêrtje scheen te hebben, vermaande hem zijn mutsje goed vast te houden. Ik onthoud nog al goed kleinigheden, het was een fluweel baretje met schotse ruiten om den rand. Het mutsje waaide af en rolde over de steenen tot de wind het naar den kant.... Herinnert ge u die laagte naast de hooge sluis, daar waar een soort van tuintje is, bijna au niveau van het water? Daar waaide het mutsje in.“De jongen, die vergeefs het ding tot bij de leuning was nageloopen, huilde, en het meisje scheen bang te wezen voor berisping, als zijthuis kwam, het arme kind wrong de handen en zag zoo bedroefd naar beneden...“Men vraagde een man, die in een schuitje de brug doorvoer het aan te reiken. Hij wilde niet. Wie houdt zich ook op om het mutsje van een jodenkind,—wie let er op het geschrei van een jodenmeisje!“Ja men lette er op om eene reden te hebben tot stilstaan bij den weg.“Gij weet hoe men in Europeesche steden om elke kleinigheid samenschoolt, hoe ieder vraagt: ‘wat is het?’ en niemand vraagt: ‘kan ik helpen?’“Toen de laatstaangekomenen eenige oogenblikken later vraagden: ‘wat is er?’ was het antwoord: ‘Daar is een jongeheer naar beneden geklommen om het mutsje van dat kind terug te halen.’ Die jonge heer was ik, natuurlijk.“Men hielp mij met een touw naar boven, want ik kon niet tegen den gladden rechten muur op. Ik scheurde mijne kleederen en schaafde mij de handen, maar niet genoeg naar mijn zin. Ik heb in mijn leven weinig genot gehad, dat boven de aandoening ging die ik gevoelde toen ik weder boven stond. Ik wilde mijn portret wel hebben van dat oogenblik. Twintig of dertig menschen, allen lieden van geringeren stand en meest joden, juichten mij toe. Een oud man, dezelfde die het touw hadgegeven, gaf mij de hand en zeide: ‘Jongeheer, het zal u goed gaan!’ Mijn lieve Willem riep als of hij grootsch was: ‘dat is mijn broêr Eduard!’ en ik...“O, die vervloekte ijdelheid! ik gloeide van genot. Ja, ik was wel blijde om de vreugde van het kind, dat voor knorren der ouders gevrijwaard was, maar dit was het niet,—als ik daarom alleen verheugd ware geweest, zoude het voor mijne goedhartigheid pleiten, neen ‘ik had mijn loon weg.’ Alles zag op mij, alles noemde mij, alles prees mij! Die menschen zouden mij op dat oogenblik gehoorzaamd hebben als ik—kleine jongen—hen iets gelast had. Ik nam de voorspelling van den ouden man aan als iets natuurlijks en ik liep dien dag op stelten des hoogmoeds voort, ieder aanziende alsof ik vragen wilde: ‘groet gij mij niet, mij...’”1Zulke voorvallen zijn teekenend voor zijn karakter. Maar zulke kleine heldendaden bevredigen hem niet. Hij droomt als een tweede Josef van macht en heerschappij: hij wil de uitdeeler zijn van weldaden, handhaver van het recht. Pijnlijk voelt hij de benauwende tegenstelling tusschen deze gedroomde heerlijkheid en het leven thuis en op school met al zijn beperkingen en voorschriften, waarin hij nietalleen een zeer onbelangrijk, maar ook een alles behalve volmaakt jongetje is. Maar zijn kritiek richt hij niet op eigen tekortkomingen, maar op die zijner omgeving. Hij bespeurt alras de onevenredigheid tusschen woord en daad der volwassenen: dit schokt zijn vertrouwen. En hij ziet de armoede, die niet wordt gelenigd en het onrecht, dat wordt geduld. In zijn droomen wil hij dan alles verbeteren, wat hem voorkomt verkeerd en onrechtvaardig te zijn. En hij begrijpt niet, dat God zooveel onrecht dulden kan. “De kleine jongen veroorloofde zich Hem kwalijk te nemen dat niet alles in de wereld overeenkwam metzijnbegrippen over ’t goede, en hij was dan ook ernstig van plan allerlei verbeteringen intevoeren, zoodra hij...”Wanneer? Hoe?Dit:wanneeren dit:hoespeelden de hoofdrol in z’n gedachten. Het denken hieraan beheerschte hem, en had den dubbelen invloed, eerst hem neerslachtig te maken, en ontevreden met het tegenwoordige, vervolgens kracht te geven tot geduldig dragen van de kleine tegenspoedjes die hem drukten, omdat-i de hoop koesterde later alles te regelen naar z’n wil.Ach, er was zoo véél te doen! En hij was zoo ver achter! Wat moest er nog veel gebeuren voor-i ’n eind kon maken aan al ’tverkeerde! En dit toch was z’n roeping, naar-i meende. De straat was slecht geplaveid. Daar ginds stond ’n huis op ’t instorten. Leentje stak povertjes in de kleeren. Er was onlangs een arme blindeman in ’t water gevallen en verdronken. Er scheen niemand bij geweest te zijn om te helpen... ook alweer God niet. Bovendien waarom was die man blind? En, nu eenmaal blind zijnde, waarom was-i arm? En nu eenmaal arm zijnde, waarom... och, er was geen eind aan verwijtende vragen.“De Fancy-verschijning had hem aangestoken met onmetelijkheid. Hij onderging onbewust den indruk van ’t verhevene en z’n onwetende ziel doolde rond in ’n oneindige reeks van middelen, die hij te kiezen had, en van wegen die hij wilde inslaan. Hij was goed, innig goed.Op ’t gebied van het goede wilde hij ’t hoogste grijpen, het moeielijkste tot stand brengen. Z’n weifelen in keus was ’n natuurlijk gevolg van onwetendheid. Bij elk voorkomend geval greep hij met z’n verbeelding terstond het uiterste, het hoogste, het beste, of wat z’n ongeoefend oordeel daarvoor hield. Dat ook bij hem alzoo ’n rol werd gespeeld door de gewone fout van edele harten—’n zeer ongewone fout dus—om de zedelijke waarde eener handeling alleen naar de zwaarte van ’t gebracht offer te schatten, spreekt vanzelf. En tevens, dat dit hem verleidde tot de zucht om offers te brengenwaar ze òf niet noodig waren òf niet verlangd werden, en in beide gevallen niet gewaardeerd. Ach, hoe gaarne ware hij uitgetogen om hier-en-daar bij bekken- en schildslag te doen bekend maken dat er ’n ridder was aangekomen, die om de klandizie verzocht van wat martelarij!“Later, later!” dacht hij. Later als-i bevrijd zou zijn van schoolsche en huiselijke banden. Dan zou-i ’n werelddeel gelukkig maken. En nog een. En nóg een...“Helaas er stonden er maar vijf in ’t boekje van zijn geografie.“Vijf werelddeelen slechts! ’t Is niet de moeite waard om van te spreken.“Wat dàn? Wat daarna?“Hier begon zich z’n fantasie te verliezen in de ruimte, en ’t firmament verwarrende met ’n gedroomden onstoffelijken hemel, naderden zijn gedachten het Wezen dat men hem had opgedrongen als: God. Maar dit bevredigde hem niet.“Geen ‘weg ter Zaligheid’ en geen katechismus was er in geslaagd het kind den anderen god te ontrooven, die hij in ’t gemoed droeg, en waarmee hij zich—ziehier z’n hoogmoed!—zonder de minste aanbidding vereenzelvigde. God, of ’n god, moest noodwendig hetgoedewillen, het goede zijn. Dit wilde en was Wouter ook. Hij stond dus zoo’n Wezen zeer na, enbeschouwde het in z’n trouwhartigen waan als z’n natuurlijken bondgenoot, als z’n gezel, als z’n kameraad. Zoo voelde hij zich prins van geestelijken bloede.”Zoo droomde Woutertje en zoo heeft Multatuli zelf gedroomd. Hij wil koning van Afrika worden...Deze kinderdroomen worden jongelingsdroomen, hij wil een tweede Napoleon zijn—en als man droomt hij van een keizerschap van Insulinde.In de droomen van het kind teekent het streven van den man zich reeds af. “Ik wou zorgen dat er in ’t heele land geen onrecht geschiedde,” lezen we in Idee 1063 en omdat hij niet kon dulden, niet in staat te zijn onrecht te straffen, te verhinderen, nam hij ontslag als assistent-resident van Lebak.Op het gymnasium kon hij het niet uithouden: het onderwijs was hem te dor en te schoolsch. Zijn vader plaatste hem als jongste bediende op het kantoor bij Van der Velde, die in katoentjes handelde. Hier kwam hij op zijn vijftiende jaar. Hoe moeilijk deze jaren voor den intelligenten jongen geweest zijn blijkt uit de satire, die hij op dit handelshuis in de Woutergeschiedenis leverde. Zich onderdanig te schikken viel hem uiterst moeilijk: de opgeblazendeftigheid, de koopmanstrots van de Keizersgracht was hem een gruwel. En dan voelde hij het pijnlijk maar een heel gewone burgerjongen te zijn, tot zoo’n uiterst onbelangrijken stand te behooren. Als hij met zijn vriend op een “buiten” op bezoek is vindt hij het zeer moeilijk om te bekennen, dat hij op den Haarlemmerdijk woont!“Ik had een zucht voor onafhankelijkheid die tot het bespottelijke ging,” bekent hij aan Everdine.In die jaren had hij een boezemvriend: den jongen Abraham des Amorie van der Hoeven, dien hij op het gymnasium had leeren kennen. Tot aan Van der Hoeven’s dood toe hebben beide vrienden gecorrespondeerd. Als jongelui hebben ze gelezen en geredeneerd over alles, wat hun jonge gemoederen bezig hield. Ze hebben ook druk getheologiseerd: Van der Hoeven zou theoloog worden, en is in Utrecht Remonstrantsch predikant geweest.D. D.heeft een godsdienstige opvoeding genoten en omstreeks 1830 beteekent een godsdienstige een orthodoxe opvoeding. Reeds als kind zijn de dogmatische voorstellingen geen klanken voor hem: de vrees voor hel en verdoemenis lééft in hem. En omdat die geloofsvoorstellingen hem boeien, doet hij kinderlijk-naïeve vragen die soms zeer oneerbiedig klinken. Zij spruiten geenszins voort uit onbewustentwijfel, maar integendeel uit een kinderlijk-ernstig godsdienstig gevoel. Zoo vroeg hij aan de baker of God ooit jong was geweest en of ze Hem had gekend zonder baard... Maar de baker berispte hem en dreigde met de verdoemenis, zoodat ’t kind zijn zucht naar kennis smoorde met de vrees, dat de aarde zich voor zijn voet zou openen en hem zou verzwelgen.Eens had hij in een speelsche bui op Gods neus een bril geteekend: en toen heeft hij gesidderd voor de trompet der diligence, die hem in de ooren klonk als de bazuin der kinderen Assurs, door God te hulp geroepen om zijn kinderlijke euveldaad te wreken.Met zijn vragen kan hij het zijn predikant op de catechisatie lastig genoeg maken; daar hij ’t niet met zichzelf eens was heeft hij zich niet laten doopen—zijn ouders waren Doopsgezind—; maar van twijfel, van ongeloof was toen nog geen sprake.Vóór zijn achttiende jaar heeft hij zich al bezondigd aan het maken van verzen: in een gedichtDe Schaatsenbezong hij de genoegens van wintersport en van vertellingen bij den huiselijken haard om te eindigen met een sentimenteele aansporing om het leed van den arme te verzachten met een beroep op... hemelsche vergelding!Veel vlotter en beter is de berijmde vertaling vanAndrieux’ De Molenaar van Sans-Souci,een berijming, waaraan hij trouwens later nog veel verbeterd heeft. De grondgedachte van dit vers vinden we in een van de fijnste hoofdstukken derMillioenenstudiënterug:Vieux Delft en moraal. Zoo sterk zijn de indrukken van ’t geen hij in zijn jonge jaren las, dat de herinnering er aan in later jaren telkens terugkeert.De achttienjarige besluit zijn gedicht over de bekende anecdote van Frederik den Grooten met de regels:Zie: een landschap wordt gestolen,En een molen blijft gespaard.En 35 jaar later schrijft hij: “Zou ook niet hier alweeralles in alleszijn? Onbeschaamdheid inpudeur? Kemels in muggen? Gestolen landschappen in gespaarde molens?”Uit deze verzen blijkt, dat de achttienjarige Douwes Dekker, wat literaire smaak betreft, op een lijn stond met de almanakschrijvers dier dagen. Dat hij Jean Paul leest is een belofte voor de toekomst.Zijn moeder en broeder lietenDe Schaatsenin een almanak opnemen: dit deed Eduard, die toen al in Indië was, aangenaam aan. Doch gelukkig voor zijne ontwikkeling en voor die onzer letterkunde zat hij in Indië buiten ’t bereik van almanakredacties en letterlievendegenootschappen. Zoo is zijn onvaste smaak er voor behoed om door onbevoegden lof en aanmoediging voor goed bedorven te worden.1Brieven I: 128–130.
Er bestaat een innig verband tusschen het innerlijk leven van den volwassene en het gemoedsleven van het kind. Het zieleleven van den kinderleeftijd is de voedingsbodem van latere geestelijke ontwikkeling.
Vele kunstenaars en denkers met een diep en rijk gemoedsleven en een sterke verbeelding hebben fijne, zuivere schetsen en opmerkingen over het kinderleven gegeven, welke getuigen hoe sterk ervaringen uit eigen kinderjaren doorwerken in het gemoed.
Zoo leeren we uit het werk van den volwassene het kind kennen, en uit deze openbaringen den mensen beter verstaan. Kennis van het kinderlijk gemoedsleven is van groote beteekenis om de persoonlijkheid van denkers en dichters te doorgronden.
Niet de kennis van de uiterlijke omstandigheden is van het grootste belang, maar het inzicht in het innerlijk leven van het kind: de ontwikkeling zijner fantasie, het aanvoelen zijner omgeving, het reageeren op zijn opvoeding.Dit laatste heeft Douwes Dekker onthuld in deGeschiedenis van Woutertje Pieterse, terwijl ook in de brieven aan Tine, in den verlovingstijd geschreven, vele herinneringen aan het kinderleven zijn opgehaald.
Eduard Douwes Dekker was de vierde spruit uit een gelukkig en degelijk Hollandsch burgergezin.
Zijn vader was kapitein ter koopvaardij; een goedhartig, zeer beschaafd, welbespraakt man, maar bij al zijne goedhartigheid was hij een man, die gehoorzaamd wilde worden en die zijne jongens eenigszins Spartaansch opvoedde. De moeder daarentegen moet eene liefdevolle, verstandige, maar zeer nerveuse vrouw zijn geweest. Doordat zij veel aan hoofdpijnen leed, moederde de oudste zuster mee over de vier jongere broertjes. Van deze zuster heeft Eduard veel gehouden. Pieter, zijn zeven jaar oudere broeder, een bedaarde, ijverige jongen, die in alles het tegenovergestelde was van den ondeugenden Eduard, viel minder in diens smaak. Pieter bracht het tot Doopsgezind predikant en achtte het zijn plicht, onjuistheden in het spraakgebruik zijner familieleden te corrigeeren en in ’t bizonder placht hij Eduard zijne gebreken op meesterachtigen toon onder het oog te brengen. Uit de geweldige antipathie tegen dezen braven broeder is dan later de figuur vanStoffel Pietersegeboren: Wouters van kan niettoevallig zijn: de familie Pieterse is naar broeder Pieter genoemd!
HUIS IN DE KORSJESPOORTSTEEG TE AMSTERDAM,HUIS IN DE KORSJESPOORTSTEEG TE AMSTERDAM,waar Multatuli op 2 Maart 1820 werd geboren.
HUIS IN DE KORSJESPOORTSTEEG TE AMSTERDAM,
waar Multatuli op 2 Maart 1820 werd geboren.
Met beide andere broeders was hij goede vrienden. Vooral met Jan, die drie jaar ouder was, met hem naar Indië ging en hem in zijn moeilijk leven meermalen trouw steunde.
De kinderen kregen een eenvoudige, maar goede en godsdienstige opvoeding. Voor luxe-uitgaven, als muziekonderwijs, was echter geen geld beschikbaar. Jan werd zeeman, later landheer in Indië, Pieter studeerde en ook Eduard werd voor de studie bestemd.
Eduard was het eenige kind, dat uit den band sprong; dat hij met zijn broers guitenstreken uithaalde, was zeer normaal. Maar in huis en school was hij een moeilijk kind.
Hoe gelukkig en gunstig de uiterlijke omstandigheden mochten zijn, toch ging het eigenlijke leven van dit kind buiten het gezin om. Een met dichterlijke verbeelding begaafd kind, heeft in het gelukkigste gezin zijn innerlijk leed te dragen, dat uit de tegenstelling voortvloeit tusschen zijne aspiraties naar al wat groot en heerlijk is en het eng-begrensde kinderleven. Deze afgetrokkenheid, dit droomen leidt tot tal van vergrijpen tegen de orde van het dagelijksche leven. Telkens botst het: knorren, straffen, komt herhaaldelijk voor. En van zijn kant poogt het kind zich aan het verstoren zijner droombeelden te onttrekken door leugens.Door vele berispingen is hij verhard, hij raakt er aan gewend als zondebok te worden gebruikt. Zijne moeder kan hem vrij goed regeeren, maar met den vader, die op autoriteit gesteld is, vallen herhaaldelijk verdrietige scènes voor. Ook op school gaat het slecht. Zijne ouders roepen de toegevelijkheid zijner onderwijzers in, omdat hij h. i. moeilijk kan leeren. Verdiept in de tooverwereld zijner fantasie kan hij zijn verstand niet bepalen bij taaloefeningen en jaartallen.
De school haat hij, het ouderlijk huis benauwt hem: zoo vaak hij kan zwerft hij buiten de poort—zijne ouders woonden op den Haarlemmerdijk te Amsterdam—langs de buitenpaden, om daar bij sloten, bruggetjes en molens te mijmeren. Dit droomleven neemt hem geheel in beslag als de wereld van ridderen rooverromans voor hem opengaat. De beelden uit zijn lectuur, de ervaringen uit zijn kinderleven vermengen zich in zijn fantasieën; en daar speelt hij zelf temidden van zijn romanhelden en heldinnen de schoonste rol. Peinzende over deze romantische heerlijkheden wordt in zijn zielFancygeboren. Fancy nam hem op en voerde hem mee, en heeft hem nooit weer losgelaten.
Maar het bleef niet bij droomen en fantaseeren: hij wil zelf de idealen van ridderlijkheid in praktijk brengen, hij wil zelf bovenanderen uitmunten, hij wilde eerstezijn. Een groote eerzucht ontwikkelt zich in het kinderlijk gemoed,—een eerzucht, om het goede en rechte te doen zegevieren. De zucht om zelf de eerste te zijn wordt geëvenaard door den drang tot weldoen en helpen. Beide vloeien ineen. Kenmerkend is de geschiedenis van een zijner jeugdige heldendaden, die hij aan Tine opbiecht:
“Ik wandelde op een Zaterdag met mijn broeder Willem, die helaas niet meer leeft—hij was een allerliefste jongen en drie jaren jonger dan ik—op de Hoogesluis te Amsterdam. Ik herinner mij zeer goed, dat het juist Zaterdag was, omdat er veel Joden op de been waren. Voor ons uit liepen twee jodenkindertjes, een jongetje en een meisje. Het waaide hard en het meisje, dat het toezicht over haar broêrtje scheen te hebben, vermaande hem zijn mutsje goed vast te houden. Ik onthoud nog al goed kleinigheden, het was een fluweel baretje met schotse ruiten om den rand. Het mutsje waaide af en rolde over de steenen tot de wind het naar den kant.... Herinnert ge u die laagte naast de hooge sluis, daar waar een soort van tuintje is, bijna au niveau van het water? Daar waaide het mutsje in.
“De jongen, die vergeefs het ding tot bij de leuning was nageloopen, huilde, en het meisje scheen bang te wezen voor berisping, als zijthuis kwam, het arme kind wrong de handen en zag zoo bedroefd naar beneden...
“Men vraagde een man, die in een schuitje de brug doorvoer het aan te reiken. Hij wilde niet. Wie houdt zich ook op om het mutsje van een jodenkind,—wie let er op het geschrei van een jodenmeisje!
“Ja men lette er op om eene reden te hebben tot stilstaan bij den weg.
“Gij weet hoe men in Europeesche steden om elke kleinigheid samenschoolt, hoe ieder vraagt: ‘wat is het?’ en niemand vraagt: ‘kan ik helpen?’
“Toen de laatstaangekomenen eenige oogenblikken later vraagden: ‘wat is er?’ was het antwoord: ‘Daar is een jongeheer naar beneden geklommen om het mutsje van dat kind terug te halen.’ Die jonge heer was ik, natuurlijk.
“Men hielp mij met een touw naar boven, want ik kon niet tegen den gladden rechten muur op. Ik scheurde mijne kleederen en schaafde mij de handen, maar niet genoeg naar mijn zin. Ik heb in mijn leven weinig genot gehad, dat boven de aandoening ging die ik gevoelde toen ik weder boven stond. Ik wilde mijn portret wel hebben van dat oogenblik. Twintig of dertig menschen, allen lieden van geringeren stand en meest joden, juichten mij toe. Een oud man, dezelfde die het touw hadgegeven, gaf mij de hand en zeide: ‘Jongeheer, het zal u goed gaan!’ Mijn lieve Willem riep als of hij grootsch was: ‘dat is mijn broêr Eduard!’ en ik...
“O, die vervloekte ijdelheid! ik gloeide van genot. Ja, ik was wel blijde om de vreugde van het kind, dat voor knorren der ouders gevrijwaard was, maar dit was het niet,—als ik daarom alleen verheugd ware geweest, zoude het voor mijne goedhartigheid pleiten, neen ‘ik had mijn loon weg.’ Alles zag op mij, alles noemde mij, alles prees mij! Die menschen zouden mij op dat oogenblik gehoorzaamd hebben als ik—kleine jongen—hen iets gelast had. Ik nam de voorspelling van den ouden man aan als iets natuurlijks en ik liep dien dag op stelten des hoogmoeds voort, ieder aanziende alsof ik vragen wilde: ‘groet gij mij niet, mij...’”1
Zulke voorvallen zijn teekenend voor zijn karakter. Maar zulke kleine heldendaden bevredigen hem niet. Hij droomt als een tweede Josef van macht en heerschappij: hij wil de uitdeeler zijn van weldaden, handhaver van het recht. Pijnlijk voelt hij de benauwende tegenstelling tusschen deze gedroomde heerlijkheid en het leven thuis en op school met al zijn beperkingen en voorschriften, waarin hij nietalleen een zeer onbelangrijk, maar ook een alles behalve volmaakt jongetje is. Maar zijn kritiek richt hij niet op eigen tekortkomingen, maar op die zijner omgeving. Hij bespeurt alras de onevenredigheid tusschen woord en daad der volwassenen: dit schokt zijn vertrouwen. En hij ziet de armoede, die niet wordt gelenigd en het onrecht, dat wordt geduld. In zijn droomen wil hij dan alles verbeteren, wat hem voorkomt verkeerd en onrechtvaardig te zijn. En hij begrijpt niet, dat God zooveel onrecht dulden kan. “De kleine jongen veroorloofde zich Hem kwalijk te nemen dat niet alles in de wereld overeenkwam metzijnbegrippen over ’t goede, en hij was dan ook ernstig van plan allerlei verbeteringen intevoeren, zoodra hij...”
Wanneer? Hoe?
Dit:wanneeren dit:hoespeelden de hoofdrol in z’n gedachten. Het denken hieraan beheerschte hem, en had den dubbelen invloed, eerst hem neerslachtig te maken, en ontevreden met het tegenwoordige, vervolgens kracht te geven tot geduldig dragen van de kleine tegenspoedjes die hem drukten, omdat-i de hoop koesterde later alles te regelen naar z’n wil.
Ach, er was zoo véél te doen! En hij was zoo ver achter! Wat moest er nog veel gebeuren voor-i ’n eind kon maken aan al ’tverkeerde! En dit toch was z’n roeping, naar-i meende. De straat was slecht geplaveid. Daar ginds stond ’n huis op ’t instorten. Leentje stak povertjes in de kleeren. Er was onlangs een arme blindeman in ’t water gevallen en verdronken. Er scheen niemand bij geweest te zijn om te helpen... ook alweer God niet. Bovendien waarom was die man blind? En, nu eenmaal blind zijnde, waarom was-i arm? En nu eenmaal arm zijnde, waarom... och, er was geen eind aan verwijtende vragen.
“De Fancy-verschijning had hem aangestoken met onmetelijkheid. Hij onderging onbewust den indruk van ’t verhevene en z’n onwetende ziel doolde rond in ’n oneindige reeks van middelen, die hij te kiezen had, en van wegen die hij wilde inslaan. Hij was goed, innig goed.Op ’t gebied van het goede wilde hij ’t hoogste grijpen, het moeielijkste tot stand brengen. Z’n weifelen in keus was ’n natuurlijk gevolg van onwetendheid. Bij elk voorkomend geval greep hij met z’n verbeelding terstond het uiterste, het hoogste, het beste, of wat z’n ongeoefend oordeel daarvoor hield. Dat ook bij hem alzoo ’n rol werd gespeeld door de gewone fout van edele harten—’n zeer ongewone fout dus—om de zedelijke waarde eener handeling alleen naar de zwaarte van ’t gebracht offer te schatten, spreekt vanzelf. En tevens, dat dit hem verleidde tot de zucht om offers te brengenwaar ze òf niet noodig waren òf niet verlangd werden, en in beide gevallen niet gewaardeerd. Ach, hoe gaarne ware hij uitgetogen om hier-en-daar bij bekken- en schildslag te doen bekend maken dat er ’n ridder was aangekomen, die om de klandizie verzocht van wat martelarij!
“Later, later!” dacht hij. Later als-i bevrijd zou zijn van schoolsche en huiselijke banden. Dan zou-i ’n werelddeel gelukkig maken. En nog een. En nóg een...
“Helaas er stonden er maar vijf in ’t boekje van zijn geografie.
“Vijf werelddeelen slechts! ’t Is niet de moeite waard om van te spreken.
“Wat dàn? Wat daarna?
“Hier begon zich z’n fantasie te verliezen in de ruimte, en ’t firmament verwarrende met ’n gedroomden onstoffelijken hemel, naderden zijn gedachten het Wezen dat men hem had opgedrongen als: God. Maar dit bevredigde hem niet.
“Geen ‘weg ter Zaligheid’ en geen katechismus was er in geslaagd het kind den anderen god te ontrooven, die hij in ’t gemoed droeg, en waarmee hij zich—ziehier z’n hoogmoed!—zonder de minste aanbidding vereenzelvigde. God, of ’n god, moest noodwendig hetgoedewillen, het goede zijn. Dit wilde en was Wouter ook. Hij stond dus zoo’n Wezen zeer na, enbeschouwde het in z’n trouwhartigen waan als z’n natuurlijken bondgenoot, als z’n gezel, als z’n kameraad. Zoo voelde hij zich prins van geestelijken bloede.”
Zoo droomde Woutertje en zoo heeft Multatuli zelf gedroomd. Hij wil koning van Afrika worden...
Deze kinderdroomen worden jongelingsdroomen, hij wil een tweede Napoleon zijn—en als man droomt hij van een keizerschap van Insulinde.
In de droomen van het kind teekent het streven van den man zich reeds af. “Ik wou zorgen dat er in ’t heele land geen onrecht geschiedde,” lezen we in Idee 1063 en omdat hij niet kon dulden, niet in staat te zijn onrecht te straffen, te verhinderen, nam hij ontslag als assistent-resident van Lebak.
Op het gymnasium kon hij het niet uithouden: het onderwijs was hem te dor en te schoolsch. Zijn vader plaatste hem als jongste bediende op het kantoor bij Van der Velde, die in katoentjes handelde. Hier kwam hij op zijn vijftiende jaar. Hoe moeilijk deze jaren voor den intelligenten jongen geweest zijn blijkt uit de satire, die hij op dit handelshuis in de Woutergeschiedenis leverde. Zich onderdanig te schikken viel hem uiterst moeilijk: de opgeblazendeftigheid, de koopmanstrots van de Keizersgracht was hem een gruwel. En dan voelde hij het pijnlijk maar een heel gewone burgerjongen te zijn, tot zoo’n uiterst onbelangrijken stand te behooren. Als hij met zijn vriend op een “buiten” op bezoek is vindt hij het zeer moeilijk om te bekennen, dat hij op den Haarlemmerdijk woont!
“Ik had een zucht voor onafhankelijkheid die tot het bespottelijke ging,” bekent hij aan Everdine.
In die jaren had hij een boezemvriend: den jongen Abraham des Amorie van der Hoeven, dien hij op het gymnasium had leeren kennen. Tot aan Van der Hoeven’s dood toe hebben beide vrienden gecorrespondeerd. Als jongelui hebben ze gelezen en geredeneerd over alles, wat hun jonge gemoederen bezig hield. Ze hebben ook druk getheologiseerd: Van der Hoeven zou theoloog worden, en is in Utrecht Remonstrantsch predikant geweest.
D. D.heeft een godsdienstige opvoeding genoten en omstreeks 1830 beteekent een godsdienstige een orthodoxe opvoeding. Reeds als kind zijn de dogmatische voorstellingen geen klanken voor hem: de vrees voor hel en verdoemenis lééft in hem. En omdat die geloofsvoorstellingen hem boeien, doet hij kinderlijk-naïeve vragen die soms zeer oneerbiedig klinken. Zij spruiten geenszins voort uit onbewustentwijfel, maar integendeel uit een kinderlijk-ernstig godsdienstig gevoel. Zoo vroeg hij aan de baker of God ooit jong was geweest en of ze Hem had gekend zonder baard... Maar de baker berispte hem en dreigde met de verdoemenis, zoodat ’t kind zijn zucht naar kennis smoorde met de vrees, dat de aarde zich voor zijn voet zou openen en hem zou verzwelgen.
Eens had hij in een speelsche bui op Gods neus een bril geteekend: en toen heeft hij gesidderd voor de trompet der diligence, die hem in de ooren klonk als de bazuin der kinderen Assurs, door God te hulp geroepen om zijn kinderlijke euveldaad te wreken.
Met zijn vragen kan hij het zijn predikant op de catechisatie lastig genoeg maken; daar hij ’t niet met zichzelf eens was heeft hij zich niet laten doopen—zijn ouders waren Doopsgezind—; maar van twijfel, van ongeloof was toen nog geen sprake.
Vóór zijn achttiende jaar heeft hij zich al bezondigd aan het maken van verzen: in een gedichtDe Schaatsenbezong hij de genoegens van wintersport en van vertellingen bij den huiselijken haard om te eindigen met een sentimenteele aansporing om het leed van den arme te verzachten met een beroep op... hemelsche vergelding!
Veel vlotter en beter is de berijmde vertaling vanAndrieux’ De Molenaar van Sans-Souci,een berijming, waaraan hij trouwens later nog veel verbeterd heeft. De grondgedachte van dit vers vinden we in een van de fijnste hoofdstukken derMillioenenstudiënterug:Vieux Delft en moraal. Zoo sterk zijn de indrukken van ’t geen hij in zijn jonge jaren las, dat de herinnering er aan in later jaren telkens terugkeert.
De achttienjarige besluit zijn gedicht over de bekende anecdote van Frederik den Grooten met de regels:
Zie: een landschap wordt gestolen,En een molen blijft gespaard.
Zie: een landschap wordt gestolen,En een molen blijft gespaard.
Zie: een landschap wordt gestolen,
En een molen blijft gespaard.
En 35 jaar later schrijft hij: “Zou ook niet hier alweeralles in alleszijn? Onbeschaamdheid inpudeur? Kemels in muggen? Gestolen landschappen in gespaarde molens?”
Uit deze verzen blijkt, dat de achttienjarige Douwes Dekker, wat literaire smaak betreft, op een lijn stond met de almanakschrijvers dier dagen. Dat hij Jean Paul leest is een belofte voor de toekomst.
Zijn moeder en broeder lietenDe Schaatsenin een almanak opnemen: dit deed Eduard, die toen al in Indië was, aangenaam aan. Doch gelukkig voor zijne ontwikkeling en voor die onzer letterkunde zat hij in Indië buiten ’t bereik van almanakredacties en letterlievendegenootschappen. Zoo is zijn onvaste smaak er voor behoed om door onbevoegden lof en aanmoediging voor goed bedorven te worden.
1Brieven I: 128–130.
1Brieven I: 128–130.
INDISCHE LEERJAREN (1838–1845).Met het schip, waarop zijn vader kapitein en zijn broeder Jan stuurman was, ging Eduard op zijn achttiende jaar naar Indië. Door een verlof van drie jaren onderbroken is hij daar zeventien jaar geweest: de jaren van zijn intellectueele en innerlijke vorming brengt hij door ver van Holland. Hij is daardoor afgesneden van de Hollandsche cultuur. Zijn vader weet hem geplaatst te krijgen als klerk zonder bezoldiging bij de Algemeene Rekenkamer. Zijn loopbaan is de eerste jaren zeer voorspoedig. Na zes weken reeds ontvangt hij salaris. In een officieele missieve van 10 April 1839 lezen we dat hij “een zeer bekwaam onderwijs genoten heeft,” en “ofschoon jong van jaren, de verwachting doet koesteren, dat hij tot een bekwaam ambtenaar zal kunnen worden opgeleid.” En het blijkt, dat andere departementen hem voordeelige aanbiedingen hebben gedaan.Een jaar na zijn komst in Indië wordt hij dan ook al benoemd tot kommies 2deklasse; hij onderscheid zich niet alleen door vlijt enwerkzaamheid, maar ook geeft hij “de onbetwistbaarste bewijzen van vlugheid, doorzicht en kunde, in al hetgeen hem wordt opgedragen.”Na het neerdrukkend bestaan van jongste bediende op de Keizersgracht—waar het opgedragen werk steeds verre bleef beneden zijn kennen en kunnen—was de arbeid in de Indische regeeringsbureaux eene verademing: hier kregen ook beginnelingen werk, waar iets van te maken viel. Voor wie toonde te willen werken, was er kans op snelle bevordering.Niet alleen in de bureaux, ook in de samenleving van Batavia heeft de jonge Douwes Dekker snel zijn weg gevonden: van het neerdrukkend gevoelmaareen burgerjongen te zijn, voelt hij zich bevrijd. Hij werd gewaardeerd als een geestig en ontwikkeld jongmensch, die niet gewoon was zijn chefs, die hij niet lijden mocht te sparen. Maar het gezellige leven is duur—hij verspeelde met biljarten wel eens ƒ 100 per week1—en een goed financier is Douwes Dekker nooit geweest! Om zijne schulden (ruim ƒ 2000) te betalen zal hij hoogstwaarschijnlijk overplaatsing naar Sumatra’s Westkust hebben gevraagd. In 1842 werd hij wederom met een zeer loffelijke aanbeveling bevorderd tot controleur 2deklasse ter Westkust van Sumatra.De Assistent-Residentswoning van Douwes Dekker te Rangkas Betoeng, hoofdplaats van Lebak.De Assistent-Residentswoning van Douwes Dekker te Rangkas Betoeng, hoofdplaats van Lebak.(Naar een photographie).Maar zijne schulden waren niet het eenige wat hem in Batavia benauwde: het bureauwerk waarvoor hij zoo geschikt bleek, verveelde hem op den duur: het vrije en avontuurlijke van een bestuursbetrekking in de buitenbezittingen, waar hij als eerst-aanwezend ambtenaar, een soort vorstelijke macht zou uitoefenen, werkte op zijne fantasie: zelfstandig en rechtvaardig besturen en recht spreken, ervoor waken, dat geen onrecht geschiede ... dat alles trok hem aan. “Een meer levendigen en werkdadigen werkkring” vraagt hij daarom in zijn rekest aan den Gouverneur-Generaal.Het zijn de kinderdroomen, die vasteren vorm gaan aannemen, die werkelijkheid zullen worden.En dan is er nog iets, dat hem van Batavia wegdreef: zijn verbroken engagement met Caroline Versteegh, dat hij omdichtte tot een ongelukkige liefde. Zij was een koel en nuchter meisje: kenschetsend is deze vermaning in een kort briefje: “denk niet te veel”. Om de toestemming van haren vader te verwerven werd hij Roomsch, maar het mocht niet baten; in Aug. 1842 maakt haar vader een eind aan de verloving, waarschijnlijk onder invloed van praatjes over zijn financieele onsoliditeit.Onder deze teleurstelling heeft hij veel geleden, maar tegelijkertijd was het hem een genot zich in de smart zijner ongelukkige liefde te koesteren, zooals hij eerst in een geluksroesgeleefd had, waarin hij met haar dweepte, waarin zij hem een heilige was2.Deze eerste, ernstige liefde—want uit de Woutergeschiedenis weten we, dat Wouter-Eduard van zijn kinderjaren af heel wat “vlammen” gehad heeft—is tot romantische beleving verdicht.Hoe een geliefde te idealiseeren, hoe eene ongelukkige liefde te dragen, dat had hij uit zijn romantische boeken geleerd: het was een nieuwe sensatie nu zèlf in het leven dat belangwekkende te ervaren. Zijne ongelukkige liefde belette hem niet bekoord te worden door het dochtertje van een inlandsch hoofd met wie hij een tochtje in een prauw maakte langs de kust; zij leefde met hem te Natal; maar te Padang zond hij haar om zijn armoede naar haar vader terug.In deze jaren blijkt het hoe langer hoe duidelijker, dat de droomwereld, waarin hij als kind geleefd had, ook macht over zijn ziel behoudt op rijper leeftijd. Het wordt hem meer en meer ernst met zijn droomen, met zijn luchtkasteelen: “ik moet bekennen nooit verstandig genoeg geweest te zijn om mijne zestienjarige luchtkasteelen omver te halen”3. Zijn levenstaak gaat hij er meer en meer op richten om zijne luchtkasteelen te verwerkelijken.De anderhalf jaar op Sumatra doorgebracht zijn van groote beteekenis voor zijn ambtelijk leven, maar ook voor zijne geestelijke vorming: zelf heeft hij menigmaal later gezegd, dat hij zich te Natal bewust is geworden. Steeds duidelijker grijpen literatuur en leven, droom en werkelijkheid in elkander.In Natal waren maar enkele Europeanen, zoodat de jonge controleur veel tijd had om te lezen. Hij las niet bij voorkeur Hollandsche boeken: in den geest trekt hij den band met Holland niet toe. Hij was uit Holland vertrokken, voordat hij er tot intellectueele kringen toegang had gekregen. De religieuse beweging van het réveil was niet tot hem doorgedrongen en evenmin wist hij af van ’t geen er leefde in jonge mannen als Potgieter en Bakhuyzen van den Brink, die een jaar vóór zijn vertrek “De Gids” begonnen uit te geven. En in Indië heeft hij zich om de ontwikkeling van het geestelijk leven in Holland weinig bekommerd. Een enkel woord over een lief vers van Ten Kate lezen we in zijn Brieven, maar verder is hij van Walter Scott, Sue en Lamartine, van Heine en August Lafontaine vervuld;m. a. w.niet de geestelijke leiders van zijn eigen volk, maar die van de Europeesche romantiek hebben zijn geestelijk leven gevormd. Dit heeft niet alleen op zijn levens- en wereldbeschouwing een overwegenden invloed geoefend,maar ook op zijne literairen smaak en op zijn eigen stijl. Deze is levendiger, losser en daardoor pakkender dan die der best gestileerde stukken zijner Hollandsche tijdgenooten. In Indië heeft hij onder invloed van buitenlandsche schrijvers langzamerhand een talent van schrijven ontwikkeld, waarmede hij een dertigtal jaren later zijne landgenooten diep zal treffen. Niet alleen zijn stijl heeft hij in de afzondering der tropen gevormd, ook zijn denkbeelden gaan onder invloed van de Europeesche denkers en schrijvers der romantiek hoe langer hoe meer afwijken van de in Holland gangbare. Dat proces heeft zich geleidelijk voltrokken; alles werkt mede om van den jongen Douwes Dekker een typisch vertegenwoordiger der romantiek te maken. Door zijn aanleg is hij er zeer zeker toe voorbestemd: zijn impulsief temperament, zijn neiging tot droomen en fantaseeren, hem van kind af eigen, zijn verlangen naar macht om ’t goede te kunnen doen zegevieren, zijn amoureuze aanleg, maken hem uiterst gevoelig voor romantische lectuur; en door die lectuur wordt zijn aanleg in die richting verder ontwikkeld.Het Indische milieu, de ambtenaarsloopbaan, die hem op jeugdigen leeftijd in zijn onmiddellijke omgeving met de hoogste macht heeft bekleed, hebben zijn romantische heerschersneigingen versterkt.Aanleg, lectuur en omstandigheden drijven hem alle tot romantische daden in het ambtelijke leven, tot een romantische levenshouding.Zeer merkwaardig in dit inzicht zijn de romans van August Lafontaine: deze boeken blijven hem boeien. Het zijn dezelfde, die in de Woutergeschiedenis herhaaldelijk ter sprake komen en in welker stijl hij de luchtkasteelen van zijn zestienjarigen leeftijd optrok. In zijn brieven aan Tine, in zijnIdeënkomt hij telkens terug op die romans: één er van noemt hij in het bizonder:Hermann Lange. In verband met zijn eigen lotgevallen is dit een merkwaardig boek: de jonge held wordt door z’n rijke, naar aanzien strevende ouders, een fantast genoemd, die niet voor de wereld deugt, daar hij te eerlijk, te edel en te oprecht is! Hij heeft zelfstandig leeren denken, en hij voelt diep. Om zijn scherpzinnigheid te oefenen, weerlegt hij elke meening, ook als hij ze voor waar houdt! Hij heeft gevoel voor humor: hij vindt alles zoowel eerbiedwaardig als lachwekkend.Met zijn fier en edel karakter is hij in de ambtelijke wereld van een klein vorstendommetje niet bemind: als hem wordt opgedragen om een stuk, dat hij gesteld heeft, over te maken, omdat het poëzie en geen proza is, neemt hij zijn ontslag. Hij wil het geluk der fortuin niet zoeken door daden, die hij immoreelvindt. “Kruipen leer ik nooit, daar ik geleerd heb te ontberen.” Hij ontwikkelt uitvoerig een theorie, waaromgoedemenschen in Staatsdienst weinig kunnen uitrichten; want zij, die belang hebben bij de misbruiken, waaronder ’t volk gebukt gaat, kénnen juist de zaken ’t best, zoodat de deugdzaamste en ijverigste vorst of minister, niets kan uitrichten met zoo’n bende deugnieten. Weer in dienst geplaatst wordt Hermann Lange voor de tweede maal onrechtvaardig behandeld. Maar hij verdedigt zich flink en houdt zijn goed recht staande. Wederom wordt hij ontslagen. En zijn vrouw glimlacht en zegt gelaten: “een gerust geweten is meer waard dan de rijkste bezoldiging.” Een liefelijke en uiterst sobere huiselijkheid is de belooning voor zijn karaktervol handelen.Inderdaad vinden we hier verschillende trekken, die ook in deMax Havelaarvoorkomen: de verheven aspiraties, de zin voor humor, de afkeer van “misbruiken”, de minachting van rijkdom en de fierheid, waarmede hij liever wordt ontslagen dan te buigen voor zijn chef. Wat Douwes Dekker in zijn held bewondert, wat zoo strookt met zijn eigen aanleg, dat heeft hij in eigen loopbaan in praktijk gebracht.Hoe grooten indruk op zijn gemoed een levensbeschrijving van Napoleon heeft gemaakt, blijkt uit een stuk door hem in Natal geschreven, en het eerst door zijne weduwe in 1891uitgegeven. In dezeLosse Bladen uit het Dagboek van een oud man, zien we hoe de jonge man zich af gaat vragen, wat zalik, die in mijn tot nu toe vage droomen en aspiraties eigen superioriteit zoo levendig heb beseft, voor groots tot stand brengen? En dan zijn er twee genieën, die hem voor den geest zweven: Napoleon en Rousseau. Het groote van Napoleon was niet zoozeer zijn dapperheid, zijn krijgskunst, als wel zijndenkbeeld: “Napoleon was groot toen hij met het hoofd in de hand nadacht, en het lot van Europa vaststelde, voor nog iemand voorzien kon dat hij op Europa eenigen invloed zoude kunnen uitoefenen.” Hieruit volgt dan volgensD. D., datdie begeerte zelvetot grootheid, de eerste stap tot grootheid is. En deze begeerte koesterde hij in hooge mate. “Ik zit met het hoofd in de hand en peins.... Wanneer ik ooit voor het oog van de wereld schitteren zal, men danke het dit oogenblik!”En hij weifelt lang tusschen Diogenes en Alexander, tusschen Rousseau en Napoleon, tusschen het verhevene en het verheven schijnende! Maar hij laat den schrijver van de dagboekbladen het laatste kiezen: “uit zwakheid, uit ijdelheid, misschien uit wraakzucht!” En terwijl hij den man van de daad wil navolgen, verheerlijkt hij hem om ... zijndenkbeeld. Hij wil een kroon bemachtigen:“Ik beminde een meisje en verloor haar. Wat anders dan een kroon kan mij schadeloos stellen?”Zoowel deze uitingen als wat volgt verraden een zoekenden geest, die grootsche plannen in zich omdraagt, om dan weer spoedig te vertwijfelen aan hun verwerkelijking. Want dezelfde jonge aspirant-veroveraar laat hij na 33 jaren gelaten als gepensionneerde grootvader Alexander en diens generaal vasthouden bij het soldaatje spelen van zijn kleinzoon.Uit dit stuk spreken eene grenzenlooze eerzucht en diepste wanhoop aan eigen kunnen. Merkwaardig is het ook, dat hem van den aanvang af, het tweeledige van zijn levensideaal bewust is geweest.DeLosse Bladenzijn in zeker opzicht eene bekentenis: het hoogste is de geestelijk roem van een Diogenes, een Rousseau; maar uit ijdelheid kiest hij de wereldsche grootheid van een Napoleon! En toch eert hij in deze in de eerste plaats de grootheid der gedachte: in Napoleon eert hij, dat wat Rousseau groot maakte; en hij beseft het manco van den denker: de daad ontbreekt. In later jaren, als hij door zijn woord, door zijne ideeën duizenden meesleept, droomt hij van wereldsche macht, van een keizerrijk van Insulinde. Als hij machtig inwerkt op den geest zijner landgenooten, betreurt hij het, dat de macht hem ontbreekt, allerlei practische hervormingenin te voeren. De tragiek dezer vergissing openbaart zich al in een zijner eerste stukken!In zijn Natalsche maanden is hij vervuld van drang tot daden; hij heeft veelomvattende plannen: hij wil een haven te Natal laten aanleggen om het uit zijn isolement op te heffen. Maar zijn chefs zijn niet gediend van de grootsche plannen van den jongen controleur, zij eischen nauwkeurige administratie in de eerste plaats. Hierdoor voeltD. D.zich gekrenkt in zijn ijdelheid: terwijl hij zich droomde regelaar van een zonnestelsel, was ’t hard voor hem nog zoo weinig te beteekenen dat hij niet eens een haven kon laten maken, waar hij wilde.D. D.heeft voor de zelfstandige bestuursmacht zijn plichten als ondergeschikt ambtenaar verwaarloosd: al zijn lijden op Sumatra is hieraan toe te schrijven, dat hij als besturend ambtenaar zich inderdaad bestuurder, vorst der onder hem gestelde bevolking voelde, maar dat hij als ambtenaar telkens faalde. Hij had zeer vele en uiteenloopende functies te vervullen: hij was zelfstandig bestuurder en inspecteur der pepervelden, politiehoofd, politierechter, voorzitter van den rapat (= inlandsche rechtbank), vendumeester, beheerder van het gouvernements-provisie- en zoutpakhuis, ontvanger van de tolrechten, postmeester, agent van de Padangsche wees- en boedelkamer en voorts was hij belast met het toezicht op ’s lands gebouwen en openbare werken!Al die administraties en kassen moesten nauwkeurig worden bij- en uit elkaar gehouden. De streek was bovendien pas tot rust gebracht. Onder zijn voorganger was een complot ontdekt om oproer te maken en den controleur te vermoorden. Intriges van inlandsche hoofden maakte de berechting van zulke quaesties hoogst moeilijk. Met een paar Inlandsche Hoofden was hij zéér bevriend en vertrouwde hen volkomen. Zoo kwam het, dat hij in allerlei intriges van inlanders de zaak door hun oogen bezag en den gouverneur tegenwerkte, die zijn vrienden afzette en verbande; dit heeft de stemming van gouverneur Michiels ten zijnen opzichte niet beter gemaakt. Dreigende oproeren, die hem noopten, dikwijls ver van zijn kas te vertoeven, voerde hij dan ook als verontschuldiging aan voor zijn slordig bijgehouden administratie. Uit het Natalsche archief blijkt echter niets van dien voorkomen opstand en ook het genoemde complot is gebleken een verzinsel van inlanders te zijn; maar Douwes Dekker zag met romantische verbeelding het gevaar van opstand, van moord dreigen en dat was voor zijn psychisch evenwicht niet bevorderlijk: het versterkte hem in de heroïsche opvatting zijner taak en maakte hem nog ongeschikter voor het accuraat beheer van de gelden, het zout en de rijst van het gouvernement.Talrijk zijn de aanmerkingen op zijn administratie: telkens moet hij tekorten bijpassen,boeten betalen. In zijn ambtelijke antwoorden teekent zich de Havelaar-figuur al af: als de reglementen voor een goed transport toestaan ƒ 12 voor drie koelies en ƒ 4 voor een conducteur in rekening te brengen, terwijl ook al onder zijn voorgangers, de conducteur ƒ 8 kreeg, terwijl er maar2 koelieswaren, wasD. D.er niet toe te bewegen de declaratie reglementair in te richten. “Ikwildeenkonniet zeggen, dat ik ƒ 4 voor een conducteur betaalde, want het was eene onwaarheid! Ik mogt niet 3 koelies opbrengen waar ik slechts 2 betaalde, want het ware een logen geweest! Ik zal er trotsch op zijn met de telkenreize voorkomende vergoeding van ƒ 4 belast te worden,omdat ik niet wilde liegen, waartoe mijne voorgangers zich door den drang der omstandigheden hadden laten dwingen.” En als hij berispt wordt, omdat hijprauwhuurinplaats van de reglementair toegestane scheepsruimte en tafelgelden, declareert, antwoordt hij: “Indien er bepalingen bestaan die de verzaking der waarheid vorderen dan zijn dezelve voor mij van geene kracht. Ik acht de waarheid hooger dan het Staatsblad en geef openlijk deze verklaring al zoude mijne ongeschiktheid tot ambtenaar als een onmiddellijk gevolg dier verzekering beschouwd worden.”De toon zijner verantwoording is scherp, soms pathetisch. Als hij er kans toe ziet, schrijft hij graag een hatelijkheid aan den steeds aanmerkingenmakenden chef. In een verslag over een inspectie van de pepertuinen weet hij zijn chef mee te deelen, dat deze de hoofdpaden bij zijn inspectie niet had verlaten, maar dathijzich niet bepaald (heeft) tot het waarnemen der langs de hoofdpaden aangeplante ranken, maar (zich) ginds en herwaarts van den weg af begeven (heeft).Waardoor hem bleek datzijnoordeel over de aanplantingen nog verreweg ongunstiger is, dan dat van zijn chef. Zulke opmerkingen maakten zijn chef niet zachtzinniger in diens oordeel over de talrijke overtredingen der reglementen.Medegevoel met den inlandschen arbeider spreekt uit zijne missive over de pepercultuur: de stand van zaken is daar “allerellendigst”, maar: “De arbeiders hebben gebrek aan behoorlijk voedsel! Ik weet niet in hoeverre deze omstandigheid in dienst een reden tot verschooning kan daarstellen van achterlijkheid in het vervullen der op ondergeschikten rustende verpligtingen, doch dat is zeker dat het mij in gemoede moeijelijk zoude vallen menschen tot werken aan te zetten voor ik mij verzekerd konde houden dat het allernoodigste tot levensonderhoud in genoegzame mate voorhanden was. Rijst is op het oogenblik voor de arbeiders in de pepertuinen niet te verkrijgen, men voedt zich sober met InlandscheoebienPisang, die overigens nog niet eens in genoegzame hoeveelheidaanhanden is.” Hij meent in de geknakte énergie de oorzaak der werkeloosheid te hebben gevonden: en deze moet worden opgewekt door “voor den arbeider eene meer lagchende toekomst, een vrolijker vooruitzigt daar te stellen, en in dit geval een aanvang te maken met hem te voeden.” Zijn chef bericht hem koeltjes, dat de Hoofden moeten worden aangespoord dezehunneplicht na te komen! Vielen werkzaamheden voor het gouvernement verricht tegen en klaagden de belanghebbenden, dan was de jonge controleur al te gauw geneigd, meer te betalen dan de reglementen toestonden.Na een half jaar zijn de aanmerkingen op zijn administratie zoo talrijk, dat degouverneur, generaal Michiels, hem dreigt met overplaatsing, “zoo hij nog langer achterlijk is in het tijdig genoeg afleggen van zijne geldelijke en materieele verantwoording.” En als de resident na een maand bericht zend, dat “de controleur voornoemd een halsstarrigheid en kwade wil aan den dag legt, die afkeuring en bestraffing verdienen,” wordt Douwes Dekker ter beschikking gesteld van den resident der Padangsche Bovenlanden. Hij verlaat Natal met een schuld aan ’t gouvernement van ƒ 1350: dit kastekort was louter het gevolg van slordig beheer, van ongeauthoriseerde uitgaven, van opgeloopen boeten; zelfs zijn chef, die hem allerminst welgezind was, heeft er niet aan gedacht hem vanoneerlijkheid te verdenken. De gouverneur echter was buitengewoon verstoord over zooveel nonchalance in dienstzaken en heeft hem onbillijk streng behandeld. Tot overmaat van ramp werd na zijn vertrek uit Natal nog een belangrijk tekort ontdekt, doordat een wissel, van ruim ƒ 8000 voor ruim ƒ 2000 minder was geboekt. Generaal Michiels verdachtD. D.nu van ontrouw en suspendeerde hem; zoo heeft hij een jaar lang te Padang, welke plaats hij niet verlaten mocht, moeten leven zonder inkomsten. Haast niemand wilde of durfde om eigen carrière met hem omgaan, omdat hij onder verdenking van diefstal stond en in ongenade bij den despotischen Michiels was gevallen. Zijn verzoek om in Natal zelf de zaak van den wissel te mogen onderzoeken werd hem geweigerd. En zoo is deze zaak nooit opgehelderd. In zijn ambtelijk schrijven hierover lezen we: “Ik moet volmondig bekennen de zaak in kwestie niet ten mijnen voordeele te kunnen ophelderen; ik hoop dat deze of gene onvoorziene omstandigheid in den vervolge de zaak tot klaarheid brengen zal. Voorloopig vergenoeg ik mij met de mededeeling dat particuliere omstandigheden van ernstigen aard het mij onmogelijk maken mij de bijzonderheden die de afgave van den wissel hebben vergezeld, te herinneren.”Aan Tine schrijft hij later, dat hij bestolen is.“Was ik dan zoo slordig, dat ik mij bestelen liet? Ik was krankzinnig na het lezen der advertentie in de courant dat mijn meisje met een ander getrouwd was. Eene kas van ƒ 100.000 was onder opzicht van eenen inlandschen schrijver. Ik bemoeide mij met niets.”4Caroline huwde 5 Januari 1843 te Samarang en de fatale wissel werd geboekt op 3 Mei 1843. Nu is het zeer onwaarschijnlijk, dat couranten pas na 4 maanden Natal bereikten. Bovendien is de wisselpost doorD. D.zelven behandeld en geboekt en niet door een inlandsch bediende. Het bedrag van de kas is ook sterk overdreven, want in de geheele maand Mei 1843 bedragen de ingekomen gelden plus het aanwezige saldo een kleine ƒ 35.000, dus nog lang geen ƒ 100.0005.In deMax Havelaaris dit voorval in het heroïsche omgewerkt: daar vertelt Max, hoe zulke fouten begaan waren op oogenblikken, dat hij—dikwijls in levensgevaar—ver van de kas, het beheer had moeten toevertrouwen aan anderen. “Als er door slordigheid of verzuim eenige duizenden tekort waren in mijn beheer, noem ik ditop-zich-zelfgeen kleinigheid. Maar als deze duizenden ontbraken tengevolge van mijn gelukte pogingen om denopstand te voorkomen, die de streek van Mandheling dreigde in vuur en vlam te zetten, en de Atjineezen te doen terugkeeren in de vesten waaruit wij hen pas met veel opoffering van geld en volk hadden verjaagd, dan vervalt het gewicht van zoodanig te-kort, en ’t werd zelfs reeds eenigszins onbillijk de terugbetaling daarvan opteleggen aan iemand die oneindig grooter belangen gered had.” In een brief aan den Gouverneur-Generaal van 2 Febr. 1846 gewaagt hij slechts van spanning in Natal.Zoo heeftD. D.inden loop der jaren deze gebeurtenis in zijn verbeelding omgewerkt tot een gebeurtenis, waarin hij de lijdende heldenrol speelt.Zonder een cent inkomen, door de meesten gemeden, heeft hij bijna een jaar lang te Padang een ellendigen tijd gehad. Hij woonde in een klein inlandsch huisje. Zijn kleeren waren grootendeels verkocht, en als hij honger heeft kaapt hij een kalkoen van den Gouverneur, als diens kudde langs zijn hut werd gedreven. Hij duelleert met wie hem, om den Gouverneur te believen, onhebbelijk bejegenen, en hij schrijft verzen en een comedie. Op een quitantie van een tijdschrift, die onbetaald naar het bureau te Batavia zou teruggaan schetst hij in enkele geestige Fransche verzen zijn lot. En op de ontbijttafel van den Gouverneur, die beruchtis om het schorsen van ambtenaren, laat hij dit gedicht leggen:Het wandlend schorsbesluit, dat schorsend ons regeert,Jan Schors-al, Gouverneur, de weerwolf onzer dagen,Had zijn geweten zelf met vreugd gesuspendeerd...Als ’t niet voor langen tijd finaal reeds ware ontslagen.Maar de Gouverneur negeerde deze snaaksche wanhoopsuitingen en strafte den jongen auteur hierdoor het pijnlijkst, getuige zijn klacht in deMax Havelaar: “Hij gunde me niet het minste martelaars-air, ik werd niet belangwekkend door vervolging, en mocht niet ongelukkig wezen door verregaande geestigheid!... ’t Was om eens-voor-al te walgen van puntdichten en kalkoenen!”In een brief van 1846 aan den Gouverneur-Generaal Rochussen schetst hij zijn lijden te Padang aldus: “Twaalf volle maanden heb ik op die wijze op een plaats waar ik niemand en niemand mij dan volgens de nadeeligste geruchten kende, geleefd. Ik had volstrekt geene middelen overgespaard, en trachtte dus te bestaan der weinige kleederen, die ik succievelijk verkocht.“Op het laatst van mijn verblijf aldaar, openbaarde zich in den algemeenen geest eene verandering ten mijnen voordeele, men kreeg medelijden, en bood mij een aalmoes aan.“Men was begonnen met mij onregtvaardig te verdenken, ik kon dus niets van die lieden aannemen.“Toen leed ik honger, Uwe Excellentie, toen bracht ik meermalen, als het mij niet gelukt was de huur van een klein inlandsch huisje te betalen, den nacht onder den blooten hemel door.“Erger dan dat, ik was veracht en verstoten door eene maatschappij die mij voor een schurk hield, want de Gouverneur had het gezegd!“Niemand groette mij, niemand kende mij, niemand liet zich met mij in, want ik stond op het punt om eerloos te worden.“Zoo leefde ik twaalf maanden, Uwe Excellentie, als het leven heeten mag, worstelen als het was met de dagelijksch terugkeerende grief van armoede en schande, gemarteld door de verwachting eener criminele regtspleging; zoo leefde ik twaalf maanden, elken dag denkende: dit is de laatste, en mij elken dag bedrogen ziende.“Den 10enAugustus 1844 heb ik mij neergelegd om te sterven, van honger te sterven, Uwe Excellentie. Ik had in drie etmalen niet gegeten! Een Chinees, wien ik eens eene dienst bewezen had, vond mij, en bragt mij eten.“Op eenen avond, toen ik te acht ure nog niet wist, waar ik den nacht zoude doorbrengen, schreef ik eenen brief aan Z. E. den Gouverneur-Generaal Merkus.“Kort daarop ontving de Civiel- en Militair-Gouverneur der Westkust lastmijnaar Java te laten vertrekken.”6Al het leed, al de bitterheid over zijn maatschappelijke onteering en zijn ongelukkige liefde, al zijn hunkeren, afwisselend naar den dood of naar het geluk of naar rehabilitatie, heeft hij in zijn tooneelstuk:De Eerlooze, uitgeklaagd. Het heele stuk wordt gedragen door het besef slechtsschijnbaarschuldig te zijn, innerlijk hoog verheven te zijn boven iedere laagheid, elk bedrog. Wel erkent hij, “ikzelf ben een zwak mensch die ’t goede wil, maar menigmaal struikelde,” maar zijn geweten is zuiver: zijne bedoelingen zijn altijd zuiver geweest. Het doorleden leed, zijn krachtig idealisme, zijn drang zich voor zijn ideaal te geven, te offeren, heeft hij echter niet weten om te scheppen tot een stuk met oorspronkelijke situaties en karakters. Hij heeft eigen gemoeds- en levenservaring in de vormen gegoten van romantische schrijvers als Kotzebue en Lafontaine. De arme, burgerlijke muziekmeester Holm, die op zijne adellijke leerlinge Caroline verliefdwordt, voor wie hij sentimenteele romances dicht, Karel van Bergen, de misdadige bon-vivant van ouden adel, die door Caroline’s stiefmoeder als schoonzoon begeerd wordt, het offer dat de edele Holm bij herhaling brengt ten einde dezen onwaardigen medeminnaar te redden, om de schuld van zijn vader jegens dien van Karel te boeten, en eindelijk de uitredding door een vriend van beider reeds overleden vaders, tevens broeder van de booze stiefmoeder, die den armen Holm in zijn eer hersteld, tot zijn zoon en erfgenaam aanneemt, en hem de geliefde Caroline in de armen voert—dat alles zijn karakters en situaties uit de boekenwereld van Kotzebue, Lafontaine e. d. “Al zulke schrijverij, ’t produkt van middelmatig talent, veel nabootsing enniet de minste studie, is leeg. Dat is geen grijpenins volle Menschenleben, dat is grabbelen in een muffe leesbibliotheek. Dat is geen zielkundige ontleding van wat ons de wereld te aanschouwen geeft, dat is ’n marionetten-repetitie. Dat is geen menschteekenen, dat is kladderij van de poppenkast. Dat is geen waarheid, dat is leugen. Wie de wereld niet kent, en toch voorgeeft haar te kopieeren of te schetsen is onnoozel als ik in ’43, of...” Dit oordeel van den schrijver zelf 30 jaar later over zijn eersteling uitgesproken is scherp maar juist.De Raad van Indië was niet zoo overtuigdvan de oneerlijkheid van den geschorsten ambtenaar als Generaal Michiels: een der leden maakte de opmerking dat “het getal ambtenaren dat onder den Gouverneur ongelukkig is geworden, weder met één vermeerderd is.”Dekker krijgt verlof om naar Batavia te gaan. Hij wordt op wachtgeld gesteld vanaf ’t oogenblik zijner schorsing, die hier feitelijk mede te niet is gedaan; het tekort in zijn kas moet hij aanzuiveren en dan zal hij voor plaatsing wederom in aanmerking komen.In Batavia heeft hij weer vrienden gevonden, die hem voorthelpen en in het najaar van 1845 wordt hij weer geplaatst, doordat hij ter beschikking van den assistent-resident van Krawang wordt gesteld. De administratie was daar ten achteren geraakt en moest worden bijgewerkt. Een half jaar bleef hij daar en kreeg toen een vaste aanstelling als commies te Bagalen. Dit was beneden zijn rang. Een vaderlijk vriend heeft hem er van teruggehouden uit verontwaardiging hierover ontslag te nemen. Twee jaar lang ziet hij met iedere post uit naar het bericht zijner overplaatsing, totdat hij eindelijk tot secretaris van Menado benoemd werd.1Dit verwijt Caroline hem in een brief.2Brieven I: 116.3Brieven I: 78.4Brieven II: 27.5Zie de Bruyn Prince:Officiëele Bescheiden, blz. 234–235, 256, facsimile’s bij blz. 248, en Brieven I: 33.6Brieven II: 40–41.
Met het schip, waarop zijn vader kapitein en zijn broeder Jan stuurman was, ging Eduard op zijn achttiende jaar naar Indië. Door een verlof van drie jaren onderbroken is hij daar zeventien jaar geweest: de jaren van zijn intellectueele en innerlijke vorming brengt hij door ver van Holland. Hij is daardoor afgesneden van de Hollandsche cultuur. Zijn vader weet hem geplaatst te krijgen als klerk zonder bezoldiging bij de Algemeene Rekenkamer. Zijn loopbaan is de eerste jaren zeer voorspoedig. Na zes weken reeds ontvangt hij salaris. In een officieele missieve van 10 April 1839 lezen we dat hij “een zeer bekwaam onderwijs genoten heeft,” en “ofschoon jong van jaren, de verwachting doet koesteren, dat hij tot een bekwaam ambtenaar zal kunnen worden opgeleid.” En het blijkt, dat andere departementen hem voordeelige aanbiedingen hebben gedaan.
Een jaar na zijn komst in Indië wordt hij dan ook al benoemd tot kommies 2deklasse; hij onderscheid zich niet alleen door vlijt enwerkzaamheid, maar ook geeft hij “de onbetwistbaarste bewijzen van vlugheid, doorzicht en kunde, in al hetgeen hem wordt opgedragen.”
Na het neerdrukkend bestaan van jongste bediende op de Keizersgracht—waar het opgedragen werk steeds verre bleef beneden zijn kennen en kunnen—was de arbeid in de Indische regeeringsbureaux eene verademing: hier kregen ook beginnelingen werk, waar iets van te maken viel. Voor wie toonde te willen werken, was er kans op snelle bevordering.
Niet alleen in de bureaux, ook in de samenleving van Batavia heeft de jonge Douwes Dekker snel zijn weg gevonden: van het neerdrukkend gevoelmaareen burgerjongen te zijn, voelt hij zich bevrijd. Hij werd gewaardeerd als een geestig en ontwikkeld jongmensch, die niet gewoon was zijn chefs, die hij niet lijden mocht te sparen. Maar het gezellige leven is duur—hij verspeelde met biljarten wel eens ƒ 100 per week1—en een goed financier is Douwes Dekker nooit geweest! Om zijne schulden (ruim ƒ 2000) te betalen zal hij hoogstwaarschijnlijk overplaatsing naar Sumatra’s Westkust hebben gevraagd. In 1842 werd hij wederom met een zeer loffelijke aanbeveling bevorderd tot controleur 2deklasse ter Westkust van Sumatra.
De Assistent-Residentswoning van Douwes Dekker te Rangkas Betoeng, hoofdplaats van Lebak.De Assistent-Residentswoning van Douwes Dekker te Rangkas Betoeng, hoofdplaats van Lebak.(Naar een photographie).
De Assistent-Residentswoning van Douwes Dekker te Rangkas Betoeng, hoofdplaats van Lebak.
(Naar een photographie).
Maar zijne schulden waren niet het eenige wat hem in Batavia benauwde: het bureauwerk waarvoor hij zoo geschikt bleek, verveelde hem op den duur: het vrije en avontuurlijke van een bestuursbetrekking in de buitenbezittingen, waar hij als eerst-aanwezend ambtenaar, een soort vorstelijke macht zou uitoefenen, werkte op zijne fantasie: zelfstandig en rechtvaardig besturen en recht spreken, ervoor waken, dat geen onrecht geschiede ... dat alles trok hem aan. “Een meer levendigen en werkdadigen werkkring” vraagt hij daarom in zijn rekest aan den Gouverneur-Generaal.
Het zijn de kinderdroomen, die vasteren vorm gaan aannemen, die werkelijkheid zullen worden.
En dan is er nog iets, dat hem van Batavia wegdreef: zijn verbroken engagement met Caroline Versteegh, dat hij omdichtte tot een ongelukkige liefde. Zij was een koel en nuchter meisje: kenschetsend is deze vermaning in een kort briefje: “denk niet te veel”. Om de toestemming van haren vader te verwerven werd hij Roomsch, maar het mocht niet baten; in Aug. 1842 maakt haar vader een eind aan de verloving, waarschijnlijk onder invloed van praatjes over zijn financieele onsoliditeit.
Onder deze teleurstelling heeft hij veel geleden, maar tegelijkertijd was het hem een genot zich in de smart zijner ongelukkige liefde te koesteren, zooals hij eerst in een geluksroesgeleefd had, waarin hij met haar dweepte, waarin zij hem een heilige was2.
Deze eerste, ernstige liefde—want uit de Woutergeschiedenis weten we, dat Wouter-Eduard van zijn kinderjaren af heel wat “vlammen” gehad heeft—is tot romantische beleving verdicht.
Hoe een geliefde te idealiseeren, hoe eene ongelukkige liefde te dragen, dat had hij uit zijn romantische boeken geleerd: het was een nieuwe sensatie nu zèlf in het leven dat belangwekkende te ervaren. Zijne ongelukkige liefde belette hem niet bekoord te worden door het dochtertje van een inlandsch hoofd met wie hij een tochtje in een prauw maakte langs de kust; zij leefde met hem te Natal; maar te Padang zond hij haar om zijn armoede naar haar vader terug.
In deze jaren blijkt het hoe langer hoe duidelijker, dat de droomwereld, waarin hij als kind geleefd had, ook macht over zijn ziel behoudt op rijper leeftijd. Het wordt hem meer en meer ernst met zijn droomen, met zijn luchtkasteelen: “ik moet bekennen nooit verstandig genoeg geweest te zijn om mijne zestienjarige luchtkasteelen omver te halen”3. Zijn levenstaak gaat hij er meer en meer op richten om zijne luchtkasteelen te verwerkelijken.
De anderhalf jaar op Sumatra doorgebracht zijn van groote beteekenis voor zijn ambtelijk leven, maar ook voor zijne geestelijke vorming: zelf heeft hij menigmaal later gezegd, dat hij zich te Natal bewust is geworden. Steeds duidelijker grijpen literatuur en leven, droom en werkelijkheid in elkander.
In Natal waren maar enkele Europeanen, zoodat de jonge controleur veel tijd had om te lezen. Hij las niet bij voorkeur Hollandsche boeken: in den geest trekt hij den band met Holland niet toe. Hij was uit Holland vertrokken, voordat hij er tot intellectueele kringen toegang had gekregen. De religieuse beweging van het réveil was niet tot hem doorgedrongen en evenmin wist hij af van ’t geen er leefde in jonge mannen als Potgieter en Bakhuyzen van den Brink, die een jaar vóór zijn vertrek “De Gids” begonnen uit te geven. En in Indië heeft hij zich om de ontwikkeling van het geestelijk leven in Holland weinig bekommerd. Een enkel woord over een lief vers van Ten Kate lezen we in zijn Brieven, maar verder is hij van Walter Scott, Sue en Lamartine, van Heine en August Lafontaine vervuld;m. a. w.niet de geestelijke leiders van zijn eigen volk, maar die van de Europeesche romantiek hebben zijn geestelijk leven gevormd. Dit heeft niet alleen op zijn levens- en wereldbeschouwing een overwegenden invloed geoefend,maar ook op zijne literairen smaak en op zijn eigen stijl. Deze is levendiger, losser en daardoor pakkender dan die der best gestileerde stukken zijner Hollandsche tijdgenooten. In Indië heeft hij onder invloed van buitenlandsche schrijvers langzamerhand een talent van schrijven ontwikkeld, waarmede hij een dertigtal jaren later zijne landgenooten diep zal treffen. Niet alleen zijn stijl heeft hij in de afzondering der tropen gevormd, ook zijn denkbeelden gaan onder invloed van de Europeesche denkers en schrijvers der romantiek hoe langer hoe meer afwijken van de in Holland gangbare. Dat proces heeft zich geleidelijk voltrokken; alles werkt mede om van den jongen Douwes Dekker een typisch vertegenwoordiger der romantiek te maken. Door zijn aanleg is hij er zeer zeker toe voorbestemd: zijn impulsief temperament, zijn neiging tot droomen en fantaseeren, hem van kind af eigen, zijn verlangen naar macht om ’t goede te kunnen doen zegevieren, zijn amoureuze aanleg, maken hem uiterst gevoelig voor romantische lectuur; en door die lectuur wordt zijn aanleg in die richting verder ontwikkeld.
Het Indische milieu, de ambtenaarsloopbaan, die hem op jeugdigen leeftijd in zijn onmiddellijke omgeving met de hoogste macht heeft bekleed, hebben zijn romantische heerschersneigingen versterkt.
Aanleg, lectuur en omstandigheden drijven hem alle tot romantische daden in het ambtelijke leven, tot een romantische levenshouding.
Zeer merkwaardig in dit inzicht zijn de romans van August Lafontaine: deze boeken blijven hem boeien. Het zijn dezelfde, die in de Woutergeschiedenis herhaaldelijk ter sprake komen en in welker stijl hij de luchtkasteelen van zijn zestienjarigen leeftijd optrok. In zijn brieven aan Tine, in zijnIdeënkomt hij telkens terug op die romans: één er van noemt hij in het bizonder:Hermann Lange. In verband met zijn eigen lotgevallen is dit een merkwaardig boek: de jonge held wordt door z’n rijke, naar aanzien strevende ouders, een fantast genoemd, die niet voor de wereld deugt, daar hij te eerlijk, te edel en te oprecht is! Hij heeft zelfstandig leeren denken, en hij voelt diep. Om zijn scherpzinnigheid te oefenen, weerlegt hij elke meening, ook als hij ze voor waar houdt! Hij heeft gevoel voor humor: hij vindt alles zoowel eerbiedwaardig als lachwekkend.
Met zijn fier en edel karakter is hij in de ambtelijke wereld van een klein vorstendommetje niet bemind: als hem wordt opgedragen om een stuk, dat hij gesteld heeft, over te maken, omdat het poëzie en geen proza is, neemt hij zijn ontslag. Hij wil het geluk der fortuin niet zoeken door daden, die hij immoreelvindt. “Kruipen leer ik nooit, daar ik geleerd heb te ontberen.” Hij ontwikkelt uitvoerig een theorie, waaromgoedemenschen in Staatsdienst weinig kunnen uitrichten; want zij, die belang hebben bij de misbruiken, waaronder ’t volk gebukt gaat, kénnen juist de zaken ’t best, zoodat de deugdzaamste en ijverigste vorst of minister, niets kan uitrichten met zoo’n bende deugnieten. Weer in dienst geplaatst wordt Hermann Lange voor de tweede maal onrechtvaardig behandeld. Maar hij verdedigt zich flink en houdt zijn goed recht staande. Wederom wordt hij ontslagen. En zijn vrouw glimlacht en zegt gelaten: “een gerust geweten is meer waard dan de rijkste bezoldiging.” Een liefelijke en uiterst sobere huiselijkheid is de belooning voor zijn karaktervol handelen.
Inderdaad vinden we hier verschillende trekken, die ook in deMax Havelaarvoorkomen: de verheven aspiraties, de zin voor humor, de afkeer van “misbruiken”, de minachting van rijkdom en de fierheid, waarmede hij liever wordt ontslagen dan te buigen voor zijn chef. Wat Douwes Dekker in zijn held bewondert, wat zoo strookt met zijn eigen aanleg, dat heeft hij in eigen loopbaan in praktijk gebracht.
Hoe grooten indruk op zijn gemoed een levensbeschrijving van Napoleon heeft gemaakt, blijkt uit een stuk door hem in Natal geschreven, en het eerst door zijne weduwe in 1891uitgegeven. In dezeLosse Bladen uit het Dagboek van een oud man, zien we hoe de jonge man zich af gaat vragen, wat zalik, die in mijn tot nu toe vage droomen en aspiraties eigen superioriteit zoo levendig heb beseft, voor groots tot stand brengen? En dan zijn er twee genieën, die hem voor den geest zweven: Napoleon en Rousseau. Het groote van Napoleon was niet zoozeer zijn dapperheid, zijn krijgskunst, als wel zijndenkbeeld: “Napoleon was groot toen hij met het hoofd in de hand nadacht, en het lot van Europa vaststelde, voor nog iemand voorzien kon dat hij op Europa eenigen invloed zoude kunnen uitoefenen.” Hieruit volgt dan volgensD. D., datdie begeerte zelvetot grootheid, de eerste stap tot grootheid is. En deze begeerte koesterde hij in hooge mate. “Ik zit met het hoofd in de hand en peins.... Wanneer ik ooit voor het oog van de wereld schitteren zal, men danke het dit oogenblik!”
En hij weifelt lang tusschen Diogenes en Alexander, tusschen Rousseau en Napoleon, tusschen het verhevene en het verheven schijnende! Maar hij laat den schrijver van de dagboekbladen het laatste kiezen: “uit zwakheid, uit ijdelheid, misschien uit wraakzucht!” En terwijl hij den man van de daad wil navolgen, verheerlijkt hij hem om ... zijndenkbeeld. Hij wil een kroon bemachtigen:
“Ik beminde een meisje en verloor haar. Wat anders dan een kroon kan mij schadeloos stellen?”
Zoowel deze uitingen als wat volgt verraden een zoekenden geest, die grootsche plannen in zich omdraagt, om dan weer spoedig te vertwijfelen aan hun verwerkelijking. Want dezelfde jonge aspirant-veroveraar laat hij na 33 jaren gelaten als gepensionneerde grootvader Alexander en diens generaal vasthouden bij het soldaatje spelen van zijn kleinzoon.
Uit dit stuk spreken eene grenzenlooze eerzucht en diepste wanhoop aan eigen kunnen. Merkwaardig is het ook, dat hem van den aanvang af, het tweeledige van zijn levensideaal bewust is geweest.
DeLosse Bladenzijn in zeker opzicht eene bekentenis: het hoogste is de geestelijk roem van een Diogenes, een Rousseau; maar uit ijdelheid kiest hij de wereldsche grootheid van een Napoleon! En toch eert hij in deze in de eerste plaats de grootheid der gedachte: in Napoleon eert hij, dat wat Rousseau groot maakte; en hij beseft het manco van den denker: de daad ontbreekt. In later jaren, als hij door zijn woord, door zijne ideeën duizenden meesleept, droomt hij van wereldsche macht, van een keizerrijk van Insulinde. Als hij machtig inwerkt op den geest zijner landgenooten, betreurt hij het, dat de macht hem ontbreekt, allerlei practische hervormingenin te voeren. De tragiek dezer vergissing openbaart zich al in een zijner eerste stukken!
In zijn Natalsche maanden is hij vervuld van drang tot daden; hij heeft veelomvattende plannen: hij wil een haven te Natal laten aanleggen om het uit zijn isolement op te heffen. Maar zijn chefs zijn niet gediend van de grootsche plannen van den jongen controleur, zij eischen nauwkeurige administratie in de eerste plaats. Hierdoor voeltD. D.zich gekrenkt in zijn ijdelheid: terwijl hij zich droomde regelaar van een zonnestelsel, was ’t hard voor hem nog zoo weinig te beteekenen dat hij niet eens een haven kon laten maken, waar hij wilde.D. D.heeft voor de zelfstandige bestuursmacht zijn plichten als ondergeschikt ambtenaar verwaarloosd: al zijn lijden op Sumatra is hieraan toe te schrijven, dat hij als besturend ambtenaar zich inderdaad bestuurder, vorst der onder hem gestelde bevolking voelde, maar dat hij als ambtenaar telkens faalde. Hij had zeer vele en uiteenloopende functies te vervullen: hij was zelfstandig bestuurder en inspecteur der pepervelden, politiehoofd, politierechter, voorzitter van den rapat (= inlandsche rechtbank), vendumeester, beheerder van het gouvernements-provisie- en zoutpakhuis, ontvanger van de tolrechten, postmeester, agent van de Padangsche wees- en boedelkamer en voorts was hij belast met het toezicht op ’s lands gebouwen en openbare werken!
Al die administraties en kassen moesten nauwkeurig worden bij- en uit elkaar gehouden. De streek was bovendien pas tot rust gebracht. Onder zijn voorganger was een complot ontdekt om oproer te maken en den controleur te vermoorden. Intriges van inlandsche hoofden maakte de berechting van zulke quaesties hoogst moeilijk. Met een paar Inlandsche Hoofden was hij zéér bevriend en vertrouwde hen volkomen. Zoo kwam het, dat hij in allerlei intriges van inlanders de zaak door hun oogen bezag en den gouverneur tegenwerkte, die zijn vrienden afzette en verbande; dit heeft de stemming van gouverneur Michiels ten zijnen opzichte niet beter gemaakt. Dreigende oproeren, die hem noopten, dikwijls ver van zijn kas te vertoeven, voerde hij dan ook als verontschuldiging aan voor zijn slordig bijgehouden administratie. Uit het Natalsche archief blijkt echter niets van dien voorkomen opstand en ook het genoemde complot is gebleken een verzinsel van inlanders te zijn; maar Douwes Dekker zag met romantische verbeelding het gevaar van opstand, van moord dreigen en dat was voor zijn psychisch evenwicht niet bevorderlijk: het versterkte hem in de heroïsche opvatting zijner taak en maakte hem nog ongeschikter voor het accuraat beheer van de gelden, het zout en de rijst van het gouvernement.
Talrijk zijn de aanmerkingen op zijn administratie: telkens moet hij tekorten bijpassen,boeten betalen. In zijn ambtelijke antwoorden teekent zich de Havelaar-figuur al af: als de reglementen voor een goed transport toestaan ƒ 12 voor drie koelies en ƒ 4 voor een conducteur in rekening te brengen, terwijl ook al onder zijn voorgangers, de conducteur ƒ 8 kreeg, terwijl er maar2 koelieswaren, wasD. D.er niet toe te bewegen de declaratie reglementair in te richten. “Ikwildeenkonniet zeggen, dat ik ƒ 4 voor een conducteur betaalde, want het was eene onwaarheid! Ik mogt niet 3 koelies opbrengen waar ik slechts 2 betaalde, want het ware een logen geweest! Ik zal er trotsch op zijn met de telkenreize voorkomende vergoeding van ƒ 4 belast te worden,omdat ik niet wilde liegen, waartoe mijne voorgangers zich door den drang der omstandigheden hadden laten dwingen.” En als hij berispt wordt, omdat hijprauwhuurinplaats van de reglementair toegestane scheepsruimte en tafelgelden, declareert, antwoordt hij: “Indien er bepalingen bestaan die de verzaking der waarheid vorderen dan zijn dezelve voor mij van geene kracht. Ik acht de waarheid hooger dan het Staatsblad en geef openlijk deze verklaring al zoude mijne ongeschiktheid tot ambtenaar als een onmiddellijk gevolg dier verzekering beschouwd worden.”
De toon zijner verantwoording is scherp, soms pathetisch. Als hij er kans toe ziet, schrijft hij graag een hatelijkheid aan den steeds aanmerkingenmakenden chef. In een verslag over een inspectie van de pepertuinen weet hij zijn chef mee te deelen, dat deze de hoofdpaden bij zijn inspectie niet had verlaten, maar dathijzich niet bepaald (heeft) tot het waarnemen der langs de hoofdpaden aangeplante ranken, maar (zich) ginds en herwaarts van den weg af begeven (heeft).Waardoor hem bleek datzijnoordeel over de aanplantingen nog verreweg ongunstiger is, dan dat van zijn chef. Zulke opmerkingen maakten zijn chef niet zachtzinniger in diens oordeel over de talrijke overtredingen der reglementen.
Medegevoel met den inlandschen arbeider spreekt uit zijne missive over de pepercultuur: de stand van zaken is daar “allerellendigst”, maar: “De arbeiders hebben gebrek aan behoorlijk voedsel! Ik weet niet in hoeverre deze omstandigheid in dienst een reden tot verschooning kan daarstellen van achterlijkheid in het vervullen der op ondergeschikten rustende verpligtingen, doch dat is zeker dat het mij in gemoede moeijelijk zoude vallen menschen tot werken aan te zetten voor ik mij verzekerd konde houden dat het allernoodigste tot levensonderhoud in genoegzame mate voorhanden was. Rijst is op het oogenblik voor de arbeiders in de pepertuinen niet te verkrijgen, men voedt zich sober met InlandscheoebienPisang, die overigens nog niet eens in genoegzame hoeveelheidaanhanden is.” Hij meent in de geknakte énergie de oorzaak der werkeloosheid te hebben gevonden: en deze moet worden opgewekt door “voor den arbeider eene meer lagchende toekomst, een vrolijker vooruitzigt daar te stellen, en in dit geval een aanvang te maken met hem te voeden.” Zijn chef bericht hem koeltjes, dat de Hoofden moeten worden aangespoord dezehunneplicht na te komen! Vielen werkzaamheden voor het gouvernement verricht tegen en klaagden de belanghebbenden, dan was de jonge controleur al te gauw geneigd, meer te betalen dan de reglementen toestonden.
Na een half jaar zijn de aanmerkingen op zijn administratie zoo talrijk, dat degouverneur, generaal Michiels, hem dreigt met overplaatsing, “zoo hij nog langer achterlijk is in het tijdig genoeg afleggen van zijne geldelijke en materieele verantwoording.” En als de resident na een maand bericht zend, dat “de controleur voornoemd een halsstarrigheid en kwade wil aan den dag legt, die afkeuring en bestraffing verdienen,” wordt Douwes Dekker ter beschikking gesteld van den resident der Padangsche Bovenlanden. Hij verlaat Natal met een schuld aan ’t gouvernement van ƒ 1350: dit kastekort was louter het gevolg van slordig beheer, van ongeauthoriseerde uitgaven, van opgeloopen boeten; zelfs zijn chef, die hem allerminst welgezind was, heeft er niet aan gedacht hem vanoneerlijkheid te verdenken. De gouverneur echter was buitengewoon verstoord over zooveel nonchalance in dienstzaken en heeft hem onbillijk streng behandeld. Tot overmaat van ramp werd na zijn vertrek uit Natal nog een belangrijk tekort ontdekt, doordat een wissel, van ruim ƒ 8000 voor ruim ƒ 2000 minder was geboekt. Generaal Michiels verdachtD. D.nu van ontrouw en suspendeerde hem; zoo heeft hij een jaar lang te Padang, welke plaats hij niet verlaten mocht, moeten leven zonder inkomsten. Haast niemand wilde of durfde om eigen carrière met hem omgaan, omdat hij onder verdenking van diefstal stond en in ongenade bij den despotischen Michiels was gevallen. Zijn verzoek om in Natal zelf de zaak van den wissel te mogen onderzoeken werd hem geweigerd. En zoo is deze zaak nooit opgehelderd. In zijn ambtelijk schrijven hierover lezen we: “Ik moet volmondig bekennen de zaak in kwestie niet ten mijnen voordeele te kunnen ophelderen; ik hoop dat deze of gene onvoorziene omstandigheid in den vervolge de zaak tot klaarheid brengen zal. Voorloopig vergenoeg ik mij met de mededeeling dat particuliere omstandigheden van ernstigen aard het mij onmogelijk maken mij de bijzonderheden die de afgave van den wissel hebben vergezeld, te herinneren.”
Aan Tine schrijft hij later, dat hij bestolen is.“Was ik dan zoo slordig, dat ik mij bestelen liet? Ik was krankzinnig na het lezen der advertentie in de courant dat mijn meisje met een ander getrouwd was. Eene kas van ƒ 100.000 was onder opzicht van eenen inlandschen schrijver. Ik bemoeide mij met niets.”4
Caroline huwde 5 Januari 1843 te Samarang en de fatale wissel werd geboekt op 3 Mei 1843. Nu is het zeer onwaarschijnlijk, dat couranten pas na 4 maanden Natal bereikten. Bovendien is de wisselpost doorD. D.zelven behandeld en geboekt en niet door een inlandsch bediende. Het bedrag van de kas is ook sterk overdreven, want in de geheele maand Mei 1843 bedragen de ingekomen gelden plus het aanwezige saldo een kleine ƒ 35.000, dus nog lang geen ƒ 100.0005.
In deMax Havelaaris dit voorval in het heroïsche omgewerkt: daar vertelt Max, hoe zulke fouten begaan waren op oogenblikken, dat hij—dikwijls in levensgevaar—ver van de kas, het beheer had moeten toevertrouwen aan anderen. “Als er door slordigheid of verzuim eenige duizenden tekort waren in mijn beheer, noem ik ditop-zich-zelfgeen kleinigheid. Maar als deze duizenden ontbraken tengevolge van mijn gelukte pogingen om denopstand te voorkomen, die de streek van Mandheling dreigde in vuur en vlam te zetten, en de Atjineezen te doen terugkeeren in de vesten waaruit wij hen pas met veel opoffering van geld en volk hadden verjaagd, dan vervalt het gewicht van zoodanig te-kort, en ’t werd zelfs reeds eenigszins onbillijk de terugbetaling daarvan opteleggen aan iemand die oneindig grooter belangen gered had.” In een brief aan den Gouverneur-Generaal van 2 Febr. 1846 gewaagt hij slechts van spanning in Natal.
Zoo heeftD. D.inden loop der jaren deze gebeurtenis in zijn verbeelding omgewerkt tot een gebeurtenis, waarin hij de lijdende heldenrol speelt.
Zonder een cent inkomen, door de meesten gemeden, heeft hij bijna een jaar lang te Padang een ellendigen tijd gehad. Hij woonde in een klein inlandsch huisje. Zijn kleeren waren grootendeels verkocht, en als hij honger heeft kaapt hij een kalkoen van den Gouverneur, als diens kudde langs zijn hut werd gedreven. Hij duelleert met wie hem, om den Gouverneur te believen, onhebbelijk bejegenen, en hij schrijft verzen en een comedie. Op een quitantie van een tijdschrift, die onbetaald naar het bureau te Batavia zou teruggaan schetst hij in enkele geestige Fransche verzen zijn lot. En op de ontbijttafel van den Gouverneur, die beruchtis om het schorsen van ambtenaren, laat hij dit gedicht leggen:
Het wandlend schorsbesluit, dat schorsend ons regeert,Jan Schors-al, Gouverneur, de weerwolf onzer dagen,Had zijn geweten zelf met vreugd gesuspendeerd...Als ’t niet voor langen tijd finaal reeds ware ontslagen.
Het wandlend schorsbesluit, dat schorsend ons regeert,Jan Schors-al, Gouverneur, de weerwolf onzer dagen,Had zijn geweten zelf met vreugd gesuspendeerd...Als ’t niet voor langen tijd finaal reeds ware ontslagen.
Het wandlend schorsbesluit, dat schorsend ons regeert,
Jan Schors-al, Gouverneur, de weerwolf onzer dagen,
Had zijn geweten zelf met vreugd gesuspendeerd...
Als ’t niet voor langen tijd finaal reeds ware ontslagen.
Maar de Gouverneur negeerde deze snaaksche wanhoopsuitingen en strafte den jongen auteur hierdoor het pijnlijkst, getuige zijn klacht in deMax Havelaar: “Hij gunde me niet het minste martelaars-air, ik werd niet belangwekkend door vervolging, en mocht niet ongelukkig wezen door verregaande geestigheid!... ’t Was om eens-voor-al te walgen van puntdichten en kalkoenen!”
In een brief van 1846 aan den Gouverneur-Generaal Rochussen schetst hij zijn lijden te Padang aldus: “Twaalf volle maanden heb ik op die wijze op een plaats waar ik niemand en niemand mij dan volgens de nadeeligste geruchten kende, geleefd. Ik had volstrekt geene middelen overgespaard, en trachtte dus te bestaan der weinige kleederen, die ik succievelijk verkocht.
“Op het laatst van mijn verblijf aldaar, openbaarde zich in den algemeenen geest eene verandering ten mijnen voordeele, men kreeg medelijden, en bood mij een aalmoes aan.
“Men was begonnen met mij onregtvaardig te verdenken, ik kon dus niets van die lieden aannemen.
“Toen leed ik honger, Uwe Excellentie, toen bracht ik meermalen, als het mij niet gelukt was de huur van een klein inlandsch huisje te betalen, den nacht onder den blooten hemel door.
“Erger dan dat, ik was veracht en verstoten door eene maatschappij die mij voor een schurk hield, want de Gouverneur had het gezegd!
“Niemand groette mij, niemand kende mij, niemand liet zich met mij in, want ik stond op het punt om eerloos te worden.
“Zoo leefde ik twaalf maanden, Uwe Excellentie, als het leven heeten mag, worstelen als het was met de dagelijksch terugkeerende grief van armoede en schande, gemarteld door de verwachting eener criminele regtspleging; zoo leefde ik twaalf maanden, elken dag denkende: dit is de laatste, en mij elken dag bedrogen ziende.
“Den 10enAugustus 1844 heb ik mij neergelegd om te sterven, van honger te sterven, Uwe Excellentie. Ik had in drie etmalen niet gegeten! Een Chinees, wien ik eens eene dienst bewezen had, vond mij, en bragt mij eten.
“Op eenen avond, toen ik te acht ure nog niet wist, waar ik den nacht zoude doorbrengen, schreef ik eenen brief aan Z. E. den Gouverneur-Generaal Merkus.
“Kort daarop ontving de Civiel- en Militair-Gouverneur der Westkust lastmijnaar Java te laten vertrekken.”6
Al het leed, al de bitterheid over zijn maatschappelijke onteering en zijn ongelukkige liefde, al zijn hunkeren, afwisselend naar den dood of naar het geluk of naar rehabilitatie, heeft hij in zijn tooneelstuk:De Eerlooze, uitgeklaagd. Het heele stuk wordt gedragen door het besef slechtsschijnbaarschuldig te zijn, innerlijk hoog verheven te zijn boven iedere laagheid, elk bedrog. Wel erkent hij, “ikzelf ben een zwak mensch die ’t goede wil, maar menigmaal struikelde,” maar zijn geweten is zuiver: zijne bedoelingen zijn altijd zuiver geweest. Het doorleden leed, zijn krachtig idealisme, zijn drang zich voor zijn ideaal te geven, te offeren, heeft hij echter niet weten om te scheppen tot een stuk met oorspronkelijke situaties en karakters. Hij heeft eigen gemoeds- en levenservaring in de vormen gegoten van romantische schrijvers als Kotzebue en Lafontaine. De arme, burgerlijke muziekmeester Holm, die op zijne adellijke leerlinge Caroline verliefdwordt, voor wie hij sentimenteele romances dicht, Karel van Bergen, de misdadige bon-vivant van ouden adel, die door Caroline’s stiefmoeder als schoonzoon begeerd wordt, het offer dat de edele Holm bij herhaling brengt ten einde dezen onwaardigen medeminnaar te redden, om de schuld van zijn vader jegens dien van Karel te boeten, en eindelijk de uitredding door een vriend van beider reeds overleden vaders, tevens broeder van de booze stiefmoeder, die den armen Holm in zijn eer hersteld, tot zijn zoon en erfgenaam aanneemt, en hem de geliefde Caroline in de armen voert—dat alles zijn karakters en situaties uit de boekenwereld van Kotzebue, Lafontaine e. d. “Al zulke schrijverij, ’t produkt van middelmatig talent, veel nabootsing enniet de minste studie, is leeg. Dat is geen grijpenins volle Menschenleben, dat is grabbelen in een muffe leesbibliotheek. Dat is geen zielkundige ontleding van wat ons de wereld te aanschouwen geeft, dat is ’n marionetten-repetitie. Dat is geen menschteekenen, dat is kladderij van de poppenkast. Dat is geen waarheid, dat is leugen. Wie de wereld niet kent, en toch voorgeeft haar te kopieeren of te schetsen is onnoozel als ik in ’43, of...” Dit oordeel van den schrijver zelf 30 jaar later over zijn eersteling uitgesproken is scherp maar juist.
De Raad van Indië was niet zoo overtuigdvan de oneerlijkheid van den geschorsten ambtenaar als Generaal Michiels: een der leden maakte de opmerking dat “het getal ambtenaren dat onder den Gouverneur ongelukkig is geworden, weder met één vermeerderd is.”
Dekker krijgt verlof om naar Batavia te gaan. Hij wordt op wachtgeld gesteld vanaf ’t oogenblik zijner schorsing, die hier feitelijk mede te niet is gedaan; het tekort in zijn kas moet hij aanzuiveren en dan zal hij voor plaatsing wederom in aanmerking komen.
In Batavia heeft hij weer vrienden gevonden, die hem voorthelpen en in het najaar van 1845 wordt hij weer geplaatst, doordat hij ter beschikking van den assistent-resident van Krawang wordt gesteld. De administratie was daar ten achteren geraakt en moest worden bijgewerkt. Een half jaar bleef hij daar en kreeg toen een vaste aanstelling als commies te Bagalen. Dit was beneden zijn rang. Een vaderlijk vriend heeft hem er van teruggehouden uit verontwaardiging hierover ontslag te nemen. Twee jaar lang ziet hij met iedere post uit naar het bericht zijner overplaatsing, totdat hij eindelijk tot secretaris van Menado benoemd werd.
1Dit verwijt Caroline hem in een brief.2Brieven I: 116.3Brieven I: 78.4Brieven II: 27.5Zie de Bruyn Prince:Officiëele Bescheiden, blz. 234–235, 256, facsimile’s bij blz. 248, en Brieven I: 33.6Brieven II: 40–41.
1Dit verwijt Caroline hem in een brief.
2Brieven I: 116.
3Brieven I: 78.
4Brieven II: 27.
5Zie de Bruyn Prince:Officiëele Bescheiden, blz. 234–235, 256, facsimile’s bij blz. 248, en Brieven I: 33.
6Brieven II: 40–41.