DE WOLKENO Wonderen der lucht,In rust of wilde vlucht,Geboren er uit damp,Bij vocht- en warmtekamp,Hoe trekt bewond’rend ’t oogGij naar des Hemels boog,Van de aarde laag beneên,Hoog naar u Wolken heên!’t Zijt gij als enk’le wolkVan goud, uit ’s azuurs kolk,Steeds wandelt met de zon,Van waar haar loop begon,Geheel de dagreis mee,Door ’s hemels blauwe zee,Tot waar haar gloed verdwijnt,En ’t laatst uw kruin beschijnt,’t Zij gij onmeet’lijk hoog,Pas merkbaar voor het oogNauw door den blik gepeild,Als Cirri statig zeilt,Door ’s Golfstrooms kracht geprest,Van ’t vochtig, warm Zuid-West.’t Zij gij als Stratuswolk,Met Cirri, tot een tolk,Wanneer het graan verdort,Van vrucht’bren regen wordt,Of ook, bij winterdag,Gij soms als met een slag.Eensklaps en over nacht,De aard kleedt in winterpracht,En dagen lang uw grauw,Verbergt ’s uitspansels blauw.Hoe onbeschrijflijk trotsch.Als vast gebergt’ van rots,Toont ge aan den hemelboord,Bij Winter U in ’t Noord.Als schoonste wolkenvorm,Bergend den hagelstorm,Bij Zomer in het Zuid,Als Cumulus zich sluit,Aan Cumuli, tot zwart,En blauw dooreengeward,Van Nimbus regenvloed,Terwijl een kop’ren gloed,Op scherp begrensden rand,Des koepelvorms ontbrandt.En ’t bliksemt over de aard’Waar ’s donders sterns langs vaart!Maar soms, wat lieflijkheid,’t Is of een kudde weidt,Van schaapjes, groot en kleen,Door ’t veld des hemels heen.Een woll’ge wolkjes troep,Gelijk een lamm’ren groep!En lager van het NoordIs ’t of een gouden poort,Van een azuren vest,Zich opent naar het West.Zwaar, groot als eenmaal, de Ark,Daar gindsche wolk! Een bark,Van goudgloed zeilend zacht,In ’t zog, vol stille pracht:Wat levend kleurenspel,Rondom, van dof en hel!In gindsche groep, geheelAaneengesloten, beel’k Mij in, of zoo misschien,Die wolk eens was te zien,Die rustte op Sinaï,En Hem bedekte, Die,Zijn wet en Zijn bevel,Verkonde aan Israël,Zijn grootheid, majesteit,In Zijne heerlijkheid.Te zien, meen ’k daar een wolk,Die eenmaal Mozes volk,Voorging, als aan de spits,Van ’t leger, het ten gids,Die wand’lend, langzaam trekt,Naar ’t Zuiden heengestrekt.Van allen in ’t rondom,Trekt gindsche wolkkolom,Mij aan, alsof zoo een,Zich breidde om Jezus heen,En hem bedekken ging,Bij Zijn verheerlijking.Die wolk van gouden licht,Die opdaagt voor ’t gezicht,Kon toch naar allen schijn,Het evenbeeld wel zijn,Dier wolk, die ’s menschens Zoon—Toen Hij, tot Zijnen troonOpvoer, daar stond bereid,Om in haar donkerheid,Des werelds Middelaar,Te ontvoeren aan Zijn Schaar.Wat levend kleurenspel.Rondom van dof en hel,In staâge wisseling!Waar ’t bleekrood overging,Uit lief’lijk teêr en zacht.Tot held’re purperpracht.Op eene wolkpartij,Die statig van ter zij.Haar glans bewond’ren doet.Terwijl de oranjegloed.Cumulus zacht weerkaatst,Van ’t zonlicht, voor het laatst.
O Wonderen der lucht,In rust of wilde vlucht,Geboren er uit damp,Bij vocht- en warmtekamp,Hoe trekt bewond’rend ’t oogGij naar des Hemels boog,Van de aarde laag beneên,Hoog naar u Wolken heên!’t Zijt gij als enk’le wolkVan goud, uit ’s azuurs kolk,Steeds wandelt met de zon,Van waar haar loop begon,Geheel de dagreis mee,Door ’s hemels blauwe zee,Tot waar haar gloed verdwijnt,En ’t laatst uw kruin beschijnt,’t Zij gij onmeet’lijk hoog,Pas merkbaar voor het oogNauw door den blik gepeild,Als Cirri statig zeilt,Door ’s Golfstrooms kracht geprest,Van ’t vochtig, warm Zuid-West.’t Zij gij als Stratuswolk,Met Cirri, tot een tolk,Wanneer het graan verdort,Van vrucht’bren regen wordt,Of ook, bij winterdag,Gij soms als met een slag.Eensklaps en over nacht,De aard kleedt in winterpracht,En dagen lang uw grauw,Verbergt ’s uitspansels blauw.
Hoe onbeschrijflijk trotsch.Als vast gebergt’ van rots,Toont ge aan den hemelboord,Bij Winter U in ’t Noord.Als schoonste wolkenvorm,Bergend den hagelstorm,Bij Zomer in het Zuid,Als Cumulus zich sluit,Aan Cumuli, tot zwart,En blauw dooreengeward,Van Nimbus regenvloed,Terwijl een kop’ren gloed,Op scherp begrensden rand,Des koepelvorms ontbrandt.En ’t bliksemt over de aard’Waar ’s donders sterns langs vaart!
Maar soms, wat lieflijkheid,’t Is of een kudde weidt,Van schaapjes, groot en kleen,Door ’t veld des hemels heen.Een woll’ge wolkjes troep,Gelijk een lamm’ren groep!En lager van het NoordIs ’t of een gouden poort,Van een azuren vest,Zich opent naar het West.Zwaar, groot als eenmaal, de Ark,Daar gindsche wolk! Een bark,Van goudgloed zeilend zacht,In ’t zog, vol stille pracht:Wat levend kleurenspel,Rondom, van dof en hel!
In gindsche groep, geheelAaneengesloten, beel’k Mij in, of zoo misschien,Die wolk eens was te zien,Die rustte op Sinaï,En Hem bedekte, Die,Zijn wet en Zijn bevel,Verkonde aan Israël,Zijn grootheid, majesteit,In Zijne heerlijkheid.Te zien, meen ’k daar een wolk,Die eenmaal Mozes volk,Voorging, als aan de spits,Van ’t leger, het ten gids,Die wand’lend, langzaam trekt,Naar ’t Zuiden heengestrekt.Van allen in ’t rondom,Trekt gindsche wolkkolom,Mij aan, alsof zoo een,Zich breidde om Jezus heen,En hem bedekken ging,Bij Zijn verheerlijking.Die wolk van gouden licht,Die opdaagt voor ’t gezicht,Kon toch naar allen schijn,Het evenbeeld wel zijn,Dier wolk, die ’s menschens Zoon—Toen Hij, tot Zijnen troonOpvoer, daar stond bereid,Om in haar donkerheid,Des werelds Middelaar,Te ontvoeren aan Zijn Schaar.
Wat levend kleurenspel.Rondom van dof en hel,In staâge wisseling!Waar ’t bleekrood overging,Uit lief’lijk teêr en zacht.Tot held’re purperpracht.Op eene wolkpartij,Die statig van ter zij.Haar glans bewond’ren doet.Terwijl de oranjegloed.Cumulus zacht weerkaatst,Van ’t zonlicht, voor het laatst.