ZIJN VERBLIJF OP ST. HELENA.

Te St. Helena werd Napoleon prooi, laaghartig gekwelde prooi van Engelschen haat en onridderlijken wrok. Rond de piek van Diana, de steilste rotspunt van St. Helena, zou het leven van dezen keizer, op de meest sombere wijze beëindigen.

Maar nog zes jaar zou hij in zijn vernederingen leven en hoe groot gedroeg hij zich in zijn ongeluk en smart.

Het ballingsoord zelf was één droeve verschrikking. Als vesting-eiland kón het aanzicht niet afschuwelijker. Een geheel plantlooze rotsenkust, waar de zee eentonig of wild tegen opspoelde. De bazaltpieken groeiden als versteende schepselen donker de lucht in.

Het is hevig ontroerend te zien hoe goed en rustig Napoleon zich schikte in de strenge orders der Engelschen.

En ook ervaart men de grootheid van zijn wezen, als ge leest hoe weinig klein-verbitterd of gegriefd hij is. En hoe heerlijk-eenvoudig hij als mensch bleef!Betsy Balcombe, verhaalt in haar gedenkschriften, op welke wijze zij Napoleon op St. Helena leerde kennen. „Niemand,”—schrijft ze—„heb ik in mijn leven liefdevoller met kinderen zien omgaan. Hij begreep hun eenvoud en volgde met fijnen tact hun ongekunstelde invalletjes, om zich met hunkleine genoegens te vermaken. Mij, was hij, als veertienjarig kind, gelijk een makkertje. Ik sarde honderd maal zijn uiterste geduld, en nimmer deed hij een beroep op zijn rang of leeftijd, om mijn opdringerigheid af te weren.”

En als men nu weet hoe zachtjes dit woord „opdringerig” voorBetsy's gedrag nog luidt. Hij verdroeg van dit vreemde, stout-koutende kind alles, letterlijk alles met onverstoorde goedigheid.

Vreemd, niet waar, zooveel teederheid en innig-fijn geduld aan te treffen bij zulk een „beul” en ongenakelijk-hooghartigen geweldenaar.

Toch is er een oplossing misschien voor Napoleon's overgroote kinderteederheid. Hij had een zoontje achtergelaten, den koning van Rome.

Hier breekt een der smartelijkste dingen van den mensch Napoleon uit. Van dit kind hield hij met een teed'ren hartstocht. 't Was zijn oogenlicht. Hij kuste en koesterde het, wiegde het op zijn armen; het was hem de heele wereld, het liefste dat zich op aarde rond hem bewoog. Als ge leest watDe Menevalvertelt van zijn liefde en geduld tegenover dit gekoesterde koninkje.

Wanneer het knaapje greep naar de gekleurde spelden die Napoleon, bij zijn veldslag-berekeningen en troepen-overzicht altijd op zijn plattegronden en kaarten gebruikte, en alles in de war smakte, zoudt ge niet meenen, dat de tyran en opvliegende trotschaard losstormde, en het kind in een hoek smakte? Het tegendeel is waar. Honderd keer liet hij de speelsche pootjes van het plagende koninkje al zijn spelden-combinaties in de war gooien en nooit volgde de kleinste snauw.

Dat kind nu, werd hem onthouden. Een zijner droefheden, die hij met nimmer-morrende gelatenheid in zijn eenzaamste peinzen doorleefde in zijn ellendige kamer, een somber, verwaarloosd, vochtig krot,een bouwvallige boerderij, waar het stonk naar mest, stalvuil, en waar vetgevreten ratten onbeschaamde wandeltochten langs zijn keizerlijke beenen maakten.Fremeauxzegt niet te veel: „een woon voor beesten gebouwd,” waarin de ellendigeHudson Lowe, den grootsten held zijner eeuw gevangen hield, bewaakt en beloerd bij iedere beweging. En hoe de haat en de afschuw zelfs de feiten van simpel-waarneembaren aard kunnen verwringen, leert u de wijze waarop de vooringenomenHenryons Napoleon te St. Helena schetst en hoe, in geheel onpartijdige juistheid hetBetsy Balcombedoet.Henryschrijft: „In Napoleon is niets indrukwekkends. Zijn gestalte is klein, vet, ineengedrongen, zijn hoofd is tusschen de schouders ingezakt, zijn gezicht dik, met breede kin-plooien. Zijn gelaat is kwaadaardig, barsch van uiterlijk, en zijn vetbuikigheid doet hem op een Spaanschen smulpaap gelijken.”

Het kind vanLes Briars,Betsy, beschrijft hem echter later als „iemand van indrukwekkend en edel uiterlijk. Ik heb nog nimmer zulk een eigenaardig gelaat bekeken. Er zijn verscheidene portretten van Napoleon, die vrijwel gelijken; maar wat niemand heeft kunnen weergeven.... 't waren zijn betooverenden glimlach en den indringenden blik van zijn oogen. Zijn gelaatstrekken bleven altijd zeer mooi, ondanks de vreemde bleekte en zekere koelheid soms. Zijn manieren waren zacht.”

Nu zijn de feiten omtrent de afsnijding van hem en het leven van 't jonge koningtje zóó. De Engelschen weigerden hem ieder bericht omtrent zijn kind. Hij wou alles weten van zijn bestaan, zijn doen. Men zweeg. Slechts voor zijn zeer intieme omgeving op St. Helena, tegende Montholon's sprak hij bij zeldzame gelegenheid even een brandend woord van zijn smachten naar dit kind.

MARIA LOUISESchilderij vanGérard.

MARIA LOUISESchilderij vanGérard.

In zijn wegkwijnende veroudering op de mistigeSt. Helena-rotsen waren zijn slapelooze nachten vooral van een helschen, martelenden duur en eindeloosheid. TotGourgaud, de eerzuchtige en humeurigeGourgaudzegt hij: „Gij klaagt en jammert.... Bekijk mij eens.... bedenk mijn slapelooze nachten en daarin mijn ellende! Gelooft ge dat ook ik helsche uren doorleef, als ik bedenk wie ik was en wie ik nu ben, van alles afgescheurd!”

Even voor zijn dood is hij van een grootsche zelfbeheersching. Het uur komt waarop hij zijn testament wil maken, alleen tezaam metComte de Montholon. Hij wil rusten tusschen de Seine-oevers. Een hartverscheurend oogenblik nadert, als hij zich, hijgende van benauwdheid en inspanning moet uitspreken over het lot van zijn achterblijvend kind, dat te midden van zijns vaders lasterende vijanden opgroeit, en de Weensche hofatmospheer inademt; als hij het lot bepeinst van dit dierbare tienjarig knaapje, zijn bloed, zijn alles. Napoleon was getrouwd metMaria Louise, dochter van den Oostenrijkschen Keizer Frans.Maria Louise's persoonlijkheid kan ik hier niet behandelen. Toch moet haar gedrag tegenover den grooten man, met enkele woorden gekarakteriseerd. Het was monsterachtig, wreedaardig en weerzinwekkend zelfzuchtig. Ze heeft de tragische grootheid van haar gemaal met een harte-kilheid beoordeeld, zooals men ze niet erger van een vijand verwachten mag. Dat zij, tijdens Napoleon's leven bijzit werd van GraafNeipperg, 't deert ons niet. Ze heeft nooit wezenlijk van Napoleon gehouden. Bovendien, intiem-persoonlijke aangelegenheden kunnen ons niet ter beoordeeling verlokken. De daad, in haar subtielsten oorsprong, ontgaat meestal den buitenstaander. Maar voor iedereen en geheel controleerbaar feit is haar schandelijke en openlijke verwaarloozing van Napoleonnazijn val. Eens toch was zij zijn vrouw, ving ze meeóp de schittering van zijn roem. Ze hadden een zoon. Ze wist dat het Napoleon's oogappel was. Had zij nu Bonaparte niet moeten probeeren te naderen, of een enkel troostwoord toeroepen, ook al had ze hem niet lief als echtgenoot? Had zij die schriklijk-sombere eentonigheid der St. Helena-gevangenschap niet met een énkel zoet of zacht woord van meelevend herinneren moeten breken? Altijd hoorde hij in de stille avonden de zee-branding tegen de rotskusten; nooit, nooit een ander geluid, een andere stem.... En daar, in het glanzende hofleven.... zijn vrouw kommerloos lachend, en genietend.... het stemmetje van zijn argeloos kind erneven....

Ze heeft nimmer het geringste levensteeken gegeven, noch één troostwoord gesproken. In zelfzuchtige genots-bedwelmingen laat zij zich bevleien door den baron, haar minnaar, en ze lastert mee op haar man mèt de lasterende en hoonend-spottende vijanden.

En Napoleon, zonder één wrevelig woord, wachtte op, snakte naar dit levensteeken. Maar de zee bleef druischen, eeuwig druischen, hetzelfde donkere gezang tegen de rotsen en bazaltblokken. En in zijn krot, riekend naar stallucht en schimmel, sprongen de vette ratten met hupsche sprongen over zijn beenen.

Geen tragiek?

En op het uur nu, kort voor zijn dood, stelt hij zijn testament. Het vreeselijk-bleeke en ingezonken gelaat start in hevige droefheid. Hij mijmert en aarzelt vóór hijMontholonverder dicteert. Eindelijk werkt de haperende stem zich los uit de hevige ontroering, overwint hij smaad, krenkings-gevoel en verbitterd na-peinzen.... verzoekt hij te schrijven: „Ik kan mijn voortdurende tevredenheid betuigen over mijn dierbare echtgenoote,Maria Louise, en in haar bescherming beveel ik mijn kind aan. Voor haar zelve, voel ik tot op dit laatste uur niets dan teedre en innige gevoelens.”

Ik heb dit gedeelte van zijn testament nooit met droge oogen kunnen lezen. Het is zoo ontzettend-ingehouden smartelijk en zoo gróót-menschelijk van beheersching. En op een ander plan van gewaarworden, geeft het gelijksoortige ontroeringen als het groot-menschelijk geschreven testament van Beethoven, dat ook een geweldig brok levenstragiek saamvat in zijn droefste vormen.

Nu kan men nog zeggen, dat de teederheid van Napoleon alleen door de doodsuren was ingegeven, diepte en duur miste. Maar lees dan hoe Napoleon zich tegenover de onbeteekenende en onwaardige vrouwLouisegedroeg, tijdens zijn glorie en erkend keizerschap van Frankrijk.Coulaincourtverklaart dat al zijn aandacht en oplettendheid naar haar ging.

Champagnyverklaart, dat al zijn fijnste aandacht onafgebroken naar de keizerin ging.

Er zijn nog vele getuigenissen meer te geven van zijn kieschheid, bewondering, liefde en ontzag, welke hijMaria Louisetoonde. ZelfsMetternichgetuigt gretig mede. En 't allermeest, in haar eerste huwelijks-correspondentie....Maria Louisezelve, bekentenissen van liefde, overgave en geluksvervoeringen, welke niet meer konden te niet gedaan worden door latere woorden: „eigenlijk heb ik voor Napoleon nooit wezenlijk teedere gevoelens gekoesterd.” Dat waren de kille woorden van de beangste bijzit van generaalNeipperg, geheel in strijd met haar eigen, ongedwongen gegeven getuigenissen van huwelijksgeluk aan haar vriendinnen. Het isLevydie dit feit in zijn boek over Napoleon voortreffelijk doet gevoelen.

En nu, Napoleon's eigen tragisch leven op St. Helena.

Allereerst dan de boosaardige kwellingen die hij te dulden en te verduren had vanHudson Lowe, den menschelijken waakhond van Napoleon. Over dezen man is veel geschreven, zelden iets wezenlijk-verdedigends. Ik wil me niet in bizonderheden verdiepen over den krassen kommandant van St. Helena, wat den oorsprong van zijn haat aan Napoleon betreft. Ik constateer slechts daden, en hun verderfelijke krenking van Napoleon's rust.

Zoo goed alsMaria Louisezekere stoutzinnige verdedigers of goedpraters van haar daden vond, o. a. inFournier, „Maria Louise et la chute de Napoléon,”en zelfs de krijgshaftig zwarte lappen voor de oogen dragende baronNeipperg, zoo goed kreeg op zijn beurt, ookHudson Lowezijn pleiters van verzachtende omstandigheden. Onder meer het boek vanSeaton „Napoleon's captivity in relation to Sir Hudson Lowe.”OokEdmond Meyerneemt het voorHudson Loweop, wat de noodzakelijkheid zijner waakzaamheid betrof. Bovendien behooren de rapporten vanBalmuinnog genoemd, den Russischen commissaris, aan zijn toenmalige regeering overlegd. En dan nog dient gememoreerd watForsythter verdediging vanHudson Lowe, den kwelgeest van den onttroonden keizer, in het midden heeft gebracht.

Seatonvooral is doorPaul Fremeauxaangepakt. EerstFremeauxdoorSeaton, Hudson Lowe's verdediger, en toen, op onbarmhartige maar zeer gedocumenteerde wijze,SeatondoorFremeaux, een der grootste, zoo niet de grootste kenner van alles wat betrekking heeft op Napoleon's leven te Sint Helena. Eerst toont geestigFremeauxaan, dat de twéé verdedigers vanHudson Loweslechts één persoon zijn, onder twee namen werkend.

ForsythenSeatonzijn dezelfde. Het voortreffelijk en gevoelig, toch zeer zuiver geschreven werkvanFremeauxlijkt mij het boeiendste boek over St. Helena gepubliceerd en maakt den indruk van volkomen betrouwbaarheid en met groote zaakkennis bearbeid te zijn. Toch, alweer, het beste is, eigen indrukken, na alle gegevens omtrent personen en handelingen te hebben bestudeerd, aan eigen gevoel te toetsen. En dan maaktHudson Loweeen vreeselijken indruk. Een dwarse, trotsche, domme tergnatuur, van al het geniale en spontaan-groote afkeerig uit afgunstigen wrok; wrok der middelmatigheid tegen geestelijk-machtigen.

Hudson Loweheeft Napoleon duldeloos gesard, onbeschoft behandeld en grovelijk beleedigd. Hij heeft heminzijn val op smadelijk-plompe en harteloos-onhebbelijke wijze, ieder uur van zijn vulgair cipierschap,aandien val herinnerd.Hudson Loweheeft al de tragische grootheid,—ook in zijn ongeluk bleef Bonaparte een reus,—van Napoleon bezoedeld met zijn bureaucratische douanen-gestrengheid, en geen minuut verzuimd, zijn kleine, bekrompen cipiersziel te toonen, als hij maar den „generaal” kon kwetsen en kleinhouden. Hij heeft van zijn laffe, maar veilige overmacht zich klaar bewust, een geslagene en gebondene afgemat en getergd met schandelijk-onkiesche en wee-opdringerige contrôle. Zooals een opzichter van een drukke week-markt in een provinciestadje de baas speelt over boeren en buitenlui, met zijn officieel petje op den lompen kop, zich bluffend-lekker voelt met zijn rijks-gezag, zoo, even bekrompen en opgeblazen en stom-aanmatigend, voelde zich de gouverneur van St. Helena tegenover den gevangen Napoleon. Met een haveloos verstand tastte hij diens rang en grootheid aan, en de grievendste beleedigingen in den omgang bedacht hij om dit „generaaltje” klein te krijgen. InAutomarchi's dagboek verhaalt deze docter van Bonaparte, op welke wijze Napoleon verzoeken van zijn familie, om hemin zijn gevangenisschap te troosten, van de hand wees. „Nimmer zal ik er in bewilligen dat mijn familie ziet op welk een weerzinwekkende en hatelijk-minachtende wijze de Engelschen mij hier behandelen, aan welke beleedigingen en gemeenheden ik hier word blootgesteld. Ik wil niet dat iemand dàt ziet. Het is al erg genoeg, dat ik het zélf moet dulden.”

Automarchiverhaalt van de ontroering die den keizer beving bij deze woorden.... Ook deze dokter getuigt telkens en telkens weer van Napoleon's humeur op St. Helena. „Napoleon,” verhaalt hij, „luisterde naar ons, beantwoordde onze vragen, moedigde ons in een onderhoud aan door zijn geestige, gevatte opmerkingen. Hij was vriendelijk, opgewekt, correct, zachtzinnig, hij was een zeer beminlijk en goed mensch, vol hartelijkheid, eenvoud en belangstelling. Als hij iets verweet was het op den toon van een vriend; raad gaf, op dien van een vader. Op het moment van toorn, kon hij een oogenblik verschrikkelijk zijn; maar was deze voorbij, en meende hij iemand onnoodig driftig te hebben behandeld, dan deed hij alles om 't weer goed te maken.”

Zoo schetst onsAutomarchiden rampzaligen man, die zelf voelde dat hij voor de waereld opgehouden had te leven. En deze tragische held werd in zijn ongeluk nog getergde prooi van het kleingiftige waakbeestHudson Lowe.

Dapper, om een opgesloten leeuw, in zijn kooi met een lang stroo de ooren te kittelen en met een stok te dreigen. Wie voelt niet den starend-stalen blik van een gekrenkt koningsdier, als ge 't gewaagd hebt in laf genoegen, hem in zijn traliekooi óp te jagen met uw malle parapluie? Het kijken van zulk een heerschend schepsel, drong evenmin tot dezen bekrompen kustwachter door.

In de meest persoonlijke levens-aangelegenheden van Napoleon wou hij schaamteloos doordringen.Hij gunde hem geen rust, geen beperkte vrijheid van wandelen en bewegen, zelfs zijn omgeving geen voldoende voedsel. Hij omgonsde hem met zijn waakzame oplettendheid, als een mug, loerend op zoet menschenbloed, en die, na iederen wilden slag van de hand in 't duister 's nachts, een slapelooze kwelt, sart en afmartelt. Eens werd het zóó erg dat Napoleon hem toegang weigerde tot zijn woon, en bezwoer dat hij slechts over zijn lijk den drempel zou overtreden. Toen, een weinig beangst, druilde de kweller af.

Napoleon's vereenzaamde leven op Sint Helena is van een angstwekkende verlatenheid geweest. Iederen dag groeide de doods-schaduw voor zijn oogen. Ook het sterf-bewustzijn van Napoleon loochendeHudson Lowe, en zijn ziekte beschouwt hij argwanend als een soort tooneelspel van een arglistige.

Geen brief mocht Napoleon ongeopend ontvangen noch verzenden. Alles moest eerst doorHudson Lowegelezen en gekeurd worden. Achter iederen stap van den keizer volgde de stap van een bewaker. Zes soorten van signalen werkten op het eiland ten dienste van een gansche vloot, om Napoleon te bewaken van uur tot uur,.... Deze onteerende ziel deed het met wellust en wrok en verscherpte nog de meest krenkende voorschriften met een hatelijk genoegen. De meest gestrenge bevelen had deze man niet dan zonder zekere ingetogenheid en ontroering moeten volbrengen, gelijk zijn voorganger. In tegenwoordigheid van AdmiraalMolcolmriep Napoleon het hem toe: „U vult uwe dagen door allerlei kleinzielige, grievende en beleedigende dingen voor mij uit te denken. Als gedeporteerde boeven, zoo bewaakt ge ons. Generaals, die enorme legers hebben aangevoerd, behandelt gij als korporaals.... Een boek, mij opgedragen als keizer, hieldt gij achter, omdat ik er in als keizer werd toegesproken.” Toen steegde drift en verontwaardiging van Napoleon en hij viel uit, geweldig:

„Mijnheer, bedenk wel, ik ben keizer, kéizer Napoleon.... het is een boosaardige beleediging mij „generaal” te noemen. Engeland zal niet meer bestaan als men nog van Keizer Napoleon zal spreken.”

Deze uitdagend-gloeiende woorden zijn wel in hooghartigen trots door den regeerder en heerscher Napoleon gesproken. Het was een losbarsting na grievende en vernederende gedragingen, lang en lang van den cipierSir Hudson Lowete hebben geduld. Misschien te fel, te zelfbewust, te hoog-brandend van individualistisch gevoel tot vlam van toorn aangeflakkerd, maar toch begrijpelijk en te verwachten. De waakhond gromde en ging voort met kwellen en sarren en sprak, de gansche roemrijke geschiedenis van Napoleon uitschakelend, van den barschen en lompen „generaal” Bonaparte.

Fremeauxspreekt overHudson Lowemet niet minder afschuw danKielland, en vele anderen, die zoo goed als ik de zware verantwoordelijke bewakings-taak van dien gouverneur erkennen, doch welke met zooveel kiesche tact had moeten worden ten uitvoer gebracht.

Vlak vóór de in stilte weenende oogen van Napoleon, heesch hij ieder uur, de zwarte zeilen van het schip dat neven den gevangene, den Dood als passagier had opgenomen.

Een der vreeselijkste dingen voor Napoleon op St. Helena was...... de verveling. Heel de slaperige en ingezonken, moede en lustelooze omgeving van den keizer teLangwoodwerd er door aangevreten. Napoleon zélf kwelde ze het hevigst. Alle getrouwen wilden, ziek van heimwee, ellende en verveling, hem verlaten.Las Cases.... Mevrouwde Montholon, Graafde Montholon, zijn allertrouwste zelfs....Mevrouw Bertrand.... O, die eindelooze, kwijnende dagen op het rotseneiland, dit kille, grauwe, sombere oord, ze groeiden aanéén tot onafzienbaar zich uitrekkend grauw, grauw van verveling, eentonig en droefgeestig en troosteloos als het eeuwige zee-geruisch.

Napoleon zit in zijn donker vertrek, ingezonken. De droefheid kwijnt in zijn gedoofde oogen.... Hij hoort het zee-ruischen.... Het wordt avond; stilte.... angstige, drukkende uitgestorvenheid; het wordt nacht.... Slapeloos mijmeren, verlangen en smachten naar iets dat nooit weerkeert.... Het wordt weer morgen.... dezelfde kwellingen, eentonigheid en bedrijfloosheid. Hij grijpt altijd weer naar dezelfde boeken.... komt altijd weer terug op dezelfde gesprekken.... ziet altijd weer dezelfde gelaten, oogen, trekken, onder één licht, en dezelfde naargeestige kamer. Nooit een nieuw gezicht, een nieuwe stem, een afleiding, wisseling van omgeving.

En zulk eentonigheids-gemartel voor een man als Napoleon, die in de hoogste beweeg'lijkheid, wisseling van gebeuren, vrijheid van handelen, eerst ademen en gezond kon blijven.

Zaagt ge ooit een visch op het droge luchtzuigen, die vreeselijke, krampachtige trilling in de kieuwen, de benauwing in het springende, plotselinge stuiptrekkende bewegen? Zoo moet, in deze opgeslotene, omknelde gevangenschap Napoleon zich gevoeld hebben.

Zijn vroege dood verloste hem van dat duistere, kruipende, zich zacht uitrengelende, dan weer inkronkelende monster: verveling, dat hem de dagen, de avonden, de nachten tot een knagend-martelend verdriet maakte.

„Alweer een overwinning op den tijd,” riep hij wild uit, als hij na een gesprek of een voorlezinkje, vroeghoe laat het was, en het bleek later te zijn dan hij vermoedde.

Wekt ook zulk bestaan geen diep, smartelijk meegevoel?

Ondanks, of misschien wel door zijn peinzende droefgeestigheid, gaf hij prachtige gedachten over allerlei dingen; kostelijke bespotting van de geneeskunst, geheel in den geest vanRousseau. Maar zeer klare en schoone dingen beweerde hij over het treurspel. Den treurspel-schrijver stelde hij oneindig veel hooger dan den grootsten en den meest nauwkeurigen geschiedkundige. Gene gaf de ziel, de andere slechts het uiterlijk gebeuren der dingen. En dat gebeuren vaak nog verward en onjuist. Ook Napoleon's geestelijk leven op Sint Helena zou een afzonderlijke studie en behandeling waard zijn.

Als men zich nu afvraagt: wat was en wat is Napoleon nu eigenlijk voor de menschheid, dan kan men vrijelijk antwoorden: voor de menschheidwashij tijdens zijn leven een der grootste verschijnselen en verschijningen;ishij, ná zijn leven, niets meer.

Dit zonderling-tegenstrijdige feit wordt verklaard door den aard van zijn genie en enorme gaven, die toch alleen uit een bestaans-negativiteit groeien konden. Als ge den levenden bloei van een tarwe-bloem ziet, dan hebt gij vreugde in haar schoon, maar ook weet ge de gezegende kracht van het zaad, waaruit ze is opgeschoten. Ook de giftbloem heeft een levens-bloei, die in haar flonkering en gloed toch de kwaadsappigheid van haar bloed niet verbergen kan. Het oorlogs-genie, en het geestelijke genie staan in zulk een bange verhouding tot elkaar. Het oorlogs-genie gekoppeld aan een machts-wellusteling, een heerscher, nog angstwekkender.

Al Napoleon's levens-bewegingen waren gericht op stoffelijke glorie en op concrete geweldenarij, en daarmee al gebonden aan het vergankelijke en materieel-wegzinkende. Zijn veldheers-genie mag met een glans uit de hoogte omstraald zijn geweest, het miste den geestelijken ondergrond van de dingen die eeuwig blijven en altijd weerkeeren in het bestaan.Onder bepaalde voorwaarden kon dit genie stralen voor den tijd waarin het zich openbaarde, was het van levende waarde, daarna slechts werd het van historische beteekenis voor het nageslacht. Niet slechts zijn daadwerkelijke glorie, maar ook het innerlijk wezen eindigt bij en met den persoon zelf. Zijn scheppende daad heeft geen duur; ze vergaat met het gebeuren en de wisseling aller dingen, komt steeds verder en verder van ons af te staan. Dit is bij geestelijke grootheid en bij daden van scheppende werkers op geestelijk gebied, in ruimsten zin bezien, nooit het geval. Ik zou willen schrijven: die worden ons steeds klaarder en onbenevelder in hunne schoonheid door den tijd-afstand heen.

Ik verzoek u even een stap achterwaarts in de geschiedenis te doen. Voor wie onzerleeftnog het vechtgedoe van Alexander de Groote? Voor wie al de andere handelingen van vechthelden, als hun daden niet door een groot kunstenaar bezongen of in beeld gebracht zijn? Ge zult opmerken: dan léven toch hun daden. Zou 't? Of leeft alleen de geestelijke herscheppings-daad van den kunstenaar, die een doode en verwelkte stof met nieuw leven uit zijn hart bezielde? Over tienduizend jaar....

Nu lacht ge.... ik voel 't!

En toch allersnoepigste en gewiktste lezers.... en toch zal het moment over tienduizend jaar er even onafwendbaar zijn, als morgen.... uw „twaalfuurtje.”

Over tienduizend jaar,—ik ga voort ongestoord,—zal de gansche Napoleon uitsluitend een historische herinnering zijn.... Niets meer.

Nu nog bestaan onze rechtsinstellingen, onze militaire legers, onze scholen, onze klasse-verhoudingen.

Dán is er een geheel andere maatschappij, met een geheel andere techniek en door een gansch anderlevens-ideaal gestuwd. Men zal de strategie van Napoleon achterlijk noemen, hoe geniaal ook in de lijst van zijn tijd, en om den waan van een wereldrijk-verovering, onder auspiciën van één schepsel, lachen. Onafhankelijk van de dán bestaande maatschappelijke ontwikkeling zal men zeker zijn persoonlijk genie, in geestelijke vormen naar buiten tredend, erkennen en ontzaglijk noemen, en toch in heel zijn individueele bestaan slechts een slachtofferschap zien van tijd, aanleg en gebeuren. Voor het geestelijke leven van het menschdom zal dit eens zoo groote genie waardeloos wezen. Want zelfs de inspiratie's die zijn daden kunnen wekken in jonge zielen, als koenheid, wilsvastheid, daadkracht, discipline, zullen andere uitwerking hebben, omdat ze op geheel andere objecten betrokken, ook slechts door geheel andere prikkels in actie worden gebracht. Een tijd, waarin het bloedvergieten als een afschuwelijke, lage en zieke daad, door de geheele menschheid zal worden gevoeld en beoordeeld, kan ook nooit moed- en koenheid-inspiratie doen putten uit de moordlessen eener achterlijke strategie.

Napoleon's naam zal historie, doodgewone historie geworden zijn, zoo goed als beschouwingen over zijn leven en werken, en eens zal het menschengeslacht zoo ver van hem afstaan, als wij van bepaalde helden uit de oudheid. Zijn menschelijke natuur, zijn verschijnen, zijn bloei en ondergang kunnen altijd door een groot beeldend kunstenaar naar voren gehaald, en ieder geslacht worden voorgehouden. Maar deze grootheid zal altijd weer een door andere opgewekte zijn, en slechts als herinnering blijven leven. Hij liet niets achter!

Juist,... met al zijn enorme gaven, is zijn genie voor den nazaat onvruchtbaar, stierf af mét zijn persoon.

Beethoven, Rembrandt,Shakespeare,.... wat zededen en dachten bleef en blijft. Hun daden waren geestelijke handelingen, leefden zelfstandig, buiten en onafhankelijk van de lijflijkheid des scheppers.

Shakespeare, Rembrandt,Dante, ze gaan en leven mee met de menschheid, omdat ze van de eeuwige, wel vergankelijke, maar in haar vergankelijkheid zich altijd herhalende levenskern uit, hun werk hebben opgebouwd. De menschelijke hartstochten, de edele aandriften, de vreeselijke, ze gaven die in hun geestelijken oorsprong doorschouwd, ze vergeestelijkten er de zinnelijke werkingen van en schiepen een realiteit, door haar innerlijke kracht aan het eeuwig-keerende gebonden en dus onvernietigbaar als het bestaan zèlf. Ze maakten zich los van den greep der tijdelijkheid, door zelf léven te worden. Hun werk kon dus niet slinken, evenmin als het Bestaan ophouden.

Natuurlijk kan een deel van hun arbeid, persoon, toestand, verouderen, maar de dingen, waarin zij den eeuwig-onwijzigbaren aard en de diepste werkingen van liefde, begeerte, alle driften en verlangens der menschelijke natuur, in de algemeenste en tegelijk eigenste vormen vastgrepen, deze dingen blijven, onverwoestbaar. Hier openbaart zich de scheppende en onsterfelijke natuurmacht van een geestelijk-arbeidend genie, die in zijn daad,—zijn werk—het leven voortleeft als in het bestaande zelf, gecomprimeerd, saamgevat en onuitroeibaar.

Het militair genie, hoe groot ook in bepaalden tijd, is slechts een klein onderdeel van het uitsluitend geestelijk werkende genie. Zoo ook met Napoleon.

Zijn machtsglorie verblindde.... in den grond iets geheel materieels.

Napoleon was door het oorzakelijk gebeuren naar de plaats gedrongen, waar hij hoorde. Tijdgenoot van eenBeethoven, nam hij de aandacht der geheele wereld oneindig meer in beslag. Omdat—het klinkt vreemd—de soort van zijn genie van een zooveellagere orde was, en berustte op stoffelijke overheersching en stoffelijke glorie. Nietpersoonlijklijkt hij kleiner genie danBeethoven, maar de soort die hij vertegenwoordigde was 't. Het gevolg is, dat Beethoven voor de menschheid zal blijven leven en millioenen al heerlijker genot schenkt, terwijl de heugenis aan Bonaparte al meer zal verzwakken, en aan het wezenlijke geestesleven der tijden geen deel meer kan nemen. Napoleon heeft ontzettende rampen en vreeselijke doodslaanderij uitgelokt. Ik heb aangetoond dat dit in hem geen individueele wreedheid mag genoemd worden. Hij was wat hij moest zijn: de meest overweldigende herleving van het geconcentreerde heerschersbewustzijn in den nieuweren tijd, toegerust met een demonische grootheid van eigenschappen. De noodzakelijkheid, welke voor zijn glorie had gezorgd, bracht hem met even vreeselijke onverbiddelijkheid zijn val. Eerst liet zij dezen armen, naakten mensch, in duizelende vlucht losschieten tot de wolken; toen weer angstwekkend snel neertuimelen in duistere diepte van rampen.

Als voorbeeld van daemonische persoonskracht lijkt Napoleon onder oorlogsvoerders ongeëvenaard, door zelfbewustheid, zelfvertrouwen en geconcentreerde wilsmacht. En toch is hij een der meest tragische slachtoffers van het lot geweest. Men bestudeere zijn leven en als wij de hoogere en fijnere onderscheidingen bezitten, leeren wij allen veel van zulk een experiment: op welke wijze een mensch, alsstout individude menschelijke machtsgrenzen kan voorbijsnellen. En hoe, óver deze grenzen heen, de grootste en vrijmoedigste heerscher der waereld, achter een bajonet van een Engelsch soldaat gedwongen wordt aan te loopen als machtelooze gevangene; beknelder leeft dan een landlooper, die zich nog vrij in de ruimte zijn ongedierte van 't lijf kan schurken.

Op den aard zijner eigene grootheid heeft Napoleon ten slotte zelf een merkwaardig klaren kijk gehad. MetBertrandzich onderhoudend, zegt hij: „Generaal, wat zijn wij anders ten slotte dan lood. Zoo is het einde van ónze soort groote mannen. Evenals Caesar en Alexander, zoo word ik vergeten. Onze namen worden alleen nog voor de schoolbanken opgeroepen, en geheel naar gril en ingeving van den onderrichter hekelt of prijst hij onze daden. Als ik gestorven ben, is ook alles met mij verzonken. De scheppingen van onze grootheid gronden zich.... op het geweld.”

Dat Napoleon eerst zóó de oogen konden klaren en hij zoo vermocht te spreken even voor zijn dood, is misschien wel zijn grootste tragiek geweest.

Bladz: 16.

De tegenstelling welke deze buitengewone man met den algemeenen geest van zijn tijd vormt behoeft niet gezocht te worden, ze treft al dadelijk den blik.... Napoleon gelijkt een man van een ander tijdperk.

Bladz: 19.

ZelfsBouriennedie op het tijdstip waarin hij zijne „Herinneringen” schreef, persoonlijke redenen had om Napoleon's zachtaardigheid niet op te hemelen, beperkt zich niettemin met deze zinsnede te plaatsen op het oogenblik waarin de jonge Corsikaan verbitterd is door de spotternij zijner medeleerlingen.

Bladz: 25.

„Talleyrandvertelde me dat hij geen tijd had om zich te vermaken, om te gevoelen en te betreuren zooals andere mannen.”

Bladz: 26-27.

„Ik bezit hier geen andere middelen dan die van te werken. Ikkleedt me slechts iedere acht dagen; sinds mijn ziekte slaap ik zeer weinig, het is ongeloofelijk. Ik ga om tien uur naar bed en sta om vier uur 's ochtends weer op. Ik gebruik slechts één maaltijd per dag, om drie uur....Dit ís uitstekend voor de gezondheid.”

Bladz: 29.

Op één- of twee en twintigjarigen leeftijd moet Napoleon zeer verschild hebben van wat men in Parijs een beminnelijk jong mensch noemt en zijn vreugde was groot bij MevrouwColombierin den smaak te vallen.

Bladz: 29.

Te Valencia werd hij al dadelijk opgemerkt; hij beviel de vrouwen door zijn nieuwe en trotsche denkbeelden, door zijn stoutmoedige beweringen. De mannen vreesden zijn logika en de gesprekken, waarin de bewustheid van zijn persoonlijke kracht hen gemakkelijk meesleepte.

Bladz: 30.

De waarheden en gevoelens te bepalen welke noodig zijn de menschen in te prenten voor hun geluk.

Bladz: 30.

„Volgens de wijze waarop hij dit onderwerp behandelde en ondanks de geestdrift die hij erin legde is het toch geoorloofd te besluiten dat hij niet de minste roeping had voor het vak van zedemeester.”

Bladz: 32.

Nimmer heeft een menschelijk wezen zooveel wreedheid, verdrukkingszucht, heftigheid, verspilzucht, lage ontucht, gierigheid in zich vereenigd als deze Napoleon. Nimmer had de natuur nog zulk een afschuwelijk wezen voortgebracht.

Bladz: 32.

Diderot, zoon van een messenmaker, was eenzeer onzedelijk menschen heeft heel loszinnige werken doen verschijnen.

Bladz: 32.

In 't algemeen wasRousseauin Frankrijkbekendals de laagste der menschen.

Bladz: 33.

.... wil Frederik de Groote nà-âpen; hij tracht het hoofd te dragen als Frederik het deed; hij heeft snuiftabak in zijn vestzak als Frederik. Hij heeft dansen geleerd, omdat Lodewijk XIV ook danste. Zoodra hij tot het Consulaatschap geraakt was, ging hij jagen; nooit van zijn leven had hij nog gejaagd; hij werd jager om de koningen van Frankrijk na te bootsen.

Men heeft beweerd dat deze groote staatsman, deze groote kapitein, die groote wijsgeer, een vijand was van losbandigheid,dat hij zelfs vrij was van de zwakheden welke men enkele groote mannen verwijten kan. Hij bezit twee smaken die men zelden in denzelfden man tegelijk aantreft: hij is ontuchtig met de vrouwen en bezit de ondeugd waarvan men valschelijk Socrates beschuldigde. Zijn aartskanselierCambacérèsstaat hem prachtig terzij in deze schandelijke neiging! Ik zou niet verwonderd zijn geweest als hij op zekeren dag, om Nero in alles na te volgen, een zijner pages en een zijner mamelukken huwde. Hij was zonder eerbied voor de kuischheid en verheelde zelfs geen bloedschande; hij heeft openlijk geleefd met zijn twee zusters, de damesMuratenBorghèse; de eerste beroemde er zich jegens een ieder op. Men weet genoeg dat, toen Mevrouw Lodewijk Bonaparte, de dochter vanJoséphine, zwanger van Napoleon was, hij zijn broeder dwong haar te huwen. Niet minder zeker is het dat diezelfde Napoleon de vader is van een ander kind waarvan deze dame achttien maanden geleden beviel.

Bladz: 34-35.

In dezen grooten overblijver van de XVe eeuw verschijnen zij opnieuw. De werking van het zenuwstelsel is bij hem gelijk aan dat zijner Italiaansche voorouders; zelfs bij deMalatesta's en deBorgia's zijn er nimmer nog gevoeliger en impulsiever hersenen voorgekomen, in staat zulke electrische ladingen en ontladingen te weeg te brengen en waarin de inwendige beroering aanhoudender en donderender was, ook plotselinger in bliksemsnelheid en onweerstaanbaarder in gebeuren. Geen enkel denkbeeld blijft bij hem gewaagd en zuiver; geen enkel ervan is een eenvoudige copie van het reëele of een simpel tafereel van het mogelijke; een elk ervan is een inwendige schok, die onmiddellijk en spontaan ernaar streeft zich in een daad om te zetten; een elk ervan schiet naar voren, snelt op zijn bestemming aan en zou ook zonder oponthoud er toe geraken, indien hij niet door geweld werd teruggedrongen en ingehouden. Soms is de uitbarsting zoo snel dat de onderdrukking ervan niet tijdig genoeg plaats heeft.

Bladz: 35.

Op zekeren dag in Egypte, toen hij eenige Fransche dames bij zich had te dineeren, liet hij een mooi wezen, wier echtgenoot hij naar Frankrijk teruggezonden had, naast zich plaats nemen. Plotseling en als door onachtzaamheid stort hij den inhoud eener karaf vol water over haar heen en onder voorwendsel de daardoorveroorzaakte wanorde in haar toilet te herstellen, neemt hij haar met zich mee in zijn appartement; langen tijd, te langen tijd blijft hij daar met haar, terwijl de gasten om de tafel aan het onderbroken diner gezeten, wachten en elkaar aankijken.

Bladz: 35.

Te Parijs, een anderen dag, omstreeks het tijdstip van het concordaat, zei hij tot den senatorVolney: „Frankrijk wil een godsdienst.” Droogaf en vrijuit antwoorddeVolney: „Frankrijk wil deBourbons.” Hij dient daaropVolneyzulk een schop in den buik toe dat deze buiten kennis geraakt en bij een vriend gebracht, daar ziek te bed blijft liggen gedurende eenige dagen.

Bladz: 36.

Is het niet ellendig de wijsbegeerte der geschiedenis acht te zien slaan op de roddelarijen van twee blauwkousen; beide toch waren onmachtig ooit de brandende misrekeningen van hunne vrouwelijke ijdelheid te vergeven?

Met gretige tanden den man te verscheuren die hen afwees is voor het zwakkere geslacht de banale en onvermijdelijke wraak der droombeelden, gelijk die van Mevrouwde Stael; zij toch werd koel teruggestooten toen zij ontvlamd was bij den waan weer de groote gunstelinge van voorheen te kunnen spelen, evenals het gevolg moet zijn geweest van het verblijf van Mevr.de Remusatbij den Keizer tePont de Briques, waar deze dacht een machtigen invloed op hem te hebben verkregen. Als dit geen diepe teleurstelling is hoe zijn dan anders te verklaren de gruwelijkheden in de herinneringen ten beste gegeven en tegelijk de geestdrift of beter gezegd het fetichisme waar Napoleon Mevr.de Remusatmee vervoerde na de lange avonden van samenzijn voorheen door hen geleefd?

Bladz: 36-37.

Om deze zaak te bekrachtigen haalt men drie schrijvers aan. Toch is er wel een weinig wantrouwen veroorloofd wanneer men bemerkt dat deze drie schrijvers in werkelijkheid een en dezelfde verhaler zijn.

Bodintoch zegt het feit te hebben vanBesnardenSainte Beuveberoept zich weer opBodin.

Aldus berustte het verhaaltje van den beruchten schop uitsluitend op de bevestiging van den negentigjarigenBesnard.

Naast deze wrakke veronderstellingen en bewijzen bestaat er eenonweerlegbaarfeit, dat, minstens genomen bewijst datVolney, die een beschaafden geest bezat, geen weerwraak wilde en iets anders dan dezen schop ontvangen had: hij behield namelijk zijn senatorszetel en weldra werd hij geldelijk beloond en in den adelstand verheven; bij den val van het Keizerrijk was hij Senator, graaf en kommandeur van het Legioen van Eer.

Bladz: 37.

Ja, het is waarachtig de troon van Karel de Groote die zich na tien eeuwen weer opricht.

Bladz: 37.

Het was Gode gevallig dezen held met alle groote hoedanigheden te begiftigen.

Bladz: 37.

De aarde zweeg voor Alexander die haar wilde onderwerpen; voor Napoleon, de aarde, de zeeën die hij wil oversteken, het heelal dat hij van zijn naam vervult, verkondigen luide de grootheid van zijn ziel!

Bladz: 37-38.

De man voor wien het heelal zwijgt is ook die, waaraan het heelal zich toevertrouwt.

Bladz: 38.

Welke god heeft ons deze genoegens verschaft? Het is deze buitengewone man die Frankrijk verjongd heeft.

Bladz: 38.

Napoleon staat boven de menschelijke geschiedenis; hij behoort tot de heldentijden en is boven alle verheerlijking verheven.

Bladz: 38.

Niemand was gevoeliger, niemand standvastiger in zijn genegenheden dan Napoleon.

Bladz: 38.

.... „dat hij gaarne tegenspraak duldde en zelfs dat hij vaak toegaf.”

Bladz: 39.

„—vond hem zachtaardig van voorkomen, een eenvoud in zijne manieren die afstak bij de altijd tooneelmatige wijze van doen vanLucien.”

Bladz: 39.

„—zijn blik verkreeg een oneindige zachtheid.”

Bladz: 52.

„Ik geloof dat de liefde schadelijk is voor de maatschappij en het geluk der menschen. Ten slotte geloof ik dat de liefde meer kwaad dan goed doet.”

Bladz: 53.

Ik ontvang je brief mijn aanbiddelijke vriendin; hij heeft mijn hart vervuld van vreugde.... Sinds ik je verliet was ik steeds bedroefd. Mijn geluk is bij jou te zijn. Onophoudelijk herhalen zich in mijne gedachten je kussen, je tranen, je liefelijke jaloerschheid; en de bekoorlijkheden der onvergelijkelijkeJosephineontsteken voortdurend een laaiende, gloeiende vlam in mijn hart en zinnen.

Bladz: 53.

Ach! ik bid je, laat mij eenige van je gebreken zien; wees minder schoon, minder gracieus, minder teêr, vooral minder goed. Wees vooral ook nimmer jaloersch, ween nooit; je tranen ontnemen mij het verstand, verschroeien mijn bloed. Wees ervan verzekerd dat het niet meer in mijn macht staat een enkele gedachte te hebben die niet voor jou is,—en een denkbeeld, jou niet toegewijd.

Rust goed uit. Herstel spoedig je gezondheid. Kom bij me; en dat we tenminste, alvorens te sterven, kunnen zeggen: „Wij waren zooveel dagen gelukkig!” Duizend kussen en zelfs aanFortunéondanks zijn kwaadaardigheid.

Bladz: 58.

„....dat hij zelfs in het schaakspel zijn beide raadsheeren weer wist te herwinnen. Hij hield er niet van dat men dit te ernstig opmerkte, hij lachte er zelf het eerst om, maar was toch kwaad als men er te veel belang aan hechtte; en feitelijk moest men er eigenlijk meer om spotten dan er kwaad om worden, want hij speelde nimmer om geld.”


Back to IndexNext