MULTATULI ALS DENKER EN HERVORMERAls Multatuli met deMax Havelaargeen onmiddellijke verbeteringen en hervormingen ten bate van den Javaan en geen schitterende rehabilitatie van Douwes Dekker kan verkrijgen, wordt uit den kolonialen profeet, de Hollandsche hervormer geboren. In het staatkundige maatschappelijke en geestelijke leven van zijn volk vind hij den grond van ’t Indisch wanbestuur. Al de scherpte van zijn pen, de hartstocht en virtuositeit van zijn taal, gaat hij aanwenden om zijn landgenooten wakker te schudden en te ergeren, om ze van geestelijke en conventioneele gezagsbanden te bevrijden. Hij heeft altijd gehoopt dit met een eigen tijdschrift of dagblad te bereiken: door geldgebrek is dit mislukt.In 1862 begint hij met de uitgave vanIdeën: op ongezette tijden gaf hij een velIdeënin lossen omslag, dat tevens diende als correspondentieblad met zijn lezers. Zoo vormt zich een vaste lezerskring van geestverwanten: hij geeft hun zijnIdeën, hij deelt hun ook zijnpersoonlijke wederwaardigheden mede over de Havelaarzaak, ’t proces Van Lennep, over aanvallen en doodzwijgen in de pers enz.De zeven bundels tusschen 1862 en 1877 verschenen zijn zeer verschillend van gehalte en van inhoud: ze zijn “de Tines zijner ziel”.Hij spreekt er in uit, wat hem vervult in korte, kernachtige parabelen en verhalen, hij geeft eene satirische bespreking eener brochure over een bidstond. Staatkundige beschouwingen wisselen af met fragmenten zijnerGeschiedenis van Wouter Pieterse.Buitengemeen levendig van stijl is vooral de eerste bundel: een stijl, dien hij aan ’t slot vanMax Havelaarheeft aangekondigd:“Weg met gemoedelyke taal, weg met zachtheid, rondborstigheid, duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aan Horatius’justum ac tenacem! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag, en gesis van vuurpylen, en gekras van valsche snaren, en hier-en-daar een waar woord, dat het mee insluipe als verboden waar, onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit!”In de eersteIdeënstelt hij het oordeel van den enkeling boven dat eener vergadering: uit dit denkbeeld volgt dan later de gevolgtrekking over de ònwaarde van volkvertegenwoordigingen, van regeeren der helft + 1; een allergeestigste persiflage van dezen regeeringsvormheeft hij later in zijneSpecialiteitengegeven.Groote waarde heeft het zelfstandig oordeelen: “De jeugd moet zich oefenen in ’t bepalen: (I. 10) “Om een voorwerp te teekenen is ’t niet voldoende den omtrek, de kleur en de schaduw van dat voorwerp te kennen, men moet dat alles kunnen weergeven.” (I. 11.) De groote beteekenis vanjuist uitdrukkenstelt hij in ’t licht: maar de juist uitgedrukte waarheid maakt geen indruk, vandaar dat ze in ’t kleedvanverdichting en verbeelding moet worden gestoken om ingang te vinden. Zoowel in het puntig, scherp formuleeren zijner denkbeelden, als in het dichterlijk inkleeden er van toont Multatuli zich een meester.De strekking derIdeënis in I. 136 uitgesproken: “De roeping van den mensch ismenschte zijn. Daarheen moeten leiden: opvoeding, onderwijs, beroepskeuze, zedeleer, wetgeving, godsdienst.”Maar de ontwikkeling van het waarachtig menschelijke wordt door averechtsche opvoeding, onderwijs, beroepskeuze, zedeleer, wetgeving en godsdienst juist belemmerd. Want deze instellingen berusten op gezag, traditie en conventie, zij zijn ontaard tot dwangmiddelen, terwijl ze wegwijzers tot vrijheid moesten zijn.De godsdienst is de hoofdschuldige: in naam van den godsdienst wordt ’t gezag van ouders over kinderen, van den man over de vrouwgehandhaafd. Dogmatische frasen bederven het gezond verstand, een onhoudbare mythologie wordt gegeven inplaats van nuttige kennis der natuur. WatM.ook bestrijdt, telkens komt hij neer op den schadelijken invloed van het “geloof”. Zijn spot, zijn sarcasme, zijn verstandelijke kritiek zijn gericht op het doode vormelijke en dogmatisch-kerkelijke geloof, dat hem sedert zijn jeugd een nachtmerrie was geweest. De vormelijke godsdienstigheid heeft hij in al zijn leegheid laten zien en van het afbreken van het gehate “geloof” heeft hij intens genoten. Daaraan danken we een paar van zijn dolste en geestigste parodieën: ten eerste de geschiedenis van den bidstond den Elberfeldsche weezen, die zóó door den geest worden aangegrepen, dat ze liggen te stuipen op de keldertrap! In hun waan zijndezeChristenen oprecht, maar diepe verachting koestertM.voordiegeloovigen, die het op een akkoordje gooien met hun geloof:“Als ’twaaris dat diegoddienerynadeelig werkt...—Ja, zegt men, maar dat is sporadisch. ’t Komt nietdikwylsvoor. Hy,zy, en ik hebben nooit gestuipt op de keldertrap. Wegelooven... nu ja, maar we laten ons niet dol maken. We doen behoorlyk onze zaken. We gelooven... zóó, zóó... met gepaste matigheid.Die wezens staan me nader dan gy!Wie nonsensgelooft, en door krankzinnigheidbewys geeft voor de oprechtheid van z’n geloof, heeft recht op medelyden en... genezing, als er genezing mogelyk is.Maar gy diegelooft... ja, maar niet meer dan juist noodig is in ’t belang van uw “zaken”... gy die zondags ’n hemelvaart belofzingt, maar ’n knecht zoudt wegjagen als hy in de week u kwam vertellen dat uw grootboek was opgevlogen... gy die uw krankzinnigheid weet afteknippen op de maat die ge groot genoeg vindt voor den Hemel, en niet te groot toch voor de aarde... gy die zoo verstandig zyt als de verstandigste waar ’t uwdadelykbelang geldt, maar meent den Heere te dienen door dat verstand te leggen aan ’n halsbandje van spinnewebbe of yzer, naar ’t u voegt, zoodra er spraak is van—veronderstellen—edeler belang... gy die preekt, bidt en oefent, maar onder ’t bidden en oefenen, gedurig ’n oog in ’t zeil houdt van ’t aardsche scheepje... gy die ’t beste deel van uw ziel bewaart voor beurs, school, sociëteit of kabinet, en zondags lappendag houdt om uw “Heer” te onthalen op wat afval... gy...Wat moet ikUzeggen? Dit: ga naar de Elberfeldsche weezen, kryg stuipen en wordt oprecht.” (I. 179.)De tweede felle parodie leverdeM.in zijnBakerpreek: Stel datM.’s relaas van het salie-avondje van Juffrouw Pieterse eenmaal de heilige Schrift der Opper-Aziaten zal zijn, dan zal zichin die streken na 50 eeuwen een kerkgeschiedenis, een dogmatische strijd en een geloof hebben ontwikkeld, wier verloop analoog aan die van ’t christendom zal zijn. Ten stelligste ontkentM., dat deze parodie op dogmatisch wondergeloof als aanval op hetheiligeveroordeeld moet worden:“Spot met zoogenaamd ‘heilige’ zaken, bewijst niets tegen die zaken, maar wekt de tragen op en geeft den vreesachtigen moed:tot nadenken over de vraag: of die zaken wel heilig zijn?Dit is veel gewonnen, want dan is de tijd daar tot eenvoudige redeneering.” (I. 395.)Door domheid en misverstand zijn de woorden van Jezus verknoeid: maar voor de Jezusfiguur heeftM.groote bewondering: “Ik heb in veel opzichten eerbied voor Jezus, maar volstrekt niet voor ’t zoogenaamd christendom.Er zijn door Jezus dingen gezegd die ik geloof—schoon ik ze niet geloofomdathij ’t zeide—maar in ’t christendom-zelf geloof ikniet. Ik ontken ’t bestaan van dat christendom1. Ik heb ’t nooit ontmoet, nooit waargenomen, en ben overtuigd dat Jezus, op aarde terugkomende, heel verwonderd wezen zou te hooren, dat men zich naar hem noemde. Ikheb ’n neefje die spelfouten maakt en zich daarom Multatulist noemt. Wat zou m’n aanhang groot wezen als dat opging.“Het christendom bestaat voor een groot deel uit neefjes die spelfouten maken.” (I. 186.)En in I. 57 lezen we: “Er is maar één weg ten hemel:Golgotha. Wie er wil komen langs anderen weg is ’n infame smokkelaar.”Fel tegenstander wasM.ook van de toen opkomende moderne richting: deze theologen streden óók tegen de versteening van het christendom in dogma en wondergeloof. Maar volgensM.bleven ze halverwege staan en waren niet consequent: in een geestige parabel verhaalt hij van pasteibakkers, die zulke lekkere taartjes bakten, ’n winstgevend beroep. Totdat scheikundigen ontdekten, dat er papaverstroop in verwerkt werd! Een eerlijke pasteibakker verklaart geen taartjes meer te zullen bakken; maar anderen pogen onschadelijke taartjes, met een heel klein beetje slaapstroop te fabriceeren, om den taartjeswinkel aan te kunnen houden, zonder strijd te voeren tegen de wetenschap der chemisten... “De pogingen om de mystiekerij van ’t oude geloof overeen te brengen met hedendaagsche standpunten is even belachelijk—en misdadig!—als ’t schermutselen met ‘politieke beginselen’ die geen wortel hebben in ’t gezond verstand, omdat men daarbij voortdurend verzuimt met de feiten te rade te gaan.” (I. 453.)TerwijlM.de moderne richting en Renan heftig aanvalt, wijst hij elders weer op de psychologische en symbolische waarheden, die in mythologische verhalen van het Oude en het Nieuwe Testament, in het dogma der erfzonde verscholen liggen: een schriftbeschouwing, die de oude mystieken, zonder nog aan de historische feitelijkheid te twijfelen, bij voorkeur hebben toegepast, en die door de wijsgeeren sinds Lessings dagen als de godsdienstig eenig houdbare is beschouwd. Geestig is de wijze waarop hij een loopje neemt met de historiciteit van den wandelenden Jood (I. 800–803) en waarop hij de verwarring schetst in het hoofd van den jongen, die Ovidius’ scheppingsgeschiedenis alsmythemag beschouwen, maar die van Genesis alshistoriemoet aannemen, op straffe zijn zaligheid in gevaar te brengen.Ondanks zijn felle afbreken van alle “goddienery” wordtM.in een sentimenteel oogenblik bekoord door de liefelijkheid van naïef geloof, zooals blijkt uit de geschiedenis der Sainte-Vierge (I. 242), en de figuren van Femke met haren katechismus en de oude pastoorsdienstbode Stijntje uitWouter Pieterse. Maar zijn afkeer van de bekrompen, kleinzielige orthodoxie was zóó hartgrondig, dat hij de poëzie van het naïef geloovige alleen bij Roomschen vermocht te vinden.Tot wijsgeerig verstaan en waardeeren vanhet godsdienstig leven is hij niet in staat geweest: hij kende het christendom dan ook niet uit zijn grootste vertegenwoordigers: Augustinus en de mystieken, de groote dogmatische en wijsgeerige vertolkers van het christendom waren hem niet bekend: hij bleef in de opvatting steken, dat godsdienst en wijsbegeerte elkaar uitsluiten. Zijn strijd tegen een persoonlijk God, persoonlijke onsterfelijkheid en tegen het vraaggebed bedoelt hij als vernietiging van het geloof: inderdaad vecht hij tegen uitwassen van het christendom, waartegen sommigen der grootste wijsgeeren en theologen eveneens gestreden hebben.In deIdeënvinden we twee gedachtenreeksen over de vraag, “wat is waarheid”, die voorM.gelijkluidend is met de vraag “wat is God.” Als hij de natuur als uitgangspunt zijner redeneering neemt, dan is God gelijk aan de ijzeren wet der noodzakelijkheid; wel had hij “liever te doen met ’n God die vatbaar is voor rede, maar dit kàn nu eenmaal niet”.—“Denoodzakelijkheiddie dit wil (n.l.dat 1 + 1 = 2), voorschrijft en handhaaft, is almachtig, eeuwig, onveranderlijk, isGod. Die God bouwt zonnestelsels...Er is geen bol aan ’t firmament, die niet z’n bestaan te danken heeft aan ’n reeks van feitelyke syllogismen, even eenvoudig als 1 + 1 = 2.DieGod voegt samen, ontbindt, maakt,vermaakt, richt, wendt, buigt, heft, perst en plet...Ja, plet! En knipt, als—in die andere plettery—de schaar, die ook niet weet wat ze doet!Bidden is aan die schaar vragen of ze zoo goed wil zyn, ditmaal niet toetehappen omdat er iets tusschen haar kaken ligt, dat we gaarne wilden heelhouden!Bidden zou dus, als ’t niet kinderachtig ware, een misdadige poging zyn om de natuur te verlokken tot wanorde.” (I. 162–163.)Gaat hij daarentegen van den mensen uit, dan vormt hij zich een God naar eigen beeld: in de Woutergeschiedenis schetstM.hoe Wouter zijn Godsbegrip opbouwde:“Geen ‘Weg ter Zaligheid’ en geen katechismus was er in geslaagd het kind den anderen god te ontrooven, dien hy in ’t gemoed droeg, en waarmee hy zich—ziehier z’n hoogmoed!—zonder de minste aanbidding vereenzelvigde. God, of ’n god, moest noodwendig hetgoedewillen, het goede zyn. Dit wilde en was Wouter ook.Hystond dus zoo’n Wezen zeer na, en beschouwde het in z’n trouwhartigen waan als z’n natuurlyken bondgenoot, als z’n gezel, als z’n kameraad. Zoo voelde hy zich prins van geestelyken bloede, als ware hem de Fancy-vertelling ontgaan, die ik in den aanvang dezer geschiedenis meedeelde om denlezer inzage te geven in Wouter’s stamboom.“Hoe hy ’t aanlei om den god dien hy geschapen had, den god van ’t goede overeen te brengen met het zonderling Wezen dat men hem deed kennen in Kerk en School, is moeielyk te zeggen.” (I. 1083–1084.) En alsM.verteederd is door het naïeve geloof van een lief Roomsch vrouwtje en een monnik besluit hij ’t verhaal van zijn reisavontuur met de woorden: “En in aller harten woonde liefde. Waardoor waren die wonderen gewrocht? Door den godsdienst van het goede.” Zoo is er tegenstrijdigheid in zijn godsdienstige opvattingen, eene tegenstrijdigheid, die we terugvinden in zijn levensideaal: hoewel overtuigd, dat alles volgens deonverbreekbarewet der noodzakelijkheid zich voltrekt, wil hij, Multatuli, overal ingrijpen om het goede en het rechte te doen zegevieren. Hij wenscht macht en geld om al zijn idealen te verwezenlijken; in zijn gesprek met Keizer Adolf in ’t Rijk der Gnomen zet hij dezen het volgende programma uiteen:“Daarenboven is niet alles zoo goed als het, met eerlijke gebruikmaking van de onveranderlyke wetten der lieve Natuur, wezen kon. De goedige aarde levert voedsel genoeg, en toch wordt er gebrek geleden door de menschheid...—Ik zal ze wat yzer zenden.—Om ’s hemels wil, doe dat niet, Meester!Ze eten het niet, en maken er ballen van om elkaar dood te gooien.—Wat salpeter?—Nog erger! Ook dat eten ze niet, en gebruiken het om die ballen voortteblazen. Er zou voedsel in overvloed zyn, ging ik voort, en toch hebben velen niet het noodige. Er is daarboven kennis genoeg te samelen, en toch kwynt ’n zeer groot deel der mensheid weg in walgelyke onwetendheid. Er is daar stof genoeg voor algemeene vreugd, voor genot, voor geluk... en toch, Meester, tochblyvenjammer en leed hoofdtoon in de geschiedenis van dat arme mensdom!Meester, ik heb vyftig jaren op die aarde rondgedoold, en zelf veel geleden, maar sedert ik de gaaf ontving m’n voelen tot denken te maken, en verstand te scheppen uit de bron van het hart, sedert dien tyd was me niets zoo bitter als ’t aanschouwen van de algemeene ellende die voortdurend de plaats inneemt van mogelyk algemeen geluk.En steeds kwam daarby de gedachte in my op: o, als ik te bevelen had...si j’étais roi!Ik zocht macht om goed te doen.Maar, Meester, die macht bleef uit, vooral nadat ik, herhaaldelyk getracht hebbende goed te doen zònder haar, hoe langer hoe machteloozer werd gemaakt door de velen die belang hebben by ’t kwade.Ik wil geld, Meester, en veel, veel, veel! Ik wil meer goud dan gy yzer kunt maken in honderd weken, al werkten al uw gnomen en kobolden mee. Ik moet me een plaats koopen in de volksvertegenwoordiging...—Worden die plaatsen gekocht?—Indirect ja. Of liever ze worden door en met geld verkregen zonder betaling. Ik moet dan, dóór of met geld, me een plaats veroveren vanwaar ik waarheid kan doen hooren aan ministers... ’n ministersplaats ook, om de waarheid te kunnen zeggen aan koningen. Geld heb ik noodig om zelf koning tezyn, opdat ik ’t recht en de macht bezitte goed te doen aan ’t volk... liefst zònder ministers. Geld heb ik noodig voor legers, om menschenslachtende vorstjes te onttroonen in Afrika... en andere werelddeelen. Geld om bevoegdheid te koopentot het nazien der boeken van weeshuizen en armeninrichtingen. Geld voor volksbibliotheken...—Je wilt dat het volk lezen zal?—Zóóver gaat m’n eerzucht niet. Ik wenschte dat het in staat werde gesteld lezen teleeren, ’n kunst die nog in haar kindsheid is. De meesten brengen ’t daarin niet veel verder dan noodig is voor ’n benoeming tot briefbesteller. Ik heb geld noodig, Meester, tot het bezoldigen van onderwyzers in de natuurkunde, geld voor algemeene hygiène, geld tot het wegruimen van rivierdyken, die vervloekte oorzaken van watersnooden verzande havens. Geld tot het uitwisschen van grenzen, geld voor vruchtboomen langs de wegen, geld voor den beul...—Hè?—Ja, pensioen. Geld tot ondersteuningzonder smaadvan invalide burgers, geld tot betaling van—des-noods onvrywilligen—arbeid derzulken die arm werden door traagheid. Geld voor ware, d. i.veredelendekunst. Geld voor genot. Geld voor geluk. Geld voordeugd! En meester, zóóveel geld wenschte ik, dat er nà dat alles nog iets overschoot om m’n lief gezin te behoeden tegen gebrek.” (Millioenenstudiën I: 43, 51–52.)Terwijl hij de macht der noodzakelijkheid zoo klaar besefte, meende hij zelf door Fancy geroepen te zijn, in de hopeloos verwarde samenleving orde te brengen. Deze drang, deze overtuiging heeft hem voortgedreven héél zijn leven door: ieder mensch in nood, in lichte of voorgewende armoede, voelde hij zich gedrongen te helpen. En als helpen met geld onmogelijk of onnoodig was, was hij altijd bereid zich voor zijn medemenschmoeitete getroosten. Niet alleen de enkeling wil hij bijstaan, zijn eerzucht gaat er naar uit demenschheidwél te doen, door de afwijkingen van de rede, van Logos weer goed te maken.In zijn later werk (in deMillioenenstudiënvoor ’t eerst, later in het tweede gedeelte vandeWoutergeschiedenis) komt het inzicht dat Fancy zonder Logos niets vermag en Fancy leert hem, dat de dichter hetrechtniet zal kunnen doen zegevieren met millioenen schats, maar wèl door zijnideeën. “Meent ge dat het mij meer moeite kosten zou, u demillioenentoe te werpen, dan ik aan ’t vóórzeggen derStudiënbesteed heb”, is de vraag waarmede Fancy-logos vanM.afscheid neemt. Zijn dichterlijke verbeelding zal de geestelijke waarden moeten scheppen, waardoor recht en goedheid onder de menschen zullen zegepralen.Na jaren van worsteling om geld en invloed is deze verzoenende gedachte gekomen, dat Fancy door dengeestoverwint.Een vat vol tegenstrijdigheden dat wasM.óók in zijn wereldbeschouwing. Geweldig voorstander van welvaart en vrijheid van het volk, wilde hij liefst voor zich de rol van een Napoleon spelen. Van ’t parlementaire stelsel,—de Tweede Kamer had hèm niet in zijn strijd om den Javaan bijgestaan—verwacht hij niets goeds maar hij weet er niets beters voor in de plaats te stellen! Als staatkundig hervormer roept hij om een “derde partij”, die de volkswelvaart en niet het partijbelang zal dienen. Want de onmacht van regeering, Kamers en partijen zijn de oorzaak van de groote ellende van ’t volk.“Ieder weet, dat myn bitterheid over den toestandvan ons Volk zich niet bepaalt by de zaken in Indië. Na de Havelaars-geschiedenis, myn punt van uitgang, zag ik weldra in, dat de grond dieper lag, dan in de luiheid en gewetenloosheid van plichtvergeten gouverneurs-generaal. Achter zoo’n ellendigenvan Twistzat een minister. Achter zoo’n minister zat een Tweede-Kamer, ja... zelfs ’n Eerste. Wat zoo’n Eerste-Kamer beduidt is onlangs gebleken, toenDuymaer van Twistdaarin onverhinderd zitting nam. Niemand drong den man ter deure uit. Niemand schaamde zich plaats te nemen naast den medeplichtige aan zooveel roof, naast den moordenaar van zooveelSaïdjah’s.En achter de beide Kamers, zit, staat, ligt—of kruipt, als ge wilt—het Volk, het Nederlandsche Volk!” (I. 583.)Tot het Volk zal hij zich richten, op de ellende van het Volk zal hij wijzen: hij zal opstandigheid prediken. In zijn tweeden bundelIdeënheeft hij zeer uitvoerig het werk van Le Play overLes Ouvriers Européensbehandeld in verband met het welzijn van het Nederlandsche Volk. In deze studie komt o. a. een gedetailleerd arbeidersbudget voor.M.komt tot de slotsom dat de Hollandsche arbeider ja in vele gevallen de kleine burger in ons land onder veel slechter condities leeft en werkt dan de arbeiders in andere beschaafde en half beschaafde landen van Europa, ja zelfs, dat de Hollandschearbeider er slechter aan toe is dan de zwarte slaaf!PORTRET VAN MULTATULI, ( ± 1865).PORTRET VAN MULTATULI, ( ± 1865).(Naar een photographie in het Multatuli-Museum te Amsterdam).DRUKPROEF VAN EEN PROGRAMMA VOOR EEN VOORDRACHT VAN MULTATULI,DRUKPROEF VAN EEN PROGRAMMA VOOR EEN VOORDRACHT VAN MULTATULI,met eigenhandige correctie.(Multatuli-Museum, Amsterdam).VOORDRAGTEN VAN MULTATULITWEEDE VOORDRAGT.Program.Dankbetuiging voor de welwillendheid, waarmede des Sprekers eerste Voordragt is opgenomen.Het hooge belang voor den Spreker om Dames onder zijn gehoor te zien.Aansporing om der Vrouw meer aandeel te geven in ’t bestuur van ons huisselijk leven.PAUSE.Voordragt van een gedeelte uit “WIJS MIJ DE PLAATS” ten bewijze dat de zaak des Sprekers wel degelijk valt onder ’t bereik der Vrouwen, en tevens dat deze bevoegd en geroepen zijn zich die zaak aantetrekken.PAUSE.Uitnoodiging om aan de Vrouwen grooter aandeel toetekennen in ’t publiek leven.Betoog dat de Zaak des sprekers wel degelijk valt onder het bereik der vrouwen en tevens dat deze bevoegd en geroepen zijn, zich die zaak aantetrekken.“De zwarte slaverny was inderdaad in beginsel een gruwel maar...zywas openlyk, oprecht, frank. En:de slaaf werd beschermd door de wet.Wie beschermt denwittenslaaf? Wie verzacht of geneest den kanker van de blanke slaverny? Ook dat is eengruwel, filantropen, en een gruwel met toebehooren van huichelary en valsheid.De invoering eenergereglementeerdeslaverny met verplichting aan den kant des meesters, om z’n eigendombehoorlykte onderhouden, zou voor zoo menig Nederlandsch werkman een weldaad wezen... als ze bestaan kon. Maar niemand zou iets durven bieden voor ’n blanke, en daarom is ’t onmogelyk. Daarom, en niet omdat onze zeden zouden verheven zyn boven de begrippen, die slaverny dulden. Integendeel, ze staan daar beneden, en bedekken haar zelfzuchtig terugdeinzen voor de verantwoordelykheid van ’t patronaat, met ’n valsch kleursel van eerbied voor menschenrecht.De christelyke beschaving is fyn en slim in hare berekeningen.Zy zegt: gy moogt nietverkochtworden... ze meent: ik wil u nietkoopen. Zy zegt: ik wil niet dat geslaafzyt... ze meent: ik wil uweigenaarniet wezen. Zy zegt: behoudt uwwaardeals mensch... ze meent: ik wil mynkapitaalswaarde niet verliezen. Zy zegt: geenvernederingvooru... ze meent: geenschadevoormy.Want de werkman in onze maatschappy is slaaf. Z’nmaaglevert hem gebonden over aan ieder die hem een maal aardappelen met azyn betaalt. Hyisslaaf,minus’t recht op onderstand,minusregistratiekosten,minusgezegelden koopbrief,minusrente en risico.Ja, zonder risico. Want als-i ziek wordt, ongeschikt om te arbeiden, oud, gebrekkig... welnu, dan huurt men een nieuwen slaaf, die werken kan, en betaalt hem als z’n voorganger met ’n maal aardappelen daags...Zoo-als nu de zaken staan, noem ik den toestand van ons Volkschandelyk.Zeven-achtstedeel der gehuwde mannen, moeten de vruchtbaarheid hunner vrouwen verwenschen, en zeker zouden de vogeltjes die zoo vroolyk spys zoeken en vinden voor hun jongen, met minachting neerzien op ’t verwaand menschdom, als ze wisten hoe schraal de tafel bereid is, waarom ’t aanzit.” (Idee 451.)Als de oorzaak van deze ellende beschouwtM.de slechte regeering: de constitutioneele koning is niet verantwoordelijk omdat hij onschendbaar is en dus onmachtig, de ministers komen en gaan zóó snel, dat ze de verantwoordelijkheid op hun opvolger(s) afschuiven.Als een pikant staaltje van de wijze hoe er bestuurd wordt, hoe de bestuurders hun roeping begrijpen, wijstM.op ’t volgende.“Wy weten nu eenmaal, dat het Volk geen vleesch eet. Voor ’n oogenblik aannemende, dat het bestuur daaraan niets doen kan, zal ’t toch waar blyven, dat zoo’n feit belangstellende aandacht verdient. Ziehier hoe de Gedeputeerde Staten van Friesland zich van hun plicht daaromtrent kwyten. Wy lezen in ’t verslag van die provincie over 1861:Wij moeten nogwijzenop ’t verblijdend verschijnsel, dat de invoer vanSmeer...de “Nederlandsche Industrieel” voegt hier zeer gepast by: “dat is: de afval van ons naar Engeland gezonden vee.”... “smeer, een artikel zoo uitnemend geschikt om bij de geringe volksklasse het gemis van vleesch te vergoeden, in de beide laatste jaren weder klimmende is.”Het is moeilyk by zulke mededeelingen niet bitter te worden.Men vraagt zich wat de overhand heeft by die heeren Gedeputeerde Staten, de domheid, de onverschilligheid, of de wreedheid?Of zou er ironie liggen in datverblydenover ’t verruilen van versch vleesch tegen oud smeer? Zou ’t een geestigheid wezen? Laat ons hetzachtste oordeel kiezen en dus de zaak houden voor domheid. We kunnen daarvoor de minder domme opinie teruggeven—niet als verblydendverschynselhelaas!—dat ’n vlucht uilen, “zoo by-uitnemendheid geschikt wezen zou... om H. H. Gedeputeerde Staten van Friesland te vervangen”.In den noodtoestand der arbeidende bevolking zietM.het grootste gevaar voor de nationale toekomst. In de jaren tusschen 1866 en 1870 toen Pruisen zijn grenzen uitzette, was de vrees voor annexatie hier te lande levendig. De oud-minister—Professor Bosscha schreef een brochureOver Pruisen en Nederlandom zijn landgenooten tot waakzaamheid, tot geestdrift en... tot den vrijwilligen wapenhandel op te wekken. Deze brochure prikkeldeM.tot het schrijven over de ware oorzaken van Nederlands onmacht tegenover een veroverend Pruisen; hij betoogt, dat de hooggeroemde vaderlandsliefde die zich uit in bombastische verzen en in... binnenkamers, een leugen is, dat “gymnastie, algemeene dienstplichtigheid en scherpschuttersgenootschappen” slechtsmiddelenzijn, maar dat dit niets helpt, zoolangde geest in ons land niet verbeterd is. En geestdrift ontbreekt omdat de toestand van ’t volk ellendig is: de materieële toestand is miserabel en het geestelijk leven eveneens. “Jacht op stijl overal, stijl, nergens. Overal gemaaktheid, opgedrongen deftigheid, mislukte verheffing,brommende leegte, conventioneel schrijversfatsoen, d. i.leugen.—De natie is ziek, zeer ziek, en de naam dier ziekte, in welken vorm zij zich ook voordoe, isleugen!”De materiëele ellende van ’t volk is weer de grondoorzaak van geringe ontwikkeling, minderwaardig vermaak. En ’t nationaal bederf is niet tot de arbeidersklasse beperkt: eenzelfde geest van lamlendigheid doortrekt alle lagen der samenleving. Vandaar dat zeden en gewoonten, kunst, godsdienst en staatkunde verleugend zijn.Door het scherp belichten van den maatschappelijken leugen heeftM.veler oogen geopend. Met bijzondere voorliefde heeft hij het minderwaardige lot der vrouw op de kaak gesteld. Hij doet een fellen aanval op de zeden, die voorschrijven het meisje dom en onwetend te houden, die de vrouw toestaan slechts de huishoudster van haar man te zijn, die de ongetrouwde vrouw tot werkeloosheid en hysterie veroordeelen. De zeden, die de verhouding der geslachten bepalen, zijn in aanhoudenden strijd met de hoofdwet der Natuur.“We willen haar dwingen tot stilstand waar ze beweging eischt. Tot alleenzyn, waar ze haakt naar verbinding. Tot scheiding, waar ze aandringt op vereeniging. We dringen ons als plicht op, die Natuur te verkrachten.Deze verkrachting—of de voortdurende vruchtlooze poging daartoe—noemen weDeugd.Onze geheele opvoeding van de meisjes is ’n moorddadige opstand tegen het goede.” (I. 203.)“Wat maakt ge van onze dochters, o zeden! Ge dwingt haar tot liegen en huichelen. Ze mogen niet weten wat ze weten, niet voelen wat ze voelen, niet begeeren wat ze begeeren, niet wezen wat ze zyn.“Dat doet geen meisje. Dat zegt geen meisje. Dat vraagt geen meisje. Zoo spreekt geen meisje!”Ziedaar schering en inslag van de opvoeding. En als dan zoo’n arm ingebakerd kind gelooft, berust, gehoorzaamt... als ze heel onderworpen haar lieven bloeityd heeft doorgebracht met snoeien en knotten, met smoren en verkrachten van lust, geest en gemoed... als zebehoorlykverdraaid, verkreukt, verknoeid, heel braaf is gebleven—dat noemen de zedenbraaf!—dan heeft ze kans dat deze of gene lummel haar ’t loon komt aanbieden voor zooveel braafheid door ’n aanstelling tot opzichter over z’n linnenkast, tot uitsluitend-brevetmachine om zyn eerwaard geslacht aan den gang te houden. ’t Is wel de moeite waard!” (I. 195.)Het ascetisch ideaal van het christendom vindt hij uit den booze. Met innige verontwaardiging vaart hij uit tegen het negeeren van de vrouw door den Evangelist en legt een nieuwe lezing in den schoonen gedragen stijl van het Evangelie naast de oude vanMattheusXIX over het ware huwelijk, dat niet alleen lichamelijkegemeenschap, maar ook die van ziel en geest insluit.Tegenover de vaak zoo treurige werkelijkheid steltM.het ideale huwelijk, tegenover de dwingende zeden predikt hij vrije liefde. Al moge hij het niet als deidealeverhouding aanprijzen, in ieder geval beschouwt hij het als een bevrijding uit den ascetischen dwang der zeden. In het Holland zijner dagen wekken deze ideeën heftig verzet: de schrijver wordt als een toonbeeld van onzedelijkheid uitgekreten.Ook op zedelijk gebied heeftM.de denkbeelden der Europeesche romantiek in ons land vertolkt: eerzame Hollandsche letterkundigen hadden romantische stoutigheden slechts verzacht en verwaterd durven weergeven2.Maar inM.lééfde hetzelfde gevoel van opstandigheid als in Byron, Heine, Shelleye. a.: in zijnIdeënkwamen deze gevoelens daardoor eerst tot uitbarsting in een taal, gelijkwaardig aan die der groote romantici. Al mogeM.nog zoozeer beïnvloed zijn door deze denkers en dichters, al mogen de sporen van hun invloed in zijn werken telkens zijn aan te wijzen, toch is hier geen sprake van slaafsche navolging: uit zijnBrievenblijkt het, dat ideeën die van zijn jonge jaren af in hem woelen, onder invloed zijner lectuur zijn bewust eigendomzijn geworden. En met zijn wondere taalbegaafdheid heeft hij in later jaren wat in hem leefde zóó pakkend, zóó meesleepend weten te uiten, dat scharen van jongeren door zijn wóórd den strijd voor vrijer levensopvatting hebben aanvaard.Tal van jongen vrouwen en meisjes heeft de Geschiedenis van Thugater (uit deMinnebrieven) en die van de kleine Agatha (I. 182) de oogen geopend!Niet alleen de meisjes-opvoeding moest herzien, heel de onderwijsmethode moest gewijzigd: vanM.is uitgegaan een krachtige beweging om de doode onderwijsmethodes door nieuw levend onderwijs te vervangen. InWouter Pieterse, levert hij een felle charge op de verschoolsching van het lager onderwijs in de figuren van Pennewip en Stoffel, terwijl hij in de wijze waarop Dr. Holsma zijn kroost onderricht, vingerwijzingen geeft omtrent een leermethode, die het kind tot denken, tot zelfvinden aanmoedigt.Goed onderwijs moet opleiden totvrije studie, moet geschikt maken voor het leven.”’t Is niet waar dat die maatschappy den jongen van zestien jaar met open armen ontvangt, omdat-i weet te vertellen watSemi-Ramisheet verricht te hebben, hoe Rusland begrensd is, aan welke rivier Groningen ligt, enz.’t Isnietwaar, dat ze hem ’n paar jaar later onder hartelykwelkom!bekleed met detoga virilis, omdat-i nu verstand heeft van kegelsneden, en na veel tobben in-staat is ’n bladzy te vertalen uitVirgiliusofHomerus... by-voorkeur altyd die eene!’t Isnietwaar, dat de akademische dissertatie waarvan-i ten-langen-laatste door de kunst verloste, hem wordt toegekend als diploom van mannelykheid!Na al ’t verwringen en verkrachten van de Natuur, op school en kollegiebanken, blyft alzoo den ouders niet eenmaal de verontschuldiging dat de Maatschappy tot zoo’n leiding dwingt. ’t Allereerste waaraan de jongeling die de wereld intreedt, behoefte heeft—nadat men twaalf, veertien jaren besteedde om hem voor die wereld geschikt te maken—is... ontbolstering. Wel ’nbewysdat de voorbereiding allergebrekkigst was! Wat naar de school riekt, is in ’t werkelyk leven onbruikbaar.Eilieve hoe kan dit worden overeengebracht met de voorgewende bedoeling, dat men hem naar school zondom hem geschikt te maken voor dat werkelyk leven?” (I. 876.)Merkwaardig is het, datM.de theorie van Montessori voorziende als voorwaarde voor vruchtbaar onderwijs den eisch heeft gesteld, dat een bepaalde leerstof pas gegeven mag worden, als ’t kind er zich toe voelt aangetrokken!“Dezelfde leerling die nu misselyk wordt gemaakt vanTacitus, zou misschien z’n grootste vreugde scheppen in ’t ontleden der werken van dien schryver, als-i vooraf liefst uit eigen aandrift had leeren belangstellen in de daarin behandelde zaken. Er komt ’n tyd dat de knaap zich voelt aangetrokken door de vaak treffende verhouding tusschen uitgebreidheden en getallen. Wie ooit, byv. des nachts wakker liggende, zich bezig-hield met de evenredigheid tusschen zekere lynen en figuren op tapytwerk of behangsel, zal me begrypen. Een ander zal behoefte voelen aan kennis van de wys waarop de stoffen zyn samengesteld. Hy wil weten wat ze vereenigt, hoe ze ontbonden worden? Dan is de tyd voor de scheikundige les gekomen, niet toen de knaap met ’n onvriendelyk: wat gaat my dat aan? de boodschap afzei, die men hem brengen kwam op ongelegen uur.Gy die dit alles nooit bedacht, drinkt ge bier by uw ontwaken? Eet ge stokvisch tot ontbyt? Kolft ge in de kerk? Is ’t dan zoo moeilyk te begrypen dat ook verstandelykeindrukkenhun tyd kiezen, en dat wy alzoo verkeerd handelen, de wenken te verkrachten, die de Natuur ons daaromtrent zoo duidelyk geeft?Ik verwacht niet anders dan dat de meesteonderwyzersvan beroepme ongelyk geven, en hoor sommigen zeggen:—Nu, als ik wachten zou totdiejongen me naliep om wat te weten van driehoeksmeting, van stuifmeeldraadjes, van germaansche oudheid...Ik geloof ’t gaarne! Ge hebtnietgewacht, en kunt dus niet weten wat er zou geschied zyn, als ge de begeerte naar kennis behoorlyk had laten rypen.Of er kinderen zyn, by wie deze begeerte zich nooit openbaart?Deze vraag kan ook anders gesteld worden, en wel—ik beveel deze methode ook voor andere vraagstukken aan—op ’n manier die ’t antwoord meebrengt: men wenscht te weten, of sommige kinderen schadeloos kunnen verdronken worden? Wel zeker, er zyn idioot-geborenen! Maar niet in de behoeften van deze ongelukkigen zoeke men het richtsnoer ter beoordeeling van ’t onderwys waarop ’n welgeschapen kind aanspraak heeft. We mogen niet willens en wetens het getal der geestelyk-mismaakten vermeerderen.”(I. 873–874.)“Door dwang verstoppen we de rykste bron van genot engoedzyn: ’t onafhankelyk denken. En dit niet voor ’n oogenblik alleen, maar we leggen daardoor den grond tot den vervloekten afkeer van geestelyke inspanning, tot de roestige luiheid die onze maatschappy kenmerkt.Er zou gewis ’n tyd aangebroken zyn dat de knaap, na uit eigen beweging z’n oorsprongen dien van denmenste hebben nagevorscht de vraag deed: waar kwamen de Hollanders vandaan? Liever zag ik dat-i z’n denkvermogen besteedde—en dit zòu geschieden als men ’t niet bedorven had—aan ’t geologisch beschouwen van de wyze waaropNederlandontstaanis.” (I. 864.)Als van ’t begin af belangstelling de drijfveer is van het leeren, kan vrije studie op volwassen leeftijd eerst tot zijn recht komen. Uitvoerig staatM.stil bij de beletselen, voor ’t streven naar waarheid: vooroordeel, belemmering van ’t onderzoek en ongeschiktheid van den onderzoeker. Hij wijst ook op ’t nadeel van te ver gedreven specialiseering in de wetenschap, waardoor de ruime blik verloren dreigt te gaan. Tegen schoolsche wijsbegeerte trekt hij te velde: alleen Locke kan genade bij hem vinden.Al komen in deze latere bundels nog wel pittige, korte uitvallen voor, (zoo b.v. I. 933 en 936:Principes heb ik nietènNederland is vol principes),—toch is ’t karakter sterk gewijzigd: rustiger, meer betoogend dan bewerend wordt zijn werk. Zoo geeft hij zeer uitvoerige beschouwingen over bekende, klassieke Hollandsche dichtstukken: Rotgans, Feith, Hooft, Bilderdijk neemt hij kritisch onderhanden. Hij wijst al in de richting van de kritiek van deNieuwe Gidsals hij klaagt dat onze heele letterkunde van den dagnamaakis, als hij Rotgans alsnamaak van namaak veroordeelt, en het bestaan van allekunstregelsloochent, want “de ware artist teekent de Natuur na,zooals die zich aan hèm vertoont. Men kan evenmin iets goeds voortbrengen door ’t volgen van modellen, als zich voeden met de spijs die ’n ander gegeten heeft. Kunstbesef werkt van binnen naar buiten en niet andersom. Een kunstprodukt dat op andere kunstprodukten gelijkt deugt niet.” (I. 1181.)1Jezus is driemaal gekruisigd. Eens door de Joden, vervolgens door z’n levensbeschrijvers en eindelijk door de christenen zelf. Hij had nooit kwaadaardiger vijanden dan de laatsten. (M.)2Dr. Prinsen geeft sprekende voorbeelden hiervan in zijn boek over Multatuli en de romantiek.DE GESCHIEDENIS VAN WOUTER PIETERSEAan de Woutergeschiedenis, het rijkste werk van zijn rijken geest, heeftM.jaren gearbeid. Het is een van de honderd boeken, die hij na ’t schrijven vanMax Havelaarin het hoofd had. Het begin is al vóór 1862 geschreven: in deMinnebrievengewaagt hij vanFancy, die in een koffer te Laeken ligt.In den eersten bundelIdeënis deze Fancy-geschiedenis opgenomen; geërgerd door de bekrompenheid, domheid en kwaadaardigheid zijner landgenooten slaakt de ideënschrijver den kreet: “Wat poëzie, mijn God, opdat ik niet verga van walging over zooveel walgelijks om mij! Lieve Fancy wilt ge mij een sprookje voorzeggen?” Zoo is de Woutergeschiedenis een vlucht uit de werkelijkheid: inplaats van ideënoverde werkelijkheid geeft hij nu een beeld van de moeitevolle worsteling der idee, om zich in een menschenkind te ontwikkelen. Hij geeft zijn ideën als een sprookje, gekleurd door Fancy’s schoone schijn. Maar de beelden hem door Fancy voorgetooverd wekken telkens denkritischen geest van den schrijver: dan onderbreekt hij ’t verhaal van Wouters wederwaardigheden om fouten in onderwijs en opvoeding, onrecht en bekrompenheid in leven en kunst aan te wijzen. En deze uitweidingen dijen herhaaldelijk tot verhandelingen uit.Zoo is de Woutergeschiedenis ten nauwste verbonden met deIdeën; maar al staat ze verspreid in verschillende bundels (n.l. in bundel 1, 2, 5, 6, 7) toch is ze een gehéél van groote schoonheid.1Met deWoutergeschiedenisdoet hetkindzijn intrede in de Hollandsche literatuur: geen Hollandsch dichter heeft vóór hem de wonderwereld der kinderziel ontsloten. Toch waren de Hollanders dier dagen niet ongevoelig voor de charmes van het kind, getuige hun versjes op de eerste tandjes en stapjes. Maar het waren uitingen van oudervreugde over voorspoedige groei, het was nog niet het liefdevol zich verdiepen in de kinderziel. Ook hierin was Holland verre ten achter: sinds de dagen van Rousseau hadden Europeesche kunstenaars en paedagogen het kind bestudeerd. Rousseau gaf zijnEmile, Bernardin de St. PierrePaul et Virginieen Duitsche romantici als Hoffman en von Salletbeeldden inDas fremde KindenContraste und Paradoxehet zieleleven van het kind uit.Deze lijn heeft Multatuli in onze letteren voortgezet, later hierin gevolgd door Van Eeden met zijnKleine Johannes.M. DOUWES DEKKER-HAMMINCK SCHEPEL, 1875.M. DOUWES DEKKER-HAMMINCK SCHEPEL, 1875.De “Mimi” der Brieven.(Naar een photographie).Het huis te Nieder-Ingelheim,Het huis teNieder-Ingelheim,aan den straatweg van Bingen naar Mainz, waar Multatuli de laatste jaren van zijn leven doorbracht en op 19 Februari 1887 stierf.Links boven: de ramen van Multatuli’s studeerkamer.Al deze romantische kindergeschiedenissen zijn gebouwd op de tegenstelling tusschen het geestelooze groote-menschenbestaan en de dichterlijke aspiraties van de kinderziel, tusschen doode beschaving en levende natuur. Rousseau ging uit van het dogma dat de beschaving den mensch heeft bedorven, dat teruggang tot de natuur redding beteekent. Emile wordt daarom opgevoed in strenge afzondering; zoo opgevoed kan zich een nieuw geslacht ontwikkelen, vrij van de smetten der beschaving. Paul en Virginie groeien op in de tropische natuur, bewaakt en geleid door twee hoogstaande moeders: het beste der oude cultuur, ontdaan van schadelijke invloeden, werkt hier dus mede aan de natuurlijke ontwikkeling. In deze idyllische omgeving ontwaakt het zinnenleven op zijn zuiverst: aandoenlijk is de schildering van de ontwakende liefde in deze twee reine kinderharten. Het conventioneele is in strijd met den aard van het kind. Deze ontplooit zich op zijn schoonst temidden der natuur: de Duitsche romanticus von Sallet2laat bovendien in zijn Julius dendichter ontwaken. Het romantisch aangelegde kind groeit op in een conventioneel bankiersgezin: de meest krasse tegenstelling tusschen dorre deftigheid en ontwakende poëzie is hier geteekend. Van een zonderlingen oom krijgt hij een wonderglas: als Julius verrukt thuiskomt met romantische verhalen over de heerlijkheden door zijn glas in ’t bosch gezien, krijgt hij een braakmiddel, daar zijn moeder vreest, dat hij giftige bessen heeft gegeten, maar als hij rijmende regels schrijft wordt hij als een wonderkind bewierookt. Zijn fantasieën grijpen hem zóó aan dat hij in ijlende koortsen valt: aan zijn romantisch fantasieleven gaat hij te gronde. Het wonderglas, de fee, die hem verschijnt, en hem een rozetak meegeeft, die het heele kantoor van den bankier met rozengroei overwoekert,—dat zijn sprookjesmotieven, door de Duitsche romantiek bij voorkeur gebruikt om de tegenstelling tusschen de nuchtere werkelijkheid en de wereld van den droom te symboliseeren.Geen dezer romantische kindergeschiedenissen heeftM.zonder meer nagevolgd. Enkele hoofdgedachten, kenmerkende verhoudingen en karakters vinden we in de geschiedenis van Wouter Pieterse terug.M.weet een haast wetenschappelijke nauwkeurigheid in de analyse van Wouters gemoedsleven te paren aan gevoelig weergeven van zijn innerlijk door de sprookjesachtige Fancy-verschijning.De tegenstelling tusschen de starre vormelijkheid der groote menschenwereld en de poëzie der kinderziel is bijM.niet kunstmatig en schematisch gebleven daar ’t hem gelukt is deze tegenstelling in een greep uit ’t volle leven uit te beelden. In dit opzicht zet hij de goede realistische traditie der Hollandsche kunst voort: de kleinburgerlijke milieus uit de Woutergeschiedenis zijn verwant met die van Breeroo, Wolff en Deken en Beets. Emile staatbuitende maatschappij, Julius is als rijkelui’s kind van de maatschappij afgesloten, maar de kleinburgerlijke Wouter is van kleine jongen af nooit ontzien in de realiteit van gezin, school en maatschappij. De wisselwerking tusschen den invloed zijner omgeving en den drang van zijn innerlijk leven is zeer nauwkeurig nagegaan.Wouter is een kind met dichterlijken aanleg, en met een sterken drang tot al wat groot en goed is. En daarbij komt een groote eerzucht: hij vraagt zich af, waarom God zooveel slechts duldt, alshijGod was, dan ... En dit kind met zijn bizonderen aanleg is door de ironie van ’t lot geplaatst in een geestelijk-doode omgeving. Fatsoen, zedelijkheid, onderwijs, godsdienst alles is verburgerlijkt en ontaard tot geestelooze vormen in de familie Pieterse, in Pennewips school, bij juffrouw Laps, bij zijn vrienden de Hallemannetjes, “die zoo bizonder fatsoenlijk waren”, en in de handelszaak vanKopperlith op de Keizersgracht. Wouter wordt hoogst fatsoenlijk en godsdienstig opgevoed: en die opvoeding is even bekrompen als de woning en de denkbeelden zijner omgeving.“Hoe moet de ziel van dien armen Wouter zyn benepen geweest tusschen de muren zyner woning, en in de sterk toegehaalde banden van z’n geheel bestaan. De arme jongen was bewinseld en bezwachteld van z’n geboorte af. Kromme beentjes, bybelsche geschiedenis, engelsche ziekte, mettwee woordenspreken, versjes over deugd en gehoorzame jongetjes, mooi-handje geven, knielende avendgebedjes, toornige godsgerichten, zwarte mannen voor stoute kinderen, ‘oogjes toe’ voor en na ’n boterham, slapen met opgetrokken knieën,zondedoen, angst over gescheurde broeken, godsdienstoefeningen met of zonder akkompanjement van gevoeligheid... arme Wouter!” (I. 405.)Het is de lectuur van den rooversromanGloriozodie in hem de fantasie wakker roept en met den droom den wensch om zèlf ook een roovers-, een heldenrol te spelen. Het verlangen naar een àndere omgeving ontwaakt en in zijn droomerijen vermengen zich zijn droomwenschen met zijn kleine-jongens-ervaringen.“Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hy droomde van dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter ontevreden maakten met z’n werkelyken toestand.Hywilde graag alles doen wat voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar ’t bidden zou zooveel beter gaan, meende hy in ’n grot met kaarsen. En wat het eeren van z’n moeder betrof, waarop deze altyd zoo aandrong... waarom had ze geen sleep zooals die gravin? Hy had z’n bybel niet moeten verkoopen... dat is waar... ook zou-i ’t nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd... maar dan behoorde hy toch ook ’n kistje te hebben met dukaten, en ’n veer op z’n muts, zooals in ’t boek stond. Ook verveelde hem z’n broer Stoffel, en z’n zusters, en juffrouw Laps, en huisdominee, en alles. En hy begreep niet waarom de heele familie niet naar Italië ging, om daar ’n behoorlyke roovery op te zetten. Maar Pennewip hoefde niet mee, dacht-i en Slachterskeesjen ook niet.’t Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met z’n vers...Alle Woensdagen namelyk leverden de leerlingen die ’t minst ondeugend waren geweest, en daarom waard gekeurd werden mee te dingen naar den lauwer der eer, een gedicht op ’n onderwerp dat de meester had opgegeven. Wouter had ditmaal “de deugd” tot zyn deel gekregen, niet zonder toespeling op z’n vroegtydige verdorvenheid, en den wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z’n zedelyke verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwyls opde deugd gerymd, en hy vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo vervelend, dat-i de vryheid had genomen iets anders te behandelen, en wel wat hem ’t naast aan ’t hart lag, de roovery.” (I. 282.)Dat rooverslied leidde tot een geweldige katastrophe; meester Pennewip klaagt Wouter ten aanhoore van den heelen vriendenkring van den huize Pieterse aan: zelfs de huisdominee komt aan zijn zedelijke verbetering te pas.Terwijl bij de Pietersens harmonie is tusschen benepen omgeving en benepen denkbeelden, groeit Wouters ziel juist tegen de verdrukking in. Hij ontvlucht zijn thuis om bij molens, slooten en greppels te lezen en te droomen. En daar verschijnt Fancy hem; hare verschijning steekt hem aan met onmetelijkheid. Hij vindt eene vertrouwde voor zijn droomen in een eenvoudig, lief waschmeisje, in Femke. Femkes sfeer is die van natuurlijke naïeviteit, van het zuiver menschelijke, door geen conventie verwrongen.Hierkan Wouter zich onbelemmerd uiten en daardoor innerlijk groeien: tegenover de versteende godsdienstigheid van ’t Protestantisme ontmoet hij daar Pastoor Jansen, die met beminnelijke, eenvoudige vroomheid en goedheid en zonder valsche verhevenheid zijn wonderlijk geloof aanhangt.Femke wekt een kinderlijke liefde in Wouter: hij wil haar ridder zijn—hij verdedigt danook haar bleek tegen jongens die met steenen gooien—hij droomt dat hij haar Koningin van Afrika zal maken.Als ’t kind ziek wordt en zware koortsen krijgt ten gevolge van zijn overspannen fantasieleven, ontfermt Dokter Holsma zich over hem. In het gezin Holsma is de hoogere levenshouding tegenover de vlakke burgerlijkheid der Pietersens en de naïve menschelijkheid van vrouw Claus en Femke geteekend. Holsma is de ideale opvoeder en zielearts. Hij wil Wouter leeren zijn onbeteugelde fantasie, zijn vage verlangens te beheerschen en te regelen, nu hij de grens van kind en jongmensch bereikt heeft.Het gezin Holsma is met voorliefde geschetst; maar het lééft niet als de Pietersens: het is niet geboren uit de verbeelding van den kunstenaar, maar uit het brein van den hervormer.Holsma en de zijnen zijn verheven boven het enge standsgevoel: ze zijn verwant met de lieve Femke, maar ook met Prinses Erika. Ze bespreken beide verwantschappen als de natuurlijkste zaak ter wereld. Want standsverschil valt weg voor ware menschelijkheid. Hiertoe voedt Holsma zijn kinderen op. Hij leert ze zèlf onderzoeken, zelfstandig oordeelen. En het klinkt voor Wouter als een openbaring als hij de doktersvrouw hoort zeggen:“Ieder moet handelen naar zijn eigen overtuiging.” Want het was hem vroeger nooit inden zin gekomen dat ’n zaak ànders kon worden opgevat, dan ze door z’n moeder, of door Stoffel, of door wien ook—mits ’n volwassen persoon!—werd voorgesteld. De geheele kwestie over bidden of niet-bidden kwam hem niet zóóbelangrykvoor, als ’t vernomen nieuws, dathy’n overtuiging hebben kon. Z’n gemoedje zwol er van...Wouters beschroomdheid wasgedeeltelykeen gevolg van de methode waarop men hem ’t weinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld. Al wat men hem leeraarde, was steeds in de oogen der sprekers ’n onomstootelyke zaak geweest. Tweemaal twee is... zóóveel, Prins die of die is ’n held, brave kinderen komen in den Hemel, God is groot, de Batavieren zyn byzonder dapper, ’t ware geloof is in de Noorderkerk, enz. enz.Hywist niet dat ertwyfelbestond, en hield dus z’n begeerte om iets meer van de zaken te weten, voor ongepast en zelfs misdadig. Slechts enkele malen had-i even beproefd lucht te geven aan z’n weetgierigheid, maar ’t was hem slecht bekomen. Op de katechizatie was z’n rechtsgevoel gestruikeld over die vuile historie van Jacob en Ezau. Byna voelde hy ’n oogenblik den moed iets aftekeuren in ’t gedrag van den aanstaanden aartsvader, en hy begon reeds met ’n enkel bescheiden woordje... maar de dominee overlaadde hem met verwyten. “Zulke vragen pasten geen kind!” heette het.Wouter moest bedenken dat de Heer van-plan was uit Jacobs stam voorttekomen, en dat alzoo die linzenhistorie volkomenfair playwas.“Men moest niet verstoktzyn.” De arme jongen bad dien avond wel ’n uur lang dat God hem toch niet zoo erg verstokken zou. En ’t hielp. Het duurde vele jaren voor-i zich weer waagde aan zedekundige analyze van Jacobs handelingen, en van Gods ingenomenheid met dien schurk.Zoo ging ’t met alles. Uit vromen afschuw van verstoktheid, berustte hy in alles wat men hem zei. Doch daar hy de aldus opgedrongen denkbeelden niet verteren kon, werd z’n ziel daarmee niet gevoed. Hy sprak, ook in z’n binnenste, al de klanken die hem waren voorgepreekt, geloovig na, en verweet zich z’n ontevredenheid als iets ondankbaars, en als ’n overblyfsel van de oude verstoktheid die God zeker niet zoo heelemaal op-eens genezen kon.Het schynt zonderling dat hy niet dacht aan de mogelykheid van beredeneerdentwyfel.Hywist toch, dat duizenden en millioenen menschen veel zaken geheel anders beoordeelden dan z’n moeder en Pennewip, en dat dus demogelykheidzich kon voordoen, jazelfs de noodzakelykheid, dat er soms ’nkeuzetusschen meeningen moest gedaan worden. Welnu, hieraan dacht-i niet! Dit was dom, bekrompen en—byWouter in zeer letterlyke zin nog—kinderachtig, maar ’t was zoo.” (I. 1060.)Bij het bezoek van Napoleon ziet Wouter in den Schouwburg en in ’t gedrang in een herberg een meisje met Noord-Hollandsche kap, waarin hij Femke-Fancy meent te herkennen. Het is de zonderlinge prinses Erika, die verwant is aan Femke en ’t doktersgezin. Dit prinsesje voelt zich in de stijve, gladde, vorstelijke omgeving niet bevredigd: zij zoekt in den degelijken eenvoud van vrouw Claus en in de ruwheid van ’t volksleven de ware menschelijkheid. In de herberg ontmoet ze Wouter en meent in hem haren broeder te herkennen: onbewust spreekt ze waarheid als ze Wouter als “mein Bruder” betitelt: want beide kinderen zijn onvoldaan, beiden zoeken het ware leven in de sfeer, die aan hun eigene tegengesteld is.Bij de beroepskeuze begaan de Pietersens een nieuwen flater, door hem in een beruchte zaak op de Zeedijk te plaatsen: sigarenwinkel en... leesbibliotheek. Het opgaan in een ruimer romanwereld redt Wouter in deze omgeving en dan komt hij op het deftige kantoor van Kopperlith op de Keizersgracht. Deze Amsterdamsche deftigheid van de hooge stoepen heeftM.meesterlijk geteekend, en ook de neerdrukkende invloed van deze ziellooze omgeving op Wouter.Maar ook in handelskringen staat tegenover vervlakking en versteening warm menschelijk gevoel. Tegenover de deftige opgeblazen voornaamheid van het handelshuis op de Keizersgrachtteekent Multatuli de jodenbuurt met z’n lèvenden handel. Deze beschrijving van de Jodenbuurt, die van een onderlingen handel in oude prullen en bedorven goed leeft, is een waardige tegenhanger van die der techniek van den duffen handel in katoentjes en diemeten.En in dien jodenhoek ontmoet Wouter de oude grootmoeder met hare bedorven vijgen en haar kinderen en kleindochtertje. Als Wouter ’t gevallen kindje optilt en troost, worden deze eenvoudige menschen vriendelijk en welwillend voor hem.Zoo vindt Wouter in alle kringen de tegenstelling tusschen doode vormen en zuiver menschelijk gevoel. Bij Holsma die geestelijk boven deze uitersten staat vindt hij leiding: deze wijst kern op zijn naasten plicht, om hem van ’t vage, doellooze fantaseeren te genezen.Want onder zijn zoo uiteenloopende ervaringen blijft Wouter droomen: naast de dogmatiek van kerk en katechisatie bouwt hij zijn eigen godsgeloof op, peinst hij over ’t raadsel hoe een goed en almachtig God zooveel verkeerds dulden kan... Als hij, Wouter, almachtig ware, dan... “O Femke, als ik almachtig was, ik zou je... Neen, ik zou beginnen met alles te begrypen, en alles te doen begrypen! De engelen moesten ’n katechismus maken met honderdduizend vragen, en... antwoorden! Goede wezenlyke antwoorden, weetje, en geen bybelteksten die geen mensen begrypen kan.Kyk, zóó—maar de antwoorden zet ik er nu niet by, omdat ik ze niet weet:Waarom valt ’n appel?Groeit ’n boom van-boven of van-onder?Waarom ben ik zoo verdrietig?Waarom gaapt men elkaar na?Hoe weet iemand of de pijn die hij in ’t hoofd voelt, hoofdpijn is?Waar woonden de vliegen toen de menschen nog geen huizen hadden?Hoe wist Adam dat hij eten moest als-i honger had? En waarom bracht-i de spys naar den mond, in-plaats van ze tegen de maag te drukken?Hoe verstond-i Gods taal?ZouStoffelwel eens ’n fout gemaakt hebben?Waarom begryp ik nooit wat juffrouwLapszegt? Is ’t waar dat zy de genade heeft? Hoe komiker aan?Wat moet ’n mensch doen om veel te weten, om... alles te weten?Alles? Hm?” (I. 1118).De Woutergeschiedenis is niet voltooid: we verliezen Wouter uit ’t oog als hij met pastoor Jansen op weg is naar Haarlem om de gevolgen van een dommen streek goed te maken. Wèl hadM.zich voorgenomen Wouter tot zijn dood toe te volgen: daarom liet hij hem omstreeks 1800 geboren worden maar de bittere ontstemming,gewekt door Van Vloten’s kritiek in diens brochureOnkruid onder de Tarween het uitblijven van de hervormingen in staat en maatschappij, waarop hij zoo herhaaldelijk had aangedrongen, hebben voorgoed zijn stemming bedorven en Fancy uit zijn gemoed verdreven. “Mijn voornemen was in denWouter’n schets te geven van den strijd tusschen hoog en laag, tusschen zielenadel en ploerterij. Wouter is een nieuwe—en betere!—Faust, een Don Quichot naar den geest. Ontevredenheid met mijn publiek—dat niet lezen kan—belette mij telkens voort te gaan. Ik durf me vleien met de meening dat het nageslacht dit jammer vinden zal.”Zoo verlaten we Wouter op ’t oogenblik dat hij het groote leven in zal gaan: hij is bezield met goede voornemens om alleen aan zijn naastbijliggenden plicht te denken—maar de weg naar de hel is ermee geplaveid, voegtM.er aan toe. En hoe makkelijk hij aan zijn neiging toegeeft om in ’t lot van anderen reddend in te grijpen blijkt weer bij ’t standje bij de Haarlemmerschuit, waar hij met ’t geld dat Prinses Erika hem gaf omeigendomheid te herstellen, twee meisjes uit de handen van een verdacht wijf loskoopt!Ook dit tafereeltje is naar ’t leven geteekend: uit de school van Jan Steen! En tòch is er een groot verschil tusschenM.’s werk en de naturalisten na hem: als romantisch humorist stelt hijzich telkens tusschen den lezer en zijn figuren. Hij geeft in zijn teekenend proza een levenden indruk van de geschetste milieus, van Wouters droomleven: maar telkens valt hij met zijn redeneering de scheppende Fancy in de rede. Kenmerkend is in dit opzicht het tafreel van de Fancy-verschijning bij de draaiende molens: eerst weet hij de stemming van Wouter bij die draaiende wieken en de liedjes die ze hem suggereeren met zijn woordkunst te wekken, om eensklaps nuchter op te merken, dat die molens net waren als andere molens; hij versterkt niet den mystieken indruk dier molens maar verstoort ze.M.vergenoegt zich niet met ’t schetsen van Wouters ontwikkeling, voor hem is de ontwikkeling van dit mensch-exemplaartje, beeld en gelijkenis van de ontwikkeling der menschheid. Wouters innerlijke groei geeft dan ook telkens aanleiding om opmerkingen over legende- en mythevorming, over folklore en psychologie te plaatsen. En door de heele Woutergeschiedenis loopt als draad de overtuiging, dat de overgeleverde godsdienstvormen een beletsel zijn om ware religie in den mensch te doen ontkiemen. Het besef van ’t goede in Wouter is zuiver, terwijl de z.g. godsdienstigheid die men hem in gezin, kerk en school tracht bij te brengen, een karikatuur is van ’t geen in zijn kinderlijk gemoed leeft.In de Woutergeschiedenis heeftM.een epopéewillen geven, waarin hij, “den strijd schetsen wilde van het goede in den mensen tegen de boosheid, den reuzestrijd van ware heilige poëzie tegen ’t leugenproza dat ons de wereld voor waarheid geeft.”1Door Multatuli’s weduwe is het eerst een afzonderlijke uitgave derWoutergeschiedenisbewerkt; door schrijfster dezes is de Woutergeschiedenis opnieuw uit deIdeëngelicht.2Zie Dr. Prinsen, Multatuli en de Romantiek, blz. 291 vlg.
MULTATULI ALS DENKER EN HERVORMERAls Multatuli met deMax Havelaargeen onmiddellijke verbeteringen en hervormingen ten bate van den Javaan en geen schitterende rehabilitatie van Douwes Dekker kan verkrijgen, wordt uit den kolonialen profeet, de Hollandsche hervormer geboren. In het staatkundige maatschappelijke en geestelijke leven van zijn volk vind hij den grond van ’t Indisch wanbestuur. Al de scherpte van zijn pen, de hartstocht en virtuositeit van zijn taal, gaat hij aanwenden om zijn landgenooten wakker te schudden en te ergeren, om ze van geestelijke en conventioneele gezagsbanden te bevrijden. Hij heeft altijd gehoopt dit met een eigen tijdschrift of dagblad te bereiken: door geldgebrek is dit mislukt.In 1862 begint hij met de uitgave vanIdeën: op ongezette tijden gaf hij een velIdeënin lossen omslag, dat tevens diende als correspondentieblad met zijn lezers. Zoo vormt zich een vaste lezerskring van geestverwanten: hij geeft hun zijnIdeën, hij deelt hun ook zijnpersoonlijke wederwaardigheden mede over de Havelaarzaak, ’t proces Van Lennep, over aanvallen en doodzwijgen in de pers enz.De zeven bundels tusschen 1862 en 1877 verschenen zijn zeer verschillend van gehalte en van inhoud: ze zijn “de Tines zijner ziel”.Hij spreekt er in uit, wat hem vervult in korte, kernachtige parabelen en verhalen, hij geeft eene satirische bespreking eener brochure over een bidstond. Staatkundige beschouwingen wisselen af met fragmenten zijnerGeschiedenis van Wouter Pieterse.Buitengemeen levendig van stijl is vooral de eerste bundel: een stijl, dien hij aan ’t slot vanMax Havelaarheeft aangekondigd:“Weg met gemoedelyke taal, weg met zachtheid, rondborstigheid, duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aan Horatius’justum ac tenacem! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag, en gesis van vuurpylen, en gekras van valsche snaren, en hier-en-daar een waar woord, dat het mee insluipe als verboden waar, onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit!”In de eersteIdeënstelt hij het oordeel van den enkeling boven dat eener vergadering: uit dit denkbeeld volgt dan later de gevolgtrekking over de ònwaarde van volkvertegenwoordigingen, van regeeren der helft + 1; een allergeestigste persiflage van dezen regeeringsvormheeft hij later in zijneSpecialiteitengegeven.Groote waarde heeft het zelfstandig oordeelen: “De jeugd moet zich oefenen in ’t bepalen: (I. 10) “Om een voorwerp te teekenen is ’t niet voldoende den omtrek, de kleur en de schaduw van dat voorwerp te kennen, men moet dat alles kunnen weergeven.” (I. 11.) De groote beteekenis vanjuist uitdrukkenstelt hij in ’t licht: maar de juist uitgedrukte waarheid maakt geen indruk, vandaar dat ze in ’t kleedvanverdichting en verbeelding moet worden gestoken om ingang te vinden. Zoowel in het puntig, scherp formuleeren zijner denkbeelden, als in het dichterlijk inkleeden er van toont Multatuli zich een meester.De strekking derIdeënis in I. 136 uitgesproken: “De roeping van den mensch ismenschte zijn. Daarheen moeten leiden: opvoeding, onderwijs, beroepskeuze, zedeleer, wetgeving, godsdienst.”Maar de ontwikkeling van het waarachtig menschelijke wordt door averechtsche opvoeding, onderwijs, beroepskeuze, zedeleer, wetgeving en godsdienst juist belemmerd. Want deze instellingen berusten op gezag, traditie en conventie, zij zijn ontaard tot dwangmiddelen, terwijl ze wegwijzers tot vrijheid moesten zijn.De godsdienst is de hoofdschuldige: in naam van den godsdienst wordt ’t gezag van ouders over kinderen, van den man over de vrouwgehandhaafd. Dogmatische frasen bederven het gezond verstand, een onhoudbare mythologie wordt gegeven inplaats van nuttige kennis der natuur. WatM.ook bestrijdt, telkens komt hij neer op den schadelijken invloed van het “geloof”. Zijn spot, zijn sarcasme, zijn verstandelijke kritiek zijn gericht op het doode vormelijke en dogmatisch-kerkelijke geloof, dat hem sedert zijn jeugd een nachtmerrie was geweest. De vormelijke godsdienstigheid heeft hij in al zijn leegheid laten zien en van het afbreken van het gehate “geloof” heeft hij intens genoten. Daaraan danken we een paar van zijn dolste en geestigste parodieën: ten eerste de geschiedenis van den bidstond den Elberfeldsche weezen, die zóó door den geest worden aangegrepen, dat ze liggen te stuipen op de keldertrap! In hun waan zijndezeChristenen oprecht, maar diepe verachting koestertM.voordiegeloovigen, die het op een akkoordje gooien met hun geloof:“Als ’twaaris dat diegoddienerynadeelig werkt...—Ja, zegt men, maar dat is sporadisch. ’t Komt nietdikwylsvoor. Hy,zy, en ik hebben nooit gestuipt op de keldertrap. Wegelooven... nu ja, maar we laten ons niet dol maken. We doen behoorlyk onze zaken. We gelooven... zóó, zóó... met gepaste matigheid.Die wezens staan me nader dan gy!Wie nonsensgelooft, en door krankzinnigheidbewys geeft voor de oprechtheid van z’n geloof, heeft recht op medelyden en... genezing, als er genezing mogelyk is.Maar gy diegelooft... ja, maar niet meer dan juist noodig is in ’t belang van uw “zaken”... gy die zondags ’n hemelvaart belofzingt, maar ’n knecht zoudt wegjagen als hy in de week u kwam vertellen dat uw grootboek was opgevlogen... gy die uw krankzinnigheid weet afteknippen op de maat die ge groot genoeg vindt voor den Hemel, en niet te groot toch voor de aarde... gy die zoo verstandig zyt als de verstandigste waar ’t uwdadelykbelang geldt, maar meent den Heere te dienen door dat verstand te leggen aan ’n halsbandje van spinnewebbe of yzer, naar ’t u voegt, zoodra er spraak is van—veronderstellen—edeler belang... gy die preekt, bidt en oefent, maar onder ’t bidden en oefenen, gedurig ’n oog in ’t zeil houdt van ’t aardsche scheepje... gy die ’t beste deel van uw ziel bewaart voor beurs, school, sociëteit of kabinet, en zondags lappendag houdt om uw “Heer” te onthalen op wat afval... gy...Wat moet ikUzeggen? Dit: ga naar de Elberfeldsche weezen, kryg stuipen en wordt oprecht.” (I. 179.)De tweede felle parodie leverdeM.in zijnBakerpreek: Stel datM.’s relaas van het salie-avondje van Juffrouw Pieterse eenmaal de heilige Schrift der Opper-Aziaten zal zijn, dan zal zichin die streken na 50 eeuwen een kerkgeschiedenis, een dogmatische strijd en een geloof hebben ontwikkeld, wier verloop analoog aan die van ’t christendom zal zijn. Ten stelligste ontkentM., dat deze parodie op dogmatisch wondergeloof als aanval op hetheiligeveroordeeld moet worden:“Spot met zoogenaamd ‘heilige’ zaken, bewijst niets tegen die zaken, maar wekt de tragen op en geeft den vreesachtigen moed:tot nadenken over de vraag: of die zaken wel heilig zijn?Dit is veel gewonnen, want dan is de tijd daar tot eenvoudige redeneering.” (I. 395.)Door domheid en misverstand zijn de woorden van Jezus verknoeid: maar voor de Jezusfiguur heeftM.groote bewondering: “Ik heb in veel opzichten eerbied voor Jezus, maar volstrekt niet voor ’t zoogenaamd christendom.Er zijn door Jezus dingen gezegd die ik geloof—schoon ik ze niet geloofomdathij ’t zeide—maar in ’t christendom-zelf geloof ikniet. Ik ontken ’t bestaan van dat christendom1. Ik heb ’t nooit ontmoet, nooit waargenomen, en ben overtuigd dat Jezus, op aarde terugkomende, heel verwonderd wezen zou te hooren, dat men zich naar hem noemde. Ikheb ’n neefje die spelfouten maakt en zich daarom Multatulist noemt. Wat zou m’n aanhang groot wezen als dat opging.“Het christendom bestaat voor een groot deel uit neefjes die spelfouten maken.” (I. 186.)En in I. 57 lezen we: “Er is maar één weg ten hemel:Golgotha. Wie er wil komen langs anderen weg is ’n infame smokkelaar.”Fel tegenstander wasM.ook van de toen opkomende moderne richting: deze theologen streden óók tegen de versteening van het christendom in dogma en wondergeloof. Maar volgensM.bleven ze halverwege staan en waren niet consequent: in een geestige parabel verhaalt hij van pasteibakkers, die zulke lekkere taartjes bakten, ’n winstgevend beroep. Totdat scheikundigen ontdekten, dat er papaverstroop in verwerkt werd! Een eerlijke pasteibakker verklaart geen taartjes meer te zullen bakken; maar anderen pogen onschadelijke taartjes, met een heel klein beetje slaapstroop te fabriceeren, om den taartjeswinkel aan te kunnen houden, zonder strijd te voeren tegen de wetenschap der chemisten... “De pogingen om de mystiekerij van ’t oude geloof overeen te brengen met hedendaagsche standpunten is even belachelijk—en misdadig!—als ’t schermutselen met ‘politieke beginselen’ die geen wortel hebben in ’t gezond verstand, omdat men daarbij voortdurend verzuimt met de feiten te rade te gaan.” (I. 453.)TerwijlM.de moderne richting en Renan heftig aanvalt, wijst hij elders weer op de psychologische en symbolische waarheden, die in mythologische verhalen van het Oude en het Nieuwe Testament, in het dogma der erfzonde verscholen liggen: een schriftbeschouwing, die de oude mystieken, zonder nog aan de historische feitelijkheid te twijfelen, bij voorkeur hebben toegepast, en die door de wijsgeeren sinds Lessings dagen als de godsdienstig eenig houdbare is beschouwd. Geestig is de wijze waarop hij een loopje neemt met de historiciteit van den wandelenden Jood (I. 800–803) en waarop hij de verwarring schetst in het hoofd van den jongen, die Ovidius’ scheppingsgeschiedenis alsmythemag beschouwen, maar die van Genesis alshistoriemoet aannemen, op straffe zijn zaligheid in gevaar te brengen.Ondanks zijn felle afbreken van alle “goddienery” wordtM.in een sentimenteel oogenblik bekoord door de liefelijkheid van naïef geloof, zooals blijkt uit de geschiedenis der Sainte-Vierge (I. 242), en de figuren van Femke met haren katechismus en de oude pastoorsdienstbode Stijntje uitWouter Pieterse. Maar zijn afkeer van de bekrompen, kleinzielige orthodoxie was zóó hartgrondig, dat hij de poëzie van het naïef geloovige alleen bij Roomschen vermocht te vinden.Tot wijsgeerig verstaan en waardeeren vanhet godsdienstig leven is hij niet in staat geweest: hij kende het christendom dan ook niet uit zijn grootste vertegenwoordigers: Augustinus en de mystieken, de groote dogmatische en wijsgeerige vertolkers van het christendom waren hem niet bekend: hij bleef in de opvatting steken, dat godsdienst en wijsbegeerte elkaar uitsluiten. Zijn strijd tegen een persoonlijk God, persoonlijke onsterfelijkheid en tegen het vraaggebed bedoelt hij als vernietiging van het geloof: inderdaad vecht hij tegen uitwassen van het christendom, waartegen sommigen der grootste wijsgeeren en theologen eveneens gestreden hebben.In deIdeënvinden we twee gedachtenreeksen over de vraag, “wat is waarheid”, die voorM.gelijkluidend is met de vraag “wat is God.” Als hij de natuur als uitgangspunt zijner redeneering neemt, dan is God gelijk aan de ijzeren wet der noodzakelijkheid; wel had hij “liever te doen met ’n God die vatbaar is voor rede, maar dit kàn nu eenmaal niet”.—“Denoodzakelijkheiddie dit wil (n.l.dat 1 + 1 = 2), voorschrijft en handhaaft, is almachtig, eeuwig, onveranderlijk, isGod. Die God bouwt zonnestelsels...Er is geen bol aan ’t firmament, die niet z’n bestaan te danken heeft aan ’n reeks van feitelyke syllogismen, even eenvoudig als 1 + 1 = 2.DieGod voegt samen, ontbindt, maakt,vermaakt, richt, wendt, buigt, heft, perst en plet...Ja, plet! En knipt, als—in die andere plettery—de schaar, die ook niet weet wat ze doet!Bidden is aan die schaar vragen of ze zoo goed wil zyn, ditmaal niet toetehappen omdat er iets tusschen haar kaken ligt, dat we gaarne wilden heelhouden!Bidden zou dus, als ’t niet kinderachtig ware, een misdadige poging zyn om de natuur te verlokken tot wanorde.” (I. 162–163.)Gaat hij daarentegen van den mensen uit, dan vormt hij zich een God naar eigen beeld: in de Woutergeschiedenis schetstM.hoe Wouter zijn Godsbegrip opbouwde:“Geen ‘Weg ter Zaligheid’ en geen katechismus was er in geslaagd het kind den anderen god te ontrooven, dien hy in ’t gemoed droeg, en waarmee hy zich—ziehier z’n hoogmoed!—zonder de minste aanbidding vereenzelvigde. God, of ’n god, moest noodwendig hetgoedewillen, het goede zyn. Dit wilde en was Wouter ook.Hystond dus zoo’n Wezen zeer na, en beschouwde het in z’n trouwhartigen waan als z’n natuurlyken bondgenoot, als z’n gezel, als z’n kameraad. Zoo voelde hy zich prins van geestelyken bloede, als ware hem de Fancy-vertelling ontgaan, die ik in den aanvang dezer geschiedenis meedeelde om denlezer inzage te geven in Wouter’s stamboom.“Hoe hy ’t aanlei om den god dien hy geschapen had, den god van ’t goede overeen te brengen met het zonderling Wezen dat men hem deed kennen in Kerk en School, is moeielyk te zeggen.” (I. 1083–1084.) En alsM.verteederd is door het naïeve geloof van een lief Roomsch vrouwtje en een monnik besluit hij ’t verhaal van zijn reisavontuur met de woorden: “En in aller harten woonde liefde. Waardoor waren die wonderen gewrocht? Door den godsdienst van het goede.” Zoo is er tegenstrijdigheid in zijn godsdienstige opvattingen, eene tegenstrijdigheid, die we terugvinden in zijn levensideaal: hoewel overtuigd, dat alles volgens deonverbreekbarewet der noodzakelijkheid zich voltrekt, wil hij, Multatuli, overal ingrijpen om het goede en het rechte te doen zegevieren. Hij wenscht macht en geld om al zijn idealen te verwezenlijken; in zijn gesprek met Keizer Adolf in ’t Rijk der Gnomen zet hij dezen het volgende programma uiteen:“Daarenboven is niet alles zoo goed als het, met eerlijke gebruikmaking van de onveranderlyke wetten der lieve Natuur, wezen kon. De goedige aarde levert voedsel genoeg, en toch wordt er gebrek geleden door de menschheid...—Ik zal ze wat yzer zenden.—Om ’s hemels wil, doe dat niet, Meester!Ze eten het niet, en maken er ballen van om elkaar dood te gooien.—Wat salpeter?—Nog erger! Ook dat eten ze niet, en gebruiken het om die ballen voortteblazen. Er zou voedsel in overvloed zyn, ging ik voort, en toch hebben velen niet het noodige. Er is daarboven kennis genoeg te samelen, en toch kwynt ’n zeer groot deel der mensheid weg in walgelyke onwetendheid. Er is daar stof genoeg voor algemeene vreugd, voor genot, voor geluk... en toch, Meester, tochblyvenjammer en leed hoofdtoon in de geschiedenis van dat arme mensdom!Meester, ik heb vyftig jaren op die aarde rondgedoold, en zelf veel geleden, maar sedert ik de gaaf ontving m’n voelen tot denken te maken, en verstand te scheppen uit de bron van het hart, sedert dien tyd was me niets zoo bitter als ’t aanschouwen van de algemeene ellende die voortdurend de plaats inneemt van mogelyk algemeen geluk.En steeds kwam daarby de gedachte in my op: o, als ik te bevelen had...si j’étais roi!Ik zocht macht om goed te doen.Maar, Meester, die macht bleef uit, vooral nadat ik, herhaaldelyk getracht hebbende goed te doen zònder haar, hoe langer hoe machteloozer werd gemaakt door de velen die belang hebben by ’t kwade.Ik wil geld, Meester, en veel, veel, veel! Ik wil meer goud dan gy yzer kunt maken in honderd weken, al werkten al uw gnomen en kobolden mee. Ik moet me een plaats koopen in de volksvertegenwoordiging...—Worden die plaatsen gekocht?—Indirect ja. Of liever ze worden door en met geld verkregen zonder betaling. Ik moet dan, dóór of met geld, me een plaats veroveren vanwaar ik waarheid kan doen hooren aan ministers... ’n ministersplaats ook, om de waarheid te kunnen zeggen aan koningen. Geld heb ik noodig om zelf koning tezyn, opdat ik ’t recht en de macht bezitte goed te doen aan ’t volk... liefst zònder ministers. Geld heb ik noodig voor legers, om menschenslachtende vorstjes te onttroonen in Afrika... en andere werelddeelen. Geld om bevoegdheid te koopentot het nazien der boeken van weeshuizen en armeninrichtingen. Geld voor volksbibliotheken...—Je wilt dat het volk lezen zal?—Zóóver gaat m’n eerzucht niet. Ik wenschte dat het in staat werde gesteld lezen teleeren, ’n kunst die nog in haar kindsheid is. De meesten brengen ’t daarin niet veel verder dan noodig is voor ’n benoeming tot briefbesteller. Ik heb geld noodig, Meester, tot het bezoldigen van onderwyzers in de natuurkunde, geld voor algemeene hygiène, geld tot het wegruimen van rivierdyken, die vervloekte oorzaken van watersnooden verzande havens. Geld tot het uitwisschen van grenzen, geld voor vruchtboomen langs de wegen, geld voor den beul...—Hè?—Ja, pensioen. Geld tot ondersteuningzonder smaadvan invalide burgers, geld tot betaling van—des-noods onvrywilligen—arbeid derzulken die arm werden door traagheid. Geld voor ware, d. i.veredelendekunst. Geld voor genot. Geld voor geluk. Geld voordeugd! En meester, zóóveel geld wenschte ik, dat er nà dat alles nog iets overschoot om m’n lief gezin te behoeden tegen gebrek.” (Millioenenstudiën I: 43, 51–52.)Terwijl hij de macht der noodzakelijkheid zoo klaar besefte, meende hij zelf door Fancy geroepen te zijn, in de hopeloos verwarde samenleving orde te brengen. Deze drang, deze overtuiging heeft hem voortgedreven héél zijn leven door: ieder mensch in nood, in lichte of voorgewende armoede, voelde hij zich gedrongen te helpen. En als helpen met geld onmogelijk of onnoodig was, was hij altijd bereid zich voor zijn medemenschmoeitete getroosten. Niet alleen de enkeling wil hij bijstaan, zijn eerzucht gaat er naar uit demenschheidwél te doen, door de afwijkingen van de rede, van Logos weer goed te maken.In zijn later werk (in deMillioenenstudiënvoor ’t eerst, later in het tweede gedeelte vandeWoutergeschiedenis) komt het inzicht dat Fancy zonder Logos niets vermag en Fancy leert hem, dat de dichter hetrechtniet zal kunnen doen zegevieren met millioenen schats, maar wèl door zijnideeën. “Meent ge dat het mij meer moeite kosten zou, u demillioenentoe te werpen, dan ik aan ’t vóórzeggen derStudiënbesteed heb”, is de vraag waarmede Fancy-logos vanM.afscheid neemt. Zijn dichterlijke verbeelding zal de geestelijke waarden moeten scheppen, waardoor recht en goedheid onder de menschen zullen zegepralen.Na jaren van worsteling om geld en invloed is deze verzoenende gedachte gekomen, dat Fancy door dengeestoverwint.Een vat vol tegenstrijdigheden dat wasM.óók in zijn wereldbeschouwing. Geweldig voorstander van welvaart en vrijheid van het volk, wilde hij liefst voor zich de rol van een Napoleon spelen. Van ’t parlementaire stelsel,—de Tweede Kamer had hèm niet in zijn strijd om den Javaan bijgestaan—verwacht hij niets goeds maar hij weet er niets beters voor in de plaats te stellen! Als staatkundig hervormer roept hij om een “derde partij”, die de volkswelvaart en niet het partijbelang zal dienen. Want de onmacht van regeering, Kamers en partijen zijn de oorzaak van de groote ellende van ’t volk.“Ieder weet, dat myn bitterheid over den toestandvan ons Volk zich niet bepaalt by de zaken in Indië. Na de Havelaars-geschiedenis, myn punt van uitgang, zag ik weldra in, dat de grond dieper lag, dan in de luiheid en gewetenloosheid van plichtvergeten gouverneurs-generaal. Achter zoo’n ellendigenvan Twistzat een minister. Achter zoo’n minister zat een Tweede-Kamer, ja... zelfs ’n Eerste. Wat zoo’n Eerste-Kamer beduidt is onlangs gebleken, toenDuymaer van Twistdaarin onverhinderd zitting nam. Niemand drong den man ter deure uit. Niemand schaamde zich plaats te nemen naast den medeplichtige aan zooveel roof, naast den moordenaar van zooveelSaïdjah’s.En achter de beide Kamers, zit, staat, ligt—of kruipt, als ge wilt—het Volk, het Nederlandsche Volk!” (I. 583.)Tot het Volk zal hij zich richten, op de ellende van het Volk zal hij wijzen: hij zal opstandigheid prediken. In zijn tweeden bundelIdeënheeft hij zeer uitvoerig het werk van Le Play overLes Ouvriers Européensbehandeld in verband met het welzijn van het Nederlandsche Volk. In deze studie komt o. a. een gedetailleerd arbeidersbudget voor.M.komt tot de slotsom dat de Hollandsche arbeider ja in vele gevallen de kleine burger in ons land onder veel slechter condities leeft en werkt dan de arbeiders in andere beschaafde en half beschaafde landen van Europa, ja zelfs, dat de Hollandschearbeider er slechter aan toe is dan de zwarte slaaf!PORTRET VAN MULTATULI, ( ± 1865).PORTRET VAN MULTATULI, ( ± 1865).(Naar een photographie in het Multatuli-Museum te Amsterdam).DRUKPROEF VAN EEN PROGRAMMA VOOR EEN VOORDRACHT VAN MULTATULI,DRUKPROEF VAN EEN PROGRAMMA VOOR EEN VOORDRACHT VAN MULTATULI,met eigenhandige correctie.(Multatuli-Museum, Amsterdam).VOORDRAGTEN VAN MULTATULITWEEDE VOORDRAGT.Program.Dankbetuiging voor de welwillendheid, waarmede des Sprekers eerste Voordragt is opgenomen.Het hooge belang voor den Spreker om Dames onder zijn gehoor te zien.Aansporing om der Vrouw meer aandeel te geven in ’t bestuur van ons huisselijk leven.PAUSE.Voordragt van een gedeelte uit “WIJS MIJ DE PLAATS” ten bewijze dat de zaak des Sprekers wel degelijk valt onder ’t bereik der Vrouwen, en tevens dat deze bevoegd en geroepen zijn zich die zaak aantetrekken.PAUSE.Uitnoodiging om aan de Vrouwen grooter aandeel toetekennen in ’t publiek leven.Betoog dat de Zaak des sprekers wel degelijk valt onder het bereik der vrouwen en tevens dat deze bevoegd en geroepen zijn, zich die zaak aantetrekken.“De zwarte slaverny was inderdaad in beginsel een gruwel maar...zywas openlyk, oprecht, frank. En:de slaaf werd beschermd door de wet.Wie beschermt denwittenslaaf? Wie verzacht of geneest den kanker van de blanke slaverny? Ook dat is eengruwel, filantropen, en een gruwel met toebehooren van huichelary en valsheid.De invoering eenergereglementeerdeslaverny met verplichting aan den kant des meesters, om z’n eigendombehoorlykte onderhouden, zou voor zoo menig Nederlandsch werkman een weldaad wezen... als ze bestaan kon. Maar niemand zou iets durven bieden voor ’n blanke, en daarom is ’t onmogelyk. Daarom, en niet omdat onze zeden zouden verheven zyn boven de begrippen, die slaverny dulden. Integendeel, ze staan daar beneden, en bedekken haar zelfzuchtig terugdeinzen voor de verantwoordelykheid van ’t patronaat, met ’n valsch kleursel van eerbied voor menschenrecht.De christelyke beschaving is fyn en slim in hare berekeningen.Zy zegt: gy moogt nietverkochtworden... ze meent: ik wil u nietkoopen. Zy zegt: ik wil niet dat geslaafzyt... ze meent: ik wil uweigenaarniet wezen. Zy zegt: behoudt uwwaardeals mensch... ze meent: ik wil mynkapitaalswaarde niet verliezen. Zy zegt: geenvernederingvooru... ze meent: geenschadevoormy.Want de werkman in onze maatschappy is slaaf. Z’nmaaglevert hem gebonden over aan ieder die hem een maal aardappelen met azyn betaalt. Hyisslaaf,minus’t recht op onderstand,minusregistratiekosten,minusgezegelden koopbrief,minusrente en risico.Ja, zonder risico. Want als-i ziek wordt, ongeschikt om te arbeiden, oud, gebrekkig... welnu, dan huurt men een nieuwen slaaf, die werken kan, en betaalt hem als z’n voorganger met ’n maal aardappelen daags...Zoo-als nu de zaken staan, noem ik den toestand van ons Volkschandelyk.Zeven-achtstedeel der gehuwde mannen, moeten de vruchtbaarheid hunner vrouwen verwenschen, en zeker zouden de vogeltjes die zoo vroolyk spys zoeken en vinden voor hun jongen, met minachting neerzien op ’t verwaand menschdom, als ze wisten hoe schraal de tafel bereid is, waarom ’t aanzit.” (Idee 451.)Als de oorzaak van deze ellende beschouwtM.de slechte regeering: de constitutioneele koning is niet verantwoordelijk omdat hij onschendbaar is en dus onmachtig, de ministers komen en gaan zóó snel, dat ze de verantwoordelijkheid op hun opvolger(s) afschuiven.Als een pikant staaltje van de wijze hoe er bestuurd wordt, hoe de bestuurders hun roeping begrijpen, wijstM.op ’t volgende.“Wy weten nu eenmaal, dat het Volk geen vleesch eet. Voor ’n oogenblik aannemende, dat het bestuur daaraan niets doen kan, zal ’t toch waar blyven, dat zoo’n feit belangstellende aandacht verdient. Ziehier hoe de Gedeputeerde Staten van Friesland zich van hun plicht daaromtrent kwyten. Wy lezen in ’t verslag van die provincie over 1861:Wij moeten nogwijzenop ’t verblijdend verschijnsel, dat de invoer vanSmeer...de “Nederlandsche Industrieel” voegt hier zeer gepast by: “dat is: de afval van ons naar Engeland gezonden vee.”... “smeer, een artikel zoo uitnemend geschikt om bij de geringe volksklasse het gemis van vleesch te vergoeden, in de beide laatste jaren weder klimmende is.”Het is moeilyk by zulke mededeelingen niet bitter te worden.Men vraagt zich wat de overhand heeft by die heeren Gedeputeerde Staten, de domheid, de onverschilligheid, of de wreedheid?Of zou er ironie liggen in datverblydenover ’t verruilen van versch vleesch tegen oud smeer? Zou ’t een geestigheid wezen? Laat ons hetzachtste oordeel kiezen en dus de zaak houden voor domheid. We kunnen daarvoor de minder domme opinie teruggeven—niet als verblydendverschynselhelaas!—dat ’n vlucht uilen, “zoo by-uitnemendheid geschikt wezen zou... om H. H. Gedeputeerde Staten van Friesland te vervangen”.In den noodtoestand der arbeidende bevolking zietM.het grootste gevaar voor de nationale toekomst. In de jaren tusschen 1866 en 1870 toen Pruisen zijn grenzen uitzette, was de vrees voor annexatie hier te lande levendig. De oud-minister—Professor Bosscha schreef een brochureOver Pruisen en Nederlandom zijn landgenooten tot waakzaamheid, tot geestdrift en... tot den vrijwilligen wapenhandel op te wekken. Deze brochure prikkeldeM.tot het schrijven over de ware oorzaken van Nederlands onmacht tegenover een veroverend Pruisen; hij betoogt, dat de hooggeroemde vaderlandsliefde die zich uit in bombastische verzen en in... binnenkamers, een leugen is, dat “gymnastie, algemeene dienstplichtigheid en scherpschuttersgenootschappen” slechtsmiddelenzijn, maar dat dit niets helpt, zoolangde geest in ons land niet verbeterd is. En geestdrift ontbreekt omdat de toestand van ’t volk ellendig is: de materieële toestand is miserabel en het geestelijk leven eveneens. “Jacht op stijl overal, stijl, nergens. Overal gemaaktheid, opgedrongen deftigheid, mislukte verheffing,brommende leegte, conventioneel schrijversfatsoen, d. i.leugen.—De natie is ziek, zeer ziek, en de naam dier ziekte, in welken vorm zij zich ook voordoe, isleugen!”De materiëele ellende van ’t volk is weer de grondoorzaak van geringe ontwikkeling, minderwaardig vermaak. En ’t nationaal bederf is niet tot de arbeidersklasse beperkt: eenzelfde geest van lamlendigheid doortrekt alle lagen der samenleving. Vandaar dat zeden en gewoonten, kunst, godsdienst en staatkunde verleugend zijn.Door het scherp belichten van den maatschappelijken leugen heeftM.veler oogen geopend. Met bijzondere voorliefde heeft hij het minderwaardige lot der vrouw op de kaak gesteld. Hij doet een fellen aanval op de zeden, die voorschrijven het meisje dom en onwetend te houden, die de vrouw toestaan slechts de huishoudster van haar man te zijn, die de ongetrouwde vrouw tot werkeloosheid en hysterie veroordeelen. De zeden, die de verhouding der geslachten bepalen, zijn in aanhoudenden strijd met de hoofdwet der Natuur.“We willen haar dwingen tot stilstand waar ze beweging eischt. Tot alleenzyn, waar ze haakt naar verbinding. Tot scheiding, waar ze aandringt op vereeniging. We dringen ons als plicht op, die Natuur te verkrachten.Deze verkrachting—of de voortdurende vruchtlooze poging daartoe—noemen weDeugd.Onze geheele opvoeding van de meisjes is ’n moorddadige opstand tegen het goede.” (I. 203.)“Wat maakt ge van onze dochters, o zeden! Ge dwingt haar tot liegen en huichelen. Ze mogen niet weten wat ze weten, niet voelen wat ze voelen, niet begeeren wat ze begeeren, niet wezen wat ze zyn.“Dat doet geen meisje. Dat zegt geen meisje. Dat vraagt geen meisje. Zoo spreekt geen meisje!”Ziedaar schering en inslag van de opvoeding. En als dan zoo’n arm ingebakerd kind gelooft, berust, gehoorzaamt... als ze heel onderworpen haar lieven bloeityd heeft doorgebracht met snoeien en knotten, met smoren en verkrachten van lust, geest en gemoed... als zebehoorlykverdraaid, verkreukt, verknoeid, heel braaf is gebleven—dat noemen de zedenbraaf!—dan heeft ze kans dat deze of gene lummel haar ’t loon komt aanbieden voor zooveel braafheid door ’n aanstelling tot opzichter over z’n linnenkast, tot uitsluitend-brevetmachine om zyn eerwaard geslacht aan den gang te houden. ’t Is wel de moeite waard!” (I. 195.)Het ascetisch ideaal van het christendom vindt hij uit den booze. Met innige verontwaardiging vaart hij uit tegen het negeeren van de vrouw door den Evangelist en legt een nieuwe lezing in den schoonen gedragen stijl van het Evangelie naast de oude vanMattheusXIX over het ware huwelijk, dat niet alleen lichamelijkegemeenschap, maar ook die van ziel en geest insluit.Tegenover de vaak zoo treurige werkelijkheid steltM.het ideale huwelijk, tegenover de dwingende zeden predikt hij vrije liefde. Al moge hij het niet als deidealeverhouding aanprijzen, in ieder geval beschouwt hij het als een bevrijding uit den ascetischen dwang der zeden. In het Holland zijner dagen wekken deze ideeën heftig verzet: de schrijver wordt als een toonbeeld van onzedelijkheid uitgekreten.Ook op zedelijk gebied heeftM.de denkbeelden der Europeesche romantiek in ons land vertolkt: eerzame Hollandsche letterkundigen hadden romantische stoutigheden slechts verzacht en verwaterd durven weergeven2.Maar inM.lééfde hetzelfde gevoel van opstandigheid als in Byron, Heine, Shelleye. a.: in zijnIdeënkwamen deze gevoelens daardoor eerst tot uitbarsting in een taal, gelijkwaardig aan die der groote romantici. Al mogeM.nog zoozeer beïnvloed zijn door deze denkers en dichters, al mogen de sporen van hun invloed in zijn werken telkens zijn aan te wijzen, toch is hier geen sprake van slaafsche navolging: uit zijnBrievenblijkt het, dat ideeën die van zijn jonge jaren af in hem woelen, onder invloed zijner lectuur zijn bewust eigendomzijn geworden. En met zijn wondere taalbegaafdheid heeft hij in later jaren wat in hem leefde zóó pakkend, zóó meesleepend weten te uiten, dat scharen van jongeren door zijn wóórd den strijd voor vrijer levensopvatting hebben aanvaard.Tal van jongen vrouwen en meisjes heeft de Geschiedenis van Thugater (uit deMinnebrieven) en die van de kleine Agatha (I. 182) de oogen geopend!Niet alleen de meisjes-opvoeding moest herzien, heel de onderwijsmethode moest gewijzigd: vanM.is uitgegaan een krachtige beweging om de doode onderwijsmethodes door nieuw levend onderwijs te vervangen. InWouter Pieterse, levert hij een felle charge op de verschoolsching van het lager onderwijs in de figuren van Pennewip en Stoffel, terwijl hij in de wijze waarop Dr. Holsma zijn kroost onderricht, vingerwijzingen geeft omtrent een leermethode, die het kind tot denken, tot zelfvinden aanmoedigt.Goed onderwijs moet opleiden totvrije studie, moet geschikt maken voor het leven.”’t Is niet waar dat die maatschappy den jongen van zestien jaar met open armen ontvangt, omdat-i weet te vertellen watSemi-Ramisheet verricht te hebben, hoe Rusland begrensd is, aan welke rivier Groningen ligt, enz.’t Isnietwaar, dat ze hem ’n paar jaar later onder hartelykwelkom!bekleed met detoga virilis, omdat-i nu verstand heeft van kegelsneden, en na veel tobben in-staat is ’n bladzy te vertalen uitVirgiliusofHomerus... by-voorkeur altyd die eene!’t Isnietwaar, dat de akademische dissertatie waarvan-i ten-langen-laatste door de kunst verloste, hem wordt toegekend als diploom van mannelykheid!Na al ’t verwringen en verkrachten van de Natuur, op school en kollegiebanken, blyft alzoo den ouders niet eenmaal de verontschuldiging dat de Maatschappy tot zoo’n leiding dwingt. ’t Allereerste waaraan de jongeling die de wereld intreedt, behoefte heeft—nadat men twaalf, veertien jaren besteedde om hem voor die wereld geschikt te maken—is... ontbolstering. Wel ’nbewysdat de voorbereiding allergebrekkigst was! Wat naar de school riekt, is in ’t werkelyk leven onbruikbaar.Eilieve hoe kan dit worden overeengebracht met de voorgewende bedoeling, dat men hem naar school zondom hem geschikt te maken voor dat werkelyk leven?” (I. 876.)Merkwaardig is het, datM.de theorie van Montessori voorziende als voorwaarde voor vruchtbaar onderwijs den eisch heeft gesteld, dat een bepaalde leerstof pas gegeven mag worden, als ’t kind er zich toe voelt aangetrokken!“Dezelfde leerling die nu misselyk wordt gemaakt vanTacitus, zou misschien z’n grootste vreugde scheppen in ’t ontleden der werken van dien schryver, als-i vooraf liefst uit eigen aandrift had leeren belangstellen in de daarin behandelde zaken. Er komt ’n tyd dat de knaap zich voelt aangetrokken door de vaak treffende verhouding tusschen uitgebreidheden en getallen. Wie ooit, byv. des nachts wakker liggende, zich bezig-hield met de evenredigheid tusschen zekere lynen en figuren op tapytwerk of behangsel, zal me begrypen. Een ander zal behoefte voelen aan kennis van de wys waarop de stoffen zyn samengesteld. Hy wil weten wat ze vereenigt, hoe ze ontbonden worden? Dan is de tyd voor de scheikundige les gekomen, niet toen de knaap met ’n onvriendelyk: wat gaat my dat aan? de boodschap afzei, die men hem brengen kwam op ongelegen uur.Gy die dit alles nooit bedacht, drinkt ge bier by uw ontwaken? Eet ge stokvisch tot ontbyt? Kolft ge in de kerk? Is ’t dan zoo moeilyk te begrypen dat ook verstandelykeindrukkenhun tyd kiezen, en dat wy alzoo verkeerd handelen, de wenken te verkrachten, die de Natuur ons daaromtrent zoo duidelyk geeft?Ik verwacht niet anders dan dat de meesteonderwyzersvan beroepme ongelyk geven, en hoor sommigen zeggen:—Nu, als ik wachten zou totdiejongen me naliep om wat te weten van driehoeksmeting, van stuifmeeldraadjes, van germaansche oudheid...Ik geloof ’t gaarne! Ge hebtnietgewacht, en kunt dus niet weten wat er zou geschied zyn, als ge de begeerte naar kennis behoorlyk had laten rypen.Of er kinderen zyn, by wie deze begeerte zich nooit openbaart?Deze vraag kan ook anders gesteld worden, en wel—ik beveel deze methode ook voor andere vraagstukken aan—op ’n manier die ’t antwoord meebrengt: men wenscht te weten, of sommige kinderen schadeloos kunnen verdronken worden? Wel zeker, er zyn idioot-geborenen! Maar niet in de behoeften van deze ongelukkigen zoeke men het richtsnoer ter beoordeeling van ’t onderwys waarop ’n welgeschapen kind aanspraak heeft. We mogen niet willens en wetens het getal der geestelyk-mismaakten vermeerderen.”(I. 873–874.)“Door dwang verstoppen we de rykste bron van genot engoedzyn: ’t onafhankelyk denken. En dit niet voor ’n oogenblik alleen, maar we leggen daardoor den grond tot den vervloekten afkeer van geestelyke inspanning, tot de roestige luiheid die onze maatschappy kenmerkt.Er zou gewis ’n tyd aangebroken zyn dat de knaap, na uit eigen beweging z’n oorsprongen dien van denmenste hebben nagevorscht de vraag deed: waar kwamen de Hollanders vandaan? Liever zag ik dat-i z’n denkvermogen besteedde—en dit zòu geschieden als men ’t niet bedorven had—aan ’t geologisch beschouwen van de wyze waaropNederlandontstaanis.” (I. 864.)Als van ’t begin af belangstelling de drijfveer is van het leeren, kan vrije studie op volwassen leeftijd eerst tot zijn recht komen. Uitvoerig staatM.stil bij de beletselen, voor ’t streven naar waarheid: vooroordeel, belemmering van ’t onderzoek en ongeschiktheid van den onderzoeker. Hij wijst ook op ’t nadeel van te ver gedreven specialiseering in de wetenschap, waardoor de ruime blik verloren dreigt te gaan. Tegen schoolsche wijsbegeerte trekt hij te velde: alleen Locke kan genade bij hem vinden.Al komen in deze latere bundels nog wel pittige, korte uitvallen voor, (zoo b.v. I. 933 en 936:Principes heb ik nietènNederland is vol principes),—toch is ’t karakter sterk gewijzigd: rustiger, meer betoogend dan bewerend wordt zijn werk. Zoo geeft hij zeer uitvoerige beschouwingen over bekende, klassieke Hollandsche dichtstukken: Rotgans, Feith, Hooft, Bilderdijk neemt hij kritisch onderhanden. Hij wijst al in de richting van de kritiek van deNieuwe Gidsals hij klaagt dat onze heele letterkunde van den dagnamaakis, als hij Rotgans alsnamaak van namaak veroordeelt, en het bestaan van allekunstregelsloochent, want “de ware artist teekent de Natuur na,zooals die zich aan hèm vertoont. Men kan evenmin iets goeds voortbrengen door ’t volgen van modellen, als zich voeden met de spijs die ’n ander gegeten heeft. Kunstbesef werkt van binnen naar buiten en niet andersom. Een kunstprodukt dat op andere kunstprodukten gelijkt deugt niet.” (I. 1181.)1Jezus is driemaal gekruisigd. Eens door de Joden, vervolgens door z’n levensbeschrijvers en eindelijk door de christenen zelf. Hij had nooit kwaadaardiger vijanden dan de laatsten. (M.)2Dr. Prinsen geeft sprekende voorbeelden hiervan in zijn boek over Multatuli en de romantiek.
Als Multatuli met deMax Havelaargeen onmiddellijke verbeteringen en hervormingen ten bate van den Javaan en geen schitterende rehabilitatie van Douwes Dekker kan verkrijgen, wordt uit den kolonialen profeet, de Hollandsche hervormer geboren. In het staatkundige maatschappelijke en geestelijke leven van zijn volk vind hij den grond van ’t Indisch wanbestuur. Al de scherpte van zijn pen, de hartstocht en virtuositeit van zijn taal, gaat hij aanwenden om zijn landgenooten wakker te schudden en te ergeren, om ze van geestelijke en conventioneele gezagsbanden te bevrijden. Hij heeft altijd gehoopt dit met een eigen tijdschrift of dagblad te bereiken: door geldgebrek is dit mislukt.
In 1862 begint hij met de uitgave vanIdeën: op ongezette tijden gaf hij een velIdeënin lossen omslag, dat tevens diende als correspondentieblad met zijn lezers. Zoo vormt zich een vaste lezerskring van geestverwanten: hij geeft hun zijnIdeën, hij deelt hun ook zijnpersoonlijke wederwaardigheden mede over de Havelaarzaak, ’t proces Van Lennep, over aanvallen en doodzwijgen in de pers enz.
De zeven bundels tusschen 1862 en 1877 verschenen zijn zeer verschillend van gehalte en van inhoud: ze zijn “de Tines zijner ziel”.
Hij spreekt er in uit, wat hem vervult in korte, kernachtige parabelen en verhalen, hij geeft eene satirische bespreking eener brochure over een bidstond. Staatkundige beschouwingen wisselen af met fragmenten zijnerGeschiedenis van Wouter Pieterse.
Buitengemeen levendig van stijl is vooral de eerste bundel: een stijl, dien hij aan ’t slot vanMax Havelaarheeft aangekondigd:
“Weg met gemoedelyke taal, weg met zachtheid, rondborstigheid, duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aan Horatius’justum ac tenacem! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag, en gesis van vuurpylen, en gekras van valsche snaren, en hier-en-daar een waar woord, dat het mee insluipe als verboden waar, onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit!”
In de eersteIdeënstelt hij het oordeel van den enkeling boven dat eener vergadering: uit dit denkbeeld volgt dan later de gevolgtrekking over de ònwaarde van volkvertegenwoordigingen, van regeeren der helft + 1; een allergeestigste persiflage van dezen regeeringsvormheeft hij later in zijneSpecialiteitengegeven.
Groote waarde heeft het zelfstandig oordeelen: “De jeugd moet zich oefenen in ’t bepalen: (I. 10) “Om een voorwerp te teekenen is ’t niet voldoende den omtrek, de kleur en de schaduw van dat voorwerp te kennen, men moet dat alles kunnen weergeven.” (I. 11.) De groote beteekenis vanjuist uitdrukkenstelt hij in ’t licht: maar de juist uitgedrukte waarheid maakt geen indruk, vandaar dat ze in ’t kleedvanverdichting en verbeelding moet worden gestoken om ingang te vinden. Zoowel in het puntig, scherp formuleeren zijner denkbeelden, als in het dichterlijk inkleeden er van toont Multatuli zich een meester.
De strekking derIdeënis in I. 136 uitgesproken: “De roeping van den mensch ismenschte zijn. Daarheen moeten leiden: opvoeding, onderwijs, beroepskeuze, zedeleer, wetgeving, godsdienst.”
Maar de ontwikkeling van het waarachtig menschelijke wordt door averechtsche opvoeding, onderwijs, beroepskeuze, zedeleer, wetgeving en godsdienst juist belemmerd. Want deze instellingen berusten op gezag, traditie en conventie, zij zijn ontaard tot dwangmiddelen, terwijl ze wegwijzers tot vrijheid moesten zijn.
De godsdienst is de hoofdschuldige: in naam van den godsdienst wordt ’t gezag van ouders over kinderen, van den man over de vrouwgehandhaafd. Dogmatische frasen bederven het gezond verstand, een onhoudbare mythologie wordt gegeven inplaats van nuttige kennis der natuur. WatM.ook bestrijdt, telkens komt hij neer op den schadelijken invloed van het “geloof”. Zijn spot, zijn sarcasme, zijn verstandelijke kritiek zijn gericht op het doode vormelijke en dogmatisch-kerkelijke geloof, dat hem sedert zijn jeugd een nachtmerrie was geweest. De vormelijke godsdienstigheid heeft hij in al zijn leegheid laten zien en van het afbreken van het gehate “geloof” heeft hij intens genoten. Daaraan danken we een paar van zijn dolste en geestigste parodieën: ten eerste de geschiedenis van den bidstond den Elberfeldsche weezen, die zóó door den geest worden aangegrepen, dat ze liggen te stuipen op de keldertrap! In hun waan zijndezeChristenen oprecht, maar diepe verachting koestertM.voordiegeloovigen, die het op een akkoordje gooien met hun geloof:
“Als ’twaaris dat diegoddienerynadeelig werkt...
—Ja, zegt men, maar dat is sporadisch. ’t Komt nietdikwylsvoor. Hy,zy, en ik hebben nooit gestuipt op de keldertrap. Wegelooven... nu ja, maar we laten ons niet dol maken. We doen behoorlyk onze zaken. We gelooven... zóó, zóó... met gepaste matigheid.
Die wezens staan me nader dan gy!
Wie nonsensgelooft, en door krankzinnigheidbewys geeft voor de oprechtheid van z’n geloof, heeft recht op medelyden en... genezing, als er genezing mogelyk is.
Maar gy diegelooft... ja, maar niet meer dan juist noodig is in ’t belang van uw “zaken”... gy die zondags ’n hemelvaart belofzingt, maar ’n knecht zoudt wegjagen als hy in de week u kwam vertellen dat uw grootboek was opgevlogen... gy die uw krankzinnigheid weet afteknippen op de maat die ge groot genoeg vindt voor den Hemel, en niet te groot toch voor de aarde... gy die zoo verstandig zyt als de verstandigste waar ’t uwdadelykbelang geldt, maar meent den Heere te dienen door dat verstand te leggen aan ’n halsbandje van spinnewebbe of yzer, naar ’t u voegt, zoodra er spraak is van—veronderstellen—edeler belang... gy die preekt, bidt en oefent, maar onder ’t bidden en oefenen, gedurig ’n oog in ’t zeil houdt van ’t aardsche scheepje... gy die ’t beste deel van uw ziel bewaart voor beurs, school, sociëteit of kabinet, en zondags lappendag houdt om uw “Heer” te onthalen op wat afval... gy...
Wat moet ikUzeggen? Dit: ga naar de Elberfeldsche weezen, kryg stuipen en wordt oprecht.” (I. 179.)
De tweede felle parodie leverdeM.in zijnBakerpreek: Stel datM.’s relaas van het salie-avondje van Juffrouw Pieterse eenmaal de heilige Schrift der Opper-Aziaten zal zijn, dan zal zichin die streken na 50 eeuwen een kerkgeschiedenis, een dogmatische strijd en een geloof hebben ontwikkeld, wier verloop analoog aan die van ’t christendom zal zijn. Ten stelligste ontkentM., dat deze parodie op dogmatisch wondergeloof als aanval op hetheiligeveroordeeld moet worden:
“Spot met zoogenaamd ‘heilige’ zaken, bewijst niets tegen die zaken, maar wekt de tragen op en geeft den vreesachtigen moed:tot nadenken over de vraag: of die zaken wel heilig zijn?Dit is veel gewonnen, want dan is de tijd daar tot eenvoudige redeneering.” (I. 395.)
Door domheid en misverstand zijn de woorden van Jezus verknoeid: maar voor de Jezusfiguur heeftM.groote bewondering: “Ik heb in veel opzichten eerbied voor Jezus, maar volstrekt niet voor ’t zoogenaamd christendom.
Er zijn door Jezus dingen gezegd die ik geloof—schoon ik ze niet geloofomdathij ’t zeide—maar in ’t christendom-zelf geloof ikniet. Ik ontken ’t bestaan van dat christendom1. Ik heb ’t nooit ontmoet, nooit waargenomen, en ben overtuigd dat Jezus, op aarde terugkomende, heel verwonderd wezen zou te hooren, dat men zich naar hem noemde. Ikheb ’n neefje die spelfouten maakt en zich daarom Multatulist noemt. Wat zou m’n aanhang groot wezen als dat opging.
“Het christendom bestaat voor een groot deel uit neefjes die spelfouten maken.” (I. 186.)
En in I. 57 lezen we: “Er is maar één weg ten hemel:Golgotha. Wie er wil komen langs anderen weg is ’n infame smokkelaar.”
Fel tegenstander wasM.ook van de toen opkomende moderne richting: deze theologen streden óók tegen de versteening van het christendom in dogma en wondergeloof. Maar volgensM.bleven ze halverwege staan en waren niet consequent: in een geestige parabel verhaalt hij van pasteibakkers, die zulke lekkere taartjes bakten, ’n winstgevend beroep. Totdat scheikundigen ontdekten, dat er papaverstroop in verwerkt werd! Een eerlijke pasteibakker verklaart geen taartjes meer te zullen bakken; maar anderen pogen onschadelijke taartjes, met een heel klein beetje slaapstroop te fabriceeren, om den taartjeswinkel aan te kunnen houden, zonder strijd te voeren tegen de wetenschap der chemisten... “De pogingen om de mystiekerij van ’t oude geloof overeen te brengen met hedendaagsche standpunten is even belachelijk—en misdadig!—als ’t schermutselen met ‘politieke beginselen’ die geen wortel hebben in ’t gezond verstand, omdat men daarbij voortdurend verzuimt met de feiten te rade te gaan.” (I. 453.)
TerwijlM.de moderne richting en Renan heftig aanvalt, wijst hij elders weer op de psychologische en symbolische waarheden, die in mythologische verhalen van het Oude en het Nieuwe Testament, in het dogma der erfzonde verscholen liggen: een schriftbeschouwing, die de oude mystieken, zonder nog aan de historische feitelijkheid te twijfelen, bij voorkeur hebben toegepast, en die door de wijsgeeren sinds Lessings dagen als de godsdienstig eenig houdbare is beschouwd. Geestig is de wijze waarop hij een loopje neemt met de historiciteit van den wandelenden Jood (I. 800–803) en waarop hij de verwarring schetst in het hoofd van den jongen, die Ovidius’ scheppingsgeschiedenis alsmythemag beschouwen, maar die van Genesis alshistoriemoet aannemen, op straffe zijn zaligheid in gevaar te brengen.
Ondanks zijn felle afbreken van alle “goddienery” wordtM.in een sentimenteel oogenblik bekoord door de liefelijkheid van naïef geloof, zooals blijkt uit de geschiedenis der Sainte-Vierge (I. 242), en de figuren van Femke met haren katechismus en de oude pastoorsdienstbode Stijntje uitWouter Pieterse. Maar zijn afkeer van de bekrompen, kleinzielige orthodoxie was zóó hartgrondig, dat hij de poëzie van het naïef geloovige alleen bij Roomschen vermocht te vinden.
Tot wijsgeerig verstaan en waardeeren vanhet godsdienstig leven is hij niet in staat geweest: hij kende het christendom dan ook niet uit zijn grootste vertegenwoordigers: Augustinus en de mystieken, de groote dogmatische en wijsgeerige vertolkers van het christendom waren hem niet bekend: hij bleef in de opvatting steken, dat godsdienst en wijsbegeerte elkaar uitsluiten. Zijn strijd tegen een persoonlijk God, persoonlijke onsterfelijkheid en tegen het vraaggebed bedoelt hij als vernietiging van het geloof: inderdaad vecht hij tegen uitwassen van het christendom, waartegen sommigen der grootste wijsgeeren en theologen eveneens gestreden hebben.
In deIdeënvinden we twee gedachtenreeksen over de vraag, “wat is waarheid”, die voorM.gelijkluidend is met de vraag “wat is God.” Als hij de natuur als uitgangspunt zijner redeneering neemt, dan is God gelijk aan de ijzeren wet der noodzakelijkheid; wel had hij “liever te doen met ’n God die vatbaar is voor rede, maar dit kàn nu eenmaal niet”.—
“Denoodzakelijkheiddie dit wil (n.l.dat 1 + 1 = 2), voorschrijft en handhaaft, is almachtig, eeuwig, onveranderlijk, isGod. Die God bouwt zonnestelsels...
Er is geen bol aan ’t firmament, die niet z’n bestaan te danken heeft aan ’n reeks van feitelyke syllogismen, even eenvoudig als 1 + 1 = 2.
DieGod voegt samen, ontbindt, maakt,vermaakt, richt, wendt, buigt, heft, perst en plet...
Ja, plet! En knipt, als—in die andere plettery—de schaar, die ook niet weet wat ze doet!
Bidden is aan die schaar vragen of ze zoo goed wil zyn, ditmaal niet toetehappen omdat er iets tusschen haar kaken ligt, dat we gaarne wilden heelhouden!
Bidden zou dus, als ’t niet kinderachtig ware, een misdadige poging zyn om de natuur te verlokken tot wanorde.” (I. 162–163.)
Gaat hij daarentegen van den mensen uit, dan vormt hij zich een God naar eigen beeld: in de Woutergeschiedenis schetstM.hoe Wouter zijn Godsbegrip opbouwde:
“Geen ‘Weg ter Zaligheid’ en geen katechismus was er in geslaagd het kind den anderen god te ontrooven, dien hy in ’t gemoed droeg, en waarmee hy zich—ziehier z’n hoogmoed!—zonder de minste aanbidding vereenzelvigde. God, of ’n god, moest noodwendig hetgoedewillen, het goede zyn. Dit wilde en was Wouter ook.Hystond dus zoo’n Wezen zeer na, en beschouwde het in z’n trouwhartigen waan als z’n natuurlyken bondgenoot, als z’n gezel, als z’n kameraad. Zoo voelde hy zich prins van geestelyken bloede, als ware hem de Fancy-vertelling ontgaan, die ik in den aanvang dezer geschiedenis meedeelde om denlezer inzage te geven in Wouter’s stamboom.
“Hoe hy ’t aanlei om den god dien hy geschapen had, den god van ’t goede overeen te brengen met het zonderling Wezen dat men hem deed kennen in Kerk en School, is moeielyk te zeggen.” (I. 1083–1084.) En alsM.verteederd is door het naïeve geloof van een lief Roomsch vrouwtje en een monnik besluit hij ’t verhaal van zijn reisavontuur met de woorden: “En in aller harten woonde liefde. Waardoor waren die wonderen gewrocht? Door den godsdienst van het goede.” Zoo is er tegenstrijdigheid in zijn godsdienstige opvattingen, eene tegenstrijdigheid, die we terugvinden in zijn levensideaal: hoewel overtuigd, dat alles volgens deonverbreekbarewet der noodzakelijkheid zich voltrekt, wil hij, Multatuli, overal ingrijpen om het goede en het rechte te doen zegevieren. Hij wenscht macht en geld om al zijn idealen te verwezenlijken; in zijn gesprek met Keizer Adolf in ’t Rijk der Gnomen zet hij dezen het volgende programma uiteen:
“Daarenboven is niet alles zoo goed als het, met eerlijke gebruikmaking van de onveranderlyke wetten der lieve Natuur, wezen kon. De goedige aarde levert voedsel genoeg, en toch wordt er gebrek geleden door de menschheid...
—Ik zal ze wat yzer zenden.
—Om ’s hemels wil, doe dat niet, Meester!Ze eten het niet, en maken er ballen van om elkaar dood te gooien.
—Wat salpeter?
—Nog erger! Ook dat eten ze niet, en gebruiken het om die ballen voortteblazen. Er zou voedsel in overvloed zyn, ging ik voort, en toch hebben velen niet het noodige. Er is daarboven kennis genoeg te samelen, en toch kwynt ’n zeer groot deel der mensheid weg in walgelyke onwetendheid. Er is daar stof genoeg voor algemeene vreugd, voor genot, voor geluk... en toch, Meester, tochblyvenjammer en leed hoofdtoon in de geschiedenis van dat arme mensdom!
Meester, ik heb vyftig jaren op die aarde rondgedoold, en zelf veel geleden, maar sedert ik de gaaf ontving m’n voelen tot denken te maken, en verstand te scheppen uit de bron van het hart, sedert dien tyd was me niets zoo bitter als ’t aanschouwen van de algemeene ellende die voortdurend de plaats inneemt van mogelyk algemeen geluk.
En steeds kwam daarby de gedachte in my op: o, als ik te bevelen had...si j’étais roi!
Ik zocht macht om goed te doen.
Maar, Meester, die macht bleef uit, vooral nadat ik, herhaaldelyk getracht hebbende goed te doen zònder haar, hoe langer hoe machteloozer werd gemaakt door de velen die belang hebben by ’t kwade.
Ik wil geld, Meester, en veel, veel, veel! Ik wil meer goud dan gy yzer kunt maken in honderd weken, al werkten al uw gnomen en kobolden mee. Ik moet me een plaats koopen in de volksvertegenwoordiging...
—Worden die plaatsen gekocht?
—Indirect ja. Of liever ze worden door en met geld verkregen zonder betaling. Ik moet dan, dóór of met geld, me een plaats veroveren vanwaar ik waarheid kan doen hooren aan ministers... ’n ministersplaats ook, om de waarheid te kunnen zeggen aan koningen. Geld heb ik noodig om zelf koning tezyn, opdat ik ’t recht en de macht bezitte goed te doen aan ’t volk... liefst zònder ministers. Geld heb ik noodig voor legers, om menschenslachtende vorstjes te onttroonen in Afrika... en andere werelddeelen. Geld om bevoegdheid te koopentot het nazien der boeken van weeshuizen en armeninrichtingen. Geld voor volksbibliotheken...
—Je wilt dat het volk lezen zal?
—Zóóver gaat m’n eerzucht niet. Ik wenschte dat het in staat werde gesteld lezen teleeren, ’n kunst die nog in haar kindsheid is. De meesten brengen ’t daarin niet veel verder dan noodig is voor ’n benoeming tot briefbesteller. Ik heb geld noodig, Meester, tot het bezoldigen van onderwyzers in de natuurkunde, geld voor algemeene hygiène, geld tot het wegruimen van rivierdyken, die vervloekte oorzaken van watersnooden verzande havens. Geld tot het uitwisschen van grenzen, geld voor vruchtboomen langs de wegen, geld voor den beul...
—Hè?
—Ja, pensioen. Geld tot ondersteuningzonder smaadvan invalide burgers, geld tot betaling van—des-noods onvrywilligen—arbeid derzulken die arm werden door traagheid. Geld voor ware, d. i.veredelendekunst. Geld voor genot. Geld voor geluk. Geld voordeugd! En meester, zóóveel geld wenschte ik, dat er nà dat alles nog iets overschoot om m’n lief gezin te behoeden tegen gebrek.” (Millioenenstudiën I: 43, 51–52.)
Terwijl hij de macht der noodzakelijkheid zoo klaar besefte, meende hij zelf door Fancy geroepen te zijn, in de hopeloos verwarde samenleving orde te brengen. Deze drang, deze overtuiging heeft hem voortgedreven héél zijn leven door: ieder mensch in nood, in lichte of voorgewende armoede, voelde hij zich gedrongen te helpen. En als helpen met geld onmogelijk of onnoodig was, was hij altijd bereid zich voor zijn medemenschmoeitete getroosten. Niet alleen de enkeling wil hij bijstaan, zijn eerzucht gaat er naar uit demenschheidwél te doen, door de afwijkingen van de rede, van Logos weer goed te maken.
In zijn later werk (in deMillioenenstudiënvoor ’t eerst, later in het tweede gedeelte vandeWoutergeschiedenis) komt het inzicht dat Fancy zonder Logos niets vermag en Fancy leert hem, dat de dichter hetrechtniet zal kunnen doen zegevieren met millioenen schats, maar wèl door zijnideeën. “Meent ge dat het mij meer moeite kosten zou, u demillioenentoe te werpen, dan ik aan ’t vóórzeggen derStudiënbesteed heb”, is de vraag waarmede Fancy-logos vanM.afscheid neemt. Zijn dichterlijke verbeelding zal de geestelijke waarden moeten scheppen, waardoor recht en goedheid onder de menschen zullen zegepralen.
Na jaren van worsteling om geld en invloed is deze verzoenende gedachte gekomen, dat Fancy door dengeestoverwint.
Een vat vol tegenstrijdigheden dat wasM.óók in zijn wereldbeschouwing. Geweldig voorstander van welvaart en vrijheid van het volk, wilde hij liefst voor zich de rol van een Napoleon spelen. Van ’t parlementaire stelsel,—de Tweede Kamer had hèm niet in zijn strijd om den Javaan bijgestaan—verwacht hij niets goeds maar hij weet er niets beters voor in de plaats te stellen! Als staatkundig hervormer roept hij om een “derde partij”, die de volkswelvaart en niet het partijbelang zal dienen. Want de onmacht van regeering, Kamers en partijen zijn de oorzaak van de groote ellende van ’t volk.
“Ieder weet, dat myn bitterheid over den toestandvan ons Volk zich niet bepaalt by de zaken in Indië. Na de Havelaars-geschiedenis, myn punt van uitgang, zag ik weldra in, dat de grond dieper lag, dan in de luiheid en gewetenloosheid van plichtvergeten gouverneurs-generaal. Achter zoo’n ellendigenvan Twistzat een minister. Achter zoo’n minister zat een Tweede-Kamer, ja... zelfs ’n Eerste. Wat zoo’n Eerste-Kamer beduidt is onlangs gebleken, toenDuymaer van Twistdaarin onverhinderd zitting nam. Niemand drong den man ter deure uit. Niemand schaamde zich plaats te nemen naast den medeplichtige aan zooveel roof, naast den moordenaar van zooveelSaïdjah’s.
En achter de beide Kamers, zit, staat, ligt—of kruipt, als ge wilt—het Volk, het Nederlandsche Volk!” (I. 583.)
Tot het Volk zal hij zich richten, op de ellende van het Volk zal hij wijzen: hij zal opstandigheid prediken. In zijn tweeden bundelIdeënheeft hij zeer uitvoerig het werk van Le Play overLes Ouvriers Européensbehandeld in verband met het welzijn van het Nederlandsche Volk. In deze studie komt o. a. een gedetailleerd arbeidersbudget voor.M.komt tot de slotsom dat de Hollandsche arbeider ja in vele gevallen de kleine burger in ons land onder veel slechter condities leeft en werkt dan de arbeiders in andere beschaafde en half beschaafde landen van Europa, ja zelfs, dat de Hollandschearbeider er slechter aan toe is dan de zwarte slaaf!
PORTRET VAN MULTATULI, ( ± 1865).PORTRET VAN MULTATULI, ( ± 1865).(Naar een photographie in het Multatuli-Museum te Amsterdam).
PORTRET VAN MULTATULI, ( ± 1865).
(Naar een photographie in het Multatuli-Museum te Amsterdam).
DRUKPROEF VAN EEN PROGRAMMA VOOR EEN VOORDRACHT VAN MULTATULI,DRUKPROEF VAN EEN PROGRAMMA VOOR EEN VOORDRACHT VAN MULTATULI,met eigenhandige correctie.(Multatuli-Museum, Amsterdam).VOORDRAGTEN VAN MULTATULITWEEDE VOORDRAGT.Program.Dankbetuiging voor de welwillendheid, waarmede des Sprekers eerste Voordragt is opgenomen.Het hooge belang voor den Spreker om Dames onder zijn gehoor te zien.Aansporing om der Vrouw meer aandeel te geven in ’t bestuur van ons huisselijk leven.PAUSE.Voordragt van een gedeelte uit “WIJS MIJ DE PLAATS” ten bewijze dat de zaak des Sprekers wel degelijk valt onder ’t bereik der Vrouwen, en tevens dat deze bevoegd en geroepen zijn zich die zaak aantetrekken.PAUSE.Uitnoodiging om aan de Vrouwen grooter aandeel toetekennen in ’t publiek leven.Betoog dat de Zaak des sprekers wel degelijk valt onder het bereik der vrouwen en tevens dat deze bevoegd en geroepen zijn, zich die zaak aantetrekken.
DRUKPROEF VAN EEN PROGRAMMA VOOR EEN VOORDRACHT VAN MULTATULI,
met eigenhandige correctie.
(Multatuli-Museum, Amsterdam).
VOORDRAGTEN VAN MULTATULI
TWEEDE VOORDRAGT.
Program.
Dankbetuiging voor de welwillendheid, waarmede des Sprekers eerste Voordragt is opgenomen.
Het hooge belang voor den Spreker om Dames onder zijn gehoor te zien.
Aansporing om der Vrouw meer aandeel te geven in ’t bestuur van ons huisselijk leven.
PAUSE.
Voordragt van een gedeelte uit “WIJS MIJ DE PLAATS” ten bewijze dat de zaak des Sprekers wel degelijk valt onder ’t bereik der Vrouwen, en tevens dat deze bevoegd en geroepen zijn zich die zaak aantetrekken.
PAUSE.
Uitnoodiging om aan de Vrouwen grooter aandeel toetekennen in ’t publiek leven.
Betoog dat de Zaak des sprekers wel degelijk valt onder het bereik der vrouwen en tevens dat deze bevoegd en geroepen zijn, zich die zaak aantetrekken.
“De zwarte slaverny was inderdaad in beginsel een gruwel maar...zywas openlyk, oprecht, frank. En:de slaaf werd beschermd door de wet.
Wie beschermt denwittenslaaf? Wie verzacht of geneest den kanker van de blanke slaverny? Ook dat is eengruwel, filantropen, en een gruwel met toebehooren van huichelary en valsheid.
De invoering eenergereglementeerdeslaverny met verplichting aan den kant des meesters, om z’n eigendombehoorlykte onderhouden, zou voor zoo menig Nederlandsch werkman een weldaad wezen... als ze bestaan kon. Maar niemand zou iets durven bieden voor ’n blanke, en daarom is ’t onmogelyk. Daarom, en niet omdat onze zeden zouden verheven zyn boven de begrippen, die slaverny dulden. Integendeel, ze staan daar beneden, en bedekken haar zelfzuchtig terugdeinzen voor de verantwoordelykheid van ’t patronaat, met ’n valsch kleursel van eerbied voor menschenrecht.
De christelyke beschaving is fyn en slim in hare berekeningen.
Zy zegt: gy moogt nietverkochtworden... ze meent: ik wil u nietkoopen. Zy zegt: ik wil niet dat geslaafzyt... ze meent: ik wil uweigenaarniet wezen. Zy zegt: behoudt uwwaardeals mensch... ze meent: ik wil mynkapitaalswaarde niet verliezen. Zy zegt: geenvernederingvooru... ze meent: geenschadevoormy.
Want de werkman in onze maatschappy is slaaf. Z’nmaaglevert hem gebonden over aan ieder die hem een maal aardappelen met azyn betaalt. Hyisslaaf,minus’t recht op onderstand,minusregistratiekosten,minusgezegelden koopbrief,minusrente en risico.
Ja, zonder risico. Want als-i ziek wordt, ongeschikt om te arbeiden, oud, gebrekkig... welnu, dan huurt men een nieuwen slaaf, die werken kan, en betaalt hem als z’n voorganger met ’n maal aardappelen daags...
Zoo-als nu de zaken staan, noem ik den toestand van ons Volkschandelyk.Zeven-achtstedeel der gehuwde mannen, moeten de vruchtbaarheid hunner vrouwen verwenschen, en zeker zouden de vogeltjes die zoo vroolyk spys zoeken en vinden voor hun jongen, met minachting neerzien op ’t verwaand menschdom, als ze wisten hoe schraal de tafel bereid is, waarom ’t aanzit.” (Idee 451.)
Als de oorzaak van deze ellende beschouwtM.de slechte regeering: de constitutioneele koning is niet verantwoordelijk omdat hij onschendbaar is en dus onmachtig, de ministers komen en gaan zóó snel, dat ze de verantwoordelijkheid op hun opvolger(s) afschuiven.
Als een pikant staaltje van de wijze hoe er bestuurd wordt, hoe de bestuurders hun roeping begrijpen, wijstM.op ’t volgende.
“Wy weten nu eenmaal, dat het Volk geen vleesch eet. Voor ’n oogenblik aannemende, dat het bestuur daaraan niets doen kan, zal ’t toch waar blyven, dat zoo’n feit belangstellende aandacht verdient. Ziehier hoe de Gedeputeerde Staten van Friesland zich van hun plicht daaromtrent kwyten. Wy lezen in ’t verslag van die provincie over 1861:
Wij moeten nogwijzenop ’t verblijdend verschijnsel, dat de invoer vanSmeer...
Wij moeten nogwijzenop ’t verblijdend verschijnsel, dat de invoer vanSmeer...
de “Nederlandsche Industrieel” voegt hier zeer gepast by: “dat is: de afval van ons naar Engeland gezonden vee.”
... “smeer, een artikel zoo uitnemend geschikt om bij de geringe volksklasse het gemis van vleesch te vergoeden, in de beide laatste jaren weder klimmende is.”
... “smeer, een artikel zoo uitnemend geschikt om bij de geringe volksklasse het gemis van vleesch te vergoeden, in de beide laatste jaren weder klimmende is.”
Het is moeilyk by zulke mededeelingen niet bitter te worden.
Men vraagt zich wat de overhand heeft by die heeren Gedeputeerde Staten, de domheid, de onverschilligheid, of de wreedheid?
Of zou er ironie liggen in datverblydenover ’t verruilen van versch vleesch tegen oud smeer? Zou ’t een geestigheid wezen? Laat ons hetzachtste oordeel kiezen en dus de zaak houden voor domheid. We kunnen daarvoor de minder domme opinie teruggeven—niet als verblydendverschynselhelaas!—dat ’n vlucht uilen, “zoo by-uitnemendheid geschikt wezen zou... om H. H. Gedeputeerde Staten van Friesland te vervangen”.
In den noodtoestand der arbeidende bevolking zietM.het grootste gevaar voor de nationale toekomst. In de jaren tusschen 1866 en 1870 toen Pruisen zijn grenzen uitzette, was de vrees voor annexatie hier te lande levendig. De oud-minister—Professor Bosscha schreef een brochureOver Pruisen en Nederlandom zijn landgenooten tot waakzaamheid, tot geestdrift en... tot den vrijwilligen wapenhandel op te wekken. Deze brochure prikkeldeM.tot het schrijven over de ware oorzaken van Nederlands onmacht tegenover een veroverend Pruisen; hij betoogt, dat de hooggeroemde vaderlandsliefde die zich uit in bombastische verzen en in... binnenkamers, een leugen is, dat “gymnastie, algemeene dienstplichtigheid en scherpschuttersgenootschappen” slechtsmiddelenzijn, maar dat dit niets helpt, zoolangde geest in ons land niet verbeterd is. En geestdrift ontbreekt omdat de toestand van ’t volk ellendig is: de materieële toestand is miserabel en het geestelijk leven eveneens. “Jacht op stijl overal, stijl, nergens. Overal gemaaktheid, opgedrongen deftigheid, mislukte verheffing,brommende leegte, conventioneel schrijversfatsoen, d. i.leugen.—De natie is ziek, zeer ziek, en de naam dier ziekte, in welken vorm zij zich ook voordoe, isleugen!”
De materiëele ellende van ’t volk is weer de grondoorzaak van geringe ontwikkeling, minderwaardig vermaak. En ’t nationaal bederf is niet tot de arbeidersklasse beperkt: eenzelfde geest van lamlendigheid doortrekt alle lagen der samenleving. Vandaar dat zeden en gewoonten, kunst, godsdienst en staatkunde verleugend zijn.
Door het scherp belichten van den maatschappelijken leugen heeftM.veler oogen geopend. Met bijzondere voorliefde heeft hij het minderwaardige lot der vrouw op de kaak gesteld. Hij doet een fellen aanval op de zeden, die voorschrijven het meisje dom en onwetend te houden, die de vrouw toestaan slechts de huishoudster van haar man te zijn, die de ongetrouwde vrouw tot werkeloosheid en hysterie veroordeelen. De zeden, die de verhouding der geslachten bepalen, zijn in aanhoudenden strijd met de hoofdwet der Natuur.
“We willen haar dwingen tot stilstand waar ze beweging eischt. Tot alleenzyn, waar ze haakt naar verbinding. Tot scheiding, waar ze aandringt op vereeniging. We dringen ons als plicht op, die Natuur te verkrachten.
Deze verkrachting—of de voortdurende vruchtlooze poging daartoe—noemen weDeugd.
Onze geheele opvoeding van de meisjes is ’n moorddadige opstand tegen het goede.” (I. 203.)
“Wat maakt ge van onze dochters, o zeden! Ge dwingt haar tot liegen en huichelen. Ze mogen niet weten wat ze weten, niet voelen wat ze voelen, niet begeeren wat ze begeeren, niet wezen wat ze zyn.
“Dat doet geen meisje. Dat zegt geen meisje. Dat vraagt geen meisje. Zoo spreekt geen meisje!”
Ziedaar schering en inslag van de opvoeding. En als dan zoo’n arm ingebakerd kind gelooft, berust, gehoorzaamt... als ze heel onderworpen haar lieven bloeityd heeft doorgebracht met snoeien en knotten, met smoren en verkrachten van lust, geest en gemoed... als zebehoorlykverdraaid, verkreukt, verknoeid, heel braaf is gebleven—dat noemen de zedenbraaf!—dan heeft ze kans dat deze of gene lummel haar ’t loon komt aanbieden voor zooveel braafheid door ’n aanstelling tot opzichter over z’n linnenkast, tot uitsluitend-brevetmachine om zyn eerwaard geslacht aan den gang te houden. ’t Is wel de moeite waard!” (I. 195.)
Het ascetisch ideaal van het christendom vindt hij uit den booze. Met innige verontwaardiging vaart hij uit tegen het negeeren van de vrouw door den Evangelist en legt een nieuwe lezing in den schoonen gedragen stijl van het Evangelie naast de oude vanMattheusXIX over het ware huwelijk, dat niet alleen lichamelijkegemeenschap, maar ook die van ziel en geest insluit.
Tegenover de vaak zoo treurige werkelijkheid steltM.het ideale huwelijk, tegenover de dwingende zeden predikt hij vrije liefde. Al moge hij het niet als deidealeverhouding aanprijzen, in ieder geval beschouwt hij het als een bevrijding uit den ascetischen dwang der zeden. In het Holland zijner dagen wekken deze ideeën heftig verzet: de schrijver wordt als een toonbeeld van onzedelijkheid uitgekreten.
Ook op zedelijk gebied heeftM.de denkbeelden der Europeesche romantiek in ons land vertolkt: eerzame Hollandsche letterkundigen hadden romantische stoutigheden slechts verzacht en verwaterd durven weergeven2.
Maar inM.lééfde hetzelfde gevoel van opstandigheid als in Byron, Heine, Shelleye. a.: in zijnIdeënkwamen deze gevoelens daardoor eerst tot uitbarsting in een taal, gelijkwaardig aan die der groote romantici. Al mogeM.nog zoozeer beïnvloed zijn door deze denkers en dichters, al mogen de sporen van hun invloed in zijn werken telkens zijn aan te wijzen, toch is hier geen sprake van slaafsche navolging: uit zijnBrievenblijkt het, dat ideeën die van zijn jonge jaren af in hem woelen, onder invloed zijner lectuur zijn bewust eigendomzijn geworden. En met zijn wondere taalbegaafdheid heeft hij in later jaren wat in hem leefde zóó pakkend, zóó meesleepend weten te uiten, dat scharen van jongeren door zijn wóórd den strijd voor vrijer levensopvatting hebben aanvaard.
Tal van jongen vrouwen en meisjes heeft de Geschiedenis van Thugater (uit deMinnebrieven) en die van de kleine Agatha (I. 182) de oogen geopend!
Niet alleen de meisjes-opvoeding moest herzien, heel de onderwijsmethode moest gewijzigd: vanM.is uitgegaan een krachtige beweging om de doode onderwijsmethodes door nieuw levend onderwijs te vervangen. InWouter Pieterse, levert hij een felle charge op de verschoolsching van het lager onderwijs in de figuren van Pennewip en Stoffel, terwijl hij in de wijze waarop Dr. Holsma zijn kroost onderricht, vingerwijzingen geeft omtrent een leermethode, die het kind tot denken, tot zelfvinden aanmoedigt.
Goed onderwijs moet opleiden totvrije studie, moet geschikt maken voor het leven.
”’t Is niet waar dat die maatschappy den jongen van zestien jaar met open armen ontvangt, omdat-i weet te vertellen watSemi-Ramisheet verricht te hebben, hoe Rusland begrensd is, aan welke rivier Groningen ligt, enz.
’t Isnietwaar, dat ze hem ’n paar jaar later onder hartelykwelkom!bekleed met detoga virilis, omdat-i nu verstand heeft van kegelsneden, en na veel tobben in-staat is ’n bladzy te vertalen uitVirgiliusofHomerus... by-voorkeur altyd die eene!
’t Isnietwaar, dat de akademische dissertatie waarvan-i ten-langen-laatste door de kunst verloste, hem wordt toegekend als diploom van mannelykheid!
Na al ’t verwringen en verkrachten van de Natuur, op school en kollegiebanken, blyft alzoo den ouders niet eenmaal de verontschuldiging dat de Maatschappy tot zoo’n leiding dwingt. ’t Allereerste waaraan de jongeling die de wereld intreedt, behoefte heeft—nadat men twaalf, veertien jaren besteedde om hem voor die wereld geschikt te maken—is... ontbolstering. Wel ’nbewysdat de voorbereiding allergebrekkigst was! Wat naar de school riekt, is in ’t werkelyk leven onbruikbaar.
Eilieve hoe kan dit worden overeengebracht met de voorgewende bedoeling, dat men hem naar school zondom hem geschikt te maken voor dat werkelyk leven?” (I. 876.)
Merkwaardig is het, datM.de theorie van Montessori voorziende als voorwaarde voor vruchtbaar onderwijs den eisch heeft gesteld, dat een bepaalde leerstof pas gegeven mag worden, als ’t kind er zich toe voelt aangetrokken!
“Dezelfde leerling die nu misselyk wordt gemaakt vanTacitus, zou misschien z’n grootste vreugde scheppen in ’t ontleden der werken van dien schryver, als-i vooraf liefst uit eigen aandrift had leeren belangstellen in de daarin behandelde zaken. Er komt ’n tyd dat de knaap zich voelt aangetrokken door de vaak treffende verhouding tusschen uitgebreidheden en getallen. Wie ooit, byv. des nachts wakker liggende, zich bezig-hield met de evenredigheid tusschen zekere lynen en figuren op tapytwerk of behangsel, zal me begrypen. Een ander zal behoefte voelen aan kennis van de wys waarop de stoffen zyn samengesteld. Hy wil weten wat ze vereenigt, hoe ze ontbonden worden? Dan is de tyd voor de scheikundige les gekomen, niet toen de knaap met ’n onvriendelyk: wat gaat my dat aan? de boodschap afzei, die men hem brengen kwam op ongelegen uur.
Gy die dit alles nooit bedacht, drinkt ge bier by uw ontwaken? Eet ge stokvisch tot ontbyt? Kolft ge in de kerk? Is ’t dan zoo moeilyk te begrypen dat ook verstandelykeindrukkenhun tyd kiezen, en dat wy alzoo verkeerd handelen, de wenken te verkrachten, die de Natuur ons daaromtrent zoo duidelyk geeft?
Ik verwacht niet anders dan dat de meesteonderwyzersvan beroepme ongelyk geven, en hoor sommigen zeggen:
—Nu, als ik wachten zou totdiejongen me naliep om wat te weten van driehoeksmeting, van stuifmeeldraadjes, van germaansche oudheid...
Ik geloof ’t gaarne! Ge hebtnietgewacht, en kunt dus niet weten wat er zou geschied zyn, als ge de begeerte naar kennis behoorlyk had laten rypen.
Of er kinderen zyn, by wie deze begeerte zich nooit openbaart?
Deze vraag kan ook anders gesteld worden, en wel—ik beveel deze methode ook voor andere vraagstukken aan—op ’n manier die ’t antwoord meebrengt: men wenscht te weten, of sommige kinderen schadeloos kunnen verdronken worden? Wel zeker, er zyn idioot-geborenen! Maar niet in de behoeften van deze ongelukkigen zoeke men het richtsnoer ter beoordeeling van ’t onderwys waarop ’n welgeschapen kind aanspraak heeft. We mogen niet willens en wetens het getal der geestelyk-mismaakten vermeerderen.”(I. 873–874.)
“Door dwang verstoppen we de rykste bron van genot engoedzyn: ’t onafhankelyk denken. En dit niet voor ’n oogenblik alleen, maar we leggen daardoor den grond tot den vervloekten afkeer van geestelyke inspanning, tot de roestige luiheid die onze maatschappy kenmerkt.
Er zou gewis ’n tyd aangebroken zyn dat de knaap, na uit eigen beweging z’n oorsprongen dien van denmenste hebben nagevorscht de vraag deed: waar kwamen de Hollanders vandaan? Liever zag ik dat-i z’n denkvermogen besteedde—en dit zòu geschieden als men ’t niet bedorven had—aan ’t geologisch beschouwen van de wyze waaropNederlandontstaanis.” (I. 864.)
Als van ’t begin af belangstelling de drijfveer is van het leeren, kan vrije studie op volwassen leeftijd eerst tot zijn recht komen. Uitvoerig staatM.stil bij de beletselen, voor ’t streven naar waarheid: vooroordeel, belemmering van ’t onderzoek en ongeschiktheid van den onderzoeker. Hij wijst ook op ’t nadeel van te ver gedreven specialiseering in de wetenschap, waardoor de ruime blik verloren dreigt te gaan. Tegen schoolsche wijsbegeerte trekt hij te velde: alleen Locke kan genade bij hem vinden.
Al komen in deze latere bundels nog wel pittige, korte uitvallen voor, (zoo b.v. I. 933 en 936:Principes heb ik nietènNederland is vol principes),—toch is ’t karakter sterk gewijzigd: rustiger, meer betoogend dan bewerend wordt zijn werk. Zoo geeft hij zeer uitvoerige beschouwingen over bekende, klassieke Hollandsche dichtstukken: Rotgans, Feith, Hooft, Bilderdijk neemt hij kritisch onderhanden. Hij wijst al in de richting van de kritiek van deNieuwe Gidsals hij klaagt dat onze heele letterkunde van den dagnamaakis, als hij Rotgans alsnamaak van namaak veroordeelt, en het bestaan van allekunstregelsloochent, want “de ware artist teekent de Natuur na,zooals die zich aan hèm vertoont. Men kan evenmin iets goeds voortbrengen door ’t volgen van modellen, als zich voeden met de spijs die ’n ander gegeten heeft. Kunstbesef werkt van binnen naar buiten en niet andersom. Een kunstprodukt dat op andere kunstprodukten gelijkt deugt niet.” (I. 1181.)
1Jezus is driemaal gekruisigd. Eens door de Joden, vervolgens door z’n levensbeschrijvers en eindelijk door de christenen zelf. Hij had nooit kwaadaardiger vijanden dan de laatsten. (M.)2Dr. Prinsen geeft sprekende voorbeelden hiervan in zijn boek over Multatuli en de romantiek.
1Jezus is driemaal gekruisigd. Eens door de Joden, vervolgens door z’n levensbeschrijvers en eindelijk door de christenen zelf. Hij had nooit kwaadaardiger vijanden dan de laatsten. (M.)
2Dr. Prinsen geeft sprekende voorbeelden hiervan in zijn boek over Multatuli en de romantiek.
DE GESCHIEDENIS VAN WOUTER PIETERSEAan de Woutergeschiedenis, het rijkste werk van zijn rijken geest, heeftM.jaren gearbeid. Het is een van de honderd boeken, die hij na ’t schrijven vanMax Havelaarin het hoofd had. Het begin is al vóór 1862 geschreven: in deMinnebrievengewaagt hij vanFancy, die in een koffer te Laeken ligt.In den eersten bundelIdeënis deze Fancy-geschiedenis opgenomen; geërgerd door de bekrompenheid, domheid en kwaadaardigheid zijner landgenooten slaakt de ideënschrijver den kreet: “Wat poëzie, mijn God, opdat ik niet verga van walging over zooveel walgelijks om mij! Lieve Fancy wilt ge mij een sprookje voorzeggen?” Zoo is de Woutergeschiedenis een vlucht uit de werkelijkheid: inplaats van ideënoverde werkelijkheid geeft hij nu een beeld van de moeitevolle worsteling der idee, om zich in een menschenkind te ontwikkelen. Hij geeft zijn ideën als een sprookje, gekleurd door Fancy’s schoone schijn. Maar de beelden hem door Fancy voorgetooverd wekken telkens denkritischen geest van den schrijver: dan onderbreekt hij ’t verhaal van Wouters wederwaardigheden om fouten in onderwijs en opvoeding, onrecht en bekrompenheid in leven en kunst aan te wijzen. En deze uitweidingen dijen herhaaldelijk tot verhandelingen uit.Zoo is de Woutergeschiedenis ten nauwste verbonden met deIdeën; maar al staat ze verspreid in verschillende bundels (n.l. in bundel 1, 2, 5, 6, 7) toch is ze een gehéél van groote schoonheid.1Met deWoutergeschiedenisdoet hetkindzijn intrede in de Hollandsche literatuur: geen Hollandsch dichter heeft vóór hem de wonderwereld der kinderziel ontsloten. Toch waren de Hollanders dier dagen niet ongevoelig voor de charmes van het kind, getuige hun versjes op de eerste tandjes en stapjes. Maar het waren uitingen van oudervreugde over voorspoedige groei, het was nog niet het liefdevol zich verdiepen in de kinderziel. Ook hierin was Holland verre ten achter: sinds de dagen van Rousseau hadden Europeesche kunstenaars en paedagogen het kind bestudeerd. Rousseau gaf zijnEmile, Bernardin de St. PierrePaul et Virginieen Duitsche romantici als Hoffman en von Salletbeeldden inDas fremde KindenContraste und Paradoxehet zieleleven van het kind uit.Deze lijn heeft Multatuli in onze letteren voortgezet, later hierin gevolgd door Van Eeden met zijnKleine Johannes.M. DOUWES DEKKER-HAMMINCK SCHEPEL, 1875.M. DOUWES DEKKER-HAMMINCK SCHEPEL, 1875.De “Mimi” der Brieven.(Naar een photographie).Het huis te Nieder-Ingelheim,Het huis teNieder-Ingelheim,aan den straatweg van Bingen naar Mainz, waar Multatuli de laatste jaren van zijn leven doorbracht en op 19 Februari 1887 stierf.Links boven: de ramen van Multatuli’s studeerkamer.Al deze romantische kindergeschiedenissen zijn gebouwd op de tegenstelling tusschen het geestelooze groote-menschenbestaan en de dichterlijke aspiraties van de kinderziel, tusschen doode beschaving en levende natuur. Rousseau ging uit van het dogma dat de beschaving den mensch heeft bedorven, dat teruggang tot de natuur redding beteekent. Emile wordt daarom opgevoed in strenge afzondering; zoo opgevoed kan zich een nieuw geslacht ontwikkelen, vrij van de smetten der beschaving. Paul en Virginie groeien op in de tropische natuur, bewaakt en geleid door twee hoogstaande moeders: het beste der oude cultuur, ontdaan van schadelijke invloeden, werkt hier dus mede aan de natuurlijke ontwikkeling. In deze idyllische omgeving ontwaakt het zinnenleven op zijn zuiverst: aandoenlijk is de schildering van de ontwakende liefde in deze twee reine kinderharten. Het conventioneele is in strijd met den aard van het kind. Deze ontplooit zich op zijn schoonst temidden der natuur: de Duitsche romanticus von Sallet2laat bovendien in zijn Julius dendichter ontwaken. Het romantisch aangelegde kind groeit op in een conventioneel bankiersgezin: de meest krasse tegenstelling tusschen dorre deftigheid en ontwakende poëzie is hier geteekend. Van een zonderlingen oom krijgt hij een wonderglas: als Julius verrukt thuiskomt met romantische verhalen over de heerlijkheden door zijn glas in ’t bosch gezien, krijgt hij een braakmiddel, daar zijn moeder vreest, dat hij giftige bessen heeft gegeten, maar als hij rijmende regels schrijft wordt hij als een wonderkind bewierookt. Zijn fantasieën grijpen hem zóó aan dat hij in ijlende koortsen valt: aan zijn romantisch fantasieleven gaat hij te gronde. Het wonderglas, de fee, die hem verschijnt, en hem een rozetak meegeeft, die het heele kantoor van den bankier met rozengroei overwoekert,—dat zijn sprookjesmotieven, door de Duitsche romantiek bij voorkeur gebruikt om de tegenstelling tusschen de nuchtere werkelijkheid en de wereld van den droom te symboliseeren.Geen dezer romantische kindergeschiedenissen heeftM.zonder meer nagevolgd. Enkele hoofdgedachten, kenmerkende verhoudingen en karakters vinden we in de geschiedenis van Wouter Pieterse terug.M.weet een haast wetenschappelijke nauwkeurigheid in de analyse van Wouters gemoedsleven te paren aan gevoelig weergeven van zijn innerlijk door de sprookjesachtige Fancy-verschijning.De tegenstelling tusschen de starre vormelijkheid der groote menschenwereld en de poëzie der kinderziel is bijM.niet kunstmatig en schematisch gebleven daar ’t hem gelukt is deze tegenstelling in een greep uit ’t volle leven uit te beelden. In dit opzicht zet hij de goede realistische traditie der Hollandsche kunst voort: de kleinburgerlijke milieus uit de Woutergeschiedenis zijn verwant met die van Breeroo, Wolff en Deken en Beets. Emile staatbuitende maatschappij, Julius is als rijkelui’s kind van de maatschappij afgesloten, maar de kleinburgerlijke Wouter is van kleine jongen af nooit ontzien in de realiteit van gezin, school en maatschappij. De wisselwerking tusschen den invloed zijner omgeving en den drang van zijn innerlijk leven is zeer nauwkeurig nagegaan.Wouter is een kind met dichterlijken aanleg, en met een sterken drang tot al wat groot en goed is. En daarbij komt een groote eerzucht: hij vraagt zich af, waarom God zooveel slechts duldt, alshijGod was, dan ... En dit kind met zijn bizonderen aanleg is door de ironie van ’t lot geplaatst in een geestelijk-doode omgeving. Fatsoen, zedelijkheid, onderwijs, godsdienst alles is verburgerlijkt en ontaard tot geestelooze vormen in de familie Pieterse, in Pennewips school, bij juffrouw Laps, bij zijn vrienden de Hallemannetjes, “die zoo bizonder fatsoenlijk waren”, en in de handelszaak vanKopperlith op de Keizersgracht. Wouter wordt hoogst fatsoenlijk en godsdienstig opgevoed: en die opvoeding is even bekrompen als de woning en de denkbeelden zijner omgeving.“Hoe moet de ziel van dien armen Wouter zyn benepen geweest tusschen de muren zyner woning, en in de sterk toegehaalde banden van z’n geheel bestaan. De arme jongen was bewinseld en bezwachteld van z’n geboorte af. Kromme beentjes, bybelsche geschiedenis, engelsche ziekte, mettwee woordenspreken, versjes over deugd en gehoorzame jongetjes, mooi-handje geven, knielende avendgebedjes, toornige godsgerichten, zwarte mannen voor stoute kinderen, ‘oogjes toe’ voor en na ’n boterham, slapen met opgetrokken knieën,zondedoen, angst over gescheurde broeken, godsdienstoefeningen met of zonder akkompanjement van gevoeligheid... arme Wouter!” (I. 405.)Het is de lectuur van den rooversromanGloriozodie in hem de fantasie wakker roept en met den droom den wensch om zèlf ook een roovers-, een heldenrol te spelen. Het verlangen naar een àndere omgeving ontwaakt en in zijn droomerijen vermengen zich zijn droomwenschen met zijn kleine-jongens-ervaringen.“Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hy droomde van dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter ontevreden maakten met z’n werkelyken toestand.Hywilde graag alles doen wat voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar ’t bidden zou zooveel beter gaan, meende hy in ’n grot met kaarsen. En wat het eeren van z’n moeder betrof, waarop deze altyd zoo aandrong... waarom had ze geen sleep zooals die gravin? Hy had z’n bybel niet moeten verkoopen... dat is waar... ook zou-i ’t nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd... maar dan behoorde hy toch ook ’n kistje te hebben met dukaten, en ’n veer op z’n muts, zooals in ’t boek stond. Ook verveelde hem z’n broer Stoffel, en z’n zusters, en juffrouw Laps, en huisdominee, en alles. En hy begreep niet waarom de heele familie niet naar Italië ging, om daar ’n behoorlyke roovery op te zetten. Maar Pennewip hoefde niet mee, dacht-i en Slachterskeesjen ook niet.’t Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met z’n vers...Alle Woensdagen namelyk leverden de leerlingen die ’t minst ondeugend waren geweest, en daarom waard gekeurd werden mee te dingen naar den lauwer der eer, een gedicht op ’n onderwerp dat de meester had opgegeven. Wouter had ditmaal “de deugd” tot zyn deel gekregen, niet zonder toespeling op z’n vroegtydige verdorvenheid, en den wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z’n zedelyke verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwyls opde deugd gerymd, en hy vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo vervelend, dat-i de vryheid had genomen iets anders te behandelen, en wel wat hem ’t naast aan ’t hart lag, de roovery.” (I. 282.)Dat rooverslied leidde tot een geweldige katastrophe; meester Pennewip klaagt Wouter ten aanhoore van den heelen vriendenkring van den huize Pieterse aan: zelfs de huisdominee komt aan zijn zedelijke verbetering te pas.Terwijl bij de Pietersens harmonie is tusschen benepen omgeving en benepen denkbeelden, groeit Wouters ziel juist tegen de verdrukking in. Hij ontvlucht zijn thuis om bij molens, slooten en greppels te lezen en te droomen. En daar verschijnt Fancy hem; hare verschijning steekt hem aan met onmetelijkheid. Hij vindt eene vertrouwde voor zijn droomen in een eenvoudig, lief waschmeisje, in Femke. Femkes sfeer is die van natuurlijke naïeviteit, van het zuiver menschelijke, door geen conventie verwrongen.Hierkan Wouter zich onbelemmerd uiten en daardoor innerlijk groeien: tegenover de versteende godsdienstigheid van ’t Protestantisme ontmoet hij daar Pastoor Jansen, die met beminnelijke, eenvoudige vroomheid en goedheid en zonder valsche verhevenheid zijn wonderlijk geloof aanhangt.Femke wekt een kinderlijke liefde in Wouter: hij wil haar ridder zijn—hij verdedigt danook haar bleek tegen jongens die met steenen gooien—hij droomt dat hij haar Koningin van Afrika zal maken.Als ’t kind ziek wordt en zware koortsen krijgt ten gevolge van zijn overspannen fantasieleven, ontfermt Dokter Holsma zich over hem. In het gezin Holsma is de hoogere levenshouding tegenover de vlakke burgerlijkheid der Pietersens en de naïve menschelijkheid van vrouw Claus en Femke geteekend. Holsma is de ideale opvoeder en zielearts. Hij wil Wouter leeren zijn onbeteugelde fantasie, zijn vage verlangens te beheerschen en te regelen, nu hij de grens van kind en jongmensch bereikt heeft.Het gezin Holsma is met voorliefde geschetst; maar het lééft niet als de Pietersens: het is niet geboren uit de verbeelding van den kunstenaar, maar uit het brein van den hervormer.Holsma en de zijnen zijn verheven boven het enge standsgevoel: ze zijn verwant met de lieve Femke, maar ook met Prinses Erika. Ze bespreken beide verwantschappen als de natuurlijkste zaak ter wereld. Want standsverschil valt weg voor ware menschelijkheid. Hiertoe voedt Holsma zijn kinderen op. Hij leert ze zèlf onderzoeken, zelfstandig oordeelen. En het klinkt voor Wouter als een openbaring als hij de doktersvrouw hoort zeggen:“Ieder moet handelen naar zijn eigen overtuiging.” Want het was hem vroeger nooit inden zin gekomen dat ’n zaak ànders kon worden opgevat, dan ze door z’n moeder, of door Stoffel, of door wien ook—mits ’n volwassen persoon!—werd voorgesteld. De geheele kwestie over bidden of niet-bidden kwam hem niet zóóbelangrykvoor, als ’t vernomen nieuws, dathy’n overtuiging hebben kon. Z’n gemoedje zwol er van...Wouters beschroomdheid wasgedeeltelykeen gevolg van de methode waarop men hem ’t weinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld. Al wat men hem leeraarde, was steeds in de oogen der sprekers ’n onomstootelyke zaak geweest. Tweemaal twee is... zóóveel, Prins die of die is ’n held, brave kinderen komen in den Hemel, God is groot, de Batavieren zyn byzonder dapper, ’t ware geloof is in de Noorderkerk, enz. enz.Hywist niet dat ertwyfelbestond, en hield dus z’n begeerte om iets meer van de zaken te weten, voor ongepast en zelfs misdadig. Slechts enkele malen had-i even beproefd lucht te geven aan z’n weetgierigheid, maar ’t was hem slecht bekomen. Op de katechizatie was z’n rechtsgevoel gestruikeld over die vuile historie van Jacob en Ezau. Byna voelde hy ’n oogenblik den moed iets aftekeuren in ’t gedrag van den aanstaanden aartsvader, en hy begon reeds met ’n enkel bescheiden woordje... maar de dominee overlaadde hem met verwyten. “Zulke vragen pasten geen kind!” heette het.Wouter moest bedenken dat de Heer van-plan was uit Jacobs stam voorttekomen, en dat alzoo die linzenhistorie volkomenfair playwas.“Men moest niet verstoktzyn.” De arme jongen bad dien avond wel ’n uur lang dat God hem toch niet zoo erg verstokken zou. En ’t hielp. Het duurde vele jaren voor-i zich weer waagde aan zedekundige analyze van Jacobs handelingen, en van Gods ingenomenheid met dien schurk.Zoo ging ’t met alles. Uit vromen afschuw van verstoktheid, berustte hy in alles wat men hem zei. Doch daar hy de aldus opgedrongen denkbeelden niet verteren kon, werd z’n ziel daarmee niet gevoed. Hy sprak, ook in z’n binnenste, al de klanken die hem waren voorgepreekt, geloovig na, en verweet zich z’n ontevredenheid als iets ondankbaars, en als ’n overblyfsel van de oude verstoktheid die God zeker niet zoo heelemaal op-eens genezen kon.Het schynt zonderling dat hy niet dacht aan de mogelykheid van beredeneerdentwyfel.Hywist toch, dat duizenden en millioenen menschen veel zaken geheel anders beoordeelden dan z’n moeder en Pennewip, en dat dus demogelykheidzich kon voordoen, jazelfs de noodzakelykheid, dat er soms ’nkeuzetusschen meeningen moest gedaan worden. Welnu, hieraan dacht-i niet! Dit was dom, bekrompen en—byWouter in zeer letterlyke zin nog—kinderachtig, maar ’t was zoo.” (I. 1060.)Bij het bezoek van Napoleon ziet Wouter in den Schouwburg en in ’t gedrang in een herberg een meisje met Noord-Hollandsche kap, waarin hij Femke-Fancy meent te herkennen. Het is de zonderlinge prinses Erika, die verwant is aan Femke en ’t doktersgezin. Dit prinsesje voelt zich in de stijve, gladde, vorstelijke omgeving niet bevredigd: zij zoekt in den degelijken eenvoud van vrouw Claus en in de ruwheid van ’t volksleven de ware menschelijkheid. In de herberg ontmoet ze Wouter en meent in hem haren broeder te herkennen: onbewust spreekt ze waarheid als ze Wouter als “mein Bruder” betitelt: want beide kinderen zijn onvoldaan, beiden zoeken het ware leven in de sfeer, die aan hun eigene tegengesteld is.Bij de beroepskeuze begaan de Pietersens een nieuwen flater, door hem in een beruchte zaak op de Zeedijk te plaatsen: sigarenwinkel en... leesbibliotheek. Het opgaan in een ruimer romanwereld redt Wouter in deze omgeving en dan komt hij op het deftige kantoor van Kopperlith op de Keizersgracht. Deze Amsterdamsche deftigheid van de hooge stoepen heeftM.meesterlijk geteekend, en ook de neerdrukkende invloed van deze ziellooze omgeving op Wouter.Maar ook in handelskringen staat tegenover vervlakking en versteening warm menschelijk gevoel. Tegenover de deftige opgeblazen voornaamheid van het handelshuis op de Keizersgrachtteekent Multatuli de jodenbuurt met z’n lèvenden handel. Deze beschrijving van de Jodenbuurt, die van een onderlingen handel in oude prullen en bedorven goed leeft, is een waardige tegenhanger van die der techniek van den duffen handel in katoentjes en diemeten.En in dien jodenhoek ontmoet Wouter de oude grootmoeder met hare bedorven vijgen en haar kinderen en kleindochtertje. Als Wouter ’t gevallen kindje optilt en troost, worden deze eenvoudige menschen vriendelijk en welwillend voor hem.Zoo vindt Wouter in alle kringen de tegenstelling tusschen doode vormen en zuiver menschelijk gevoel. Bij Holsma die geestelijk boven deze uitersten staat vindt hij leiding: deze wijst kern op zijn naasten plicht, om hem van ’t vage, doellooze fantaseeren te genezen.Want onder zijn zoo uiteenloopende ervaringen blijft Wouter droomen: naast de dogmatiek van kerk en katechisatie bouwt hij zijn eigen godsgeloof op, peinst hij over ’t raadsel hoe een goed en almachtig God zooveel verkeerds dulden kan... Als hij, Wouter, almachtig ware, dan... “O Femke, als ik almachtig was, ik zou je... Neen, ik zou beginnen met alles te begrypen, en alles te doen begrypen! De engelen moesten ’n katechismus maken met honderdduizend vragen, en... antwoorden! Goede wezenlyke antwoorden, weetje, en geen bybelteksten die geen mensen begrypen kan.Kyk, zóó—maar de antwoorden zet ik er nu niet by, omdat ik ze niet weet:Waarom valt ’n appel?Groeit ’n boom van-boven of van-onder?Waarom ben ik zoo verdrietig?Waarom gaapt men elkaar na?Hoe weet iemand of de pijn die hij in ’t hoofd voelt, hoofdpijn is?Waar woonden de vliegen toen de menschen nog geen huizen hadden?Hoe wist Adam dat hij eten moest als-i honger had? En waarom bracht-i de spys naar den mond, in-plaats van ze tegen de maag te drukken?Hoe verstond-i Gods taal?ZouStoffelwel eens ’n fout gemaakt hebben?Waarom begryp ik nooit wat juffrouwLapszegt? Is ’t waar dat zy de genade heeft? Hoe komiker aan?Wat moet ’n mensch doen om veel te weten, om... alles te weten?Alles? Hm?” (I. 1118).De Woutergeschiedenis is niet voltooid: we verliezen Wouter uit ’t oog als hij met pastoor Jansen op weg is naar Haarlem om de gevolgen van een dommen streek goed te maken. Wèl hadM.zich voorgenomen Wouter tot zijn dood toe te volgen: daarom liet hij hem omstreeks 1800 geboren worden maar de bittere ontstemming,gewekt door Van Vloten’s kritiek in diens brochureOnkruid onder de Tarween het uitblijven van de hervormingen in staat en maatschappij, waarop hij zoo herhaaldelijk had aangedrongen, hebben voorgoed zijn stemming bedorven en Fancy uit zijn gemoed verdreven. “Mijn voornemen was in denWouter’n schets te geven van den strijd tusschen hoog en laag, tusschen zielenadel en ploerterij. Wouter is een nieuwe—en betere!—Faust, een Don Quichot naar den geest. Ontevredenheid met mijn publiek—dat niet lezen kan—belette mij telkens voort te gaan. Ik durf me vleien met de meening dat het nageslacht dit jammer vinden zal.”Zoo verlaten we Wouter op ’t oogenblik dat hij het groote leven in zal gaan: hij is bezield met goede voornemens om alleen aan zijn naastbijliggenden plicht te denken—maar de weg naar de hel is ermee geplaveid, voegtM.er aan toe. En hoe makkelijk hij aan zijn neiging toegeeft om in ’t lot van anderen reddend in te grijpen blijkt weer bij ’t standje bij de Haarlemmerschuit, waar hij met ’t geld dat Prinses Erika hem gaf omeigendomheid te herstellen, twee meisjes uit de handen van een verdacht wijf loskoopt!Ook dit tafereeltje is naar ’t leven geteekend: uit de school van Jan Steen! En tòch is er een groot verschil tusschenM.’s werk en de naturalisten na hem: als romantisch humorist stelt hijzich telkens tusschen den lezer en zijn figuren. Hij geeft in zijn teekenend proza een levenden indruk van de geschetste milieus, van Wouters droomleven: maar telkens valt hij met zijn redeneering de scheppende Fancy in de rede. Kenmerkend is in dit opzicht het tafreel van de Fancy-verschijning bij de draaiende molens: eerst weet hij de stemming van Wouter bij die draaiende wieken en de liedjes die ze hem suggereeren met zijn woordkunst te wekken, om eensklaps nuchter op te merken, dat die molens net waren als andere molens; hij versterkt niet den mystieken indruk dier molens maar verstoort ze.M.vergenoegt zich niet met ’t schetsen van Wouters ontwikkeling, voor hem is de ontwikkeling van dit mensch-exemplaartje, beeld en gelijkenis van de ontwikkeling der menschheid. Wouters innerlijke groei geeft dan ook telkens aanleiding om opmerkingen over legende- en mythevorming, over folklore en psychologie te plaatsen. En door de heele Woutergeschiedenis loopt als draad de overtuiging, dat de overgeleverde godsdienstvormen een beletsel zijn om ware religie in den mensch te doen ontkiemen. Het besef van ’t goede in Wouter is zuiver, terwijl de z.g. godsdienstigheid die men hem in gezin, kerk en school tracht bij te brengen, een karikatuur is van ’t geen in zijn kinderlijk gemoed leeft.In de Woutergeschiedenis heeftM.een epopéewillen geven, waarin hij, “den strijd schetsen wilde van het goede in den mensen tegen de boosheid, den reuzestrijd van ware heilige poëzie tegen ’t leugenproza dat ons de wereld voor waarheid geeft.”1Door Multatuli’s weduwe is het eerst een afzonderlijke uitgave derWoutergeschiedenisbewerkt; door schrijfster dezes is de Woutergeschiedenis opnieuw uit deIdeëngelicht.2Zie Dr. Prinsen, Multatuli en de Romantiek, blz. 291 vlg.
Aan de Woutergeschiedenis, het rijkste werk van zijn rijken geest, heeftM.jaren gearbeid. Het is een van de honderd boeken, die hij na ’t schrijven vanMax Havelaarin het hoofd had. Het begin is al vóór 1862 geschreven: in deMinnebrievengewaagt hij vanFancy, die in een koffer te Laeken ligt.
In den eersten bundelIdeënis deze Fancy-geschiedenis opgenomen; geërgerd door de bekrompenheid, domheid en kwaadaardigheid zijner landgenooten slaakt de ideënschrijver den kreet: “Wat poëzie, mijn God, opdat ik niet verga van walging over zooveel walgelijks om mij! Lieve Fancy wilt ge mij een sprookje voorzeggen?” Zoo is de Woutergeschiedenis een vlucht uit de werkelijkheid: inplaats van ideënoverde werkelijkheid geeft hij nu een beeld van de moeitevolle worsteling der idee, om zich in een menschenkind te ontwikkelen. Hij geeft zijn ideën als een sprookje, gekleurd door Fancy’s schoone schijn. Maar de beelden hem door Fancy voorgetooverd wekken telkens denkritischen geest van den schrijver: dan onderbreekt hij ’t verhaal van Wouters wederwaardigheden om fouten in onderwijs en opvoeding, onrecht en bekrompenheid in leven en kunst aan te wijzen. En deze uitweidingen dijen herhaaldelijk tot verhandelingen uit.
Zoo is de Woutergeschiedenis ten nauwste verbonden met deIdeën; maar al staat ze verspreid in verschillende bundels (n.l. in bundel 1, 2, 5, 6, 7) toch is ze een gehéél van groote schoonheid.1
Met deWoutergeschiedenisdoet hetkindzijn intrede in de Hollandsche literatuur: geen Hollandsch dichter heeft vóór hem de wonderwereld der kinderziel ontsloten. Toch waren de Hollanders dier dagen niet ongevoelig voor de charmes van het kind, getuige hun versjes op de eerste tandjes en stapjes. Maar het waren uitingen van oudervreugde over voorspoedige groei, het was nog niet het liefdevol zich verdiepen in de kinderziel. Ook hierin was Holland verre ten achter: sinds de dagen van Rousseau hadden Europeesche kunstenaars en paedagogen het kind bestudeerd. Rousseau gaf zijnEmile, Bernardin de St. PierrePaul et Virginieen Duitsche romantici als Hoffman en von Salletbeeldden inDas fremde KindenContraste und Paradoxehet zieleleven van het kind uit.
Deze lijn heeft Multatuli in onze letteren voortgezet, later hierin gevolgd door Van Eeden met zijnKleine Johannes.
M. DOUWES DEKKER-HAMMINCK SCHEPEL, 1875.M. DOUWES DEKKER-HAMMINCK SCHEPEL, 1875.De “Mimi” der Brieven.(Naar een photographie).
M. DOUWES DEKKER-HAMMINCK SCHEPEL, 1875.
De “Mimi” der Brieven.
(Naar een photographie).
Het huis te Nieder-Ingelheim,Het huis teNieder-Ingelheim,aan den straatweg van Bingen naar Mainz, waar Multatuli de laatste jaren van zijn leven doorbracht en op 19 Februari 1887 stierf.Links boven: de ramen van Multatuli’s studeerkamer.
Het huis teNieder-Ingelheim,
aan den straatweg van Bingen naar Mainz, waar Multatuli de laatste jaren van zijn leven doorbracht en op 19 Februari 1887 stierf.
Links boven: de ramen van Multatuli’s studeerkamer.
Al deze romantische kindergeschiedenissen zijn gebouwd op de tegenstelling tusschen het geestelooze groote-menschenbestaan en de dichterlijke aspiraties van de kinderziel, tusschen doode beschaving en levende natuur. Rousseau ging uit van het dogma dat de beschaving den mensch heeft bedorven, dat teruggang tot de natuur redding beteekent. Emile wordt daarom opgevoed in strenge afzondering; zoo opgevoed kan zich een nieuw geslacht ontwikkelen, vrij van de smetten der beschaving. Paul en Virginie groeien op in de tropische natuur, bewaakt en geleid door twee hoogstaande moeders: het beste der oude cultuur, ontdaan van schadelijke invloeden, werkt hier dus mede aan de natuurlijke ontwikkeling. In deze idyllische omgeving ontwaakt het zinnenleven op zijn zuiverst: aandoenlijk is de schildering van de ontwakende liefde in deze twee reine kinderharten. Het conventioneele is in strijd met den aard van het kind. Deze ontplooit zich op zijn schoonst temidden der natuur: de Duitsche romanticus von Sallet2laat bovendien in zijn Julius dendichter ontwaken. Het romantisch aangelegde kind groeit op in een conventioneel bankiersgezin: de meest krasse tegenstelling tusschen dorre deftigheid en ontwakende poëzie is hier geteekend. Van een zonderlingen oom krijgt hij een wonderglas: als Julius verrukt thuiskomt met romantische verhalen over de heerlijkheden door zijn glas in ’t bosch gezien, krijgt hij een braakmiddel, daar zijn moeder vreest, dat hij giftige bessen heeft gegeten, maar als hij rijmende regels schrijft wordt hij als een wonderkind bewierookt. Zijn fantasieën grijpen hem zóó aan dat hij in ijlende koortsen valt: aan zijn romantisch fantasieleven gaat hij te gronde. Het wonderglas, de fee, die hem verschijnt, en hem een rozetak meegeeft, die het heele kantoor van den bankier met rozengroei overwoekert,—dat zijn sprookjesmotieven, door de Duitsche romantiek bij voorkeur gebruikt om de tegenstelling tusschen de nuchtere werkelijkheid en de wereld van den droom te symboliseeren.
Geen dezer romantische kindergeschiedenissen heeftM.zonder meer nagevolgd. Enkele hoofdgedachten, kenmerkende verhoudingen en karakters vinden we in de geschiedenis van Wouter Pieterse terug.M.weet een haast wetenschappelijke nauwkeurigheid in de analyse van Wouters gemoedsleven te paren aan gevoelig weergeven van zijn innerlijk door de sprookjesachtige Fancy-verschijning.De tegenstelling tusschen de starre vormelijkheid der groote menschenwereld en de poëzie der kinderziel is bijM.niet kunstmatig en schematisch gebleven daar ’t hem gelukt is deze tegenstelling in een greep uit ’t volle leven uit te beelden. In dit opzicht zet hij de goede realistische traditie der Hollandsche kunst voort: de kleinburgerlijke milieus uit de Woutergeschiedenis zijn verwant met die van Breeroo, Wolff en Deken en Beets. Emile staatbuitende maatschappij, Julius is als rijkelui’s kind van de maatschappij afgesloten, maar de kleinburgerlijke Wouter is van kleine jongen af nooit ontzien in de realiteit van gezin, school en maatschappij. De wisselwerking tusschen den invloed zijner omgeving en den drang van zijn innerlijk leven is zeer nauwkeurig nagegaan.
Wouter is een kind met dichterlijken aanleg, en met een sterken drang tot al wat groot en goed is. En daarbij komt een groote eerzucht: hij vraagt zich af, waarom God zooveel slechts duldt, alshijGod was, dan ... En dit kind met zijn bizonderen aanleg is door de ironie van ’t lot geplaatst in een geestelijk-doode omgeving. Fatsoen, zedelijkheid, onderwijs, godsdienst alles is verburgerlijkt en ontaard tot geestelooze vormen in de familie Pieterse, in Pennewips school, bij juffrouw Laps, bij zijn vrienden de Hallemannetjes, “die zoo bizonder fatsoenlijk waren”, en in de handelszaak vanKopperlith op de Keizersgracht. Wouter wordt hoogst fatsoenlijk en godsdienstig opgevoed: en die opvoeding is even bekrompen als de woning en de denkbeelden zijner omgeving.
“Hoe moet de ziel van dien armen Wouter zyn benepen geweest tusschen de muren zyner woning, en in de sterk toegehaalde banden van z’n geheel bestaan. De arme jongen was bewinseld en bezwachteld van z’n geboorte af. Kromme beentjes, bybelsche geschiedenis, engelsche ziekte, mettwee woordenspreken, versjes over deugd en gehoorzame jongetjes, mooi-handje geven, knielende avendgebedjes, toornige godsgerichten, zwarte mannen voor stoute kinderen, ‘oogjes toe’ voor en na ’n boterham, slapen met opgetrokken knieën,zondedoen, angst over gescheurde broeken, godsdienstoefeningen met of zonder akkompanjement van gevoeligheid... arme Wouter!” (I. 405.)
Het is de lectuur van den rooversromanGloriozodie in hem de fantasie wakker roept en met den droom den wensch om zèlf ook een roovers-, een heldenrol te spelen. Het verlangen naar een àndere omgeving ontwaakt en in zijn droomerijen vermengen zich zijn droomwenschen met zijn kleine-jongens-ervaringen.
“Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hy droomde van dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter ontevreden maakten met z’n werkelyken toestand.Hywilde graag alles doen wat voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar ’t bidden zou zooveel beter gaan, meende hy in ’n grot met kaarsen. En wat het eeren van z’n moeder betrof, waarop deze altyd zoo aandrong... waarom had ze geen sleep zooals die gravin? Hy had z’n bybel niet moeten verkoopen... dat is waar... ook zou-i ’t nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd... maar dan behoorde hy toch ook ’n kistje te hebben met dukaten, en ’n veer op z’n muts, zooals in ’t boek stond. Ook verveelde hem z’n broer Stoffel, en z’n zusters, en juffrouw Laps, en huisdominee, en alles. En hy begreep niet waarom de heele familie niet naar Italië ging, om daar ’n behoorlyke roovery op te zetten. Maar Pennewip hoefde niet mee, dacht-i en Slachterskeesjen ook niet.
’t Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met z’n vers...
Alle Woensdagen namelyk leverden de leerlingen die ’t minst ondeugend waren geweest, en daarom waard gekeurd werden mee te dingen naar den lauwer der eer, een gedicht op ’n onderwerp dat de meester had opgegeven. Wouter had ditmaal “de deugd” tot zyn deel gekregen, niet zonder toespeling op z’n vroegtydige verdorvenheid, en den wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z’n zedelyke verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwyls opde deugd gerymd, en hy vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo vervelend, dat-i de vryheid had genomen iets anders te behandelen, en wel wat hem ’t naast aan ’t hart lag, de roovery.” (I. 282.)
Dat rooverslied leidde tot een geweldige katastrophe; meester Pennewip klaagt Wouter ten aanhoore van den heelen vriendenkring van den huize Pieterse aan: zelfs de huisdominee komt aan zijn zedelijke verbetering te pas.
Terwijl bij de Pietersens harmonie is tusschen benepen omgeving en benepen denkbeelden, groeit Wouters ziel juist tegen de verdrukking in. Hij ontvlucht zijn thuis om bij molens, slooten en greppels te lezen en te droomen. En daar verschijnt Fancy hem; hare verschijning steekt hem aan met onmetelijkheid. Hij vindt eene vertrouwde voor zijn droomen in een eenvoudig, lief waschmeisje, in Femke. Femkes sfeer is die van natuurlijke naïeviteit, van het zuiver menschelijke, door geen conventie verwrongen.Hierkan Wouter zich onbelemmerd uiten en daardoor innerlijk groeien: tegenover de versteende godsdienstigheid van ’t Protestantisme ontmoet hij daar Pastoor Jansen, die met beminnelijke, eenvoudige vroomheid en goedheid en zonder valsche verhevenheid zijn wonderlijk geloof aanhangt.
Femke wekt een kinderlijke liefde in Wouter: hij wil haar ridder zijn—hij verdedigt danook haar bleek tegen jongens die met steenen gooien—hij droomt dat hij haar Koningin van Afrika zal maken.
Als ’t kind ziek wordt en zware koortsen krijgt ten gevolge van zijn overspannen fantasieleven, ontfermt Dokter Holsma zich over hem. In het gezin Holsma is de hoogere levenshouding tegenover de vlakke burgerlijkheid der Pietersens en de naïve menschelijkheid van vrouw Claus en Femke geteekend. Holsma is de ideale opvoeder en zielearts. Hij wil Wouter leeren zijn onbeteugelde fantasie, zijn vage verlangens te beheerschen en te regelen, nu hij de grens van kind en jongmensch bereikt heeft.
Het gezin Holsma is met voorliefde geschetst; maar het lééft niet als de Pietersens: het is niet geboren uit de verbeelding van den kunstenaar, maar uit het brein van den hervormer.
Holsma en de zijnen zijn verheven boven het enge standsgevoel: ze zijn verwant met de lieve Femke, maar ook met Prinses Erika. Ze bespreken beide verwantschappen als de natuurlijkste zaak ter wereld. Want standsverschil valt weg voor ware menschelijkheid. Hiertoe voedt Holsma zijn kinderen op. Hij leert ze zèlf onderzoeken, zelfstandig oordeelen. En het klinkt voor Wouter als een openbaring als hij de doktersvrouw hoort zeggen:
“Ieder moet handelen naar zijn eigen overtuiging.” Want het was hem vroeger nooit inden zin gekomen dat ’n zaak ànders kon worden opgevat, dan ze door z’n moeder, of door Stoffel, of door wien ook—mits ’n volwassen persoon!—werd voorgesteld. De geheele kwestie over bidden of niet-bidden kwam hem niet zóóbelangrykvoor, als ’t vernomen nieuws, dathy’n overtuiging hebben kon. Z’n gemoedje zwol er van...
Wouters beschroomdheid wasgedeeltelykeen gevolg van de methode waarop men hem ’t weinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld. Al wat men hem leeraarde, was steeds in de oogen der sprekers ’n onomstootelyke zaak geweest. Tweemaal twee is... zóóveel, Prins die of die is ’n held, brave kinderen komen in den Hemel, God is groot, de Batavieren zyn byzonder dapper, ’t ware geloof is in de Noorderkerk, enz. enz.Hywist niet dat ertwyfelbestond, en hield dus z’n begeerte om iets meer van de zaken te weten, voor ongepast en zelfs misdadig. Slechts enkele malen had-i even beproefd lucht te geven aan z’n weetgierigheid, maar ’t was hem slecht bekomen. Op de katechizatie was z’n rechtsgevoel gestruikeld over die vuile historie van Jacob en Ezau. Byna voelde hy ’n oogenblik den moed iets aftekeuren in ’t gedrag van den aanstaanden aartsvader, en hy begon reeds met ’n enkel bescheiden woordje... maar de dominee overlaadde hem met verwyten. “Zulke vragen pasten geen kind!” heette het.Wouter moest bedenken dat de Heer van-plan was uit Jacobs stam voorttekomen, en dat alzoo die linzenhistorie volkomenfair playwas.“Men moest niet verstoktzyn.” De arme jongen bad dien avond wel ’n uur lang dat God hem toch niet zoo erg verstokken zou. En ’t hielp. Het duurde vele jaren voor-i zich weer waagde aan zedekundige analyze van Jacobs handelingen, en van Gods ingenomenheid met dien schurk.
Zoo ging ’t met alles. Uit vromen afschuw van verstoktheid, berustte hy in alles wat men hem zei. Doch daar hy de aldus opgedrongen denkbeelden niet verteren kon, werd z’n ziel daarmee niet gevoed. Hy sprak, ook in z’n binnenste, al de klanken die hem waren voorgepreekt, geloovig na, en verweet zich z’n ontevredenheid als iets ondankbaars, en als ’n overblyfsel van de oude verstoktheid die God zeker niet zoo heelemaal op-eens genezen kon.
Het schynt zonderling dat hy niet dacht aan de mogelykheid van beredeneerdentwyfel.Hywist toch, dat duizenden en millioenen menschen veel zaken geheel anders beoordeelden dan z’n moeder en Pennewip, en dat dus demogelykheidzich kon voordoen, jazelfs de noodzakelykheid, dat er soms ’nkeuzetusschen meeningen moest gedaan worden. Welnu, hieraan dacht-i niet! Dit was dom, bekrompen en—byWouter in zeer letterlyke zin nog—kinderachtig, maar ’t was zoo.” (I. 1060.)
Bij het bezoek van Napoleon ziet Wouter in den Schouwburg en in ’t gedrang in een herberg een meisje met Noord-Hollandsche kap, waarin hij Femke-Fancy meent te herkennen. Het is de zonderlinge prinses Erika, die verwant is aan Femke en ’t doktersgezin. Dit prinsesje voelt zich in de stijve, gladde, vorstelijke omgeving niet bevredigd: zij zoekt in den degelijken eenvoud van vrouw Claus en in de ruwheid van ’t volksleven de ware menschelijkheid. In de herberg ontmoet ze Wouter en meent in hem haren broeder te herkennen: onbewust spreekt ze waarheid als ze Wouter als “mein Bruder” betitelt: want beide kinderen zijn onvoldaan, beiden zoeken het ware leven in de sfeer, die aan hun eigene tegengesteld is.
Bij de beroepskeuze begaan de Pietersens een nieuwen flater, door hem in een beruchte zaak op de Zeedijk te plaatsen: sigarenwinkel en... leesbibliotheek. Het opgaan in een ruimer romanwereld redt Wouter in deze omgeving en dan komt hij op het deftige kantoor van Kopperlith op de Keizersgracht. Deze Amsterdamsche deftigheid van de hooge stoepen heeftM.meesterlijk geteekend, en ook de neerdrukkende invloed van deze ziellooze omgeving op Wouter.
Maar ook in handelskringen staat tegenover vervlakking en versteening warm menschelijk gevoel. Tegenover de deftige opgeblazen voornaamheid van het handelshuis op de Keizersgrachtteekent Multatuli de jodenbuurt met z’n lèvenden handel. Deze beschrijving van de Jodenbuurt, die van een onderlingen handel in oude prullen en bedorven goed leeft, is een waardige tegenhanger van die der techniek van den duffen handel in katoentjes en diemeten.
En in dien jodenhoek ontmoet Wouter de oude grootmoeder met hare bedorven vijgen en haar kinderen en kleindochtertje. Als Wouter ’t gevallen kindje optilt en troost, worden deze eenvoudige menschen vriendelijk en welwillend voor hem.
Zoo vindt Wouter in alle kringen de tegenstelling tusschen doode vormen en zuiver menschelijk gevoel. Bij Holsma die geestelijk boven deze uitersten staat vindt hij leiding: deze wijst kern op zijn naasten plicht, om hem van ’t vage, doellooze fantaseeren te genezen.
Want onder zijn zoo uiteenloopende ervaringen blijft Wouter droomen: naast de dogmatiek van kerk en katechisatie bouwt hij zijn eigen godsgeloof op, peinst hij over ’t raadsel hoe een goed en almachtig God zooveel verkeerds dulden kan... Als hij, Wouter, almachtig ware, dan... “O Femke, als ik almachtig was, ik zou je... Neen, ik zou beginnen met alles te begrypen, en alles te doen begrypen! De engelen moesten ’n katechismus maken met honderdduizend vragen, en... antwoorden! Goede wezenlyke antwoorden, weetje, en geen bybelteksten die geen mensen begrypen kan.
Kyk, zóó—maar de antwoorden zet ik er nu niet by, omdat ik ze niet weet:
Waarom valt ’n appel?
Groeit ’n boom van-boven of van-onder?
Waarom ben ik zoo verdrietig?
Waarom gaapt men elkaar na?
Hoe weet iemand of de pijn die hij in ’t hoofd voelt, hoofdpijn is?
Waar woonden de vliegen toen de menschen nog geen huizen hadden?
Hoe wist Adam dat hij eten moest als-i honger had? En waarom bracht-i de spys naar den mond, in-plaats van ze tegen de maag te drukken?
Hoe verstond-i Gods taal?
ZouStoffelwel eens ’n fout gemaakt hebben?
Waarom begryp ik nooit wat juffrouwLapszegt? Is ’t waar dat zy de genade heeft? Hoe komiker aan?
Wat moet ’n mensch doen om veel te weten, om... alles te weten?
Alles? Hm?” (I. 1118).
De Woutergeschiedenis is niet voltooid: we verliezen Wouter uit ’t oog als hij met pastoor Jansen op weg is naar Haarlem om de gevolgen van een dommen streek goed te maken. Wèl hadM.zich voorgenomen Wouter tot zijn dood toe te volgen: daarom liet hij hem omstreeks 1800 geboren worden maar de bittere ontstemming,gewekt door Van Vloten’s kritiek in diens brochureOnkruid onder de Tarween het uitblijven van de hervormingen in staat en maatschappij, waarop hij zoo herhaaldelijk had aangedrongen, hebben voorgoed zijn stemming bedorven en Fancy uit zijn gemoed verdreven. “Mijn voornemen was in denWouter’n schets te geven van den strijd tusschen hoog en laag, tusschen zielenadel en ploerterij. Wouter is een nieuwe—en betere!—Faust, een Don Quichot naar den geest. Ontevredenheid met mijn publiek—dat niet lezen kan—belette mij telkens voort te gaan. Ik durf me vleien met de meening dat het nageslacht dit jammer vinden zal.”
Zoo verlaten we Wouter op ’t oogenblik dat hij het groote leven in zal gaan: hij is bezield met goede voornemens om alleen aan zijn naastbijliggenden plicht te denken—maar de weg naar de hel is ermee geplaveid, voegtM.er aan toe. En hoe makkelijk hij aan zijn neiging toegeeft om in ’t lot van anderen reddend in te grijpen blijkt weer bij ’t standje bij de Haarlemmerschuit, waar hij met ’t geld dat Prinses Erika hem gaf omeigendomheid te herstellen, twee meisjes uit de handen van een verdacht wijf loskoopt!
Ook dit tafereeltje is naar ’t leven geteekend: uit de school van Jan Steen! En tòch is er een groot verschil tusschenM.’s werk en de naturalisten na hem: als romantisch humorist stelt hijzich telkens tusschen den lezer en zijn figuren. Hij geeft in zijn teekenend proza een levenden indruk van de geschetste milieus, van Wouters droomleven: maar telkens valt hij met zijn redeneering de scheppende Fancy in de rede. Kenmerkend is in dit opzicht het tafreel van de Fancy-verschijning bij de draaiende molens: eerst weet hij de stemming van Wouter bij die draaiende wieken en de liedjes die ze hem suggereeren met zijn woordkunst te wekken, om eensklaps nuchter op te merken, dat die molens net waren als andere molens; hij versterkt niet den mystieken indruk dier molens maar verstoort ze.
M.vergenoegt zich niet met ’t schetsen van Wouters ontwikkeling, voor hem is de ontwikkeling van dit mensch-exemplaartje, beeld en gelijkenis van de ontwikkeling der menschheid. Wouters innerlijke groei geeft dan ook telkens aanleiding om opmerkingen over legende- en mythevorming, over folklore en psychologie te plaatsen. En door de heele Woutergeschiedenis loopt als draad de overtuiging, dat de overgeleverde godsdienstvormen een beletsel zijn om ware religie in den mensch te doen ontkiemen. Het besef van ’t goede in Wouter is zuiver, terwijl de z.g. godsdienstigheid die men hem in gezin, kerk en school tracht bij te brengen, een karikatuur is van ’t geen in zijn kinderlijk gemoed leeft.
In de Woutergeschiedenis heeftM.een epopéewillen geven, waarin hij, “den strijd schetsen wilde van het goede in den mensen tegen de boosheid, den reuzestrijd van ware heilige poëzie tegen ’t leugenproza dat ons de wereld voor waarheid geeft.”
1Door Multatuli’s weduwe is het eerst een afzonderlijke uitgave derWoutergeschiedenisbewerkt; door schrijfster dezes is de Woutergeschiedenis opnieuw uit deIdeëngelicht.2Zie Dr. Prinsen, Multatuli en de Romantiek, blz. 291 vlg.
1Door Multatuli’s weduwe is het eerst een afzonderlijke uitgave derWoutergeschiedenisbewerkt; door schrijfster dezes is de Woutergeschiedenis opnieuw uit deIdeëngelicht.
2Zie Dr. Prinsen, Multatuli en de Romantiek, blz. 291 vlg.