ZEVENDE TOONEEL

„Un poète m’a ditQu’il savait une étoile,Où on aime toujours — ”

„Un poète m’a dit

Qu’il savait une étoile,

Où on aime toujours — ”

Herman(tot Frits). Jouw Tootje?

Frits(zijn schouders ophalend). Mijn Tootje — !? — — Nou maar het is een aardig snoetje hoor.

Nellie.Ajakkes, hoe kun jullie die nou zoo aardig vinden — ! Zoo’n brutaal nest! — dat komt nauwlijks onder en boven ’r broek uit!

Jules(effen). Nou, als ze de broek maar uitkomt.

Nellie.O, hoor dat! (hem met den vinger dreigend). Ik geloof, dat u een erg gevaarlijke man bent, mijnheer Jules.

Frits(voor zich heen). Nee, zulke „erg” gevaarlijke mannen, zijn juist nooit zoo erg „gevaarlijk”.

Henri.Ja, maar ze moet dadelijk weer weg, want ik krijg een leerling.

De anderen.Een leerling — !?

Nellie.Ja jongens, hoe vindt jullie: Henri heeft een nieuwe leerling — en wat een fijne, hè Han?

Henri.Nou.

Nellie.En ze heeft hem ook een brief geschreven — nee, die moet jullie toch eens hooren!

De anderen.Laat hooren! — laat hooren!

Henri(protesteerend). Ach, wel nee — nee, nee!

De anderen.Toe — toe!

Jules(plagend). Laat es zien, of het waar is.

Henri(een beetje gevleid glimlachend). Nou, es kijken — één zinnetje: — ik weet geen eens, of ik hem bij me heb — (hij haalt den brief meteen uit zijn binnenzak; hem inziende) Nou maar — e...

De anderen.Draai af! — draai af!

Henri.Hm — (lezend). „Zeer geachte heer” — — (hij mompelt eerst een paar zinnen door) — — „ik houd van uw werk, als van een vriend — — zag het vaak — en bewonder de idealistische kuischheid van uw naaktfiguren — — ik — ” nou maar met de rest heb jullie ook verder niets te maken.

Frits.„Hear! hear! hear!”

Jules.Heel pikant!

Frits(zich den geur van de enveloppe, waar Henri den brief weer ingestopt heeft, toewuivend). Nou — nou!

Nellie.Ja jongens — nou moet jullie es ruiken!

Henri(na eenig protest). Nou netjes hoor! — netjes! (de enveloppe gaat langs de neuzen).

Herman(ruikend). Nee, daar houd ik niks van.

Jules(snuivend). Beslist idealistisch kuische geur! (aan Henri teruggevend). Nou maar dan is ze bij jou wel aan het goede adres!

Nellie(haar vingers nog naruikend). Een fijne dame! — Maar ik vind dat toch een gekke brief voor een dame hoor, — — zou ze mooi zijn?

Jules.Natuurlijk is ze mooi! — Pas maar op!

Nellie.O, mijnheer Jules, u bent een nare vent — een reuzeplaag!

Herman.Och, zulke dames zijn nooit mooi.

Frits.Nee, Herman heeft schoon gelijk Nellie: idealistisch kuische dames zijn nooit mooi — mooi zijn alleen de realistisch onkuische modelletjes!

Nellie(niet goed wetend hoe het op te nemen, pruilend). Nou maar, ik vind jullie niks lief, hoor. (Frits geeft haar een handkus).

Henri(op zijn horloge ziend, zenuwachtig). Zeg es lui, we moeten voortmaken: over een half uurtje zou ze al kunnen komen — en dan moet jullie weg wezen, hoor.

Jules.En hij moet zich eerst nog prepareeren!

Nellie.Nou, jullie zijn ook klaar, hè?

Henri.Hier zijn sigaren. (hij en Herman steken een pijp op, Frits een sigaar).

Jules(een cigaret aanstekend). De moderne sleutel van alle hooge inspiratie is de cigaret. (er wordt geklopt).

Henri.God! dat kan ze toch nog niet zijn!? — (allen staan op).

De vorigen, Tootje.

Tootje(om de deur). Mag ik binnenkomen — ?

Henri.O — ’t is Tootje. Ja, kom maar binnen! — Maar je moet dadelijk weer weg — ik kan je niet gebruiken, hoor: ik krijg een leerling, en oompje — die mijnheer van beneden — heeft om je gevraagd, — — (rondwijzend) je kent de heeren toch?

Tootje(pruilig coquet rondkijkend). Nou, of ik de heeren ken, van haver tot gort, hoor — (Frits bemerkend) alleen mijnheer Frits ken ik heelemaal niet — (zij gaat meteen wat uitdagend op Frits’ knie zitten).

Jules(zich kwasi gechoqueerd afwendend). Nu niet zoo familiaar!

Tootje.„Niet zoo familiaar” zeit ie! (Jules aankijkend, kwasi verschrikt). O, maar ù ken ik echt niet!

Frits.Heb je mijnheer Jules dan nooit bij me ontmoet?

Jules(neuriënd). „Och Toosje, mijn Roosje, mijn suikerdeprij — ”

Tootje.Nou maar, nou mag ìk wel zeggen: „niet zoo familiaar!” — (zij ziet Jules’ cigarettenkoker, en haalt er brutaal een uit). Daar heeft u zeker eentje voor mij in bewaard? (zij steekt haar cigaret op aan Frits’ sigaar; Herman ziend). En daar heb je Herman ook! Hoe gaat het ouwe jongen?

Herman.Kleine rakker!

Tootje(tot Henri). En wat zei u nou van „naar beneden?” (pruilend). Ik zal hier toch wel mogen blijven?

Henri.Nee — : ik krijg plotseling een leerling, en nu heeft juist oompje, van beneden, om je gevraagd.

Tootje.Nou maar dat is wat moois — wie is dat nou: — mijnheer „oompje” — daar heb ik nooit van gehoord!

Jules.O, dat is een heel aardige jonge man.

Henri.Veel aardiger dan ik.

Herman.Pas maar op: ’t is een oude doordraaier, hoor!

Frits.Een groote bok met een groote sik!

Tootje.Ajakkes! — Nou maar ik blijf veel liever hier, — waarom moet ik naar beneden toe? (boozig verwijtend tot Henri). U heeft me besteld!

Henri.Nou nou, zoo erg is het niet; troost je maar voor dezen keer, — (hij neemt een bonbon uit het zakje van Nellie, waar deze juist zelf een uitgenomen heeft, en steekt die Tootje in haar mond) de anderen moeten straks toch ook allemaal weg.

Nellie.Dat zijn mìjn bonbons!

Tootje(met uitdagend zuigend snoetje). Ze smaken niet slecht — , (met een oogje van Nellie naar Henri) jij weet ook wel, waar de lekkerste bonbons zijn te krijgen!

Nellie(haalt verontwaardigd haar schouders op).

Herman(voorzichtig plagend). En wat een mooie hoed — !?

Tootje(coquet haar hoed schikkend). Ja, vind je niet — ? die heb ik gister ook pas gekre... (met een oogje naar Frits) gekocht. Mooi hè, met die bos veeren, — en ze wapperen zoo!

Frits(laat haar paardje rijden en blaast in de veeren). Kijk ze wapperen! (Hij klapt met de tong).

Henri(neuriënd) „... En wie zal dat betalen...”

Tootje.Nee Frits, schei nou uit, zeg. — Nou, je moet toch als model goed gekleed gaan! — de mannen willen toch, dat je altijd wat knaps aantrekt, altijd „gekleed” bent!

Jules(voor zich heen). Integendeel!

Tootje.De mannen willen toch niet die pruldingen uit een modebazar.

Nellie(geërgerd). Ach kind, jij met je „mannen” — je komt nauwlijks kijken! wat weet jij nou van de mànnen — ? — wat weet jìj nou van de mannen!

Tootje(schamper). „Ik van de mannen — ?” — nee: dat zal ik aan joù vertellen! — ha, ha — wat ìk van de mannen weet!

Jules.Ktsch! Ktsch!—

Tootje(tot Jules). Poeh — , — zij gééft in ieder geval meer om de mannen dan ik, hoor: — ik geef niets om de mannen — daar: geen cent hoor!

Jules.Als de mánnen maar centen geven!

Henri.En hoeden. (Nellie lacht).

Tootje(tot Jules). Mijnheer ... hoe heet u ook weer — ?

Frits.Mijnheer Jules.

Tootje.Nou — mijnheer Jules, ik geloof, dat u een impertinent mensch bent.

Jules.Integendeel — ik mis die deugd!

Henri.Lieve Tootje, nu moet je heusch naar beneden hoor.

Tootje.Maar ik wil niet naar dien ouden vent toe! — ik vind het hier veel te leuk — — ofschoon jullie heelemaal niet aardig zijn, dat moet ik zeggen.

Henri.Het is een hééle lieve man — en heel royaal!

Tootje(ongeloovig, nieuwsgierig). Heel royaal — ?

Herman.En hij houdt veel van de meisjes.

Nellie.Dat komt goed uit — jij geeft immers geen cent om de mannen!

Tootje.Ach, bemoei jij je er niet mee — ga jij dan!

Nellie(haalt haar schouders op).

Henri.Nee, hij heeft expres naar jou gevraagd — „om je mooie handjes”.

Tootje(half pruilend, half gestreeld haar handjes bekijkend). Om mijn mooie handjes — ? (opstaand van Frits’ knie) Ach wat — ! Dag — dag (zij neemt vluchtig afscheid en gaat schoorvoetend naar de deur).

Henri.’t Is hier vlak beneden: eerste deur links, — en-ne — netjes gedragen hoor!

Tootje(bij de deur uitdagend omziende). Als jullie je hier maar netjes gedragen, (met een nijdigen blik naar Nellie) en jìj vooral, met je „mánnen”! (af).

De vorigen, behalve Tootje.

Henri(op zijn horloge ziend). Zoo — nu kunnen we nog een pijp rooken, en dan moet jullie ook weg, hoor.

Herman.Dat is me der ook eentje!

Frits.Laat haar maar gaan.

Henri.Die brengt het nog ver — in de liefde.

Nellie.Liefde — !? — wat weet zìj nou van liefde!

Jules.Lieve juffrouw Nellie: sommige vrouwen brengen het in de liefde juist het verst zonder de liefde.

Herman.Hoor nou! hoor nou! Nee — liefde is alles!

Henri.En schoonheid.

Herman.Ja — maar liefde is toch meer.

Henri.Hoe kun je dat zeggen, als kunstenaar — ! — Nee, schoonheid is alles.

Nellie(met de ellebogen op tafel en de kin in haar handen). Waarom — ?

Henri(korzelig). Waarom — !?

Nellie(merkend, dat Henri wat geprikkeld is). Jullie zijn allemaal aardige jongens, en ik geloof, dat jullie allemaal altijd een beetje gelijk hebben.

Frits(plagend). Maar Henri toch het meest — ?

Nellie(lachend afwerend). Och — ! (zij staat op en begint de tafel af te ruimen).

Henri.En wat zeg jij er van Jules — ?

Herman.Ja, wat zeg jij er van?

Jules(met dichtgeknepen oogen de rook van zijn cigaret opblazend). Nee — als jullie er ernst van gaat maken——

Frits.Nou, biecht nu eens op!

Henri en Herman.Nou — ? — Nou — ?

Jules.Wel — — ik zou zeggen: de theoretische quintessence van alle schoonheid en van alle liefde, dat is de „inspiratie”, — en de practische quintessence van de kunst en de liefde, dat is: „je doe maar!” — Ik houd me aan de inspiratie.

Henri.Maar je moet toch werken! toch ploeteren, toch doen!?

Herman.Ja — anders kom je er niet.

Jules.Maar ik heb nergens te „kommen”, ik wil nergens „kommen”! — ik houd me eenvoudig aan de inspiratie, die is altijd veel mooier dan alle uitwerking. Verbeel je eens, wanneer Onze Lieve Heer het alleen maar bij de inspiratie had gelaten, en niet tot zoo’n miserabele uitwerking was gekomen — dàt zou een artiest zijn geweest! — Tegen een liefde en tegen een schoonheid en tegen een kunstwerk en tegen de wereld kun je redeneeren — maar de inspiratie blijft overeind: — ik houd me aan de inspiratie en aan den beredeneerd negatieven kant van de kunst!

Herman.Ja, jij hebt makkelijk praten: jij hoèft niet te schilderen: jij hebt geld, dan kun je wel leven van de inspiratie en negatief zijn — dat is makkelijk genoeg!

Jules(met dédain). O man, dat is veel moeilijker dan je denkt!

Henri.Nou maar dat noem ik eenvoudig met je welnemen: „artistieke luierij”.

Jules.Mis vadertje! — dan leef ik juist, dan zie ik, dan schilder ik, dan werk ik, dan „be-leef ik de idee”!

Frits.Maar bovendien is je uitgangspunt verkeerd: de uitwerking is niet minder dan de inspiratie, integendeel: — ik ben bij mijn portretten altijd weer opnieuw verbaasd, dat ik er nog zooveel van terecht breng! Nee hoor: bij wie de uitwerking altijd beneden de inspiratie staat — ik geloof, dat dàt de ware broeders niet zijn.

Jules(allengs zich opwindend). Ja, jawel: jullie hebt allemaal een gearrangeerde werkelijkheid noodig — een interieurtje of een bloemetje of een kippie of een hippie — en als je er dan lang genoeg aan gesabbeld hebt, ben je zelf verbaasd, dat de kopie nog zooveel op de werkelijkheid lijkt. Maar dat is ’t juist: ik neem alle willekeurige werkelijkheid aan, en arrangeer ze in mijn eigen ziel tot iets prachtig moois — dàt is kunst, dàt is inspiratie! — àlles is schoonheid, àlles is mooi — als je zelf maar mooi bent — ! — Dààr! (hij gooit wat kopjes, schoteltjes en eetgerei, die Nellie nog niet weggenomen heeft, door elkaar op een hoop, zoodat enkele breken) dààr, dààr — ! is dàt niet mooi!? Daar zie ik nou schoonheid in, in al die witte lichtvlakken tegen elkaar: dat ronde boven die punt, en dan dwars die hoek en dan een breed vlak, — dat is een harmonie van disharmonieën, dat is voor mij nou een schoonheid, een genot — een „genòt!” — In me zelf heb ik daar nou al een prachtig ding van gemaakt — en dat hangt nou al in den hemel — in mìjn galerij! Voilà! dàt is kunst, dàt is inspiratie — en dat is voor mij genoeg — — (weer heel nuchter) en nou steek ik een cigaret op. (de anderen zwijgen even, wat verbluft).

Frits.Ja — dat is nu juist jullie symbool: je slaat den boel maar kapot — en dan heb jullie iets moois gedaan!

Herman.Dat is eenvoudig egoïsme, dat is anarchie!

Nellie(die juist de scène, uit de keuken komend, heeft aangezien, verontwaardigd). En mìjn koppen — !

Frits.O! ze zegt „mìjn koppen!” — Is ’t al zòò ver, juffrouw Nellie?

Nellie(haalt boozig haar schouders op en ruimt verder weg, waarna zij op de tafel gaat zitten). ’t Is wat moois!

Henri(korzelig uithalend). Ach — ! — ach — ! — ach — ! — (hij wendt zich schouderophalend af en neemt een mandoline, die aan een ezel hangt; hij grijpt in de snaren en probeert te spelen, maar haspelt).

Jules(klapt in de handen). Juist vadertje! je hebt gelijk: muziek, dat is de opperste uiting van alle inspiratie: — de edelste praktijk van „je doe maar”, dat is de moderne muziek.

Henri(spottend). Ja — maar ik houd eigenlijk juist zoo van de romantische.

Jules.Jammer — jammer voor jou, — ja, jullie zijn eigenlijk allemaal veel te sentimenteel, (hij blaast peinzend de rook van zijn cigaret naar boven) dat is jullie grondfout. (even toekijkend). Ik mag het anders zoo graag, zoo’n mandoline, hè — een viool is mooier, maar zoo langademig: (hij gooit zijn hoofd op zij en doet alsof hij een lange vioolstreek maakt) — , maar zoo’n ding, daar zit iets van het moderne leven in: (hij buigt zich over een denkbeeldige mandoline en grijpt zenuwachtig heen en weer, met zijn hoofd en heele lichaam in beweging) pang-pang-pàng — pang-pang-pàng!—

Henri(probeert nog verder, geeft dan de mandoline aan Herman). Nee, verduiveld, dat kan jij beter Herman: je weet, dat leuke ding van „Een lieve meid.”

Herman(speelt en zingt, — allen vallen in en zingen mee).

Een lieve meid,Een mooi model,Dat mag ik bliksekaters wel—Ti rá la la,Ti rá la la,Ti rá la la la lá!

Een lieve meid,

Een mooi model,

Dat mag ik bliksekaters wel—

Ti rá la la,

Ti rá la la,

Ti rá la la la lá!

(Voor het tweede couplet aarzelt Herman even). Hoe is ’t ook weer — ?

Nellie(van de tafel springend en, met haar hand aan haar oor, zich naar den vloer buigend). Ik geloof waarachies, dat ik Tootje beneden hier kan hooren lachen — !?

Henri.O, dat kan best — dat is toch zoo’n gemeene vloer: je zou er soms bijna doorheen kunnen zien — (hij legt opeens een vinger op den mond) wacht — ! (terwijl de anderen luisteren, schuift hij de rustbank opzij en slaat een grooten hoek van het vloerkleed om, — dan legt hij weer een vinger op den mond) — nee, nee: we moeten juist doorspelen! Speel nou door, Herman! Speel nou door! (zij liggen met handen en knieën op den grond, links, tegenover de deur, Henri, rechts, met de deur achter zich, Jules en Nellie, tusschen hen Frits, gebukt).

Herman(naast Nellie staande en op haar neerziend, speelt verder en zingt nu alleen, een beetje sentimenteel uithalend).

Eens, ’s avonds, inDe KalverstraatZoo’n snoepekoppie langs me gaat—Ti rá la la,Ti rá la la,Ti rá la la la lá!

Eens, ’s avonds, in

De Kalverstraat

Zoo’n snoepekoppie langs me gaat—

Ti rá la la,

Ti rá la la,

Ti rá la la la lá!

(Henri probeert eerst te kijken, dan dringt Nellie op, doch zij schijnen niets te zien).

Henri(probeert nog eens). Ik geloof waarachtig, dat ik wat zien kan (even opkijkend) speel nou door Herman!

Herman.

Wij bleven zooBij toeval staan,En zage’ elkaar beteuterd aan—Ti rá la laTi rá la laTi rá la la la lá!

Wij bleven zoo

Bij toeval staan,

En zage’ elkaar beteuterd aan—

Ti rá la la

Ti rá la la

Ti rá la la la lá!

Henri(kijkend, maar niets ziende, voor de grap uithalend). Oh — ! (op dit oogenblik verschijnt Helena in de deur, welke zij nog onder Herman’s zingen heeft geopend, een moment door niemand gezien, daar allen, behalve Henri, die juist voorover op den grond ligt, met hun rug naar de deur zijn gekeerd en door ’t zingen van Herman niets gehoord hebben; als Henri, opkijkend, nog eens„Oh!”roept, ziet hij haar vanzelf recht tegenover zich). — Ah — !

De vorigen, Helena.

Helena(rijzige gestalte, achter in de twintig, donker haar met donkere wenkbrauwen en lange wimpers, waaronder lichte oogen, zuiver gesneden gelaat, met wat bleek teint; haar verschijning contrasteert tegen de groep door een zekere bewuste vrijheid van aristocratischen huize; zij draagt een eenvoudig maar gedistingeerd costume-tailleur. Weifelend in de deur). Neemt u me niet kwalijk, maar ik had al een paar maal geklopt — ik ben hier toch terecht bij mijnheer van Bergen — ?

Henri(die op een knie haar eerst nog een oogenblik verbaasd heeft aangezien, opstaand). Ah! — pardon — pardon! Zeker — neemt u me niet kwalijk: — wij zochten juist naar iets... naar iets, dat verloren was (hij wijst verward op den grond, zich dan bezinnend slaat hij ’t kleed weer recht en trekt de rustbank op haar plaats, terwijl de anderen zich naast de tafel retireeren, waar Nellie, die ook een oogenblik op haar knieën Helena’s verschijning heeft aangestaard, zich bij hen voegt. Zich thans beheerschend, op zijn horloge kijkend). Ach, maar ik was ook heelemaal den tijd vergeten: — ik heb toch het genoegen met juffrouw van Dijk te spreken — ?

Helena(knikt).

Henri.O, ja — (met uitgestoken hand haar tegemoet gaand) komt u binnen; wij waren eigenlijk allemaal den tijd vergeten, en mijn vrienden hebben zich wat verlaat: — (voorstellend) mijnheer Boogaert, mijnheer Scheffer, mijnheer ten Kate, juffrouw Nellie — juffrouw van Dijk.

Frits.Ja, we hebben ons verlaat: het is onze tijd.

De anderen.Ja — ja. (zij buigen vluchtig naar Helena en gaan).

Nellie(gaat het laatst, nadat zij Henri een hand heeft gegeven). Dag — ! (zij maakt een stijf buiginkje naar Helena en kijkt bij de deur nog even nieuwsgierig verwonderd om).

Helena, Henri.

Henri(hoffelijk Helena naar de rustbank wijzend). Ik maak mijn excuses, dat ik u in zoo’n herrie ontvang, — maar ik had juist een paar vrienden hier... (Nellie komt nog even terug, en haalt rustig haar hoed, — Henri ziet haar wat korzelig na, waarop zij in de deur van het keukentje verdwijnt). Dat is een modelletje — — een mo-dèlletje, — ze moet daar nog wat redderen.

Helena.Een modelletje — ? Och — maar gaat die nu weg voor mij? — had u haar maar laten blijven.

Henri(licht verwonderd over haar vrije manier). O — pardon juffrouw van Dijk, maar het is toch beter onze eerste lessen — later kunnen wij misschien naar het model werken. (nog wat geaffaireerd opruimend). Ik hoop, dat u mij niet kwalijk neemt, dat u zoo’n gezelschap hier vond — maar, het was een afspraak — en u hadt zoo laat geschreven — — en dan die tabaksrook — hindert u die lucht niet — ?

Helena(met iets van teleurstelling over Henri’s conventioneelen toon). O nee mijnheer van Bergen, volstrekt niet — dat vind ik juist aardig, ik houd juist van tabakslucht — ik rook zelf ook wel.

Henri(haar nog even verwonderd van terzijde opnemend, biedt cigaretten aan).

Helena(een oogenblik aarzelend). O — ! — nee, dank u — nu niet — later.

Henri.O maar dat vind ik anders heel sympathiek: moderne dames, die rooken. Daar ligt iets heel gracieus in: „de dame met de cigaret”, (een elegant rookgebaar makend) ik zou bijna zeggen — daar ligt iets artistieks, iets voor een schilder in: een mooie lijn — .

Helena(meer geanimeerd). Juist, ja — de lijn, dàt is, geloof ik, wat me daar altijd in aantrekt; (lachend) kijk, daar geeft u me al een eerste les: „de lijn van het rooken”!

Henri.Maar de meeste dames vinden het rooken toch aantrekkelijk om andere redenen.

Helena.Waarom dan?

Henri.Ja, dat is niet zoo makkelijk te zeggen, dat is een kwestie van sentiment — ze zoeken er — ja, hoe zal ik dat zeggen — ze zoeken er een tikje van het scabreuze in. O, een tikje maar! een druppeltje — een homoeopatisch druppeltje misschien — begrijpt u?

Helena.Ja — of eigenlijk nee, niet precies: ik voel dàt er nu niet zoo in — of misschien... (uit haar gedachtengang opkijkend) maar ik ben volstrekt niet zoo tegen het scabreuze mijnheer van Bergen — — wat verstaat u eigenlijk precies onder het „scabreuze” — ?

Henri(wat in de war gebracht, en opnieuw lichtelijk verbaasd) „Scabreus” — ? Wel, scabreus — dat is bijvoorbeeld een modelletje, (zich verbeterend) of nee, niet alle modelletjes natuurlijk — dit (met een gebaar naar het keukentje) was een lief modelletje, volstrekt niet scabreus — maar de meeste modelletjes zijn toch een beetje „scabreus”; of laat ik zeggen, met verlof: een „cocotte” nietwaar, pardon, dàt is „scabreus”.

Helena.O — maar ik heb toch wel cocottes gekend, die heelemaal niet scabreus waren.

Henri(die bij de tafel was gaan zitten, springt verbaasd op en staart haar even vragend aan). U zegt — ? — O — ja.

Helena(glimlachend). Ja, daar verbaast u zich natuurlijk over, dat ik cocottes heb gekend, — dat was een toeval, en dat waren ook maar enkelen, — (met een half spottend, half nieuwsgierigen blik naar hem) u zult er ongetwijfeld meer gekend hebben dan ik — , maar enfin die — die vrouwen waren niet wat ik meen dat „scabreus” is. — Wilt u wel gelooven mijnheer van Bergen, dat mij dat bijzonder aantrekt — ik bedoel bijzonder intrigeert: „het scabreuze” — ?

Henri(die haar aldoor met verbazing heeft aangehoord, ziet haar nu ook wat achterdochtig aan). Hoe bedoelt u — ?

Helena(die zijn gedachten raadt, lachende). O nee! ik ben zelf heusch geen cocotte mijnheer van Bergen — en heelemààl niet scabreus — „helaas”, zou ik bijna zeggen — maar begrijpt u niet, dat dàt ons, moderne vrouwen, juist interesseert, die streken van het leven, die altijd zoo gesloten voor ons zijn, en waarmee we eigenlijk toch zoo veel te maken hebben — — althans zijdelings?

Henri(van zijn verbazing bekomend). O ja — o ja — maar...

Helena.Maar u vindt ’t eigenlijk niet te pas komen, dat ik daar maar zoo dadelijk over redeneer, — ik dacht anders juist, dat ik met u...

Henri(met warmte). O nee, zeker, zeker, dat interesseert me allemaal bizonder! Nee, integendeel, gaat uw gang. Maar, eerlijk gezegd, maakte u me even wat in de war met zoo te spreken, — u — ja, hoe zal ik dat uitdrukken: — u haalt om zoo te zeggen verschillende kringen door elkaar — de dames uit uw kringen zijn anders niet...

Helena.Maar ik ben juist een dame uit geen enkele kring, ziet u. Ja, ik begrijp wel, dat u dat maar niet zoo dadelijk aan kunt nemen: — u vindt, dat er verschillende kringen moeten zijn, en u had me vooraf alvast gerangschikt onder de nette, artistiek conventioneele dames! En nu raakte u even uit uw humeur, omdat u zich in de conversatie wat gedesoriënteerd voelde — . O! de mannen zijn zulke huichelaars — nog veel erger dan wij vrouwen: — de vrouw is tenminste sòms heelemaal waarachtig eerlijk, maar de mannen zijn ’t geloof ik nooit zóó heelemaal — — daarom irriteert het ze zoo van een vrouw waarheden te hooren.

Henri(meer en meer geïnteresseerd, gaat naast haar zitten). Ik ben nu heusch heelemaal niet meer uit mijn humeur. (pogend het gesprek een andere wending te geven, om zijn autoriteit te herstellen). Maar juffrouw van Dijk, nu ik u zoo hoor, ben ik toch nieuwsgierig, waarom u juist tot mij komt om lessen — ?

Helena.O, noemt u me alsjeblieft niet juffrouw van Dijk: dat klinkt zoo — dat klotst — haha, dat klotst, zooals een biljartbal! Ik heet Helena — of Lena — of hoe u maar wilt.

Henri.O, ik wil graag zeggen wat u ’t prettigst vindt: juffrouw Helena — of Lena — of Helena—

Helena(weifelend). Nee — ik geloof dat dat wat te familiaar is om mee te beginnen, — zegt u dan maar liever juffrouw Lena.

Henri.Juffrouw Lena — (haar aanziende) nee, dat gaat toch niet goed: „juffrouw Helena” — dat past veel beter. En noemt u mij dan ook alsjeblieft bij mijn voornaam: Henri.

Helena.„Henri”, „Mijnheer Henri” — nee: mijnheer van Bergen en juffrouw Helena — dat klotst tenminste iets zachter.

Henri(met een aai door de lucht). Laten wij zeggen: dat „klutst”. Maar juffrouw van... juffrouw Helena, nu heeft u me nog heelemaal niet gezegd, waarom u juist naar mìj gekomen bent, om lessen te nemen — ?

Helena.Kijk, daar heb je nu de mannelijke ijdelheid! want u voelt zich al vooraf gestreeld door de redenen.

Henri(wat onthutst). O — nee — — het is louter nieuwsgierigheid.

Helena.En dààr heb je de mannelijke huichelarij!

Henri(een weinig geraakt). U bent — — u heeft wel een slechte meening van de mannen!...

Helena(als ze hem wat geraakt ziet, invallend). Och — dat moet u niet zoo ernstig opvatten! — (lachend) u moet me niet al te serieus nemen. Maar ik dacht dat alleen zoo, omdat de reden, waarom ik juist naar u kom, betrekkelijk zoo eenvoudig is: — ik had bij professor Muller van de Academie geïnformeerd, die mij ook uw naam noemde — en de rest heb ik u geschreven; — (eenvoudig) ik houd van uw werk, vooral van dat nevelig kuische in uw naaktfiguren — dat boeit me.

Henri(die zich, gevleid, toch even den meerdere voelt). En — heeft u al eens lessen gehad? u teekent zeker?

Helena(schalks bescheiden). O ja — zoo heelemaal niets niemendal ben ik niet: ik heb veel geteekend, en ook wel geschilderd, en — (met een lichte zucht) veel gezien, — een matig talentje, mijnheer van Bergen — een matig talentje, maar toch heusch wel eenig talent. Ik hield ook van uw schilder„wijze”, en daarom ook kwam ik naar u.

Henri(nog even in den toon van den leeraar). Dus — ’t is vooral voor het eigenlijke schilderen — ?

Helena(peinzend zijn woorden herhalend). Ja — „vooral voor het eigenlijke schilderen” — (levendig). O ja, maar ’t is dat niet alleen — het is de „sfeer”, die me altijd zoo aantrekt, ziet u; ik heb veel gereisd: Noorwegen, Italië, Amerika — maar het is „de sfeer”, die me altijd aantrekt en die ik wil begrijpen en doordringen — het is het „leven” — ja: het „leeren leven” ziet u — — (zij rekt zich traag).

Henri.„Leeren leven?” — (glimlachend) „leeren leven!” — iemand, die zich zoo vrij beweegt — vrijer dan al die losse schilders hier — maar: u beweegt u nog veel vrijer dan ik!

Helena(even glimlachend). Nóg vrijer — ? — Ach nee, dat lijkt maar zoo, mijnheer van Bergen; al die vrouwen, die zich zoo vrij bewegen — ! Nee, ik ben niet zoo vrij — — of misschien ook tè vrij — (haar gedachten afschuddend). Maar — ik zit hier maar te praten — (zij kijkt onwillekeurig zoekend rond en ziet de schilderij op den ezel; verrast). O — ! — is dat uw laatste werk? Ach, dat heb ik nog heelemaal niet gezien! (zij staat op en gaat er belangstellend voor staan, loopt dan terug en zet zich ten slotte op een stoel voor den ezel).

Henri(komt naast haar staan, terwijl zij even beiden zwijgend toezien; dan met ijver, maar toch met een lichten schijn van nonchalance, uitleggend, terwijl hij den indruk op haar bespiedt). Ziet u: — in de beide naaktfiguren heb ik het dualisme, de tweespalt in ons leven willen uitdrukken — de polen van het natuurlijke en het gecultiveerde in ons leven, — u ziet: de tweede naaktfiguur heb ik nog maar aangezet — er is zoo moeilijk een model voor te vinden, omdat ik er al het edele, geestelijke mee wil uitdrukken tegenover het primitieve, natuurlijke van de andere figuur. En dan op den achtergrond „het gelaat” — het zielsgelaat, als een beeld van het standvastig blijvende, dat als een stille lamp voor ons uitschijnt — — enfin...

Helena(met warmte). Ja — ja — ! dat is mooi gedacht, dat vind ik mooi gevoeld, — daarin herken ik u weer — uw kunst.

Henri(lachend). Beter dan in den persoon?

Helena.O nee, dat niet — (hem glimlachend aanziend) daaraan mag ik nog niet toe zijn, — (weer naar de schilderij gekeerd) maar ja, in het algemeen geloof ik wel, dat de kunst zuiverder is dan de kunstenaar zelf.

Henri.O ja — ze vallen tegen in ’t gebruik!

Helena.Och, dat zegt u nu maar alleen, om een complimentje te krijgen — maar mijn beste compliment is toch mijn belangstelling voor uw kunst — want dat is toch in ieder geval het beste in een kunstenaar.

Henri.Nee maar zeker, zeker — dat geloof ik ook, — en daarom kan een kunstenaar zelf nooit meevallen: het beste in hem kennen de menschen al.

Helena(nog in de schilderij verdiept, mijmerend). Toch misschien niet altijd, — (zich plots omkeerend) maar mijnheer van Bergen: wij vergeten de les! (zij doet haar hoed af, legt haar handschoenen weg en bereidt zich ijverig voor op den arbeid; even vrouwelijk vleiend). Misschien zou ik mogen beginnen met een schets van uw eigen werk — ? dat zou ik graag — dan zoudt u mij meteen daar juist enkele dingen in kunnen wijzen...

Henri(die haar reeds een portefeuille en papier heeft gegeven, dat zij op haar schoot neemt, zet een tabouret met verdere benoodigdheden bij haar). Dat is best — ja, dat is best. — (Helena begint nu te teekenen, voor de schilderij gezeten, terwijl Henri achter haar is komen staan, met één voet op een spaak van de tabouret, terwijl hij, over haar heengebogen en enkele hoofdpunten aanwijzend, tevens met verwondering en nieuwsgierigheid op haar neerziet; op dat oogenblik komt Nellie met stoffer en blik uit de keukendeur om een rest van de gebroken koppen op te vegen, — zij ziet even naar hen beiden, die haar niet opmerken, knielt dan om te vegen, waarop Henri bij het geluid van het blik verstoord omkijkt en haar met een barschen wenk terugwijst; aarzelend wijkt Nellie naar het keukentje).

Scherm.

Het zelfde atelier. De rechtsche figuur op de schilderij schijnt voltooid, de houding van de linksche figuur is duidelijker aangegeven.

Henri, daarna Marie.

Henri(hij heeft juist iets op den achtergrond der rechtsche figuur voltooid, legt zijn penseelen neer en bekijkt aandachtig de schets aan de linker zijde, dan haalt hij een kanten zakdoekje uit zijn binnenzak, ruikt er even aan en speelt er mee. Hij neuriet zacht: „l’Amour est enfant de Bohème” als juist geklopt wordt. Hij schrikt op, steekt het zakdoekje weer in zijn binnenzak en neemt weer een penseel ter hand). Ja!

Marie(een paar jaar ouder dan Henri; een wat magere en spichtige, doch nog niet onaannemelijke huwelijkscandidate; zij heeft een lange dunne parasol met een handtaschje in de eene hand en houdt met de andere de deur half open; — naar binnen rondkijkend).

Henri(daar hij niets hoort binnenkomen, omziende). Oh — ! — ? (hij legt palet en penseelen neer en draait zich van den ezel af).

Marie(verder binnenkomend). Hè — goddank ben je alleen, ik was bang zoo’n model of zoo’n schilder bij je te vinden.

Henri(luchtig). O, daar hoef je je anders niet voor te geneeren.

Marie(verontwaardigd). Mij „geneeren” — ? Ik mocht hèn eens geneeren, m’n beste.

Henri(als boven). O, daar is geen kans op.

Marie(haalt kribbig haar schouders op en loopt even aarzelend nieuwsgierig een paar schilderijen langs). Hè, wat schilder jij tegenwoordig toch verschrikkelijk immoreel — ! (onder het kijken, terwijl Henri haar spottend met de oogen volgt). Vroeger hield ik zoo van je stukken, maar nou — — kijk nou — ! (voor een brutale naaktfiguur). Nee, maar Henri! (oprecht verontwaardigd) nee, maar dat kan je toch niet — dat — dat exposeer je toch niet — met je eigen naam — met — — oh! (zij keert zich met een snellen blik over een paar andere schilderijen af en gaat op de rustbank zitten).

Henri(met de armen over elkaar). Je komt toch niet alleen voor kritiek, lieve zus?

Marie(met wat meer warmte). Nee — ik kom om te praten, — we moeten es samen praten.

Henri.„Samen praten?” — (even verrast slaat hij op, en zet zich half spottend, half gemeenzaam naast haar).

Marie.Ja, Henri — we moeten es samen praten (zij prikt met haar parasol in ’t kleedje). Ik heb juist gisteravond met mama een gesprek gehad — een gesprek over jou, en — — over mij. (Henri spitst zich en ziet haar van schuin op zij aan). — Ja, als ik je nou een verzoek mag doen, wees dan alsjeblieft ernstig.

Henri.Maar ik ben volkomen ernstig! — Ik hoor!

Marie(vertrouwlijker). Henri, je wordt nu gauw dertig...

Henri.Ah — !—

Marie(zachter). En ik — — (zij prikt met haar parasol in ’t kleedje).

Henri(haar laatste woorden niet hoorend, luchtig). Dertig — nou, dat is een mooie leeftijd!

Marie.Je weet wel wat ik bedoel, Henri, een man van dertig moest eigenlijk getrouwd zijn.

Henri(met een hoofdknik opstaande, alsof hij wel wist wat haar bezoek bedoelde, in denzelfden toon van haar voortgaande). En een vrouw, een vrouw van...

Marie(hem gegriefd aankijkend, bitter). Ja — een vrouw natuurlijk ook — een vrouw — — maar dat is niet mooi van je, om dat zoo te zeggen! Jij bent een man, en voor een man is dat wat anders. Wij vrouwen moeten wachten, en jullie — jullie kunt uitzien en zoeken — (bitterder). O, jullie mannen kunt doen wat je wilt, jullie leeft er maar op los — jullie geniet maar!

Henri(schamper). Genieten — genieten — !

Marie.Zeker „genieten”. Maar natuurlijk erken je dat niet en ben je er niet dankbaar voor — daarvoor ben je een man. Je mocht er mama wel op je knietjes voor danken, dat je door haar hulp je altijd zoo vrij hebt kunnen bewegen, en altijd alles hebt kunnen doen. Jìj hebt je niet te bekommeren om de wereld, jìj hebt niet — jij hebt niet — — (zich inhoudend en zenuwachtig met haar parasol in het kleed prikkend). Ach — jullie!

Henri(zachter). En kom je me dat nu eigenlijk vertellen?

Marie(zich herstellend). Nee, — ik kom je iets vragen: — ik kom je vragen om met mama en mij een invitatie van tante Jet aan te nemen, om de volgende maand een paar weken op haar buiten te komen logeeren. Lientje — je weet wel, waar je vroeger zoo dol op was, (zachter) en waarvan ik weet, dat ze jou erg, héél erg graag mag lijden, — Lientje is nu uit ’t buitenland voor goed bij tante terug, en Arie komt er ook over een paar weken, met verlof uit Indië, — — het zou heel aardig kunnen zijn — héél aardig!

Henri.Arie — ? Arie — van wien ze zeggen, dat hij in Indië zoo zwaar geleefd heeft — !?

Marie(afwerend). Ach, dat is allemaal onzin! — Ze leven daar in Indië misschien wat — wat vrijer, maar daarom hoef je nog niet aan al die lasterpraatjes te gelooven! — Maar (ietwat vleiend) — zeg nou es Henri, is dat nou werkelijk niet een aardig plan? Je weet, tante is altijd bizonder op jou gesteld — de invitatie geldt misschien in de eerste plaats jou! — de heele logeerpartij hangt van de aardige stemming af — en van jouw komen vooral — , zou ’t niet aardig kunnen zijn, zeg — ?

Henri(kregel). Ach! mama en jij met jullie plannetjes! Ik ben niet voor die dingen; en Arie...

Marie(in de rede vallend). Papa had ook altijd zoo met tante en Lientje op.

Henri(ernstig). Laat papa er maar buiten Marie, — je weet heel goed, hoe papa over zoo’n plannetje zou denken; en wat Arie betreft...

Marie(in de rede vallend). En Lientje! — jij wàs toch altijd zoo op haar, voor ze naar ’t buitenland ging?

Henri(schouderophalend). Lientje was een lief gansje, en zal dat wel altijd gebleven zijn. Ik bèn niet geschikt voor die dingen — ik moet wérken, ik heb toch waarachtig wel beter dingen te doen, mooier dingen — belangrijker dingen!

Marie(met een blik naar de schilderij). Waarom „belangrijker” — ?

Henri.Wel godallemachtig — „waarom?” „waarom?”

Marie(verbeten zuchtend). Ach ja, natuurlijk weer bezwaren — altijd bezwaren, wanneer ’t geldt mama en mij es een pleizier te doen! (na een pauze op anderen toon). En jij zelf Henri — je moet toch ook aan je zelf denken. De tijd van partijtjes en dineetjes is nou toch voor ons voorbij — en (spijtig) van mijn vriendinnen heb je je nooit iets aangetrokken, — Lientje...

Henri(schamper in de rede vallend, door de kamer stappend). Nee, dat zal waar zijn — wat heb ik ooit aan die vertooningen gehad — met die droge vriendinnen van jou. Mijn hemel (hij bromt wat voor zich heen) — en dat teint, en die conversatie — nou!

Marie(opspringend). Henri, ik verbied je zoo te spreken! Ik heb genoeg aardige meisjes in huis gebracht, — maar als Jeanne, als Tilde — — ha! jij mocht willen dat...

Henri.„Als Jeanne, als Tilde”? (zijn schouders ophalend). Ik heb er nooit wat bizonders aan opgemerkt. Ach maar beste Marie, wat heb jij nou ooit voor aardigs en bizonders in huis gebracht?

Marie.En jij, jij — ? wat heb jij dan in huis gebracht? jij, met je onmogelijke kornuiten, met „die schilders”! Mama geeft me daarin volkomen gelijk — en papa zou me zeker ook gelijk geven.

Henri.Neen, papa zou je zeker niet gelijk geven — als papa nog leefde.

Marie(na korte pauze). Nu, denk er nog eens over Henri, het hoeft ook niet dadelijk beslist, het is pas voor de volgende maand, maar mama en ik hopen hartelijk, dat je gaat (een flacon uit haar taschje nemend). Mama heeft me wat voor je meegegeven, en gezegd, dat ik ’t zelf op je waschtafel moest zetten (naar de slaapkamerdeur gaande). Mag ik dan meteen eens zien, of alles daar in orde is — ?

Henri.Heel lief — heel lief.

Marie(even weifelend bij de deur). Kan ik — ?

Henri.O zeker, ga je gang, — ga je gang — geen geheimen hoor. (Marie verdwijnt in de slaapkamer, terwijl Henri met zijn handen in zijn broekzakken voor den ezel gaat zitten en zingt):


Back to IndexNext