IV.

[Inhoud]IV.Bij het Koloniaal Werfdepôt.Eenige dagen later noodigde Herman zijne ouders tot een mondgesprek uit. Hij wilde nog eene poging wagen om hen over te halen, hem te veroorloven zijne studiën aan eene Hoogeschool te vervolgen, alvorens een wanhopig besluit te nemen. Helaas! die poging was ijdel, zij stuitte af op de dweepzucht zijner overigens zoo liefderijke moeder. Ernstig en vastberaden gaf zij te kennen, dat zij daarin nooit zou bewilligen. En haar echtgenoot, die, wel is waar, met onverholen genoegen gezien had, dat Herman zijne plannen, om priester te worden, vaarwel gezegd had, waagde het thans niet met zijne echtgenoote in het strijdperk te treden, en de almacht èn van den biechtvader èn van den directeur Peeters te betwisten. Wel was hij geen broedermeester, ook geen lid der O. L. Vrouwenkamer; maar hij was een minnaar van huiselijken vrede, en hij wist bij ervaring dat, wanneer hij in botsing met de geestelijke heeren zou komen, die vrede ernstig bedreigd zou zijn, ja te gronde zou gaan.[66]Hermans pogen leed dus schipbreuk, aan den eenen kant op de onverzettelijke vasthoudendheid zijner moeder, aan den anderen kant op de geestesslapheid zijns vaders.„Gij weigert dus bepaaldelijk?” vroeg hij met eenige aarzeling in zijne stem.„Bepaaldelijk en voor altijd!” antwoordde zijne moeder.„Dan kom ik met een tweede voorstel voor den dag,” sprak Herman hoogst ernstig. „Ik had uwe weigering voorzien en heb diep nagedacht!”„Laat hooren,” antwoordde de vader. „En geve de Hemel, dat wij het inwilligen kunnen, dan komt aan dat gezeur een einde.”„Ziet hier. Belet gij mij eene wetenschappelijke loopbaan te betreden, dan wenschte ik in den militairen stand fortuin te beproeven.”Een oogenblik zaten de beide ouders stilzwijgend daar neer. Zij dachten diep na.„Daar heb ik niets op tegen,” sprak eindelijk zijne moeder. „De militaire stand is eene zeer eervolle.”Herman glimlachte bitter bij die bemerking. Was de rechtsgeleerde eene niet even eervolle?„Gij zijt evenwel te oud om naar Breda te gaan,” merkte de vader op.„Ik wenschte ook niet naar Breda te gaan,” antwoordde de jongeling.„Dan naar Kampen? Maar, zijt gij daartoe ook niet reeds te oud?”„Ook dat niet,” klonk het bedaarde antwoord.„Maar wat dan? Dienst nemen bij een der regimenten? Dat zal u tegenvallen.”„Neen, mompeer, ik wensch naar Harderwijk te gaan en.… kan het, met de eerste gelegenheid naarNederlandsch-Indië!”[67]„Naar den Oost!”.… kreet mevrouw Riethoven.„Naar den Oost, gij zegt het, mameer!” sprak de jongeling met klem.„Maar, dat is een wanhoopsbesluit!”„Wel mogelijk,” antwoordde Herman dood bedaard. „Daar in het verre oosten heeft de militaire wereld recht van bestaan. Daar bij den strijd der beschaving tegen de barbaarschheid is het krijgsmanskleed een soort priestertoga. Daar ginds is nut te stichten, en wellicht.… vergetelheid te vinden!”„Een mijner kinderen naar den Oost!” jammerde de moeder.„Laten wij geen overijlde besluiten nemen,” sprak de vader. „Gij zijt nog niet meerderjarig, bijgevolg hebt gij onze toestemming noodig om dat plan te kunnen volvoeren. Ik eisch van u, dat gij het drie volle maanden in bedenking neemt.”„Mompeer!.…” meende Herman in het midden te moeten brengen. „Drie maanden is …”„Van dien eisch gaat niets af,” antwoordde de heer Riethoven met nadruk. „Blijft gij na ommekomst van dien tijd uw voornemen getrouw, dan zal ik mij daartegen niet aankanten. Evenwel dan heb ik nog een eisch te stellen, of beter eene belofte te vorderen.”„En die is?”„Dat gij te Harderwijk blijven zult, totdat gij den onderofficiersgraad zult behaald hebben.”„Maar!…”„Zonder die belofte geene toestemming,mijn zoon!” was het bedaarde antwoord.Herman boog het hoofd onder die beslissing. Hij moest wel toegeven. Zijn vader verschafte hem de geldelijke middelen om gedurende die drie maanden een reisje te maken. Hij zou Aken, Keulen, Luik en Brussel[68]bezoeken. Van de verstrooiing, daardoor teweeg gebracht, verwachtte de heer Riethoven veel.De arme moeder stormde naar de kerk om daar haar gemoed in den biechtstoel uit te storten.„Helaas! eerwaarde heer,” kreet zij, „hij wil naar den Oost!”„Wel, wat zou dat?” klonk het antwoord zoo onverschillig mogelijk, nu die plannen een vorm aannamen, welke die der geestelijke heeren niet dwarsboomde. En met zalving: „De wil des Heeren moet geëerbiedigd worden! mijne zuster.”„Naar den Oost!Maar, eerwaarde heer, die vader en moeder vermoord heeft, is daartoe nog te goed. Kan dat de wil des Heeren zijn?”„Beter naar den warmen Oost, dan naar de nog warmer hel!” was het vrome antwoord.Daarmeê mocht de gefolterde moeder aftrekken. Snikkend verliet zij het bedehuis.Bij het einde van die drie maanden respijt keerde Herman te Maastricht terug. In zijne plannen was geene verandering gekomen. Hij herhaalde dus zijn aanzoek. Dat gaf natuurlijk aanleiding tot een deerniswaardig tooneel van de zijde zijner moeder. Maar de jongeling bleef zijn voornemen getrouw. Er was niets aan te doen.De noodige papieren werden bijeengebracht, en acht dagen na zijn terugkeer zat Herman in de diligence, die hem over Roermond, Venlo, Nijmegen, Arnhem, Utrecht, Amersfoort naar de plaats zijner bestemming bracht.„Stilte daar! Stilte! Zijt jullie dol!” klonk de stem van een sergeant van het vaste kader te Harderwijk[69]tot een troep mannen, die hem in de kruisgangen van het kleedingmagazijn van het koloniaal werfdepôt omringden. „Stilte daar voor den drommel!”Het was een uitgezocht zoodje, dat daar verzameld was, ten einde de zoo fraaie en zoo smaakvolle uniform van het Nederlandsch Indisch leger aan te trekken. Het liep toen ten tijde naar het einde van den Krim-oorlog. Groot Britannië dankte hare vreemden-legioenen af, en was blij dat gespuis goedschiks kwijt te raken. Nederland daarentegen beijverde zich vlijtig die lievertjes voor zijne zoo schoone koloniën aan te werven. Het zond zijne zielenverkoopers uit, en die, zich wapenende met valsche papieren, brachten voor en na een welkomen buit te huis van de meest uiteenloopende bestanddeelen. Het troepje, hetwelk daar gereed stond om gekleed te worden, was een proefje van de zoo rijke staalkaart der Europeesche nationaliteiten. Hier kruiste zich het:damned rascalvan een Engelschman met hetverfluchter Schweinhundvan een Duitscher: elders het:sacré nom d’un chienvan een Franschman met het:zaide ge zot! begot! zulle!van een Vlaming enz. enz.; terwijl Israëls volk daar door een paar specimina vertegenwoordigd was, die niet het minste lawaai maakten bij het schatten, het loven en bieden ten opzichte van de vrij kale plunje, die de aanstaande verdedigers onzer koloniën om het lijf hadden. Want, als straks dat troepje, in hun helden-pakje gestoken, naar de kazerne zoude marcheeren, mocht niemand hunner iets van hunne burgerkleeding daarheen meênemen; zij moesten alles van de hand gedaan hebben, ten einde zoo veel mogelijk desertie te voorkomen.Herman Riethoven bevond zich onder dat troepje. Schuw te midden van die woeste bende, had hij zich eenigszins in een hoek teruggetrokken, en stond dat[70]tooneel gade te slaan. Hij was sedert een paar dagen te Harderwijk aangekomen, en had zijn intrek in het logement van den heer Courtois genomen, dat vlak tegenover de kazerne gelegen was. Dadelijk na aankomst had hij zich aangemeld, en zijn voornemen kenbaar gemaakt om in militairen dienst voor de Oost-Indische bezittingen te treden.Daags daarna was hij door een der officieren van Gezondheid van het garnizoen geneeskundig onderzocht, en goedgekeurd geworden. Thans bevond hij zich in het kleedingmagazijn om zijne metamorphose van burger in krijgsman te voltooien.„Zeg, jij polletiek!” riep hem een korporaal toe, „als je straks in de kazerne komt, dan moet je maar dadelijk dien mooien krullebol laten knippen.”„Hebt u het tegen mij, korporaal?” vroeg Herman.„Ja, tegen wien anders? Ben je nou al suf gediend?.…”was het barre antwoord. „Denk er om, dat je straks dien raagbol laat knippen. Ik wil voor jou de kas niet indansen. Ik heb de kompies barbier reeds gewaarschuwd. Twee duim van voren, een duim van achteren. Je zult er kranig uitzien!”Herman liet zijne hand met een zucht door zijne donkerbruine krullen gaan. Sedert hij Rolduc verliet, had hij zijn haardos laten groeien, en stond hem die niet kwaad.„Twee duim van voren en een duim van achteren,” herhaalde hij in zich zelven. „Drommels! ik zal weer zoo’n kopje krijgen als in het seminarie. Waarachtig,les extrêmes se touchent.”„Je treft het niet,” zei de korporaal met een spotachtigen glimlach op de lippen.„Wat tref ik niet, korporaal?” vroeg de politiek onderdanig.[71]„Waarom heb je niet gevraagd om bij de baronnen-kompie geplaatst te worden?”„De baronnen-kompagnie, wat is dat?” vroeg Herman met bevreemding.„Kom, hou me niet voor den gek! Weet je niet wat de baronnen-kompie is? Dat is de vierde kompie. Daarbij worden zij geplaatst, die zonder handgeld teekenen. Daarbij zijn echter waarlijke baronnen en echte graven.”„Zoo. Neen, ik ben bij de derde kompagnie ingedeeld.”„Heb je al kennis met je sergeant-majoor gemaakt? Niet? nou dat moet je doen. Dat is de moeder van de kompie. Een flinke vent, die majoor. Heb je je kleeren al verkocht?”„Neen, nog niet.”„Wat moet je er voor hebben?”Een paar joden waren nabij getreden.„Nah! ik gheef ongezien vhijf en twintig guldes,” zei de een, terwijl hij de panden van Hermans jaquette betastte.„Wil je maken! dat je weg komt, leeleke smous!” zei de korporaal.„Nah! ik mhag me handel wel dhrijven, khorpraalh! ik heb permissie van den kornel!”„Maar niet om me onder me duiven te schieten, weergasche jood!”De andere zoon Israëls was Herman ongemerkt van achteren genaderd, en bekeek daar zijne kleeding nauwkeurig.„Ongezien gheef ik acht en twintig guldes, nah! wat zeg je?” zei hij tot den jongen man.„Je bederft den mharkt, Nathan,” schold de eerste. „Ikke gheef dhertig, Nah!”„Bliksemsche smousen!” brulde de korporaal.„Wat is daar te doen?” riep plotseling eene stem.[72]Het was de onder-adjudant van het koloniaal werfdepôt. Hij naderde, en toen hij Herman in het oog kreeg:„Laat je door die joden niet bedonderen, Riethoven,” sprak hij. „Je weet wat ik je gezegd heb?”Bij zijne aankomst te Harderwijk had Herman zich bij dien onder-adjudant vervoegd. Die had hem toen naar het bureau van den kolonel begeleid, waar hij aan den luitenant-adjudant zijn voornemen om dienst voor de koloniën te nemen bekend had gemaakt, en zijne papieren had afgegeven. Bij die gelegenheid had de onder-adjudant een kennersblik op Hermans kleeding geworpen, en hem gezegd, dat hij een koopman wist, die steeds den hoogsten prijs gaf.„Wij zullen straks er heengaan!” voegde hij er thans nog bij.„Komaan, sergeant! korporaal! laat de manschappen aantreden,” beval hij. „De officier van kleeding is er.”Op dat bevel trachtten èn de sergeant èn de korporaal zooveel mogelijk stilte te verkrijgen en orde te doen heerschen onder den luidruchtigen troep. Dat lukte aanvankelijk niet. Het was een geschreeuw en een getier in alle mogelijke idiomen, waar geen einde aan scheen te zullen komen. Eindelijk kwam de onder-adjudant den onderofficieren met zijn gezag te hulp.„Dondersche kerels!” bulderde hij met een alles overheerschende stem, „wil jullie wel den snater houden en aantreden, of ik breng jullie in de politiekamer!”Slechts eene halve stilte trad in. Engeland’s legionnisten waren aan geen krijgstucht gewoon. De korporaal beijverde zich die menschen in rij en gelid te scharen. Hij moest er zijn handen bij gebruiken, hen bij de schouders grijpen, en hen brengen waar hij ze hebben wilde. Eindelijk lukte het, hen in een of twee rijen opgesteld te krijgen. Zij werden daarna in een nabijgelegen[73]gang geleid, waar de administratie-officier zich met een aantal helpers bevond. De monteeringstukken werden nu uitgedeeld, en weldra was het geheele troepje bezig met zich te verkleeden, met te passen, te meten en te ruilen, waarbij al weer niet weinig luidruchtigheid aan den dag gelegd werd, en waarbij menige vieze onderplunje voor den dag kwam.Herman was ook weldra druk bezig met zich te verkleeden. Nu eens was hem een pantalon toegeworpen, die voor een reus gemaakt scheen, en waarin hij, die toch waarachtig niet tot de tengeren behoorde, in zwom, toen hij ze aangetrokken had. Een oogenblik later moest hij hulp hebben om uit eene andere pantalon te geraken, zoo smal was zij, waarin hij op hoog bevel van den officier gekropen was. Zoo ging het met zijn mouwvest, met zijn kwartiermuts, in één woord met alles. Het eerste paar schoenen, dat hem aangereikt werd, was in omvang aan eene kanonneerboot gelijk. In het daarop volgende zaten zijne voeten zoo gekneld, dat hij niet staan kon. Maar eindelijk toch was hij klaar. Toen hij over die nieuwe plunje den afschuwelijk leelijken grauwen kapotjas aangetrokken had, die de verdedigers van Neêrlands koloniën op tuchthuisboeven doet gelijken, mompelde hij met een glimlach, maar toch met een zucht:„Ik wou me nu wel eens in den spiegel kijken, ik moet er mooi uitzien!”„Dat doe je ook,” klonk eene stem, het uitgierende van het lachen, achter hem.Herman keerde zich om, en slaakte een kreet van verrassing. Daar was wel reden toe.„Jij hier Frank?” riep hij uit.„Ja, ik hier!” antwoordde onze bekende van den Sint Pietersberg.[74]„Jij, jij Frank Brinkman!!! Je komt als uit de lucht gevallen!”„Ja! ik Frank Brinkman! Uit den hemel kom ik niet direct,” antwoordde hij lachende.„Maar laat mij je eens bekijken.…. Het is om het uit te schreeuwen! Die mooie politiemuts, in den vorm van eene afgeknotte kachelpijp op dien krullenkop, die klep vierkant en breed als een luifel boven je oogen, die stijve nek gewrongen in dien komieken stropdas, die mooie kapotjas, die je zoo gracieus om de lendenen fladdert, die pantalon sierlijk een handbreed over je voet omgeslagen, en dan die geelleeren schoenen, in vorm en in omvang zoo weinig verschillende van een tjalk, kijk, dat vormt een geheel, waaruit je zoo echt lummelachtig te voorschijn treedt … O! dat Lydia je zoo eens kon zien! Kerel, je moet jelaten photografeeren!”Ja, het was Frank Brinkman, de jongeling dien de lezers op Slavante ontmoetten, die Herman thans zoo luidruchtig en vroolijk te gemoet trad. Zijne geschiedenis was gauw verteld. Zijn vader, een zeer gezien man in de nijverheidswereld te Leiden, was plotseling overleden. Steeds had die man een zeer ruim bestaan in zijne zaken gevonden, maar had geen vermogen vergaard. Toen de inventaris na dat overlijden opgemaakt was, bleef voor de kinderen, die reeds vroeger moederloos waren geworden, niet veel over.Frank, die steeds van een avontuurlijken geest bezield was geweest, maakte niet veel misbaar. Hij deelde zijn voogd mede, dat hij naar Harderwijk wenschte te gaan, om inNederlandsch-Indiëde militaire loopbaan te betreden. Die had gemakshalve niets tegen dat plan van zijn pupil, die hem tot last dreigde te worden. Frank was nu reeds twee maanden bij het Koloniaal werfdepôt, en deed dienst als militair schrijver op het bureau van den kolonel kommandant.[75]„Ik reken aanstaande maand tot korporaal bevorderd te worden,” zei hij. „Drie maanden later hoop ik fourier of sergeant te zijn, en dan snij ik de laan uit. Het is hier een liederlijk gemeen nest.”„Kom, voortmaken!” maande de onder-adjudant aan. „Sergeant, laat de manschappen zich haasten met passen en daarna aantreden!.…”„Wil ik je een goeden raad geven?” zei Frank gehaast. „Geef dan je burgerkleeren aan den onder-adjudant.”„Hij heeft er al genoeg naar gehunkerd,” antwoordde Herman. „Maar … men heeft er mij reeds vijfendertig gulden voor geboden.”„Dat’s veel; maar getroost je dat verlies; dat zijn vijf en dertig gulden, die geen windeieren leggen zullen. Hebt ge nog niet een pak in uw koffer?.. Geef dat dan aan den dubbelen.”„Aan den dubbelen!… Wie is dat?”„Dat is de sergeant-majoor der kompagnie. Geloof me, doe dat. Je zult het je niet beklagen.”Herman luisterde naar dien raad. Nog voor dat de troep rekruten het kleedingmagazijn verlaten had, was de plunje, die hij aan gehad had, in eigendom van den onder-adjudant overgegaan. Toen hij straks inspectie in zijn koffer hield, werd de moeder der kompagnie even mild bedacht. Zooals Frank voorspeld had, bleven de gevolgen niet uit. Vooreerst werd onze rekruut bij de excersitiën steeds gedrild door een instructeur, die aan de behoorlijke kennis eene zekere mate van beschaving en zachtaardigheid paarde, waardoor hem het ruwe van de eerste oefeningen, welke door de liederlijke en god-tergende taal van hen, die in die dagen met het onderwijs belast waren, voor de fatsoenlijke jongelieden zoo moeielijk gemaakt werden, veel bespaard werd. De sergeant-majoor zorgde er voor, dat zijn beschermeling,[76]nadat hijafgeëxerceerdwas, van corveeën verschoond bleef en, was dat niet altijd mogelijk, dan stond hij steeds genadig toe, dat Herman een plaatsvervanger daarvoor aanwees. Dat kostte dezen natuurlijk geld, maar hoe ijverig hij zijn nieuwen stand ook aanvaardde, er waren soms werkzaamheden te verrichten, die hij toch gaarne op een ander overdroeg.Dienzelfden dag dat Herman gekleed was, werden hem de krijgsartikelen voorgelezen. Maar de fourier, die die voorlezing bewerkstelligde deed dat zoo rad en met zoo’n eentonige stem, dat met den besten wil van de wereld van het gehoorde niets te maken was. Gelukkig! want die aaneenschakeling van bedreigingen met strop, kogel, kruiwagen, wegjaging als eerloozen schelm, enz. enz. zou den eenvoudigen burgerjongen slechts slapelooze nachten berokkend hebben. Na dat voorlezen der krijgsartikelen werd overgegaan tot het teekenen van de engagements-acte, welke handeling gepaard ging met het uitbetalen der handgelden aan hen, die zich op die voorwaarden verbonden hadden. Frank had zijn vriend gewaarschuwd die engagements-acte nauwkeurig te lezen, alvorens zijne naamteekening er onder te zetten. De moeite was evenwel overbodig, want het stuk was volmaakt in orde. Anders was het met dat van een ander rekruut, die, het voorbeeld van Herman volgende, de engagements-acte vroeg in te zien:„Vergeef mij, heer kapitein,” sprak deze, „ik had het beding gemaakt, dat ik mij niet voor de Overzeesche bezittingen, maar wel voor de Oost-Indische bezittingen wensch te verbinden.”„Dat is gauw genoeg geredresseerd!” stamelde de sergeant-majoor met zekere zenuwachtigheid in antwoord op den vragenden blik van den kapitein kompagnieskommandant, die deze dienstregeling bijwoonde.[77]„Dat had in orde moeten zijn, sergeant-majoor!” was het ernstig antwoord van dien officier.„Maar dan is er nog iets,” vervolgde de rekruut met een flauwen glimlach op het bleeke gelaat. „Ik wensch geen handgeld te ontvangen. Wel is de som hier in de acte niet ingevuld, maar daar de noodige doorhaling der daarop betrekking hebbende woorden niet geschied is, zou dat verzuim mij later in mijne loopbaan kunnen benadeelen.”Toornig stoof de kapitein op, greep de engagements-acte, overtuigde zich dat de gemaakte bemerking juist was, deed haar redresseeren en den sergeant-majoor voor die nieuw aangenomen manschappen, die daar vereenigd stonden, niet willende terechtwijzen, sprak hij:„Wij zullen straks dat varken wel wasschen!”Middelerwijl greep de betrokken rekruut Hermans hand en kneep die gevoelig:„Ik dank u,” sprak hij fluisterend, „gij hebt mij, hoewel onbewust, den grootsten dienst der wereld bewezen. Zonder uwe voorzorg zou ik mijne verbintenis geteekend hebben zonder haar in te zien. En dan was mijne geheele toekomst verloren geweest.”Later vernam Herman van Frank dat het aannemen van handgeld in die dagen een beletsel daarstelde om den officiersrang te behalen.„Menige reclame wordt deswege uit Indië ontvangen,” vulde hij aan. „Maar steeds moet dan volhard worden bij het door den belanghebbende zelf geteekende, terwijl bovendien de handgeldstaten èn van de kompagnie èn van den kwartiermeester kloppen. Zoo is menige toekomst ergerlijk verwoest geworden.”15„Dat is toch vreeselijk ongelukkig. En … wat zal nu met dien sergeant-majoor gebeuren? Men heeft nu een geval.… Me dunkt, dat die man niet in zijn graad gehandhaafd kan blijven!”[78]„Herman, je bent nog onnoozel, men kan wel zien dat je nog niet lang hier bent. Die sergeant-majoor krijgt eenvoudig een uitbrander, en daarmee is het uit. Hij zal een volgende maal niet eerlijker maar voorzichtiger handelen. O ja, nog eene recommandatie! Tracht vooral goede maatjes te zijn met de vrouw van dien sergeant-majoor.”„Met zijne vrouw?…” vroeg Herman, ten uiterste verbaasd zijn vriend aankijkende.„Ja, zeker. Als je niet bent als een dergenen, waarvan de psalmist zegt: „Zij hebben oogen en zien niet,”dan zul je mij later wel begrijpen. Daarbij het is geen zwaar corvée dat ik voorstel. De sergeant-majoorse is eene verduiveld mooie vrouw. Ik zal u nog een adres opgeven. Als ge u daar weet in te dringen, dan zijt ge al heel gauw korporaal en onderofficier.”„Ook eene vrouwengeschiedenis?”„Welzeker, eene vrouwengeschiedenis geboord met een zilveren randje.”Herman maakte een gebaar van walging.„Daar ginds te Rolduc hebben ze je en mij te Katwijk ingepompt, dat het doel de middelen heiligt. Toon nu dat het uitgestrooide zaad niet op de steenrots viel.”„Ja, maar, met die wereld heb ik geheel gebroken, dus ook met hare leerstellingen.”„Daar wensch ik je geluk meê. Het zal evenwel noodig zijn je te schikken naar de wereld, waarin ge u thans verplaatst bevindt.”En dat was eene vreemde wereld, dat zou Herman genoeg ondervinden.In die dagen wielde het schuim van geheel Europa te Harderwijk samen. Door de Nederlandsche wervers opgespoord en opgedoken uit de somberste holen der maatschappij, was en werd een troep mannen bij elkander[79]gebracht, die niet alleen de grootste verscheidenheid in nationaliteit maar ook in maatschappelijken en moreelen stand vertoonden. Waren er, die bij het onderteekenen hunner engagements-acte slechts gebrekkig konden schrijven, omdat de hand vereelt was door het behandelen van voorhamer, zaag, ploeg, schop, pikhouweel, koevoet of ook door het hanteeren van het breekijzer; waren er zelfs, uit de onderste lagen der maatschappij afkomstig, die niet eens geleerd hadden hunne naamteekening te zetten, en zich met het krabbelen van een gebrekkig kruisje behelpen moesten, daartegenover stonden er ook, die met een soort van zwier hunnen naam griffelden; zelfs waren er, die dien naam door het praedicaat van Baron of van Graaf lieten voorafgaan.Onder de Harderwijksche legenden, die in de wachtlokalen van het garnizoen, gedurende de lange winteravonden rondom de gloeiend gestookte kachel verteld werden, werd die van den Spaanschen graaf Don Ramoraz, die generaal geweest was onder Espartero, nimmer vergeten. Fluisterend werd dan verteld, dat die Hidalgo in een vreeselijke jaloersche bui zijne vrouw vermoord had, waarna hij, vergezeld van zijn adjudant Don Xilanos, een flink jong mensch, zijn vaderland ontvlucht was, en beiden, door den nood gedrongen, dienst voor de Nederlandsche Bezittingen genomen hadden. Werd dat verhaal opgedischt, dan ontbrak nimmer een ooggetuige, die den Spaanschen Grande met zijne grauwe haren en in zijn grauwen kapotjas gewikkeld, den bezem had zien hanteeren en de afzichtelijkste corveeën uitvoeren; terwijl er dan steeds met eene aandoenlijke schildering vervolgd werd, hoe Don Xilanos zijnen gewezen bevelhebber smeekte, hem toch die walgelijke werkzaamheden te laten verrichten.[80]„Dat past uwe Excellentie niet,” fluisterde de gewezen luitenant dan.Of dat in het Spaansch of in het Nederlandsch gefluisterd was, werd er niet bij verteld. De toehoorders vroegen daar ook niet naar. Maar wel klonk steeds de vraag:„En is die Spaansche graaf met zijn adjudant thans in de Oost of in de West?”„In geen van beiden! Luister: Op een morgen stond die Excellentie met zijn adjudant in de keuken, en waren beiden bezig met de overige manschappen aan het aardappelen jassen. Ge kunt me gelooven of niet, sprak dan de verhaler met overtuiging, maar „de grijze krijgsman” zong juist hartelijk mede:Sla, kroten en andijvie!toen plotseling de luint-adjudant verscheen, die eerbiedig de positie aannam, de hand aan de klep van zijn schako bracht, en met luider stem tot de twee aardappelenjassers sprak: Uwe Excellentie wordt beleefd verzocht bij den kornel te komen.—„Mijn adjudant ook?” vroeg de Grande. „Uw adjudant ook,” antwoordde de luint. Beiden gingen toen heen. Wij hebben ze nimmer teruggezien. Maar Eefje Goster, je weet wel, dat lieve kindermeisje bij den kornel, heeft mij verteld, dat die beide kolonialen in de mooie kamer van de kornels woning curaçao-bitter gedronken, en zich daarna in een mooi verguld pak gestoken hadden, waarna zij in een fraai rijtuig met vier paarden bespannen, weggereden waren. De kornel was bij het instijgen den Grande behulpzaam geweest, en had hem hartelijk de hand gedrukt.”„Ja, je kunt hier te Harderwijk van alles te zien krijgen!” was de algemeene instemming.Zoo veel was zeker, dat al wemelde het in den tijd, toen Herman te Harderwijk was, niet van Excellenties[81]bij het Koloniaal Werfdepôt, zoo zou er toch wel een half dozijn Freiherren, Graven en Baronnen te zamen hebben kunnen gebracht worden, en waren namen als: Von Schwerin, Von Heinitz, Von Helmoldt enz. niet zeldzaam. Of die namen hun, die ze droegen, toekwamen? Te Harderwijk bestond daaromtrent niet de geringste zekerheid. Het was daar het verstandigste, den naam, dien men opving, slechts als herkenningsmiddel van het individu, die hem droeg, aan te nemen. En zelfs daarbij was nog omzichtigheid noodig; want, hoe dikwerf weerklonk niet de een of andere naam bij gelegenheid van de dienstappèls, en werd herhaald en nog eens herhaald, zonder met het gewone „present” beantwoord te worden.„Waar zit die lummel nu weer?” vroeg dan de sergeant-majoor wrevelig en overzag de gelederen.„Zeg!” riep hij dan eensklaps, „kun jij je mond niet opendoen, als je naam afgeroepen wordt?”„Ah! ja so, ich nenne mich jetzt.…”In het gewone leven ook was het niet zeker, dat antwoord bekomen werd, wanneer men iemand bij den naam riep, waaronder hij in de militaire wereld bekend stond. Gedachteloos herinnerde de geroepene zich dan niet oogenblikkelijk, dat hij van naam verwisselde.Dat misdadigers, ergerlijke misdadigers onder dien hoop schuilden, die een heenkomen achter het militaire kleed zochten en blij geweest waren, dat zij een werver ontmoetten, die hun valsche papieren bezorgde, en zoo de verdwijning van het tooneel in de hand werkte, wie zal dat bij kalm en onpartijdig nadenken ontkennen? Herman hoorde daar mompelen van Ehrensachen, van onbetamelijk schuldenmaken, van verwikkelingen in staatsaangelegenheden, van ongelukkige duels, maar ook van diefstal, van doodslag, van broedermoord, van verdierlijking, van ontucht, van.… ja! van wat niet al?[82]En al heerschte er ook al veel overdrijving in die verhalen, die fluisterend gedaan werden, zoo zag hij zich toch omringd van troniën, welke aan die verhalen wel klem bijzetten. Hij zag daar te Harderwijk tooneelen van de walgelijkste brooddronkenheid, van de liederlijkste uitspattingen, tooneelen, die hem wel eens berouw deden gevoelen over den stap, dien hij gedaan had. Gelukkig stond Frank hem ter zijde.„Ja, aangenaam is het niet,” zei deze, „tusschen dat schuim te moeten leven. Er zal ook eene zekere mate van zelfstandigheid toe behooren, om bij de aanraking daarvan niet bezoedeld te worden. Maar kijk goed rondom u. Wees niet stelselmatig in het onthouden van uwe genegenheid of van uwe vriendschap, evenmin als gij te vlug moet zijn met haar te plaatsen. Hier onder die kolonialen, vooral onder de Nederlanders, omtrent wier antecedenten men trouwens oneindig meer kieskeurig is dan bij de vreemdelingen, zult gij jongelieden aantreffen, wier gezelschap niet te versmaden is.”En de jeugdige practicus had gelijk. Zeker waren daar jongelieden, die hun gezelschap wel waard waren; die door het avontuurlijke aangetrokken, dienst bij hetNederlandsch-Indischeleger genomen hadden, en ook alle pogingen aanwendden om zich bij dat leger eene eervolle loopbaan te scheppen.Door die raadgevingen van Frank gesteund, was het begin niet al te lastig voor Herman. Hij was al heel spoedig afgeëxerceerd. Zijn natuurlijke aanleg had hem daarbij veel geholpen, maar ook een zekere mate van onbekrompen vrijgevigheid, die hem op Franks aanraden aanspoorde, de verschillende onderofficieren-instructeurs, met wie hij te doen kreeg, nu eens een dubbeltje, dan weer een kwartje, soms ook meer in de hand te stoppen, had er toe bijgedragen om hem als een soort feniks[83]te doen beschouwen. Hij woonde al spoedig de zoogenaamde theorie bij, die niet anders was, dan een opdreunen van de van buiten geleerde militaire reglementen. Hij werd dientengevolge al spoedig vice-korporaal, en hoewel het doorsnuffelen van de geheimen der soldatenschool eene uiterst dorre bezigheid te noemen was, overwon hij toch den tegenzin, die hem bij het van buiten leeren overviel van dat zinledige: „de hielen op dezelfde lijn en zoo dicht aan elkander gesloten als de gestalte van den man zal gedoogen …”„Bah!… bah!…” geeuwde hij evenwel dikwerf daarbij, terwijl hij zich de ledematen uitrekte en de soldatenschool, het reglementaire boekje, hetwelk er niet voor kon, dat het zoo saai en stoppelig geredigeerd werd, ver van zich wierp.„Bah!… hoe is het mogelijk, zooveel nonsens aan elkander te rijgen?”„En toch, je zit in het schuitje, Herman,” moedigde Frank hem lachende aan. „Je moet theorie pruimen, daar is niets aan te doen!”Het korporaal worden ging van een leien dakje. Vier maanden na zijne indiensttreding prijkte Herman met de kemelsgaren galons op de mouwen, en was niet weinig trotsch daarop. In de eerste dagen na die bevordering kon hij niet nalaten bij het wandelen zoo van tijd tot tijd een blik van vergenoegen op zijne armen te werpen.De bevordering tot sergeant had iets meer voeten in de aarde, maar kwam ook naar wensch te recht. Op aanraden van Frank had Herman eene kamer bij de weduwe Ebtuin in de Brugstraat te Harderwijk gehuurd, die behalve eene dochter en eene kleindochter, ook nog een grooten galanterie-winkel bezat. Zij had de ruimte boven dien winkel in kamertjes verdeeld, en stelde die[84]ter beschikking van de koloniale helden in spe, die zulks betalen konden en een plekje wenschten te hebben, waar zij zich van het kazernepubliek konden afzonderen. Die drie dames hadden in de militaire wereld te Harderwijk zeer veel invloed. Frank wist dat zeer goed, en Herman zou dat weldra ondervinden.Op een namiddag, toen de beide jongelingen te huis kwamen, merkte de oude weduwe het betrokken gezicht op, hetwelk Herman zette.„Wat scheelt er aan, mijn jongen?” vroeg zij op deelnemenden toon.Herman antwoordde niet. Nurks en wrevelig trok hij de schouders op.„Och, hij heeft het land,” sprak Frank, die reeds sedert eenigen tijd met de gouden galons op de mouwen prijkte. „Heden zijn een twintigtal onderofficieren aangesteld, en.… hij is er niet bij.”„Is het anders niet? Daar kan hij wel toe komen, niet waar Kaatje?” zei de weduwe glimlachend tot hare kleindochter.„Zeker moe,” antwoordde het snibbig ding, niet minder snedig lachende, evenwel met een blosje op de wangen.„Maar, intusschen ben ik het niet,” antwoordde Herman norsch, en wilde den trap opstijgen om naar zijne kamer te gaan.„Zou je zoo gaarne sergeant zijn, mijn jongen?” vroeg de oude mevrouw Ebtuin.„Welzeker! Zou ik niet?” was het antwoord, dat hij gaf.„Kom dan eens meê,” sprak de weduwe.Zij geleidde den jongman in het winkellokaal, dat voor een kleinsteedschen galanterie-winkel goed voorzien was.„Kijk eens,” zei ze, „is dat geen fraaie pendule? Een fraaier stuk hebt ge nimmer gezien.”[85]„Ja zeker, dat is een mooi stuk,” antwoordde Herman, nu met een kennersoog een blik op de bronzen pendule werpende, die hem aangewezen werd.„Zij kost tachtig gulden,” hernam de weduwe met een zekere intonatie.„Dat’s veel geld; maar voor hem die zoo’n stuk wenscht, toch niet te veel.”„Ik zal ze maar op uwe rekening schrijven, nietwaar?” vroeg zij met sluwen glimlach.„Op mijne rekening?… Wat zou ik met dat ding doen? Ik hoop over een paar maanden aan boord van het schip te zitten.”„Hij is niet erg bevattelijk,” sprak de weduwe tot Kaatje, die met Frank in de deur van den winkel stond te praten.Kaatje kreeg een blos, die haar niet onaardig stond. Frank lachte dat hij schudde.„Ik begrijp niet, wat mijne bevattelijkheid hier te maken heeft!” sprak Herman ietwat gebelgd.„Ge wilt spoedig sergeant worden?” vroeg de weduwe op ieder woord drukkende.„Zoo’n vraag!”„Wel, laat mij dan die pendule op je rekening schrijven,” zeide mevrouw Ebstein met een grijnslach.„Maar ik begrijp niet.…”„Dat’s ook niet noodig. Ik schrijf de pendule op en gij zijt, voor dat we vier en twintig uren verder zijn, sergeant. Is dat niet voldoende, zeg?”„Ja, in dat geval, maar ik begrijp niet.… Wat die pendule.…”„Behoeft ook niet. Als ge het resultaat maar begrijpt. Opschrijven, dus?…”Herman knikte toestemmend.Toen den volgenden morgen de sergeant-majoor der[86]3dekompagnie na terugkeer van het rapport, de orders op zijn bureau mededeelde, las hij de navolgende bataillons-orde voor:„No. 79. Ten vervolge op de bataillons-orde van gisteren No. 75, wordt alsnog aangesteld tot sergeant à la suite bij het Koloniaal Werfdepôt: de korporaal Herman Willem Hubert Riethoven; met bepaling, dat die bevordering zal rekenen in te gaan op den dag van gisteren.”„Sergeant Riethoven, ik feliciteer je wel met die bevordering,” sprak de sergeant-majoor na die voorlezing.Alle aanwezige onderofficieren, korporaals en vice-korporaals verdrongen zich om den gelukkigen, en drukten hem de hand. Zelfs de lieve sergeant-majoors-vrouw trad in dat oogenblik uit hare kamer te voorschijn, alwaar zij bezig was met groenten schoon te maken, veegde hare handen aan haren boezelaar af, greep Herman bij het hoofd en riep:„Mag ik je ook gelukwenschen, aardigen krullebol!”Zij kuste hem op beide wangen, en drukte hem met zoo’n innigheid en zoo’n onstuimigheid aan hare borst, dat zij beiden tegen den schrijflessenaar van den sergeant-majoor optornden, zoodat de registers daarop kantelden.„He! mijn administratie-boek!” riep de sergeant-majoor, niet zeer gesticht over de wijze van feliciteeren van zijne vrouw.„En dat je nu weg moet!” kreet de vrouw meewarig.De dubbele keek nog somberder. Het overige kader voorzag eene huishoudelijke onweersbui en droop af. Maar, toen Herman, na zich uit de armen der schoone losgewrongen te hebben, op de schrijftafel toetrad, daar een bon voor een twaalftal flesschen St. Estèphe krabbelde, dien den sergeant-majoor aanbood, met verzoek een glas op zijne gezondheid te drinken, helderde het barsche gelaat op, en sprak die kompagnie’s moeder met bewogen[87]stem, terwijl hij den nieuwbakken sergeant de hand reikte:„Je bent een nobele kerel! Met jou is wel land te bezeilen!”Herman bloosde als eene jonge meid bij dat apokryphe kompliment, hetgeen een tweeden en nog onstuimiger aanval van den kant der sergeant-majoors-vrouw uitlokte.Toen Herman zijne bevordering later met Frank besprak, gaf hij zijne verwondering te kennen over die uitkomst.„Hebt ge Kaatje Ebstein niet zien blozen?” vroeg Brinkman.„Ja, maar.… dat meisje kan toch met blozen geen sergeanten aanstellen?”„Ze kan meer dan dat? Maar.… als ge het geheim van die geschiedenis niet begrepen hebt, dan zult ge het wel nimmer vernemen, want ik vertel het niet. Daar kunt ge evenwel zeker van zijn, dat wanneer gij het zeegat uit zult zijn, die pendule hare plaats in den winkel weer hernomen zal hebben.”Het hoofddoel van het verblijf te Harderwijk was thans bereikt. Herman en Frank waren sergeant; zij verlangden thans slechts te vertrekken. De dienst was daar bij het Koloniaal Werfdepôt in die dagen zeer onaangenaam. Over dag moest hard met de recruten geexerceerd worden, en des avonds moesten de gegradueerden zware patrouille-dienst verrichten, om de wezens, die daar in dat Zuiderzeestadje te zamen gebracht waren, in toom te houden. Daarbij moesten dan, vooral na het avondappèl, wanneer aan de patrouilles het wachtwoord gegeven was, dat verscheidene manschappen ontbraken, de afzichtelijkste holen binnengedrongen worden, om de rampzaligen uit den jeneverwalm of erger nog, uit de armen der priesteressen van de walgelijkste ontucht te[88]sleuren. Tooneelen hadden dan plaats, waarbij de menschheid zich het gelaat sluieren moest; maar die door de jongelieden niet te vermijden waren. Het gebeurde toch soms, dat de veile deernen de rampzaligen, die tengevolge van overdaad van drank daar bewusteloos neerlagen, tegen de vertegenwoordigers der openbare macht poogden te verdedigen, dat zij zich wapenden met hare haarkammen en als furiën met losgierende haren op de patrouillemannen losstormden, welke laatsten dan, hoe ongaarne ook tegenover vrouwen, uit zelfverdediging genoodzaakt waren, geweld met geweld te keeren.Bij zoo’n gelegenheid had Frank eens eene hetaïre met de haft zijner bajonet op het hoofd moeten slaan, zoodat zij bewusteloos voor zijne voeten neerzonk. Hij had dit feit diep betreurd; maar, had hij zich niet verdedigd, dan ware voorzeker zijn gelaat door het woedende vrouwelijke monster ongenadig met haren stalen kam toegetakeld.De jongelieden bespraken die ergerlijke tooneelen dikwerf, en legden dan onverholen hunnen afkeer van een langer verblijf te Harderwijk aan den dag.„Wat mij ook hier tegen de borst stuit,” sprak Herman bij een dier gelegenheden, „is het zien aankomen van de luttele detachementen, die uit Indië terugkeeren. Hoe zien die arme kerels er uit! Mager, geel, perkamentachtig, met gezichten zoo hoekig alsof een langdurig gebrek hun deel geweest was, met diepliggende oogen en zeer gebogen gestalten, meestal verminkt en gebrekkig en hulpbehoevend. Gij ziet ze hier ter sluiks aankomen in hunne vaalgrijze pij gestoken, alsof ze uit een tuchthuis ontslagen zijn. Eenige weken ziet ge ze hier rondscharrelen, dan wordt hun wat geld in de handen gestopt, natuurlijk zoo min mogelijk—en dan verdwijnen zij. Waarheen?.… Ik vroeg laatst aan zoo’n ongelukkige,[89]of hij nog familie-betrekkingen had. „Neen,” was het antwoord. „Waar gaat gij dan heen?” Bitter lachend antwoordde hij: „ik ga den boer op, het kind wiegen.” Is dat geen aanklacht jegens de Nederlandsche natie dat de verdedigers van Indië, van het kostbaarste kleinood hetwelk zij bezitten, zoo’n heenkomen moeten zoeken?.. God, God, zouden wij ook eenmaal zoo moeten terugkomen?… Het is soms om aan de toekomst te twijfelen.”„Dat moogt ge niet,” bemoedigde dan Frank. „Wij moeten trachten in andere spheren te geraken. Bij ijver en goeden wil staat ons de weg daartoe open.”„Is het u ook niet opgevallen,” ging Herman in dezelfde misantropische bui voort, „dat die arme bliksems zoo met stille trom hier aankomen, terwijl de detachementen, die naar Indië vertrekken, met volle muziek uitgeleide gedaan worden. Het is alsof men de dankbaarheid zoo ver drijft, dat men zich over hunne bewezen diensten schaamt.”Frank zette een half spottend gezicht.„Het is niet goed,” sprak hij, „daarover veel na te denken. Zooals ik reeds zeide, wij moeten trachten niet aldus terug te komen in het vaderland. Voor ons moet het in de loopbaan, die wij gekozen hebben, steeds zijn: „Excelsior! hooger! immer hooger!””Herman zuchtte. Het was werkelijk, of hij soms weifelde, nu het vertrek naderbij kwam. Daar moest een einde aan komen; daarom opperde Frank op een morgen: „Wij zullen nu maar aan de reis denken en den kolonel verzoeken met een der eerstvertrekkende detachementen te mogen medegaan.”„Ja, maar ik wilde alvorens mijne ouders nog eens weerzien,” sprak Herman, „om afscheid van hen te nemen.”„Dan moet ge verlof vragen.”[90]„Juist dat wilde ik doen.”„Hoeveel tijdwenschtetgij te hebben,” vroeg Frank.„Niet te lang, het zal een treurige tijd zijn,” antwoordde Herman. „Mij dunkt dat veertien dagen voldoende zullen zijn.”„Dat’s afgesproken. Ik stel dan mijn verzoek om af te reizen tot uwe terugkomst uit.”Herman had gelijk; het zou een zeer treurige tijd zijn. Het afscheid van den zoon van zijne ouders was onvermijdelijk, maar zou bitter voor alle partijen zijn. De ouders gingen hun kind verliezen, de zoon zou weldra zijne ouders derven.Toen de moeder haar kind in de afzichtelijke grauwe pij gewikkeld zag, die den al te weidschen naam van kapotjas droeg, barstte zij in snikken uit:„Als een galeiboef!” kreet zij en wrong zich de handen.„De pij maakt den monnik niet,” antwoordde haar Herman. „Onder dezen kapotjas klopt mij het hart vrijer, warmer, dan het zich onder de soutane zou hebben mogen bewegen.”„O! welk ontwaken!” jammerde de moeder. „Welk ontwaken uit mijne schoonste droomen! En dan, mijn oudste kind zoo ver weg!”„Nog is dat kind gereed in uwe nabijheid te blijven!” antwoordde Herman ernstig.„Zou het mogelijk zijn?” vroeg de vader.„Te Harderwijk is met geld alles mogelijk. Ik heb slechts een plaatsvervanger te stellen.”„O! Herman, doe dat dan! doe dat dan!” snikte mevrouw Riethoven.„Gaarne,” was Herman’s antwoord. „Geef slechts uwe toestemming, dat ik mijne studiën op de hoogeschool mag vervolgen.”[91]Een schok trilde door de ledematen der arme dweepzieke moeder. Daar doemde voor haren geest de strenge gestalte van den directeur Peeters op. De arme vrouw hoorde reeds het anathema, hetwelk haar treffen zou. Haar zoon een gevaar voor de Kerk! Dat kind, wat zij gebaard en gezoogd had, dat vleesch van haar vleesch, dat bloed van haar bloed zou een suppoost van Satan worden, zou als tegenstander van de Kerk van Christus optreden! „O! nooit, nooit!” galmde het in haar gemoed. Maar, dan sloeg zij het oog op haren zoon. Daar stond hij voor haar, die eersteling van hare huwelijksliefde, daar stond hij voor haar met dien afschuwelijken kapotjas om de lendenen, met die afzichtelijke kwartiermuts op het hoofd, daar stond hij voor haar, gereed om naar dat verwijderde land te gaan, naar dat land, hetwelk haar zoo vol gevaren, zoowel zedelijke als lichamelijke afgeschilderd was, naar dat land, waaromtrent hare ziel uitspraak deed:dat hij, die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is om naar den Oost te gaan, en.… met één woord kon zij aan die geheele toekomst van haar kind, die haar tegengrijnsde, een andere richting geven. Met één woord kon zij dien kapotjas in eene toga veranderen. O! de bekoring was zwaar. Zij boog het hoofd, al dieper en dieper. Zij vouwde de handen.„Heere,” bad zij, „verlaat mij in dezen stond niet! Ik heb uwe hulp zoo noodig!”Vader en zoon zagen den vreeselijken strijd aan, die daar gestreden werd. Geen van beiden hadden evenwel eenige hoop.„Wel, wat is uwe beslissing?”Die vraag was zacht, uiterst zacht van Hermans lippen gegleden, terwijl hij zijne moeder den arm om den hals sloeg. Toch verbraken die weinige woorden de betoovering, die haar omstrengeld hield.[92]„Nooit! nooit!” prevelde zij met saamgeknepen lippen.Herman liet haar uit zijn armen los.„Dan valt er niet meer te jammeren, mameer!” sprak hij hoogst ernstig. „Dan is mijn lot beslist!”Weinige dagen later had de tegenhanger van dat tooneel plaats, toen Herman bij de familie Fraenkel afscheid ging nemen. Bij zijn binnentreden trof hij Lydia een oogenblik alleen. Toen zij hem in dat militaire pak zag, barstte ook zij in tranen los. Een oogenblik zou de verteedering hier een keerpunt hebben kunnen aanbrengen; maar, daar traden Lydia’s ouders binnen en met die was ieder uitzicht op toenadering verdwenen. De jongelieden reikten elkander de hand.„A Dieu!” stamelde Herman met een snik.„A Dieu!” herhaalde het meisje schier onhoorbaar dat in Limburg zoo gebruikelijk afscheidswoord, en wees met den vinger naar boven. „A Dieu!”Den avond voor het vertrek vereenigden zich nog eenige familieleden en vrienden bij de familie Riethoven. Helaas, het had veel van eene uitvaarts-plechtigheid. Alle aanwezigen waren ontroostbaar. Alleen Herman was uiterlijk kalm. Zelfs op een gegeven oogenblik rees hij op, en met eene stem, alsof hij op eene nutsvergadering eene voordracht hield, reciteerde hij:„Vaarwel, mijn vaderland, mijn ouders en bekenden!Het scheidensuur breekt aan, ontvangt mijn afscheidsgroet.Ras zal de brooze kiel van Holland’s kust zich wenden!En voeren ver mij voort langs d’ onafmeetbren vloed!…”„Schei uit Herman!” riep een der aanwezigen. „Zie toch uwe moeder!.…”De arme vrouw baadde in hare tranen, hare snikkenbelettenhaar eenig geluid uit te brengen. Was het wreedheid van Herman? Was het overspanning? Helaas! nimmer heeft hij zich eene juiste rekenschap weten[93]te geven van de gevoelens, die hem dien avond beheerscht hadden. Menigmaal heeft hij evenwel later dat oogenblik met weemoed, ja met diep berouw herdacht.Den volgenden morgen, toen het laatste scheidingsoogenblik aangebroken was, knielde hij voor zijne ouders, en bad hen om hun zegen. Beiden legden hem de handen op het hoofd.„Ga in vrede!” sprak de vader met van aandoening trillende stem.„Dat God u geleide, mijn zoon! mijn oudste!” kermde de moeder en viel schier in zwijm. Met veel moeite hield zij zich staande.Herman stapte voort. Bij het omslaan van den hoek der straat, waarin het ouderlijk huis gelegen was, wierp hij nog een blik achterwaarts. Daar stonden beiden met ten hemel geheven handen hem na te staren. Dat was de laatste blik, die gewisseld werd. Herman zag zijne ouders nimmer weer.EINDE VAN HET VOORSPEL.[95]

[Inhoud]IV.Bij het Koloniaal Werfdepôt.Eenige dagen later noodigde Herman zijne ouders tot een mondgesprek uit. Hij wilde nog eene poging wagen om hen over te halen, hem te veroorloven zijne studiën aan eene Hoogeschool te vervolgen, alvorens een wanhopig besluit te nemen. Helaas! die poging was ijdel, zij stuitte af op de dweepzucht zijner overigens zoo liefderijke moeder. Ernstig en vastberaden gaf zij te kennen, dat zij daarin nooit zou bewilligen. En haar echtgenoot, die, wel is waar, met onverholen genoegen gezien had, dat Herman zijne plannen, om priester te worden, vaarwel gezegd had, waagde het thans niet met zijne echtgenoote in het strijdperk te treden, en de almacht èn van den biechtvader èn van den directeur Peeters te betwisten. Wel was hij geen broedermeester, ook geen lid der O. L. Vrouwenkamer; maar hij was een minnaar van huiselijken vrede, en hij wist bij ervaring dat, wanneer hij in botsing met de geestelijke heeren zou komen, die vrede ernstig bedreigd zou zijn, ja te gronde zou gaan.[66]Hermans pogen leed dus schipbreuk, aan den eenen kant op de onverzettelijke vasthoudendheid zijner moeder, aan den anderen kant op de geestesslapheid zijns vaders.„Gij weigert dus bepaaldelijk?” vroeg hij met eenige aarzeling in zijne stem.„Bepaaldelijk en voor altijd!” antwoordde zijne moeder.„Dan kom ik met een tweede voorstel voor den dag,” sprak Herman hoogst ernstig. „Ik had uwe weigering voorzien en heb diep nagedacht!”„Laat hooren,” antwoordde de vader. „En geve de Hemel, dat wij het inwilligen kunnen, dan komt aan dat gezeur een einde.”„Ziet hier. Belet gij mij eene wetenschappelijke loopbaan te betreden, dan wenschte ik in den militairen stand fortuin te beproeven.”Een oogenblik zaten de beide ouders stilzwijgend daar neer. Zij dachten diep na.„Daar heb ik niets op tegen,” sprak eindelijk zijne moeder. „De militaire stand is eene zeer eervolle.”Herman glimlachte bitter bij die bemerking. Was de rechtsgeleerde eene niet even eervolle?„Gij zijt evenwel te oud om naar Breda te gaan,” merkte de vader op.„Ik wenschte ook niet naar Breda te gaan,” antwoordde de jongeling.„Dan naar Kampen? Maar, zijt gij daartoe ook niet reeds te oud?”„Ook dat niet,” klonk het bedaarde antwoord.„Maar wat dan? Dienst nemen bij een der regimenten? Dat zal u tegenvallen.”„Neen, mompeer, ik wensch naar Harderwijk te gaan en.… kan het, met de eerste gelegenheid naarNederlandsch-Indië!”[67]„Naar den Oost!”.… kreet mevrouw Riethoven.„Naar den Oost, gij zegt het, mameer!” sprak de jongeling met klem.„Maar, dat is een wanhoopsbesluit!”„Wel mogelijk,” antwoordde Herman dood bedaard. „Daar in het verre oosten heeft de militaire wereld recht van bestaan. Daar bij den strijd der beschaving tegen de barbaarschheid is het krijgsmanskleed een soort priestertoga. Daar ginds is nut te stichten, en wellicht.… vergetelheid te vinden!”„Een mijner kinderen naar den Oost!” jammerde de moeder.„Laten wij geen overijlde besluiten nemen,” sprak de vader. „Gij zijt nog niet meerderjarig, bijgevolg hebt gij onze toestemming noodig om dat plan te kunnen volvoeren. Ik eisch van u, dat gij het drie volle maanden in bedenking neemt.”„Mompeer!.…” meende Herman in het midden te moeten brengen. „Drie maanden is …”„Van dien eisch gaat niets af,” antwoordde de heer Riethoven met nadruk. „Blijft gij na ommekomst van dien tijd uw voornemen getrouw, dan zal ik mij daartegen niet aankanten. Evenwel dan heb ik nog een eisch te stellen, of beter eene belofte te vorderen.”„En die is?”„Dat gij te Harderwijk blijven zult, totdat gij den onderofficiersgraad zult behaald hebben.”„Maar!…”„Zonder die belofte geene toestemming,mijn zoon!” was het bedaarde antwoord.Herman boog het hoofd onder die beslissing. Hij moest wel toegeven. Zijn vader verschafte hem de geldelijke middelen om gedurende die drie maanden een reisje te maken. Hij zou Aken, Keulen, Luik en Brussel[68]bezoeken. Van de verstrooiing, daardoor teweeg gebracht, verwachtte de heer Riethoven veel.De arme moeder stormde naar de kerk om daar haar gemoed in den biechtstoel uit te storten.„Helaas! eerwaarde heer,” kreet zij, „hij wil naar den Oost!”„Wel, wat zou dat?” klonk het antwoord zoo onverschillig mogelijk, nu die plannen een vorm aannamen, welke die der geestelijke heeren niet dwarsboomde. En met zalving: „De wil des Heeren moet geëerbiedigd worden! mijne zuster.”„Naar den Oost!Maar, eerwaarde heer, die vader en moeder vermoord heeft, is daartoe nog te goed. Kan dat de wil des Heeren zijn?”„Beter naar den warmen Oost, dan naar de nog warmer hel!” was het vrome antwoord.Daarmeê mocht de gefolterde moeder aftrekken. Snikkend verliet zij het bedehuis.Bij het einde van die drie maanden respijt keerde Herman te Maastricht terug. In zijne plannen was geene verandering gekomen. Hij herhaalde dus zijn aanzoek. Dat gaf natuurlijk aanleiding tot een deerniswaardig tooneel van de zijde zijner moeder. Maar de jongeling bleef zijn voornemen getrouw. Er was niets aan te doen.De noodige papieren werden bijeengebracht, en acht dagen na zijn terugkeer zat Herman in de diligence, die hem over Roermond, Venlo, Nijmegen, Arnhem, Utrecht, Amersfoort naar de plaats zijner bestemming bracht.„Stilte daar! Stilte! Zijt jullie dol!” klonk de stem van een sergeant van het vaste kader te Harderwijk[69]tot een troep mannen, die hem in de kruisgangen van het kleedingmagazijn van het koloniaal werfdepôt omringden. „Stilte daar voor den drommel!”Het was een uitgezocht zoodje, dat daar verzameld was, ten einde de zoo fraaie en zoo smaakvolle uniform van het Nederlandsch Indisch leger aan te trekken. Het liep toen ten tijde naar het einde van den Krim-oorlog. Groot Britannië dankte hare vreemden-legioenen af, en was blij dat gespuis goedschiks kwijt te raken. Nederland daarentegen beijverde zich vlijtig die lievertjes voor zijne zoo schoone koloniën aan te werven. Het zond zijne zielenverkoopers uit, en die, zich wapenende met valsche papieren, brachten voor en na een welkomen buit te huis van de meest uiteenloopende bestanddeelen. Het troepje, hetwelk daar gereed stond om gekleed te worden, was een proefje van de zoo rijke staalkaart der Europeesche nationaliteiten. Hier kruiste zich het:damned rascalvan een Engelschman met hetverfluchter Schweinhundvan een Duitscher: elders het:sacré nom d’un chienvan een Franschman met het:zaide ge zot! begot! zulle!van een Vlaming enz. enz.; terwijl Israëls volk daar door een paar specimina vertegenwoordigd was, die niet het minste lawaai maakten bij het schatten, het loven en bieden ten opzichte van de vrij kale plunje, die de aanstaande verdedigers onzer koloniën om het lijf hadden. Want, als straks dat troepje, in hun helden-pakje gestoken, naar de kazerne zoude marcheeren, mocht niemand hunner iets van hunne burgerkleeding daarheen meênemen; zij moesten alles van de hand gedaan hebben, ten einde zoo veel mogelijk desertie te voorkomen.Herman Riethoven bevond zich onder dat troepje. Schuw te midden van die woeste bende, had hij zich eenigszins in een hoek teruggetrokken, en stond dat[70]tooneel gade te slaan. Hij was sedert een paar dagen te Harderwijk aangekomen, en had zijn intrek in het logement van den heer Courtois genomen, dat vlak tegenover de kazerne gelegen was. Dadelijk na aankomst had hij zich aangemeld, en zijn voornemen kenbaar gemaakt om in militairen dienst voor de Oost-Indische bezittingen te treden.Daags daarna was hij door een der officieren van Gezondheid van het garnizoen geneeskundig onderzocht, en goedgekeurd geworden. Thans bevond hij zich in het kleedingmagazijn om zijne metamorphose van burger in krijgsman te voltooien.„Zeg, jij polletiek!” riep hem een korporaal toe, „als je straks in de kazerne komt, dan moet je maar dadelijk dien mooien krullebol laten knippen.”„Hebt u het tegen mij, korporaal?” vroeg Herman.„Ja, tegen wien anders? Ben je nou al suf gediend?.…”was het barre antwoord. „Denk er om, dat je straks dien raagbol laat knippen. Ik wil voor jou de kas niet indansen. Ik heb de kompies barbier reeds gewaarschuwd. Twee duim van voren, een duim van achteren. Je zult er kranig uitzien!”Herman liet zijne hand met een zucht door zijne donkerbruine krullen gaan. Sedert hij Rolduc verliet, had hij zijn haardos laten groeien, en stond hem die niet kwaad.„Twee duim van voren en een duim van achteren,” herhaalde hij in zich zelven. „Drommels! ik zal weer zoo’n kopje krijgen als in het seminarie. Waarachtig,les extrêmes se touchent.”„Je treft het niet,” zei de korporaal met een spotachtigen glimlach op de lippen.„Wat tref ik niet, korporaal?” vroeg de politiek onderdanig.[71]„Waarom heb je niet gevraagd om bij de baronnen-kompie geplaatst te worden?”„De baronnen-kompagnie, wat is dat?” vroeg Herman met bevreemding.„Kom, hou me niet voor den gek! Weet je niet wat de baronnen-kompie is? Dat is de vierde kompie. Daarbij worden zij geplaatst, die zonder handgeld teekenen. Daarbij zijn echter waarlijke baronnen en echte graven.”„Zoo. Neen, ik ben bij de derde kompagnie ingedeeld.”„Heb je al kennis met je sergeant-majoor gemaakt? Niet? nou dat moet je doen. Dat is de moeder van de kompie. Een flinke vent, die majoor. Heb je je kleeren al verkocht?”„Neen, nog niet.”„Wat moet je er voor hebben?”Een paar joden waren nabij getreden.„Nah! ik gheef ongezien vhijf en twintig guldes,” zei de een, terwijl hij de panden van Hermans jaquette betastte.„Wil je maken! dat je weg komt, leeleke smous!” zei de korporaal.„Nah! ik mhag me handel wel dhrijven, khorpraalh! ik heb permissie van den kornel!”„Maar niet om me onder me duiven te schieten, weergasche jood!”De andere zoon Israëls was Herman ongemerkt van achteren genaderd, en bekeek daar zijne kleeding nauwkeurig.„Ongezien gheef ik acht en twintig guldes, nah! wat zeg je?” zei hij tot den jongen man.„Je bederft den mharkt, Nathan,” schold de eerste. „Ikke gheef dhertig, Nah!”„Bliksemsche smousen!” brulde de korporaal.„Wat is daar te doen?” riep plotseling eene stem.[72]Het was de onder-adjudant van het koloniaal werfdepôt. Hij naderde, en toen hij Herman in het oog kreeg:„Laat je door die joden niet bedonderen, Riethoven,” sprak hij. „Je weet wat ik je gezegd heb?”Bij zijne aankomst te Harderwijk had Herman zich bij dien onder-adjudant vervoegd. Die had hem toen naar het bureau van den kolonel begeleid, waar hij aan den luitenant-adjudant zijn voornemen om dienst voor de koloniën te nemen bekend had gemaakt, en zijne papieren had afgegeven. Bij die gelegenheid had de onder-adjudant een kennersblik op Hermans kleeding geworpen, en hem gezegd, dat hij een koopman wist, die steeds den hoogsten prijs gaf.„Wij zullen straks er heengaan!” voegde hij er thans nog bij.„Komaan, sergeant! korporaal! laat de manschappen aantreden,” beval hij. „De officier van kleeding is er.”Op dat bevel trachtten èn de sergeant èn de korporaal zooveel mogelijk stilte te verkrijgen en orde te doen heerschen onder den luidruchtigen troep. Dat lukte aanvankelijk niet. Het was een geschreeuw en een getier in alle mogelijke idiomen, waar geen einde aan scheen te zullen komen. Eindelijk kwam de onder-adjudant den onderofficieren met zijn gezag te hulp.„Dondersche kerels!” bulderde hij met een alles overheerschende stem, „wil jullie wel den snater houden en aantreden, of ik breng jullie in de politiekamer!”Slechts eene halve stilte trad in. Engeland’s legionnisten waren aan geen krijgstucht gewoon. De korporaal beijverde zich die menschen in rij en gelid te scharen. Hij moest er zijn handen bij gebruiken, hen bij de schouders grijpen, en hen brengen waar hij ze hebben wilde. Eindelijk lukte het, hen in een of twee rijen opgesteld te krijgen. Zij werden daarna in een nabijgelegen[73]gang geleid, waar de administratie-officier zich met een aantal helpers bevond. De monteeringstukken werden nu uitgedeeld, en weldra was het geheele troepje bezig met zich te verkleeden, met te passen, te meten en te ruilen, waarbij al weer niet weinig luidruchtigheid aan den dag gelegd werd, en waarbij menige vieze onderplunje voor den dag kwam.Herman was ook weldra druk bezig met zich te verkleeden. Nu eens was hem een pantalon toegeworpen, die voor een reus gemaakt scheen, en waarin hij, die toch waarachtig niet tot de tengeren behoorde, in zwom, toen hij ze aangetrokken had. Een oogenblik later moest hij hulp hebben om uit eene andere pantalon te geraken, zoo smal was zij, waarin hij op hoog bevel van den officier gekropen was. Zoo ging het met zijn mouwvest, met zijn kwartiermuts, in één woord met alles. Het eerste paar schoenen, dat hem aangereikt werd, was in omvang aan eene kanonneerboot gelijk. In het daarop volgende zaten zijne voeten zoo gekneld, dat hij niet staan kon. Maar eindelijk toch was hij klaar. Toen hij over die nieuwe plunje den afschuwelijk leelijken grauwen kapotjas aangetrokken had, die de verdedigers van Neêrlands koloniën op tuchthuisboeven doet gelijken, mompelde hij met een glimlach, maar toch met een zucht:„Ik wou me nu wel eens in den spiegel kijken, ik moet er mooi uitzien!”„Dat doe je ook,” klonk eene stem, het uitgierende van het lachen, achter hem.Herman keerde zich om, en slaakte een kreet van verrassing. Daar was wel reden toe.„Jij hier Frank?” riep hij uit.„Ja, ik hier!” antwoordde onze bekende van den Sint Pietersberg.[74]„Jij, jij Frank Brinkman!!! Je komt als uit de lucht gevallen!”„Ja! ik Frank Brinkman! Uit den hemel kom ik niet direct,” antwoordde hij lachende.„Maar laat mij je eens bekijken.…. Het is om het uit te schreeuwen! Die mooie politiemuts, in den vorm van eene afgeknotte kachelpijp op dien krullenkop, die klep vierkant en breed als een luifel boven je oogen, die stijve nek gewrongen in dien komieken stropdas, die mooie kapotjas, die je zoo gracieus om de lendenen fladdert, die pantalon sierlijk een handbreed over je voet omgeslagen, en dan die geelleeren schoenen, in vorm en in omvang zoo weinig verschillende van een tjalk, kijk, dat vormt een geheel, waaruit je zoo echt lummelachtig te voorschijn treedt … O! dat Lydia je zoo eens kon zien! Kerel, je moet jelaten photografeeren!”Ja, het was Frank Brinkman, de jongeling dien de lezers op Slavante ontmoetten, die Herman thans zoo luidruchtig en vroolijk te gemoet trad. Zijne geschiedenis was gauw verteld. Zijn vader, een zeer gezien man in de nijverheidswereld te Leiden, was plotseling overleden. Steeds had die man een zeer ruim bestaan in zijne zaken gevonden, maar had geen vermogen vergaard. Toen de inventaris na dat overlijden opgemaakt was, bleef voor de kinderen, die reeds vroeger moederloos waren geworden, niet veel over.Frank, die steeds van een avontuurlijken geest bezield was geweest, maakte niet veel misbaar. Hij deelde zijn voogd mede, dat hij naar Harderwijk wenschte te gaan, om inNederlandsch-Indiëde militaire loopbaan te betreden. Die had gemakshalve niets tegen dat plan van zijn pupil, die hem tot last dreigde te worden. Frank was nu reeds twee maanden bij het Koloniaal werfdepôt, en deed dienst als militair schrijver op het bureau van den kolonel kommandant.[75]„Ik reken aanstaande maand tot korporaal bevorderd te worden,” zei hij. „Drie maanden later hoop ik fourier of sergeant te zijn, en dan snij ik de laan uit. Het is hier een liederlijk gemeen nest.”„Kom, voortmaken!” maande de onder-adjudant aan. „Sergeant, laat de manschappen zich haasten met passen en daarna aantreden!.…”„Wil ik je een goeden raad geven?” zei Frank gehaast. „Geef dan je burgerkleeren aan den onder-adjudant.”„Hij heeft er al genoeg naar gehunkerd,” antwoordde Herman. „Maar … men heeft er mij reeds vijfendertig gulden voor geboden.”„Dat’s veel; maar getroost je dat verlies; dat zijn vijf en dertig gulden, die geen windeieren leggen zullen. Hebt ge nog niet een pak in uw koffer?.. Geef dat dan aan den dubbelen.”„Aan den dubbelen!… Wie is dat?”„Dat is de sergeant-majoor der kompagnie. Geloof me, doe dat. Je zult het je niet beklagen.”Herman luisterde naar dien raad. Nog voor dat de troep rekruten het kleedingmagazijn verlaten had, was de plunje, die hij aan gehad had, in eigendom van den onder-adjudant overgegaan. Toen hij straks inspectie in zijn koffer hield, werd de moeder der kompagnie even mild bedacht. Zooals Frank voorspeld had, bleven de gevolgen niet uit. Vooreerst werd onze rekruut bij de excersitiën steeds gedrild door een instructeur, die aan de behoorlijke kennis eene zekere mate van beschaving en zachtaardigheid paarde, waardoor hem het ruwe van de eerste oefeningen, welke door de liederlijke en god-tergende taal van hen, die in die dagen met het onderwijs belast waren, voor de fatsoenlijke jongelieden zoo moeielijk gemaakt werden, veel bespaard werd. De sergeant-majoor zorgde er voor, dat zijn beschermeling,[76]nadat hijafgeëxerceerdwas, van corveeën verschoond bleef en, was dat niet altijd mogelijk, dan stond hij steeds genadig toe, dat Herman een plaatsvervanger daarvoor aanwees. Dat kostte dezen natuurlijk geld, maar hoe ijverig hij zijn nieuwen stand ook aanvaardde, er waren soms werkzaamheden te verrichten, die hij toch gaarne op een ander overdroeg.Dienzelfden dag dat Herman gekleed was, werden hem de krijgsartikelen voorgelezen. Maar de fourier, die die voorlezing bewerkstelligde deed dat zoo rad en met zoo’n eentonige stem, dat met den besten wil van de wereld van het gehoorde niets te maken was. Gelukkig! want die aaneenschakeling van bedreigingen met strop, kogel, kruiwagen, wegjaging als eerloozen schelm, enz. enz. zou den eenvoudigen burgerjongen slechts slapelooze nachten berokkend hebben. Na dat voorlezen der krijgsartikelen werd overgegaan tot het teekenen van de engagements-acte, welke handeling gepaard ging met het uitbetalen der handgelden aan hen, die zich op die voorwaarden verbonden hadden. Frank had zijn vriend gewaarschuwd die engagements-acte nauwkeurig te lezen, alvorens zijne naamteekening er onder te zetten. De moeite was evenwel overbodig, want het stuk was volmaakt in orde. Anders was het met dat van een ander rekruut, die, het voorbeeld van Herman volgende, de engagements-acte vroeg in te zien:„Vergeef mij, heer kapitein,” sprak deze, „ik had het beding gemaakt, dat ik mij niet voor de Overzeesche bezittingen, maar wel voor de Oost-Indische bezittingen wensch te verbinden.”„Dat is gauw genoeg geredresseerd!” stamelde de sergeant-majoor met zekere zenuwachtigheid in antwoord op den vragenden blik van den kapitein kompagnieskommandant, die deze dienstregeling bijwoonde.[77]„Dat had in orde moeten zijn, sergeant-majoor!” was het ernstig antwoord van dien officier.„Maar dan is er nog iets,” vervolgde de rekruut met een flauwen glimlach op het bleeke gelaat. „Ik wensch geen handgeld te ontvangen. Wel is de som hier in de acte niet ingevuld, maar daar de noodige doorhaling der daarop betrekking hebbende woorden niet geschied is, zou dat verzuim mij later in mijne loopbaan kunnen benadeelen.”Toornig stoof de kapitein op, greep de engagements-acte, overtuigde zich dat de gemaakte bemerking juist was, deed haar redresseeren en den sergeant-majoor voor die nieuw aangenomen manschappen, die daar vereenigd stonden, niet willende terechtwijzen, sprak hij:„Wij zullen straks dat varken wel wasschen!”Middelerwijl greep de betrokken rekruut Hermans hand en kneep die gevoelig:„Ik dank u,” sprak hij fluisterend, „gij hebt mij, hoewel onbewust, den grootsten dienst der wereld bewezen. Zonder uwe voorzorg zou ik mijne verbintenis geteekend hebben zonder haar in te zien. En dan was mijne geheele toekomst verloren geweest.”Later vernam Herman van Frank dat het aannemen van handgeld in die dagen een beletsel daarstelde om den officiersrang te behalen.„Menige reclame wordt deswege uit Indië ontvangen,” vulde hij aan. „Maar steeds moet dan volhard worden bij het door den belanghebbende zelf geteekende, terwijl bovendien de handgeldstaten èn van de kompagnie èn van den kwartiermeester kloppen. Zoo is menige toekomst ergerlijk verwoest geworden.”15„Dat is toch vreeselijk ongelukkig. En … wat zal nu met dien sergeant-majoor gebeuren? Men heeft nu een geval.… Me dunkt, dat die man niet in zijn graad gehandhaafd kan blijven!”[78]„Herman, je bent nog onnoozel, men kan wel zien dat je nog niet lang hier bent. Die sergeant-majoor krijgt eenvoudig een uitbrander, en daarmee is het uit. Hij zal een volgende maal niet eerlijker maar voorzichtiger handelen. O ja, nog eene recommandatie! Tracht vooral goede maatjes te zijn met de vrouw van dien sergeant-majoor.”„Met zijne vrouw?…” vroeg Herman, ten uiterste verbaasd zijn vriend aankijkende.„Ja, zeker. Als je niet bent als een dergenen, waarvan de psalmist zegt: „Zij hebben oogen en zien niet,”dan zul je mij later wel begrijpen. Daarbij het is geen zwaar corvée dat ik voorstel. De sergeant-majoorse is eene verduiveld mooie vrouw. Ik zal u nog een adres opgeven. Als ge u daar weet in te dringen, dan zijt ge al heel gauw korporaal en onderofficier.”„Ook eene vrouwengeschiedenis?”„Welzeker, eene vrouwengeschiedenis geboord met een zilveren randje.”Herman maakte een gebaar van walging.„Daar ginds te Rolduc hebben ze je en mij te Katwijk ingepompt, dat het doel de middelen heiligt. Toon nu dat het uitgestrooide zaad niet op de steenrots viel.”„Ja, maar, met die wereld heb ik geheel gebroken, dus ook met hare leerstellingen.”„Daar wensch ik je geluk meê. Het zal evenwel noodig zijn je te schikken naar de wereld, waarin ge u thans verplaatst bevindt.”En dat was eene vreemde wereld, dat zou Herman genoeg ondervinden.In die dagen wielde het schuim van geheel Europa te Harderwijk samen. Door de Nederlandsche wervers opgespoord en opgedoken uit de somberste holen der maatschappij, was en werd een troep mannen bij elkander[79]gebracht, die niet alleen de grootste verscheidenheid in nationaliteit maar ook in maatschappelijken en moreelen stand vertoonden. Waren er, die bij het onderteekenen hunner engagements-acte slechts gebrekkig konden schrijven, omdat de hand vereelt was door het behandelen van voorhamer, zaag, ploeg, schop, pikhouweel, koevoet of ook door het hanteeren van het breekijzer; waren er zelfs, uit de onderste lagen der maatschappij afkomstig, die niet eens geleerd hadden hunne naamteekening te zetten, en zich met het krabbelen van een gebrekkig kruisje behelpen moesten, daartegenover stonden er ook, die met een soort van zwier hunnen naam griffelden; zelfs waren er, die dien naam door het praedicaat van Baron of van Graaf lieten voorafgaan.Onder de Harderwijksche legenden, die in de wachtlokalen van het garnizoen, gedurende de lange winteravonden rondom de gloeiend gestookte kachel verteld werden, werd die van den Spaanschen graaf Don Ramoraz, die generaal geweest was onder Espartero, nimmer vergeten. Fluisterend werd dan verteld, dat die Hidalgo in een vreeselijke jaloersche bui zijne vrouw vermoord had, waarna hij, vergezeld van zijn adjudant Don Xilanos, een flink jong mensch, zijn vaderland ontvlucht was, en beiden, door den nood gedrongen, dienst voor de Nederlandsche Bezittingen genomen hadden. Werd dat verhaal opgedischt, dan ontbrak nimmer een ooggetuige, die den Spaanschen Grande met zijne grauwe haren en in zijn grauwen kapotjas gewikkeld, den bezem had zien hanteeren en de afzichtelijkste corveeën uitvoeren; terwijl er dan steeds met eene aandoenlijke schildering vervolgd werd, hoe Don Xilanos zijnen gewezen bevelhebber smeekte, hem toch die walgelijke werkzaamheden te laten verrichten.[80]„Dat past uwe Excellentie niet,” fluisterde de gewezen luitenant dan.Of dat in het Spaansch of in het Nederlandsch gefluisterd was, werd er niet bij verteld. De toehoorders vroegen daar ook niet naar. Maar wel klonk steeds de vraag:„En is die Spaansche graaf met zijn adjudant thans in de Oost of in de West?”„In geen van beiden! Luister: Op een morgen stond die Excellentie met zijn adjudant in de keuken, en waren beiden bezig met de overige manschappen aan het aardappelen jassen. Ge kunt me gelooven of niet, sprak dan de verhaler met overtuiging, maar „de grijze krijgsman” zong juist hartelijk mede:Sla, kroten en andijvie!toen plotseling de luint-adjudant verscheen, die eerbiedig de positie aannam, de hand aan de klep van zijn schako bracht, en met luider stem tot de twee aardappelenjassers sprak: Uwe Excellentie wordt beleefd verzocht bij den kornel te komen.—„Mijn adjudant ook?” vroeg de Grande. „Uw adjudant ook,” antwoordde de luint. Beiden gingen toen heen. Wij hebben ze nimmer teruggezien. Maar Eefje Goster, je weet wel, dat lieve kindermeisje bij den kornel, heeft mij verteld, dat die beide kolonialen in de mooie kamer van de kornels woning curaçao-bitter gedronken, en zich daarna in een mooi verguld pak gestoken hadden, waarna zij in een fraai rijtuig met vier paarden bespannen, weggereden waren. De kornel was bij het instijgen den Grande behulpzaam geweest, en had hem hartelijk de hand gedrukt.”„Ja, je kunt hier te Harderwijk van alles te zien krijgen!” was de algemeene instemming.Zoo veel was zeker, dat al wemelde het in den tijd, toen Herman te Harderwijk was, niet van Excellenties[81]bij het Koloniaal Werfdepôt, zoo zou er toch wel een half dozijn Freiherren, Graven en Baronnen te zamen hebben kunnen gebracht worden, en waren namen als: Von Schwerin, Von Heinitz, Von Helmoldt enz. niet zeldzaam. Of die namen hun, die ze droegen, toekwamen? Te Harderwijk bestond daaromtrent niet de geringste zekerheid. Het was daar het verstandigste, den naam, dien men opving, slechts als herkenningsmiddel van het individu, die hem droeg, aan te nemen. En zelfs daarbij was nog omzichtigheid noodig; want, hoe dikwerf weerklonk niet de een of andere naam bij gelegenheid van de dienstappèls, en werd herhaald en nog eens herhaald, zonder met het gewone „present” beantwoord te worden.„Waar zit die lummel nu weer?” vroeg dan de sergeant-majoor wrevelig en overzag de gelederen.„Zeg!” riep hij dan eensklaps, „kun jij je mond niet opendoen, als je naam afgeroepen wordt?”„Ah! ja so, ich nenne mich jetzt.…”In het gewone leven ook was het niet zeker, dat antwoord bekomen werd, wanneer men iemand bij den naam riep, waaronder hij in de militaire wereld bekend stond. Gedachteloos herinnerde de geroepene zich dan niet oogenblikkelijk, dat hij van naam verwisselde.Dat misdadigers, ergerlijke misdadigers onder dien hoop schuilden, die een heenkomen achter het militaire kleed zochten en blij geweest waren, dat zij een werver ontmoetten, die hun valsche papieren bezorgde, en zoo de verdwijning van het tooneel in de hand werkte, wie zal dat bij kalm en onpartijdig nadenken ontkennen? Herman hoorde daar mompelen van Ehrensachen, van onbetamelijk schuldenmaken, van verwikkelingen in staatsaangelegenheden, van ongelukkige duels, maar ook van diefstal, van doodslag, van broedermoord, van verdierlijking, van ontucht, van.… ja! van wat niet al?[82]En al heerschte er ook al veel overdrijving in die verhalen, die fluisterend gedaan werden, zoo zag hij zich toch omringd van troniën, welke aan die verhalen wel klem bijzetten. Hij zag daar te Harderwijk tooneelen van de walgelijkste brooddronkenheid, van de liederlijkste uitspattingen, tooneelen, die hem wel eens berouw deden gevoelen over den stap, dien hij gedaan had. Gelukkig stond Frank hem ter zijde.„Ja, aangenaam is het niet,” zei deze, „tusschen dat schuim te moeten leven. Er zal ook eene zekere mate van zelfstandigheid toe behooren, om bij de aanraking daarvan niet bezoedeld te worden. Maar kijk goed rondom u. Wees niet stelselmatig in het onthouden van uwe genegenheid of van uwe vriendschap, evenmin als gij te vlug moet zijn met haar te plaatsen. Hier onder die kolonialen, vooral onder de Nederlanders, omtrent wier antecedenten men trouwens oneindig meer kieskeurig is dan bij de vreemdelingen, zult gij jongelieden aantreffen, wier gezelschap niet te versmaden is.”En de jeugdige practicus had gelijk. Zeker waren daar jongelieden, die hun gezelschap wel waard waren; die door het avontuurlijke aangetrokken, dienst bij hetNederlandsch-Indischeleger genomen hadden, en ook alle pogingen aanwendden om zich bij dat leger eene eervolle loopbaan te scheppen.Door die raadgevingen van Frank gesteund, was het begin niet al te lastig voor Herman. Hij was al heel spoedig afgeëxerceerd. Zijn natuurlijke aanleg had hem daarbij veel geholpen, maar ook een zekere mate van onbekrompen vrijgevigheid, die hem op Franks aanraden aanspoorde, de verschillende onderofficieren-instructeurs, met wie hij te doen kreeg, nu eens een dubbeltje, dan weer een kwartje, soms ook meer in de hand te stoppen, had er toe bijgedragen om hem als een soort feniks[83]te doen beschouwen. Hij woonde al spoedig de zoogenaamde theorie bij, die niet anders was, dan een opdreunen van de van buiten geleerde militaire reglementen. Hij werd dientengevolge al spoedig vice-korporaal, en hoewel het doorsnuffelen van de geheimen der soldatenschool eene uiterst dorre bezigheid te noemen was, overwon hij toch den tegenzin, die hem bij het van buiten leeren overviel van dat zinledige: „de hielen op dezelfde lijn en zoo dicht aan elkander gesloten als de gestalte van den man zal gedoogen …”„Bah!… bah!…” geeuwde hij evenwel dikwerf daarbij, terwijl hij zich de ledematen uitrekte en de soldatenschool, het reglementaire boekje, hetwelk er niet voor kon, dat het zoo saai en stoppelig geredigeerd werd, ver van zich wierp.„Bah!… hoe is het mogelijk, zooveel nonsens aan elkander te rijgen?”„En toch, je zit in het schuitje, Herman,” moedigde Frank hem lachende aan. „Je moet theorie pruimen, daar is niets aan te doen!”Het korporaal worden ging van een leien dakje. Vier maanden na zijne indiensttreding prijkte Herman met de kemelsgaren galons op de mouwen, en was niet weinig trotsch daarop. In de eerste dagen na die bevordering kon hij niet nalaten bij het wandelen zoo van tijd tot tijd een blik van vergenoegen op zijne armen te werpen.De bevordering tot sergeant had iets meer voeten in de aarde, maar kwam ook naar wensch te recht. Op aanraden van Frank had Herman eene kamer bij de weduwe Ebtuin in de Brugstraat te Harderwijk gehuurd, die behalve eene dochter en eene kleindochter, ook nog een grooten galanterie-winkel bezat. Zij had de ruimte boven dien winkel in kamertjes verdeeld, en stelde die[84]ter beschikking van de koloniale helden in spe, die zulks betalen konden en een plekje wenschten te hebben, waar zij zich van het kazernepubliek konden afzonderen. Die drie dames hadden in de militaire wereld te Harderwijk zeer veel invloed. Frank wist dat zeer goed, en Herman zou dat weldra ondervinden.Op een namiddag, toen de beide jongelingen te huis kwamen, merkte de oude weduwe het betrokken gezicht op, hetwelk Herman zette.„Wat scheelt er aan, mijn jongen?” vroeg zij op deelnemenden toon.Herman antwoordde niet. Nurks en wrevelig trok hij de schouders op.„Och, hij heeft het land,” sprak Frank, die reeds sedert eenigen tijd met de gouden galons op de mouwen prijkte. „Heden zijn een twintigtal onderofficieren aangesteld, en.… hij is er niet bij.”„Is het anders niet? Daar kan hij wel toe komen, niet waar Kaatje?” zei de weduwe glimlachend tot hare kleindochter.„Zeker moe,” antwoordde het snibbig ding, niet minder snedig lachende, evenwel met een blosje op de wangen.„Maar, intusschen ben ik het niet,” antwoordde Herman norsch, en wilde den trap opstijgen om naar zijne kamer te gaan.„Zou je zoo gaarne sergeant zijn, mijn jongen?” vroeg de oude mevrouw Ebtuin.„Welzeker! Zou ik niet?” was het antwoord, dat hij gaf.„Kom dan eens meê,” sprak de weduwe.Zij geleidde den jongman in het winkellokaal, dat voor een kleinsteedschen galanterie-winkel goed voorzien was.„Kijk eens,” zei ze, „is dat geen fraaie pendule? Een fraaier stuk hebt ge nimmer gezien.”[85]„Ja zeker, dat is een mooi stuk,” antwoordde Herman, nu met een kennersoog een blik op de bronzen pendule werpende, die hem aangewezen werd.„Zij kost tachtig gulden,” hernam de weduwe met een zekere intonatie.„Dat’s veel geld; maar voor hem die zoo’n stuk wenscht, toch niet te veel.”„Ik zal ze maar op uwe rekening schrijven, nietwaar?” vroeg zij met sluwen glimlach.„Op mijne rekening?… Wat zou ik met dat ding doen? Ik hoop over een paar maanden aan boord van het schip te zitten.”„Hij is niet erg bevattelijk,” sprak de weduwe tot Kaatje, die met Frank in de deur van den winkel stond te praten.Kaatje kreeg een blos, die haar niet onaardig stond. Frank lachte dat hij schudde.„Ik begrijp niet, wat mijne bevattelijkheid hier te maken heeft!” sprak Herman ietwat gebelgd.„Ge wilt spoedig sergeant worden?” vroeg de weduwe op ieder woord drukkende.„Zoo’n vraag!”„Wel, laat mij dan die pendule op je rekening schrijven,” zeide mevrouw Ebstein met een grijnslach.„Maar ik begrijp niet.…”„Dat’s ook niet noodig. Ik schrijf de pendule op en gij zijt, voor dat we vier en twintig uren verder zijn, sergeant. Is dat niet voldoende, zeg?”„Ja, in dat geval, maar ik begrijp niet.… Wat die pendule.…”„Behoeft ook niet. Als ge het resultaat maar begrijpt. Opschrijven, dus?…”Herman knikte toestemmend.Toen den volgenden morgen de sergeant-majoor der[86]3dekompagnie na terugkeer van het rapport, de orders op zijn bureau mededeelde, las hij de navolgende bataillons-orde voor:„No. 79. Ten vervolge op de bataillons-orde van gisteren No. 75, wordt alsnog aangesteld tot sergeant à la suite bij het Koloniaal Werfdepôt: de korporaal Herman Willem Hubert Riethoven; met bepaling, dat die bevordering zal rekenen in te gaan op den dag van gisteren.”„Sergeant Riethoven, ik feliciteer je wel met die bevordering,” sprak de sergeant-majoor na die voorlezing.Alle aanwezige onderofficieren, korporaals en vice-korporaals verdrongen zich om den gelukkigen, en drukten hem de hand. Zelfs de lieve sergeant-majoors-vrouw trad in dat oogenblik uit hare kamer te voorschijn, alwaar zij bezig was met groenten schoon te maken, veegde hare handen aan haren boezelaar af, greep Herman bij het hoofd en riep:„Mag ik je ook gelukwenschen, aardigen krullebol!”Zij kuste hem op beide wangen, en drukte hem met zoo’n innigheid en zoo’n onstuimigheid aan hare borst, dat zij beiden tegen den schrijflessenaar van den sergeant-majoor optornden, zoodat de registers daarop kantelden.„He! mijn administratie-boek!” riep de sergeant-majoor, niet zeer gesticht over de wijze van feliciteeren van zijne vrouw.„En dat je nu weg moet!” kreet de vrouw meewarig.De dubbele keek nog somberder. Het overige kader voorzag eene huishoudelijke onweersbui en droop af. Maar, toen Herman, na zich uit de armen der schoone losgewrongen te hebben, op de schrijftafel toetrad, daar een bon voor een twaalftal flesschen St. Estèphe krabbelde, dien den sergeant-majoor aanbood, met verzoek een glas op zijne gezondheid te drinken, helderde het barsche gelaat op, en sprak die kompagnie’s moeder met bewogen[87]stem, terwijl hij den nieuwbakken sergeant de hand reikte:„Je bent een nobele kerel! Met jou is wel land te bezeilen!”Herman bloosde als eene jonge meid bij dat apokryphe kompliment, hetgeen een tweeden en nog onstuimiger aanval van den kant der sergeant-majoors-vrouw uitlokte.Toen Herman zijne bevordering later met Frank besprak, gaf hij zijne verwondering te kennen over die uitkomst.„Hebt ge Kaatje Ebstein niet zien blozen?” vroeg Brinkman.„Ja, maar.… dat meisje kan toch met blozen geen sergeanten aanstellen?”„Ze kan meer dan dat? Maar.… als ge het geheim van die geschiedenis niet begrepen hebt, dan zult ge het wel nimmer vernemen, want ik vertel het niet. Daar kunt ge evenwel zeker van zijn, dat wanneer gij het zeegat uit zult zijn, die pendule hare plaats in den winkel weer hernomen zal hebben.”Het hoofddoel van het verblijf te Harderwijk was thans bereikt. Herman en Frank waren sergeant; zij verlangden thans slechts te vertrekken. De dienst was daar bij het Koloniaal Werfdepôt in die dagen zeer onaangenaam. Over dag moest hard met de recruten geexerceerd worden, en des avonds moesten de gegradueerden zware patrouille-dienst verrichten, om de wezens, die daar in dat Zuiderzeestadje te zamen gebracht waren, in toom te houden. Daarbij moesten dan, vooral na het avondappèl, wanneer aan de patrouilles het wachtwoord gegeven was, dat verscheidene manschappen ontbraken, de afzichtelijkste holen binnengedrongen worden, om de rampzaligen uit den jeneverwalm of erger nog, uit de armen der priesteressen van de walgelijkste ontucht te[88]sleuren. Tooneelen hadden dan plaats, waarbij de menschheid zich het gelaat sluieren moest; maar die door de jongelieden niet te vermijden waren. Het gebeurde toch soms, dat de veile deernen de rampzaligen, die tengevolge van overdaad van drank daar bewusteloos neerlagen, tegen de vertegenwoordigers der openbare macht poogden te verdedigen, dat zij zich wapenden met hare haarkammen en als furiën met losgierende haren op de patrouillemannen losstormden, welke laatsten dan, hoe ongaarne ook tegenover vrouwen, uit zelfverdediging genoodzaakt waren, geweld met geweld te keeren.Bij zoo’n gelegenheid had Frank eens eene hetaïre met de haft zijner bajonet op het hoofd moeten slaan, zoodat zij bewusteloos voor zijne voeten neerzonk. Hij had dit feit diep betreurd; maar, had hij zich niet verdedigd, dan ware voorzeker zijn gelaat door het woedende vrouwelijke monster ongenadig met haren stalen kam toegetakeld.De jongelieden bespraken die ergerlijke tooneelen dikwerf, en legden dan onverholen hunnen afkeer van een langer verblijf te Harderwijk aan den dag.„Wat mij ook hier tegen de borst stuit,” sprak Herman bij een dier gelegenheden, „is het zien aankomen van de luttele detachementen, die uit Indië terugkeeren. Hoe zien die arme kerels er uit! Mager, geel, perkamentachtig, met gezichten zoo hoekig alsof een langdurig gebrek hun deel geweest was, met diepliggende oogen en zeer gebogen gestalten, meestal verminkt en gebrekkig en hulpbehoevend. Gij ziet ze hier ter sluiks aankomen in hunne vaalgrijze pij gestoken, alsof ze uit een tuchthuis ontslagen zijn. Eenige weken ziet ge ze hier rondscharrelen, dan wordt hun wat geld in de handen gestopt, natuurlijk zoo min mogelijk—en dan verdwijnen zij. Waarheen?.… Ik vroeg laatst aan zoo’n ongelukkige,[89]of hij nog familie-betrekkingen had. „Neen,” was het antwoord. „Waar gaat gij dan heen?” Bitter lachend antwoordde hij: „ik ga den boer op, het kind wiegen.” Is dat geen aanklacht jegens de Nederlandsche natie dat de verdedigers van Indië, van het kostbaarste kleinood hetwelk zij bezitten, zoo’n heenkomen moeten zoeken?.. God, God, zouden wij ook eenmaal zoo moeten terugkomen?… Het is soms om aan de toekomst te twijfelen.”„Dat moogt ge niet,” bemoedigde dan Frank. „Wij moeten trachten in andere spheren te geraken. Bij ijver en goeden wil staat ons de weg daartoe open.”„Is het u ook niet opgevallen,” ging Herman in dezelfde misantropische bui voort, „dat die arme bliksems zoo met stille trom hier aankomen, terwijl de detachementen, die naar Indië vertrekken, met volle muziek uitgeleide gedaan worden. Het is alsof men de dankbaarheid zoo ver drijft, dat men zich over hunne bewezen diensten schaamt.”Frank zette een half spottend gezicht.„Het is niet goed,” sprak hij, „daarover veel na te denken. Zooals ik reeds zeide, wij moeten trachten niet aldus terug te komen in het vaderland. Voor ons moet het in de loopbaan, die wij gekozen hebben, steeds zijn: „Excelsior! hooger! immer hooger!””Herman zuchtte. Het was werkelijk, of hij soms weifelde, nu het vertrek naderbij kwam. Daar moest een einde aan komen; daarom opperde Frank op een morgen: „Wij zullen nu maar aan de reis denken en den kolonel verzoeken met een der eerstvertrekkende detachementen te mogen medegaan.”„Ja, maar ik wilde alvorens mijne ouders nog eens weerzien,” sprak Herman, „om afscheid van hen te nemen.”„Dan moet ge verlof vragen.”[90]„Juist dat wilde ik doen.”„Hoeveel tijdwenschtetgij te hebben,” vroeg Frank.„Niet te lang, het zal een treurige tijd zijn,” antwoordde Herman. „Mij dunkt dat veertien dagen voldoende zullen zijn.”„Dat’s afgesproken. Ik stel dan mijn verzoek om af te reizen tot uwe terugkomst uit.”Herman had gelijk; het zou een zeer treurige tijd zijn. Het afscheid van den zoon van zijne ouders was onvermijdelijk, maar zou bitter voor alle partijen zijn. De ouders gingen hun kind verliezen, de zoon zou weldra zijne ouders derven.Toen de moeder haar kind in de afzichtelijke grauwe pij gewikkeld zag, die den al te weidschen naam van kapotjas droeg, barstte zij in snikken uit:„Als een galeiboef!” kreet zij en wrong zich de handen.„De pij maakt den monnik niet,” antwoordde haar Herman. „Onder dezen kapotjas klopt mij het hart vrijer, warmer, dan het zich onder de soutane zou hebben mogen bewegen.”„O! welk ontwaken!” jammerde de moeder. „Welk ontwaken uit mijne schoonste droomen! En dan, mijn oudste kind zoo ver weg!”„Nog is dat kind gereed in uwe nabijheid te blijven!” antwoordde Herman ernstig.„Zou het mogelijk zijn?” vroeg de vader.„Te Harderwijk is met geld alles mogelijk. Ik heb slechts een plaatsvervanger te stellen.”„O! Herman, doe dat dan! doe dat dan!” snikte mevrouw Riethoven.„Gaarne,” was Herman’s antwoord. „Geef slechts uwe toestemming, dat ik mijne studiën op de hoogeschool mag vervolgen.”[91]Een schok trilde door de ledematen der arme dweepzieke moeder. Daar doemde voor haren geest de strenge gestalte van den directeur Peeters op. De arme vrouw hoorde reeds het anathema, hetwelk haar treffen zou. Haar zoon een gevaar voor de Kerk! Dat kind, wat zij gebaard en gezoogd had, dat vleesch van haar vleesch, dat bloed van haar bloed zou een suppoost van Satan worden, zou als tegenstander van de Kerk van Christus optreden! „O! nooit, nooit!” galmde het in haar gemoed. Maar, dan sloeg zij het oog op haren zoon. Daar stond hij voor haar, die eersteling van hare huwelijksliefde, daar stond hij voor haar met dien afschuwelijken kapotjas om de lendenen, met die afzichtelijke kwartiermuts op het hoofd, daar stond hij voor haar, gereed om naar dat verwijderde land te gaan, naar dat land, hetwelk haar zoo vol gevaren, zoowel zedelijke als lichamelijke afgeschilderd was, naar dat land, waaromtrent hare ziel uitspraak deed:dat hij, die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is om naar den Oost te gaan, en.… met één woord kon zij aan die geheele toekomst van haar kind, die haar tegengrijnsde, een andere richting geven. Met één woord kon zij dien kapotjas in eene toga veranderen. O! de bekoring was zwaar. Zij boog het hoofd, al dieper en dieper. Zij vouwde de handen.„Heere,” bad zij, „verlaat mij in dezen stond niet! Ik heb uwe hulp zoo noodig!”Vader en zoon zagen den vreeselijken strijd aan, die daar gestreden werd. Geen van beiden hadden evenwel eenige hoop.„Wel, wat is uwe beslissing?”Die vraag was zacht, uiterst zacht van Hermans lippen gegleden, terwijl hij zijne moeder den arm om den hals sloeg. Toch verbraken die weinige woorden de betoovering, die haar omstrengeld hield.[92]„Nooit! nooit!” prevelde zij met saamgeknepen lippen.Herman liet haar uit zijn armen los.„Dan valt er niet meer te jammeren, mameer!” sprak hij hoogst ernstig. „Dan is mijn lot beslist!”Weinige dagen later had de tegenhanger van dat tooneel plaats, toen Herman bij de familie Fraenkel afscheid ging nemen. Bij zijn binnentreden trof hij Lydia een oogenblik alleen. Toen zij hem in dat militaire pak zag, barstte ook zij in tranen los. Een oogenblik zou de verteedering hier een keerpunt hebben kunnen aanbrengen; maar, daar traden Lydia’s ouders binnen en met die was ieder uitzicht op toenadering verdwenen. De jongelieden reikten elkander de hand.„A Dieu!” stamelde Herman met een snik.„A Dieu!” herhaalde het meisje schier onhoorbaar dat in Limburg zoo gebruikelijk afscheidswoord, en wees met den vinger naar boven. „A Dieu!”Den avond voor het vertrek vereenigden zich nog eenige familieleden en vrienden bij de familie Riethoven. Helaas, het had veel van eene uitvaarts-plechtigheid. Alle aanwezigen waren ontroostbaar. Alleen Herman was uiterlijk kalm. Zelfs op een gegeven oogenblik rees hij op, en met eene stem, alsof hij op eene nutsvergadering eene voordracht hield, reciteerde hij:„Vaarwel, mijn vaderland, mijn ouders en bekenden!Het scheidensuur breekt aan, ontvangt mijn afscheidsgroet.Ras zal de brooze kiel van Holland’s kust zich wenden!En voeren ver mij voort langs d’ onafmeetbren vloed!…”„Schei uit Herman!” riep een der aanwezigen. „Zie toch uwe moeder!.…”De arme vrouw baadde in hare tranen, hare snikkenbelettenhaar eenig geluid uit te brengen. Was het wreedheid van Herman? Was het overspanning? Helaas! nimmer heeft hij zich eene juiste rekenschap weten[93]te geven van de gevoelens, die hem dien avond beheerscht hadden. Menigmaal heeft hij evenwel later dat oogenblik met weemoed, ja met diep berouw herdacht.Den volgenden morgen, toen het laatste scheidingsoogenblik aangebroken was, knielde hij voor zijne ouders, en bad hen om hun zegen. Beiden legden hem de handen op het hoofd.„Ga in vrede!” sprak de vader met van aandoening trillende stem.„Dat God u geleide, mijn zoon! mijn oudste!” kermde de moeder en viel schier in zwijm. Met veel moeite hield zij zich staande.Herman stapte voort. Bij het omslaan van den hoek der straat, waarin het ouderlijk huis gelegen was, wierp hij nog een blik achterwaarts. Daar stonden beiden met ten hemel geheven handen hem na te staren. Dat was de laatste blik, die gewisseld werd. Herman zag zijne ouders nimmer weer.EINDE VAN HET VOORSPEL.[95]

[Inhoud]IV.Bij het Koloniaal Werfdepôt.Eenige dagen later noodigde Herman zijne ouders tot een mondgesprek uit. Hij wilde nog eene poging wagen om hen over te halen, hem te veroorloven zijne studiën aan eene Hoogeschool te vervolgen, alvorens een wanhopig besluit te nemen. Helaas! die poging was ijdel, zij stuitte af op de dweepzucht zijner overigens zoo liefderijke moeder. Ernstig en vastberaden gaf zij te kennen, dat zij daarin nooit zou bewilligen. En haar echtgenoot, die, wel is waar, met onverholen genoegen gezien had, dat Herman zijne plannen, om priester te worden, vaarwel gezegd had, waagde het thans niet met zijne echtgenoote in het strijdperk te treden, en de almacht èn van den biechtvader èn van den directeur Peeters te betwisten. Wel was hij geen broedermeester, ook geen lid der O. L. Vrouwenkamer; maar hij was een minnaar van huiselijken vrede, en hij wist bij ervaring dat, wanneer hij in botsing met de geestelijke heeren zou komen, die vrede ernstig bedreigd zou zijn, ja te gronde zou gaan.[66]Hermans pogen leed dus schipbreuk, aan den eenen kant op de onverzettelijke vasthoudendheid zijner moeder, aan den anderen kant op de geestesslapheid zijns vaders.„Gij weigert dus bepaaldelijk?” vroeg hij met eenige aarzeling in zijne stem.„Bepaaldelijk en voor altijd!” antwoordde zijne moeder.„Dan kom ik met een tweede voorstel voor den dag,” sprak Herman hoogst ernstig. „Ik had uwe weigering voorzien en heb diep nagedacht!”„Laat hooren,” antwoordde de vader. „En geve de Hemel, dat wij het inwilligen kunnen, dan komt aan dat gezeur een einde.”„Ziet hier. Belet gij mij eene wetenschappelijke loopbaan te betreden, dan wenschte ik in den militairen stand fortuin te beproeven.”Een oogenblik zaten de beide ouders stilzwijgend daar neer. Zij dachten diep na.„Daar heb ik niets op tegen,” sprak eindelijk zijne moeder. „De militaire stand is eene zeer eervolle.”Herman glimlachte bitter bij die bemerking. Was de rechtsgeleerde eene niet even eervolle?„Gij zijt evenwel te oud om naar Breda te gaan,” merkte de vader op.„Ik wenschte ook niet naar Breda te gaan,” antwoordde de jongeling.„Dan naar Kampen? Maar, zijt gij daartoe ook niet reeds te oud?”„Ook dat niet,” klonk het bedaarde antwoord.„Maar wat dan? Dienst nemen bij een der regimenten? Dat zal u tegenvallen.”„Neen, mompeer, ik wensch naar Harderwijk te gaan en.… kan het, met de eerste gelegenheid naarNederlandsch-Indië!”[67]„Naar den Oost!”.… kreet mevrouw Riethoven.„Naar den Oost, gij zegt het, mameer!” sprak de jongeling met klem.„Maar, dat is een wanhoopsbesluit!”„Wel mogelijk,” antwoordde Herman dood bedaard. „Daar in het verre oosten heeft de militaire wereld recht van bestaan. Daar bij den strijd der beschaving tegen de barbaarschheid is het krijgsmanskleed een soort priestertoga. Daar ginds is nut te stichten, en wellicht.… vergetelheid te vinden!”„Een mijner kinderen naar den Oost!” jammerde de moeder.„Laten wij geen overijlde besluiten nemen,” sprak de vader. „Gij zijt nog niet meerderjarig, bijgevolg hebt gij onze toestemming noodig om dat plan te kunnen volvoeren. Ik eisch van u, dat gij het drie volle maanden in bedenking neemt.”„Mompeer!.…” meende Herman in het midden te moeten brengen. „Drie maanden is …”„Van dien eisch gaat niets af,” antwoordde de heer Riethoven met nadruk. „Blijft gij na ommekomst van dien tijd uw voornemen getrouw, dan zal ik mij daartegen niet aankanten. Evenwel dan heb ik nog een eisch te stellen, of beter eene belofte te vorderen.”„En die is?”„Dat gij te Harderwijk blijven zult, totdat gij den onderofficiersgraad zult behaald hebben.”„Maar!…”„Zonder die belofte geene toestemming,mijn zoon!” was het bedaarde antwoord.Herman boog het hoofd onder die beslissing. Hij moest wel toegeven. Zijn vader verschafte hem de geldelijke middelen om gedurende die drie maanden een reisje te maken. Hij zou Aken, Keulen, Luik en Brussel[68]bezoeken. Van de verstrooiing, daardoor teweeg gebracht, verwachtte de heer Riethoven veel.De arme moeder stormde naar de kerk om daar haar gemoed in den biechtstoel uit te storten.„Helaas! eerwaarde heer,” kreet zij, „hij wil naar den Oost!”„Wel, wat zou dat?” klonk het antwoord zoo onverschillig mogelijk, nu die plannen een vorm aannamen, welke die der geestelijke heeren niet dwarsboomde. En met zalving: „De wil des Heeren moet geëerbiedigd worden! mijne zuster.”„Naar den Oost!Maar, eerwaarde heer, die vader en moeder vermoord heeft, is daartoe nog te goed. Kan dat de wil des Heeren zijn?”„Beter naar den warmen Oost, dan naar de nog warmer hel!” was het vrome antwoord.Daarmeê mocht de gefolterde moeder aftrekken. Snikkend verliet zij het bedehuis.Bij het einde van die drie maanden respijt keerde Herman te Maastricht terug. In zijne plannen was geene verandering gekomen. Hij herhaalde dus zijn aanzoek. Dat gaf natuurlijk aanleiding tot een deerniswaardig tooneel van de zijde zijner moeder. Maar de jongeling bleef zijn voornemen getrouw. Er was niets aan te doen.De noodige papieren werden bijeengebracht, en acht dagen na zijn terugkeer zat Herman in de diligence, die hem over Roermond, Venlo, Nijmegen, Arnhem, Utrecht, Amersfoort naar de plaats zijner bestemming bracht.„Stilte daar! Stilte! Zijt jullie dol!” klonk de stem van een sergeant van het vaste kader te Harderwijk[69]tot een troep mannen, die hem in de kruisgangen van het kleedingmagazijn van het koloniaal werfdepôt omringden. „Stilte daar voor den drommel!”Het was een uitgezocht zoodje, dat daar verzameld was, ten einde de zoo fraaie en zoo smaakvolle uniform van het Nederlandsch Indisch leger aan te trekken. Het liep toen ten tijde naar het einde van den Krim-oorlog. Groot Britannië dankte hare vreemden-legioenen af, en was blij dat gespuis goedschiks kwijt te raken. Nederland daarentegen beijverde zich vlijtig die lievertjes voor zijne zoo schoone koloniën aan te werven. Het zond zijne zielenverkoopers uit, en die, zich wapenende met valsche papieren, brachten voor en na een welkomen buit te huis van de meest uiteenloopende bestanddeelen. Het troepje, hetwelk daar gereed stond om gekleed te worden, was een proefje van de zoo rijke staalkaart der Europeesche nationaliteiten. Hier kruiste zich het:damned rascalvan een Engelschman met hetverfluchter Schweinhundvan een Duitscher: elders het:sacré nom d’un chienvan een Franschman met het:zaide ge zot! begot! zulle!van een Vlaming enz. enz.; terwijl Israëls volk daar door een paar specimina vertegenwoordigd was, die niet het minste lawaai maakten bij het schatten, het loven en bieden ten opzichte van de vrij kale plunje, die de aanstaande verdedigers onzer koloniën om het lijf hadden. Want, als straks dat troepje, in hun helden-pakje gestoken, naar de kazerne zoude marcheeren, mocht niemand hunner iets van hunne burgerkleeding daarheen meênemen; zij moesten alles van de hand gedaan hebben, ten einde zoo veel mogelijk desertie te voorkomen.Herman Riethoven bevond zich onder dat troepje. Schuw te midden van die woeste bende, had hij zich eenigszins in een hoek teruggetrokken, en stond dat[70]tooneel gade te slaan. Hij was sedert een paar dagen te Harderwijk aangekomen, en had zijn intrek in het logement van den heer Courtois genomen, dat vlak tegenover de kazerne gelegen was. Dadelijk na aankomst had hij zich aangemeld, en zijn voornemen kenbaar gemaakt om in militairen dienst voor de Oost-Indische bezittingen te treden.Daags daarna was hij door een der officieren van Gezondheid van het garnizoen geneeskundig onderzocht, en goedgekeurd geworden. Thans bevond hij zich in het kleedingmagazijn om zijne metamorphose van burger in krijgsman te voltooien.„Zeg, jij polletiek!” riep hem een korporaal toe, „als je straks in de kazerne komt, dan moet je maar dadelijk dien mooien krullebol laten knippen.”„Hebt u het tegen mij, korporaal?” vroeg Herman.„Ja, tegen wien anders? Ben je nou al suf gediend?.…”was het barre antwoord. „Denk er om, dat je straks dien raagbol laat knippen. Ik wil voor jou de kas niet indansen. Ik heb de kompies barbier reeds gewaarschuwd. Twee duim van voren, een duim van achteren. Je zult er kranig uitzien!”Herman liet zijne hand met een zucht door zijne donkerbruine krullen gaan. Sedert hij Rolduc verliet, had hij zijn haardos laten groeien, en stond hem die niet kwaad.„Twee duim van voren en een duim van achteren,” herhaalde hij in zich zelven. „Drommels! ik zal weer zoo’n kopje krijgen als in het seminarie. Waarachtig,les extrêmes se touchent.”„Je treft het niet,” zei de korporaal met een spotachtigen glimlach op de lippen.„Wat tref ik niet, korporaal?” vroeg de politiek onderdanig.[71]„Waarom heb je niet gevraagd om bij de baronnen-kompie geplaatst te worden?”„De baronnen-kompagnie, wat is dat?” vroeg Herman met bevreemding.„Kom, hou me niet voor den gek! Weet je niet wat de baronnen-kompie is? Dat is de vierde kompie. Daarbij worden zij geplaatst, die zonder handgeld teekenen. Daarbij zijn echter waarlijke baronnen en echte graven.”„Zoo. Neen, ik ben bij de derde kompagnie ingedeeld.”„Heb je al kennis met je sergeant-majoor gemaakt? Niet? nou dat moet je doen. Dat is de moeder van de kompie. Een flinke vent, die majoor. Heb je je kleeren al verkocht?”„Neen, nog niet.”„Wat moet je er voor hebben?”Een paar joden waren nabij getreden.„Nah! ik gheef ongezien vhijf en twintig guldes,” zei de een, terwijl hij de panden van Hermans jaquette betastte.„Wil je maken! dat je weg komt, leeleke smous!” zei de korporaal.„Nah! ik mhag me handel wel dhrijven, khorpraalh! ik heb permissie van den kornel!”„Maar niet om me onder me duiven te schieten, weergasche jood!”De andere zoon Israëls was Herman ongemerkt van achteren genaderd, en bekeek daar zijne kleeding nauwkeurig.„Ongezien gheef ik acht en twintig guldes, nah! wat zeg je?” zei hij tot den jongen man.„Je bederft den mharkt, Nathan,” schold de eerste. „Ikke gheef dhertig, Nah!”„Bliksemsche smousen!” brulde de korporaal.„Wat is daar te doen?” riep plotseling eene stem.[72]Het was de onder-adjudant van het koloniaal werfdepôt. Hij naderde, en toen hij Herman in het oog kreeg:„Laat je door die joden niet bedonderen, Riethoven,” sprak hij. „Je weet wat ik je gezegd heb?”Bij zijne aankomst te Harderwijk had Herman zich bij dien onder-adjudant vervoegd. Die had hem toen naar het bureau van den kolonel begeleid, waar hij aan den luitenant-adjudant zijn voornemen om dienst voor de koloniën te nemen bekend had gemaakt, en zijne papieren had afgegeven. Bij die gelegenheid had de onder-adjudant een kennersblik op Hermans kleeding geworpen, en hem gezegd, dat hij een koopman wist, die steeds den hoogsten prijs gaf.„Wij zullen straks er heengaan!” voegde hij er thans nog bij.„Komaan, sergeant! korporaal! laat de manschappen aantreden,” beval hij. „De officier van kleeding is er.”Op dat bevel trachtten èn de sergeant èn de korporaal zooveel mogelijk stilte te verkrijgen en orde te doen heerschen onder den luidruchtigen troep. Dat lukte aanvankelijk niet. Het was een geschreeuw en een getier in alle mogelijke idiomen, waar geen einde aan scheen te zullen komen. Eindelijk kwam de onder-adjudant den onderofficieren met zijn gezag te hulp.„Dondersche kerels!” bulderde hij met een alles overheerschende stem, „wil jullie wel den snater houden en aantreden, of ik breng jullie in de politiekamer!”Slechts eene halve stilte trad in. Engeland’s legionnisten waren aan geen krijgstucht gewoon. De korporaal beijverde zich die menschen in rij en gelid te scharen. Hij moest er zijn handen bij gebruiken, hen bij de schouders grijpen, en hen brengen waar hij ze hebben wilde. Eindelijk lukte het, hen in een of twee rijen opgesteld te krijgen. Zij werden daarna in een nabijgelegen[73]gang geleid, waar de administratie-officier zich met een aantal helpers bevond. De monteeringstukken werden nu uitgedeeld, en weldra was het geheele troepje bezig met zich te verkleeden, met te passen, te meten en te ruilen, waarbij al weer niet weinig luidruchtigheid aan den dag gelegd werd, en waarbij menige vieze onderplunje voor den dag kwam.Herman was ook weldra druk bezig met zich te verkleeden. Nu eens was hem een pantalon toegeworpen, die voor een reus gemaakt scheen, en waarin hij, die toch waarachtig niet tot de tengeren behoorde, in zwom, toen hij ze aangetrokken had. Een oogenblik later moest hij hulp hebben om uit eene andere pantalon te geraken, zoo smal was zij, waarin hij op hoog bevel van den officier gekropen was. Zoo ging het met zijn mouwvest, met zijn kwartiermuts, in één woord met alles. Het eerste paar schoenen, dat hem aangereikt werd, was in omvang aan eene kanonneerboot gelijk. In het daarop volgende zaten zijne voeten zoo gekneld, dat hij niet staan kon. Maar eindelijk toch was hij klaar. Toen hij over die nieuwe plunje den afschuwelijk leelijken grauwen kapotjas aangetrokken had, die de verdedigers van Neêrlands koloniën op tuchthuisboeven doet gelijken, mompelde hij met een glimlach, maar toch met een zucht:„Ik wou me nu wel eens in den spiegel kijken, ik moet er mooi uitzien!”„Dat doe je ook,” klonk eene stem, het uitgierende van het lachen, achter hem.Herman keerde zich om, en slaakte een kreet van verrassing. Daar was wel reden toe.„Jij hier Frank?” riep hij uit.„Ja, ik hier!” antwoordde onze bekende van den Sint Pietersberg.[74]„Jij, jij Frank Brinkman!!! Je komt als uit de lucht gevallen!”„Ja! ik Frank Brinkman! Uit den hemel kom ik niet direct,” antwoordde hij lachende.„Maar laat mij je eens bekijken.…. Het is om het uit te schreeuwen! Die mooie politiemuts, in den vorm van eene afgeknotte kachelpijp op dien krullenkop, die klep vierkant en breed als een luifel boven je oogen, die stijve nek gewrongen in dien komieken stropdas, die mooie kapotjas, die je zoo gracieus om de lendenen fladdert, die pantalon sierlijk een handbreed over je voet omgeslagen, en dan die geelleeren schoenen, in vorm en in omvang zoo weinig verschillende van een tjalk, kijk, dat vormt een geheel, waaruit je zoo echt lummelachtig te voorschijn treedt … O! dat Lydia je zoo eens kon zien! Kerel, je moet jelaten photografeeren!”Ja, het was Frank Brinkman, de jongeling dien de lezers op Slavante ontmoetten, die Herman thans zoo luidruchtig en vroolijk te gemoet trad. Zijne geschiedenis was gauw verteld. Zijn vader, een zeer gezien man in de nijverheidswereld te Leiden, was plotseling overleden. Steeds had die man een zeer ruim bestaan in zijne zaken gevonden, maar had geen vermogen vergaard. Toen de inventaris na dat overlijden opgemaakt was, bleef voor de kinderen, die reeds vroeger moederloos waren geworden, niet veel over.Frank, die steeds van een avontuurlijken geest bezield was geweest, maakte niet veel misbaar. Hij deelde zijn voogd mede, dat hij naar Harderwijk wenschte te gaan, om inNederlandsch-Indiëde militaire loopbaan te betreden. Die had gemakshalve niets tegen dat plan van zijn pupil, die hem tot last dreigde te worden. Frank was nu reeds twee maanden bij het Koloniaal werfdepôt, en deed dienst als militair schrijver op het bureau van den kolonel kommandant.[75]„Ik reken aanstaande maand tot korporaal bevorderd te worden,” zei hij. „Drie maanden later hoop ik fourier of sergeant te zijn, en dan snij ik de laan uit. Het is hier een liederlijk gemeen nest.”„Kom, voortmaken!” maande de onder-adjudant aan. „Sergeant, laat de manschappen zich haasten met passen en daarna aantreden!.…”„Wil ik je een goeden raad geven?” zei Frank gehaast. „Geef dan je burgerkleeren aan den onder-adjudant.”„Hij heeft er al genoeg naar gehunkerd,” antwoordde Herman. „Maar … men heeft er mij reeds vijfendertig gulden voor geboden.”„Dat’s veel; maar getroost je dat verlies; dat zijn vijf en dertig gulden, die geen windeieren leggen zullen. Hebt ge nog niet een pak in uw koffer?.. Geef dat dan aan den dubbelen.”„Aan den dubbelen!… Wie is dat?”„Dat is de sergeant-majoor der kompagnie. Geloof me, doe dat. Je zult het je niet beklagen.”Herman luisterde naar dien raad. Nog voor dat de troep rekruten het kleedingmagazijn verlaten had, was de plunje, die hij aan gehad had, in eigendom van den onder-adjudant overgegaan. Toen hij straks inspectie in zijn koffer hield, werd de moeder der kompagnie even mild bedacht. Zooals Frank voorspeld had, bleven de gevolgen niet uit. Vooreerst werd onze rekruut bij de excersitiën steeds gedrild door een instructeur, die aan de behoorlijke kennis eene zekere mate van beschaving en zachtaardigheid paarde, waardoor hem het ruwe van de eerste oefeningen, welke door de liederlijke en god-tergende taal van hen, die in die dagen met het onderwijs belast waren, voor de fatsoenlijke jongelieden zoo moeielijk gemaakt werden, veel bespaard werd. De sergeant-majoor zorgde er voor, dat zijn beschermeling,[76]nadat hijafgeëxerceerdwas, van corveeën verschoond bleef en, was dat niet altijd mogelijk, dan stond hij steeds genadig toe, dat Herman een plaatsvervanger daarvoor aanwees. Dat kostte dezen natuurlijk geld, maar hoe ijverig hij zijn nieuwen stand ook aanvaardde, er waren soms werkzaamheden te verrichten, die hij toch gaarne op een ander overdroeg.Dienzelfden dag dat Herman gekleed was, werden hem de krijgsartikelen voorgelezen. Maar de fourier, die die voorlezing bewerkstelligde deed dat zoo rad en met zoo’n eentonige stem, dat met den besten wil van de wereld van het gehoorde niets te maken was. Gelukkig! want die aaneenschakeling van bedreigingen met strop, kogel, kruiwagen, wegjaging als eerloozen schelm, enz. enz. zou den eenvoudigen burgerjongen slechts slapelooze nachten berokkend hebben. Na dat voorlezen der krijgsartikelen werd overgegaan tot het teekenen van de engagements-acte, welke handeling gepaard ging met het uitbetalen der handgelden aan hen, die zich op die voorwaarden verbonden hadden. Frank had zijn vriend gewaarschuwd die engagements-acte nauwkeurig te lezen, alvorens zijne naamteekening er onder te zetten. De moeite was evenwel overbodig, want het stuk was volmaakt in orde. Anders was het met dat van een ander rekruut, die, het voorbeeld van Herman volgende, de engagements-acte vroeg in te zien:„Vergeef mij, heer kapitein,” sprak deze, „ik had het beding gemaakt, dat ik mij niet voor de Overzeesche bezittingen, maar wel voor de Oost-Indische bezittingen wensch te verbinden.”„Dat is gauw genoeg geredresseerd!” stamelde de sergeant-majoor met zekere zenuwachtigheid in antwoord op den vragenden blik van den kapitein kompagnieskommandant, die deze dienstregeling bijwoonde.[77]„Dat had in orde moeten zijn, sergeant-majoor!” was het ernstig antwoord van dien officier.„Maar dan is er nog iets,” vervolgde de rekruut met een flauwen glimlach op het bleeke gelaat. „Ik wensch geen handgeld te ontvangen. Wel is de som hier in de acte niet ingevuld, maar daar de noodige doorhaling der daarop betrekking hebbende woorden niet geschied is, zou dat verzuim mij later in mijne loopbaan kunnen benadeelen.”Toornig stoof de kapitein op, greep de engagements-acte, overtuigde zich dat de gemaakte bemerking juist was, deed haar redresseeren en den sergeant-majoor voor die nieuw aangenomen manschappen, die daar vereenigd stonden, niet willende terechtwijzen, sprak hij:„Wij zullen straks dat varken wel wasschen!”Middelerwijl greep de betrokken rekruut Hermans hand en kneep die gevoelig:„Ik dank u,” sprak hij fluisterend, „gij hebt mij, hoewel onbewust, den grootsten dienst der wereld bewezen. Zonder uwe voorzorg zou ik mijne verbintenis geteekend hebben zonder haar in te zien. En dan was mijne geheele toekomst verloren geweest.”Later vernam Herman van Frank dat het aannemen van handgeld in die dagen een beletsel daarstelde om den officiersrang te behalen.„Menige reclame wordt deswege uit Indië ontvangen,” vulde hij aan. „Maar steeds moet dan volhard worden bij het door den belanghebbende zelf geteekende, terwijl bovendien de handgeldstaten èn van de kompagnie èn van den kwartiermeester kloppen. Zoo is menige toekomst ergerlijk verwoest geworden.”15„Dat is toch vreeselijk ongelukkig. En … wat zal nu met dien sergeant-majoor gebeuren? Men heeft nu een geval.… Me dunkt, dat die man niet in zijn graad gehandhaafd kan blijven!”[78]„Herman, je bent nog onnoozel, men kan wel zien dat je nog niet lang hier bent. Die sergeant-majoor krijgt eenvoudig een uitbrander, en daarmee is het uit. Hij zal een volgende maal niet eerlijker maar voorzichtiger handelen. O ja, nog eene recommandatie! Tracht vooral goede maatjes te zijn met de vrouw van dien sergeant-majoor.”„Met zijne vrouw?…” vroeg Herman, ten uiterste verbaasd zijn vriend aankijkende.„Ja, zeker. Als je niet bent als een dergenen, waarvan de psalmist zegt: „Zij hebben oogen en zien niet,”dan zul je mij later wel begrijpen. Daarbij het is geen zwaar corvée dat ik voorstel. De sergeant-majoorse is eene verduiveld mooie vrouw. Ik zal u nog een adres opgeven. Als ge u daar weet in te dringen, dan zijt ge al heel gauw korporaal en onderofficier.”„Ook eene vrouwengeschiedenis?”„Welzeker, eene vrouwengeschiedenis geboord met een zilveren randje.”Herman maakte een gebaar van walging.„Daar ginds te Rolduc hebben ze je en mij te Katwijk ingepompt, dat het doel de middelen heiligt. Toon nu dat het uitgestrooide zaad niet op de steenrots viel.”„Ja, maar, met die wereld heb ik geheel gebroken, dus ook met hare leerstellingen.”„Daar wensch ik je geluk meê. Het zal evenwel noodig zijn je te schikken naar de wereld, waarin ge u thans verplaatst bevindt.”En dat was eene vreemde wereld, dat zou Herman genoeg ondervinden.In die dagen wielde het schuim van geheel Europa te Harderwijk samen. Door de Nederlandsche wervers opgespoord en opgedoken uit de somberste holen der maatschappij, was en werd een troep mannen bij elkander[79]gebracht, die niet alleen de grootste verscheidenheid in nationaliteit maar ook in maatschappelijken en moreelen stand vertoonden. Waren er, die bij het onderteekenen hunner engagements-acte slechts gebrekkig konden schrijven, omdat de hand vereelt was door het behandelen van voorhamer, zaag, ploeg, schop, pikhouweel, koevoet of ook door het hanteeren van het breekijzer; waren er zelfs, uit de onderste lagen der maatschappij afkomstig, die niet eens geleerd hadden hunne naamteekening te zetten, en zich met het krabbelen van een gebrekkig kruisje behelpen moesten, daartegenover stonden er ook, die met een soort van zwier hunnen naam griffelden; zelfs waren er, die dien naam door het praedicaat van Baron of van Graaf lieten voorafgaan.Onder de Harderwijksche legenden, die in de wachtlokalen van het garnizoen, gedurende de lange winteravonden rondom de gloeiend gestookte kachel verteld werden, werd die van den Spaanschen graaf Don Ramoraz, die generaal geweest was onder Espartero, nimmer vergeten. Fluisterend werd dan verteld, dat die Hidalgo in een vreeselijke jaloersche bui zijne vrouw vermoord had, waarna hij, vergezeld van zijn adjudant Don Xilanos, een flink jong mensch, zijn vaderland ontvlucht was, en beiden, door den nood gedrongen, dienst voor de Nederlandsche Bezittingen genomen hadden. Werd dat verhaal opgedischt, dan ontbrak nimmer een ooggetuige, die den Spaanschen Grande met zijne grauwe haren en in zijn grauwen kapotjas gewikkeld, den bezem had zien hanteeren en de afzichtelijkste corveeën uitvoeren; terwijl er dan steeds met eene aandoenlijke schildering vervolgd werd, hoe Don Xilanos zijnen gewezen bevelhebber smeekte, hem toch die walgelijke werkzaamheden te laten verrichten.[80]„Dat past uwe Excellentie niet,” fluisterde de gewezen luitenant dan.Of dat in het Spaansch of in het Nederlandsch gefluisterd was, werd er niet bij verteld. De toehoorders vroegen daar ook niet naar. Maar wel klonk steeds de vraag:„En is die Spaansche graaf met zijn adjudant thans in de Oost of in de West?”„In geen van beiden! Luister: Op een morgen stond die Excellentie met zijn adjudant in de keuken, en waren beiden bezig met de overige manschappen aan het aardappelen jassen. Ge kunt me gelooven of niet, sprak dan de verhaler met overtuiging, maar „de grijze krijgsman” zong juist hartelijk mede:Sla, kroten en andijvie!toen plotseling de luint-adjudant verscheen, die eerbiedig de positie aannam, de hand aan de klep van zijn schako bracht, en met luider stem tot de twee aardappelenjassers sprak: Uwe Excellentie wordt beleefd verzocht bij den kornel te komen.—„Mijn adjudant ook?” vroeg de Grande. „Uw adjudant ook,” antwoordde de luint. Beiden gingen toen heen. Wij hebben ze nimmer teruggezien. Maar Eefje Goster, je weet wel, dat lieve kindermeisje bij den kornel, heeft mij verteld, dat die beide kolonialen in de mooie kamer van de kornels woning curaçao-bitter gedronken, en zich daarna in een mooi verguld pak gestoken hadden, waarna zij in een fraai rijtuig met vier paarden bespannen, weggereden waren. De kornel was bij het instijgen den Grande behulpzaam geweest, en had hem hartelijk de hand gedrukt.”„Ja, je kunt hier te Harderwijk van alles te zien krijgen!” was de algemeene instemming.Zoo veel was zeker, dat al wemelde het in den tijd, toen Herman te Harderwijk was, niet van Excellenties[81]bij het Koloniaal Werfdepôt, zoo zou er toch wel een half dozijn Freiherren, Graven en Baronnen te zamen hebben kunnen gebracht worden, en waren namen als: Von Schwerin, Von Heinitz, Von Helmoldt enz. niet zeldzaam. Of die namen hun, die ze droegen, toekwamen? Te Harderwijk bestond daaromtrent niet de geringste zekerheid. Het was daar het verstandigste, den naam, dien men opving, slechts als herkenningsmiddel van het individu, die hem droeg, aan te nemen. En zelfs daarbij was nog omzichtigheid noodig; want, hoe dikwerf weerklonk niet de een of andere naam bij gelegenheid van de dienstappèls, en werd herhaald en nog eens herhaald, zonder met het gewone „present” beantwoord te worden.„Waar zit die lummel nu weer?” vroeg dan de sergeant-majoor wrevelig en overzag de gelederen.„Zeg!” riep hij dan eensklaps, „kun jij je mond niet opendoen, als je naam afgeroepen wordt?”„Ah! ja so, ich nenne mich jetzt.…”In het gewone leven ook was het niet zeker, dat antwoord bekomen werd, wanneer men iemand bij den naam riep, waaronder hij in de militaire wereld bekend stond. Gedachteloos herinnerde de geroepene zich dan niet oogenblikkelijk, dat hij van naam verwisselde.Dat misdadigers, ergerlijke misdadigers onder dien hoop schuilden, die een heenkomen achter het militaire kleed zochten en blij geweest waren, dat zij een werver ontmoetten, die hun valsche papieren bezorgde, en zoo de verdwijning van het tooneel in de hand werkte, wie zal dat bij kalm en onpartijdig nadenken ontkennen? Herman hoorde daar mompelen van Ehrensachen, van onbetamelijk schuldenmaken, van verwikkelingen in staatsaangelegenheden, van ongelukkige duels, maar ook van diefstal, van doodslag, van broedermoord, van verdierlijking, van ontucht, van.… ja! van wat niet al?[82]En al heerschte er ook al veel overdrijving in die verhalen, die fluisterend gedaan werden, zoo zag hij zich toch omringd van troniën, welke aan die verhalen wel klem bijzetten. Hij zag daar te Harderwijk tooneelen van de walgelijkste brooddronkenheid, van de liederlijkste uitspattingen, tooneelen, die hem wel eens berouw deden gevoelen over den stap, dien hij gedaan had. Gelukkig stond Frank hem ter zijde.„Ja, aangenaam is het niet,” zei deze, „tusschen dat schuim te moeten leven. Er zal ook eene zekere mate van zelfstandigheid toe behooren, om bij de aanraking daarvan niet bezoedeld te worden. Maar kijk goed rondom u. Wees niet stelselmatig in het onthouden van uwe genegenheid of van uwe vriendschap, evenmin als gij te vlug moet zijn met haar te plaatsen. Hier onder die kolonialen, vooral onder de Nederlanders, omtrent wier antecedenten men trouwens oneindig meer kieskeurig is dan bij de vreemdelingen, zult gij jongelieden aantreffen, wier gezelschap niet te versmaden is.”En de jeugdige practicus had gelijk. Zeker waren daar jongelieden, die hun gezelschap wel waard waren; die door het avontuurlijke aangetrokken, dienst bij hetNederlandsch-Indischeleger genomen hadden, en ook alle pogingen aanwendden om zich bij dat leger eene eervolle loopbaan te scheppen.Door die raadgevingen van Frank gesteund, was het begin niet al te lastig voor Herman. Hij was al heel spoedig afgeëxerceerd. Zijn natuurlijke aanleg had hem daarbij veel geholpen, maar ook een zekere mate van onbekrompen vrijgevigheid, die hem op Franks aanraden aanspoorde, de verschillende onderofficieren-instructeurs, met wie hij te doen kreeg, nu eens een dubbeltje, dan weer een kwartje, soms ook meer in de hand te stoppen, had er toe bijgedragen om hem als een soort feniks[83]te doen beschouwen. Hij woonde al spoedig de zoogenaamde theorie bij, die niet anders was, dan een opdreunen van de van buiten geleerde militaire reglementen. Hij werd dientengevolge al spoedig vice-korporaal, en hoewel het doorsnuffelen van de geheimen der soldatenschool eene uiterst dorre bezigheid te noemen was, overwon hij toch den tegenzin, die hem bij het van buiten leeren overviel van dat zinledige: „de hielen op dezelfde lijn en zoo dicht aan elkander gesloten als de gestalte van den man zal gedoogen …”„Bah!… bah!…” geeuwde hij evenwel dikwerf daarbij, terwijl hij zich de ledematen uitrekte en de soldatenschool, het reglementaire boekje, hetwelk er niet voor kon, dat het zoo saai en stoppelig geredigeerd werd, ver van zich wierp.„Bah!… hoe is het mogelijk, zooveel nonsens aan elkander te rijgen?”„En toch, je zit in het schuitje, Herman,” moedigde Frank hem lachende aan. „Je moet theorie pruimen, daar is niets aan te doen!”Het korporaal worden ging van een leien dakje. Vier maanden na zijne indiensttreding prijkte Herman met de kemelsgaren galons op de mouwen, en was niet weinig trotsch daarop. In de eerste dagen na die bevordering kon hij niet nalaten bij het wandelen zoo van tijd tot tijd een blik van vergenoegen op zijne armen te werpen.De bevordering tot sergeant had iets meer voeten in de aarde, maar kwam ook naar wensch te recht. Op aanraden van Frank had Herman eene kamer bij de weduwe Ebtuin in de Brugstraat te Harderwijk gehuurd, die behalve eene dochter en eene kleindochter, ook nog een grooten galanterie-winkel bezat. Zij had de ruimte boven dien winkel in kamertjes verdeeld, en stelde die[84]ter beschikking van de koloniale helden in spe, die zulks betalen konden en een plekje wenschten te hebben, waar zij zich van het kazernepubliek konden afzonderen. Die drie dames hadden in de militaire wereld te Harderwijk zeer veel invloed. Frank wist dat zeer goed, en Herman zou dat weldra ondervinden.Op een namiddag, toen de beide jongelingen te huis kwamen, merkte de oude weduwe het betrokken gezicht op, hetwelk Herman zette.„Wat scheelt er aan, mijn jongen?” vroeg zij op deelnemenden toon.Herman antwoordde niet. Nurks en wrevelig trok hij de schouders op.„Och, hij heeft het land,” sprak Frank, die reeds sedert eenigen tijd met de gouden galons op de mouwen prijkte. „Heden zijn een twintigtal onderofficieren aangesteld, en.… hij is er niet bij.”„Is het anders niet? Daar kan hij wel toe komen, niet waar Kaatje?” zei de weduwe glimlachend tot hare kleindochter.„Zeker moe,” antwoordde het snibbig ding, niet minder snedig lachende, evenwel met een blosje op de wangen.„Maar, intusschen ben ik het niet,” antwoordde Herman norsch, en wilde den trap opstijgen om naar zijne kamer te gaan.„Zou je zoo gaarne sergeant zijn, mijn jongen?” vroeg de oude mevrouw Ebtuin.„Welzeker! Zou ik niet?” was het antwoord, dat hij gaf.„Kom dan eens meê,” sprak de weduwe.Zij geleidde den jongman in het winkellokaal, dat voor een kleinsteedschen galanterie-winkel goed voorzien was.„Kijk eens,” zei ze, „is dat geen fraaie pendule? Een fraaier stuk hebt ge nimmer gezien.”[85]„Ja zeker, dat is een mooi stuk,” antwoordde Herman, nu met een kennersoog een blik op de bronzen pendule werpende, die hem aangewezen werd.„Zij kost tachtig gulden,” hernam de weduwe met een zekere intonatie.„Dat’s veel geld; maar voor hem die zoo’n stuk wenscht, toch niet te veel.”„Ik zal ze maar op uwe rekening schrijven, nietwaar?” vroeg zij met sluwen glimlach.„Op mijne rekening?… Wat zou ik met dat ding doen? Ik hoop over een paar maanden aan boord van het schip te zitten.”„Hij is niet erg bevattelijk,” sprak de weduwe tot Kaatje, die met Frank in de deur van den winkel stond te praten.Kaatje kreeg een blos, die haar niet onaardig stond. Frank lachte dat hij schudde.„Ik begrijp niet, wat mijne bevattelijkheid hier te maken heeft!” sprak Herman ietwat gebelgd.„Ge wilt spoedig sergeant worden?” vroeg de weduwe op ieder woord drukkende.„Zoo’n vraag!”„Wel, laat mij dan die pendule op je rekening schrijven,” zeide mevrouw Ebstein met een grijnslach.„Maar ik begrijp niet.…”„Dat’s ook niet noodig. Ik schrijf de pendule op en gij zijt, voor dat we vier en twintig uren verder zijn, sergeant. Is dat niet voldoende, zeg?”„Ja, in dat geval, maar ik begrijp niet.… Wat die pendule.…”„Behoeft ook niet. Als ge het resultaat maar begrijpt. Opschrijven, dus?…”Herman knikte toestemmend.Toen den volgenden morgen de sergeant-majoor der[86]3dekompagnie na terugkeer van het rapport, de orders op zijn bureau mededeelde, las hij de navolgende bataillons-orde voor:„No. 79. Ten vervolge op de bataillons-orde van gisteren No. 75, wordt alsnog aangesteld tot sergeant à la suite bij het Koloniaal Werfdepôt: de korporaal Herman Willem Hubert Riethoven; met bepaling, dat die bevordering zal rekenen in te gaan op den dag van gisteren.”„Sergeant Riethoven, ik feliciteer je wel met die bevordering,” sprak de sergeant-majoor na die voorlezing.Alle aanwezige onderofficieren, korporaals en vice-korporaals verdrongen zich om den gelukkigen, en drukten hem de hand. Zelfs de lieve sergeant-majoors-vrouw trad in dat oogenblik uit hare kamer te voorschijn, alwaar zij bezig was met groenten schoon te maken, veegde hare handen aan haren boezelaar af, greep Herman bij het hoofd en riep:„Mag ik je ook gelukwenschen, aardigen krullebol!”Zij kuste hem op beide wangen, en drukte hem met zoo’n innigheid en zoo’n onstuimigheid aan hare borst, dat zij beiden tegen den schrijflessenaar van den sergeant-majoor optornden, zoodat de registers daarop kantelden.„He! mijn administratie-boek!” riep de sergeant-majoor, niet zeer gesticht over de wijze van feliciteeren van zijne vrouw.„En dat je nu weg moet!” kreet de vrouw meewarig.De dubbele keek nog somberder. Het overige kader voorzag eene huishoudelijke onweersbui en droop af. Maar, toen Herman, na zich uit de armen der schoone losgewrongen te hebben, op de schrijftafel toetrad, daar een bon voor een twaalftal flesschen St. Estèphe krabbelde, dien den sergeant-majoor aanbood, met verzoek een glas op zijne gezondheid te drinken, helderde het barsche gelaat op, en sprak die kompagnie’s moeder met bewogen[87]stem, terwijl hij den nieuwbakken sergeant de hand reikte:„Je bent een nobele kerel! Met jou is wel land te bezeilen!”Herman bloosde als eene jonge meid bij dat apokryphe kompliment, hetgeen een tweeden en nog onstuimiger aanval van den kant der sergeant-majoors-vrouw uitlokte.Toen Herman zijne bevordering later met Frank besprak, gaf hij zijne verwondering te kennen over die uitkomst.„Hebt ge Kaatje Ebstein niet zien blozen?” vroeg Brinkman.„Ja, maar.… dat meisje kan toch met blozen geen sergeanten aanstellen?”„Ze kan meer dan dat? Maar.… als ge het geheim van die geschiedenis niet begrepen hebt, dan zult ge het wel nimmer vernemen, want ik vertel het niet. Daar kunt ge evenwel zeker van zijn, dat wanneer gij het zeegat uit zult zijn, die pendule hare plaats in den winkel weer hernomen zal hebben.”Het hoofddoel van het verblijf te Harderwijk was thans bereikt. Herman en Frank waren sergeant; zij verlangden thans slechts te vertrekken. De dienst was daar bij het Koloniaal Werfdepôt in die dagen zeer onaangenaam. Over dag moest hard met de recruten geexerceerd worden, en des avonds moesten de gegradueerden zware patrouille-dienst verrichten, om de wezens, die daar in dat Zuiderzeestadje te zamen gebracht waren, in toom te houden. Daarbij moesten dan, vooral na het avondappèl, wanneer aan de patrouilles het wachtwoord gegeven was, dat verscheidene manschappen ontbraken, de afzichtelijkste holen binnengedrongen worden, om de rampzaligen uit den jeneverwalm of erger nog, uit de armen der priesteressen van de walgelijkste ontucht te[88]sleuren. Tooneelen hadden dan plaats, waarbij de menschheid zich het gelaat sluieren moest; maar die door de jongelieden niet te vermijden waren. Het gebeurde toch soms, dat de veile deernen de rampzaligen, die tengevolge van overdaad van drank daar bewusteloos neerlagen, tegen de vertegenwoordigers der openbare macht poogden te verdedigen, dat zij zich wapenden met hare haarkammen en als furiën met losgierende haren op de patrouillemannen losstormden, welke laatsten dan, hoe ongaarne ook tegenover vrouwen, uit zelfverdediging genoodzaakt waren, geweld met geweld te keeren.Bij zoo’n gelegenheid had Frank eens eene hetaïre met de haft zijner bajonet op het hoofd moeten slaan, zoodat zij bewusteloos voor zijne voeten neerzonk. Hij had dit feit diep betreurd; maar, had hij zich niet verdedigd, dan ware voorzeker zijn gelaat door het woedende vrouwelijke monster ongenadig met haren stalen kam toegetakeld.De jongelieden bespraken die ergerlijke tooneelen dikwerf, en legden dan onverholen hunnen afkeer van een langer verblijf te Harderwijk aan den dag.„Wat mij ook hier tegen de borst stuit,” sprak Herman bij een dier gelegenheden, „is het zien aankomen van de luttele detachementen, die uit Indië terugkeeren. Hoe zien die arme kerels er uit! Mager, geel, perkamentachtig, met gezichten zoo hoekig alsof een langdurig gebrek hun deel geweest was, met diepliggende oogen en zeer gebogen gestalten, meestal verminkt en gebrekkig en hulpbehoevend. Gij ziet ze hier ter sluiks aankomen in hunne vaalgrijze pij gestoken, alsof ze uit een tuchthuis ontslagen zijn. Eenige weken ziet ge ze hier rondscharrelen, dan wordt hun wat geld in de handen gestopt, natuurlijk zoo min mogelijk—en dan verdwijnen zij. Waarheen?.… Ik vroeg laatst aan zoo’n ongelukkige,[89]of hij nog familie-betrekkingen had. „Neen,” was het antwoord. „Waar gaat gij dan heen?” Bitter lachend antwoordde hij: „ik ga den boer op, het kind wiegen.” Is dat geen aanklacht jegens de Nederlandsche natie dat de verdedigers van Indië, van het kostbaarste kleinood hetwelk zij bezitten, zoo’n heenkomen moeten zoeken?.. God, God, zouden wij ook eenmaal zoo moeten terugkomen?… Het is soms om aan de toekomst te twijfelen.”„Dat moogt ge niet,” bemoedigde dan Frank. „Wij moeten trachten in andere spheren te geraken. Bij ijver en goeden wil staat ons de weg daartoe open.”„Is het u ook niet opgevallen,” ging Herman in dezelfde misantropische bui voort, „dat die arme bliksems zoo met stille trom hier aankomen, terwijl de detachementen, die naar Indië vertrekken, met volle muziek uitgeleide gedaan worden. Het is alsof men de dankbaarheid zoo ver drijft, dat men zich over hunne bewezen diensten schaamt.”Frank zette een half spottend gezicht.„Het is niet goed,” sprak hij, „daarover veel na te denken. Zooals ik reeds zeide, wij moeten trachten niet aldus terug te komen in het vaderland. Voor ons moet het in de loopbaan, die wij gekozen hebben, steeds zijn: „Excelsior! hooger! immer hooger!””Herman zuchtte. Het was werkelijk, of hij soms weifelde, nu het vertrek naderbij kwam. Daar moest een einde aan komen; daarom opperde Frank op een morgen: „Wij zullen nu maar aan de reis denken en den kolonel verzoeken met een der eerstvertrekkende detachementen te mogen medegaan.”„Ja, maar ik wilde alvorens mijne ouders nog eens weerzien,” sprak Herman, „om afscheid van hen te nemen.”„Dan moet ge verlof vragen.”[90]„Juist dat wilde ik doen.”„Hoeveel tijdwenschtetgij te hebben,” vroeg Frank.„Niet te lang, het zal een treurige tijd zijn,” antwoordde Herman. „Mij dunkt dat veertien dagen voldoende zullen zijn.”„Dat’s afgesproken. Ik stel dan mijn verzoek om af te reizen tot uwe terugkomst uit.”Herman had gelijk; het zou een zeer treurige tijd zijn. Het afscheid van den zoon van zijne ouders was onvermijdelijk, maar zou bitter voor alle partijen zijn. De ouders gingen hun kind verliezen, de zoon zou weldra zijne ouders derven.Toen de moeder haar kind in de afzichtelijke grauwe pij gewikkeld zag, die den al te weidschen naam van kapotjas droeg, barstte zij in snikken uit:„Als een galeiboef!” kreet zij en wrong zich de handen.„De pij maakt den monnik niet,” antwoordde haar Herman. „Onder dezen kapotjas klopt mij het hart vrijer, warmer, dan het zich onder de soutane zou hebben mogen bewegen.”„O! welk ontwaken!” jammerde de moeder. „Welk ontwaken uit mijne schoonste droomen! En dan, mijn oudste kind zoo ver weg!”„Nog is dat kind gereed in uwe nabijheid te blijven!” antwoordde Herman ernstig.„Zou het mogelijk zijn?” vroeg de vader.„Te Harderwijk is met geld alles mogelijk. Ik heb slechts een plaatsvervanger te stellen.”„O! Herman, doe dat dan! doe dat dan!” snikte mevrouw Riethoven.„Gaarne,” was Herman’s antwoord. „Geef slechts uwe toestemming, dat ik mijne studiën op de hoogeschool mag vervolgen.”[91]Een schok trilde door de ledematen der arme dweepzieke moeder. Daar doemde voor haren geest de strenge gestalte van den directeur Peeters op. De arme vrouw hoorde reeds het anathema, hetwelk haar treffen zou. Haar zoon een gevaar voor de Kerk! Dat kind, wat zij gebaard en gezoogd had, dat vleesch van haar vleesch, dat bloed van haar bloed zou een suppoost van Satan worden, zou als tegenstander van de Kerk van Christus optreden! „O! nooit, nooit!” galmde het in haar gemoed. Maar, dan sloeg zij het oog op haren zoon. Daar stond hij voor haar, die eersteling van hare huwelijksliefde, daar stond hij voor haar met dien afschuwelijken kapotjas om de lendenen, met die afzichtelijke kwartiermuts op het hoofd, daar stond hij voor haar, gereed om naar dat verwijderde land te gaan, naar dat land, hetwelk haar zoo vol gevaren, zoowel zedelijke als lichamelijke afgeschilderd was, naar dat land, waaromtrent hare ziel uitspraak deed:dat hij, die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is om naar den Oost te gaan, en.… met één woord kon zij aan die geheele toekomst van haar kind, die haar tegengrijnsde, een andere richting geven. Met één woord kon zij dien kapotjas in eene toga veranderen. O! de bekoring was zwaar. Zij boog het hoofd, al dieper en dieper. Zij vouwde de handen.„Heere,” bad zij, „verlaat mij in dezen stond niet! Ik heb uwe hulp zoo noodig!”Vader en zoon zagen den vreeselijken strijd aan, die daar gestreden werd. Geen van beiden hadden evenwel eenige hoop.„Wel, wat is uwe beslissing?”Die vraag was zacht, uiterst zacht van Hermans lippen gegleden, terwijl hij zijne moeder den arm om den hals sloeg. Toch verbraken die weinige woorden de betoovering, die haar omstrengeld hield.[92]„Nooit! nooit!” prevelde zij met saamgeknepen lippen.Herman liet haar uit zijn armen los.„Dan valt er niet meer te jammeren, mameer!” sprak hij hoogst ernstig. „Dan is mijn lot beslist!”Weinige dagen later had de tegenhanger van dat tooneel plaats, toen Herman bij de familie Fraenkel afscheid ging nemen. Bij zijn binnentreden trof hij Lydia een oogenblik alleen. Toen zij hem in dat militaire pak zag, barstte ook zij in tranen los. Een oogenblik zou de verteedering hier een keerpunt hebben kunnen aanbrengen; maar, daar traden Lydia’s ouders binnen en met die was ieder uitzicht op toenadering verdwenen. De jongelieden reikten elkander de hand.„A Dieu!” stamelde Herman met een snik.„A Dieu!” herhaalde het meisje schier onhoorbaar dat in Limburg zoo gebruikelijk afscheidswoord, en wees met den vinger naar boven. „A Dieu!”Den avond voor het vertrek vereenigden zich nog eenige familieleden en vrienden bij de familie Riethoven. Helaas, het had veel van eene uitvaarts-plechtigheid. Alle aanwezigen waren ontroostbaar. Alleen Herman was uiterlijk kalm. Zelfs op een gegeven oogenblik rees hij op, en met eene stem, alsof hij op eene nutsvergadering eene voordracht hield, reciteerde hij:„Vaarwel, mijn vaderland, mijn ouders en bekenden!Het scheidensuur breekt aan, ontvangt mijn afscheidsgroet.Ras zal de brooze kiel van Holland’s kust zich wenden!En voeren ver mij voort langs d’ onafmeetbren vloed!…”„Schei uit Herman!” riep een der aanwezigen. „Zie toch uwe moeder!.…”De arme vrouw baadde in hare tranen, hare snikkenbelettenhaar eenig geluid uit te brengen. Was het wreedheid van Herman? Was het overspanning? Helaas! nimmer heeft hij zich eene juiste rekenschap weten[93]te geven van de gevoelens, die hem dien avond beheerscht hadden. Menigmaal heeft hij evenwel later dat oogenblik met weemoed, ja met diep berouw herdacht.Den volgenden morgen, toen het laatste scheidingsoogenblik aangebroken was, knielde hij voor zijne ouders, en bad hen om hun zegen. Beiden legden hem de handen op het hoofd.„Ga in vrede!” sprak de vader met van aandoening trillende stem.„Dat God u geleide, mijn zoon! mijn oudste!” kermde de moeder en viel schier in zwijm. Met veel moeite hield zij zich staande.Herman stapte voort. Bij het omslaan van den hoek der straat, waarin het ouderlijk huis gelegen was, wierp hij nog een blik achterwaarts. Daar stonden beiden met ten hemel geheven handen hem na te staren. Dat was de laatste blik, die gewisseld werd. Herman zag zijne ouders nimmer weer.EINDE VAN HET VOORSPEL.[95]

IV.Bij het Koloniaal Werfdepôt.

Eenige dagen later noodigde Herman zijne ouders tot een mondgesprek uit. Hij wilde nog eene poging wagen om hen over te halen, hem te veroorloven zijne studiën aan eene Hoogeschool te vervolgen, alvorens een wanhopig besluit te nemen. Helaas! die poging was ijdel, zij stuitte af op de dweepzucht zijner overigens zoo liefderijke moeder. Ernstig en vastberaden gaf zij te kennen, dat zij daarin nooit zou bewilligen. En haar echtgenoot, die, wel is waar, met onverholen genoegen gezien had, dat Herman zijne plannen, om priester te worden, vaarwel gezegd had, waagde het thans niet met zijne echtgenoote in het strijdperk te treden, en de almacht èn van den biechtvader èn van den directeur Peeters te betwisten. Wel was hij geen broedermeester, ook geen lid der O. L. Vrouwenkamer; maar hij was een minnaar van huiselijken vrede, en hij wist bij ervaring dat, wanneer hij in botsing met de geestelijke heeren zou komen, die vrede ernstig bedreigd zou zijn, ja te gronde zou gaan.[66]Hermans pogen leed dus schipbreuk, aan den eenen kant op de onverzettelijke vasthoudendheid zijner moeder, aan den anderen kant op de geestesslapheid zijns vaders.„Gij weigert dus bepaaldelijk?” vroeg hij met eenige aarzeling in zijne stem.„Bepaaldelijk en voor altijd!” antwoordde zijne moeder.„Dan kom ik met een tweede voorstel voor den dag,” sprak Herman hoogst ernstig. „Ik had uwe weigering voorzien en heb diep nagedacht!”„Laat hooren,” antwoordde de vader. „En geve de Hemel, dat wij het inwilligen kunnen, dan komt aan dat gezeur een einde.”„Ziet hier. Belet gij mij eene wetenschappelijke loopbaan te betreden, dan wenschte ik in den militairen stand fortuin te beproeven.”Een oogenblik zaten de beide ouders stilzwijgend daar neer. Zij dachten diep na.„Daar heb ik niets op tegen,” sprak eindelijk zijne moeder. „De militaire stand is eene zeer eervolle.”Herman glimlachte bitter bij die bemerking. Was de rechtsgeleerde eene niet even eervolle?„Gij zijt evenwel te oud om naar Breda te gaan,” merkte de vader op.„Ik wenschte ook niet naar Breda te gaan,” antwoordde de jongeling.„Dan naar Kampen? Maar, zijt gij daartoe ook niet reeds te oud?”„Ook dat niet,” klonk het bedaarde antwoord.„Maar wat dan? Dienst nemen bij een der regimenten? Dat zal u tegenvallen.”„Neen, mompeer, ik wensch naar Harderwijk te gaan en.… kan het, met de eerste gelegenheid naarNederlandsch-Indië!”[67]„Naar den Oost!”.… kreet mevrouw Riethoven.„Naar den Oost, gij zegt het, mameer!” sprak de jongeling met klem.„Maar, dat is een wanhoopsbesluit!”„Wel mogelijk,” antwoordde Herman dood bedaard. „Daar in het verre oosten heeft de militaire wereld recht van bestaan. Daar bij den strijd der beschaving tegen de barbaarschheid is het krijgsmanskleed een soort priestertoga. Daar ginds is nut te stichten, en wellicht.… vergetelheid te vinden!”„Een mijner kinderen naar den Oost!” jammerde de moeder.„Laten wij geen overijlde besluiten nemen,” sprak de vader. „Gij zijt nog niet meerderjarig, bijgevolg hebt gij onze toestemming noodig om dat plan te kunnen volvoeren. Ik eisch van u, dat gij het drie volle maanden in bedenking neemt.”„Mompeer!.…” meende Herman in het midden te moeten brengen. „Drie maanden is …”„Van dien eisch gaat niets af,” antwoordde de heer Riethoven met nadruk. „Blijft gij na ommekomst van dien tijd uw voornemen getrouw, dan zal ik mij daartegen niet aankanten. Evenwel dan heb ik nog een eisch te stellen, of beter eene belofte te vorderen.”„En die is?”„Dat gij te Harderwijk blijven zult, totdat gij den onderofficiersgraad zult behaald hebben.”„Maar!…”„Zonder die belofte geene toestemming,mijn zoon!” was het bedaarde antwoord.Herman boog het hoofd onder die beslissing. Hij moest wel toegeven. Zijn vader verschafte hem de geldelijke middelen om gedurende die drie maanden een reisje te maken. Hij zou Aken, Keulen, Luik en Brussel[68]bezoeken. Van de verstrooiing, daardoor teweeg gebracht, verwachtte de heer Riethoven veel.De arme moeder stormde naar de kerk om daar haar gemoed in den biechtstoel uit te storten.„Helaas! eerwaarde heer,” kreet zij, „hij wil naar den Oost!”„Wel, wat zou dat?” klonk het antwoord zoo onverschillig mogelijk, nu die plannen een vorm aannamen, welke die der geestelijke heeren niet dwarsboomde. En met zalving: „De wil des Heeren moet geëerbiedigd worden! mijne zuster.”„Naar den Oost!Maar, eerwaarde heer, die vader en moeder vermoord heeft, is daartoe nog te goed. Kan dat de wil des Heeren zijn?”„Beter naar den warmen Oost, dan naar de nog warmer hel!” was het vrome antwoord.Daarmeê mocht de gefolterde moeder aftrekken. Snikkend verliet zij het bedehuis.Bij het einde van die drie maanden respijt keerde Herman te Maastricht terug. In zijne plannen was geene verandering gekomen. Hij herhaalde dus zijn aanzoek. Dat gaf natuurlijk aanleiding tot een deerniswaardig tooneel van de zijde zijner moeder. Maar de jongeling bleef zijn voornemen getrouw. Er was niets aan te doen.De noodige papieren werden bijeengebracht, en acht dagen na zijn terugkeer zat Herman in de diligence, die hem over Roermond, Venlo, Nijmegen, Arnhem, Utrecht, Amersfoort naar de plaats zijner bestemming bracht.„Stilte daar! Stilte! Zijt jullie dol!” klonk de stem van een sergeant van het vaste kader te Harderwijk[69]tot een troep mannen, die hem in de kruisgangen van het kleedingmagazijn van het koloniaal werfdepôt omringden. „Stilte daar voor den drommel!”Het was een uitgezocht zoodje, dat daar verzameld was, ten einde de zoo fraaie en zoo smaakvolle uniform van het Nederlandsch Indisch leger aan te trekken. Het liep toen ten tijde naar het einde van den Krim-oorlog. Groot Britannië dankte hare vreemden-legioenen af, en was blij dat gespuis goedschiks kwijt te raken. Nederland daarentegen beijverde zich vlijtig die lievertjes voor zijne zoo schoone koloniën aan te werven. Het zond zijne zielenverkoopers uit, en die, zich wapenende met valsche papieren, brachten voor en na een welkomen buit te huis van de meest uiteenloopende bestanddeelen. Het troepje, hetwelk daar gereed stond om gekleed te worden, was een proefje van de zoo rijke staalkaart der Europeesche nationaliteiten. Hier kruiste zich het:damned rascalvan een Engelschman met hetverfluchter Schweinhundvan een Duitscher: elders het:sacré nom d’un chienvan een Franschman met het:zaide ge zot! begot! zulle!van een Vlaming enz. enz.; terwijl Israëls volk daar door een paar specimina vertegenwoordigd was, die niet het minste lawaai maakten bij het schatten, het loven en bieden ten opzichte van de vrij kale plunje, die de aanstaande verdedigers onzer koloniën om het lijf hadden. Want, als straks dat troepje, in hun helden-pakje gestoken, naar de kazerne zoude marcheeren, mocht niemand hunner iets van hunne burgerkleeding daarheen meênemen; zij moesten alles van de hand gedaan hebben, ten einde zoo veel mogelijk desertie te voorkomen.Herman Riethoven bevond zich onder dat troepje. Schuw te midden van die woeste bende, had hij zich eenigszins in een hoek teruggetrokken, en stond dat[70]tooneel gade te slaan. Hij was sedert een paar dagen te Harderwijk aangekomen, en had zijn intrek in het logement van den heer Courtois genomen, dat vlak tegenover de kazerne gelegen was. Dadelijk na aankomst had hij zich aangemeld, en zijn voornemen kenbaar gemaakt om in militairen dienst voor de Oost-Indische bezittingen te treden.Daags daarna was hij door een der officieren van Gezondheid van het garnizoen geneeskundig onderzocht, en goedgekeurd geworden. Thans bevond hij zich in het kleedingmagazijn om zijne metamorphose van burger in krijgsman te voltooien.„Zeg, jij polletiek!” riep hem een korporaal toe, „als je straks in de kazerne komt, dan moet je maar dadelijk dien mooien krullebol laten knippen.”„Hebt u het tegen mij, korporaal?” vroeg Herman.„Ja, tegen wien anders? Ben je nou al suf gediend?.…”was het barre antwoord. „Denk er om, dat je straks dien raagbol laat knippen. Ik wil voor jou de kas niet indansen. Ik heb de kompies barbier reeds gewaarschuwd. Twee duim van voren, een duim van achteren. Je zult er kranig uitzien!”Herman liet zijne hand met een zucht door zijne donkerbruine krullen gaan. Sedert hij Rolduc verliet, had hij zijn haardos laten groeien, en stond hem die niet kwaad.„Twee duim van voren en een duim van achteren,” herhaalde hij in zich zelven. „Drommels! ik zal weer zoo’n kopje krijgen als in het seminarie. Waarachtig,les extrêmes se touchent.”„Je treft het niet,” zei de korporaal met een spotachtigen glimlach op de lippen.„Wat tref ik niet, korporaal?” vroeg de politiek onderdanig.[71]„Waarom heb je niet gevraagd om bij de baronnen-kompie geplaatst te worden?”„De baronnen-kompagnie, wat is dat?” vroeg Herman met bevreemding.„Kom, hou me niet voor den gek! Weet je niet wat de baronnen-kompie is? Dat is de vierde kompie. Daarbij worden zij geplaatst, die zonder handgeld teekenen. Daarbij zijn echter waarlijke baronnen en echte graven.”„Zoo. Neen, ik ben bij de derde kompagnie ingedeeld.”„Heb je al kennis met je sergeant-majoor gemaakt? Niet? nou dat moet je doen. Dat is de moeder van de kompie. Een flinke vent, die majoor. Heb je je kleeren al verkocht?”„Neen, nog niet.”„Wat moet je er voor hebben?”Een paar joden waren nabij getreden.„Nah! ik gheef ongezien vhijf en twintig guldes,” zei de een, terwijl hij de panden van Hermans jaquette betastte.„Wil je maken! dat je weg komt, leeleke smous!” zei de korporaal.„Nah! ik mhag me handel wel dhrijven, khorpraalh! ik heb permissie van den kornel!”„Maar niet om me onder me duiven te schieten, weergasche jood!”De andere zoon Israëls was Herman ongemerkt van achteren genaderd, en bekeek daar zijne kleeding nauwkeurig.„Ongezien gheef ik acht en twintig guldes, nah! wat zeg je?” zei hij tot den jongen man.„Je bederft den mharkt, Nathan,” schold de eerste. „Ikke gheef dhertig, Nah!”„Bliksemsche smousen!” brulde de korporaal.„Wat is daar te doen?” riep plotseling eene stem.[72]Het was de onder-adjudant van het koloniaal werfdepôt. Hij naderde, en toen hij Herman in het oog kreeg:„Laat je door die joden niet bedonderen, Riethoven,” sprak hij. „Je weet wat ik je gezegd heb?”Bij zijne aankomst te Harderwijk had Herman zich bij dien onder-adjudant vervoegd. Die had hem toen naar het bureau van den kolonel begeleid, waar hij aan den luitenant-adjudant zijn voornemen om dienst voor de koloniën te nemen bekend had gemaakt, en zijne papieren had afgegeven. Bij die gelegenheid had de onder-adjudant een kennersblik op Hermans kleeding geworpen, en hem gezegd, dat hij een koopman wist, die steeds den hoogsten prijs gaf.„Wij zullen straks er heengaan!” voegde hij er thans nog bij.„Komaan, sergeant! korporaal! laat de manschappen aantreden,” beval hij. „De officier van kleeding is er.”Op dat bevel trachtten èn de sergeant èn de korporaal zooveel mogelijk stilte te verkrijgen en orde te doen heerschen onder den luidruchtigen troep. Dat lukte aanvankelijk niet. Het was een geschreeuw en een getier in alle mogelijke idiomen, waar geen einde aan scheen te zullen komen. Eindelijk kwam de onder-adjudant den onderofficieren met zijn gezag te hulp.„Dondersche kerels!” bulderde hij met een alles overheerschende stem, „wil jullie wel den snater houden en aantreden, of ik breng jullie in de politiekamer!”Slechts eene halve stilte trad in. Engeland’s legionnisten waren aan geen krijgstucht gewoon. De korporaal beijverde zich die menschen in rij en gelid te scharen. Hij moest er zijn handen bij gebruiken, hen bij de schouders grijpen, en hen brengen waar hij ze hebben wilde. Eindelijk lukte het, hen in een of twee rijen opgesteld te krijgen. Zij werden daarna in een nabijgelegen[73]gang geleid, waar de administratie-officier zich met een aantal helpers bevond. De monteeringstukken werden nu uitgedeeld, en weldra was het geheele troepje bezig met zich te verkleeden, met te passen, te meten en te ruilen, waarbij al weer niet weinig luidruchtigheid aan den dag gelegd werd, en waarbij menige vieze onderplunje voor den dag kwam.Herman was ook weldra druk bezig met zich te verkleeden. Nu eens was hem een pantalon toegeworpen, die voor een reus gemaakt scheen, en waarin hij, die toch waarachtig niet tot de tengeren behoorde, in zwom, toen hij ze aangetrokken had. Een oogenblik later moest hij hulp hebben om uit eene andere pantalon te geraken, zoo smal was zij, waarin hij op hoog bevel van den officier gekropen was. Zoo ging het met zijn mouwvest, met zijn kwartiermuts, in één woord met alles. Het eerste paar schoenen, dat hem aangereikt werd, was in omvang aan eene kanonneerboot gelijk. In het daarop volgende zaten zijne voeten zoo gekneld, dat hij niet staan kon. Maar eindelijk toch was hij klaar. Toen hij over die nieuwe plunje den afschuwelijk leelijken grauwen kapotjas aangetrokken had, die de verdedigers van Neêrlands koloniën op tuchthuisboeven doet gelijken, mompelde hij met een glimlach, maar toch met een zucht:„Ik wou me nu wel eens in den spiegel kijken, ik moet er mooi uitzien!”„Dat doe je ook,” klonk eene stem, het uitgierende van het lachen, achter hem.Herman keerde zich om, en slaakte een kreet van verrassing. Daar was wel reden toe.„Jij hier Frank?” riep hij uit.„Ja, ik hier!” antwoordde onze bekende van den Sint Pietersberg.[74]„Jij, jij Frank Brinkman!!! Je komt als uit de lucht gevallen!”„Ja! ik Frank Brinkman! Uit den hemel kom ik niet direct,” antwoordde hij lachende.„Maar laat mij je eens bekijken.…. Het is om het uit te schreeuwen! Die mooie politiemuts, in den vorm van eene afgeknotte kachelpijp op dien krullenkop, die klep vierkant en breed als een luifel boven je oogen, die stijve nek gewrongen in dien komieken stropdas, die mooie kapotjas, die je zoo gracieus om de lendenen fladdert, die pantalon sierlijk een handbreed over je voet omgeslagen, en dan die geelleeren schoenen, in vorm en in omvang zoo weinig verschillende van een tjalk, kijk, dat vormt een geheel, waaruit je zoo echt lummelachtig te voorschijn treedt … O! dat Lydia je zoo eens kon zien! Kerel, je moet jelaten photografeeren!”Ja, het was Frank Brinkman, de jongeling dien de lezers op Slavante ontmoetten, die Herman thans zoo luidruchtig en vroolijk te gemoet trad. Zijne geschiedenis was gauw verteld. Zijn vader, een zeer gezien man in de nijverheidswereld te Leiden, was plotseling overleden. Steeds had die man een zeer ruim bestaan in zijne zaken gevonden, maar had geen vermogen vergaard. Toen de inventaris na dat overlijden opgemaakt was, bleef voor de kinderen, die reeds vroeger moederloos waren geworden, niet veel over.Frank, die steeds van een avontuurlijken geest bezield was geweest, maakte niet veel misbaar. Hij deelde zijn voogd mede, dat hij naar Harderwijk wenschte te gaan, om inNederlandsch-Indiëde militaire loopbaan te betreden. Die had gemakshalve niets tegen dat plan van zijn pupil, die hem tot last dreigde te worden. Frank was nu reeds twee maanden bij het Koloniaal werfdepôt, en deed dienst als militair schrijver op het bureau van den kolonel kommandant.[75]„Ik reken aanstaande maand tot korporaal bevorderd te worden,” zei hij. „Drie maanden later hoop ik fourier of sergeant te zijn, en dan snij ik de laan uit. Het is hier een liederlijk gemeen nest.”„Kom, voortmaken!” maande de onder-adjudant aan. „Sergeant, laat de manschappen zich haasten met passen en daarna aantreden!.…”„Wil ik je een goeden raad geven?” zei Frank gehaast. „Geef dan je burgerkleeren aan den onder-adjudant.”„Hij heeft er al genoeg naar gehunkerd,” antwoordde Herman. „Maar … men heeft er mij reeds vijfendertig gulden voor geboden.”„Dat’s veel; maar getroost je dat verlies; dat zijn vijf en dertig gulden, die geen windeieren leggen zullen. Hebt ge nog niet een pak in uw koffer?.. Geef dat dan aan den dubbelen.”„Aan den dubbelen!… Wie is dat?”„Dat is de sergeant-majoor der kompagnie. Geloof me, doe dat. Je zult het je niet beklagen.”Herman luisterde naar dien raad. Nog voor dat de troep rekruten het kleedingmagazijn verlaten had, was de plunje, die hij aan gehad had, in eigendom van den onder-adjudant overgegaan. Toen hij straks inspectie in zijn koffer hield, werd de moeder der kompagnie even mild bedacht. Zooals Frank voorspeld had, bleven de gevolgen niet uit. Vooreerst werd onze rekruut bij de excersitiën steeds gedrild door een instructeur, die aan de behoorlijke kennis eene zekere mate van beschaving en zachtaardigheid paarde, waardoor hem het ruwe van de eerste oefeningen, welke door de liederlijke en god-tergende taal van hen, die in die dagen met het onderwijs belast waren, voor de fatsoenlijke jongelieden zoo moeielijk gemaakt werden, veel bespaard werd. De sergeant-majoor zorgde er voor, dat zijn beschermeling,[76]nadat hijafgeëxerceerdwas, van corveeën verschoond bleef en, was dat niet altijd mogelijk, dan stond hij steeds genadig toe, dat Herman een plaatsvervanger daarvoor aanwees. Dat kostte dezen natuurlijk geld, maar hoe ijverig hij zijn nieuwen stand ook aanvaardde, er waren soms werkzaamheden te verrichten, die hij toch gaarne op een ander overdroeg.Dienzelfden dag dat Herman gekleed was, werden hem de krijgsartikelen voorgelezen. Maar de fourier, die die voorlezing bewerkstelligde deed dat zoo rad en met zoo’n eentonige stem, dat met den besten wil van de wereld van het gehoorde niets te maken was. Gelukkig! want die aaneenschakeling van bedreigingen met strop, kogel, kruiwagen, wegjaging als eerloozen schelm, enz. enz. zou den eenvoudigen burgerjongen slechts slapelooze nachten berokkend hebben. Na dat voorlezen der krijgsartikelen werd overgegaan tot het teekenen van de engagements-acte, welke handeling gepaard ging met het uitbetalen der handgelden aan hen, die zich op die voorwaarden verbonden hadden. Frank had zijn vriend gewaarschuwd die engagements-acte nauwkeurig te lezen, alvorens zijne naamteekening er onder te zetten. De moeite was evenwel overbodig, want het stuk was volmaakt in orde. Anders was het met dat van een ander rekruut, die, het voorbeeld van Herman volgende, de engagements-acte vroeg in te zien:„Vergeef mij, heer kapitein,” sprak deze, „ik had het beding gemaakt, dat ik mij niet voor de Overzeesche bezittingen, maar wel voor de Oost-Indische bezittingen wensch te verbinden.”„Dat is gauw genoeg geredresseerd!” stamelde de sergeant-majoor met zekere zenuwachtigheid in antwoord op den vragenden blik van den kapitein kompagnieskommandant, die deze dienstregeling bijwoonde.[77]„Dat had in orde moeten zijn, sergeant-majoor!” was het ernstig antwoord van dien officier.„Maar dan is er nog iets,” vervolgde de rekruut met een flauwen glimlach op het bleeke gelaat. „Ik wensch geen handgeld te ontvangen. Wel is de som hier in de acte niet ingevuld, maar daar de noodige doorhaling der daarop betrekking hebbende woorden niet geschied is, zou dat verzuim mij later in mijne loopbaan kunnen benadeelen.”Toornig stoof de kapitein op, greep de engagements-acte, overtuigde zich dat de gemaakte bemerking juist was, deed haar redresseeren en den sergeant-majoor voor die nieuw aangenomen manschappen, die daar vereenigd stonden, niet willende terechtwijzen, sprak hij:„Wij zullen straks dat varken wel wasschen!”Middelerwijl greep de betrokken rekruut Hermans hand en kneep die gevoelig:„Ik dank u,” sprak hij fluisterend, „gij hebt mij, hoewel onbewust, den grootsten dienst der wereld bewezen. Zonder uwe voorzorg zou ik mijne verbintenis geteekend hebben zonder haar in te zien. En dan was mijne geheele toekomst verloren geweest.”Later vernam Herman van Frank dat het aannemen van handgeld in die dagen een beletsel daarstelde om den officiersrang te behalen.„Menige reclame wordt deswege uit Indië ontvangen,” vulde hij aan. „Maar steeds moet dan volhard worden bij het door den belanghebbende zelf geteekende, terwijl bovendien de handgeldstaten èn van de kompagnie èn van den kwartiermeester kloppen. Zoo is menige toekomst ergerlijk verwoest geworden.”15„Dat is toch vreeselijk ongelukkig. En … wat zal nu met dien sergeant-majoor gebeuren? Men heeft nu een geval.… Me dunkt, dat die man niet in zijn graad gehandhaafd kan blijven!”[78]„Herman, je bent nog onnoozel, men kan wel zien dat je nog niet lang hier bent. Die sergeant-majoor krijgt eenvoudig een uitbrander, en daarmee is het uit. Hij zal een volgende maal niet eerlijker maar voorzichtiger handelen. O ja, nog eene recommandatie! Tracht vooral goede maatjes te zijn met de vrouw van dien sergeant-majoor.”„Met zijne vrouw?…” vroeg Herman, ten uiterste verbaasd zijn vriend aankijkende.„Ja, zeker. Als je niet bent als een dergenen, waarvan de psalmist zegt: „Zij hebben oogen en zien niet,”dan zul je mij later wel begrijpen. Daarbij het is geen zwaar corvée dat ik voorstel. De sergeant-majoorse is eene verduiveld mooie vrouw. Ik zal u nog een adres opgeven. Als ge u daar weet in te dringen, dan zijt ge al heel gauw korporaal en onderofficier.”„Ook eene vrouwengeschiedenis?”„Welzeker, eene vrouwengeschiedenis geboord met een zilveren randje.”Herman maakte een gebaar van walging.„Daar ginds te Rolduc hebben ze je en mij te Katwijk ingepompt, dat het doel de middelen heiligt. Toon nu dat het uitgestrooide zaad niet op de steenrots viel.”„Ja, maar, met die wereld heb ik geheel gebroken, dus ook met hare leerstellingen.”„Daar wensch ik je geluk meê. Het zal evenwel noodig zijn je te schikken naar de wereld, waarin ge u thans verplaatst bevindt.”En dat was eene vreemde wereld, dat zou Herman genoeg ondervinden.In die dagen wielde het schuim van geheel Europa te Harderwijk samen. Door de Nederlandsche wervers opgespoord en opgedoken uit de somberste holen der maatschappij, was en werd een troep mannen bij elkander[79]gebracht, die niet alleen de grootste verscheidenheid in nationaliteit maar ook in maatschappelijken en moreelen stand vertoonden. Waren er, die bij het onderteekenen hunner engagements-acte slechts gebrekkig konden schrijven, omdat de hand vereelt was door het behandelen van voorhamer, zaag, ploeg, schop, pikhouweel, koevoet of ook door het hanteeren van het breekijzer; waren er zelfs, uit de onderste lagen der maatschappij afkomstig, die niet eens geleerd hadden hunne naamteekening te zetten, en zich met het krabbelen van een gebrekkig kruisje behelpen moesten, daartegenover stonden er ook, die met een soort van zwier hunnen naam griffelden; zelfs waren er, die dien naam door het praedicaat van Baron of van Graaf lieten voorafgaan.Onder de Harderwijksche legenden, die in de wachtlokalen van het garnizoen, gedurende de lange winteravonden rondom de gloeiend gestookte kachel verteld werden, werd die van den Spaanschen graaf Don Ramoraz, die generaal geweest was onder Espartero, nimmer vergeten. Fluisterend werd dan verteld, dat die Hidalgo in een vreeselijke jaloersche bui zijne vrouw vermoord had, waarna hij, vergezeld van zijn adjudant Don Xilanos, een flink jong mensch, zijn vaderland ontvlucht was, en beiden, door den nood gedrongen, dienst voor de Nederlandsche Bezittingen genomen hadden. Werd dat verhaal opgedischt, dan ontbrak nimmer een ooggetuige, die den Spaanschen Grande met zijne grauwe haren en in zijn grauwen kapotjas gewikkeld, den bezem had zien hanteeren en de afzichtelijkste corveeën uitvoeren; terwijl er dan steeds met eene aandoenlijke schildering vervolgd werd, hoe Don Xilanos zijnen gewezen bevelhebber smeekte, hem toch die walgelijke werkzaamheden te laten verrichten.[80]„Dat past uwe Excellentie niet,” fluisterde de gewezen luitenant dan.Of dat in het Spaansch of in het Nederlandsch gefluisterd was, werd er niet bij verteld. De toehoorders vroegen daar ook niet naar. Maar wel klonk steeds de vraag:„En is die Spaansche graaf met zijn adjudant thans in de Oost of in de West?”„In geen van beiden! Luister: Op een morgen stond die Excellentie met zijn adjudant in de keuken, en waren beiden bezig met de overige manschappen aan het aardappelen jassen. Ge kunt me gelooven of niet, sprak dan de verhaler met overtuiging, maar „de grijze krijgsman” zong juist hartelijk mede:Sla, kroten en andijvie!toen plotseling de luint-adjudant verscheen, die eerbiedig de positie aannam, de hand aan de klep van zijn schako bracht, en met luider stem tot de twee aardappelenjassers sprak: Uwe Excellentie wordt beleefd verzocht bij den kornel te komen.—„Mijn adjudant ook?” vroeg de Grande. „Uw adjudant ook,” antwoordde de luint. Beiden gingen toen heen. Wij hebben ze nimmer teruggezien. Maar Eefje Goster, je weet wel, dat lieve kindermeisje bij den kornel, heeft mij verteld, dat die beide kolonialen in de mooie kamer van de kornels woning curaçao-bitter gedronken, en zich daarna in een mooi verguld pak gestoken hadden, waarna zij in een fraai rijtuig met vier paarden bespannen, weggereden waren. De kornel was bij het instijgen den Grande behulpzaam geweest, en had hem hartelijk de hand gedrukt.”„Ja, je kunt hier te Harderwijk van alles te zien krijgen!” was de algemeene instemming.Zoo veel was zeker, dat al wemelde het in den tijd, toen Herman te Harderwijk was, niet van Excellenties[81]bij het Koloniaal Werfdepôt, zoo zou er toch wel een half dozijn Freiherren, Graven en Baronnen te zamen hebben kunnen gebracht worden, en waren namen als: Von Schwerin, Von Heinitz, Von Helmoldt enz. niet zeldzaam. Of die namen hun, die ze droegen, toekwamen? Te Harderwijk bestond daaromtrent niet de geringste zekerheid. Het was daar het verstandigste, den naam, dien men opving, slechts als herkenningsmiddel van het individu, die hem droeg, aan te nemen. En zelfs daarbij was nog omzichtigheid noodig; want, hoe dikwerf weerklonk niet de een of andere naam bij gelegenheid van de dienstappèls, en werd herhaald en nog eens herhaald, zonder met het gewone „present” beantwoord te worden.„Waar zit die lummel nu weer?” vroeg dan de sergeant-majoor wrevelig en overzag de gelederen.„Zeg!” riep hij dan eensklaps, „kun jij je mond niet opendoen, als je naam afgeroepen wordt?”„Ah! ja so, ich nenne mich jetzt.…”In het gewone leven ook was het niet zeker, dat antwoord bekomen werd, wanneer men iemand bij den naam riep, waaronder hij in de militaire wereld bekend stond. Gedachteloos herinnerde de geroepene zich dan niet oogenblikkelijk, dat hij van naam verwisselde.Dat misdadigers, ergerlijke misdadigers onder dien hoop schuilden, die een heenkomen achter het militaire kleed zochten en blij geweest waren, dat zij een werver ontmoetten, die hun valsche papieren bezorgde, en zoo de verdwijning van het tooneel in de hand werkte, wie zal dat bij kalm en onpartijdig nadenken ontkennen? Herman hoorde daar mompelen van Ehrensachen, van onbetamelijk schuldenmaken, van verwikkelingen in staatsaangelegenheden, van ongelukkige duels, maar ook van diefstal, van doodslag, van broedermoord, van verdierlijking, van ontucht, van.… ja! van wat niet al?[82]En al heerschte er ook al veel overdrijving in die verhalen, die fluisterend gedaan werden, zoo zag hij zich toch omringd van troniën, welke aan die verhalen wel klem bijzetten. Hij zag daar te Harderwijk tooneelen van de walgelijkste brooddronkenheid, van de liederlijkste uitspattingen, tooneelen, die hem wel eens berouw deden gevoelen over den stap, dien hij gedaan had. Gelukkig stond Frank hem ter zijde.„Ja, aangenaam is het niet,” zei deze, „tusschen dat schuim te moeten leven. Er zal ook eene zekere mate van zelfstandigheid toe behooren, om bij de aanraking daarvan niet bezoedeld te worden. Maar kijk goed rondom u. Wees niet stelselmatig in het onthouden van uwe genegenheid of van uwe vriendschap, evenmin als gij te vlug moet zijn met haar te plaatsen. Hier onder die kolonialen, vooral onder de Nederlanders, omtrent wier antecedenten men trouwens oneindig meer kieskeurig is dan bij de vreemdelingen, zult gij jongelieden aantreffen, wier gezelschap niet te versmaden is.”En de jeugdige practicus had gelijk. Zeker waren daar jongelieden, die hun gezelschap wel waard waren; die door het avontuurlijke aangetrokken, dienst bij hetNederlandsch-Indischeleger genomen hadden, en ook alle pogingen aanwendden om zich bij dat leger eene eervolle loopbaan te scheppen.Door die raadgevingen van Frank gesteund, was het begin niet al te lastig voor Herman. Hij was al heel spoedig afgeëxerceerd. Zijn natuurlijke aanleg had hem daarbij veel geholpen, maar ook een zekere mate van onbekrompen vrijgevigheid, die hem op Franks aanraden aanspoorde, de verschillende onderofficieren-instructeurs, met wie hij te doen kreeg, nu eens een dubbeltje, dan weer een kwartje, soms ook meer in de hand te stoppen, had er toe bijgedragen om hem als een soort feniks[83]te doen beschouwen. Hij woonde al spoedig de zoogenaamde theorie bij, die niet anders was, dan een opdreunen van de van buiten geleerde militaire reglementen. Hij werd dientengevolge al spoedig vice-korporaal, en hoewel het doorsnuffelen van de geheimen der soldatenschool eene uiterst dorre bezigheid te noemen was, overwon hij toch den tegenzin, die hem bij het van buiten leeren overviel van dat zinledige: „de hielen op dezelfde lijn en zoo dicht aan elkander gesloten als de gestalte van den man zal gedoogen …”„Bah!… bah!…” geeuwde hij evenwel dikwerf daarbij, terwijl hij zich de ledematen uitrekte en de soldatenschool, het reglementaire boekje, hetwelk er niet voor kon, dat het zoo saai en stoppelig geredigeerd werd, ver van zich wierp.„Bah!… hoe is het mogelijk, zooveel nonsens aan elkander te rijgen?”„En toch, je zit in het schuitje, Herman,” moedigde Frank hem lachende aan. „Je moet theorie pruimen, daar is niets aan te doen!”Het korporaal worden ging van een leien dakje. Vier maanden na zijne indiensttreding prijkte Herman met de kemelsgaren galons op de mouwen, en was niet weinig trotsch daarop. In de eerste dagen na die bevordering kon hij niet nalaten bij het wandelen zoo van tijd tot tijd een blik van vergenoegen op zijne armen te werpen.De bevordering tot sergeant had iets meer voeten in de aarde, maar kwam ook naar wensch te recht. Op aanraden van Frank had Herman eene kamer bij de weduwe Ebtuin in de Brugstraat te Harderwijk gehuurd, die behalve eene dochter en eene kleindochter, ook nog een grooten galanterie-winkel bezat. Zij had de ruimte boven dien winkel in kamertjes verdeeld, en stelde die[84]ter beschikking van de koloniale helden in spe, die zulks betalen konden en een plekje wenschten te hebben, waar zij zich van het kazernepubliek konden afzonderen. Die drie dames hadden in de militaire wereld te Harderwijk zeer veel invloed. Frank wist dat zeer goed, en Herman zou dat weldra ondervinden.Op een namiddag, toen de beide jongelingen te huis kwamen, merkte de oude weduwe het betrokken gezicht op, hetwelk Herman zette.„Wat scheelt er aan, mijn jongen?” vroeg zij op deelnemenden toon.Herman antwoordde niet. Nurks en wrevelig trok hij de schouders op.„Och, hij heeft het land,” sprak Frank, die reeds sedert eenigen tijd met de gouden galons op de mouwen prijkte. „Heden zijn een twintigtal onderofficieren aangesteld, en.… hij is er niet bij.”„Is het anders niet? Daar kan hij wel toe komen, niet waar Kaatje?” zei de weduwe glimlachend tot hare kleindochter.„Zeker moe,” antwoordde het snibbig ding, niet minder snedig lachende, evenwel met een blosje op de wangen.„Maar, intusschen ben ik het niet,” antwoordde Herman norsch, en wilde den trap opstijgen om naar zijne kamer te gaan.„Zou je zoo gaarne sergeant zijn, mijn jongen?” vroeg de oude mevrouw Ebtuin.„Welzeker! Zou ik niet?” was het antwoord, dat hij gaf.„Kom dan eens meê,” sprak de weduwe.Zij geleidde den jongman in het winkellokaal, dat voor een kleinsteedschen galanterie-winkel goed voorzien was.„Kijk eens,” zei ze, „is dat geen fraaie pendule? Een fraaier stuk hebt ge nimmer gezien.”[85]„Ja zeker, dat is een mooi stuk,” antwoordde Herman, nu met een kennersoog een blik op de bronzen pendule werpende, die hem aangewezen werd.„Zij kost tachtig gulden,” hernam de weduwe met een zekere intonatie.„Dat’s veel geld; maar voor hem die zoo’n stuk wenscht, toch niet te veel.”„Ik zal ze maar op uwe rekening schrijven, nietwaar?” vroeg zij met sluwen glimlach.„Op mijne rekening?… Wat zou ik met dat ding doen? Ik hoop over een paar maanden aan boord van het schip te zitten.”„Hij is niet erg bevattelijk,” sprak de weduwe tot Kaatje, die met Frank in de deur van den winkel stond te praten.Kaatje kreeg een blos, die haar niet onaardig stond. Frank lachte dat hij schudde.„Ik begrijp niet, wat mijne bevattelijkheid hier te maken heeft!” sprak Herman ietwat gebelgd.„Ge wilt spoedig sergeant worden?” vroeg de weduwe op ieder woord drukkende.„Zoo’n vraag!”„Wel, laat mij dan die pendule op je rekening schrijven,” zeide mevrouw Ebstein met een grijnslach.„Maar ik begrijp niet.…”„Dat’s ook niet noodig. Ik schrijf de pendule op en gij zijt, voor dat we vier en twintig uren verder zijn, sergeant. Is dat niet voldoende, zeg?”„Ja, in dat geval, maar ik begrijp niet.… Wat die pendule.…”„Behoeft ook niet. Als ge het resultaat maar begrijpt. Opschrijven, dus?…”Herman knikte toestemmend.Toen den volgenden morgen de sergeant-majoor der[86]3dekompagnie na terugkeer van het rapport, de orders op zijn bureau mededeelde, las hij de navolgende bataillons-orde voor:„No. 79. Ten vervolge op de bataillons-orde van gisteren No. 75, wordt alsnog aangesteld tot sergeant à la suite bij het Koloniaal Werfdepôt: de korporaal Herman Willem Hubert Riethoven; met bepaling, dat die bevordering zal rekenen in te gaan op den dag van gisteren.”„Sergeant Riethoven, ik feliciteer je wel met die bevordering,” sprak de sergeant-majoor na die voorlezing.Alle aanwezige onderofficieren, korporaals en vice-korporaals verdrongen zich om den gelukkigen, en drukten hem de hand. Zelfs de lieve sergeant-majoors-vrouw trad in dat oogenblik uit hare kamer te voorschijn, alwaar zij bezig was met groenten schoon te maken, veegde hare handen aan haren boezelaar af, greep Herman bij het hoofd en riep:„Mag ik je ook gelukwenschen, aardigen krullebol!”Zij kuste hem op beide wangen, en drukte hem met zoo’n innigheid en zoo’n onstuimigheid aan hare borst, dat zij beiden tegen den schrijflessenaar van den sergeant-majoor optornden, zoodat de registers daarop kantelden.„He! mijn administratie-boek!” riep de sergeant-majoor, niet zeer gesticht over de wijze van feliciteeren van zijne vrouw.„En dat je nu weg moet!” kreet de vrouw meewarig.De dubbele keek nog somberder. Het overige kader voorzag eene huishoudelijke onweersbui en droop af. Maar, toen Herman, na zich uit de armen der schoone losgewrongen te hebben, op de schrijftafel toetrad, daar een bon voor een twaalftal flesschen St. Estèphe krabbelde, dien den sergeant-majoor aanbood, met verzoek een glas op zijne gezondheid te drinken, helderde het barsche gelaat op, en sprak die kompagnie’s moeder met bewogen[87]stem, terwijl hij den nieuwbakken sergeant de hand reikte:„Je bent een nobele kerel! Met jou is wel land te bezeilen!”Herman bloosde als eene jonge meid bij dat apokryphe kompliment, hetgeen een tweeden en nog onstuimiger aanval van den kant der sergeant-majoors-vrouw uitlokte.Toen Herman zijne bevordering later met Frank besprak, gaf hij zijne verwondering te kennen over die uitkomst.„Hebt ge Kaatje Ebstein niet zien blozen?” vroeg Brinkman.„Ja, maar.… dat meisje kan toch met blozen geen sergeanten aanstellen?”„Ze kan meer dan dat? Maar.… als ge het geheim van die geschiedenis niet begrepen hebt, dan zult ge het wel nimmer vernemen, want ik vertel het niet. Daar kunt ge evenwel zeker van zijn, dat wanneer gij het zeegat uit zult zijn, die pendule hare plaats in den winkel weer hernomen zal hebben.”Het hoofddoel van het verblijf te Harderwijk was thans bereikt. Herman en Frank waren sergeant; zij verlangden thans slechts te vertrekken. De dienst was daar bij het Koloniaal Werfdepôt in die dagen zeer onaangenaam. Over dag moest hard met de recruten geexerceerd worden, en des avonds moesten de gegradueerden zware patrouille-dienst verrichten, om de wezens, die daar in dat Zuiderzeestadje te zamen gebracht waren, in toom te houden. Daarbij moesten dan, vooral na het avondappèl, wanneer aan de patrouilles het wachtwoord gegeven was, dat verscheidene manschappen ontbraken, de afzichtelijkste holen binnengedrongen worden, om de rampzaligen uit den jeneverwalm of erger nog, uit de armen der priesteressen van de walgelijkste ontucht te[88]sleuren. Tooneelen hadden dan plaats, waarbij de menschheid zich het gelaat sluieren moest; maar die door de jongelieden niet te vermijden waren. Het gebeurde toch soms, dat de veile deernen de rampzaligen, die tengevolge van overdaad van drank daar bewusteloos neerlagen, tegen de vertegenwoordigers der openbare macht poogden te verdedigen, dat zij zich wapenden met hare haarkammen en als furiën met losgierende haren op de patrouillemannen losstormden, welke laatsten dan, hoe ongaarne ook tegenover vrouwen, uit zelfverdediging genoodzaakt waren, geweld met geweld te keeren.Bij zoo’n gelegenheid had Frank eens eene hetaïre met de haft zijner bajonet op het hoofd moeten slaan, zoodat zij bewusteloos voor zijne voeten neerzonk. Hij had dit feit diep betreurd; maar, had hij zich niet verdedigd, dan ware voorzeker zijn gelaat door het woedende vrouwelijke monster ongenadig met haren stalen kam toegetakeld.De jongelieden bespraken die ergerlijke tooneelen dikwerf, en legden dan onverholen hunnen afkeer van een langer verblijf te Harderwijk aan den dag.„Wat mij ook hier tegen de borst stuit,” sprak Herman bij een dier gelegenheden, „is het zien aankomen van de luttele detachementen, die uit Indië terugkeeren. Hoe zien die arme kerels er uit! Mager, geel, perkamentachtig, met gezichten zoo hoekig alsof een langdurig gebrek hun deel geweest was, met diepliggende oogen en zeer gebogen gestalten, meestal verminkt en gebrekkig en hulpbehoevend. Gij ziet ze hier ter sluiks aankomen in hunne vaalgrijze pij gestoken, alsof ze uit een tuchthuis ontslagen zijn. Eenige weken ziet ge ze hier rondscharrelen, dan wordt hun wat geld in de handen gestopt, natuurlijk zoo min mogelijk—en dan verdwijnen zij. Waarheen?.… Ik vroeg laatst aan zoo’n ongelukkige,[89]of hij nog familie-betrekkingen had. „Neen,” was het antwoord. „Waar gaat gij dan heen?” Bitter lachend antwoordde hij: „ik ga den boer op, het kind wiegen.” Is dat geen aanklacht jegens de Nederlandsche natie dat de verdedigers van Indië, van het kostbaarste kleinood hetwelk zij bezitten, zoo’n heenkomen moeten zoeken?.. God, God, zouden wij ook eenmaal zoo moeten terugkomen?… Het is soms om aan de toekomst te twijfelen.”„Dat moogt ge niet,” bemoedigde dan Frank. „Wij moeten trachten in andere spheren te geraken. Bij ijver en goeden wil staat ons de weg daartoe open.”„Is het u ook niet opgevallen,” ging Herman in dezelfde misantropische bui voort, „dat die arme bliksems zoo met stille trom hier aankomen, terwijl de detachementen, die naar Indië vertrekken, met volle muziek uitgeleide gedaan worden. Het is alsof men de dankbaarheid zoo ver drijft, dat men zich over hunne bewezen diensten schaamt.”Frank zette een half spottend gezicht.„Het is niet goed,” sprak hij, „daarover veel na te denken. Zooals ik reeds zeide, wij moeten trachten niet aldus terug te komen in het vaderland. Voor ons moet het in de loopbaan, die wij gekozen hebben, steeds zijn: „Excelsior! hooger! immer hooger!””Herman zuchtte. Het was werkelijk, of hij soms weifelde, nu het vertrek naderbij kwam. Daar moest een einde aan komen; daarom opperde Frank op een morgen: „Wij zullen nu maar aan de reis denken en den kolonel verzoeken met een der eerstvertrekkende detachementen te mogen medegaan.”„Ja, maar ik wilde alvorens mijne ouders nog eens weerzien,” sprak Herman, „om afscheid van hen te nemen.”„Dan moet ge verlof vragen.”[90]„Juist dat wilde ik doen.”„Hoeveel tijdwenschtetgij te hebben,” vroeg Frank.„Niet te lang, het zal een treurige tijd zijn,” antwoordde Herman. „Mij dunkt dat veertien dagen voldoende zullen zijn.”„Dat’s afgesproken. Ik stel dan mijn verzoek om af te reizen tot uwe terugkomst uit.”Herman had gelijk; het zou een zeer treurige tijd zijn. Het afscheid van den zoon van zijne ouders was onvermijdelijk, maar zou bitter voor alle partijen zijn. De ouders gingen hun kind verliezen, de zoon zou weldra zijne ouders derven.Toen de moeder haar kind in de afzichtelijke grauwe pij gewikkeld zag, die den al te weidschen naam van kapotjas droeg, barstte zij in snikken uit:„Als een galeiboef!” kreet zij en wrong zich de handen.„De pij maakt den monnik niet,” antwoordde haar Herman. „Onder dezen kapotjas klopt mij het hart vrijer, warmer, dan het zich onder de soutane zou hebben mogen bewegen.”„O! welk ontwaken!” jammerde de moeder. „Welk ontwaken uit mijne schoonste droomen! En dan, mijn oudste kind zoo ver weg!”„Nog is dat kind gereed in uwe nabijheid te blijven!” antwoordde Herman ernstig.„Zou het mogelijk zijn?” vroeg de vader.„Te Harderwijk is met geld alles mogelijk. Ik heb slechts een plaatsvervanger te stellen.”„O! Herman, doe dat dan! doe dat dan!” snikte mevrouw Riethoven.„Gaarne,” was Herman’s antwoord. „Geef slechts uwe toestemming, dat ik mijne studiën op de hoogeschool mag vervolgen.”[91]Een schok trilde door de ledematen der arme dweepzieke moeder. Daar doemde voor haren geest de strenge gestalte van den directeur Peeters op. De arme vrouw hoorde reeds het anathema, hetwelk haar treffen zou. Haar zoon een gevaar voor de Kerk! Dat kind, wat zij gebaard en gezoogd had, dat vleesch van haar vleesch, dat bloed van haar bloed zou een suppoost van Satan worden, zou als tegenstander van de Kerk van Christus optreden! „O! nooit, nooit!” galmde het in haar gemoed. Maar, dan sloeg zij het oog op haren zoon. Daar stond hij voor haar, die eersteling van hare huwelijksliefde, daar stond hij voor haar met dien afschuwelijken kapotjas om de lendenen, met die afzichtelijke kwartiermuts op het hoofd, daar stond hij voor haar, gereed om naar dat verwijderde land te gaan, naar dat land, hetwelk haar zoo vol gevaren, zoowel zedelijke als lichamelijke afgeschilderd was, naar dat land, waaromtrent hare ziel uitspraak deed:dat hij, die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is om naar den Oost te gaan, en.… met één woord kon zij aan die geheele toekomst van haar kind, die haar tegengrijnsde, een andere richting geven. Met één woord kon zij dien kapotjas in eene toga veranderen. O! de bekoring was zwaar. Zij boog het hoofd, al dieper en dieper. Zij vouwde de handen.„Heere,” bad zij, „verlaat mij in dezen stond niet! Ik heb uwe hulp zoo noodig!”Vader en zoon zagen den vreeselijken strijd aan, die daar gestreden werd. Geen van beiden hadden evenwel eenige hoop.„Wel, wat is uwe beslissing?”Die vraag was zacht, uiterst zacht van Hermans lippen gegleden, terwijl hij zijne moeder den arm om den hals sloeg. Toch verbraken die weinige woorden de betoovering, die haar omstrengeld hield.[92]„Nooit! nooit!” prevelde zij met saamgeknepen lippen.Herman liet haar uit zijn armen los.„Dan valt er niet meer te jammeren, mameer!” sprak hij hoogst ernstig. „Dan is mijn lot beslist!”Weinige dagen later had de tegenhanger van dat tooneel plaats, toen Herman bij de familie Fraenkel afscheid ging nemen. Bij zijn binnentreden trof hij Lydia een oogenblik alleen. Toen zij hem in dat militaire pak zag, barstte ook zij in tranen los. Een oogenblik zou de verteedering hier een keerpunt hebben kunnen aanbrengen; maar, daar traden Lydia’s ouders binnen en met die was ieder uitzicht op toenadering verdwenen. De jongelieden reikten elkander de hand.„A Dieu!” stamelde Herman met een snik.„A Dieu!” herhaalde het meisje schier onhoorbaar dat in Limburg zoo gebruikelijk afscheidswoord, en wees met den vinger naar boven. „A Dieu!”Den avond voor het vertrek vereenigden zich nog eenige familieleden en vrienden bij de familie Riethoven. Helaas, het had veel van eene uitvaarts-plechtigheid. Alle aanwezigen waren ontroostbaar. Alleen Herman was uiterlijk kalm. Zelfs op een gegeven oogenblik rees hij op, en met eene stem, alsof hij op eene nutsvergadering eene voordracht hield, reciteerde hij:„Vaarwel, mijn vaderland, mijn ouders en bekenden!Het scheidensuur breekt aan, ontvangt mijn afscheidsgroet.Ras zal de brooze kiel van Holland’s kust zich wenden!En voeren ver mij voort langs d’ onafmeetbren vloed!…”„Schei uit Herman!” riep een der aanwezigen. „Zie toch uwe moeder!.…”De arme vrouw baadde in hare tranen, hare snikkenbelettenhaar eenig geluid uit te brengen. Was het wreedheid van Herman? Was het overspanning? Helaas! nimmer heeft hij zich eene juiste rekenschap weten[93]te geven van de gevoelens, die hem dien avond beheerscht hadden. Menigmaal heeft hij evenwel later dat oogenblik met weemoed, ja met diep berouw herdacht.Den volgenden morgen, toen het laatste scheidingsoogenblik aangebroken was, knielde hij voor zijne ouders, en bad hen om hun zegen. Beiden legden hem de handen op het hoofd.„Ga in vrede!” sprak de vader met van aandoening trillende stem.„Dat God u geleide, mijn zoon! mijn oudste!” kermde de moeder en viel schier in zwijm. Met veel moeite hield zij zich staande.Herman stapte voort. Bij het omslaan van den hoek der straat, waarin het ouderlijk huis gelegen was, wierp hij nog een blik achterwaarts. Daar stonden beiden met ten hemel geheven handen hem na te staren. Dat was de laatste blik, die gewisseld werd. Herman zag zijne ouders nimmer weer.EINDE VAN HET VOORSPEL.[95]

Eenige dagen later noodigde Herman zijne ouders tot een mondgesprek uit. Hij wilde nog eene poging wagen om hen over te halen, hem te veroorloven zijne studiën aan eene Hoogeschool te vervolgen, alvorens een wanhopig besluit te nemen. Helaas! die poging was ijdel, zij stuitte af op de dweepzucht zijner overigens zoo liefderijke moeder. Ernstig en vastberaden gaf zij te kennen, dat zij daarin nooit zou bewilligen. En haar echtgenoot, die, wel is waar, met onverholen genoegen gezien had, dat Herman zijne plannen, om priester te worden, vaarwel gezegd had, waagde het thans niet met zijne echtgenoote in het strijdperk te treden, en de almacht èn van den biechtvader èn van den directeur Peeters te betwisten. Wel was hij geen broedermeester, ook geen lid der O. L. Vrouwenkamer; maar hij was een minnaar van huiselijken vrede, en hij wist bij ervaring dat, wanneer hij in botsing met de geestelijke heeren zou komen, die vrede ernstig bedreigd zou zijn, ja te gronde zou gaan.[66]

Hermans pogen leed dus schipbreuk, aan den eenen kant op de onverzettelijke vasthoudendheid zijner moeder, aan den anderen kant op de geestesslapheid zijns vaders.

„Gij weigert dus bepaaldelijk?” vroeg hij met eenige aarzeling in zijne stem.

„Bepaaldelijk en voor altijd!” antwoordde zijne moeder.

„Dan kom ik met een tweede voorstel voor den dag,” sprak Herman hoogst ernstig. „Ik had uwe weigering voorzien en heb diep nagedacht!”

„Laat hooren,” antwoordde de vader. „En geve de Hemel, dat wij het inwilligen kunnen, dan komt aan dat gezeur een einde.”

„Ziet hier. Belet gij mij eene wetenschappelijke loopbaan te betreden, dan wenschte ik in den militairen stand fortuin te beproeven.”

Een oogenblik zaten de beide ouders stilzwijgend daar neer. Zij dachten diep na.

„Daar heb ik niets op tegen,” sprak eindelijk zijne moeder. „De militaire stand is eene zeer eervolle.”

Herman glimlachte bitter bij die bemerking. Was de rechtsgeleerde eene niet even eervolle?

„Gij zijt evenwel te oud om naar Breda te gaan,” merkte de vader op.

„Ik wenschte ook niet naar Breda te gaan,” antwoordde de jongeling.

„Dan naar Kampen? Maar, zijt gij daartoe ook niet reeds te oud?”

„Ook dat niet,” klonk het bedaarde antwoord.

„Maar wat dan? Dienst nemen bij een der regimenten? Dat zal u tegenvallen.”

„Neen, mompeer, ik wensch naar Harderwijk te gaan en.… kan het, met de eerste gelegenheid naarNederlandsch-Indië!”[67]

„Naar den Oost!”.… kreet mevrouw Riethoven.

„Naar den Oost, gij zegt het, mameer!” sprak de jongeling met klem.

„Maar, dat is een wanhoopsbesluit!”

„Wel mogelijk,” antwoordde Herman dood bedaard. „Daar in het verre oosten heeft de militaire wereld recht van bestaan. Daar bij den strijd der beschaving tegen de barbaarschheid is het krijgsmanskleed een soort priestertoga. Daar ginds is nut te stichten, en wellicht.… vergetelheid te vinden!”

„Een mijner kinderen naar den Oost!” jammerde de moeder.

„Laten wij geen overijlde besluiten nemen,” sprak de vader. „Gij zijt nog niet meerderjarig, bijgevolg hebt gij onze toestemming noodig om dat plan te kunnen volvoeren. Ik eisch van u, dat gij het drie volle maanden in bedenking neemt.”

„Mompeer!.…” meende Herman in het midden te moeten brengen. „Drie maanden is …”

„Van dien eisch gaat niets af,” antwoordde de heer Riethoven met nadruk. „Blijft gij na ommekomst van dien tijd uw voornemen getrouw, dan zal ik mij daartegen niet aankanten. Evenwel dan heb ik nog een eisch te stellen, of beter eene belofte te vorderen.”

„En die is?”

„Dat gij te Harderwijk blijven zult, totdat gij den onderofficiersgraad zult behaald hebben.”

„Maar!…”

„Zonder die belofte geene toestemming,mijn zoon!” was het bedaarde antwoord.

Herman boog het hoofd onder die beslissing. Hij moest wel toegeven. Zijn vader verschafte hem de geldelijke middelen om gedurende die drie maanden een reisje te maken. Hij zou Aken, Keulen, Luik en Brussel[68]bezoeken. Van de verstrooiing, daardoor teweeg gebracht, verwachtte de heer Riethoven veel.

De arme moeder stormde naar de kerk om daar haar gemoed in den biechtstoel uit te storten.

„Helaas! eerwaarde heer,” kreet zij, „hij wil naar den Oost!”

„Wel, wat zou dat?” klonk het antwoord zoo onverschillig mogelijk, nu die plannen een vorm aannamen, welke die der geestelijke heeren niet dwarsboomde. En met zalving: „De wil des Heeren moet geëerbiedigd worden! mijne zuster.”

„Naar den Oost!Maar, eerwaarde heer, die vader en moeder vermoord heeft, is daartoe nog te goed. Kan dat de wil des Heeren zijn?”

„Beter naar den warmen Oost, dan naar de nog warmer hel!” was het vrome antwoord.

Daarmeê mocht de gefolterde moeder aftrekken. Snikkend verliet zij het bedehuis.

Bij het einde van die drie maanden respijt keerde Herman te Maastricht terug. In zijne plannen was geene verandering gekomen. Hij herhaalde dus zijn aanzoek. Dat gaf natuurlijk aanleiding tot een deerniswaardig tooneel van de zijde zijner moeder. Maar de jongeling bleef zijn voornemen getrouw. Er was niets aan te doen.

De noodige papieren werden bijeengebracht, en acht dagen na zijn terugkeer zat Herman in de diligence, die hem over Roermond, Venlo, Nijmegen, Arnhem, Utrecht, Amersfoort naar de plaats zijner bestemming bracht.

„Stilte daar! Stilte! Zijt jullie dol!” klonk de stem van een sergeant van het vaste kader te Harderwijk[69]tot een troep mannen, die hem in de kruisgangen van het kleedingmagazijn van het koloniaal werfdepôt omringden. „Stilte daar voor den drommel!”

Het was een uitgezocht zoodje, dat daar verzameld was, ten einde de zoo fraaie en zoo smaakvolle uniform van het Nederlandsch Indisch leger aan te trekken. Het liep toen ten tijde naar het einde van den Krim-oorlog. Groot Britannië dankte hare vreemden-legioenen af, en was blij dat gespuis goedschiks kwijt te raken. Nederland daarentegen beijverde zich vlijtig die lievertjes voor zijne zoo schoone koloniën aan te werven. Het zond zijne zielenverkoopers uit, en die, zich wapenende met valsche papieren, brachten voor en na een welkomen buit te huis van de meest uiteenloopende bestanddeelen. Het troepje, hetwelk daar gereed stond om gekleed te worden, was een proefje van de zoo rijke staalkaart der Europeesche nationaliteiten. Hier kruiste zich het:damned rascalvan een Engelschman met hetverfluchter Schweinhundvan een Duitscher: elders het:sacré nom d’un chienvan een Franschman met het:zaide ge zot! begot! zulle!van een Vlaming enz. enz.; terwijl Israëls volk daar door een paar specimina vertegenwoordigd was, die niet het minste lawaai maakten bij het schatten, het loven en bieden ten opzichte van de vrij kale plunje, die de aanstaande verdedigers onzer koloniën om het lijf hadden. Want, als straks dat troepje, in hun helden-pakje gestoken, naar de kazerne zoude marcheeren, mocht niemand hunner iets van hunne burgerkleeding daarheen meênemen; zij moesten alles van de hand gedaan hebben, ten einde zoo veel mogelijk desertie te voorkomen.

Herman Riethoven bevond zich onder dat troepje. Schuw te midden van die woeste bende, had hij zich eenigszins in een hoek teruggetrokken, en stond dat[70]tooneel gade te slaan. Hij was sedert een paar dagen te Harderwijk aangekomen, en had zijn intrek in het logement van den heer Courtois genomen, dat vlak tegenover de kazerne gelegen was. Dadelijk na aankomst had hij zich aangemeld, en zijn voornemen kenbaar gemaakt om in militairen dienst voor de Oost-Indische bezittingen te treden.

Daags daarna was hij door een der officieren van Gezondheid van het garnizoen geneeskundig onderzocht, en goedgekeurd geworden. Thans bevond hij zich in het kleedingmagazijn om zijne metamorphose van burger in krijgsman te voltooien.

„Zeg, jij polletiek!” riep hem een korporaal toe, „als je straks in de kazerne komt, dan moet je maar dadelijk dien mooien krullebol laten knippen.”

„Hebt u het tegen mij, korporaal?” vroeg Herman.

„Ja, tegen wien anders? Ben je nou al suf gediend?.…”was het barre antwoord. „Denk er om, dat je straks dien raagbol laat knippen. Ik wil voor jou de kas niet indansen. Ik heb de kompies barbier reeds gewaarschuwd. Twee duim van voren, een duim van achteren. Je zult er kranig uitzien!”

Herman liet zijne hand met een zucht door zijne donkerbruine krullen gaan. Sedert hij Rolduc verliet, had hij zijn haardos laten groeien, en stond hem die niet kwaad.

„Twee duim van voren en een duim van achteren,” herhaalde hij in zich zelven. „Drommels! ik zal weer zoo’n kopje krijgen als in het seminarie. Waarachtig,les extrêmes se touchent.”

„Je treft het niet,” zei de korporaal met een spotachtigen glimlach op de lippen.

„Wat tref ik niet, korporaal?” vroeg de politiek onderdanig.[71]

„Waarom heb je niet gevraagd om bij de baronnen-kompie geplaatst te worden?”

„De baronnen-kompagnie, wat is dat?” vroeg Herman met bevreemding.

„Kom, hou me niet voor den gek! Weet je niet wat de baronnen-kompie is? Dat is de vierde kompie. Daarbij worden zij geplaatst, die zonder handgeld teekenen. Daarbij zijn echter waarlijke baronnen en echte graven.”

„Zoo. Neen, ik ben bij de derde kompagnie ingedeeld.”

„Heb je al kennis met je sergeant-majoor gemaakt? Niet? nou dat moet je doen. Dat is de moeder van de kompie. Een flinke vent, die majoor. Heb je je kleeren al verkocht?”

„Neen, nog niet.”

„Wat moet je er voor hebben?”

Een paar joden waren nabij getreden.

„Nah! ik gheef ongezien vhijf en twintig guldes,” zei de een, terwijl hij de panden van Hermans jaquette betastte.

„Wil je maken! dat je weg komt, leeleke smous!” zei de korporaal.

„Nah! ik mhag me handel wel dhrijven, khorpraalh! ik heb permissie van den kornel!”

„Maar niet om me onder me duiven te schieten, weergasche jood!”

De andere zoon Israëls was Herman ongemerkt van achteren genaderd, en bekeek daar zijne kleeding nauwkeurig.

„Ongezien gheef ik acht en twintig guldes, nah! wat zeg je?” zei hij tot den jongen man.

„Je bederft den mharkt, Nathan,” schold de eerste. „Ikke gheef dhertig, Nah!”

„Bliksemsche smousen!” brulde de korporaal.

„Wat is daar te doen?” riep plotseling eene stem.[72]

Het was de onder-adjudant van het koloniaal werfdepôt. Hij naderde, en toen hij Herman in het oog kreeg:

„Laat je door die joden niet bedonderen, Riethoven,” sprak hij. „Je weet wat ik je gezegd heb?”

Bij zijne aankomst te Harderwijk had Herman zich bij dien onder-adjudant vervoegd. Die had hem toen naar het bureau van den kolonel begeleid, waar hij aan den luitenant-adjudant zijn voornemen om dienst voor de koloniën te nemen bekend had gemaakt, en zijne papieren had afgegeven. Bij die gelegenheid had de onder-adjudant een kennersblik op Hermans kleeding geworpen, en hem gezegd, dat hij een koopman wist, die steeds den hoogsten prijs gaf.

„Wij zullen straks er heengaan!” voegde hij er thans nog bij.

„Komaan, sergeant! korporaal! laat de manschappen aantreden,” beval hij. „De officier van kleeding is er.”

Op dat bevel trachtten èn de sergeant èn de korporaal zooveel mogelijk stilte te verkrijgen en orde te doen heerschen onder den luidruchtigen troep. Dat lukte aanvankelijk niet. Het was een geschreeuw en een getier in alle mogelijke idiomen, waar geen einde aan scheen te zullen komen. Eindelijk kwam de onder-adjudant den onderofficieren met zijn gezag te hulp.

„Dondersche kerels!” bulderde hij met een alles overheerschende stem, „wil jullie wel den snater houden en aantreden, of ik breng jullie in de politiekamer!”

Slechts eene halve stilte trad in. Engeland’s legionnisten waren aan geen krijgstucht gewoon. De korporaal beijverde zich die menschen in rij en gelid te scharen. Hij moest er zijn handen bij gebruiken, hen bij de schouders grijpen, en hen brengen waar hij ze hebben wilde. Eindelijk lukte het, hen in een of twee rijen opgesteld te krijgen. Zij werden daarna in een nabijgelegen[73]gang geleid, waar de administratie-officier zich met een aantal helpers bevond. De monteeringstukken werden nu uitgedeeld, en weldra was het geheele troepje bezig met zich te verkleeden, met te passen, te meten en te ruilen, waarbij al weer niet weinig luidruchtigheid aan den dag gelegd werd, en waarbij menige vieze onderplunje voor den dag kwam.

Herman was ook weldra druk bezig met zich te verkleeden. Nu eens was hem een pantalon toegeworpen, die voor een reus gemaakt scheen, en waarin hij, die toch waarachtig niet tot de tengeren behoorde, in zwom, toen hij ze aangetrokken had. Een oogenblik later moest hij hulp hebben om uit eene andere pantalon te geraken, zoo smal was zij, waarin hij op hoog bevel van den officier gekropen was. Zoo ging het met zijn mouwvest, met zijn kwartiermuts, in één woord met alles. Het eerste paar schoenen, dat hem aangereikt werd, was in omvang aan eene kanonneerboot gelijk. In het daarop volgende zaten zijne voeten zoo gekneld, dat hij niet staan kon. Maar eindelijk toch was hij klaar. Toen hij over die nieuwe plunje den afschuwelijk leelijken grauwen kapotjas aangetrokken had, die de verdedigers van Neêrlands koloniën op tuchthuisboeven doet gelijken, mompelde hij met een glimlach, maar toch met een zucht:

„Ik wou me nu wel eens in den spiegel kijken, ik moet er mooi uitzien!”

„Dat doe je ook,” klonk eene stem, het uitgierende van het lachen, achter hem.

Herman keerde zich om, en slaakte een kreet van verrassing. Daar was wel reden toe.

„Jij hier Frank?” riep hij uit.

„Ja, ik hier!” antwoordde onze bekende van den Sint Pietersberg.[74]

„Jij, jij Frank Brinkman!!! Je komt als uit de lucht gevallen!”

„Ja! ik Frank Brinkman! Uit den hemel kom ik niet direct,” antwoordde hij lachende.„Maar laat mij je eens bekijken.…. Het is om het uit te schreeuwen! Die mooie politiemuts, in den vorm van eene afgeknotte kachelpijp op dien krullenkop, die klep vierkant en breed als een luifel boven je oogen, die stijve nek gewrongen in dien komieken stropdas, die mooie kapotjas, die je zoo gracieus om de lendenen fladdert, die pantalon sierlijk een handbreed over je voet omgeslagen, en dan die geelleeren schoenen, in vorm en in omvang zoo weinig verschillende van een tjalk, kijk, dat vormt een geheel, waaruit je zoo echt lummelachtig te voorschijn treedt … O! dat Lydia je zoo eens kon zien! Kerel, je moet jelaten photografeeren!”

Ja, het was Frank Brinkman, de jongeling dien de lezers op Slavante ontmoetten, die Herman thans zoo luidruchtig en vroolijk te gemoet trad. Zijne geschiedenis was gauw verteld. Zijn vader, een zeer gezien man in de nijverheidswereld te Leiden, was plotseling overleden. Steeds had die man een zeer ruim bestaan in zijne zaken gevonden, maar had geen vermogen vergaard. Toen de inventaris na dat overlijden opgemaakt was, bleef voor de kinderen, die reeds vroeger moederloos waren geworden, niet veel over.

Frank, die steeds van een avontuurlijken geest bezield was geweest, maakte niet veel misbaar. Hij deelde zijn voogd mede, dat hij naar Harderwijk wenschte te gaan, om inNederlandsch-Indiëde militaire loopbaan te betreden. Die had gemakshalve niets tegen dat plan van zijn pupil, die hem tot last dreigde te worden. Frank was nu reeds twee maanden bij het Koloniaal werfdepôt, en deed dienst als militair schrijver op het bureau van den kolonel kommandant.[75]

„Ik reken aanstaande maand tot korporaal bevorderd te worden,” zei hij. „Drie maanden later hoop ik fourier of sergeant te zijn, en dan snij ik de laan uit. Het is hier een liederlijk gemeen nest.”

„Kom, voortmaken!” maande de onder-adjudant aan. „Sergeant, laat de manschappen zich haasten met passen en daarna aantreden!.…”

„Wil ik je een goeden raad geven?” zei Frank gehaast. „Geef dan je burgerkleeren aan den onder-adjudant.”

„Hij heeft er al genoeg naar gehunkerd,” antwoordde Herman. „Maar … men heeft er mij reeds vijfendertig gulden voor geboden.”

„Dat’s veel; maar getroost je dat verlies; dat zijn vijf en dertig gulden, die geen windeieren leggen zullen. Hebt ge nog niet een pak in uw koffer?.. Geef dat dan aan den dubbelen.”

„Aan den dubbelen!… Wie is dat?”

„Dat is de sergeant-majoor der kompagnie. Geloof me, doe dat. Je zult het je niet beklagen.”

Herman luisterde naar dien raad. Nog voor dat de troep rekruten het kleedingmagazijn verlaten had, was de plunje, die hij aan gehad had, in eigendom van den onder-adjudant overgegaan. Toen hij straks inspectie in zijn koffer hield, werd de moeder der kompagnie even mild bedacht. Zooals Frank voorspeld had, bleven de gevolgen niet uit. Vooreerst werd onze rekruut bij de excersitiën steeds gedrild door een instructeur, die aan de behoorlijke kennis eene zekere mate van beschaving en zachtaardigheid paarde, waardoor hem het ruwe van de eerste oefeningen, welke door de liederlijke en god-tergende taal van hen, die in die dagen met het onderwijs belast waren, voor de fatsoenlijke jongelieden zoo moeielijk gemaakt werden, veel bespaard werd. De sergeant-majoor zorgde er voor, dat zijn beschermeling,[76]nadat hijafgeëxerceerdwas, van corveeën verschoond bleef en, was dat niet altijd mogelijk, dan stond hij steeds genadig toe, dat Herman een plaatsvervanger daarvoor aanwees. Dat kostte dezen natuurlijk geld, maar hoe ijverig hij zijn nieuwen stand ook aanvaardde, er waren soms werkzaamheden te verrichten, die hij toch gaarne op een ander overdroeg.

Dienzelfden dag dat Herman gekleed was, werden hem de krijgsartikelen voorgelezen. Maar de fourier, die die voorlezing bewerkstelligde deed dat zoo rad en met zoo’n eentonige stem, dat met den besten wil van de wereld van het gehoorde niets te maken was. Gelukkig! want die aaneenschakeling van bedreigingen met strop, kogel, kruiwagen, wegjaging als eerloozen schelm, enz. enz. zou den eenvoudigen burgerjongen slechts slapelooze nachten berokkend hebben. Na dat voorlezen der krijgsartikelen werd overgegaan tot het teekenen van de engagements-acte, welke handeling gepaard ging met het uitbetalen der handgelden aan hen, die zich op die voorwaarden verbonden hadden. Frank had zijn vriend gewaarschuwd die engagements-acte nauwkeurig te lezen, alvorens zijne naamteekening er onder te zetten. De moeite was evenwel overbodig, want het stuk was volmaakt in orde. Anders was het met dat van een ander rekruut, die, het voorbeeld van Herman volgende, de engagements-acte vroeg in te zien:

„Vergeef mij, heer kapitein,” sprak deze, „ik had het beding gemaakt, dat ik mij niet voor de Overzeesche bezittingen, maar wel voor de Oost-Indische bezittingen wensch te verbinden.”

„Dat is gauw genoeg geredresseerd!” stamelde de sergeant-majoor met zekere zenuwachtigheid in antwoord op den vragenden blik van den kapitein kompagnieskommandant, die deze dienstregeling bijwoonde.[77]

„Dat had in orde moeten zijn, sergeant-majoor!” was het ernstig antwoord van dien officier.

„Maar dan is er nog iets,” vervolgde de rekruut met een flauwen glimlach op het bleeke gelaat. „Ik wensch geen handgeld te ontvangen. Wel is de som hier in de acte niet ingevuld, maar daar de noodige doorhaling der daarop betrekking hebbende woorden niet geschied is, zou dat verzuim mij later in mijne loopbaan kunnen benadeelen.”

Toornig stoof de kapitein op, greep de engagements-acte, overtuigde zich dat de gemaakte bemerking juist was, deed haar redresseeren en den sergeant-majoor voor die nieuw aangenomen manschappen, die daar vereenigd stonden, niet willende terechtwijzen, sprak hij:

„Wij zullen straks dat varken wel wasschen!”

Middelerwijl greep de betrokken rekruut Hermans hand en kneep die gevoelig:

„Ik dank u,” sprak hij fluisterend, „gij hebt mij, hoewel onbewust, den grootsten dienst der wereld bewezen. Zonder uwe voorzorg zou ik mijne verbintenis geteekend hebben zonder haar in te zien. En dan was mijne geheele toekomst verloren geweest.”

Later vernam Herman van Frank dat het aannemen van handgeld in die dagen een beletsel daarstelde om den officiersrang te behalen.

„Menige reclame wordt deswege uit Indië ontvangen,” vulde hij aan. „Maar steeds moet dan volhard worden bij het door den belanghebbende zelf geteekende, terwijl bovendien de handgeldstaten èn van de kompagnie èn van den kwartiermeester kloppen. Zoo is menige toekomst ergerlijk verwoest geworden.”15

„Dat is toch vreeselijk ongelukkig. En … wat zal nu met dien sergeant-majoor gebeuren? Men heeft nu een geval.… Me dunkt, dat die man niet in zijn graad gehandhaafd kan blijven!”[78]

„Herman, je bent nog onnoozel, men kan wel zien dat je nog niet lang hier bent. Die sergeant-majoor krijgt eenvoudig een uitbrander, en daarmee is het uit. Hij zal een volgende maal niet eerlijker maar voorzichtiger handelen. O ja, nog eene recommandatie! Tracht vooral goede maatjes te zijn met de vrouw van dien sergeant-majoor.”

„Met zijne vrouw?…” vroeg Herman, ten uiterste verbaasd zijn vriend aankijkende.

„Ja, zeker. Als je niet bent als een dergenen, waarvan de psalmist zegt: „Zij hebben oogen en zien niet,”dan zul je mij later wel begrijpen. Daarbij het is geen zwaar corvée dat ik voorstel. De sergeant-majoorse is eene verduiveld mooie vrouw. Ik zal u nog een adres opgeven. Als ge u daar weet in te dringen, dan zijt ge al heel gauw korporaal en onderofficier.”

„Ook eene vrouwengeschiedenis?”

„Welzeker, eene vrouwengeschiedenis geboord met een zilveren randje.”

Herman maakte een gebaar van walging.

„Daar ginds te Rolduc hebben ze je en mij te Katwijk ingepompt, dat het doel de middelen heiligt. Toon nu dat het uitgestrooide zaad niet op de steenrots viel.”

„Ja, maar, met die wereld heb ik geheel gebroken, dus ook met hare leerstellingen.”

„Daar wensch ik je geluk meê. Het zal evenwel noodig zijn je te schikken naar de wereld, waarin ge u thans verplaatst bevindt.”

En dat was eene vreemde wereld, dat zou Herman genoeg ondervinden.

In die dagen wielde het schuim van geheel Europa te Harderwijk samen. Door de Nederlandsche wervers opgespoord en opgedoken uit de somberste holen der maatschappij, was en werd een troep mannen bij elkander[79]gebracht, die niet alleen de grootste verscheidenheid in nationaliteit maar ook in maatschappelijken en moreelen stand vertoonden. Waren er, die bij het onderteekenen hunner engagements-acte slechts gebrekkig konden schrijven, omdat de hand vereelt was door het behandelen van voorhamer, zaag, ploeg, schop, pikhouweel, koevoet of ook door het hanteeren van het breekijzer; waren er zelfs, uit de onderste lagen der maatschappij afkomstig, die niet eens geleerd hadden hunne naamteekening te zetten, en zich met het krabbelen van een gebrekkig kruisje behelpen moesten, daartegenover stonden er ook, die met een soort van zwier hunnen naam griffelden; zelfs waren er, die dien naam door het praedicaat van Baron of van Graaf lieten voorafgaan.

Onder de Harderwijksche legenden, die in de wachtlokalen van het garnizoen, gedurende de lange winteravonden rondom de gloeiend gestookte kachel verteld werden, werd die van den Spaanschen graaf Don Ramoraz, die generaal geweest was onder Espartero, nimmer vergeten. Fluisterend werd dan verteld, dat die Hidalgo in een vreeselijke jaloersche bui zijne vrouw vermoord had, waarna hij, vergezeld van zijn adjudant Don Xilanos, een flink jong mensch, zijn vaderland ontvlucht was, en beiden, door den nood gedrongen, dienst voor de Nederlandsche Bezittingen genomen hadden. Werd dat verhaal opgedischt, dan ontbrak nimmer een ooggetuige, die den Spaanschen Grande met zijne grauwe haren en in zijn grauwen kapotjas gewikkeld, den bezem had zien hanteeren en de afzichtelijkste corveeën uitvoeren; terwijl er dan steeds met eene aandoenlijke schildering vervolgd werd, hoe Don Xilanos zijnen gewezen bevelhebber smeekte, hem toch die walgelijke werkzaamheden te laten verrichten.[80]

„Dat past uwe Excellentie niet,” fluisterde de gewezen luitenant dan.

Of dat in het Spaansch of in het Nederlandsch gefluisterd was, werd er niet bij verteld. De toehoorders vroegen daar ook niet naar. Maar wel klonk steeds de vraag:

„En is die Spaansche graaf met zijn adjudant thans in de Oost of in de West?”

„In geen van beiden! Luister: Op een morgen stond die Excellentie met zijn adjudant in de keuken, en waren beiden bezig met de overige manschappen aan het aardappelen jassen. Ge kunt me gelooven of niet, sprak dan de verhaler met overtuiging, maar „de grijze krijgsman” zong juist hartelijk mede:

Sla, kroten en andijvie!

Sla, kroten en andijvie!

toen plotseling de luint-adjudant verscheen, die eerbiedig de positie aannam, de hand aan de klep van zijn schako bracht, en met luider stem tot de twee aardappelenjassers sprak: Uwe Excellentie wordt beleefd verzocht bij den kornel te komen.—„Mijn adjudant ook?” vroeg de Grande. „Uw adjudant ook,” antwoordde de luint. Beiden gingen toen heen. Wij hebben ze nimmer teruggezien. Maar Eefje Goster, je weet wel, dat lieve kindermeisje bij den kornel, heeft mij verteld, dat die beide kolonialen in de mooie kamer van de kornels woning curaçao-bitter gedronken, en zich daarna in een mooi verguld pak gestoken hadden, waarna zij in een fraai rijtuig met vier paarden bespannen, weggereden waren. De kornel was bij het instijgen den Grande behulpzaam geweest, en had hem hartelijk de hand gedrukt.”

„Ja, je kunt hier te Harderwijk van alles te zien krijgen!” was de algemeene instemming.

Zoo veel was zeker, dat al wemelde het in den tijd, toen Herman te Harderwijk was, niet van Excellenties[81]bij het Koloniaal Werfdepôt, zoo zou er toch wel een half dozijn Freiherren, Graven en Baronnen te zamen hebben kunnen gebracht worden, en waren namen als: Von Schwerin, Von Heinitz, Von Helmoldt enz. niet zeldzaam. Of die namen hun, die ze droegen, toekwamen? Te Harderwijk bestond daaromtrent niet de geringste zekerheid. Het was daar het verstandigste, den naam, dien men opving, slechts als herkenningsmiddel van het individu, die hem droeg, aan te nemen. En zelfs daarbij was nog omzichtigheid noodig; want, hoe dikwerf weerklonk niet de een of andere naam bij gelegenheid van de dienstappèls, en werd herhaald en nog eens herhaald, zonder met het gewone „present” beantwoord te worden.

„Waar zit die lummel nu weer?” vroeg dan de sergeant-majoor wrevelig en overzag de gelederen.

„Zeg!” riep hij dan eensklaps, „kun jij je mond niet opendoen, als je naam afgeroepen wordt?”

„Ah! ja so, ich nenne mich jetzt.…”

In het gewone leven ook was het niet zeker, dat antwoord bekomen werd, wanneer men iemand bij den naam riep, waaronder hij in de militaire wereld bekend stond. Gedachteloos herinnerde de geroepene zich dan niet oogenblikkelijk, dat hij van naam verwisselde.

Dat misdadigers, ergerlijke misdadigers onder dien hoop schuilden, die een heenkomen achter het militaire kleed zochten en blij geweest waren, dat zij een werver ontmoetten, die hun valsche papieren bezorgde, en zoo de verdwijning van het tooneel in de hand werkte, wie zal dat bij kalm en onpartijdig nadenken ontkennen? Herman hoorde daar mompelen van Ehrensachen, van onbetamelijk schuldenmaken, van verwikkelingen in staatsaangelegenheden, van ongelukkige duels, maar ook van diefstal, van doodslag, van broedermoord, van verdierlijking, van ontucht, van.… ja! van wat niet al?[82]En al heerschte er ook al veel overdrijving in die verhalen, die fluisterend gedaan werden, zoo zag hij zich toch omringd van troniën, welke aan die verhalen wel klem bijzetten. Hij zag daar te Harderwijk tooneelen van de walgelijkste brooddronkenheid, van de liederlijkste uitspattingen, tooneelen, die hem wel eens berouw deden gevoelen over den stap, dien hij gedaan had. Gelukkig stond Frank hem ter zijde.

„Ja, aangenaam is het niet,” zei deze, „tusschen dat schuim te moeten leven. Er zal ook eene zekere mate van zelfstandigheid toe behooren, om bij de aanraking daarvan niet bezoedeld te worden. Maar kijk goed rondom u. Wees niet stelselmatig in het onthouden van uwe genegenheid of van uwe vriendschap, evenmin als gij te vlug moet zijn met haar te plaatsen. Hier onder die kolonialen, vooral onder de Nederlanders, omtrent wier antecedenten men trouwens oneindig meer kieskeurig is dan bij de vreemdelingen, zult gij jongelieden aantreffen, wier gezelschap niet te versmaden is.”

En de jeugdige practicus had gelijk. Zeker waren daar jongelieden, die hun gezelschap wel waard waren; die door het avontuurlijke aangetrokken, dienst bij hetNederlandsch-Indischeleger genomen hadden, en ook alle pogingen aanwendden om zich bij dat leger eene eervolle loopbaan te scheppen.

Door die raadgevingen van Frank gesteund, was het begin niet al te lastig voor Herman. Hij was al heel spoedig afgeëxerceerd. Zijn natuurlijke aanleg had hem daarbij veel geholpen, maar ook een zekere mate van onbekrompen vrijgevigheid, die hem op Franks aanraden aanspoorde, de verschillende onderofficieren-instructeurs, met wie hij te doen kreeg, nu eens een dubbeltje, dan weer een kwartje, soms ook meer in de hand te stoppen, had er toe bijgedragen om hem als een soort feniks[83]te doen beschouwen. Hij woonde al spoedig de zoogenaamde theorie bij, die niet anders was, dan een opdreunen van de van buiten geleerde militaire reglementen. Hij werd dientengevolge al spoedig vice-korporaal, en hoewel het doorsnuffelen van de geheimen der soldatenschool eene uiterst dorre bezigheid te noemen was, overwon hij toch den tegenzin, die hem bij het van buiten leeren overviel van dat zinledige: „de hielen op dezelfde lijn en zoo dicht aan elkander gesloten als de gestalte van den man zal gedoogen …”

„Bah!… bah!…” geeuwde hij evenwel dikwerf daarbij, terwijl hij zich de ledematen uitrekte en de soldatenschool, het reglementaire boekje, hetwelk er niet voor kon, dat het zoo saai en stoppelig geredigeerd werd, ver van zich wierp.

„Bah!… hoe is het mogelijk, zooveel nonsens aan elkander te rijgen?”

„En toch, je zit in het schuitje, Herman,” moedigde Frank hem lachende aan. „Je moet theorie pruimen, daar is niets aan te doen!”

Het korporaal worden ging van een leien dakje. Vier maanden na zijne indiensttreding prijkte Herman met de kemelsgaren galons op de mouwen, en was niet weinig trotsch daarop. In de eerste dagen na die bevordering kon hij niet nalaten bij het wandelen zoo van tijd tot tijd een blik van vergenoegen op zijne armen te werpen.

De bevordering tot sergeant had iets meer voeten in de aarde, maar kwam ook naar wensch te recht. Op aanraden van Frank had Herman eene kamer bij de weduwe Ebtuin in de Brugstraat te Harderwijk gehuurd, die behalve eene dochter en eene kleindochter, ook nog een grooten galanterie-winkel bezat. Zij had de ruimte boven dien winkel in kamertjes verdeeld, en stelde die[84]ter beschikking van de koloniale helden in spe, die zulks betalen konden en een plekje wenschten te hebben, waar zij zich van het kazernepubliek konden afzonderen. Die drie dames hadden in de militaire wereld te Harderwijk zeer veel invloed. Frank wist dat zeer goed, en Herman zou dat weldra ondervinden.

Op een namiddag, toen de beide jongelingen te huis kwamen, merkte de oude weduwe het betrokken gezicht op, hetwelk Herman zette.

„Wat scheelt er aan, mijn jongen?” vroeg zij op deelnemenden toon.

Herman antwoordde niet. Nurks en wrevelig trok hij de schouders op.

„Och, hij heeft het land,” sprak Frank, die reeds sedert eenigen tijd met de gouden galons op de mouwen prijkte. „Heden zijn een twintigtal onderofficieren aangesteld, en.… hij is er niet bij.”

„Is het anders niet? Daar kan hij wel toe komen, niet waar Kaatje?” zei de weduwe glimlachend tot hare kleindochter.

„Zeker moe,” antwoordde het snibbig ding, niet minder snedig lachende, evenwel met een blosje op de wangen.

„Maar, intusschen ben ik het niet,” antwoordde Herman norsch, en wilde den trap opstijgen om naar zijne kamer te gaan.

„Zou je zoo gaarne sergeant zijn, mijn jongen?” vroeg de oude mevrouw Ebtuin.

„Welzeker! Zou ik niet?” was het antwoord, dat hij gaf.

„Kom dan eens meê,” sprak de weduwe.

Zij geleidde den jongman in het winkellokaal, dat voor een kleinsteedschen galanterie-winkel goed voorzien was.

„Kijk eens,” zei ze, „is dat geen fraaie pendule? Een fraaier stuk hebt ge nimmer gezien.”[85]

„Ja zeker, dat is een mooi stuk,” antwoordde Herman, nu met een kennersoog een blik op de bronzen pendule werpende, die hem aangewezen werd.

„Zij kost tachtig gulden,” hernam de weduwe met een zekere intonatie.

„Dat’s veel geld; maar voor hem die zoo’n stuk wenscht, toch niet te veel.”

„Ik zal ze maar op uwe rekening schrijven, nietwaar?” vroeg zij met sluwen glimlach.

„Op mijne rekening?… Wat zou ik met dat ding doen? Ik hoop over een paar maanden aan boord van het schip te zitten.”

„Hij is niet erg bevattelijk,” sprak de weduwe tot Kaatje, die met Frank in de deur van den winkel stond te praten.

Kaatje kreeg een blos, die haar niet onaardig stond. Frank lachte dat hij schudde.

„Ik begrijp niet, wat mijne bevattelijkheid hier te maken heeft!” sprak Herman ietwat gebelgd.

„Ge wilt spoedig sergeant worden?” vroeg de weduwe op ieder woord drukkende.

„Zoo’n vraag!”

„Wel, laat mij dan die pendule op je rekening schrijven,” zeide mevrouw Ebstein met een grijnslach.

„Maar ik begrijp niet.…”

„Dat’s ook niet noodig. Ik schrijf de pendule op en gij zijt, voor dat we vier en twintig uren verder zijn, sergeant. Is dat niet voldoende, zeg?”

„Ja, in dat geval, maar ik begrijp niet.… Wat die pendule.…”

„Behoeft ook niet. Als ge het resultaat maar begrijpt. Opschrijven, dus?…”

Herman knikte toestemmend.

Toen den volgenden morgen de sergeant-majoor der[86]3dekompagnie na terugkeer van het rapport, de orders op zijn bureau mededeelde, las hij de navolgende bataillons-orde voor:

„No. 79. Ten vervolge op de bataillons-orde van gisteren No. 75, wordt alsnog aangesteld tot sergeant à la suite bij het Koloniaal Werfdepôt: de korporaal Herman Willem Hubert Riethoven; met bepaling, dat die bevordering zal rekenen in te gaan op den dag van gisteren.”

„Sergeant Riethoven, ik feliciteer je wel met die bevordering,” sprak de sergeant-majoor na die voorlezing.

Alle aanwezige onderofficieren, korporaals en vice-korporaals verdrongen zich om den gelukkigen, en drukten hem de hand. Zelfs de lieve sergeant-majoors-vrouw trad in dat oogenblik uit hare kamer te voorschijn, alwaar zij bezig was met groenten schoon te maken, veegde hare handen aan haren boezelaar af, greep Herman bij het hoofd en riep:

„Mag ik je ook gelukwenschen, aardigen krullebol!”

Zij kuste hem op beide wangen, en drukte hem met zoo’n innigheid en zoo’n onstuimigheid aan hare borst, dat zij beiden tegen den schrijflessenaar van den sergeant-majoor optornden, zoodat de registers daarop kantelden.

„He! mijn administratie-boek!” riep de sergeant-majoor, niet zeer gesticht over de wijze van feliciteeren van zijne vrouw.

„En dat je nu weg moet!” kreet de vrouw meewarig.

De dubbele keek nog somberder. Het overige kader voorzag eene huishoudelijke onweersbui en droop af. Maar, toen Herman, na zich uit de armen der schoone losgewrongen te hebben, op de schrijftafel toetrad, daar een bon voor een twaalftal flesschen St. Estèphe krabbelde, dien den sergeant-majoor aanbood, met verzoek een glas op zijne gezondheid te drinken, helderde het barsche gelaat op, en sprak die kompagnie’s moeder met bewogen[87]stem, terwijl hij den nieuwbakken sergeant de hand reikte:

„Je bent een nobele kerel! Met jou is wel land te bezeilen!”

Herman bloosde als eene jonge meid bij dat apokryphe kompliment, hetgeen een tweeden en nog onstuimiger aanval van den kant der sergeant-majoors-vrouw uitlokte.

Toen Herman zijne bevordering later met Frank besprak, gaf hij zijne verwondering te kennen over die uitkomst.

„Hebt ge Kaatje Ebstein niet zien blozen?” vroeg Brinkman.

„Ja, maar.… dat meisje kan toch met blozen geen sergeanten aanstellen?”

„Ze kan meer dan dat? Maar.… als ge het geheim van die geschiedenis niet begrepen hebt, dan zult ge het wel nimmer vernemen, want ik vertel het niet. Daar kunt ge evenwel zeker van zijn, dat wanneer gij het zeegat uit zult zijn, die pendule hare plaats in den winkel weer hernomen zal hebben.”

Het hoofddoel van het verblijf te Harderwijk was thans bereikt. Herman en Frank waren sergeant; zij verlangden thans slechts te vertrekken. De dienst was daar bij het Koloniaal Werfdepôt in die dagen zeer onaangenaam. Over dag moest hard met de recruten geexerceerd worden, en des avonds moesten de gegradueerden zware patrouille-dienst verrichten, om de wezens, die daar in dat Zuiderzeestadje te zamen gebracht waren, in toom te houden. Daarbij moesten dan, vooral na het avondappèl, wanneer aan de patrouilles het wachtwoord gegeven was, dat verscheidene manschappen ontbraken, de afzichtelijkste holen binnengedrongen worden, om de rampzaligen uit den jeneverwalm of erger nog, uit de armen der priesteressen van de walgelijkste ontucht te[88]sleuren. Tooneelen hadden dan plaats, waarbij de menschheid zich het gelaat sluieren moest; maar die door de jongelieden niet te vermijden waren. Het gebeurde toch soms, dat de veile deernen de rampzaligen, die tengevolge van overdaad van drank daar bewusteloos neerlagen, tegen de vertegenwoordigers der openbare macht poogden te verdedigen, dat zij zich wapenden met hare haarkammen en als furiën met losgierende haren op de patrouillemannen losstormden, welke laatsten dan, hoe ongaarne ook tegenover vrouwen, uit zelfverdediging genoodzaakt waren, geweld met geweld te keeren.

Bij zoo’n gelegenheid had Frank eens eene hetaïre met de haft zijner bajonet op het hoofd moeten slaan, zoodat zij bewusteloos voor zijne voeten neerzonk. Hij had dit feit diep betreurd; maar, had hij zich niet verdedigd, dan ware voorzeker zijn gelaat door het woedende vrouwelijke monster ongenadig met haren stalen kam toegetakeld.

De jongelieden bespraken die ergerlijke tooneelen dikwerf, en legden dan onverholen hunnen afkeer van een langer verblijf te Harderwijk aan den dag.

„Wat mij ook hier tegen de borst stuit,” sprak Herman bij een dier gelegenheden, „is het zien aankomen van de luttele detachementen, die uit Indië terugkeeren. Hoe zien die arme kerels er uit! Mager, geel, perkamentachtig, met gezichten zoo hoekig alsof een langdurig gebrek hun deel geweest was, met diepliggende oogen en zeer gebogen gestalten, meestal verminkt en gebrekkig en hulpbehoevend. Gij ziet ze hier ter sluiks aankomen in hunne vaalgrijze pij gestoken, alsof ze uit een tuchthuis ontslagen zijn. Eenige weken ziet ge ze hier rondscharrelen, dan wordt hun wat geld in de handen gestopt, natuurlijk zoo min mogelijk—en dan verdwijnen zij. Waarheen?.… Ik vroeg laatst aan zoo’n ongelukkige,[89]of hij nog familie-betrekkingen had. „Neen,” was het antwoord. „Waar gaat gij dan heen?” Bitter lachend antwoordde hij: „ik ga den boer op, het kind wiegen.” Is dat geen aanklacht jegens de Nederlandsche natie dat de verdedigers van Indië, van het kostbaarste kleinood hetwelk zij bezitten, zoo’n heenkomen moeten zoeken?.. God, God, zouden wij ook eenmaal zoo moeten terugkomen?… Het is soms om aan de toekomst te twijfelen.”

„Dat moogt ge niet,” bemoedigde dan Frank. „Wij moeten trachten in andere spheren te geraken. Bij ijver en goeden wil staat ons de weg daartoe open.”

„Is het u ook niet opgevallen,” ging Herman in dezelfde misantropische bui voort, „dat die arme bliksems zoo met stille trom hier aankomen, terwijl de detachementen, die naar Indië vertrekken, met volle muziek uitgeleide gedaan worden. Het is alsof men de dankbaarheid zoo ver drijft, dat men zich over hunne bewezen diensten schaamt.”

Frank zette een half spottend gezicht.

„Het is niet goed,” sprak hij, „daarover veel na te denken. Zooals ik reeds zeide, wij moeten trachten niet aldus terug te komen in het vaderland. Voor ons moet het in de loopbaan, die wij gekozen hebben, steeds zijn: „Excelsior! hooger! immer hooger!””

Herman zuchtte. Het was werkelijk, of hij soms weifelde, nu het vertrek naderbij kwam. Daar moest een einde aan komen; daarom opperde Frank op een morgen: „Wij zullen nu maar aan de reis denken en den kolonel verzoeken met een der eerstvertrekkende detachementen te mogen medegaan.”

„Ja, maar ik wilde alvorens mijne ouders nog eens weerzien,” sprak Herman, „om afscheid van hen te nemen.”

„Dan moet ge verlof vragen.”[90]

„Juist dat wilde ik doen.”

„Hoeveel tijdwenschtetgij te hebben,” vroeg Frank.

„Niet te lang, het zal een treurige tijd zijn,” antwoordde Herman. „Mij dunkt dat veertien dagen voldoende zullen zijn.”

„Dat’s afgesproken. Ik stel dan mijn verzoek om af te reizen tot uwe terugkomst uit.”

Herman had gelijk; het zou een zeer treurige tijd zijn. Het afscheid van den zoon van zijne ouders was onvermijdelijk, maar zou bitter voor alle partijen zijn. De ouders gingen hun kind verliezen, de zoon zou weldra zijne ouders derven.

Toen de moeder haar kind in de afzichtelijke grauwe pij gewikkeld zag, die den al te weidschen naam van kapotjas droeg, barstte zij in snikken uit:

„Als een galeiboef!” kreet zij en wrong zich de handen.

„De pij maakt den monnik niet,” antwoordde haar Herman. „Onder dezen kapotjas klopt mij het hart vrijer, warmer, dan het zich onder de soutane zou hebben mogen bewegen.”

„O! welk ontwaken!” jammerde de moeder. „Welk ontwaken uit mijne schoonste droomen! En dan, mijn oudste kind zoo ver weg!”

„Nog is dat kind gereed in uwe nabijheid te blijven!” antwoordde Herman ernstig.

„Zou het mogelijk zijn?” vroeg de vader.

„Te Harderwijk is met geld alles mogelijk. Ik heb slechts een plaatsvervanger te stellen.”

„O! Herman, doe dat dan! doe dat dan!” snikte mevrouw Riethoven.

„Gaarne,” was Herman’s antwoord. „Geef slechts uwe toestemming, dat ik mijne studiën op de hoogeschool mag vervolgen.”[91]

Een schok trilde door de ledematen der arme dweepzieke moeder. Daar doemde voor haren geest de strenge gestalte van den directeur Peeters op. De arme vrouw hoorde reeds het anathema, hetwelk haar treffen zou. Haar zoon een gevaar voor de Kerk! Dat kind, wat zij gebaard en gezoogd had, dat vleesch van haar vleesch, dat bloed van haar bloed zou een suppoost van Satan worden, zou als tegenstander van de Kerk van Christus optreden! „O! nooit, nooit!” galmde het in haar gemoed. Maar, dan sloeg zij het oog op haren zoon. Daar stond hij voor haar, die eersteling van hare huwelijksliefde, daar stond hij voor haar met dien afschuwelijken kapotjas om de lendenen, met die afzichtelijke kwartiermuts op het hoofd, daar stond hij voor haar, gereed om naar dat verwijderde land te gaan, naar dat land, hetwelk haar zoo vol gevaren, zoowel zedelijke als lichamelijke afgeschilderd was, naar dat land, waaromtrent hare ziel uitspraak deed:dat hij, die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is om naar den Oost te gaan, en.… met één woord kon zij aan die geheele toekomst van haar kind, die haar tegengrijnsde, een andere richting geven. Met één woord kon zij dien kapotjas in eene toga veranderen. O! de bekoring was zwaar. Zij boog het hoofd, al dieper en dieper. Zij vouwde de handen.

„Heere,” bad zij, „verlaat mij in dezen stond niet! Ik heb uwe hulp zoo noodig!”

Vader en zoon zagen den vreeselijken strijd aan, die daar gestreden werd. Geen van beiden hadden evenwel eenige hoop.

„Wel, wat is uwe beslissing?”

Die vraag was zacht, uiterst zacht van Hermans lippen gegleden, terwijl hij zijne moeder den arm om den hals sloeg. Toch verbraken die weinige woorden de betoovering, die haar omstrengeld hield.[92]

„Nooit! nooit!” prevelde zij met saamgeknepen lippen.

Herman liet haar uit zijn armen los.

„Dan valt er niet meer te jammeren, mameer!” sprak hij hoogst ernstig. „Dan is mijn lot beslist!”

Weinige dagen later had de tegenhanger van dat tooneel plaats, toen Herman bij de familie Fraenkel afscheid ging nemen. Bij zijn binnentreden trof hij Lydia een oogenblik alleen. Toen zij hem in dat militaire pak zag, barstte ook zij in tranen los. Een oogenblik zou de verteedering hier een keerpunt hebben kunnen aanbrengen; maar, daar traden Lydia’s ouders binnen en met die was ieder uitzicht op toenadering verdwenen. De jongelieden reikten elkander de hand.

„A Dieu!” stamelde Herman met een snik.

„A Dieu!” herhaalde het meisje schier onhoorbaar dat in Limburg zoo gebruikelijk afscheidswoord, en wees met den vinger naar boven. „A Dieu!”

Den avond voor het vertrek vereenigden zich nog eenige familieleden en vrienden bij de familie Riethoven. Helaas, het had veel van eene uitvaarts-plechtigheid. Alle aanwezigen waren ontroostbaar. Alleen Herman was uiterlijk kalm. Zelfs op een gegeven oogenblik rees hij op, en met eene stem, alsof hij op eene nutsvergadering eene voordracht hield, reciteerde hij:

„Vaarwel, mijn vaderland, mijn ouders en bekenden!Het scheidensuur breekt aan, ontvangt mijn afscheidsgroet.Ras zal de brooze kiel van Holland’s kust zich wenden!En voeren ver mij voort langs d’ onafmeetbren vloed!…”

„Vaarwel, mijn vaderland, mijn ouders en bekenden!

Het scheidensuur breekt aan, ontvangt mijn afscheidsgroet.

Ras zal de brooze kiel van Holland’s kust zich wenden!

En voeren ver mij voort langs d’ onafmeetbren vloed!…”

„Schei uit Herman!” riep een der aanwezigen. „Zie toch uwe moeder!.…”

De arme vrouw baadde in hare tranen, hare snikkenbelettenhaar eenig geluid uit te brengen. Was het wreedheid van Herman? Was het overspanning? Helaas! nimmer heeft hij zich eene juiste rekenschap weten[93]te geven van de gevoelens, die hem dien avond beheerscht hadden. Menigmaal heeft hij evenwel later dat oogenblik met weemoed, ja met diep berouw herdacht.

Den volgenden morgen, toen het laatste scheidingsoogenblik aangebroken was, knielde hij voor zijne ouders, en bad hen om hun zegen. Beiden legden hem de handen op het hoofd.

„Ga in vrede!” sprak de vader met van aandoening trillende stem.

„Dat God u geleide, mijn zoon! mijn oudste!” kermde de moeder en viel schier in zwijm. Met veel moeite hield zij zich staande.

Herman stapte voort. Bij het omslaan van den hoek der straat, waarin het ouderlijk huis gelegen was, wierp hij nog een blik achterwaarts. Daar stonden beiden met ten hemel geheven handen hem na te staren. Dat was de laatste blik, die gewisseld werd. Herman zag zijne ouders nimmer weer.

EINDE VAN HET VOORSPEL.

[95]


Back to IndexNext